Chapter 7

frame bottom

DIÁBOLUS VERSLAGEN.

DIÁBOLUS VERSLAGEN.

frame top

Het werd nu ook weldra bekend in de stad hoe het huis van den ouden griffier was ingenomen, zijne kamers allen waren bezet en zijn paleis tot een oorlogstuighuis gemaakt. En zoodra verspreidde dit gerucht zich niet naar buiten of allen waren zeer ontsteld. Ieder deelde dit bericht aan zijne vrienden mede, en evenals een sneeuwbal bij het rollen niet verliest, zoo was binnen korten tijd de stad er mede vervuld, en ieder meende, dat men van den prins niets anders te verwachten had dan verderf en ondergang. De oorzaak hiervan was, dat de griffier maar voortdurend beefde en de kapiteins alles voor hem bedekt hielden. Dit maakte ook, dat menigeen kwam aanloopen om het met eigen oog te zien. Maar wanneer zij dan de kapiteins in het paleis zagen en de stormrammen spelende op de poorten van het kasteel om die omver te stooten, zoo werden zij nog meer ontsteld. En zooals ik zeide, de eigenaar van het huis maakte dit alarm niet minder, want al wie bij hem kwam en met hem sprak, verhaalde hij, dat hij niet anders dan dood en verderf vreesde en verwachtte voor Menschziel.„Gij allen zult mij toestemmen,” zeide de edelman, „gij allen weet, dat wij verraders geweest zijn jegens dien eertijds zoo verachten, nu zoo zegevierenden en heerlijken vorst Immanuel, want nu ziet gij voor uwe oogen hoe hij ons niet slechts dicht ingesloten houdt, maar zich toegang heeft verschaft binnen onze poorten. Bovendien Diábolus ontvlucht hem, en nu heeft hij, zooals gij ziet, van mijn huis eene vesting gemaakt, om vandaar uit het kasteel te bestormen, waar Diábolus zich bevindt. Ik voor mij, heb grootelijks gezondigd door mij stil te houden als ik spreken moest, en door de gerechtigheid te verdraaien als ik ze uitoefenen moest. ’t Is waar, ik heb ook wat geleden door de handen van Diábolus omdat ik mij aan de wetten van El-Schaddaï hield; maar wat zal mij dat baten? Zal dat weer goedmaken al het toegeven aan de oproerlingen en al het verraad, dat ik mede gepleegd heb, en al wat ik toegelaten heb in de stad Menschziel? O, ik beef als ik denk wat het einde wezen zal van dit treurig en schrikkelijk begin!”Terwijl deze dappere kapiteins aldus bezig waren in het huis van den ouden Griffier, was kapitein Strafoefening elders bezig in het verzekeren van de achterstraten en muren. Hij zat den heer Vastewil overal na, hij gunde hem geen oogenblik rust in eenigen hoek; hij vervolgde hem zoo hardnekkig, dat al zijne mannen van hem verwijderd werden en hij blijde was zijn hoofd in een hol te kunnen versteken. Ook sloeg deze krijgsman drie van Vastewils officieren ter aarde. De éen was de oude Vooroordeel, hij wiens hersenpan reeds gescheurd werd. Deze persoon was door Vastewil aangesteld als wachter van de Oorpoort, en viel door de hand van kapitein Strafoefening. Zoo was er ook een heer Hardnekkig, die eveneens tot Vastewils officieren behoorde en het opzicht had over de twee kanonnen, die op de Oorpoort geplant waren. Ook hij viel door de hand van kapitein Strafoefening. Behalve deze was er nog een derde: hij heette kapitein Verrader, een laaghartig man, maar in wien Vastewil groot vertrouwen stelde. Deze viel met de anderen.

Het werd nu ook weldra bekend in de stad hoe het huis van den ouden griffier was ingenomen, zijne kamers allen waren bezet en zijn paleis tot een oorlogstuighuis gemaakt. En zoodra verspreidde dit gerucht zich niet naar buiten of allen waren zeer ontsteld. Ieder deelde dit bericht aan zijne vrienden mede, en evenals een sneeuwbal bij het rollen niet verliest, zoo was binnen korten tijd de stad er mede vervuld, en ieder meende, dat men van den prins niets anders te verwachten had dan verderf en ondergang. De oorzaak hiervan was, dat de griffier maar voortdurend beefde en de kapiteins alles voor hem bedekt hielden. Dit maakte ook, dat menigeen kwam aanloopen om het met eigen oog te zien. Maar wanneer zij dan de kapiteins in het paleis zagen en de stormrammen spelende op de poorten van het kasteel om die omver te stooten, zoo werden zij nog meer ontsteld. En zooals ik zeide, de eigenaar van het huis maakte dit alarm niet minder, want al wie bij hem kwam en met hem sprak, verhaalde hij, dat hij niet anders dan dood en verderf vreesde en verwachtte voor Menschziel.

„Gij allen zult mij toestemmen,” zeide de edelman, „gij allen weet, dat wij verraders geweest zijn jegens dien eertijds zoo verachten, nu zoo zegevierenden en heerlijken vorst Immanuel, want nu ziet gij voor uwe oogen hoe hij ons niet slechts dicht ingesloten houdt, maar zich toegang heeft verschaft binnen onze poorten. Bovendien Diábolus ontvlucht hem, en nu heeft hij, zooals gij ziet, van mijn huis eene vesting gemaakt, om vandaar uit het kasteel te bestormen, waar Diábolus zich bevindt. Ik voor mij, heb grootelijks gezondigd door mij stil te houden als ik spreken moest, en door de gerechtigheid te verdraaien als ik ze uitoefenen moest. ’t Is waar, ik heb ook wat geleden door de handen van Diábolus omdat ik mij aan de wetten van El-Schaddaï hield; maar wat zal mij dat baten? Zal dat weer goedmaken al het toegeven aan de oproerlingen en al het verraad, dat ik mede gepleegd heb, en al wat ik toegelaten heb in de stad Menschziel? O, ik beef als ik denk wat het einde wezen zal van dit treurig en schrikkelijk begin!”

Terwijl deze dappere kapiteins aldus bezig waren in het huis van den ouden Griffier, was kapitein Strafoefening elders bezig in het verzekeren van de achterstraten en muren. Hij zat den heer Vastewil overal na, hij gunde hem geen oogenblik rust in eenigen hoek; hij vervolgde hem zoo hardnekkig, dat al zijne mannen van hem verwijderd werden en hij blijde was zijn hoofd in een hol te kunnen versteken. Ook sloeg deze krijgsman drie van Vastewils officieren ter aarde. De éen was de oude Vooroordeel, hij wiens hersenpan reeds gescheurd werd. Deze persoon was door Vastewil aangesteld als wachter van de Oorpoort, en viel door de hand van kapitein Strafoefening. Zoo was er ook een heer Hardnekkig, die eveneens tot Vastewils officieren behoorde en het opzicht had over de twee kanonnen, die op de Oorpoort geplant waren. Ook hij viel door de hand van kapitein Strafoefening. Behalve deze was er nog een derde: hij heette kapitein Verrader, een laaghartig man, maar in wien Vastewil groot vertrouwen stelde. Deze viel met de anderen.

frame bottom

DE DORRE PLAATSEN.Bovendien maakte hij eene geweldige slachting onder ’s heeren Vastewils soldaten, velen van hunne stoutste en brutaalste manschappen doodende, en velen verwondend, die nog voor Diábolus pal stonden. Maar dit waren allen Diábolus-mannen, er was niemand onder uit de oorspronkelijke inwoners der stad.Andere oorlogsdaden werden al evenzeer door de andere kapiteins verricht. Aan de Oogpoort, waar kapitein Goede Hoop en kapitein Liefde het bevel voerden, werd ook een groote strafoefening gehouden; want kapitein Goede Hoop sloeg met eigen hand zekeren hoofdman Blinddoek, die de poort bewaakte. Deze Blinddoek had duizend man onder zich en zij vochten met mokers. Zoo vervolgde hij ook diens manschappen, sloeg er velen dood, verwondde vele anderen en maakte, dat de rest zich in alle hoeken en gaten ging verbergen.Ook stond bij die poort de welbekende Kwaderust. Hij was een grijsaard, wiens baard tot aan zijn gordel reikte. Wij kennen hem als Diábolus’ redenaar: hij had heel wat kwaad gedaan in de stad en viel nu door de hand van kapitein Goede Hoop.Wat zal ik zeggen? De Diábolus-mannen lagen in deze dagen dood in iederen hoek der stad, ofschoon er altijd nog veel te veel in leven bleven.Nu kwamen op zekeren dag de oude griffier Geweten en de heer Verstand en enkele andere opperhoofden der stad, (te weten dezulken, die wisten dat zij met Menschziel staan en vallen moesten,) bij elkaêr, en na eene raadsvergadering te hebben gehouden, stelden zij gezamenlijk een verzoekschrift op, om dat aan Immanuel te brengen terwijl hij in de poort van Menschziel was gezeten. De inhoud van dat verzoekschrift hield in, dat zij, oude inwoners van Menschziel, de stad, die nu zoo jammerlijk ellendig was, hunne schuld beleden en zeer bedroefd waren, dat zij Zijne Majesteit beleedigd hadden, tevens hem biddende, dat hij hen in het leven mocht sparen.Op dit verzoekschrift gaf hij in het geheel geen antwoord en dat verontrustte hen nog te meer. Intusschen gingen de kapiteins, die in het huis van den griffier waren, maar voort met hunne stormrammen het kasteel te bestormen. Zoo werd dan ook na eenigen tijd de groote poort van het kasteel, die Ondoordringbaar heette, opengebroken en in splinters geslagen, en daardoor stond de toegang tot het hol van Diábolus nu open. Toen werd er eene boodschap gezonden naar de Oorpoort, waar Immanuel voortdurend op zijn troon zat, om hem te laten weten, dat er eene opening was gemaakt in Diábolus’ kasteel. Wat klonken toen weder de trompetten door ’s Prinsen legerkamp! Nu was de oorlog toch dicht bij zijn einde en Menschziel zelve zou spoedig in vrijheid worden gesteld.

DE DORRE PLAATSEN.

Bovendien maakte hij eene geweldige slachting onder ’s heeren Vastewils soldaten, velen van hunne stoutste en brutaalste manschappen doodende, en velen verwondend, die nog voor Diábolus pal stonden. Maar dit waren allen Diábolus-mannen, er was niemand onder uit de oorspronkelijke inwoners der stad.

Andere oorlogsdaden werden al evenzeer door de andere kapiteins verricht. Aan de Oogpoort, waar kapitein Goede Hoop en kapitein Liefde het bevel voerden, werd ook een groote strafoefening gehouden; want kapitein Goede Hoop sloeg met eigen hand zekeren hoofdman Blinddoek, die de poort bewaakte. Deze Blinddoek had duizend man onder zich en zij vochten met mokers. Zoo vervolgde hij ook diens manschappen, sloeg er velen dood, verwondde vele anderen en maakte, dat de rest zich in alle hoeken en gaten ging verbergen.

Ook stond bij die poort de welbekende Kwaderust. Hij was een grijsaard, wiens baard tot aan zijn gordel reikte. Wij kennen hem als Diábolus’ redenaar: hij had heel wat kwaad gedaan in de stad en viel nu door de hand van kapitein Goede Hoop.

Wat zal ik zeggen? De Diábolus-mannen lagen in deze dagen dood in iederen hoek der stad, ofschoon er altijd nog veel te veel in leven bleven.

Nu kwamen op zekeren dag de oude griffier Geweten en de heer Verstand en enkele andere opperhoofden der stad, (te weten dezulken, die wisten dat zij met Menschziel staan en vallen moesten,) bij elkaêr, en na eene raadsvergadering te hebben gehouden, stelden zij gezamenlijk een verzoekschrift op, om dat aan Immanuel te brengen terwijl hij in de poort van Menschziel was gezeten. De inhoud van dat verzoekschrift hield in, dat zij, oude inwoners van Menschziel, de stad, die nu zoo jammerlijk ellendig was, hunne schuld beleden en zeer bedroefd waren, dat zij Zijne Majesteit beleedigd hadden, tevens hem biddende, dat hij hen in het leven mocht sparen.

