HOOFDSTUK XIX.

[Inhoud]HOOFDSTUK XIX.Hoe was het met den veldtocht, dien de Engelsche kolonisten hadden beraamd, afgeloopen?Zij waren op den bepaalden, met de Boeren afgesproken tijd, met een macht van 3000 Kaffers, waarvan er ongeveer 400 met geweren waren gewapend, en een afdeeling blanken op marsen gegaan, om den Zoeloe-koning van uit het zuiden te bestoken, terwijl de Boeren, zooals reeds gezegd, van uit het westen zouden optrekken.Het kommando stond onder het bevel van Robert Biggar, John Cane en Ogle, drie Engelschen. Biggar was opperbevelhebber.Zonder veel hindernissen werd de Tugelarivier overgetrokken, en een Zoeloe-regiment, dat op verkenning was uitgezonden, teruggeworpen.Het leger vervolgde nu zijn tocht en bereikte Endouka Kusuka. Hier stond slechts een zwak regiment der Zoeloe’s, daar de hoofdmacht van den vijand op Dingaan’s bevel verder landwaarts was ingetrokken, om als reserve dienst te doen, indien de Boeren in hun vermetelen tocht mochten slagen.Maar de tocht der Boeren had reeds schipbreuk geleden, en ijlboden brachten aan de reserve de order onmiddellijk hare vorige stelling, die ernstig bedreigd werd, in te nemen.De Engelschen echter waren de Zoeloe’s voor. Bij het krieken van den dageraad was Kasuka omsingeld, en een vernielend snelvuur werd op de plaats gericht. Onder gebrul en gejuich bestormden nu de Kaffers onder hun blanken aanvoerder de plaats, die wel een stad werd genoemd, doch slechts, evenals de andere Zoeloe-steden, uit een groot aantal, in lange rijen zich uitstrekkende stroohutten bestond, en namen de zwakke verschansingen. Weldra kronkelden de rookwolken omhoog boven de plaats, en verkondigden aan de in ijlmarschen naderende hoofdmacht der Zoeloe’s, dat zij te laat kwamen, om hun stad te redden.Maar dit gezicht maakte hen razend, en geprikkeld door het bewustzijn, dat de gevreesde Boeren voor de Zoeloe’s waren geweken, daalden zij snel van de heuvelen neer, die Kasuka omringden, om den vijand slag te leveren.[146]Het waren zeven regimenten, ongeveer 10000 man, die de heuvelen afstormden.Biggar zag hen naderen. Met grooten spoed stelde hij zijn leger in slagorde op voor de brandende stad, en de voorhoede der Zoeloe’s werd met zoo’n geduchten kogelregen begroet, dat zij zwenkte, het slagveld vol dooden en gewonden achter zich latende.Er was een oogenblik van verademing, maar de geheele macht der Zoeloe’s rukte nu op in den vorm van een halve maan, een slagorde, door koning Chaka1uitgevonden, waarvan het centrum recht op den vijand aanrukte, terwijl de vleugels hem in snellen aanloop moesten omsingelen.Biggar zag de gevaarlijke beweging, en terwijl Ogle met zijn manschappen tegen den linkervleugel des vijands optrok, zou Cane zijn rechtervleugel zien te keeren.Ogle was inderdaad zoo gelukkig, den vijand terug te werpen, toen zijn Kaffers, door een nooit opgehelderde paniek aangetast, plotseling uiteen stoven, en hun heil in de vlucht zochten.Het was een onherstelbare slag.Wel snelden de blanken aan