[Inhoud]HOOFDSTUK VII.„De Kaap,” zoo ving de Jong aan, die wegens zijn kennis een zekere vermaardheid onder de Boeren had verkregen, „is een der zuidelijkste punten van Afrika, en werd in 1486 door denonverschrokkenPortugees Bartholomeüs Diaz ontdekt. Hij noemde haar de Kaap van alle Stormen van wege het noodweer, dat hij bij die Kaap had moeten doorstaan, maar zijn koning Jan de Tweede schudde het hoofd en zeide: „Wij zullen haar noemen de Kaap de Goede Hoop, want zij is een hoopvol baken op den langen tocht naar de Indiën.” Zoo werd de Kaap genoemd de Kaap de Goede[45]Hoop, en dien naam heeft zij behouden tot op den huidigen dag. Later kwamen er andere zeevaarders, even moedig als de matrozen van Bartholomeüs Diaz, maar zij waren koeler van aard. Zij kwamen uit het noorden: uit Holland, ons moederland. Met verwonderde gezichten zagen de inboorlingen, de Hottentotten, hen landen, maar de matrozen stoorden zich daar weinig aan en onderzochten het land. Nu bleek het, dat het land vruchtbaar was, en er kronkelden rivieren door heen met frisch, helder water. En de matrozen rapporteerden hunne bevindingen aan de Hollandsche Oost-Indische Compagnie, die zeer machtig was aan geld en aan luiden. En de bewindvoerders der Compagnie lachten, toen zij de gunstige rapporten vernamen, en zij pikten een extra snuifje uit hun gouden snuifdoozen en zeiden: „Wij zullen van de Kaap een pleisterplaats maken voor onze vele schepen, die op de Oost varen, en wij zullen er voor zorgen, dat er water en brandhout, versch vleesch en groenten te verkrijgen zijn voor de schepelingen!” Daarom werd er een fort gebouwd aan de Kaap, en tuinen werden er aangelegd: alles op last en ten behoeve van de Compagnie, die zeer machtig was.„Nu woonde hier ver van daan, in het kleine stedeke Wijk bij Duurstede in Holland, een dokter, wiens naam was Jan Antonie van Riebeek. Gij moet dezen naam goed onthouden, want deze schrandere, krachtige man kon nog iets anders dan aderlaten en beenen afzetten; hij verstond namelijk de kunst om kolonies te stichten. Met een honderdtal personen: landbouwers, handwerkslieden, soldaten, bootsgezellen enz. stevende hij in 1651 op drie gebrekkige vaartuigen uit Texel, en liet op een goeien dag het anker vallen in de Tafel-Baai. De landverhuizers werden ontscheept, en vestigden zich aan de Kaap als kolonisten.„Zoo ontstond de kolonie, de Kaapkolonie, en van Riebeek kan er de geestelijke vader van worden genoemd. Maar deze merkwaardige man, die van zessen klaar was, had niet alleen een helder hoofd maar ook een Godvreezend hart, en hij begon zijn ernstigen, gewichtvollen arbeid met een gebed, waarin hij den Allerhoogste om licht en wijsheid smeekte.”Voor degenen onzer lezers, die dit gebed nooit hebben gelezen, laten wij hier het slot er van volgen. Het is te vinden op de eerste bladzijde van het door Van Riebeek bijgehouden Archief, gedateerd 9 April 1652, en luidt als volgt:[46]„Wij bidden U derhalve, Allergenadigste Vader, dat Gij ons met Uwe vaderlijke wijsheid wilt bijstaan, en in deze vergadering presideerende, onze harten zult verlichten, dat alle verkeerde hartstochten, misverstanden en dergelijke gebreken van ons mochten geweerd blijven, ten einde onze harten, van alle menschelijke effecten rein, en onze gemoederen zoo gesteld zijnde, wij in onze raadslagen niet anders voornemen noch besluiten als hetgeen mag strekken tot grootmaking en lof van Uwen allerheiligsten Naam en tot den meesten dienst van onze heeren en meesters, zonder eenigermate op eigenbaat of particulier profijt acht te nemen. Dit en alles wat noodig is tot uitvoering onzer bevolen diensten en onze zaligheid bidden en begeeren wij in den naam van Uwen lieven Zoon, onzen Heiland en Zaligmaker Jezus Christus.”„Dit gebed,” zoo ging de Jong voort, „was het sterk en stevig fondament, waarop van Riebeek als een voorzichtig bouwmeester de muren zijner kolonie heeft opgetrokken. Het was intusschen voor de eerste kolonisten eene heele overgang, en zij stonden bij vele dingen raar te kijken. Terwijl zij b.v. hier aan de Kaap het Kerstfeest hielden midden in den zomer, waren zij gewoon geweest, het in Holland in den winter te vieren.”„In den winter?” vraagde Willem met verwondering, maar ook de gelaatstrekken der andere jonge Boeren drukten bevreemding uit.„Zeker, in den winter,” antwoordde de Jong met een glimlach.„Dus in Juli of Augustus?” hernam de vrager.„Neen, in December, net als wij. Maar ik zal ’t u gauw duidelijk maken. Als het hier in Zuid-Afrika zomer is, dan is het in Holland winter, en is het hier winter, dan is het in Holland zomer. De beide kerstdagen, 25 en 26 December, vallen hier midden in den zomer, in Holland midden in den winter.”Nu was het raadsel opgelost, en allen begrepen het.De Jong zette thans zijn geschiedenis voort.„De bodem,” zeide hij, „was vruchtbaar, en de vooruitzichten voor de landverhuizers gunstig. Daarom vestigden zich al meer en meer Hollanders aan de Kaap, die zich meest allen aan den landbouw wijdden, en de kolonie breidde zich uit. Het eerst kwamen de Hollanders in aanraking met de Hottentotten, en van hen kocht van Riebeek den noodigen grond. Hij nam den grond niet, maar hij kocht[47]hem. Onthoud dat goed! Het land is geroofd noch gestolen; het is door de Hollandsche Boeren, onze voorouders, op wettige, eerlijke wijze verworven. Maar de Hottentotten hadden hunne eigenaardige begrippen van het mijn en dijn, en van Riebeek had heel wat moeite, om het hen aan het verstand te brengen, dat zij het landkwijtwaren, dat zij hadden verkocht. Hij zeide tot de Hottentotten: „Hier rondom Tafelberg, is het nuonsHolland, en daar bij die hooge bergen dat isuwHolland.”„Daarom wordt die streek tot op dezen dag genoemd: „Hottentotsch-Holland”. De Hottentotten waren intusschen niet kruimelig in het land verkoopen, want zij dachten: Achter ons ligt de heele wereld, en die is van ons.„De Hottentotten vergisten zich echter hierin, want na verloop van tijd aan de Vischrivier gekomen, die hier langs ons lager heenstroomt, stootten zij op de Kafferstammen als op een ijzeren muur. Nu zaten zij in het zuiden door de Boeren en in het noorden door de Kaffers bekneld; velen hunner staken de zuidelijke grenzen over, en verhuurden zich als veehoeders bij de Boeren, terwijl de anderen, in ongeregelde benden langs de grenzen zwervend, naar het westen trokken, zoodat alle volksbewustzijn verloren ging.„Niet alle gouverneurs waren van zoo’n uitnemend karakter als Antonie van Riebeek, en onder de slechte bewindvoerders mogen Willem Adriaan van der Stell, Pieter Gijsbert van Noot en Joachim van Plettenberg in de eerste plaats worden genoemd. Reeds Simon van der Stell, de vader, had in strijd met het reglement der Compagnie zich vaste landerijen verworven, en de Boeren gedwongen, voor hem te werken, doch, de pink van Willem Adriaan bleek dikker te zijn dan de lende zijns vaders. De jonge van der Stell wist vierhonderd morgen land machtig te worden, waarop hij een prachtig huis liet bouwen en tuinen en boomgaarden aanleggen, terwijl niet minder dan vierhonderdduizend wijngaardstokken moesten worden aangeplant. Maar het kostte hem geen cent; hij liet er de Boeren voor zweeten.„Dit was echter nog niet genoeg. Hij werd eigenaar van tienduizend schapen, en van zeventienduizend stuks hoornvee, terwijl hij in schijn voor de Compagnie doch in wèrkelijkheid ten eigen bate opkooper en leverancier werd voor de Boeren.„Om de beteekenis daarvan te verstaan, behoort men te[48]bedenken, dat de Boeren aan niemand dan aan de Compagnie hun producten mochten verkoopen, terwijl zij bij niemand hun inkoopen mochten doen dan bij diezelfde goedertierene Compagnie, die tegen den laagst mogelijken, door haar zelf vastgestelden prijs kocht, en met buitensporige winsten verkocht.„De jonge van der Stell maakte het ten laatste zoo erg, dat drie en zestig burgers een klaagschrift tegen hem inzonden bij den gouverneur-generaal te Batavia, tot wiens gebied de Kaapkolonie behoorde, wat van der Stell aanleiding gaf, om den hoofdleider der beweging, Pieter van der Bijl, (een naam, nog tot op den huidigen dag in de Kaapkolonie met eere bekend), met vijf anderen ter verantwoording op te zenden naar Holland.„Doch deze vermetele daad kwam hem duur te staan, en zoowel hij als zijn gedienstige predikant en eenige andere Boerenverdrukkers werden teruggeroepen naar het moederland.„De bloedzuiger echter was nog maar een lam tegenover gouverneur van Noot, en veertig Boeren namen het wanhopig besluit, om naar een Portugeesche kolonie te vluchten, en vervolgens naar Holland te gaan, om daar recht te zoeken. Doch hun voornemen lekte uit, en van Noot liet zeven hunner ophangen in het gezicht van zijn kasteel.