frame bottom
DE KAPITEINS ZETTEN DE VERDEDIGING VOORT.
DE KAPITEINS ZETTEN DE VERDEDIGING VOORT.
frame top
De burgers werden hierdoor aangemoedigd nog nauwkeuriger onderzoek te doen; maar het gebroed van Diábolus hield zich nu zóo schuil, dat men het onmogelijk vinden kon.Eerst was Diábolus met zijn leger op het gezicht van deze kloeke daden wel een weinig ontmoedigd, maar aldra veranderde zijne kleinmoedigheid in woedende dolheid en brieschend als een leeuw vloog hij op tot den strijd. Den stedelingen en kapiteins was een hart onder den riem gestoken; en daar zij stellig geloofden, dat zij nog eenmaal zouden triomfeeren, vreesden zij niet. De Onderleeraar hield eene predikatie over den tekst uit Gen. 49 : 19. „Aangaande Gath, eene bende zal hem aanvallen, maar hij zal haar aanvallen aan het einde.” Daarin toonde hij aan, dat ofschoon Menschziel er nu zeer ellendig aan toe was; zij toch voorzeker zou overwinnen.Diábolus liet weder zijn trom roeren; maar de kapiteins der stad, dat hoorende, bliezen op hunne zilveren trompetten. Trommen waren in Menschziel niet. Toen kwam Diábolus leger op de stad aan om die in te nemen, terwijl de kapiteins op Mondpoort de slingers lieten werken en de slingeraars van den muur het hunne deden. In Diábolus leger hoorde men niet anders dan vervaarlijk tieren en lasteren; maar in de stad verstandige redeneeringen, gebeden en psalmen. De vijanden braakten allerlei scheldwoorden uit op het geluid van hun trom; maar die van de stad bliezen voortdurend op hunne heerlijke trompetten en wierpen met slingersteenen. Zoo hield deze strijd aan vele dagen achtereen. Alleen hielden zij nu en dan een weinig rust, opdat de soldaten zich konden verkwikken en de kapiteins zich tot een nieuwen aanval gereed maken.De kapiteins van Immanuel waren gekleed in zilveren wapenrusting en die der soldaten was van wel beproefd metaal. De soldaten van Diábolus waren in het ijzer gekleed, dat zoo was ingericht, dat het Immanuels schoten kon weerstaan. In de stad waren sommigen licht gewond en anderen vrij ernstig. Het ergste van alles was, dat er geen geneesmeester in Menschziel was omdatOpenb. 22 : 2.Ps. 38 : 5.Immanuel afwezig was.[48]Toch werden zij door de genezende bladeren van een boom van sterven bewaard, ofschoon hunne wonden grootelijks vervuilden en sommigen zelfs een ondragelijken stank van zich afgaven, vooral bij den heer Rede, die aan het hoofd gewond was. Een andere gewonde was de heer burgemeester zelf; die was in zijn oog getroffen. Een derde geblesseerde was de heer Gemoed; hij kreeg eene verwonding in zijn maag. Daarbij kwam nog de brave Onderleeraar, die een schot ontving niet verre van het hart; maar geen dezer wonden waren doodelijk. Vele minderen waren insgelijks getroffen, sommigen zelfs doodelijk.In het leger van Diábolus was het getal gewonden en verslagenen buitengewoon groot. De kapiteins Woede en Wreed beiden. De kapitein Verdoemenis werd genoodzaakt te wijken en zich zeer verre van de stad te begeven;[49]de standaard van Diábolus was nedergeworpen en zijn vaandeldrager Veelkwaad werden door een slingersteen de hersenen ingeworpen tot groot verdriet van zijn vorst. Velen van de Twijfelaars werden ook nedergeveld, hoewel er nog genoeg in het leven bleven om Menschziel te doen beven en sidderen. Daar evenwel te dezer dage de overwinning voortdurend aan de zijde van Menschziel was gebleven, zoo gaf dit grooten moed aan de lieden, en Diábolus leger was als met eene wolk bedekt. Den volgenden dag rustte Menschziel en er werd gelast, dat de klokken zouden worden geluid en de trompetten geblazen, en toen dit gebeurde juichten al de kapiteins.[48]Geen geneesheer in Menschziel; maar wèl genezende bladen. Zeer goed wordt door onzen Bunyan hier onderscheid gemaakt tusschen het bezit van Christus zelf en dat van zijne gaven. Ware de Geneesmeester er zelf geweest, dan zou zijne tegenwoordigheid alleen alle kranken gezond hebben gemaakt. Hier ziet men ook het onderscheid tusschen genezingen door het geloof en door de middelen, waarbij Christus meer indirect zijne kracht openbaart.[49]Kapitein Verdoemenis moest wijken — zeer ver van de stad. „Zoo is er dan nu geene verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vleesch wandelen, maar naar den Geest.”
De burgers werden hierdoor aangemoedigd nog nauwkeuriger onderzoek te doen; maar het gebroed van Diábolus hield zich nu zóo schuil, dat men het onmogelijk vinden kon.
Eerst was Diábolus met zijn leger op het gezicht van deze kloeke daden wel een weinig ontmoedigd, maar aldra veranderde zijne kleinmoedigheid in woedende dolheid en brieschend als een leeuw vloog hij op tot den strijd. Den stedelingen en kapiteins was een hart onder den riem gestoken; en daar zij stellig geloofden, dat zij nog eenmaal zouden triomfeeren, vreesden zij niet. De Onderleeraar hield eene predikatie over den tekst uit Gen. 49 : 19. „Aangaande Gath, eene bende zal hem aanvallen, maar hij zal haar aanvallen aan het einde.” Daarin toonde hij aan, dat ofschoon Menschziel er nu zeer ellendig aan toe was; zij toch voorzeker zou overwinnen.
Diábolus liet weder zijn trom roeren; maar de kapiteins der stad, dat hoorende, bliezen op hunne zilveren trompetten. Trommen waren in Menschziel niet. Toen kwam Diábolus leger op de stad aan om die in te nemen, terwijl de kapiteins op Mondpoort de slingers lieten werken en de slingeraars van den muur het hunne deden. In Diábolus leger hoorde men niet anders dan vervaarlijk tieren en lasteren; maar in de stad verstandige redeneeringen, gebeden en psalmen. De vijanden braakten allerlei scheldwoorden uit op het geluid van hun trom; maar die van de stad bliezen voortdurend op hunne heerlijke trompetten en wierpen met slingersteenen. Zoo hield deze strijd aan vele dagen achtereen. Alleen hielden zij nu en dan een weinig rust, opdat de soldaten zich konden verkwikken en de kapiteins zich tot een nieuwen aanval gereed maken.
De kapiteins van Immanuel waren gekleed in zilveren wapenrusting en die der soldaten was van wel beproefd metaal. De soldaten van Diábolus waren in het ijzer gekleed, dat zoo was ingericht, dat het Immanuels schoten kon weerstaan. In de stad waren sommigen licht gewond en anderen vrij ernstig. Het ergste van alles was, dat er geen geneesmeester in Menschziel was omdatOpenb. 22 : 2.Ps. 38 : 5.Immanuel afwezig was.[48]Toch werden zij door de genezende bladeren van een boom van sterven bewaard, ofschoon hunne wonden grootelijks vervuilden en sommigen zelfs een ondragelijken stank van zich afgaven, vooral bij den heer Rede, die aan het hoofd gewond was. Een andere gewonde was de heer burgemeester zelf; die was in zijn oog getroffen. Een derde geblesseerde was de heer Gemoed; hij kreeg eene verwonding in zijn maag. Daarbij kwam nog de brave Onderleeraar, die een schot ontving niet verre van het hart; maar geen dezer wonden waren doodelijk. Vele minderen waren insgelijks getroffen, sommigen zelfs doodelijk.
In het leger van Diábolus was het getal gewonden en verslagenen buitengewoon groot. De kapiteins Woede en Wreed beiden. De kapitein Verdoemenis werd genoodzaakt te wijken en zich zeer verre van de stad te begeven;[49]de standaard van Diábolus was nedergeworpen en zijn vaandeldrager Veelkwaad werden door een slingersteen de hersenen ingeworpen tot groot verdriet van zijn vorst. Velen van de Twijfelaars werden ook nedergeveld, hoewel er nog genoeg in het leven bleven om Menschziel te doen beven en sidderen. Daar evenwel te dezer dage de overwinning voortdurend aan de zijde van Menschziel was gebleven, zoo gaf dit grooten moed aan de lieden, en Diábolus leger was als met eene wolk bedekt. Den volgenden dag rustte Menschziel en er werd gelast, dat de klokken zouden worden geluid en de trompetten geblazen, en toen dit gebeurde juichten al de kapiteins.
[48]Geen geneesheer in Menschziel; maar wèl genezende bladen. Zeer goed wordt door onzen Bunyan hier onderscheid gemaakt tusschen het bezit van Christus zelf en dat van zijne gaven. Ware de Geneesmeester er zelf geweest, dan zou zijne tegenwoordigheid alleen alle kranken gezond hebben gemaakt. Hier ziet men ook het onderscheid tusschen genezingen door het geloof en door de middelen, waarbij Christus meer indirect zijne kracht openbaart.[49]Kapitein Verdoemenis moest wijken — zeer ver van de stad. „Zoo is er dan nu geene verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vleesch wandelen, maar naar den Geest.”
[48]Geen geneesheer in Menschziel; maar wèl genezende bladen. Zeer goed wordt door onzen Bunyan hier onderscheid gemaakt tusschen het bezit van Christus zelf en dat van zijne gaven. Ware de Geneesmeester er zelf geweest, dan zou zijne tegenwoordigheid alleen alle kranken gezond hebben gemaakt. Hier ziet men ook het onderscheid tusschen genezingen door het geloof en door de middelen, waarbij Christus meer indirect zijne kracht openbaart.
[49]Kapitein Verdoemenis moest wijken — zeer ver van de stad. „Zoo is er dan nu geene verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vleesch wandelen, maar naar den Geest.”
frame bottom
DE GENEZENDE BLADEREN.De heer Vastewil zat ook niet ledig, maar bewees van binnen belangrijke diensten met het oog op de aanhangers van Diábolus. Hij ontdekte den heer Neutraal van wien eertijds verhaald is, dat hij eene wijle onder Boanerges had gediend, maar aldra was gevangen genomen en in Diábolus dienst was overgegaan. Ook vatte hij een zekeren Losvoet, die een verspieder van dat gespuis was, hetwelk in Menschziel huisde. Deze twee zond de heer Vastewil naar den cipier Getrouwe, met bevel hen in de ijzers te klinken. Hij had het oogmerk hen te kruisigen wanneer dit het meest dienstig kon wezen tot ontmoediging van den vijand. Ook de heer burgemeester, ofschoon hij niet zoo werkzaam kon zijn als tevoren, wegens de ontvangen wonde,[50]gaf bevel aan alle burgers van Menschziel, om toch vooral goed wacht te houden en op hunne hoede te zijn, terwijl de heer Geweten als leeraar zijn uiterste best deed om alle goede leering in de harten des volks levendig te houden.[50]De burgemeester wegens de ontvangen wonde niet zoo werkzaam. Het verstand heeft ook zijn onvermogen leeren inzien om alles te doorgronden. Het heeft zich gevangen gegeven onder de gehoorzaamheid des geloofs.HOOFDSTUK XIII.EEN MIDDERNACHTELIJKE UITVAL.[51]NNiet lang daarna werden de kapiteins met de kloeksten in de stad het samen eens om een uitval te wagen. Zij wilden des nachts het leger van Diábolus overvallen. ’t Was jammer, dat zij het in den nacht deden; want de nacht is altijd de beste tijd voor den vijand en Menschziel nadeelig. Maar hun moed was zeer groot en de laatste overwinningen lagen nog zoo versch in het geheugen.Toen de bepaalde nacht daar was, wierpen de dappere kapiteins het lot wie van hen het eerst zou uittrekken om op Diábolus en zijn leger aan te vallen. Allen waren even vurig en even dapper; allen hadden hun leven en al hunne kracht voor de goede zaak over. De eer van hun koning en het welzijn der stad gold hun boven alles. Daarom moest het lot beslissen wie vooraan trekken zou. Het lot viel op kapitein Geloof. Hij zou met de kapiteins Ondervinding en Goede Hoop de voorhoede aanvoeren. Zoo geschiedde het. Zij deden een uitval op het leger, dat zich tegen hen verschanst had, en vielen juist midden in het kamp hunner vijanden. Diábolus en zijne mannen, zeer gewoon aan den nachtelijken arbeid, maakten dadelijk alarm en waren onmiddellijk gereed hun slag te leveren, even alsof zij een overval hadden verwacht. Van beide zijden werd zwaar gevochten; de helletrom werd lustig geroerd, terwijl de trompetten een aangenaam geluid gaven. Kapitein Onverzadelijk wachtte reeds op roof.[51]Een middernachtelijke uitvalschetst den overmoed, waarin het behaalde voordeel de ziel brengt. Onze wapenen des Geestes zijnverdedigingswapenen.
