Hoofdstuk XVIII.

Hoofdstuk XVIII.De hegemonie van Thebe.De steden, die door Sparta zoo tyranniek waren behandeld, zagen even spoedig als Sparta zelf in, dat de macht der Spartanen was vernietigd. De inwoners van Mantinea verlieten hun onbeduidende volksplantingen op het platte land, gingen onmiddellijk terug naar hun oorspronkelijke woonplaats, en begonnen de muren weder op te bouwen. Ware dit kort te voren geschied, dan zouden de Spartanen onmiddellijk een leger hebben gezonden, om een zoodanige vermetelheid te straffen, maar nu was het eenige wat zij durfden doen, iemand naar de Mantineërs te zenden, dien zij altijd op hoogen prijs hadden gesteld, en die hen moest vragen, nog een tijd te wachten. “Wacht nog een tijd,” zoo bepleitte hij zijn zaak, “de Spartanen zullen spoedig formeel hun toestemming geven. Als gij wilt wachten, zullen zij zelfs bijdragen in de kosten van het opbouwen der muren.” “Dit is onmogelijk,”antwoordden de overheidspersonen, “want er is reeds een besluit genomen, ze onmiddellijk weer op te bouwen.” “Wilt gij mij ten minste niet toestaan, in de algemeene vergadering het woord te voeren?” vroeg de afgevaardigde; maar de overheden zeiden “neen”, en het bouwen der muren werd voortgezet.Beeld der overwinning, gerestaureerd.Beeld der overwinning, gerestaureerd.(Voor de Messeniërs vervaardigd door den beeldhouwer Paeonius).Mantinea sloeg geen acht op de wenschen van Sparta, maar dat beteekende slechts weinig in vergelijking met wat de gevallen staat nog meer had te verduren. Sparta was zóó zelfzuchtig en tyranniek geweest, dat een groot aantal staten er bijzonder op gesteld waren, zich er van te vergewissen, dat zij hen niet langer kon onderdrukken. Na de overwinning bij Leuctra werd Thebe beschouwd als de machtigste stad, enongetwijfeld was Epaminondas de grootste legeraanvoerder in het land. Onder hem als aanvoerder deed een groot leger een inval in den Peloponnesus, om Arcadië en Messenië te hulp te komen. Al wat Epaminondas ondernam, deed hij zoo degelijk mogelijk. Hij was er niet tevreden mede, door Arcadië te marcheeren, maar stichtte zelfs een stad. Hij koos een breede, vruchtbare vlakte als plaats, waar die stad zou gebouwd worden, maar hij bracht de Arcadiërs er toe, om hun dorpsgemeenten te vereenigen met de nieuwe stad Megalopolis of “Groote Stad”. Nu de Arcadiërs een hoofdstad hadden en binnen hare muren een schuilplaats konden vinden, zou het voor de Spartanen niet zoo gemakkelijk zijn, hen ten onder te brengen, zelfs al was er geen Thebaansch leger, dat de wacht hield. Zoo werd Arcadië een onafhankelijke staat, maar Epaminondas deed zelfs meer voor Messenië. Dit land was de oude woonplaats der Heloten, voordat zij door de Spartanen onder het juk waren gebracht. Zij, die door de Atheners waren uitgenoodigd, zich te Naupactus te vestigen, waren door de Spartanen uit die schuilplaats verdreven op het einde van den Peloponnesischen oorlog. Zij waren naar Italië, Sicilië en Afrika gevlucht, overal waar zij maar een woonplaats konden vinden. Toen zij hoorden, dat Epaminondas Messenië was binnengerukt, en dat hun moederland vrij was, keerden zij onder groote vreugde naar huis terug. Te land en ter zee, in groote troepen of zelfs één voor één, kwamen zij in groote menigte in Messenië terug, nu zij weer een vaderland en een woonplaats hadden. Het land weerklonk van vreugdezangen en kreten van geluk. Er werden dankoffers gebracht aan de goden; en er was tevens zwaar werk, daar Epaminondas ook voor deMesseniërs een stad, Messene, had gesticht. Deze stad zou moeten liggen tegen de helling van den berg Ithome, en haar muren moesten nog gebouwd worden. Geen stad zonder muren kon ooit hopen weerstand te bieden aan een aanval der Spartanen; en de Messeniërs begonnen even blijde met het bouwen der muren, als Athene begonnen was met het weder opbouwen der versterkingen van den Piraeus. Een reiziger, die vijfhonderd jaar later die muren zag, verklaarde, dat het de sterkste muren waren, die hij ooit had gezien. “Zij waren van stevige steenblokken gebouwd,”zoo zeide hij, “en uitstekend voorzien van torens en stutmuren.”Epaminondas had met medewerking van Pelopidas Thebe gemaakt tot den oppermachtigsten staat van Griekenland. Men zou nu verwacht hebben, dat hij, toen hij met zijn overwinnend leger terugkeerde, ten minste hartelijk zou zijn verwelkomd. Maar in plaats daarvan werd hij ontvangen met een beschuldiging, dat hij ongehoorzaam was geweest aan de wetten van het land. Het bleek namelijk, dat de overwinningen in den Peloponnesus gedurende de laatste vier maanden gewonnen waren, en de vijanden der legerbevelhebbers beweerden, dat deze het leger uit Thebe verwijderd hadden gehouden vier maanden langer dan den termijn, gedurende welken hun het opperbevel was gegeven. De straf voor zulk een overtreding was de dood. Epaminondas wachtte kalm de behandeling der beschuldiging af, en deed zelfs na zijn vrijspraak niet de minste poging, om zijn vijanden te straffen.Pelopidas had verklaard, dat daar waar Epaminondas was, geen andere veldheer noodig was, maar er was behoefte aan een bekwaam veldheer in Thessalië, en daarheen werd Pelopidas gezonden. De moeilijkheid was daar, dat de tyran van de ééne Thessalische stad de andere steden dwong, hem te gehoorzamen. De vorst van Macedonië trachtte evenzeer in Thessalië macht te verwerven. Pelopidas was even gelukkigin het noorden als Epaminondas in het zuiden geweest was, en reeds spoedig keerde hij terug, en kon mededeelen, dat de steden bevrijd waren van den tyran, en dat hij gijzelaars had gekregen van den koning van Macedonië.Tot dusver had Thebe een aantal steden vrijgemaakt, en deze waren zeer verheugd over haar hulp. Niemand twijfelde er aan, of zij was de machtigste staat in Griekenland; maar toen zij Pelopidas zond naar den koning van Perzië, om officieel mede te deelen, dat zij nu in plaats van Sparta de hegemonie had onder de steden van Griekenland, waren deze daarover verstoord, en enkelen onder de oude bondgenooten van Sparta waren bereid haar tegen Thebe te helpen. Het gevolg hiervan was, dat Epaminondas nog een aantal expedities op Peloponnesisch gebied moest uitrusten. Ten slotte beraamde hij het plan, Sparta zelf aan te vallen. Xenophon verhaalt, dat hij de stad zoo gemakkelijk als een vogelnestje zou hebben kunnen nemen, als niet koning Agesilaus, die uitgetrokken was, om den vijand tegemoet te trekken, langs een korteren weg was teruggekeerd, om de “vuurbrakende” Thebanen slag te leveren. Epaminondas wist, dat de Spartanen hun stad zouden verdedigen als in het nauw gejaagde wolven, en zeer verstandig trok hij daarom terug naar Arcadië. De Spartanen vervolgden hen, en er werd een slag geleverd in de vlakte van Mantinea. Hier speelde Epaminondas het oude spel der Spartanen bij Aegos-Potamos, en misleidde hen even volkomen als deze de Atheners hadden misleid. Hij beval zijn manschappen, hun wapenen bijeen te zetten, en schijnbaar te gaan kampeeren. Toen daardoor zijn vijanden volstrekt niet op hun hoede waren, stelde hij plotseling zijn gelederen op en stormde op hen aan. De Spartanen en hun bondgenooten waren even onthutst als de Atheners in den zeeslag geweest waren. Zij liepen wild door elkander, de één was bezig zijn borstharnas vast te maken, een ander zijn paard te toomen,in één woord zij allen gedroegen zich, niet zooals de Spartanen van ouds, die gewoon waren opgewekt, doch kalm en bedaard, ten strijde op te trekken, maar, zooals Xenophon verklaarde “meer als mannen, die op het punt stonden een zwaar nadeel te lijden, dan aan een ander nadeel toe te brengen.”Epaminondas had een deel van zijn ruiterij in een phalanx gerangschikt, en zij sloegen zich door de Spartaansche gelederen heen, “als een oorlogsschip, met zijn sneb tegen den vijand gericht,”zooals Xenophon schrijft, misschien wel met dienzelfden slag bij Aegos-Potamos in de gedachte. Epaminondas bevocht een volkomen overwinning, maar sneuvelde zelf. Zijn laatste gedachten waren voor zijn vaderland. Pelopidas was twee jaren te voren in den oorlog gesneuveld, en als Epaminondas nu telkens een ander noemde, die hem als opperbevelhebber zou kunnen vervangen, luidde voortdurend het antwoord: “Hij is gesneuveld.”“Dan moet gij met den vijand vrede sluiten,”sprak hij, en sloot stervend zijn oogen.De glorie van Thebe had in de handen van één man gelegen. Het was Epaminondas, die haar groot had gemaakt. Hij was haar aanvoerder, haar leidsman, haar raadgever geweest. Nu was hij verdwenen, en op dienzelfden dag was Thebe afgedaald van haar hoogen rang als de leidende staat van Griekenland.Grieksche Kan.Grieksche Kan.Hoofdstuk XIX.Philippus van Macedonië.Zoo kwam het, dat eerst Argos, daarna Athene, Sparta, Thebe, beurtelings de leidende staten van Griekenland werden. Hun zelfzucht en afgunst jegens elkander hadden hun rijkdom uitgeput, het geluk hunner burgers verwoest en een groot gedeelte der bevolking aan den dood prijs gegeven, en zij waren daarbij totaal uitgeput. Er kon geen betere tijd worden uitgekozen, om zich van het geheele land meester te maken, als er maar een vermetel, sluw man gevonden werd, die wist, hoe met voorzichtigheid en bekwaamheid te handelen.Een zoodanig iemand was op den troon van Macedonië, het land dat in het noorden en noordoosten van Griekenland gelegen was. De Macedoniërs hadden geen kunstenaars, geen talentvolle schrijvers, geen schitterende redenaars, geen scholen voor wijsbegeerte. De Grieken uit het zuiden gaven wel toe, dat zij Grieksch bloed in de aderen hadden, maar lachten om hun ruwe, onbeschaafde vormen en hun grove, weinig gemanierde wijze van spreken. De vorst, die toen op den troon gezeten was, Philippus II, was diep overtuigd van al die verschilpunten. Hij was nog slechts een jongen van vijftien jaar oud, toen Pelopidas in Macedonië kwam en hem als gijzelaar mede naar Thebe nam. Daar was hij drie jaar gebleven, waarschijnlijk in de woning van den vader van Epaminondas. Hoe dit ook moge zijn, hij had zeker de gelegenheid gehad, na te gaan, hoe de Grieken leefden, hoe zij oorlog voerden, en hoe somtijds de oorlog door diplomatie kon worden vermeden. Hij leerde Grieksch spreken en schrijven als een Thebaan; zijn taal werd niet alleen zuiver maar ook welsprekend. Hij wist, dat het niet onmogelijk was, dat hij mettertijdheerschen zou over Macedonië, en hij hield blijkbaar zijn oogen en ooren open, om alles te hooren wat voor hem van waarde kon zijn en hem kon helpen, om een verwonderlijk plan uit te voeren, dat hem waarschijnlijk reeds toen voor den geest stond.Macedonisch Ruiter.Macedonisch Ruiter.Toen de tijd voor hem was aangebroken, om de kroon van zijn vader te dragen, begon hij met een staand leger te vormen, en zeer verstandig noodigde hij zijn lastigste onderdanen uit, zich daarbij te voegen, en wel de half-beschaafde stammen, die verder af in de heuvelachtige terreinen woonden. Tot nu toe had Macedonië geen pogingen in het werk gesteld, om machtig te worden. Het was nauwelijks iets anders geweest dan een stuk land, waardoor legers konden marcheeren tusschen Griekenland en Azië. Indien er een oorlog uitbrak, had het steeds de zijde gekozen van die partij, die waarschijnlijk het machtigst zou zijn. Het eerste gedeelte van het plan van Philippus was, Macedonië zóó krachtig te maken, dat andere landen begeerig zouden zijn vriendschap er mede te sluiten. Daartoe oefende en drilde hij zijn soldaten zóó, dat zij het beste leger van de wereld vormden. Hij had in Thebe geleerd, hoe de zoo beroemde Thebaansche phalanx werd gevormd; maar hij was zelfs niet tevreden met een uitvinding, die werkelijk als iets buitengewoon bewonderenswaardigs werd beschouwd; hij dacht een eenigszins andere rangschikking voor het voetvolk uit. Volgens die rangschikking werden de mannen geplaatstin zestien rijen achter elkander, met een tusschenruimte van drie voet tusschen de gelederen. De speren waren een-en-twintig voet lang, en iedere soldaat hield zijn wapen vast op vijftien voet afstand van de punt. De speren van het vijfde gelid staken dus drie voet vóór het eerste gelid uit; die van het vierde gelid zestien voet, en zoo voort. Het was niet gemakkelijk, de phalanx in orde te houden op een ruwen, oneffen grond, maar op een vlak terrein konden geen troepen aan haar aanval weerstand bieden.De Macedonische Phalanx.De Macedonische Phalanx.Een Macedonisch soldaat met zijn langen speer.Een Macedonisch soldaat met zijn langen speer.Toen het leger van Philippus gereed was, begon hij met zijn veroveringen, niet echter door Griekenland binnen te trekken,—daarvoor was hij te verstandig. Eerst sloeg hij het oog op Thracië en Chalcidice. Op de grens tusschen Thraciëen Macedonië lag de stad Amphipolis, en hij nam zich voor, die in te nemen. Athene en Olynthus zouden zich hebben vereenigd om die te verdedigen, maar Philippus dacht er geen oogenblik aan, meer te vechten dan noodig was; daarom beloofde hij Amphipolis aan Athene te geven. Op die wijze nam hij de stad zonder dat òf Athene òf Amphipolis tusschen beide kwam. Hij hield Amphipolis voor zich zelf, in plaats van de stad aan Athene af te staan, maar hij gaf een andere stad aan Olynthus. Zoo wist hij elk verbond af te breken, dat anders tusschen Athene en Olynthus zou kunnen worden gevormd. Philippus II van Macedonië was een zeer sluw man. Natuurlijk hield hij niet op bij Amphipolis. Een klein eind over de Thracische grenzen lagen enkele rijke goudmijnen. Wat stond hem in den weg, die te nemen? Hij marcheerde op met zijn onoverwinnelijk leger, en spoedig had hij al het geld, dat hij noodig had. Hij kon soldaten huren, om een stad aan te vallen, of—immers er waren minstens in iedere stad twee partijen—hij kon de ééne partij omkoopen, om hem de stad in handen te leveren. Er is een verhaal bekend, volgens hetwelk hij eens informeerde, of een bepaalde vesting kon worden ingenomen. “Zij is ontoegankelijk” was het antwoord. “Is zij zelfs zóó ontoegankelijk, dat ook niet een ezel met goud beladen, haar kan beklimmen?” was zijn wedervraag.Catapult, het kanon uit de dagen van Philippus.Catapult, het kanon uit de dagen van Philippus.(Die groote boog kon pijlen met ijzeren punten, die van tien tot driehonderd pond wogen, bijna een kilometer ver schieten).Philippus nam nog andere plaatsen in het noorden, en niemand verzette zich tegen hem. Athene was de sterkste van de Grieksche staten, en Athene had haar handen vol met de steden van den nieuwen Bond, die gevormd was, nadat Thebezich van Sparta had vrijgevochten. Zij toch verzetten zich er even sterk tegen als de steden van den ouden Bond van Delos, om door Athene behandeld te worden, als waren zij haar onderworpen; en Athene had, in weerwil van alles wat zij had meegemaakt, nog niet geleerd, dat het verstandiger zou zijn, hen op een andere wijze te behandelen. Zij waren opgestaan, en nu volgde de oorlog, bekend als die der Bondgenooten.Demosthenes.Demosthenes.(Naar een standbeeld in de Vaticaansche galerij te Rome).En nog nadat de Oorlog der Bondgenooten geëindigd was, schenen de Atheners blind te zijn voor wat zich in het noorden afspeelde. Er was echter één man in de stad, die de oogen geopend hield: maar in weerwil van al zijn welsprekendheid kon hij de Atheners er niet toe brengen, het gevaar in te zien, dat hen bedreigde. Die man was Demosthenes, één der grootste redenaars van de geheele wereld.Toen Demosthenes nog een kind was, was hij wel de laatste knaap, dien men zou hebben uitgekozen, om tot redenaar te ontwikkelen. Hij stotterde, had een zwakke stem, was spoedig buiten adem en kon de letterrniet behoorlijk uitspreken. Daarbij was hij verlegen, trok voortdurend zijn linker schouder op, en als hij opgewonden werd of zijn belangstelling was gaande gemaakt, trok hij de meest dwaze en leelijke gezichten. Toch had hij zich vast voorgenomen, een even groot redenaar te worden als de spreker, naar wien hij eens had geluisterd, en even hartelijk als deze te worden toegejuicht. Toen hij ouder was geworden, greep hij de eerste de beste gelegenheid aan, om in het publiek te spreken. Wel werden zijne toehoorders niet overtuigd, maar zeker werden zij aangenaam onderhouden; immers zij moesten uitbundig lachen om den jongenman, die zulke dwaze gezichten trok, zijn lichaam zoo gek bewoog, zijn verschillende argumenten door elkander haalde, en telkens zóó buiten adem was, dat zij zelfs niet altijd konden verstaan wat hij trachtte te zeggen.Demosthenes was zóózeer ontmoedigd, dat hij de stad verliet en een wandeling maakte naar den Piraeus, er over peinzend, of het hem ooit zou gelukken, zijn stadgenooten te boeien en te overtuigen. Hij herhaalde zijn eerste poging, maar ook deze mislukte. “Hoe komt het,”zoo sprak hij tot een vriend, die van beroep tooneelspeler was, “dat het volk, hoe hard ik ook voor mijn redevoeringen werk, nog liever luistert naar een dronken matroos of den eersten den besten onbeduidenden medeburger, dan naar mij”? Het eenige antwoord, dat zijn vriend hem gaf, luidde: “Wilt gij mij een stuk uit een drama van Euripides of Sophocles voordragen”? Demosthenes gehoorzaamde; daarna droeg de redenaar hetzelfde stuk voor, maar met een zóó groote waardigheid, met gebaren, zóózeer in overeenstemming met de woorden, en met een zóó blijkbaar inzicht in iedere gedachte, dat het iets geheel anders werd. Toen begreep Demosthenes, wat zijn vriend bedoelde, namelijk, dat niemand, onverschillig hoe diep hij zijn onderwerp had bestudeerd, of hoe uitmuntend zijn redevoering was in elkander gezet, zijn hoorders kon overtuigen, als de redevoering niet tevens goed werd voorgedragen.Er was niet veel hoop voor Demosthenes, dat hij ooit in zijn pogingen zou slagen, maar hij had veel te veel energie, om de zaak op te geven. Hij bouwde een kamer onder den grond, waar hij herhaaldelijk een tijd verblijf hield, om zijn stem te oefenen en zijn gebaren te verbeteren. Uit vrees, dat hij in de verleiding zou komen, uit te gaan, schoor hij somtijds de helft van zijn hoofd kaal, zoodat hij niet in het publiek kon verschijnen. Om zijn stotteren te verbeteren, sprak hij met steentjes in zijn mond. Om zijn stem zóó te versterken, dat hij hetleven der volksvergaderingen kon overschreeuwen, hield hij redevoeringen voor zich zelf aan het strand der zee, waarbij hij zijn best deed het geraas der zee te overstemmen. Hij oefende er zich in, zijn ademhaling te beheerschen door redevoeringen op te zeggen, terwijl hij ruwe en steile heuvels beklom. Hij hing een ontbloot zwaard zóó op, dat de minste beweging van den niet voldoende in bedwang gehouden linker schouder hem zou prikken. Hij oefende zich voor den spiegel, om te leeren, niet met de oogen te knippen of dwaze gezichten te trekken. Hij overwon zelfs de moeilijkheid, die voor hem gelegen was in de lastige letterr. En bij dit alles verzuimde hij toch niet, om zich meer dan ooit toe te leggen op een uitnemende samenstelling zijner redevoeringen. Hij schreef zelfs herhaaldelijk de redevoeringen van Thucydides over, en trachtte even goede redevoeringen te vervaardigen. En zoo werd hij een zóó voortreffelijk redenaar, dat hij nu reeds tweeduizend jaar lang genoemd wordt onder de beste redenaars der wereld.Dit was nu de man, die de Atheners vertelde, dat Philippus van Macedonië voornemens was, Griekenland te veroveren. Zijn redevoeringen tegen Philippus werden “Philippicae” genoemd. Zij waren zóó bitter en heftig, dat nog in onze dagen een bijzonder heftige en onmeedoogende redevoering tegen een persoon dikwijls een “philippica” wordt genoemd. In die redevoeringen deed Demosthenes al het mogelijke om zijn landgenooten tegen Philippus wakker te schudden. “Welken gunstigen tijd van het jaar, welke betere gelegenheid dan de tegenwoordige wacht gij af, of wanneer zult gij uw krachten beter kunnen inspannen dan nu, mijn landgenooten? Heeft niet die man alle plaatsen in bezit genomen, die de onze waren? Moet hij nu ook meester worden van dit land, moeten wij dan niet afdalen tot den laagsten trap van eerloosheid? Worden niet diegenen, die wij beloofd hebben te hulp te komen, zoo dikwijls zij in een oorlog betrokken zijn, nu zelf aangevallen?Is hij niet in het bezit van onze volksplantingen? Is hij geen barbaar? Is zijn karakter niet zóó laag, dat woorden het niet kunnen uitdrukken? Als wij voor dat alles ongevoelig zijn, als wij zelfs als het ware zijn plannen in de hand werken—O hemel! Kunnen wij dan nog vragen, wie de schuld draagt van de gevolgen?”De Tuin van een aanzienlijk Athener.De Tuin van een aanzienlijk Athener.Maar de tijden waren voorbij, dat men leefde en werkte voor het belang van den staat. Men verkoos weelderige woningen boven het slagveld; men stelde liever staatsgeld beschikbaar voor de schouwburgen dan voor de soldaten. Zelfs de beeldhouwkunst veranderde van aard. De Grieken waren niet meer tevreden met standbeelden, die kracht en stoutmoedigheid uitdrukten, maar zij moesten ook liefelijk en sierlijk zijn. De beroemdste beeldhouwer uit die dagen was Praxiteles. Zijn Aphrodite, vervaardigd voor een tempel te Cnidus, was het eerste beeld van een vrouw, die niet alleen schoon was, maar er ook uitzag, alsof zij kon denken en gevoelen. De bevolking van Cnidus was zóó trotsch op het beeld, dat zij, toen een koning aanbood, de groote schuld, die Cnidus had, af te betalen, als zij hem het beeld zoude afstaan, dit aanbod afsloeg. Een aantal Grieksche standbeelden zijn alleen door copieën bekend, maar wij hebben nog het origineel van den Hermes van Praxiteles met den jeugdigen Dionysus, dat de aanraking gevoeld heeft van den beitel van den meester zelf. Die werken zijn heerlijk schoon, en dat wel in een tijd, toen de Atheners veel meer hadden moeten denken aan den toestand van hun land dan aan standbeelden. Alle pogingen van Demosthenes waren echter volkomen vruchteloos. Philippus ging voort met zijn veroveringen in het noorden, en spoedig deed zich voor hem een gelegenheid voor, om vaster voet te krijgen in Griekenland, en op te treden niet als de heerscher van een ruw, barbaarsch volk, maar als de beschermer van de rechten van Apollo. De Phocensers hadden niet steeds voldaanaan hun verplichtingen tegenover Apollo. Meer dan tweehonderd jaar te voren waren zij door de Delphische amphictyonen gestraft, omdat zij op weg naar Delphi zich hadden ingelaten met anderen. De afstammelingen nu van diezelfde Phocensers namen land in bezit, dat voor Apollo afgezonderd werd gehouden, en stalen zelfs eenige van de schatten uit zijn tempel. De amphictyonen waren niet krachtig genoeg om hen te straffen, en deden een beroep op Philippus. Dit kon men noemen “een kat opdragen, een geschil tusschen twee muizen te beslechten.”Philippus strafte de Phocensers, en de amphictyonen gaven hem nu hun stemmen in den Raad der amphictyonen, en besloten, dat hij het voorzitterschap zouwaarnemen bij de spelen, die te Delphi werden gevierd. Hij was nu de verdediger van Apollo; en als hij het kon doen voorkomen, alsof eenige daad van een Griekschen staat een misdaad tegen de godheid was, had hij het recht, dien staat te straffen.Hermes met den jeugdigen Dionysus.Hermes met den jeugdigen Dionysus.(In 1877 te Olympia ontdekt).De plannen van Philippus vorderden goed. Zijn volgende stap was, dat hij trachtte Byzantium te bemachtigen. Dit deed de Atheners uit hun onverschilligheid ontwaken, daar zij volstrekt niet wilden afgesneden worden van de voorraadschuur der landen aan de Zwarte Zee. Zij kwamen de bevolking van Byzantium te hulp, en Philippus trok zijn troepen terug. Hij verzette zich niet bijzonder daartegen, daar hij in Athene een vriend had, die voor hem den weg in een andere richting effende. Dit was de redenaar Aeschines, die in welsprekendheid Demosthenes het meest nabij kwam. Philippus hield er in de verschillende staten van Griekenland goed betaalde dienaren en spionnen op na, en men meent, dat Aeschines tot die spionnen behoorde. Hij overtuigde de Atheners, dat de Phocensers weer straf verdienden, daar zij eenig land gebruikten, dat aan Apollo gewijd was. Dit had uitsluitend ten doel, ten tweeden male Philippus er in te halen, en Philippus was dadelijk daartoe gereed. Maar toen hij eenmaal in Phocis was, maakte hij niet de minste haast, het eigendom van Apollo te beschermen. In plaats daarvan nam hij bezit van een stad, die zoowel Boeotië als Athene goed te stade zou gekomen zijn, en versterkte die.Er was toen geen schitterende welsprekendheid meer noodig, om de Atheners te overtuigen van het groote gevaar, dat hen bedreigde. Zij waren bereid alles te doen, iedereen te volgen.“Maakt u gereed, een beleg te kunnen doorstaan,”raadde Demosthenes aan “en ziet de hulp van Thebe te verkrijgen.”Zij gehoorzaamden zonder eenig gemor, en Thebe werd hun bondgenoot. Bij Chaeronea in Boeotië geraakten de legers handgemeen; het waren de beste legers der wereld. Er werd een vreeselijke slag geleverd; en toen deze geëindigd was, had Philippus van Macedonië de oppermacht over Griekenland verkregen.Thebe en Athene waren in den Bond tegen Philippus de voornaamste staten geweest; hoe zou hij hen behandelen? Hij had nu eens vooral de gelegenheid, te laten zien, dat hij òf streng òf genadig kon zijn, en Philippus verzuimde nooit één gelegenheid. Tegenover Thebe trad hij zoo streng mogelijk op. Hij liet haar zelfs losgeld betalen voor de lijken van haar soldaten; hij bevrijdde de kleine steden van Boeotië uit haar heerschappij; en in de citadel plaatste hij een garnizoen van Macedoniërs. Jegens Athene betoonde hij zich daarentegen zeer genadig. Hij leverde de gevangenen uit zonder losgeld. Hij eerde haar dooden met begrafenisplechtigheden, en zond de beenderen der dooden naar Athene onder geleide van zijn eigen zoon Alexander. Hij behield voor zich enkele van haar meest verwijderde bezittingen, maar liet haar Attica en breidde het zelfs uit, door er een stadje aan toe te voegen op de grenzen van Boeotië, dat langen tijd een punt van twist geweest was tusschen Athene en Thebe.Aeschines.Aeschines.(In het Museum te Napels).Korten tijd na den slag bij Chaeronea verzocht Philippus de Grieksche staten, afgevaardigden te zenden naar een congres, dat te Corinthe zou worden gehouden. Eerst werd er een soort van statenverbond gevormd, met Macedonië aan het hoofd. Toen bracht Philippus op dat congres het waredoel der bijeenkomst ter tafel. Het was om hun hulp te vragen in een expeditie, die geen minder doel beoogde dan de verovering van Perzië.Philippus van Macedonië.Philippus van Macedonië.(Naar een munt).Philippus was een slim man. Hij had de Grieksche staten doen gevoelen, dat hij hun meester was, maar voordat zij den tijd hadden op te staan, ja zelfs tot het bewustzijn te komen van hun diepen val, vroeg hij hun hulp bij een expeditie, die wel is waar moest strekken tot vermeerdering van zijn roem, maar die tevens een wraak zou zijn voor al wat de Grieken van den inval der Perzen hadden geleden. Natuurlijk konden zij toch moeilijk iets weigeren, wat hun veroveraar verkoos te vragen, maar dit was een hoogst aanlokkelijke expeditie. De schatten van Azië lagen binnen hun bereik. Zij hadden slechts den man te volgen, die zich bekwaam had betoond een verstandig en gelukkig aanvoerder te zijn. Een aanbod van rijkdom, triomf en wraak was genoeg, om iedere natie op te winden. En dit was geen hersenschimmig, onmogelijk plan; de terugtocht der Tienduizend Grieken had doen zien, wat een zwak lichaam het logge, uit zijn krachten gegroeide Perzische rijk was geworden. Zij vergaten, dat zij hun onafhankelijkheid hadden verloren, dat zij een veroverd en in onderwerping gebracht volk waren; zij vergaten alles behalve hun tocht naar Azië. Geheel Griekenland begon zich gereed te maken. Schepen werden gebouwd, levensmiddelen opgehoopt en oorlogswerktuigen vervaardigd. Sommige der troepen waren reeds weggetrokken, toen Philippus de Grieksche staten uitnoodigde, afgevaardigden te zenden bij het huwelijk van zijn dochter. De feestelijkheden hadden reeds een aanvang genomen. Er was een schitterend feestmaal met al de zeldzaamheden, die door de hulpbronnen van den grootsten koning der wereld konden worden bijeengebracht. Daarna gingen de gasten, allen getooid met de schoonste kleederen en schitterend van juweelen, uit de feestzaal naar den schouwburg. Eenlange processie van Macedoniërs marcheerde langs hen heen, en vertoonde de schatten van het koninkrijk. Achteraan kwamen de beelden der twaalf groote goden. Sommigen der gasten beefden bij de heiligschennis, toen zij zagen, dat er een dertiende god aan toegevoegd was, namelijk het beeld van den Koning. Achter dat beeld liep de veroveraar. Hij droeg een krans op zijn hoofd en kleeren van het helderste wit. Achter hem liepen zijn zoon Alexander en de bruidegom. De menigte jubelde en juichte hem toe. “Philippus! Philippus!” riepen zij. “Groot is Philippus van Macedonië!” Te midden dier vreugde was er één enkele flikkering van het zwaard van een moordenaar, en de groote koning lag dood ter neder.Keukenpot.Keukenpot.Hoofdstuk XX.Alexander de Groote.Toen de Grieken de tijding vernamen, dat Philippus gestorven was, en wisten, dat een jonge man van nauwelijks twintig jaar den troon had bestegen, waren zij uitgelaten van vreugde. “Griekenland zal weer vrij zijn,”riepen zij juichend. Zij zouden niet zoo zeker van hun vrijheid geweest zijn, als zij geweten hadden, wat voor een jongeling het was, die hun meester was geworden. Wel wisten zij, dat hij twee jaren te voren, in den slag bij Chaeronea, de phalanx had aangevoerd, die de beste troepen der Thebanen had verslagen. “Maar,”zoo zeiden zij, “dat beteekende niets; de oudste en meest bekwame aanvoerders waren om hem heen geschaard om toezicht te houden, dat alles goed ging.” Zij hadden kunnen hebben vermoed, dat hij geen zwakkeling was, als zij gehoord hadden, hoe hij, nauwelijks de kinderschoenen ontwassen, eenige Perzische afgezanten tijdens de afwezigheid van zijn vader had ontvangen. Zij kwamen hem, zooals natuurlijk was, met den noodigen eerbied te gemoet, maar zij verwachtten, dat hij sprak en redeneerde evenals ieder ander kind. Maar zie, de jeugdige knaap begon hen over hun vaderland te ondervragen. “Wat voor een man is uw koning?” zoo vroeg hij. “Hoe behandelt hij zijn vijanden? Waarom is Perzië krachtig? Komt het, omdat het land veel grond bezit, of een groot leger?” De Perzen staarden hem met de grootste verbazing aan, en zeiden tot elkander: “Philippus is niets, met dezen vergeleken.” Een ander verhaal wordt omtrent hem gedaan, hoe hij het beroemde paard Bucephalus had getemd. Dat paard was bij zijn vader op proef gebracht, maar het had gesnoven, gebeten en getrapt, zoodat Philippus bevolen had, dat het weerwerd weggevoerd. Toen riep de jonge Alexander: “Wat een prachtig paard laten zij zich ontglippen bij gebrek aan verstand en moed, het in bedwang te houden!”