HOOFDSTUK XIII.

[Inhoud]HOOFDSTUK XIII.De wagentrein van kommandant Hendrik Potgieter had intusschen de Zandrivier, door de Boeren dus genoemd naar haar zanderige bedding, en de Valschrivier, valsch genoemd vanwege de vele blinde gaten en kuilen in dien stroom,[99]achter zich en vertoefde eenige dagen aan de biezige oevers van de Rhenosterrivier, waar vele rhenosters of rhenocerossen werden buitgemaakt.Nu ging de tocht op de Vaalrivier aan, vaal genoemd van wege de vale kleur van haar golven, en het hart der dappere Boeren klopte sneller, toen hun eerste wagens, de breede rivier passeerend, op het gebied van den gevreesden Moselekatse kwamen, die met zijn hoofdmacht reeds in aantocht was.Potgieter zadelde, toen hem de ernstige tijding van die nadering gewerd, het paard, en reed met negen onverschrokken mannen het Kafferleger tegemoet. Zij bonden witte doeken aan lange stokken, en toen men na eenige dagen rijdens in de verte de speeren der Kaffers zag blinken, zwaaiden zij, als een bewijs hunner vredelievende gezindheid, met die witte vlaggen.Als eenig antwoord liet Moselekatse het gansche leger voortrukken.Potgieter liet nu door twee zijner manschappen den achtergebleven wagentrein waarschuwen, om onmiddellijk op een geschikten heuvel de ossenwagens tot een rond lager te vereenigen, en verschool zich met zijn zeven overige manschappen gedurende den nacht in een bosch, terwijl men van de heuvelen de wachtvuren zag vlammen van Moselekatse’s krijgslieden. Bij het krieken van den dag doofden de vuren, en gingen de Kaffers weer op marsch. De Boeren slopen hen achterna, en toen de tocht al door naar het zuiden ging, schoot er geen twijfel meer over, dat het op de argelooze Voortrekkers was gemunt.Potgieter en zijn mannen waren nu nog een dagreis van hun wagentrein verwijderd, en joegen in een grooten boog om het Kafferleger heen, om hun kamp bijtijds te bereiken.Het was voor de achtergeblevenen een groote troost, toen zij hun aanvoerder behouden terug zagen, en in der haast werd het lager zoo sterk mogelijk gemaakt, terwijl vijf wagens binnen den kring werden getrokken, die, gedekt door een scherm van planken, bij den gevreesden Kafferaanval een schuilplaats zouden kunnen bieden voor vrouwen en kinderen.Toen het kamp gereed was, gingen zes Boeren op kondschap uit, die met de ernstige tijding terugkwamen, dat de vlakte in het noorden zwart was van oorlogskaffers. Toen sloeg den Boeren het hart van vreeze, en zij riepen tot God in hun grooten nood.[100]Nog één kans wilde echter de wakkere Potgieter wagen, om met Moselekatse tot vrede te komen. Met vijf en twintig gewapende Boeren trok hij het Kafferleger tegemoet, en zag het, op een half uur afstands van het lager gekomen, naderen als een reusachtige muur. Onmiddellijk zond Potgieter een rapportganger terug met het bevel, dat men slechts één poort der wagenburcht zou open laten, om de Boerenwacht, die in het veld was, in te laten, terwijl men zich in het lager bij het hooren van het eerste schot gereed zou houden voor het gevecht.De Kaffers hadden nu de ruiters in het gezicht gekregen, maar in plaats van op de vredelievende seinen der Boeren te letten, breidden zij hun slagorde tot twee groote hoornen uit, om de blanken te omsingelen.„Vuur!” kommandeerde nu Potgieter, en de kogels der Boeren sloegen in de rijen der Kaffers. Maar hun slagorde werd geen oogenblik verbroken, en zij naderden thans met de snelheid eener lawine. Toen werd het Potgieter en zijn mannen toch te benauwd in het veld, en den teugel wendend, joegen zij terug naar hun kamp. Doch vijf hunner stormden—was het uit angst of verbijstering?—het kamp voorbij, en vluchtten het zuiden in.Potgieter en zijn twintig mannen waren nu weer gelukkig binnen de poort, die door een stevigen doornboom, met zware kettingen vastgesjord, snel werd versperd. Maar het was ook hoog tijd, want de vluchtelingen waren reeds onder het bereik der lange werpspeer.Evenals bij den aanval op Kloppers’ lager werd het hier een strijd op leven en dood. De Kaffers wierpen hun leeren schilden op de doornversperringen, stutten er zich op, en trachtten zoo over den wagenmuur heen te komen. Maar mannen, vrouwen en kinderen wedijverden met elkander in doodverachtenden heldenmoed, en terwijl de vrouwen de tusschen en boven de doorntakken zich heen wringende Kaffers met hun bijlen doodsloegen, schoten de mannen met hun lange roeren, geladen met zoogenaamde loopers: (zakjes, die 70 tot 90 zware hagelkorrels inhielden) diepe, gapende openingen in den opdringenden vijand.Ook de wanhopigste pogingen der Kaffers, om de ossenwagens uit hun verband te rukken, mislukten volkomen. De wagens waren door sterke, stalen kettingen zoo stevig vastgelegd aan diep in den grond geheide palen, dat zij onbewegelijk waren als schepen, die vast en veilig voor dubbele ankers liggen.