SLOT VAN HET SPROOKJE.

Het lijden van den student Anselmus in de glazen flacon. — Het gelukkige leven van Kruisscholieren en procureursklerken. — Het gevecht in het bibliotheek-vertrek van archivaris Lindhorst. — De overwinning van den Salamander en de bevrijding van den student Anselmus.

M (Met)etrecht durf ik eraan te twijfelen, goedgunstige lezer! of gij ooit in een glazen flacon opgesloten geweest zijt, tenzij een helle kweldroom u eens met een soortgelijke verwarrende betoovering had omvangen gehouden. Was dit zoo, dan zult gij den jammer van den student Anselmus zeer levendig gevoelen; hebt gij echter nimmer van iets dergelijks gedroomd, dan wil uw beweeglijke fantazie, mij en Anselmus ten gelieve, u wel voor enkele oogenblikken in het kristal opsluiten. — Gij wordt door verblindenden glans dicht omsloten, alle voorwerpen in het ronde schijnen u door stralende regenboogkleuren verlicht en omgeven — alles siddert en schokt en trilt in dien luister — bewegingloos en onmachtig zweeft gij in een bevroren aether, die u tezamen drukt, zoodat tevergeefs de geest over het doode lichaam gebieden wil. Steeds zwaarder en zwaarder drukt die centenaarslast tegen uw borst — meer en meer verbruikt uw ademtocht de koeltjes, die in de nauwe ruimte nog af- en aanzweefden — uw polsaderen zwellen op en van gruwelijken angst doorkerfd trekt iedere zenuw in verscheurenden doodsstrijd samen. Heb medelijden, goedgunstige lezer! met den student Anselmus, wien deze foltering in zijn glazen kerker aangreep; helaas, hij gevoelde wel dat de dood hem niet verlossen kon, want ontwaakte hij niet uit de diepe bezwijming, waarin hij doorovermanning van pijn verzonken was, toen de morgenzon klaar en vriendelijk in het vertrek kwam binnenschijnen en begon toen de foltering niet van voren af aan? — Geen lid kon hij verroeren, doch zijn gedachten sloegen tegen het glas, hem verstompend door hun dissoneerend weergalmen en instede van de woorden, die anders de geest van uit zijn gevoelsinnerlijk sprak, vernam hij slechts het doffe geruisch van den waanzin. — Toen kreet hij in vertwijfeling: „O Serpentina — Serpentina, red mij uit dezen helschen nood!” En het was als omwaaiden hem zachte zuchten, die zich rondom de flesch legden als groene, doorzichtige vlierbladeren; het galmen hield op, de verblindende verwarrende schijn was verdwenen en hij ademde lichter. „Ik ben toch ook zèlf alleen de schuld van al mijn ellende, — o, heb ik niet tegen ù, lieve, liefste Serpentina! misdreven? — heb ik niet een verachtelijken twijfel jegens u gekoesterd? heb ik niet het geloof verloren en daarmede alles, wat mij diep gelukkig maken moest? — Ach, nu zult gij wel nooit de mijne worden, de gouden vaas is voor mij verloren, nooit zal ik haar wonderen mogen zien. O, kon ik u nog maar éénmaal zien, uwe lieflijke, zoete stemme hooren, liefste Serpentina!” — Zoo weeklaagde de student Anselmus in felle, snijdende smart, toen er naast hem iemand zeide: „Ik begrijp niet, wat gij toch wilt, mijnheer de student, waarom lamenteert gij zoo bovenmatig?” — De student Anselmus bemerkte, dat naast hem op hetzelfde boekenrek nog vijf flacons stonden, waarin hij drie kruisscholieren en twee procureursklerken16bemerkte. „Maar, mijne Heeren, metgezellen in het ongeluk,” riep hij uit, „hoe is het u mogelijk zoo berustend, en zelfs vergenoegd te zijn, gelijk ik aan uw vroolijke gezichten bemerk? Gij zit toch even goed als ik in glazen flacons opgesloten en kunt u nòch bewegen nòch verplaatsen, ja zelfs niet eens iets redelijks uitdenken, zonder dat er een helsch lawaai van klinken en galmen ontstaat en zonder dat het op verschrikkelijke wijze kookt en ruischt in uw hoofd. Maar gij gelooft zeker niet aan den Salamander en de Groene Slang?” „Gij bazelt maarwat, mijnheer de student,” antwoordde een kruisscholier, „nimmer bevonden wij ons beter, dan thans, want de klinkende thalers, die wij van den dwazen archivaris krijgen voor al die zinnelooze copieën, bekomen ons best; wij behoeven nu geen Italiaansche koorgezangen meer uit het hoofd te leeren, iederen dag gaan wij naar Joseph of een andere kroeg, wij laten ons het donkere bier goed smaken, kijken wel eens een lief meisje in de oogen, zingen als echte studenten: „gaudeamus igitur17”en zijn oerfideel.” „De heeren hebben groot gelijk,” viel een procureursklerk in, „ook ik ben rijkelijk van zilveren thalers voorzien, evenals mijn waarde collega hiernaast en bewandel dapper den „Weinberg” inplaats van bij die verwenschte actenschrijverij tusschen vier muren te zitten.” „Maar beste, waarde heeren!” zeide de student Anselmus, „bemerkt gij dan niet, dat gij den een voor den ander in glazen flacons zit en u verplaatsen nòch verroeren kunt, laat staan rondwandelen?” — Toen lachten de kruisscholieren en procureursklerken luid-op en riepen: „die student is gek, hij verbeeldt zich in een glazen flesch te zitten, terwijl hij op de Elbebrug recht in het water staat te kijken. Laat ons toch verder gaan.” „Helaas,” zuchtte de student, „die hebben de lieve Serpentina nooit aanschouwd, die weten niet wat leven en vrijheid in geloof en liefde is, daarom bemerken zij den druk van hun kerker niet, waarin de Salamander hen om hun onverstand, hun oppervlakkige gezindheid heeft gebannen, maar ik, rampzalige, zal vergaan in schande en jammer, als zij, die ik zoo onzegbaar liefheb, mij niet redt.” — Toen waaide zachtkens suizelend Serpentina’s stemme door het vertrek: „Anselmus, geloof, bemin, hoop!” — En iedere toon blonk tot binnen Anselmus kerker, zoodat het kristal voor zijn macht moest wijken en zich verwijden, waardoor de borst van den gevangene zich bewegen, zich uitzetten kon. — Het pijnende van zijn toestand nam voortdurend af en hij begreep, dat Serpentina hem nog liefhad en datzijhet slechts was, die hem het verblijf in het kristal dragelijk maakte. Hij bekommerde zich niet meer om zijn lichtzinnigegenooten in het ongeluk, maar richtte al zijn voelen en denken op de beminnelijke Serpentina. Doch plotseling kwam van de andere zijde een dof, weerzinwekkend gemompel op. Spoedig werd hij duidelijk gewaar, dat dit gemompel afkomstig was van een oude koffiekan met halfgebroken deksel, die tegenover hem op een kastje geplaatst was. Zoodra hij scherper toekeek, ontwikkelden zich steeds meer de stuitende trekken van een oud, verschrompeld vrouwengezicht en weldra stond het appelwijf van de Zwarte Poort voor het boekenrek. Zij grijnsde hem tegen en lachte om hem en riep met schelle gilstem: „Zoo, zoo, kindlief! — moet je hier zoo zitten? — In ’t kristal kwam je ten val! — heb ik dat niet al lang voorspeld?” — „Hoon maar en spot maar, vervloekt heksenwijf,” zeide de student Anselmus, „gij zijt van alles de schuld, doch de Salamander zal u weten te treffen, leelijke beetwortel.” „Wacht even!” antwoordde de oude, „Wees niet zoo hoogmoedig! Mijn zoontjes hebt gij in ’t gelaat geschopt, mij hebt gij den neus verbrand, maar toch ben ik u nog genegen, schelm, omdat gij overigens een welgemanierd mensch waart en mijn kleine dochter ziet u ook gaarne. Maar uit het kristal komt gij nu eenmaal niet, als ik u niet help; ik kan niet tot u omhoogreiken, maar mijn meter, de rat, die vlak over u, gelijkvloers woont, zal het plankje doorknagen, waarop gij staat, dan buitelt gij naar beneden en ik vang u op in mijn schort, zoodat ge uw neus niet stukvalt, doch mooi uw gave gezicht behoudt en ik breng u fluks naar het juffertje Veronica, dat gij zult huwen, zoodra gij hofraad zijt.”