DE GENEZENDE BLADEREN.
De heer Vastewil zat ook niet ledig, maar bewees van binnen belangrijke diensten met het oog op de aanhangers van Diábolus. Hij ontdekte den heer Neutraal van wien eertijds verhaald is, dat hij eene wijle onder Boanerges had gediend, maar aldra was gevangen genomen en in Diábolus dienst was overgegaan. Ook vatte hij een zekeren Losvoet, die een verspieder van dat gespuis was, hetwelk in Menschziel huisde. Deze twee zond de heer Vastewil naar den cipier Getrouwe, met bevel hen in de ijzers te klinken. Hij had het oogmerk hen te kruisigen wanneer dit het meest dienstig kon wezen tot ontmoediging van den vijand. Ook de heer burgemeester, ofschoon hij niet zoo werkzaam kon zijn als tevoren, wegens de ontvangen wonde,[50]gaf bevel aan alle burgers van Menschziel, om toch vooral goed wacht te houden en op hunne hoede te zijn, terwijl de heer Geweten als leeraar zijn uiterste best deed om alle goede leering in de harten des volks levendig te houden.
[50]De burgemeester wegens de ontvangen wonde niet zoo werkzaam. Het verstand heeft ook zijn onvermogen leeren inzien om alles te doorgronden. Het heeft zich gevangen gegeven onder de gehoorzaamheid des geloofs.
[50]De burgemeester wegens de ontvangen wonde niet zoo werkzaam. Het verstand heeft ook zijn onvermogen leeren inzien om alles te doorgronden. Het heeft zich gevangen gegeven onder de gehoorzaamheid des geloofs.
NNiet lang daarna werden de kapiteins met de kloeksten in de stad het samen eens om een uitval te wagen. Zij wilden des nachts het leger van Diábolus overvallen. ’t Was jammer, dat zij het in den nacht deden; want de nacht is altijd de beste tijd voor den vijand en Menschziel nadeelig. Maar hun moed was zeer groot en de laatste overwinningen lagen nog zoo versch in het geheugen.
Toen de bepaalde nacht daar was, wierpen de dappere kapiteins het lot wie van hen het eerst zou uittrekken om op Diábolus en zijn leger aan te vallen. Allen waren even vurig en even dapper; allen hadden hun leven en al hunne kracht voor de goede zaak over. De eer van hun koning en het welzijn der stad gold hun boven alles. Daarom moest het lot beslissen wie vooraan trekken zou. Het lot viel op kapitein Geloof. Hij zou met de kapiteins Ondervinding en Goede Hoop de voorhoede aanvoeren. Zoo geschiedde het. Zij deden een uitval op het leger, dat zich tegen hen verschanst had, en vielen juist midden in het kamp hunner vijanden. Diábolus en zijne mannen, zeer gewoon aan den nachtelijken arbeid, maakten dadelijk alarm en waren onmiddellijk gereed hun slag te leveren, even alsof zij een overval hadden verwacht. Van beide zijden werd zwaar gevochten; de helletrom werd lustig geroerd, terwijl de trompetten een aangenaam geluid gaven. Kapitein Onverzadelijk wachtte reeds op roof.
[51]Een middernachtelijke uitvalschetst den overmoed, waarin het behaalde voordeel de ziel brengt. Onze wapenen des Geestes zijnverdedigingswapenen.
[51]Een middernachtelijke uitvalschetst den overmoed, waarin het behaalde voordeel de ziel brengt. Onze wapenen des Geestes zijnverdedigingswapenen.
frame bottom
frame top
De kapiteins van den Prins vochten dapper, zelfs beter dan men van hen zou verwacht hebben in hun nog zwakken gezondheidstoestand; zij verwondden velen en maakten, dat het gansche leger van Diábolus de vlucht moest nemen. Maar toen die kloeke helden kapitein Geloof, Goede-Hoop en Ondervinding den vijand najaagden en er velen in de pan hakten, struikelde de eerste en viel, waardoor hij zich dusdanig bezeerde, dat hij niet kon opstaan vóor kapitein Ondervinding hem hielp. Het volk geraakte daardoor in verwarring en de arme Geloof was zoo vol pijn, dat hij bij iederen voetstap luidkeels jammerde. Dit deed de beide andere kapiteins verflauwen, want zij meenden, dat kapitein Geloof het besterven zou, en nu had ook het andere volk geen lust tot vechten meer. Diábolus, die alles opmerkte hoewel hij tot op het uiterste was gebracht, zag dat er een groot rumoer onder degenen was, die hem vervolgden en maakte daaruit op, dat de kapiteins verwond of gedood waren. Eerst stond hij stil, toen gebood hij om te keeren en viel zijne vervolgers met zulk een helsche razernij aan, dat het hem gelukte tusschen de drie kapiteins in te komen. Daar hakte hij er zoo razend en wild op los, dat het volk met bloed en wonden bedekt, in wanorde en moedeloosheid teruggeslagen, blijde was de poort weder te kunnen bereiken en behouden binnen de stad te komen. Het overige leger van den Prins, ziende hoe slecht de voorhoede gevaren was, trok nu ook terug en allen gingen de Mondpoort weder binnen. Hiermede eindigde deze schermutseling; maar Diábolus was zoo in zijn schik met deze nachtelijke overwinning, dat hij zich verbeeldde nu binnen weinige dagen geheel Menschziel aan zich te zullen onderwerpen. Daarom trok hij den volgenden dag rondom de stad en eischte met groote driestheid, dat men hem dadelijk liet binnentrekken en zich aan hem overgaf. Ook begonnen de Diábolus-mannen daarbinnen weer eenigen moed te scheppen.De manhaftige burgemeester gaf evenwel een kloek antwoord. Hij gaf aan den reus te verstaan, dat als hij iets won, het dan door geweld zou moeten gebeuren, want zoolang hun vorst Immanuel in leven was, waren zij besloten Menschziel nooit aan een ander over te geven. Daarop begon de heer Vastewil te spreken, en zeide: „Diábolus, gij meester en heer van de spelonk der duisternis en vijand van alle goed! Wij, arme inwoners der stad, dragen te veel kennis van uwe wetten en uwe regeering, van uw oogmerk en bedoelen dan dat wij ons aan u zouden kunnen onderwerpen. Toen wij eertijds toelieten, dat gij ons verschalktet als een vogel, die den strik nog nooit heeft gezien, waren wij zonder kennis en ondervinding; maar sedert wij overgebracht zijn uit de duisternis tot het licht, zijn wij ook overgebracht uit de macht des satans tot God. En ofschoon wij door uwe listen en de sluwheid der Diábolus-mannen van binnen veel verlies geleden hebben en in groote zwarigheid zijn gebracht, zullen wij echter nooit onze wapens afleggen en ons aan zulk een tiran als gij zijt overgeven. Neen, dan sterven wij liever bij de verdediging van het laatste bolwerk.”Deze ernstige redevoering van den Burgemeester alsook de woorden van den heer Vastewil, deed Diábolus al vrij wat bedaren, ofschoon hij spoedig daarop in nieuwe woede ontstak. Ook werden de inwoners er door versterkt en was het als een pleister op de wond van kapitein Geloof. Inderdaad in zulk een benauwden tijd waren zulke moedige woorden der hoofden des volks als waterdroppelen op een dorstig land.De heer Vastewil toonde zich intusschen ook een man in daden, want terwijl de kapiteins en soldaten in het veld waren, hield hij de wacht in de stad, en waar hij een Diábolus-man vond, daar moest deze de kracht zijner hand en de scherpte van zijn zwaard ondervinden. Hij verwondde onder dit gespuis Spotter, Overmoed, Neuswijs en Murmureerder; dit waren heeren, en verscheidene van het mindere soort kwamen er niet beter af. De aanleiding, die hij daartoe kreeg was de afwezigheid der kapiteins, waarvan deze vagebonden gebruik wilden maken om een oproertje te verwekken. Daarop waren de anderen in allerijl naar hunne holen teruggekropen.
De kapiteins van den Prins vochten dapper, zelfs beter dan men van hen zou verwacht hebben in hun nog zwakken gezondheidstoestand; zij verwondden velen en maakten, dat het gansche leger van Diábolus de vlucht moest nemen. Maar toen die kloeke helden kapitein Geloof, Goede-Hoop en Ondervinding den vijand najaagden en er velen in de pan hakten, struikelde de eerste en viel, waardoor hij zich dusdanig bezeerde, dat hij niet kon opstaan vóor kapitein Ondervinding hem hielp. Het volk geraakte daardoor in verwarring en de arme Geloof was zoo vol pijn, dat hij bij iederen voetstap luidkeels jammerde. Dit deed de beide andere kapiteins verflauwen, want zij meenden, dat kapitein Geloof het besterven zou, en nu had ook het andere volk geen lust tot vechten meer. Diábolus, die alles opmerkte hoewel hij tot op het uiterste was gebracht, zag dat er een groot rumoer onder degenen was, die hem vervolgden en maakte daaruit op, dat de kapiteins verwond of gedood waren. Eerst stond hij stil, toen gebood hij om te keeren en viel zijne vervolgers met zulk een helsche razernij aan, dat het hem gelukte tusschen de drie kapiteins in te komen. Daar hakte hij er zoo razend en wild op los, dat het volk met bloed en wonden bedekt, in wanorde en moedeloosheid teruggeslagen, blijde was de poort weder te kunnen bereiken en behouden binnen de stad te komen. Het overige leger van den Prins, ziende hoe slecht de voorhoede gevaren was, trok nu ook terug en allen gingen de Mondpoort weder binnen. Hiermede eindigde deze schermutseling; maar Diábolus was zoo in zijn schik met deze nachtelijke overwinning, dat hij zich verbeeldde nu binnen weinige dagen geheel Menschziel aan zich te zullen onderwerpen. Daarom trok hij den volgenden dag rondom de stad en eischte met groote driestheid, dat men hem dadelijk liet binnentrekken en zich aan hem overgaf. Ook begonnen de Diábolus-mannen daarbinnen weer eenigen moed te scheppen.
De manhaftige burgemeester gaf evenwel een kloek antwoord. Hij gaf aan den reus te verstaan, dat als hij iets won, het dan door geweld zou moeten gebeuren, want zoolang hun vorst Immanuel in leven was, waren zij besloten Menschziel nooit aan een ander over te geven. Daarop begon de heer Vastewil te spreken, en zeide: „Diábolus, gij meester en heer van de spelonk der duisternis en vijand van alle goed! Wij, arme inwoners der stad, dragen te veel kennis van uwe wetten en uwe regeering, van uw oogmerk en bedoelen dan dat wij ons aan u zouden kunnen onderwerpen. Toen wij eertijds toelieten, dat gij ons verschalktet als een vogel, die den strik nog nooit heeft gezien, waren wij zonder kennis en ondervinding; maar sedert wij overgebracht zijn uit de duisternis tot het licht, zijn wij ook overgebracht uit de macht des satans tot God. En ofschoon wij door uwe listen en de sluwheid der Diábolus-mannen van binnen veel verlies geleden hebben en in groote zwarigheid zijn gebracht, zullen wij echter nooit onze wapens afleggen en ons aan zulk een tiran als gij zijt overgeven. Neen, dan sterven wij liever bij de verdediging van het laatste bolwerk.”
Deze ernstige redevoering van den Burgemeester alsook de woorden van den heer Vastewil, deed Diábolus al vrij wat bedaren, ofschoon hij spoedig daarop in nieuwe woede ontstak. Ook werden de inwoners er door versterkt en was het als een pleister op de wond van kapitein Geloof. Inderdaad in zulk een benauwden tijd waren zulke moedige woorden der hoofden des volks als waterdroppelen op een dorstig land.