[101]Vier uur had de moorddadige strijd geduurd, en om de wagenburcht had zich een nieuwe, vreeselijke wal gevormd, een wal van gewonde, stervende en gesneuvelde Kaffers. Toen had Moselekatse er genoeg van, en de moed van zijn soldaten was gebroken. Er ging uit hun slagorden een groot, klagend gehuil op, en zij sloegen, door de Boeren vervolgd, in wilde vlucht.Echter niet onvermengd was de vreugde der overwinnaars. Twee dappere mannen, de broeder en de schoonzoon van den kommandant: Nicolaas Potgieter en Pieter Botha lagen, met de doodelijke speerwond in de borst, in de schaduw van een ossenwagen te sterven, en verscheidene Boeren waren gewond.Wonderlijk was het negenjarig zoontje van de familie Liebenberg bewaard gebleven. Voordat de Kafferaanval plaats greep, had zijn vader hem een zweep gegeven met de boodschap: „Barend, ga naar onze schapen en kijk er naar!”Het ventje was heengegaan, om aan den last te voldoen, doch wie beschrijft den angst der ouders, toen het lager als door een stortvloed van bloeddorstige Kaffers werd omloeid, en het kind nog in het open veld was! Nauwelijks waren de Kaffers dan ook gevlucht, of de ouders gingen op pad, om hun lieveling te zoeken, doch al hun zoeken was te vergeefs, en hun angstig roepen vond geen antwoord. Het kind bleef weg, en men kon niet anders denken, dan dat het kind door de Kaffers was vermoord.Doch te grooter was de vreugde der ouders, toen zij den volgenden morgen het kind zagen aankomen. Het kereltje wandelde doodbedaard, klapte met de zweep, en viel zijn van blijdschap schreiende ouders in de armen!Zelfs geen schram had hij opgeloopen. Hij vertelde, dat de Kaffers de schapen hadden gestolen, en hij toen maar achter een doornbosch was weggekropen, maar de ouders verklaarden, dat God zijn heilige engelen had geboden, om dit kind te beschermen.De overwinning was behaald, maar smartelijk vermisten de Boeren hun vee, vooral hun trekossen, die door de Kaffers waren weggedreven, terwijl zij hier niet konden blijven, te midden van dit afgrijselijk veld van dooden, waarop de gieren reeds waren neergestreken.Zoo spande men dan de paarden, die dit werk nooit hadden verricht, voor de zware wagens, en knarsend gingen de met bloed bespatte wielen over de weggeworpen speren,[102]leeren schilden en gesneuvelde Kaffers naar een geschikter plaats, op een half uur afstands van het slagveld.Nu zond men om hulp naar de Barolongs, en deze, daartoe krachtig aangespoord door den edelen zendeling Archbell, verschaften den Boeren de zoo vurig verbeide trekossen, waarmede men terugtrok tot bij Blesberg.Hier werd het hart der moede zwervers verkwikt door het gezicht van nieuwe, lange wagentreinen, zoo pas uit de Kaapkolonie aangekomen, en er waren vele moedige harten onder, die voor een strijd met Moselekatse niet vervaard waren.Trouwens ermoestmet hem worden afgerekend, want Moselekatse was er op uit, de kleine Boerenlagers één voor één te vernietigen. De Boeren moesten hemaanvallen, om door hem nietverpletterdte worden; zijn macht moesten zijfnuiken, om door die macht nietverbrijzeldte worden.Zoo sloegen de dappere Voortrekkers dan de handen in een, en trokken twee keeren tegen Moselekatse op, den eersten keer met een legertje, waarvan de kern uit honderd zeven Boeren, den tweeden keer met een kommando, waarvan de kern uit driehonderd dertig Boeren bestond.De wakkere, in de Transvaalsche geschiedenis wel bekendeGert Maritzwas in beide veldtochten Kommandant-Generaal, en God bekroonde den schier vermetelen moed der Boeren, die den leeuw in zijn hol opzochten, met Zijn kennelijken zegen. Moselekatse leed een zware nederlaag en vluchtte naar het noorden, waar hij op nieuw, aan zijn bijnaam „de groote Olifant” getrouw, de zwakkere stammen onder zijn ijzeren tredvermorzelde.De Transvaal lag nu voor de Boeren open, daar de muur, waarmede Moselekatse den toegang had willen versperren, was neergehaald. Zonder aarzelen trokken de Voortrekkers dan ook de Vaalrivier over, en kwamen in het land, dat door Moselekatse zoo goed als uitgemoord was geworden. Slechts hier en daar verspreid, in spleten en spelonken, kon men de armzalige overblijfselen terugvinden van eens machtige Kaffervolken, die door den grooten Olifant waren vernietigd.De Transvaal lag dus onbeheerd. De vroègere eigenaren van het land waren uitgeroeid, en de tegenwoordige eigenaar, Moselekatse, was in den strijd tegen de Boeren te kort geschoten. Zoo namen de zegevierende Voortrekkers naar het recht van den Overwinnaar van de Transvaalbezit.[103]Maar terwijl een deel der Voortrekkers plannen maakte, om zichblijvendin de Transvaal te vestigen, was een ander deel besloten, om onderPiet Retiefdoor de Transvaal naar het zuidelijker gelegenNatalte trekken.Immers Natal was volgens veler getuigenis een land, vloeiende van melk en honing, doorsneden van standhoudende rivieren, bedekt met groote, uitnemend timmerhout leverende bosschen; en—wat de deur dicht deed—het had een diepe, kostelijke zeehaven. Tevens was het bekend, dat de Zoeloekoning Dingaan, aan wien Natal behoorde, genegen was, heel dit gebied op billijke voorwaarden aan de Boeren te verkoopen.Zoo scheen de weg er wel heen te liggen.