„Laat af van mij, Satansgebroed,” riep de student Anselmus vol verbittering, „uw helsche kunsten alleen hebben mij aangezet tot het misdrijf, waarvoor ik nu boete moet doen. Maar gelaten zal ik alles dragen, want ik kan nergens anders wijlen dan hier, waar de liefste Serpentina mij met liefde troostend omgeeft! — Versta dit oude en vertwijfel! Uw macht zal ik trotseeren, ik bemin Serpentina tot in eeuwigheid — nooit zal ik hofraad worden — nooit Veronica meer zien, die mij door u tot het kwade verleidt! Kan de Groene Slangniet de mijne worden, dan wil ik sterven van smart en verlangen! — Pak je weg, pak je weg, verachtelijk duivelskind!”

Toen lachte de oude, dat het schrilde door het vertrek en riep: „Blijf dan en sterf, voor mij is het tijd aan het werk te gaan, want mijn taak hier omvat nog meer.” — Zij wierp den zwarten mantel af en stond in afgrijzenwekkende naaktheid, toen zwierde zij in kringen rond en groote folianten stortten neer, waaruit zij perkamenten bladen scheurde; die hechtte zij snel tot een kunstig maaksel aaneen, dat zij zich over het lichaam trok en was weldra als in een vreemd, bont, schubbenharnas gekleed. Vonkspattend sprong de zwarte kater uit den inktkoker, die op de schrijftafel stond en huilde de oude tegen, die luid juichte en met hem door de deur verdween. Anselmus zag, dat zij naar het blauwe vertrek waren gegaan en weldra hoorde hij in de verte gesis en gebruis, de vogels in de tuin kreten, de papegaai relde: „help, help, roof, roof.” Op dat oogenblik sprong de oude in de kamer terug, terwijl zij de gouden vaas op den arm droeg en met een afgrijselijk gebaar woest rondkreet: „Ter zege! — ter zege! — zonen — doodt de groene slang! Komt, kinderen. Komt!”