De heer Vastewil toonde zich intusschen ook een man in daden, want terwijl de kapiteins en soldaten in het veld waren, hield hij de wacht in de stad, en waar hij een Diábolus-man vond, daar moest deze de kracht zijner hand en de scherpte van zijn zwaard ondervinden. Hij verwondde onder dit gespuis Spotter, Overmoed, Neuswijs en Murmureerder; dit waren heeren, en verscheidene van het mindere soort kwamen er niet beter af. De aanleiding, die hij daartoe kreeg was de afwezigheid der kapiteins, waarvan deze vagebonden gebruik wilden maken om een oproertje te verwekken. Daarop waren de anderen in allerijl naar hunne holen teruggekropen.
frame bottom
DE VAL VAN KAPITEIN GELOOF.Deze moedige daad van den heer Vastewil woog eenigszins op tegen de nederlaag der kapiteins en deed Diábolus weten, dat Menschziel zoo gemakkelijk niet te nemen viel. De tiran klapwiekte trotsch met zijne vleugelen en maakte zich tot een nieuwen aanval gereed. Waar ik hen eens geslagen heb daar kan ik het meer doen, dacht hij. Dies beval hij zijn volk zich tegen een bestemd uur op den dag gereed te houden, en al hunne macht aan de Voelpoort te concentreeren om te beproeven of men daar ook inbreken kon. Het wachtwoord, dat hij aan de zijnen gaf, was „Helsch vuur”. „Laat toch”, zeide hij, „wanneer wij in de stad mogen binnendringen, ’t zij een gedeelte onzer macht of het geheele leger, dat woord niet worden vergeten, laat er niets anders binnen de stad gehoord worden dan „helsch vuur! helsch vuur!” Laat de trom zonder ophouden worden geslagen, en alle vlaggen uitwaaien! Houdt u mannelijk tegen Menschziel en overwint!”Toen het bestemde nachtelijk uur geslagen was en alles gereed, deden zij een onverwachten aanval op de Voelpoort, en stieten eindelijk na eene hevige worsteling die poort wijd open. Ach, deze poort was zeer zwak en daarom het gemakkelijkst in te nemen. Toen de tiran het zóover gebracht had, stelde hij daar zijne kapiteins Pijniger en Zonder-rust, terwijl hij zelf zich verder in de stad waagde. Maar ’s Prinsen kapiteins kwamen op hen af en maakten het hun lastig genoeg, zich flink verwerende. Evenwel drie hunner, de beste en kloekmoedigste, waren verwond en onbekwaam dienst te doen zooals zij begeerden, en de overigen hadden hunne handen vol met de Twijfelaars en hunne aanvoerders. Zoo worstelde het al voort in de straten der stad en de kapiteins ziende, dat zij het niet konden uithouden, begaven zich in allerijl naar het kasteel, als de voornaamste sterkte der stad. Dit wilden zij tot elken prijs voor hunnen vorst behouden; het was het kroondomein.
DE VAL VAN KAPITEIN GELOOF.
Deze moedige daad van den heer Vastewil woog eenigszins op tegen de nederlaag der kapiteins en deed Diábolus weten, dat Menschziel zoo gemakkelijk niet te nemen viel. De tiran klapwiekte trotsch met zijne vleugelen en maakte zich tot een nieuwen aanval gereed. Waar ik hen eens geslagen heb daar kan ik het meer doen, dacht hij. Dies beval hij zijn volk zich tegen een bestemd uur op den dag gereed te houden, en al hunne macht aan de Voelpoort te concentreeren om te beproeven of men daar ook inbreken kon. Het wachtwoord, dat hij aan de zijnen gaf, was „Helsch vuur”. „Laat toch”, zeide hij, „wanneer wij in de stad mogen binnendringen, ’t zij een gedeelte onzer macht of het geheele leger, dat woord niet worden vergeten, laat er niets anders binnen de stad gehoord worden dan „helsch vuur! helsch vuur!” Laat de trom zonder ophouden worden geslagen, en alle vlaggen uitwaaien! Houdt u mannelijk tegen Menschziel en overwint!”
Toen het bestemde nachtelijk uur geslagen was en alles gereed, deden zij een onverwachten aanval op de Voelpoort, en stieten eindelijk na eene hevige worsteling die poort wijd open. Ach, deze poort was zeer zwak en daarom het gemakkelijkst in te nemen. Toen de tiran het zóover gebracht had, stelde hij daar zijne kapiteins Pijniger en Zonder-rust, terwijl hij zelf zich verder in de stad waagde. Maar ’s Prinsen kapiteins kwamen op hen af en maakten het hun lastig genoeg, zich flink verwerende. Evenwel drie hunner, de beste en kloekmoedigste, waren verwond en onbekwaam dienst te doen zooals zij begeerden, en de overigen hadden hunne handen vol met de Twijfelaars en hunne aanvoerders. Zoo worstelde het al voort in de straten der stad en de kapiteins ziende, dat zij het niet konden uithouden, begaven zich in allerijl naar het kasteel, als de voornaamste sterkte der stad. Dit wilden zij tot elken prijs voor hunnen vorst behouden; het was het kroondomein.
frame bottom
frame top
Daar nu de kapiteins in het kasteel waren gevloden nam de vijand zonder veel tegenstand bezit van de stad en verspreidde zich daar in alle hoeken, onophoudelijk roepende: „Helsch vuur, helsch vuur!” zoodat een wijle door de gansche stad niets anders gehoord werd dan deze legerkreet vergezeld van Diábolus trom. Nu hingen er wel donkere wolken boven Menschziel en had het niets anders dan zijn ondergang voor oogen. Diábolus kwartierde zijne soldaten bij de burgers in, ja zelfs het huis van den Onderleeraar was zóo vol van deze buitenlanders, dat zij er kwalijk in konden, en niet beter ging het met de woningen van de heeren Burgemeester en Vastewil. Ach, er was geen hut, stulp of schuur, die niet van dit ongedierte wemelde; zelfs dreven zij hier en daar de inwoners der stad uit hunne woningen, waar de Twijfelaars zich te bed legden en aan tafel zetten. Ach, arm Menschziel, nu smaakt gij de vruchten der zonde en welk een venijn er stak in de vleiende woorden van Vleeschelijke Gerustheid! Alles waar zij de hand aanlegden beschadigden zij; zelfs staken zij de stad op sommige plaatsen aan brand; kleine kinderen werden in stukken gescheurd. Dat kon nu niet anders gaan, want welke barmhartigheid, welk medelijden of welk geweten kan men bij een buitenlandschen Twijfelaar onderstellen? Ook werden vrouwen en maagden geschonden en beestachtig mishandeld, zoodat er sommigen zelfs van stierven en onbegraven langs de straat lagen.Nu scheen Menschziel dan ook niets anders te wezen dan een hol der draken, een voorportaal der hel, eene plaats van uiterste donkerheid. Nu lag Menschziel daar als een huilende wildernis, bedekt met doornen en distelen, allerlei onkruid en onreinheid, terwijl de inwoners er ellendig aan toe waren. Ook den heer Geweten hadden zij verwond en zijne wonden waren zóo ingekankerd, dat hij dag noch nacht rusten kon, maar als voortdurend op een pijnbank lag. Hadde El-Schaddaï hem niet bewaard, dan zouden ze hem zeker doodgeslagen hebben. Den heer burgemeester mishandelden zij zoo vreeselijk, dat ze hem bijna de oogen uitsloegen, en ware de heer Vastewil niet in het kasteel geweken, dan was ook hij omgekomen, want hun voornemen was hem in stukken te houwen. Zij zagen hem dan nu ook aan als een der ergste vijanden van Diábolus.Dagen achtereen kon men nu Menschziel doorwandelen, dat men nauwelijks éen godsdienstig man in de stad ontmoette. Welk een treurige toestand! Overal zag men niet anders dan Twijfelaars. Rood-rokken en zwart-rokken liepen bij troepen door de straten en vervulden de huizen met hun liederlijke liederen, leugenachtige verhalen en lasterlijke taal tegen El-Schaddaï en zijn zoon. Ook leefden de Diábolus-mannen in de wallen en holen op, en kwamen zelfs open en vrij voor den dag, wandelend in gezelschap der Twijfelaars. Ja, zelfs hadden zij meer vrijmoedigheid om zich in het openbaar te vertoonen dan de inboorlingen zelven.Toch waren Diábolus en zijne mannen niet met Menschziel tevreden. Zij werden daar geenszins behandeld als de kapiteins en soldaten van Immanuel. De burgers toonden hun overal een stuursch gelaat, en nooit kregen zij iets voor hun levensonderhoud of zij moesten het met geweld halen. Men verbergde alles voor hen wat men maar eenigszins kon, en wat men niet verbergen kon stond men tegen wil en dank af. Zij hadden dat vreemde volk gaarne zien heengaan, maar, ach arme! zij waren nu hunne gevangenen en werden tot allesRom. 7.gedwongen.De kapiteins lieten ook uit het kasteel telkens hunne slingers op hen spelen, hetgeen den vijand zeer verbitterde. Wel is waar ondernam Diábolus het dikwijls de poorten van het kasteel open te breken; maar de heer Vreeze Gods was poortwachter gemaakt, en hij was een man van beleid en dapperheid, daarom trachtten zij tevergeefs zoolang hij leefde dit werk ten uitvoer te brengen. Daarom bleven alle aanvallen van Diábolus vruchteloos. Ik kon somtijds den wensch niet onderdrukken, dat deze man het geheele bestuur van Menschziel op zich genomen had!
Daar nu de kapiteins in het kasteel waren gevloden nam de vijand zonder veel tegenstand bezit van de stad en verspreidde zich daar in alle hoeken, onophoudelijk roepende: „Helsch vuur, helsch vuur!” zoodat een wijle door de gansche stad niets anders gehoord werd dan deze legerkreet vergezeld van Diábolus trom. Nu hingen er wel donkere wolken boven Menschziel en had het niets anders dan zijn ondergang voor oogen. Diábolus kwartierde zijne soldaten bij de burgers in, ja zelfs het huis van den Onderleeraar was zóo vol van deze buitenlanders, dat zij er kwalijk in konden, en niet beter ging het met de woningen van de heeren Burgemeester en Vastewil. Ach, er was geen hut, stulp of schuur, die niet van dit ongedierte wemelde; zelfs dreven zij hier en daar de inwoners der stad uit hunne woningen, waar de Twijfelaars zich te bed legden en aan tafel zetten. Ach, arm Menschziel, nu smaakt gij de vruchten der zonde en welk een venijn er stak in de vleiende woorden van Vleeschelijke Gerustheid! Alles waar zij de hand aanlegden beschadigden zij; zelfs staken zij de stad op sommige plaatsen aan brand; kleine kinderen werden in stukken gescheurd. Dat kon nu niet anders gaan, want welke barmhartigheid, welk medelijden of welk geweten kan men bij een buitenlandschen Twijfelaar onderstellen? Ook werden vrouwen en maagden geschonden en beestachtig mishandeld, zoodat er sommigen zelfs van stierven en onbegraven langs de straat lagen.
Nu scheen Menschziel dan ook niets anders te wezen dan een hol der draken, een voorportaal der hel, eene plaats van uiterste donkerheid. Nu lag Menschziel daar als een huilende wildernis, bedekt met doornen en distelen, allerlei onkruid en onreinheid, terwijl de inwoners er ellendig aan toe waren. Ook den heer Geweten hadden zij verwond en zijne wonden waren zóo ingekankerd, dat hij dag noch nacht rusten kon, maar als voortdurend op een pijnbank lag. Hadde El-Schaddaï hem niet bewaard, dan zouden ze hem zeker doodgeslagen hebben. Den heer burgemeester mishandelden zij zoo vreeselijk, dat ze hem bijna de oogen uitsloegen, en ware de heer Vastewil niet in het kasteel geweken, dan was ook hij omgekomen, want hun voornemen was hem in stukken te houwen. Zij zagen hem dan nu ook aan als een der ergste vijanden van Diábolus.
Dagen achtereen kon men nu Menschziel doorwandelen, dat men nauwelijks éen godsdienstig man in de stad ontmoette. Welk een treurige toestand! Overal zag men niet anders dan Twijfelaars. Rood-rokken en zwart-rokken liepen bij troepen door de straten en vervulden de huizen met hun liederlijke liederen, leugenachtige verhalen en lasterlijke taal tegen El-Schaddaï en zijn zoon. Ook leefden de Diábolus-mannen in de wallen en holen op, en kwamen zelfs open en vrij voor den dag, wandelend in gezelschap der Twijfelaars. Ja, zelfs hadden zij meer vrijmoedigheid om zich in het openbaar te vertoonen dan de inboorlingen zelven.
Toch waren Diábolus en zijne mannen niet met Menschziel tevreden. Zij werden daar geenszins behandeld als de kapiteins en soldaten van Immanuel. De burgers toonden hun overal een stuursch gelaat, en nooit kregen zij iets voor hun levensonderhoud of zij moesten het met geweld halen. Men verbergde alles voor hen wat men maar eenigszins kon, en wat men niet verbergen kon stond men tegen wil en dank af. Zij hadden dat vreemde volk gaarne zien heengaan, maar, ach arme! zij waren nu hunne gevangenen en werden tot allesRom. 7.gedwongen.