“Jonge man,”antwoordde zijn vader, “gij maakt aanmerkingen op uw ouderen, alsof gij zelf het paard beter in bedwang kunt houden.” “En dat zou ik ook zeker kunnen,”antwoordde de jonge, stoutmoedige knaap. “Als gij er niet in slaagt, welke boete wilt gij dan betalen?” “Den prijs van het paard.”Alexander.Alexander.(Naar een borstbeeld, in 1779 te Tivoli gevonden).Waarschijnlijk was de jongen van tien of twaalf jaar niets bekwamer in het behandelen van paarden dan de rijknechts, maar hij had opgemerkt, dat zij het paard van uit de richting der zon wegvoerden, en dat het verschrikt en gehinderd werd door zijn eigen schaduw, die over den grond heentrok. Alexander draaide den kop van het paard naar de zon, aaide het en sprak er vriendelijk mede, en sprong toen op zijn rug. De hovelingen en de koning hadden zich zeer vermaakt met de stoutmoedigheid van den knaap, maar nu werden zij ongerust. Alexander bleef echter stevig zitten, en nadat hij het paard zooveel had laten steigeren en galoppeeren als het verkoos, reed hij naar den koning. De vader weende van vreugde. “Zoek naar een ander rijk, mijn zoon,”zoo sprak hij, “immers het rijk, dat ik u zal nalaten, is u niet waardig.”Philippus had gezorgd voor leermeesters voor zijn zoon, maar hij zag nu, dat hij met een knaap te doen had, die niet tevreden zou zijn met gewone leermeesters. De beroemdste wijsgeer in die dagen was Aristoteles. Hij was een Macedoniër, maar was gedurende een geruimen tijd een leerling geweest in de school van Plato te Athene. Philippus zond hem den volgenden brief:“Laat mij u mededeelen, dat ik een zoon heb, en dat ik de goden niet zoozeer dankbaar ben dat hij geboren is, als wel dat hij tijdens uw leven geboren is; immers als gij u met zijn opvoeding zult willen belasten, ben ik er zeker van, dat hij zijn vader waardig zal worden, en ook het koninkrijk, dat hij later zal erven.”Zoo geschiedde het, dat Aristoteles de leermeester werd van den jeugdigen Alexander en ongeveer drie jaar bij hem bleef, misschien zelfs wel, totdat hij koning werd. Philippus gaf hem een vorstelijke belooning, immers hij liet de geboorteplaats van den wijsgeer, de stad Stagira, opbouwen, die hij vroeger had verwoest, en bracht de inwoners terug, die òf gevlucht waren, òf als slaven verkocht. Aristoteles hield er van, met zijn leerlingen te spreken, als zij samen op de wandeling waren; daarom maakte Philippus als schoolvertrek een ruimen en prachtigen tuin gereed, met steenen banken en koele, schaduwrijke paden. Alexander hield niet alleen van wijsbegeerte, maar hij hield er ook van, de oude tooneelspelen en geschiedenisboeken te lezen, en placht ze van de verste afstanden te ontbieden. Het meest van alles hield hij van de gedichten van Homerus. Zijn moeder had hem dikwijls verteld, dat hij afstamde van Achilles, den held van deIlias; en toen hij nog een kleine jongen was, had hij er innig behagen in, dat één van zijn leermeesters hem met den naam Achilles aansprak. Philippus zag, dat zijn zoon kon worden vertrouwd, en daarom liet hij, toen hij naar Byzantium ging, het rijk in handen van den zestienjarigen knaap. Bij zijn terugkomst schepte hij er vermaak in, en was hij volstrekt niet boos, toen hij hoorde, dat de Macedoniërs hem “dengeneraal” noemden, maar van zijn zoon spraken als van “denkoning”.Dit was de jonge man, die nu de heerscher was over Macedonië en geheel Griekenland. Demosthenes noemde hemeen “knaap”; maar veel moeite zou er zijn gespaard, indien al zijn onderdanen geweten hadden, wat een buitengewone knaap hij was. Sommigen van hen, de woeste bergbewoners, meenden, dat dit een voortreffelijke tijd was, om het koninklijke gezag af te werpen; maar Alexander trok, zonder een oogenblik te vertoeven, tegen hen op. Hij merkte, dat hij een moeilijken bergweg zou moeten opklimmen, op welks top de opstandelingen stonden met zware wagens, gereed om op hem neer te rollen. Het vereischte heel wat meer dan een paar wagens, om dien scherpzinnigen jeugdigen aanvoerder tegen te houden. Hij beval zijn troepen, zich te verdeelen en een open pad midden tegenover de wagens vrij te laten. Waar de weg te smal was, beval hij zijn manschappen, op den grond te gaan liggen, met hun schilden over hun hoofden. De wagens begonnen eerst langzaam te rollen, daarna hoe langer hoe sneller, raakten de schilden met een vreeselijk gekletter en gekraak, maar gingen over hen heen als over een goed geplaveiden straatweg, en tuimelden zoo, zonder schade te hebben berokkend, in de diepte. Het duurde niet lang, of de opstandelingen vonden het maar het verstandigst zich over te geven.Grieksch schild.Grieksch schild.Ook sommige Grieksche staten hadden gemeend, dat de dood van Philippus hun een goede gelegenheid zou verschaffen op te staan, maar Alexander trok met de grootste snelheid naar Thessalië op. Op zijn weg was een berg, maar hij deed trappen hakken langs de afgronden, en trok voorwaarts. De staten onderwierpen zich, en nu noemde Demosthenes hem een “aankomend jongeling”. Terwijl Alexander onder de bergstammen was, daagde het gerucht op, dat hij dood was. Thebe en de bevriende steden meenden, dat het nu een gunstige gelegenheid was, van het Macedonischegarnizoen te worden verlost. “Ik zal Demosthenes voor de muren van Athene laten zien, dat ik een man ben,”zoo sprak Alexander, terwijl hij naar het zuiden optrok. Thebe wilde zich niet overgeven, totdat de stad gedwongen werd zich te onderwerpen. Athene had wapenen naar de Thebanen gezonden, maar durfde een aanvoerder geen weerstand te bieden, die kon marcheeren met een snelheid van meer dan dertig kilometers per dag door een woest en ruw land, en over gekartelde bergkammen. “Wat moet de straf van Thebe zijn?” vroeg Alexander het statencongres te Corinthe. Hetzij omdat zij bang voor Alexander waren, hetzij omdat Thebe vele vijanden onder de Grieksche staten had, besloten zij, dat Thebe zou worden verwoest. De muren werden met den grond gelijk gemaakt, en alle huizen afgebroken, behalve het huis van den vroegeren dichter Pindarus. Zelfs te midden van den heftigsten strijd had Alexander nog de oude Grieksche poëzie lief, en herinnerde hij zich de eer, die hij den dichter verschuldigd was. De afstammelingen van Pindarus bleven eveneens ongedeerd, hoewel dertigduizend Thebaansche burgers als slaven werden verkocht. De Thebaansche landerijen werden verdeeld over de armere steden van Boeotië.Er is een overlevering, dat de wijsgeer Diogenes toen in Corinthe leefde, en dat Alexander zeer verlangde, hem te leeren kennen, wat niet te verwonderen is, als slechts de helft der verhalen, omtrent Diogenes verteld, waarheid bevatten. Een van die verhalen is, dat men hem eens op klaarlichten dag zag loopen met een lantaarn in de hand en blijkbaar naar iets zoekend. “Waar zoekt gij naar?”vroeg men hem, en hij antwoordde: “Naar een rechtschapen man.”Een ander verhaal is, dat, toen Plato een weelderig gastmaal gaf, Diogenes zich den toegang tot het eetvertrek vrijmaakte, en over de tapijten liep met bloote en modderige voeten. “Zoo trap ik op dentrots van Plato,”bromde hij. Waarop Plato antwoordde: “Maar met nog veel grooter trots, o Diogenes.”Toen de koning met zijn gevolg eens naderbij kwam, lag Diogenes in de zon, en deed nauwelijks eenige moeite, om maar één blik te werpen op den beheerscher van zijn vaderland. “Is er iets, waarmede ik u van dienst kan zijn?”vroeg Alexander. De onvriendelijke wijsgeer antwoordde: “Alleen dat gij voor mij de zon niet onderschept.” De hovelingen lachten, maar Alexander zeide, wat werkelijk zijn innige overtuiging was: “Als ik Alexander niet was, zou ik Diogenes willen zijn.”Diogenes ziet uit naar een rechtschapen man.Diogenes ziet uit naar een rechtschapen man.Hij was echter Alexander, en was nog veel meer begeerig, veroveringen te behalen, en hij was daar zelfs nog veel fellerop dan zijn vader geweest was. Twee jaren waren voorbijgegaan sedert den dood van Philippus. Macedonië was rustig, Griekenland was onderworpen. Er was geen reden, waarom hij niet de expeditie zou ondernemen, die ten doel had, den inval van Xerxes te wreken, het koninkrijk Perzië te veroveren, en geheel Azië in zijn macht te krijgen. Hij maakte niet dezelfde fout, die Xerxes gemaakt had, om een zóó groot leger bijeen te brengen, dat het moeilijk was, dit te voeden en voort te bewegen; hij voerde niet meer dan tusschen de vijf en dertig duizend en acht en dertig duizend man over den Hellespont, maar zij waren zóó gedrild en geoefend, dat zij bijna onoverwinnelijk waren. Bij al zijn voorbereidingen voor den inval had Alexander nooit vergeten, dat hij een afstammeling was van Achilles, en hij ging eerst naar de plaats, waar Troje gestaan had, om zijn voorvader eer te bewijzen. Hij bracht een offer aan Athene en hing een krans aan een zuil van de graftombe van Achilles. “Hij was een gelukkig man,”zeide de koning, “dat hij een trouwen vriend bij zijn leven had gevonden, en een dichter als Homerus, om zijn lof te bezingen na zijn dood.”Al had echter Alexander geen Homerus om zijn lof te verkondigen, hij had ten minste den beroemdsten schilder uit de oude tijden, om zijn portret te schilderen, en bovendien nam hij den schilder met zich mede naar Azië. Het was Apelles, en men zegt, dat Alexander met zijn werk zóózeer ingenomen was, dat hij door niemand anders wilde geschilderd worden. Apelles trad even onafhankelijk op als de koning zelf, en als wij geloof mogen hechten aan de oude verhalen, was hij veel minder hoffelijk dan zijn vorst. Men vertelt, dat toen een ander schilder pochte op de snelheid, waarmede hij werkte, Apelles antwoordde: “Het is alleen maar te verwonderen, dat gij in denzelfden tijd niet nog meer van zulk prulwerk afmaakt.”Een ander verhaal is, dat hij een schoenmaker zeer hartelijk dankte, omdat deze hem een fout aanwees in een schoenriemop één van zijn schilderijen. De man was er zóó trotsch op, dat zijn raad door den grooten Apelles was opgevolgd, dat hij voortging, met nog andere aanmerkingen te maken. Daarop zeide Apelles met groote minachting: “Schoenmaker, blijf bij je leest.”Dit is de oorsprong van het bekende spreekwoord.Alexander, in den slag bij den Granicus.Alexander, in den slag bij den Granicus.(Bronzen standbeeld te Herculaneum gevonden).Natuurlijk had Darius III, de Koning der Perzen, gehoord, wat Alexander voornemens was te doen; hij had daarom een groot leger naar Klein-Azië gebracht. De meest geschikte plaats om den vermetelen jongen man te ontmoeten, was aan den Hellespont, die den toegang leverde naar Azië. Toen dan ook Alexander aan de kleine rivier den Granicus kwam, zag hij, dat de overzijde bezet was met Perzische soldaten. De rivier was blijkbaar diep en stroomde snel, terwijl de oevers even glibberig als steil waren. De Macedonische krijgsoversten maakten bezwaar, zonder voorbereiding, reeds nu de rivier over te steken; zij zeiden, dat het te laat op den dag was, en bovendien, dat het de ongunstige maand was, zoodat zij ongetwijfeld ongelukkig zouden zijn. Maar Alexander sprong in de rivier, en op zijn bevel volgde de ruiterij de groote witte pluimen op zijn helm. Zij klommen tegen den glibberigen oever op, recht in het gezicht der Perzische pijlen. Intusschen trok de phalanx de rivier over, en daarna volgde het voetvolk. Alexander won den slag. Van den buit, bij zijn eerste overwinning in Azië behaald,gaf hij veel geschenken weg. Maar het allereerst beval hij, dat een koperen standbeeld gemaakt zou worden ter eere van iedereen, die in den slag was gesneuveld. Hij gaf rijke geschenken aan de Grieken, en aan de Atheners, die zijn bijzondere gunstelingen schenen te zijn, zond hij nog een afzonderlijk geschenk van driehonderd schilden. Aan zijn moeder, die in Macedonië was achtergebleven, zond hij de purperen gewaden en kleeden, en de gouden en zilveren schotels, die in grooten getale in de tenten der Perzen werden gevonden.Alexander marcheerde in zuidelijke richting, volgde een kort eind weegs de kustlijn, en marcheerde toen in noordelijke richting naar Phrygië, terwijl hij op zijn tocht steden veroverde. Er was niet veel echt oorlogvoeren noodig, want de meeste steden in de nabijheid van de kust gaven zich onmiddellijk over, zoodra zij bericht kregen, dat hij naderde. In één der tempels van Gordium in Phrygië vond hij een beroemden knoop, gemaakt van touwen, gesneden uit de schors van een boom. Er was een profetie, dat de heerschappij over de wereld den man zou te beurt vallen, die dien knoop kon losmaken. Reeds menigeen had zijn geluk beproefd, maar hij was zóó kunstig inééngestrengeld en vastgeknoopt, dat het nog nooit iemand was gelukt. Alexander beproefde het eveneens een korten tijd, trok toen zijn zwaard en hakte den knoop door. Zoo komt het, dat men, als iemand een kort, stoutmoedig middel heeft gevonden, om een moeilijkheid uit den weg te ruimen, zegt: “hij heeft den Gordiaanschen knoop doorgehakt.”Alexander trok weer met zijn manschappen naar zee, marcheerend door Klein-Azië. Bij Issus ontmoette hij de legerdrommen der Perzen, die nog altijd van meening waren, dat een leger zeker was van de overwinning, als het slechts groot genoeg was. Maar zij zouden het bij Issus wel anders ondervinden. Darius had zeer onverstandig Alexander in de gelegenheid gesteld, hem in een nauwe vlakte te ontmoeten, waargeen voldoende ruimte was voor zijn leger. De Perzen sloegen op de vlucht, met hun koning vooraan. Darius wierp zijn schild, zijn boog en purperen mantel weg, en sprong zelfs van den koninklijken wagen en besteeg een paard, om sneller te ontkomen. Niemand behalve de Koning had het recht bevelen te geven, en het geheele Perzische leger tuimelde over elkander in hun woest opdringen om te ontsnappen.Nadat de slag was geleverd, werd een prachtig gouden kistje naar Alexander gebracht, afkomstig van den buit, op Darius gemaakt. “Wat is het meest waardig, er in te leggen?” vroeg hij zijn vrienden. De één stelde dit voor, de ander dat, maar de koning schudde het hoofd. Eindelijk zeide hij: “Het is de Ilias, die het meest een dergelijk kistje waard is.”De moeder en het gezin van Darius waren gevangen genomen door de Macedoniërs. Alexander zond hun een boodschap, dat zij van hem niets hadden te vreezen, en behandelde hen met de grootst mogelijke beleefdheid en de meeste oplettendheid. Darius wenschte ze los te koopen en bood zijn bondgenootschap aan; maar Alexander verzocht den Perzischen monarch hem “niet als een gelijke, maar als heerscher over Azië” te betitelen; in dit geval zou hem alles verleend worden, wat hij verkoos te vragen.Het scheen voor den jeugdigen veroveraar geen verschil te maken, waar een stad gelegen was of hoe zij werd verdedigd. Tyrus lag op een eiland, maar hij verbond het eiland spoedig met het vasteland, door een dijk te leggen met groote aardhoopen, ten einde van daar uit met zijn machines de stad aan te vallen. Nadat Tyrus gevallen was, gaven bijna alle steden ten oosten van de Middellandsche Zee zich over, alleen om Gaza had hij strijd te leveren. Van die stad uit, zond hij een vroegeren leermeester groote hoeveelheden wierook en myrrhe. Men verhaalt, dat zijn leermeester hem, toen hij nog een knaap was, gezegd had, niet zooveel wierook te verbranden, voordathij het land had veroverd, waar de specerijen groeiden. Nu schreef hij: “Ik heb u ruim wierook en myrrhe gezonden, opdat gij niet langer een vrek tegenover de goden zult zijn.”Alexander en Darius in den strijd. (Naar een mozaïek in het museum te Napels).Alexander en Darius in den strijd. (Naar een mozaïek in het museum te Napels).Tot nu toe had Alexander slechts met zijn inval een begin gemaakt. Hij had zich voorgenomen, ver in oostelijke richting op te trekken; maar hij wilde zich eerst er van vergewissen, dat hij geen vijanden meer achter zich liet. Daarom was hij door Klein-Azië heen en weer getrokken, totdat hij er zeker van was, dat er in dat gedeelte van het land geen verzet meer zou zijn. Voordat hij voor goed een tocht naar het oosten aanvaardde, wilde hij zich verzekeren van Egypte, en trok hij daarheen. Egypte verheugde zich in de hoop, van Perzië te worden bevrijd. De Egyptenaren wierpen hun poorten wijd open en kwamen hem in grooten getale welkom heeten. Dicht bij de monding van den Nijl koos hij een terrein, om er een stad te stichten, Alexandrië, waarheen goederen uit het oosten en het westen zouden kunnen worden gebracht. Hijbeval zijn manschappen, een streep te trekken op den zwarten grond, ten einde het plan voor de nieuwe stad aan te duiden. Zij hadden geen krijt, en daarom wezen zij het terrein aan met meel. Plotseling kwam op de juist uitgeteekende stad een zwerm vogels neerdalen, die het meel oppikten. Alexander was verontrust, daar hij vreesde, dat dit ongeluk zou beteekenen; maar de waarzeggers zeiden: “Neen, dit is een teeken, dat de stad gezegend zal zijn met een zóó grooten overvloed, dat zij een voorraadschuur zal zijn voor allen, die daarheen zullen komen”; toen was de koning gerustgesteld.Egyptische Koning in oorlogsgewaad.Egyptische Koning in oorlogsgewaad.Ondertusschen had Darius menschen verzameld uit het noorden, zuiden, oosten en westen, om zich tegen den inval te verzetten. De besten onder hen waren een aantal Grieken, die hij gehuurd had. Hij had eveneens vijftien olifanten en twee honderd seiswagens, wagens, die er vreeselijk angstwekkend uitzagen met degenklingen, die uitstaken uit het juk en de naven der wielen. De twee legers stootten te Arbela op elkander. Den avond vóór den slag stelde één der veldheeren Alexander voor, de Perzen gedurende den nacht aan te vallen. “Perzische legers zijn des nachts bijna hulpeloos,”zeide hij. Maar Alexander was daartoe te trotsch. “Ik wil niet op slinksche wijze een overwinning behalen,”antwoordde hij. “Ik kan Darius in het volle daglicht verslaan, en ik zal dat doen.”En hij deed het ook. Weder leidde Darius den terugtocht. Het aantal vluchtelingen was zóó groot, en wierp zóóveel stof op, dat hij in de verwarring ontsnapte. Voor dien slag had Darius het grootst mogelijke aantal troepen bijeengebracht, ze zoo goed als hij kon gedrild, en toch was hij verslagen. Hijkon niets meer doen dan hij gedaan had, om de Grieken te verdrijven. Hoewel er nog een aantal groote marschen moesten worden gedaan, en bovendien niet weinig gevechten door Alexander moesten worden geleverd, kan men dus toch wel verklaren, dat zijn overwinning bij Arbela besliste over het lot van Perzië.De hoofdsteden van het Perzische rijk waren Babylon en Susa. Alexander verwachtte een krachtigen tegenstand in die plaatsen, daar zij de schatkamers van het rijk waren. In plaats daarvan kwamen de troepen hem te gemoet, terwijl zij de sleutels der poorten droegen. De burgers strooiden bloemen op zijn weg en kwamen in grooten getale op, om hem geschenken aan te bieden. Toen hij de steden binnenkwam, werden zijn stoutste droomen nog verre overtroffen; immers alleen in Susa was er een schat van meer dan 120 millioen gulden, en in Persepolis, de stad, die hij toen veroverde, was er meer dan driemaal zooveel.Oorlogs-olifantOorlogs-olifantVoordat hij in Persepolis kwam, zag hij een vreeselijk schouwspel: honderden Grieksche gevangenen, van wie sommigen een been, anderen een arm of een oog hadden verloren, en anderen, die zóó zwaar hadden geleden, dat zij volkomen hulpbehoevend waren. Dit was het werk der Perzen. Een aantal van die gevangenen waren jaren lang in Perzië gevangen gehouden. Tranen kwamen Alexander in de oogen, en hijdrong er op aan, dat zij naar Griekenland zouden terugkeeren. “Ik zal u naar huis zenden,”zoo sprak hij, “en ik zal er voor zorgen, dat gij, zoolang gij leeft, goed verzorgd wordt.”Maar zij zeiden hem, dat zij in een zoodanigen toestand niet naar hun vrienden konden terugkeeren. Daarop gaf hij hun land en slaven en veel vee. En toch had die sympathieke monarch na het beleg van Tyrus tweeduizend man doen ophangen; en na de overgave van Gaza had hij de voeten van den dapperen verdediger der stad met koperen ringen doorboord, hem aan een wagen vastgebonden, en nog levend in het gezicht van het leger voortgesleept. Op die wijze, zeide hij, had Achilles het lijk van zijn vijand Hector behandeld. Het was te betreuren, dat hij uit de Ilias geen betere lessen had geleerd. Na den val van Persepolis gaf hij de stad ter plundering aan zijn soldaten over. Hij doodde de mannen en verkocht de vrouwen als slavinnen. De verwoesting van Athene was gewroken.Zeiswagen.Zeiswagen.Het eerste doel van Alexander was nu, Darius gevangen te nemen. De Perzische koning was op de vlucht, maar wasin werkelijkheid een gevangene in de handen van zijn eigen veldheer, Bessus. Sommigen onder de Perzen dachten er over, Bessus tot koning uit te roepen; maar indien hij Darius niet gevangen kon houden, zouden anderen er toe aangemoedigd worden, hem op den troon te herstellen. Zij waren vooral beangst, dat Darius levend in de handen van Alexander zou vallen. Toen zij derhalve hoorden, dat Alexander in hun nabijheid was, en dat zij niet konden ontsnappen en Darius medenemen, wierpen de verraderlijke Bessus en zijn vrienden hun werpspiesen op hem en lieten hem voor dood liggen. Men zegt, dat een Macedonisch soldaat hem nog juist levend vond, en dat hij zijn dankbaarheid uitdrukte jegens Alexander, omdat deze zijn vrouw en zijn gezin zoo vriendelijk had bejegend. “Zeg hem, dat ik hem mijn hand heb gegeven,”zeide hij. Alexander wierp zijn eigen mantel over het lijk van den koning, en eerde hem door een koninklijke begrafenis.Alexander was meester in het Perzische rijk, maar het scheen, dat hij was aangetast door een onbluschbaren hartstocht naar verovering. Hij ging met zijn onoverwinnelijk leger voorwaarts,—in noordelijke richting naar de Caspische Zee, in zuidelijke richting naar de Arabische zee, daarna weer noordelijk, zich kronkelend en draaiend uit het land verre ten noorden van het Hindu-Kush gebergte naar Indië en de monding van den Indus. Hij maakte plannen, om voort te trekken naar het uiterste oosten; om een expeditie tegen Arabië over zee te ondernemen; om westwaarts te gaan en Italië, Spanje en Noord-Afrika te veroveren; in één woord, om de geheele wereld te vereenigen tot één rijk, onder zijn bestuur, Hij keerde naar Babylon terug, om nieuwe troepen en schepen te ontmoeten. Alle voorbereidselen waren gemaakt,....toen hij plotseling ziek werd en stierf.Alexander was twee en dertig jaar oud geworden. Hij had twaalf jaar geregeerd. In dien tijd had hij Macedonië en Griekenlandden vrede geschonken; hij had steden verwoest en gesticht, achttien van deze had hij naar zich zelf, één naar Bucephalus genoemd, hij had zóó groote marschen gedaan en zóó groote overwinningen behaald, als geen veldheer ooit had durven droomen; hij had de vijandschap tusschen Perzië en Griekenland tot een einde gebracht en hij had een rijk gewonnen.Maar wat zou van dat rijk moeten komen? Toen Alexander op zijn sterfbed lag, werd hem gevraagd, aan wien hij de macht naliet. “Aan den meest waardigen,” antwoordde hij, en hij gaf zijn ring aan één van zijn veldheeren, Perdiccas, genaamd. Maar niemand behalve Alexander was in staat het ontzaglijke rijk samen te houden. Na lange jaren van strijd en van samenzweren, van verwarring, oproer en gewelddadigheid, viel het rijkuiteenin drie gedeelten: Azië, Egypte en Macedonië. Azië werd bestuurd door afstammelingen van één der veldheeren van Alexander, maar het ééne gedeelte voor, het andere na werd een afzonderlijk koninkrijk, totdat weinig meer dan Syrië en de landen onmiddellijk ten oosten daarvan gelegen, vereenigd bleven. Een nieuwe macht verrees in het westen, de Romeinsche macht, en de bezittingen van Alexander in Azië vielen in de handen van Rome.Egypte werd bestuurd door een ander van Alexanders veldheeren, Ptolemaeus genaamd. Hij maakte van zijn rijk een zeemogendheid. Hij stichtte de beroemde Alexandrijnsche bibliotheek; hij noodigde een groot aantal geleerden, kunstenaars en dichters uit, zich in Egypte te vestigen. De dynastie der Ptolemeën regeerde drie eeuwen lang in Egypte, maar ten slotte viel ook Egypte in de handen der Romeinen.Macedonië werd ondersteld over Griekenland te regeeren, maar Griekenland was volstrekt geen rustige onderdaan. Zoodra de Grieken hoorden van den dood van Alexander, volgden zij de leiding van Demosthenes en trachtten zich tegen de Macedonische overheersching te verzetten. Zij waren daarbijniet gelukkig, en Demosthenes vluchtte naar een tempel van Poseidon op een klein eiland op de kust van Argolis. Hij werd zelfs tot in den tempel vervolgd. “Gun mij nog slechts enkele minuten, om een brief te schrijven.” De officier stond zijn verzoek toe. Hij begon te schrijven, daarna beet hij op de punt van zijn riet, alsof hij nadacht. Hij wierp een plooi van zijn mantel over zijn hoofd, en sprak geen woord of bewoog zich niet. De soldaten trokken den mantel weg en zagen, dat de groote redenaar stervende was. Zijn riet was met vergif gevuld, en hij had dit ingenomen, daar hij liever wilde sterven dan in handen van zijn vijanden vallen.Dood van Demosthenes.Dood van Demosthenes.Na eenigen tijd vormden de Grieken twee bonden, maar zij bleven niet eensgezind, en hadden dus geen macht, de Romeinen te weerstaan. Zoowel Macedonië als Griekenland werden deelen van het Romeinsche Rijk. Zoo waren vóór de geboortevan Christus de uitgebreide bezittingen van Alexander wingewesten van Rome geworden.Zoo eindigt de geschiedenis van het oude Griekenland, de geschiedenis van een volk, dat, wat ook zijn fouten en ondeugden geweest zijn, schoonheid, wetenschap en vrijheid had lief gehad. Niets heeft ooit de kunst, de literatuur of de taal van Griekenland overtroffen. Hij, die volmaaktheid in de kunst wil ontdekken, moet zijn met leven bezielde standbeelden, zijn onovertroffen gebouwen aanschouwen. Hij, die in de letterkunde wil zoeken naar wat eenvoudig, grootsch, waar, edel en welsprekend is, moet de geschriften van zijn dichters, redenaars, geschiedschrijvers en wijsgeeren lezen. Hij, die wil zoeken naar een taal, waarin iedere zweem van gedachte en gevoel de meest passende en geschikte uiting vindt, moet zijn keus doen vallen op de Grieksche taal. En zoo komt het, dat Griekenland niettegenstaande zijn standbeelden bijna alle zijn vernield, zijn tempels tot puinhoopen zijn vervallen, het grootste gedeelte van zijn letterkunde is verdwenen, of slechts bij brokstukken bekend is, en zijn taal, in een modernen vorm, slechts wordt gesproken door een kleine natie—nog altijd de veroveraar van zijn veroveraars is—nog steeds “het onsterfelijke Griekenland.”Kom.Kom.