[Inhoud]HOOFDSTUK XIII.De wagentrein van kommandant Hendrik Potgieter had intusschen de Zandrivier, door de Boeren dus genoemd naar haar zanderige bedding, en de Valschrivier, valsch genoemd vanwege de vele blinde gaten en kuilen in dien stroom,[99]achter zich en vertoefde eenige dagen aan de biezige oevers van de Rhenosterrivier, waar vele rhenosters of rhenocerossen werden buitgemaakt.Nu ging de tocht op de Vaalrivier aan, vaal genoemd van wege de vale kleur van haar golven, en het hart der dappere Boeren klopte sneller, toen hun eerste wagens, de breede rivier passeerend, op het gebied van den gevreesden Moselekatse kwamen, die met zijn hoofdmacht reeds in aantocht was.Potgieter zadelde, toen hem de ernstige tijding van die nadering gewerd, het paard, en reed met negen onverschrokken mannen het Kafferleger tegemoet. Zij bonden witte doeken aan lange stokken, en toen men na eenige dagen rijdens in de verte de speeren der Kaffers zag blinken, zwaaiden zij, als een bewijs hunner vredelievende gezindheid, met die witte vlaggen.Als eenig antwoord liet Moselekatse het gansche leger voortrukken.Potgieter liet nu door twee zijner manschappen den achtergebleven wagentrein waarschuwen, om onmiddellijk op een geschikten heuvel de ossenwagens tot een rond lager te vereenigen, en verschool zich met zijn zeven overige manschappen gedurende den nacht in een bosch, terwijl men van de heuvelen de wachtvuren zag vlammen van Moselekatse’s krijgslieden. Bij het krieken van den dag doofden de vuren, en gingen de Kaffers weer op marsch. De Boeren slopen hen achterna, en toen de tocht al door naar het zuiden ging, schoot er geen twijfel meer over, dat het op de argelooze Voortrekkers was gemunt.Potgieter en zijn mannen waren nu nog een dagreis van hun wagentrein verwijderd, en joegen in een grooten boog om het Kafferleger heen, om hun kamp bijtijds te bereiken.Het was voor de achtergeblevenen een groote troost, toen zij hun aanvoerder behouden terug zagen, en in der haast werd het lager zoo sterk mogelijk gemaakt, terwijl vijf wagens binnen den kring werden getrokken, die, gedekt door een scherm van planken, bij den gevreesden Kafferaanval een schuilplaats zouden kunnen bieden voor vrouwen en kinderen.Toen het kamp gereed was, gingen zes Boeren op kondschap uit, die met de ernstige tijding terugkwamen, dat de vlakte in het noorden zwart was van oorlogskaffers. Toen sloeg den Boeren het hart van vreeze, en zij riepen tot God in hun grooten nood.[100]Nog één kans wilde echter de wakkere Potgieter wagen, om met Moselekatse tot vrede te komen. Met vijf en twintig gewapende Boeren trok hij het Kafferleger tegemoet, en zag het, op een half uur afstands van het lager gekomen, naderen als een reusachtige muur. Onmiddellijk zond Potgieter een rapportganger terug met het bevel, dat men slechts één poort der wagenburcht zou open laten, om de Boerenwacht, die in het veld was, in te laten, terwijl men zich in het lager bij het hooren van het eerste schot gereed zou houden voor het gevecht.De Kaffers hadden nu de ruiters in het gezicht gekregen, maar in plaats van op de vredelievende seinen der Boeren te letten, breidden zij hun slagorde tot twee groote hoornen uit, om de blanken te omsingelen.„Vuur!” kommandeerde nu Potgieter, en de kogels der Boeren sloegen in de rijen der Kaffers. Maar hun slagorde werd geen oogenblik verbroken, en zij naderden thans met de snelheid eener lawine. Toen werd het Potgieter en zijn mannen toch te benauwd in het veld, en den teugel wendend, joegen zij terug naar hun kamp. Doch vijf hunner stormden—was het uit angst of verbijstering?—het kamp voorbij, en vluchtten het zuiden in.Potgieter en zijn twintig mannen waren nu weer gelukkig binnen de poort, die door een stevigen doornboom, met zware kettingen vastgesjord, snel werd versperd. Maar het was ook hoog tijd, want de vluchtelingen waren reeds onder het bereik der lange werpspeer.Evenals bij den aanval op Kloppers’ lager werd het hier een strijd op leven en dood. De Kaffers wierpen hun leeren schilden op de doornversperringen, stutten er zich op, en trachtten zoo over den wagenmuur heen te komen. Maar mannen, vrouwen en kinderen wedijverden met elkander in doodverachtenden heldenmoed, en terwijl de vrouwen de tusschen en boven de doorntakken zich heen wringende Kaffers met hun bijlen doodsloegen, schoten de mannen met hun lange roeren, geladen met zoogenaamde loopers: (zakjes, die 70 tot 90 zware hagelkorrels inhielden) diepe, gapende openingen in den opdringenden vijand.Ook de wanhopigste pogingen der Kaffers, om de ossenwagens uit hun verband te rukken, mislukten volkomen. De wagens waren door sterke, stalen kettingen zoo stevig vastgelegd aan diep in den grond geheide palen, dat zij onbewegelijk waren als schepen, die vast en veilig voor dubbele ankers liggen.