„Toen echter reeds zes Boeren hingen, en de zevende den beul zag naderen, die hem den strop om den nek zoude leggen, keerde hij zich met het gelaat naar het kasteel, en riep met indrukwekkende stem: „Gouverneur van Noot, ik daag u binnen een uur tijds voor den rechterstoel van den alwetenden God, om rekenschap te geven van mijne ziel en de zielen mijner vrienden!” Daarna wendde hij zich tot den beul, en met een: „In Gods naam dan!” liet hij zich gewillig ophangen.”Ouderling de Jong maakte, zelf onder den indruk van hetgeen hij verhaalde, een kleine pauze, en de luisterende Boeren schaarden dichter om hem heen.„Het woord van den Boer was een profetie geweest,” begon de Jong opnieuw, „en toen de raadsleden, met het toezicht op de executie belast, zich naar het kasteel begaven, om rapport uit te brengen, zagen zij wel den gouverneur zitten op zijn gewone plaats in den stoel, maar zijn gelaat scheen verwrongen, en de oogen schenen gebroken in helsche angst.[49]„Toen was er vreugde onder de Boeren, en de straatkinderen zongen met een even eenvoudige als pakkende woordspeling:„Geen nood!Van Noot is dood!”„Nog wijst men den bezoeker op het Museum te Kaapstad den stoel, waarop van Noot den laatsten adem uitblies, terwijl de regeering het lijk van dezen terecht verafschuwden man op een onbekende plek liet begraven.„Ook van Plettenberg was een echte verdrukker, die iederen Boer, die niet onvoorwaardelijk en onmiddellijk naar zijn pijpen wilde dansen, in de ijzers liet werpen, en als soldaat of matroos opzond naar Indië.„Gelukkig voor den Nederlandschen naam werd de rij der slechte bewindvoerders gedurig door goede onderbroken, en vooral gouverneur Rijk van Tulbagh werd geroemd wegens zijn oprecht, edel en rechtschapen karakter.„Telkens als het juk te zwaar werd, trokken de Boeren dieper het binnenland in. Zoo ontstond een nieuw district, het „afgelegene” geheeten, dat in 1742 bij de Kaapkolonie werd ingelijfd, en naar gouverneur Swellengrebel en diens echtgenoote Ten Damme, Swellendam werd genoemd.„Doch de Boeren trokken al verder, zoodat vier en veertig jaar later, in 1786, al weer een groot district bij de Kolonie kon worden gevoegd, dat naar gouverneur de Graaff en zijne vrouw Reynette Graaff-Reinet werd genoemd.„Intusschen gistte het bij het einde der achttiende eeuw in het oude Europa. Staatkundige beroeringen schokten de volken, en Europa raakte in vuur en vlam. Het Nederlandsche volk haalde de Franschen binnen, joeg zijn stadhouder weg en kwam tegenover Engeland te staan.„Nu wist Engeland zeer goed, dat er op den weg naar Oost-Indië een Kaapkolonie lag, en lord Keith, een Engelsch admiraal, ankerde den 10denJuni 1795 met een oorlogsvloot in de Simonsbaai, en eischte de Kaapkolonie op—voor den Prins van Oranje.„Het liep de Engelschen al bijzonder mee. De Hollandsche gouverneur ontving de Engelschen zeer beleefd, en wisselde met hen meer complimenten dan kogels.„Enfin, de uitslag was wel te voorzien, maar ter eere van onze Boeren zij het gezegd, dat zij van den beginne aan tegen de overgave waren. Zij wilden vechten tot het uiterste, en van alle kanten snelden zij toe, om de bedreigde Kolonie te steunen.[50]„Hoe jammer, dat er te Kaapstad een papgouverneur, een Sluyskens, regeerde, en geen ijzeren JanPieterszoonCoen!„’t Is waar: de Boeren hadden over de Nederlandsche regeering herhaaldelijk bitter te klagen gehad, maar zij vormde toch hun wettige regeering, en zij wilden met de vreemde indringers niets te maken hebben.„Zij wilden dus vechten, doch wat baatte het? De Hollandsche soldaten kregen order, om zich terug te trekken, en zonder slag of stoot, zonder dat er één druppel bloed was gevloeid, werden de forten overgegeven.„Roemloos ging de Kaapkolonie verloren, maar het was voor Nederland wel een aangename verrassing, toen het bij den vrede van Amiens (1802) de Kolonie terug ontving—doch hoor ik daar niet een vreemd geritsel in het kreupelhout?”„’t Is de wind maar,” zeide een der jonge Boeren, „die wat opsteekt.”„Er werden nu ernstige hervormingen ter hand genomen,” hernam de Jong, „en nieuwe, doelmatige regelingen, die vooral ons Boeren ten goede zouden komen, getroffen, toen de oorlog op nieuw ontbrandde, en de Engelsche admiraal Popham den 6denJanuari 1806 met een vloot van drie en zestig oorlogschepen in de Tafelbaai verscheen, om onmiddellijk met de ontscheping van vijf duizend man landingstroepen te beginnen.„De gouverneur Janssens stond als van den donder getroffen, en de koloniale troepen van Holland, die bij de Blauwbergen in linie stonden geschaard, gingen als echte huurlingen bij het hooren van het Engelsche tromgeroffel aan den haal.„Binnen zes dagen viel Kaapstad met het sterke kasteel in handen der Engelschen, en gouverneur Janssens vluchtte hals over kop naar de Hollandsch-Hottentotsche Bergen.„Maar ook nu was de toestand nog niet hopeloos. Met vijf honderd scherpschutters zou hij in staat zijn geweest, om den pas, die als een poort in de Hollandsch-HottentotscheBergentoegang gaf tot het binnenland, tegen de macht der Engelschen te houden.„En in plaats van vijf honderd zouden de Boeren hemvijf duizendscherpschutters hebben geleverd!„Toch heeft hij zelfs geen poging gewaagd! Al te angstig klopte dat hazenhart!„De huurlingen, die niet hadden willen vechten, mochten uittrekken met militaire eer; de officieren behielden hun particuliere eigendommen; de burgerlijke ambtenaren bleven in hun[51]betrekkingen, en de Boeren—nu ja, de Boeren mochten wrokken zooveel als zij wilden, men zou hen wel klaar krijgen.…”Maar verder kwam de Jong niet, want allen waren plotseling opgerezen.„Een tijger,” fluisterde Dirk, „daar, in het kreupelhout!”Het was afgesproken geweest, dat voortaan met het oog op de menigvuldige sporen van wilde dieren, die men had ontdekt, elken nacht door twee personen de wacht zou worden betrokken. Voor dezen nacht waren Gert Kloppers en zijn zoon Dirk met die taak belast, en met dat doel hadden zij geladen geweren bij zich.De tijger had zich verraden door het knakken der twijgen, en nu zagen ook de anderen de vage omtrekken van het roofdier tusschen het donker gebladerte schemeren. Zijn oogen blonken in de duisternis als twee gloeiende spijkers.Terwijl allen met gespannen aandacht naar die gloeiende spijkers staarden, legde Dirk voorzichtig aan.„Raak hem tusschen zijn oogen,” zeide Gert Kloppers zacht, terwijl hij ook zijn eigen geweer aanlegde.Dirk knikte en brandde los.Met een akelig gehuil beantwoordde de tijger het schot.Hij deed een geweldigen sprong, maar midden in den sprong viel hij met een harden slag tegen den grond.Dirk had hem genoeg gegeven.Voorzichtig slopen de Boeren nu met toortsen naderbij, en wachtten bedaard zijn laatste stuiptrekkingen af. Toen het roofdier dood was, onderzochten zij in de eerste plaats de plek, waar de kogel was doorgedrongen. Dat is altijd hun eerste werk. Voor zij de waarde van den buit taxeeren, gaan zij de waarde van het schot taxeeren.„Een mooi schot,” zeide de achttienjarige Kees Bouwer tot Tijs, den zoon van ouderling de Jong.Dat Kees deze opmerking bepaald aan Tijs de Jong maakte, had een bijzondere reden. Kees was wat plaagachtig van natuur, en hij wist, dat er tusschen Dirk Kloppers en Tijs eenige naijver bestond op het punt, wie van beiden het beste kon schieten. Trouwens wat de edele schutterskunst betreft, zijn de jonge Afrikaansche Boeren altijd eenigszins jaloersch op elkander.„Zoo goed kunt gij het toch niet,” liet Kees er minder edel op volgen.„Och,” zeide Tijs, de schouders ophalend, „’t is een gelukkig schot.”[52]„’t Is een meesterlijk schot,” antwoordde Kees, „en tegen Dirk moet je ’t afleggen.” „Goed, laat me ’t dan afleggen,” zeide Tijs wrevelig, en het gezelschap den rug toekeerend, riep hij: „Wel te rusten, en zegen met den tijger!”Toen ging hij naar zijn tent, en wierp zich ontstemd op een bos hooi neer. Maar spoedig viel hij in slaap en droomde van wilde avonturen met tijgers, leeuwen en olifanten.Ook de anderen zochten nu spoedig hun tenten op. Men gaf elkander de hand, terwijl Gert Kloppers en Dirk nieuwe brandstof op het vuur wierpen en zich voor de koude met een schapenvacht dekten.Van achter het gebergte klom de maan thans op in stille majesteit, en terwijl de toppen der bergen en de velden baadden in haar zacht glanzend licht, hing boven de spleten en kloven van het gebergte tastbare duisternis. Witte dampen stegen op, en aan den diep blauwen hemel schitterden de sterren als juweelen op het nachtelijk kleed van den Almachtige.Maar scherper klonk uit de verte het gehuil der gevlekte hyena en de rauwe kreet van den hongerigen panter. Sultan legde zijn kop op Dirk’s knie, terwijl hij nu en dan een dof gebrom liet hooren. Maar alles bleef rustig, en zonder verdere avonturen ging de nacht voorbij.Maar geen acht dagen later had de familie Kloppers een ontmoeting met het geweldigste aller roofdieren, den leeuw, waarbij het geen haar had gescheeld, of de kleine Hannie was het slachtoffer geworden.