Hoofdstuk XVIII.De hegemonie van Thebe.De steden, die door Sparta zoo tyranniek waren behandeld, zagen even spoedig als Sparta zelf in, dat de macht der Spartanen was vernietigd. De inwoners van Mantinea verlieten hun onbeduidende volksplantingen op het platte land, gingen onmiddellijk terug naar hun oorspronkelijke woonplaats, en begonnen de muren weder op te bouwen. Ware dit kort te voren geschied, dan zouden de Spartanen onmiddellijk een leger hebben gezonden, om een zoodanige vermetelheid te straffen, maar nu was het eenige wat zij durfden doen, iemand naar de Mantineërs te zenden, dien zij altijd op hoogen prijs hadden gesteld, en die hen moest vragen, nog een tijd te wachten. “Wacht nog een tijd,” zoo bepleitte hij zijn zaak, “de Spartanen zullen spoedig formeel hun toestemming geven. Als gij wilt wachten, zullen zij zelfs bijdragen in de kosten van het opbouwen der muren.” “Dit is onmogelijk,”antwoordden de overheidspersonen, “want er is reeds een besluit genomen, ze onmiddellijk weer op te bouwen.” “Wilt gij mij ten minste niet toestaan, in de algemeene vergadering het woord te voeren?” vroeg de afgevaardigde; maar de overheden zeiden “neen”, en het bouwen der muren werd voortgezet.Beeld der overwinning, gerestaureerd.Beeld der overwinning, gerestaureerd.(Voor de Messeniërs vervaardigd door den beeldhouwer Paeonius).Mantinea sloeg geen acht op de wenschen van Sparta, maar dat beteekende slechts weinig in vergelijking met wat de gevallen staat nog meer had te verduren. Sparta was zóó zelfzuchtig en tyranniek geweest, dat een groot aantal staten er bijzonder op gesteld waren, zich er van te vergewissen, dat zij hen niet langer kon onderdrukken. Na de overwinning bij Leuctra werd Thebe beschouwd als de machtigste stad, enongetwijfeld was Epaminondas de grootste legeraanvoerder in het land. Onder hem als aanvoerder deed een groot leger een inval in den Peloponnesus, om Arcadië en Messenië te hulp te komen. Al wat Epaminondas ondernam, deed hij zoo degelijk mogelijk. Hij was er niet tevreden mede, door Arcadië te marcheeren, maar stichtte zelfs een stad. Hij koos een breede, vruchtbare vlakte als plaats, waar die stad zou gebouwd worden, maar hij bracht de Arcadiërs er toe, om hun dorpsgemeenten te vereenigen met de nieuwe stad Megalopolis of “Groote Stad”. Nu de Arcadiërs een hoofdstad hadden en binnen hare muren een schuilplaats konden vinden, zou het voor de Spartanen niet zoo gemakkelijk zijn, hen ten onder te brengen, zelfs al was er geen Thebaansch leger, dat de wacht hield. Zoo werd Arcadië een onafhankelijke staat, maar Epaminondas deed zelfs meer voor Messenië. Dit land was de oude woonplaats der Heloten, voordat zij door de Spartanen onder het juk waren gebracht. Zij, die door de Atheners waren uitgenoodigd, zich te Naupactus te vestigen, waren door de Spartanen uit die schuilplaats verdreven op het einde van den Peloponnesischen oorlog. Zij waren naar Italië, Sicilië en Afrika gevlucht, overal waar zij maar een woonplaats konden vinden. Toen zij hoorden, dat Epaminondas Messenië was binnengerukt, en dat hun moederland vrij was, keerden zij onder groote vreugde naar huis terug. Te land en ter zee, in groote troepen of zelfs één voor één, kwamen zij in groote menigte in Messenië terug, nu zij weer een vaderland en een woonplaats hadden. Het land weerklonk van vreugdezangen en kreten van geluk. Er werden dankoffers gebracht aan de goden; en er was tevens zwaar werk, daar Epaminondas ook voor deMesseniërs een stad, Messene, had gesticht. Deze stad zou moeten liggen tegen de helling van den berg Ithome, en haar muren moesten nog gebouwd worden. Geen stad zonder muren kon ooit hopen weerstand te bieden aan een aanval der Spartanen; en de Messeniërs begonnen even blijde met het bouwen der muren, als Athene begonnen was met het weder opbouwen der versterkingen van den Piraeus. Een reiziger, die vijfhonderd jaar later die muren zag, verklaarde, dat het de sterkste muren waren, die hij ooit had gezien. “Zij waren van stevige steenblokken gebouwd,”zoo zeide hij, “en uitstekend voorzien van torens en stutmuren.”Epaminondas had met medewerking van Pelopidas Thebe gemaakt tot den oppermachtigsten staat van Griekenland. Men zou nu verwacht hebben, dat hij, toen hij met zijn overwinnend leger terugkeerde, ten minste hartelijk zou zijn verwelkomd. Maar in plaats daarvan werd hij ontvangen met een beschuldiging, dat hij ongehoorzaam was geweest aan de wetten van het land. Het bleek namelijk, dat de overwinningen in den Peloponnesus gedurende de laatste vier maanden gewonnen waren, en de vijanden der legerbevelhebbers beweerden, dat deze het leger uit Thebe verwijderd hadden gehouden vier maanden langer dan den termijn, gedurende welken hun het opperbevel was gegeven. De straf voor zulk een overtreding was de dood. Epaminondas wachtte kalm de behandeling der beschuldiging af, en deed zelfs na zijn vrijspraak niet de minste poging, om zijn vijanden te straffen.Pelopidas had verklaard, dat daar waar Epaminondas was, geen andere veldheer noodig was, maar er was behoefte aan een bekwaam veldheer in Thessalië, en daarheen werd Pelopidas gezonden. De moeilijkheid was daar, dat de tyran van de ééne Thessalische stad de andere steden dwong, hem te gehoorzamen. De vorst van Macedonië trachtte evenzeer in Thessalië macht te verwerven. Pelopidas was even gelukkigin het noorden als Epaminondas in het zuiden geweest was, en reeds spoedig keerde hij terug, en kon mededeelen, dat de steden bevrijd waren van den tyran, en dat hij gijzelaars had gekregen van den koning van Macedonië.Tot dusver had Thebe een aantal steden vrijgemaakt, en deze waren zeer verheugd over haar hulp. Niemand twijfelde er aan, of zij was de machtigste staat in Griekenland; maar toen zij Pelopidas zond naar den koning van Perzië, om officieel mede te deelen, dat zij nu in plaats van Sparta de hegemonie had onder de steden van Griekenland, waren deze daarover verstoord, en enkelen onder de oude bondgenooten van Sparta waren bereid haar tegen Thebe te helpen. Het gevolg hiervan was, dat Epaminondas nog een aantal expedities op Peloponnesisch gebied moest uitrusten. Ten slotte beraamde hij het plan, Sparta zelf aan te vallen. Xenophon verhaalt, dat hij de stad zoo gemakkelijk als een vogelnestje zou hebben kunnen nemen, als niet koning Agesilaus, die uitgetrokken was, om den vijand tegemoet te trekken, langs een korteren weg was teruggekeerd, om de “vuurbrakende” Thebanen slag te leveren. Epaminondas wist, dat de Spartanen hun stad zouden verdedigen als in het nauw gejaagde wolven, en zeer verstandig trok hij daarom terug naar Arcadië. De Spartanen vervolgden hen, en er werd een slag geleverd in de vlakte van Mantinea. Hier speelde Epaminondas het oude spel der Spartanen bij Aegos-Potamos, en misleidde hen even volkomen als deze de Atheners hadden misleid. Hij beval zijn manschappen, hun wapenen bijeen te zetten, en schijnbaar te gaan kampeeren. Toen daardoor zijn vijanden volstrekt niet op hun hoede waren, stelde hij plotseling zijn gelederen op en stormde op hen aan. De Spartanen en hun bondgenooten waren even onthutst als de Atheners in den zeeslag geweest waren. Zij liepen wild door elkander, de één was bezig zijn borstharnas vast te maken, een ander zijn paard te toomen,in één woord zij allen gedroegen zich, niet zooals de Spartanen van ouds, die gewoon waren opgewekt, doch kalm en bedaard, ten strijde op te trekken, maar, zooals Xenophon verklaarde “meer als mannen, die op het punt stonden een zwaar nadeel te lijden, dan aan een ander nadeel toe te brengen.”Epaminondas had een deel van zijn ruiterij in een phalanx gerangschikt, en zij sloegen zich door de Spartaansche gelederen heen, “als een oorlogsschip, met zijn sneb tegen den vijand gericht,”zooals Xenophon schrijft, misschien wel met dienzelfden slag bij Aegos-Potamos in de gedachte. Epaminondas bevocht een volkomen overwinning, maar sneuvelde zelf. Zijn laatste gedachten waren voor zijn vaderland. Pelopidas was twee jaren te voren in den oorlog gesneuveld, en als Epaminondas nu telkens een ander noemde, die hem als opperbevelhebber zou kunnen vervangen, luidde voortdurend het antwoord: “Hij is gesneuveld.”“Dan moet gij met den vijand vrede sluiten,”sprak hij, en sloot stervend zijn oogen.De glorie van Thebe had in de handen van één man gelegen. Het was Epaminondas, die haar groot had gemaakt. Hij was haar aanvoerder, haar leidsman, haar raadgever geweest. Nu was hij verdwenen, en op dienzelfden dag was Thebe afgedaald van haar hoogen rang als de leidende staat van Griekenland.Grieksche Kan.Grieksche Kan.