Het was Anselmus als hoorde hij een diep steunen, als hoorde hij Serpentina’s stem. Toen greep ontzetting en wanhoop hem aan. — Hij spande al zijn krachten in, met een geweld of zijn zenuwen en aderen bersten moesten, stiet hij tegen het kristal — daar voer een snijdende toon door het vertrek en de archivaris stond in de deuropening in zijn schitterenden, damasten slaaprok: „Hei, ho! gespuis, dwaas spooksel — heksenmaaksel — hier — vooruit!” Zoo donderde hij. Toen richtten zich de zwarte haren van de oude als stekels op, haar gloeiend-roode oogen glansden vol hellevuur en terwijl zij de puntige tanden in den wijden muil vast opeen beet siste zij: „flink, flink er op los maar, vooruit, vooruit,” en lachte blerrend vol hoon en spot en drukte de gouden vaas vast tegen zich aan en wierp daaruit handenvol glinsteraarde op den archivaris, doch zoodra de aarde den slaaprok raakte, verwerd zij tot neervallende bloemen. Toen flakkerden en vlamden de lelieën van den slaaprok op en de archivarisslingerde de vurig knetter-brandende bloemen naar de heks, die huilde van pijn; doch als zij in de hoogte sprong en het perkamenten harnas schudde, doofden de lelies en vielen tot asch ineen. „Flink aangepakt, jongen,” krijschte de oude en de kater schoot door de lucht en stoof voort naar de deur boven den archivaris, doch de grijze papegaai fladderde hem tegen en greep hem met den krommen snavel in den nek, dat vurig-rood bloed eruit sprong, terwijl Serpentina’s stem riep: „Gered, gered.” De oude wierp zich in opperste woede en wanhoop op den archivaris, de vaas liet zij achter zich en wilde hem in een openspreiding van de lange vingers der dorre handen omklauwen, doch deze rukte haastig den slaaprok af en slingerde die der oude tegen. Toen sisten en spatten en bruisten blauwe knettervlammen uit de perkamenten bladen en de oude wentelde zich in smartgehuil; zij trachtte steeds weer aarde uit de vaas te grijpen, steeds meer perkamenten bladen uit de boeken te bemachtigen, om de flakkerende vlammen te verstikken, want als het haar gelukte zich met aarde of perkamentbladen te bestrooien, doofde het vuur. Doch nu schoten als uit het innerlijk van den archivaris hel-brandende, sissende stralen op de oude neer. „Vooruit, vooruit, dood en verderf, — den Salamander de zege!” daverde de stem van den archivaris door het vertrek en honderden bliksems slingerden zich in kringen van vuur om de krijschende oude. Grommend en stuivend vlogen de kater en de papegaai in woedenden strijd rond, tot eindelijk de papegaai den kater met zijn krachtige vlerken naar den grond sloeg en terwijl hij hem met de klauwen doorspietste en bedwong, zoodat hij in den angst des doods schrikbaarlijk huilde en steunde, reet hij hem met den scherpen snavel de gloeiende oogen uit, dat brandend schuim er in stralen uitspoot. — Een dikke walm welde op, daar waar de neergestorte oude onder den slaaprok lag; haar gehuil, haar doordringend, ontzettend smartgekrijt verklonk in wijde verte. De rook, die zich met doordringenden stank verspreidde, vervloog, de archivaris hief den slaaprok op en daaronder lag een smerige beetwortel. „Hooggeachte Heer Archivaris, hier breng ik uden overwonnen vijand,” sprak de papegaai, terwijl hij archivaris Lindhorst in zijn snavel een zwarte haar overreikte. „Uitstekend, mijn beste,” antwoordde de archivaris, „hier ligt ook mijn overwonnen vijandin, wees zoo goed om nu ook voor het overige te zorgen; vandaag nog schenk ik u als kleine tegemoetkoming zes kokosnoten en een nieuwen bril, want ik zie, dat die schandelijke kater uw glazen gebroken heeft.” „Mijn leven lang zal ik u dienen, hooggeëerde vriend en beschermer!” gaf de papegaai hoogst-voldaan terug, nam den beetwortel in den snavel en fladderde daarmede het raam uit, dat door archivaris Lindhorst geopend was. Deze greep de gouden vaas en riep krachtiglijk: „Serpentina, Serpentina!” — En toen nu de student Anselmus hoogelijk verblijd over den ondergang der verachtelijke vrouw, die hem in het verderf gestort had, den archivaris aanzag, was het wederom de koninklijk-hooge gestalte van den geestenvorst, die hem met onbeschrijflijke goedheid en waardigheid beschouwde. — „Anselmus,” sprak de Koning der geesten, „niet gij, doch slechts een vijandig beginsel, dat vernielend in uw innerlijk trachtte door te dringen en u met uzelf in tweespalt te brengen, was oorzaak van uw ongeloof. — Gij hebt uw trouw bewezen, wees vrij en leef gelukkig.” Een schicht doorschoot Anselmus’ gemoed, de heerlijke drieklank der kristallen klokjes weerklonk sterker en machtiger, dan hij ooit had gehoord — het sidderde door zijn nerven en diepste roerselen — en steeds zwellender daverde het accoord door het vertrek, het kristal, dat Anselmus omsloten hield, sprong en hij wierp zich in de armen der lieflijke, liefste Serpentina.

Conrector Paulmann’s misnoegen over de in zijn gezin uitgebroken verdwazing. — Hoe griffier Heerbrand hofraad werd en bij het vinnigste vriesweder met lage schoenen en zijden kousen rondliep. — Veronica’s bekentenissen. — Een verloving bij de dampende soepterrine.

M („Maar)aarvertel mij toch eens, mijn beste griffier! hoe die vermaledeide punch ons gisteren zoo naar het hoofd kon stijgen en tot allerlei bokkesprongen kon aanzetten?” — Aldus sprak conrector Paulmann toen hij den anderen morgen het vertrek betrad, dat nog vol gebroken scherven lag en in welks midden de ongelukzalige pruik, ontleed in haar oorspronkelijke bestanddeelen, in de punch ronddreef.