Op dit verzoekschrift gaf hij in het geheel geen antwoord en dat verontrustte hen nog te meer. Intusschen gingen de kapiteins, die in het huis van den griffier waren, maar voort met hunne stormrammen het kasteel te bestormen. Zoo werd dan ook na eenigen tijd de groote poort van het kasteel, die Ondoordringbaar heette, opengebroken en in splinters geslagen, en daardoor stond de toegang tot het hol van Diábolus nu open. Toen werd er eene boodschap gezonden naar de Oorpoort, waar Immanuel voortdurend op zijn troon zat, om hem te laten weten, dat er eene opening was gemaakt in Diábolus’ kasteel. Wat klonken toen weder de trompetten door ’s Prinsen legerkamp! Nu was de oorlog toch dicht bij zijn einde en Menschziel zelve zou spoedig in vrijheid worden gesteld.

frame bottom

frame top

Toen stond de Prins van zijn zetel op, en nam met zich diegenen zijner mannen, welke voor dezen tocht het geschiktst waren. Zoo marcheerden zij dan op naar het huis van den griffier langs de straat van Menschziel.De Prins was gekleed in een gouden wapenrusting en zijn standaard werd voor hem uitgedragen; maar hij hield zijn aangezicht in een vasten plooi, zoodat niemand daarop ’t zij liefde of gramschap lezen kon. Terwijl hij daar nu zoo langs de straat reed, kwamen de burgers der stad allen uit hunne deuren en aan hunne vensters; ze waren allen verstomd door de heerlijkheid van zijn persoon en den glans, die hem omringde, maar tevens zeer verwonderd, dat hij zijn gelaat in zulk een stijven plooi hield, want nu sprak hij meer tot hen door zijne daden dan door woord of glimlach. Maar nu legde het arme Menschziel (zooals wij allen in zoodanig geval geneigd zijn te doen) de houding van Immanuel uit zooals Jozefs broeders Jozef beschouwden: geheel op de verkeerde wijze. „Want”, dachten zij, „als Immanuel ons liefhad, zou hij ons dat wel toonen door zijn woord of zijn gelaat; maar daar hij dit niet doet, zoo haat hij ons zeker. Welnu, als Immanuel ons haat, dan zal alles in Menschziel gedood worden en de stad tot een puinhoop.” Zij wisten, dat zij hadden overtreden, dat zijns Vaders wet door hen geschonden was, en dat zij tegenover hem gemeene zaak hadden gemaakt met Diábolus; dat hij van dit alles kennis droeg, want zij waren overtuigd, dat hij was als een engel Gods om alle dingen te weten, die op aarde gebeuren; en dit deed hen nu denken, dat hun vooruitzicht ellendig was en dat de goede Prins hen zou vernielen.Daarbij dachten zij: „Welke tijd is geschikter voor hem om dit te doen dan nu, daar hij Menschziel thans geheel in zijne hand heeft?” En daarbij trok dit in het bijzonder mijne aandacht, dat de inwoners van Menschziel ofschoon zij vreesden, niet anders konden dan diep voor hem nederbuigen; ja, zij waren gereed het stof van zijne voeten te lekken. Ook wenschten zij duizendmaal, dat hij hun Heer en Hoofd mocht worden en hen in zijne bescherming nemen. Ook spraken zij met elkander over de schoonheid van zijn persoon, en hoezeer hij in grootheid en voortreffelijkheid alle wereldgrooten overtrof. Maar wat hunzelven aanging, och armen! hunne gedachten veranderden elk oogenblik en gingen van het eene uiterste tot het andere. Ja, door dit tusschen vrees en hoop geslingerd worden werd Menschziel als een bal, die door een wervelwind wordt voortgejaagd.Toen hij nu bij de poorten van het kasteel was gekomen, beval hij Diábolus voor hem te verschijnen en zich in zijne handen over te geven. Maar o, hoe onwillig was dat beest om voor den dag te komen! Hoe worstelde hij daar tegen! Hoe kromde hij zich in duizend bochten! Toch moest hij voor den Prins komen. Toen beval Immanuel en zij vatten Diábolus aan, hem met zware ketenen bindende, om hem te bewaren voor het vonnis, dat hij over hem had uitgesproken. Maar Diábolus stond op en smeekte voor zichzelven Immanuel, dat hij hem toch niet naar den afgrond zenden zou, maar toelaten dat hij in vrede Menschziel verliet.

Toen stond de Prins van zijn zetel op, en nam met zich diegenen zijner mannen, welke voor dezen tocht het geschiktst waren. Zoo marcheerden zij dan op naar het huis van den griffier langs de straat van Menschziel.

De Prins was gekleed in een gouden wapenrusting en zijn standaard werd voor hem uitgedragen; maar hij hield zijn aangezicht in een vasten plooi, zoodat niemand daarop ’t zij liefde of gramschap lezen kon. Terwijl hij daar nu zoo langs de straat reed, kwamen de burgers der stad allen uit hunne deuren en aan hunne vensters; ze waren allen verstomd door de heerlijkheid van zijn persoon en den glans, die hem omringde, maar tevens zeer verwonderd, dat hij zijn gelaat in zulk een stijven plooi hield, want nu sprak hij meer tot hen door zijne daden dan door woord of glimlach. Maar nu legde het arme Menschziel (zooals wij allen in zoodanig geval geneigd zijn te doen) de houding van Immanuel uit zooals Jozefs broeders Jozef beschouwden: geheel op de verkeerde wijze. „Want”, dachten zij, „als Immanuel ons liefhad, zou hij ons dat wel toonen door zijn woord of zijn gelaat; maar daar hij dit niet doet, zoo haat hij ons zeker. Welnu, als Immanuel ons haat, dan zal alles in Menschziel gedood worden en de stad tot een puinhoop.” Zij wisten, dat zij hadden overtreden, dat zijns Vaders wet door hen geschonden was, en dat zij tegenover hem gemeene zaak hadden gemaakt met Diábolus; dat hij van dit alles kennis droeg, want zij waren overtuigd, dat hij was als een engel Gods om alle dingen te weten, die op aarde gebeuren; en dit deed hen nu denken, dat hun vooruitzicht ellendig was en dat de goede Prins hen zou vernielen.

Daarbij dachten zij: „Welke tijd is geschikter voor hem om dit te doen dan nu, daar hij Menschziel thans geheel in zijne hand heeft?” En daarbij trok dit in het bijzonder mijne aandacht, dat de inwoners van Menschziel ofschoon zij vreesden, niet anders konden dan diep voor hem nederbuigen; ja, zij waren gereed het stof van zijne voeten te lekken. Ook wenschten zij duizendmaal, dat hij hun Heer en Hoofd mocht worden en hen in zijne bescherming nemen. Ook spraken zij met elkander over de schoonheid van zijn persoon, en hoezeer hij in grootheid en voortreffelijkheid alle wereldgrooten overtrof. Maar wat hunzelven aanging, och armen! hunne gedachten veranderden elk oogenblik en gingen van het eene uiterste tot het andere. Ja, door dit tusschen vrees en hoop geslingerd worden werd Menschziel als een bal, die door een wervelwind wordt voortgejaagd.

Toen hij nu bij de poorten van het kasteel was gekomen, beval hij Diábolus voor hem te verschijnen en zich in zijne handen over te geven. Maar o, hoe onwillig was dat beest om voor den dag te komen! Hoe worstelde hij daar tegen! Hoe kromde hij zich in duizend bochten! Toch moest hij voor den Prins komen. Toen beval Immanuel en zij vatten Diábolus aan, hem met zware ketenen bindende, om hem te bewaren voor het vonnis, dat hij over hem had uitgesproken. Maar Diábolus stond op en smeekte voor zichzelven Immanuel, dat hij hem toch niet naar den afgrond zenden zou, maar toelaten dat hij in vrede Menschziel verliet.

frame bottom

ONTWAAKTE-BEGEERTE EN BEWEENER VOOR DEN PRINS.

ONTWAAKTE-BEGEERTE EN BEWEENER VOOR DEN PRINS.

Toen Immanuel hem nu overwonnen en in ketenen gebonden had, leidde hij hem naar de marktplaats, en daar voor het oog van gansch Menschziel ontdeed hij hem van zijne wapenrusting, waarop hij eertijds zoo pochte. Dit was een van de glorierijke daden van Immanuel, waar hij zulk eene overwinning op zijn vijand behaalde. Terwijl men den reus uitkleedde gaven de gouden trompetten van den Prins hun aangenaam geluid, de kapiteins klapten in de handen en het geheele leger hief een vreugdegeschrei aan. Toen werd Menschziel opgeroepen om te zien het begin der zegepraal van Immanuel over hem, dien zij zoo hun gansche vertrouwen hadden gegeven en op wien zij zoo gepocht hadden in de dagen toen hij hen vleide.Aldus Diábolus naakt uitgestroopt hebbende voor de oogen van Menschziel enColl. 2 : 15.van alle dienaren des Prinsen gaf hij bevel, dat hij met ketenen aan zijn zegewagen zou worden gebonden. Daarna een deel van zijne macht, te weten kapitein Boanerges en kapitein Overtuiging tot bewaking van het kasteel achterlatende, indien soms Diábolus volgelingen nog mochten trachten het in te nemen of in bezit te houden, reed hij in zegepraal over hem heen, langs de straten van Menschziel de Oogpoort uit naar de vlakte, waar zijn legerkamp was opgeslagen.Maar gij kunt u niet verbeelden, of ge mocht het gezien hebben zooals ik, welk eene vreugde er in Immanuels leger was toen zij daar den tiran gebonden zagen door de hand van hun edelen vorst en aan de wielen van zijn zegekar gekluisterd. Zij riepen uit: „Hij heeft de gevangenis gevangen genomen en de overheden en machten heeft hij uitgetogen; Diábolus is aan de kracht van zijn zwaard onderworpen en tot een voorwerp van aller verachting gemaakt!” Ook de vrijwilligers en die meêgekomen waren om den strijd aan te zien juichten met zulk eene blijde stem en zongen op zulke welluidende muziek, dat zij die de hooge sfeeren bewonen,Luk. 15 : 7, 10.en in de hooger plaatsen zijn gezeten hunne vensteren opendeden, en hunne hoofden naar buiten staken om de oorzaak van die groote blijdschap aan te zien.De lieden der stad, voor zoovelen dit mede aanschouwden, waren terwijl zij het aanzagen, als tusschen hemel en aarde. Wel konden zij niet zeggen wat de uitslag van deze dingen wezen zou voor zoover hun aanging; maar alles geschiedde langs een zoo heerlijken weg, en ik weet niet hoe ik het noemen zal, maar alles scheen de stad als het ware toe te lachen, zoodat hun hoofd en hart en al hunne zinnen vervuld waren met de aanschouwing der dingen die Immanuel deed.

Toen Immanuel hem nu overwonnen en in ketenen gebonden had, leidde hij hem naar de marktplaats, en daar voor het oog van gansch Menschziel ontdeed hij hem van zijne wapenrusting, waarop hij eertijds zoo pochte. Dit was een van de glorierijke daden van Immanuel, waar hij zulk eene overwinning op zijn vijand behaalde. Terwijl men den reus uitkleedde gaven de gouden trompetten van den Prins hun aangenaam geluid, de kapiteins klapten in de handen en het geheele leger hief een vreugdegeschrei aan. Toen werd Menschziel opgeroepen om te zien het begin der zegepraal van Immanuel over hem, dien zij zoo hun gansche vertrouwen hadden gegeven en op wien zij zoo gepocht hadden in de dagen toen hij hen vleide.

Aldus Diábolus naakt uitgestroopt hebbende voor de oogen van Menschziel enColl. 2 : 15.van alle dienaren des Prinsen gaf hij bevel, dat hij met ketenen aan zijn zegewagen zou worden gebonden. Daarna een deel van zijne macht, te weten kapitein Boanerges en kapitein Overtuiging tot bewaking van het kasteel achterlatende, indien soms Diábolus volgelingen nog mochten trachten het in te nemen of in bezit te houden, reed hij in zegepraal over hem heen, langs de straten van Menschziel de Oogpoort uit naar de vlakte, waar zijn legerkamp was opgeslagen.

Maar gij kunt u niet verbeelden, of ge mocht het gezien hebben zooals ik, welk eene vreugde er in Immanuels leger was toen zij daar den tiran gebonden zagen door de hand van hun edelen vorst en aan de wielen van zijn zegekar gekluisterd. Zij riepen uit: „Hij heeft de gevangenis gevangen genomen en de overheden en machten heeft hij uitgetogen; Diábolus is aan de kracht van zijn zwaard onderworpen en tot een voorwerp van aller verachting gemaakt!” Ook de vrijwilligers en die meêgekomen waren om den strijd aan te zien juichten met zulk eene blijde stem en zongen op zulke welluidende muziek, dat zij die de hooge sfeeren bewonen,Luk. 15 : 7, 10.en in de hooger plaatsen zijn gezeten hunne vensteren opendeden, en hunne hoofden naar buiten staken om de oorzaak van die groote blijdschap aan te zien.