[101]Vier uur had de moorddadige strijd geduurd, en om de wagenburcht had zich een nieuwe, vreeselijke wal gevormd, een wal van gewonde, stervende en gesneuvelde Kaffers. Toen had Moselekatse er genoeg van, en de moed van zijn soldaten was gebroken. Er ging uit hun slagorden een groot, klagend gehuil op, en zij sloegen, door de Boeren vervolgd, in wilde vlucht.Echter niet onvermengd was de vreugde der overwinnaars. Twee dappere mannen, de broeder en de schoonzoon van den kommandant: Nicolaas Potgieter en Pieter Botha lagen, met de doodelijke speerwond in de borst, in de schaduw van een ossenwagen te sterven, en verscheidene Boeren waren gewond.Wonderlijk was het negenjarig zoontje van de familie Liebenberg bewaard gebleven. Voordat de Kafferaanval plaats greep, had zijn vader hem een zweep gegeven met de boodschap: „Barend, ga naar onze schapen en kijk er naar!”Het ventje was heengegaan, om aan den last te voldoen, doch wie beschrijft den angst der ouders, toen het lager als door een stortvloed van bloeddorstige Kaffers werd omloeid, en het kind nog in het open veld was! Nauwelijks waren de Kaffers dan ook gevlucht, of de ouders gingen op pad, om hun lieveling te zoeken, doch al hun zoeken was te vergeefs, en hun angstig roepen vond geen antwoord. Het kind bleef weg, en men kon niet anders denken, dan dat het kind door de Kaffers was vermoord.Doch te grooter was de vreugde der ouders, toen zij den volgenden morgen het kind zagen aankomen. Het kereltje wandelde doodbedaard, klapte met de zweep, en viel zijn van blijdschap schreiende ouders in de armen!Zelfs geen schram had hij opgeloopen. Hij vertelde, dat de Kaffers de schapen hadden gestolen, en hij toen maar achter een doornbosch was weggekropen, maar de ouders verklaarden, dat God zijn heilige engelen had geboden, om dit kind te beschermen.De overwinning was behaald, maar smartelijk vermisten de Boeren hun vee, vooral hun trekossen, die door de Kaffers waren weggedreven, terwijl zij hier niet konden blijven, te midden van dit afgrijselijk veld van dooden, waarop de gieren reeds waren neergestreken.Zoo spande men dan de paarden, die dit werk nooit hadden verricht, voor de zware wagens, en knarsend gingen de met bloed bespatte wielen over de weggeworpen speren,[102]leeren schilden en gesneuvelde Kaffers naar een geschikter plaats, op een half uur afstands van het slagveld.Nu zond men om hulp naar de Barolongs, en deze, daartoe krachtig aangespoord door den edelen zendeling Archbell, verschaften den Boeren de zoo vurig verbeide trekossen, waarmede men terugtrok tot bij Blesberg.Hier werd het hart der moede zwervers verkwikt door het gezicht van nieuwe, lange wagentreinen, zoo pas uit de Kaapkolonie aangekomen, en er waren vele moedige harten onder, die voor een strijd met Moselekatse niet vervaard waren.Trouwens ermoestmet hem worden afgerekend, want Moselekatse was er op uit, de kleine Boerenlagers één voor één te vernietigen. De Boeren moesten hemaanvallen, om door hem nietverpletterdte worden; zijn macht moesten zijfnuiken, om door die macht nietverbrijzeldte worden.Zoo sloegen de dappere Voortrekkers dan de handen in een, en trokken twee keeren tegen Moselekatse op, den eersten keer met een legertje, waarvan de kern uit honderd zeven Boeren, den tweeden keer met een kommando, waarvan de kern uit driehonderd dertig Boeren bestond.De wakkere, in de Transvaalsche geschiedenis wel bekendeGert Maritzwas in beide veldtochten Kommandant-Generaal, en God bekroonde den schier vermetelen moed der Boeren, die den leeuw in zijn hol opzochten, met Zijn kennelijken zegen. Moselekatse leed een zware nederlaag en vluchtte naar het noorden, waar hij op nieuw, aan zijn bijnaam „de groote Olifant” getrouw, de zwakkere stammen onder zijn ijzeren tredvermorzelde.De Transvaal lag nu voor de Boeren open, daar de muur, waarmede Moselekatse den toegang had willen versperren, was neergehaald. Zonder aarzelen trokken de Voortrekkers dan ook de Vaalrivier over, en kwamen in het land, dat door Moselekatse zoo goed als uitgemoord was geworden. Slechts hier en daar verspreid, in spleten en spelonken, kon men de armzalige overblijfselen terugvinden van eens machtige Kaffervolken, die door den grooten Olifant waren vernietigd.De Transvaal lag dus onbeheerd. De vroègere eigenaren van het land waren uitgeroeid, en de tegenwoordige eigenaar, Moselekatse, was in den strijd tegen de Boeren te kort geschoten. Zoo namen de zegevierende Voortrekkers naar het recht van den Overwinnaar van de Transvaalbezit.[103]Maar terwijl een deel der Voortrekkers plannen maakte, om zichblijvendin de Transvaal te vestigen, was een ander deel besloten, om onderPiet Retiefdoor de Transvaal naar het zuidelijker gelegenNatalte trekken.Immers Natal was volgens veler getuigenis een land, vloeiende van melk en honing, doorsneden van standhoudende rivieren, bedekt met groote, uitnemend timmerhout leverende bosschen; en—wat de deur dicht deed—het had een diepe, kostelijke zeehaven. Tevens was het bekend, dat de Zoeloekoning Dingaan, aan wien Natal behoorde, genegen was, heel dit gebied op billijke voorwaarden aan de Boeren te verkoopen.Zoo scheen de weg er wel heen te liggen.