het hoofd van versche manschappen naar het bedreigde punt, doch daardoor werden weer andere punten ontbloot, en de vreeselijke hoornen der halve maan begonnen elkander dicht te naderen.Cane kreeg een assegaai voor in de borst, en terwijl hij ze met eigen hand uit de wond rukte, trof hem de tweede speer tusschen de schouders. Het wapen stond te schudden in zijn vleesch. Een Kaffervorst, een van Cane’s trouwste vrienden, sprong toe, om de assegaai uit de wond te halen, doch Cane, door pijn verblind, herkende zijn bondgenoot niet, en verbrijzelde diens hoofd door een geweerschot.Maar de Zoeloe’s lieten hem weinig tijd, om de vreeselijke vergissing te betreuren. Door vier speren getroffen, stortte hij tegen den grond. Geen twee minuten later lagen ook Biggar en Ogle zieltogend uitgestrekt op den van bloed doorweekten bodem, en het geheele Kafferkommando verstoof als kaf voor den wind.Het was een vreeselijke vlucht, en de Kaffers kwamen aan de Tugelarivier aan op een punt, waar de oever uit honderd voet hooge, loodrechte rotsen bestond. De Tugela[147]werd voor hen een andere Berezina. Met de scherpe speer der Zoeloe’s achter zich was er geen tijd voor beraad, en de ongelukkigen stortten verpletterd neer op de harde klippen en steenen der Tugelabedding. Eerst toen er een hooge laag van stuiptrekkende, stervende lichamen was gevormd, werd de val der nakomenden gebroken, en bereikten dezen den overkant. Doch ook hier was men nog niet veilig, want een sterke afdeeling der Zoeloe’s was, de rotsen omtrekkend, op een gemakkelijke plek de rivier overgetrokken, en versperde den ontkomenen opnieuw den weg. Hier viel de laatste blanke, Blankenberg, en van het Kafferkommando van Biggar schoten slechts weinig honderdtallen over.Als een bergstroom vervolgde het Zoeloe-leger, plunderend en verwoestend, zijn overwinningstocht. De Engelsche kolonisten hadden geen rust voor het hol van hun voet en weken terug tot aan het strand van den Oceaan. En er zou hun slechts de keuze zijn overgebleven tusschen de golven van dien Oceaan en de speer van den Zoeloe, indien in dit hachelijk oogenblik niet een schip in de baai het anker had uitgeworpen. Het nam de ongelukkigen aan boord, heesch toen de vlag en koos het ruime sop.Maar de Boeren bleven achter, omloeid door het heidendom, en vaster dan ooit stond Dingaan’s troon. Met een grijnslach om den wreeden mond zeide hij tot zijn kapiteins: „Zie, op gindschen heuvel ligt het afgeknaagde gebeente van Piet Retief en de zijnen; bij dien anderen heuvel, waar juist een zwerm aasvogels neerstrijkt, ligt Piet Uijs, zijn wreker, en ik heb de bedding der Tugelarivier geplaveid met de lijken mijner vijanden. Uwe assegaaien druipen van het bloed van acht honderd Boerenmenschen, en ik ben besloten, om dit volk te verdelgen tot den laatsten man!”1Chaka was de broeder van Dingaan, en werd door zijn broeders in 1828 vermoord. Chaka was een onmensch, bloeddorstig als een wild dier, doch werd door zijn opvolger Dingaan nog overtroffen.↑