De lieden der stad, voor zoovelen dit mede aanschouwden, waren terwijl zij het aanzagen, als tusschen hemel en aarde. Wel konden zij niet zeggen wat de uitslag van deze dingen wezen zou voor zoover hun aanging; maar alles geschiedde langs een zoo heerlijken weg, en ik weet niet hoe ik het noemen zal, maar alles scheen de stad als het ware toe te lachen, zoodat hun hoofd en hart en al hunne zinnen vervuld waren met de aanschouwing der dingen die Immanuel deed.

frame bottom

frame top

Toen nu de edele vorst dit deel van zijne zegepraal over zijn vijand Diàbolus volbracht had, gaf hij hem aan aller smaad en verachting in het openbaar over, en daarna hem bevel gegeven hebbende Menschziel onmiddellijk te verlaten, liet hij hem uitgaan uit het midden des legers. Daar ging Diábolus door woeste en onbewoonde plaatsen, zoekendeMatth. 12 : 43.rust, maar die niet vindende.Nu waren de kapiteins Boanerges en Overtuiging beiden mannen van groot aanzien: hunne aangezichten waren als de aangezichten der leeuwen, en hunne woorden klonken als een bruischende zee. Zij hielden voortdurend hun verblijf in het huis van den heer Geweten. Toen aldus die groote en machtige Prins zijne overwinning op Diábolus had volvoerd, hadden de lieden der stad meer gelegenheid op de daden van deze edele kapiteins te letten. Die kapiteins deden alles met zulk een ernst en waren zoo indrukwekkend in al hunne handelingen, dat de stad onder voortdurende vreeze werd gehouden en zij voor de toekomst nog altijd in twijfel verkeerden, zoodat zij kwalijk wisten wat rust of gemak, vrede of hoop beduidde.Ook woonde de prins toen zelf niet in de stad Menschziel, maar in zijn koninklijke tent in het midden van zijns vaders heirmacht. Zoo gaf hij echter op zekeren bestemden tijd speciale bevelen aan kapitein Boanerges om Menschziel op te eischen, om al de burgers te laten komen in het kasteel en dan voor hun aangezicht de heeren Verstand, Geweten en Vastewil in bewaring te nemen, en hen streng te laten bewaken tot zijn welbehagen aangaande hen voor de toekomst zou openbaar worden. Het opvolgen van dit bevel maakte waarlijk de vreezen en angst in de stad niet minder; nu waren dan hun donkere vooruitzichten omtrent dat droevig lot van Menschziel wel terdege bevestigd. Welken dood zij sterven zouden en hoe lang hunne strafoefening zou duren waren gedachten, die alle hoofden bezighielden; ja er waren, die vreesden dat Immanuel hen allen in den afgrond werpen zou, die akelige plaats, daar Diábolus zoo bang voor was; want zij wisten, dat zij het hadden verdiend. Anderen meenden, dat zij met het zwaard zouden worden onthalsd in het gezicht hunner stad; in ongenade gevallen te zijn bij een zoo goed en heilig vorst, o dat maakte hen zoo droevig! Ook was de stad in groote onrust met het oog op de mannen, die in gijzeling werden gehouden, want dat waren hun gidsen en leidslieden, en als nu deze mannen werden weggenomen, dan moest het immers eindigen met den ondergang van gansch Menschziel. Daarom wisten zij niets beters te doen dan gezamenlijk met de mannen, die gevangen zaten een verzoekschrift opstellen tot den prins, en dit zonden zij op door de hand van zekeren heer Begeerte-tot-leven. De man ging heen, kwam aan het verblijf van den vorst en bood daar het rekwest aan,[25]dat van den volgenden inhoud was.„Groote en wonderbare Heerscher, Overwinnaar van Diábolus en van de stad Menschziel! Wij, de ellendige inwoners van deze beklagenswaardige plaats, smeeken u nederig dat wij genade mogen vinden in uwe oogen. Gedenk toch onze vorige overtredingen niet, noch de groote zonden van de machtigen onzer stad, maar spaar ons naar de grootheid uwer goedertierenheid! en laat ons niet sterven, maar voor uw aangezicht leven, zoo zullen wij gewillig zijn om uwe knechten te wezen, en om als het u behagen mocht zelfs de kruimkens onder uwe tafel op te lezen. Amen.”Zoo begaf zich dan deze smeekeling met zijn verzoekschrift naar den Prins; en de Prins nam het uit zijne hand aan, maar zond hem in alle stilte weg. Deze stilte, dit zwijgen bedroefde de stad Menschziel: maar nu in aanmerking nemende, dat zij smeekschriften moesten indienen of sterven daar zij voor het oogenblik niets anders konden doen, zoo beraadslaagden zij weder met elkaer en zonden een nieuw rekwest in. Het was alzoo in denzelfden geest en vorm gesteld als het vorige.[25]Het rekwest wordt gebracht door den heer Begeerte-tot-leven. Nu bidt Menschziel wel, maar dat gebed wordt bezield door den naam van den verzoeker. ’t Is alleen om lijfsbehoud te doen.

Toen nu de edele vorst dit deel van zijne zegepraal over zijn vijand Diàbolus volbracht had, gaf hij hem aan aller smaad en verachting in het openbaar over, en daarna hem bevel gegeven hebbende Menschziel onmiddellijk te verlaten, liet hij hem uitgaan uit het midden des legers. Daar ging Diábolus door woeste en onbewoonde plaatsen, zoekendeMatth. 12 : 43.rust, maar die niet vindende.

Nu waren de kapiteins Boanerges en Overtuiging beiden mannen van groot aanzien: hunne aangezichten waren als de aangezichten der leeuwen, en hunne woorden klonken als een bruischende zee. Zij hielden voortdurend hun verblijf in het huis van den heer Geweten. Toen aldus die groote en machtige Prins zijne overwinning op Diábolus had volvoerd, hadden de lieden der stad meer gelegenheid op de daden van deze edele kapiteins te letten. Die kapiteins deden alles met zulk een ernst en waren zoo indrukwekkend in al hunne handelingen, dat de stad onder voortdurende vreeze werd gehouden en zij voor de toekomst nog altijd in twijfel verkeerden, zoodat zij kwalijk wisten wat rust of gemak, vrede of hoop beduidde.

Ook woonde de prins toen zelf niet in de stad Menschziel, maar in zijn koninklijke tent in het midden van zijns vaders heirmacht. Zoo gaf hij echter op zekeren bestemden tijd speciale bevelen aan kapitein Boanerges om Menschziel op te eischen, om al de burgers te laten komen in het kasteel en dan voor hun aangezicht de heeren Verstand, Geweten en Vastewil in bewaring te nemen, en hen streng te laten bewaken tot zijn welbehagen aangaande hen voor de toekomst zou openbaar worden. Het opvolgen van dit bevel maakte waarlijk de vreezen en angst in de stad niet minder; nu waren dan hun donkere vooruitzichten omtrent dat droevig lot van Menschziel wel terdege bevestigd. Welken dood zij sterven zouden en hoe lang hunne strafoefening zou duren waren gedachten, die alle hoofden bezighielden; ja er waren, die vreesden dat Immanuel hen allen in den afgrond werpen zou, die akelige plaats, daar Diábolus zoo bang voor was; want zij wisten, dat zij het hadden verdiend. Anderen meenden, dat zij met het zwaard zouden worden onthalsd in het gezicht hunner stad; in ongenade gevallen te zijn bij een zoo goed en heilig vorst, o dat maakte hen zoo droevig! Ook was de stad in groote onrust met het oog op de mannen, die in gijzeling werden gehouden, want dat waren hun gidsen en leidslieden, en als nu deze mannen werden weggenomen, dan moest het immers eindigen met den ondergang van gansch Menschziel. Daarom wisten zij niets beters te doen dan gezamenlijk met de mannen, die gevangen zaten een verzoekschrift opstellen tot den prins, en dit zonden zij op door de hand van zekeren heer Begeerte-tot-leven. De man ging heen, kwam aan het verblijf van den vorst en bood daar het rekwest aan,[25]dat van den volgenden inhoud was.

„Groote en wonderbare Heerscher, Overwinnaar van Diábolus en van de stad Menschziel! Wij, de ellendige inwoners van deze beklagenswaardige plaats, smeeken u nederig dat wij genade mogen vinden in uwe oogen. Gedenk toch onze vorige overtredingen niet, noch de groote zonden van de machtigen onzer stad, maar spaar ons naar de grootheid uwer goedertierenheid! en laat ons niet sterven, maar voor uw aangezicht leven, zoo zullen wij gewillig zijn om uwe knechten te wezen, en om als het u behagen mocht zelfs de kruimkens onder uwe tafel op te lezen. Amen.”

Zoo begaf zich dan deze smeekeling met zijn verzoekschrift naar den Prins; en de Prins nam het uit zijne hand aan, maar zond hem in alle stilte weg. Deze stilte, dit zwijgen bedroefde de stad Menschziel: maar nu in aanmerking nemende, dat zij smeekschriften moesten indienen of sterven daar zij voor het oogenblik niets anders konden doen, zoo beraadslaagden zij weder met elkaer en zonden een nieuw rekwest in. Het was alzoo in denzelfden geest en vorm gesteld als het vorige.

[25]Het rekwest wordt gebracht door den heer Begeerte-tot-leven. Nu bidt Menschziel wel, maar dat gebed wordt bezield door den naam van den verzoeker. ’t Is alleen om lijfsbehoud te doen.

[25]Het rekwest wordt gebracht door den heer Begeerte-tot-leven. Nu bidt Menschziel wel, maar dat gebed wordt bezield door den naam van den verzoeker. ’t Is alleen om lijfsbehoud te doen.

frame bottom

HET BEROUW VAN MENSCHZIEL.

HET BEROUW VAN MENSCHZIEL.

frame top

Maar toen het verzoekschrift opgesteld was, wisten ze weer niet door wien het te zenden. Die het de eerste maal gebracht had mocht het niet weder doen, want ze meenden dat hij op eene of andere wijze den prins beleedigd had. Zoo deden zij dan eene schoorvoetende poging om kapitein Overtuiging hun rekwest in handen te geven; maar hij antwoordde, dat hij voor verraders wilde noch durfde tusschenbeiden treden en bij den prins Immanuel geen voorspraak wilde wezen voor rebellen. „Dat neemt niet weg,” zeide hij, „dat onze vorst goed is, en dat gij het wel kunt wagen door de hand van iemand uit uwe stad een verzoekschrift op te zenden, maar dan moest hij ook komen met den strop om zijn hals en op niets pleitende dan genade.”Wel stelden zij dit uit vrees zoo lang uit als zij maar eenigszins konden, maar bang zijnde dat nog meer uitstel gevaarlijk worden zou, zoo kwamen zij er toch toe om onder veel angst en vreeze een adres op te stellen en in te zenden door de hand van zekeren Ontwaakte Begeerte.[26]Die heer Ontwaakte Begeerte woonde in een zeer jammerlijke woning binnen Menschziel en men had zich tot dusverre niet met hem bemoeid maar nu moest hij naar den prins. Toen zij dit aan dezen armen man voorstelden zeide hij: „Hoe zou ik anders kunnen dan al mijn best doen dat Menschziel van de verwoesting bewaard blijve?” Zij gaven hem dan vrijmoedig het verzoekschrift over en deelden hem mede hoe hij zich tot den prins moest wenden en wat hij had te zeggen; daarna wenschten zij hem een gelukkigen tocht. Toen de man aan des Prinsen tent gekomen was vraagde hij evenals de eerste om den prins te spreken. Dat woord werd aan Zijne Majesteit overgebracht en Immanuel kwam naar buiten. Toen Ontwaakte Begeerte den Prins zag viel hij vlak op zijn aangezicht ter aarde en riep uit: „O, dat Menschziel voor uw aangezicht mocht leven!” en daarbij bood hij het verzoekschrift aan. Toen de Prins dat gelezen had begaf hij zich een weinig ter zijde en weende, maar zich verstellende keerde hij tot den man terug, welke daar nog altijd schreiende aan zijne voeten lag en sprak toen voor het eerst deze woorden tot hem: „Keer weder naar uwe plaats, ik zal uw verzoek in overweging nemen.”Nu kunt gij wel denken, dat de lieden van Menschziel, die hem gezonden hadden, met groot verlangen uitzagen naar zijne terugkomst, in angst en vreeze, dat hun verzoek mocht verworpen zijn. Ten laatste zagen zij den boodschapper terugkomen. Pas was hij binnen de stad of zij vraagden hem hoe hij gevaren was, wat Immanuel zeide en of hun verzoek ook van de hand was gewezen. Maar hij antwoordde, dat hij zwijgen zou tot hij aan de gevangenis kwam bij den heer burgemeester Vastewil en den secretaris. Daarom spoedden zij zich dan voort naar het gevangenhuis, waar de grooten van Menschziel gebonden lagen. O, welk een groote menigte stroomde daar samen om te vernemen wat de boodschapper zeide. Toen hij zich nu voor de tralies der gevangenis vertoonde keek de burgemeester naar buiten zoo wit als een doek en ook de secretaris beefde. Toch vraagden zij: „Verhaal ons, goede vriend, wat de groote prins tot u zeide.” Daarop antwoordde Ontwaakte Begeerte: „Toen ik aan de tent van den grooten heer kwam en naar hem vraagde, kwam hij terstond. Zoo boog ik mij neder aan zijne voeten en leverde mijn verzoekschrift in, want de grootheid van zijn persoon en de heerlijkheid van zijn voorkomen maakten, dat ik onmogelijk op mijne voeten kon blijven staan. Toen hij het verzoekschrift aannam riep ik uit: „O, dat toch Menschziel voor uw aangezicht mocht leven!” Hij verwijderde zich daarop een weinig en toen terugkomende zeide hij tot uw knecht: „Ga heen naar uwe plaats en ik zal uw verzoek in overweging nemen.” De bode voegde daar nog bij: „De vorst tot wien gij mij gezonden hebt is zulk een schoon en heerlijk personaadje, dat wie hem ziet hem tegelijkertijd moet liefhebben en vreezen. Ik voor mij kan niet anders doen; maar ik weet niet wat het einde van deze dingen wezen zal.””Bij het hooren van dit antwoord waren zij allen versuft, beiden zij, die in de gevangenis zaten, en zij, die daar nieuwsgierig omheen stonden; want zij wisten niet welke uitlegging zij aan deze woorden zouden geven. Toen nu de gevangenis door de menigte verlaten was begonnen de gevangenen onderling Immanuels woorden te bespreken. De heer burgemeester zeide, dat dit antwoord niet getuigde van een toornig aangezicht; maar Vastewil zeide, dat er kwaad achter stak en de secretaris dat het een doodvonnis inhield. Degenen, die daar in de nabijheid stonden en intusschen heengingen, zoodat ze niet al te best konden hooren wat de gevangenen spraken, hadden maar een gedeelte van dat gesprek opgevangen, daarom schepten enkelen troost uit die boodschap en anderen begrepen er verschrikking in te moeten hooren, en zoo verstond niemand het juist. Maar gij kunt u moeielijk voorstellen welk eene opschudding daardoor in Menschziel ontstond en welk eene verwarring daar heerschte.[26]Ontwaakte Begeerteis weder een hoogere trap van geestelijke ervaring. De ziel kent nu haar toestand en begeert iets beters en hoogers.