De kapiteins lieten ook uit het kasteel telkens hunne slingers op hen spelen, hetgeen den vijand zeer verbitterde. Wel is waar ondernam Diábolus het dikwijls de poorten van het kasteel open te breken; maar de heer Vreeze Gods was poortwachter gemaakt, en hij was een man van beleid en dapperheid, daarom trachtten zij tevergeefs zoolang hij leefde dit werk ten uitvoer te brengen. Daarom bleven alle aanvallen van Diábolus vruchteloos. Ik kon somtijds den wensch niet onderdrukken, dat deze man het geheele bestuur van Menschziel op zich genomen had!
frame bottom
MENSCHZIEL INGENOMEN.
MENSCHZIEL INGENOMEN.
frame top
Zoo ging het in de stad wel omtrent twee en een half jaar. Menschziel was nu het tooneel van den oorlog; de inwoners waren in verborgen plaatsen en holen gedreven en alle heerlijkheid lag in het stof. Welke rust kon er nu zijn? Welken vrede kon men genieten? Welke zon zou nu schijnen? Hadden de vijanden nog buiten de muren en poorten gelegen, dan zou die tijd voldoende geweest zijn om hen uit te hongeren; maar nu waren zij binnen de stad, deze was hun legerplaats, zij maakten daarbinnen hunne loopgraven en sterkten tegen het kasteel. Zij hielden daar huis tot zij alles weggeroofd zouden hebben en wachtten er op het kasteel te verbreken en te verwoesten. Ach, welk een armzalige plaats was nu dat eertijds zoo gelukkig Menschziel!HOOFDSTUK XIV.„ZIET, HIJ BIDT.”NNadat de stad Menschziel al dien tijd in dezen droevigen staat verkeerd had en geen rekwest, aan hun vorst gezonden, noch rechtstreeks beantwoord was, kwamen de inboorlingen, namelijk de oudsten en opperhoofden samen, en na hunne ellende beweend, en het droevig oordeel, waaronder zij zuchtten, beklaagd te hebben, vatten zij nogmaals het voornemen op alles in een dringend verzoekschrift aan Immanuel bloot te leggen. Maar nu stond de heer Vreeze Gods op en zeide, dat hij te weten was gekomen, dat hun Heer en Vorst nooit een verzoekschrift van dezen aard aannam dan wanneer het gegeven was door de hand van den Oppergeheimschrijver. „Om deze reden”, sprak hij, „hebt gij nog geen gehoor ontvangen.” Toen zeiden zij, dat zij dan een rekwest zouden opstellen en verzoeken dien Edelman daaronder zijne handteekening te plaatsen, maar ook dit had hij geweigerd; waarop de heer Vreeze Gods weder aanmerkte, dat hij stellig wist, dat de Oppergeheimschrijver nooit zijne hand zette onder eenig rekwest in welker samenstelling hij niet zelf de hand gehad had. „Onze Vorst kan in dit opzicht niet bedrogen worden, want hij kent het schrift en het werk van zijn Geheimschrijver uit alles wat men hem voorlegt,” zeide hij. Deze hooge personage woonde in het kasteel met de andere hoofden.Men bedankte daarom den heer Vreeze Gods voor zijn raad, en de hoofden begaven zich onmiddellijk naar de kamers van den Oppergeheimschrijver, hem nauwkeurig met het doel van hunne komst bekend makende, en hem verzoekende toch uit hun naam een rekwest op te stellen aan Immanuel, den zoon van den almachtigen El-Schaddaï, en aan hun Koning en Heer, die zijn eeniggeboren zoon was.Toen zeide die edelman tot hen: „Welk verzoekschrift is het, dat gij door mij begeerdet op te stellen?” Maar zij antwoordden: „Onze Heer weet beter dan wij hoe wij er aan toe zijn, en hoe wij van onzen Vorst zijn afgeweken en ontaard. Ook weet gij in welk een oorlog wij gewikkeld zijn en welk een leger tegen ons Menschziel is opgetrokken, zoodat wij nu voortdurend op voet van oorlog leven. Mijnheer weet bovendien welk een onmenschelijke behandeling onze mannen, vrouwen en kinderen onder hunne handen hebben te doorstaan, en hoe onze inwonende Diábolus-mannen thans met trotschheid door onze straten wandelen. Laat daarom onze heer naar de wijsheid Gods, die in hem is, een verzoekschrift opstellen voor zijn ellendige knechten, aan den grooten Immanuel.”„Goed”, antwoordde de Oppergeheimschrijver, „ik zal het verzoekschrift opstellen en er ook mijne handteekening onder plaatsen.”Toen zeiden zij: „Wanneer mogen wij het komen halen?”Maar hij antwoordde: „Gij zelf moet bij het opstellen tegenwoordig zijn, ja, gij zelf moet uwe begeerten daarin uitdrukken. Wèl zal de hand en de pen mijne zijn; maar de inkt en het papier moeten van u wezen, hoe kunt gij anders zeggen, dat het uw verzoekschrift is? Ik behoef het voor mijzelven niet te doen, want ik heb niets misdaan.”Hij voegde daar nog bij: „Geen verzoekschrift gaat in mijn naam naar den Vorst, en evenmin tot zijn Vader, dan wanneer het volk daarin zijn gansche hart en ziel heeft uitgedrukt; want die moeten er bij ingesloten worden.”Zoo stemden zij dan van ganscher harte met deze woorden in, en een verzoekschrift werd klaar gemaakt.Maar nu was de vraag: „Wie zal het wegbrengen?” De Oppergeheimschrijver raadde aan, dat kapitein Geloof dit doen zou, omdat hij een welbespraakt man was.
Zoo ging het in de stad wel omtrent twee en een half jaar. Menschziel was nu het tooneel van den oorlog; de inwoners waren in verborgen plaatsen en holen gedreven en alle heerlijkheid lag in het stof. Welke rust kon er nu zijn? Welken vrede kon men genieten? Welke zon zou nu schijnen? Hadden de vijanden nog buiten de muren en poorten gelegen, dan zou die tijd voldoende geweest zijn om hen uit te hongeren; maar nu waren zij binnen de stad, deze was hun legerplaats, zij maakten daarbinnen hunne loopgraven en sterkten tegen het kasteel. Zij hielden daar huis tot zij alles weggeroofd zouden hebben en wachtten er op het kasteel te verbreken en te verwoesten. Ach, welk een armzalige plaats was nu dat eertijds zoo gelukkig Menschziel!
NNadat de stad Menschziel al dien tijd in dezen droevigen staat verkeerd had en geen rekwest, aan hun vorst gezonden, noch rechtstreeks beantwoord was, kwamen de inboorlingen, namelijk de oudsten en opperhoofden samen, en na hunne ellende beweend, en het droevig oordeel, waaronder zij zuchtten, beklaagd te hebben, vatten zij nogmaals het voornemen op alles in een dringend verzoekschrift aan Immanuel bloot te leggen. Maar nu stond de heer Vreeze Gods op en zeide, dat hij te weten was gekomen, dat hun Heer en Vorst nooit een verzoekschrift van dezen aard aannam dan wanneer het gegeven was door de hand van den Oppergeheimschrijver. „Om deze reden”, sprak hij, „hebt gij nog geen gehoor ontvangen.” Toen zeiden zij, dat zij dan een rekwest zouden opstellen en verzoeken dien Edelman daaronder zijne handteekening te plaatsen, maar ook dit had hij geweigerd; waarop de heer Vreeze Gods weder aanmerkte, dat hij stellig wist, dat de Oppergeheimschrijver nooit zijne hand zette onder eenig rekwest in welker samenstelling hij niet zelf de hand gehad had. „Onze Vorst kan in dit opzicht niet bedrogen worden, want hij kent het schrift en het werk van zijn Geheimschrijver uit alles wat men hem voorlegt,” zeide hij. Deze hooge personage woonde in het kasteel met de andere hoofden.
Men bedankte daarom den heer Vreeze Gods voor zijn raad, en de hoofden begaven zich onmiddellijk naar de kamers van den Oppergeheimschrijver, hem nauwkeurig met het doel van hunne komst bekend makende, en hem verzoekende toch uit hun naam een rekwest op te stellen aan Immanuel, den zoon van den almachtigen El-Schaddaï, en aan hun Koning en Heer, die zijn eeniggeboren zoon was.
Toen zeide die edelman tot hen: „Welk verzoekschrift is het, dat gij door mij begeerdet op te stellen?” Maar zij antwoordden: „Onze Heer weet beter dan wij hoe wij er aan toe zijn, en hoe wij van onzen Vorst zijn afgeweken en ontaard. Ook weet gij in welk een oorlog wij gewikkeld zijn en welk een leger tegen ons Menschziel is opgetrokken, zoodat wij nu voortdurend op voet van oorlog leven. Mijnheer weet bovendien welk een onmenschelijke behandeling onze mannen, vrouwen en kinderen onder hunne handen hebben te doorstaan, en hoe onze inwonende Diábolus-mannen thans met trotschheid door onze straten wandelen. Laat daarom onze heer naar de wijsheid Gods, die in hem is, een verzoekschrift opstellen voor zijn ellendige knechten, aan den grooten Immanuel.”
„Goed”, antwoordde de Oppergeheimschrijver, „ik zal het verzoekschrift opstellen en er ook mijne handteekening onder plaatsen.”
Toen zeiden zij: „Wanneer mogen wij het komen halen?”
Maar hij antwoordde: „Gij zelf moet bij het opstellen tegenwoordig zijn, ja, gij zelf moet uwe begeerten daarin uitdrukken. Wèl zal de hand en de pen mijne zijn; maar de inkt en het papier moeten van u wezen, hoe kunt gij anders zeggen, dat het uw verzoekschrift is? Ik behoef het voor mijzelven niet te doen, want ik heb niets misdaan.”
Hij voegde daar nog bij: „Geen verzoekschrift gaat in mijn naam naar den Vorst, en evenmin tot zijn Vader, dan wanneer het volk daarin zijn gansche hart en ziel heeft uitgedrukt; want die moeten er bij ingesloten worden.”
Zoo stemden zij dan van ganscher harte met deze woorden in, en een verzoekschrift werd klaar gemaakt.
Maar nu was de vraag: „Wie zal het wegbrengen?” De Oppergeheimschrijver raadde aan, dat kapitein Geloof dit doen zou, omdat hij een welbespraakt man was.
frame bottom
DE VERWOESTING IN MENSCHZIEL.
DE VERWOESTING IN MENSCHZIEL.