[Inhoud]HOOFDSTUK XIX.Hoe was het met den veldtocht, dien de Engelsche kolonisten hadden beraamd, afgeloopen?Zij waren op den bepaalden, met de Boeren afgesproken tijd, met een macht van 3000 Kaffers, waarvan er ongeveer 400 met geweren waren gewapend, en een afdeeling blanken op marsen gegaan, om den Zoeloe-koning van uit het zuiden te bestoken, terwijl de Boeren, zooals reeds gezegd, van uit het westen zouden optrekken.Het kommando stond onder het bevel van Robert Biggar, John Cane en Ogle, drie Engelschen. Biggar was opperbevelhebber.Zonder veel hindernissen werd de Tugelarivier overgetrokken, en een Zoeloe-regiment, dat op verkenning was uitgezonden, teruggeworpen.Het leger vervolgde nu zijn tocht en bereikte Endouka Kusuka. Hier stond slechts een zwak regiment der Zoeloe’s, daar de hoofdmacht van den vijand op Dingaan’s bevel verder landwaarts was ingetrokken, om als reserve dienst te doen, indien de Boeren in hun vermetelen tocht mochten slagen.Maar de tocht der Boeren had reeds schipbreuk geleden, en ijlboden brachten aan de reserve de order onmiddellijk hare vorige stelling, die ernstig bedreigd werd, in te nemen.De Engelschen echter waren de Zoeloe’s voor. Bij het krieken van den dageraad was Kasuka omsingeld, en een vernielend snelvuur werd op de plaats gericht. Onder gebrul en gejuich bestormden nu de Kaffers onder hun blanken aanvoerder de plaats, die wel een stad werd genoemd, doch slechts, evenals de andere Zoeloe-steden, uit een groot aantal, in lange rijen zich uitstrekkende stroohutten bestond, en namen de zwakke verschansingen. Weldra kronkelden de rookwolken omhoog boven de plaats, en verkondigden aan de in ijlmarschen naderende hoofdmacht der Zoeloe’s, dat zij te laat kwamen, om hun stad te redden.Maar dit gezicht maakte hen razend, en geprikkeld door het bewustzijn, dat de gevreesde Boeren voor de Zoeloe’s waren geweken, daalden zij snel van de heuvelen neer, die Kasuka omringden, om den vijand slag te leveren.[146]Het waren zeven regimenten, ongeveer 10000 man, die de heuvelen afstormden.Biggar zag hen naderen. Met grooten spoed stelde hij zijn leger in slagorde op voor de brandende stad, en de voorhoede der Zoeloe’s werd met zoo’n geduchten kogelregen begroet, dat zij zwenkte, het slagveld vol dooden en gewonden achter zich latende.Er was een oogenblik van verademing, maar de geheele macht der Zoeloe’s rukte nu op in den vorm van een halve maan, een slagorde, door koning Chaka1uitgevonden, waarvan het centrum recht op den vijand aanrukte, terwijl de vleugels hem in snellen aanloop moesten omsingelen.Biggar zag de gevaarlijke beweging, en terwijl Ogle met zijn manschappen tegen den linkervleugel des vijands optrok, zou Cane zijn rechtervleugel zien te keeren.Ogle was inderdaad zoo gelukkig, den vijand terug te werpen, toen zijn Kaffers, door een nooit opgehelderde paniek aangetast, plotseling uiteen stoven, en hun heil in de vlucht zochten.Het was een onherstelbare slag.Wel snelden de blanken aan het hoofd