Maar toen het verzoekschrift opgesteld was, wisten ze weer niet door wien het te zenden. Die het de eerste maal gebracht had mocht het niet weder doen, want ze meenden dat hij op eene of andere wijze den prins beleedigd had. Zoo deden zij dan eene schoorvoetende poging om kapitein Overtuiging hun rekwest in handen te geven; maar hij antwoordde, dat hij voor verraders wilde noch durfde tusschenbeiden treden en bij den prins Immanuel geen voorspraak wilde wezen voor rebellen. „Dat neemt niet weg,” zeide hij, „dat onze vorst goed is, en dat gij het wel kunt wagen door de hand van iemand uit uwe stad een verzoekschrift op te zenden, maar dan moest hij ook komen met den strop om zijn hals en op niets pleitende dan genade.”

Wel stelden zij dit uit vrees zoo lang uit als zij maar eenigszins konden, maar bang zijnde dat nog meer uitstel gevaarlijk worden zou, zoo kwamen zij er toch toe om onder veel angst en vreeze een adres op te stellen en in te zenden door de hand van zekeren Ontwaakte Begeerte.[26]Die heer Ontwaakte Begeerte woonde in een zeer jammerlijke woning binnen Menschziel en men had zich tot dusverre niet met hem bemoeid maar nu moest hij naar den prins. Toen zij dit aan dezen armen man voorstelden zeide hij: „Hoe zou ik anders kunnen dan al mijn best doen dat Menschziel van de verwoesting bewaard blijve?” Zij gaven hem dan vrijmoedig het verzoekschrift over en deelden hem mede hoe hij zich tot den prins moest wenden en wat hij had te zeggen; daarna wenschten zij hem een gelukkigen tocht. Toen de man aan des Prinsen tent gekomen was vraagde hij evenals de eerste om den prins te spreken. Dat woord werd aan Zijne Majesteit overgebracht en Immanuel kwam naar buiten. Toen Ontwaakte Begeerte den Prins zag viel hij vlak op zijn aangezicht ter aarde en riep uit: „O, dat Menschziel voor uw aangezicht mocht leven!” en daarbij bood hij het verzoekschrift aan. Toen de Prins dat gelezen had begaf hij zich een weinig ter zijde en weende, maar zich verstellende keerde hij tot den man terug, welke daar nog altijd schreiende aan zijne voeten lag en sprak toen voor het eerst deze woorden tot hem: „Keer weder naar uwe plaats, ik zal uw verzoek in overweging nemen.”

Nu kunt gij wel denken, dat de lieden van Menschziel, die hem gezonden hadden, met groot verlangen uitzagen naar zijne terugkomst, in angst en vreeze, dat hun verzoek mocht verworpen zijn. Ten laatste zagen zij den boodschapper terugkomen. Pas was hij binnen de stad of zij vraagden hem hoe hij gevaren was, wat Immanuel zeide en of hun verzoek ook van de hand was gewezen. Maar hij antwoordde, dat hij zwijgen zou tot hij aan de gevangenis kwam bij den heer burgemeester Vastewil en den secretaris. Daarom spoedden zij zich dan voort naar het gevangenhuis, waar de grooten van Menschziel gebonden lagen. O, welk een groote menigte stroomde daar samen om te vernemen wat de boodschapper zeide. Toen hij zich nu voor de tralies der gevangenis vertoonde keek de burgemeester naar buiten zoo wit als een doek en ook de secretaris beefde. Toch vraagden zij: „Verhaal ons, goede vriend, wat de groote prins tot u zeide.” Daarop antwoordde Ontwaakte Begeerte: „Toen ik aan de tent van den grooten heer kwam en naar hem vraagde, kwam hij terstond. Zoo boog ik mij neder aan zijne voeten en leverde mijn verzoekschrift in, want de grootheid van zijn persoon en de heerlijkheid van zijn voorkomen maakten, dat ik onmogelijk op mijne voeten kon blijven staan. Toen hij het verzoekschrift aannam riep ik uit: „O, dat toch Menschziel voor uw aangezicht mocht leven!” Hij verwijderde zich daarop een weinig en toen terugkomende zeide hij tot uw knecht: „Ga heen naar uwe plaats en ik zal uw verzoek in overweging nemen.” De bode voegde daar nog bij: „De vorst tot wien gij mij gezonden hebt is zulk een schoon en heerlijk personaadje, dat wie hem ziet hem tegelijkertijd moet liefhebben en vreezen. Ik voor mij kan niet anders doen; maar ik weet niet wat het einde van deze dingen wezen zal.””

Bij het hooren van dit antwoord waren zij allen versuft, beiden zij, die in de gevangenis zaten, en zij, die daar nieuwsgierig omheen stonden; want zij wisten niet welke uitlegging zij aan deze woorden zouden geven. Toen nu de gevangenis door de menigte verlaten was begonnen de gevangenen onderling Immanuels woorden te bespreken. De heer burgemeester zeide, dat dit antwoord niet getuigde van een toornig aangezicht; maar Vastewil zeide, dat er kwaad achter stak en de secretaris dat het een doodvonnis inhield. Degenen, die daar in de nabijheid stonden en intusschen heengingen, zoodat ze niet al te best konden hooren wat de gevangenen spraken, hadden maar een gedeelte van dat gesprek opgevangen, daarom schepten enkelen troost uit die boodschap en anderen begrepen er verschrikking in te moeten hooren, en zoo verstond niemand het juist. Maar gij kunt u moeielijk voorstellen welk eene opschudding daardoor in Menschziel ontstond en welk eene verwarring daar heerschte.

[26]Ontwaakte Begeerteis weder een hoogere trap van geestelijke ervaring. De ziel kent nu haar toestand en begeert iets beters en hoogers.

[26]Ontwaakte Begeerteis weder een hoogere trap van geestelijke ervaring. De ziel kent nu haar toestand en begeert iets beters en hoogers.

frame bottom

DE GEVANGENEN VOOR IMMANUEL.

DE GEVANGENEN VOOR IMMANUEL.

frame top

Degenen, die aan de gevangenis geweest waren, doorliepen de stad, de een dit roepende, de ander vlak het tegenovergestelde, en beiden meenden dat zij de volle waarheid vertelden, want zij hadden met hun eigen ooren gehoord wat de burgemeester en de secretaris vertelden. De een riep: „Wij moeten allen gedood worden,” een ander daarentegen: „Wij zullen allen nog gered worden,” een derde schreeuwde, dat de prins niets meer met Menschziel wilde te doen hebben, en een vierde, dat de gevangenen spoedig ter dood zouden worden gebracht. En, zooals gezegd, ieder stond er voor in, dat hij het bij het rechte einde had. Om die reden liep nu alles verward dooreen en kon niemand rust vinden voor het hol van zijnen voet. Zelfs zoover ging het met dit verwarde gerucht, dat sommigen luide verzekerden: de Prins zou gansch Menschziel met het zwaard vernielen. Intusschen werd het donker en bracht het ellendige Menschziel een kommervollen nacht door.Voor zoover ik kon nagaan kwam evenwel al deze verschrikking voort uit het woord van den secretaris, dat ’s prinsen antwoord een doodvonnis bevatte. Dit verschrikte de stad; want eertijds hadden de inwoners van Menschziel het er stellig voor gehouden, dat de griffier een ziener was en dat zijne uitspraak als een godspraak kon worden beschouwd. Daardoor was Menschziel dus slechts een verschrikker van zichzelve.Nu begonnen zij eerst recht te gevoelen wat de gevolgen waren van opstand en rebellie en onwettigen tegenstand tegen hunnen vorst. Ik zeg, dat zij nu door vrees en schrik de gevolgen, de vruchten van hunne hardnekkigheid plukten, en wie leden daar meer onder dan de hoofden en voornaamsten der stad!Maar om kort te gaan, toen de schrik een weinig over was en de gevangenen wat tot zichzelven gekomen waren, grepen zij ook weder een weinig moed, en stelden een derde verzoekschrift[27]op, waarvan de inhoud hier volgt:„Prins Immanuel de Groote, heer der gansche wereld en meester der barmhartigheid, — wij, uwe arme, ellendige, goddelooze, stervende onderdanen uit de stad Menschziel, belijden voor uwe groote en heerlijke majesteit, dat wij tegen uwen Vader en u gezondigd hebben en niet meer waard zijn uw Menschziel genoemd te worden, maar veeleer om in den afgrond te worden geworpen. Als gij ons dooden wilt, zoo hebben wij het verdiend. Als gij ons wilt verdoemen, kunnen wij niet anders zeggen dan dat het rechtvaardig is. Wij hebben geen reden tot klagen, wat gij ook doet en hoe gij u jegens ons gedraagt. Maar o, laat barmhartigheid heerschen en laat zij zich tot ons uitstrekken! Laat uwe ontferming op ons nederzien en ons van onze ongerechtigheden bevrijden; dan zullen wij zingen van uwe barmhartigheid en uwe oordeelen! Amen.”Dit rekwest moest nu weder naar den prins worden gezonden, maar wie zou het bij hem brengen? Sommigen zeiden: „Laat het hem doen, die ook het eerste bracht;” maar anderen keurden dat af omdat hij geen betere uitkomst had verkregen. Nu leefde er nog een oud man in de stad, wiens naam was Goede Werken — een man, die alleen dien naam droeg, maar die niets had van de bedoelde zaak. De griffier was er evenwel zeer tegen, dat deze zou gezonden worden, „want,” zeide hij, „wij zijn nu in grooten nood en pleiten om genade, waarom zouden wij dan een man kiezen, wiens naam reeds in tegenspraak is met zijn verzoekschrift? Moeten wij nu vriend Goede Werken onzen bode maken, wanneer wij een rekwest indienen om barmhartigheid?”[27]Een derde verzoekschrift. Menschziel leert de groote les dat men altijd bidden moet en niet vertragen. Ditmaal bestaat het gebed meest in schuldbelijdenis.

Degenen, die aan de gevangenis geweest waren, doorliepen de stad, de een dit roepende, de ander vlak het tegenovergestelde, en beiden meenden dat zij de volle waarheid vertelden, want zij hadden met hun eigen ooren gehoord wat de burgemeester en de secretaris vertelden. De een riep: „Wij moeten allen gedood worden,” een ander daarentegen: „Wij zullen allen nog gered worden,” een derde schreeuwde, dat de prins niets meer met Menschziel wilde te doen hebben, en een vierde, dat de gevangenen spoedig ter dood zouden worden gebracht. En, zooals gezegd, ieder stond er voor in, dat hij het bij het rechte einde had. Om die reden liep nu alles verward dooreen en kon niemand rust vinden voor het hol van zijnen voet. Zelfs zoover ging het met dit verwarde gerucht, dat sommigen luide verzekerden: de Prins zou gansch Menschziel met het zwaard vernielen. Intusschen werd het donker en bracht het ellendige Menschziel een kommervollen nacht door.

Voor zoover ik kon nagaan kwam evenwel al deze verschrikking voort uit het woord van den secretaris, dat ’s prinsen antwoord een doodvonnis bevatte. Dit verschrikte de stad; want eertijds hadden de inwoners van Menschziel het er stellig voor gehouden, dat de griffier een ziener was en dat zijne uitspraak als een godspraak kon worden beschouwd. Daardoor was Menschziel dus slechts een verschrikker van zichzelve.

Nu begonnen zij eerst recht te gevoelen wat de gevolgen waren van opstand en rebellie en onwettigen tegenstand tegen hunnen vorst. Ik zeg, dat zij nu door vrees en schrik de gevolgen, de vruchten van hunne hardnekkigheid plukten, en wie leden daar meer onder dan de hoofden en voornaamsten der stad!

Maar om kort te gaan, toen de schrik een weinig over was en de gevangenen wat tot zichzelven gekomen waren, grepen zij ook weder een weinig moed, en stelden een derde verzoekschrift[27]op, waarvan de inhoud hier volgt:

„Prins Immanuel de Groote, heer der gansche wereld en meester der barmhartigheid, — wij, uwe arme, ellendige, goddelooze, stervende onderdanen uit de stad Menschziel, belijden voor uwe groote en heerlijke majesteit, dat wij tegen uwen Vader en u gezondigd hebben en niet meer waard zijn uw Menschziel genoemd te worden, maar veeleer om in den afgrond te worden geworpen. Als gij ons dooden wilt, zoo hebben wij het verdiend. Als gij ons wilt verdoemen, kunnen wij niet anders zeggen dan dat het rechtvaardig is. Wij hebben geen reden tot klagen, wat gij ook doet en hoe gij u jegens ons gedraagt. Maar o, laat barmhartigheid heerschen en laat zij zich tot ons uitstrekken! Laat uwe ontferming op ons nederzien en ons van onze ongerechtigheden bevrijden; dan zullen wij zingen van uwe barmhartigheid en uwe oordeelen! Amen.”

Dit rekwest moest nu weder naar den prins worden gezonden, maar wie zou het bij hem brengen? Sommigen zeiden: „Laat het hem doen, die ook het eerste bracht;” maar anderen keurden dat af omdat hij geen betere uitkomst had verkregen. Nu leefde er nog een oud man in de stad, wiens naam was Goede Werken — een man, die alleen dien naam droeg, maar die niets had van de bedoelde zaak. De griffier was er evenwel zeer tegen, dat deze zou gezonden worden, „want,” zeide hij, „wij zijn nu in grooten nood en pleiten om genade, waarom zouden wij dan een man kiezen, wiens naam reeds in tegenspraak is met zijn verzoekschrift? Moeten wij nu vriend Goede Werken onzen bode maken, wanneer wij een rekwest indienen om barmhartigheid?”

[27]Een derde verzoekschrift. Menschziel leert de groote les dat men altijd bidden moet en niet vertragen. Ditmaal bestaat het gebed meest in schuldbelijdenis.

[27]Een derde verzoekschrift. Menschziel leert de groote les dat men altijd bidden moet en niet vertragen. Ditmaal bestaat het gebed meest in schuldbelijdenis.

frame bottom

DE KLOKKEN GELUID.„Bovendien,” ging de edelman voort, „als de Prins hem eens vroeg: hoe is uw naam? dat best kan gebeuren, en hij moest dan zeggen: de oude Goede Werken,” wat denkt gij dat Immanuel dan antwoorden zou? Ha zoo? leeft oude Goede Werken nog in Menschziel? Laat dan Goede Werken u ook uit uwen nood verlossen! En zegt hij dat, dan ben ik er zeker van, dat wij verloren zijn; want geen duizendtal Goede Werken kunnen Menschziel redden.”Toen de secretaris zijne redenen opgegeven had waarom Goede Werken niet met het verzoekschrift naar Immanuel gaan zou, waren de andere gevangenen en opperhoofden van Menschziel er ook op tegen, en wilden zij Ontwaakte Begeerte opnieuw met deze zending belasten. Zoo lieten zij hem dan roepen en begeerden dat hij wederom heenging, en hij was daartoe dan ook dadelijk gereed. Maar zij smeekten hem, dat hij toch met geen enkel woord of handeling den prins zou beleedigen, „want door dat te doen”, zeiden zij, „Zoudt gij Menschziel in tallooze ellende brengen.”Toen nu Ontwaakte Begeerte bemerkte, dat hij weder gaan moest verzocht hij dat ze hem zekeren heer Beweener zouden medegeven. Deze Beweener was een naaste buurman van Ontwaakte Begeerte, een arm man van een verbroken geest en die zeer goed spreken kon bij een verzoekschrift; daarom stonden zij dan ook toe, dat hij met hem gaan zou. Zoo maakten zij zich dan gereed, Ontwaakte Begeerte deed een koord om zijn hals en Beweener vergezelde hem handenwringende. Zoo kwamen zij aan de tent van den Prins.

DE KLOKKEN GELUID.

„Bovendien,” ging de edelman voort, „als de Prins hem eens vroeg: hoe is uw naam? dat best kan gebeuren, en hij moest dan zeggen: de oude Goede Werken,” wat denkt gij dat Immanuel dan antwoorden zou? Ha zoo? leeft oude Goede Werken nog in Menschziel? Laat dan Goede Werken u ook uit uwen nood verlossen! En zegt hij dat, dan ben ik er zeker van, dat wij verloren zijn; want geen duizendtal Goede Werken kunnen Menschziel redden.”

Toen de secretaris zijne redenen opgegeven had waarom Goede Werken niet met het verzoekschrift naar Immanuel gaan zou, waren de andere gevangenen en opperhoofden van Menschziel er ook op tegen, en wilden zij Ontwaakte Begeerte opnieuw met deze zending belasten. Zoo lieten zij hem dan roepen en begeerden dat hij wederom heenging, en hij was daartoe dan ook dadelijk gereed. Maar zij smeekten hem, dat hij toch met geen enkel woord of handeling den prins zou beleedigen, „want door dat te doen”, zeiden zij, „Zoudt gij Menschziel in tallooze ellende brengen.”

Toen nu Ontwaakte Begeerte bemerkte, dat hij weder gaan moest verzocht hij dat ze hem zekeren heer Beweener zouden medegeven. Deze Beweener was een naaste buurman van Ontwaakte Begeerte, een arm man van een verbroken geest en die zeer goed spreken kon bij een verzoekschrift; daarom stonden zij dan ook toe, dat hij met hem gaan zou. Zoo maakten zij zich dan gereed, Ontwaakte Begeerte deed een koord om zijn hals en Beweener vergezelde hem handenwringende. Zoo kwamen zij aan de tent van den Prins.

frame bottom

frame top

Waar zij nu voor de derde maal terug kwamen zoo bekroop hen de vrees, dat hun herhaald aankloppen den prins hinderlijk wezen mocht. Daarom, toen zij aan de deur der tent waren genaderd, zoo maakten zij eerst eene verontschuldiging voor henzelven en hunne herhaalde komst, waardoor zij het Immanuel zoo lastig maakten, en zij zeiden, dat zij niet zoo vaak terugkwamen omdat zij er behagen in vonden hem lastig te wezen of zichzelven te hooren spreken, maar dat de nood hen drong. Zij konden, zeiden zij, nacht noch dag rusten wegens hunne overtredingen tegen El-Schaddaï en zijn zoon Immanuel. Zij zeiden ook, dat zij toch niet hoopten, dat eenig wangedrag van Ontwaakte Begeerte bij het laatste bezoek Zijne Majesteit mocht beleedigd hebben, en hij daarom met geen beteren troost was teruggekeerd. Na dit alles nu gezegd te hebben, wierp Ontwaakte Begeerte zich evenals de eerste maal op den grond aan de voeten van Immanuel, roepende: „O, dat toch Menschziel voor uw aangezicht mocht leven!” daarmede gaf hij zijn verzoekschrift over. De Prins dan het verzoekschrift gelezen hebbende, wendde zich weder een wijle ter zijde als de eerste maal, en daarna terugkomende op de plaats waar de smeekeling lag, vraagde hij naar zijn naam en wat er in hem werd gevonden in de schatting van de burgers van Menschziel, dat men boven velerlei anderen hem had uitgekozen om deze boodschap te doen. Daarop zeide de man tot den prins: „O, dat het toch niet kwaad zij in mijns heeren oogen, dat ik tot u kwam, en wat vraagt gij naar den naam van zulk een dooden hond als ik ben? Sla geen acht, bid ik u, op hetgeen ik ben, omdat er, zooals gij zeer wel weet, zulk een groote afstand bestaat tusschen u en mij. Waarom de lieden der stad mij gezonden hebben, zullen zij zelven het best weten; maar het kan nooit wezen omdat zij meenden, dat ik bij mijnen Heer in bijzondere gunst sta. Wat mij aangaat, ik heb een walg aan mijzelven, wie zou dan met mij bijzonder ingenomen zijn? Toch zou ik begeeren te leven, en dat begeer ik ook voor de lieden der stad, en waar beiden zij en ik aan groote overtredingen schuldig staan, zoo hebben zij mij gezonden en kom ik in hun naam u barmhartigheid vragen. Laat het u daarom behagen barmhartigheid te bewijzen; maar vraag niet wie uw dienstknecht is.”Toen zeide de prins: „En waarom is uw medgezel met u gekomen in deze gewichtige zaak?” Zoo verhaalde Ontwaakte Begeerte aan Immanuel, dat hij een arme buurman van hem was, en een van zijne beste vrienden. „En zijn naam, als het Uwe Majesteit niet mishaagt, is Beweener van Menschziel. Ik weet, dat er velen van dien naam zijn en daaronder ook wel bedriegers, maar ik hoop, dat het mijnen Heer toch niet mishagen zal, dat ik mijn armen buurman heb medegebracht.”Toen viel ook Beweener op zijn aangezicht ter aarde en sprak voor zichzelven:„O, mijn Heer, wat ik ben weet ik zelf niet, noch of mijn naam slechts voorgewend dan wel waar is, vooral wanneer ik begin te bedenken wat sommigen gezegd hebben, namelijk dat de heer Berouw mijn vader is geweest. Goede lieden hebben soms slechte kinderen en de oprechten kweeken soms huichelaars. Mijne moeder noemde mij bij dien naam van mijne wieg af, maar of dit nu gebeurd is wegens de ijlheid van mijn hoofd dan wegens de weekheid van mijn hart, kan ik niet vertellen. Ik zie onreinheid in mijn eigen tranen en goddeloosheid op den bodem van mijne gebeden. Maar ik smeek u” (en bij dit alles weende die man zeer), „dat gij toch onze overtredingen niet wilt gedenken, noch onze ongerechtigheden en tekortkomingen aanzien, maar beide mijne zonden en die van Menschziel verschoonen en niet langer wachten met het verheerlijken van uwe genade aan ons.”Nadat zij aldus hunne smeekingen voor zijn aangezicht hadden neergeworpen stonden zij bevende op en wachtten het antwoord af. De Prins sprak:„De stad Menschziel heeft grootelijks tegen mijnen Vader gerebelleerd, daarin dat zij hem als haar koning verworpen heeft en zich tot een overheid koos een leugenaar, moordenaar en weggeloopen slaaf. Want dezen Diábolus, uw voorgewende vorst, eertijds zoo hoog door u geschat, stond op tegen mijn Vader en mij, in ons eigen paleis in het hoogste hof, meenende daar overheer en koning te worden. Maar daar is hij nog juist bijtijds ontdekt en gevangen genomen, voor zijne goddeloosheid in ketenen geklonken en in dien afgrond geworpen tegelijk met hen, die zijne metgezellen waren. Die onverlaat heeft zich aan u vertoond en gij hebt hem aangenomen.„Dit is nu en was reeds langen tijd een groote beleediging voor mijnen Vader en daarom zond mijn Vader een machtig leger naar u heen om u weder tot zijne gehoorzaamheid terug te brengen. Maar gij weet hoe deze manschappen, hunne kapiteins en raadsheeren door u werden geacht en wat zij uit uwe hand ontvingen. Gij stondt tegen hen op, gij sloot uwe poorten voor hen, gij bondt den strijd met hen aan, gij vocht tegen hen en vóor Diábolus. Daarom zonden zij tot mijnen Vader om meerdere strijdkrachten en ik kwam met mijne manschappen om u tot onderwerping te brengen. Maar zooals gij de dienaars behandeld hebt, hebt gij ook den Meester behandeld. Gij stondt evenzeer vijandig tegenover mij en sloot ook voor mij uwe poorten, en hieldt u doof voor mijn roepstem, en hieldt den tegenstand zoo lang vol als gij maar kondt. Maar nu heb ik u met geweld onderworpen. Riept gij ook om genade zoolang gij nog hoop hadt het tegen mij uit te houden? Maar nu ik de stad ingenomen heb roept gij. Waarom riept gij niet eer toen de witte vlag mijner barmhartigheid en de zwarte vlag des oordeels tegenover elkander uithingen? Nu ik weer Diábolus overwonnen heb komt gij mijne gunst zoeken, maar waarom hielpt gij mij niet tegen dien machtigen reus? Toch wil ik uw verzoekschrift in overweging nemen en het beantwoorden zooals het meest strekken kan om mij te verheerlijken.

Waar zij nu voor de derde maal terug kwamen zoo bekroop hen de vrees, dat hun herhaald aankloppen den prins hinderlijk wezen mocht. Daarom, toen zij aan de deur der tent waren genaderd, zoo maakten zij eerst eene verontschuldiging voor henzelven en hunne herhaalde komst, waardoor zij het Immanuel zoo lastig maakten, en zij zeiden, dat zij niet zoo vaak terugkwamen omdat zij er behagen in vonden hem lastig te wezen of zichzelven te hooren spreken, maar dat de nood hen drong. Zij konden, zeiden zij, nacht noch dag rusten wegens hunne overtredingen tegen El-Schaddaï en zijn zoon Immanuel. Zij zeiden ook, dat zij toch niet hoopten, dat eenig wangedrag van Ontwaakte Begeerte bij het laatste bezoek Zijne Majesteit mocht beleedigd hebben, en hij daarom met geen beteren troost was teruggekeerd. Na dit alles nu gezegd te hebben, wierp Ontwaakte Begeerte zich evenals de eerste maal op den grond aan de voeten van Immanuel, roepende: „O, dat toch Menschziel voor uw aangezicht mocht leven!” daarmede gaf hij zijn verzoekschrift over. De Prins dan het verzoekschrift gelezen hebbende, wendde zich weder een wijle ter zijde als de eerste maal, en daarna terugkomende op de plaats waar de smeekeling lag, vraagde hij naar zijn naam en wat er in hem werd gevonden in de schatting van de burgers van Menschziel, dat men boven velerlei anderen hem had uitgekozen om deze boodschap te doen. Daarop zeide de man tot den prins: „O, dat het toch niet kwaad zij in mijns heeren oogen, dat ik tot u kwam, en wat vraagt gij naar den naam van zulk een dooden hond als ik ben? Sla geen acht, bid ik u, op hetgeen ik ben, omdat er, zooals gij zeer wel weet, zulk een groote afstand bestaat tusschen u en mij. Waarom de lieden der stad mij gezonden hebben, zullen zij zelven het best weten; maar het kan nooit wezen omdat zij meenden, dat ik bij mijnen Heer in bijzondere gunst sta. Wat mij aangaat, ik heb een walg aan mijzelven, wie zou dan met mij bijzonder ingenomen zijn? Toch zou ik begeeren te leven, en dat begeer ik ook voor de lieden der stad, en waar beiden zij en ik aan groote overtredingen schuldig staan, zoo hebben zij mij gezonden en kom ik in hun naam u barmhartigheid vragen. Laat het u daarom behagen barmhartigheid te bewijzen; maar vraag niet wie uw dienstknecht is.”

Toen zeide de prins: „En waarom is uw medgezel met u gekomen in deze gewichtige zaak?” Zoo verhaalde Ontwaakte Begeerte aan Immanuel, dat hij een arme buurman van hem was, en een van zijne beste vrienden. „En zijn naam, als het Uwe Majesteit niet mishaagt, is Beweener van Menschziel. Ik weet, dat er velen van dien naam zijn en daaronder ook wel bedriegers, maar ik hoop, dat het mijnen Heer toch niet mishagen zal, dat ik mijn armen buurman heb medegebracht.”

Toen viel ook Beweener op zijn aangezicht ter aarde en sprak voor zichzelven:

„O, mijn Heer, wat ik ben weet ik zelf niet, noch of mijn naam slechts voorgewend dan wel waar is, vooral wanneer ik begin te bedenken wat sommigen gezegd hebben, namelijk dat de heer Berouw mijn vader is geweest. Goede lieden hebben soms slechte kinderen en de oprechten kweeken soms huichelaars. Mijne moeder noemde mij bij dien naam van mijne wieg af, maar of dit nu gebeurd is wegens de ijlheid van mijn hoofd dan wegens de weekheid van mijn hart, kan ik niet vertellen. Ik zie onreinheid in mijn eigen tranen en goddeloosheid op den bodem van mijne gebeden. Maar ik smeek u” (en bij dit alles weende die man zeer), „dat gij toch onze overtredingen niet wilt gedenken, noch onze ongerechtigheden en tekortkomingen aanzien, maar beide mijne zonden en die van Menschziel verschoonen en niet langer wachten met het verheerlijken van uwe genade aan ons.”

Nadat zij aldus hunne smeekingen voor zijn aangezicht hadden neergeworpen stonden zij bevende op en wachtten het antwoord af. De Prins sprak:

„De stad Menschziel heeft grootelijks tegen mijnen Vader gerebelleerd, daarin dat zij hem als haar koning verworpen heeft en zich tot een overheid koos een leugenaar, moordenaar en weggeloopen slaaf. Want dezen Diábolus, uw voorgewende vorst, eertijds zoo hoog door u geschat, stond op tegen mijn Vader en mij, in ons eigen paleis in het hoogste hof, meenende daar overheer en koning te worden. Maar daar is hij nog juist bijtijds ontdekt en gevangen genomen, voor zijne goddeloosheid in ketenen geklonken en in dien afgrond geworpen tegelijk met hen, die zijne metgezellen waren. Die onverlaat heeft zich aan u vertoond en gij hebt hem aangenomen.

„Dit is nu en was reeds langen tijd een groote beleediging voor mijnen Vader en daarom zond mijn Vader een machtig leger naar u heen om u weder tot zijne gehoorzaamheid terug te brengen. Maar gij weet hoe deze manschappen, hunne kapiteins en raadsheeren door u werden geacht en wat zij uit uwe hand ontvingen. Gij stondt tegen hen op, gij sloot uwe poorten voor hen, gij bondt den strijd met hen aan, gij vocht tegen hen en vóor Diábolus. Daarom zonden zij tot mijnen Vader om meerdere strijdkrachten en ik kwam met mijne manschappen om u tot onderwerping te brengen. Maar zooals gij de dienaars behandeld hebt, hebt gij ook den Meester behandeld. Gij stondt evenzeer vijandig tegenover mij en sloot ook voor mij uwe poorten, en hieldt u doof voor mijn roepstem, en hieldt den tegenstand zoo lang vol als gij maar kondt. Maar nu heb ik u met geweld onderworpen. Riept gij ook om genade zoolang gij nog hoop hadt het tegen mij uit te houden? Maar nu ik de stad ingenomen heb roept gij. Waarom riept gij niet eer toen de witte vlag mijner barmhartigheid en de zwarte vlag des oordeels tegenover elkander uithingen? Nu ik weer Diábolus overwonnen heb komt gij mijne gunst zoeken, maar waarom hielpt gij mij niet tegen dien machtigen reus? Toch wil ik uw verzoekschrift in overweging nemen en het beantwoorden zooals het meest strekken kan om mij te verheerlijken.

frame bottom

VREUGDE IN HET LEGER VAN IMMANUEL.

VREUGDE IN HET LEGER VAN IMMANUEL.

frame top

„Gaat heen en verzoekt kapitein Boanerges en kapitein Overtuiging, dat zij de gevangenen tot mij uitbrengen,[28]hier in het leger, en reeds morgen, en zegt tot kapitein Oordeel en kapitein Strafoefening, dat zij in het kasteel moeten blijven om alles in de stad Menschziel in rust te houden totdat gij verder van mij hooren zult.” En daarna keerde hij zich om en trok zich in zijn koninklijke tent terug.Zoo keerden dan ook onze beide smeekelingen om en zochten den terugweg op, het antwoord van den vorst overleggende. Het kwam hun zoo voor, dat er niet veel hoop was op genade en barmhartigheid, en dat de vorst te diep gekrenkt was om hun te kunnen gehoor verleenen. Zoo kwamen zij dan ook tot de plaats waar de gevangenen in hunne ketenen nederlagen, maar hun droevige gemoedsgesteldheid was oorzaak, dat zij in het eerst geen enkel woord konden uitbrengen.Aan de poorten der stad hadden reeds honderden inwoners hen opgewacht en hun toegeroepen: „Welke tijding brengt gij mede? Wat heeft de Prins gezegd?” maar zij antwoordden daar niet op tot zij aan de gevangenis gekomen waren, terwijl de schare hen op de hielen volgde. Toen zij een weinig bekomen waren, deelden zij het eerste gedeelte van Immanuels antwoord aan de gevangenen mede, te weten wat hij gezegd had van hunne booze handelingen tegenover den koning en hun verbond met Diábolus, hoe zij voor hem gevochten hadden, naar hem geluisterd, zich door hem hadden laten regeeren en den Prins met zijne mannen veracht. Dit maakte dat de gevangenen bleek begonnen te zien; maar de boodschappers gingen voort en spraken: „Hij zeide, dat hij desniettemin ons verzoekschrift in overweging wilde nemen en daarop zulk een antwoord geven als hem het meest verheerlijken zal.” En toen deze woorden gesproken waren slaakte Beweener een zeer diepe zucht. Daarop werd al het volk droevig en verslagen; allen meenden hun doodvonnis ontvangen te hebben. Nu was er onder het volk ook een oud edelman, wiens naam luidde Onderzoeker. Deze vraagde aan de boodschappers of zij nu alles verteld hadden wat Immanuel had gezegd en zij riepen: „O, neen, dat is waar.” Daarop vraagde Onderzoeker: „Nu, wat heeft hij dan nog meer tot u gezegd?” Toen bedachten zij zich een oogenblik en daarna kwam alles er uit: „De Prins verzocht ons ook de kapiteins Boanerges en Overtuiging te gelasten morgen de gevangenen tot hem uit te brengen, en de kapiteins Oordeel en Strafoefening te vragen zoolang opzicht te houden over het kasteel en de stad tot wij meer van hem zouden hooren.” Ook voegden zij nog daarbij: „Toen de prins dit gezegd had keerde hij ons onmiddellijk den rug toe en verwijderde zich.”Maar o, dit laatste bericht brak alle hoop op eenmaal af. Eensklaps ging er een eenparige jammertoon uit aller mond ten hemel. Daarop bereidde ieder der drie gevangenen zich tot den dood, terwijl de griffier sprak: „Dit was het juist, dat ik vreesde!” Zij meenden stellig, dat morgen eer de zon onderging hun levenslamp zou zijn uitgebluscht, en alle lieden der stad geloofden niet anders dan dat een dergelijk vonnis hen allen treffen zou. Dien ganschen nacht bracht de stad Menschziel door in geween, zak en asch. Toen de tijd gekomen was om naar den Prins te gaan, kleedden de gevangenen zich in rouwgewaad met stroppen om hunne halzen, en de gansche stad Menschziel vertegenwoordigde zich op de wallen in diepen rouw gekleed, opdat de Prins door het gezicht van al dien rouw tot medelijden mocht worden gestemd. Al wat zich in Menschziel bewoog liep als razend en wanhopig door de straten, de een luid schreiend en kermend, de ander in stomme smart.[28]Breng de gevangenen tot mij uit. De gevangen en gebonden ziel is niet op eenmaal en onmiddellijk verlost; zij moet het ernstig gevoelen welk eene droevige zaak het is tegen den Heere te zondigen.

„Gaat heen en verzoekt kapitein Boanerges en kapitein Overtuiging, dat zij de gevangenen tot mij uitbrengen,[28]hier in het leger, en reeds morgen, en zegt tot kapitein Oordeel en kapitein Strafoefening, dat zij in het kasteel moeten blijven om alles in de stad Menschziel in rust te houden totdat gij verder van mij hooren zult.” En daarna keerde hij zich om en trok zich in zijn koninklijke tent terug.

