St. Niklasawen,denn geit wi nâ baben,denn klingelt de klokken,denn danzen de poppen.(Mannhardt, l. l., p. 327 Aanm. 2).
St. Niklasawen,denn geit wi nâ baben,denn klingelt de klokken,denn danzen de poppen.
(Mannhardt, l. l., p. 327 Aanm. 2).
Zoo zingt men te Friedrichstadt a/d Eider. De komst van Sinterklaas wordt door belgeklingel aangekondigd. Knapen doen dit reeds eene week te voren in het kanton Bern(187); in Hohenzollern trekken op den vooravond van het feest, mannen en vrouwen, z. g.Niclause, onder ketting- en belgerinkel door de straten(188); in het kanton Unterwalden gaat eenige dagen te voren een als hanstworst gekleed manSamichlausen-Geiggelgenaamd, met bellen van huis tot huis(189).
Dat de bel den Heilige ook in ons land niet vreemd is, blijk uit het volgende rijmpje:
Sint Niclaes Bisschop, goed heylich man,Wil je wat in mijn schoentje geven, God loont u dan,Geefftemen een beursmet bellen(190),Soo sal ickje niet meer quellen,So langhe als het God geliefft,Heb ik Sinte Niclaesje lieff(191).
Sint Niclaes Bisschop, goed heylich man,Wil je wat in mijn schoentje geven, God loont u dan,Geefftemen een beursmet bellen(190),Soo sal ickje niet meer quellen,So langhe als het God geliefft,Heb ik Sinte Niclaesje lieff(191).
Maar in den Dantziger Werder is de bel een attribuut van den Zaligmaker;daarhoort men:
Heilige Krist du gôde mann,trek dîn besten tabbert an(192),komm veer onse deer,klinger ons wat veer(193).
Heilige Krist du gôde mann,trek dîn besten tabbert an(192),komm veer onse deer,klinger ons wat veer(193).
Vandaar dat het Kerstkind ook de benaming vanKlinggeest(194)enKlingjes(195)draagt. Ook in den Elzas en in het Bohemerwoud kondigt het Kerstkind Zijne komst door het luiden eener zilveren klok aan(196). Maar het is toch vooral de in pels en erwtenstroo gehuldigde gedaante, waarvan op blz.35sprake was—Ruprecht, Clasof anders geheeten—die met bellen en ketenen behangen optreedt. Te St. Vith (Rijnprovincie) is Hans Muff van bellen voorzien(197); inMecklenburgheet de SchimmelrijderKlingklas(198); klokjes en belletjes draagt ookAschenklas(199). In het Noorden treden de Joelbokken met schelletjes op(200).
Mijns inziens is de bel evenals het roetgezicht denhuisgeesteigen; niet van Wôdan maar van den kant der elfen gewerd Sinterklaas dit attribuut; Wôdan is trouwens deElfenkönigofEllenkönig(201). EenPück(kobold), zoo verhaalt Ern. Joach. Westphal(202), diende dertig volle jaren bij de monniken van een klooster in Mecklenburg, in keuken, stal en elders. Tot loon bedong hij:tunicam de diversis coloribus et tintinnabulis plenam(203). In Schotland huisde eertijds een kobold, die den naam vanShellycoatdroeg; ook de dwergen der Middeleeuwen hielden veel van bellen; de bellen aan het pak van den hofnar pleiten voor zijn verwantschap met den lustigen huisgeest(204).
Ook de op verschillende tijden en onder verschillende benamingen zich voordoende vertegenwoordiger van den woudgeest—Grüner Georg,Pfingstl,Pfigstbutz, enz.—vertoont een roetgezicht en rinkelt met eene koeschel(205).Gedurende deRauchnächteloopen dePerchtelnmetkoeschellenenlange zweepenrond; op Kerstavond loopen op vele plaatsen van Duitschland knapen met riemen vol koeschellen door het dorp; op Donderdag vóór Vastenavond bestaat plaatselijk de vermomming hoofdzakelijk uit een bedlaken, eene hanenveder, en een riem met paardenschellen(206). De bel schijnt dus tevens met de vruchtbaarheid in verband te staan, wat verder nog o. a. hieruit blijkt, dat in het Beneden-Inndal de jongelieden bij het begin der lente „das Gras ausläuten”, d. i. met bellen het veld doorkruisen, om den groei van het gras te bevorderen; en in de Vingstau den 22sten Februari de jeugd, met groote bellen en koeklokken omhangen, van huis tot huis gaat: dit noemt men „den Langas (lente) wecken”(207).