van versche manschappen naar het bedreigde punt, doch daardoor werden weer andere punten ontbloot, en de vreeselijke hoornen der halve maan begonnen elkander dicht te naderen.Cane kreeg een assegaai voor in de borst, en terwijl hij ze met eigen hand uit de wond rukte, trof hem de tweede speer tusschen de schouders. Het wapen stond te schudden in zijn vleesch. Een Kaffervorst, een van Cane’s trouwste vrienden, sprong toe, om de assegaai uit de wond te halen, doch Cane, door pijn verblind, herkende zijn bondgenoot niet, en verbrijzelde diens hoofd door een geweerschot.Maar de Zoeloe’s lieten hem weinig tijd, om de vreeselijke vergissing te betreuren. Door vier speren getroffen, stortte hij tegen den grond. Geen twee minuten later lagen ook Biggar en Ogle zieltogend uitgestrekt op den van bloed doorweekten bodem, en het geheele Kafferkommando verstoof als kaf voor den wind.Het was een vreeselijke vlucht, en de Kaffers kwamen aan de Tugelarivier aan op een punt, waar de oever uit honderd voet hooge, loodrechte rotsen bestond. De Tugela[147]werd voor hen een andere Berezina. Met de scherpe speer der Zoeloe’s achter zich was er geen tijd voor beraad, en de ongelukkigen stortten verpletterd neer op de harde klippen en steenen der Tugelabedding. Eerst toen er een hooge laag van stuiptrekkende, stervende lichamen was gevormd, werd de val der nakomenden gebroken, en bereikten dezen den overkant. Doch ook hier was men nog niet veilig, want een sterke afdeeling der Zoeloe’s was, de rotsen omtrekkend, op een gemakkelijke plek de rivier overgetrokken, en versperde den ontkomenen opnieuw den weg. Hier viel de laatste blanke, Blankenberg, en van het Kafferkommando van Biggar schoten slechts weinig honderdtallen over.Als een bergstroom vervolgde het Zoeloe-leger, plunderend en verwoestend, zijn overwinningstocht. De Engelsche kolonisten hadden geen rust voor het hol van hun voet en weken terug tot aan het strand van den Oceaan. En er zou hun slechts de keuze zijn overgebleven tusschen de golven van dien Oceaan en de speer van den Zoeloe, indien in dit hachelijk oogenblik niet een schip in de baai het anker had uitgeworpen. Het nam de ongelukkigen aan boord, heesch toen de vlag en koos het ruime sop.Maar de Boeren bleven achter, omloeid door het heidendom, en vaster dan ooit stond Dingaan’s troon. Met een grijnslach om den wreeden mond zeide hij tot zijn kapiteins: „Zie, op gindschen heuvel ligt het afgeknaagde gebeente van Piet Retief en de zijnen; bij dien anderen heuvel, waar juist een zwerm aasvogels neerstrijkt, ligt Piet Uijs, zijn wreker, en ik heb de bedding der Tugelarivier geplaveid met de lijken mijner vijanden. Uwe assegaaien druipen van het bloed van acht honderd Boerenmenschen, en ik ben besloten, om dit volk te verdelgen tot den laatsten man!”1Chaka was de broeder van Dingaan, en werd door zijn broeders in 1828 vermoord. Chaka was een onmensch, bloeddorstig als een wild dier, doch werd door zijn opvolger Dingaan nog overtroffen.↑