Zoo keerden dan ook onze beide smeekelingen om en zochten den terugweg op, het antwoord van den vorst overleggende. Het kwam hun zoo voor, dat er niet veel hoop was op genade en barmhartigheid, en dat de vorst te diep gekrenkt was om hun te kunnen gehoor verleenen. Zoo kwamen zij dan ook tot de plaats waar de gevangenen in hunne ketenen nederlagen, maar hun droevige gemoedsgesteldheid was oorzaak, dat zij in het eerst geen enkel woord konden uitbrengen.

Aan de poorten der stad hadden reeds honderden inwoners hen opgewacht en hun toegeroepen: „Welke tijding brengt gij mede? Wat heeft de Prins gezegd?” maar zij antwoordden daar niet op tot zij aan de gevangenis gekomen waren, terwijl de schare hen op de hielen volgde. Toen zij een weinig bekomen waren, deelden zij het eerste gedeelte van Immanuels antwoord aan de gevangenen mede, te weten wat hij gezegd had van hunne booze handelingen tegenover den koning en hun verbond met Diábolus, hoe zij voor hem gevochten hadden, naar hem geluisterd, zich door hem hadden laten regeeren en den Prins met zijne mannen veracht. Dit maakte dat de gevangenen bleek begonnen te zien; maar de boodschappers gingen voort en spraken: „Hij zeide, dat hij desniettemin ons verzoekschrift in overweging wilde nemen en daarop zulk een antwoord geven als hem het meest verheerlijken zal.” En toen deze woorden gesproken waren slaakte Beweener een zeer diepe zucht. Daarop werd al het volk droevig en verslagen; allen meenden hun doodvonnis ontvangen te hebben. Nu was er onder het volk ook een oud edelman, wiens naam luidde Onderzoeker. Deze vraagde aan de boodschappers of zij nu alles verteld hadden wat Immanuel had gezegd en zij riepen: „O, neen, dat is waar.” Daarop vraagde Onderzoeker: „Nu, wat heeft hij dan nog meer tot u gezegd?” Toen bedachten zij zich een oogenblik en daarna kwam alles er uit: „De Prins verzocht ons ook de kapiteins Boanerges en Overtuiging te gelasten morgen de gevangenen tot hem uit te brengen, en de kapiteins Oordeel en Strafoefening te vragen zoolang opzicht te houden over het kasteel en de stad tot wij meer van hem zouden hooren.” Ook voegden zij nog daarbij: „Toen de prins dit gezegd had keerde hij ons onmiddellijk den rug toe en verwijderde zich.”

Maar o, dit laatste bericht brak alle hoop op eenmaal af. Eensklaps ging er een eenparige jammertoon uit aller mond ten hemel. Daarop bereidde ieder der drie gevangenen zich tot den dood, terwijl de griffier sprak: „Dit was het juist, dat ik vreesde!” Zij meenden stellig, dat morgen eer de zon onderging hun levenslamp zou zijn uitgebluscht, en alle lieden der stad geloofden niet anders dan dat een dergelijk vonnis hen allen treffen zou. Dien ganschen nacht bracht de stad Menschziel door in geween, zak en asch. Toen de tijd gekomen was om naar den Prins te gaan, kleedden de gevangenen zich in rouwgewaad met stroppen om hunne halzen, en de gansche stad Menschziel vertegenwoordigde zich op de wallen in diepen rouw gekleed, opdat de Prins door het gezicht van al dien rouw tot medelijden mocht worden gestemd. Al wat zich in Menschziel bewoog liep als razend en wanhopig door de straten, de een luid schreiend en kermend, de ander in stomme smart.

[28]Breng de gevangenen tot mij uit. De gevangen en gebonden ziel is niet op eenmaal en onmiddellijk verlost; zij moet het ernstig gevoelen welk eene droevige zaak het is tegen den Heere te zondigen.

[28]Breng de gevangenen tot mij uit. De gevangen en gebonden ziel is niet op eenmaal en onmiddellijk verlost; zij moet het ernstig gevoelen welk eene droevige zaak het is tegen den Heere te zondigen.

frame bottom

MENSCHZIEL IN FEESTGEWAAD.Zoo was dan de tijd gekomen, waarop de gevangenen moesten vertrekken en voor den Prins verschijnen. Dit was de optocht, waarin zij gingen.[29]Kapitein Boanerges ging met eene wacht vooruit en kapitein Overtuiging kwam achteraan, met de gevangenen in ketenen geslagen in hun midden. Deze laatste gingen diep gebogen en dropen weg van treurigheid, maar de kapiteins gingen met vliegende vaandels en volle wapenrusting.’t Was een jammerlijk gezicht dat drietal met stroppen om hunnen hals, telkens zich op de borst slaande, terwijl zij het niet waagden hunne oogen ten hemel op te heffen. Toen zij midden in het leger van den Prins kwamen deed de heerlijkheid daarvan hunne droefheid nog vermeerderen. Zij konden zich nu niet langer inhouden, maar riepen overluid: „O ongelukkige menschen! O rampzalige inwoners van Menschziel!” terwijl zij met hunne ketenen rammelden, welk geluid hun angstkreet nog akeliger maakte.Voor de deur van ’s Prinsen tent gekomen knielden de gevangenen eerbiedig neer, terwijl iemand naar binnen ging om den Prins van hunne aankomst te verwittigen. Toen beklom de Prins een prachtigen troon en liet ze inbrengen; zij kwamen bevende voor hem, terwijl hun aangezicht van schaamte bloosde, en wierpen zich onmiddellijk ter aarde. Maar de Prins zeide tot kapitein Boanerges: „Zeg den gevangenen, dat zij op hunne voeten staan moeten.” Toen stonden zij weder sidderend vlak voor den vorst, die tot hen sprak: „Zijt gij die mannen, die eertijds dienaren waart van El-Schaddaï?” En zij antwoordden: „Ja, heer, ja!” Toen ging de prins voort: „Zijt gij dan ook die mannen, die toelieten, dat alles bedorven en ingenomen werd door dien afschuwelijken Diábolus?” En zij antwoordden „Wij deden zelfs meer dan dit toelaten, Heer, want wij verkozen hem zelf tot meester.” Toen ging de prins voort: „Zoudt gij er mede tevreden geweest zijn, dat uwe slavernij onder zijne tirannie uw leven lang voortgeduurd had?”[29]De gevangenen werden uitgeleid. Het komen van eene overtuigde ziel tot Christus gaat niet anders dan met Boanerges voorop en Overtuiging tot achterhoede.

MENSCHZIEL IN FEESTGEWAAD.

Zoo was dan de tijd gekomen, waarop de gevangenen moesten vertrekken en voor den Prins verschijnen. Dit was de optocht, waarin zij gingen.[29]Kapitein Boanerges ging met eene wacht vooruit en kapitein Overtuiging kwam achteraan, met de gevangenen in ketenen geslagen in hun midden. Deze laatste gingen diep gebogen en dropen weg van treurigheid, maar de kapiteins gingen met vliegende vaandels en volle wapenrusting.

’t Was een jammerlijk gezicht dat drietal met stroppen om hunnen hals, telkens zich op de borst slaande, terwijl zij het niet waagden hunne oogen ten hemel op te heffen. Toen zij midden in het leger van den Prins kwamen deed de heerlijkheid daarvan hunne droefheid nog vermeerderen. Zij konden zich nu niet langer inhouden, maar riepen overluid: „O ongelukkige menschen! O rampzalige inwoners van Menschziel!” terwijl zij met hunne ketenen rammelden, welk geluid hun angstkreet nog akeliger maakte.

Voor de deur van ’s Prinsen tent gekomen knielden de gevangenen eerbiedig neer, terwijl iemand naar binnen ging om den Prins van hunne aankomst te verwittigen. Toen beklom de Prins een prachtigen troon en liet ze inbrengen; zij kwamen bevende voor hem, terwijl hun aangezicht van schaamte bloosde, en wierpen zich onmiddellijk ter aarde. Maar de Prins zeide tot kapitein Boanerges: „Zeg den gevangenen, dat zij op hunne voeten staan moeten.” Toen stonden zij weder sidderend vlak voor den vorst, die tot hen sprak: „Zijt gij die mannen, die eertijds dienaren waart van El-Schaddaï?” En zij antwoordden: „Ja, heer, ja!” Toen ging de prins voort: „Zijt gij dan ook die mannen, die toelieten, dat alles bedorven en ingenomen werd door dien afschuwelijken Diábolus?” En zij antwoordden „Wij deden zelfs meer dan dit toelaten, Heer, want wij verkozen hem zelf tot meester.” Toen ging de prins voort: „Zoudt gij er mede tevreden geweest zijn, dat uwe slavernij onder zijne tirannie uw leven lang voortgeduurd had?”

[29]De gevangenen werden uitgeleid. Het komen van eene overtuigde ziel tot Christus gaat niet anders dan met Boanerges voorop en Overtuiging tot achterhoede.

[29]De gevangenen werden uitgeleid. Het komen van eene overtuigde ziel tot Christus gaat niet anders dan met Boanerges voorop en Overtuiging tot achterhoede.

frame bottom

frame top

En zij antwoordden: „Ja, heer, ja; want zijne wegen waren aangenaam voor ons vleesch en wij waren vervreemd geworden van betere dingen.” „En wenschtet gij ook van harte,” ging hij voort, „toen ik optrok tegen Menschziel, dat ik de overwinning over ulieden niet behaald had?” — „Ja, Heer, ja!” antwoordden zij met schaamte. Toen zeide de Prins: „En welke straf meent gij nu wel, dat gij van mijne hand verdient door deze en nog zoovele andere groote zonden?” En zij antwoordden: „Beiden den dood en het verderf, Heer, wij hebben niets minder verdiend.” Hij vraagde verder of zij dan niets tot verschooning van zichzelven hadden in te brengen. Maar zij antwoordden: „Wij kunnen niets anders zeggen heer, dan dat gij rechtvaardig zijt en wij schuldig.” Toen zeide de Prins: „En waarom zijn er stroppen om uwen hals? De gevangenen antwoordden: „Die stroppen zijn bestemd om ons er mede te binden op de gerichtsplaats, wanneer het u niet behaagt onsSpreuk. 5 : 22.barmhartigheid te bewijzen.” Zoo vraagde hij dan al verder, of al de lieden van Menschziel het met hen eens waren in deze belijdenis? En zij antwoordden: „Ja, al de inboorlingen van Menschziel, Heer, maar wat de Diàbolusmannen aangaat, die tot ons inkwamen toen de reus ons in bezit nam, van hen kunnen wij niets zeggen.”Toen beval de Prins dat er een heraut zou worden geroepen, en dat deze door het midden van het gansche leger van Immanuel gaan zou om uit te roepen bij den klank der trompet, dat de Prins, de zoon van El-Schaddaï, in den naam van zijn Vader en tot zijns Vaders heerlijkheid een volkomen overwinning behaald had op de stad Menschziel; en dat de gevangenen hem zouden navolgen al roepende: „Amen.” Dit gebeurde zooals hij bevolen had, terwijl de muziek der hooge plaatsen overheerlijk speelde en de kapiteins, die in het leger waren, juichten, en de soldaten overwinningsliederen zongen ter eere van den Prins; de vaandels wapperden in den wind en overal was groote vreugde; alleen de mannen van Menschziel bezweken schier van verlangen om van dit alles het einde te weten.Toen liet de Prins de gevangenen weder roepen om nogmaals voor hem te staan, en zij kwamen weder bevende voor hem. Maar hij sprak tot hen: „De zonden, ongerechtigheden, overtredingen, die gij met de gansche stad Menschziel gedurende al dien tijd tegen mijnen Vader en mij bedreven hebt, mag ik u uit naam van mijnen Vader vergeven, en dat doe ik bij dezen.” En dit gezegd hebbende, gaf hij hun, op perkament geschreven en verzegeld met zeven zegelen een groot en algemeen pardon, bevelende aan den heer burgemeester, den heer Vastewil, en den heer griffier te willen zorgen, dat dit pardon op morgen als de zon opging, door de gansche stad Menschziel zou worden gehoord.Bovendien liet de Prins de gevangenen hun rouwgewaad uittrekken enJes. 61 : 3.gaf hun sieraad voor assche en vreugdeolie voor treurigheid en het gewaad des lofs voor een benauwden geest.Toen gaf hij aan ieder hunner drie gouden kleinodiën en kostbare steenen, en nam hunne stroppen af en hing gouden ketenen om hunnen hals en gouden ringen in hunne ooren. Toen nu de gevangenen de genadige woorden van Prins Immanuel hoorden en al wat hun gedaan werd bemerkten, vielen zij schier in zwijm; want de genade, de weldadigheid, het pardon gingen allen zoo schielijk in hun werk, waren zoo overheerlijk en verrassend, dat zij niet in staat waren zooveel goedheid te verdragen. Ja, de heer Vastewil bezweek schier geheel; maar de Prins liep op hem toe, omvatte hem met zijn eeuwige armen, omhelsde hem, kuste hem en sprak hem moed in, daar alles naar het woord der belofte zou worden gedaan. Ook omhelsde hij en kuste de anderen, die Vastewils medgezellen waren, zeggende: „Neem dit aan als een teeken van mijne liefde, gunst en medelijden, en nu belast ik u, mijnheer de griffier, dat gij aan de stad Menschziel mededeelt wat gij gehoord en gezien hebt.”