Toen de student Anselmus de deur uitgestormd was, laveerden en waggelden conrector Paulmann en griffier Heerbrand door het vertrek, schreeuwend als bezetenen en liepen met de hoofden tegen elkaar, totdat Fransje haar duizeligen vader met veel moeite te bed bracht en de griffier in diepe uitputting op de sofa zakte, die Veronica, in het slaapvertrek gevlucht, had verlaten. Griffier Heerbrand had zijn blauwen zakdoek om het hoofd gewikkeld, hij zag er mat en melancoliek uit en steunde: „Och, beste conrector, niet de punch, die Mejuffer Veronica voortreffelijk heeft toebereid, neen! maar alleen die vervloekte student is de schuld van al die onbetamelijkheid. U begrijpt toch, dat hij al lang mente captus18was? En u weet toch ook wel, dat waanzin aanstekelijk is? — Eén dwaas maakt er vele; dit is — vergeef mij — een oud spreekwoord; in ’t bijzonder, wanneer men een glaasjegedronken heeft, geraakt men licht tot dwaasheden, men manoeuvreert onwillekeurig mede en komt tot het verrichten van de bewegingen, die de krankzinnige vleugelman voordoet. Wilt gij wel gelooven, conrector, dat ik nog duizel, als ik aan den grijzen papegaai denk?” — „Kom, kom,” viel de conrector hem in de rede, „kunsten! — dat was immers het oude, kleine factotum van den archivaris, dat een grijzen mantel had omgeslagen en naar den student Anselmus zocht.” — „Dat kan wel,” hernam de griffier Heerbrand, „maar ik moet bekennen, dat het mij allerellendigst te moede is; heel den langen nacht heb ik zulk vreemd georgel en gepijp gehoord.” — „Dat ben ik geweest,” antwoordde de conrector, „want ik snork erg.” — „Nu, dat kan dan wel,” ging de griffier verder, — „maar conrector, conrector, niet zonder reden was ik er gisteren op uit om ons eenig vermaak te verschaffen — doch Anselmus heeft alles bedorven — gij wéét niet — o conrector, conrector!” Griffier Heerbrand sprong van de sofa af, rukte den doek van het hoofd, omarmde den conrector, drukte hem vurig de hand, riep nog een keer op hartroerenden toon: „o conrector, conrector!” en stormde, terwijl hij hoed en stok greep, heen. „Anselmus komt niet meer over mijn drempel,” sprak conrector Paulmann in zichzelf, „want ik begrijp nu, dat hij met zijn hardnekkigen inwendigen waanzin de beste menschen van hun weinigje verstand berooft; de griffier is er nu ook aan koud — zelf heb ik mij tot dusver nog staande gehouden, maar de duivel, die gisteren in den roes al zoo krachtig aanklopte, zou ten slotte wel kunnen inbreken en dan vrij spel hebben. — Dus, apage Satanas!19— weg met Anselmus!” — Veronica was diep nadenkend geworden, geen woord sprak zij, slechts glimlachte zij bijwijlen op vreemde wijze en bleef liefst alleen. „Dat heeft Anselmus ook op zijn geweten,” zeide de conrector in volheid van toorn, „het is maar goed, dat hij zich in ’t geheel niet laat zien, ik weet wel, dat hij bevreesd is voor mij — Anselmus, en daarom komt hij niet hierheen.” Overluid sprak conrector Paulmann dit laatste en Veronica,die er juist bij was, sprongen de tranen uit de oogen, terwijl zij zuchtte: „Ach, hoe zou Anselmus hier ook kunnen komen, die is toch al lang in de glazen flesch opgesloten.” „Hein, wat?” riep conrector Paulmann. „O God, o God, die bazelt ook al als de griffier, daar komt ook spoedig een uitbarsting. O, vervloekte, ellendige Anselmus!” — Hij stoof in éénen door naar Dr. Eckstein, die glimlachte en weer zeide: „Zoo, zoo.” Hij schreef echter niets voor, doch voegde onder het weggaan aan het weinige, dat hij geuit had nog toe: „Zenuwtoevallen! — moet vanzelf overgaan — in de lucht brengen — gaan wandelen — verstrooiïng — schouwburg — zondagskind — zusters van Praag — zal vanzelf overgaan!”

„Zoo spraakzaam is de dokter zelden,” dacht conrector Paulmann, „hij is zuiver breedsprakig.” — Verscheidene dagen, weken en maanden waren verloopen, sedert Anselmus verdwenen was, doch ook griffier Heerbrand liet zich niet zien, tot op 4 Februari, toen betrad hij in een nieuw costuum van het fijnste laken, in lage schoenen en zijden kousen — ondanks den strengen vorst — met een grooten ruiker levende bloemen in de hand, des middags op slag van twaalven het vertrek van conrector Paulmann, die niet weinig verbaasd was over zijn uitgedosten vriend. Plechtiglijk schreed griffier Heerbrand op conrector Paulmann toe, omarmde hem met uitgezochte hoffelijkheid en sprak toen: „Heden, op den geboortedag van uwe lieve, geachte dochter, mejuffer Veronica, zal ik zonder omwegen alles zeggen, wat mij al lang op het hart lag. Destijds, op dien rampzaligen avond, toen ik deingrediëntenvoor den noodlottigen punch in de zakken van mijn overjas medebracht, was het mijn voornemen, u een blijde tijding te brengen en den vreugdevollen dag vroolijk te vieren, want toen reeds wist ik, dat ik hofraad was geworden, voor welke rangsverhooging ik thans het brevet cum nomine et sigillo principis heb ontvangen en in den zak draag. Doch gij, geachte conrector,” ging de nieuwe hofraad voort, „eerst gij kunt de kroon op mijn geluk zetten. Reeds lang bemin ik in stilte mejuffer Veronica en ik mag mij beroemen op menigen vriendelijken blik, dien zij mij toewierp en die mij duidelijktoonde, dat zij mij zeker niet ongenegen is. Om kort te gaan, geachte conrector! — ik, hofraad Heerbrand, vraag u om de hand van uwe beminnelijke dochter, mejuffer Veronica, die ik, mits gij u niet daartegen verzet, spoedig in eigen huis hoop binnen te leiden.” — Vol verbazing sloeg conrector Paulmann de handen te zamen en riep: „Zoo, zoo, zoo — mijnheer de griff — hofraad, wil ik zeggen, wie had dat kunnen denken! — Ja, als Veronica u waarlijk bemint, heb ik er niets tegen; wellicht is haar zwaarmoedigheid van den laatsten tijd slechts aan heimelijke genegenheid voor u toe te schrijven, geachte hofraad! zulke kuren komen voor.”

In dit oogenblik kwam Veronica binnen, vaal en ontrust, zooals zij in den laatsten tijd altijd was. Toen ging hofraad Heerbrand naar haar toe, bracht in goed gekozen bewoordingen haar geboortedag in herinnering en overhandigde haar den geurigen ruiker alsook een klein pakketje, waaruit haar bij het openen een paar schitterende oorhangers tegenstraalden. Een vluchtig, vliegend rood tintte haar wangen, warmer blonken haar oogen en zij riep uit: „Ach, God, dat zijn dezelfde oorbellen, die ik voor verscheidene weken al droeg en waaraan ik mij zoo verlustigde.” — „Hoe kan dat dan,” viel hofraad Heerbrand haar wat ontsteld en gekwetst in de rede, „want ik heb dit sieraad eerst sedert een uur in de Schlossgasse schandeduur gekocht?” — Doch Veronica luisterde daar niet naar, maar stond al voor den spiegel, om te zien, hoe het kleinood, dat zij reeds in de kleine oortjes had gehangen, haar sierde. Conrector Paulmann deed haar met verdeftigd gelaat op ernstigen toon kond van de rangsverhooging huns vriends Heerbrand en van zijn aanzoek. Veronica zag den hofraad met doordringenden blik aan, zeggende: „Reeds lang wist ik, dat gij mij huwen wildet — Het zij zoo — ik geef u mijn hart en hand, maar tegelijk moet ik u — u beiden namelijk, mijn vader en verloofde, velerlei bekennen, dat mijn geest en gemoed drukt — juist nu, al zou daarbij de soep koud worden, die Fransje, zooals ik zie, juist ter tafel brengt.” Zonder het antwoord van den conrector of den hofraad af te wachten, ofschoon de woorden hun zichtbaarop de lippen lagen, ging Veronica verder: „Dit kunt gij gelooven, beste vader! dat ik Anselmus van ganscher harte liefhad en toen griffier Heerbrand, die thans zelf hofraad geworden is, verzekerde, dat Anselmus het best zoover brengen kon, besloot ik, dat hij en geen ander, mijn man zou worden. Toen scheen het echter, alsof vreemde vijandelijke wezens hem mij ontrukken wilden en ik nam mijn toevlucht tot de oude Lize, die destijds mijn voedster was, doch nu een vroede vrouw, een machtige toovenares is.Zijbeloofde mij hulp te zullen verleenen en mij Anselmus ganschelijk over te leveren. In het middernachtelijk uur bij de dag-en-nachtevening gingen wij naar den Kruisweg, waar zij de helsche geesten bezwoer en met behulp van den zwarten kater wisten wij een kleinen metalen spiegel te vervaardigen, waarin ik — daarbij mijn gedachten op Anselmus richtend — slechts behoefde te zien, om hem naar geest en gemoed geheel te beheerschen. — Doch thans heb ik diep berouw over dit alles en zweer ik alle duivelskunsten af. De Salamander heeft over de oude gezegevierd, ik hoorde haar noodgeschrei, doch er was geen hulp mogelijk; zoodra zij als beetwortel door den papegaai verslonden werd, brak mijn metalen spiegel met een snijdenden toon.” Veronica haalde de beide stukken van den gebroken spiegel en een haarlok uit het naaidoosje en terwijl zij beiden aan den hofraad Heerbrand overhandigde, zeide zij verder nog: „Neem gij, geliefde hofraad, de stukken van den spiegel en werp die hedennacht van de Elbebrug en wel van de plaats, waar het kruis staat, in de rivier, die daar niet is toegevroren; de lok moet gij echter op uwe trouwe borst bewaren. Nogmaals zweer ik alle satanskunsten af en van harte gun ik Anselmus zijn geluk, hem, die thans met de Groene Slang is verbonden, welke veel mooier en rijker is, dan ik. Ik zal u, beminde hofraad, eeren en liefhebben als een rechtschapen vrouw.” — „O, God, o God!” — riep conrector Paulmann smartelijk, „zij is waanzinnig, zij is waanzinnig, nooit kan zij de vrouw van een hofraad worden.” — „Niets daarvan,” viel hofraad Heerbrand in, „ik weet heel goed, dat mejuffer Veronica eenige genegenheid voor dienverwenschten Anselmus heeft gekoesterd en het is mogelijk, dat zij zich wellicht in een zekere overspanning tot de wijze vrouw gewend heeft, die, naar ik begrijp, geen andere kan zijn, dan de kaartlegster en koffiekijkster van de Zwarte Poort — ik meen de oude Rauerin. Nu valt het weliswaar niet te ontkennen, dat er werkelijk geheime kunsten bestaan, die maar al te sterk op de menschen hun invloed oefenen — in de klassieken leest men er al van — doch alles wat mejuffer Veronica over de zegepraal van den Salamander en de verbintenis van Anselmus met de Groene Slang gezegd heeft, is toch zeker maar een dichterlijke allegorie — als het ware een gedicht, waarin zij het afscheid van den student bezong.” „Gij moogt het houden, waarvoor gij wilt, beste hofraad!” kwam Veronica ertusschen „desnoods voor een allerdwaasten droom.” „Dat zal ik in geen geval doen,” gaf hofraad Heerbrand terug, „want ik weet te goed, hoe Anselmus ook door ongekende machten is bevangen, die hem tot allerlei dwaze verrichtingen prikkelen en drijven.” Toen kon conrector Paulmann het niet langer verkroppen en hij barstte uit „Houdt op, houdt in Godsnaam op, hebben wij dan soms weer teveel van dien verdoemden punch gedronken of oefent Anselmus’ waanzin ook oponsinvloed uit? Mijnheer de hofraad, ik zal maar aannemen, dat het de liefde is, die ulieden door het brein spookt en dat gaat in het huwelijk wel over, want anders zou ik moeten vreezen, dat ook gij eenigszins door waanzin bevangen waart en mij dan bezorgd maken vanwege de afstammelingen, die de kwaal der ouders konden erven. — Kom, thans geef ik mijn vaderlijken zegen op de goede verbintenis en sta toe, dat gij elkander als bruid en bruidegom kust.” Dit geschiedde onverwijld en zoo was, voor de opgebrachte soep koud werd, de verloving formeel gesloten. Weinige weken daarna zat de vrouw van hofraad Heerbrand waarlijk, zooals zij zich vroeger reeds in de verbeelding gezien had, in den erker van een prachtig huis op de Nieuwmarkt en keek glimlachend neder op de saletjonkers, die in ’t voorbijgaan met lorgnetbeweeg naar boven zagen en zeiden: „Wat een goddelijke vrouw is toch die van hofraad Heerbrand!” —

Tijding van het riddergoed, dat Anselmus als schoonzoon van Archivaris Lindhorst betrok en hoe hij daar met Serpentina leeft. Besluit.