HOOFDSTUK XIX.

Hoe was het met den veldtocht, dien de Engelsche kolonisten hadden beraamd, afgeloopen?Zij waren op den bepaalden, met de Boeren afgesproken tijd, met een macht van 3000 Kaffers, waarvan er ongeveer 400 met geweren waren gewapend, en een afdeeling blanken op marsen gegaan, om den Zoeloe-koning van uit het zuiden te bestoken, terwijl de Boeren, zooals reeds gezegd, van uit het westen zouden optrekken.Het kommando stond onder het bevel van Robert Biggar, John Cane en Ogle, drie Engelschen. Biggar was opperbevelhebber.Zonder veel hindernissen werd de Tugelarivier overgetrokken, en een Zoeloe-regiment, dat op verkenning was uitgezonden, teruggeworpen.Het leger vervolgde nu zijn tocht en bereikte Endouka Kusuka. Hier stond slechts een zwak regiment der Zoeloe’s, daar de hoofdmacht van den vijand op Dingaan’s bevel verder landwaarts was ingetrokken, om als reserve dienst te doen, indien de Boeren in hun vermetelen tocht mochten slagen.Maar de tocht der Boeren had reeds schipbreuk geleden, en ijlboden brachten aan de reserve de order onmiddellijk hare vorige stelling, die ernstig bedreigd werd, in te nemen.De Engelschen echter waren de Zoeloe’s voor. Bij het krieken van den dageraad was Kasuka omsingeld, en een vernielend snelvuur werd op de plaats gericht. Onder gebrul en gejuich bestormden nu de Kaffers onder hun blanken aanvoerder de plaats, die wel een stad werd genoemd, doch slechts, evenals de andere Zoeloe-steden, uit een groot aantal, in lange rijen zich uitstrekkende stroohutten bestond, en namen de zwakke verschansingen. Weldra kronkelden de rookwolken omhoog boven de plaats, en verkondigden aan de in ijlmarschen naderende hoofdmacht der Zoeloe’s, dat zij te laat kwamen, om hun stad te redden.Maar dit gezicht maakte hen razend, en geprikkeld door het bewustzijn, dat de gevreesde Boeren voor de Zoeloe’s waren geweken, daalden zij snel van de heuvelen neer, die Kasuka omringden, om den vijand slag te leveren.[146]Het waren zeven regimenten, ongeveer 10000 man, die de heuvelen afstormden.Biggar zag hen naderen. Met grooten spoed stelde hij zijn leger in slagorde op voor de brandende stad, en de voorhoede der Zoeloe’s werd met zoo’n geduchten kogelregen begroet, dat zij zwenkte, het slagveld vol dooden en gewonden achter zich latende.Er was een oogenblik van verademing, maar de geheele macht der Zoeloe’s rukte nu op in den vorm van een halve maan, een slagorde, door koning Chaka1uitgevonden, waarvan het centrum recht op den vijand aanrukte, terwijl de vleugels hem in snellen aanloop moesten omsingelen.Biggar zag de gevaarlijke beweging, en terwijl Ogle met zijn manschappen tegen den linkervleugel des vijands optrok, zou Cane zijn rechtervleugel zien te keeren.Ogle was inderdaad zoo gelukkig, den vijand terug te werpen, toen zijn Kaffers, door een nooit opgehelderde paniek aangetast, plotseling uiteen stoven, en hun heil in de vlucht zochten.Het was een onherstelbare slag.Wel snelden de blanken aan het hoofd van versche manschappen naar het bedreigde punt, doch daardoor werden weer andere punten ontbloot, en de vreeselijke hoornen der halve maan begonnen elkander dicht te naderen.Cane kreeg een assegaai voor in de borst, en terwijl hij ze met eigen hand uit de wond rukte, trof hem de tweede speer tusschen de schouders. Het wapen stond te schudden in zijn vleesch. Een Kaffervorst, een van Cane’s trouwste vrienden, sprong toe, om de assegaai uit de wond te halen, doch Cane, door pijn verblind, herkende zijn bondgenoot niet, en verbrijzelde diens hoofd door een geweerschot.Maar de Zoeloe’s lieten hem weinig tijd, om de vreeselijke vergissing te betreuren. Door vier speren getroffen, stortte hij tegen den grond. Geen twee minuten later lagen ook Biggar en Ogle zieltogend uitgestrekt op den van bloed doorweekten bodem, en het geheele Kafferkommando verstoof als kaf voor den wind.Het was een vreeselijke vlucht, en de Kaffers kwamen aan de Tugelarivier aan op een punt, waar de oever uit honderd voet hooge, loodrechte rotsen bestond. De Tugela[147]werd voor hen een andere Berezina. Met de scherpe speer der Zoeloe’s achter zich was er geen tijd voor beraad, en de ongelukkigen stortten verpletterd neer op de harde klippen en steenen der Tugelabedding. Eerst toen er een hooge laag van stuiptrekkende, stervende lichamen was gevormd, werd de val der nakomenden gebroken, en bereikten dezen den overkant. Doch ook hier was men nog niet veilig, want een sterke afdeeling der Zoeloe’s was, de rotsen omtrekkend, op een gemakkelijke plek de rivier overgetrokken, en versperde den ontkomenen opnieuw den weg. Hier viel de laatste blanke, Blankenberg, en van het Kafferkommando van Biggar schoten slechts weinig honderdtallen over.Als een bergstroom vervolgde het Zoeloe-leger, plunderend en verwoestend, zijn overwinningstocht. De Engelsche kolonisten hadden geen rust voor het hol van hun voet en weken terug tot aan het strand van den Oceaan. En er zou hun slechts de keuze zijn overgebleven tusschen de golven van dien Oceaan en de speer van den Zoeloe, indien in dit hachelijk oogenblik niet een schip in de baai het anker had uitgeworpen. Het nam de ongelukkigen aan boord, heesch toen de vlag en koos het ruime sop.Maar de Boeren bleven achter, omloeid door het heidendom, en vaster dan ooit stond Dingaan’s troon. Met een grijnslach om den wreeden mond zeide hij tot zijn kapiteins: „Zie, op gindschen heuvel ligt het afgeknaagde gebeente van Piet Retief en de zijnen; bij dien anderen heuvel, waar juist een zwerm aasvogels neerstrijkt, ligt Piet Uijs, zijn wreker, en ik heb de bedding der Tugelarivier geplaveid met de lijken mijner vijanden. Uwe assegaaien druipen van het bloed van acht honderd Boerenmenschen, en ik ben besloten, om dit volk te verdelgen tot den laatsten man!”