[Inhoud]HOOFDSTUK VII.„De Kaap,” zoo ving de Jong aan, die wegens zijn kennis een zekere vermaardheid onder de Boeren had verkregen, „is een der zuidelijkste punten van Afrika, en werd in 1486 door denonverschrokkenPortugees Bartholomeüs Diaz ontdekt. Hij noemde haar de Kaap van alle Stormen van wege het noodweer, dat hij bij die Kaap had moeten doorstaan, maar zijn koning Jan de Tweede schudde het hoofd en zeide: „Wij zullen haar noemen de Kaap de Goede Hoop, want zij is een hoopvol baken op den langen tocht naar de Indiën.” Zoo werd de Kaap genoemd de Kaap de Goede[45]Hoop, en dien naam heeft zij behouden tot op den huidigen dag. Later kwamen er andere zeevaarders, even moedig als de matrozen van Bartholomeüs Diaz, maar zij waren koeler van aard. Zij kwamen uit het noorden: uit Holland, ons moederland. Met verwonderde gezichten zagen de inboorlingen, de Hottentotten, hen landen, maar de matrozen stoorden zich daar weinig aan en onderzochten het land. Nu bleek het, dat het land vruchtbaar was, en er kronkelden rivieren door heen met frisch, helder water. En de matrozen rapporteerden hunne bevindingen aan de Hollandsche Oost-Indische Compagnie, die zeer machtig was aan geld en aan luiden. En de bewindvoerders der Compagnie lachten, toen zij de gunstige rapporten vernamen, en zij pikten een extra snuifje uit hun gouden snuifdoozen en zeiden: „Wij zullen van de Kaap een pleisterplaats maken voor onze vele schepen, die op de Oost varen, en wij zullen er voor zorgen, dat er water en brandhout, versch vleesch en groenten te verkrijgen zijn voor de schepelingen!” Daarom werd er een fort gebouwd aan de Kaap, en tuinen werden er aangelegd: alles op last en ten behoeve van de Compagnie, die zeer machtig was.„Nu woonde hier ver van daan, in het kleine stedeke Wijk bij Duurstede in Holland, een dokter, wiens naam was Jan Antonie van Riebeek. Gij moet dezen naam goed onthouden, want deze schrandere, krachtige man kon nog iets anders dan aderlaten en beenen afzetten; hij verstond namelijk de kunst om kolonies te stichten. Met een honderdtal personen: landbouwers, handwerkslieden, soldaten, bootsgezellen enz. stevende hij in 1651 op drie gebrekkige vaartuigen uit Texel, en liet op een goeien dag het anker vallen in de Tafel-Baai. De landverhuizers werden ontscheept, en vestigden zich aan de Kaap als kolonisten.„Zoo ontstond de kolonie, de Kaapkolonie, en van Riebeek kan er de geestelijke vader van worden genoemd. Maar deze merkwaardige man, die van zessen klaar was, had niet alleen een helder hoofd maar ook een Godvreezend hart, en hij begon zijn ernstigen, gewichtvollen arbeid met een gebed, waarin hij den Allerhoogste om licht en wijsheid smeekte.”Voor degenen onzer lezers, die dit gebed nooit hebben gelezen, laten wij hier het slot er van volgen. Het is te vinden op de eerste bladzijde van het door Van Riebeek bijgehouden Archief, gedateerd 9 April 1652, en luidt als volgt:[46]„Wij bidden U derhalve, Allergenadigste Vader, dat Gij ons met Uwe vaderlijke wijsheid wilt bijstaan, en in deze vergadering presideerende, onze harten zult verlichten, dat alle verkeerde hartstochten, misverstanden en dergelijke gebreken van ons mochten geweerd blijven, ten einde onze harten, van alle menschelijke effecten rein, en onze gemoederen zoo gesteld zijnde, wij in onze raadslagen niet anders voornemen noch besluiten als hetgeen mag strekken tot grootmaking en lof van Uwen allerheiligsten Naam en tot den meesten dienst van onze heeren en meesters, zonder eenigermate op eigenbaat of particulier profijt acht te nemen. Dit en alles wat noodig is tot uitvoering onzer bevolen diensten en onze zaligheid bidden en begeeren wij in den naam van Uwen lieven Zoon, onzen Heiland en Zaligmaker Jezus Christus.”„Dit gebed,” zoo ging de Jong voort, „was het sterk en stevig fondament, waarop van Riebeek als een voorzichtig bouwmeester de muren zijner kolonie heeft opgetrokken. Het was intusschen voor de eerste kolonisten eene heele overgang, en zij stonden bij vele dingen raar te kijken. Terwijl zij b.v. hier aan de Kaap het Kerstfeest hielden midden in den zomer, waren zij gewoon geweest, het in Holland in den winter te vieren.”„In den winter?” vraagde Willem met verwondering, maar ook de gelaatstrekken der andere jonge Boeren drukten bevreemding uit.„Zeker, in den winter,” antwoordde de Jong met een glimlach.„Dus in Juli of Augustus?” hernam de vrager.„Neen, in December, net als wij. Maar ik zal ’t u gauw duidelijk maken. Als het hier in Zuid-Afrika zomer is, dan is het in Holland winter, en is het hier winter, dan is het in Holland zomer. De beide kerstdagen, 25 en 26 December, vallen hier midden in den zomer, in Holland midden in den winter.”Nu was het raadsel opgelost, en allen begrepen het.De Jong zette thans zijn geschiedenis voort.„De bodem,” zeide hij, „was vruchtbaar, en de vooruitzichten voor de landverhuizers gunstig. Daarom vestigden zich al meer en meer Hollanders aan de Kaap, die zich meest allen aan den landbouw wijdden, en de kolonie breidde zich uit. Het eerst kwamen de Hollanders in aanraking met de Hottentotten, en van hen kocht van Riebeek den noodigen grond. Hij nam den grond niet, maar hij kocht[47]hem. Onthoud dat goed! Het land is geroofd noch gestolen; het is door de Hollandsche Boeren, onze voorouders, op wettige, eerlijke wijze verworven. Maar de Hottentotten hadden hunne eigenaardige begrippen van het mijn en dijn, en van Riebeek had heel wat moeite, om het hen aan het verstand te brengen, dat zij het landkwijtwaren, dat zij hadden verkocht. Hij zeide tot de Hottentotten: „Hier rondom Tafelberg, is het nuonsHolland, en daar bij die hooge bergen dat isuwHolland.”„Daarom wordt die streek tot op dezen dag genoemd: „Hottentotsch-Holland”. De Hottentotten waren intusschen niet kruimelig in het land verkoopen, want zij dachten: Achter ons ligt de heele wereld, en die is van ons.„De Hottentotten vergisten zich echter hierin, want na verloop van tijd aan de Vischrivier gekomen, die hier langs ons lager heenstroomt, stootten zij op de Kafferstammen als op een ijzeren muur. Nu zaten zij in het zuiden door de Boeren en in het noorden door de Kaffers bekneld; velen hunner staken de zuidelijke grenzen over, en verhuurden zich als veehoeders bij de Boeren, terwijl de anderen, in ongeregelde benden langs de grenzen zwervend, naar het westen trokken, zoodat alle volksbewustzijn verloren ging.„Niet alle gouverneurs waren van zoo’n uitnemend karakter als Antonie van Riebeek, en onder de slechte bewindvoerders mogen Willem Adriaan van der Stell, Pieter Gijsbert van Noot en Joachim van Plettenberg in de eerste plaats worden genoemd. Reeds Simon van der Stell, de vader, had in strijd met het reglement der Compagnie zich vaste landerijen verworven, en de Boeren gedwongen, voor hem te werken, doch, de pink van Willem Adriaan bleek dikker te zijn dan de lende zijns vaders. De jonge van der Stell wist vierhonderd morgen land machtig te worden, waarop hij een prachtig huis liet bouwen en tuinen en boomgaarden aanleggen, terwijl niet minder dan vierhonderdduizend wijngaardstokken moesten worden aangeplant. Maar het kostte hem geen cent; hij liet er de Boeren voor zweeten.„Dit was echter nog niet genoeg. Hij werd eigenaar van tienduizend schapen, en van zeventienduizend stuks hoornvee, terwijl hij in schijn voor de Compagnie doch in wèrkelijkheid ten eigen bate opkooper en leverancier werd voor de Boeren.„Om de beteekenis daarvan te verstaan, behoort men te[48]bedenken, dat de Boeren aan niemand dan aan de Compagnie hun producten mochten verkoopen, terwijl zij bij niemand hun inkoopen mochten doen dan bij diezelfde goedertierene Compagnie, die tegen den laagst mogelijken, door haar zelf vastgestelden prijs kocht, en met buitensporige winsten verkocht.„De jonge van der Stell maakte het ten laatste zoo erg, dat drie en zestig burgers een klaagschrift tegen hem inzonden bij den gouverneur-generaal te Batavia, tot wiens gebied de Kaapkolonie behoorde, wat van der Stell aanleiding gaf, om den hoofdleider der beweging, Pieter van der Bijl, (een naam, nog tot op den huidigen dag in de Kaapkolonie met eere bekend), met vijf anderen ter verantwoording op te zenden naar Holland.„Doch deze vermetele daad kwam hem duur te staan, en zoowel hij als zijn gedienstige predikant en eenige andere Boerenverdrukkers werden teruggeroepen naar het moederland.„De bloedzuiger echter was nog maar een lam tegenover gouverneur van Noot, en veertig Boeren namen het wanhopig besluit, om naar een Portugeesche kolonie te vluchten, en vervolgens naar Holland te gaan, om daar recht te zoeken. Doch hun voornemen lekte uit, en van Noot liet zeven hunner ophangen in het gezicht van zijn kasteel.„Toen echter reeds zes Boeren hingen, en de zevende den beul zag naderen, die hem den strop om den nek zoude leggen, keerde hij zich met het gelaat naar het kasteel, en riep met indrukwekkende stem: „Gouverneur van Noot, ik daag u binnen een uur tijds voor den rechterstoel van den alwetenden God, om rekenschap te geven van mijne ziel en de zielen mijner vrienden!” Daarna wendde hij zich tot den beul, en met een: „In Gods naam dan!” liet hij zich gewillig ophangen.”Ouderling de Jong maakte, zelf onder den indruk van hetgeen hij verhaalde, een kleine pauze, en de luisterende Boeren schaarden dichter om hem heen.„Het woord van den Boer was een profetie geweest,” begon de Jong opnieuw, „en toen de raadsleden, met het toezicht op de executie belast, zich naar het kasteel begaven, om rapport uit te brengen, zagen zij wel den gouverneur zitten op zijn gewone plaats in den stoel, maar zijn gelaat scheen verwrongen, en de oogen schenen gebroken in helsche angst.[49]„Toen was er vreugde onder de Boeren, en de straatkinderen zongen met een even eenvoudige als pakkende woordspeling:„Geen nood!Van Noot is dood!”„Nog wijst men den bezoeker op het Museum te Kaapstad den stoel, waarop van Noot den laatsten adem uitblies, terwijl de regeering het lijk van dezen terecht verafschuwden man op een onbekende plek liet begraven.„Ook van Plettenberg was een echte verdrukker, die iederen Boer, die niet onvoorwaardelijk en onmiddellijk naar zijn pijpen wilde dansen, in de ijzers liet werpen, en als soldaat of matroos opzond naar Indië.„Gelukkig voor den Nederlandschen naam werd de rij der slechte bewindvoerders gedurig door goede onderbroken, en vooral gouverneur Rijk van Tulbagh werd geroemd wegens zijn oprecht, edel en rechtschapen karakter.„Telkens als het juk te zwaar werd, trokken de Boeren dieper het binnenland in. Zoo ontstond een nieuw district, het „afgelegene” geheeten, dat in 1742 bij de Kaapkolonie werd ingelijfd, en naar gouverneur Swellengrebel en diens echtgenoote Ten Damme, Swellendam werd genoemd.„Doch de Boeren trokken al verder, zoodat vier en veertig jaar later, in 1786, al weer een groot district bij de Kolonie kon worden gevoegd, dat naar gouverneur de Graaff en zijne vrouw Reynette Graaff-Reinet werd genoemd.„Intusschen gistte het bij het einde der achttiende eeuw in het oude Europa. Staatkundige beroeringen schokten de volken, en Europa raakte in vuur en vlam. Het Nederlandsche volk haalde de Franschen binnen, joeg zijn stadhouder weg en kwam tegenover Engeland te staan.„Nu wist Engeland zeer goed, dat er op den weg naar Oost-Indië een Kaapkolonie lag, en lord Keith, een Engelsch admiraal, ankerde den 10denJuni 1795 met een oorlogsvloot in de Simonsbaai, en eischte de Kaapkolonie op—voor den Prins van Oranje.„Het liep de Engelschen al bijzonder mee. De Hollandsche gouverneur ontving de Engelschen zeer beleefd, en wisselde met hen meer complimenten dan kogels.„Enfin, de uitslag was wel te voorzien, maar ter eere van onze Boeren zij het gezegd, dat zij van den beginne aan tegen de overgave waren. Zij wilden vechten tot het uiterste, en van alle kanten snelden zij toe, om de bedreigde Kolonie te steunen.[50]„Hoe jammer, dat er te Kaapstad een papgouverneur, een Sluyskens, regeerde, en geen ijzeren JanPieterszoonCoen!„’t Is waar: de Boeren hadden over de Nederlandsche regeering herhaaldelijk bitter te klagen gehad, maar zij vormde toch hun wettige regeering, en zij wilden met de vreemde indringers niets te maken hebben.„Zij wilden dus vechten, doch wat baatte het? De Hollandsche soldaten kregen order, om zich terug te trekken, en zonder slag of stoot, zonder dat er één druppel bloed was gevloeid, werden de forten overgegeven.„Roemloos ging de Kaapkolonie verloren, maar het was voor Nederland wel een aangename verrassing, toen het bij den vrede van Amiens (1802) de Kolonie terug ontving—doch hoor ik daar niet een vreemd geritsel in het kreupelhout?”„’t Is de wind maar,” zeide een der jonge Boeren, „die wat opsteekt.”„Er werden nu ernstige hervormingen ter hand genomen,” hernam de Jong, „en nieuwe, doelmatige regelingen, die vooral ons Boeren ten goede zouden komen, getroffen, toen de oorlog op nieuw ontbrandde, en de Engelsche admiraal Popham den 6denJanuari 1806 met een vloot van drie en zestig oorlogschepen in de Tafelbaai verscheen, om onmiddellijk met de ontscheping van vijf duizend man landingstroepen te beginnen.„De gouverneur Janssens stond als van den donder getroffen, en de koloniale troepen van Holland, die bij de Blauwbergen in linie stonden geschaard, gingen als echte huurlingen bij het hooren van het Engelsche tromgeroffel aan den haal.„Binnen zes dagen viel Kaapstad met het sterke kasteel in handen der Engelschen, en gouverneur Janssens vluchtte hals over kop naar de Hollandsch-Hottentotsche Bergen.„Maar ook nu was de toestand nog niet hopeloos. Met vijf honderd scherpschutters zou hij in staat zijn geweest, om den pas, die als een poort in de Hollandsch-HottentotscheBergentoegang gaf tot het binnenland, tegen de macht der Engelschen te houden.„En in plaats van vijf honderd zouden de Boeren hemvijf duizendscherpschutters hebben geleverd!„Toch heeft hij zelfs geen poging gewaagd! Al te angstig klopte dat hazenhart!„De huurlingen, die niet hadden willen vechten, mochten uittrekken met militaire eer; de officieren behielden hun particuliere eigendommen; de burgerlijke ambtenaren bleven in hun[51]betrekkingen, en de Boeren—nu ja, de Boeren mochten wrokken zooveel als zij wilden, men zou hen wel klaar krijgen.…”Maar verder kwam de Jong niet, want allen waren plotseling opgerezen.„Een tijger,” fluisterde Dirk, „daar, in het kreupelhout!”Het was afgesproken geweest, dat voortaan met het oog op de menigvuldige sporen van wilde dieren, die men had ontdekt, elken nacht door twee personen de wacht zou worden betrokken. Voor dezen nacht waren Gert Kloppers en zijn zoon Dirk met die taak belast, en met dat doel hadden zij geladen geweren bij zich.De tijger had zich verraden door het knakken der twijgen, en nu zagen ook de anderen de vage omtrekken van het roofdier tusschen het donker gebladerte schemeren. Zijn oogen blonken in de duisternis als twee gloeiende spijkers.Terwijl allen met gespannen aandacht naar die gloeiende spijkers staarden, legde Dirk voorzichtig aan.„Raak hem tusschen zijn oogen,” zeide Gert Kloppers zacht, terwijl hij ook zijn eigen geweer aanlegde.Dirk knikte en brandde los.Met een akelig gehuil beantwoordde de tijger het schot.Hij deed een geweldigen sprong, maar midden in den sprong viel hij met een harden slag tegen den grond.Dirk had hem genoeg gegeven.Voorzichtig slopen de Boeren nu met toortsen naderbij, en wachtten bedaard zijn laatste stuiptrekkingen af. Toen het roofdier dood was, onderzochten zij in de eerste plaats de plek, waar de kogel was doorgedrongen. Dat is altijd hun eerste werk. Voor zij de waarde van den buit taxeeren, gaan zij de waarde van het schot taxeeren.„Een mooi schot,” zeide de achttienjarige Kees Bouwer tot Tijs, den zoon van ouderling de Jong.Dat Kees deze opmerking bepaald aan Tijs de Jong maakte, had een bijzondere reden. Kees was wat plaagachtig van natuur, en hij wist, dat er tusschen Dirk Kloppers en Tijs eenige naijver bestond op het punt, wie van beiden het beste kon schieten. Trouwens wat de edele schutterskunst betreft, zijn de jonge Afrikaansche Boeren altijd eenigszins jaloersch op elkander.„Zoo goed kunt gij het toch niet,” liet Kees er minder edel op volgen.„Och,” zeide Tijs, de schouders ophalend, „’t is een gelukkig schot.”[52]„’t Is een meesterlijk schot,” antwoordde Kees, „en tegen Dirk moet je ’t afleggen.” „Goed, laat me ’t dan afleggen,” zeide Tijs wrevelig, en het gezelschap den rug toekeerend, riep hij: „Wel te rusten, en zegen met den tijger!”Toen ging hij naar zijn tent, en wierp zich ontstemd op een bos hooi neer. Maar spoedig viel hij in slaap en droomde van wilde avonturen met tijgers, leeuwen en olifanten.Ook de anderen zochten nu spoedig hun tenten op. Men gaf elkander de hand, terwijl Gert Kloppers en Dirk nieuwe brandstof op het vuur wierpen en zich voor de koude met een schapenvacht dekten.Van achter het gebergte klom de maan thans op in stille majesteit, en terwijl de toppen der bergen en de velden baadden in haar zacht glanzend licht, hing boven de spleten en kloven van het gebergte tastbare duisternis. Witte dampen stegen op, en aan den diep blauwen hemel schitterden de sterren als juweelen op het nachtelijk kleed van den Almachtige.Maar scherper klonk uit de verte het gehuil der gevlekte hyena en de rauwe kreet van den hongerigen panter. Sultan legde zijn kop op Dirk’s knie, terwijl hij nu en dan een dof gebrom liet hooren. Maar alles bleef rustig, en zonder verdere avonturen ging de nacht voorbij.Maar geen acht dagen later had de familie Kloppers een ontmoeting met het geweldigste aller roofdieren, den leeuw, waarbij het geen haar had gescheeld, of de kleine Hannie was het slachtoffer geworden.
HOOFDSTUK VII.
„De Kaap,” zoo ving de Jong aan, die wegens zijn kennis een zekere vermaardheid onder de Boeren had verkregen, „is een der zuidelijkste punten van Afrika, en werd in 1486 door denonverschrokkenPortugees Bartholomeüs Diaz ontdekt. Hij noemde haar de Kaap van alle Stormen van wege het noodweer, dat hij bij die Kaap had moeten doorstaan, maar zijn koning Jan de Tweede schudde het hoofd en zeide: „Wij zullen haar noemen de Kaap de Goede Hoop, want zij is een hoopvol baken op den langen tocht naar de Indiën.” Zoo werd de Kaap genoemd de Kaap de Goede[45]Hoop, en dien naam heeft zij behouden tot op den huidigen dag. Later kwamen er andere zeevaarders, even moedig als de matrozen van Bartholomeüs Diaz, maar zij waren koeler van aard. Zij kwamen uit het noorden: uit Holland, ons moederland. Met verwonderde gezichten zagen de inboorlingen, de Hottentotten, hen landen, maar de matrozen stoorden zich daar weinig aan en onderzochten het land. Nu bleek het, dat het land vruchtbaar was, en er kronkelden rivieren door heen met frisch, helder water. En de matrozen rapporteerden hunne bevindingen aan de Hollandsche Oost-Indische Compagnie, die zeer machtig was aan geld en aan luiden. En de bewindvoerders der Compagnie lachten, toen zij de gunstige rapporten vernamen, en zij pikten een extra snuifje uit hun gouden snuifdoozen en zeiden: „Wij zullen van de Kaap een pleisterplaats maken voor onze vele schepen, die op de Oost varen, en wij zullen er voor zorgen, dat er water en brandhout, versch vleesch en groenten te verkrijgen zijn voor de schepelingen!” Daarom werd er een fort gebouwd aan de Kaap, en tuinen werden er aangelegd: alles op last en ten behoeve van de Compagnie, die zeer machtig was.„Nu woonde hier ver van daan, in het kleine stedeke Wijk bij Duurstede in Holland, een dokter, wiens naam was Jan Antonie van Riebeek. Gij moet dezen naam goed onthouden, want deze schrandere, krachtige man kon nog iets anders dan aderlaten en beenen afzetten; hij verstond namelijk de kunst om kolonies te stichten. Met een honderdtal personen: landbouwers, handwerkslieden, soldaten, bootsgezellen enz. stevende hij in 1651 op drie gebrekkige vaartuigen uit Texel, en liet op een goeien dag het anker vallen in de Tafel-Baai. De landverhuizers werden ontscheept, en vestigden zich aan de Kaap als kolonisten.„Zoo ontstond de kolonie, de Kaapkolonie, en van Riebeek kan er de geestelijke vader van worden genoemd. Maar deze merkwaardige man, die van zessen klaar was, had niet alleen een helder hoofd maar ook een Godvreezend hart, en hij begon zijn ernstigen, gewichtvollen arbeid met een gebed, waarin hij den Allerhoogste om licht en wijsheid smeekte.”Voor degenen onzer lezers, die dit gebed nooit hebben gelezen, laten wij hier het slot er van volgen. Het is te vinden op de eerste bladzijde van het door Van Riebeek bijgehouden Archief, gedateerd 9 April 1652, en luidt als volgt:[46]„Wij bidden U derhalve, Allergenadigste Vader, dat Gij ons met Uwe vaderlijke wijsheid wilt bijstaan, en in deze vergadering presideerende, onze harten zult verlichten, dat alle verkeerde hartstochten, misverstanden en dergelijke gebreken van ons mochten geweerd blijven, ten einde onze harten, van alle menschelijke effecten rein, en onze gemoederen zoo gesteld zijnde, wij in onze raadslagen niet anders voornemen noch besluiten als hetgeen mag strekken tot grootmaking en lof van Uwen allerheiligsten Naam en tot den meesten dienst van onze heeren en meesters, zonder eenigermate op eigenbaat of particulier profijt acht te nemen. Dit en alles wat noodig is tot uitvoering onzer bevolen diensten en onze zaligheid bidden en begeeren wij in den naam van Uwen lieven Zoon, onzen Heiland en Zaligmaker Jezus Christus.”„Dit gebed,” zoo ging de Jong voort, „was het sterk en stevig fondament, waarop van Riebeek als een voorzichtig bouwmeester de muren zijner kolonie heeft opgetrokken. Het was intusschen voor de eerste kolonisten eene heele overgang, en zij stonden bij vele dingen raar te kijken. Terwijl zij b.v. hier aan de Kaap het Kerstfeest hielden midden in den zomer, waren zij gewoon geweest, het in Holland in den winter te vieren.”„In den winter?” vraagde Willem met verwondering, maar ook de gelaatstrekken der andere jonge Boeren drukten bevreemding uit.„Zeker, in den winter,” antwoordde de Jong met een glimlach.„Dus in Juli of Augustus?” hernam de vrager.„Neen, in December, net als wij. Maar ik zal ’t u gauw duidelijk maken. Als het hier in Zuid-Afrika zomer is, dan is het in Holland winter, en is het hier winter, dan is het in Holland zomer. De beide kerstdagen, 25 en 26 December, vallen hier midden in den zomer, in Holland midden in den winter.”Nu was het raadsel opgelost, en allen begrepen het.De Jong zette thans zijn geschiedenis voort.„De bodem,” zeide hij, „was vruchtbaar, en de vooruitzichten voor de landverhuizers gunstig. Daarom vestigden zich al meer en meer Hollanders aan de Kaap, die zich meest allen aan den landbouw wijdden, en de kolonie breidde zich uit. Het eerst kwamen de Hollanders in aanraking met de Hottentotten, en van hen kocht van Riebeek den noodigen grond. Hij nam den grond niet, maar hij kocht[47]hem. Onthoud dat goed! Het land is geroofd noch gestolen; het is door de Hollandsche Boeren, onze voorouders, op wettige, eerlijke wijze verworven. Maar de Hottentotten hadden hunne eigenaardige begrippen van het mijn en dijn, en van Riebeek had heel wat moeite, om het hen aan het verstand te brengen, dat zij het landkwijtwaren, dat zij hadden verkocht. Hij zeide tot de Hottentotten: „Hier rondom Tafelberg, is het nuonsHolland, en daar bij die hooge bergen dat isuwHolland.”„Daarom wordt die streek tot op dezen dag genoemd: „Hottentotsch-Holland”. De Hottentotten waren intusschen niet kruimelig in het land verkoopen, want zij dachten: Achter ons ligt de heele wereld, en die is van ons.„De Hottentotten vergisten zich echter hierin, want na verloop van tijd aan de Vischrivier gekomen, die hier langs ons lager heenstroomt, stootten zij op de Kafferstammen als op een ijzeren muur. Nu zaten zij in het zuiden door de Boeren en in het noorden door de Kaffers bekneld; velen hunner staken de zuidelijke grenzen over, en verhuurden zich als veehoeders bij de Boeren, terwijl de anderen, in ongeregelde benden langs de grenzen zwervend, naar het westen trokken, zoodat alle volksbewustzijn verloren ging.„Niet alle gouverneurs waren van zoo’n uitnemend karakter als Antonie van Riebeek, en onder de slechte bewindvoerders mogen Willem Adriaan van der Stell, Pieter Gijsbert van Noot en Joachim van Plettenberg in de eerste plaats worden genoemd. Reeds Simon van der Stell, de vader, had in strijd met het reglement der Compagnie zich vaste landerijen verworven, en de Boeren gedwongen, voor hem te werken, doch, de pink van Willem Adriaan bleek dikker te zijn dan de lende zijns vaders. De jonge van der Stell wist vierhonderd morgen land machtig te worden, waarop hij een prachtig huis liet bouwen en tuinen en boomgaarden aanleggen, terwijl niet minder dan vierhonderdduizend wijngaardstokken moesten worden aangeplant. Maar het kostte hem geen cent; hij liet er de Boeren voor zweeten.„Dit was echter nog niet genoeg. Hij werd eigenaar van tienduizend schapen, en van zeventienduizend stuks hoornvee, terwijl hij in schijn voor de Compagnie doch in wèrkelijkheid ten eigen bate opkooper en leverancier werd voor de Boeren.„Om de beteekenis daarvan te verstaan, behoort men te[48]bedenken, dat de Boeren aan niemand dan aan de Compagnie hun producten mochten verkoopen, terwijl zij bij niemand hun inkoopen mochten doen dan bij diezelfde goedertierene Compagnie, die tegen den laagst mogelijken, door haar zelf vastgestelden prijs kocht, en met buitensporige winsten verkocht.„De jonge van der Stell maakte het ten laatste zoo erg, dat drie en zestig burgers een klaagschrift tegen hem inzonden bij den gouverneur-generaal te Batavia, tot wiens gebied de Kaapkolonie behoorde, wat van der Stell aanleiding gaf, om den hoofdleider der beweging, Pieter van der Bijl, (een naam, nog tot op den huidigen dag in de Kaapkolonie met eere bekend), met vijf anderen ter verantwoording op te zenden naar Holland.„Doch deze vermetele daad kwam hem duur te staan, en zoowel hij als zijn gedienstige predikant en eenige andere Boerenverdrukkers werden teruggeroepen naar het moederland.„De bloedzuiger echter was nog maar een lam tegenover gouverneur van Noot, en veertig Boeren namen het wanhopig besluit, om naar een Portugeesche kolonie te vluchten, en vervolgens naar Holland te gaan, om daar recht te zoeken. Doch hun voornemen lekte uit, en van Noot liet zeven hunner ophangen in het gezicht van zijn kasteel.„Toen echter reeds zes Boeren hingen, en de zevende den beul zag naderen, die hem den strop om den nek zoude leggen, keerde hij zich met het gelaat naar het kasteel, en riep met indrukwekkende stem: „Gouverneur van Noot, ik daag u binnen een uur tijds voor den rechterstoel van den alwetenden God, om rekenschap te geven van mijne ziel en de zielen mijner vrienden!” Daarna wendde hij zich tot den beul, en met een: „In Gods naam dan!” liet hij zich gewillig ophangen.”Ouderling de Jong maakte, zelf onder den indruk van hetgeen hij verhaalde, een kleine pauze, en de luisterende Boeren schaarden dichter om hem heen.„Het woord van den Boer was een profetie geweest,” begon de Jong opnieuw, „en toen de raadsleden, met het toezicht op de executie belast, zich naar het kasteel begaven, om rapport uit te brengen, zagen zij wel den gouverneur zitten op zijn gewone plaats in den stoel, maar zijn gelaat scheen verwrongen, en de oogen schenen gebroken in helsche angst.[49]„Toen was er vreugde onder de Boeren, en de straatkinderen zongen met een even eenvoudige als pakkende woordspeling:„Geen nood!Van Noot is dood!”„Nog wijst men den bezoeker op het Museum te Kaapstad den stoel, waarop van Noot den laatsten adem uitblies, terwijl de regeering het lijk van dezen terecht verafschuwden man op een onbekende plek liet begraven.„Ook van Plettenberg was een echte verdrukker, die iederen Boer, die niet onvoorwaardelijk en onmiddellijk naar zijn pijpen wilde dansen, in de ijzers liet werpen, en als soldaat of matroos opzond naar Indië.„Gelukkig voor den Nederlandschen naam werd de rij der slechte bewindvoerders gedurig door goede onderbroken, en vooral gouverneur Rijk van Tulbagh werd geroemd wegens zijn oprecht, edel en rechtschapen karakter.„Telkens als het juk te zwaar werd, trokken de Boeren dieper het binnenland in. Zoo ontstond een nieuw district, het „afgelegene” geheeten, dat in 1742 bij de Kaapkolonie werd ingelijfd, en naar gouverneur Swellengrebel en diens echtgenoote Ten Damme, Swellendam werd genoemd.„Doch de Boeren trokken al verder, zoodat vier en veertig jaar later, in 1786, al weer een groot district bij de Kolonie kon worden gevoegd, dat naar gouverneur de Graaff en zijne vrouw Reynette Graaff-Reinet werd genoemd.„Intusschen gistte het bij het einde der achttiende eeuw in het oude Europa. Staatkundige beroeringen schokten de volken, en Europa raakte in vuur en vlam. Het Nederlandsche volk haalde de Franschen binnen, joeg zijn stadhouder weg en kwam tegenover Engeland te staan.„Nu wist Engeland zeer goed, dat er op den weg naar Oost-Indië een Kaapkolonie lag, en lord Keith, een Engelsch admiraal, ankerde den 10denJuni 1795 met een oorlogsvloot in de Simonsbaai, en eischte de Kaapkolonie op—voor den Prins van Oranje.„Het liep de Engelschen al bijzonder mee. De Hollandsche gouverneur ontving de Engelschen zeer beleefd, en wisselde met hen meer complimenten dan kogels.„Enfin, de uitslag was wel te voorzien, maar ter eere van onze Boeren zij het gezegd, dat zij van den beginne aan tegen de overgave waren. Zij wilden vechten tot het uiterste, en van alle kanten snelden zij toe, om de bedreigde Kolonie te steunen.[50]„Hoe jammer, dat er te Kaapstad een papgouverneur, een Sluyskens, regeerde, en geen ijzeren JanPieterszoonCoen!„’t Is waar: de Boeren hadden over de Nederlandsche regeering herhaaldelijk bitter te klagen gehad, maar zij vormde toch hun wettige regeering, en zij wilden met de vreemde indringers niets te maken hebben.„Zij wilden dus vechten, doch wat baatte het? De Hollandsche soldaten kregen order, om zich terug te trekken, en zonder slag of stoot, zonder dat er één druppel bloed was gevloeid, werden de forten overgegeven.„Roemloos ging de Kaapkolonie verloren, maar het was voor Nederland wel een aangename verrassing, toen het bij den vrede van Amiens (1802) de Kolonie terug ontving—doch hoor ik daar niet een vreemd geritsel in het kreupelhout?”„’t Is de wind maar,” zeide een der jonge Boeren, „die wat opsteekt.”„Er werden nu ernstige hervormingen ter hand genomen,” hernam de Jong, „en nieuwe, doelmatige regelingen, die vooral ons Boeren ten goede zouden komen, getroffen, toen de oorlog op nieuw ontbrandde, en de Engelsche admiraal Popham den 6denJanuari 1806 met een vloot van drie en zestig oorlogschepen in de Tafelbaai verscheen, om onmiddellijk met de ontscheping van vijf duizend man landingstroepen te beginnen.„De gouverneur Janssens stond als van den donder getroffen, en de koloniale troepen van Holland, die bij de Blauwbergen in linie stonden geschaard, gingen als echte huurlingen bij het hooren van het Engelsche tromgeroffel aan den haal.„Binnen zes dagen viel Kaapstad met het sterke kasteel in handen der Engelschen, en gouverneur Janssens vluchtte hals over kop naar de Hollandsch-Hottentotsche Bergen.„Maar ook nu was de toestand nog niet hopeloos. Met vijf honderd scherpschutters zou hij in staat zijn geweest, om den pas, die als een poort in de Hollandsch-HottentotscheBergentoegang gaf tot het binnenland, tegen de macht der Engelschen te houden.„En in plaats van vijf honderd zouden de Boeren hemvijf duizendscherpschutters hebben geleverd!„Toch heeft hij zelfs geen poging gewaagd! Al te angstig klopte dat hazenhart!„De huurlingen, die niet hadden willen vechten, mochten uittrekken met militaire eer; de officieren behielden hun particuliere eigendommen; de burgerlijke ambtenaren bleven in hun[51]betrekkingen, en de Boeren—nu ja, de Boeren mochten wrokken zooveel als zij wilden, men zou hen wel klaar krijgen.…”Maar verder kwam de Jong niet, want allen waren plotseling opgerezen.„Een tijger,” fluisterde Dirk, „daar, in het kreupelhout!”Het was afgesproken geweest, dat voortaan met het oog op de menigvuldige sporen van wilde dieren, die men had ontdekt, elken nacht door twee personen de wacht zou worden betrokken. Voor dezen nacht waren Gert Kloppers en zijn zoon Dirk met die taak belast, en met dat doel hadden zij geladen geweren bij zich.De tijger had zich verraden door het knakken der twijgen, en nu zagen ook de anderen de vage omtrekken van het roofdier tusschen het donker gebladerte schemeren. Zijn oogen blonken in de duisternis als twee gloeiende spijkers.Terwijl allen met gespannen aandacht naar die gloeiende spijkers staarden, legde Dirk voorzichtig aan.„Raak hem tusschen zijn oogen,” zeide Gert Kloppers zacht, terwijl hij ook zijn eigen geweer aanlegde.Dirk knikte en brandde los.Met een akelig gehuil beantwoordde de tijger het schot.Hij deed een geweldigen sprong, maar midden in den sprong viel hij met een harden slag tegen den grond.Dirk had hem genoeg gegeven.Voorzichtig slopen de Boeren nu met toortsen naderbij, en wachtten bedaard zijn laatste stuiptrekkingen af. Toen het roofdier dood was, onderzochten zij in de eerste plaats de plek, waar de kogel was doorgedrongen. Dat is altijd hun eerste werk. Voor zij de waarde van den buit taxeeren, gaan zij de waarde van het schot taxeeren.„Een mooi schot,” zeide de achttienjarige Kees Bouwer tot Tijs, den zoon van ouderling de Jong.Dat Kees deze opmerking bepaald aan Tijs de Jong maakte, had een bijzondere reden. Kees was wat plaagachtig van natuur, en hij wist, dat er tusschen Dirk Kloppers en Tijs eenige naijver bestond op het punt, wie van beiden het beste kon schieten. Trouwens wat de edele schutterskunst betreft, zijn de jonge Afrikaansche Boeren altijd eenigszins jaloersch op elkander.„Zoo goed kunt gij het toch niet,” liet Kees er minder edel op volgen.„Och,” zeide Tijs, de schouders ophalend, „’t is een gelukkig schot.”[52]„’t Is een meesterlijk schot,” antwoordde Kees, „en tegen Dirk moet je ’t afleggen.” „Goed, laat me ’t dan afleggen,” zeide Tijs wrevelig, en het gezelschap den rug toekeerend, riep hij: „Wel te rusten, en zegen met den tijger!”Toen ging hij naar zijn tent, en wierp zich ontstemd op een bos hooi neer. Maar spoedig viel hij in slaap en droomde van wilde avonturen met tijgers, leeuwen en olifanten.Ook de anderen zochten nu spoedig hun tenten op. Men gaf elkander de hand, terwijl Gert Kloppers en Dirk nieuwe brandstof op het vuur wierpen en zich voor de koude met een schapenvacht dekten.Van achter het gebergte klom de maan thans op in stille majesteit, en terwijl de toppen der bergen en de velden baadden in haar zacht glanzend licht, hing boven de spleten en kloven van het gebergte tastbare duisternis. Witte dampen stegen op, en aan den diep blauwen hemel schitterden de sterren als juweelen op het nachtelijk kleed van den Almachtige.Maar scherper klonk uit de verte het gehuil der gevlekte hyena en de rauwe kreet van den hongerigen panter. Sultan legde zijn kop op Dirk’s knie, terwijl hij nu en dan een dof gebrom liet hooren. Maar alles bleef rustig, en zonder verdere avonturen ging de nacht voorbij.Maar geen acht dagen later had de familie Kloppers een ontmoeting met het geweldigste aller roofdieren, den leeuw, waarbij het geen haar had gescheeld, of de kleine Hannie was het slachtoffer geworden.
„De Kaap,” zoo ving de Jong aan, die wegens zijn kennis een zekere vermaardheid onder de Boeren had verkregen, „is een der zuidelijkste punten van Afrika, en werd in 1486 door denonverschrokkenPortugees Bartholomeüs Diaz ontdekt. Hij noemde haar de Kaap van alle Stormen van wege het noodweer, dat hij bij die Kaap had moeten doorstaan, maar zijn koning Jan de Tweede schudde het hoofd en zeide: „Wij zullen haar noemen de Kaap de Goede Hoop, want zij is een hoopvol baken op den langen tocht naar de Indiën.” Zoo werd de Kaap genoemd de Kaap de Goede[45]Hoop, en dien naam heeft zij behouden tot op den huidigen dag. Later kwamen er andere zeevaarders, even moedig als de matrozen van Bartholomeüs Diaz, maar zij waren koeler van aard. Zij kwamen uit het noorden: uit Holland, ons moederland. Met verwonderde gezichten zagen de inboorlingen, de Hottentotten, hen landen, maar de matrozen stoorden zich daar weinig aan en onderzochten het land. Nu bleek het, dat het land vruchtbaar was, en er kronkelden rivieren door heen met frisch, helder water. En de matrozen rapporteerden hunne bevindingen aan de Hollandsche Oost-Indische Compagnie, die zeer machtig was aan geld en aan luiden. En de bewindvoerders der Compagnie lachten, toen zij de gunstige rapporten vernamen, en zij pikten een extra snuifje uit hun gouden snuifdoozen en zeiden: „Wij zullen van de Kaap een pleisterplaats maken voor onze vele schepen, die op de Oost varen, en wij zullen er voor zorgen, dat er water en brandhout, versch vleesch en groenten te verkrijgen zijn voor de schepelingen!” Daarom werd er een fort gebouwd aan de Kaap, en tuinen werden er aangelegd: alles op last en ten behoeve van de Compagnie, die zeer machtig was.
„Nu woonde hier ver van daan, in het kleine stedeke Wijk bij Duurstede in Holland, een dokter, wiens naam was Jan Antonie van Riebeek. Gij moet dezen naam goed onthouden, want deze schrandere, krachtige man kon nog iets anders dan aderlaten en beenen afzetten; hij verstond namelijk de kunst om kolonies te stichten. Met een honderdtal personen: landbouwers, handwerkslieden, soldaten, bootsgezellen enz. stevende hij in 1651 op drie gebrekkige vaartuigen uit Texel, en liet op een goeien dag het anker vallen in de Tafel-Baai. De landverhuizers werden ontscheept, en vestigden zich aan de Kaap als kolonisten.
„Zoo ontstond de kolonie, de Kaapkolonie, en van Riebeek kan er de geestelijke vader van worden genoemd. Maar deze merkwaardige man, die van zessen klaar was, had niet alleen een helder hoofd maar ook een Godvreezend hart, en hij begon zijn ernstigen, gewichtvollen arbeid met een gebed, waarin hij den Allerhoogste om licht en wijsheid smeekte.”
Voor degenen onzer lezers, die dit gebed nooit hebben gelezen, laten wij hier het slot er van volgen. Het is te vinden op de eerste bladzijde van het door Van Riebeek bijgehouden Archief, gedateerd 9 April 1652, en luidt als volgt:[46]
„Wij bidden U derhalve, Allergenadigste Vader, dat Gij ons met Uwe vaderlijke wijsheid wilt bijstaan, en in deze vergadering presideerende, onze harten zult verlichten, dat alle verkeerde hartstochten, misverstanden en dergelijke gebreken van ons mochten geweerd blijven, ten einde onze harten, van alle menschelijke effecten rein, en onze gemoederen zoo gesteld zijnde, wij in onze raadslagen niet anders voornemen noch besluiten als hetgeen mag strekken tot grootmaking en lof van Uwen allerheiligsten Naam en tot den meesten dienst van onze heeren en meesters, zonder eenigermate op eigenbaat of particulier profijt acht te nemen. Dit en alles wat noodig is tot uitvoering onzer bevolen diensten en onze zaligheid bidden en begeeren wij in den naam van Uwen lieven Zoon, onzen Heiland en Zaligmaker Jezus Christus.”
„Dit gebed,” zoo ging de Jong voort, „was het sterk en stevig fondament, waarop van Riebeek als een voorzichtig bouwmeester de muren zijner kolonie heeft opgetrokken. Het was intusschen voor de eerste kolonisten eene heele overgang, en zij stonden bij vele dingen raar te kijken. Terwijl zij b.v. hier aan de Kaap het Kerstfeest hielden midden in den zomer, waren zij gewoon geweest, het in Holland in den winter te vieren.”
„In den winter?” vraagde Willem met verwondering, maar ook de gelaatstrekken der andere jonge Boeren drukten bevreemding uit.
„Zeker, in den winter,” antwoordde de Jong met een glimlach.
„Dus in Juli of Augustus?” hernam de vrager.
„Neen, in December, net als wij. Maar ik zal ’t u gauw duidelijk maken. Als het hier in Zuid-Afrika zomer is, dan is het in Holland winter, en is het hier winter, dan is het in Holland zomer. De beide kerstdagen, 25 en 26 December, vallen hier midden in den zomer, in Holland midden in den winter.”
Nu was het raadsel opgelost, en allen begrepen het.
De Jong zette thans zijn geschiedenis voort.
„De bodem,” zeide hij, „was vruchtbaar, en de vooruitzichten voor de landverhuizers gunstig. Daarom vestigden zich al meer en meer Hollanders aan de Kaap, die zich meest allen aan den landbouw wijdden, en de kolonie breidde zich uit. Het eerst kwamen de Hollanders in aanraking met de Hottentotten, en van hen kocht van Riebeek den noodigen grond. Hij nam den grond niet, maar hij kocht[47]hem. Onthoud dat goed! Het land is geroofd noch gestolen; het is door de Hollandsche Boeren, onze voorouders, op wettige, eerlijke wijze verworven. Maar de Hottentotten hadden hunne eigenaardige begrippen van het mijn en dijn, en van Riebeek had heel wat moeite, om het hen aan het verstand te brengen, dat zij het landkwijtwaren, dat zij hadden verkocht. Hij zeide tot de Hottentotten: „Hier rondom Tafelberg, is het nuonsHolland, en daar bij die hooge bergen dat isuwHolland.”
„Daarom wordt die streek tot op dezen dag genoemd: „Hottentotsch-Holland”. De Hottentotten waren intusschen niet kruimelig in het land verkoopen, want zij dachten: Achter ons ligt de heele wereld, en die is van ons.
„De Hottentotten vergisten zich echter hierin, want na verloop van tijd aan de Vischrivier gekomen, die hier langs ons lager heenstroomt, stootten zij op de Kafferstammen als op een ijzeren muur. Nu zaten zij in het zuiden door de Boeren en in het noorden door de Kaffers bekneld; velen hunner staken de zuidelijke grenzen over, en verhuurden zich als veehoeders bij de Boeren, terwijl de anderen, in ongeregelde benden langs de grenzen zwervend, naar het westen trokken, zoodat alle volksbewustzijn verloren ging.
„Niet alle gouverneurs waren van zoo’n uitnemend karakter als Antonie van Riebeek, en onder de slechte bewindvoerders mogen Willem Adriaan van der Stell, Pieter Gijsbert van Noot en Joachim van Plettenberg in de eerste plaats worden genoemd. Reeds Simon van der Stell, de vader, had in strijd met het reglement der Compagnie zich vaste landerijen verworven, en de Boeren gedwongen, voor hem te werken, doch, de pink van Willem Adriaan bleek dikker te zijn dan de lende zijns vaders. De jonge van der Stell wist vierhonderd morgen land machtig te worden, waarop hij een prachtig huis liet bouwen en tuinen en boomgaarden aanleggen, terwijl niet minder dan vierhonderdduizend wijngaardstokken moesten worden aangeplant. Maar het kostte hem geen cent; hij liet er de Boeren voor zweeten.
„Dit was echter nog niet genoeg. Hij werd eigenaar van tienduizend schapen, en van zeventienduizend stuks hoornvee, terwijl hij in schijn voor de Compagnie doch in wèrkelijkheid ten eigen bate opkooper en leverancier werd voor de Boeren.
„Om de beteekenis daarvan te verstaan, behoort men te[48]bedenken, dat de Boeren aan niemand dan aan de Compagnie hun producten mochten verkoopen, terwijl zij bij niemand hun inkoopen mochten doen dan bij diezelfde goedertierene Compagnie, die tegen den laagst mogelijken, door haar zelf vastgestelden prijs kocht, en met buitensporige winsten verkocht.
„De jonge van der Stell maakte het ten laatste zoo erg, dat drie en zestig burgers een klaagschrift tegen hem inzonden bij den gouverneur-generaal te Batavia, tot wiens gebied de Kaapkolonie behoorde, wat van der Stell aanleiding gaf, om den hoofdleider der beweging, Pieter van der Bijl, (een naam, nog tot op den huidigen dag in de Kaapkolonie met eere bekend), met vijf anderen ter verantwoording op te zenden naar Holland.
„Doch deze vermetele daad kwam hem duur te staan, en zoowel hij als zijn gedienstige predikant en eenige andere Boerenverdrukkers werden teruggeroepen naar het moederland.
„De bloedzuiger echter was nog maar een lam tegenover gouverneur van Noot, en veertig Boeren namen het wanhopig besluit, om naar een Portugeesche kolonie te vluchten, en vervolgens naar Holland te gaan, om daar recht te zoeken. Doch hun voornemen lekte uit, en van Noot liet zeven hunner ophangen in het gezicht van zijn kasteel.
„Toen echter reeds zes Boeren hingen, en de zevende den beul zag naderen, die hem den strop om den nek zoude leggen, keerde hij zich met het gelaat naar het kasteel, en riep met indrukwekkende stem: „Gouverneur van Noot, ik daag u binnen een uur tijds voor den rechterstoel van den alwetenden God, om rekenschap te geven van mijne ziel en de zielen mijner vrienden!” Daarna wendde hij zich tot den beul, en met een: „In Gods naam dan!” liet hij zich gewillig ophangen.”
Ouderling de Jong maakte, zelf onder den indruk van hetgeen hij verhaalde, een kleine pauze, en de luisterende Boeren schaarden dichter om hem heen.
„Het woord van den Boer was een profetie geweest,” begon de Jong opnieuw, „en toen de raadsleden, met het toezicht op de executie belast, zich naar het kasteel begaven, om rapport uit te brengen, zagen zij wel den gouverneur zitten op zijn gewone plaats in den stoel, maar zijn gelaat scheen verwrongen, en de oogen schenen gebroken in helsche angst.[49]
„Toen was er vreugde onder de Boeren, en de straatkinderen zongen met een even eenvoudige als pakkende woordspeling:
„Geen nood!Van Noot is dood!”
„Geen nood!
Van Noot is dood!”
„Nog wijst men den bezoeker op het Museum te Kaapstad den stoel, waarop van Noot den laatsten adem uitblies, terwijl de regeering het lijk van dezen terecht verafschuwden man op een onbekende plek liet begraven.
„Ook van Plettenberg was een echte verdrukker, die iederen Boer, die niet onvoorwaardelijk en onmiddellijk naar zijn pijpen wilde dansen, in de ijzers liet werpen, en als soldaat of matroos opzond naar Indië.
„Gelukkig voor den Nederlandschen naam werd de rij der slechte bewindvoerders gedurig door goede onderbroken, en vooral gouverneur Rijk van Tulbagh werd geroemd wegens zijn oprecht, edel en rechtschapen karakter.
„Telkens als het juk te zwaar werd, trokken de Boeren dieper het binnenland in. Zoo ontstond een nieuw district, het „afgelegene” geheeten, dat in 1742 bij de Kaapkolonie werd ingelijfd, en naar gouverneur Swellengrebel en diens echtgenoote Ten Damme, Swellendam werd genoemd.
„Doch de Boeren trokken al verder, zoodat vier en veertig jaar later, in 1786, al weer een groot district bij de Kolonie kon worden gevoegd, dat naar gouverneur de Graaff en zijne vrouw Reynette Graaff-Reinet werd genoemd.
„Intusschen gistte het bij het einde der achttiende eeuw in het oude Europa. Staatkundige beroeringen schokten de volken, en Europa raakte in vuur en vlam. Het Nederlandsche volk haalde de Franschen binnen, joeg zijn stadhouder weg en kwam tegenover Engeland te staan.
„Nu wist Engeland zeer goed, dat er op den weg naar Oost-Indië een Kaapkolonie lag, en lord Keith, een Engelsch admiraal, ankerde den 10denJuni 1795 met een oorlogsvloot in de Simonsbaai, en eischte de Kaapkolonie op—voor den Prins van Oranje.
„Het liep de Engelschen al bijzonder mee. De Hollandsche gouverneur ontving de Engelschen zeer beleefd, en wisselde met hen meer complimenten dan kogels.
„Enfin, de uitslag was wel te voorzien, maar ter eere van onze Boeren zij het gezegd, dat zij van den beginne aan tegen de overgave waren. Zij wilden vechten tot het uiterste, en van alle kanten snelden zij toe, om de bedreigde Kolonie te steunen.[50]
„Hoe jammer, dat er te Kaapstad een papgouverneur, een Sluyskens, regeerde, en geen ijzeren JanPieterszoonCoen!
„’t Is waar: de Boeren hadden over de Nederlandsche regeering herhaaldelijk bitter te klagen gehad, maar zij vormde toch hun wettige regeering, en zij wilden met de vreemde indringers niets te maken hebben.
„Zij wilden dus vechten, doch wat baatte het? De Hollandsche soldaten kregen order, om zich terug te trekken, en zonder slag of stoot, zonder dat er één druppel bloed was gevloeid, werden de forten overgegeven.
„Roemloos ging de Kaapkolonie verloren, maar het was voor Nederland wel een aangename verrassing, toen het bij den vrede van Amiens (1802) de Kolonie terug ontving—doch hoor ik daar niet een vreemd geritsel in het kreupelhout?”
„’t Is de wind maar,” zeide een der jonge Boeren, „die wat opsteekt.”
„Er werden nu ernstige hervormingen ter hand genomen,” hernam de Jong, „en nieuwe, doelmatige regelingen, die vooral ons Boeren ten goede zouden komen, getroffen, toen de oorlog op nieuw ontbrandde, en de Engelsche admiraal Popham den 6denJanuari 1806 met een vloot van drie en zestig oorlogschepen in de Tafelbaai verscheen, om onmiddellijk met de ontscheping van vijf duizend man landingstroepen te beginnen.
„De gouverneur Janssens stond als van den donder getroffen, en de koloniale troepen van Holland, die bij de Blauwbergen in linie stonden geschaard, gingen als echte huurlingen bij het hooren van het Engelsche tromgeroffel aan den haal.
„Binnen zes dagen viel Kaapstad met het sterke kasteel in handen der Engelschen, en gouverneur Janssens vluchtte hals over kop naar de Hollandsch-Hottentotsche Bergen.
„Maar ook nu was de toestand nog niet hopeloos. Met vijf honderd scherpschutters zou hij in staat zijn geweest, om den pas, die als een poort in de Hollandsch-HottentotscheBergentoegang gaf tot het binnenland, tegen de macht der Engelschen te houden.
„En in plaats van vijf honderd zouden de Boeren hemvijf duizendscherpschutters hebben geleverd!
„Toch heeft hij zelfs geen poging gewaagd! Al te angstig klopte dat hazenhart!
„De huurlingen, die niet hadden willen vechten, mochten uittrekken met militaire eer; de officieren behielden hun particuliere eigendommen; de burgerlijke ambtenaren bleven in hun[51]betrekkingen, en de Boeren—nu ja, de Boeren mochten wrokken zooveel als zij wilden, men zou hen wel klaar krijgen.…”
Maar verder kwam de Jong niet, want allen waren plotseling opgerezen.
„Een tijger,” fluisterde Dirk, „daar, in het kreupelhout!”
Het was afgesproken geweest, dat voortaan met het oog op de menigvuldige sporen van wilde dieren, die men had ontdekt, elken nacht door twee personen de wacht zou worden betrokken. Voor dezen nacht waren Gert Kloppers en zijn zoon Dirk met die taak belast, en met dat doel hadden zij geladen geweren bij zich.
De tijger had zich verraden door het knakken der twijgen, en nu zagen ook de anderen de vage omtrekken van het roofdier tusschen het donker gebladerte schemeren. Zijn oogen blonken in de duisternis als twee gloeiende spijkers.
Terwijl allen met gespannen aandacht naar die gloeiende spijkers staarden, legde Dirk voorzichtig aan.
„Raak hem tusschen zijn oogen,” zeide Gert Kloppers zacht, terwijl hij ook zijn eigen geweer aanlegde.
Dirk knikte en brandde los.
Met een akelig gehuil beantwoordde de tijger het schot.
Hij deed een geweldigen sprong, maar midden in den sprong viel hij met een harden slag tegen den grond.
Dirk had hem genoeg gegeven.
Voorzichtig slopen de Boeren nu met toortsen naderbij, en wachtten bedaard zijn laatste stuiptrekkingen af. Toen het roofdier dood was, onderzochten zij in de eerste plaats de plek, waar de kogel was doorgedrongen. Dat is altijd hun eerste werk. Voor zij de waarde van den buit taxeeren, gaan zij de waarde van het schot taxeeren.
„Een mooi schot,” zeide de achttienjarige Kees Bouwer tot Tijs, den zoon van ouderling de Jong.
Dat Kees deze opmerking bepaald aan Tijs de Jong maakte, had een bijzondere reden. Kees was wat plaagachtig van natuur, en hij wist, dat er tusschen Dirk Kloppers en Tijs eenige naijver bestond op het punt, wie van beiden het beste kon schieten. Trouwens wat de edele schutterskunst betreft, zijn de jonge Afrikaansche Boeren altijd eenigszins jaloersch op elkander.
„Zoo goed kunt gij het toch niet,” liet Kees er minder edel op volgen.
„Och,” zeide Tijs, de schouders ophalend, „’t is een gelukkig schot.”[52]
„’t Is een meesterlijk schot,” antwoordde Kees, „en tegen Dirk moet je ’t afleggen.” „Goed, laat me ’t dan afleggen,” zeide Tijs wrevelig, en het gezelschap den rug toekeerend, riep hij: „Wel te rusten, en zegen met den tijger!”
Toen ging hij naar zijn tent, en wierp zich ontstemd op een bos hooi neer. Maar spoedig viel hij in slaap en droomde van wilde avonturen met tijgers, leeuwen en olifanten.
Ook de anderen zochten nu spoedig hun tenten op. Men gaf elkander de hand, terwijl Gert Kloppers en Dirk nieuwe brandstof op het vuur wierpen en zich voor de koude met een schapenvacht dekten.
Van achter het gebergte klom de maan thans op in stille majesteit, en terwijl de toppen der bergen en de velden baadden in haar zacht glanzend licht, hing boven de spleten en kloven van het gebergte tastbare duisternis. Witte dampen stegen op, en aan den diep blauwen hemel schitterden de sterren als juweelen op het nachtelijk kleed van den Almachtige.
Maar scherper klonk uit de verte het gehuil der gevlekte hyena en de rauwe kreet van den hongerigen panter. Sultan legde zijn kop op Dirk’s knie, terwijl hij nu en dan een dof gebrom liet hooren. Maar alles bleef rustig, en zonder verdere avonturen ging de nacht voorbij.
Maar geen acht dagen later had de familie Kloppers een ontmoeting met het geweldigste aller roofdieren, den leeuw, waarbij het geen haar had gescheeld, of de kleine Hannie was het slachtoffer geworden.