frame top
Zoo lieten zij hem dan roepen en droegen hem dit werk op. „Wel”, zeide deze, „ik neem gaarne dat werk op mij en hoewel ik kreupel ben, zal ik het toch zoo spoedig doen als mij mogelijk is.”De inhoud van het verzoekschrift was als volgt:„O, onze Heer en souvereine Vorst Immanuel, machtige lankmoedige Prins! Genade is op uwe lippen uitgestort, en bij u is genade en schuldvergiffenis ofschoon wij tegen u hebben gerebelleerd. Wij, die niet meer waard zijn uw Menschziel genaamd te worden, of uwe zegeningen voortaan te genieten, smeeken u en uwen Vader met u, onze overtredingen uit te delgen. Wij belijden, dat gij alle recht hebt ons te verwerpen; maar och, doe dat niet om uws naams wil: Zie onze ellende aan en laat uwe ingewanden over ons rommelen!„Wij zijn van alle kanten ingesloten, Heer; onze eigen afdwalingen kastijden ons; de Diábolus-mannen binnen onze stad verschrikken ons, en het leger uit den bodemloozen afgrond onderdrukt ons. Uwe genade kan ons redden, maar anders weten wij niet waarheen ons te wenden.„Bovendien, genadige Vorst, hebben wij onze kapiteins verzwakt en zijn ze ontmoedigd, krank en sommigen hunner zelfs ernstig gewond door de kracht van den tiran. Ja, zelfs diegenen onzer kapiteins, waarop wij eertijds ons vertrouwen het meeste stelden, zijn verminkt. Onze vijanden daarentegen zijn vol leven en gezondheid, zij beroemen zich ons weldra als een buit te zullen verslinden. Ze zijn op ons aangevallen met vele duizenden Twijfelaars, die allen even grimmig en onbarmhartig zijn en ons tegenstaan zoowel als u.„Onze wijsheid is weg, onze kracht is weg, omdat Gij van ons zijt weggegaan. Wij hebben niets meer wat wij het onze kunnen noemen dan zonde, schande en schaamte voor uw aangezicht. Heb medelijden met ons, o Heer, heb medelijden met uwe ellendige stad Menschziel en red ons uit de handen onzer vijanden. Amen.”Met dit verzoekschrift vertrok de dappere kapitein Geloof. Hij ging de Mondpoort uit en het gelukte hem in alle stilte het hof van Immanuel te bereiken.Hoe het kwam weet ik niet, maar het kwam uit en bereikte zelfs de ooren van Diábolus. Dat hij er kennis van kreeg bleek duidelijk hieruit, dat hij de stad dreigde en riep: „Gij hardnekkige en oproerige Menschziel, ik zal u dat verzoekschriften indienen wel afleeren!” Ja, hij wist ook wie de overbrenger geweest was en dat maakte hem beide bang en woedend. Dies beval hij dat zijn tamboer weder de trom zou roeren, iets dat Menschziel dan al zeer slecht verdragen kon.Toen nu de trom was geroerd en de mannen van Diábolus bijeengeroepen, sprak de reus hen aan: „O, gij stoutmoedig Diábolus-volk! u zij bekend, dat er in deze oproerige stad verraad is gesmeed; want ofschoon zij in onze macht zijn, hebben die ellendige inwoners van Menschziel zich verstout naar het hof van Immanuel om hulp te zenden. Dit zeg ik u om u te leeren op uwe hoede te zijn. Daarom, mijne getrouwen, beveel ik u haar te meer te kwellen. Rooft hare vrouwen en maagden, slacht hare kinderen, slaat haar ouden den schedel in en steekt haar zelve in brand. Gij kunt haar niet te veel kwaad doen; ik zal u beloonen.”Dit was zijn bevel, maar er gebeurde nog iets tusschen dit voornemen en de uitvoering, waarop de reus niet gerekend had en dat de inwoners van Menschziel maar nauwelijks hadden durven hopen. Pas had Diábolus dit zoo besteld of hij marcheerde op het kasteel aan en eischte dat op. Maar de heere Vreeze Gods antwoordde daarop, dat noch hem, noch zijnen volgelingen de poorten zouden worden geopend, en sprak de overtuiging uit, dat Menschziel na nog eene wijle geleden te hebben, verlost, versterkt, volmaakt en bevestigd zou worden.Toen zeide Diábolus: „Geef mij dan de mannen over, die het rekwest hebben overgeleverd en vooral kapitein Geloof, die het aan uw Prins gebracht heeft. Als ik dien slaaf in handen heb dan zal ik de stad verlaten.”Daarop trad iemand uit zijn gevolg op, n. l. Slecht, en sprak: „Mijnheer biedt u zeer veel aan; het is immers beter voor u, dat éen mensch sterve[52]dan eene gansche stad verloren ga.” Maar de heer Vreeze-Gods vraagde: „Hoe lang zou Menschziel buiten den poel blijven, zoo zij haren kapitein Geloof aan Diábolus had overgegeven? Zoo gaat dan de stad verloren als Geloof verloren gaat; als de een weg is moet de andere wijken.” Toen Slecht daarop niets antwoordde sprak de burgemeester: „O gij verwoester! het zij u bekend, dat wij naar uwe woorden niet hooren zullen. Wij zijn besloten zoolang er éen kapitein, éen man, éen slinger, éen steen overblijft, u tegenstand te bieden!”[52]Het is beter dat éen mensch sterve! Deze Kajafas-raad is duidelijk genoeg. Met schijnbare wijsheid en voorzichtigheid gaf de hoogepriester van Israël dien raad met het oog op Jezus Christus. Bunyan heeft begrepen, dat de satan het hem had ingegeven, en daarom legt hij dezen die woorden in den mond met het oog op kapitein Geloof, de hand waarmede men Christus aangrijpt.
Zoo lieten zij hem dan roepen en droegen hem dit werk op. „Wel”, zeide deze, „ik neem gaarne dat werk op mij en hoewel ik kreupel ben, zal ik het toch zoo spoedig doen als mij mogelijk is.”
De inhoud van het verzoekschrift was als volgt:
„O, onze Heer en souvereine Vorst Immanuel, machtige lankmoedige Prins! Genade is op uwe lippen uitgestort, en bij u is genade en schuldvergiffenis ofschoon wij tegen u hebben gerebelleerd. Wij, die niet meer waard zijn uw Menschziel genaamd te worden, of uwe zegeningen voortaan te genieten, smeeken u en uwen Vader met u, onze overtredingen uit te delgen. Wij belijden, dat gij alle recht hebt ons te verwerpen; maar och, doe dat niet om uws naams wil: Zie onze ellende aan en laat uwe ingewanden over ons rommelen!
„Wij zijn van alle kanten ingesloten, Heer; onze eigen afdwalingen kastijden ons; de Diábolus-mannen binnen onze stad verschrikken ons, en het leger uit den bodemloozen afgrond onderdrukt ons. Uwe genade kan ons redden, maar anders weten wij niet waarheen ons te wenden.
„Bovendien, genadige Vorst, hebben wij onze kapiteins verzwakt en zijn ze ontmoedigd, krank en sommigen hunner zelfs ernstig gewond door de kracht van den tiran. Ja, zelfs diegenen onzer kapiteins, waarop wij eertijds ons vertrouwen het meeste stelden, zijn verminkt. Onze vijanden daarentegen zijn vol leven en gezondheid, zij beroemen zich ons weldra als een buit te zullen verslinden. Ze zijn op ons aangevallen met vele duizenden Twijfelaars, die allen even grimmig en onbarmhartig zijn en ons tegenstaan zoowel als u.
„Onze wijsheid is weg, onze kracht is weg, omdat Gij van ons zijt weggegaan. Wij hebben niets meer wat wij het onze kunnen noemen dan zonde, schande en schaamte voor uw aangezicht. Heb medelijden met ons, o Heer, heb medelijden met uwe ellendige stad Menschziel en red ons uit de handen onzer vijanden. Amen.”
Met dit verzoekschrift vertrok de dappere kapitein Geloof. Hij ging de Mondpoort uit en het gelukte hem in alle stilte het hof van Immanuel te bereiken.
Hoe het kwam weet ik niet, maar het kwam uit en bereikte zelfs de ooren van Diábolus. Dat hij er kennis van kreeg bleek duidelijk hieruit, dat hij de stad dreigde en riep: „Gij hardnekkige en oproerige Menschziel, ik zal u dat verzoekschriften indienen wel afleeren!” Ja, hij wist ook wie de overbrenger geweest was en dat maakte hem beide bang en woedend. Dies beval hij dat zijn tamboer weder de trom zou roeren, iets dat Menschziel dan al zeer slecht verdragen kon.
Toen nu de trom was geroerd en de mannen van Diábolus bijeengeroepen, sprak de reus hen aan: „O, gij stoutmoedig Diábolus-volk! u zij bekend, dat er in deze oproerige stad verraad is gesmeed; want ofschoon zij in onze macht zijn, hebben die ellendige inwoners van Menschziel zich verstout naar het hof van Immanuel om hulp te zenden. Dit zeg ik u om u te leeren op uwe hoede te zijn. Daarom, mijne getrouwen, beveel ik u haar te meer te kwellen. Rooft hare vrouwen en maagden, slacht hare kinderen, slaat haar ouden den schedel in en steekt haar zelve in brand. Gij kunt haar niet te veel kwaad doen; ik zal u beloonen.”
Dit was zijn bevel, maar er gebeurde nog iets tusschen dit voornemen en de uitvoering, waarop de reus niet gerekend had en dat de inwoners van Menschziel maar nauwelijks hadden durven hopen. Pas had Diábolus dit zoo besteld of hij marcheerde op het kasteel aan en eischte dat op. Maar de heere Vreeze Gods antwoordde daarop, dat noch hem, noch zijnen volgelingen de poorten zouden worden geopend, en sprak de overtuiging uit, dat Menschziel na nog eene wijle geleden te hebben, verlost, versterkt, volmaakt en bevestigd zou worden.
Toen zeide Diábolus: „Geef mij dan de mannen over, die het rekwest hebben overgeleverd en vooral kapitein Geloof, die het aan uw Prins gebracht heeft. Als ik dien slaaf in handen heb dan zal ik de stad verlaten.”
Daarop trad iemand uit zijn gevolg op, n. l. Slecht, en sprak: „Mijnheer biedt u zeer veel aan; het is immers beter voor u, dat éen mensch sterve[52]dan eene gansche stad verloren ga.” Maar de heer Vreeze-Gods vraagde: „Hoe lang zou Menschziel buiten den poel blijven, zoo zij haren kapitein Geloof aan Diábolus had overgegeven? Zoo gaat dan de stad verloren als Geloof verloren gaat; als de een weg is moet de andere wijken.” Toen Slecht daarop niets antwoordde sprak de burgemeester: „O gij verwoester! het zij u bekend, dat wij naar uwe woorden niet hooren zullen. Wij zijn besloten zoolang er éen kapitein, éen man, éen slinger, éen steen overblijft, u tegenstand te bieden!”
[52]Het is beter dat éen mensch sterve! Deze Kajafas-raad is duidelijk genoeg. Met schijnbare wijsheid en voorzichtigheid gaf de hoogepriester van Israël dien raad met het oog op Jezus Christus. Bunyan heeft begrepen, dat de satan het hem had ingegeven, en daarom legt hij dezen die woorden in den mond met het oog op kapitein Geloof, de hand waarmede men Christus aangrijpt.
[52]Het is beter dat éen mensch sterve! Deze Kajafas-raad is duidelijk genoeg. Met schijnbare wijsheid en voorzichtigheid gaf de hoogepriester van Israël dien raad met het oog op Jezus Christus. Bunyan heeft begrepen, dat de satan het hem had ingegeven, en daarom legt hij dezen die woorden in den mond met het oog op kapitein Geloof, de hand waarmede men Christus aangrijpt.
frame bottom
KAPITEIN GELOOF ONTVANGT HET VERZOEKSCHRIFT.Maar Diábolus antwoordde: „Hoopt gij nog? Wacht gij nog? Ziet gij nog uit naar hulp en verlossing? Gij hebt naar Immanuel gezonden, maar uw goddeloosheid kleeft aan uwe zoomen, en uwe onnoozele verzoekschriften beduiden toch niets. Hoeveel zondt gij er vroeger reeds op? Denkt gij, dat gij het nu winnen zult? Gij zult bedrogen uitkomen; want niet alleen ik ben tegen u, maat Immanuel evenzeer. Ja, Hij is het zelf, die mij tegen u heeft uitgezonden. Waar hoopt gij dan nog op? Door welke middelen wilt gij het ontkomen?”De burgemeester antwoordde: „Voorwaar, wij hebben gezondigd, maar daaruit zult gij bij Immanuel geen voordeel trekken; want in groote getrouwheid heeft hij gezegd: „Die tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen.” Hij heeft ook gezegd, dat alle zonde en lastering den menschen zal vergeven worden. Daarom durven wij niet wanhopen; maar willen blijven uitzien, wachten en hopen op onze verlossing.”Intusschen was kapitein Geloof van Immanuels hof wedergekeerd en droeg een pakket onder den arm. De heer burgemeester zulks verstaande onttrok zich aan het geraaskal van den woedenden tiran, en liet hem tegen de muren van het kasteel praten. Hij sloop weg naar het verblijf van den kapitein en vraagde naar de reis en den welstand van het hof, alsmede welk nieuws hij medebracht. Ach, de tranen stonden hem in de oogen. Maar kapitein Geloof zeide: „Houd moed, mijnheer, alles zal nog wel terecht komen.”[53]Dit zeggende haalde hij zijn pakket voor den dag en deed het open, waaruit de burgemeester en de anderen opmaakten, dat er goede tijding was. Daar nu de tijd des welbehagens daar was, zond hij om alle kapiteins en oudsten der stad, die in het kasteel hun verblijf hielden of op wacht waren. Daarop kwamen allen en verwelkomden hem, waarna hij uit zijn pakket verscheidene brieven voor den dag haalde. De eerste was voor den burgemeester.[53]Houd moed, Mijnheer, alles zal nog wel terecht komen. Het geloof houdt zich vast als ziende den Onzienlijke, en krijgt bij Geestes licht telkens dieper inzicht in de geopenbaarde waarheid. Dit wordt in de allegorie voorgesteld door de medegebrachte brieven. Het getuigenis Gods moet gelezen als een brief persoonlijk tot u gericht.
KAPITEIN GELOOF ONTVANGT HET VERZOEKSCHRIFT.
Maar Diábolus antwoordde: „Hoopt gij nog? Wacht gij nog? Ziet gij nog uit naar hulp en verlossing? Gij hebt naar Immanuel gezonden, maar uw goddeloosheid kleeft aan uwe zoomen, en uwe onnoozele verzoekschriften beduiden toch niets. Hoeveel zondt gij er vroeger reeds op? Denkt gij, dat gij het nu winnen zult? Gij zult bedrogen uitkomen; want niet alleen ik ben tegen u, maat Immanuel evenzeer. Ja, Hij is het zelf, die mij tegen u heeft uitgezonden. Waar hoopt gij dan nog op? Door welke middelen wilt gij het ontkomen?”