Hoe was het met den veldtocht, dien de Engelsche kolonisten hadden beraamd, afgeloopen?

Zij waren op den bepaalden, met de Boeren afgesproken tijd, met een macht van 3000 Kaffers, waarvan er ongeveer 400 met geweren waren gewapend, en een afdeeling blanken op marsen gegaan, om den Zoeloe-koning van uit het zuiden te bestoken, terwijl de Boeren, zooals reeds gezegd, van uit het westen zouden optrekken.

Het kommando stond onder het bevel van Robert Biggar, John Cane en Ogle, drie Engelschen. Biggar was opperbevelhebber.

Zonder veel hindernissen werd de Tugelarivier overgetrokken, en een Zoeloe-regiment, dat op verkenning was uitgezonden, teruggeworpen.

Het leger vervolgde nu zijn tocht en bereikte Endouka Kusuka. Hier stond slechts een zwak regiment der Zoeloe’s, daar de hoofdmacht van den vijand op Dingaan’s bevel verder landwaarts was ingetrokken, om als reserve dienst te doen, indien de Boeren in hun vermetelen tocht mochten slagen.

Maar de tocht der Boeren had reeds schipbreuk geleden, en ijlboden brachten aan de reserve de order onmiddellijk hare vorige stelling, die ernstig bedreigd werd, in te nemen.

De Engelschen echter waren de Zoeloe’s voor. Bij het krieken van den dageraad was Kasuka omsingeld, en een vernielend snelvuur werd op de plaats gericht. Onder gebrul en gejuich bestormden nu de Kaffers onder hun blanken aanvoerder de plaats, die wel een stad werd genoemd, doch slechts, evenals de andere Zoeloe-steden, uit een groot aantal, in lange rijen zich uitstrekkende stroohutten bestond, en namen de zwakke verschansingen. Weldra kronkelden de rookwolken omhoog boven de plaats, en verkondigden aan de in ijlmarschen naderende hoofdmacht der Zoeloe’s, dat zij te laat kwamen, om hun stad te redden.

Maar dit gezicht maakte hen razend, en geprikkeld door het bewustzijn, dat de gevreesde Boeren voor de Zoeloe’s waren geweken, daalden zij snel van de heuvelen neer, die Kasuka omringden, om den vijand slag te leveren.[146]

Het waren zeven regimenten, ongeveer 10000 man, die de heuvelen afstormden.

Biggar zag hen naderen. Met grooten spoed stelde hij zijn leger in slagorde op voor de brandende stad, en de voorhoede der Zoeloe’s werd met zoo’n geduchten kogelregen begroet, dat zij zwenkte, het slagveld vol dooden en gewonden achter zich latende.

Er was een oogenblik van verademing, maar de geheele macht der Zoeloe’s rukte nu op in den vorm van een halve maan, een slagorde, door koning Chaka1uitgevonden, waarvan het centrum recht op den vijand aanrukte, terwijl de vleugels hem in snellen aanloop moesten omsingelen.

Biggar zag de gevaarlijke beweging, en terwijl Ogle met zijn manschappen tegen den linkervleugel des vijands optrok, zou Cane zijn rechtervleugel zien te keeren.

Ogle was inderdaad zoo gelukkig, den vijand terug te werpen, toen zijn Kaffers, door een nooit opgehelderde paniek aangetast, plotseling uiteen stoven, en hun heil in de vlucht zochten.

Het was een onherstelbare slag.

Wel snelden de blanken aan het hoofd van versche manschappen naar het bedreigde punt, doch daardoor werden weer andere punten ontbloot, en de vreeselijke hoornen der halve maan begonnen elkander dicht te naderen.