Uit dusdanige feiten trekt Mannhardt het besluit(208), „dass Glocke und Schelle zur ursprünglichen Darstellung des Wachstumsgeistes gehörten und eine notwendige Seite seines Wesens andeuten sollten”. Kon de huisgeest alsgeestzich anderszins kenbaar maken, zoo b. v. door te suisen, te sissen, te fluiten, te rammelen met ketens, of door het homerischeτρίζειν—de taal der geesten in het algemeen—bel en klok zijn hem wel als daemon der vruchtbaarheid eigen.
Decoratieve illustratie
Ein Schatten schleichet um das Haus,Und horch, welch Kettengeklirre!Fürwahr das ist Sanct Nicolaus,Das Ruthen-Männlein von Myra.(Schnell, l. l., I, p. 15).
Ein Schatten schleichet um das Haus,Und horch, welch Kettengeklirre!Fürwahr das ist Sanct Nicolaus,Das Ruthen-Männlein von Myra.
(Schnell, l. l., I, p. 15).
Een enkel woord ook over de roede of gard. Sinterklaas, St. Maarten,Ruprechten diens varianten, alle die persoonlijkheden, welke geschenken uitdeelen, zijn ook gewapendmet het bewuste tuchtmiddel, waarvoor men de kinderwereld zulk een heilzaam ontzag weet in te boezemen. Gewoonlijk is dezer roede vanberkenhout; in Tirol vindt men de hazelaarsgard, met welke deButzemann, behoorlijk in erwtenstroo gewikkeld, alwie hij op zijn weg ontmoet onmeedoogend kastijdt(209). In Zwitserland draagt de H. Nikolaas plaatselijk een opgesmukt boompje, in Hamburg voorheen een groene twijg(210). Hiermee komt de z. g.Martinsgerteovereen, die de Beiersche herder den 10den November zijn meester ter hand stelt: achter krib of staldeur gestoken schut zij gedurende den winter het vee tegen alle onheil, en in de lente drijft men er de koeien mee naar de weide. Hierbij bedient men zich in Etzendorf (Beieren) van de volgende spreuk:
Kommt der heilig St. Märten (Mirte)Mit seiner Gerten;Soviel Kranewitbeeren,Soviel Ochsen und Stiere.Soviel Zweige, soviel Fuder Heu!Steckt sie hinter den Kühbarn,So wird auf's Jahr keine Kuh verloren,Und steckt sie hinter die Stalltür,Treibt sie auf's Jahr mit Freuden herfür.
Kommt der heilig St. Märten (Mirte)Mit seiner Gerten;Soviel Kranewitbeeren,Soviel Ochsen und Stiere.Soviel Zweige, soviel Fuder Heu!Steckt sie hinter den Kühbarn,So wird auf's Jahr keine Kuh verloren,Und steckt sie hinter die Stalltür,Treibt sie auf's Jahr mit Freuden herfür.
En in Beneden-Oostenrijk:
Kommt der Sanct Mirt mit seiner Ruten;Soviel als die Rute Zweige hat,Soviel soll auch der Bauer Vieh haben.Nehmt ihr die Ruten in eure Hand,Steckt ihr 's wol auf ober der Wand,Wol hinter das Dach,Am Sankt GregoriustagTreibt das arme Vieh aus,Durch alle Engeln aus(211).
Kommt der Sanct Mirt mit seiner Ruten;Soviel als die Rute Zweige hat,Soviel soll auch der Bauer Vieh haben.Nehmt ihr die Ruten in eure Hand,Steckt ihr 's wol auf ober der Wand,Wol hinter das Dach,Am Sankt GregoriustagTreibt das arme Vieh aus,Durch alle Engeln aus(211).