De steden, die door Sparta zoo tyranniek waren behandeld, zagen even spoedig als Sparta zelf in, dat de macht der Spartanen was vernietigd. De inwoners van Mantinea verlieten hun onbeduidende volksplantingen op het platte land, gingen onmiddellijk terug naar hun oorspronkelijke woonplaats, en begonnen de muren weder op te bouwen. Ware dit kort te voren geschied, dan zouden de Spartanen onmiddellijk een leger hebben gezonden, om een zoodanige vermetelheid te straffen, maar nu was het eenige wat zij durfden doen, iemand naar de Mantineërs te zenden, dien zij altijd op hoogen prijs hadden gesteld, en die hen moest vragen, nog een tijd te wachten. “Wacht nog een tijd,” zoo bepleitte hij zijn zaak, “de Spartanen zullen spoedig formeel hun toestemming geven. Als gij wilt wachten, zullen zij zelfs bijdragen in de kosten van het opbouwen der muren.” “Dit is onmogelijk,”antwoordden de overheidspersonen, “want er is reeds een besluit genomen, ze onmiddellijk weer op te bouwen.” “Wilt gij mij ten minste niet toestaan, in de algemeene vergadering het woord te voeren?” vroeg de afgevaardigde; maar de overheden zeiden “neen”, en het bouwen der muren werd voortgezet.

Beeld der overwinning, gerestaureerd.Beeld der overwinning, gerestaureerd.(Voor de Messeniërs vervaardigd door den beeldhouwer Paeonius).

Beeld der overwinning, gerestaureerd.

(Voor de Messeniërs vervaardigd door den beeldhouwer Paeonius).

Mantinea sloeg geen acht op de wenschen van Sparta, maar dat beteekende slechts weinig in vergelijking met wat de gevallen staat nog meer had te verduren. Sparta was zóó zelfzuchtig en tyranniek geweest, dat een groot aantal staten er bijzonder op gesteld waren, zich er van te vergewissen, dat zij hen niet langer kon onderdrukken. Na de overwinning bij Leuctra werd Thebe beschouwd als de machtigste stad, enongetwijfeld was Epaminondas de grootste legeraanvoerder in het land. Onder hem als aanvoerder deed een groot leger een inval in den Peloponnesus, om Arcadië en Messenië te hulp te komen. Al wat Epaminondas ondernam, deed hij zoo degelijk mogelijk. Hij was er niet tevreden mede, door Arcadië te marcheeren, maar stichtte zelfs een stad. Hij koos een breede, vruchtbare vlakte als plaats, waar die stad zou gebouwd worden, maar hij bracht de Arcadiërs er toe, om hun dorpsgemeenten te vereenigen met de nieuwe stad Megalopolis of “Groote Stad”. Nu de Arcadiërs een hoofdstad hadden en binnen hare muren een schuilplaats konden vinden, zou het voor de Spartanen niet zoo gemakkelijk zijn, hen ten onder te brengen, zelfs al was er geen Thebaansch leger, dat de wacht hield. Zoo werd Arcadië een onafhankelijke staat, maar Epaminondas deed zelfs meer voor Messenië. Dit land was de oude woonplaats der Heloten, voordat zij door de Spartanen onder het juk waren gebracht. Zij, die door de Atheners waren uitgenoodigd, zich te Naupactus te vestigen, waren door de Spartanen uit die schuilplaats verdreven op het einde van den Peloponnesischen oorlog. Zij waren naar Italië, Sicilië en Afrika gevlucht, overal waar zij maar een woonplaats konden vinden. Toen zij hoorden, dat Epaminondas Messenië was binnengerukt, en dat hun moederland vrij was, keerden zij onder groote vreugde naar huis terug. Te land en ter zee, in groote troepen of zelfs één voor één, kwamen zij in groote menigte in Messenië terug, nu zij weer een vaderland en een woonplaats hadden. Het land weerklonk van vreugdezangen en kreten van geluk. Er werden dankoffers gebracht aan de goden; en er was tevens zwaar werk, daar Epaminondas ook voor deMesseniërs een stad, Messene, had gesticht. Deze stad zou moeten liggen tegen de helling van den berg Ithome, en haar muren moesten nog gebouwd worden. Geen stad zonder muren kon ooit hopen weerstand te bieden aan een aanval der Spartanen; en de Messeniërs begonnen even blijde met het bouwen der muren, als Athene begonnen was met het weder opbouwen der versterkingen van den Piraeus. Een reiziger, die vijfhonderd jaar later die muren zag, verklaarde, dat het de sterkste muren waren, die hij ooit had gezien. “Zij waren van stevige steenblokken gebouwd,”zoo zeide hij, “en uitstekend voorzien van torens en stutmuren.”

Epaminondas had met medewerking van Pelopidas Thebe gemaakt tot den oppermachtigsten staat van Griekenland. Men zou nu verwacht hebben, dat hij, toen hij met zijn overwinnend leger terugkeerde, ten minste hartelijk zou zijn verwelkomd. Maar in plaats daarvan werd hij ontvangen met een beschuldiging, dat hij ongehoorzaam was geweest aan de wetten van het land. Het bleek namelijk, dat de overwinningen in den Peloponnesus gedurende de laatste vier maanden gewonnen waren, en de vijanden der legerbevelhebbers beweerden, dat deze het leger uit Thebe verwijderd hadden gehouden vier maanden langer dan den termijn, gedurende welken hun het opperbevel was gegeven. De straf voor zulk een overtreding was de dood. Epaminondas wachtte kalm de behandeling der beschuldiging af, en deed zelfs na zijn vrijspraak niet de minste poging, om zijn vijanden te straffen.

Pelopidas had verklaard, dat daar waar Epaminondas was, geen andere veldheer noodig was, maar er was behoefte aan een bekwaam veldheer in Thessalië, en daarheen werd Pelopidas gezonden. De moeilijkheid was daar, dat de tyran van de ééne Thessalische stad de andere steden dwong, hem te gehoorzamen. De vorst van Macedonië trachtte evenzeer in Thessalië macht te verwerven. Pelopidas was even gelukkigin het noorden als Epaminondas in het zuiden geweest was, en reeds spoedig keerde hij terug, en kon mededeelen, dat de steden bevrijd waren van den tyran, en dat hij gijzelaars had gekregen van den koning van Macedonië.

Tot dusver had Thebe een aantal steden vrijgemaakt, en deze waren zeer verheugd over haar hulp. Niemand twijfelde er aan, of zij was de machtigste staat in Griekenland; maar toen zij Pelopidas zond naar den koning van Perzië, om officieel mede te deelen, dat zij nu in plaats van Sparta de hegemonie had onder de steden van Griekenland, waren deze daarover verstoord, en enkelen onder de oude bondgenooten van Sparta waren bereid haar tegen Thebe te helpen. Het gevolg hiervan was, dat Epaminondas nog een aantal expedities op Peloponnesisch gebied moest uitrusten. Ten slotte beraamde hij het plan, Sparta zelf aan te vallen. Xenophon verhaalt, dat hij de stad zoo gemakkelijk als een vogelnestje zou hebben kunnen nemen, als niet koning Agesilaus, die uitgetrokken was, om den vijand tegemoet te trekken, langs een korteren weg was teruggekeerd, om de “vuurbrakende” Thebanen slag te leveren. Epaminondas wist, dat de Spartanen hun stad zouden verdedigen als in het nauw gejaagde wolven, en zeer verstandig trok hij daarom terug naar Arcadië. De Spartanen vervolgden hen, en er werd een slag geleverd in de vlakte van Mantinea. Hier speelde Epaminondas het oude spel der Spartanen bij Aegos-Potamos, en misleidde hen even volkomen als deze de Atheners hadden misleid. Hij beval zijn manschappen, hun wapenen bijeen te zetten, en schijnbaar te gaan kampeeren. Toen daardoor zijn vijanden volstrekt niet op hun hoede waren, stelde hij plotseling zijn gelederen op en stormde op hen aan. De Spartanen en hun bondgenooten waren even onthutst als de Atheners in den zeeslag geweest waren. Zij liepen wild door elkander, de één was bezig zijn borstharnas vast te maken, een ander zijn paard te toomen,in één woord zij allen gedroegen zich, niet zooals de Spartanen van ouds, die gewoon waren opgewekt, doch kalm en bedaard, ten strijde op te trekken, maar, zooals Xenophon verklaarde “meer als mannen, die op het punt stonden een zwaar nadeel te lijden, dan aan een ander nadeel toe te brengen.”Epaminondas had een deel van zijn ruiterij in een phalanx gerangschikt, en zij sloegen zich door de Spartaansche gelederen heen, “als een oorlogsschip, met zijn sneb tegen den vijand gericht,”zooals Xenophon schrijft, misschien wel met dienzelfden slag bij Aegos-Potamos in de gedachte. Epaminondas bevocht een volkomen overwinning, maar sneuvelde zelf. Zijn laatste gedachten waren voor zijn vaderland. Pelopidas was twee jaren te voren in den oorlog gesneuveld, en als Epaminondas nu telkens een ander noemde, die hem als opperbevelhebber zou kunnen vervangen, luidde voortdurend het antwoord: “Hij is gesneuveld.”“Dan moet gij met den vijand vrede sluiten,”sprak hij, en sloot stervend zijn oogen.

De glorie van Thebe had in de handen van één man gelegen. Het was Epaminondas, die haar groot had gemaakt. Hij was haar aanvoerder, haar leidsman, haar raadgever geweest. Nu was hij verdwenen, en op dienzelfden dag was Thebe afgedaald van haar hoogen rang als de leidende staat van Griekenland.

Grieksche Kan.Grieksche Kan.

Grieksche Kan.

Hoofdstuk XIX.Philippus van Macedonië.Zoo kwam het, dat eerst Argos, daarna Athene, Sparta, Thebe, beurtelings de leidende staten van Griekenland werden. Hun zelfzucht en afgunst jegens elkander hadden hun rijkdom uitgeput, het geluk hunner burgers verwoest en een groot gedeelte der bevolking aan den dood prijs gegeven, en zij waren daarbij totaal uitgeput. Er kon geen betere tijd worden uitgekozen, om zich van het geheele land meester te maken, als er maar een vermetel, sluw man gevonden werd, die wist, hoe met voorzichtigheid en bekwaamheid te handelen.Een zoodanig iemand was op den troon van Macedonië, het land dat in het noorden en noordoosten van Griekenland gelegen was. De Macedoniërs hadden geen kunstenaars, geen talentvolle schrijvers, geen schitterende redenaars, geen scholen voor wijsbegeerte. De Grieken uit het zuiden gaven wel toe, dat zij Grieksch bloed in de aderen hadden, maar lachten om hun ruwe, onbeschaafde vormen en hun grove, weinig gemanierde wijze van spreken. De vorst, die toen op den troon gezeten was, Philippus II, was diep overtuigd van al die verschilpunten. Hij was nog slechts een jongen van vijftien jaar oud, toen Pelopidas in Macedonië kwam en hem als gijzelaar mede naar Thebe nam. Daar was hij drie jaar gebleven, waarschijnlijk in de woning van den vader van Epaminondas. Hoe dit ook moge zijn, hij had zeker de gelegenheid gehad, na te gaan, hoe de Grieken leefden, hoe zij oorlog voerden, en hoe somtijds de oorlog door diplomatie kon worden vermeden. Hij leerde Grieksch spreken en schrijven als een Thebaan; zijn taal werd niet alleen zuiver maar ook welsprekend. Hij wist, dat het niet onmogelijk was, dat hij mettertijdheerschen zou over Macedonië, en hij hield blijkbaar zijn oogen en ooren open, om alles te hooren wat voor hem van waarde kon zijn en hem kon helpen, om een verwonderlijk plan uit te voeren, dat hem waarschijnlijk reeds toen voor den geest stond.Macedonisch Ruiter.Macedonisch Ruiter.Toen de tijd voor hem was aangebroken, om de kroon van zijn vader te dragen, begon hij met een staand leger te vormen, en zeer verstandig noodigde hij zijn lastigste onderdanen uit, zich daarbij te voegen, en wel de half-beschaafde stammen, die verder af in de heuvelachtige terreinen woonden. Tot nu toe had Macedonië geen pogingen in het werk gesteld, om machtig te worden. Het was nauwelijks iets anders geweest dan een stuk land, waardoor legers konden marcheeren tusschen Griekenland en Azië. Indien er een oorlog uitbrak, had het steeds de zijde gekozen van die partij, die waarschijnlijk het machtigst zou zijn. Het eerste gedeelte van het plan van Philippus was, Macedonië zóó krachtig te maken, dat andere landen begeerig zouden zijn vriendschap er mede te sluiten. Daartoe oefende en drilde hij zijn soldaten zóó, dat zij het beste leger van de wereld vormden. Hij had in Thebe geleerd, hoe de zoo beroemde Thebaansche phalanx werd gevormd; maar hij was zelfs niet tevreden met een uitvinding, die werkelijk als iets buitengewoon bewonderenswaardigs werd beschouwd; hij dacht een eenigszins andere rangschikking voor het voetvolk uit. Volgens die rangschikking werden de mannen geplaatstin zestien rijen achter elkander, met een tusschenruimte van drie voet tusschen de gelederen. De speren waren een-en-twintig voet lang, en iedere soldaat hield zijn wapen vast op vijftien voet afstand van de punt. De speren van het vijfde gelid staken dus drie voet vóór het eerste gelid uit; die van het vierde gelid zestien voet, en zoo voort. Het was niet gemakkelijk, de phalanx in orde te houden op een ruwen, oneffen grond, maar op een vlak terrein konden geen troepen aan haar aanval weerstand bieden.De Macedonische Phalanx.De Macedonische Phalanx.Een Macedonisch soldaat met zijn langen speer.Een Macedonisch soldaat met zijn langen speer.Toen het leger van Philippus gereed was, begon hij met zijn veroveringen, niet echter door Griekenland binnen te trekken,—daarvoor was hij te verstandig. Eerst sloeg hij het oog op Thracië en Chalcidice. Op de grens tusschen Thraciëen Macedonië lag de stad Amphipolis, en hij nam zich voor, die in te nemen. Athene en Olynthus zouden zich hebben vereenigd om die te verdedigen, maar Philippus dacht er geen oogenblik aan, meer te vechten dan noodig was; daarom beloofde hij Amphipolis aan Athene te geven. Op die wijze nam hij de stad zonder dat òf Athene òf Amphipolis tusschen beide kwam. Hij hield Amphipolis voor zich zelf, in plaats van de stad aan Athene af te staan, maar hij gaf een andere stad aan Olynthus. Zoo wist hij elk verbond af te breken, dat anders tusschen Athene en Olynthus zou kunnen worden gevormd. Philippus II van Macedonië was een zeer sluw man. Natuurlijk hield hij niet op bij Amphipolis. Een klein eind over de Thracische grenzen lagen enkele rijke goudmijnen. Wat stond hem in den weg, die te nemen? Hij marcheerde op met zijn onoverwinnelijk leger, en spoedig had hij al het geld, dat hij noodig had. Hij kon soldaten huren, om een stad aan te vallen, of—immers er waren minstens in iedere stad twee partijen—hij kon de ééne partij omkoopen, om hem de stad in handen te leveren. Er is een verhaal bekend, volgens hetwelk hij eens informeerde, of een bepaalde vesting kon worden ingenomen. “Zij is ontoegankelijk” was het antwoord. “Is zij zelfs zóó ontoegankelijk, dat ook niet een ezel met goud beladen, haar kan beklimmen?” was zijn wedervraag.Catapult, het kanon uit de dagen van Philippus.Catapult, het kanon uit de dagen van Philippus.(Die groote boog kon pijlen met ijzeren punten, die van tien tot driehonderd pond wogen, bijna een kilometer ver schieten).Philippus nam nog andere plaatsen in het noorden, en niemand verzette zich tegen hem. Athene was de sterkste van de Grieksche staten, en Athene had haar handen vol met de steden van den nieuwen Bond, die gevormd was, nadat Thebezich van Sparta had vrijgevochten. Zij toch verzetten zich er even sterk tegen als de steden van den ouden Bond van Delos, om door Athene behandeld te worden, als waren zij haar onderworpen; en Athene had, in weerwil van alles wat zij had meegemaakt, nog niet geleerd, dat het verstandiger zou zijn, hen op een andere wijze te behandelen. Zij waren opgestaan, en nu volgde de oorlog, bekend als die der Bondgenooten.Demosthenes.Demosthenes.(Naar een standbeeld in de Vaticaansche galerij te Rome).En nog nadat de Oorlog der Bondgenooten geëindigd was, schenen de Atheners blind te zijn voor wat zich in het noorden afspeelde. Er was echter één man in de stad, die de oogen geopend hield: maar in weerwil van al zijn welsprekendheid kon hij de Atheners er niet toe brengen, het gevaar in te zien, dat hen bedreigde. Die man was Demosthenes, één der grootste redenaars van de geheele wereld.Toen Demosthenes nog een kind was, was hij wel de laatste knaap, dien men zou hebben uitgekozen, om tot redenaar te ontwikkelen. Hij stotterde, had een zwakke stem, was spoedig buiten adem en kon de letterrniet behoorlijk uitspreken. Daarbij was hij verlegen, trok voortdurend zijn linker schouder op, en als hij opgewonden werd of zijn belangstelling was gaande gemaakt, trok hij de meest dwaze en leelijke gezichten. Toch had hij zich vast voorgenomen, een even groot redenaar te worden als de spreker, naar wien hij eens had geluisterd, en even hartelijk als deze te worden toegejuicht. Toen hij ouder was geworden, greep hij de eerste de beste gelegenheid aan, om in het publiek te spreken. Wel werden zijne toehoorders niet overtuigd, maar zeker werden zij aangenaam onderhouden; immers zij moesten uitbundig lachen om den jongenman, die zulke dwaze gezichten trok, zijn lichaam zoo gek bewoog, zijn verschillende argumenten door elkander haalde, en telkens zóó buiten adem was, dat zij zelfs niet altijd konden verstaan wat hij trachtte te zeggen.Demosthenes was zóózeer ontmoedigd, dat hij de stad verliet en een wandeling maakte naar den Piraeus, er over peinzend, of het hem ooit zou gelukken, zijn stadgenooten te boeien en te overtuigen. Hij herhaalde zijn eerste poging, maar ook deze mislukte. “Hoe komt het,”zoo sprak hij tot een vriend, die van beroep tooneelspeler was, “dat het volk, hoe hard ik ook voor mijn redevoeringen werk, nog liever luistert naar een dronken matroos of den eersten den besten onbeduidenden medeburger, dan naar mij”? Het eenige antwoord, dat zijn vriend hem gaf, luidde: “Wilt gij mij een stuk uit een drama van Euripides of Sophocles voordragen”? Demosthenes gehoorzaamde; daarna droeg de redenaar hetzelfde stuk voor, maar met een zóó groote waardigheid, met gebaren, zóózeer in overeenstemming met de woorden, en met een zóó blijkbaar inzicht in iedere gedachte, dat het iets geheel anders werd. Toen begreep Demosthenes, wat zijn vriend bedoelde, namelijk, dat niemand, onverschillig hoe diep hij zijn onderwerp had bestudeerd, of hoe uitmuntend zijn redevoering was in elkander gezet, zijn hoorders kon overtuigen, als de redevoering niet tevens goed werd voorgedragen.Er was niet veel hoop voor Demosthenes, dat hij ooit in zijn pogingen zou slagen, maar hij had veel te veel energie, om de zaak op te geven. Hij bouwde een kamer onder den grond, waar hij herhaaldelijk een tijd verblijf hield, om zijn stem te oefenen en zijn gebaren te verbeteren. Uit vrees, dat hij in de verleiding zou komen, uit te gaan, schoor hij somtijds de helft van zijn hoofd kaal, zoodat hij niet in het publiek kon verschijnen. Om zijn stotteren te verbeteren, sprak hij met steentjes in zijn mond. Om zijn stem zóó te versterken, dat hij hetleven der volksvergaderingen kon overschreeuwen, hield hij redevoeringen voor zich zelf aan het strand der zee, waarbij hij zijn best deed het geraas der zee te overstemmen. Hij oefende er zich in, zijn ademhaling te beheerschen door redevoeringen op te zeggen, terwijl hij ruwe en steile heuvels beklom. Hij hing een ontbloot zwaard zóó op, dat de minste beweging van den niet voldoende in bedwang gehouden linker schouder hem zou prikken. Hij oefende zich voor den spiegel, om te leeren, niet met de oogen te knippen of dwaze gezichten te trekken. Hij overwon zelfs de moeilijkheid, die voor hem gelegen was in de lastige letterr. En bij dit alles verzuimde hij toch niet, om zich meer dan ooit toe te leggen op een uitnemende samenstelling zijner redevoeringen. Hij schreef zelfs herhaaldelijk de redevoeringen van Thucydides over, en trachtte even goede redevoeringen te vervaardigen. En zoo werd hij een zóó voortreffelijk redenaar, dat hij nu reeds tweeduizend jaar lang genoemd wordt onder de beste redenaars der wereld.Dit was nu de man, die de Atheners vertelde, dat Philippus van Macedonië voornemens was, Griekenland te veroveren. Zijn redevoeringen tegen Philippus werden “Philippicae” genoemd. Zij waren zóó bitter en heftig, dat nog in onze dagen een bijzonder heftige en onmeedoogende redevoering tegen een persoon dikwijls een “philippica” wordt genoemd. In die redevoeringen deed Demosthenes al het mogelijke om zijn landgenooten tegen Philippus wakker te schudden. “Welken gunstigen tijd van het jaar, welke betere gelegenheid dan de tegenwoordige wacht gij af, of wanneer zult gij uw krachten beter kunnen inspannen dan nu, mijn landgenooten? Heeft niet die man alle plaatsen in bezit genomen, die de onze waren? Moet hij nu ook meester worden van dit land, moeten wij dan niet afdalen tot den laagsten trap van eerloosheid? Worden niet diegenen, die wij beloofd hebben te hulp te komen, zoo dikwijls zij in een oorlog betrokken zijn, nu zelf aangevallen?Is hij niet in het bezit van onze volksplantingen? Is hij geen barbaar? Is zijn karakter niet zóó laag, dat woorden het niet kunnen uitdrukken? Als wij voor dat alles ongevoelig zijn, als wij zelfs als het ware zijn plannen in de hand werken—O hemel! Kunnen wij dan nog vragen, wie de schuld draagt van de gevolgen?”De Tuin van een aanzienlijk Athener.De Tuin van een aanzienlijk Athener.Maar de tijden waren voorbij, dat men leefde en werkte voor het belang van den staat. Men verkoos weelderige woningen boven het slagveld; men stelde liever staatsgeld beschikbaar voor de schouwburgen dan voor de soldaten. Zelfs de beeldhouwkunst veranderde van aard. De Grieken waren niet meer tevreden met standbeelden, die kracht en stoutmoedigheid uitdrukten, maar zij moesten ook liefelijk en sierlijk zijn. De beroemdste beeldhouwer uit die dagen was Praxiteles. Zijn Aphrodite, vervaardigd voor een tempel te Cnidus, was het eerste beeld van een vrouw, die niet alleen schoon was, maar er ook uitzag, alsof zij kon denken en gevoelen. De bevolking van Cnidus was zóó trotsch op het beeld, dat zij, toen een koning aanbood, de groote schuld, die Cnidus had, af te betalen, als zij hem het beeld zoude afstaan, dit aanbod afsloeg. Een aantal Grieksche standbeelden zijn alleen door copieën bekend, maar wij hebben nog het origineel van den Hermes van Praxiteles met den jeugdigen Dionysus, dat de aanraking gevoeld heeft van den beitel van den meester zelf. Die werken zijn heerlijk schoon, en dat wel in een tijd, toen de Atheners veel meer hadden moeten denken aan den toestand van hun land dan aan standbeelden. Alle pogingen van Demosthenes waren echter volkomen vruchteloos. Philippus ging voort met zijn veroveringen in het noorden, en spoedig deed zich voor hem een gelegenheid voor, om vaster voet te krijgen in Griekenland, en op te treden niet als de heerscher van een ruw, barbaarsch volk, maar als de beschermer van de rechten van Apollo. De Phocensers hadden niet steeds voldaanaan hun verplichtingen tegenover Apollo. Meer dan tweehonderd jaar te voren waren zij door de Delphische amphictyonen gestraft, omdat zij op weg naar Delphi zich hadden ingelaten met anderen. De afstammelingen nu van diezelfde Phocensers namen land in bezit, dat voor Apollo afgezonderd werd gehouden, en stalen zelfs eenige van de schatten uit zijn tempel. De amphictyonen waren niet krachtig genoeg om hen te straffen, en deden een beroep op Philippus. Dit kon men noemen “een kat opdragen, een geschil tusschen twee muizen te beslechten.”Philippus strafte de Phocensers, en de amphictyonen gaven hem nu hun stemmen in den Raad der amphictyonen, en besloten, dat hij het voorzitterschap zouwaarnemen bij de spelen, die te Delphi werden gevierd. Hij was nu de verdediger van Apollo; en als hij het kon doen voorkomen, alsof eenige daad van een Griekschen staat een misdaad tegen de godheid was, had hij het recht, dien staat te straffen.Hermes met den jeugdigen Dionysus.Hermes met den jeugdigen Dionysus.(In 1877 te Olympia ontdekt).De plannen van Philippus vorderden goed. Zijn volgende stap was, dat hij trachtte Byzantium te bemachtigen. Dit deed de Atheners uit hun onverschilligheid ontwaken, daar zij volstrekt niet wilden afgesneden worden van de voorraadschuur der landen aan de Zwarte Zee. Zij kwamen de bevolking van Byzantium te hulp, en Philippus trok zijn troepen terug. Hij verzette zich niet bijzonder daartegen, daar hij in Athene een vriend had, die voor hem den weg in een andere richting effende. Dit was de redenaar Aeschines, die in welsprekendheid Demosthenes het meest nabij kwam. Philippus hield er in de verschillende staten van Griekenland goed betaalde dienaren en spionnen op na, en men meent, dat Aeschines tot die spionnen behoorde. Hij overtuigde de Atheners, dat de Phocensers weer straf verdienden, daar zij eenig land gebruikten, dat aan Apollo gewijd was. Dit had uitsluitend ten doel, ten tweeden male Philippus er in te halen, en Philippus was dadelijk daartoe gereed. Maar toen hij eenmaal in Phocis was, maakte hij niet de minste haast, het eigendom van Apollo te beschermen. In plaats daarvan nam hij bezit van een stad, die zoowel Boeotië als Athene goed te stade zou gekomen zijn, en versterkte die.Er was toen geen schitterende welsprekendheid meer noodig, om de Atheners te overtuigen van het groote gevaar, dat hen bedreigde. Zij waren bereid alles te doen, iedereen te volgen.“Maakt u gereed, een beleg te kunnen doorstaan,”raadde Demosthenes aan “en ziet de hulp van Thebe te verkrijgen.”Zij gehoorzaamden zonder eenig gemor, en Thebe werd hun bondgenoot. Bij Chaeronea in Boeotië geraakten de legers handgemeen; het waren de beste legers der wereld. Er werd een vreeselijke slag geleverd; en toen deze geëindigd was, had Philippus van Macedonië de oppermacht over Griekenland verkregen.Thebe en Athene waren in den Bond tegen Philippus de voornaamste staten geweest; hoe zou hij hen behandelen? Hij had nu eens vooral de gelegenheid, te laten zien, dat hij òf streng òf genadig kon zijn, en Philippus verzuimde nooit één gelegenheid. Tegenover Thebe trad hij zoo streng mogelijk op. Hij liet haar zelfs losgeld betalen voor de lijken van haar soldaten; hij bevrijdde de kleine steden van Boeotië uit haar heerschappij; en in de citadel plaatste hij een garnizoen van Macedoniërs. Jegens Athene betoonde hij zich daarentegen zeer genadig. Hij leverde de gevangenen uit zonder losgeld. Hij eerde haar dooden met begrafenisplechtigheden, en zond de beenderen der dooden naar Athene onder geleide van zijn eigen zoon Alexander. Hij behield voor zich enkele van haar meest verwijderde bezittingen, maar liet haar Attica en breidde het zelfs uit, door er een stadje aan toe te voegen op de grenzen van Boeotië, dat langen tijd een punt van twist geweest was tusschen Athene en Thebe.Aeschines.Aeschines.(In het Museum te Napels).Korten tijd na den slag bij Chaeronea verzocht Philippus de Grieksche staten, afgevaardigden te zenden naar een congres, dat te Corinthe zou worden gehouden. Eerst werd er een soort van statenverbond gevormd, met Macedonië aan het hoofd. Toen bracht Philippus op dat congres het waredoel der bijeenkomst ter tafel. Het was om hun hulp te vragen in een expeditie, die geen minder doel beoogde dan de verovering van Perzië.Philippus van Macedonië.Philippus van Macedonië.(Naar een munt).Philippus was een slim man. Hij had de Grieksche staten doen gevoelen, dat hij hun meester was, maar voordat zij den tijd hadden op te staan, ja zelfs tot het bewustzijn te komen van hun diepen val, vroeg hij hun hulp bij een expeditie, die wel is waar moest strekken tot vermeerdering van zijn roem, maar die tevens een wraak zou zijn voor al wat de Grieken van den inval der Perzen hadden geleden. Natuurlijk konden zij toch moeilijk iets weigeren, wat hun veroveraar verkoos te vragen, maar dit was een hoogst aanlokkelijke expeditie. De schatten van Azië lagen binnen hun bereik. Zij hadden slechts den man te volgen, die zich bekwaam had betoond een verstandig en gelukkig aanvoerder te zijn. Een aanbod van rijkdom, triomf en wraak was genoeg, om iedere natie op te winden. En dit was geen hersenschimmig, onmogelijk plan; de terugtocht der Tienduizend Grieken had doen zien, wat een zwak lichaam het logge, uit zijn krachten gegroeide Perzische rijk was geworden. Zij vergaten, dat zij hun onafhankelijkheid hadden verloren, dat zij een veroverd en in onderwerping gebracht volk waren; zij vergaten alles behalve hun tocht naar Azië. Geheel Griekenland begon zich gereed te maken. Schepen werden gebouwd, levensmiddelen opgehoopt en oorlogswerktuigen vervaardigd. Sommige der troepen waren reeds weggetrokken, toen Philippus de Grieksche staten uitnoodigde, afgevaardigden te zenden bij het huwelijk van zijn dochter. De feestelijkheden hadden reeds een aanvang genomen. Er was een schitterend feestmaal met al de zeldzaamheden, die door de hulpbronnen van den grootsten koning der wereld konden worden bijeengebracht. Daarna gingen de gasten, allen getooid met de schoonste kleederen en schitterend van juweelen, uit de feestzaal naar den schouwburg. Eenlange processie van Macedoniërs marcheerde langs hen heen, en vertoonde de schatten van het koninkrijk. Achteraan kwamen de beelden der twaalf groote goden. Sommigen der gasten beefden bij de heiligschennis, toen zij zagen, dat er een dertiende god aan toegevoegd was, namelijk het beeld van den Koning. Achter dat beeld liep de veroveraar. Hij droeg een krans op zijn hoofd en kleeren van het helderste wit. Achter hem liepen zijn zoon Alexander en de bruidegom. De menigte jubelde en juichte hem toe. “Philippus! Philippus!” riepen zij. “Groot is Philippus van Macedonië!” Te midden dier vreugde was er één enkele flikkering van het zwaard van een moordenaar, en de groote koning lag dood ter neder.Keukenpot.Keukenpot.

