HOOFDSTUK XVII.

[Inhoud]HOOFDSTUK XVII.Met het geschetste moordtooneel heeft de Zoeloekoning de algemeene slachting ingeluid, en van uit de hoofdstad verspreidden zich zijn regimenten, om de onbezorgde Boeren te overrompelen.Acht dagen lang heeft dit moorden geduurd, en het zou met de Boeren nog veel hachelijker hebben gestaan, indien de verhaalde veldbrand den Trek der Boeren niet had vertraagd. Natal was het slagnet, waarin de Emigranten moesten worden geworgd, en al was al het volk nog niet in Natal, de voorhoede raakte in dat gespannen net toch vreeselijk bekneld.Langs een lijn van bijna zeven uren gaans, van af Rendsburgspruit tot aan de Blauwkransrivier, werden de Boerenlagers plotseling tegelijkertijd door een groote overmacht aangetast.Aan de Rendsburgspruit stonden de wagens der familie Rendsburg. Wel hadden zij uit de richting van het volgende lager, dat der Malans, hooren schieten, doch in de noodlottige meening, dat Piet Retief met de zijnen, die thuis werden verwacht, hun nadering door vreugdeschoten kenbaar maakten, hadden zij aan geen vijand gedacht.Zoo was er bij des vijands komst geen gelegenheid meer, om de wagens in een kring te trekken, en have en goed in den steek latend, vluchtte men op een steilen klipheuvel in de nabijheid.Als razenden stormden de Zoeloe’s tegen den heuvel op, maar de Boeren ontvingen hen met een moorddadig vuur, en sloegen hen terug. Doch thans dreigde de ammunitie op te raken, en van de andere lagers, die eveneens in grooten nood verkeerden, was geen hulp te verwachten.In dit gevaarlijk oogenblik werd plotseling de breedgerande[137]hoed zichtbaar van een voortjagenden Boer. Het was Marthinus Oosthuizen, een dappere kerel. Hij zag den hachelijken toestand der Rendsburgers, en in plaats van op eigen lijfsbehoud bedacht te zijn, wendde hij onmiddellijk den teugel, om hen bij te staan. Zij echter wenkten hem met woorden en gebaren, om hun kruit te verschaffen, en wezen den wagen aan, waar het te vinden was. Inderdaad gelukte het den vermetelen Boer, een voldoende hoeveelheid kruit machtig te worden, waarmee hij zich bij zijn stamgenooten voegde. De moed der arme menschen werd nu wonderlijk gesterkt, en terwijl geen hunner werd gedood, zelfs niet gekwetst, lag de helling van den heuvel bezaaid met gesneuvelde Kaffers, en de Zoeloe’s gaven ’t op.Te Doornkop stond een groot lager der Boeren, dat ongemoeid bleef, en waar men van niets wist, totdat vluchtelingen, meest vrouwen en kinderen, slechts in nachtgewaad gehuld, de vreeselijke ramp kwamen mededeelen. Onmiddellijk werden de ossen voor de wagens gespannen, om naar de bedreigde punten te trekken, de gewonden en zwakken op te nemen, en te redden wat nog te redden was. Rechts en links hoorde men voorttrekkende uit de verte den scherpen knal van het geweer en het woeste gebrul der Zoeloe-Kaffers, maar er was op het oogenblik geen denken aan, om de vrienden te helpen, want eerst moesten de vluchtelingen worden opgezocht en verzorgd. Dadelijk echter werden er rapporten gezonden aan de nakomende treinen, om zich in lagers te vereenigen, daar de vijand in de nabijheid was.Met de vluchtelingen keerde men naar het Doornkoplager terug, waarna de paarden werden gezadeld, en veertig Boeren (de anderen moesten ter verdediging van het lager achterblijven) uittrokken, om de benarde lagers te helpen. Het eerst stietten zij op het lager van Viljoen, dat den schok der Zoeloe’s had doorstaan, doch van al het vee was beroofd. Tevreeselijkerwas de verwoesting van het volgende lager, dat der Bezuidenhouts. Niemand, zelfs de zuigeling niet, was gespaard.Vreemd was het, dat een vreemdeling, een blanke, in een der geplunderde en gehavende ossenwagens werd ontdekt, bezig met geld te stelen. Hij trachtte te vluchten, maar de Boeren schoten hem dood. Het bleek een