De burgemeester antwoordde: „Voorwaar, wij hebben gezondigd, maar daaruit zult gij bij Immanuel geen voordeel trekken; want in groote getrouwheid heeft hij gezegd: „Die tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen.” Hij heeft ook gezegd, dat alle zonde en lastering den menschen zal vergeven worden. Daarom durven wij niet wanhopen; maar willen blijven uitzien, wachten en hopen op onze verlossing.”
Intusschen was kapitein Geloof van Immanuels hof wedergekeerd en droeg een pakket onder den arm. De heer burgemeester zulks verstaande onttrok zich aan het geraaskal van den woedenden tiran, en liet hem tegen de muren van het kasteel praten. Hij sloop weg naar het verblijf van den kapitein en vraagde naar de reis en den welstand van het hof, alsmede welk nieuws hij medebracht. Ach, de tranen stonden hem in de oogen. Maar kapitein Geloof zeide: „Houd moed, mijnheer, alles zal nog wel terecht komen.”[53]Dit zeggende haalde hij zijn pakket voor den dag en deed het open, waaruit de burgemeester en de anderen opmaakten, dat er goede tijding was. Daar nu de tijd des welbehagens daar was, zond hij om alle kapiteins en oudsten der stad, die in het kasteel hun verblijf hielden of op wacht waren. Daarop kwamen allen en verwelkomden hem, waarna hij uit zijn pakket verscheidene brieven voor den dag haalde. De eerste was voor den burgemeester.
[53]Houd moed, Mijnheer, alles zal nog wel terecht komen. Het geloof houdt zich vast als ziende den Onzienlijke, en krijgt bij Geestes licht telkens dieper inzicht in de geopenbaarde waarheid. Dit wordt in de allegorie voorgesteld door de medegebrachte brieven. Het getuigenis Gods moet gelezen als een brief persoonlijk tot u gericht.
[53]Houd moed, Mijnheer, alles zal nog wel terecht komen. Het geloof houdt zich vast als ziende den Onzienlijke, en krijgt bij Geestes licht telkens dieper inzicht in de geopenbaarde waarheid. Dit wordt in de allegorie voorgesteld door de medegebrachte brieven. Het getuigenis Gods moet gelezen als een brief persoonlijk tot u gericht.
frame bottom
frame top
De Prins was zeer vergenoegd, dat deze edelman zijn ambt zoo getrouw had waargenomen in alle gewichtige aangelegenheden, die hem in Menschziel waren opgedragen. Ook gaf hij hem zijn welgevallen te kennen over zijne kloekmoedigheid en getrouwheid voor den Prins tegen Diábolus. Aan het slot stond, dat hij weldra zijn loon ontvangen zou.De tweede brief was voor den heer Vastewil, waarin te kennen gegeven was, dat zijn Vorst Immanuel wel verstaan had, hoe dapper hij voor zijn heer geweest was in zijn afwezen en toen zijn naam in verachting was bij de Diábolus-mannen. Ook dat hij zich zoo flink gehouden had in het opsporen en ophangen der Diábolus-mannen, die in hunne holen lagen. Hem zou eveneens zijn loon niet ontgaan.De derde brief was voor den Onderleeraar, waarin vermeld stond hoezeer de Prins zich verheugde, dat hij zoo eerlijk en getrouw zijn ambt had waargenomen in het bestraffen en vermanen en waarschuwen. Ook gaf de Vorst zijn welgevallen te kennen over den vast- en bededag toen Menschziel het verdorven had en dat hij daarbij de hulp van kapitein Boanerges had ingeroepen. Alles wist de Prins en voor alles zou de Onderleeraar beloond worden.Een vierde brief was voor den heer Vreeze Gods. Daarin stond, dat zijn Heer had opgemerkt, hoe hij de eerste in gansch Menschziel geweest was, die Vleeschelijke Gerustheid had openbaar gemaakt. Daarenboven gaf zijn Heer hem te verstaan, dat hij alle tranen en klaagliederen over Menschziel in gedachten zou houden en zijne kloekmoedige houding in de feestzaal van Vleeschelijke Gerustheid niet vergeten. Ook dat hij de poorten van het kasteel zoo goed had bewaard en de stedelingen geleerd hoe zij een verzoekschrift moesten inzenden, dat kracht deed. Daarom zou ook hij binnenkort zijn loon ontvangen.Daarna kwam er nog een brief, die aan de gansche stad Menschziel was geschreven, waaruit zij verstonden, dat hunne dikwijls herhaalde verzoekschriften aan hunnen Heer bij hem in gedachtenis waren en dat zij nu in de toekomst daarvan de vrucht zouden zien. Hun Vorst betuigde daarin, dat het hem recht aangenaam was, dat zij hun hart en hunne zinnen er nu ter dege op gezet hadden om in zijne wegen te wandelen, en dat noch de vleierij noch de dreiging van Diábolus, noch al zijne foltering hen kon bewegen zich over te geven. Onder aan den brief stond nog, dat hun Heer de stad Menschziel achtergelaten had in de handen van den Oppergeheimschrijver en onder het bestuur van kapitein Geloof: „Gedraagt u naar hun onderwijs en begeeren en gij zult ter bekwamer tijd uwen loon ontvangen.”Nadat de brave kapitein Geloof zijne brieven aan hun adres had afgeleverd, ging hij naar de kamer van den heer Oppergeheimschrijver en bracht daar eenigen tijd door in een vertrouwelijk gesprek. Die twee waren zeer met elkander vertrouwd. De Oppergeheimschrijver had den kapitein Geloof hartelijk lief, en zond hem menige verkwikking van zijne eigen tafel, ja, toonde hem een vriendelijk gelaat, waar de rest van Menschziel nog bewolkt was. Toen zij nu een wijle met elkander gesproken hadden, begaf de kapitein zich ter ruste. Doch niet lang daarna zond de Geheimschrijver weder om hem, die na eene beleefde buiging vraagde: „Wat heeft mijnheer tot zijn dienaar te zeggen?” Waarop de Oppergeheimschrijver hem ter zijde nam en met groote gunstbetooning overlaadde. Daarna sprak hij: „Ik heb u tot onderkoning gemaakt over de gansche stad Menschziel; zoodat van dezen dag af alle inwoners der stad op uw woord zullen opstaan en gij zult hen uit- en inleiden. Uit kracht van uwe waardigheid moet gij ook voor uwen Vorst en de stad Menschziel den oorlog voeren, en naar uwe bevelen zullen de andere kapiteins handelen.”
De Prins was zeer vergenoegd, dat deze edelman zijn ambt zoo getrouw had waargenomen in alle gewichtige aangelegenheden, die hem in Menschziel waren opgedragen. Ook gaf hij hem zijn welgevallen te kennen over zijne kloekmoedigheid en getrouwheid voor den Prins tegen Diábolus. Aan het slot stond, dat hij weldra zijn loon ontvangen zou.
De tweede brief was voor den heer Vastewil, waarin te kennen gegeven was, dat zijn Vorst Immanuel wel verstaan had, hoe dapper hij voor zijn heer geweest was in zijn afwezen en toen zijn naam in verachting was bij de Diábolus-mannen. Ook dat hij zich zoo flink gehouden had in het opsporen en ophangen der Diábolus-mannen, die in hunne holen lagen. Hem zou eveneens zijn loon niet ontgaan.
De derde brief was voor den Onderleeraar, waarin vermeld stond hoezeer de Prins zich verheugde, dat hij zoo eerlijk en getrouw zijn ambt had waargenomen in het bestraffen en vermanen en waarschuwen. Ook gaf de Vorst zijn welgevallen te kennen over den vast- en bededag toen Menschziel het verdorven had en dat hij daarbij de hulp van kapitein Boanerges had ingeroepen. Alles wist de Prins en voor alles zou de Onderleeraar beloond worden.
Een vierde brief was voor den heer Vreeze Gods. Daarin stond, dat zijn Heer had opgemerkt, hoe hij de eerste in gansch Menschziel geweest was, die Vleeschelijke Gerustheid had openbaar gemaakt. Daarenboven gaf zijn Heer hem te verstaan, dat hij alle tranen en klaagliederen over Menschziel in gedachten zou houden en zijne kloekmoedige houding in de feestzaal van Vleeschelijke Gerustheid niet vergeten. Ook dat hij de poorten van het kasteel zoo goed had bewaard en de stedelingen geleerd hoe zij een verzoekschrift moesten inzenden, dat kracht deed. Daarom zou ook hij binnenkort zijn loon ontvangen.
Daarna kwam er nog een brief, die aan de gansche stad Menschziel was geschreven, waaruit zij verstonden, dat hunne dikwijls herhaalde verzoekschriften aan hunnen Heer bij hem in gedachtenis waren en dat zij nu in de toekomst daarvan de vrucht zouden zien. Hun Vorst betuigde daarin, dat het hem recht aangenaam was, dat zij hun hart en hunne zinnen er nu ter dege op gezet hadden om in zijne wegen te wandelen, en dat noch de vleierij noch de dreiging van Diábolus, noch al zijne foltering hen kon bewegen zich over te geven. Onder aan den brief stond nog, dat hun Heer de stad Menschziel achtergelaten had in de handen van den Oppergeheimschrijver en onder het bestuur van kapitein Geloof: „Gedraagt u naar hun onderwijs en begeeren en gij zult ter bekwamer tijd uwen loon ontvangen.”
Nadat de brave kapitein Geloof zijne brieven aan hun adres had afgeleverd, ging hij naar de kamer van den heer Oppergeheimschrijver en bracht daar eenigen tijd door in een vertrouwelijk gesprek. Die twee waren zeer met elkander vertrouwd. De Oppergeheimschrijver had den kapitein Geloof hartelijk lief, en zond hem menige verkwikking van zijne eigen tafel, ja, toonde hem een vriendelijk gelaat, waar de rest van Menschziel nog bewolkt was. Toen zij nu een wijle met elkander gesproken hadden, begaf de kapitein zich ter ruste. Doch niet lang daarna zond de Geheimschrijver weder om hem, die na eene beleefde buiging vraagde: „Wat heeft mijnheer tot zijn dienaar te zeggen?” Waarop de Oppergeheimschrijver hem ter zijde nam en met groote gunstbetooning overlaadde. Daarna sprak hij: „Ik heb u tot onderkoning gemaakt over de gansche stad Menschziel; zoodat van dezen dag af alle inwoners der stad op uw woord zullen opstaan en gij zult hen uit- en inleiden. Uit kracht van uwe waardigheid moet gij ook voor uwen Vorst en de stad Menschziel den oorlog voeren, en naar uwe bevelen zullen de andere kapiteins handelen.”
frame bottom
DIÁBOLUS’ TAMBOER.Onder zulke omstandigheden kon het niet uitblijven of de burgers moesten beginnen te beseffen welk een invloed deze heer kapitein aan het hof bezat; want wie er ook ooit tot Immanuel werd afgezonden, wie hunner had zoo spoedig en zulk een goed antwoord van daar teruggebracht als deze kapitein? Wat doen zij nu? Nadat zij zichzelven hadden verweten, dat zij in hunne benauwdheid niet meer gebruik van hem hadden gemaakt, zonden zij door de hand van den Onderleeraar tot den Geheimschrijver om hem te verzoeken, dat toch al wat zij hadden of deden gesteld mocht worden onder het bestuur, de zorg en de hoede van kapitein Geloof.Zoo ging dan de Onderleeraar met deze boodschap en ontving tot antwoord, dat dit alreede was geschied, daar de heer Geloof tot Onderkoning was aangesteld.[54]Daarop boog hij zich en ging heen om dit nieuws aan de burgers der stad te verhalen. Maar dit alles geschiedde in het diepste geheim omdat de vijanden nog zulk een groote macht hadden in Menschziel.[54]De onderleeraar kreeg de boodschap dat alreede was geschied wat hij begeerde. Hiermede wordt aangeduid hoe de ziel het met God is eens geworden, hoe Gods Geest met onzen geest getuigt, en hoe de belofte bewaarheid wordt: eer ze roepen zal ik antwoorden.
DIÁBOLUS’ TAMBOER.