Zoo kwam het, dat eerst Argos, daarna Athene, Sparta, Thebe, beurtelings de leidende staten van Griekenland werden. Hun zelfzucht en afgunst jegens elkander hadden hun rijkdom uitgeput, het geluk hunner burgers verwoest en een groot gedeelte der bevolking aan den dood prijs gegeven, en zij waren daarbij totaal uitgeput. Er kon geen betere tijd worden uitgekozen, om zich van het geheele land meester te maken, als er maar een vermetel, sluw man gevonden werd, die wist, hoe met voorzichtigheid en bekwaamheid te handelen.

Een zoodanig iemand was op den troon van Macedonië, het land dat in het noorden en noordoosten van Griekenland gelegen was. De Macedoniërs hadden geen kunstenaars, geen talentvolle schrijvers, geen schitterende redenaars, geen scholen voor wijsbegeerte. De Grieken uit het zuiden gaven wel toe, dat zij Grieksch bloed in de aderen hadden, maar lachten om hun ruwe, onbeschaafde vormen en hun grove, weinig gemanierde wijze van spreken. De vorst, die toen op den troon gezeten was, Philippus II, was diep overtuigd van al die verschilpunten. Hij was nog slechts een jongen van vijftien jaar oud, toen Pelopidas in Macedonië kwam en hem als gijzelaar mede naar Thebe nam. Daar was hij drie jaar gebleven, waarschijnlijk in de woning van den vader van Epaminondas. Hoe dit ook moge zijn, hij had zeker de gelegenheid gehad, na te gaan, hoe de Grieken leefden, hoe zij oorlog voerden, en hoe somtijds de oorlog door diplomatie kon worden vermeden. Hij leerde Grieksch spreken en schrijven als een Thebaan; zijn taal werd niet alleen zuiver maar ook welsprekend. Hij wist, dat het niet onmogelijk was, dat hij mettertijdheerschen zou over Macedonië, en hij hield blijkbaar zijn oogen en ooren open, om alles te hooren wat voor hem van waarde kon zijn en hem kon helpen, om een verwonderlijk plan uit te voeren, dat hem waarschijnlijk reeds toen voor den geest stond.

Macedonisch Ruiter.Macedonisch Ruiter.

Macedonisch Ruiter.

Toen de tijd voor hem was aangebroken, om de kroon van zijn vader te dragen, begon hij met een staand leger te vormen, en zeer verstandig noodigde hij zijn lastigste onderdanen uit, zich daarbij te voegen, en wel de half-beschaafde stammen, die verder af in de heuvelachtige terreinen woonden. Tot nu toe had Macedonië geen pogingen in het werk gesteld, om machtig te worden. Het was nauwelijks iets anders geweest dan een stuk land, waardoor legers konden marcheeren tusschen Griekenland en Azië. Indien er een oorlog uitbrak, had het steeds de zijde gekozen van die partij, die waarschijnlijk het machtigst zou zijn. Het eerste gedeelte van het plan van Philippus was, Macedonië zóó krachtig te maken, dat andere landen begeerig zouden zijn vriendschap er mede te sluiten. Daartoe oefende en drilde hij zijn soldaten zóó, dat zij het beste leger van de wereld vormden. Hij had in Thebe geleerd, hoe de zoo beroemde Thebaansche phalanx werd gevormd; maar hij was zelfs niet tevreden met een uitvinding, die werkelijk als iets buitengewoon bewonderenswaardigs werd beschouwd; hij dacht een eenigszins andere rangschikking voor het voetvolk uit. Volgens die rangschikking werden de mannen geplaatstin zestien rijen achter elkander, met een tusschenruimte van drie voet tusschen de gelederen. De speren waren een-en-twintig voet lang, en iedere soldaat hield zijn wapen vast op vijftien voet afstand van de punt. De speren van het vijfde gelid staken dus drie voet vóór het eerste gelid uit; die van het vierde gelid zestien voet, en zoo voort. Het was niet gemakkelijk, de phalanx in orde te houden op een ruwen, oneffen grond, maar op een vlak terrein konden geen troepen aan haar aanval weerstand bieden.

De Macedonische Phalanx.De Macedonische Phalanx.

De Macedonische Phalanx.

Een Macedonisch soldaat met zijn langen speer.Een Macedonisch soldaat met zijn langen speer.

Een Macedonisch soldaat met zijn langen speer.

Toen het leger van Philippus gereed was, begon hij met zijn veroveringen, niet echter door Griekenland binnen te trekken,—daarvoor was hij te verstandig. Eerst sloeg hij het oog op Thracië en Chalcidice. Op de grens tusschen Thraciëen Macedonië lag de stad Amphipolis, en hij nam zich voor, die in te nemen. Athene en Olynthus zouden zich hebben vereenigd om die te verdedigen, maar Philippus dacht er geen oogenblik aan, meer te vechten dan noodig was; daarom beloofde hij Amphipolis aan Athene te geven. Op die wijze nam hij de stad zonder dat òf Athene òf Amphipolis tusschen beide kwam. Hij hield Amphipolis voor zich zelf, in plaats van de stad aan Athene af te staan, maar hij gaf een andere stad aan Olynthus. Zoo wist hij elk verbond af te breken, dat anders tusschen Athene en Olynthus zou kunnen worden gevormd. Philippus II van Macedonië was een zeer sluw man. Natuurlijk hield hij niet op bij Amphipolis. Een klein eind over de Thracische grenzen lagen enkele rijke goudmijnen. Wat stond hem in den weg, die te nemen? Hij marcheerde op met zijn onoverwinnelijk leger, en spoedig had hij al het geld, dat hij noodig had. Hij kon soldaten huren, om een stad aan te vallen, of—immers er waren minstens in iedere stad twee partijen—hij kon de ééne partij omkoopen, om hem de stad in handen te leveren. Er is een verhaal bekend, volgens hetwelk hij eens informeerde, of een bepaalde vesting kon worden ingenomen. “Zij is ontoegankelijk” was het antwoord. “Is zij zelfs zóó ontoegankelijk, dat ook niet een ezel met goud beladen, haar kan beklimmen?” was zijn wedervraag.

Catapult, het kanon uit de dagen van Philippus.Catapult, het kanon uit de dagen van Philippus.(Die groote boog kon pijlen met ijzeren punten, die van tien tot driehonderd pond wogen, bijna een kilometer ver schieten).

Catapult, het kanon uit de dagen van Philippus.

(Die groote boog kon pijlen met ijzeren punten, die van tien tot driehonderd pond wogen, bijna een kilometer ver schieten).

Philippus nam nog andere plaatsen in het noorden, en niemand verzette zich tegen hem. Athene was de sterkste van de Grieksche staten, en Athene had haar handen vol met de steden van den nieuwen Bond, die gevormd was, nadat Thebezich van Sparta had vrijgevochten. Zij toch verzetten zich er even sterk tegen als de steden van den ouden Bond van Delos, om door Athene behandeld te worden, als waren zij haar onderworpen; en Athene had, in weerwil van alles wat zij had meegemaakt, nog niet geleerd, dat het verstandiger zou zijn, hen op een andere wijze te behandelen. Zij waren opgestaan, en nu volgde de oorlog, bekend als die der Bondgenooten.

Demosthenes.Demosthenes.(Naar een standbeeld in de Vaticaansche galerij te Rome).

Demosthenes.

(Naar een standbeeld in de Vaticaansche galerij te Rome).

En nog nadat de Oorlog der Bondgenooten geëindigd was, schenen de Atheners blind te zijn voor wat zich in het noorden afspeelde. Er was echter één man in de stad, die de oogen geopend hield: maar in weerwil van al zijn welsprekendheid kon hij de Atheners er niet toe brengen, het gevaar in te zien, dat hen bedreigde. Die man was Demosthenes, één der grootste redenaars van de geheele wereld.

Toen Demosthenes nog een kind was, was hij wel de laatste knaap, dien men zou hebben uitgekozen, om tot redenaar te ontwikkelen. Hij stotterde, had een zwakke stem, was spoedig buiten adem en kon de letterrniet behoorlijk uitspreken. Daarbij was hij verlegen, trok voortdurend zijn linker schouder op, en als hij opgewonden werd of zijn belangstelling was gaande gemaakt, trok hij de meest dwaze en leelijke gezichten. Toch had hij zich vast voorgenomen, een even groot redenaar te worden als de spreker, naar wien hij eens had geluisterd, en even hartelijk als deze te worden toegejuicht. Toen hij ouder was geworden, greep hij de eerste de beste gelegenheid aan, om in het publiek te spreken. Wel werden zijne toehoorders niet overtuigd, maar zeker werden zij aangenaam onderhouden; immers zij moesten uitbundig lachen om den jongenman, die zulke dwaze gezichten trok, zijn lichaam zoo gek bewoog, zijn verschillende argumenten door elkander haalde, en telkens zóó buiten adem was, dat zij zelfs niet altijd konden verstaan wat hij trachtte te zeggen.

Demosthenes was zóózeer ontmoedigd, dat hij de stad verliet en een wandeling maakte naar den Piraeus, er over peinzend, of het hem ooit zou gelukken, zijn stadgenooten te boeien en te overtuigen. Hij herhaalde zijn eerste poging, maar ook deze mislukte. “Hoe komt het,”zoo sprak hij tot een vriend, die van beroep tooneelspeler was, “dat het volk, hoe hard ik ook voor mijn redevoeringen werk, nog liever luistert naar een dronken matroos of den eersten den besten onbeduidenden medeburger, dan naar mij”? Het eenige antwoord, dat zijn vriend hem gaf, luidde: “Wilt gij mij een stuk uit een drama van Euripides of Sophocles voordragen”? Demosthenes gehoorzaamde; daarna droeg de redenaar hetzelfde stuk voor, maar met een zóó groote waardigheid, met gebaren, zóózeer in overeenstemming met de woorden, en met een zóó blijkbaar inzicht in iedere gedachte, dat het iets geheel anders werd. Toen begreep Demosthenes, wat zijn vriend bedoelde, namelijk, dat niemand, onverschillig hoe diep hij zijn onderwerp had bestudeerd, of hoe uitmuntend zijn redevoering was in elkander gezet, zijn hoorders kon overtuigen, als de redevoering niet tevens goed werd voorgedragen.

Er was niet veel hoop voor Demosthenes, dat hij ooit in zijn pogingen zou slagen, maar hij had veel te veel energie, om de zaak op te geven. Hij bouwde een kamer onder den grond, waar hij herhaaldelijk een tijd verblijf hield, om zijn stem te oefenen en zijn gebaren te verbeteren. Uit vrees, dat hij in de verleiding zou komen, uit te gaan, schoor hij somtijds de helft van zijn hoofd kaal, zoodat hij niet in het publiek kon verschijnen. Om zijn stotteren te verbeteren, sprak hij met steentjes in zijn mond. Om zijn stem zóó te versterken, dat hij hetleven der volksvergaderingen kon overschreeuwen, hield hij redevoeringen voor zich zelf aan het strand der zee, waarbij hij zijn best deed het geraas der zee te overstemmen. Hij oefende er zich in, zijn ademhaling te beheerschen door redevoeringen op te zeggen, terwijl hij ruwe en steile heuvels beklom. Hij hing een ontbloot zwaard zóó op, dat de minste beweging van den niet voldoende in bedwang gehouden linker schouder hem zou prikken. Hij oefende zich voor den spiegel, om te leeren, niet met de oogen te knippen of dwaze gezichten te trekken. Hij overwon zelfs de moeilijkheid, die voor hem gelegen was in de lastige letterr. En bij dit alles verzuimde hij toch niet, om zich meer dan ooit toe te leggen op een uitnemende samenstelling zijner redevoeringen. Hij schreef zelfs herhaaldelijk de redevoeringen van Thucydides over, en trachtte even goede redevoeringen te vervaardigen. En zoo werd hij een zóó voortreffelijk redenaar, dat hij nu reeds tweeduizend jaar lang genoemd wordt onder de beste redenaars der wereld.

Dit was nu de man, die de Atheners vertelde, dat Philippus van Macedonië voornemens was, Griekenland te veroveren. Zijn redevoeringen tegen Philippus werden “Philippicae” genoemd. Zij waren zóó bitter en heftig, dat nog in onze dagen een bijzonder heftige en onmeedoogende redevoering tegen een persoon dikwijls een “philippica” wordt genoemd. In die redevoeringen deed Demosthenes al het mogelijke om zijn landgenooten tegen Philippus wakker te schudden. “Welken gunstigen tijd van het jaar, welke betere gelegenheid dan de tegenwoordige wacht gij af, of wanneer zult gij uw krachten beter kunnen inspannen dan nu, mijn landgenooten? Heeft niet die man alle plaatsen in bezit genomen, die de onze waren? Moet hij nu ook meester worden van dit land, moeten wij dan niet afdalen tot den laagsten trap van eerloosheid? Worden niet diegenen, die wij beloofd hebben te hulp te komen, zoo dikwijls zij in een oorlog betrokken zijn, nu zelf aangevallen?Is hij niet in het bezit van onze volksplantingen? Is hij geen barbaar? Is zijn karakter niet zóó laag, dat woorden het niet kunnen uitdrukken? Als wij voor dat alles ongevoelig zijn, als wij zelfs als het ware zijn plannen in de hand werken—O hemel! Kunnen wij dan nog vragen, wie de schuld draagt van de gevolgen?”

De Tuin van een aanzienlijk Athener.De Tuin van een aanzienlijk Athener.

De Tuin van een aanzienlijk Athener.