Engelschman te zijn.De Boeren noemden de plek, waar het uitgemoorde lager[138]had gestaan, de „Moordkraal”, en met bange voorgevoelens in het hart werd de tocht voortgezet.Ach, het was een vreeselijke tocht! Langs de spruiten stonden de ossenwagens: in groepen van drie, vier, zes stuks, en reeds aan den weerloozen stand dier wagens kon men zien, dat de overrompeling volkomen was geweest. Alle levende ziel was uitgeroeid: geworgd, doorstoken, vermoord. Men kon zien, hoe de weerlooze vrouwen en kinderen (de mannen waren meerendeels op de groote jacht) bijeen waren gevlucht en zoo vermoord.De omtrek van een volgende groep wagens bewees, dat hier lang en bitter was gestreden, voordat de Kaffers hadden gezegepraald. Vele Kafferlijken bedekten den grond, maar van de dappere verdedigers, de Witten en de Botha’s, was ook niemand overgebleven. De gieren waren reeds neergestreken op de blanke en zwarte lijken, maar de Boeren joegen ze op, begroeven de bekenden, en dekten de anderen met het huiflinnen der ossenwagens, opdat de familieleden hen zouden kunnen herkennen.En zoo ging het van groep tot groep—het was één afschuwelijk, afgrijselijk bloedbad!Hoe velen hadden nog getracht te vluchten! Maar de grimmige speer van den moordenaar vond hen: onder een wagen, in een kuil, achter een doornstruik—nergens was er schuiling geweest! Er was gemoord, geslacht met satanische woede! Het hoofd van den zuigeling was verpletterd tegen de ijzeren wielbanden van den ossenwagen, en de moeder lag er naast—met opengereten lichaam.…Bij een baal rijst vond men een aantal personen vermoord; zij hadden gemeend, dat het een baal kruit was, en betaalden hun vergissing met hun leven.In de nabijheid der uitgemoorde legerplaatsen hebben de Boeren later een dorp gesticht, en hebben het „Weenen” genoemd. Zij hadden er geen passender naam aan kunnen geven, want de harde grond is er waarlijk week geworden van al de tranen, die er zijn geschreid.Het lager van Gert Maritz, drie en dertig man sterk, kon zich gelukkig staande houden. Ook het „Vechtlager” bij de Boschmansrivier doorstond de Kafferwoede. Het gevecht duurde hier den ganschen dag, en reeds begon de ammunitie op te raken, toen een goed gemikt schot uit een drieponder[139]verwarring bracht in de gelederen der Zoeloe’s. Van dit oogenblik maakten de Boeren gebruik, om een krachtigen uitval te doen, en de moordenaars sloegen op de vlucht.Wonderen van dapperheid zijn in die bange dagen door de Boeren verricht. De Oosthuizen’s, de Naudè’s, de de Beer’s, de Cilliersen, de Pretoriussen, de Maritzen, en zoovele anderen, de vrouwen en dochters der Voortrekkers niet te vergeten, zij hebben met een heldenmoed gestreden, die onze eerbiedige hulde afdwingt, en hunne nagedachtenis zal in eere blijven, zoolang voor heldenmoed en dapperheid nog harten kloppen!Het was voor de afwezige Boeren een ontzettend oogenblik, toen zij, des avonds van de jacht terugkeerend, voor hunne uitgemoorde, uitgebrande kampen stilhielden.Daar lagen hun broeders, hunne vaders, hunne zonen: verslagen als de helden van Israël op het gebergte van Gilboa!Waar waren hunne lagers gebleven, die zij zoo hoopvol hadden verlaten? Het vroolijk gezang der kinderen, het vriendelijke oog der huisvrouw—waar was het gebleven?Ach, alles wat hun lief en dierbaar was op deze aarde, het was verdwenen, het was ondergegaan! En hun oog zag niets dan brandende puinhoopen, afschuwelijk verminkte lijken en rookende bloedplassen!Op de klipsteenen, die daar rond lagen, daar gingen de Boeren zitten. En zij hieven hunne stem op en weenden.…En toen hunne oogen geen tranen meer hadden, toen stonden zij op. En zij hieven hunne handen omhoog naar de sterren, die boven hunne hoofden fonkelden, en zij zwoeren bij Hem, Die eeuwig leeft, dat zij dit onschuldige bloed zouden wreken.…[140]