En zij antwoordden: „Ja, heer, ja; want zijne wegen waren aangenaam voor ons vleesch en wij waren vervreemd geworden van betere dingen.” „En wenschtet gij ook van harte,” ging hij voort, „toen ik optrok tegen Menschziel, dat ik de overwinning over ulieden niet behaald had?” — „Ja, Heer, ja!” antwoordden zij met schaamte. Toen zeide de Prins: „En welke straf meent gij nu wel, dat gij van mijne hand verdient door deze en nog zoovele andere groote zonden?” En zij antwoordden: „Beiden den dood en het verderf, Heer, wij hebben niets minder verdiend.” Hij vraagde verder of zij dan niets tot verschooning van zichzelven hadden in te brengen. Maar zij antwoordden: „Wij kunnen niets anders zeggen heer, dan dat gij rechtvaardig zijt en wij schuldig.” Toen zeide de Prins: „En waarom zijn er stroppen om uwen hals? De gevangenen antwoordden: „Die stroppen zijn bestemd om ons er mede te binden op de gerichtsplaats, wanneer het u niet behaagt onsSpreuk. 5 : 22.barmhartigheid te bewijzen.” Zoo vraagde hij dan al verder, of al de lieden van Menschziel het met hen eens waren in deze belijdenis? En zij antwoordden: „Ja, al de inboorlingen van Menschziel, Heer, maar wat de Diàbolusmannen aangaat, die tot ons inkwamen toen de reus ons in bezit nam, van hen kunnen wij niets zeggen.”

Toen beval de Prins dat er een heraut zou worden geroepen, en dat deze door het midden van het gansche leger van Immanuel gaan zou om uit te roepen bij den klank der trompet, dat de Prins, de zoon van El-Schaddaï, in den naam van zijn Vader en tot zijns Vaders heerlijkheid een volkomen overwinning behaald had op de stad Menschziel; en dat de gevangenen hem zouden navolgen al roepende: „Amen.” Dit gebeurde zooals hij bevolen had, terwijl de muziek der hooge plaatsen overheerlijk speelde en de kapiteins, die in het leger waren, juichten, en de soldaten overwinningsliederen zongen ter eere van den Prins; de vaandels wapperden in den wind en overal was groote vreugde; alleen de mannen van Menschziel bezweken schier van verlangen om van dit alles het einde te weten.

Toen liet de Prins de gevangenen weder roepen om nogmaals voor hem te staan, en zij kwamen weder bevende voor hem. Maar hij sprak tot hen: „De zonden, ongerechtigheden, overtredingen, die gij met de gansche stad Menschziel gedurende al dien tijd tegen mijnen Vader en mij bedreven hebt, mag ik u uit naam van mijnen Vader vergeven, en dat doe ik bij dezen.” En dit gezegd hebbende, gaf hij hun, op perkament geschreven en verzegeld met zeven zegelen een groot en algemeen pardon, bevelende aan den heer burgemeester, den heer Vastewil, en den heer griffier te willen zorgen, dat dit pardon op morgen als de zon opging, door de gansche stad Menschziel zou worden gehoord.

Bovendien liet de Prins de gevangenen hun rouwgewaad uittrekken enJes. 61 : 3.gaf hun sieraad voor assche en vreugdeolie voor treurigheid en het gewaad des lofs voor een benauwden geest.

Toen gaf hij aan ieder hunner drie gouden kleinodiën en kostbare steenen, en nam hunne stroppen af en hing gouden ketenen om hunnen hals en gouden ringen in hunne ooren. Toen nu de gevangenen de genadige woorden van Prins Immanuel hoorden en al wat hun gedaan werd bemerkten, vielen zij schier in zwijm; want de genade, de weldadigheid, het pardon gingen allen zoo schielijk in hun werk, waren zoo overheerlijk en verrassend, dat zij niet in staat waren zooveel goedheid te verdragen. Ja, de heer Vastewil bezweek schier geheel; maar de Prins liep op hem toe, omvatte hem met zijn eeuwige armen, omhelsde hem, kuste hem en sprak hem moed in, daar alles naar het woord der belofte zou worden gedaan. Ook omhelsde hij en kuste de anderen, die Vastewils medgezellen waren, zeggende: „Neem dit aan als een teeken van mijne liefde, gunst en medelijden, en nu belast ik u, mijnheer de griffier, dat gij aan de stad Menschziel mededeelt wat gij gehoord en gezien hebt.”

frame bottom

DE INTOCHT VAN IMMANUEL.

DE INTOCHT VAN IMMANUEL.

frame top

Toen werden hunne ketenen voor hun aangezicht in stukken gebroken en in de lucht geslingerd, terwijl hunne voetstappen onder hen werden vastgemaakt. Toen vielen zij neder aan de voeten van den Prins, kusten zijne voeten en maakten die nat met hunne tranen; ook riepen zij uit met luide stemmen: „Gezegend zij de heerlijkheid des Heeren van uit deze plaats!” Toen werden zij verzocht op te staan en aan de stad Menschziel te gaan vertellen wat de Prins gedaan had. Hij beval ook, dat lieden met fluiten en trommelen voor hen zou uitgaan en spelen in de geheele stad Menschziel. Toen werd vervuld waar zij nooit naar hadden uitgezien en kwam in hun bezit wat zij nooit gedroomd hadden.De Prins liet ook den edelen kapitein Geloof roepen en beval, dat hij en eenige zijner officieren voor de edellieden van Menschziel zouden heentrekken en rukken met vliegende vaandels de stad binnen. Ook ontving deze kapitein Geloof last om ten tijde als de griffier het algemeen pardon in de stad Menschziel zou aflezen, alsdan met vliegende vaandels de Oogpoort in te rijden met tienduizend mannen en zijn gevolg. Hij moest dan doortrekken de hooge straat op tot in het kasteel, en nemen dat in bezit tot zijn Heer daar binnen kwam. Bovendien moest aan de kapiteins Oordeel en Strafoefening geboden worden die sterkte aan hem af te staan, Menschziel te verlaten en spoedig tot den Prins in het leger terug te keeren.Alzoo was nu de stad verlost van de verschrikkingen der vier eerste kapiteins en hunne manschappen.Welnu, ik heb u verteld hoe de gevangenen door den edelen vorst Immanuel behandeld werden en hoe zij zich voor hem gedroegen en hoe hij ze met fluit en trommel weder naar huis zond. Nu moet gij u eens voorstellen hoe die van de stad, die niets anders verwachtten te hooren dan een vonnis des doods, en daarom niet anders dan in droefenis konden verkeeren, alsof ze met doornen gegeeseld werden, deze verandering van zaken vernamen. Hunne gedachten konden zich in het eerst op geen ander punt bepalen; zij verkeerden voortdurend in groote onzekerheid, ja hunne harten waren gelijk een weegschaal, die door een bevende hand wordt vastgehouden. Maar ten laatste toen zij telkens over den muur keken, meenden zij toch iets te zien terugkeeren, en nu dachten zij weder: wie zouden dat wezen? Ten laatste herkenden zij hunne gevangenen; maar wie beschrijft de verwondering hunner harten, toen zij bemerkten onder welk een geleide en met hoeveel eerbewijzen zij terugkeerden. Zij gingen naar het leger in het zwart, maar keerden nu in het wit terug; zij gingen uit naar het leger met stroppen om hun hals en keerden nu terug met gouden ketenen omhangen; zij gingen uit naar het leger met hunne voeten in ketenen, maar kwamen terug met ontbonden en vroolijke voetstappen; zij gingen uit naar het leger met den dood voor oogen en kwamen terug in de volle verzekerdheid des levens; zij gingen uit naar het leger met bezwaarde harten, maar kwamen terug met trommelen en pijpen.Toen zij nu voor de Oogpoort gekomen waren, waagde de arme bezwaarde stad Menschziel het, een kreet te doen opgaan, en het was zulk een kreet dat de kapiteins in ’s Prinsen leger bij dat geluid kwamen toeloopen. Ach, die arme bezwaarde harten! wie zal hun dit euvel duiden, daar hunne doodgewaande vrienden weder in het leven waren teruggekeerd; want het was hun als een leven uit den dood de oudsten van Menschziel in zulk een glans te zien verschijnen. Zij hadden naar niets anders uitgezien dan naar den bijl en het blok; maar ziet, vreugde en blijdschap, groote vertroosting en zulke welluidende muziek bereikten hen, dat er een zieke gezond van worden zou.

Toen werden hunne ketenen voor hun aangezicht in stukken gebroken en in de lucht geslingerd, terwijl hunne voetstappen onder hen werden vastgemaakt. Toen vielen zij neder aan de voeten van den Prins, kusten zijne voeten en maakten die nat met hunne tranen; ook riepen zij uit met luide stemmen: „Gezegend zij de heerlijkheid des Heeren van uit deze plaats!” Toen werden zij verzocht op te staan en aan de stad Menschziel te gaan vertellen wat de Prins gedaan had. Hij beval ook, dat lieden met fluiten en trommelen voor hen zou uitgaan en spelen in de geheele stad Menschziel. Toen werd vervuld waar zij nooit naar hadden uitgezien en kwam in hun bezit wat zij nooit gedroomd hadden.

De Prins liet ook den edelen kapitein Geloof roepen en beval, dat hij en eenige zijner officieren voor de edellieden van Menschziel zouden heentrekken en rukken met vliegende vaandels de stad binnen. Ook ontving deze kapitein Geloof last om ten tijde als de griffier het algemeen pardon in de stad Menschziel zou aflezen, alsdan met vliegende vaandels de Oogpoort in te rijden met tienduizend mannen en zijn gevolg. Hij moest dan doortrekken de hooge straat op tot in het kasteel, en nemen dat in bezit tot zijn Heer daar binnen kwam. Bovendien moest aan de kapiteins Oordeel en Strafoefening geboden worden die sterkte aan hem af te staan, Menschziel te verlaten en spoedig tot den Prins in het leger terug te keeren.

Alzoo was nu de stad verlost van de verschrikkingen der vier eerste kapiteins en hunne manschappen.

Welnu, ik heb u verteld hoe de gevangenen door den edelen vorst Immanuel behandeld werden en hoe zij zich voor hem gedroegen en hoe hij ze met fluit en trommel weder naar huis zond. Nu moet gij u eens voorstellen hoe die van de stad, die niets anders verwachtten te hooren dan een vonnis des doods, en daarom niet anders dan in droefenis konden verkeeren, alsof ze met doornen gegeeseld werden, deze verandering van zaken vernamen. Hunne gedachten konden zich in het eerst op geen ander punt bepalen; zij verkeerden voortdurend in groote onzekerheid, ja hunne harten waren gelijk een weegschaal, die door een bevende hand wordt vastgehouden. Maar ten laatste toen zij telkens over den muur keken, meenden zij toch iets te zien terugkeeren, en nu dachten zij weder: wie zouden dat wezen? Ten laatste herkenden zij hunne gevangenen; maar wie beschrijft de verwondering hunner harten, toen zij bemerkten onder welk een geleide en met hoeveel eerbewijzen zij terugkeerden. Zij gingen naar het leger in het zwart, maar keerden nu in het wit terug; zij gingen uit naar het leger met stroppen om hun hals en keerden nu terug met gouden ketenen omhangen; zij gingen uit naar het leger met hunne voeten in ketenen, maar kwamen terug met ontbonden en vroolijke voetstappen; zij gingen uit naar het leger met den dood voor oogen en kwamen terug in de volle verzekerdheid des levens; zij gingen uit naar het leger met bezwaarde harten, maar kwamen terug met trommelen en pijpen.

Toen zij nu voor de Oogpoort gekomen waren, waagde de arme bezwaarde stad Menschziel het, een kreet te doen opgaan, en het was zulk een kreet dat de kapiteins in ’s Prinsen leger bij dat geluid kwamen toeloopen. Ach, die arme bezwaarde harten! wie zal hun dit euvel duiden, daar hunne doodgewaande vrienden weder in het leven waren teruggekeerd; want het was hun als een leven uit den dood de oudsten van Menschziel in zulk een glans te zien verschijnen. Zij hadden naar niets anders uitgezien dan naar den bijl en het blok; maar ziet, vreugde en blijdschap, groote vertroosting en zulke welluidende muziek bereikten hen, dat er een zieke gezond van worden zou.


Back to IndexNext