Maar de tijden waren voorbij, dat men leefde en werkte voor het belang van den staat. Men verkoos weelderige woningen boven het slagveld; men stelde liever staatsgeld beschikbaar voor de schouwburgen dan voor de soldaten. Zelfs de beeldhouwkunst veranderde van aard. De Grieken waren niet meer tevreden met standbeelden, die kracht en stoutmoedigheid uitdrukten, maar zij moesten ook liefelijk en sierlijk zijn. De beroemdste beeldhouwer uit die dagen was Praxiteles. Zijn Aphrodite, vervaardigd voor een tempel te Cnidus, was het eerste beeld van een vrouw, die niet alleen schoon was, maar er ook uitzag, alsof zij kon denken en gevoelen. De bevolking van Cnidus was zóó trotsch op het beeld, dat zij, toen een koning aanbood, de groote schuld, die Cnidus had, af te betalen, als zij hem het beeld zoude afstaan, dit aanbod afsloeg. Een aantal Grieksche standbeelden zijn alleen door copieën bekend, maar wij hebben nog het origineel van den Hermes van Praxiteles met den jeugdigen Dionysus, dat de aanraking gevoeld heeft van den beitel van den meester zelf. Die werken zijn heerlijk schoon, en dat wel in een tijd, toen de Atheners veel meer hadden moeten denken aan den toestand van hun land dan aan standbeelden. Alle pogingen van Demosthenes waren echter volkomen vruchteloos. Philippus ging voort met zijn veroveringen in het noorden, en spoedig deed zich voor hem een gelegenheid voor, om vaster voet te krijgen in Griekenland, en op te treden niet als de heerscher van een ruw, barbaarsch volk, maar als de beschermer van de rechten van Apollo. De Phocensers hadden niet steeds voldaanaan hun verplichtingen tegenover Apollo. Meer dan tweehonderd jaar te voren waren zij door de Delphische amphictyonen gestraft, omdat zij op weg naar Delphi zich hadden ingelaten met anderen. De afstammelingen nu van diezelfde Phocensers namen land in bezit, dat voor Apollo afgezonderd werd gehouden, en stalen zelfs eenige van de schatten uit zijn tempel. De amphictyonen waren niet krachtig genoeg om hen te straffen, en deden een beroep op Philippus. Dit kon men noemen “een kat opdragen, een geschil tusschen twee muizen te beslechten.”Philippus strafte de Phocensers, en de amphictyonen gaven hem nu hun stemmen in den Raad der amphictyonen, en besloten, dat hij het voorzitterschap zouwaarnemen bij de spelen, die te Delphi werden gevierd. Hij was nu de verdediger van Apollo; en als hij het kon doen voorkomen, alsof eenige daad van een Griekschen staat een misdaad tegen de godheid was, had hij het recht, dien staat te straffen.

Hermes met den jeugdigen Dionysus.Hermes met den jeugdigen Dionysus.(In 1877 te Olympia ontdekt).

Hermes met den jeugdigen Dionysus.

(In 1877 te Olympia ontdekt).

De plannen van Philippus vorderden goed. Zijn volgende stap was, dat hij trachtte Byzantium te bemachtigen. Dit deed de Atheners uit hun onverschilligheid ontwaken, daar zij volstrekt niet wilden afgesneden worden van de voorraadschuur der landen aan de Zwarte Zee. Zij kwamen de bevolking van Byzantium te hulp, en Philippus trok zijn troepen terug. Hij verzette zich niet bijzonder daartegen, daar hij in Athene een vriend had, die voor hem den weg in een andere richting effende. Dit was de redenaar Aeschines, die in welsprekendheid Demosthenes het meest nabij kwam. Philippus hield er in de verschillende staten van Griekenland goed betaalde dienaren en spionnen op na, en men meent, dat Aeschines tot die spionnen behoorde. Hij overtuigde de Atheners, dat de Phocensers weer straf verdienden, daar zij eenig land gebruikten, dat aan Apollo gewijd was. Dit had uitsluitend ten doel, ten tweeden male Philippus er in te halen, en Philippus was dadelijk daartoe gereed. Maar toen hij eenmaal in Phocis was, maakte hij niet de minste haast, het eigendom van Apollo te beschermen. In plaats daarvan nam hij bezit van een stad, die zoowel Boeotië als Athene goed te stade zou gekomen zijn, en versterkte die.

Er was toen geen schitterende welsprekendheid meer noodig, om de Atheners te overtuigen van het groote gevaar, dat hen bedreigde. Zij waren bereid alles te doen, iedereen te volgen.“Maakt u gereed, een beleg te kunnen doorstaan,”raadde Demosthenes aan “en ziet de hulp van Thebe te verkrijgen.”Zij gehoorzaamden zonder eenig gemor, en Thebe werd hun bondgenoot. Bij Chaeronea in Boeotië geraakten de legers handgemeen; het waren de beste legers der wereld. Er werd een vreeselijke slag geleverd; en toen deze geëindigd was, had Philippus van Macedonië de oppermacht over Griekenland verkregen.

Thebe en Athene waren in den Bond tegen Philippus de voornaamste staten geweest; hoe zou hij hen behandelen? Hij had nu eens vooral de gelegenheid, te laten zien, dat hij òf streng òf genadig kon zijn, en Philippus verzuimde nooit één gelegenheid. Tegenover Thebe trad hij zoo streng mogelijk op. Hij liet haar zelfs losgeld betalen voor de lijken van haar soldaten; hij bevrijdde de kleine steden van Boeotië uit haar heerschappij; en in de citadel plaatste hij een garnizoen van Macedoniërs. Jegens Athene betoonde hij zich daarentegen zeer genadig. Hij leverde de gevangenen uit zonder losgeld. Hij eerde haar dooden met begrafenisplechtigheden, en zond de beenderen der dooden naar Athene onder geleide van zijn eigen zoon Alexander. Hij behield voor zich enkele van haar meest verwijderde bezittingen, maar liet haar Attica en breidde het zelfs uit, door er een stadje aan toe te voegen op de grenzen van Boeotië, dat langen tijd een punt van twist geweest was tusschen Athene en Thebe.

Aeschines.Aeschines.(In het Museum te Napels).

Aeschines.

(In het Museum te Napels).

Korten tijd na den slag bij Chaeronea verzocht Philippus de Grieksche staten, afgevaardigden te zenden naar een congres, dat te Corinthe zou worden gehouden. Eerst werd er een soort van statenverbond gevormd, met Macedonië aan het hoofd. Toen bracht Philippus op dat congres het waredoel der bijeenkomst ter tafel. Het was om hun hulp te vragen in een expeditie, die geen minder doel beoogde dan de verovering van Perzië.

Philippus van Macedonië.Philippus van Macedonië.(Naar een munt).

Philippus van Macedonië.

(Naar een munt).

Philippus was een slim man. Hij had de Grieksche staten doen gevoelen, dat hij hun meester was, maar voordat zij den tijd hadden op te staan, ja zelfs tot het bewustzijn te komen van hun diepen val, vroeg hij hun hulp bij een expeditie, die wel is waar moest strekken tot vermeerdering van zijn roem, maar die tevens een wraak zou zijn voor al wat de Grieken van den inval der Perzen hadden geleden. Natuurlijk konden zij toch moeilijk iets weigeren, wat hun veroveraar verkoos te vragen, maar dit was een hoogst aanlokkelijke expeditie. De schatten van Azië lagen binnen hun bereik. Zij hadden slechts den man te volgen, die zich bekwaam had betoond een verstandig en gelukkig aanvoerder te zijn. Een aanbod van rijkdom, triomf en wraak was genoeg, om iedere natie op te winden. En dit was geen hersenschimmig, onmogelijk plan; de terugtocht der Tienduizend Grieken had doen zien, wat een zwak lichaam het logge, uit zijn krachten gegroeide Perzische rijk was geworden. Zij vergaten, dat zij hun onafhankelijkheid hadden verloren, dat zij een veroverd en in onderwerping gebracht volk waren; zij vergaten alles behalve hun tocht naar Azië. Geheel Griekenland begon zich gereed te maken. Schepen werden gebouwd, levensmiddelen opgehoopt en oorlogswerktuigen vervaardigd. Sommige der troepen waren reeds weggetrokken, toen Philippus de Grieksche staten uitnoodigde, afgevaardigden te zenden bij het huwelijk van zijn dochter. De feestelijkheden hadden reeds een aanvang genomen. Er was een schitterend feestmaal met al de zeldzaamheden, die door de hulpbronnen van den grootsten koning der wereld konden worden bijeengebracht. Daarna gingen de gasten, allen getooid met de schoonste kleederen en schitterend van juweelen, uit de feestzaal naar den schouwburg. Eenlange processie van Macedoniërs marcheerde langs hen heen, en vertoonde de schatten van het koninkrijk. Achteraan kwamen de beelden der twaalf groote goden. Sommigen der gasten beefden bij de heiligschennis, toen zij zagen, dat er een dertiende god aan toegevoegd was, namelijk het beeld van den Koning. Achter dat beeld liep de veroveraar. Hij droeg een krans op zijn hoofd en kleeren van het helderste wit. Achter hem liepen zijn zoon Alexander en de bruidegom. De menigte jubelde en juichte hem toe. “Philippus! Philippus!” riepen zij. “Groot is Philippus van Macedonië!” Te midden dier vreugde was er één enkele flikkering van het zwaard van een moordenaar, en de groote koning lag dood ter neder.

Keukenpot.Keukenpot.

Keukenpot.