Onder zulke omstandigheden kon het niet uitblijven of de burgers moesten beginnen te beseffen welk een invloed deze heer kapitein aan het hof bezat; want wie er ook ooit tot Immanuel werd afgezonden, wie hunner had zoo spoedig en zulk een goed antwoord van daar teruggebracht als deze kapitein? Wat doen zij nu? Nadat zij zichzelven hadden verweten, dat zij in hunne benauwdheid niet meer gebruik van hem hadden gemaakt, zonden zij door de hand van den Onderleeraar tot den Geheimschrijver om hem te verzoeken, dat toch al wat zij hadden of deden gesteld mocht worden onder het bestuur, de zorg en de hoede van kapitein Geloof.
Zoo ging dan de Onderleeraar met deze boodschap en ontving tot antwoord, dat dit alreede was geschied, daar de heer Geloof tot Onderkoning was aangesteld.[54]Daarop boog hij zich en ging heen om dit nieuws aan de burgers der stad te verhalen. Maar dit alles geschiedde in het diepste geheim omdat de vijanden nog zulk een groote macht hadden in Menschziel.
[54]De onderleeraar kreeg de boodschap dat alreede was geschied wat hij begeerde. Hiermede wordt aangeduid hoe de ziel het met God is eens geworden, hoe Gods Geest met onzen geest getuigt, en hoe de belofte bewaarheid wordt: eer ze roepen zal ik antwoorden.
[54]De onderleeraar kreeg de boodschap dat alreede was geschied wat hij begeerde. Hiermede wordt aangeduid hoe de ziel het met God is eens geworden, hoe Gods Geest met onzen geest getuigt, en hoe de belofte bewaarheid wordt: eer ze roepen zal ik antwoorden.
frame bottom
KAPITEIN GELOOF OVERHANDIGT HET VERZOEKSCHRIFT.
KAPITEIN GELOOF OVERHANDIGT HET VERZOEKSCHRIFT.
KAPITEIN GELOOF TOT LUITENANT VAN DEN PRINS BEVORDERD.
KAPITEIN GELOOF TOT LUITENANT VAN DEN PRINS BEVORDERD.
HOOFDSTUK XV.DE BELOFTE VAN ZIJNE KOMST.MMaar laat ons tot Diábolus terugkeeren. Toen deze zag hoe kloekmoedig de heer burgemeester hem had weerstaan en de woorden van heer Vreeze-Gods overdacht, sloeg hij aan het woeden en riep een krijgsraad bijeen om zich op Menschziel te wreken, waarop al de vorsten van den poel samenkwamen en de oude Ongeloof vooraan om samen te beraadslagen wat er te doen stond. Het besluit van dien raad was, dat zij trachten moesten het kasteel hoe eer hoe beter te bemachtigen; want zij rekenden zich, en terecht, geen meester van de stad zoolang zij dat kasteel niet hadden. ’t Was Apollyon, die den doorslag gaf en sprak: „Mijne broederschap, ik heb u twee dingen voor te stellen, waarvan het eerste is: laat ons weder de stad verlaten en in het veld kampeeren; want ons verblijf in de stad doet ons geen goed, omdat het kasteel nog in de handen onzer vijanden is, en het is ons onmogelijk dat in te nemen zoolang die stoute gast Vreeze-Gods de poortwachter is. Wanneer wij ons nu naar buiten begeven, zullen zij zich verheugen en wellicht zorgeloos worden, en dat zou hun nadeeliger kunnen worden dan iets dat wij doen. Ook zullen de kapiteins dan wellicht hun schuilhoek verlaten, een uitval doen, ons achtervolgen en gij weet hoe slecht dit hun bekomen is. Kunnen wij hen maar in het veld lokken, zoo zullen wij in een achterlage achter de stad ons verschuilen, en een deel van ons zal die binnentrekken en ook het kasteel veroveren.”Eerst wilde Beëlzebul daar niet van weten en voerde aan, dat deze onderneming tevergeefs zou wezen omdat zij het kasteel niet zouden verlaten. Hij stelde dus andere middelen voor; maar de anderen meenden dat Apollyons raad beter was, hoewel zij moesten toegeven, dat het ook bijzonder dienstig wezen zou als zij middelen wisten te bedenken om hen aan het zondigen te brengen. „Wij hadden gerust onze2 Petr. 2 : 18-21.Twijfelaars thuis kunnen laten, wanneer wij hen geen meester kunnen doen worden van het kasteel,” zeiden zij, „want Twijfelaars, die van verre staan, zijn gelijk aan beschuldigingen, die men met goede bewijzen wederleggen kan. Kunnen wij hen echter in het kasteel krijgen en maken, dat zij dat in bezit nemen, dan hebben wij een goeden dag. Laat ons daarom terugtrekken naar het open veld; maar eerst moeten wij nog raadplegen met onze vertrouwde aanhangers hier in de stad, die ons moeten helpen om haar door verraad in onze handen te spelen. Waarlijk wij moeten hen aan het zondigen helpen, hierin heeft Beëlzebul groot gelijk, en dan de stad uit.”
MMaar laat ons tot Diábolus terugkeeren. Toen deze zag hoe kloekmoedig de heer burgemeester hem had weerstaan en de woorden van heer Vreeze-Gods overdacht, sloeg hij aan het woeden en riep een krijgsraad bijeen om zich op Menschziel te wreken, waarop al de vorsten van den poel samenkwamen en de oude Ongeloof vooraan om samen te beraadslagen wat er te doen stond. Het besluit van dien raad was, dat zij trachten moesten het kasteel hoe eer hoe beter te bemachtigen; want zij rekenden zich, en terecht, geen meester van de stad zoolang zij dat kasteel niet hadden. ’t Was Apollyon, die den doorslag gaf en sprak: „Mijne broederschap, ik heb u twee dingen voor te stellen, waarvan het eerste is: laat ons weder de stad verlaten en in het veld kampeeren; want ons verblijf in de stad doet ons geen goed, omdat het kasteel nog in de handen onzer vijanden is, en het is ons onmogelijk dat in te nemen zoolang die stoute gast Vreeze-Gods de poortwachter is. Wanneer wij ons nu naar buiten begeven, zullen zij zich verheugen en wellicht zorgeloos worden, en dat zou hun nadeeliger kunnen worden dan iets dat wij doen. Ook zullen de kapiteins dan wellicht hun schuilhoek verlaten, een uitval doen, ons achtervolgen en gij weet hoe slecht dit hun bekomen is. Kunnen wij hen maar in het veld lokken, zoo zullen wij in een achterlage achter de stad ons verschuilen, en een deel van ons zal die binnentrekken en ook het kasteel veroveren.”
Eerst wilde Beëlzebul daar niet van weten en voerde aan, dat deze onderneming tevergeefs zou wezen omdat zij het kasteel niet zouden verlaten. Hij stelde dus andere middelen voor; maar de anderen meenden dat Apollyons raad beter was, hoewel zij moesten toegeven, dat het ook bijzonder dienstig wezen zou als zij middelen wisten te bedenken om hen aan het zondigen te brengen. „Wij hadden gerust onze2 Petr. 2 : 18-21.Twijfelaars thuis kunnen laten, wanneer wij hen geen meester kunnen doen worden van het kasteel,” zeiden zij, „want Twijfelaars, die van verre staan, zijn gelijk aan beschuldigingen, die men met goede bewijzen wederleggen kan. Kunnen wij hen echter in het kasteel krijgen en maken, dat zij dat in bezit nemen, dan hebben wij een goeden dag. Laat ons daarom terugtrekken naar het open veld; maar eerst moeten wij nog raadplegen met onze vertrouwde aanhangers hier in de stad, die ons moeten helpen om haar door verraad in onze handen te spelen. Waarlijk wij moeten hen aan het zondigen helpen, hierin heeft Beëlzebul groot gelijk, en dan de stad uit.”
frame bottom
frame top
Toen had Lucifer nog het volgende te zeggen: „Al wat dusver voorgesteld is, is goed, en om dat te bevorderen, moeten wij de burgers niet meer zoo verschrikken, noch door onzen trommel noch door martelingen. Laat ons maar ver weg trekken en doen of wij geen acht op hen slaan; want de vreeze houdt hen wakker en doet hen op tegenweer bedacht zijn. Gij weet, dat Menschziel eene marktstad is, die veel vermaak schept in den koophandel, laat nu sommigen onzer zich aanstellen als kooplieden of boeren uit vergelegen plaatsen, die ter markt komen om hunne koopwaar aan den man te brengen. Laat ons die desnoods verkoopen voor den halven prijs! Maar die dit doen, moeten ons zeer getrouw wezen, ik wil hun mijn kroon tot belooning geven als zij er in slagen. Er komen mij er daar twee in gedachten, die bijzonder geschikt zijn voor dit werk. De een heet: Muguitzuiger-kemeldoorzwelger en de ander is Alles-in-de-Waagschaalzetter-om-een-kleine-winst. Deze mannen met zulke lange namen zijn uitmuntend tot ons doel. En wat dunkt u als wij daar eens bijvoegden, ’s Werelds-Goed en Aardsche Rijkdom? Die beiden zijn zeer listig en zeer bescheiden.Openb. 3 : 17.Laat dezen met eenige anderen hun best doen en laat het volk slechts rijk en zat worden, dan zullen wij bij hen winnen. Bedenk maar eens op welke wijze wij Laodicea overwonnen hebben! Als zij nu zat worden en wij hen niet verontrusten, zoo zullen zij hunne ellende vergeten en daarbij in slaap vallen en hun kasteel niet langer bewaken. Ja, zelfs zouden wij zoover kunnen gaan, door hen met allerlei overvloed te bezwaren, dat zij van hun kasteel een pakhuis maakten en er het oorlogsvolk uit wegnamen. Derhalve zoo wij onze goederen en koopwaar binnen weten te krijgen, zoo denk ik, dat de stad al half gewonnen is. Ook hunne kapiteins zullen het dan benauwd genoeg krijgen. Kent gij niet de gelijkenis van den rijken dwaas? En weet gij niet, dat als hetLuk. 8 : 14.hart overladen is met brasserij en dronkenschap en de zorgvuldigheden des levens, dat dan den mensen alle kwaad overkomt, eer hij er om denkt? BovendienLuk. 21 : 34, 36.is het niet goed voor een volk, dat zij met onze goederen vervuld zijn, wanneer zij niet eenigen der onzen in huis hebben,[55]zoogenaamd als dienaars, maar eigenlijk om alles tot ons te trekken. Waar is er een burger van Menschziel, die vol is van ’s werelds goed en niet tot zijn knecht of oppasser heeft een zekeren Overdadig, of Dartel, of Wellust, of Loos, of Pocher, of nog anderen van onze getrouwen? Deze nu, zouden het kasteel kunnen in de lucht laten springen of ongeschikt maken langer eene vesting van Immanuel te zijn. Op deze wijze gaat het beter dan door een groot leger. Ik blijf dus bij mijn raad. Laat ons dien nu spoedig uitvoeren en wegtrekken.”Wat deze hellevorst geraden had werd voor een helsch meesterstuk geacht. Maar ziet nu eens hoe het uitkwam! Pas was de vergadering van Diábolus uiteengegaan of kapitein Geloof ontvangt een brief van Immanuel, waarvan de korte inhoud was, dat hij hem op den derden dag in de vlakke velden van Menschziel zou ontmoeten.De kapitein begreep deze boodschap niet. Hem in het veld ontmoeten! zeide hij, wat bedoelt Prins Immanuel daarmede? Daarom nam hij den brief en ging er mede naar den Opperleeraar en Geheimschrijver, want deze was een ziener in al ’s konings zaken, Menschziel ten goede. Dezen edelman vroeg hij om raad. Nadat de Opperleeraar den brief stilzwijgend had gelezen zeide hij: „Het Diábolus-komplot heeft een groote beraadslaging gehad en zij hebben daar besloten tot het uiterste verderf van Menschziel. Van die zijde dreigt een groot gevaar. Zij maken zich gereed de stad te verlaten en zich weder in het veld te begeven om vandaar uit nieuwe helsche maatregelen te nemen. Maar zorg gij nu, dat gij tegen den derden dag gereed zijt, want dan komt ook de Prins met een groot leger in het veld tegen den opgang der zon, bij het aanbreken van den dag. Hij zal dan het leger van Diábolus van voren aangrijpen en gij van achteren, en zoo zal het ganschelijk vernield of verstrooid worden.”[55]Bovendien is het niet voor een volk, dat zij met onze goederen vervuld zijn, zoo zij niet een der onzen in huis hebben. De Heere zeide: „Maakt u vrienden uit den onrechtvaardigen Mammon, opdat zij u ontvangen in de eeuwige tabernakelen.” De satan weet zeer goed, dat wereldsche schatten uitmuntend te gebruiken zijn in ’s Heeren dienst en daarom stuurt hij erzijnvolk op af om ons te helpen die te beheeren en daardoor eigenlijk aan ’s Heeren dienst te onttrekken. Men wake en bidde vooral als men rijk is!