[Inhoud]HOOFDSTUK XVII.Met het geschetste moordtooneel heeft de Zoeloekoning de algemeene slachting ingeluid, en van uit de hoofdstad verspreidden zich zijn regimenten, om de onbezorgde Boeren te overrompelen.Acht dagen lang heeft dit moorden geduurd, en het zou met de Boeren nog veel hachelijker hebben gestaan, indien de verhaalde veldbrand den Trek der Boeren niet had vertraagd. Natal was het slagnet, waarin de Emigranten moesten worden geworgd, en al was al het volk nog niet in Natal, de voorhoede raakte in dat gespannen net toch vreeselijk bekneld.Langs een lijn van bijna zeven uren gaans, van af Rendsburgspruit tot aan de Blauwkransrivier, werden de Boerenlagers plotseling tegelijkertijd door een groote overmacht aangetast.Aan de Rendsburgspruit stonden de wagens der familie Rendsburg. Wel hadden zij uit de richting van het volgende lager, dat der Malans, hooren schieten, doch in de noodlottige meening, dat Piet Retief met de zijnen, die thuis werden verwacht, hun nadering door vreugdeschoten kenbaar maakten, hadden zij aan geen vijand gedacht.Zoo was er bij des vijands komst geen gelegenheid meer, om de wagens in een kring te trekken, en have en goed in den steek latend, vluchtte men op een steilen klipheuvel in de nabijheid.Als razenden stormden de Zoeloe’s tegen den heuvel op, maar de Boeren ontvingen hen met een moorddadig vuur, en sloegen hen terug. Doch thans dreigde de ammunitie op te raken, en van de andere lagers, die eveneens in grooten nood verkeerden, was geen hulp te verwachten.In dit gevaarlijk oogenblik werd plotseling de breedgerande[137]hoed zichtbaar van een voortjagenden Boer. Het was Marthinus Oosthuizen, een dappere kerel. Hij zag den hachelijken toestand der Rendsburgers, en in plaats van op eigen lijfsbehoud bedacht te zijn, wendde hij onmiddellijk den teugel, om hen bij te staan. Zij echter wenkten hem met woorden en gebaren, om hun kruit te verschaffen, en wezen den wagen aan, waar het te vinden was. Inderdaad gelukte het den vermetelen Boer, een voldoende hoeveelheid kruit machtig te worden, waarmee hij zich bij zijn stamgenooten voegde. De moed der arme menschen werd nu wonderlijk gesterkt, en terwijl geen hunner werd gedood, zelfs niet gekwetst, lag de helling van den heuvel bezaaid met gesneuvelde Kaffers, en de Zoeloe’s gaven ’t op.Te Doornkop stond een groot lager der Boeren, dat ongemoeid bleef, en waar men van niets wist, totdat vluchtelingen, meest vrouwen en kinderen, slechts in nachtgewaad gehuld, de vreeselijke ramp kwamen mededeelen. Onmiddellijk werden de ossen voor de wagens gespannen, om naar de bedreigde punten te trekken, de gewonden en zwakken op te nemen, en te redden wat nog te redden was. Rechts en links hoorde men voorttrekkende uit de verte den scherpen knal van het geweer en het woeste gebrul der Zoeloe-Kaffers, maar er was op het oogenblik geen denken aan, om de vrienden te helpen, want eerst moesten de vluchtelingen worden opgezocht en verzorgd. Dadelijk echter werden er rapporten gezonden aan de nakomende treinen, om zich in lagers te vereenigen, daar de vijand in de nabijheid was.Met de vluchtelingen keerde men naar het Doornkoplager terug, waarna de paarden werden gezadeld, en veertig Boeren (de anderen moesten ter verdediging van het lager achterblijven) uittrokken, om de benarde lagers te helpen. Het eerst stietten zij op het lager van Viljoen, dat den schok der Zoeloe’s had doorstaan, doch van al het vee was beroofd. Tevreeselijkerwas de verwoesting van het volgende lager, dat der Bezuidenhouts. Niemand, zelfs de zuigeling niet, was gespaard.Vreemd was het, dat een vreemdeling, een blanke, in een der geplunderde en gehavende ossenwagens werd ontdekt, bezig met geld te stelen. Hij trachtte te vluchten, maar de Boeren schoten hem dood. Het bleek een Engelschman te zijn.De Boeren noemden de plek, waar het uitgemoorde lager[138]had gestaan, de „Moordkraal”, en met bange voorgevoelens in het hart werd de tocht voortgezet.Ach, het was een vreeselijke tocht! Langs de spruiten stonden de ossenwagens: in groepen van drie, vier, zes stuks, en reeds aan den weerloozen stand dier wagens kon men zien, dat de overrompeling volkomen was geweest. Alle levende ziel was uitgeroeid: geworgd, doorstoken, vermoord. Men kon zien, hoe de weerlooze vrouwen en kinderen (de mannen waren meerendeels op de groote jacht) bijeen waren gevlucht en zoo vermoord.De omtrek van een volgende groep wagens bewees, dat hier lang en bitter was gestreden, voordat de Kaffers hadden gezegepraald. Vele Kafferlijken bedekten den grond, maar van de dappere verdedigers, de Witten en de Botha’s, was ook niemand overgebleven. De gieren waren reeds neergestreken op de blanke en zwarte lijken, maar de Boeren joegen ze op, begroeven de bekenden, en dekten de anderen met het huiflinnen der ossenwagens, opdat de familieleden hen zouden kunnen herkennen.En zoo ging het van groep tot groep—het was één afschuwelijk, afgrijselijk bloedbad!Hoe velen hadden nog getracht te vluchten! Maar de grimmige speer van den moordenaar vond hen: onder een wagen, in een kuil, achter een doornstruik—nergens was er schuiling geweest! Er was gemoord, geslacht met satanische woede! Het hoofd van den zuigeling was verpletterd tegen de ijzeren wielbanden van den ossenwagen, en de moeder lag er naast—met opengereten lichaam.…Bij een baal rijst vond men een aantal personen vermoord; zij hadden gemeend, dat het een baal kruit was, en betaalden hun vergissing met hun leven.In de nabijheid der uitgemoorde legerplaatsen hebben de Boeren later een dorp gesticht, en hebben het „Weenen” genoemd. Zij hadden er geen passender naam aan kunnen geven, want de harde grond is er waarlijk week geworden van al de tranen, die er zijn geschreid.Het lager van Gert Maritz, drie en dertig man sterk, kon zich gelukkig staande houden. Ook het „Vechtlager” bij de Boschmansrivier doorstond de Kafferwoede. Het gevecht duurde hier den ganschen dag, en reeds begon de ammunitie op te raken, toen een goed gemikt schot uit een drieponder[139]verwarring bracht in de gelederen der Zoeloe’s. Van dit oogenblik maakten de Boeren gebruik, om een krachtigen uitval te doen, en de moordenaars sloegen op de vlucht.Wonderen van dapperheid zijn in die bange dagen door de Boeren verricht. De Oosthuizen’s, de Naudè’s, de de Beer’s, de Cilliersen, de Pretoriussen, de Maritzen, en zoovele anderen, de vrouwen en dochters der Voortrekkers niet te vergeten, zij hebben met een heldenmoed gestreden, die onze eerbiedige hulde afdwingt, en hunne nagedachtenis zal in eere blijven, zoolang voor heldenmoed en dapperheid nog harten kloppen!Het was voor de afwezige Boeren een ontzettend oogenblik, toen zij, des avonds van de jacht terugkeerend, voor hunne uitgemoorde, uitgebrande kampen stilhielden.Daar lagen hun broeders, hunne vaders, hunne zonen: verslagen als de helden van Israël op het gebergte van Gilboa!Waar waren hunne lagers gebleven, die zij zoo hoopvol hadden verlaten? Het vroolijk gezang der kinderen, het vriendelijke oog der huisvrouw—waar was het gebleven?Ach, alles wat hun lief en dierbaar was op deze aarde, het was verdwenen, het was ondergegaan! En hun oog zag niets dan brandende puinhoopen, afschuwelijk verminkte lijken en rookende bloedplassen!Op de klipsteenen, die daar rond lagen, daar gingen de Boeren zitten. En zij hieven hunne stem op en weenden.…En toen hunne oogen geen tranen meer hadden, toen stonden zij op. En zij hieven hunne handen omhoog naar de sterren, die boven hunne hoofden fonkelden, en zij zwoeren bij Hem, Die eeuwig leeft, dat zij dit onschuldige bloed zouden wreken.…[140]

HOOFDSTUK XVII.

Met het geschetste moordtooneel heeft de Zoeloekoning de algemeene slachting ingeluid, en van uit de hoofdstad verspreidden zich zijn regimenten, om de onbezorgde Boeren te overrompelen.Acht dagen lang heeft dit moorden geduurd, en het zou met de Boeren nog veel hachelijker hebben gestaan, indien de verhaalde veldbrand den Trek der Boeren niet had vertraagd. Natal was het slagnet, waarin de Emigranten moesten worden geworgd, en al was al het volk nog niet in Natal, de voorhoede raakte in dat gespannen net toch vreeselijk bekneld.Langs een lijn van bijna zeven uren gaans, van af Rendsburgspruit tot aan de Blauwkransrivier, werden de Boerenlagers plotseling tegelijkertijd door een groote overmacht aangetast.Aan de Rendsburgspruit stonden de wagens der familie Rendsburg. Wel hadden zij uit de richting van het volgende lager, dat der Malans, hooren schieten, doch in de noodlottige meening, dat Piet Retief met de zijnen, die thuis werden verwacht, hun nadering door vreugdeschoten kenbaar maakten, hadden zij aan geen vijand gedacht.Zoo was er bij des vijands komst geen gelegenheid meer, om de wagens in een kring te trekken, en have en goed in den steek latend, vluchtte men op een steilen klipheuvel in de nabijheid.Als razenden stormden de Zoeloe’s tegen den heuvel op, maar de Boeren ontvingen hen met een moorddadig vuur, en sloegen hen terug. Doch thans dreigde de ammunitie op te raken, en van de andere lagers, die eveneens in grooten nood verkeerden, was geen hulp te verwachten.In dit gevaarlijk oogenblik werd plotseling de breedgerande[137]hoed zichtbaar van een voortjagenden Boer. Het was Marthinus Oosthuizen, een dappere kerel. Hij zag den hachelijken toestand der Rendsburgers, en in plaats van op eigen lijfsbehoud bedacht te zijn, wendde hij onmiddellijk den teugel, om hen bij te staan. Zij echter wenkten hem met woorden en gebaren, om hun kruit te verschaffen, en wezen den wagen aan, waar het te vinden was. Inderdaad gelukte het den vermetelen Boer, een voldoende hoeveelheid kruit machtig te worden, waarmee hij zich bij zijn stamgenooten voegde. De moed der arme menschen werd nu wonderlijk gesterkt, en terwijl geen hunner werd gedood, zelfs niet gekwetst, lag de helling van den heuvel bezaaid met gesneuvelde Kaffers, en de Zoeloe’s gaven ’t op.Te Doornkop stond een groot lager der Boeren, dat ongemoeid bleef, en waar men van niets wist, totdat vluchtelingen, meest vrouwen en kinderen, slechts in nachtgewaad gehuld, de vreeselijke ramp kwamen mededeelen. Onmiddellijk werden de ossen voor de wagens gespannen, om naar de bedreigde punten te trekken, de gewonden en zwakken op te nemen, en te redden wat nog te redden was. Rechts en links hoorde men voorttrekkende uit de verte den scherpen knal van het geweer en het woeste gebrul der Zoeloe-Kaffers, maar er was op het oogenblik geen denken aan, om de vrienden te helpen, want eerst moesten de vluchtelingen worden opgezocht en verzorgd. Dadelijk echter werden er rapporten gezonden aan de nakomende treinen, om zich in lagers te vereenigen, daar de vijand in de nabijheid was.Met de vluchtelingen keerde men naar het Doornkoplager terug, waarna de paarden werden gezadeld, en veertig Boeren (de anderen moesten ter verdediging van het lager achterblijven) uittrokken, om de benarde lagers te helpen. Het eerst stietten zij op het lager van Viljoen, dat den schok der Zoeloe’s had doorstaan, doch van al het vee was beroofd. Tevreeselijkerwas de verwoesting van het volgende lager, dat der Bezuidenhouts. Niemand, zelfs de zuigeling niet, was gespaard.Vreemd was het, dat een vreemdeling, een blanke, in een der geplunderde en gehavende ossenwagens werd ontdekt, bezig met geld te stelen. Hij trachtte te vluchten, maar de Boeren schoten hem dood. Het bleek een Engelschman te zijn.De Boeren noemden de plek, waar het uitgemoorde lager[138]had gestaan, de „Moordkraal”, en met bange voorgevoelens in het hart werd de tocht voortgezet.Ach, het was een vreeselijke tocht! Langs de spruiten stonden de ossenwagens: in groepen van drie, vier, zes stuks, en reeds aan den weerloozen stand dier wagens kon men zien, dat de overrompeling volkomen was geweest. Alle levende ziel was uitgeroeid: geworgd, doorstoken, vermoord. Men kon zien, hoe de weerlooze vrouwen en kinderen (de mannen waren meerendeels op de groote jacht) bijeen waren gevlucht en zoo vermoord.De omtrek van een volgende groep wagens bewees, dat hier lang en bitter was gestreden, voordat de Kaffers hadden gezegepraald. Vele Kafferlijken bedekten den grond, maar van de dappere verdedigers, de Witten en de Botha’s, was ook niemand overgebleven. De gieren waren reeds neergestreken op de blanke en zwarte lijken, maar de Boeren joegen ze op, begroeven de bekenden, en dekten de anderen met het huiflinnen der ossenwagens, opdat de familieleden hen zouden kunnen herkennen.En zoo ging het van groep tot groep—het was één afschuwelijk, afgrijselijk bloedbad!Hoe velen hadden nog getracht te vluchten! Maar de grimmige speer van den moordenaar vond hen: onder een wagen, in een kuil, achter een doornstruik—nergens was er schuiling geweest! Er was gemoord, geslacht met satanische woede! Het hoofd van den zuigeling was verpletterd tegen de ijzeren wielbanden van den ossenwagen, en de moeder lag er naast—met opengereten lichaam.…Bij een baal rijst vond men een aantal personen vermoord; zij hadden gemeend, dat het een baal kruit was, en betaalden hun vergissing met hun leven.In de nabijheid der uitgemoorde legerplaatsen hebben de Boeren later een dorp gesticht, en hebben het „Weenen” genoemd. Zij hadden er geen passender naam aan kunnen geven, want de harde grond is er waarlijk week geworden van al de tranen, die er zijn geschreid.Het lager van Gert Maritz, drie en dertig man sterk, kon zich gelukkig staande houden. Ook het „Vechtlager” bij de Boschmansrivier doorstond de Kafferwoede. Het gevecht duurde hier den ganschen dag, en reeds begon de ammunitie op te raken, toen een goed gemikt schot uit een drieponder[139]verwarring bracht in de gelederen der Zoeloe’s. Van dit oogenblik maakten de Boeren gebruik, om een krachtigen uitval te doen, en de moordenaars sloegen op de vlucht.Wonderen van dapperheid zijn in die bange dagen door de Boeren verricht. De Oosthuizen’s, de Naudè’s, de de Beer’s, de Cilliersen, de Pretoriussen, de Maritzen, en zoovele anderen, de vrouwen en dochters der Voortrekkers niet te vergeten, zij hebben met een heldenmoed gestreden, die onze eerbiedige hulde afdwingt, en hunne nagedachtenis zal in eere blijven, zoolang voor heldenmoed en dapperheid nog harten kloppen!Het was voor de afwezige Boeren een ontzettend oogenblik, toen zij, des avonds van de jacht terugkeerend, voor hunne uitgemoorde, uitgebrande kampen stilhielden.Daar lagen hun broeders, hunne vaders, hunne zonen: verslagen als de helden van Israël op het gebergte van Gilboa!Waar waren hunne lagers gebleven, die zij zoo hoopvol hadden verlaten? Het vroolijk gezang der kinderen, het vriendelijke oog der huisvrouw—waar was het gebleven?Ach, alles wat hun lief en dierbaar was op deze aarde, het was verdwenen, het was ondergegaan! En hun oog zag niets dan brandende puinhoopen, afschuwelijk verminkte lijken en rookende bloedplassen!Op de klipsteenen, die daar rond lagen, daar gingen de Boeren zitten. En zij hieven hunne stem op en weenden.…En toen hunne oogen geen tranen meer hadden, toen stonden zij op. En zij hieven hunne handen omhoog naar de sterren, die boven hunne hoofden fonkelden, en zij zwoeren bij Hem, Die eeuwig leeft, dat zij dit onschuldige bloed zouden wreken.…[140]