HOOFDSTUK XIII.

De wagentrein van kommandant Hendrik Potgieter had intusschen de Zandrivier, door de Boeren dus genoemd naar haar zanderige bedding, en de Valschrivier, valsch genoemd vanwege de vele blinde gaten en kuilen in dien stroom,[99]achter zich en vertoefde eenige dagen aan de biezige oevers van de Rhenosterrivier, waar vele rhenosters of rhenocerossen werden buitgemaakt.Nu ging de tocht op de Vaalrivier aan, vaal genoemd van wege de vale kleur van haar golven, en het hart der dappere Boeren klopte sneller, toen hun eerste wagens, de breede rivier passeerend, op het gebied van den gevreesden Moselekatse kwamen, die met zijn hoofdmacht reeds in aantocht was.Potgieter zadelde, toen hem de ernstige tijding van die nadering gewerd, het paard, en reed met negen onverschrokken mannen het Kafferleger tegemoet. Zij bonden witte doeken aan lange stokken, en toen men na eenige dagen rijdens in de verte de speeren der Kaffers zag blinken, zwaaiden zij, als een bewijs hunner vredelievende gezindheid, met die witte vlaggen.Als eenig antwoord liet Moselekatse het gansche leger voortrukken.Potgieter liet nu door twee zijner manschappen den achtergebleven wagentrein waarschuwen, om onmiddellijk op een geschikten heuvel de ossenwagens tot een rond lager te vereenigen, en verschool zich met zijn zeven overige manschappen gedurende den nacht in een bosch, terwijl men van de heuvelen de wachtvuren zag vlammen van Moselekatse’s krijgslieden. Bij het krieken van den dag doofden de vuren, en gingen de Kaffers weer op marsch. De Boeren slopen hen achterna, en toen de tocht al door naar het zuiden ging, schoot er geen twijfel meer over, dat het op de argelooze Voortrekkers was gemunt.Potgieter en zijn mannen waren nu nog een dagreis van hun wagentrein verwijderd, en joegen in een grooten boog om het Kafferleger heen, om hun kamp bijtijds te bereiken.Het was voor de achtergeblevenen een groote troost, toen zij hun aanvoerder behouden terug zagen, en in der haast werd het lager zoo sterk mogelijk gemaakt, terwijl vijf wagens binnen den kring werden getrokken, die, gedekt door een scherm van planken, bij den gevreesden Kafferaanval een schuilplaats zouden kunnen bieden voor vrouwen en kinderen.Toen het kamp gereed was, gingen zes Boeren op kondschap uit, die met de ernstige tijding terugkwamen, dat de vlakte in het noorden zwart was van oorlogskaffers. Toen sloeg den Boeren het hart van vreeze, en zij riepen tot God in hun grooten nood.[100]Nog één kans wilde echter de wakkere Potgieter wagen, om met Moselekatse tot vrede te komen. Met vijf en twintig gewapende Boeren trok hij het Kafferleger tegemoet, en zag het, op een half uur afstands van het lager gekomen, naderen als een reusachtige muur. Onmiddellijk zond Potgieter een rapportganger terug met het bevel, dat men slechts één poort der wagenburcht zou open laten, om de Boerenwacht, die in het veld was, in te laten, terwijl men zich in het lager bij het hooren van het eerste schot gereed zou houden voor het gevecht.De Kaffers hadden nu de ruiters in het gezicht gekregen, maar in plaats van op de vredelievende seinen der Boeren te letten, breidden zij hun slagorde tot twee groote hoornen uit, om de blanken te omsingelen.„Vuur!” kommandeerde nu Potgieter, en de kogels der Boeren sloegen in de rijen der Kaffers. Maar hun slagorde werd geen oogenblik verbroken, en zij naderden thans met de snelheid eener lawine. Toen werd het Potgieter en zijn mannen toch te benauwd in het veld, en den teugel wendend, joegen zij terug naar hun kamp. Doch vijf hunner stormden—was het uit angst of verbijstering?—het kamp voorbij, en vluchtten het zuiden in.Potgieter en zijn twintig mannen waren nu weer gelukkig binnen de poort, die door een stevigen doornboom, met zware kettingen vastgesjord, snel werd versperd. Maar het was ook hoog tijd, want de vluchtelingen waren reeds onder het bereik der lange werpspeer.Evenals bij den aanval op Kloppers’ lager werd het hier een strijd op leven en dood. De Kaffers wierpen hun leeren schilden op de doornversperringen, stutten er zich op, en trachtten zoo over den wagenmuur heen te komen. Maar mannen, vrouwen en kinderen wedijverden met elkander in doodverachtenden heldenmoed, en terwijl de vrouwen de tusschen en boven de doorntakken zich heen wringende Kaffers met hun bijlen doodsloegen, schoten de mannen met hun lange roeren, geladen met zoogenaamde loopers: (zakjes, die 70 tot 90 zware hagelkorrels inhielden) diepe, gapende openingen in den opdringenden vijand.Ook de wanhopigste pogingen der Kaffers, om de ossenwagens uit hun verband te rukken, mislukten volkomen. De wagens waren door sterke, stalen kettingen zoo stevig vastgelegd aan diep in den grond geheide palen, dat zij onbewegelijk waren als schepen, die vast en veilig voor dubbele ankers liggen.