Blijkbaar staat deze twijg met de vruchtbaarheid in verband, en is haar elke verhouding tot eene tuchtroede vreemd.Hetzelfde kan gezegd worden van de zweepen derPerchteln(212)en der boerenknapen, die te Mähren (Oostenrijk) op den vooravond van Sinterklaas door de velden trekken(213). Zou dus de meening van Tille(214)het ware treffen, volgens welke de levens- en vruchtbaarbeidsroede van Sinterklaas door het Protestantisme tot ware slagroede, tot strafinstrument, tot plak hervormd is? Dan waren de bordjes verhangen, en zou men den juisten toestand nog b. v. in de Orlagau aantreffen, waar de kinderen op den derden Kerstdag hunne ouders en peetooms met rozemarijnstengels slaan, terwijl ze roepen:
Frisches Grün! Langes Leben!Ihr sollt mir 'n blanken Taler (Nüsse u. s. w.) geben(215).
Frisches Grün! Langes Leben!Ihr sollt mir 'n blanken Taler (Nüsse u. s. w.) geben(215).
De feestdag der Onnoozele Kinderen heet in ZwabenPfeffertag, wijl dan de kinderen met roeden of groene twijgen door de straten trekken, de voorbijgangers slagen toedienen en de huizen binnendringen, om appelen, noten en peperkoek te eischen. Bij Lichtefels (Beieren) slaan de jongens de meisjes met rozemarijnstengels, alzeggend:
Da komme ich her getretenmit meiner frischen Gerten,mit meinem frischen Mut.Schmeckt der Pfeffertag gut?(216)
Da komme ich her getretenmit meiner frischen Gerten,mit meinem frischen Mut.Schmeckt der Pfeffertag gut?(216)
Wat hiervan zijn moge, het blijft onze innigste wensch, dat de afstraffing, door Dr. Brom aan Joës a Leydis met de roede van Sinterklaas toegediend, een „slag met de levensroede” moge geweest zijn!
Decoratieve illustratie
En nu de gevolgtrekking: dat de oorsprong van het Sinterklaasfeest uitsluitend in het heidendom te zoeken is? Geen haar op mijn hoofd, dat er aan denkt. Trouwens, noch Dr. Brom, noch andere „mannen van naam en groote kennis”, die men „helaas ook in ons eigen vaderland” dezelfde meening vindt toegedaan, hebben ooit iets dergelijks beweerd. Dit echter meen ik uit het bijgebrachte materiaal te mogen besluiten:
De zuiver wetenschappelijke, IN CASU Folkloristische stelling, dat sommige volksvoorstellingen en volksgebruiken, die heden ten dage met de feestviering van den H. Nikolaas in verband staan, door het volk van heidenschen op kristelijken bodem zijn overgebracht, kan door eene menigte van feiten worden gestaafd.
Niet dat ik deze meening aan iemand zou willen opdringen, aan een Joës a Leydis het allerminst; maar men verkettere dan ook niet hen, die haar mochten zijn toegedaan, men betitele hen niet als napraters van Renan en Faustus den Manicheër! De eer der Kerk zal evenzeer gehandhaafd blijven, ook al mochten knecht en paard en gard den Heiligen Nikolaas definitief worden ontzegd! En wat de grootheid van Myra's bisschop betreft—op zuiver historische gronden niet genoegzaam gewaarborgd, straalt zij ons schitterend tegen van de hooge eereplaats af, die de verheven kindervriend in het Folklore inneemt. Zijne attributen mogen van kristelijken of van heidenschen oorsprong zijn, dit ééne staat vast: de H. Nikolaas zou de groote rol, die hij in de volksvereeringspeelt, niet hebben verworven, zou het aureool van populariteit niet om zijne slapen gevlochten hebben, ware hij niet werkelijk groot geweest in de oogen van het kristelijke volk.