Met het geschetste moordtooneel heeft de Zoeloekoning de algemeene slachting ingeluid, en van uit de hoofdstad verspreidden zich zijn regimenten, om de onbezorgde Boeren te overrompelen.

Acht dagen lang heeft dit moorden geduurd, en het zou met de Boeren nog veel hachelijker hebben gestaan, indien de verhaalde veldbrand den Trek der Boeren niet had vertraagd. Natal was het slagnet, waarin de Emigranten moesten worden geworgd, en al was al het volk nog niet in Natal, de voorhoede raakte in dat gespannen net toch vreeselijk bekneld.

Langs een lijn van bijna zeven uren gaans, van af Rendsburgspruit tot aan de Blauwkransrivier, werden de Boerenlagers plotseling tegelijkertijd door een groote overmacht aangetast.

Aan de Rendsburgspruit stonden de wagens der familie Rendsburg. Wel hadden zij uit de richting van het volgende lager, dat der Malans, hooren schieten, doch in de noodlottige meening, dat Piet Retief met de zijnen, die thuis werden verwacht, hun nadering door vreugdeschoten kenbaar maakten, hadden zij aan geen vijand gedacht.

Zoo was er bij des vijands komst geen gelegenheid meer, om de wagens in een kring te trekken, en have en goed in den steek latend, vluchtte men op een steilen klipheuvel in de nabijheid.

Als razenden stormden de Zoeloe’s tegen den heuvel op, maar de Boeren ontvingen hen met een moorddadig vuur, en sloegen hen terug. Doch thans dreigde de ammunitie op te raken, en van de andere lagers, die eveneens in grooten nood verkeerden, was geen hulp te verwachten.

In dit gevaarlijk oogenblik werd plotseling de breedgerande[137]hoed zichtbaar van een voortjagenden Boer. Het was Marthinus Oosthuizen, een dappere kerel. Hij zag den hachelijken toestand der Rendsburgers, en in plaats van op eigen lijfsbehoud bedacht te zijn, wendde hij onmiddellijk den teugel, om hen bij te staan. Zij echter wenkten hem met woorden en gebaren, om hun kruit te verschaffen, en wezen den wagen aan, waar het te vinden was. Inderdaad gelukte het den vermetelen Boer, een voldoende hoeveelheid kruit machtig te worden, waarmee hij zich bij zijn stamgenooten voegde. De moed der arme menschen werd nu wonderlijk gesterkt, en terwijl geen hunner werd gedood, zelfs niet gekwetst, lag de helling van den heuvel bezaaid met gesneuvelde Kaffers, en de Zoeloe’s gaven ’t op.

Te Doornkop stond een groot lager der Boeren, dat ongemoeid bleef, en waar men van niets wist, totdat vluchtelingen, meest vrouwen en kinderen, slechts in nachtgewaad gehuld, de vreeselijke ramp kwamen mededeelen. Onmiddellijk werden de ossen voor de wagens gespannen, om naar de bedreigde punten te trekken, de gewonden en zwakken op te nemen, en te redden wat nog te redden was. Rechts en links hoorde men voorttrekkende uit de verte den scherpen knal van het geweer en het woeste gebrul der Zoeloe-Kaffers, maar er was op het oogenblik geen denken aan, om de vrienden te helpen, want eerst moesten de vluchtelingen worden opgezocht en verzorgd. Dadelijk echter werden er rapporten gezonden aan de nakomende treinen, om zich in lagers te vereenigen, daar de vijand in de nabijheid was.

Met de vluchtelingen keerde men naar het Doornkoplager terug, waarna de paarden werden gezadeld, en veertig Boeren (de anderen moesten ter verdediging van het lager achterblijven) uittrokken, om de benarde lagers te helpen. Het eerst stietten zij op het lager van Viljoen, dat den schok der Zoeloe’s had doorstaan, doch van al het vee was beroofd. Tevreeselijkerwas de verwoesting van het volgende lager, dat der Bezuidenhouts. Niemand, zelfs de zuigeling niet, was gespaard.

Vreemd was het, dat een vreemdeling, een blanke, in een der geplunderde en gehavende ossenwagens werd ontdekt, bezig met geld te stelen. Hij trachtte te vluchten, maar de Boeren schoten hem dood. Het bleek een Engelschman te zijn.