[101]Vier uur had de moorddadige strijd geduurd, en om de wagenburcht had zich een nieuwe, vreeselijke wal gevormd, een wal van gewonde, stervende en gesneuvelde Kaffers. Toen had Moselekatse er genoeg van, en de moed van zijn soldaten was gebroken. Er ging uit hun slagorden een groot, klagend gehuil op, en zij sloegen, door de Boeren vervolgd, in wilde vlucht.Echter niet onvermengd was de vreugde der overwinnaars. Twee dappere mannen, de broeder en de schoonzoon van den kommandant: Nicolaas Potgieter en Pieter Botha lagen, met de doodelijke speerwond in de borst, in de schaduw van een ossenwagen te sterven, en verscheidene Boeren waren gewond.Wonderlijk was het negenjarig zoontje van de familie Liebenberg bewaard gebleven. Voordat de Kafferaanval plaats greep, had zijn vader hem een zweep gegeven met de boodschap: „Barend, ga naar onze schapen en kijk er naar!”Het ventje was heengegaan, om aan den last te voldoen, doch wie beschrijft den angst der ouders, toen het lager als door een stortvloed van bloeddorstige Kaffers werd omloeid, en het kind nog in het open veld was! Nauwelijks waren de Kaffers dan ook gevlucht, of de ouders gingen op pad, om hun lieveling te zoeken, doch al hun zoeken was te vergeefs, en hun angstig roepen vond geen antwoord. Het kind bleef weg, en men kon niet anders denken, dan dat het kind door de Kaffers was vermoord.Doch te grooter was de vreugde der ouders, toen zij den volgenden morgen het kind zagen aankomen. Het kereltje wandelde doodbedaard, klapte met de zweep, en viel zijn van blijdschap schreiende ouders in de armen!Zelfs geen schram had hij opgeloopen. Hij vertelde, dat de Kaffers de schapen hadden gestolen, en hij toen maar achter een doornbosch was weggekropen, maar de ouders verklaarden, dat God zijn heilige engelen had geboden, om dit kind te beschermen.De overwinning was behaald, maar smartelijk vermisten de Boeren hun vee, vooral hun trekossen, die door de Kaffers waren weggedreven, terwijl zij hier niet konden blijven, te midden van dit afgrijselijk veld van dooden, waarop de gieren reeds waren neergestreken.Zoo spande men dan de paarden, die dit werk nooit hadden verricht, voor de zware wagens, en knarsend gingen de met bloed bespatte wielen over de weggeworpen speren,[102]leeren schilden en gesneuvelde Kaffers naar een geschikter plaats, op een half uur afstands van het slagveld.Nu zond men om hulp naar de Barolongs, en deze, daartoe krachtig aangespoord door den edelen zendeling Archbell, verschaften den Boeren de zoo vurig verbeide trekossen, waarmede men terugtrok tot bij Blesberg.Hier werd het hart der moede zwervers verkwikt door het gezicht van nieuwe, lange wagentreinen, zoo pas uit de Kaapkolonie aangekomen, en er waren vele moedige harten onder, die voor een strijd met Moselekatse niet vervaard waren.Trouwens ermoestmet hem worden afgerekend, want Moselekatse was er op uit, de kleine Boerenlagers één voor één te vernietigen. De Boeren moesten hemaanvallen, om door hem nietverpletterdte worden; zijn macht moesten zijfnuiken, om door die macht nietverbrijzeldte worden.Zoo sloegen de dappere Voortrekkers dan de handen in een, en trokken twee keeren tegen Moselekatse op, den eersten keer met een legertje, waarvan de kern uit honderd zeven Boeren, den tweeden keer met een kommando, waarvan de kern uit driehonderd dertig Boeren bestond.De wakkere, in de Transvaalsche geschiedenis wel bekendeGert Maritzwas in beide veldtochten Kommandant-Generaal, en God bekroonde den schier vermetelen moed der Boeren, die den leeuw in zijn hol opzochten, met Zijn kennelijken zegen. Moselekatse leed een zware nederlaag en vluchtte naar het noorden, waar hij op nieuw, aan zijn bijnaam „de groote Olifant” getrouw, de zwakkere stammen onder zijn ijzeren tredvermorzelde.De Transvaal lag nu voor de Boeren open, daar de muur, waarmede Moselekatse den toegang had willen versperren, was neergehaald. Zonder aarzelen trokken de Voortrekkers dan ook de Vaalrivier over, en kwamen in het land, dat door Moselekatse zoo goed als uitgemoord was geworden. Slechts hier en daar verspreid, in spleten en spelonken, kon men de armzalige overblijfselen terugvinden van eens machtige Kaffervolken, die door den grooten Olifant waren vernietigd.De Transvaal lag dus onbeheerd. De vroègere eigenaren van het land waren uitgeroeid, en de tegenwoordige eigenaar, Moselekatse, was in den strijd tegen de Boeren te kort geschoten. Zoo namen de zegevierende Voortrekkers naar het recht van den Overwinnaar van de Transvaalbezit.[103]Maar terwijl een deel der Voortrekkers plannen maakte, om zichblijvendin de Transvaal te vestigen, was een ander deel besloten, om onderPiet Retiefdoor de Transvaal naar het zuidelijker gelegenNatalte trekken.Immers Natal was volgens veler getuigenis een land, vloeiende van melk en honing, doorsneden van standhoudende rivieren, bedekt met groote, uitnemend timmerhout leverende bosschen; en—wat de deur dicht deed—het had een diepe, kostelijke zeehaven. Tevens was het bekend, dat de Zoeloekoning Dingaan, aan wien Natal behoorde, genegen was, heel dit gebied op billijke voorwaarden aan de Boeren te verkoopen.Zoo scheen de weg er wel heen te liggen.

De wagentrein van kommandant Hendrik Potgieter had intusschen de Zandrivier, door de Boeren dus genoemd naar haar zanderige bedding, en de Valschrivier, valsch genoemd vanwege de vele blinde gaten en kuilen in dien stroom,[99]achter zich en vertoefde eenige dagen aan de biezige oevers van de Rhenosterrivier, waar vele rhenosters of rhenocerossen werden buitgemaakt.

Nu ging de tocht op de Vaalrivier aan, vaal genoemd van wege de vale kleur van haar golven, en het hart der dappere Boeren klopte sneller, toen hun eerste wagens, de breede rivier passeerend, op het gebied van den gevreesden Moselekatse kwamen, die met zijn hoofdmacht reeds in aantocht was.

Potgieter zadelde, toen hem de ernstige tijding van die nadering gewerd, het paard, en reed met negen onverschrokken mannen het Kafferleger tegemoet. Zij bonden witte doeken aan lange stokken, en toen men na eenige dagen rijdens in de verte de speeren der Kaffers zag blinken, zwaaiden zij, als een bewijs hunner vredelievende gezindheid, met die witte vlaggen.

Als eenig antwoord liet Moselekatse het gansche leger voortrukken.

Potgieter liet nu door twee zijner manschappen den achtergebleven wagentrein waarschuwen, om onmiddellijk op een geschikten heuvel de ossenwagens tot een rond lager te vereenigen, en verschool zich met zijn zeven overige manschappen gedurende den nacht in een bosch, terwijl men van de heuvelen de wachtvuren zag vlammen van Moselekatse’s krijgslieden. Bij het krieken van den dag doofden de vuren, en gingen de Kaffers weer op marsch. De Boeren slopen hen achterna, en toen de tocht al door naar het zuiden ging, schoot er geen twijfel meer over, dat het op de argelooze Voortrekkers was gemunt.

Potgieter en zijn mannen waren nu nog een dagreis van hun wagentrein verwijderd, en joegen in een grooten boog om het Kafferleger heen, om hun kamp bijtijds te bereiken.

Het was voor de achtergeblevenen een groote troost, toen zij hun aanvoerder behouden terug zagen, en in der haast werd het lager zoo sterk mogelijk gemaakt, terwijl vijf wagens binnen den kring werden getrokken, die, gedekt door een scherm van planken, bij den gevreesden Kafferaanval een schuilplaats zouden kunnen bieden voor vrouwen en kinderen.

Toen het kamp gereed was, gingen zes Boeren op kondschap uit, die met de ernstige tijding terugkwamen, dat de vlakte in het noorden zwart was van oorlogskaffers. Toen sloeg den Boeren het hart van vreeze, en zij riepen tot God in hun grooten nood.[100]

Nog één kans wilde echter de wakkere Potgieter wagen, om met Moselekatse tot vrede te komen. Met vijf en twintig gewapende Boeren trok hij het Kafferleger tegemoet, en zag het, op een half uur afstands van het lager gekomen, naderen als een reusachtige muur. Onmiddellijk zond Potgieter een rapportganger terug met het bevel, dat men slechts één poort der wagenburcht zou open laten, om de Boerenwacht, die in het veld was, in te laten, terwijl men zich in het lager bij het hooren van het eerste schot gereed zou houden voor het gevecht.

De Kaffers hadden nu de ruiters in het gezicht gekregen, maar in plaats van op de vredelievende seinen der Boeren te letten, breidden zij hun slagorde tot twee groote hoornen uit, om de blanken te omsingelen.

„Vuur!” kommandeerde nu Potgieter, en de kogels der Boeren sloegen in de rijen der Kaffers. Maar hun slagorde werd geen oogenblik verbroken, en zij naderden thans met de snelheid eener lawine. Toen werd het Potgieter en zijn mannen toch te benauwd in het veld, en den teugel wendend, joegen zij terug naar hun kamp. Doch vijf hunner stormden—was het uit angst of verbijstering?—het kamp voorbij, en vluchtten het zuiden in.

Potgieter en zijn twintig mannen waren nu weer gelukkig binnen de poort, die door een stevigen doornboom, met zware kettingen vastgesjord, snel werd versperd. Maar het was ook hoog tijd, want de vluchtelingen waren reeds onder het bereik der lange werpspeer.

Evenals bij den aanval op Kloppers’ lager werd het hier een strijd op leven en dood. De Kaffers wierpen hun leeren schilden op de doornversperringen, stutten er zich op, en trachtten zoo over den wagenmuur heen te komen. Maar mannen, vrouwen en kinderen wedijverden met elkander in doodverachtenden heldenmoed, en terwijl de vrouwen de tusschen en boven de doorntakken zich heen wringende Kaffers met hun bijlen doodsloegen, schoten de mannen met hun lange roeren, geladen met zoogenaamde loopers: (zakjes, die 70 tot 90 zware hagelkorrels inhielden) diepe, gapende openingen in den opdringenden vijand.

Ook de wanhopigste pogingen der Kaffers, om de ossenwagens uit hun verband te rukken, mislukten volkomen. De wagens waren door sterke, stalen kettingen zoo stevig vastgelegd aan diep in den grond geheide palen, dat zij onbewegelijk waren als schepen, die vast en veilig voor dubbele ankers liggen.[101]

Vier uur had de moorddadige strijd geduurd, en om de wagenburcht had zich een nieuwe, vreeselijke wal gevormd, een wal van gewonde, stervende en gesneuvelde Kaffers. Toen had Moselekatse er genoeg van, en de moed van zijn soldaten was gebroken. Er ging uit hun slagorden een groot, klagend gehuil op, en zij sloegen, door de Boeren vervolgd, in wilde vlucht.