Blijven aldus de eer van Gods Kerk, de grootheid Zijns lieven Heiligen ongerept, zou het dan niet verkieslijker zijn, in vrije geschillen als dit den moker te laten rusten, opdat het vertrouwen in den kampioen niet geschokt worde, wanneer ter verdediging van 's Heerenwareglorie, ter bestrijding vanwezenlijkedwaalbegrippen het slagzwaard dient te worden opgevat?
(187)Schnell, l. l., I, p. 95.
(187)Schnell, l. l., I, p. 95.
(188)Schnell, l. l., I, p. 22.
(188)Schnell, l. l., I, p. 22.
(189)Schnell, l. l., I, p. 73.
(189)Schnell, l. l., I, p. 73.
(190)Wij kursiveeren.
(190)Wij kursiveeren.
(191)Eelcoo Verwijs, l. l., p. 73.
(191)Eelcoo Verwijs, l. l., p. 73.
(192)VolgensJ. A. Leydisstelt de tabberd het pallium voor!
(192)VolgensJ. A. Leydisstelt de tabberd het pallium voor!
(193)Mannhardt, l. l., p. 327 Aanm. 2.
(193)Mannhardt, l. l., p. 327 Aanm. 2.
(194)Mannhardt, l. l., p. 326.
(194)Mannhardt, l. l., p. 326.
(195)Bartsch, l. l., II, p. 224.
(195)Bartsch, l. l., II, p. 224.
(196)v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., pp. 446, 453.
(196)v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., pp. 446, 453.
(197)Schnell, l. l., I, p. 61.
(197)Schnell, l. l., I, p. 61.
(198)Bartsch, l. l., II, p. 324.
(198)Bartsch, l. l., II, p. 324.
(199)v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., p. 448.
(199)v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., p. 448.
(200)Meyer, l. l., p. 218.
(200)Meyer, l. l., p. 218.
(201)van den Gheyn, l. l., p. 115 vlg.
(201)van den Gheyn, l. l., p. 115 vlg.
(202)BijGrimm, l. l., I, pp. 423, 424.
(202)BijGrimm, l. l., I, pp. 423, 424.
(203)Een veelkleurig kleed vol bellen.
(203)Een veelkleurig kleed vol bellen.
(204)Grimm, l. l., I, pp. 385, 424; III, p. 148.
(204)Grimm, l. l., I, pp. 385, 424; III, p. 148.
(205)Mannhardt, l. l., p. 608.
(205)Mannhardt, l. l., p. 608.
(206)Mannhardt, l. l., pp. 542, 543.
(206)Mannhardt, l. l., pp. 542, 543.
(207)Mannhardt, l. l., p. 540.
(207)Mannhardt, l. l., p. 540.
(208)L. L., p. 327.
(208)L. L., p. 327.
(209)Mannhardt, l. l., p. 269.
(209)Mannhardt, l. l., p. 269.
(210)Tille, l. l., pp. 130, 131.
(210)Tille, l. l., pp. 130, 131.
(211)Mannhardt, l. l., pp. 273, 274; vgl.Meyer, l. l., p. 254.
(211)Mannhardt, l. l., pp. 273, 274; vgl.Meyer, l. l., p. 254.
(212)Ziep. 41.
(212)Ziep. 41.
(213)Vernaleken, l. l., pp. 285, 286.
(213)Vernaleken, l. l., pp. 285, 286.
(214)L. L., p. 195et passim.
(214)L. L., p. 195et passim.
(215)Mannhardt, l. l., p. 265;Tille, l. l., p. 196. Mannhardt vooral heeft over dit onderwerp in zijnBaumkultusonder den titel van: „Der Schlag mit der Lebensrute” eene meesterlijk gedachte en keurig uitgewerkte verhandeling geleverd. Dat de daar besproken gebruiken met de gard van Sinterklaas zouden samenhangen is eenezuivere hypothese, en we geven ze dan ook slechts als zoodanig. Men vergelijke nog een feestgebruik derLupercalia, te Rome den 15den Februari gevierd. Naar den schijn te oordeelen was het slaan met riemen, dat deLupercizich tegenover de Romeinsche vrouwen veroorloofden, eene tuchtiging; en toch stond dit gebruik veeleer met de vruchtbaarheid in verband (Jordan-Preller, l. l., p. 390), zoodat de vrouwen denLuperciszelfs den weg versperden, om zich in de vlakke hand te doen treffen. Vgl.Juv.,Sat.II, v. 14:Nec prodest agili palmas præbere luperco.En het baat niet den vluggen Lupercus de vlakke hand te bieden.