Cane kreeg een assegaai voor in de borst, en terwijl hij ze met eigen hand uit de wond rukte, trof hem de tweede speer tusschen de schouders. Het wapen stond te schudden in zijn vleesch. Een Kaffervorst, een van Cane’s trouwste vrienden, sprong toe, om de assegaai uit de wond te halen, doch Cane, door pijn verblind, herkende zijn bondgenoot niet, en verbrijzelde diens hoofd door een geweerschot.

Maar de Zoeloe’s lieten hem weinig tijd, om de vreeselijke vergissing te betreuren. Door vier speren getroffen, stortte hij tegen den grond. Geen twee minuten later lagen ook Biggar en Ogle zieltogend uitgestrekt op den van bloed doorweekten bodem, en het geheele Kafferkommando verstoof als kaf voor den wind.

Het was een vreeselijke vlucht, en de Kaffers kwamen aan de Tugelarivier aan op een punt, waar de oever uit honderd voet hooge, loodrechte rotsen bestond. De Tugela[147]werd voor hen een andere Berezina. Met de scherpe speer der Zoeloe’s achter zich was er geen tijd voor beraad, en de ongelukkigen stortten verpletterd neer op de harde klippen en steenen der Tugelabedding. Eerst toen er een hooge laag van stuiptrekkende, stervende lichamen was gevormd, werd de val der nakomenden gebroken, en bereikten dezen den overkant. Doch ook hier was men nog niet veilig, want een sterke afdeeling der Zoeloe’s was, de rotsen omtrekkend, op een gemakkelijke plek de rivier overgetrokken, en versperde den ontkomenen opnieuw den weg. Hier viel de laatste blanke, Blankenberg, en van het Kafferkommando van Biggar schoten slechts weinig honderdtallen over.

Als een bergstroom vervolgde het Zoeloe-leger, plunderend en verwoestend, zijn overwinningstocht. De Engelsche kolonisten hadden geen rust voor het hol van hun voet en weken terug tot aan het strand van den Oceaan. En er zou hun slechts de keuze zijn overgebleven tusschen de golven van dien Oceaan en de speer van den Zoeloe, indien in dit hachelijk oogenblik niet een schip in de baai het anker had uitgeworpen. Het nam de ongelukkigen aan boord, heesch toen de vlag en koos het ruime sop.

Maar de Boeren bleven achter, omloeid door het heidendom, en vaster dan ooit stond Dingaan’s troon. Met een grijnslach om den wreeden mond zeide hij tot zijn kapiteins: „Zie, op gindschen heuvel ligt het afgeknaagde gebeente van Piet Retief en de zijnen; bij dien anderen heuvel, waar juist een zwerm aasvogels neerstrijkt, ligt Piet Uijs, zijn wreker, en ik heb de bedding der Tugelarivier geplaveid met de lijken mijner vijanden. Uwe assegaaien druipen van het bloed van acht honderd Boerenmenschen, en ik ben besloten, om dit volk te verdelgen tot den laatsten man!”

1Chaka was de broeder van Dingaan, en werd door zijn broeders in 1828 vermoord. Chaka was een onmensch, bloeddorstig als een wild dier, doch werd door zijn opvolger Dingaan nog overtroffen.↑

1Chaka was de broeder van Dingaan, en werd door zijn broeders in 1828 vermoord. Chaka was een onmensch, bloeddorstig als een wild dier, doch werd door zijn opvolger Dingaan nog overtroffen.↑

1Chaka was de broeder van Dingaan, en werd door zijn broeders in 1828 vermoord. Chaka was een onmensch, bloeddorstig als een wild dier, doch werd door zijn opvolger Dingaan nog overtroffen.↑

1Chaka was de broeder van Dingaan, en werd door zijn broeders in 1828 vermoord. Chaka was een onmensch, bloeddorstig als een wild dier, doch werd door zijn opvolger Dingaan nog overtroffen.↑


Back to IndexNext