Echter niet onvermengd was de vreugde der overwinnaars. Twee dappere mannen, de broeder en de schoonzoon van den kommandant: Nicolaas Potgieter en Pieter Botha lagen, met de doodelijke speerwond in de borst, in de schaduw van een ossenwagen te sterven, en verscheidene Boeren waren gewond.

Wonderlijk was het negenjarig zoontje van de familie Liebenberg bewaard gebleven. Voordat de Kafferaanval plaats greep, had zijn vader hem een zweep gegeven met de boodschap: „Barend, ga naar onze schapen en kijk er naar!”

Het ventje was heengegaan, om aan den last te voldoen, doch wie beschrijft den angst der ouders, toen het lager als door een stortvloed van bloeddorstige Kaffers werd omloeid, en het kind nog in het open veld was! Nauwelijks waren de Kaffers dan ook gevlucht, of de ouders gingen op pad, om hun lieveling te zoeken, doch al hun zoeken was te vergeefs, en hun angstig roepen vond geen antwoord. Het kind bleef weg, en men kon niet anders denken, dan dat het kind door de Kaffers was vermoord.

Doch te grooter was de vreugde der ouders, toen zij den volgenden morgen het kind zagen aankomen. Het kereltje wandelde doodbedaard, klapte met de zweep, en viel zijn van blijdschap schreiende ouders in de armen!

Zelfs geen schram had hij opgeloopen. Hij vertelde, dat de Kaffers de schapen hadden gestolen, en hij toen maar achter een doornbosch was weggekropen, maar de ouders verklaarden, dat God zijn heilige engelen had geboden, om dit kind te beschermen.

De overwinning was behaald, maar smartelijk vermisten de Boeren hun vee, vooral hun trekossen, die door de Kaffers waren weggedreven, terwijl zij hier niet konden blijven, te midden van dit afgrijselijk veld van dooden, waarop de gieren reeds waren neergestreken.

Zoo spande men dan de paarden, die dit werk nooit hadden verricht, voor de zware wagens, en knarsend gingen de met bloed bespatte wielen over de weggeworpen speren,[102]leeren schilden en gesneuvelde Kaffers naar een geschikter plaats, op een half uur afstands van het slagveld.

Nu zond men om hulp naar de Barolongs, en deze, daartoe krachtig aangespoord door den edelen zendeling Archbell, verschaften den Boeren de zoo vurig verbeide trekossen, waarmede men terugtrok tot bij Blesberg.

Hier werd het hart der moede zwervers verkwikt door het gezicht van nieuwe, lange wagentreinen, zoo pas uit de Kaapkolonie aangekomen, en er waren vele moedige harten onder, die voor een strijd met Moselekatse niet vervaard waren.

Trouwens ermoestmet hem worden afgerekend, want Moselekatse was er op uit, de kleine Boerenlagers één voor één te vernietigen. De Boeren moesten hemaanvallen, om door hem nietverpletterdte worden; zijn macht moesten zijfnuiken, om door die macht nietverbrijzeldte worden.

Zoo sloegen de dappere Voortrekkers dan de handen in een, en trokken twee keeren tegen Moselekatse op, den eersten keer met een legertje, waarvan de kern uit honderd zeven Boeren, den tweeden keer met een kommando, waarvan de kern uit driehonderd dertig Boeren bestond.

De wakkere, in de Transvaalsche geschiedenis wel bekendeGert Maritzwas in beide veldtochten Kommandant-Generaal, en God bekroonde den schier vermetelen moed der Boeren, die den leeuw in zijn hol opzochten, met Zijn kennelijken zegen. Moselekatse leed een zware nederlaag en vluchtte naar het noorden, waar hij op nieuw, aan zijn bijnaam „de groote Olifant” getrouw, de zwakkere stammen onder zijn ijzeren tredvermorzelde.

De Transvaal lag nu voor de Boeren open, daar de muur, waarmede Moselekatse den toegang had willen versperren, was neergehaald. Zonder aarzelen trokken de Voortrekkers dan ook de Vaalrivier over, en kwamen in het land, dat door Moselekatse zoo goed als uitgemoord was geworden. Slechts hier en daar verspreid, in spleten en spelonken, kon men de armzalige overblijfselen terugvinden van eens machtige Kaffervolken, die door den grooten Olifant waren vernietigd.

De Transvaal lag dus onbeheerd. De vroègere eigenaren van het land waren uitgeroeid, en de tegenwoordige eigenaar, Moselekatse, was in den strijd tegen de Boeren te kort geschoten. Zoo namen de zegevierende Voortrekkers naar het recht van den Overwinnaar van de Transvaalbezit.[103]

Maar terwijl een deel der Voortrekkers plannen maakte, om zichblijvendin de Transvaal te vestigen, was een ander deel besloten, om onderPiet Retiefdoor de Transvaal naar het zuidelijker gelegenNatalte trekken.

Immers Natal was volgens veler getuigenis een land, vloeiende van melk en honing, doorsneden van standhoudende rivieren, bedekt met groote, uitnemend timmerhout leverende bosschen; en—wat de deur dicht deed—het had een diepe, kostelijke zeehaven. Tevens was het bekend, dat de Zoeloekoning Dingaan, aan wien Natal behoorde, genegen was, heel dit gebied op billijke voorwaarden aan de Boeren te verkoopen.

Zoo scheen de weg er wel heen te liggen.


Back to IndexNext