Hoofdstuk XX.Alexander de Groote.Toen de Grieken de tijding vernamen, dat Philippus gestorven was, en wisten, dat een jonge man van nauwelijks twintig jaar den troon had bestegen, waren zij uitgelaten van vreugde. “Griekenland zal weer vrij zijn,”riepen zij juichend. Zij zouden niet zoo zeker van hun vrijheid geweest zijn, als zij geweten hadden, wat voor een jongeling het was, die hun meester was geworden. Wel wisten zij, dat hij twee jaren te voren, in den slag bij Chaeronea, de phalanx had aangevoerd, die de beste troepen der Thebanen had verslagen. “Maar,”zoo zeiden zij, “dat beteekende niets; de oudste en meest bekwame aanvoerders waren om hem heen geschaard om toezicht te houden, dat alles goed ging.” Zij hadden kunnen hebben vermoed, dat hij geen zwakkeling was, als zij gehoord hadden, hoe hij, nauwelijks de kinderschoenen ontwassen, eenige Perzische afgezanten tijdens de afwezigheid van zijn vader had ontvangen. Zij kwamen hem, zooals natuurlijk was, met den noodigen eerbied te gemoet, maar zij verwachtten, dat hij sprak en redeneerde evenals ieder ander kind. Maar zie, de jeugdige knaap begon hen over hun vaderland te ondervragen. “Wat voor een man is uw koning?” zoo vroeg hij. “Hoe behandelt hij zijn vijanden? Waarom is Perzië krachtig? Komt het, omdat het land veel grond bezit, of een groot leger?” De Perzen staarden hem met de grootste verbazing aan, en zeiden tot elkander: “Philippus is niets, met dezen vergeleken.” Een ander verhaal wordt omtrent hem gedaan, hoe hij het beroemde paard Bucephalus had getemd. Dat paard was bij zijn vader op proef gebracht, maar het had gesnoven, gebeten en getrapt, zoodat Philippus bevolen had, dat het weerwerd weggevoerd. Toen riep de jonge Alexander: “Wat een prachtig paard laten zij zich ontglippen bij gebrek aan verstand en moed, het in bedwang te houden!”“Jonge man,”antwoordde zijn vader, “gij maakt aanmerkingen op uw ouderen, alsof gij zelf het paard beter in bedwang kunt houden.” “En dat zou ik ook zeker kunnen,”antwoordde de jonge, stoutmoedige knaap. “Als gij er niet in slaagt, welke boete wilt gij dan betalen?” “Den prijs van het paard.”Alexander.Alexander.(Naar een borstbeeld, in 1779 te Tivoli gevonden).Waarschijnlijk was de jongen van tien of twaalf jaar niets bekwamer in het behandelen van paarden dan de rijknechts, maar hij had opgemerkt, dat zij het paard van uit de richting der zon wegvoerden, en dat het verschrikt en gehinderd werd door zijn eigen schaduw, die over den grond heentrok. Alexander draaide den kop van het paard naar de zon, aaide het en sprak er vriendelijk mede, en sprong toen op zijn rug. De hovelingen en de koning hadden zich zeer vermaakt met de stoutmoedigheid van den knaap, maar nu werden zij ongerust. Alexander bleef echter stevig zitten, en nadat hij het paard zooveel had laten steigeren en galoppeeren als het verkoos, reed hij naar den koning. De vader weende van vreugde. “Zoek naar een ander rijk, mijn zoon,”zoo sprak hij, “immers het rijk, dat ik u zal nalaten, is u niet waardig.”Philippus had gezorgd voor leermeesters voor zijn zoon, maar hij zag nu, dat hij met een knaap te doen had, die niet tevreden zou zijn met gewone leermeesters. De beroemdste wijsgeer in die dagen was Aristoteles. Hij was een Macedoniër, maar was gedurende een geruimen tijd een leerling geweest in de school van Plato te Athene. Philippus zond hem den volgenden brief:“Laat mij u mededeelen, dat ik een zoon heb, en dat ik de goden niet zoozeer dankbaar ben dat hij geboren is, als wel dat hij tijdens uw leven geboren is; immers als gij u met zijn opvoeding zult willen belasten, ben ik er zeker van, dat hij zijn vader waardig zal worden, en ook het koninkrijk, dat hij later zal erven.”Zoo geschiedde het, dat Aristoteles de leermeester werd van den jeugdigen Alexander en ongeveer drie jaar bij hem bleef, misschien zelfs wel, totdat hij koning werd. Philippus gaf hem een vorstelijke belooning, immers hij liet de geboorteplaats van den wijsgeer, de stad Stagira, opbouwen, die hij vroeger had verwoest, en bracht de inwoners terug, die òf gevlucht waren, òf als slaven verkocht. Aristoteles hield er van, met zijn leerlingen te spreken, als zij samen op de wandeling waren; daarom maakte Philippus als schoolvertrek een ruimen en prachtigen tuin gereed, met steenen banken en koele, schaduwrijke paden. Alexander hield niet alleen van wijsbegeerte, maar hij hield er ook van, de oude tooneelspelen en geschiedenisboeken te lezen, en placht ze van de verste afstanden te ontbieden. Het meest van alles hield hij van de gedichten van Homerus. Zijn moeder had hem dikwijls verteld, dat hij afstamde van Achilles, den held van deIlias; en toen hij nog een kleine jongen was, had hij er innig behagen in, dat één van zijn leermeesters hem met den naam Achilles aansprak. Philippus zag, dat zijn zoon kon worden vertrouwd, en daarom liet hij, toen hij naar Byzantium ging, het rijk in handen van den zestienjarigen knaap. Bij zijn terugkomst schepte hij er vermaak in, en was hij volstrekt niet boos, toen hij hoorde, dat de Macedoniërs hem “dengeneraal” noemden, maar van zijn zoon spraken als van “denkoning”.Dit was de jonge man, die nu de heerscher was over Macedonië en geheel Griekenland. Demosthenes noemde hemeen “knaap”; maar veel moeite zou er zijn gespaard, indien al zijn onderdanen geweten hadden, wat een buitengewone knaap hij was. Sommigen van hen, de woeste bergbewoners, meenden, dat dit een voortreffelijke tijd was, om het koninklijke gezag af te werpen; maar Alexander trok, zonder een oogenblik te vertoeven, tegen hen op. Hij merkte, dat hij een moeilijken bergweg zou moeten opklimmen, op welks top de opstandelingen stonden met zware wagens, gereed om op hem neer te rollen. Het vereischte heel wat meer dan een paar wagens, om dien scherpzinnigen jeugdigen aanvoerder tegen te houden. Hij beval zijn troepen, zich te verdeelen en een open pad midden tegenover de wagens vrij te laten. Waar de weg te smal was, beval hij zijn manschappen, op den grond te gaan liggen, met hun schilden over hun hoofden. De wagens begonnen eerst langzaam te rollen, daarna hoe langer hoe sneller, raakten de schilden met een vreeselijk gekletter en gekraak, maar gingen over hen heen als over een goed geplaveiden straatweg, en tuimelden zoo, zonder schade te hebben berokkend, in de diepte. Het duurde niet lang, of de opstandelingen vonden het maar het verstandigst zich over te geven.Grieksch schild.Grieksch schild.Ook sommige Grieksche staten hadden gemeend, dat de dood van Philippus hun een goede gelegenheid zou verschaffen op te staan, maar Alexander trok met de grootste snelheid naar Thessalië op. Op zijn weg was een berg, maar hij deed trappen hakken langs de afgronden, en trok voorwaarts. De staten onderwierpen zich, en nu noemde Demosthenes hem een “aankomend jongeling”. Terwijl Alexander onder de bergstammen was, daagde het gerucht op, dat hij dood was. Thebe en de bevriende steden meenden, dat het nu een gunstige gelegenheid was, van het Macedonischegarnizoen te worden verlost. “Ik zal Demosthenes voor de muren van Athene laten zien, dat ik een man ben,”zoo sprak Alexander, terwijl hij naar het zuiden optrok. Thebe wilde zich niet overgeven, totdat de stad gedwongen werd zich te onderwerpen. Athene had wapenen naar de Thebanen gezonden, maar durfde een aanvoerder geen weerstand te bieden, die kon marcheeren met een snelheid van meer dan dertig kilometers per dag door een woest en ruw land, en over gekartelde bergkammen. “Wat moet de straf van Thebe zijn?” vroeg Alexander het statencongres te Corinthe. Hetzij omdat zij bang voor Alexander waren, hetzij omdat Thebe vele vijanden onder de Grieksche staten had, besloten zij, dat Thebe zou worden verwoest. De muren werden met den grond gelijk gemaakt, en alle huizen afgebroken, behalve het huis van den vroegeren dichter Pindarus. Zelfs te midden van den heftigsten strijd had Alexander nog de oude Grieksche poëzie lief, en herinnerde hij zich de eer, die hij den dichter verschuldigd was. De afstammelingen van Pindarus bleven eveneens ongedeerd, hoewel dertigduizend Thebaansche burgers als slaven werden verkocht. De Thebaansche landerijen werden verdeeld over de armere steden van Boeotië.Er is een overlevering, dat de wijsgeer Diogenes toen in Corinthe leefde, en dat Alexander zeer verlangde, hem te leeren kennen, wat niet te verwonderen is, als slechts de helft der verhalen, omtrent Diogenes verteld, waarheid bevatten. Een van die verhalen is, dat men hem eens op klaarlichten dag zag loopen met een lantaarn in de hand en blijkbaar naar iets zoekend. “Waar zoekt gij naar?”vroeg men hem, en hij antwoordde: “Naar een rechtschapen man.”Een ander verhaal is, dat, toen Plato een weelderig gastmaal gaf, Diogenes zich den toegang tot het eetvertrek vrijmaakte, en over de tapijten liep met bloote en modderige voeten. “Zoo trap ik op dentrots van Plato,”bromde hij. Waarop Plato antwoordde: “Maar met nog veel grooter trots, o Diogenes.”Toen de koning met zijn gevolg eens naderbij kwam, lag Diogenes in de zon, en deed nauwelijks eenige moeite, om maar één blik te werpen op den beheerscher van zijn vaderland. “Is er iets, waarmede ik u van dienst kan zijn?”vroeg Alexander. De onvriendelijke wijsgeer antwoordde: “Alleen dat gij voor mij de zon niet onderschept.” De hovelingen lachten, maar Alexander zeide, wat werkelijk zijn innige overtuiging was: “Als ik Alexander niet was, zou ik Diogenes willen zijn.”Diogenes ziet uit naar een rechtschapen man.Diogenes ziet uit naar een rechtschapen man.Hij was echter Alexander, en was nog veel meer begeerig, veroveringen te behalen, en hij was daar zelfs nog veel fellerop dan zijn vader geweest was. Twee jaren waren voorbijgegaan sedert den dood van Philippus. Macedonië was rustig, Griekenland was onderworpen. Er was geen reden, waarom hij niet de expeditie zou ondernemen, die ten doel had, den inval van Xerxes te wreken, het koninkrijk Perzië te veroveren, en geheel Azië in zijn macht te krijgen. Hij maakte niet dezelfde fout, die Xerxes gemaakt had, om een zóó groot leger bijeen te brengen, dat het moeilijk was, dit te voeden en voort te bewegen; hij voerde niet meer dan tusschen de vijf en dertig duizend en acht en dertig duizend man over den Hellespont, maar zij waren zóó gedrild en geoefend, dat zij bijna onoverwinnelijk waren. Bij al zijn voorbereidingen voor den inval had Alexander nooit vergeten, dat hij een afstammeling was van Achilles, en hij ging eerst naar de plaats, waar Troje gestaan had, om zijn voorvader eer te bewijzen. Hij bracht een offer aan Athene en hing een krans aan een zuil van de graftombe van Achilles. “Hij was een gelukkig man,”zeide de koning, “dat hij een trouwen vriend bij zijn leven had gevonden, en een dichter als Homerus, om zijn lof te bezingen na zijn dood.”Al had echter Alexander geen Homerus om zijn lof te verkondigen, hij had ten minste den beroemdsten schilder uit de oude tijden, om zijn portret te schilderen, en bovendien nam hij den schilder met zich mede naar Azië. Het was Apelles, en men zegt, dat Alexander met zijn werk zóózeer ingenomen was, dat hij door niemand anders wilde geschilderd worden. Apelles trad even onafhankelijk op als de koning zelf, en als wij geloof mogen hechten aan de oude verhalen, was hij veel minder hoffelijk dan zijn vorst. Men vertelt, dat toen een ander schilder pochte op de snelheid, waarmede hij werkte, Apelles antwoordde: “Het is alleen maar te verwonderen, dat gij in denzelfden tijd niet nog meer van zulk prulwerk afmaakt.”Een ander verhaal is, dat hij een schoenmaker zeer hartelijk dankte, omdat deze hem een fout aanwees in een schoenriemop één van zijn schilderijen. De man was er zóó trotsch op, dat zijn raad door den grooten Apelles was opgevolgd, dat hij voortging, met nog andere aanmerkingen te maken. Daarop zeide Apelles met groote minachting: “Schoenmaker, blijf bij je leest.”Dit is de oorsprong van het bekende spreekwoord.Alexander, in den slag bij den Granicus.Alexander, in den slag bij den Granicus.(Bronzen standbeeld te Herculaneum gevonden).Natuurlijk had Darius III, de Koning der Perzen, gehoord, wat Alexander voornemens was te doen; hij had daarom een groot leger naar Klein-Azië gebracht. De meest geschikte plaats om den vermetelen jongen man te ontmoeten, was aan den Hellespont, die den toegang leverde naar Azië. Toen dan ook Alexander aan de kleine rivier den Granicus kwam, zag hij, dat de overzijde bezet was met Perzische soldaten. De rivier was blijkbaar diep en stroomde snel, terwijl de oevers even glibberig als steil waren. De Macedonische krijgsoversten maakten bezwaar, zonder voorbereiding, reeds nu de rivier over te steken; zij zeiden, dat het te laat op den dag was, en bovendien, dat het de ongunstige maand was, zoodat zij ongetwijfeld ongelukkig zouden zijn. Maar Alexander sprong in de rivier, en op zijn bevel volgde de ruiterij de groote witte pluimen op zijn helm. Zij klommen tegen den glibberigen oever op, recht in het gezicht der Perzische pijlen. Intusschen trok de phalanx de rivier over, en daarna volgde het voetvolk. Alexander won den slag. Van den buit, bij zijn eerste overwinning in Azië behaald,gaf hij veel geschenken weg. Maar het allereerst beval hij, dat een koperen standbeeld gemaakt zou worden ter eere van iedereen, die in den slag was gesneuveld. Hij gaf rijke geschenken aan de Grieken, en aan de Atheners, die zijn bijzondere gunstelingen schenen te zijn, zond hij nog een afzonderlijk geschenk van driehonderd schilden. Aan zijn moeder, die in Macedonië was achtergebleven, zond hij de purperen gewaden en kleeden, en de gouden en zilveren schotels, die in grooten getale in de tenten der Perzen werden gevonden.Alexander marcheerde in zuidelijke richting, volgde een kort eind weegs de kustlijn, en marcheerde toen in noordelijke richting naar Phrygië, terwijl hij op zijn tocht steden veroverde. Er was niet veel echt oorlogvoeren noodig, want de meeste steden in de nabijheid van de kust gaven zich onmiddellijk over, zoodra zij bericht kregen, dat hij naderde. In één der tempels van Gordium in Phrygië vond hij een beroemden knoop, gemaakt van touwen, gesneden uit de schors van een boom. Er was een profetie, dat de heerschappij over de wereld den man zou te beurt vallen, die dien knoop kon losmaken. Reeds menigeen had zijn geluk beproefd, maar hij was zóó kunstig inééngestrengeld en vastgeknoopt, dat het nog nooit iemand was gelukt. Alexander beproefde het eveneens een korten tijd, trok toen zijn zwaard en hakte den knoop door. Zoo komt het, dat men, als iemand een kort, stoutmoedig middel heeft gevonden, om een moeilijkheid uit den weg te ruimen, zegt: “hij heeft den Gordiaanschen knoop doorgehakt.”Alexander trok weer met zijn manschappen naar zee, marcheerend door Klein-Azië. Bij Issus ontmoette hij de legerdrommen der Perzen, die nog altijd van meening waren, dat een leger zeker was van de overwinning, als het slechts groot genoeg was. Maar zij zouden het bij Issus wel anders ondervinden. Darius had zeer onverstandig Alexander in de gelegenheid gesteld, hem in een nauwe vlakte te ontmoeten, waargeen voldoende ruimte was voor zijn leger. De Perzen sloegen op de vlucht, met hun koning vooraan. Darius wierp zijn schild, zijn boog en purperen mantel weg, en sprong zelfs van den koninklijken wagen en besteeg een paard, om sneller te ontkomen. Niemand behalve de Koning had het recht bevelen te geven, en het geheele Perzische leger tuimelde over elkander in hun woest opdringen om te ontsnappen.Nadat de slag was geleverd, werd een prachtig gouden kistje naar Alexander gebracht, afkomstig van den buit, op Darius gemaakt. “Wat is het meest waardig, er in te leggen?” vroeg hij zijn vrienden. De één stelde dit voor, de ander dat, maar de koning schudde het hoofd. Eindelijk zeide hij: “Het is de Ilias, die het meest een dergelijk kistje waard is.”De moeder en het gezin van Darius waren gevangen genomen door de Macedoniërs. Alexander zond hun een boodschap, dat zij van hem niets hadden te vreezen, en behandelde hen met de grootst mogelijke beleefdheid en de meeste oplettendheid. Darius wenschte ze los te koopen en bood zijn bondgenootschap aan; maar Alexander verzocht den Perzischen monarch hem “niet als een gelijke, maar als heerscher over Azië” te betitelen; in dit geval zou hem alles verleend worden, wat hij verkoos te vragen.Het scheen voor den jeugdigen veroveraar geen verschil te maken, waar een stad gelegen was of hoe zij werd verdedigd. Tyrus lag op een eiland, maar hij verbond het eiland spoedig met het vasteland, door een dijk te leggen met groote aardhoopen, ten einde van daar uit met zijn machines de stad aan te vallen. Nadat Tyrus gevallen was, gaven bijna alle steden ten oosten van de Middellandsche Zee zich over, alleen om Gaza had hij strijd te leveren. Van die stad uit, zond hij een vroegeren leermeester groote hoeveelheden wierook en myrrhe. Men verhaalt, dat zijn leermeester hem, toen hij nog een knaap was, gezegd had, niet zooveel wierook te verbranden, voordathij het land had veroverd, waar de specerijen groeiden. Nu schreef hij: “Ik heb u ruim wierook en myrrhe gezonden, opdat gij niet langer een vrek tegenover de goden zult zijn.”Alexander en Darius in den strijd. (Naar een mozaïek in het museum te Napels).Alexander en Darius in den strijd. (Naar een mozaïek in het museum te Napels).Tot nu toe had Alexander slechts met zijn inval een begin gemaakt. Hij had zich voorgenomen, ver in oostelijke richting op te trekken; maar hij wilde zich eerst er van vergewissen, dat hij geen vijanden meer achter zich liet. Daarom was hij door Klein-Azië heen en weer getrokken, totdat hij er zeker van was, dat er in dat gedeelte van het land geen verzet meer zou zijn. Voordat hij voor goed een tocht naar het oosten aanvaardde, wilde hij zich verzekeren van Egypte, en trok hij daarheen. Egypte verheugde zich in de hoop, van Perzië te worden bevrijd. De Egyptenaren wierpen hun poorten wijd open en kwamen hem in grooten getale welkom heeten. Dicht bij de monding van den Nijl koos hij een terrein, om er een stad te stichten, Alexandrië, waarheen goederen uit het oosten en het westen zouden kunnen worden gebracht. Hijbeval zijn manschappen, een streep te trekken op den zwarten grond, ten einde het plan voor de nieuwe stad aan te duiden. Zij hadden geen krijt, en daarom wezen zij het terrein aan met meel. Plotseling kwam op de juist uitgeteekende stad een zwerm vogels neerdalen, die het meel oppikten. Alexander was verontrust, daar hij vreesde, dat dit ongeluk zou beteekenen; maar de waarzeggers zeiden: “Neen, dit is een teeken, dat de stad gezegend zal zijn met een zóó grooten overvloed, dat zij een voorraadschuur zal zijn voor allen, die daarheen zullen komen”; toen was de koning gerustgesteld.Egyptische Koning in oorlogsgewaad.Egyptische Koning in oorlogsgewaad.Ondertusschen had Darius menschen verzameld uit het noorden, zuiden, oosten en westen, om zich tegen den inval te verzetten. De besten onder hen waren een aantal Grieken, die hij gehuurd had. Hij had eveneens vijftien olifanten en twee honderd seiswagens, wagens, die er vreeselijk angstwekkend uitzagen met degenklingen, die uitstaken uit het juk en de naven der wielen. De twee legers stootten te Arbela op elkander. Den avond vóór den slag stelde één der veldheeren Alexander voor, de Perzen gedurende den nacht aan te vallen. “Perzische legers zijn des nachts bijna hulpeloos,”zeide hij. Maar Alexander was daartoe te trotsch. “Ik wil niet op slinksche wijze een overwinning behalen,”antwoordde hij. “Ik kan Darius in het volle daglicht verslaan, en ik zal dat doen.”En hij deed het ook. Weder leidde Darius den terugtocht. Het aantal vluchtelingen was zóó groot, en wierp zóóveel stof op, dat hij in de verwarring ontsnapte. Voor dien slag had Darius het grootst mogelijke aantal troepen bijeengebracht, ze zoo goed als hij kon gedrild, en toch was hij verslagen. Hijkon niets meer doen dan hij gedaan had, om de Grieken te verdrijven. Hoewel er nog een aantal groote marschen moesten worden gedaan, en bovendien niet weinig gevechten door Alexander moesten worden geleverd, kan men dus toch wel verklaren, dat zijn overwinning bij Arbela besliste over het lot van Perzië.De hoofdsteden van het Perzische rijk waren Babylon en Susa. Alexander verwachtte een krachtigen tegenstand in die plaatsen, daar zij de schatkamers van het rijk waren. In plaats daarvan kwamen de troepen hem te gemoet, terwijl zij de sleutels der poorten droegen. De burgers strooiden bloemen op zijn weg en kwamen in grooten getale op, om hem geschenken aan te bieden. Toen hij de steden binnenkwam, werden zijn stoutste droomen nog verre overtroffen; immers alleen in Susa was er een schat van meer dan 120 millioen gulden, en in Persepolis, de stad, die hij toen veroverde, was er meer dan driemaal zooveel.Oorlogs-olifantOorlogs-olifantVoordat hij in Persepolis kwam, zag hij een vreeselijk schouwspel: honderden Grieksche gevangenen, van wie sommigen een been, anderen een arm of een oog hadden verloren, en anderen, die zóó zwaar hadden geleden, dat zij volkomen hulpbehoevend waren. Dit was het werk der Perzen. Een aantal van die gevangenen waren jaren lang in Perzië gevangen gehouden. Tranen kwamen Alexander in de oogen, en hijdrong er op aan, dat zij naar Griekenland zouden terugkeeren. “Ik zal u naar huis zenden,”zoo sprak hij, “en ik zal er voor zorgen, dat gij, zoolang gij leeft, goed verzorgd wordt.”Maar zij zeiden hem, dat zij in een zoodanigen toestand niet naar hun vrienden konden terugkeeren. Daarop gaf hij hun land en slaven en veel vee. En toch had die sympathieke monarch na het beleg van Tyrus tweeduizend man doen ophangen; en na de overgave van Gaza had hij de voeten van den dapperen verdediger der stad met koperen ringen doorboord, hem aan een wagen vastgebonden, en nog levend in het gezicht van het leger voortgesleept. Op die wijze, zeide hij, had Achilles het lijk van zijn vijand Hector behandeld. Het was te betreuren, dat hij uit de Ilias geen betere lessen had geleerd. Na den val van Persepolis gaf hij de stad ter plundering aan zijn soldaten over. Hij doodde de mannen en verkocht de vrouwen als slavinnen. De verwoesting van Athene was gewroken.Zeiswagen.Zeiswagen.Het eerste doel van Alexander was nu, Darius gevangen te nemen. De Perzische koning was op de vlucht, maar wasin werkelijkheid een gevangene in de handen van zijn eigen veldheer, Bessus. Sommigen onder de Perzen dachten er over, Bessus tot koning uit te roepen; maar indien hij Darius niet gevangen kon houden, zouden anderen er toe aangemoedigd worden, hem op den troon te herstellen. Zij waren vooral beangst, dat Darius levend in de handen van Alexander zou vallen. Toen zij derhalve hoorden, dat Alexander in hun nabijheid was, en dat zij niet konden ontsnappen en Darius medenemen, wierpen de verraderlijke Bessus en zijn vrienden hun werpspiesen op hem en lieten hem voor dood liggen. Men zegt, dat een Macedonisch soldaat hem nog juist levend vond, en dat hij zijn dankbaarheid uitdrukte jegens Alexander, omdat deze zijn vrouw en zijn gezin zoo vriendelijk had bejegend. “Zeg hem, dat ik hem mijn hand heb gegeven,”zeide hij. Alexander wierp zijn eigen mantel over het lijk van den koning, en eerde hem door een koninklijke begrafenis.Alexander was meester in het Perzische rijk, maar het scheen, dat hij was aangetast door een onbluschbaren hartstocht naar verovering. Hij ging met zijn onoverwinnelijk leger voorwaarts,—in noordelijke richting naar de Caspische Zee, in zuidelijke richting naar de Arabische zee, daarna weer noordelijk, zich kronkelend en draaiend uit het land verre ten noorden van het Hindu-Kush gebergte naar Indië en de monding van den Indus. Hij maakte plannen, om voort te trekken naar het uiterste oosten; om een expeditie tegen Arabië over zee te ondernemen; om westwaarts te gaan en Italië, Spanje en Noord-Afrika te veroveren; in één woord, om de geheele wereld te vereenigen tot één rijk, onder zijn bestuur, Hij keerde naar Babylon terug, om nieuwe troepen en schepen te ontmoeten. Alle voorbereidselen waren gemaakt,....toen hij plotseling ziek werd en stierf.Alexander was twee en dertig jaar oud geworden. Hij had twaalf jaar geregeerd. In dien tijd had hij Macedonië en Griekenlandden vrede geschonken; hij had steden verwoest en gesticht, achttien van deze had hij naar zich zelf, één naar Bucephalus genoemd, hij had zóó groote marschen gedaan en zóó groote overwinningen behaald, als geen veldheer ooit had durven droomen; hij had de vijandschap tusschen Perzië en Griekenland tot een einde gebracht en hij had een rijk gewonnen.Maar wat zou van dat rijk moeten komen? Toen Alexander op zijn sterfbed lag, werd hem gevraagd, aan wien hij de macht naliet. “Aan den meest waardigen,” antwoordde hij, en hij gaf zijn ring aan één van zijn veldheeren, Perdiccas, genaamd. Maar niemand behalve Alexander was in staat het ontzaglijke rijk samen te houden. Na lange jaren van strijd en van samenzweren, van verwarring, oproer en gewelddadigheid, viel het rijkuiteenin drie gedeelten: Azië, Egypte en Macedonië. Azië werd bestuurd door afstammelingen van één der veldheeren van Alexander, maar het ééne gedeelte voor, het andere na werd een afzonderlijk koninkrijk, totdat weinig meer dan Syrië en de landen onmiddellijk ten oosten daarvan gelegen, vereenigd bleven. Een nieuwe macht verrees in het westen, de Romeinsche macht, en de bezittingen van Alexander in Azië vielen in de handen van Rome.Egypte werd bestuurd door een ander van Alexanders veldheeren, Ptolemaeus genaamd. Hij maakte van zijn rijk een zeemogendheid. Hij stichtte de beroemde Alexandrijnsche bibliotheek; hij noodigde een groot aantal geleerden, kunstenaars en dichters uit, zich in Egypte te vestigen. De dynastie der Ptolemeën regeerde drie eeuwen lang in Egypte, maar ten slotte viel ook Egypte in de handen der Romeinen.Macedonië werd ondersteld over Griekenland te regeeren, maar Griekenland was volstrekt geen rustige onderdaan. Zoodra de Grieken hoorden van den dood van Alexander, volgden zij de leiding van Demosthenes en trachtten zich tegen de Macedonische overheersching te verzetten. Zij waren daarbijniet gelukkig, en Demosthenes vluchtte naar een tempel van Poseidon op een klein eiland op de kust van Argolis. Hij werd zelfs tot in den tempel vervolgd. “Gun mij nog slechts enkele minuten, om een brief te schrijven.” De officier stond zijn verzoek toe. Hij begon te schrijven, daarna beet hij op de punt van zijn riet, alsof hij nadacht. Hij wierp een plooi van zijn mantel over zijn hoofd, en sprak geen woord of bewoog zich niet. De soldaten trokken den mantel weg en zagen, dat de groote redenaar stervende was. Zijn riet was met vergif gevuld, en hij had dit ingenomen, daar hij liever wilde sterven dan in handen van zijn vijanden vallen.Dood van Demosthenes.Dood van Demosthenes.Na eenigen tijd vormden de Grieken twee bonden, maar zij bleven niet eensgezind, en hadden dus geen macht, de Romeinen te weerstaan. Zoowel Macedonië als Griekenland werden deelen van het Romeinsche Rijk. Zoo waren vóór de geboortevan Christus de uitgebreide bezittingen van Alexander wingewesten van Rome geworden.Zoo eindigt de geschiedenis van het oude Griekenland, de geschiedenis van een volk, dat, wat ook zijn fouten en ondeugden geweest zijn, schoonheid, wetenschap en vrijheid had lief gehad. Niets heeft ooit de kunst, de literatuur of de taal van Griekenland overtroffen. Hij, die volmaaktheid in de kunst wil ontdekken, moet zijn met leven bezielde standbeelden, zijn onovertroffen gebouwen aanschouwen. Hij, die in de letterkunde wil zoeken naar wat eenvoudig, grootsch, waar, edel en welsprekend is, moet de geschriften van zijn dichters, redenaars, geschiedschrijvers en wijsgeeren lezen. Hij, die wil zoeken naar een taal, waarin iedere zweem van gedachte en gevoel de meest passende en geschikte uiting vindt, moet zijn keus doen vallen op de Grieksche taal. En zoo komt het, dat Griekenland niettegenstaande zijn standbeelden bijna alle zijn vernield, zijn tempels tot puinhoopen zijn vervallen, het grootste gedeelte van zijn letterkunde is verdwenen, of slechts bij brokstukken bekend is, en zijn taal, in een modernen vorm, slechts wordt gesproken door een kleine natie—nog altijd de veroveraar van zijn veroveraars is—nog steeds “het onsterfelijke Griekenland.”Kom.Kom.

Toen de Grieken de tijding vernamen, dat Philippus gestorven was, en wisten, dat een jonge man van nauwelijks twintig jaar den troon had bestegen, waren zij uitgelaten van vreugde. “Griekenland zal weer vrij zijn,”riepen zij juichend. Zij zouden niet zoo zeker van hun vrijheid geweest zijn, als zij geweten hadden, wat voor een jongeling het was, die hun meester was geworden. Wel wisten zij, dat hij twee jaren te voren, in den slag bij Chaeronea, de phalanx had aangevoerd, die de beste troepen der Thebanen had verslagen. “Maar,”zoo zeiden zij, “dat beteekende niets; de oudste en meest bekwame aanvoerders waren om hem heen geschaard om toezicht te houden, dat alles goed ging.” Zij hadden kunnen hebben vermoed, dat hij geen zwakkeling was, als zij gehoord hadden, hoe hij, nauwelijks de kinderschoenen ontwassen, eenige Perzische afgezanten tijdens de afwezigheid van zijn vader had ontvangen. Zij kwamen hem, zooals natuurlijk was, met den noodigen eerbied te gemoet, maar zij verwachtten, dat hij sprak en redeneerde evenals ieder ander kind. Maar zie, de jeugdige knaap begon hen over hun vaderland te ondervragen. “Wat voor een man is uw koning?” zoo vroeg hij. “Hoe behandelt hij zijn vijanden? Waarom is Perzië krachtig? Komt het, omdat het land veel grond bezit, of een groot leger?” De Perzen staarden hem met de grootste verbazing aan, en zeiden tot elkander: “Philippus is niets, met dezen vergeleken.” Een ander verhaal wordt omtrent hem gedaan, hoe hij het beroemde paard Bucephalus had getemd. Dat paard was bij zijn vader op proef gebracht, maar het had gesnoven, gebeten en getrapt, zoodat Philippus bevolen had, dat het weerwerd weggevoerd. Toen riep de jonge Alexander: “Wat een prachtig paard laten zij zich ontglippen bij gebrek aan verstand en moed, het in bedwang te houden!”“Jonge man,”antwoordde zijn vader, “gij maakt aanmerkingen op uw ouderen, alsof gij zelf het paard beter in bedwang kunt houden.” “En dat zou ik ook zeker kunnen,”antwoordde de jonge, stoutmoedige knaap. “Als gij er niet in slaagt, welke boete wilt gij dan betalen?” “Den prijs van het paard.”

Alexander.Alexander.(Naar een borstbeeld, in 1779 te Tivoli gevonden).

Alexander.

(Naar een borstbeeld, in 1779 te Tivoli gevonden).

Waarschijnlijk was de jongen van tien of twaalf jaar niets bekwamer in het behandelen van paarden dan de rijknechts, maar hij had opgemerkt, dat zij het paard van uit de richting der zon wegvoerden, en dat het verschrikt en gehinderd werd door zijn eigen schaduw, die over den grond heentrok. Alexander draaide den kop van het paard naar de zon, aaide het en sprak er vriendelijk mede, en sprong toen op zijn rug. De hovelingen en de koning hadden zich zeer vermaakt met de stoutmoedigheid van den knaap, maar nu werden zij ongerust. Alexander bleef echter stevig zitten, en nadat hij het paard zooveel had laten steigeren en galoppeeren als het verkoos, reed hij naar den koning. De vader weende van vreugde. “Zoek naar een ander rijk, mijn zoon,”zoo sprak hij, “immers het rijk, dat ik u zal nalaten, is u niet waardig.”

Philippus had gezorgd voor leermeesters voor zijn zoon, maar hij zag nu, dat hij met een knaap te doen had, die niet tevreden zou zijn met gewone leermeesters. De beroemdste wijsgeer in die dagen was Aristoteles. Hij was een Macedoniër, maar was gedurende een geruimen tijd een leerling geweest in de school van Plato te Athene. Philippus zond hem den volgenden brief:

“Laat mij u mededeelen, dat ik een zoon heb, en dat ik de goden niet zoozeer dankbaar ben dat hij geboren is, als wel dat hij tijdens uw leven geboren is; immers als gij u met zijn opvoeding zult willen belasten, ben ik er zeker van, dat hij zijn vader waardig zal worden, en ook het koninkrijk, dat hij later zal erven.”

Zoo geschiedde het, dat Aristoteles de leermeester werd van den jeugdigen Alexander en ongeveer drie jaar bij hem bleef, misschien zelfs wel, totdat hij koning werd. Philippus gaf hem een vorstelijke belooning, immers hij liet de geboorteplaats van den wijsgeer, de stad Stagira, opbouwen, die hij vroeger had verwoest, en bracht de inwoners terug, die òf gevlucht waren, òf als slaven verkocht. Aristoteles hield er van, met zijn leerlingen te spreken, als zij samen op de wandeling waren; daarom maakte Philippus als schoolvertrek een ruimen en prachtigen tuin gereed, met steenen banken en koele, schaduwrijke paden. Alexander hield niet alleen van wijsbegeerte, maar hij hield er ook van, de oude tooneelspelen en geschiedenisboeken te lezen, en placht ze van de verste afstanden te ontbieden. Het meest van alles hield hij van de gedichten van Homerus. Zijn moeder had hem dikwijls verteld, dat hij afstamde van Achilles, den held van deIlias; en toen hij nog een kleine jongen was, had hij er innig behagen in, dat één van zijn leermeesters hem met den naam Achilles aansprak. Philippus zag, dat zijn zoon kon worden vertrouwd, en daarom liet hij, toen hij naar Byzantium ging, het rijk in handen van den zestienjarigen knaap. Bij zijn terugkomst schepte hij er vermaak in, en was hij volstrekt niet boos, toen hij hoorde, dat de Macedoniërs hem “dengeneraal” noemden, maar van zijn zoon spraken als van “denkoning”.

Dit was de jonge man, die nu de heerscher was over Macedonië en geheel Griekenland. Demosthenes noemde hemeen “knaap”; maar veel moeite zou er zijn gespaard, indien al zijn onderdanen geweten hadden, wat een buitengewone knaap hij was. Sommigen van hen, de woeste bergbewoners, meenden, dat dit een voortreffelijke tijd was, om het koninklijke gezag af te werpen; maar Alexander trok, zonder een oogenblik te vertoeven, tegen hen op. Hij merkte, dat hij een moeilijken bergweg zou moeten opklimmen, op welks top de opstandelingen stonden met zware wagens, gereed om op hem neer te rollen. Het vereischte heel wat meer dan een paar wagens, om dien scherpzinnigen jeugdigen aanvoerder tegen te houden. Hij beval zijn troepen, zich te verdeelen en een open pad midden tegenover de wagens vrij te laten. Waar de weg te smal was, beval hij zijn manschappen, op den grond te gaan liggen, met hun schilden over hun hoofden. De wagens begonnen eerst langzaam te rollen, daarna hoe langer hoe sneller, raakten de schilden met een vreeselijk gekletter en gekraak, maar gingen over hen heen als over een goed geplaveiden straatweg, en tuimelden zoo, zonder schade te hebben berokkend, in de diepte. Het duurde niet lang, of de opstandelingen vonden het maar het verstandigst zich over te geven.

Grieksch schild.Grieksch schild.

Grieksch schild.

Ook sommige Grieksche staten hadden gemeend, dat de dood van Philippus hun een goede gelegenheid zou verschaffen op te staan, maar Alexander trok met de grootste snelheid naar Thessalië op. Op zijn weg was een berg, maar hij deed trappen hakken langs de afgronden, en trok voorwaarts. De staten onderwierpen zich, en nu noemde Demosthenes hem een “aankomend jongeling”. Terwijl Alexander onder de bergstammen was, daagde het gerucht op, dat hij dood was. Thebe en de bevriende steden meenden, dat het nu een gunstige gelegenheid was, van het Macedonischegarnizoen te worden verlost. “Ik zal Demosthenes voor de muren van Athene laten zien, dat ik een man ben,”zoo sprak Alexander, terwijl hij naar het zuiden optrok. Thebe wilde zich niet overgeven, totdat de stad gedwongen werd zich te onderwerpen. Athene had wapenen naar de Thebanen gezonden, maar durfde een aanvoerder geen weerstand te bieden, die kon marcheeren met een snelheid van meer dan dertig kilometers per dag door een woest en ruw land, en over gekartelde bergkammen. “Wat moet de straf van Thebe zijn?” vroeg Alexander het statencongres te Corinthe. Hetzij omdat zij bang voor Alexander waren, hetzij omdat Thebe vele vijanden onder de Grieksche staten had, besloten zij, dat Thebe zou worden verwoest. De muren werden met den grond gelijk gemaakt, en alle huizen afgebroken, behalve het huis van den vroegeren dichter Pindarus. Zelfs te midden van den heftigsten strijd had Alexander nog de oude Grieksche poëzie lief, en herinnerde hij zich de eer, die hij den dichter verschuldigd was. De afstammelingen van Pindarus bleven eveneens ongedeerd, hoewel dertigduizend Thebaansche burgers als slaven werden verkocht. De Thebaansche landerijen werden verdeeld over de armere steden van Boeotië.

Er is een overlevering, dat de wijsgeer Diogenes toen in Corinthe leefde, en dat Alexander zeer verlangde, hem te leeren kennen, wat niet te verwonderen is, als slechts de helft der verhalen, omtrent Diogenes verteld, waarheid bevatten. Een van die verhalen is, dat men hem eens op klaarlichten dag zag loopen met een lantaarn in de hand en blijkbaar naar iets zoekend. “Waar zoekt gij naar?”vroeg men hem, en hij antwoordde: “Naar een rechtschapen man.”Een ander verhaal is, dat, toen Plato een weelderig gastmaal gaf, Diogenes zich den toegang tot het eetvertrek vrijmaakte, en over de tapijten liep met bloote en modderige voeten. “Zoo trap ik op dentrots van Plato,”bromde hij. Waarop Plato antwoordde: “Maar met nog veel grooter trots, o Diogenes.”Toen de koning met zijn gevolg eens naderbij kwam, lag Diogenes in de zon, en deed nauwelijks eenige moeite, om maar één blik te werpen op den beheerscher van zijn vaderland. “Is er iets, waarmede ik u van dienst kan zijn?”vroeg Alexander. De onvriendelijke wijsgeer antwoordde: “Alleen dat gij voor mij de zon niet onderschept.” De hovelingen lachten, maar Alexander zeide, wat werkelijk zijn innige overtuiging was: “Als ik Alexander niet was, zou ik Diogenes willen zijn.”

Diogenes ziet uit naar een rechtschapen man.Diogenes ziet uit naar een rechtschapen man.

Diogenes ziet uit naar een rechtschapen man.

Hij was echter Alexander, en was nog veel meer begeerig, veroveringen te behalen, en hij was daar zelfs nog veel fellerop dan zijn vader geweest was. Twee jaren waren voorbijgegaan sedert den dood van Philippus. Macedonië was rustig, Griekenland was onderworpen. Er was geen reden, waarom hij niet de expeditie zou ondernemen, die ten doel had, den inval van Xerxes te wreken, het koninkrijk Perzië te veroveren, en geheel Azië in zijn macht te krijgen. Hij maakte niet dezelfde fout, die Xerxes gemaakt had, om een zóó groot leger bijeen te brengen, dat het moeilijk was, dit te voeden en voort te bewegen; hij voerde niet meer dan tusschen de vijf en dertig duizend en acht en dertig duizend man over den Hellespont, maar zij waren zóó gedrild en geoefend, dat zij bijna onoverwinnelijk waren. Bij al zijn voorbereidingen voor den inval had Alexander nooit vergeten, dat hij een afstammeling was van Achilles, en hij ging eerst naar de plaats, waar Troje gestaan had, om zijn voorvader eer te bewijzen. Hij bracht een offer aan Athene en hing een krans aan een zuil van de graftombe van Achilles. “Hij was een gelukkig man,”zeide de koning, “dat hij een trouwen vriend bij zijn leven had gevonden, en een dichter als Homerus, om zijn lof te bezingen na zijn dood.”

Al had echter Alexander geen Homerus om zijn lof te verkondigen, hij had ten minste den beroemdsten schilder uit de oude tijden, om zijn portret te schilderen, en bovendien nam hij den schilder met zich mede naar Azië. Het was Apelles, en men zegt, dat Alexander met zijn werk zóózeer ingenomen was, dat hij door niemand anders wilde geschilderd worden. Apelles trad even onafhankelijk op als de koning zelf, en als wij geloof mogen hechten aan de oude verhalen, was hij veel minder hoffelijk dan zijn vorst. Men vertelt, dat toen een ander schilder pochte op de snelheid, waarmede hij werkte, Apelles antwoordde: “Het is alleen maar te verwonderen, dat gij in denzelfden tijd niet nog meer van zulk prulwerk afmaakt.”Een ander verhaal is, dat hij een schoenmaker zeer hartelijk dankte, omdat deze hem een fout aanwees in een schoenriemop één van zijn schilderijen. De man was er zóó trotsch op, dat zijn raad door den grooten Apelles was opgevolgd, dat hij voortging, met nog andere aanmerkingen te maken. Daarop zeide Apelles met groote minachting: “Schoenmaker, blijf bij je leest.”Dit is de oorsprong van het bekende spreekwoord.

Alexander, in den slag bij den Granicus.Alexander, in den slag bij den Granicus.(Bronzen standbeeld te Herculaneum gevonden).

Alexander, in den slag bij den Granicus.

(Bronzen standbeeld te Herculaneum gevonden).

Natuurlijk had Darius III, de Koning der Perzen, gehoord, wat Alexander voornemens was te doen; hij had daarom een groot leger naar Klein-Azië gebracht. De meest geschikte plaats om den vermetelen jongen man te ontmoeten, was aan den Hellespont, die den toegang leverde naar Azië. Toen dan ook Alexander aan de kleine rivier den Granicus kwam, zag hij, dat de overzijde bezet was met Perzische soldaten. De rivier was blijkbaar diep en stroomde snel, terwijl de oevers even glibberig als steil waren. De Macedonische krijgsoversten maakten bezwaar, zonder voorbereiding, reeds nu de rivier over te steken; zij zeiden, dat het te laat op den dag was, en bovendien, dat het de ongunstige maand was, zoodat zij ongetwijfeld ongelukkig zouden zijn. Maar Alexander sprong in de rivier, en op zijn bevel volgde de ruiterij de groote witte pluimen op zijn helm. Zij klommen tegen den glibberigen oever op, recht in het gezicht der Perzische pijlen. Intusschen trok de phalanx de rivier over, en daarna volgde het voetvolk. Alexander won den slag. Van den buit, bij zijn eerste overwinning in Azië behaald,gaf hij veel geschenken weg. Maar het allereerst beval hij, dat een koperen standbeeld gemaakt zou worden ter eere van iedereen, die in den slag was gesneuveld. Hij gaf rijke geschenken aan de Grieken, en aan de Atheners, die zijn bijzondere gunstelingen schenen te zijn, zond hij nog een afzonderlijk geschenk van driehonderd schilden. Aan zijn moeder, die in Macedonië was achtergebleven, zond hij de purperen gewaden en kleeden, en de gouden en zilveren schotels, die in grooten getale in de tenten der Perzen werden gevonden.

Alexander marcheerde in zuidelijke richting, volgde een kort eind weegs de kustlijn, en marcheerde toen in noordelijke richting naar Phrygië, terwijl hij op zijn tocht steden veroverde. Er was niet veel echt oorlogvoeren noodig, want de meeste steden in de nabijheid van de kust gaven zich onmiddellijk over, zoodra zij bericht kregen, dat hij naderde. In één der tempels van Gordium in Phrygië vond hij een beroemden knoop, gemaakt van touwen, gesneden uit de schors van een boom. Er was een profetie, dat de heerschappij over de wereld den man zou te beurt vallen, die dien knoop kon losmaken. Reeds menigeen had zijn geluk beproefd, maar hij was zóó kunstig inééngestrengeld en vastgeknoopt, dat het nog nooit iemand was gelukt. Alexander beproefde het eveneens een korten tijd, trok toen zijn zwaard en hakte den knoop door. Zoo komt het, dat men, als iemand een kort, stoutmoedig middel heeft gevonden, om een moeilijkheid uit den weg te ruimen, zegt: “hij heeft den Gordiaanschen knoop doorgehakt.”

Alexander trok weer met zijn manschappen naar zee, marcheerend door Klein-Azië. Bij Issus ontmoette hij de legerdrommen der Perzen, die nog altijd van meening waren, dat een leger zeker was van de overwinning, als het slechts groot genoeg was. Maar zij zouden het bij Issus wel anders ondervinden. Darius had zeer onverstandig Alexander in de gelegenheid gesteld, hem in een nauwe vlakte te ontmoeten, waargeen voldoende ruimte was voor zijn leger. De Perzen sloegen op de vlucht, met hun koning vooraan. Darius wierp zijn schild, zijn boog en purperen mantel weg, en sprong zelfs van den koninklijken wagen en besteeg een paard, om sneller te ontkomen. Niemand behalve de Koning had het recht bevelen te geven, en het geheele Perzische leger tuimelde over elkander in hun woest opdringen om te ontsnappen.

Nadat de slag was geleverd, werd een prachtig gouden kistje naar Alexander gebracht, afkomstig van den buit, op Darius gemaakt. “Wat is het meest waardig, er in te leggen?” vroeg hij zijn vrienden. De één stelde dit voor, de ander dat, maar de koning schudde het hoofd. Eindelijk zeide hij: “Het is de Ilias, die het meest een dergelijk kistje waard is.”De moeder en het gezin van Darius waren gevangen genomen door de Macedoniërs. Alexander zond hun een boodschap, dat zij van hem niets hadden te vreezen, en behandelde hen met de grootst mogelijke beleefdheid en de meeste oplettendheid. Darius wenschte ze los te koopen en bood zijn bondgenootschap aan; maar Alexander verzocht den Perzischen monarch hem “niet als een gelijke, maar als heerscher over Azië” te betitelen; in dit geval zou hem alles verleend worden, wat hij verkoos te vragen.

Het scheen voor den jeugdigen veroveraar geen verschil te maken, waar een stad gelegen was of hoe zij werd verdedigd. Tyrus lag op een eiland, maar hij verbond het eiland spoedig met het vasteland, door een dijk te leggen met groote aardhoopen, ten einde van daar uit met zijn machines de stad aan te vallen. Nadat Tyrus gevallen was, gaven bijna alle steden ten oosten van de Middellandsche Zee zich over, alleen om Gaza had hij strijd te leveren. Van die stad uit, zond hij een vroegeren leermeester groote hoeveelheden wierook en myrrhe. Men verhaalt, dat zijn leermeester hem, toen hij nog een knaap was, gezegd had, niet zooveel wierook te verbranden, voordathij het land had veroverd, waar de specerijen groeiden. Nu schreef hij: “Ik heb u ruim wierook en myrrhe gezonden, opdat gij niet langer een vrek tegenover de goden zult zijn.”

Alexander en Darius in den strijd. (Naar een mozaïek in het museum te Napels).Alexander en Darius in den strijd. (Naar een mozaïek in het museum te Napels).

Alexander en Darius in den strijd. (Naar een mozaïek in het museum te Napels).

Tot nu toe had Alexander slechts met zijn inval een begin gemaakt. Hij had zich voorgenomen, ver in oostelijke richting op te trekken; maar hij wilde zich eerst er van vergewissen, dat hij geen vijanden meer achter zich liet. Daarom was hij door Klein-Azië heen en weer getrokken, totdat hij er zeker van was, dat er in dat gedeelte van het land geen verzet meer zou zijn. Voordat hij voor goed een tocht naar het oosten aanvaardde, wilde hij zich verzekeren van Egypte, en trok hij daarheen. Egypte verheugde zich in de hoop, van Perzië te worden bevrijd. De Egyptenaren wierpen hun poorten wijd open en kwamen hem in grooten getale welkom heeten. Dicht bij de monding van den Nijl koos hij een terrein, om er een stad te stichten, Alexandrië, waarheen goederen uit het oosten en het westen zouden kunnen worden gebracht. Hijbeval zijn manschappen, een streep te trekken op den zwarten grond, ten einde het plan voor de nieuwe stad aan te duiden. Zij hadden geen krijt, en daarom wezen zij het terrein aan met meel. Plotseling kwam op de juist uitgeteekende stad een zwerm vogels neerdalen, die het meel oppikten. Alexander was verontrust, daar hij vreesde, dat dit ongeluk zou beteekenen; maar de waarzeggers zeiden: “Neen, dit is een teeken, dat de stad gezegend zal zijn met een zóó grooten overvloed, dat zij een voorraadschuur zal zijn voor allen, die daarheen zullen komen”; toen was de koning gerustgesteld.

Egyptische Koning in oorlogsgewaad.Egyptische Koning in oorlogsgewaad.

Egyptische Koning in oorlogsgewaad.

Ondertusschen had Darius menschen verzameld uit het noorden, zuiden, oosten en westen, om zich tegen den inval te verzetten. De besten onder hen waren een aantal Grieken, die hij gehuurd had. Hij had eveneens vijftien olifanten en twee honderd seiswagens, wagens, die er vreeselijk angstwekkend uitzagen met degenklingen, die uitstaken uit het juk en de naven der wielen. De twee legers stootten te Arbela op elkander. Den avond vóór den slag stelde één der veldheeren Alexander voor, de Perzen gedurende den nacht aan te vallen. “Perzische legers zijn des nachts bijna hulpeloos,”zeide hij. Maar Alexander was daartoe te trotsch. “Ik wil niet op slinksche wijze een overwinning behalen,”antwoordde hij. “Ik kan Darius in het volle daglicht verslaan, en ik zal dat doen.”En hij deed het ook. Weder leidde Darius den terugtocht. Het aantal vluchtelingen was zóó groot, en wierp zóóveel stof op, dat hij in de verwarring ontsnapte. Voor dien slag had Darius het grootst mogelijke aantal troepen bijeengebracht, ze zoo goed als hij kon gedrild, en toch was hij verslagen. Hijkon niets meer doen dan hij gedaan had, om de Grieken te verdrijven. Hoewel er nog een aantal groote marschen moesten worden gedaan, en bovendien niet weinig gevechten door Alexander moesten worden geleverd, kan men dus toch wel verklaren, dat zijn overwinning bij Arbela besliste over het lot van Perzië.

De hoofdsteden van het Perzische rijk waren Babylon en Susa. Alexander verwachtte een krachtigen tegenstand in die plaatsen, daar zij de schatkamers van het rijk waren. In plaats daarvan kwamen de troepen hem te gemoet, terwijl zij de sleutels der poorten droegen. De burgers strooiden bloemen op zijn weg en kwamen in grooten getale op, om hem geschenken aan te bieden. Toen hij de steden binnenkwam, werden zijn stoutste droomen nog verre overtroffen; immers alleen in Susa was er een schat van meer dan 120 millioen gulden, en in Persepolis, de stad, die hij toen veroverde, was er meer dan driemaal zooveel.

Oorlogs-olifantOorlogs-olifant

Oorlogs-olifant

Voordat hij in Persepolis kwam, zag hij een vreeselijk schouwspel: honderden Grieksche gevangenen, van wie sommigen een been, anderen een arm of een oog hadden verloren, en anderen, die zóó zwaar hadden geleden, dat zij volkomen hulpbehoevend waren. Dit was het werk der Perzen. Een aantal van die gevangenen waren jaren lang in Perzië gevangen gehouden. Tranen kwamen Alexander in de oogen, en hijdrong er op aan, dat zij naar Griekenland zouden terugkeeren. “Ik zal u naar huis zenden,”zoo sprak hij, “en ik zal er voor zorgen, dat gij, zoolang gij leeft, goed verzorgd wordt.”Maar zij zeiden hem, dat zij in een zoodanigen toestand niet naar hun vrienden konden terugkeeren. Daarop gaf hij hun land en slaven en veel vee. En toch had die sympathieke monarch na het beleg van Tyrus tweeduizend man doen ophangen; en na de overgave van Gaza had hij de voeten van den dapperen verdediger der stad met koperen ringen doorboord, hem aan een wagen vastgebonden, en nog levend in het gezicht van het leger voortgesleept. Op die wijze, zeide hij, had Achilles het lijk van zijn vijand Hector behandeld. Het was te betreuren, dat hij uit de Ilias geen betere lessen had geleerd. Na den val van Persepolis gaf hij de stad ter plundering aan zijn soldaten over. Hij doodde de mannen en verkocht de vrouwen als slavinnen. De verwoesting van Athene was gewroken.

Zeiswagen.Zeiswagen.

Zeiswagen.

Het eerste doel van Alexander was nu, Darius gevangen te nemen. De Perzische koning was op de vlucht, maar wasin werkelijkheid een gevangene in de handen van zijn eigen veldheer, Bessus. Sommigen onder de Perzen dachten er over, Bessus tot koning uit te roepen; maar indien hij Darius niet gevangen kon houden, zouden anderen er toe aangemoedigd worden, hem op den troon te herstellen. Zij waren vooral beangst, dat Darius levend in de handen van Alexander zou vallen. Toen zij derhalve hoorden, dat Alexander in hun nabijheid was, en dat zij niet konden ontsnappen en Darius medenemen, wierpen de verraderlijke Bessus en zijn vrienden hun werpspiesen op hem en lieten hem voor dood liggen. Men zegt, dat een Macedonisch soldaat hem nog juist levend vond, en dat hij zijn dankbaarheid uitdrukte jegens Alexander, omdat deze zijn vrouw en zijn gezin zoo vriendelijk had bejegend. “Zeg hem, dat ik hem mijn hand heb gegeven,”zeide hij. Alexander wierp zijn eigen mantel over het lijk van den koning, en eerde hem door een koninklijke begrafenis.

Alexander was meester in het Perzische rijk, maar het scheen, dat hij was aangetast door een onbluschbaren hartstocht naar verovering. Hij ging met zijn onoverwinnelijk leger voorwaarts,—in noordelijke richting naar de Caspische Zee, in zuidelijke richting naar de Arabische zee, daarna weer noordelijk, zich kronkelend en draaiend uit het land verre ten noorden van het Hindu-Kush gebergte naar Indië en de monding van den Indus. Hij maakte plannen, om voort te trekken naar het uiterste oosten; om een expeditie tegen Arabië over zee te ondernemen; om westwaarts te gaan en Italië, Spanje en Noord-Afrika te veroveren; in één woord, om de geheele wereld te vereenigen tot één rijk, onder zijn bestuur, Hij keerde naar Babylon terug, om nieuwe troepen en schepen te ontmoeten. Alle voorbereidselen waren gemaakt,....toen hij plotseling ziek werd en stierf.

Alexander was twee en dertig jaar oud geworden. Hij had twaalf jaar geregeerd. In dien tijd had hij Macedonië en Griekenlandden vrede geschonken; hij had steden verwoest en gesticht, achttien van deze had hij naar zich zelf, één naar Bucephalus genoemd, hij had zóó groote marschen gedaan en zóó groote overwinningen behaald, als geen veldheer ooit had durven droomen; hij had de vijandschap tusschen Perzië en Griekenland tot een einde gebracht en hij had een rijk gewonnen.

Maar wat zou van dat rijk moeten komen? Toen Alexander op zijn sterfbed lag, werd hem gevraagd, aan wien hij de macht naliet. “Aan den meest waardigen,” antwoordde hij, en hij gaf zijn ring aan één van zijn veldheeren, Perdiccas, genaamd. Maar niemand behalve Alexander was in staat het ontzaglijke rijk samen te houden. Na lange jaren van strijd en van samenzweren, van verwarring, oproer en gewelddadigheid, viel het rijkuiteenin drie gedeelten: Azië, Egypte en Macedonië. Azië werd bestuurd door afstammelingen van één der veldheeren van Alexander, maar het ééne gedeelte voor, het andere na werd een afzonderlijk koninkrijk, totdat weinig meer dan Syrië en de landen onmiddellijk ten oosten daarvan gelegen, vereenigd bleven. Een nieuwe macht verrees in het westen, de Romeinsche macht, en de bezittingen van Alexander in Azië vielen in de handen van Rome.

Egypte werd bestuurd door een ander van Alexanders veldheeren, Ptolemaeus genaamd. Hij maakte van zijn rijk een zeemogendheid. Hij stichtte de beroemde Alexandrijnsche bibliotheek; hij noodigde een groot aantal geleerden, kunstenaars en dichters uit, zich in Egypte te vestigen. De dynastie der Ptolemeën regeerde drie eeuwen lang in Egypte, maar ten slotte viel ook Egypte in de handen der Romeinen.

Macedonië werd ondersteld over Griekenland te regeeren, maar Griekenland was volstrekt geen rustige onderdaan. Zoodra de Grieken hoorden van den dood van Alexander, volgden zij de leiding van Demosthenes en trachtten zich tegen de Macedonische overheersching te verzetten. Zij waren daarbijniet gelukkig, en Demosthenes vluchtte naar een tempel van Poseidon op een klein eiland op de kust van Argolis. Hij werd zelfs tot in den tempel vervolgd. “Gun mij nog slechts enkele minuten, om een brief te schrijven.” De officier stond zijn verzoek toe. Hij begon te schrijven, daarna beet hij op de punt van zijn riet, alsof hij nadacht. Hij wierp een plooi van zijn mantel over zijn hoofd, en sprak geen woord of bewoog zich niet. De soldaten trokken den mantel weg en zagen, dat de groote redenaar stervende was. Zijn riet was met vergif gevuld, en hij had dit ingenomen, daar hij liever wilde sterven dan in handen van zijn vijanden vallen.

Dood van Demosthenes.Dood van Demosthenes.

Dood van Demosthenes.

Na eenigen tijd vormden de Grieken twee bonden, maar zij bleven niet eensgezind, en hadden dus geen macht, de Romeinen te weerstaan. Zoowel Macedonië als Griekenland werden deelen van het Romeinsche Rijk. Zoo waren vóór de geboortevan Christus de uitgebreide bezittingen van Alexander wingewesten van Rome geworden.

Zoo eindigt de geschiedenis van het oude Griekenland, de geschiedenis van een volk, dat, wat ook zijn fouten en ondeugden geweest zijn, schoonheid, wetenschap en vrijheid had lief gehad. Niets heeft ooit de kunst, de literatuur of de taal van Griekenland overtroffen. Hij, die volmaaktheid in de kunst wil ontdekken, moet zijn met leven bezielde standbeelden, zijn onovertroffen gebouwen aanschouwen. Hij, die in de letterkunde wil zoeken naar wat eenvoudig, grootsch, waar, edel en welsprekend is, moet de geschriften van zijn dichters, redenaars, geschiedschrijvers en wijsgeeren lezen. Hij, die wil zoeken naar een taal, waarin iedere zweem van gedachte en gevoel de meest passende en geschikte uiting vindt, moet zijn keus doen vallen op de Grieksche taal. En zoo komt het, dat Griekenland niettegenstaande zijn standbeelden bijna alle zijn vernield, zijn tempels tot puinhoopen zijn vervallen, het grootste gedeelte van zijn letterkunde is verdwenen, of slechts bij brokstukken bekend is, en zijn taal, in een modernen vorm, slechts wordt gesproken door een kleine natie—nog altijd de veroveraar van zijn veroveraars is—nog steeds “het onsterfelijke Griekenland.”

Kom.Kom.

Kom.


Back to IndexNext