Toen had Lucifer nog het volgende te zeggen: „Al wat dusver voorgesteld is, is goed, en om dat te bevorderen, moeten wij de burgers niet meer zoo verschrikken, noch door onzen trommel noch door martelingen. Laat ons maar ver weg trekken en doen of wij geen acht op hen slaan; want de vreeze houdt hen wakker en doet hen op tegenweer bedacht zijn. Gij weet, dat Menschziel eene marktstad is, die veel vermaak schept in den koophandel, laat nu sommigen onzer zich aanstellen als kooplieden of boeren uit vergelegen plaatsen, die ter markt komen om hunne koopwaar aan den man te brengen. Laat ons die desnoods verkoopen voor den halven prijs! Maar die dit doen, moeten ons zeer getrouw wezen, ik wil hun mijn kroon tot belooning geven als zij er in slagen. Er komen mij er daar twee in gedachten, die bijzonder geschikt zijn voor dit werk. De een heet: Muguitzuiger-kemeldoorzwelger en de ander is Alles-in-de-Waagschaalzetter-om-een-kleine-winst. Deze mannen met zulke lange namen zijn uitmuntend tot ons doel. En wat dunkt u als wij daar eens bijvoegden, ’s Werelds-Goed en Aardsche Rijkdom? Die beiden zijn zeer listig en zeer bescheiden.Openb. 3 : 17.Laat dezen met eenige anderen hun best doen en laat het volk slechts rijk en zat worden, dan zullen wij bij hen winnen. Bedenk maar eens op welke wijze wij Laodicea overwonnen hebben! Als zij nu zat worden en wij hen niet verontrusten, zoo zullen zij hunne ellende vergeten en daarbij in slaap vallen en hun kasteel niet langer bewaken. Ja, zelfs zouden wij zoover kunnen gaan, door hen met allerlei overvloed te bezwaren, dat zij van hun kasteel een pakhuis maakten en er het oorlogsvolk uit wegnamen. Derhalve zoo wij onze goederen en koopwaar binnen weten te krijgen, zoo denk ik, dat de stad al half gewonnen is. Ook hunne kapiteins zullen het dan benauwd genoeg krijgen. Kent gij niet de gelijkenis van den rijken dwaas? En weet gij niet, dat als hetLuk. 8 : 14.hart overladen is met brasserij en dronkenschap en de zorgvuldigheden des levens, dat dan den mensen alle kwaad overkomt, eer hij er om denkt? BovendienLuk. 21 : 34, 36.is het niet goed voor een volk, dat zij met onze goederen vervuld zijn, wanneer zij niet eenigen der onzen in huis hebben,[55]zoogenaamd als dienaars, maar eigenlijk om alles tot ons te trekken. Waar is er een burger van Menschziel, die vol is van ’s werelds goed en niet tot zijn knecht of oppasser heeft een zekeren Overdadig, of Dartel, of Wellust, of Loos, of Pocher, of nog anderen van onze getrouwen? Deze nu, zouden het kasteel kunnen in de lucht laten springen of ongeschikt maken langer eene vesting van Immanuel te zijn. Op deze wijze gaat het beter dan door een groot leger. Ik blijf dus bij mijn raad. Laat ons dien nu spoedig uitvoeren en wegtrekken.”
Wat deze hellevorst geraden had werd voor een helsch meesterstuk geacht. Maar ziet nu eens hoe het uitkwam! Pas was de vergadering van Diábolus uiteengegaan of kapitein Geloof ontvangt een brief van Immanuel, waarvan de korte inhoud was, dat hij hem op den derden dag in de vlakke velden van Menschziel zou ontmoeten.
De kapitein begreep deze boodschap niet. Hem in het veld ontmoeten! zeide hij, wat bedoelt Prins Immanuel daarmede? Daarom nam hij den brief en ging er mede naar den Opperleeraar en Geheimschrijver, want deze was een ziener in al ’s konings zaken, Menschziel ten goede. Dezen edelman vroeg hij om raad. Nadat de Opperleeraar den brief stilzwijgend had gelezen zeide hij: „Het Diábolus-komplot heeft een groote beraadslaging gehad en zij hebben daar besloten tot het uiterste verderf van Menschziel. Van die zijde dreigt een groot gevaar. Zij maken zich gereed de stad te verlaten en zich weder in het veld te begeven om vandaar uit nieuwe helsche maatregelen te nemen. Maar zorg gij nu, dat gij tegen den derden dag gereed zijt, want dan komt ook de Prins met een groot leger in het veld tegen den opgang der zon, bij het aanbreken van den dag. Hij zal dan het leger van Diábolus van voren aangrijpen en gij van achteren, en zoo zal het ganschelijk vernield of verstrooid worden.”
[55]Bovendien is het niet voor een volk, dat zij met onze goederen vervuld zijn, zoo zij niet een der onzen in huis hebben. De Heere zeide: „Maakt u vrienden uit den onrechtvaardigen Mammon, opdat zij u ontvangen in de eeuwige tabernakelen.” De satan weet zeer goed, dat wereldsche schatten uitmuntend te gebruiken zijn in ’s Heeren dienst en daarom stuurt hij erzijnvolk op af om ons te helpen die te beheeren en daardoor eigenlijk aan ’s Heeren dienst te onttrekken. Men wake en bidde vooral als men rijk is!
[55]Bovendien is het niet voor een volk, dat zij met onze goederen vervuld zijn, zoo zij niet een der onzen in huis hebben. De Heere zeide: „Maakt u vrienden uit den onrechtvaardigen Mammon, opdat zij u ontvangen in de eeuwige tabernakelen.” De satan weet zeer goed, dat wereldsche schatten uitmuntend te gebruiken zijn in ’s Heeren dienst en daarom stuurt hij erzijnvolk op af om ons te helpen die te beheeren en daardoor eigenlijk aan ’s Heeren dienst te onttrekken. Men wake en bidde vooral als men rijk is!
frame bottom
DE KRIJGSRAAD DER BOOZEN.
DE KRIJGSRAAD DER BOOZEN.
frame top
Nauwelijks had kapitein Geloof dit gehoord of hij begaf zich naar de andere kapiteins en deelde hun mede welk een brief hij ontving en hoe de Opperleeraar hem al wat in Immanuels schrijven duister was had uitgelegd. Hij zeide hun daarenboven wat hij en de anderen doen moesten om aan het oogmerk van Immanuel te beantwoorden. Toen waren al de kapiteins vroolijk en op bevel van den onderkoning werden al de trompetten op het kasteel geblazen en maakten een overheerlijke muziek, waaraan gansch Menschziel zich verkwikte en die Diábolus ook hoorde. Toen stond Diábolus op eenmaal stil en zeide: „Wat zou toch dit trompetgeschal te beduiden hebben? Ze hebben paarden noch zadels, noch spijze. Wat overkomt dezen aemechtigen lieden, dat ze zoo vroolijk en blijde zijn?” Toen antwoordde hem een van zijn eigen volk en sprak: „Dit is uit vreugde, dat hun Prins Immanuel komt om de stad Menschziel te verlossen; tot dit doel trekt hij aan het hoofd van een leger op, en die verlossing is nabij.”De inwoners van Menschziel waren ook zeer bewogen door deze melodieuse tonen en zij spraken er met elkander over. „Dit kan ons geen leed doen,” zeide de een. „Neen,” zei een ander, „dit is een lied der verlossing.” De Diábolus-mannen beraadslaagden nog in alle haast en kwamen tot het besluit, dat het toch maar best was de stad te verlaten. Ze zouden hun voornemen nu ook uitvoeren, en kwam er een leger opdagen het dan in het open veld ontmoeten. Op den tweeden dag begaven zij zich dan ook buiten de stad en sloegen hun legerkamp op het vlakke veld op; maar vlak in het gezicht van de Oogpoort, en wel zoo indrukwekkend en afgrijselijk als hun slechts mogelijk was. Zij waren nu ook in het open veld gelegerd met het oog op een mogelijke vlucht, die daar gemakkelijker viel dan in de stad. Want waarlijk de stad zou hen tot een put en afgrond zijn geworden als vorst Immanuel zich daar legerde.Toen nu het oogenblik gekomen was, dat de kapiteins op Diábolus’ leger zouden aanvallen, bereidde een ieder zich zorgvuldig voor den slag. Kapitein Geloof had hun des nachts gezegd, dat zij in den morgenstond hunnen Prins in het veld zouden ontmoeten. Dit maakte hen des te vuriger om tegen den vijand op te rukken. Deze woorden: „Morgen zult gij den Prins in het vlakke veld zien!” waren als olie in een brandend vuur. Ze hadden hem zoo langen tijd gemist en zagen reikhalzend naar hem uit. Als het nu tijd was trok kapitein Geloof met al de strijdmacht van Menschziel naar buiten eer het dag was, de Mondpoort uit. Toen allen gereed stonden stelde hij zichzelven aan het hoofd en gaf aan de andere kapiteins het wachtwoord, en deze weder aan hunne officieren en soldaten. Dat wachtwoord luidde: „Het zwaard van den Prins Immanuel en het schild van kapitein Geloof.” Dit wachtwoord klonk in de taal der burgers van Menschziel als: „Het woord Gods en het geloof!” Daarop vielen zij nu het leger van Diábolus aan en begonnen het rondom te omsingelen en te benauwen.
Nauwelijks had kapitein Geloof dit gehoord of hij begaf zich naar de andere kapiteins en deelde hun mede welk een brief hij ontving en hoe de Opperleeraar hem al wat in Immanuels schrijven duister was had uitgelegd. Hij zeide hun daarenboven wat hij en de anderen doen moesten om aan het oogmerk van Immanuel te beantwoorden. Toen waren al de kapiteins vroolijk en op bevel van den onderkoning werden al de trompetten op het kasteel geblazen en maakten een overheerlijke muziek, waaraan gansch Menschziel zich verkwikte en die Diábolus ook hoorde. Toen stond Diábolus op eenmaal stil en zeide: „Wat zou toch dit trompetgeschal te beduiden hebben? Ze hebben paarden noch zadels, noch spijze. Wat overkomt dezen aemechtigen lieden, dat ze zoo vroolijk en blijde zijn?” Toen antwoordde hem een van zijn eigen volk en sprak: „Dit is uit vreugde, dat hun Prins Immanuel komt om de stad Menschziel te verlossen; tot dit doel trekt hij aan het hoofd van een leger op, en die verlossing is nabij.”
De inwoners van Menschziel waren ook zeer bewogen door deze melodieuse tonen en zij spraken er met elkander over. „Dit kan ons geen leed doen,” zeide de een. „Neen,” zei een ander, „dit is een lied der verlossing.” De Diábolus-mannen beraadslaagden nog in alle haast en kwamen tot het besluit, dat het toch maar best was de stad te verlaten. Ze zouden hun voornemen nu ook uitvoeren, en kwam er een leger opdagen het dan in het open veld ontmoeten. Op den tweeden dag begaven zij zich dan ook buiten de stad en sloegen hun legerkamp op het vlakke veld op; maar vlak in het gezicht van de Oogpoort, en wel zoo indrukwekkend en afgrijselijk als hun slechts mogelijk was. Zij waren nu ook in het open veld gelegerd met het oog op een mogelijke vlucht, die daar gemakkelijker viel dan in de stad. Want waarlijk de stad zou hen tot een put en afgrond zijn geworden als vorst Immanuel zich daar legerde.
Toen nu het oogenblik gekomen was, dat de kapiteins op Diábolus’ leger zouden aanvallen, bereidde een ieder zich zorgvuldig voor den slag. Kapitein Geloof had hun des nachts gezegd, dat zij in den morgenstond hunnen Prins in het veld zouden ontmoeten. Dit maakte hen des te vuriger om tegen den vijand op te rukken. Deze woorden: „Morgen zult gij den Prins in het vlakke veld zien!” waren als olie in een brandend vuur. Ze hadden hem zoo langen tijd gemist en zagen reikhalzend naar hem uit. Als het nu tijd was trok kapitein Geloof met al de strijdmacht van Menschziel naar buiten eer het dag was, de Mondpoort uit. Toen allen gereed stonden stelde hij zichzelven aan het hoofd en gaf aan de andere kapiteins het wachtwoord, en deze weder aan hunne officieren en soldaten. Dat wachtwoord luidde: „Het zwaard van den Prins Immanuel en het schild van kapitein Geloof.” Dit wachtwoord klonk in de taal der burgers van Menschziel als: „Het woord Gods en het geloof!” Daarop vielen zij nu het leger van Diábolus aan en begonnen het rondom te omsingelen en te benauwen.