(215)Mannhardt, l. l., p. 265;Tille, l. l., p. 196. Mannhardt vooral heeft over dit onderwerp in zijnBaumkultusonder den titel van: „Der Schlag mit der Lebensrute” eene meesterlijk gedachte en keurig uitgewerkte verhandeling geleverd. Dat de daar besproken gebruiken met de gard van Sinterklaas zouden samenhangen is eenezuivere hypothese, en we geven ze dan ook slechts als zoodanig. Men vergelijke nog een feestgebruik derLupercalia, te Rome den 15den Februari gevierd. Naar den schijn te oordeelen was het slaan met riemen, dat deLupercizich tegenover de Romeinsche vrouwen veroorloofden, eene tuchtiging; en toch stond dit gebruik veeleer met de vruchtbaarheid in verband (Jordan-Preller, l. l., p. 390), zoodat de vrouwen denLuperciszelfs den weg versperden, om zich in de vlakke hand te doen treffen. Vgl.Juv.,Sat.II, v. 14:
Nec prodest agili palmas præbere luperco.En het baat niet den vluggen Lupercus de vlakke hand te bieden.
Nec prodest agili palmas præbere luperco.En het baat niet den vluggen Lupercus de vlakke hand te bieden.
(216)v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., p. 467.
(216)v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., p. 467.
Decoratieve illustratie
Decoratieve illustratie
Decoratieve illustratie
Overzicht aangebrachte correctiesDe volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:PlaatsBronCorrectieBlz. 4FokloristenFolkloristenBlz. 7bijgeoofbijgeloofBlz. 8dichstedichtsteBlz. 8slechtslechtsBlz. 9[Niet in Bron.]”Blz. 10 (voetnoot)JacorJacobBlz. 11volwassenvolwassenenBlz. 12[Niet in Bron.]”Blz. 13 (voetnoot)252232Blz. 14 (voetnoot),.Blz. 14 (voetnoot)gezondengezongenBlz. 14 (voetnoot)11711Blz. 14 (voetnoot),.Blz. 16,.Blz. 16MogMogtBlz. 16toentoeBlz. 16 (voetnoot),.Blz. 20 (voetnoot)[Niet in Bron.]v.Blz. 22auführtanführtBlz. 23 (voetnoot)[Niet in Bron.].Blz. 24 (voetnoot)ilBlz. 26 (voetnoot)Vern alekenVernalekenBlz. 27StaffordhireStaffordshireBlz. 28 (voetnoot)[Niet in Bron.].Blz. 29[Niet in Bron.].Blz. 30 (voetnoot)EelcoEelcooBlz. 30 (voetnoot)[Niet in Bron.].Blz. 33attribubutenattributenBlz. 33 (voetnoot)[Niet in Bron.]-Blz. 33 (voetnoot)12923Blz. 34 (voetnoot)313Blz. 34[Niet in Bron.].Blz. 35kwaad aardigekwaadaardigeBlz. 35 (voetnoot)[Niet in Bron.].Blz. 36 (voetnoot)[Niet in Bron.].Blz. 36 (voetnoot)[Niet in Bron.].Blz. 38derdenBlz. 36 (voetnoot)14034Blz. 37 (voetnoot)13327Blz. 38 (voetnoot)[Niet in Bron.].Blz. 39daartdaarBlz. 4014235Blz. 40MeckenburgMecklenburgBlz. 40 (voetnoot)[Niet in Bron.].Blz. 43zeggenzeggendBlz. 43 (voetnoot)[Niet in Bron.].Blz. 43 (voetnoot)[Niet in Bron.],
De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst: