[Inhoud]HOOFDSTUK XXV.Het doel van den veldtocht was bereikt. Dingaan had de zware vuist der Boeren gevoeld; gewroken was het onschuldig vergoten bloed, en met dankbare blijdschap werden de overwinnaars door de hunnen begroet.Nu was de nacht van ’t lijden voorbij, en het begon licht te worden in het Oosten.Zoo dachten ten minste de Emigranten. Met ijver toog men aan het werk der kolonisatie. Dorpen werden aangelegd, vlekken uitgemeten, steden ontworpen. Aan de kust ontstond Durban, een gehucht van eenige leemen huisjes, thans een wereldhaven, en in het midden des lands, op een hoogte van 2000 voet, de hoofdstad Pieter-Maritzburg, genoemd naar de twee aanvoerders der Boeren:PieterRetief en GertMaritz. Allengs verwisselden de Trekboeren nu den zoolang gebruikten ossenwagen voor de eenvoudig opgetrokken woning, doch in het Noorden, vooral aan de Tugela- en de Boschmansrivier, waar het lager van Gert Kloppers stond, was men om de invallende Kafferhorden wel verplicht,[171]voorloopig in lager te blijven. Doch ook hier hoopte men spoedig het versleten tentlinnen op te rollen, toen de hemel op nieuw door donkere onweerswolken werd verduisterd. Dingaan namelijk, de koning der Zoeloe’s, begon zich weer krachtiger te gevoelen, en bleef weigerachtig, om de veertig duizend beesten terug te geven, die zijn soldaten van de Boeren hadden geroofd. Evenmin wilde hij de oorlogskosten, bedragende honderdtien duizend gulden, betalen.De Boeren bereidden zich opnieuw tot den oorlog voor, toen aan Pretorius werd gerapporteerd, dat er van de zeekust een zonderlinge karavaan in aantocht was: mannen, vrouwen en kinderen met groote kudden hoornvee en schapen, een geheele stam van duizenden menschen met al hun bezittingen, die toevlucht zochten in de schaduw der Boerenvlag.Het hoofd van dezen stam, die tot de Zoeloe’s behoorde, heette Panda, en was een broeder van Koning Dingaan.Hij had zich aan het hof van Dingaan voorgedaan als idioot, en was daardoor aan een anders wissen dood ontgaan. Maar hij wàs geen idioot; deze zwarte Kafferprins wist terdege goed, wat hij wilde.Hij had wettige grieven. Als ouderen broeder van Dingaan kwam hem de Zoeloe-scepter toe, terwijl slechts weinig maanden geleden zijn stam door Dingaan verraderlijk was overvallen.De Volksraad der Boeren onderzocht de grieven van Panda, en het bleek, dat hij de waarheid had gesproken. Zoo aanvaardde men zijn bondgenootschap, dat den Boeren een hulpmacht verzekerde van vierduizend met werp- en stootspeer gewapende Zoeloe-krijgers. Panda’s legeroverste was kapitein Nonquaas, terwijl de voorzichtige Pretorius Panda in schijn als gast doch in werkelijkheid als gijzelaar bij zich behield.Dingaan was intusschen niet op zijn gemak, en daar was reden voor. Zoo zond hij zijn vertrouweling Tambuza met een eerewacht van driehonderd man en een geschenk van veertig olifantstanden tot de Boeren, om hen zachter te stemmen, en de Volksraad liet Tambuza mèt Panda voor zijn vierschaar verschijnen. Eerst mocht Tambuza spreken, die in vleiende woorden den roem en de edelmoedigheid der Boeren bezong, doch daarna stond Panda op, en riep, terwijl zijn neusvleugels zich bewogen, en zijn zwarte oogen vuur schoten:[172]„Weest op uwe hoede, o blanken, en laat u niet verschalken, want Dingaan duldt geen ander volk naast zich! Gelooft de pluimstrijkende woorden niet van dezen Tambuza, want Dingaan wil u maar gerust maken, om u later als de bliksemstraal te overvallen en te vernietigen. Dat is zijn manier. Eerst maakt hij vrede, en dan stuurt hij plotseling een groot kommando, om alles uit te moorden! Zoo heeft hij met Piet Retief gedaan; zoo heeft hij met de Fingoes gedaan; zoo heeft hij met den vader van Matowaan gedaan, dien hij onverhoeds liet binden en de oogen uitsteken. Zoo zal hij ook doen met u. Denkt niet, dat zijn krijgslieden te weinig zijn geworden in getal; zij staan nog zoo dicht als het gras, dat het veld bedekt.”„En wat dezen Tambuza betreft,” ging hij voort, den arm naar den Zoeloe uitstrekkend, „hij en Umhleha hebben Dingaan aangepord, om Piet Retief met de zijnen te vermoorden!”Panda’s woorden maakten een diepen indruk, en Tambuza werd in verzekerde bewaring genomen.Het Boerenleger, dat onder Andries Pretorius Zoeloe-land binnentrok, bestond uit vijfhonderd man en vijftig ossenwagens.Het veldtochtsplan van den kommandant muntte uit door eenvoudigheid: Panda’s veldoverste Nonquaas zou met zijn vierduizend krijgslieden van uit het zuiden, de Boeren van uit het noorden Zoeloe-land binnendringen, op een bepaald punt elkander de hand reiken, en aan Dingaan’s macht voor goed een einde maken.Op het hoofd van den koning-moordenaar werd een prijs van vijftig, op dat van Umhleha een prijs van vijf en twintig beesten gezet, terwijl Tambuza den tocht in boeien moest medemaken.Den 29stenJanuari 1840 kwamen de Boeren aan de hooggezwollen Buffelrivier, bereikten, terwijl de wagens diep door het water der drift moesten, toch in goede orde den overkant, terwijl het kamp op de historische plek van den 16denDecember 1838 werd opgeslagen.Zoo naderden het kommando der Boeren en het leger der Panda-krijgers elkander al meer en meer. Zij vormden wel een groot contrast: de Panda-krijgers waren half naakt, met kralen en veeren versierd, druk bewegelijk, hunknotsen[173]opheffend, hun speren zwaaiend en op hun leeren schilden slaande, terwijl de Boeren op hun taaie, vlugge paarden, het geweer over den schouder, alle noodelooze vertooning vermeden, en kalm, sober en nuchter maar vastberaden slechts dit ééne groote doel in ’t oog behielden: hun slag te slaan met groote kracht.Intusschen stootte Nonquaas, Panda’s veldheer, het eerst op de Zoeloe’s van Dingaan, en spoedig was hij met de vijanden in een bloedig gevecht gewikkeld. Er werd nauwlijks één schot gelost, maar de lange werpspeer suisde door de lucht, straks vervangen door de korte stootassegaai en de staalhardeknots, die onder een helsch gebrul hun vreeselijk werk verrichtten.Intusschen stonden twee Zoeloe-kapiteins, die aan Pretorius hunne hulde en onderdanigheid hadden betuigd, en als Panda’s bondgenooten mee waren opgetrokken, met hun volk zijwaarts van het slaggewoel, en volgden met groote belangstelling de wisselingen van het gevecht.„Als ik vecht,” zeide de jongste der twee, na een lange pauze, „dan win ik het graag, en als wij onze bondgenooten, de Panda’s, helpen, dan verliezen wij ’t. Zooveel verstand heb ìk wel van vechten.”„En in plaats van winnen krijgen wij dan Dingaan’s lieve jongens aan onzen hals,” zeide de oudste.„Daarom zou het wel zoo verstandig zijn, Dingaan te helpen,” zeide de jongste.„Als hij ons uit dankbaarheid maar niet aan de assegaai rijgt,” zeide de oudste.„Wees gerust! Wij worden zijne eerste staatsdienaren,” zeide de jongste.„En de Boeren?” zeide de oudste.„Die zullen wegblijven en naar huis gaan,” zeide de jongste.„We willen ’t hopen,” zeide de oudste.„Maar nu zal ’t tijd worden,” liet de oudste er op volgen, „laat ons oprukken! De Panda’s zullen al heel vreemd staan te kijken—voorwaarts!”De Panda-krijgers hadden tot op dit oogenblik met onmiskenbare dapperheid gestreden, doch tegen het verraad konden zij niet op, en de langzame, geregelde terugtocht dreigde plotseling in een wilde vlucht te ontaarden.Doch zoover kwam het niet. Dingaan vreesde oogenschijnlijk een hinderlaag der Boeren, en de vervolging werd spoedig gestaakt.[174]Intusschen zond Pretorius twee verspieders uit, om Panda’s leger op te sporen, die, om Dingaan’s aandacht te ontsnappen, slechts des nachts mochten rijden. Zij brachten de tijding, dat Nonquaas reeds met de Zoeloe’s was slaags geweest, met verlies was teruggeslagen, doch desniettegenstaande in staat was, zich op een nader te bepalen punt met het Boerenkommando te vereenigen. Dit punt werd door Pretorius aan Nonquaas opgegeven, maar in plaats van de Panda’s, die hij er meende te treffen, stootte Pretorius op de nog ongehavende regimenten van koning Dingaan.Niet ver van zijn hoofdstad werd zijn lot beslist. De koning zelf voerde zijn leger aan. Hij had een slechten nacht gehad. Had hij in den droom de schimmen gezien der vermoorde Boeren? Hadden zij hun ontvleeschde handen uitgestrekt en hem naar de keel gegrepen?Zijn blik was onrustig. Bange voorgevoelens vervulden zijn ziel, en zijn knieën knikten als die van Belzazar, toen deze de geheimzinnige hand aan den wand het doodvonnis zag schrijven.Maar Dingaan vermande zich, gaf het teeken tot den aanval, en nog eens deed zijn stem de vroegere geestdrift ontvlammen in de harten van zijn veteranen.„Daar komen de witmenschen,” riep hij, „maar wij zullen hen overwinnen! Wij hebben hen gelokt diep in ons Zoeloeland, en niemand hunner zal ontsnappen! Ben ik niet de leeuw van het land der vele rivieren? Heb ik niet Piet Retief verslagen met zijn knechten, en Piet Uijs met zijn knechten, en Biggar met zijn duizenden? Wij zullen hen andermaal overvallen als een vuurvlam, die niet te keeren is, en hun lichamen tot spijze geven aan den roofvogel hoog in de lucht, en aan het wild gedierte, dat in diepe holen huist!”Doch de witmenschen, die hij zou bestrijden, waren plotseling verdwenen. De Zoeloe’s stonden voor een vijand, die zich onzichtbaar had gemaakt, en hun speeren gierden doelloos door de lucht. Doch nu en dan, van achter een klip, een struik, een boom werd een klein rookwolkje zichtbaar, en stortte een Zoeloekrijger dood voor den grond. De rookwolkjes vermenigvuldigen zich; nu zag men ze van voren, rechts, links, en slechts de knal van het Boerengeweer verbrak de stilte.Koning Dingaan hoorde het fluiten der kogels, en hij zag met starren blik, welke verwoestingen zij aanrichtten. Hij[175]wilde dien vijand te lijf, doch die vijand bleef onzichtbaar. Hij stond tegenover een vreeselijken, geheimzinnigen, onweerstaanbaren vijand—zijn dapperste veldheer stortte dood aan zijn voeten neer—de vale angst greep hem aan—de wrekers van het onschuldig vergoten bloed waren gekomen—hij keerde zich om en vlood om zijns levens wil!Vernietigd was het leger van den Zoeloekoning, en gebroken de toovercirkel, waarin zich deze bloedhond bewoog.Pretorius liet nu den Kafferprins Panda en zijne voornaamste hoofden voor zich komen, en terwijl zijn Boeren in volle uitrusting: den bandelier over de borst en het geweer over den schouder moesten aantreden, om getuigen te zijn, sprak hij het volgende: „Wij blanke Boeren hebben, zooals gij het met uw eigen oogen hebt gezien, over den wreeden Dingaan gezegepraald, zijn scepter gebroken en veel onschuldig vergoten bloed gewroken. Maar wij hebben dit niet gedaan door onze eigen kracht, maar in de kracht des Heeren, Die ons genadiglijk hielp. Nu heb ik, in naam van onzen Volksraad, goedgedacht, om u Panda te benoemen tot koning of opperhoofd over Zoeloe-land, u als onzen grooten bondgenoot te aanvaarden, en uwe vijanden als onze vijanden te beschouwen. Nooit zult gij zonder onze toestemming mogen oorlog voeren; gij zult geen bloed vergieten noch van den blanke noch van den kleurling, en wij zullen u steeds handhaven tegen iedereen.”Diep bewogen luisterde Panda; hij was getroffen door de edelmoedigheid der Boeren, boog het hoofd en antwoordde: „Groote Heer! Ik ben door eeuwige dankbaarheid aan u verknocht, want gij hebt mij verlost van de dwingelandij, waaronder ik jarenlang als een verstooteling heb gezucht. Ik zal uwe voorwaarden vervullen, en geen bloed vergieten van blanke of kleurling, zoolang de zon en maan hun schijnsel zullen geven. Wordt gij aangetast door de vijanden, dan zal ik u bijstaan met mijn geheele macht, en mijn laatsten man voor u wagen, want zie, ik was dood, en gij hebt mij weder levend gemaakt!Ikwas verschopt, en gij hebt mij weder opgeraapt!”Nu werd er een behoorlijk, in duplo geteekend contract opgemaakt, geteekend eenerzijds door Pretorius en eenige der voornaamste Boeren, en anderzijds door Panda en zijn kapiteins, waarbij Panda onder de opperhoogheid der Boeren[176]tot koning over Zoeloe-land werd geproklameerd, terwijl de Boeren vreugdesalvo’s losten.Vervolgens hielden de Boeren een streng doch rechtvaardig gericht over Tambuza, Dingaan’s eersten staatsdienaar. Zijn aandeel aan den moord op de Boeren werd klaar bewezen en hij werd tot den kogel veroordeeld, waarna de Boeren met een buit van veertigduizend beesten, die hun van de Zoeloe’s toekwamen, in zegepraal terugkeerden naar hun lagers in Natal.
[Inhoud]HOOFDSTUK XXV.Het doel van den veldtocht was bereikt. Dingaan had de zware vuist der Boeren gevoeld; gewroken was het onschuldig vergoten bloed, en met dankbare blijdschap werden de overwinnaars door de hunnen begroet.Nu was de nacht van ’t lijden voorbij, en het begon licht te worden in het Oosten.Zoo dachten ten minste de Emigranten. Met ijver toog men aan het werk der kolonisatie. Dorpen werden aangelegd, vlekken uitgemeten, steden ontworpen. Aan de kust ontstond Durban, een gehucht van eenige leemen huisjes, thans een wereldhaven, en in het midden des lands, op een hoogte van 2000 voet, de hoofdstad Pieter-Maritzburg, genoemd naar de twee aanvoerders der Boeren:PieterRetief en GertMaritz. Allengs verwisselden de Trekboeren nu den zoolang gebruikten ossenwagen voor de eenvoudig opgetrokken woning, doch in het Noorden, vooral aan de Tugela- en de Boschmansrivier, waar het lager van Gert Kloppers stond, was men om de invallende Kafferhorden wel verplicht,[171]voorloopig in lager te blijven. Doch ook hier hoopte men spoedig het versleten tentlinnen op te rollen, toen de hemel op nieuw door donkere onweerswolken werd verduisterd. Dingaan namelijk, de koning der Zoeloe’s, begon zich weer krachtiger te gevoelen, en bleef weigerachtig, om de veertig duizend beesten terug te geven, die zijn soldaten van de Boeren hadden geroofd. Evenmin wilde hij de oorlogskosten, bedragende honderdtien duizend gulden, betalen.De Boeren bereidden zich opnieuw tot den oorlog voor, toen aan Pretorius werd gerapporteerd, dat er van de zeekust een zonderlinge karavaan in aantocht was: mannen, vrouwen en kinderen met groote kudden hoornvee en schapen, een geheele stam van duizenden menschen met al hun bezittingen, die toevlucht zochten in de schaduw der Boerenvlag.Het hoofd van dezen stam, die tot de Zoeloe’s behoorde, heette Panda, en was een broeder van Koning Dingaan.Hij had zich aan het hof van Dingaan voorgedaan als idioot, en was daardoor aan een anders wissen dood ontgaan. Maar hij wàs geen idioot; deze zwarte Kafferprins wist terdege goed, wat hij wilde.Hij had wettige grieven. Als ouderen broeder van Dingaan kwam hem de Zoeloe-scepter toe, terwijl slechts weinig maanden geleden zijn stam door Dingaan verraderlijk was overvallen.De Volksraad der Boeren onderzocht de grieven van Panda, en het bleek, dat hij de waarheid had gesproken. Zoo aanvaardde men zijn bondgenootschap, dat den Boeren een hulpmacht verzekerde van vierduizend met werp- en stootspeer gewapende Zoeloe-krijgers. Panda’s legeroverste was kapitein Nonquaas, terwijl de voorzichtige Pretorius Panda in schijn als gast doch in werkelijkheid als gijzelaar bij zich behield.Dingaan was intusschen niet op zijn gemak, en daar was reden voor. Zoo zond hij zijn vertrouweling Tambuza met een eerewacht van driehonderd man en een geschenk van veertig olifantstanden tot de Boeren, om hen zachter te stemmen, en de Volksraad liet Tambuza mèt Panda voor zijn vierschaar verschijnen. Eerst mocht Tambuza spreken, die in vleiende woorden den roem en de edelmoedigheid der Boeren bezong, doch daarna stond Panda op, en riep, terwijl zijn neusvleugels zich bewogen, en zijn zwarte oogen vuur schoten:[172]„Weest op uwe hoede, o blanken, en laat u niet verschalken, want Dingaan duldt geen ander volk naast zich! Gelooft de pluimstrijkende woorden niet van dezen Tambuza, want Dingaan wil u maar gerust maken, om u later als de bliksemstraal te overvallen en te vernietigen. Dat is zijn manier. Eerst maakt hij vrede, en dan stuurt hij plotseling een groot kommando, om alles uit te moorden! Zoo heeft hij met Piet Retief gedaan; zoo heeft hij met de Fingoes gedaan; zoo heeft hij met den vader van Matowaan gedaan, dien hij onverhoeds liet binden en de oogen uitsteken. Zoo zal hij ook doen met u. Denkt niet, dat zijn krijgslieden te weinig zijn geworden in getal; zij staan nog zoo dicht als het gras, dat het veld bedekt.”„En wat dezen Tambuza betreft,” ging hij voort, den arm naar den Zoeloe uitstrekkend, „hij en Umhleha hebben Dingaan aangepord, om Piet Retief met de zijnen te vermoorden!”Panda’s woorden maakten een diepen indruk, en Tambuza werd in verzekerde bewaring genomen.Het Boerenleger, dat onder Andries Pretorius Zoeloe-land binnentrok, bestond uit vijfhonderd man en vijftig ossenwagens.Het veldtochtsplan van den kommandant muntte uit door eenvoudigheid: Panda’s veldoverste Nonquaas zou met zijn vierduizend krijgslieden van uit het zuiden, de Boeren van uit het noorden Zoeloe-land binnendringen, op een bepaald punt elkander de hand reiken, en aan Dingaan’s macht voor goed een einde maken.Op het hoofd van den koning-moordenaar werd een prijs van vijftig, op dat van Umhleha een prijs van vijf en twintig beesten gezet, terwijl Tambuza den tocht in boeien moest medemaken.Den 29stenJanuari 1840 kwamen de Boeren aan de hooggezwollen Buffelrivier, bereikten, terwijl de wagens diep door het water der drift moesten, toch in goede orde den overkant, terwijl het kamp op de historische plek van den 16denDecember 1838 werd opgeslagen.Zoo naderden het kommando der Boeren en het leger der Panda-krijgers elkander al meer en meer. Zij vormden wel een groot contrast: de Panda-krijgers waren half naakt, met kralen en veeren versierd, druk bewegelijk, hunknotsen[173]opheffend, hun speren zwaaiend en op hun leeren schilden slaande, terwijl de Boeren op hun taaie, vlugge paarden, het geweer over den schouder, alle noodelooze vertooning vermeden, en kalm, sober en nuchter maar vastberaden slechts dit ééne groote doel in ’t oog behielden: hun slag te slaan met groote kracht.Intusschen stootte Nonquaas, Panda’s veldheer, het eerst op de Zoeloe’s van Dingaan, en spoedig was hij met de vijanden in een bloedig gevecht gewikkeld. Er werd nauwlijks één schot gelost, maar de lange werpspeer suisde door de lucht, straks vervangen door de korte stootassegaai en de staalhardeknots, die onder een helsch gebrul hun vreeselijk werk verrichtten.Intusschen stonden twee Zoeloe-kapiteins, die aan Pretorius hunne hulde en onderdanigheid hadden betuigd, en als Panda’s bondgenooten mee waren opgetrokken, met hun volk zijwaarts van het slaggewoel, en volgden met groote belangstelling de wisselingen van het gevecht.„Als ik vecht,” zeide de jongste der twee, na een lange pauze, „dan win ik het graag, en als wij onze bondgenooten, de Panda’s, helpen, dan verliezen wij ’t. Zooveel verstand heb ìk wel van vechten.”„En in plaats van winnen krijgen wij dan Dingaan’s lieve jongens aan onzen hals,” zeide de oudste.„Daarom zou het wel zoo verstandig zijn, Dingaan te helpen,” zeide de jongste.„Als hij ons uit dankbaarheid maar niet aan de assegaai rijgt,” zeide de oudste.„Wees gerust! Wij worden zijne eerste staatsdienaren,” zeide de jongste.„En de Boeren?” zeide de oudste.„Die zullen wegblijven en naar huis gaan,” zeide de jongste.„We willen ’t hopen,” zeide de oudste.„Maar nu zal ’t tijd worden,” liet de oudste er op volgen, „laat ons oprukken! De Panda’s zullen al heel vreemd staan te kijken—voorwaarts!”De Panda-krijgers hadden tot op dit oogenblik met onmiskenbare dapperheid gestreden, doch tegen het verraad konden zij niet op, en de langzame, geregelde terugtocht dreigde plotseling in een wilde vlucht te ontaarden.Doch zoover kwam het niet. Dingaan vreesde oogenschijnlijk een hinderlaag der Boeren, en de vervolging werd spoedig gestaakt.[174]Intusschen zond Pretorius twee verspieders uit, om Panda’s leger op te sporen, die, om Dingaan’s aandacht te ontsnappen, slechts des nachts mochten rijden. Zij brachten de tijding, dat Nonquaas reeds met de Zoeloe’s was slaags geweest, met verlies was teruggeslagen, doch desniettegenstaande in staat was, zich op een nader te bepalen punt met het Boerenkommando te vereenigen. Dit punt werd door Pretorius aan Nonquaas opgegeven, maar in plaats van de Panda’s, die hij er meende te treffen, stootte Pretorius op de nog ongehavende regimenten van koning Dingaan.Niet ver van zijn hoofdstad werd zijn lot beslist. De koning zelf voerde zijn leger aan. Hij had een slechten nacht gehad. Had hij in den droom de schimmen gezien der vermoorde Boeren? Hadden zij hun ontvleeschde handen uitgestrekt en hem naar de keel gegrepen?Zijn blik was onrustig. Bange voorgevoelens vervulden zijn ziel, en zijn knieën knikten als die van Belzazar, toen deze de geheimzinnige hand aan den wand het doodvonnis zag schrijven.Maar Dingaan vermande zich, gaf het teeken tot den aanval, en nog eens deed zijn stem de vroegere geestdrift ontvlammen in de harten van zijn veteranen.„Daar komen de witmenschen,” riep hij, „maar wij zullen hen overwinnen! Wij hebben hen gelokt diep in ons Zoeloeland, en niemand hunner zal ontsnappen! Ben ik niet de leeuw van het land der vele rivieren? Heb ik niet Piet Retief verslagen met zijn knechten, en Piet Uijs met zijn knechten, en Biggar met zijn duizenden? Wij zullen hen andermaal overvallen als een vuurvlam, die niet te keeren is, en hun lichamen tot spijze geven aan den roofvogel hoog in de lucht, en aan het wild gedierte, dat in diepe holen huist!”Doch de witmenschen, die hij zou bestrijden, waren plotseling verdwenen. De Zoeloe’s stonden voor een vijand, die zich onzichtbaar had gemaakt, en hun speeren gierden doelloos door de lucht. Doch nu en dan, van achter een klip, een struik, een boom werd een klein rookwolkje zichtbaar, en stortte een Zoeloekrijger dood voor den grond. De rookwolkjes vermenigvuldigen zich; nu zag men ze van voren, rechts, links, en slechts de knal van het Boerengeweer verbrak de stilte.Koning Dingaan hoorde het fluiten der kogels, en hij zag met starren blik, welke verwoestingen zij aanrichtten. Hij[175]wilde dien vijand te lijf, doch die vijand bleef onzichtbaar. Hij stond tegenover een vreeselijken, geheimzinnigen, onweerstaanbaren vijand—zijn dapperste veldheer stortte dood aan zijn voeten neer—de vale angst greep hem aan—de wrekers van het onschuldig vergoten bloed waren gekomen—hij keerde zich om en vlood om zijns levens wil!Vernietigd was het leger van den Zoeloekoning, en gebroken de toovercirkel, waarin zich deze bloedhond bewoog.Pretorius liet nu den Kafferprins Panda en zijne voornaamste hoofden voor zich komen, en terwijl zijn Boeren in volle uitrusting: den bandelier over de borst en het geweer over den schouder moesten aantreden, om getuigen te zijn, sprak hij het volgende: „Wij blanke Boeren hebben, zooals gij het met uw eigen oogen hebt gezien, over den wreeden Dingaan gezegepraald, zijn scepter gebroken en veel onschuldig vergoten bloed gewroken. Maar wij hebben dit niet gedaan door onze eigen kracht, maar in de kracht des Heeren, Die ons genadiglijk hielp. Nu heb ik, in naam van onzen Volksraad, goedgedacht, om u Panda te benoemen tot koning of opperhoofd over Zoeloe-land, u als onzen grooten bondgenoot te aanvaarden, en uwe vijanden als onze vijanden te beschouwen. Nooit zult gij zonder onze toestemming mogen oorlog voeren; gij zult geen bloed vergieten noch van den blanke noch van den kleurling, en wij zullen u steeds handhaven tegen iedereen.”Diep bewogen luisterde Panda; hij was getroffen door de edelmoedigheid der Boeren, boog het hoofd en antwoordde: „Groote Heer! Ik ben door eeuwige dankbaarheid aan u verknocht, want gij hebt mij verlost van de dwingelandij, waaronder ik jarenlang als een verstooteling heb gezucht. Ik zal uwe voorwaarden vervullen, en geen bloed vergieten van blanke of kleurling, zoolang de zon en maan hun schijnsel zullen geven. Wordt gij aangetast door de vijanden, dan zal ik u bijstaan met mijn geheele macht, en mijn laatsten man voor u wagen, want zie, ik was dood, en gij hebt mij weder levend gemaakt!Ikwas verschopt, en gij hebt mij weder opgeraapt!”Nu werd er een behoorlijk, in duplo geteekend contract opgemaakt, geteekend eenerzijds door Pretorius en eenige der voornaamste Boeren, en anderzijds door Panda en zijn kapiteins, waarbij Panda onder de opperhoogheid der Boeren[176]tot koning over Zoeloe-land werd geproklameerd, terwijl de Boeren vreugdesalvo’s losten.Vervolgens hielden de Boeren een streng doch rechtvaardig gericht over Tambuza, Dingaan’s eersten staatsdienaar. Zijn aandeel aan den moord op de Boeren werd klaar bewezen en hij werd tot den kogel veroordeeld, waarna de Boeren met een buit van veertigduizend beesten, die hun van de Zoeloe’s toekwamen, in zegepraal terugkeerden naar hun lagers in Natal.
HOOFDSTUK XXV.
Het doel van den veldtocht was bereikt. Dingaan had de zware vuist der Boeren gevoeld; gewroken was het onschuldig vergoten bloed, en met dankbare blijdschap werden de overwinnaars door de hunnen begroet.Nu was de nacht van ’t lijden voorbij, en het begon licht te worden in het Oosten.Zoo dachten ten minste de Emigranten. Met ijver toog men aan het werk der kolonisatie. Dorpen werden aangelegd, vlekken uitgemeten, steden ontworpen. Aan de kust ontstond Durban, een gehucht van eenige leemen huisjes, thans een wereldhaven, en in het midden des lands, op een hoogte van 2000 voet, de hoofdstad Pieter-Maritzburg, genoemd naar de twee aanvoerders der Boeren:PieterRetief en GertMaritz. Allengs verwisselden de Trekboeren nu den zoolang gebruikten ossenwagen voor de eenvoudig opgetrokken woning, doch in het Noorden, vooral aan de Tugela- en de Boschmansrivier, waar het lager van Gert Kloppers stond, was men om de invallende Kafferhorden wel verplicht,[171]voorloopig in lager te blijven. Doch ook hier hoopte men spoedig het versleten tentlinnen op te rollen, toen de hemel op nieuw door donkere onweerswolken werd verduisterd. Dingaan namelijk, de koning der Zoeloe’s, begon zich weer krachtiger te gevoelen, en bleef weigerachtig, om de veertig duizend beesten terug te geven, die zijn soldaten van de Boeren hadden geroofd. Evenmin wilde hij de oorlogskosten, bedragende honderdtien duizend gulden, betalen.De Boeren bereidden zich opnieuw tot den oorlog voor, toen aan Pretorius werd gerapporteerd, dat er van de zeekust een zonderlinge karavaan in aantocht was: mannen, vrouwen en kinderen met groote kudden hoornvee en schapen, een geheele stam van duizenden menschen met al hun bezittingen, die toevlucht zochten in de schaduw der Boerenvlag.Het hoofd van dezen stam, die tot de Zoeloe’s behoorde, heette Panda, en was een broeder van Koning Dingaan.Hij had zich aan het hof van Dingaan voorgedaan als idioot, en was daardoor aan een anders wissen dood ontgaan. Maar hij wàs geen idioot; deze zwarte Kafferprins wist terdege goed, wat hij wilde.Hij had wettige grieven. Als ouderen broeder van Dingaan kwam hem de Zoeloe-scepter toe, terwijl slechts weinig maanden geleden zijn stam door Dingaan verraderlijk was overvallen.De Volksraad der Boeren onderzocht de grieven van Panda, en het bleek, dat hij de waarheid had gesproken. Zoo aanvaardde men zijn bondgenootschap, dat den Boeren een hulpmacht verzekerde van vierduizend met werp- en stootspeer gewapende Zoeloe-krijgers. Panda’s legeroverste was kapitein Nonquaas, terwijl de voorzichtige Pretorius Panda in schijn als gast doch in werkelijkheid als gijzelaar bij zich behield.Dingaan was intusschen niet op zijn gemak, en daar was reden voor. Zoo zond hij zijn vertrouweling Tambuza met een eerewacht van driehonderd man en een geschenk van veertig olifantstanden tot de Boeren, om hen zachter te stemmen, en de Volksraad liet Tambuza mèt Panda voor zijn vierschaar verschijnen. Eerst mocht Tambuza spreken, die in vleiende woorden den roem en de edelmoedigheid der Boeren bezong, doch daarna stond Panda op, en riep, terwijl zijn neusvleugels zich bewogen, en zijn zwarte oogen vuur schoten:[172]„Weest op uwe hoede, o blanken, en laat u niet verschalken, want Dingaan duldt geen ander volk naast zich! Gelooft de pluimstrijkende woorden niet van dezen Tambuza, want Dingaan wil u maar gerust maken, om u later als de bliksemstraal te overvallen en te vernietigen. Dat is zijn manier. Eerst maakt hij vrede, en dan stuurt hij plotseling een groot kommando, om alles uit te moorden! Zoo heeft hij met Piet Retief gedaan; zoo heeft hij met de Fingoes gedaan; zoo heeft hij met den vader van Matowaan gedaan, dien hij onverhoeds liet binden en de oogen uitsteken. Zoo zal hij ook doen met u. Denkt niet, dat zijn krijgslieden te weinig zijn geworden in getal; zij staan nog zoo dicht als het gras, dat het veld bedekt.”„En wat dezen Tambuza betreft,” ging hij voort, den arm naar den Zoeloe uitstrekkend, „hij en Umhleha hebben Dingaan aangepord, om Piet Retief met de zijnen te vermoorden!”Panda’s woorden maakten een diepen indruk, en Tambuza werd in verzekerde bewaring genomen.Het Boerenleger, dat onder Andries Pretorius Zoeloe-land binnentrok, bestond uit vijfhonderd man en vijftig ossenwagens.Het veldtochtsplan van den kommandant muntte uit door eenvoudigheid: Panda’s veldoverste Nonquaas zou met zijn vierduizend krijgslieden van uit het zuiden, de Boeren van uit het noorden Zoeloe-land binnendringen, op een bepaald punt elkander de hand reiken, en aan Dingaan’s macht voor goed een einde maken.Op het hoofd van den koning-moordenaar werd een prijs van vijftig, op dat van Umhleha een prijs van vijf en twintig beesten gezet, terwijl Tambuza den tocht in boeien moest medemaken.Den 29stenJanuari 1840 kwamen de Boeren aan de hooggezwollen Buffelrivier, bereikten, terwijl de wagens diep door het water der drift moesten, toch in goede orde den overkant, terwijl het kamp op de historische plek van den 16denDecember 1838 werd opgeslagen.Zoo naderden het kommando der Boeren en het leger der Panda-krijgers elkander al meer en meer. Zij vormden wel een groot contrast: de Panda-krijgers waren half naakt, met kralen en veeren versierd, druk bewegelijk, hunknotsen[173]opheffend, hun speren zwaaiend en op hun leeren schilden slaande, terwijl de Boeren op hun taaie, vlugge paarden, het geweer over den schouder, alle noodelooze vertooning vermeden, en kalm, sober en nuchter maar vastberaden slechts dit ééne groote doel in ’t oog behielden: hun slag te slaan met groote kracht.Intusschen stootte Nonquaas, Panda’s veldheer, het eerst op de Zoeloe’s van Dingaan, en spoedig was hij met de vijanden in een bloedig gevecht gewikkeld. Er werd nauwlijks één schot gelost, maar de lange werpspeer suisde door de lucht, straks vervangen door de korte stootassegaai en de staalhardeknots, die onder een helsch gebrul hun vreeselijk werk verrichtten.Intusschen stonden twee Zoeloe-kapiteins, die aan Pretorius hunne hulde en onderdanigheid hadden betuigd, en als Panda’s bondgenooten mee waren opgetrokken, met hun volk zijwaarts van het slaggewoel, en volgden met groote belangstelling de wisselingen van het gevecht.„Als ik vecht,” zeide de jongste der twee, na een lange pauze, „dan win ik het graag, en als wij onze bondgenooten, de Panda’s, helpen, dan verliezen wij ’t. Zooveel verstand heb ìk wel van vechten.”„En in plaats van winnen krijgen wij dan Dingaan’s lieve jongens aan onzen hals,” zeide de oudste.„Daarom zou het wel zoo verstandig zijn, Dingaan te helpen,” zeide de jongste.„Als hij ons uit dankbaarheid maar niet aan de assegaai rijgt,” zeide de oudste.„Wees gerust! Wij worden zijne eerste staatsdienaren,” zeide de jongste.„En de Boeren?” zeide de oudste.„Die zullen wegblijven en naar huis gaan,” zeide de jongste.„We willen ’t hopen,” zeide de oudste.„Maar nu zal ’t tijd worden,” liet de oudste er op volgen, „laat ons oprukken! De Panda’s zullen al heel vreemd staan te kijken—voorwaarts!”De Panda-krijgers hadden tot op dit oogenblik met onmiskenbare dapperheid gestreden, doch tegen het verraad konden zij niet op, en de langzame, geregelde terugtocht dreigde plotseling in een wilde vlucht te ontaarden.Doch zoover kwam het niet. Dingaan vreesde oogenschijnlijk een hinderlaag der Boeren, en de vervolging werd spoedig gestaakt.[174]Intusschen zond Pretorius twee verspieders uit, om Panda’s leger op te sporen, die, om Dingaan’s aandacht te ontsnappen, slechts des nachts mochten rijden. Zij brachten de tijding, dat Nonquaas reeds met de Zoeloe’s was slaags geweest, met verlies was teruggeslagen, doch desniettegenstaande in staat was, zich op een nader te bepalen punt met het Boerenkommando te vereenigen. Dit punt werd door Pretorius aan Nonquaas opgegeven, maar in plaats van de Panda’s, die hij er meende te treffen, stootte Pretorius op de nog ongehavende regimenten van koning Dingaan.Niet ver van zijn hoofdstad werd zijn lot beslist. De koning zelf voerde zijn leger aan. Hij had een slechten nacht gehad. Had hij in den droom de schimmen gezien der vermoorde Boeren? Hadden zij hun ontvleeschde handen uitgestrekt en hem naar de keel gegrepen?Zijn blik was onrustig. Bange voorgevoelens vervulden zijn ziel, en zijn knieën knikten als die van Belzazar, toen deze de geheimzinnige hand aan den wand het doodvonnis zag schrijven.Maar Dingaan vermande zich, gaf het teeken tot den aanval, en nog eens deed zijn stem de vroegere geestdrift ontvlammen in de harten van zijn veteranen.„Daar komen de witmenschen,” riep hij, „maar wij zullen hen overwinnen! Wij hebben hen gelokt diep in ons Zoeloeland, en niemand hunner zal ontsnappen! Ben ik niet de leeuw van het land der vele rivieren? Heb ik niet Piet Retief verslagen met zijn knechten, en Piet Uijs met zijn knechten, en Biggar met zijn duizenden? Wij zullen hen andermaal overvallen als een vuurvlam, die niet te keeren is, en hun lichamen tot spijze geven aan den roofvogel hoog in de lucht, en aan het wild gedierte, dat in diepe holen huist!”Doch de witmenschen, die hij zou bestrijden, waren plotseling verdwenen. De Zoeloe’s stonden voor een vijand, die zich onzichtbaar had gemaakt, en hun speeren gierden doelloos door de lucht. Doch nu en dan, van achter een klip, een struik, een boom werd een klein rookwolkje zichtbaar, en stortte een Zoeloekrijger dood voor den grond. De rookwolkjes vermenigvuldigen zich; nu zag men ze van voren, rechts, links, en slechts de knal van het Boerengeweer verbrak de stilte.Koning Dingaan hoorde het fluiten der kogels, en hij zag met starren blik, welke verwoestingen zij aanrichtten. Hij[175]wilde dien vijand te lijf, doch die vijand bleef onzichtbaar. Hij stond tegenover een vreeselijken, geheimzinnigen, onweerstaanbaren vijand—zijn dapperste veldheer stortte dood aan zijn voeten neer—de vale angst greep hem aan—de wrekers van het onschuldig vergoten bloed waren gekomen—hij keerde zich om en vlood om zijns levens wil!Vernietigd was het leger van den Zoeloekoning, en gebroken de toovercirkel, waarin zich deze bloedhond bewoog.Pretorius liet nu den Kafferprins Panda en zijne voornaamste hoofden voor zich komen, en terwijl zijn Boeren in volle uitrusting: den bandelier over de borst en het geweer over den schouder moesten aantreden, om getuigen te zijn, sprak hij het volgende: „Wij blanke Boeren hebben, zooals gij het met uw eigen oogen hebt gezien, over den wreeden Dingaan gezegepraald, zijn scepter gebroken en veel onschuldig vergoten bloed gewroken. Maar wij hebben dit niet gedaan door onze eigen kracht, maar in de kracht des Heeren, Die ons genadiglijk hielp. Nu heb ik, in naam van onzen Volksraad, goedgedacht, om u Panda te benoemen tot koning of opperhoofd over Zoeloe-land, u als onzen grooten bondgenoot te aanvaarden, en uwe vijanden als onze vijanden te beschouwen. Nooit zult gij zonder onze toestemming mogen oorlog voeren; gij zult geen bloed vergieten noch van den blanke noch van den kleurling, en wij zullen u steeds handhaven tegen iedereen.”Diep bewogen luisterde Panda; hij was getroffen door de edelmoedigheid der Boeren, boog het hoofd en antwoordde: „Groote Heer! Ik ben door eeuwige dankbaarheid aan u verknocht, want gij hebt mij verlost van de dwingelandij, waaronder ik jarenlang als een verstooteling heb gezucht. Ik zal uwe voorwaarden vervullen, en geen bloed vergieten van blanke of kleurling, zoolang de zon en maan hun schijnsel zullen geven. Wordt gij aangetast door de vijanden, dan zal ik u bijstaan met mijn geheele macht, en mijn laatsten man voor u wagen, want zie, ik was dood, en gij hebt mij weder levend gemaakt!Ikwas verschopt, en gij hebt mij weder opgeraapt!”Nu werd er een behoorlijk, in duplo geteekend contract opgemaakt, geteekend eenerzijds door Pretorius en eenige der voornaamste Boeren, en anderzijds door Panda en zijn kapiteins, waarbij Panda onder de opperhoogheid der Boeren[176]tot koning over Zoeloe-land werd geproklameerd, terwijl de Boeren vreugdesalvo’s losten.Vervolgens hielden de Boeren een streng doch rechtvaardig gericht over Tambuza, Dingaan’s eersten staatsdienaar. Zijn aandeel aan den moord op de Boeren werd klaar bewezen en hij werd tot den kogel veroordeeld, waarna de Boeren met een buit van veertigduizend beesten, die hun van de Zoeloe’s toekwamen, in zegepraal terugkeerden naar hun lagers in Natal.