O („O,), hoe ik in het diepst van mijn gemoedsinnerlijk het hooge geluk medegevoelde van den student Anselmus, die in innigste verbintenis met de beminnelijke Serpentina, thans was heengegaan naar het van geheimenis vervulde, wonderlijke rijk, dat hij als het vaderland herkende, waarnaar zijn van vreemde voorgevoelens overvolle borst zoo lang reeds had gesmacht. Maar alle streven, om u, goedgunstige lezer, de prachten, waardoor Anselmus omgeven was, ook maar flauw in woorden af te beelden, bleef tevergeefs. Met weerzin onderging ik de matheid van elk beeldend woord. Ik gevoelde mij bekneld in de armoede van het kleinzielig gewoonteleven, ik werd krank van kwellende misnoegdheid, als één die droomt sloop ik rond. Kortom, ik geraakte in den toestand van den student Anselmus, dien ik u, genegen lezer, in de vierde nachtwaak beschreef. Ik verkniesde mij, als ik de elf nachtwaken, die ik zonder ongeval ter wereld gebracht had, doorliep en daarbij dacht, dat het mij wel nooit vergund zou zijn, er de twaalfde als sluitsteen aan toe te voegen, want zoo dikwijls ik mij ter nachttijd nederzette, om het werk te voltooien, was het, als hielden bijzonder boosaardige geesten (wellicht waren het verwanten — misschien wel germain-neven van de gedoode heks) mij een blinkend gepolijst stuk metaal voor, waarin ik mijn Zelf zag, mat, nachtbleek en melancholiek, gelijk de griffier Heerbrand na den punch-roes. — Dan wierp ik de pen maar neder en ging haastig te bed, om tenminste vanden gelukkigen Anselmus en de bekoorlijke Serpentina te droomen. Dit had reeds verscheidene dagen en nachten geduurd, toen ik eindelijk geheel onverwachts een mededeeling van archivaris Lindhorst ontving, waarin hij mij het volgende schreef:

Gij hebt, weledelgeboren Heer, zooals mij is bekend geworden, de vreemde ervaringen van mijn beminden schoonzoon, den voormaligen student, thans dichter Anselmus, in elf nachtwaken beschreven en kwelt u er thans zeer mede, om in de twaalfde en laatste nachtwaak iets van zijn gelukkige leven in Atlantis te verhalen, waarheen hij met mijn dochter, naar het aardige riddergoed, dat ik daar bezit, is vertrokken. Ofschoon het mij niet zoo aangenaam is, dat gij mijn eigenlijke wezen voor de lezerswereld hebt opengelegd, daar mij dit misschien in mijn betrekking als geheim-archivaris aan duizenderlei onaangenaamheden zal blootstellen en zelfs in de corporatie wel tot de strijdvraag aanleiding zal geven: in hoeverre een Vuurgeest zich in rechten en wettig aansprakelijk als staatsdienaar door den eed verbinden kan en tot op welke hoogte hem in het algemeen gewichtige aangelegenheden kunnen toevertrouwd worden, daar volgens Gabalis en Swedenborg elementairgeesten in geenen deele te vertrouwen zijn — ofschoon mijn beste vrienden thans mijn omarming mijden zullen, uit vrees, dat ik in plotsen overmoed eens wat bliksemen mocht en hun den haartooi of den Zondagschen jas bederven zou — niettegenstaande dit alles, herzeg ik, wil ik u, WelEd.Geboren Heer, toch bij de voltooiing van het werk behulpzaam zijn, aangezien daarin veel goeds over mij en mijn lieve, gehuwde dochter (was ik de beide anderen ook maar kwijt) vervat is. Indien u dus de twaalfde nachtwaak wilt schrijven, daal dan voor den drommel uw vijf trappen af, verlaat uw vertrekje en kom tot mij. In het blauwe palmboomenvertrek, dat gij reeds kent, zult gij het noodige schrijfgerei vinden en met weinige woorden zult gij den lezers dan kunnen verhalen, wat gij gezien hebt; dit zal hun welkomer zijn, dan de langwijligebeschrijving van een leven, dat gij toch maar van hooren-zeggen kent.Met achting,Uw WelEd.Geborens dw.Salamander Lindhorst.p.t.20Koninkl. Arch. in bijzonderen Dienst.

Gij hebt, weledelgeboren Heer, zooals mij is bekend geworden, de vreemde ervaringen van mijn beminden schoonzoon, den voormaligen student, thans dichter Anselmus, in elf nachtwaken beschreven en kwelt u er thans zeer mede, om in de twaalfde en laatste nachtwaak iets van zijn gelukkige leven in Atlantis te verhalen, waarheen hij met mijn dochter, naar het aardige riddergoed, dat ik daar bezit, is vertrokken. Ofschoon het mij niet zoo aangenaam is, dat gij mijn eigenlijke wezen voor de lezerswereld hebt opengelegd, daar mij dit misschien in mijn betrekking als geheim-archivaris aan duizenderlei onaangenaamheden zal blootstellen en zelfs in de corporatie wel tot de strijdvraag aanleiding zal geven: in hoeverre een Vuurgeest zich in rechten en wettig aansprakelijk als staatsdienaar door den eed verbinden kan en tot op welke hoogte hem in het algemeen gewichtige aangelegenheden kunnen toevertrouwd worden, daar volgens Gabalis en Swedenborg elementairgeesten in geenen deele te vertrouwen zijn — ofschoon mijn beste vrienden thans mijn omarming mijden zullen, uit vrees, dat ik in plotsen overmoed eens wat bliksemen mocht en hun den haartooi of den Zondagschen jas bederven zou — niettegenstaande dit alles, herzeg ik, wil ik u, WelEd.Geboren Heer, toch bij de voltooiing van het werk behulpzaam zijn, aangezien daarin veel goeds over mij en mijn lieve, gehuwde dochter (was ik de beide anderen ook maar kwijt) vervat is. Indien u dus de twaalfde nachtwaak wilt schrijven, daal dan voor den drommel uw vijf trappen af, verlaat uw vertrekje en kom tot mij. In het blauwe palmboomenvertrek, dat gij reeds kent, zult gij het noodige schrijfgerei vinden en met weinige woorden zult gij den lezers dan kunnen verhalen, wat gij gezien hebt; dit zal hun welkomer zijn, dan de langwijligebeschrijving van een leven, dat gij toch maar van hooren-zeggen kent.

Met achting,

Uw WelEd.Geborens dw.

Salamander Lindhorst.

p.t.20Koninkl. Arch. in bijzonderen Dienst.

„Dit weliswaar wat ongelikte, maar toch vriendelijk bedoelde schrijven van archivaris Lindhorst was mij hoogst aangenaam. Wel scheen het zeker, dat de wonderlijke oude van de vreemde wijze, waarop mij de lotgevallen van zijn schoonzoon ter kennis waren gekomen — en die ik, zelf tot geheimhouding verplicht, zelfs u, goedgunstige lezer, verzwijgen moest —, volkomen op de hoogte was, doch hij had dit niet zoo kwalijk opgenomen, als ik had moeten vreezen. Zelfs bood hij mij de behulpzame hand, om mijn werk te voltooien en daaruit durfde ik met recht besluiten, hoe hij het in den grond der zaak gaarne zag, dat zijn wonderbaarlijk bestaan in de geestenwereld door de pers bekend werd. Het is wel mogelijk, dacht ik, dat hij zelf daaruit de hoop put, zooveel te eerder zijn beide overgebleven dochters aan den man te brengen, want allicht valt er een vonkje in de borst van dezen of genen jongeling, dat het verlangen naar de Groene Slang ontsteekt, welke hij dan in het vlierboschje op Hemelvaartsdag zoeken gaat en vindt. Uit het leed, dat Anselmus getroffen had, toen hij in de glazen flesch werd gebannen, zal hij dan waarschuwing putten, zich voor elken twijfel, voor ieder ongeloof zeer ernstig te hoeden. Met het slaan van elven doofde ik mijn studeerlamp en ging behoedzaam naar archivaris Lindhorst, die mij reeds in het voorhuis wachtte. „Zijt gij daar, zeer geachte Heer, welaan, het doet mij genoegen, dat gij mijn goede bedoelingen niet miskent — wilt u maar binnenkomen.” — En tegelijk leidde hij mij door den van verblindenden glans vervulden tuin naar het azuurblauwe vertrek, waarin ik de violetteschrijftafel ontwaarde, waaraan Anselmus had gewerkt. — Archivaris Lindhorst verdween, doch verscheen dadelijk weer met een prachtigen gouden bokaal in de hand, waaruit een blauwe vlam hoog opknetterde. „Hier,” sprak hij, breng ik u den lievelingsdrank van uw vriend, den kapelmeester Johannes Kreisler.21— Dit is brandende arak, waarin ik wat suiker heb gedaan. Drink een weinig daaruit, dadelijk zal ik mij van mijn slaaprok ontdoen, èn tot eigen vermaak èn ook om, terwijl gij daar zit te kijken en te schrijven, van uw geacht gezelschap te genieten, in den bokaal op en neder gaan. „Geheel zooals u wilt, geachte Heer archivaris,” gaf ik ten antwoord, maar als ik van den drank zal gebruiken, zult gij toch niet.... „Wees maar niet bezorgd, mijn beste,” riep de archivaris, wierp snel zijn slaaprok af, stapte tot mijn niet geringe verbazing in den bokaal en verdween in de vlammen. — Zonder blooheid proefde ik, terwijl ik zacht de vlam wegademde van den drank; hij was prachtig! —

„Roeren zich daar in suizeling teeder en met ruischen de smaragdene blaadren der palmboomen, als gestreeld door den adem des morgenwinds? Opkomend uit den slaap heffen zij zich en bewegen en fluisteren geheimzinnig van de wonderen, die zalige harptonen als uit verre verte verkonden. — Van de wanden zinkt het azuur en golft als een geurigen damp op en neder, doch verblindende stralen doorschieten den damp, die zich als in kinderlijk-juichende blijheid wentelt en draait en opstijgt tot de onmetelijke hoogte, welke boven de palmboomen zich welft. — En steeds verblindender hoopt straal op straal zich, tot in hellen zonneglans de onafzienbare wering opdoemt, binnen dewelke ik Anselmus aanschouw. Gloeiende hyacinthen en tulpen en rozen heffen haar schoone hoofden en heur geuren zeggen den Gelukzalige in lieflijke klanken: „Woon, o woon met ons, geliefde, gij, die ons verstaat — ons geuren is het zachte-smachten der liefde — wij minnen u en behooren u eeuwiglijk! — De goudenestralen branden in felle tonen: vuur zijn wij, door de liefde ontstoken. — De geur is het stille smachten, doch het verlangen is vuur; wonen wij dan niet in uw borst? Wij zijn toch deel van u!” Nu ritselen en ruischen de donkere bosschages — de hooge boomen: „Kom tot òns! Gelukzalige — Beminde! — Het verlangen is vuur, doch hoop onze koele schaduw! liefkoozend suizelen wij om uw hoofd, want gij verstaat ons, omdat de liefde uw boezembewoont.” Bronnenen beekjes borrelen en klateren: „Beminde, ga niet zoo snel voorbij, zie in ons kristal, — uw beeld leeft in ons, minnend bewaren wij het, want gij hebt ons verstaan!” — In jubileerende koren zingen en kwetteren kleine bonte vogelen. „Hoor naar ons, hoor naar ons, wij zijn de vreugde, de zaligheid, de verrukking der liefde!” — Doch smachtend ziet Anselmus uit naar den heerlijken tempel, die zich ver in de verte verheft. Boomen schijnen de kunstige zuilen en de kapiteelen en kroonlijsten, acanthusbladeren, die door wondervolle windingen en figuren een luisterrijke versiering vormen. Anselmus schrijdt op den tempel toe, met innerlijke vervoering beschouwt hij het bonte marmer, de vreemdaardig bemoste treden. „O neen,” roept hij als in een overvloeiïng van verrukking, „zij kan niet ver meer zijn!” Daar treedt in hooge schoonheid en rankheid Serpentina uit het binnenste van den tempel; zij draagt de gouden vaas, waaruit een heerlijke lelie is ontsproten. De onzegbare vervoering van het eindeloos verlangen brandt in de bezaligende oogen; zoo ziet zij Anselmus aan, zeggende: „Mijn geliefde! de lelie heeft haar kelk ontsloten — het hoogste is vervuld, kan er een zaligheid zijn, die de onze nabij komt?” Anselmus omvat haar met de vurigheid van het hevigst verlangen — met stralende vlammen brandt de lelie boven zijn hoofd. En luider roeren zich boomen en bosschages, klaarder en vreugderijker juichen de bronnen — vogels — allerlei bonte insecten dansen in duizellucht — een jubileerend gewoel in de lucht — in de wateren — op aarde viert liefde feest.

„Alom schichten bliksems lichtend door de bosschages — diamanten zien als vonkende oogen uit de aarde! — hoogespringbeken stralen uit de bronnen — vreemde reuken waaien met ruischenden vleugelslag over — het zijn de geesten der elementen, die de lelie huldigen en Anselmus’ geluk verkonden. — Daar heft Anselmus het hoofd als door de glansstraling eener verheerlijking omstroomd. — Zijn het blikken? — Zijn het woorden? — is het een zingen? — Duidelijk klinkt het: „Serpentina, het geloof aan u, de liefde heeft mij de ziel der natuur ontsloten! De lelie bracht gij mij, die uit het goud, uit de oerkracht der aarde kiemde, nog aleer Phosphorus de gedachte ontstak, — zij is het begrip van de heilige harmonie aller wezens en door dit begrip zal ik eeuwiglijk leven in opperst geluk. Ja, ik hoogbegenadigde heb het Allerhoogste verstaan — eeuwiglijk zal ik u minnen, Serpentina, — nimmer verbleeken de gouden stralen der lelie, want eeuwig als Geloof en Liefde is het Begrip.” —

„Het visioen, waarin ik Anselmus waarachtiglijk op zijn riddergoed in Atlantis aanschouwde, dankte ik louter aan de Kunst van den Vuurgeest en een verrukking was het, toen ik het — nadat alles als in nevel gevloden was — op het papier ter violette tafel, keuriglijk en oogenschijnlijk door mij zelf nedergeschreven, wedervond. — Doch nu werd ik door beten van smart gekweld en vaneengereten. O gij gelukkige Anselmus, die daar den druk des dagelijkschen levens hebt afgeworpen en in liefde tot de bekoorlijke Serpentina krachtig uw vleugels uitslaat en nu in geluk en vreugde woont op uw riddergoed in Atlantis! Dan ik, arme! — weldra — in weinige minuten zal ik zelfs uit deze heerlijke zaal, die nog làng geen riddergoed in Atlantis is, verplaatst zijn naar mijn dakkamertje, de armtierigheden van het kommervolle leven bevangen mijn geest en mijn blik wordt door opeenhooping van ellende als door dichten nevel omhuld, zoodat ik wel nooit de lelie aanschouwen zal!”

Toen klopte archivaris Lindhorst mij zacht op den schouder en zeide: „Sst, sst, mijn beste, zóó moogt gij niet klagen! — Zijt gij dan zooeven niet zelf in Atlantis geweest en ligtdaar voor u niet minstens een bekoorlijke meierij als dichterlijke bezitting van uw geestesinnerlijk? Wat is Anselmus’ zaligheid in wezen anders dan het leven in de schoonheid, waaraan zich de heilige harmonie van al het bestaande als opperste geheimenis der Natuur openbaart?”

1.Tabak.

2.Eigenlijk een student, die in een der voorsteden van een academiestad woont.

3.Scandinavische knaagdieren, die bij hun massatochten hun weg recht vooruit nemen zonder op de omgeving te letten.

4.eigenlijk: doodenbezweerder.

5.dag-en-nachtevening.

6.een langstaartige apensoort uit de oude wereld (Cercopi thecidae)

7.een staarteloos knaagdier (Cavia).

8.vuurgeest.

9.Bhagavad Gitâ.... geschriften van Hindoesche wijsheid.

10.kleed, dat men zich in dien tijd bij het haarpoederen omsloeg.

11.Steenuil, nachtuil.

12.toespeling op vader Schuhu uit het achtste hoofdstuk.

13.de oude „vrouw” n.l.

14.uitroep van smart = O, ach (Plautus)

15.juichkreet der Bacchanten = „dat het hem welga.”

16.in dit geval „volontairs.”

17.„Daarom laat ons vroolijk zijn” (begin van een studentenlied).

18.waanzinnig, zonder verstand.

19.Achteruit of weg van mij, Satan.

20.pleno titulo.... met vollen titel.

21.De gedenkschriften van Johannes Kreisler vormen een der merkwaardigste werken van Hoffmann.

[Omslag- en titeltekst]OmslagE. T. A. HoffmannDe Gouden VaasEen Sprookje Uit Den Nieuwen TijdVertaling Karel WaschWereldbibliotheek(Tekst „wereld” gedeeltelijk verborgen door bibliotheek sticker.)Titel 1Wereld BibliotheekOnder leiding van L. SimonsBoeken Zijn DeUniversiteitOnzer Dagen.Uitgegeven DoorDe Maatschappij Voor Goede EnGoedkoope Lectuur · AmsterdamTitel 2E. T. A. HoffmannDe Gouden VaasEen Sprookje Uit Den Nieuwen TijdVertaling Karel Wasch


Back to IndexNext