Wouteren deugdzame lezers worden teleurgesteld doorFancy,die ’n lynch-vonnis kasseert. Ter vergoeding levert ze bydragen tot de physiologie van zekere nyverheid, en benoemt zeWoutertot trooster van ’n diep bedroefde moeder. De lezer wordt gepaaid met het stuk volksroem, waarop hy al zoo lang gewacht heeft. OfWouterHaarlem bereikt?—Wel, jongeheer, daar schynt wat vreemds voortevallen. Hoor me die vrouwspersoon eens schreeuwen!—Ja, m’nheer, ze schelden. Ik geloof zeker dat er ruzie is.De opmerking van pater Jansen was gegrond, en Wouter’s geloof ditmaal eens byzonder goed. Er was inderdaad iets byzonders aan de hand en er werd gescholden.En alweer vroeg Wouter waarom die vrouw zoo schold, en “tegen wien ze ’t had?” Hy kon aanvankelyk niet uit de zaak wys worden, en deed hiermee tot m’n groot genoegen z’n leermeesters by het postkantoor weinig eer aan. Uit de onnoozele vragen die hy tot z’n bejaarden vriend richtte, bleek duidelyk dat hun onderwys niet best aan hem besteed was geweest. En pater Jansen was nu juist de rechte man niet om hem behoorlyk intelichten, want er was by die schuit iets zeer gemeens te doen, en daarvan had-i geen verstand. Wel kende hy in z’n hoedanigheid van zielengeneesheer de gewone verschynselen van de ziekten die men hem intheologie-derdeals “zonde” had leeren kennen en behandelen—de kursus liep,excusez du peu, intheologie-eerstetot en metgenezentoe!—maar juist omdat-i ze slechts als zoodanig bestudeerd had, stond-i met de handen verkeerd, zoodra de vyand tot wiens verdelging hy ambtshalve geroepen was, zich in levenden lyve aan hem vertoonde, wat hier werkelyk ’t geval bleek. De goede pater mocht van geluk spreken dat-i, eenigszins verlegen door de verrassing, en misschien ook weerhouden door de stoffeering van het tooneel dat byzonder weinig op ’n biechtstoel geleek, niet terstond aan ’t bedokteren ging van de zieken die hier overvloedige blyken gaven van behoefte aan wat beterschap. De goede man zou zeker ’n gek figuur hebben gemaakt, en dit ware jammer geweest. Hy vernam by deze gelegenheid byna evenveel nieuws als Wouter, en ook zonder deze overeenstemming was ’t opmerkelyk in hoevéél opzichten de indrukken die zy hier opvingen, elkander geleken. Jansen was in wereld- en menschenkennis ongeveer blyven staan op ’t standpunt dat Wouter onlangs bereikt had, en alzoo steeds minderjarig in de boosheid gebleven. Het verschil tusschen deze beide kinderen bestond hoofdzakelyk hierin, dat de ontwikkelende knaap méér weten wilde en zichzelf beschuldigde van domheid, terwyl de volwassen man heel tevreden was met z’n verstandelyke toerusting. En waarom zoud-i niet? Hy had immers alle voorgeschreven examens achter den rug, en wist dus precies wat er in zake zielenherderschap kon geweten worden. Z’n tevredenheid sproot volstrekt niet uit eigenwaan voort, maar uit plichtmatig vertrouwen op de knappe luî die verklaard hadden dat-i behoorlyk volleerd was en raad wist met alle zonden. Hy had er latynsche getuigschriften van, met zegels er op. Wat wil men meer?Ik kan de meening niet deelen van sommigen die beweren dat ’n katholiek geestelyke zoo byzonder veel menschkunde zou opdoen in den biechtstoel. Het komt me voor, dat men daarby over ’t hoofd ziet hoe moeielyk het is zichzelf te schetsen, en dat de biechteling, ook by de hoogstdenkbare oprechtheid—volkomen oprechtheid is onmogelyk!—slechtsdadenenfeitenkan openbaren. Vanwaarimmers zou hy de psychologische ontwikkeling halen, die niet ontbeerd worden kan door iemand die al de schakeeringen van deroerselszyner handelingen uit elkaar wil houden? En vanwaar de welbespraaktheid om die duidelyk blootteleggen voor ’n ander? Waarlyk, wieditkan, knielt niet naast ’n biechtstoel om de geheimen van z’n ziel toetefluisteren aan ’n priester! Niet voor dezulken is de oorbiecht uitgevonden, en niet voor hèn wordt ze in-stand gehouden. Wie dit betwyfelt, lette eens op den graad van verstandelyke ontwikkeling waarmee ’t meerendeel der geestelyken blykt te kunnen volstaan. Er hing me hier ’n beeld in de pen, waarmee ik ’t verschil in soort van hun werkzaamheid wilde schetsen, doch ik houd het terug. ’t Was iets als ’n vergelyking tusschen den Schwartzwalder boer die houten klokjes snitselt, en den fabrikant van fyne zakuurwerken te Genève. Deugt niet, deugt niet! Er is hier geen spraak van ’t onderscheid tusschen grof en fyn, niet eens zelfs altyd van meer of minder ingewikkeldheid der organismen. Op ’t oneindig wyd gebied van menschkunde heerschen àndere verschillen! Reeds zeer lang geleden zagen we hoe tevreden pater Jansen was over Femke’s ziel—geen Schwartzwalder snitselwerk, op m’n woord!—en onlangs stelde ik den lezer in de gelegenheid ’n brok theologischen kursus bytewonen, door hem in kennis te brengen met Styntje. Hoe gelieft men nu den toon te noemen, waarop die beidie personen zich uitlieten over zaken die door anderen slechts werden behandeld met konynenmondjes en in pontifikaal! Ondeftig was die toon, o zeker! Maar toch—en ik bedoel dit in zéér hoogen zin—onaesthetisch, grof, onzedelyk dus, was die toonniet!Er was hart in, en kinderlykheid, en overtuiging. De uitdrukkingen die pater Jansen en z’n dienstbode zich veroorloofden... och, ze wisten niet dat er iets te veroorlooven viel! Van kinds-af vereenzelvigd met hun naïf geloof, bespraken zy de dingen die daarmee in verband stonden, met dezelfde gemakkelykheid als andere belangen van hun huishoudentje, en Styntje’s tevredenheid over ’t vereffenen der schuld van haar moeder was van gelyke soort als haar voldoening zou geweest zyn over ’t wèlslagen van ingemaakte zuurkool. ’t Spyt me dat ik op ’t oogenblik niemand tot getuige roepen kan die haar aankomst in den hemel heeft bygewoond, maar we mogen ons verzekerd houden dat ze by die gelegenheid even onbevangen gevraagd heeft: “wel, waar is ze nu... m’n moeder? Ze weet immers dat ik alles krek in-orde heb gebracht?” als ze Wouter opdroeg haar teerbeminden pater te beschermen tegen z’n goedgeefsheid. En ook hyzelf was er de man niet naar, om z’n God en goddelyke dingen terugstootend te maken door deftigheid. Z’n geloof en al wat daaruit voortvloeide, was hem de meest dagelyksche zaak van die wereld.Maar... die wereld-zelf kende hy nu eenmaal niet! Hy wist er niet veel meer van dan z’n biechtelingen hem konden of wilden meedeelen, en deze zeer gebrekkige inlichtingen namen nog bovendien steeds de kleur aan van z’n eigen schuldeloos gemoed. Elk bedrevenkwaad scheen hem ’n ongeluk toe, en de vermaningen die hy uitsprak of de boetedoening die hy soms meende te moeten voorschryven, geleken meer op ’n vriendschappelyk toegediende hartsterking dan op berisping en straf. ’t Was waarlyk geen wonder dat-i niet recht vatte wat er by die haarlemmer-schuit verhandeld werd! Een der hoofdpersonen in het drama-bedryf dat hier werd afgespeeld, de vrouw die door haar luidruchtigheid en gemeenen opschik de aandacht van ’t publiek tot zich trok, was te Amsterdam geweest om wat koopwaar optedoen voor haar winkel te Haarlem. Die koopwaar bestond in ’n tweetal... meisjes, neen—twee “meiden” zeg ik ook niet graag—uit twee jeugdige vrouwspersonen dan, die ze door geschenken en de voorspiegeling van ’n lui leven tot zich had weten te lokken. Wat ik hier “geschenken” noem, was in werkelykheid ’n driedubbel geboekt woekervoorschot. En “ze had het zwart op wit” zei ze, op haar dy slaande, waar de kostbare dokumenten geborgen schenen die haar woorden konden bevestigen. Deze bewysvoering was tegen de moeder van een der beide schepseltjes gericht, die lucht van de zaak gekregen, en gezorgd had vóór ’t afvaren van de schuit daar te zyn. ’t Woord “moeder” klinkt liefelyk, en de goedige lezer verwacht dat de vrouw zich daar bevond om haar kind te ontrukken—“zoo noemt men zulks” zou Stoffel zeggen—aan de klauwen des verderfs... och, ik ben daar jammerlyk op ’n boekenfraze verzeild geraakt. Dat komt er van, als men z’n schryftafel zoo vol modellen heeft liggen!1Die “moeder” was doodeenvoudig daargekomen om ’n aandeel te vorderen in ’t reeds genotene, en vooral om ’n aandeel te bedingen in de toekomstige winst. Het toegeschoten publiek was verontwaardigd, of toonde zich zoo, en verdeelde de uiting van z’n misnoegen vry gelyk tusschen de moeder en de waardin. Deze beiden aan ’t kyven! De twee rekruten zwegen, maar toch kon ’n opmerkzaam toeschouwer te weten komen wie van de strydvoerende partyen met haar sympathie vereerd werd, en wel door de plaats die zy innamen, of die ze trachtten te hernemen als ze voor ’n oogenblik vandaar waren weggedrongen. Blykbaar schaarden ze zich, zoowel in overdrachtelyke als in letterlyke beteekenis van ’t woord, aan den kant der waardin. En er was reden toe! Deze had “so werachtich as Chot” niets minder verzekerd dan dat haar kontubernaaltjes ’s morgens zoo lang konden slapen als ze maar verkozen, en ’s avends zouden ze onthaald worden op jenever met suiker... als ze maar ’n “heer” wisten te bewegen die versnaperingen voor zyn rekening aan ’t buvet te bestellen. Nu, hiertoe meenden de meisjes kans te zien. Maar ’t zou haar tegenvallen. Ze overschatten den invloed en den markt-prys van haar bekoorlykheden—de goedkoopste zaak ter-wereld!—en ook wel ’n beetje de mildheid van de “heeren.” Maar de beminnelyke waardin liet haar aanstaande voedsterlingetjes in den waan dat er met nagebootste huurliefde terdeeg wat ’te verdienenviel. En er werd nog meer beloofd. Ze zoudenKrelienenSefieheeten, en door de meid “juffrouw” genoemd worden. Om ’n voorsmaak van die heerlykheid te geven, en tevens van den toon die in haar etablissement heerschte, sprak ’t wyf gedurig van haar “dames.” Wat kon, tegenover zulke schitterende aanloksels, de moeder bieden, zy die maar ’n arme werkster was? Ik weet wel dat sommige boekenluî ’n antwoord op deze vraag gereed hebben. Ze spreken by zulke gelegenheden van tucht, reinheid van ziel, eer, gemoedsrust, moederlyke teederheid... och, onze beide Kaatjes hadden liever jenever met suiker! Maar ik moet er by zeggen dat de keus haar niet zóó moeielyk gemaakt werd, als de papiermoralisten van zoo-even wel denken zouden, want de moeder hield zich met al die roerende dingen niet op. Ze reklameerde haar deel van de zaak, en eischte vóór alles ’n bonten voorschoot terug, dat ze volgens haar beweren aan haar dochter geleend had.—En zal ik er nou dàt niet eens van hebben, riep ze, dat ik m’n eigen goed weerom kryg? Hy heeft me drie skelling en ’n oortje gekost?Ervan? Wáárvan, o vrouw? Wáárvan? Ik vraag u,wáárvan?Nu, dit kon háár niet schelen, en:—Dat kanmyniet schelen, schreeuwde ook de waardin. Mensch, je moest je schamen, dat moest je! Wel ja, wat zeg jylui—dit was ’n beroep op de kiesheid van de omstanders, die deze onderscheiding ten-volle verdienden—wat zeg jylui? Is ’t geen schande dat ’n moeder haar eigen kind ’n standje komt maken om ’n boezelaar?—Ik wou maar dat we-n-afvoeren, zuchtte een van de Kaatjes. Wat treuzelt die schipper!—Drie skelling en ’n oortje, zoo waar as er ’n God in den hemel is, op deNumàrtin den bontjeswinkel! Geef hier, m’n goed! ’t Ismyngoed, zeg ik je! Geef hier!Een poging om ’t betwist voorwerp met geweld machtig te worden, mislukte. Op-eens wendde de teedere moeder de zaak over ’n anderen boeg. Ze trachtte haar stem aandoenlyk te maken, en huilde:—Heb ik je dáártoe opgebracht?Wel zeker! Waartoe ànders, o teedere moeder?—’t Is om te besterven, menschen, dat is het! En zeg, wat zal je vader daarvan zeggen?—Nou, laat er je man maar buiten, zou ik je raden! Die zit hoog en droog in de rooie zaagsel.2Wat zeg jy, Ka?Kaatje bevestigde de zaak wel niet uitdrukkelyk, maar gaf toch ’n antwoord dat heel weinig op verontwaardigde ontkenning geleek, door op-nieuw moeite te doen om zich van haar moeder te verwyderen, en ’n veilig plaatsje te krygen achter de waardin. Deze haastte zich ’n zegel op de beteekenis van Kaatje’s manoeuvre te zetten:—Wel ja, meid, ’n woord ’n woord, ’n man ’n man, niet waar?En... ik heb ommers al de papieren in m’n zak. Wat zeg jyluî? Een mensch kan toch niet meer verlangen als zwart op wit!De vrouw had weer op haar dy geslagen, en scheen antwoord te wachten. Er gingen dan ook uit het publiek eenige stemmen op, maar ze getuigden van verdeeldheid der meeningen. Wel hoorde men hier-en-daar: “zieje, ’t is toch altyd haar moeder!” maar ook toonden sommigen zich verontwaardigd over de vreemde soort van ’t moederschap dat hier vertoond werd. Een stemming by zittenblyven en opstaan kon moeielyk verordend worden, omdat deheelezaak in de letterlyke termen van ’n “standje” viel. Bovendien, de strydvoerende partyen wachtten zich wel ’n beroep op de meerderheid te doen, voor ze met eenige zekerheid berekenen konden die meerderheid op haar hand te hebben. En hiertoe bestonden aan geen van beide zyden voldoende gegevens. Velerlei scheldwoorden rezen uit de vergaderde menigte op, maar ’t viel moeielyk te beslissen tot wie ze gericht waren, omdat ze meestal nogal toepasselyk konden geacht worden op ieder van de vier vrouwspersonen in ’t byzonder. De hieruit voortspruitende verwarring bewees hoe groot de behoefte was—ook zelfs in de laagste standen der Maatschappy—aan eenig besef van onderscheidtusschenscheldenenbeschuldigen.—M’n drie skellinge wil ik hebben, kryschte de vrouw, terwyl ze trachtte haar dochter by den voorschoot te grypen. Ik wil m’n geld, m’n drie skellingen, of anders...Haar schreeuwen herinnerde Wouter aan de wanhoop der edele Hersilia over die verlorenzeven gulden dertien, en langs derailsvan al wat er sedert ’n etmaal weer met hem was voorgevallen, liep z’n herinnering uit op de vyftig guldens die hy in z’n zak had. “Alshyeens die arme vrouw aan ’n nieuw voorschoot hielp? God zou ’t zeker weer niet doen, en daar er nu toch eenmaal in ’t helpen iets goddelyks ligt:—Wat dunkt u, m’nheer? vroeg-i aan pater Jansen?—Ik ben erg bedroefd over die menschen, zei de goede man.—O zeker, m’nheer! Maar... die boezelaar? Drie schellingen is nog geen volle gulden, en alswynu eens...—Dat mag volstrekt niet, jongeheer! Het doet my in de ziel leed dat die menschen op zoo’n verkeerden weg zyn—want dit moet ik er haast wel van gelooven—maar ’t geld dat je by je hebt, is je niet gegeven om...—M’n drie skellinge, huilde het wyf, of anders ten-minste m’n kind weerom!Dit “ten-minste” was verrukkelyk! Zal er misschien straks blyken dat prinses Erika onzen Wouter die vyftig guldens geschonken heeft om ’n radelooze moeder weer in ’t bezit van haar verloren kind te stellen?—Ze is heel ongelukkig, m’nheer... hoor maar! Och, wat komt er nu voor òns die ééne gulden op aan? En... ’t is nog niet eens ’n volle gulden!—We mogen ’t heusch niet doen, jongeheer! Kom, kom mee inde schuit! Ik word er koud van, en kan ’t heusch niet langer aanzien.’t Scheen wel dat pater Jansen z’n eigen standvastigheid wantrouwde en de verlokking ontvlieden wou. Maar hy aarzelde. Ook Wouter volgde slechts heel langzaam, en niet zonder telkens opnieuw, by z’n geleider aantedringen op interventie.—Wat is voor òns ’n enkele gulden, m’nheer!Kyk me-n-eens zoo’n kleine rykaard! Jansen antwoordde niet, bleef weer staan, en scheen te weifelen. De vrouw die met ’n eigenaardig armeluî’s-instinkt iets bemerkt had van wat er tusschen die twee gaande was, vond het raadzaam van tekst en toon te veranderen, en begon te jammeren over de drie “wurmen die ze thuis had, en die nu zouden moeten vergaan van ongemak en kou.” Inhoever deze verdrietige omstandigheden ’t gevolg konden wezen van Kaatje’s wangedrag, of van ’t bankroet dat ze aan haar boezelaar leed, liet zy onopgehelderd. Toch had vooral de beweerde plotselinge temperatuurverlaging van die “wurmen” zoo in ’t hartje van den zomer, best eenige meteorologische toelichting kunnen gebruiken. Maar hiernaar werd door de tegenparty niet gevraagd. Zoowel de waardin als anderen uit den hoop beantwoordden haar klachten slechts met onwetenschappelyke scheldwoorden, doch tereere van ’t stukje publiek dat hier vergaderd was, moet ik erkennen dat ook de koopvrouw uit Haarlem niet verschoond werd. Haar beroep leverde overvloedige stof tot schimp en smaad. Maar ’t scheen dat ze de uitdrukkingen waarmee men haar zedelyk en maatschappelyk standpunt kwalificeerde, wel eens meer gehoord had, en niet gewoon was flauw te vallen om ’n beetje schande. Tartend, en als om te pronken met haar ongedeerdheid, bauwde zy de scheldwoorden na die men haar naar ’t hoofd wierp, en wanneer daarin zekere eentonigheid begon te heerschen, omdat de voorraad wat klein bleek in verhouding tot den duur van descène, hielp zy de schreeuwers op den weg door ’n sarrend: “nou mot jelui dàt weer ’ns zeggen!” of: “ik heb in lang niet dàt of dàt gehoord, koman, bedenk jelui je nou ’reis goed of je niet ereis wat nieuws weet!” Deze betrekkelyke kalmte prikkelde tot opwinding, en op zeker oogenblik nam de afkeer van haar ellendig bedryf zoo de overhand... neen, dit is onjuist, men werd zóó boos over de onverschilligheid waarmee ze ’t schelden opnam, dat de moeder hoop begon te scheppen. Het blyft ’n raadsel wat die vrouw eigenlyk van plan was met haar “kind” aantevangen als ’t bevryd wezen zou uit de handen van de waardin, doch zonder zich hierover te bekommeren begon de meerderheid haar bytevallen.Wouter zou weer ruimschoots in de gelegenheid geweest zyn de psychologie van demassate bestudeeren, als-i niet te zeer vervuld ware geweest van z’n zucht om... ja wat? Hy wou helpen, redden, te-rechtbrengen, hy wou ietsdoen. Wel ja, ’n mensch heeft niet alle dagen twintig ryksdaalders in z’n zak! En niet dikwyls valt zoo’n schitterend standpunt samen met ’n drama als hier vertoond werd, noch met de akeligheid waarmee ’t—niet gansch onverhoopt, omde waarheid te zeggen—straks dreigde of beloofde te sluiten. Er werd namelyk geroepen: “te-water!” en dit woord klinkt vreeselyk in de ooren van ’n hollandsch jongetje, opgebracht in de vreeze voor kou-vatten en den wallekant!—Te-water, allo, dat wyf de vaart in, sebit! En die meiden na huis!Naar huis, o onbesuisde menigte? Naar wèlk huis? Naar de krotten waar ze onder opzicht komen zouden van zulke moeders? Ik ben overtuigd dat geen myner lezers, indien hy ’t hier beschreven voorval had bygewoond, zich met die hoogst onfatsoenlyke zaak zou bemoeid hebben. Maar, lezer, gesteld eens dat ge hadtmoetenstemmen? Zoudt ge in-gemoede hebben durven roepen:die meisjes naar huis?Men behoeft waarlyk niet zoo onnoozel als pater Jansen te wezen, om verlegen te zitten met de keus tusschen twee hellen. En wat hetlynch-vonnis tegen die waardin aangaat... onze Maatschappy—hier niet byzonder oneigenaardig vertegenwoordigd door ’n troep gemeen—is wel zonderling! Het schepsel dat men hier te-water wilde dringen, was een van háár leden, en ’n lid ook van ’t gild dat diezelfde Maatschappy blykens eeuwenlange ervaring nooit heeft kunnen ontberen. Waarom nu, als zoo’n onmisbaar meubelstuk onzer beschaving zich in ’t openbaar vertoont, op-eens zooveel verontwaardiging voorgewend? Verbiedt niet de wysheid der volkeren ’t schenden van z’n aangezicht? Bedenk toch, o preutsche Maatschappy, dat zoo’n winkelierster in ontucht een uwer meest vooruitstekende neuzen is!—Te-water met dat wyf, werd er weer geroepen, de vaart in!Er viel optemerken dat de hevigheid van dit geschreeuw in omgekeerde rede stond tot de nabyheid van de plek waar de bedoelde exekutie zou plaats hebben, en hieruit bleek dat de verst-afstaanden ’t meest verontwaardigd, d. i. de deugdzaamsten waren. We mogen aannemen dat ze zich in hun braafheid wel ’n beetje gesterkt voelden door de betere kans zich snel uit de voeten te maken, zoodra het deugd-zoenoffer zou liggen te spartelen in de Haarlemmer-vaart Ieder weet immers dat niets op aarde onvermengd is, tot en met de courage van de braven toe? Hierop scheen de waardin dan ook te rekenen, want ze gaf weinig blyk van angst, en de uitkomst bewees dat ze gelyk had. Het doet me leed dat ik den lezer, die waarschynlyk braaf is, en—als die verst-afstaanden!—met fatsoenlyk verlangen uitziet naar de zegepraal der deugd, eenigszins moet teleurstellen. Het wyf werd beschimpt en gehoond, maar... ze bleef droog. Wie er spyt van heeft, trooste zich met de kameraadschap van Wouter, die by mangel aan ander emplooi van moed, gulheid en goeden wil, zoo byzonder graag eens iemand uit het water gehaald had. “’t Komt zoo zelden voor!” mymerde hy, en dit vind ik ook. Het redden van drenkelingen moet ’n vervelend vak wezen, tenzy men ercompérageby te-pas brengt, en hieraan werd noch door Wouter noch door ’t kandidaat-offerlam gedacht.Wel ver van zich op ’t altaar der zedelykheid te laten zoen-offeren,noch zelfs blyk te geven dat ze zich rechtens als de zwakste beschouwde, dreigde de waardin met de policie.—Wel nou nog mooier! Jy, schandvlek, wou jy de policie roepenjy?Je mag God danken dat er geen diender in de buurt is,jy, die hier de meissies komt verdibbeseeren!—Ik heb ’t zwart op wit, schreeuwde zy weer. En, als er policie was, zou ik ’t jelui laten zien!Wàt? Haar dy? Neen, denk ik. Dat ze in haar recht was? Dit ook wel niet, maar toch was de kans dat de vertegenwoordigers der autoriteit haar niet geheel-en-al in ’t ongelyk zouden gesteld hebben, grooter dan sommigen wel meenen.3De vrouw uit Haarlem raakte alzoo niet te-water. Een vuil partyblad uit de dagen waarin m’n geschiedenis voorvalt, beweerde dat ze zich redde door den kreet: “als jelui niet ophoudt met dringen, laat ik m’n kerel stemmen voor X!” Dit was gelogen, anakronistisch gelogen, gelyk dan ook slechts van ’n blad dat tot... die andere party behoorde, te verwachten was. Nooit zou men zoo’n afschuwelyk laag verzinsel vinden in ’n blad van de... niet-andere party. Hoe dit zy, ’n leugen wàs het. Ieder beschaafd mensch en krantlezer weet dat het kiesrecht der echtgenooten van zulke dames, eerst van eenige beteekenis is geworden na ’t uitsluiten van de arme drommels die zich moeten tevreden stellen met minder winstgevenden werkkring. OnzeMaddamdééd niet aan staatkunde, en dit is ’t slechtste niet wat ik van haar zou kunnen zeggen. In-plaats daarvan pakte zy een der meisjes by den arm, en duwde haar naar ’t gapend luikje van de schuit. “Allo, d’r in, as ’n meid! Koman, ik heb nou genoeg van dat gezanik! Toe, allo, d’r in, en jy ook!” Met deze woorden werd ook het tweede Kaatje ingescheept. De schuit wiegelde by ’t opstappen en dreunde by ’t neerkomen op den vloer van ’t ruim. Van onwil bleek er niets. De bedroefde “moeder” die de zoo vurig begeerde boezelaar uit het oog verloor, verdubbelde haar eentonig misbaar. De waardin scheen nog iets aan den wallekant te doen te hebben. Had ze misschien pas ’n krygsgeschiedenis bestudeerd? Trachtte zy zeker soort van veldheeren natevolgen, die de specialiteit beoefenen, hun overwinnaars jaloers te maken op de kunstige ingewikkeldheid van hun terugtrekken? Wou ze ’t slagveld verlaten met kalmte, met majestueuze waardigheid? Och, neen, op eer en roem was ze in ’t minst niet gesteld, maar er viel voor haar iets optemerken, en daarom aarzelde zy. Ze wilde weten of er van dien pastoor en dat jongetje wat te halen viel. Wouter’s aandringen by Pater Jansen om voorzichtigheidje te spelen had haar aandacht gewekt, en ze wilde meer van de zaak weten voor ze die beide personen uit het oog verloor, ’n oplettendheid die rechtstreekstot de eischen van haar “vak” behoorde. Een gelyke indruk, doch hier slechts ’t uitvloeisel van gewoon bedelaars-instinkt, bewoog de “radelooze moeder” nogeens ter-markt te komen met haar radeloosheid:—Hi, hi, hi, m’n arm kind!Wouter vroeg weer aan z’n begeleider, of er dan van hunnentwege volstrekt niets aan de zaak te doen zou wezen?—M’n arm kind! En... m’n boezelaar! Als ik dan in-godsnaam maar m’n boezelaar weerom had!Deze uitroep rymde vry-wel op den loop van Wouter’s gedachten.—Drie skelling en ’n oortje!Weer rekende Wouter z’n Mentor voor, dat dit nog geen vollen gulden bedroeg.—Och, m’nheer, nog niet eens ’n volle heele gulden! Wat scheelt òns die eene gulden?De waardin en de moeder bespiedden om ’t zeerst wat er tusschen die twee broeide.—Hoor eens, jongeheer, ’t mag niet, zei Jansen, ’t mag waarlyk niet! Maar...—Toe, asjeblieft, m’nheer!...dan zalik’t er byleggen. Ga je gang! Ik zal om geld schryven aan m’n broer te Vucht. Maar gauw dan, ’t is geen pleizierig staan hier.Jansen stapte naar de roef, en Wouter op de vrouw toe. Hy haalde ’t grauwlinnen zakje waarin z’n geld geborgen was voor den dag, had ’n beetje tyd noodig om den styf in-een-gedraaiden hals te laten ontkrinkelen...De waardin zag dit heel goed, en berekende den inhoud naar de snelheid van de wenteling. Maar... ’t kon kopergeld wezen? Neen, Wouter haalde een ryksdaalder voor den dag.—Hi, hi, hi, m’n arm kind!De treurende moeder stak de hand uit, en gebruikte de ander om de oogen rood en blind te schuren met haar voorschoot. Van de “drie skelling” sprak ze niet meer. Inderdaad, waarom dien weldadigen jongeheer op de gedachte te brengen dat ’n ryksdaalder méér bedroeg dan de oorzaak van haar gejammer, en dat er volgens de eenvoudigste regelen van komptabiliteit iets viel terug te geven? Ze veranderde dus van tekst, en huilde nu by-voorkeur over haar “verloren kind” ’n onderwerp dat haar voorkwam in beter evenredigheid te staan met ’n schadeloosstelling van vyftig heele stuivers. Wouter stond met open mond, en... wachtte? Ja, neen, ik kan waarlyk niet zeggen of-i wachtte. De vrouw droeg wel zorg, genoeg met haar oogen te doen te hebben om geen voedsel te geven aan de gissing dat zy op wachten verdacht was, en misschien was het voor Wouter-zelf ’n verrassing toen hy op-eens—in-godsnaam, ’t moest wel!—zich aanstelde alsof ’t wel werkelyk z’n bedoeling was geweest den ganschen ryksdaalder te offeren op ’t altaar van... van... ja, van wat eigenlyk?—God zal ’t je duizendmaal loonen, jongeheer!—Dat ’s vier zak guldens, en nog ’n beetje toe! riep ’n rekenaar uit den hoop.—Duizendmaal, jongeheer! Hi, hi, hi, wat zal er van m’n arm kind worden?Er begon waarachtig kans te komen dat Wouter beproeven zou de zedelyke toekomst van dat “arme kind” eenigszins te verbeteren, door de jammerende moeder ’n tweeden ryksdaalder aantebieden.’t Was waarlyk Wouter’s verdienste niet dat-i ditmaal bewaard bleef voor ’t verergeren van de reeds begane fout. Hy hoorde mompelen: “nou, voortwee-gulden-tienlevert ze-n-’t heele nest dat ze thuis heeft” waarmee waarschynlyk de ons reeds eenigszins bekende “wurmen” bedoeld werden. Deze taxatie kwam ons weldoenertje liefdeloos en onhoffelyk voor. Opgewekt tot verzet tegen de “massa” die natuurlyk met luid gelach den uitval toejuichte, wilde hy... zou hy... och, ’t kwam er niet toe. Pater Jansen stond in den stuurstoel te wenken, de schipper nam zyn plaats by ’t roer in, de knecht maakte het touw los waaraan de schuit had vastgelegen, en z’n “aan-boord, wie mee mot!” maakte aan de vertooning ’n eind. Onder luid spotgejuich van de menigte op den wallekant, gleed de schuit heen. De waardin had heel fatsoenlyk plaats genomen in de roef, misschien wel om den edelmoedigen jongeheer in ’t oog te houden, schoon men ook zonder deze strategische byzonderheid erkennen moet dat haar middelen zoo’n gedistingeerdheid wel veroorloofden. ’t Scheen haar alweer niet erg te hinderen dat de personen die ze in dat hokje vond, ruimer plaats voor haar maakten dan stipt gezegd noodig was. Elk ander zou zich beleedigd getoond hebben over de verregaande inschikkelykheid waarmee ze ontvangen werd. Maar zy? Onze twee helden hoorden haar by ’t binnentreden zeggen: “ook goed! Beter zóó, dan allemaal op ’n hoop, lieve menschen! Wie zweeten wil, kan z’n gang gaan, maar ik houd van de ruimte. Wel ja, niet waar?”Dit vraagje werd gericht tot denétat majordie in den stuurstoel zat, en ik zou ’t overgeslagen hebben als ’t me niet te-pas kwam om ’n opmerking te maken over den oorsprong van de Vrymetselary. Van:vrymetselaryliever, zonder lidwoord. Ik vind het wel zonderling dat men nog altyd daarnaar zoekt, alsof ’n aanleiding die zich dagelyks aan onze oogen vertoont, en die zoolang bestaan heeft als er menschen op de aarde wonen, eenmaal in nauwkeurig bepaalbare omtrekken ’n historische gebeurtenis zou geweest zyn. Elke Nyl moet, volgens zeker soort van volksvoorgangers, z’n byzondere bronnen hebben die men met den vinger op de kaart kan aanwyzen, en uit valsche schaamte voor den leerling die er naar vraagt, wil men maar niet erkennen dat die bronnen heel eenvoudig in de wolken liggen. Waarom zou een der tallooze waarneembare spruitjes die ’t hunne bydragen om zoo’n rivier te maken tot wat zy is, meer dan elk ander beekje, meer dan elke àndere vereeniging van doorgesypelde druppels, den naam van eigenlyke bron verdienen? Zoo bestaaner veel vraagstukken welker oorzaak van bestaan... ’n vraagstuk behoorde te zyn, of niet eens ’n vraagstuk. We kunnen de oogen niet opslaan zonderWordingwaartenemen, en toch blyft men nog overal droomen van ’nSchepping. ’t Lykt wel of zekere natuur- en geschiedfilozofen hun beroep leerden op ’n registratiekantoor, en vandaar de meening meebrachten vóór alles geroepen te zyn de wereld-akten van ’n vasten datum te voorzien. Het boekdrukken, ’n hoogstbelangryk vak zeker, maar slechts in zeer letterlyken zin van ’t woord: ’nKunst, het “stichten” van steden, de volksverhuizingen...Hola, we zyn er! En ’n behoorlykedate certainehebben wy ook. Wel zeker, de lieftallige herderin was aan ’t volksverhuizen met haar twee veroverde schapen, en men schreef:haarlemmer kermis, den zooveelsten dag. Ziedaar registratie! Och, ik moet wel korrekt tewerk gaan. Vanwaar anders dan uit ’n deugdelyk vastgestelden kermistyd zou ik den orgelman bekomen, die straks langs de vaart over den weg moet sukkelen om op ’t juiste oogenblik onzeMaddamte-hulp te komen in haar natuurvrymetselary? Er is veel talent noodig om dit uitteleggen aan lezers die ’t niet zonder uitlegging verstaan. Vooreerst gelieve men te begrypen dat er op den ganschen weg, althans zoover ’t oog van onze reizigers reikte, geen orgelman te zien was. Niets natuurlyker. De man was met de zynen—waaronder z’n gewichtig instrument—’n vol uur voor ’t afvaren der schuit van Amsterdam vertrokken, en ’t spreekt dus vanzelf dat men hem nog niet had ingehaald. Zonder loggen of zonschieten kan nu de lezer vry precies berekenen hoeveel geografische zoetwater-ellen door ons vaartuig waren afgelegd, toen de edele vrouw die betuigd had van ruimte te houden, aan ’t stuurstoelpersoneel vroeg: of ’t niet waar was? Strikt genomen hadden Jansen, Wouter en de schipper ’t recht gehad, hierop te antwoorden dat ze ’t wel gelooven wilden maar niet met zekerheid wisten. Inderdaad, men moet niet alles voor waar aannemen wat er door den eersten den besten gezegd wordt. Die vrouw kon booze redenen gehad hebben om ’t publiek in ’n verkeerden waan te brengen omtrent haar opinie over zweeten en benauwdheid. Maar, och, ons drietal dacht zoo diep niet na. Jansen was te bedroefd om te spreken, en Wouter te zeer vervuld van... iets dat op ’n aventuur geleek, om zoo terstond te kiezen tusschen twyfel, geloof en ontkenning. Wat den schipper aangaat, hy hééft geantwoord. Maar, lezer, zoolang ik u niet meedeel wàt de man zei, is ’t voor u alsof-i niet geantwoord had, en ge hebt dus ’t recht, u voortestellen dat de schuit ’n haarbreed verder was dan op ’t oogenblik toen de belangryke vraag gedaan werd. Hoe kan ’t na deze opmerkingen iemand in ’t hoofd komen, te meenen dat men dien orgelman reeds had ingehaald? Haasten laat ik me zoomin als ’n haarlemmer-trekschuit zelf. De schipper heeft geantwoord, o ja, maar ik ben aan ’t woord over de vrymetselary, en dat gaat vóór. Hoe kan ’t anders, daar juist de vraag “of ’t niet waar was, dat ze van ruimte hield?” my de opmerkingenin de pen gaf, die nu—misschien niet eens terstond—zullen volgen! Zou ik tuchteloos genoeg wezen my met het antwoord te bemoeien voor ik de vraag heb afgehandeld? Zulke kapriolen...Die orgelman dan was door Fancy besteld om zich niet voor ’t juiste oogenblik te laten zien, en we zouden verkeerd doen haar beschikkingen vooruit te loopen, vooral wanneer we door geduldig wachten gelegenheid vinden iets zeer wetenswaardigs te vernemen over den oorsprong van vrymetselary. Waar de bronnen van den Nyl zyn, heb ik reeds gezegd, en als ik nu ook dat andere ophelder zal de billyke lezer erkennen dat ik niet gierig met nieuws ben, schoon ’t wel wat veel is voor één hoofdstuk.Eilieve, wat ter-wereld bewoog die waardin tot de vraag: “of ’t niet waar was?” Weetgierigheid? Om-godswil, hoe konden Wouter en de schipper, of zelfs Jansen die ’n “gestudeerd” persoon was, meer van de zaak weten dan zyzelf? ’t Mensch was wel zoo oud als ik, dat heel erg is, schoon ik tot eer van haar Publiek erkennen moet dat ze ’t veel verder dan ik in de wereld gebracht had. Maar, gewaardeerd of niet, men wordt geen zeven-en-vyftig jaar zonder ruimschoots tyd te hebben tot beoordeeling van de vraag of men aan ruim- of nauw-zitten de voorkeur geeft. Waarom in deze zaak de meening van anderen ingeroepen? Hoe zou ze ’t opgenomen hebben, als een van de drie haar geantwoord had: “ik ben ’t volstrekt niet met u eens, juffrouw. U houdt meer van benauwdheid, want de grootedieofdie heeftgezegd... enz?” Ik doe de werkelykheid geen geweld aan, door te veronderstellen dat zoo’n tegenspraak niet zou gewaagd zyn zonder beroep op den bekenden grooten dichter die frazen geleverd heeft voor alle gelegenheden. Ik vraag my af wat ikzelf op haar nederig verzoek om inlichting zou geantwoord hebben indien ik in dien stuurstoel had gezeten? Maar ik kan me de mogelykheid daarvan niet voorstellen omdat ik op dat tydstip niet geboren, en alzoo nòg onbekwamer was dan nu in ’t oplossen der vraagstukken van zoo aetherischen aard als waartoe afkeer van benauwdheid schynt te behooren. Er is geen woord van waar, van deze klassifikatie, bedoel ik, want op m’n volstrekte onbekwaamheid om vóór m’n geboorte meetepraten, valt niets aftedingen. En ongeboren wàs ik. Er liggen honderd twee en zeventig genien tusschen myn eersten kreet en ’t laatste woord van die waardin. De lezer weet dat er in Nederland dertien genien op ’n maaneklips gaan, en kan dus nu precies uitrekenen wanneer ik jarig ben. Men wordt verzocht de miskende meetetellen, anders zou men tot de slotsom komen dat ik nog in de wieg lig.—Maarikhoud van de ruimte. Wel ja, niet waar?Mensch, waarom vraag je dat? Is ’t uit wysbegeerte? Heb je aan duitsche filozofie gedaan, en wil je misschien de eigenschappen van ’t leelyke dingan und für sichdat je—met permissie—je ikheid noemt, objektievelyk onderwerpen aan de subjektievereinen-vernunftskritiekvan den haarlemmer-schipper die z’n pyp stopt?—Asjeblieft, schippertje!Zoowaar, ze wil hem den koperen vuurbak aanreiken, waarin ’n turfkool ligt te glimmen, voor verstuiving bewaard door ’n deksel van messing, voor uitdooving ook door vyf ronde gaten, juist groot genoeg om aan pypekoppen den toegang open te laten naar ’t vuur. Toegang? ’t Mocht wat! De schipper, deugdzaam, griffermeerd en verontwaardigd, vader van zes gehuwde kinderen, antwoordde ditmaal niet. Hy haalde ’n tondeldoos uit z’n zak, nam de roerpen onder den oksel, en bikte z’n eigen vuur. Was er geen konsekwentie in dat waardig gedrag van den haarlemmer-schipper? En is ’t billyk, my te verwyten dat ik by-voorkeur beelden teeken die thuis hooren op laag terrein? Kan men zich iets verheveners voorstellen dan die tondeldoos en dat vuurslaan voor eigen rekening—als schryver zou de man ’n gek figuur gemaakt hebben!—terwyl hy de hand maar hoefde uittesteken om met z’n pyp den koperen cylinder te bereiken die hem zoo gul... neen, zoo verleidelyk werd aangeboden door de ondeugd? Of, al ware het dat-i met z’n grootkop zou te-kort geschoten hebben om ’t altaar te bereiken dat de valsche Vestale hem aanlangde, zou niet Wouter, de hulpvaardige by-uitnemendheid, het vaasje met de meest mogelyke toewyding hebben vastgehouden? Meent ge, lezer—gy die ’n man van ondervinding en oordeel zyt, en bovendien als Christen bedreven in de geheimenissen der demonologie—meent ge dat ooit aan ’n haarlemmer-schipper die op ’t punt staat z’n eerste pyp aantesteken...Ze waren alzoo pas by deEén honderd Roe, of ter-nauwernood zoo ver. Alweer ’n bewys dat die orgelman nog niet “in-zicht” kon wezen. Finaal onmogelyk!... meent ge dat ooit de Satan zich aan zoo’n schipper aanlokkender kan vertoond hebben dan in de warme gedaante van ’n gloeiende kool? En tòch deugdzaam! Tòch konsekwent!Deugdzaam? Ja. Maar wie van konsekwentie spreekt, heeft alweer slordig gelezen. Hoe kan men weten of ’s mans pyp-opsteken voor eigen rekening en risiko, in overeenstemming kan gebracht worden met het antwoord dat de vrouw zoo-even van hem moet gekregen hebben, zoolang men van dat antwoord geen kennis draagt? Overyling... uw naam is lezer! Stel dat-i gezegd had: “Eulalia, ik bemin u meer dan m’n schuit!—en nog altyd weet geen sterveling of-i wat anders zei—zou ’t dan niet van onvergeeflyke harteloosheid getuigd hebben, als-i zoo kort daarop Eulalia’s vuur had afgewezen? Dat mannen veranderlyk zyn weet ik, en niemand betreurt deze karakterfout meer dan ik, doch juist daarom noem ik ’t voorbarig dien schipper te stempelen tot uitzondering, voor wy ’n beetje meer van hem weten. In de eerste plaats alzoo...Lieve God, wat moet ik nu ’t eerst vertellen? De natuurmetselary wacht op verklaring. De schipper zuigt en blaast, de tondel tintelt, en klaagt over m’n spelling, nu ja, maar kan ik ’t helpen dat onze taalwetgevers hun eigen wetten niet volgen? De waardin schuift met mismoedig gebaar den versmaden vuurbak zoo ver ze maareenigszins reiken kan over ’t roertafeltje binnenwaarts, en verbergt haar smart onder den uitroep:—Wel man, als ’t je niet lykt mot je ’t maar zevend’half voet van je zetten. Graag of niet! ’n Mensch z’n lust’ is ’n mensch z’n leven...En, ’t hoofd buiten de deur-opening stekende, herhaalde zy de gewichtige vraag:... wel ja, niet waar?Jansen en Wouter hadden nu twee zaken voor één optelossen.De vrouw wilde weten of ’t waar is dat ’t leven van den mensch in z’n lust bestaat, ’n onderwerp dat weleens tot de konkluzie zou kunnen leiden dat men niet juist alle dooden op ’t kerkhof behoeft te zoeken, schoon ik niet verzekeren kan dat de weetgierige vraagster van deze vroolyke slotsom ’t ware besef had. Er bleek dat het zoo duidelyk uitgezwegennon tali auxiliovan den schipper ’t mensch gewond had, en ik verkies nu in haar herhaalde poging om eigen indruk aan ’t oordeel van anderen te toetsen, ’n bydrage te vinden tot den oorsprong dermaçonnerie.Ten-allen-tyde bestonden er menschen die meer te zeggen hadden dan ’n ander, en zy die—zooals op ’t oogenblik onze schipper—aan ’t roer zitten, maakten wel eens misbruik van hun voordeeliger standpunt. Laat ons onderzoeken wie de vrouw was die daar in de roef zat, en telkens haar hoofd buiten ’t deurtje stak alsof ze kennis maken wou. Wie ze was? Wel hoe kan ik dit weten, ik ken ’t mensch niet. De vraag is zonderling. Ik weet alleen dat ze zoo-even terdeeg was uitgescholden, en daar ze nog geen gelegenheid had gehad het gepeupel dat haar met zooveel verachting behandelde, te doen verzwelgen door dezen of genen afgrond, bevond ze zich in ’n staat van vernedering die ’t midden hield tusschen wrevel en kontritie, wel eenigszins gematigd of tot nader order teruggedrongen door den wensch om Wouter te ontlasten van z’n ryksdaalders. Wat haar boosheid aangaat, spot er niet mee, verwaten lezer. Ik hadUwel eens willen zien, tien minuten na ’t afgryselyk oogenblik dat ’n brokje Publiek u gebruikt had als voorwerp van deugdmanifestatie!Tien minuten, zeg ik? Misschien was ’t nog wat minder, schoon ik erkennen moet dat de schipper z’n tonteldoos... goddank, met ’n tintelendetdezen keer, ’t staat er! Ja, de schipper had z’n vuurtuig geborgen waar zulks te doen gebruikelyk is. Hy dampte deftig en dapper, en reeds had-i aan Jansen verzekerd dat het vandaag mooi weer was. Toch blyf ik beweren dat de schuit nog geen volle tien minuten gevaren had. Zóólang nog maar was de waardin woedend geweest. Dit komt iemand die ’t nooit ondervond zoo heel erg niet voor, maar men moet bedenken dat de deugdzame gemaaktheid waarmee ’t roefpubliek zich by haar binnentreden tegen ’t voorbeschot had gedrongen, geen goed aan de zaak deed. Men kan gerust aannemen dat haar minuten dubbel telden, en waarschynlyk is ’t aan deze byzonderheid te wyten dat sommige historieschryvers, haar zielewenteling verwarrende met de kopernikaansche gegevensvan ’t andere zonnestelsel, in de dwaling vervielen dat onze schepelingen den orgelman reeds in ’t oog konden hebben. Niets is minder waar. De man was deDriehonderd Roeal lang voorby, toen de vrouw de eerste keer vroeg “of ’t niet waar was?” En nu? Nu, na alles wat er sedert dat gewichtig oogenblik plaats vond? Datikinstaat ben op ’t kleinste wereldkaartje de plek aantewyzen waar hy zich bevond, mag beschouwd worden als ’n billyk schryvers-prerogatief. Maar zoolang ik m’n meerdere kennis voor mezelf houd, baat die alziendheid weinig aan ’n ander. Om nu evenwel bewys te geven dat ik op dat geestelyk overwicht niet groots ben, deel ik gulweg wat van m’n overvloed mee, door alles te vertellen wat ik van de zaak weet. Het zal velen interesseeren, vooral omdat er iets onmogelyks in voorkomt. De orgeldraaier dien ik den lezer vóór den tyd laat zien, was ’n Franschman. Dit is niet volstrekt onmogelyk. Om geloofszaken had-i z’n land verlaten. Ook dit gaat de perken van ’t denkbare niet te buiten. Wie verlaat niet soms z’n vaderland wegens verschil van opinie met z’n medeburgers? Hierin lag alzoo de mogelykheid van z’n aanwezen niet, maar hy torschte een straatorgel, en dit vind ik ongeoorloofd-byzonder, omdat zoo’n ding in Wouter’s tyd nog niet bestond. Zoo ziet men dat alle verbeteringen in armwezen, politiek en industrie worden aangekondigd door ’n soort van voorloopers. ’t Voorgeslacht heeft er geen weet van—omdat het overleden is—de tydgenoot miskent en steenigt ze uit broodnyd, en de naneef... nu, dit benikin dit geval, en ik zal m’némigrégeven wat hem toekomt. Vooreerst dan kan ik u na ’t raadplegen met al de oude schryvers die de zaak behandeld hebben, verzekeren dat-i op ’t oogenblik toen de waardin bezig was met de vruchtelooze poging om ’t hart van den schipper te doen smelten, in z’n koeterwaalsch stond te kibbelen aan ’t Sloterdyker tolhek. Hy trachtte vrye passage te bedingen, maar ’t lukte niet. Z’n vrouw—zaagt ge ooit ’n orgelman zonder vrouw?—en haar kinderen—wie zag ooit ’n orgelvrouw zonder kinderen?—nu, ’t heele gezin stond om hem heen, en wachtte met angst de beslissing af. Maar de tolgaarder was onvermurwbaar, en betoogde op staathuishoudkundige gronden dat ouwerwetsche kwalen als die waarin hy een zoo nuttig bestaan vond, met de meeste stiptheid moesten gehandhaafd worden, omdat alleen hieruit te-eeniger-tyd de algemeene afkeer kan voortvloeien die de afschaffing zal mogelyk maken. “Maar ik zal ’t niet beleven, zeid-i, en m’n kinderen ook niet!” Dit was wèl gezegd, voorwaar, en hy had gerust nog ’n paar geslachten verder kunnen gaan, wat-i zeker naliet uit de bescheiden vrees zich gezegender stamvaderschap aantematigen dan de Heer hem toedacht. Vol karakter, en met ’n aandoenlyk vertrouwen op de taaiheid van misbruik, bleef-i z’n recht tot plicht verheffen, en eischte twee duiten de persoon. Had de man geen gelyk? By de minste weifeling liep de Staat gevaar dat de Regeering in den Haag zyn toegevendheid tot precedent stempelen, en zich daarop beroepen zou om eens ’n enkelen keer met den tyd meetegaan. Wie huivert niet? En wiehuivert niet nogeens by de bedenking dat misschien alle Haarlemmers en Amsterdammers op-eensvice-versaaan ’t verhuizen zouden gaan, als zoo’n tweeduits-slagboom werd overgebracht naar ’n muzeum? Wie ’t wèl meent met z’n dierbaar vaderland en ouwerwetsche zotternyen, huivere ten derden maal. Maar dan is ’t ook genoeg.De vrouw van den orgelman was ’n Duinkerksche, en kon zich redelyk verstaanbaar maken, maar haar aanhouden had even weinig gevolg als de niet verstane hoewel best begrepen vertoogen van haar echtgenoot. Wat te doen? De stumperts waren nu eenmaal de tien, twaalf duiten niet ryk, die er noodig waren om Haarlem te bereiken, waar ze zeker opgang en goede zaken zouden maken met hun zeil. Want ze hadden ’n zeil, waarop ’n fraaie geschiedenis stond afgebeeld. Het was, om ’n paar staken gerold, gedragen door de twee oudste kinderen, die nu echter by dien slagboom hun vrachtje moedeloos hadden neergelegd. Ook ’t orgel was op den grond gezet, en de vermoeide man ging er op zitten, niet zonder vrees dat men tol zou komen vorderen voor ’t beetje rust dat-i waarlyk wel noodig had. De vrouw was uitgepraat, en de tolgaarder had alle verzoeking tot het schenden van z’n plicht afgesneden door zich in z’n huisje terugtetrekken, waar-i z’n werkzaam leven voortzette. De nood was hoog, en alzoo de redding naby. Nu denkt de lezer dat Wouter aan de beurt komt. Welzeker, wat beteekenden voor hem tien duiten, of al waren ’t er twaalf! Ik heb de kinderen niet geteld, en weet bovendien niet of de vele zuigelingen die daarby waren, moesten meedragen in ’t onderhoud van den straatweg? Maar al had ik ze geteld, en al wist ik dat, om godswil, lezer, hoe kon Wouter hier helpen, hy die nog ver af was, en van de heele zaak geen kennis droeg? Geloof me, als Wouter in dit byzonder geval God met anderhalven stuiver was te-hulp gekomen in ’t redden van vyf, zes ongelukkigen, ik zou ’t zeggen! Reeds voor mezelf houd ik niet van nederigheid, waarom zou ik—ten-koste nogal van m’n roem als nauwkeurig geschiedschryver—preutsch omgaan met de verdiensten van ’n ander? Wouter zat nog altyd lang en breed te peinzen over... die twee meisjes, en wie z’n indrukken gekend had, zou gevonden hebben dat-i ditmaal byzonder weinig op ’n plaatsvervangende Voorzienigheid geleek. Er was toch iets aardigs in, dacht hy, zoo op-eenmaal door ’n vrouw uit Haarlem uit z’n gewonen kring gehaald te worden. Hy wou graag gelooven dat ze de wereld niet van den allerfraaisten kant intraden, maar ’t was dieWereldtoch, ’t was ’n uitvlucht, iets ongewoons. Zoo’n meisje had toch veel voor. Wie zou ooit hèm komen halen, wie hèm verlossen van Stoffel, Kopperlith’s en gewoonheid? Die meisjes waren “gevallen” o zeker, en dit is heel verkeerd, maar hadden ze niet byzonder prettige genoegens te wachten van ’t opstaan? Ieder weet dat God graag vergeeft—men moet bedenken dat het z’n eenige uitspanning is—en ook de Maatschappy strekt tot verrekkens toe haar armen uit om berouwhebbenden aan haar vriendelyke borst te sluiten. Onder al die omhelzers bevindt zich alligt ’n prins die zich zoo verheugt over’t weervinden van ’n verloren schaap, dat-i al z’n koningryken wat weinig acht om op ’t laatste blaadje van den roman te worden neergelegd aan de voeten... och, hoe jammer dat Jansen plaats had, genomen in de roef!Maar met al die overleggingen hebben we niet te maken, omdat, we nu te Sloterdyk zyn. Daar Wouter er nog niet was, zag God-zelf zich wel genoodzaakt ’n hand uittesteken. Hy verwekte een verlosser in Israël, in de gedaante van ’n kleinen boerenjongen, die uit het dorp over de vaart heen bemerkte dat er by het tolhek iets byzonders aan de hand was, en z’n ontdekking aan twee, drie anderen meedeelde. Dezen, gedreven door den geest, maakten er ook geen geheim van, en alles liep uit, de brug over, naar den slagboom: er was Publiek! Wat kan ’n artist meer verlangen? “A la bonne heure!” zei de man, en hy gaf bevel de paaltjes in den grond te slaan, waaraan ’t zeil werd opgeheschen, ontrold, vastgehecht... och, zoo kleurig! Heel Sloterdyk stond verbaasd, en er was reden toe. Want, al z’n leven, men kreeg de geschiedenis der schooneGenoveva van Brabantte aanschouwen! Wie ’t zag, zou moeten erkennen dat Wouter groot gelyk had, toen-i in z’n print-kleurperiode zoo jaloersch was op dat leven in ’n woesteny. Geen kind in heel Sloterdyk dat er niet precies zóó over dacht. Het zeil was verdeeld in vier kolommen, en overdwars in zeven ryen, ’n verdeeling die me straks kan komen te staan op ’t vertrouwen van den lezer. Want zie, de man zong welgeteld negen-en-twintig koepletten, en ’t zal dus schynen dat ik òf ’n koeplet van eigen vinding valschelyk onderschuif, òf dat ik—erger nog—te-kort doe aan ’t zeil. ’t Een is zoo onmogelyk als ’t ander. Men schudt geen poëzie als de hier bedoelde uit den mouw, en wat het zeil aangaat, wie zag er ooit een met negen-en-twintig vakken? Blyft men in-weerwil hiervan m’n nauwkeurigheid wantrouwen, ’t spyt me wel, maar ik zal trachten my in ’t verdriet daarover weer te schikken. Men is nu eenmaal niet voor z’n pleizier op de wereld. Misschien ook voelt de ergdenkende lezer berouw, als-i den tekst van deComplaintegelezen heeft. Hy zal inzien dat men zoo-iets niet machtig wordt zonder nauwkeurige bronnen geraadpleegd te hebben.Men moet daartoe beneden de twaalf jaar zyn, of... véél ouder. Dat de Sloterdykers er niet veel van verstonden, deed weinig schade aan ’t effect. De acht-en-twintig kleurige tooneeltjes op ’t zeil schreeuwden wèl zoo hard en spraken duidelyker dan de beide zwervers. En wat men op printjes niet begreep, werd opgehelderd door ’t larmoyeerend orgel.4Niemand van de toeschouwers had achtgeslagen op ’t naderen van de schuit. Wonder was ’t niet, want toen ze begon in-zicht te komen, had men zich even te-voren vermaakt met de exekutie van Golo, die zoo duidelyk op het drie-en-twintigste vakje was voorgesteld dat slechts weinigen er geen kippevel van kregen, en wie in dit ongevoelig geval verkeerde, wachtte zich wel het te zeggen. Niemand beklaagde den booswicht, en als de Sloterdykers zitting hadden gehad in die rechtbank, zouden de stukjes waarin hy gesneden werd, nog veel kleiner uitgevallen zyn. Dechèresen degrandes tendresseswaarop Genoveva vervolgens onthaald werd, waren op ’t zeil heel aanlokkelyk voorgesteld. ’t Doet me genoegen dat Wouter er niets van gezien heeft. Ook had de schilder middel gevonden, den toeschouwer te doordringen van haar aanhoudend omgaan met “J. C.”5slechts afgewisseld door ’t biddend en dankend gebruiken van ongekookte boomwortelen. Och, men hoeft zoo weinig fransch te verstaan om zulke dingen innig te begrypen! Nog één koeplet, en heel Sloterdyk was aan ’t bidden en uitgraven van boomwortels gegaan. Ieder ziet in dat het publiekje van den troubadour, in zoo’n gewyde stemming wel wat anders te doen had dan op de schuit te letten, die daar zoo onverschillig kwam aanschuiven alsof er nooit ’n Genoveva in de wereld geweest was. En die hinde! Juist toen ’t arme dier bezig was met z’nmiracle nouveau, doorquoiqu’on lui portevan honger te sterven op dat graf, hoste de jager voorby. De lyn van zoo’n haarlemmer-schuit is tachtig vaam lang...61Zie noot blz. 305.2Dat wil zeggen: in het tuchthuis waar de veroordeeldenCampêche-ofFernambakhoutraspten. (M.)3In I. 1272 geeft M. een verhandeling over de machteloosheid van wet, regeering en philantropie in den stryd tegen de onzedelykheid: de theorie vermag hier niets tegen de praktyk. Het eenige middel om den handel in ontucht te gronde te richten iswarebeschaving, d. i. “zy, die den lust inboezemt, en de bekwaamheid meedeelt, omgenot te vinden in arbeid.”4In het troubadourslied wordt verhaald van de edele Genoveva, die door den verrader Golo van overspel beschuldigd, aan den dood ontkomt, doordat twee dienaars haar met haar kind laten ontkomen. In het woud leeft ze van wortels, haar kind wordt door een hinde gezoogd. Op de iacht vindt haar gemaal haar: Golo’s verraad komt uit en Genoveva wordt in eere hersteld: maar ze blyft een ascetisch, vroom leven leiden, ze voedt zich enkel met boomwortels, en denkt slechts aan Jezus Christus. Als ze sterft treuren allen,—de hinde weigert op haar graf alle voedsel en sterft er.5= Jezus Christus.6Om zyn naam als letterkundige eer aan te doen verklaart M. dit te weten, niet door hetmetenvan het touw, maar door het raadplegen van andere bronnen: als Plinius en Plutarchus! Vervolgens geeft hy in I. 1278 het in de opschriften van vorige hoofdstukken (zie blz. 265 en 288)aangekondigde “stuk 17de eeuwsche volksroem,” voorafgegaan door een afbrekende kritiek van Engelsche letterkundigen op Vondel en Cats, n.l. een citaat vol buitenlandsche lof over de geregeld varende Treck-schuyten, “dat bestemd was ’n helder licht te werpen op den vermoedelyken afloop van Wouter’s reis naar Haarlem.”
Wouteren deugdzame lezers worden teleurgesteld doorFancy,die ’n lynch-vonnis kasseert. Ter vergoeding levert ze bydragen tot de physiologie van zekere nyverheid, en benoemt zeWoutertot trooster van ’n diep bedroefde moeder. De lezer wordt gepaaid met het stuk volksroem, waarop hy al zoo lang gewacht heeft. OfWouterHaarlem bereikt?—Wel, jongeheer, daar schynt wat vreemds voortevallen. Hoor me die vrouwspersoon eens schreeuwen!—Ja, m’nheer, ze schelden. Ik geloof zeker dat er ruzie is.De opmerking van pater Jansen was gegrond, en Wouter’s geloof ditmaal eens byzonder goed. Er was inderdaad iets byzonders aan de hand en er werd gescholden.En alweer vroeg Wouter waarom die vrouw zoo schold, en “tegen wien ze ’t had?” Hy kon aanvankelyk niet uit de zaak wys worden, en deed hiermee tot m’n groot genoegen z’n leermeesters by het postkantoor weinig eer aan. Uit de onnoozele vragen die hy tot z’n bejaarden vriend richtte, bleek duidelyk dat hun onderwys niet best aan hem besteed was geweest. En pater Jansen was nu juist de rechte man niet om hem behoorlyk intelichten, want er was by die schuit iets zeer gemeens te doen, en daarvan had-i geen verstand. Wel kende hy in z’n hoedanigheid van zielengeneesheer de gewone verschynselen van de ziekten die men hem intheologie-derdeals “zonde” had leeren kennen en behandelen—de kursus liep,excusez du peu, intheologie-eerstetot en metgenezentoe!—maar juist omdat-i ze slechts als zoodanig bestudeerd had, stond-i met de handen verkeerd, zoodra de vyand tot wiens verdelging hy ambtshalve geroepen was, zich in levenden lyve aan hem vertoonde, wat hier werkelyk ’t geval bleek. De goede pater mocht van geluk spreken dat-i, eenigszins verlegen door de verrassing, en misschien ook weerhouden door de stoffeering van het tooneel dat byzonder weinig op ’n biechtstoel geleek, niet terstond aan ’t bedokteren ging van de zieken die hier overvloedige blyken gaven van behoefte aan wat beterschap. De goede man zou zeker ’n gek figuur hebben gemaakt, en dit ware jammer geweest. Hy vernam by deze gelegenheid byna evenveel nieuws als Wouter, en ook zonder deze overeenstemming was ’t opmerkelyk in hoevéél opzichten de indrukken die zy hier opvingen, elkander geleken. Jansen was in wereld- en menschenkennis ongeveer blyven staan op ’t standpunt dat Wouter onlangs bereikt had, en alzoo steeds minderjarig in de boosheid gebleven. Het verschil tusschen deze beide kinderen bestond hoofdzakelyk hierin, dat de ontwikkelende knaap méér weten wilde en zichzelf beschuldigde van domheid, terwyl de volwassen man heel tevreden was met z’n verstandelyke toerusting. En waarom zoud-i niet? Hy had immers alle voorgeschreven examens achter den rug, en wist dus precies wat er in zake zielenherderschap kon geweten worden. Z’n tevredenheid sproot volstrekt niet uit eigenwaan voort, maar uit plichtmatig vertrouwen op de knappe luî die verklaard hadden dat-i behoorlyk volleerd was en raad wist met alle zonden. Hy had er latynsche getuigschriften van, met zegels er op. Wat wil men meer?Ik kan de meening niet deelen van sommigen die beweren dat ’n katholiek geestelyke zoo byzonder veel menschkunde zou opdoen in den biechtstoel. Het komt me voor, dat men daarby over ’t hoofd ziet hoe moeielyk het is zichzelf te schetsen, en dat de biechteling, ook by de hoogstdenkbare oprechtheid—volkomen oprechtheid is onmogelyk!—slechtsdadenenfeitenkan openbaren. Vanwaarimmers zou hy de psychologische ontwikkeling halen, die niet ontbeerd worden kan door iemand die al de schakeeringen van deroerselszyner handelingen uit elkaar wil houden? En vanwaar de welbespraaktheid om die duidelyk blootteleggen voor ’n ander? Waarlyk, wieditkan, knielt niet naast ’n biechtstoel om de geheimen van z’n ziel toetefluisteren aan ’n priester! Niet voor dezulken is de oorbiecht uitgevonden, en niet voor hèn wordt ze in-stand gehouden. Wie dit betwyfelt, lette eens op den graad van verstandelyke ontwikkeling waarmee ’t meerendeel der geestelyken blykt te kunnen volstaan. Er hing me hier ’n beeld in de pen, waarmee ik ’t verschil in soort van hun werkzaamheid wilde schetsen, doch ik houd het terug. ’t Was iets als ’n vergelyking tusschen den Schwartzwalder boer die houten klokjes snitselt, en den fabrikant van fyne zakuurwerken te Genève. Deugt niet, deugt niet! Er is hier geen spraak van ’t onderscheid tusschen grof en fyn, niet eens zelfs altyd van meer of minder ingewikkeldheid der organismen. Op ’t oneindig wyd gebied van menschkunde heerschen àndere verschillen! Reeds zeer lang geleden zagen we hoe tevreden pater Jansen was over Femke’s ziel—geen Schwartzwalder snitselwerk, op m’n woord!—en onlangs stelde ik den lezer in de gelegenheid ’n brok theologischen kursus bytewonen, door hem in kennis te brengen met Styntje. Hoe gelieft men nu den toon te noemen, waarop die beidie personen zich uitlieten over zaken die door anderen slechts werden behandeld met konynenmondjes en in pontifikaal! Ondeftig was die toon, o zeker! Maar toch—en ik bedoel dit in zéér hoogen zin—onaesthetisch, grof, onzedelyk dus, was die toonniet!Er was hart in, en kinderlykheid, en overtuiging. De uitdrukkingen die pater Jansen en z’n dienstbode zich veroorloofden... och, ze wisten niet dat er iets te veroorlooven viel! Van kinds-af vereenzelvigd met hun naïf geloof, bespraken zy de dingen die daarmee in verband stonden, met dezelfde gemakkelykheid als andere belangen van hun huishoudentje, en Styntje’s tevredenheid over ’t vereffenen der schuld van haar moeder was van gelyke soort als haar voldoening zou geweest zyn over ’t wèlslagen van ingemaakte zuurkool. ’t Spyt me dat ik op ’t oogenblik niemand tot getuige roepen kan die haar aankomst in den hemel heeft bygewoond, maar we mogen ons verzekerd houden dat ze by die gelegenheid even onbevangen gevraagd heeft: “wel, waar is ze nu... m’n moeder? Ze weet immers dat ik alles krek in-orde heb gebracht?” als ze Wouter opdroeg haar teerbeminden pater te beschermen tegen z’n goedgeefsheid. En ook hyzelf was er de man niet naar, om z’n God en goddelyke dingen terugstootend te maken door deftigheid. Z’n geloof en al wat daaruit voortvloeide, was hem de meest dagelyksche zaak van die wereld.Maar... die wereld-zelf kende hy nu eenmaal niet! Hy wist er niet veel meer van dan z’n biechtelingen hem konden of wilden meedeelen, en deze zeer gebrekkige inlichtingen namen nog bovendien steeds de kleur aan van z’n eigen schuldeloos gemoed. Elk bedrevenkwaad scheen hem ’n ongeluk toe, en de vermaningen die hy uitsprak of de boetedoening die hy soms meende te moeten voorschryven, geleken meer op ’n vriendschappelyk toegediende hartsterking dan op berisping en straf. ’t Was waarlyk geen wonder dat-i niet recht vatte wat er by die haarlemmer-schuit verhandeld werd! Een der hoofdpersonen in het drama-bedryf dat hier werd afgespeeld, de vrouw die door haar luidruchtigheid en gemeenen opschik de aandacht van ’t publiek tot zich trok, was te Amsterdam geweest om wat koopwaar optedoen voor haar winkel te Haarlem. Die koopwaar bestond in ’n tweetal... meisjes, neen—twee “meiden” zeg ik ook niet graag—uit twee jeugdige vrouwspersonen dan, die ze door geschenken en de voorspiegeling van ’n lui leven tot zich had weten te lokken. Wat ik hier “geschenken” noem, was in werkelykheid ’n driedubbel geboekt woekervoorschot. En “ze had het zwart op wit” zei ze, op haar dy slaande, waar de kostbare dokumenten geborgen schenen die haar woorden konden bevestigen. Deze bewysvoering was tegen de moeder van een der beide schepseltjes gericht, die lucht van de zaak gekregen, en gezorgd had vóór ’t afvaren van de schuit daar te zyn. ’t Woord “moeder” klinkt liefelyk, en de goedige lezer verwacht dat de vrouw zich daar bevond om haar kind te ontrukken—“zoo noemt men zulks” zou Stoffel zeggen—aan de klauwen des verderfs... och, ik ben daar jammerlyk op ’n boekenfraze verzeild geraakt. Dat komt er van, als men z’n schryftafel zoo vol modellen heeft liggen!1Die “moeder” was doodeenvoudig daargekomen om ’n aandeel te vorderen in ’t reeds genotene, en vooral om ’n aandeel te bedingen in de toekomstige winst. Het toegeschoten publiek was verontwaardigd, of toonde zich zoo, en verdeelde de uiting van z’n misnoegen vry gelyk tusschen de moeder en de waardin. Deze beiden aan ’t kyven! De twee rekruten zwegen, maar toch kon ’n opmerkzaam toeschouwer te weten komen wie van de strydvoerende partyen met haar sympathie vereerd werd, en wel door de plaats die zy innamen, of die ze trachtten te hernemen als ze voor ’n oogenblik vandaar waren weggedrongen. Blykbaar schaarden ze zich, zoowel in overdrachtelyke als in letterlyke beteekenis van ’t woord, aan den kant der waardin. En er was reden toe! Deze had “so werachtich as Chot” niets minder verzekerd dan dat haar kontubernaaltjes ’s morgens zoo lang konden slapen als ze maar verkozen, en ’s avends zouden ze onthaald worden op jenever met suiker... als ze maar ’n “heer” wisten te bewegen die versnaperingen voor zyn rekening aan ’t buvet te bestellen. Nu, hiertoe meenden de meisjes kans te zien. Maar ’t zou haar tegenvallen. Ze overschatten den invloed en den markt-prys van haar bekoorlykheden—de goedkoopste zaak ter-wereld!—en ook wel ’n beetje de mildheid van de “heeren.” Maar de beminnelyke waardin liet haar aanstaande voedsterlingetjes in den waan dat er met nagebootste huurliefde terdeeg wat ’te verdienenviel. En er werd nog meer beloofd. Ze zoudenKrelienenSefieheeten, en door de meid “juffrouw” genoemd worden. Om ’n voorsmaak van die heerlykheid te geven, en tevens van den toon die in haar etablissement heerschte, sprak ’t wyf gedurig van haar “dames.” Wat kon, tegenover zulke schitterende aanloksels, de moeder bieden, zy die maar ’n arme werkster was? Ik weet wel dat sommige boekenluî ’n antwoord op deze vraag gereed hebben. Ze spreken by zulke gelegenheden van tucht, reinheid van ziel, eer, gemoedsrust, moederlyke teederheid... och, onze beide Kaatjes hadden liever jenever met suiker! Maar ik moet er by zeggen dat de keus haar niet zóó moeielyk gemaakt werd, als de papiermoralisten van zoo-even wel denken zouden, want de moeder hield zich met al die roerende dingen niet op. Ze reklameerde haar deel van de zaak, en eischte vóór alles ’n bonten voorschoot terug, dat ze volgens haar beweren aan haar dochter geleend had.—En zal ik er nou dàt niet eens van hebben, riep ze, dat ik m’n eigen goed weerom kryg? Hy heeft me drie skelling en ’n oortje gekost?Ervan? Wáárvan, o vrouw? Wáárvan? Ik vraag u,wáárvan?Nu, dit kon háár niet schelen, en:—Dat kanmyniet schelen, schreeuwde ook de waardin. Mensch, je moest je schamen, dat moest je! Wel ja, wat zeg jylui—dit was ’n beroep op de kiesheid van de omstanders, die deze onderscheiding ten-volle verdienden—wat zeg jylui? Is ’t geen schande dat ’n moeder haar eigen kind ’n standje komt maken om ’n boezelaar?—Ik wou maar dat we-n-afvoeren, zuchtte een van de Kaatjes. Wat treuzelt die schipper!—Drie skelling en ’n oortje, zoo waar as er ’n God in den hemel is, op deNumàrtin den bontjeswinkel! Geef hier, m’n goed! ’t Ismyngoed, zeg ik je! Geef hier!Een poging om ’t betwist voorwerp met geweld machtig te worden, mislukte. Op-eens wendde de teedere moeder de zaak over ’n anderen boeg. Ze trachtte haar stem aandoenlyk te maken, en huilde:—Heb ik je dáártoe opgebracht?Wel zeker! Waartoe ànders, o teedere moeder?—’t Is om te besterven, menschen, dat is het! En zeg, wat zal je vader daarvan zeggen?—Nou, laat er je man maar buiten, zou ik je raden! Die zit hoog en droog in de rooie zaagsel.2Wat zeg jy, Ka?Kaatje bevestigde de zaak wel niet uitdrukkelyk, maar gaf toch ’n antwoord dat heel weinig op verontwaardigde ontkenning geleek, door op-nieuw moeite te doen om zich van haar moeder te verwyderen, en ’n veilig plaatsje te krygen achter de waardin. Deze haastte zich ’n zegel op de beteekenis van Kaatje’s manoeuvre te zetten:—Wel ja, meid, ’n woord ’n woord, ’n man ’n man, niet waar?En... ik heb ommers al de papieren in m’n zak. Wat zeg jyluî? Een mensch kan toch niet meer verlangen als zwart op wit!De vrouw had weer op haar dy geslagen, en scheen antwoord te wachten. Er gingen dan ook uit het publiek eenige stemmen op, maar ze getuigden van verdeeldheid der meeningen. Wel hoorde men hier-en-daar: “zieje, ’t is toch altyd haar moeder!” maar ook toonden sommigen zich verontwaardigd over de vreemde soort van ’t moederschap dat hier vertoond werd. Een stemming by zittenblyven en opstaan kon moeielyk verordend worden, omdat deheelezaak in de letterlyke termen van ’n “standje” viel. Bovendien, de strydvoerende partyen wachtten zich wel ’n beroep op de meerderheid te doen, voor ze met eenige zekerheid berekenen konden die meerderheid op haar hand te hebben. En hiertoe bestonden aan geen van beide zyden voldoende gegevens. Velerlei scheldwoorden rezen uit de vergaderde menigte op, maar ’t viel moeielyk te beslissen tot wie ze gericht waren, omdat ze meestal nogal toepasselyk konden geacht worden op ieder van de vier vrouwspersonen in ’t byzonder. De hieruit voortspruitende verwarring bewees hoe groot de behoefte was—ook zelfs in de laagste standen der Maatschappy—aan eenig besef van onderscheidtusschenscheldenenbeschuldigen.—M’n drie skellinge wil ik hebben, kryschte de vrouw, terwyl ze trachtte haar dochter by den voorschoot te grypen. Ik wil m’n geld, m’n drie skellingen, of anders...Haar schreeuwen herinnerde Wouter aan de wanhoop der edele Hersilia over die verlorenzeven gulden dertien, en langs derailsvan al wat er sedert ’n etmaal weer met hem was voorgevallen, liep z’n herinnering uit op de vyftig guldens die hy in z’n zak had. “Alshyeens die arme vrouw aan ’n nieuw voorschoot hielp? God zou ’t zeker weer niet doen, en daar er nu toch eenmaal in ’t helpen iets goddelyks ligt:—Wat dunkt u, m’nheer? vroeg-i aan pater Jansen?—Ik ben erg bedroefd over die menschen, zei de goede man.—O zeker, m’nheer! Maar... die boezelaar? Drie schellingen is nog geen volle gulden, en alswynu eens...—Dat mag volstrekt niet, jongeheer! Het doet my in de ziel leed dat die menschen op zoo’n verkeerden weg zyn—want dit moet ik er haast wel van gelooven—maar ’t geld dat je by je hebt, is je niet gegeven om...—M’n drie skellinge, huilde het wyf, of anders ten-minste m’n kind weerom!Dit “ten-minste” was verrukkelyk! Zal er misschien straks blyken dat prinses Erika onzen Wouter die vyftig guldens geschonken heeft om ’n radelooze moeder weer in ’t bezit van haar verloren kind te stellen?—Ze is heel ongelukkig, m’nheer... hoor maar! Och, wat komt er nu voor òns die ééne gulden op aan? En... ’t is nog niet eens ’n volle gulden!—We mogen ’t heusch niet doen, jongeheer! Kom, kom mee inde schuit! Ik word er koud van, en kan ’t heusch niet langer aanzien.’t Scheen wel dat pater Jansen z’n eigen standvastigheid wantrouwde en de verlokking ontvlieden wou. Maar hy aarzelde. Ook Wouter volgde slechts heel langzaam, en niet zonder telkens opnieuw, by z’n geleider aantedringen op interventie.—Wat is voor òns ’n enkele gulden, m’nheer!Kyk me-n-eens zoo’n kleine rykaard! Jansen antwoordde niet, bleef weer staan, en scheen te weifelen. De vrouw die met ’n eigenaardig armeluî’s-instinkt iets bemerkt had van wat er tusschen die twee gaande was, vond het raadzaam van tekst en toon te veranderen, en begon te jammeren over de drie “wurmen die ze thuis had, en die nu zouden moeten vergaan van ongemak en kou.” Inhoever deze verdrietige omstandigheden ’t gevolg konden wezen van Kaatje’s wangedrag, of van ’t bankroet dat ze aan haar boezelaar leed, liet zy onopgehelderd. Toch had vooral de beweerde plotselinge temperatuurverlaging van die “wurmen” zoo in ’t hartje van den zomer, best eenige meteorologische toelichting kunnen gebruiken. Maar hiernaar werd door de tegenparty niet gevraagd. Zoowel de waardin als anderen uit den hoop beantwoordden haar klachten slechts met onwetenschappelyke scheldwoorden, doch tereere van ’t stukje publiek dat hier vergaderd was, moet ik erkennen dat ook de koopvrouw uit Haarlem niet verschoond werd. Haar beroep leverde overvloedige stof tot schimp en smaad. Maar ’t scheen dat ze de uitdrukkingen waarmee men haar zedelyk en maatschappelyk standpunt kwalificeerde, wel eens meer gehoord had, en niet gewoon was flauw te vallen om ’n beetje schande. Tartend, en als om te pronken met haar ongedeerdheid, bauwde zy de scheldwoorden na die men haar naar ’t hoofd wierp, en wanneer daarin zekere eentonigheid begon te heerschen, omdat de voorraad wat klein bleek in verhouding tot den duur van descène, hielp zy de schreeuwers op den weg door ’n sarrend: “nou mot jelui dàt weer ’ns zeggen!” of: “ik heb in lang niet dàt of dàt gehoord, koman, bedenk jelui je nou ’reis goed of je niet ereis wat nieuws weet!” Deze betrekkelyke kalmte prikkelde tot opwinding, en op zeker oogenblik nam de afkeer van haar ellendig bedryf zoo de overhand... neen, dit is onjuist, men werd zóó boos over de onverschilligheid waarmee ze ’t schelden opnam, dat de moeder hoop begon te scheppen. Het blyft ’n raadsel wat die vrouw eigenlyk van plan was met haar “kind” aantevangen als ’t bevryd wezen zou uit de handen van de waardin, doch zonder zich hierover te bekommeren begon de meerderheid haar bytevallen.Wouter zou weer ruimschoots in de gelegenheid geweest zyn de psychologie van demassate bestudeeren, als-i niet te zeer vervuld ware geweest van z’n zucht om... ja wat? Hy wou helpen, redden, te-rechtbrengen, hy wou ietsdoen. Wel ja, ’n mensch heeft niet alle dagen twintig ryksdaalders in z’n zak! En niet dikwyls valt zoo’n schitterend standpunt samen met ’n drama als hier vertoond werd, noch met de akeligheid waarmee ’t—niet gansch onverhoopt, omde waarheid te zeggen—straks dreigde of beloofde te sluiten. Er werd namelyk geroepen: “te-water!” en dit woord klinkt vreeselyk in de ooren van ’n hollandsch jongetje, opgebracht in de vreeze voor kou-vatten en den wallekant!—Te-water, allo, dat wyf de vaart in, sebit! En die meiden na huis!Naar huis, o onbesuisde menigte? Naar wèlk huis? Naar de krotten waar ze onder opzicht komen zouden van zulke moeders? Ik ben overtuigd dat geen myner lezers, indien hy ’t hier beschreven voorval had bygewoond, zich met die hoogst onfatsoenlyke zaak zou bemoeid hebben. Maar, lezer, gesteld eens dat ge hadtmoetenstemmen? Zoudt ge in-gemoede hebben durven roepen:die meisjes naar huis?Men behoeft waarlyk niet zoo onnoozel als pater Jansen te wezen, om verlegen te zitten met de keus tusschen twee hellen. En wat hetlynch-vonnis tegen die waardin aangaat... onze Maatschappy—hier niet byzonder oneigenaardig vertegenwoordigd door ’n troep gemeen—is wel zonderling! Het schepsel dat men hier te-water wilde dringen, was een van háár leden, en ’n lid ook van ’t gild dat diezelfde Maatschappy blykens eeuwenlange ervaring nooit heeft kunnen ontberen. Waarom nu, als zoo’n onmisbaar meubelstuk onzer beschaving zich in ’t openbaar vertoont, op-eens zooveel verontwaardiging voorgewend? Verbiedt niet de wysheid der volkeren ’t schenden van z’n aangezicht? Bedenk toch, o preutsche Maatschappy, dat zoo’n winkelierster in ontucht een uwer meest vooruitstekende neuzen is!—Te-water met dat wyf, werd er weer geroepen, de vaart in!Er viel optemerken dat de hevigheid van dit geschreeuw in omgekeerde rede stond tot de nabyheid van de plek waar de bedoelde exekutie zou plaats hebben, en hieruit bleek dat de verst-afstaanden ’t meest verontwaardigd, d. i. de deugdzaamsten waren. We mogen aannemen dat ze zich in hun braafheid wel ’n beetje gesterkt voelden door de betere kans zich snel uit de voeten te maken, zoodra het deugd-zoenoffer zou liggen te spartelen in de Haarlemmer-vaart Ieder weet immers dat niets op aarde onvermengd is, tot en met de courage van de braven toe? Hierop scheen de waardin dan ook te rekenen, want ze gaf weinig blyk van angst, en de uitkomst bewees dat ze gelyk had. Het doet me leed dat ik den lezer, die waarschynlyk braaf is, en—als die verst-afstaanden!—met fatsoenlyk verlangen uitziet naar de zegepraal der deugd, eenigszins moet teleurstellen. Het wyf werd beschimpt en gehoond, maar... ze bleef droog. Wie er spyt van heeft, trooste zich met de kameraadschap van Wouter, die by mangel aan ander emplooi van moed, gulheid en goeden wil, zoo byzonder graag eens iemand uit het water gehaald had. “’t Komt zoo zelden voor!” mymerde hy, en dit vind ik ook. Het redden van drenkelingen moet ’n vervelend vak wezen, tenzy men ercompérageby te-pas brengt, en hieraan werd noch door Wouter noch door ’t kandidaat-offerlam gedacht.Wel ver van zich op ’t altaar der zedelykheid te laten zoen-offeren,noch zelfs blyk te geven dat ze zich rechtens als de zwakste beschouwde, dreigde de waardin met de policie.—Wel nou nog mooier! Jy, schandvlek, wou jy de policie roepenjy?Je mag God danken dat er geen diender in de buurt is,jy, die hier de meissies komt verdibbeseeren!—Ik heb ’t zwart op wit, schreeuwde zy weer. En, als er policie was, zou ik ’t jelui laten zien!Wàt? Haar dy? Neen, denk ik. Dat ze in haar recht was? Dit ook wel niet, maar toch was de kans dat de vertegenwoordigers der autoriteit haar niet geheel-en-al in ’t ongelyk zouden gesteld hebben, grooter dan sommigen wel meenen.3De vrouw uit Haarlem raakte alzoo niet te-water. Een vuil partyblad uit de dagen waarin m’n geschiedenis voorvalt, beweerde dat ze zich redde door den kreet: “als jelui niet ophoudt met dringen, laat ik m’n kerel stemmen voor X!” Dit was gelogen, anakronistisch gelogen, gelyk dan ook slechts van ’n blad dat tot... die andere party behoorde, te verwachten was. Nooit zou men zoo’n afschuwelyk laag verzinsel vinden in ’n blad van de... niet-andere party. Hoe dit zy, ’n leugen wàs het. Ieder beschaafd mensch en krantlezer weet dat het kiesrecht der echtgenooten van zulke dames, eerst van eenige beteekenis is geworden na ’t uitsluiten van de arme drommels die zich moeten tevreden stellen met minder winstgevenden werkkring. OnzeMaddamdééd niet aan staatkunde, en dit is ’t slechtste niet wat ik van haar zou kunnen zeggen. In-plaats daarvan pakte zy een der meisjes by den arm, en duwde haar naar ’t gapend luikje van de schuit. “Allo, d’r in, as ’n meid! Koman, ik heb nou genoeg van dat gezanik! Toe, allo, d’r in, en jy ook!” Met deze woorden werd ook het tweede Kaatje ingescheept. De schuit wiegelde by ’t opstappen en dreunde by ’t neerkomen op den vloer van ’t ruim. Van onwil bleek er niets. De bedroefde “moeder” die de zoo vurig begeerde boezelaar uit het oog verloor, verdubbelde haar eentonig misbaar. De waardin scheen nog iets aan den wallekant te doen te hebben. Had ze misschien pas ’n krygsgeschiedenis bestudeerd? Trachtte zy zeker soort van veldheeren natevolgen, die de specialiteit beoefenen, hun overwinnaars jaloers te maken op de kunstige ingewikkeldheid van hun terugtrekken? Wou ze ’t slagveld verlaten met kalmte, met majestueuze waardigheid? Och, neen, op eer en roem was ze in ’t minst niet gesteld, maar er viel voor haar iets optemerken, en daarom aarzelde zy. Ze wilde weten of er van dien pastoor en dat jongetje wat te halen viel. Wouter’s aandringen by Pater Jansen om voorzichtigheidje te spelen had haar aandacht gewekt, en ze wilde meer van de zaak weten voor ze die beide personen uit het oog verloor, ’n oplettendheid die rechtstreekstot de eischen van haar “vak” behoorde. Een gelyke indruk, doch hier slechts ’t uitvloeisel van gewoon bedelaars-instinkt, bewoog de “radelooze moeder” nogeens ter-markt te komen met haar radeloosheid:—Hi, hi, hi, m’n arm kind!Wouter vroeg weer aan z’n begeleider, of er dan van hunnentwege volstrekt niets aan de zaak te doen zou wezen?—M’n arm kind! En... m’n boezelaar! Als ik dan in-godsnaam maar m’n boezelaar weerom had!Deze uitroep rymde vry-wel op den loop van Wouter’s gedachten.—Drie skelling en ’n oortje!Weer rekende Wouter z’n Mentor voor, dat dit nog geen vollen gulden bedroeg.—Och, m’nheer, nog niet eens ’n volle heele gulden! Wat scheelt òns die eene gulden?De waardin en de moeder bespiedden om ’t zeerst wat er tusschen die twee broeide.—Hoor eens, jongeheer, ’t mag niet, zei Jansen, ’t mag waarlyk niet! Maar...—Toe, asjeblieft, m’nheer!...dan zalik’t er byleggen. Ga je gang! Ik zal om geld schryven aan m’n broer te Vucht. Maar gauw dan, ’t is geen pleizierig staan hier.Jansen stapte naar de roef, en Wouter op de vrouw toe. Hy haalde ’t grauwlinnen zakje waarin z’n geld geborgen was voor den dag, had ’n beetje tyd noodig om den styf in-een-gedraaiden hals te laten ontkrinkelen...De waardin zag dit heel goed, en berekende den inhoud naar de snelheid van de wenteling. Maar... ’t kon kopergeld wezen? Neen, Wouter haalde een ryksdaalder voor den dag.—Hi, hi, hi, m’n arm kind!De treurende moeder stak de hand uit, en gebruikte de ander om de oogen rood en blind te schuren met haar voorschoot. Van de “drie skelling” sprak ze niet meer. Inderdaad, waarom dien weldadigen jongeheer op de gedachte te brengen dat ’n ryksdaalder méér bedroeg dan de oorzaak van haar gejammer, en dat er volgens de eenvoudigste regelen van komptabiliteit iets viel terug te geven? Ze veranderde dus van tekst, en huilde nu by-voorkeur over haar “verloren kind” ’n onderwerp dat haar voorkwam in beter evenredigheid te staan met ’n schadeloosstelling van vyftig heele stuivers. Wouter stond met open mond, en... wachtte? Ja, neen, ik kan waarlyk niet zeggen of-i wachtte. De vrouw droeg wel zorg, genoeg met haar oogen te doen te hebben om geen voedsel te geven aan de gissing dat zy op wachten verdacht was, en misschien was het voor Wouter-zelf ’n verrassing toen hy op-eens—in-godsnaam, ’t moest wel!—zich aanstelde alsof ’t wel werkelyk z’n bedoeling was geweest den ganschen ryksdaalder te offeren op ’t altaar van... van... ja, van wat eigenlyk?—God zal ’t je duizendmaal loonen, jongeheer!—Dat ’s vier zak guldens, en nog ’n beetje toe! riep ’n rekenaar uit den hoop.—Duizendmaal, jongeheer! Hi, hi, hi, wat zal er van m’n arm kind worden?Er begon waarachtig kans te komen dat Wouter beproeven zou de zedelyke toekomst van dat “arme kind” eenigszins te verbeteren, door de jammerende moeder ’n tweeden ryksdaalder aantebieden.’t Was waarlyk Wouter’s verdienste niet dat-i ditmaal bewaard bleef voor ’t verergeren van de reeds begane fout. Hy hoorde mompelen: “nou, voortwee-gulden-tienlevert ze-n-’t heele nest dat ze thuis heeft” waarmee waarschynlyk de ons reeds eenigszins bekende “wurmen” bedoeld werden. Deze taxatie kwam ons weldoenertje liefdeloos en onhoffelyk voor. Opgewekt tot verzet tegen de “massa” die natuurlyk met luid gelach den uitval toejuichte, wilde hy... zou hy... och, ’t kwam er niet toe. Pater Jansen stond in den stuurstoel te wenken, de schipper nam zyn plaats by ’t roer in, de knecht maakte het touw los waaraan de schuit had vastgelegen, en z’n “aan-boord, wie mee mot!” maakte aan de vertooning ’n eind. Onder luid spotgejuich van de menigte op den wallekant, gleed de schuit heen. De waardin had heel fatsoenlyk plaats genomen in de roef, misschien wel om den edelmoedigen jongeheer in ’t oog te houden, schoon men ook zonder deze strategische byzonderheid erkennen moet dat haar middelen zoo’n gedistingeerdheid wel veroorloofden. ’t Scheen haar alweer niet erg te hinderen dat de personen die ze in dat hokje vond, ruimer plaats voor haar maakten dan stipt gezegd noodig was. Elk ander zou zich beleedigd getoond hebben over de verregaande inschikkelykheid waarmee ze ontvangen werd. Maar zy? Onze twee helden hoorden haar by ’t binnentreden zeggen: “ook goed! Beter zóó, dan allemaal op ’n hoop, lieve menschen! Wie zweeten wil, kan z’n gang gaan, maar ik houd van de ruimte. Wel ja, niet waar?”Dit vraagje werd gericht tot denétat majordie in den stuurstoel zat, en ik zou ’t overgeslagen hebben als ’t me niet te-pas kwam om ’n opmerking te maken over den oorsprong van de Vrymetselary. Van:vrymetselaryliever, zonder lidwoord. Ik vind het wel zonderling dat men nog altyd daarnaar zoekt, alsof ’n aanleiding die zich dagelyks aan onze oogen vertoont, en die zoolang bestaan heeft als er menschen op de aarde wonen, eenmaal in nauwkeurig bepaalbare omtrekken ’n historische gebeurtenis zou geweest zyn. Elke Nyl moet, volgens zeker soort van volksvoorgangers, z’n byzondere bronnen hebben die men met den vinger op de kaart kan aanwyzen, en uit valsche schaamte voor den leerling die er naar vraagt, wil men maar niet erkennen dat die bronnen heel eenvoudig in de wolken liggen. Waarom zou een der tallooze waarneembare spruitjes die ’t hunne bydragen om zoo’n rivier te maken tot wat zy is, meer dan elk ander beekje, meer dan elke àndere vereeniging van doorgesypelde druppels, den naam van eigenlyke bron verdienen? Zoo bestaaner veel vraagstukken welker oorzaak van bestaan... ’n vraagstuk behoorde te zyn, of niet eens ’n vraagstuk. We kunnen de oogen niet opslaan zonderWordingwaartenemen, en toch blyft men nog overal droomen van ’nSchepping. ’t Lykt wel of zekere natuur- en geschiedfilozofen hun beroep leerden op ’n registratiekantoor, en vandaar de meening meebrachten vóór alles geroepen te zyn de wereld-akten van ’n vasten datum te voorzien. Het boekdrukken, ’n hoogstbelangryk vak zeker, maar slechts in zeer letterlyken zin van ’t woord: ’nKunst, het “stichten” van steden, de volksverhuizingen...Hola, we zyn er! En ’n behoorlykedate certainehebben wy ook. Wel zeker, de lieftallige herderin was aan ’t volksverhuizen met haar twee veroverde schapen, en men schreef:haarlemmer kermis, den zooveelsten dag. Ziedaar registratie! Och, ik moet wel korrekt tewerk gaan. Vanwaar anders dan uit ’n deugdelyk vastgestelden kermistyd zou ik den orgelman bekomen, die straks langs de vaart over den weg moet sukkelen om op ’t juiste oogenblik onzeMaddamte-hulp te komen in haar natuurvrymetselary? Er is veel talent noodig om dit uitteleggen aan lezers die ’t niet zonder uitlegging verstaan. Vooreerst gelieve men te begrypen dat er op den ganschen weg, althans zoover ’t oog van onze reizigers reikte, geen orgelman te zien was. Niets natuurlyker. De man was met de zynen—waaronder z’n gewichtig instrument—’n vol uur voor ’t afvaren der schuit van Amsterdam vertrokken, en ’t spreekt dus vanzelf dat men hem nog niet had ingehaald. Zonder loggen of zonschieten kan nu de lezer vry precies berekenen hoeveel geografische zoetwater-ellen door ons vaartuig waren afgelegd, toen de edele vrouw die betuigd had van ruimte te houden, aan ’t stuurstoelpersoneel vroeg: of ’t niet waar was? Strikt genomen hadden Jansen, Wouter en de schipper ’t recht gehad, hierop te antwoorden dat ze ’t wel gelooven wilden maar niet met zekerheid wisten. Inderdaad, men moet niet alles voor waar aannemen wat er door den eersten den besten gezegd wordt. Die vrouw kon booze redenen gehad hebben om ’t publiek in ’n verkeerden waan te brengen omtrent haar opinie over zweeten en benauwdheid. Maar, och, ons drietal dacht zoo diep niet na. Jansen was te bedroefd om te spreken, en Wouter te zeer vervuld van... iets dat op ’n aventuur geleek, om zoo terstond te kiezen tusschen twyfel, geloof en ontkenning. Wat den schipper aangaat, hy hééft geantwoord. Maar, lezer, zoolang ik u niet meedeel wàt de man zei, is ’t voor u alsof-i niet geantwoord had, en ge hebt dus ’t recht, u voortestellen dat de schuit ’n haarbreed verder was dan op ’t oogenblik toen de belangryke vraag gedaan werd. Hoe kan ’t na deze opmerkingen iemand in ’t hoofd komen, te meenen dat men dien orgelman reeds had ingehaald? Haasten laat ik me zoomin als ’n haarlemmer-trekschuit zelf. De schipper heeft geantwoord, o ja, maar ik ben aan ’t woord over de vrymetselary, en dat gaat vóór. Hoe kan ’t anders, daar juist de vraag “of ’t niet waar was, dat ze van ruimte hield?” my de opmerkingenin de pen gaf, die nu—misschien niet eens terstond—zullen volgen! Zou ik tuchteloos genoeg wezen my met het antwoord te bemoeien voor ik de vraag heb afgehandeld? Zulke kapriolen...Die orgelman dan was door Fancy besteld om zich niet voor ’t juiste oogenblik te laten zien, en we zouden verkeerd doen haar beschikkingen vooruit te loopen, vooral wanneer we door geduldig wachten gelegenheid vinden iets zeer wetenswaardigs te vernemen over den oorsprong van vrymetselary. Waar de bronnen van den Nyl zyn, heb ik reeds gezegd, en als ik nu ook dat andere ophelder zal de billyke lezer erkennen dat ik niet gierig met nieuws ben, schoon ’t wel wat veel is voor één hoofdstuk.Eilieve, wat ter-wereld bewoog die waardin tot de vraag: “of ’t niet waar was?” Weetgierigheid? Om-godswil, hoe konden Wouter en de schipper, of zelfs Jansen die ’n “gestudeerd” persoon was, meer van de zaak weten dan zyzelf? ’t Mensch was wel zoo oud als ik, dat heel erg is, schoon ik tot eer van haar Publiek erkennen moet dat ze ’t veel verder dan ik in de wereld gebracht had. Maar, gewaardeerd of niet, men wordt geen zeven-en-vyftig jaar zonder ruimschoots tyd te hebben tot beoordeeling van de vraag of men aan ruim- of nauw-zitten de voorkeur geeft. Waarom in deze zaak de meening van anderen ingeroepen? Hoe zou ze ’t opgenomen hebben, als een van de drie haar geantwoord had: “ik ben ’t volstrekt niet met u eens, juffrouw. U houdt meer van benauwdheid, want de grootedieofdie heeftgezegd... enz?” Ik doe de werkelykheid geen geweld aan, door te veronderstellen dat zoo’n tegenspraak niet zou gewaagd zyn zonder beroep op den bekenden grooten dichter die frazen geleverd heeft voor alle gelegenheden. Ik vraag my af wat ikzelf op haar nederig verzoek om inlichting zou geantwoord hebben indien ik in dien stuurstoel had gezeten? Maar ik kan me de mogelykheid daarvan niet voorstellen omdat ik op dat tydstip niet geboren, en alzoo nòg onbekwamer was dan nu in ’t oplossen der vraagstukken van zoo aetherischen aard als waartoe afkeer van benauwdheid schynt te behooren. Er is geen woord van waar, van deze klassifikatie, bedoel ik, want op m’n volstrekte onbekwaamheid om vóór m’n geboorte meetepraten, valt niets aftedingen. En ongeboren wàs ik. Er liggen honderd twee en zeventig genien tusschen myn eersten kreet en ’t laatste woord van die waardin. De lezer weet dat er in Nederland dertien genien op ’n maaneklips gaan, en kan dus nu precies uitrekenen wanneer ik jarig ben. Men wordt verzocht de miskende meetetellen, anders zou men tot de slotsom komen dat ik nog in de wieg lig.—Maarikhoud van de ruimte. Wel ja, niet waar?Mensch, waarom vraag je dat? Is ’t uit wysbegeerte? Heb je aan duitsche filozofie gedaan, en wil je misschien de eigenschappen van ’t leelyke dingan und für sichdat je—met permissie—je ikheid noemt, objektievelyk onderwerpen aan de subjektievereinen-vernunftskritiekvan den haarlemmer-schipper die z’n pyp stopt?—Asjeblieft, schippertje!Zoowaar, ze wil hem den koperen vuurbak aanreiken, waarin ’n turfkool ligt te glimmen, voor verstuiving bewaard door ’n deksel van messing, voor uitdooving ook door vyf ronde gaten, juist groot genoeg om aan pypekoppen den toegang open te laten naar ’t vuur. Toegang? ’t Mocht wat! De schipper, deugdzaam, griffermeerd en verontwaardigd, vader van zes gehuwde kinderen, antwoordde ditmaal niet. Hy haalde ’n tondeldoos uit z’n zak, nam de roerpen onder den oksel, en bikte z’n eigen vuur. Was er geen konsekwentie in dat waardig gedrag van den haarlemmer-schipper? En is ’t billyk, my te verwyten dat ik by-voorkeur beelden teeken die thuis hooren op laag terrein? Kan men zich iets verheveners voorstellen dan die tondeldoos en dat vuurslaan voor eigen rekening—als schryver zou de man ’n gek figuur gemaakt hebben!—terwyl hy de hand maar hoefde uittesteken om met z’n pyp den koperen cylinder te bereiken die hem zoo gul... neen, zoo verleidelyk werd aangeboden door de ondeugd? Of, al ware het dat-i met z’n grootkop zou te-kort geschoten hebben om ’t altaar te bereiken dat de valsche Vestale hem aanlangde, zou niet Wouter, de hulpvaardige by-uitnemendheid, het vaasje met de meest mogelyke toewyding hebben vastgehouden? Meent ge, lezer—gy die ’n man van ondervinding en oordeel zyt, en bovendien als Christen bedreven in de geheimenissen der demonologie—meent ge dat ooit aan ’n haarlemmer-schipper die op ’t punt staat z’n eerste pyp aantesteken...Ze waren alzoo pas by deEén honderd Roe, of ter-nauwernood zoo ver. Alweer ’n bewys dat die orgelman nog niet “in-zicht” kon wezen. Finaal onmogelyk!... meent ge dat ooit de Satan zich aan zoo’n schipper aanlokkender kan vertoond hebben dan in de warme gedaante van ’n gloeiende kool? En tòch deugdzaam! Tòch konsekwent!Deugdzaam? Ja. Maar wie van konsekwentie spreekt, heeft alweer slordig gelezen. Hoe kan men weten of ’s mans pyp-opsteken voor eigen rekening en risiko, in overeenstemming kan gebracht worden met het antwoord dat de vrouw zoo-even van hem moet gekregen hebben, zoolang men van dat antwoord geen kennis draagt? Overyling... uw naam is lezer! Stel dat-i gezegd had: “Eulalia, ik bemin u meer dan m’n schuit!—en nog altyd weet geen sterveling of-i wat anders zei—zou ’t dan niet van onvergeeflyke harteloosheid getuigd hebben, als-i zoo kort daarop Eulalia’s vuur had afgewezen? Dat mannen veranderlyk zyn weet ik, en niemand betreurt deze karakterfout meer dan ik, doch juist daarom noem ik ’t voorbarig dien schipper te stempelen tot uitzondering, voor wy ’n beetje meer van hem weten. In de eerste plaats alzoo...Lieve God, wat moet ik nu ’t eerst vertellen? De natuurmetselary wacht op verklaring. De schipper zuigt en blaast, de tondel tintelt, en klaagt over m’n spelling, nu ja, maar kan ik ’t helpen dat onze taalwetgevers hun eigen wetten niet volgen? De waardin schuift met mismoedig gebaar den versmaden vuurbak zoo ver ze maareenigszins reiken kan over ’t roertafeltje binnenwaarts, en verbergt haar smart onder den uitroep:—Wel man, als ’t je niet lykt mot je ’t maar zevend’half voet van je zetten. Graag of niet! ’n Mensch z’n lust’ is ’n mensch z’n leven...En, ’t hoofd buiten de deur-opening stekende, herhaalde zy de gewichtige vraag:... wel ja, niet waar?Jansen en Wouter hadden nu twee zaken voor één optelossen.De vrouw wilde weten of ’t waar is dat ’t leven van den mensch in z’n lust bestaat, ’n onderwerp dat weleens tot de konkluzie zou kunnen leiden dat men niet juist alle dooden op ’t kerkhof behoeft te zoeken, schoon ik niet verzekeren kan dat de weetgierige vraagster van deze vroolyke slotsom ’t ware besef had. Er bleek dat het zoo duidelyk uitgezwegennon tali auxiliovan den schipper ’t mensch gewond had, en ik verkies nu in haar herhaalde poging om eigen indruk aan ’t oordeel van anderen te toetsen, ’n bydrage te vinden tot den oorsprong dermaçonnerie.Ten-allen-tyde bestonden er menschen die meer te zeggen hadden dan ’n ander, en zy die—zooals op ’t oogenblik onze schipper—aan ’t roer zitten, maakten wel eens misbruik van hun voordeeliger standpunt. Laat ons onderzoeken wie de vrouw was die daar in de roef zat, en telkens haar hoofd buiten ’t deurtje stak alsof ze kennis maken wou. Wie ze was? Wel hoe kan ik dit weten, ik ken ’t mensch niet. De vraag is zonderling. Ik weet alleen dat ze zoo-even terdeeg was uitgescholden, en daar ze nog geen gelegenheid had gehad het gepeupel dat haar met zooveel verachting behandelde, te doen verzwelgen door dezen of genen afgrond, bevond ze zich in ’n staat van vernedering die ’t midden hield tusschen wrevel en kontritie, wel eenigszins gematigd of tot nader order teruggedrongen door den wensch om Wouter te ontlasten van z’n ryksdaalders. Wat haar boosheid aangaat, spot er niet mee, verwaten lezer. Ik hadUwel eens willen zien, tien minuten na ’t afgryselyk oogenblik dat ’n brokje Publiek u gebruikt had als voorwerp van deugdmanifestatie!Tien minuten, zeg ik? Misschien was ’t nog wat minder, schoon ik erkennen moet dat de schipper z’n tonteldoos... goddank, met ’n tintelendetdezen keer, ’t staat er! Ja, de schipper had z’n vuurtuig geborgen waar zulks te doen gebruikelyk is. Hy dampte deftig en dapper, en reeds had-i aan Jansen verzekerd dat het vandaag mooi weer was. Toch blyf ik beweren dat de schuit nog geen volle tien minuten gevaren had. Zóólang nog maar was de waardin woedend geweest. Dit komt iemand die ’t nooit ondervond zoo heel erg niet voor, maar men moet bedenken dat de deugdzame gemaaktheid waarmee ’t roefpubliek zich by haar binnentreden tegen ’t voorbeschot had gedrongen, geen goed aan de zaak deed. Men kan gerust aannemen dat haar minuten dubbel telden, en waarschynlyk is ’t aan deze byzonderheid te wyten dat sommige historieschryvers, haar zielewenteling verwarrende met de kopernikaansche gegevensvan ’t andere zonnestelsel, in de dwaling vervielen dat onze schepelingen den orgelman reeds in ’t oog konden hebben. Niets is minder waar. De man was deDriehonderd Roeal lang voorby, toen de vrouw de eerste keer vroeg “of ’t niet waar was?” En nu? Nu, na alles wat er sedert dat gewichtig oogenblik plaats vond? Datikinstaat ben op ’t kleinste wereldkaartje de plek aantewyzen waar hy zich bevond, mag beschouwd worden als ’n billyk schryvers-prerogatief. Maar zoolang ik m’n meerdere kennis voor mezelf houd, baat die alziendheid weinig aan ’n ander. Om nu evenwel bewys te geven dat ik op dat geestelyk overwicht niet groots ben, deel ik gulweg wat van m’n overvloed mee, door alles te vertellen wat ik van de zaak weet. Het zal velen interesseeren, vooral omdat er iets onmogelyks in voorkomt. De orgeldraaier dien ik den lezer vóór den tyd laat zien, was ’n Franschman. Dit is niet volstrekt onmogelyk. Om geloofszaken had-i z’n land verlaten. Ook dit gaat de perken van ’t denkbare niet te buiten. Wie verlaat niet soms z’n vaderland wegens verschil van opinie met z’n medeburgers? Hierin lag alzoo de mogelykheid van z’n aanwezen niet, maar hy torschte een straatorgel, en dit vind ik ongeoorloofd-byzonder, omdat zoo’n ding in Wouter’s tyd nog niet bestond. Zoo ziet men dat alle verbeteringen in armwezen, politiek en industrie worden aangekondigd door ’n soort van voorloopers. ’t Voorgeslacht heeft er geen weet van—omdat het overleden is—de tydgenoot miskent en steenigt ze uit broodnyd, en de naneef... nu, dit benikin dit geval, en ik zal m’némigrégeven wat hem toekomt. Vooreerst dan kan ik u na ’t raadplegen met al de oude schryvers die de zaak behandeld hebben, verzekeren dat-i op ’t oogenblik toen de waardin bezig was met de vruchtelooze poging om ’t hart van den schipper te doen smelten, in z’n koeterwaalsch stond te kibbelen aan ’t Sloterdyker tolhek. Hy trachtte vrye passage te bedingen, maar ’t lukte niet. Z’n vrouw—zaagt ge ooit ’n orgelman zonder vrouw?—en haar kinderen—wie zag ooit ’n orgelvrouw zonder kinderen?—nu, ’t heele gezin stond om hem heen, en wachtte met angst de beslissing af. Maar de tolgaarder was onvermurwbaar, en betoogde op staathuishoudkundige gronden dat ouwerwetsche kwalen als die waarin hy een zoo nuttig bestaan vond, met de meeste stiptheid moesten gehandhaafd worden, omdat alleen hieruit te-eeniger-tyd de algemeene afkeer kan voortvloeien die de afschaffing zal mogelyk maken. “Maar ik zal ’t niet beleven, zeid-i, en m’n kinderen ook niet!” Dit was wèl gezegd, voorwaar, en hy had gerust nog ’n paar geslachten verder kunnen gaan, wat-i zeker naliet uit de bescheiden vrees zich gezegender stamvaderschap aantematigen dan de Heer hem toedacht. Vol karakter, en met ’n aandoenlyk vertrouwen op de taaiheid van misbruik, bleef-i z’n recht tot plicht verheffen, en eischte twee duiten de persoon. Had de man geen gelyk? By de minste weifeling liep de Staat gevaar dat de Regeering in den Haag zyn toegevendheid tot precedent stempelen, en zich daarop beroepen zou om eens ’n enkelen keer met den tyd meetegaan. Wie huivert niet? En wiehuivert niet nogeens by de bedenking dat misschien alle Haarlemmers en Amsterdammers op-eensvice-versaaan ’t verhuizen zouden gaan, als zoo’n tweeduits-slagboom werd overgebracht naar ’n muzeum? Wie ’t wèl meent met z’n dierbaar vaderland en ouwerwetsche zotternyen, huivere ten derden maal. Maar dan is ’t ook genoeg.De vrouw van den orgelman was ’n Duinkerksche, en kon zich redelyk verstaanbaar maken, maar haar aanhouden had even weinig gevolg als de niet verstane hoewel best begrepen vertoogen van haar echtgenoot. Wat te doen? De stumperts waren nu eenmaal de tien, twaalf duiten niet ryk, die er noodig waren om Haarlem te bereiken, waar ze zeker opgang en goede zaken zouden maken met hun zeil. Want ze hadden ’n zeil, waarop ’n fraaie geschiedenis stond afgebeeld. Het was, om ’n paar staken gerold, gedragen door de twee oudste kinderen, die nu echter by dien slagboom hun vrachtje moedeloos hadden neergelegd. Ook ’t orgel was op den grond gezet, en de vermoeide man ging er op zitten, niet zonder vrees dat men tol zou komen vorderen voor ’t beetje rust dat-i waarlyk wel noodig had. De vrouw was uitgepraat, en de tolgaarder had alle verzoeking tot het schenden van z’n plicht afgesneden door zich in z’n huisje terugtetrekken, waar-i z’n werkzaam leven voortzette. De nood was hoog, en alzoo de redding naby. Nu denkt de lezer dat Wouter aan de beurt komt. Welzeker, wat beteekenden voor hem tien duiten, of al waren ’t er twaalf! Ik heb de kinderen niet geteld, en weet bovendien niet of de vele zuigelingen die daarby waren, moesten meedragen in ’t onderhoud van den straatweg? Maar al had ik ze geteld, en al wist ik dat, om godswil, lezer, hoe kon Wouter hier helpen, hy die nog ver af was, en van de heele zaak geen kennis droeg? Geloof me, als Wouter in dit byzonder geval God met anderhalven stuiver was te-hulp gekomen in ’t redden van vyf, zes ongelukkigen, ik zou ’t zeggen! Reeds voor mezelf houd ik niet van nederigheid, waarom zou ik—ten-koste nogal van m’n roem als nauwkeurig geschiedschryver—preutsch omgaan met de verdiensten van ’n ander? Wouter zat nog altyd lang en breed te peinzen over... die twee meisjes, en wie z’n indrukken gekend had, zou gevonden hebben dat-i ditmaal byzonder weinig op ’n plaatsvervangende Voorzienigheid geleek. Er was toch iets aardigs in, dacht hy, zoo op-eenmaal door ’n vrouw uit Haarlem uit z’n gewonen kring gehaald te worden. Hy wou graag gelooven dat ze de wereld niet van den allerfraaisten kant intraden, maar ’t was dieWereldtoch, ’t was ’n uitvlucht, iets ongewoons. Zoo’n meisje had toch veel voor. Wie zou ooit hèm komen halen, wie hèm verlossen van Stoffel, Kopperlith’s en gewoonheid? Die meisjes waren “gevallen” o zeker, en dit is heel verkeerd, maar hadden ze niet byzonder prettige genoegens te wachten van ’t opstaan? Ieder weet dat God graag vergeeft—men moet bedenken dat het z’n eenige uitspanning is—en ook de Maatschappy strekt tot verrekkens toe haar armen uit om berouwhebbenden aan haar vriendelyke borst te sluiten. Onder al die omhelzers bevindt zich alligt ’n prins die zich zoo verheugt over’t weervinden van ’n verloren schaap, dat-i al z’n koningryken wat weinig acht om op ’t laatste blaadje van den roman te worden neergelegd aan de voeten... och, hoe jammer dat Jansen plaats had, genomen in de roef!Maar met al die overleggingen hebben we niet te maken, omdat, we nu te Sloterdyk zyn. Daar Wouter er nog niet was, zag God-zelf zich wel genoodzaakt ’n hand uittesteken. Hy verwekte een verlosser in Israël, in de gedaante van ’n kleinen boerenjongen, die uit het dorp over de vaart heen bemerkte dat er by het tolhek iets byzonders aan de hand was, en z’n ontdekking aan twee, drie anderen meedeelde. Dezen, gedreven door den geest, maakten er ook geen geheim van, en alles liep uit, de brug over, naar den slagboom: er was Publiek! Wat kan ’n artist meer verlangen? “A la bonne heure!” zei de man, en hy gaf bevel de paaltjes in den grond te slaan, waaraan ’t zeil werd opgeheschen, ontrold, vastgehecht... och, zoo kleurig! Heel Sloterdyk stond verbaasd, en er was reden toe. Want, al z’n leven, men kreeg de geschiedenis der schooneGenoveva van Brabantte aanschouwen! Wie ’t zag, zou moeten erkennen dat Wouter groot gelyk had, toen-i in z’n print-kleurperiode zoo jaloersch was op dat leven in ’n woesteny. Geen kind in heel Sloterdyk dat er niet precies zóó over dacht. Het zeil was verdeeld in vier kolommen, en overdwars in zeven ryen, ’n verdeeling die me straks kan komen te staan op ’t vertrouwen van den lezer. Want zie, de man zong welgeteld negen-en-twintig koepletten, en ’t zal dus schynen dat ik òf ’n koeplet van eigen vinding valschelyk onderschuif, òf dat ik—erger nog—te-kort doe aan ’t zeil. ’t Een is zoo onmogelyk als ’t ander. Men schudt geen poëzie als de hier bedoelde uit den mouw, en wat het zeil aangaat, wie zag er ooit een met negen-en-twintig vakken? Blyft men in-weerwil hiervan m’n nauwkeurigheid wantrouwen, ’t spyt me wel, maar ik zal trachten my in ’t verdriet daarover weer te schikken. Men is nu eenmaal niet voor z’n pleizier op de wereld. Misschien ook voelt de ergdenkende lezer berouw, als-i den tekst van deComplaintegelezen heeft. Hy zal inzien dat men zoo-iets niet machtig wordt zonder nauwkeurige bronnen geraadpleegd te hebben.Men moet daartoe beneden de twaalf jaar zyn, of... véél ouder. Dat de Sloterdykers er niet veel van verstonden, deed weinig schade aan ’t effect. De acht-en-twintig kleurige tooneeltjes op ’t zeil schreeuwden wèl zoo hard en spraken duidelyker dan de beide zwervers. En wat men op printjes niet begreep, werd opgehelderd door ’t larmoyeerend orgel.4Niemand van de toeschouwers had achtgeslagen op ’t naderen van de schuit. Wonder was ’t niet, want toen ze begon in-zicht te komen, had men zich even te-voren vermaakt met de exekutie van Golo, die zoo duidelyk op het drie-en-twintigste vakje was voorgesteld dat slechts weinigen er geen kippevel van kregen, en wie in dit ongevoelig geval verkeerde, wachtte zich wel het te zeggen. Niemand beklaagde den booswicht, en als de Sloterdykers zitting hadden gehad in die rechtbank, zouden de stukjes waarin hy gesneden werd, nog veel kleiner uitgevallen zyn. Dechèresen degrandes tendresseswaarop Genoveva vervolgens onthaald werd, waren op ’t zeil heel aanlokkelyk voorgesteld. ’t Doet me genoegen dat Wouter er niets van gezien heeft. Ook had de schilder middel gevonden, den toeschouwer te doordringen van haar aanhoudend omgaan met “J. C.”5slechts afgewisseld door ’t biddend en dankend gebruiken van ongekookte boomwortelen. Och, men hoeft zoo weinig fransch te verstaan om zulke dingen innig te begrypen! Nog één koeplet, en heel Sloterdyk was aan ’t bidden en uitgraven van boomwortels gegaan. Ieder ziet in dat het publiekje van den troubadour, in zoo’n gewyde stemming wel wat anders te doen had dan op de schuit te letten, die daar zoo onverschillig kwam aanschuiven alsof er nooit ’n Genoveva in de wereld geweest was. En die hinde! Juist toen ’t arme dier bezig was met z’nmiracle nouveau, doorquoiqu’on lui portevan honger te sterven op dat graf, hoste de jager voorby. De lyn van zoo’n haarlemmer-schuit is tachtig vaam lang...61Zie noot blz. 305.2Dat wil zeggen: in het tuchthuis waar de veroordeeldenCampêche-ofFernambakhoutraspten. (M.)3In I. 1272 geeft M. een verhandeling over de machteloosheid van wet, regeering en philantropie in den stryd tegen de onzedelykheid: de theorie vermag hier niets tegen de praktyk. Het eenige middel om den handel in ontucht te gronde te richten iswarebeschaving, d. i. “zy, die den lust inboezemt, en de bekwaamheid meedeelt, omgenot te vinden in arbeid.”4In het troubadourslied wordt verhaald van de edele Genoveva, die door den verrader Golo van overspel beschuldigd, aan den dood ontkomt, doordat twee dienaars haar met haar kind laten ontkomen. In het woud leeft ze van wortels, haar kind wordt door een hinde gezoogd. Op de iacht vindt haar gemaal haar: Golo’s verraad komt uit en Genoveva wordt in eere hersteld: maar ze blyft een ascetisch, vroom leven leiden, ze voedt zich enkel met boomwortels, en denkt slechts aan Jezus Christus. Als ze sterft treuren allen,—de hinde weigert op haar graf alle voedsel en sterft er.5= Jezus Christus.6Om zyn naam als letterkundige eer aan te doen verklaart M. dit te weten, niet door hetmetenvan het touw, maar door het raadplegen van andere bronnen: als Plinius en Plutarchus! Vervolgens geeft hy in I. 1278 het in de opschriften van vorige hoofdstukken (zie blz. 265 en 288)aangekondigde “stuk 17de eeuwsche volksroem,” voorafgegaan door een afbrekende kritiek van Engelsche letterkundigen op Vondel en Cats, n.l. een citaat vol buitenlandsche lof over de geregeld varende Treck-schuyten, “dat bestemd was ’n helder licht te werpen op den vermoedelyken afloop van Wouter’s reis naar Haarlem.”
Wouteren deugdzame lezers worden teleurgesteld doorFancy,die ’n lynch-vonnis kasseert. Ter vergoeding levert ze bydragen tot de physiologie van zekere nyverheid, en benoemt zeWoutertot trooster van ’n diep bedroefde moeder. De lezer wordt gepaaid met het stuk volksroem, waarop hy al zoo lang gewacht heeft. OfWouterHaarlem bereikt?
Wouteren deugdzame lezers worden teleurgesteld doorFancy,die ’n lynch-vonnis kasseert. Ter vergoeding levert ze bydragen tot de physiologie van zekere nyverheid, en benoemt zeWoutertot trooster van ’n diep bedroefde moeder. De lezer wordt gepaaid met het stuk volksroem, waarop hy al zoo lang gewacht heeft. OfWouterHaarlem bereikt?
—Wel, jongeheer, daar schynt wat vreemds voortevallen. Hoor me die vrouwspersoon eens schreeuwen!
—Ja, m’nheer, ze schelden. Ik geloof zeker dat er ruzie is.
De opmerking van pater Jansen was gegrond, en Wouter’s geloof ditmaal eens byzonder goed. Er was inderdaad iets byzonders aan de hand en er werd gescholden.
En alweer vroeg Wouter waarom die vrouw zoo schold, en “tegen wien ze ’t had?” Hy kon aanvankelyk niet uit de zaak wys worden, en deed hiermee tot m’n groot genoegen z’n leermeesters by het postkantoor weinig eer aan. Uit de onnoozele vragen die hy tot z’n bejaarden vriend richtte, bleek duidelyk dat hun onderwys niet best aan hem besteed was geweest. En pater Jansen was nu juist de rechte man niet om hem behoorlyk intelichten, want er was by die schuit iets zeer gemeens te doen, en daarvan had-i geen verstand. Wel kende hy in z’n hoedanigheid van zielengeneesheer de gewone verschynselen van de ziekten die men hem intheologie-derdeals “zonde” had leeren kennen en behandelen—de kursus liep,excusez du peu, intheologie-eerstetot en metgenezentoe!—maar juist omdat-i ze slechts als zoodanig bestudeerd had, stond-i met de handen verkeerd, zoodra de vyand tot wiens verdelging hy ambtshalve geroepen was, zich in levenden lyve aan hem vertoonde, wat hier werkelyk ’t geval bleek. De goede pater mocht van geluk spreken dat-i, eenigszins verlegen door de verrassing, en misschien ook weerhouden door de stoffeering van het tooneel dat byzonder weinig op ’n biechtstoel geleek, niet terstond aan ’t bedokteren ging van de zieken die hier overvloedige blyken gaven van behoefte aan wat beterschap. De goede man zou zeker ’n gek figuur hebben gemaakt, en dit ware jammer geweest. Hy vernam by deze gelegenheid byna evenveel nieuws als Wouter, en ook zonder deze overeenstemming was ’t opmerkelyk in hoevéél opzichten de indrukken die zy hier opvingen, elkander geleken. Jansen was in wereld- en menschenkennis ongeveer blyven staan op ’t standpunt dat Wouter onlangs bereikt had, en alzoo steeds minderjarig in de boosheid gebleven. Het verschil tusschen deze beide kinderen bestond hoofdzakelyk hierin, dat de ontwikkelende knaap méér weten wilde en zichzelf beschuldigde van domheid, terwyl de volwassen man heel tevreden was met z’n verstandelyke toerusting. En waarom zoud-i niet? Hy had immers alle voorgeschreven examens achter den rug, en wist dus precies wat er in zake zielenherderschap kon geweten worden. Z’n tevredenheid sproot volstrekt niet uit eigenwaan voort, maar uit plichtmatig vertrouwen op de knappe luî die verklaard hadden dat-i behoorlyk volleerd was en raad wist met alle zonden. Hy had er latynsche getuigschriften van, met zegels er op. Wat wil men meer?
Ik kan de meening niet deelen van sommigen die beweren dat ’n katholiek geestelyke zoo byzonder veel menschkunde zou opdoen in den biechtstoel. Het komt me voor, dat men daarby over ’t hoofd ziet hoe moeielyk het is zichzelf te schetsen, en dat de biechteling, ook by de hoogstdenkbare oprechtheid—volkomen oprechtheid is onmogelyk!—slechtsdadenenfeitenkan openbaren. Vanwaarimmers zou hy de psychologische ontwikkeling halen, die niet ontbeerd worden kan door iemand die al de schakeeringen van deroerselszyner handelingen uit elkaar wil houden? En vanwaar de welbespraaktheid om die duidelyk blootteleggen voor ’n ander? Waarlyk, wieditkan, knielt niet naast ’n biechtstoel om de geheimen van z’n ziel toetefluisteren aan ’n priester! Niet voor dezulken is de oorbiecht uitgevonden, en niet voor hèn wordt ze in-stand gehouden. Wie dit betwyfelt, lette eens op den graad van verstandelyke ontwikkeling waarmee ’t meerendeel der geestelyken blykt te kunnen volstaan. Er hing me hier ’n beeld in de pen, waarmee ik ’t verschil in soort van hun werkzaamheid wilde schetsen, doch ik houd het terug. ’t Was iets als ’n vergelyking tusschen den Schwartzwalder boer die houten klokjes snitselt, en den fabrikant van fyne zakuurwerken te Genève. Deugt niet, deugt niet! Er is hier geen spraak van ’t onderscheid tusschen grof en fyn, niet eens zelfs altyd van meer of minder ingewikkeldheid der organismen. Op ’t oneindig wyd gebied van menschkunde heerschen àndere verschillen! Reeds zeer lang geleden zagen we hoe tevreden pater Jansen was over Femke’s ziel—geen Schwartzwalder snitselwerk, op m’n woord!—en onlangs stelde ik den lezer in de gelegenheid ’n brok theologischen kursus bytewonen, door hem in kennis te brengen met Styntje. Hoe gelieft men nu den toon te noemen, waarop die beidie personen zich uitlieten over zaken die door anderen slechts werden behandeld met konynenmondjes en in pontifikaal! Ondeftig was die toon, o zeker! Maar toch—en ik bedoel dit in zéér hoogen zin—onaesthetisch, grof, onzedelyk dus, was die toonniet!Er was hart in, en kinderlykheid, en overtuiging. De uitdrukkingen die pater Jansen en z’n dienstbode zich veroorloofden... och, ze wisten niet dat er iets te veroorlooven viel! Van kinds-af vereenzelvigd met hun naïf geloof, bespraken zy de dingen die daarmee in verband stonden, met dezelfde gemakkelykheid als andere belangen van hun huishoudentje, en Styntje’s tevredenheid over ’t vereffenen der schuld van haar moeder was van gelyke soort als haar voldoening zou geweest zyn over ’t wèlslagen van ingemaakte zuurkool. ’t Spyt me dat ik op ’t oogenblik niemand tot getuige roepen kan die haar aankomst in den hemel heeft bygewoond, maar we mogen ons verzekerd houden dat ze by die gelegenheid even onbevangen gevraagd heeft: “wel, waar is ze nu... m’n moeder? Ze weet immers dat ik alles krek in-orde heb gebracht?” als ze Wouter opdroeg haar teerbeminden pater te beschermen tegen z’n goedgeefsheid. En ook hyzelf was er de man niet naar, om z’n God en goddelyke dingen terugstootend te maken door deftigheid. Z’n geloof en al wat daaruit voortvloeide, was hem de meest dagelyksche zaak van die wereld.
Maar... die wereld-zelf kende hy nu eenmaal niet! Hy wist er niet veel meer van dan z’n biechtelingen hem konden of wilden meedeelen, en deze zeer gebrekkige inlichtingen namen nog bovendien steeds de kleur aan van z’n eigen schuldeloos gemoed. Elk bedrevenkwaad scheen hem ’n ongeluk toe, en de vermaningen die hy uitsprak of de boetedoening die hy soms meende te moeten voorschryven, geleken meer op ’n vriendschappelyk toegediende hartsterking dan op berisping en straf. ’t Was waarlyk geen wonder dat-i niet recht vatte wat er by die haarlemmer-schuit verhandeld werd! Een der hoofdpersonen in het drama-bedryf dat hier werd afgespeeld, de vrouw die door haar luidruchtigheid en gemeenen opschik de aandacht van ’t publiek tot zich trok, was te Amsterdam geweest om wat koopwaar optedoen voor haar winkel te Haarlem. Die koopwaar bestond in ’n tweetal... meisjes, neen—twee “meiden” zeg ik ook niet graag—uit twee jeugdige vrouwspersonen dan, die ze door geschenken en de voorspiegeling van ’n lui leven tot zich had weten te lokken. Wat ik hier “geschenken” noem, was in werkelykheid ’n driedubbel geboekt woekervoorschot. En “ze had het zwart op wit” zei ze, op haar dy slaande, waar de kostbare dokumenten geborgen schenen die haar woorden konden bevestigen. Deze bewysvoering was tegen de moeder van een der beide schepseltjes gericht, die lucht van de zaak gekregen, en gezorgd had vóór ’t afvaren van de schuit daar te zyn. ’t Woord “moeder” klinkt liefelyk, en de goedige lezer verwacht dat de vrouw zich daar bevond om haar kind te ontrukken—“zoo noemt men zulks” zou Stoffel zeggen—aan de klauwen des verderfs... och, ik ben daar jammerlyk op ’n boekenfraze verzeild geraakt. Dat komt er van, als men z’n schryftafel zoo vol modellen heeft liggen!1Die “moeder” was doodeenvoudig daargekomen om ’n aandeel te vorderen in ’t reeds genotene, en vooral om ’n aandeel te bedingen in de toekomstige winst. Het toegeschoten publiek was verontwaardigd, of toonde zich zoo, en verdeelde de uiting van z’n misnoegen vry gelyk tusschen de moeder en de waardin. Deze beiden aan ’t kyven! De twee rekruten zwegen, maar toch kon ’n opmerkzaam toeschouwer te weten komen wie van de strydvoerende partyen met haar sympathie vereerd werd, en wel door de plaats die zy innamen, of die ze trachtten te hernemen als ze voor ’n oogenblik vandaar waren weggedrongen. Blykbaar schaarden ze zich, zoowel in overdrachtelyke als in letterlyke beteekenis van ’t woord, aan den kant der waardin. En er was reden toe! Deze had “so werachtich as Chot” niets minder verzekerd dan dat haar kontubernaaltjes ’s morgens zoo lang konden slapen als ze maar verkozen, en ’s avends zouden ze onthaald worden op jenever met suiker... als ze maar ’n “heer” wisten te bewegen die versnaperingen voor zyn rekening aan ’t buvet te bestellen. Nu, hiertoe meenden de meisjes kans te zien. Maar ’t zou haar tegenvallen. Ze overschatten den invloed en den markt-prys van haar bekoorlykheden—de goedkoopste zaak ter-wereld!—en ook wel ’n beetje de mildheid van de “heeren.” Maar de beminnelyke waardin liet haar aanstaande voedsterlingetjes in den waan dat er met nagebootste huurliefde terdeeg wat ’te verdienenviel. En er werd nog meer beloofd. Ze zoudenKrelienenSefieheeten, en door de meid “juffrouw” genoemd worden. Om ’n voorsmaak van die heerlykheid te geven, en tevens van den toon die in haar etablissement heerschte, sprak ’t wyf gedurig van haar “dames.” Wat kon, tegenover zulke schitterende aanloksels, de moeder bieden, zy die maar ’n arme werkster was? Ik weet wel dat sommige boekenluî ’n antwoord op deze vraag gereed hebben. Ze spreken by zulke gelegenheden van tucht, reinheid van ziel, eer, gemoedsrust, moederlyke teederheid... och, onze beide Kaatjes hadden liever jenever met suiker! Maar ik moet er by zeggen dat de keus haar niet zóó moeielyk gemaakt werd, als de papiermoralisten van zoo-even wel denken zouden, want de moeder hield zich met al die roerende dingen niet op. Ze reklameerde haar deel van de zaak, en eischte vóór alles ’n bonten voorschoot terug, dat ze volgens haar beweren aan haar dochter geleend had.
—En zal ik er nou dàt niet eens van hebben, riep ze, dat ik m’n eigen goed weerom kryg? Hy heeft me drie skelling en ’n oortje gekost?
Ervan? Wáárvan, o vrouw? Wáárvan? Ik vraag u,wáárvan?Nu, dit kon háár niet schelen, en:
—Dat kanmyniet schelen, schreeuwde ook de waardin. Mensch, je moest je schamen, dat moest je! Wel ja, wat zeg jylui—dit was ’n beroep op de kiesheid van de omstanders, die deze onderscheiding ten-volle verdienden—wat zeg jylui? Is ’t geen schande dat ’n moeder haar eigen kind ’n standje komt maken om ’n boezelaar?
—Ik wou maar dat we-n-afvoeren, zuchtte een van de Kaatjes. Wat treuzelt die schipper!
—Drie skelling en ’n oortje, zoo waar as er ’n God in den hemel is, op deNumàrtin den bontjeswinkel! Geef hier, m’n goed! ’t Ismyngoed, zeg ik je! Geef hier!
Een poging om ’t betwist voorwerp met geweld machtig te worden, mislukte. Op-eens wendde de teedere moeder de zaak over ’n anderen boeg. Ze trachtte haar stem aandoenlyk te maken, en huilde:
—Heb ik je dáártoe opgebracht?
Wel zeker! Waartoe ànders, o teedere moeder?
—’t Is om te besterven, menschen, dat is het! En zeg, wat zal je vader daarvan zeggen?
—Nou, laat er je man maar buiten, zou ik je raden! Die zit hoog en droog in de rooie zaagsel.2Wat zeg jy, Ka?
Kaatje bevestigde de zaak wel niet uitdrukkelyk, maar gaf toch ’n antwoord dat heel weinig op verontwaardigde ontkenning geleek, door op-nieuw moeite te doen om zich van haar moeder te verwyderen, en ’n veilig plaatsje te krygen achter de waardin. Deze haastte zich ’n zegel op de beteekenis van Kaatje’s manoeuvre te zetten:
—Wel ja, meid, ’n woord ’n woord, ’n man ’n man, niet waar?En... ik heb ommers al de papieren in m’n zak. Wat zeg jyluî? Een mensch kan toch niet meer verlangen als zwart op wit!
De vrouw had weer op haar dy geslagen, en scheen antwoord te wachten. Er gingen dan ook uit het publiek eenige stemmen op, maar ze getuigden van verdeeldheid der meeningen. Wel hoorde men hier-en-daar: “zieje, ’t is toch altyd haar moeder!” maar ook toonden sommigen zich verontwaardigd over de vreemde soort van ’t moederschap dat hier vertoond werd. Een stemming by zittenblyven en opstaan kon moeielyk verordend worden, omdat deheelezaak in de letterlyke termen van ’n “standje” viel. Bovendien, de strydvoerende partyen wachtten zich wel ’n beroep op de meerderheid te doen, voor ze met eenige zekerheid berekenen konden die meerderheid op haar hand te hebben. En hiertoe bestonden aan geen van beide zyden voldoende gegevens. Velerlei scheldwoorden rezen uit de vergaderde menigte op, maar ’t viel moeielyk te beslissen tot wie ze gericht waren, omdat ze meestal nogal toepasselyk konden geacht worden op ieder van de vier vrouwspersonen in ’t byzonder. De hieruit voortspruitende verwarring bewees hoe groot de behoefte was—ook zelfs in de laagste standen der Maatschappy—aan eenig besef van onderscheidtusschenscheldenenbeschuldigen.
—M’n drie skellinge wil ik hebben, kryschte de vrouw, terwyl ze trachtte haar dochter by den voorschoot te grypen. Ik wil m’n geld, m’n drie skellingen, of anders...
Haar schreeuwen herinnerde Wouter aan de wanhoop der edele Hersilia over die verlorenzeven gulden dertien, en langs derailsvan al wat er sedert ’n etmaal weer met hem was voorgevallen, liep z’n herinnering uit op de vyftig guldens die hy in z’n zak had. “Alshyeens die arme vrouw aan ’n nieuw voorschoot hielp? God zou ’t zeker weer niet doen, en daar er nu toch eenmaal in ’t helpen iets goddelyks ligt:
—Wat dunkt u, m’nheer? vroeg-i aan pater Jansen?
—Ik ben erg bedroefd over die menschen, zei de goede man.
—O zeker, m’nheer! Maar... die boezelaar? Drie schellingen is nog geen volle gulden, en alswynu eens...
—Dat mag volstrekt niet, jongeheer! Het doet my in de ziel leed dat die menschen op zoo’n verkeerden weg zyn—want dit moet ik er haast wel van gelooven—maar ’t geld dat je by je hebt, is je niet gegeven om...
—M’n drie skellinge, huilde het wyf, of anders ten-minste m’n kind weerom!
Dit “ten-minste” was verrukkelyk! Zal er misschien straks blyken dat prinses Erika onzen Wouter die vyftig guldens geschonken heeft om ’n radelooze moeder weer in ’t bezit van haar verloren kind te stellen?
—Ze is heel ongelukkig, m’nheer... hoor maar! Och, wat komt er nu voor òns die ééne gulden op aan? En... ’t is nog niet eens ’n volle gulden!
—We mogen ’t heusch niet doen, jongeheer! Kom, kom mee inde schuit! Ik word er koud van, en kan ’t heusch niet langer aanzien.
’t Scheen wel dat pater Jansen z’n eigen standvastigheid wantrouwde en de verlokking ontvlieden wou. Maar hy aarzelde. Ook Wouter volgde slechts heel langzaam, en niet zonder telkens opnieuw, by z’n geleider aantedringen op interventie.
—Wat is voor òns ’n enkele gulden, m’nheer!
Kyk me-n-eens zoo’n kleine rykaard! Jansen antwoordde niet, bleef weer staan, en scheen te weifelen. De vrouw die met ’n eigenaardig armeluî’s-instinkt iets bemerkt had van wat er tusschen die twee gaande was, vond het raadzaam van tekst en toon te veranderen, en begon te jammeren over de drie “wurmen die ze thuis had, en die nu zouden moeten vergaan van ongemak en kou.” Inhoever deze verdrietige omstandigheden ’t gevolg konden wezen van Kaatje’s wangedrag, of van ’t bankroet dat ze aan haar boezelaar leed, liet zy onopgehelderd. Toch had vooral de beweerde plotselinge temperatuurverlaging van die “wurmen” zoo in ’t hartje van den zomer, best eenige meteorologische toelichting kunnen gebruiken. Maar hiernaar werd door de tegenparty niet gevraagd. Zoowel de waardin als anderen uit den hoop beantwoordden haar klachten slechts met onwetenschappelyke scheldwoorden, doch tereere van ’t stukje publiek dat hier vergaderd was, moet ik erkennen dat ook de koopvrouw uit Haarlem niet verschoond werd. Haar beroep leverde overvloedige stof tot schimp en smaad. Maar ’t scheen dat ze de uitdrukkingen waarmee men haar zedelyk en maatschappelyk standpunt kwalificeerde, wel eens meer gehoord had, en niet gewoon was flauw te vallen om ’n beetje schande. Tartend, en als om te pronken met haar ongedeerdheid, bauwde zy de scheldwoorden na die men haar naar ’t hoofd wierp, en wanneer daarin zekere eentonigheid begon te heerschen, omdat de voorraad wat klein bleek in verhouding tot den duur van descène, hielp zy de schreeuwers op den weg door ’n sarrend: “nou mot jelui dàt weer ’ns zeggen!” of: “ik heb in lang niet dàt of dàt gehoord, koman, bedenk jelui je nou ’reis goed of je niet ereis wat nieuws weet!” Deze betrekkelyke kalmte prikkelde tot opwinding, en op zeker oogenblik nam de afkeer van haar ellendig bedryf zoo de overhand... neen, dit is onjuist, men werd zóó boos over de onverschilligheid waarmee ze ’t schelden opnam, dat de moeder hoop begon te scheppen. Het blyft ’n raadsel wat die vrouw eigenlyk van plan was met haar “kind” aantevangen als ’t bevryd wezen zou uit de handen van de waardin, doch zonder zich hierover te bekommeren begon de meerderheid haar bytevallen.
Wouter zou weer ruimschoots in de gelegenheid geweest zyn de psychologie van demassate bestudeeren, als-i niet te zeer vervuld ware geweest van z’n zucht om... ja wat? Hy wou helpen, redden, te-rechtbrengen, hy wou ietsdoen. Wel ja, ’n mensch heeft niet alle dagen twintig ryksdaalders in z’n zak! En niet dikwyls valt zoo’n schitterend standpunt samen met ’n drama als hier vertoond werd, noch met de akeligheid waarmee ’t—niet gansch onverhoopt, omde waarheid te zeggen—straks dreigde of beloofde te sluiten. Er werd namelyk geroepen: “te-water!” en dit woord klinkt vreeselyk in de ooren van ’n hollandsch jongetje, opgebracht in de vreeze voor kou-vatten en den wallekant!
—Te-water, allo, dat wyf de vaart in, sebit! En die meiden na huis!
Naar huis, o onbesuisde menigte? Naar wèlk huis? Naar de krotten waar ze onder opzicht komen zouden van zulke moeders? Ik ben overtuigd dat geen myner lezers, indien hy ’t hier beschreven voorval had bygewoond, zich met die hoogst onfatsoenlyke zaak zou bemoeid hebben. Maar, lezer, gesteld eens dat ge hadtmoetenstemmen? Zoudt ge in-gemoede hebben durven roepen:die meisjes naar huis?Men behoeft waarlyk niet zoo onnoozel als pater Jansen te wezen, om verlegen te zitten met de keus tusschen twee hellen. En wat hetlynch-vonnis tegen die waardin aangaat... onze Maatschappy—hier niet byzonder oneigenaardig vertegenwoordigd door ’n troep gemeen—is wel zonderling! Het schepsel dat men hier te-water wilde dringen, was een van háár leden, en ’n lid ook van ’t gild dat diezelfde Maatschappy blykens eeuwenlange ervaring nooit heeft kunnen ontberen. Waarom nu, als zoo’n onmisbaar meubelstuk onzer beschaving zich in ’t openbaar vertoont, op-eens zooveel verontwaardiging voorgewend? Verbiedt niet de wysheid der volkeren ’t schenden van z’n aangezicht? Bedenk toch, o preutsche Maatschappy, dat zoo’n winkelierster in ontucht een uwer meest vooruitstekende neuzen is!
—Te-water met dat wyf, werd er weer geroepen, de vaart in!
Er viel optemerken dat de hevigheid van dit geschreeuw in omgekeerde rede stond tot de nabyheid van de plek waar de bedoelde exekutie zou plaats hebben, en hieruit bleek dat de verst-afstaanden ’t meest verontwaardigd, d. i. de deugdzaamsten waren. We mogen aannemen dat ze zich in hun braafheid wel ’n beetje gesterkt voelden door de betere kans zich snel uit de voeten te maken, zoodra het deugd-zoenoffer zou liggen te spartelen in de Haarlemmer-vaart Ieder weet immers dat niets op aarde onvermengd is, tot en met de courage van de braven toe? Hierop scheen de waardin dan ook te rekenen, want ze gaf weinig blyk van angst, en de uitkomst bewees dat ze gelyk had. Het doet me leed dat ik den lezer, die waarschynlyk braaf is, en—als die verst-afstaanden!—met fatsoenlyk verlangen uitziet naar de zegepraal der deugd, eenigszins moet teleurstellen. Het wyf werd beschimpt en gehoond, maar... ze bleef droog. Wie er spyt van heeft, trooste zich met de kameraadschap van Wouter, die by mangel aan ander emplooi van moed, gulheid en goeden wil, zoo byzonder graag eens iemand uit het water gehaald had. “’t Komt zoo zelden voor!” mymerde hy, en dit vind ik ook. Het redden van drenkelingen moet ’n vervelend vak wezen, tenzy men ercompérageby te-pas brengt, en hieraan werd noch door Wouter noch door ’t kandidaat-offerlam gedacht.
Wel ver van zich op ’t altaar der zedelykheid te laten zoen-offeren,noch zelfs blyk te geven dat ze zich rechtens als de zwakste beschouwde, dreigde de waardin met de policie.
—Wel nou nog mooier! Jy, schandvlek, wou jy de policie roepenjy?Je mag God danken dat er geen diender in de buurt is,jy, die hier de meissies komt verdibbeseeren!
—Ik heb ’t zwart op wit, schreeuwde zy weer. En, als er policie was, zou ik ’t jelui laten zien!
Wàt? Haar dy? Neen, denk ik. Dat ze in haar recht was? Dit ook wel niet, maar toch was de kans dat de vertegenwoordigers der autoriteit haar niet geheel-en-al in ’t ongelyk zouden gesteld hebben, grooter dan sommigen wel meenen.3
De vrouw uit Haarlem raakte alzoo niet te-water. Een vuil partyblad uit de dagen waarin m’n geschiedenis voorvalt, beweerde dat ze zich redde door den kreet: “als jelui niet ophoudt met dringen, laat ik m’n kerel stemmen voor X!” Dit was gelogen, anakronistisch gelogen, gelyk dan ook slechts van ’n blad dat tot... die andere party behoorde, te verwachten was. Nooit zou men zoo’n afschuwelyk laag verzinsel vinden in ’n blad van de... niet-andere party. Hoe dit zy, ’n leugen wàs het. Ieder beschaafd mensch en krantlezer weet dat het kiesrecht der echtgenooten van zulke dames, eerst van eenige beteekenis is geworden na ’t uitsluiten van de arme drommels die zich moeten tevreden stellen met minder winstgevenden werkkring. OnzeMaddamdééd niet aan staatkunde, en dit is ’t slechtste niet wat ik van haar zou kunnen zeggen. In-plaats daarvan pakte zy een der meisjes by den arm, en duwde haar naar ’t gapend luikje van de schuit. “Allo, d’r in, as ’n meid! Koman, ik heb nou genoeg van dat gezanik! Toe, allo, d’r in, en jy ook!” Met deze woorden werd ook het tweede Kaatje ingescheept. De schuit wiegelde by ’t opstappen en dreunde by ’t neerkomen op den vloer van ’t ruim. Van onwil bleek er niets. De bedroefde “moeder” die de zoo vurig begeerde boezelaar uit het oog verloor, verdubbelde haar eentonig misbaar. De waardin scheen nog iets aan den wallekant te doen te hebben. Had ze misschien pas ’n krygsgeschiedenis bestudeerd? Trachtte zy zeker soort van veldheeren natevolgen, die de specialiteit beoefenen, hun overwinnaars jaloers te maken op de kunstige ingewikkeldheid van hun terugtrekken? Wou ze ’t slagveld verlaten met kalmte, met majestueuze waardigheid? Och, neen, op eer en roem was ze in ’t minst niet gesteld, maar er viel voor haar iets optemerken, en daarom aarzelde zy. Ze wilde weten of er van dien pastoor en dat jongetje wat te halen viel. Wouter’s aandringen by Pater Jansen om voorzichtigheidje te spelen had haar aandacht gewekt, en ze wilde meer van de zaak weten voor ze die beide personen uit het oog verloor, ’n oplettendheid die rechtstreekstot de eischen van haar “vak” behoorde. Een gelyke indruk, doch hier slechts ’t uitvloeisel van gewoon bedelaars-instinkt, bewoog de “radelooze moeder” nogeens ter-markt te komen met haar radeloosheid:
—Hi, hi, hi, m’n arm kind!
Wouter vroeg weer aan z’n begeleider, of er dan van hunnentwege volstrekt niets aan de zaak te doen zou wezen?
—M’n arm kind! En... m’n boezelaar! Als ik dan in-godsnaam maar m’n boezelaar weerom had!
Deze uitroep rymde vry-wel op den loop van Wouter’s gedachten.
—Drie skelling en ’n oortje!
Weer rekende Wouter z’n Mentor voor, dat dit nog geen vollen gulden bedroeg.
—Och, m’nheer, nog niet eens ’n volle heele gulden! Wat scheelt òns die eene gulden?
De waardin en de moeder bespiedden om ’t zeerst wat er tusschen die twee broeide.
—Hoor eens, jongeheer, ’t mag niet, zei Jansen, ’t mag waarlyk niet! Maar...
—Toe, asjeblieft, m’nheer!
...dan zalik’t er byleggen. Ga je gang! Ik zal om geld schryven aan m’n broer te Vucht. Maar gauw dan, ’t is geen pleizierig staan hier.
Jansen stapte naar de roef, en Wouter op de vrouw toe. Hy haalde ’t grauwlinnen zakje waarin z’n geld geborgen was voor den dag, had ’n beetje tyd noodig om den styf in-een-gedraaiden hals te laten ontkrinkelen...
De waardin zag dit heel goed, en berekende den inhoud naar de snelheid van de wenteling. Maar... ’t kon kopergeld wezen? Neen, Wouter haalde een ryksdaalder voor den dag.
—Hi, hi, hi, m’n arm kind!
De treurende moeder stak de hand uit, en gebruikte de ander om de oogen rood en blind te schuren met haar voorschoot. Van de “drie skelling” sprak ze niet meer. Inderdaad, waarom dien weldadigen jongeheer op de gedachte te brengen dat ’n ryksdaalder méér bedroeg dan de oorzaak van haar gejammer, en dat er volgens de eenvoudigste regelen van komptabiliteit iets viel terug te geven? Ze veranderde dus van tekst, en huilde nu by-voorkeur over haar “verloren kind” ’n onderwerp dat haar voorkwam in beter evenredigheid te staan met ’n schadeloosstelling van vyftig heele stuivers. Wouter stond met open mond, en... wachtte? Ja, neen, ik kan waarlyk niet zeggen of-i wachtte. De vrouw droeg wel zorg, genoeg met haar oogen te doen te hebben om geen voedsel te geven aan de gissing dat zy op wachten verdacht was, en misschien was het voor Wouter-zelf ’n verrassing toen hy op-eens—in-godsnaam, ’t moest wel!—zich aanstelde alsof ’t wel werkelyk z’n bedoeling was geweest den ganschen ryksdaalder te offeren op ’t altaar van... van... ja, van wat eigenlyk?
—God zal ’t je duizendmaal loonen, jongeheer!
—Dat ’s vier zak guldens, en nog ’n beetje toe! riep ’n rekenaar uit den hoop.
—Duizendmaal, jongeheer! Hi, hi, hi, wat zal er van m’n arm kind worden?
Er begon waarachtig kans te komen dat Wouter beproeven zou de zedelyke toekomst van dat “arme kind” eenigszins te verbeteren, door de jammerende moeder ’n tweeden ryksdaalder aantebieden.
’t Was waarlyk Wouter’s verdienste niet dat-i ditmaal bewaard bleef voor ’t verergeren van de reeds begane fout. Hy hoorde mompelen: “nou, voortwee-gulden-tienlevert ze-n-’t heele nest dat ze thuis heeft” waarmee waarschynlyk de ons reeds eenigszins bekende “wurmen” bedoeld werden. Deze taxatie kwam ons weldoenertje liefdeloos en onhoffelyk voor. Opgewekt tot verzet tegen de “massa” die natuurlyk met luid gelach den uitval toejuichte, wilde hy... zou hy... och, ’t kwam er niet toe. Pater Jansen stond in den stuurstoel te wenken, de schipper nam zyn plaats by ’t roer in, de knecht maakte het touw los waaraan de schuit had vastgelegen, en z’n “aan-boord, wie mee mot!” maakte aan de vertooning ’n eind. Onder luid spotgejuich van de menigte op den wallekant, gleed de schuit heen. De waardin had heel fatsoenlyk plaats genomen in de roef, misschien wel om den edelmoedigen jongeheer in ’t oog te houden, schoon men ook zonder deze strategische byzonderheid erkennen moet dat haar middelen zoo’n gedistingeerdheid wel veroorloofden. ’t Scheen haar alweer niet erg te hinderen dat de personen die ze in dat hokje vond, ruimer plaats voor haar maakten dan stipt gezegd noodig was. Elk ander zou zich beleedigd getoond hebben over de verregaande inschikkelykheid waarmee ze ontvangen werd. Maar zy? Onze twee helden hoorden haar by ’t binnentreden zeggen: “ook goed! Beter zóó, dan allemaal op ’n hoop, lieve menschen! Wie zweeten wil, kan z’n gang gaan, maar ik houd van de ruimte. Wel ja, niet waar?”
Dit vraagje werd gericht tot denétat majordie in den stuurstoel zat, en ik zou ’t overgeslagen hebben als ’t me niet te-pas kwam om ’n opmerking te maken over den oorsprong van de Vrymetselary. Van:vrymetselaryliever, zonder lidwoord. Ik vind het wel zonderling dat men nog altyd daarnaar zoekt, alsof ’n aanleiding die zich dagelyks aan onze oogen vertoont, en die zoolang bestaan heeft als er menschen op de aarde wonen, eenmaal in nauwkeurig bepaalbare omtrekken ’n historische gebeurtenis zou geweest zyn. Elke Nyl moet, volgens zeker soort van volksvoorgangers, z’n byzondere bronnen hebben die men met den vinger op de kaart kan aanwyzen, en uit valsche schaamte voor den leerling die er naar vraagt, wil men maar niet erkennen dat die bronnen heel eenvoudig in de wolken liggen. Waarom zou een der tallooze waarneembare spruitjes die ’t hunne bydragen om zoo’n rivier te maken tot wat zy is, meer dan elk ander beekje, meer dan elke àndere vereeniging van doorgesypelde druppels, den naam van eigenlyke bron verdienen? Zoo bestaaner veel vraagstukken welker oorzaak van bestaan... ’n vraagstuk behoorde te zyn, of niet eens ’n vraagstuk. We kunnen de oogen niet opslaan zonderWordingwaartenemen, en toch blyft men nog overal droomen van ’nSchepping. ’t Lykt wel of zekere natuur- en geschiedfilozofen hun beroep leerden op ’n registratiekantoor, en vandaar de meening meebrachten vóór alles geroepen te zyn de wereld-akten van ’n vasten datum te voorzien. Het boekdrukken, ’n hoogstbelangryk vak zeker, maar slechts in zeer letterlyken zin van ’t woord: ’nKunst, het “stichten” van steden, de volksverhuizingen...
Hola, we zyn er! En ’n behoorlykedate certainehebben wy ook. Wel zeker, de lieftallige herderin was aan ’t volksverhuizen met haar twee veroverde schapen, en men schreef:haarlemmer kermis, den zooveelsten dag. Ziedaar registratie! Och, ik moet wel korrekt tewerk gaan. Vanwaar anders dan uit ’n deugdelyk vastgestelden kermistyd zou ik den orgelman bekomen, die straks langs de vaart over den weg moet sukkelen om op ’t juiste oogenblik onzeMaddamte-hulp te komen in haar natuurvrymetselary? Er is veel talent noodig om dit uitteleggen aan lezers die ’t niet zonder uitlegging verstaan. Vooreerst gelieve men te begrypen dat er op den ganschen weg, althans zoover ’t oog van onze reizigers reikte, geen orgelman te zien was. Niets natuurlyker. De man was met de zynen—waaronder z’n gewichtig instrument—’n vol uur voor ’t afvaren der schuit van Amsterdam vertrokken, en ’t spreekt dus vanzelf dat men hem nog niet had ingehaald. Zonder loggen of zonschieten kan nu de lezer vry precies berekenen hoeveel geografische zoetwater-ellen door ons vaartuig waren afgelegd, toen de edele vrouw die betuigd had van ruimte te houden, aan ’t stuurstoelpersoneel vroeg: of ’t niet waar was? Strikt genomen hadden Jansen, Wouter en de schipper ’t recht gehad, hierop te antwoorden dat ze ’t wel gelooven wilden maar niet met zekerheid wisten. Inderdaad, men moet niet alles voor waar aannemen wat er door den eersten den besten gezegd wordt. Die vrouw kon booze redenen gehad hebben om ’t publiek in ’n verkeerden waan te brengen omtrent haar opinie over zweeten en benauwdheid. Maar, och, ons drietal dacht zoo diep niet na. Jansen was te bedroefd om te spreken, en Wouter te zeer vervuld van... iets dat op ’n aventuur geleek, om zoo terstond te kiezen tusschen twyfel, geloof en ontkenning. Wat den schipper aangaat, hy hééft geantwoord. Maar, lezer, zoolang ik u niet meedeel wàt de man zei, is ’t voor u alsof-i niet geantwoord had, en ge hebt dus ’t recht, u voortestellen dat de schuit ’n haarbreed verder was dan op ’t oogenblik toen de belangryke vraag gedaan werd. Hoe kan ’t na deze opmerkingen iemand in ’t hoofd komen, te meenen dat men dien orgelman reeds had ingehaald? Haasten laat ik me zoomin als ’n haarlemmer-trekschuit zelf. De schipper heeft geantwoord, o ja, maar ik ben aan ’t woord over de vrymetselary, en dat gaat vóór. Hoe kan ’t anders, daar juist de vraag “of ’t niet waar was, dat ze van ruimte hield?” my de opmerkingenin de pen gaf, die nu—misschien niet eens terstond—zullen volgen! Zou ik tuchteloos genoeg wezen my met het antwoord te bemoeien voor ik de vraag heb afgehandeld? Zulke kapriolen...
Die orgelman dan was door Fancy besteld om zich niet voor ’t juiste oogenblik te laten zien, en we zouden verkeerd doen haar beschikkingen vooruit te loopen, vooral wanneer we door geduldig wachten gelegenheid vinden iets zeer wetenswaardigs te vernemen over den oorsprong van vrymetselary. Waar de bronnen van den Nyl zyn, heb ik reeds gezegd, en als ik nu ook dat andere ophelder zal de billyke lezer erkennen dat ik niet gierig met nieuws ben, schoon ’t wel wat veel is voor één hoofdstuk.
Eilieve, wat ter-wereld bewoog die waardin tot de vraag: “of ’t niet waar was?” Weetgierigheid? Om-godswil, hoe konden Wouter en de schipper, of zelfs Jansen die ’n “gestudeerd” persoon was, meer van de zaak weten dan zyzelf? ’t Mensch was wel zoo oud als ik, dat heel erg is, schoon ik tot eer van haar Publiek erkennen moet dat ze ’t veel verder dan ik in de wereld gebracht had. Maar, gewaardeerd of niet, men wordt geen zeven-en-vyftig jaar zonder ruimschoots tyd te hebben tot beoordeeling van de vraag of men aan ruim- of nauw-zitten de voorkeur geeft. Waarom in deze zaak de meening van anderen ingeroepen? Hoe zou ze ’t opgenomen hebben, als een van de drie haar geantwoord had: “ik ben ’t volstrekt niet met u eens, juffrouw. U houdt meer van benauwdheid, want de grootedieofdie heeftgezegd... enz?” Ik doe de werkelykheid geen geweld aan, door te veronderstellen dat zoo’n tegenspraak niet zou gewaagd zyn zonder beroep op den bekenden grooten dichter die frazen geleverd heeft voor alle gelegenheden. Ik vraag my af wat ikzelf op haar nederig verzoek om inlichting zou geantwoord hebben indien ik in dien stuurstoel had gezeten? Maar ik kan me de mogelykheid daarvan niet voorstellen omdat ik op dat tydstip niet geboren, en alzoo nòg onbekwamer was dan nu in ’t oplossen der vraagstukken van zoo aetherischen aard als waartoe afkeer van benauwdheid schynt te behooren. Er is geen woord van waar, van deze klassifikatie, bedoel ik, want op m’n volstrekte onbekwaamheid om vóór m’n geboorte meetepraten, valt niets aftedingen. En ongeboren wàs ik. Er liggen honderd twee en zeventig genien tusschen myn eersten kreet en ’t laatste woord van die waardin. De lezer weet dat er in Nederland dertien genien op ’n maaneklips gaan, en kan dus nu precies uitrekenen wanneer ik jarig ben. Men wordt verzocht de miskende meetetellen, anders zou men tot de slotsom komen dat ik nog in de wieg lig.
—Maarikhoud van de ruimte. Wel ja, niet waar?
Mensch, waarom vraag je dat? Is ’t uit wysbegeerte? Heb je aan duitsche filozofie gedaan, en wil je misschien de eigenschappen van ’t leelyke dingan und für sichdat je—met permissie—je ikheid noemt, objektievelyk onderwerpen aan de subjektievereinen-vernunftskritiekvan den haarlemmer-schipper die z’n pyp stopt?
—Asjeblieft, schippertje!
Zoowaar, ze wil hem den koperen vuurbak aanreiken, waarin ’n turfkool ligt te glimmen, voor verstuiving bewaard door ’n deksel van messing, voor uitdooving ook door vyf ronde gaten, juist groot genoeg om aan pypekoppen den toegang open te laten naar ’t vuur. Toegang? ’t Mocht wat! De schipper, deugdzaam, griffermeerd en verontwaardigd, vader van zes gehuwde kinderen, antwoordde ditmaal niet. Hy haalde ’n tondeldoos uit z’n zak, nam de roerpen onder den oksel, en bikte z’n eigen vuur. Was er geen konsekwentie in dat waardig gedrag van den haarlemmer-schipper? En is ’t billyk, my te verwyten dat ik by-voorkeur beelden teeken die thuis hooren op laag terrein? Kan men zich iets verheveners voorstellen dan die tondeldoos en dat vuurslaan voor eigen rekening—als schryver zou de man ’n gek figuur gemaakt hebben!—terwyl hy de hand maar hoefde uittesteken om met z’n pyp den koperen cylinder te bereiken die hem zoo gul... neen, zoo verleidelyk werd aangeboden door de ondeugd? Of, al ware het dat-i met z’n grootkop zou te-kort geschoten hebben om ’t altaar te bereiken dat de valsche Vestale hem aanlangde, zou niet Wouter, de hulpvaardige by-uitnemendheid, het vaasje met de meest mogelyke toewyding hebben vastgehouden? Meent ge, lezer—gy die ’n man van ondervinding en oordeel zyt, en bovendien als Christen bedreven in de geheimenissen der demonologie—meent ge dat ooit aan ’n haarlemmer-schipper die op ’t punt staat z’n eerste pyp aantesteken...
Ze waren alzoo pas by deEén honderd Roe, of ter-nauwernood zoo ver. Alweer ’n bewys dat die orgelman nog niet “in-zicht” kon wezen. Finaal onmogelyk!
... meent ge dat ooit de Satan zich aan zoo’n schipper aanlokkender kan vertoond hebben dan in de warme gedaante van ’n gloeiende kool? En tòch deugdzaam! Tòch konsekwent!
Deugdzaam? Ja. Maar wie van konsekwentie spreekt, heeft alweer slordig gelezen. Hoe kan men weten of ’s mans pyp-opsteken voor eigen rekening en risiko, in overeenstemming kan gebracht worden met het antwoord dat de vrouw zoo-even van hem moet gekregen hebben, zoolang men van dat antwoord geen kennis draagt? Overyling... uw naam is lezer! Stel dat-i gezegd had: “Eulalia, ik bemin u meer dan m’n schuit!—en nog altyd weet geen sterveling of-i wat anders zei—zou ’t dan niet van onvergeeflyke harteloosheid getuigd hebben, als-i zoo kort daarop Eulalia’s vuur had afgewezen? Dat mannen veranderlyk zyn weet ik, en niemand betreurt deze karakterfout meer dan ik, doch juist daarom noem ik ’t voorbarig dien schipper te stempelen tot uitzondering, voor wy ’n beetje meer van hem weten. In de eerste plaats alzoo...
Lieve God, wat moet ik nu ’t eerst vertellen? De natuurmetselary wacht op verklaring. De schipper zuigt en blaast, de tondel tintelt, en klaagt over m’n spelling, nu ja, maar kan ik ’t helpen dat onze taalwetgevers hun eigen wetten niet volgen? De waardin schuift met mismoedig gebaar den versmaden vuurbak zoo ver ze maareenigszins reiken kan over ’t roertafeltje binnenwaarts, en verbergt haar smart onder den uitroep:
—Wel man, als ’t je niet lykt mot je ’t maar zevend’half voet van je zetten. Graag of niet! ’n Mensch z’n lust’ is ’n mensch z’n leven...
En, ’t hoofd buiten de deur-opening stekende, herhaalde zy de gewichtige vraag:
... wel ja, niet waar?
Jansen en Wouter hadden nu twee zaken voor één optelossen.
De vrouw wilde weten of ’t waar is dat ’t leven van den mensch in z’n lust bestaat, ’n onderwerp dat weleens tot de konkluzie zou kunnen leiden dat men niet juist alle dooden op ’t kerkhof behoeft te zoeken, schoon ik niet verzekeren kan dat de weetgierige vraagster van deze vroolyke slotsom ’t ware besef had. Er bleek dat het zoo duidelyk uitgezwegennon tali auxiliovan den schipper ’t mensch gewond had, en ik verkies nu in haar herhaalde poging om eigen indruk aan ’t oordeel van anderen te toetsen, ’n bydrage te vinden tot den oorsprong dermaçonnerie.
Ten-allen-tyde bestonden er menschen die meer te zeggen hadden dan ’n ander, en zy die—zooals op ’t oogenblik onze schipper—aan ’t roer zitten, maakten wel eens misbruik van hun voordeeliger standpunt. Laat ons onderzoeken wie de vrouw was die daar in de roef zat, en telkens haar hoofd buiten ’t deurtje stak alsof ze kennis maken wou. Wie ze was? Wel hoe kan ik dit weten, ik ken ’t mensch niet. De vraag is zonderling. Ik weet alleen dat ze zoo-even terdeeg was uitgescholden, en daar ze nog geen gelegenheid had gehad het gepeupel dat haar met zooveel verachting behandelde, te doen verzwelgen door dezen of genen afgrond, bevond ze zich in ’n staat van vernedering die ’t midden hield tusschen wrevel en kontritie, wel eenigszins gematigd of tot nader order teruggedrongen door den wensch om Wouter te ontlasten van z’n ryksdaalders. Wat haar boosheid aangaat, spot er niet mee, verwaten lezer. Ik hadUwel eens willen zien, tien minuten na ’t afgryselyk oogenblik dat ’n brokje Publiek u gebruikt had als voorwerp van deugdmanifestatie!
Tien minuten, zeg ik? Misschien was ’t nog wat minder, schoon ik erkennen moet dat de schipper z’n tonteldoos... goddank, met ’n tintelendetdezen keer, ’t staat er! Ja, de schipper had z’n vuurtuig geborgen waar zulks te doen gebruikelyk is. Hy dampte deftig en dapper, en reeds had-i aan Jansen verzekerd dat het vandaag mooi weer was. Toch blyf ik beweren dat de schuit nog geen volle tien minuten gevaren had. Zóólang nog maar was de waardin woedend geweest. Dit komt iemand die ’t nooit ondervond zoo heel erg niet voor, maar men moet bedenken dat de deugdzame gemaaktheid waarmee ’t roefpubliek zich by haar binnentreden tegen ’t voorbeschot had gedrongen, geen goed aan de zaak deed. Men kan gerust aannemen dat haar minuten dubbel telden, en waarschynlyk is ’t aan deze byzonderheid te wyten dat sommige historieschryvers, haar zielewenteling verwarrende met de kopernikaansche gegevensvan ’t andere zonnestelsel, in de dwaling vervielen dat onze schepelingen den orgelman reeds in ’t oog konden hebben. Niets is minder waar. De man was deDriehonderd Roeal lang voorby, toen de vrouw de eerste keer vroeg “of ’t niet waar was?” En nu? Nu, na alles wat er sedert dat gewichtig oogenblik plaats vond? Datikinstaat ben op ’t kleinste wereldkaartje de plek aantewyzen waar hy zich bevond, mag beschouwd worden als ’n billyk schryvers-prerogatief. Maar zoolang ik m’n meerdere kennis voor mezelf houd, baat die alziendheid weinig aan ’n ander. Om nu evenwel bewys te geven dat ik op dat geestelyk overwicht niet groots ben, deel ik gulweg wat van m’n overvloed mee, door alles te vertellen wat ik van de zaak weet. Het zal velen interesseeren, vooral omdat er iets onmogelyks in voorkomt. De orgeldraaier dien ik den lezer vóór den tyd laat zien, was ’n Franschman. Dit is niet volstrekt onmogelyk. Om geloofszaken had-i z’n land verlaten. Ook dit gaat de perken van ’t denkbare niet te buiten. Wie verlaat niet soms z’n vaderland wegens verschil van opinie met z’n medeburgers? Hierin lag alzoo de mogelykheid van z’n aanwezen niet, maar hy torschte een straatorgel, en dit vind ik ongeoorloofd-byzonder, omdat zoo’n ding in Wouter’s tyd nog niet bestond. Zoo ziet men dat alle verbeteringen in armwezen, politiek en industrie worden aangekondigd door ’n soort van voorloopers. ’t Voorgeslacht heeft er geen weet van—omdat het overleden is—de tydgenoot miskent en steenigt ze uit broodnyd, en de naneef... nu, dit benikin dit geval, en ik zal m’némigrégeven wat hem toekomt. Vooreerst dan kan ik u na ’t raadplegen met al de oude schryvers die de zaak behandeld hebben, verzekeren dat-i op ’t oogenblik toen de waardin bezig was met de vruchtelooze poging om ’t hart van den schipper te doen smelten, in z’n koeterwaalsch stond te kibbelen aan ’t Sloterdyker tolhek. Hy trachtte vrye passage te bedingen, maar ’t lukte niet. Z’n vrouw—zaagt ge ooit ’n orgelman zonder vrouw?—en haar kinderen—wie zag ooit ’n orgelvrouw zonder kinderen?—nu, ’t heele gezin stond om hem heen, en wachtte met angst de beslissing af. Maar de tolgaarder was onvermurwbaar, en betoogde op staathuishoudkundige gronden dat ouwerwetsche kwalen als die waarin hy een zoo nuttig bestaan vond, met de meeste stiptheid moesten gehandhaafd worden, omdat alleen hieruit te-eeniger-tyd de algemeene afkeer kan voortvloeien die de afschaffing zal mogelyk maken. “Maar ik zal ’t niet beleven, zeid-i, en m’n kinderen ook niet!” Dit was wèl gezegd, voorwaar, en hy had gerust nog ’n paar geslachten verder kunnen gaan, wat-i zeker naliet uit de bescheiden vrees zich gezegender stamvaderschap aantematigen dan de Heer hem toedacht. Vol karakter, en met ’n aandoenlyk vertrouwen op de taaiheid van misbruik, bleef-i z’n recht tot plicht verheffen, en eischte twee duiten de persoon. Had de man geen gelyk? By de minste weifeling liep de Staat gevaar dat de Regeering in den Haag zyn toegevendheid tot precedent stempelen, en zich daarop beroepen zou om eens ’n enkelen keer met den tyd meetegaan. Wie huivert niet? En wiehuivert niet nogeens by de bedenking dat misschien alle Haarlemmers en Amsterdammers op-eensvice-versaaan ’t verhuizen zouden gaan, als zoo’n tweeduits-slagboom werd overgebracht naar ’n muzeum? Wie ’t wèl meent met z’n dierbaar vaderland en ouwerwetsche zotternyen, huivere ten derden maal. Maar dan is ’t ook genoeg.
De vrouw van den orgelman was ’n Duinkerksche, en kon zich redelyk verstaanbaar maken, maar haar aanhouden had even weinig gevolg als de niet verstane hoewel best begrepen vertoogen van haar echtgenoot. Wat te doen? De stumperts waren nu eenmaal de tien, twaalf duiten niet ryk, die er noodig waren om Haarlem te bereiken, waar ze zeker opgang en goede zaken zouden maken met hun zeil. Want ze hadden ’n zeil, waarop ’n fraaie geschiedenis stond afgebeeld. Het was, om ’n paar staken gerold, gedragen door de twee oudste kinderen, die nu echter by dien slagboom hun vrachtje moedeloos hadden neergelegd. Ook ’t orgel was op den grond gezet, en de vermoeide man ging er op zitten, niet zonder vrees dat men tol zou komen vorderen voor ’t beetje rust dat-i waarlyk wel noodig had. De vrouw was uitgepraat, en de tolgaarder had alle verzoeking tot het schenden van z’n plicht afgesneden door zich in z’n huisje terugtetrekken, waar-i z’n werkzaam leven voortzette. De nood was hoog, en alzoo de redding naby. Nu denkt de lezer dat Wouter aan de beurt komt. Welzeker, wat beteekenden voor hem tien duiten, of al waren ’t er twaalf! Ik heb de kinderen niet geteld, en weet bovendien niet of de vele zuigelingen die daarby waren, moesten meedragen in ’t onderhoud van den straatweg? Maar al had ik ze geteld, en al wist ik dat, om godswil, lezer, hoe kon Wouter hier helpen, hy die nog ver af was, en van de heele zaak geen kennis droeg? Geloof me, als Wouter in dit byzonder geval God met anderhalven stuiver was te-hulp gekomen in ’t redden van vyf, zes ongelukkigen, ik zou ’t zeggen! Reeds voor mezelf houd ik niet van nederigheid, waarom zou ik—ten-koste nogal van m’n roem als nauwkeurig geschiedschryver—preutsch omgaan met de verdiensten van ’n ander? Wouter zat nog altyd lang en breed te peinzen over... die twee meisjes, en wie z’n indrukken gekend had, zou gevonden hebben dat-i ditmaal byzonder weinig op ’n plaatsvervangende Voorzienigheid geleek. Er was toch iets aardigs in, dacht hy, zoo op-eenmaal door ’n vrouw uit Haarlem uit z’n gewonen kring gehaald te worden. Hy wou graag gelooven dat ze de wereld niet van den allerfraaisten kant intraden, maar ’t was dieWereldtoch, ’t was ’n uitvlucht, iets ongewoons. Zoo’n meisje had toch veel voor. Wie zou ooit hèm komen halen, wie hèm verlossen van Stoffel, Kopperlith’s en gewoonheid? Die meisjes waren “gevallen” o zeker, en dit is heel verkeerd, maar hadden ze niet byzonder prettige genoegens te wachten van ’t opstaan? Ieder weet dat God graag vergeeft—men moet bedenken dat het z’n eenige uitspanning is—en ook de Maatschappy strekt tot verrekkens toe haar armen uit om berouwhebbenden aan haar vriendelyke borst te sluiten. Onder al die omhelzers bevindt zich alligt ’n prins die zich zoo verheugt over’t weervinden van ’n verloren schaap, dat-i al z’n koningryken wat weinig acht om op ’t laatste blaadje van den roman te worden neergelegd aan de voeten... och, hoe jammer dat Jansen plaats had, genomen in de roef!
Maar met al die overleggingen hebben we niet te maken, omdat, we nu te Sloterdyk zyn. Daar Wouter er nog niet was, zag God-zelf zich wel genoodzaakt ’n hand uittesteken. Hy verwekte een verlosser in Israël, in de gedaante van ’n kleinen boerenjongen, die uit het dorp over de vaart heen bemerkte dat er by het tolhek iets byzonders aan de hand was, en z’n ontdekking aan twee, drie anderen meedeelde. Dezen, gedreven door den geest, maakten er ook geen geheim van, en alles liep uit, de brug over, naar den slagboom: er was Publiek! Wat kan ’n artist meer verlangen? “A la bonne heure!” zei de man, en hy gaf bevel de paaltjes in den grond te slaan, waaraan ’t zeil werd opgeheschen, ontrold, vastgehecht... och, zoo kleurig! Heel Sloterdyk stond verbaasd, en er was reden toe. Want, al z’n leven, men kreeg de geschiedenis der schooneGenoveva van Brabantte aanschouwen! Wie ’t zag, zou moeten erkennen dat Wouter groot gelyk had, toen-i in z’n print-kleurperiode zoo jaloersch was op dat leven in ’n woesteny. Geen kind in heel Sloterdyk dat er niet precies zóó over dacht. Het zeil was verdeeld in vier kolommen, en overdwars in zeven ryen, ’n verdeeling die me straks kan komen te staan op ’t vertrouwen van den lezer. Want zie, de man zong welgeteld negen-en-twintig koepletten, en ’t zal dus schynen dat ik òf ’n koeplet van eigen vinding valschelyk onderschuif, òf dat ik—erger nog—te-kort doe aan ’t zeil. ’t Een is zoo onmogelyk als ’t ander. Men schudt geen poëzie als de hier bedoelde uit den mouw, en wat het zeil aangaat, wie zag er ooit een met negen-en-twintig vakken? Blyft men in-weerwil hiervan m’n nauwkeurigheid wantrouwen, ’t spyt me wel, maar ik zal trachten my in ’t verdriet daarover weer te schikken. Men is nu eenmaal niet voor z’n pleizier op de wereld. Misschien ook voelt de ergdenkende lezer berouw, als-i den tekst van deComplaintegelezen heeft. Hy zal inzien dat men zoo-iets niet machtig wordt zonder nauwkeurige bronnen geraadpleegd te hebben.
Men moet daartoe beneden de twaalf jaar zyn, of... véél ouder. Dat de Sloterdykers er niet veel van verstonden, deed weinig schade aan ’t effect. De acht-en-twintig kleurige tooneeltjes op ’t zeil schreeuwden wèl zoo hard en spraken duidelyker dan de beide zwervers. En wat men op printjes niet begreep, werd opgehelderd door ’t larmoyeerend orgel.4
Niemand van de toeschouwers had achtgeslagen op ’t naderen van de schuit. Wonder was ’t niet, want toen ze begon in-zicht te komen, had men zich even te-voren vermaakt met de exekutie van Golo, die zoo duidelyk op het drie-en-twintigste vakje was voorgesteld dat slechts weinigen er geen kippevel van kregen, en wie in dit ongevoelig geval verkeerde, wachtte zich wel het te zeggen. Niemand beklaagde den booswicht, en als de Sloterdykers zitting hadden gehad in die rechtbank, zouden de stukjes waarin hy gesneden werd, nog veel kleiner uitgevallen zyn. Dechèresen degrandes tendresseswaarop Genoveva vervolgens onthaald werd, waren op ’t zeil heel aanlokkelyk voorgesteld. ’t Doet me genoegen dat Wouter er niets van gezien heeft. Ook had de schilder middel gevonden, den toeschouwer te doordringen van haar aanhoudend omgaan met “J. C.”5slechts afgewisseld door ’t biddend en dankend gebruiken van ongekookte boomwortelen. Och, men hoeft zoo weinig fransch te verstaan om zulke dingen innig te begrypen! Nog één koeplet, en heel Sloterdyk was aan ’t bidden en uitgraven van boomwortels gegaan. Ieder ziet in dat het publiekje van den troubadour, in zoo’n gewyde stemming wel wat anders te doen had dan op de schuit te letten, die daar zoo onverschillig kwam aanschuiven alsof er nooit ’n Genoveva in de wereld geweest was. En die hinde! Juist toen ’t arme dier bezig was met z’nmiracle nouveau, doorquoiqu’on lui portevan honger te sterven op dat graf, hoste de jager voorby. De lyn van zoo’n haarlemmer-schuit is tachtig vaam lang...6
1Zie noot blz. 305.2Dat wil zeggen: in het tuchthuis waar de veroordeeldenCampêche-ofFernambakhoutraspten. (M.)3In I. 1272 geeft M. een verhandeling over de machteloosheid van wet, regeering en philantropie in den stryd tegen de onzedelykheid: de theorie vermag hier niets tegen de praktyk. Het eenige middel om den handel in ontucht te gronde te richten iswarebeschaving, d. i. “zy, die den lust inboezemt, en de bekwaamheid meedeelt, omgenot te vinden in arbeid.”4In het troubadourslied wordt verhaald van de edele Genoveva, die door den verrader Golo van overspel beschuldigd, aan den dood ontkomt, doordat twee dienaars haar met haar kind laten ontkomen. In het woud leeft ze van wortels, haar kind wordt door een hinde gezoogd. Op de iacht vindt haar gemaal haar: Golo’s verraad komt uit en Genoveva wordt in eere hersteld: maar ze blyft een ascetisch, vroom leven leiden, ze voedt zich enkel met boomwortels, en denkt slechts aan Jezus Christus. Als ze sterft treuren allen,—de hinde weigert op haar graf alle voedsel en sterft er.5= Jezus Christus.6Om zyn naam als letterkundige eer aan te doen verklaart M. dit te weten, niet door hetmetenvan het touw, maar door het raadplegen van andere bronnen: als Plinius en Plutarchus! Vervolgens geeft hy in I. 1278 het in de opschriften van vorige hoofdstukken (zie blz. 265 en 288)aangekondigde “stuk 17de eeuwsche volksroem,” voorafgegaan door een afbrekende kritiek van Engelsche letterkundigen op Vondel en Cats, n.l. een citaat vol buitenlandsche lof over de geregeld varende Treck-schuyten, “dat bestemd was ’n helder licht te werpen op den vermoedelyken afloop van Wouter’s reis naar Haarlem.”
1Zie noot blz. 305.
2Dat wil zeggen: in het tuchthuis waar de veroordeeldenCampêche-ofFernambakhoutraspten. (M.)
3In I. 1272 geeft M. een verhandeling over de machteloosheid van wet, regeering en philantropie in den stryd tegen de onzedelykheid: de theorie vermag hier niets tegen de praktyk. Het eenige middel om den handel in ontucht te gronde te richten iswarebeschaving, d. i. “zy, die den lust inboezemt, en de bekwaamheid meedeelt, omgenot te vinden in arbeid.”
4In het troubadourslied wordt verhaald van de edele Genoveva, die door den verrader Golo van overspel beschuldigd, aan den dood ontkomt, doordat twee dienaars haar met haar kind laten ontkomen. In het woud leeft ze van wortels, haar kind wordt door een hinde gezoogd. Op de iacht vindt haar gemaal haar: Golo’s verraad komt uit en Genoveva wordt in eere hersteld: maar ze blyft een ascetisch, vroom leven leiden, ze voedt zich enkel met boomwortels, en denkt slechts aan Jezus Christus. Als ze sterft treuren allen,—de hinde weigert op haar graf alle voedsel en sterft er.
5= Jezus Christus.
6Om zyn naam als letterkundige eer aan te doen verklaart M. dit te weten, niet door hetmetenvan het touw, maar door het raadplegen van andere bronnen: als Plinius en Plutarchus! Vervolgens geeft hy in I. 1278 het in de opschriften van vorige hoofdstukken (zie blz. 265 en 288)aangekondigde “stuk 17de eeuwsche volksroem,” voorafgegaan door een afbrekende kritiek van Engelsche letterkundigen op Vondel en Cats, n.l. een citaat vol buitenlandsche lof over de geregeld varende Treck-schuyten, “dat bestemd was ’n helder licht te werpen op den vermoedelyken afloop van Wouter’s reis naar Haarlem.”