De Boeren noemden de plek, waar het uitgemoorde lager[138]had gestaan, de „Moordkraal”, en met bange voorgevoelens in het hart werd de tocht voortgezet.

Ach, het was een vreeselijke tocht! Langs de spruiten stonden de ossenwagens: in groepen van drie, vier, zes stuks, en reeds aan den weerloozen stand dier wagens kon men zien, dat de overrompeling volkomen was geweest. Alle levende ziel was uitgeroeid: geworgd, doorstoken, vermoord. Men kon zien, hoe de weerlooze vrouwen en kinderen (de mannen waren meerendeels op de groote jacht) bijeen waren gevlucht en zoo vermoord.

De omtrek van een volgende groep wagens bewees, dat hier lang en bitter was gestreden, voordat de Kaffers hadden gezegepraald. Vele Kafferlijken bedekten den grond, maar van de dappere verdedigers, de Witten en de Botha’s, was ook niemand overgebleven. De gieren waren reeds neergestreken op de blanke en zwarte lijken, maar de Boeren joegen ze op, begroeven de bekenden, en dekten de anderen met het huiflinnen der ossenwagens, opdat de familieleden hen zouden kunnen herkennen.

En zoo ging het van groep tot groep—het was één afschuwelijk, afgrijselijk bloedbad!

Hoe velen hadden nog getracht te vluchten! Maar de grimmige speer van den moordenaar vond hen: onder een wagen, in een kuil, achter een doornstruik—nergens was er schuiling geweest! Er was gemoord, geslacht met satanische woede! Het hoofd van den zuigeling was verpletterd tegen de ijzeren wielbanden van den ossenwagen, en de moeder lag er naast—met opengereten lichaam.…

Bij een baal rijst vond men een aantal personen vermoord; zij hadden gemeend, dat het een baal kruit was, en betaalden hun vergissing met hun leven.

In de nabijheid der uitgemoorde legerplaatsen hebben de Boeren later een dorp gesticht, en hebben het „Weenen” genoemd. Zij hadden er geen passender naam aan kunnen geven, want de harde grond is er waarlijk week geworden van al de tranen, die er zijn geschreid.

Het lager van Gert Maritz, drie en dertig man sterk, kon zich gelukkig staande houden. Ook het „Vechtlager” bij de Boschmansrivier doorstond de Kafferwoede. Het gevecht duurde hier den ganschen dag, en reeds begon de ammunitie op te raken, toen een goed gemikt schot uit een drieponder[139]verwarring bracht in de gelederen der Zoeloe’s. Van dit oogenblik maakten de Boeren gebruik, om een krachtigen uitval te doen, en de moordenaars sloegen op de vlucht.

Wonderen van dapperheid zijn in die bange dagen door de Boeren verricht. De Oosthuizen’s, de Naudè’s, de de Beer’s, de Cilliersen, de Pretoriussen, de Maritzen, en zoovele anderen, de vrouwen en dochters der Voortrekkers niet te vergeten, zij hebben met een heldenmoed gestreden, die onze eerbiedige hulde afdwingt, en hunne nagedachtenis zal in eere blijven, zoolang voor heldenmoed en dapperheid nog harten kloppen!

Het was voor de afwezige Boeren een ontzettend oogenblik, toen zij, des avonds van de jacht terugkeerend, voor hunne uitgemoorde, uitgebrande kampen stilhielden.

Daar lagen hun broeders, hunne vaders, hunne zonen: verslagen als de helden van Israël op het gebergte van Gilboa!

Waar waren hunne lagers gebleven, die zij zoo hoopvol hadden verlaten? Het vroolijk gezang der kinderen, het vriendelijke oog der huisvrouw—waar was het gebleven?

Ach, alles wat hun lief en dierbaar was op deze aarde, het was verdwenen, het was ondergegaan! En hun oog zag niets dan brandende puinhoopen, afschuwelijk verminkte lijken en rookende bloedplassen!

Op de klipsteenen, die daar rond lagen, daar gingen de Boeren zitten. En zij hieven hunne stem op en weenden.…

En toen hunne oogen geen tranen meer hadden, toen stonden zij op. En zij hieven hunne handen omhoog naar de sterren, die boven hunne hoofden fonkelden, en zij zwoeren bij Hem, Die eeuwig leeft, dat zij dit onschuldige bloed zouden wreken.…[140]


Back to IndexNext