Het doel van den veldtocht was bereikt. Dingaan had de zware vuist der Boeren gevoeld; gewroken was het onschuldig vergoten bloed, en met dankbare blijdschap werden de overwinnaars door de hunnen begroet.
Nu was de nacht van ’t lijden voorbij, en het begon licht te worden in het Oosten.
Zoo dachten ten minste de Emigranten. Met ijver toog men aan het werk der kolonisatie. Dorpen werden aangelegd, vlekken uitgemeten, steden ontworpen. Aan de kust ontstond Durban, een gehucht van eenige leemen huisjes, thans een wereldhaven, en in het midden des lands, op een hoogte van 2000 voet, de hoofdstad Pieter-Maritzburg, genoemd naar de twee aanvoerders der Boeren:PieterRetief en GertMaritz. Allengs verwisselden de Trekboeren nu den zoolang gebruikten ossenwagen voor de eenvoudig opgetrokken woning, doch in het Noorden, vooral aan de Tugela- en de Boschmansrivier, waar het lager van Gert Kloppers stond, was men om de invallende Kafferhorden wel verplicht,[171]voorloopig in lager te blijven. Doch ook hier hoopte men spoedig het versleten tentlinnen op te rollen, toen de hemel op nieuw door donkere onweerswolken werd verduisterd. Dingaan namelijk, de koning der Zoeloe’s, begon zich weer krachtiger te gevoelen, en bleef weigerachtig, om de veertig duizend beesten terug te geven, die zijn soldaten van de Boeren hadden geroofd. Evenmin wilde hij de oorlogskosten, bedragende honderdtien duizend gulden, betalen.
De Boeren bereidden zich opnieuw tot den oorlog voor, toen aan Pretorius werd gerapporteerd, dat er van de zeekust een zonderlinge karavaan in aantocht was: mannen, vrouwen en kinderen met groote kudden hoornvee en schapen, een geheele stam van duizenden menschen met al hun bezittingen, die toevlucht zochten in de schaduw der Boerenvlag.
Het hoofd van dezen stam, die tot de Zoeloe’s behoorde, heette Panda, en was een broeder van Koning Dingaan.
Hij had zich aan het hof van Dingaan voorgedaan als idioot, en was daardoor aan een anders wissen dood ontgaan. Maar hij wàs geen idioot; deze zwarte Kafferprins wist terdege goed, wat hij wilde.
Hij had wettige grieven. Als ouderen broeder van Dingaan kwam hem de Zoeloe-scepter toe, terwijl slechts weinig maanden geleden zijn stam door Dingaan verraderlijk was overvallen.
De Volksraad der Boeren onderzocht de grieven van Panda, en het bleek, dat hij de waarheid had gesproken. Zoo aanvaardde men zijn bondgenootschap, dat den Boeren een hulpmacht verzekerde van vierduizend met werp- en stootspeer gewapende Zoeloe-krijgers. Panda’s legeroverste was kapitein Nonquaas, terwijl de voorzichtige Pretorius Panda in schijn als gast doch in werkelijkheid als gijzelaar bij zich behield.
Dingaan was intusschen niet op zijn gemak, en daar was reden voor. Zoo zond hij zijn vertrouweling Tambuza met een eerewacht van driehonderd man en een geschenk van veertig olifantstanden tot de Boeren, om hen zachter te stemmen, en de Volksraad liet Tambuza mèt Panda voor zijn vierschaar verschijnen. Eerst mocht Tambuza spreken, die in vleiende woorden den roem en de edelmoedigheid der Boeren bezong, doch daarna stond Panda op, en riep, terwijl zijn neusvleugels zich bewogen, en zijn zwarte oogen vuur schoten:[172]
„Weest op uwe hoede, o blanken, en laat u niet verschalken, want Dingaan duldt geen ander volk naast zich! Gelooft de pluimstrijkende woorden niet van dezen Tambuza, want Dingaan wil u maar gerust maken, om u later als de bliksemstraal te overvallen en te vernietigen. Dat is zijn manier. Eerst maakt hij vrede, en dan stuurt hij plotseling een groot kommando, om alles uit te moorden! Zoo heeft hij met Piet Retief gedaan; zoo heeft hij met de Fingoes gedaan; zoo heeft hij met den vader van Matowaan gedaan, dien hij onverhoeds liet binden en de oogen uitsteken. Zoo zal hij ook doen met u. Denkt niet, dat zijn krijgslieden te weinig zijn geworden in getal; zij staan nog zoo dicht als het gras, dat het veld bedekt.”
„En wat dezen Tambuza betreft,” ging hij voort, den arm naar den Zoeloe uitstrekkend, „hij en Umhleha hebben Dingaan aangepord, om Piet Retief met de zijnen te vermoorden!”
Panda’s woorden maakten een diepen indruk, en Tambuza werd in verzekerde bewaring genomen.
Het Boerenleger, dat onder Andries Pretorius Zoeloe-land binnentrok, bestond uit vijfhonderd man en vijftig ossenwagens.
Het veldtochtsplan van den kommandant muntte uit door eenvoudigheid: Panda’s veldoverste Nonquaas zou met zijn vierduizend krijgslieden van uit het zuiden, de Boeren van uit het noorden Zoeloe-land binnendringen, op een bepaald punt elkander de hand reiken, en aan Dingaan’s macht voor goed een einde maken.
Op het hoofd van den koning-moordenaar werd een prijs van vijftig, op dat van Umhleha een prijs van vijf en twintig beesten gezet, terwijl Tambuza den tocht in boeien moest medemaken.
Den 29stenJanuari 1840 kwamen de Boeren aan de hooggezwollen Buffelrivier, bereikten, terwijl de wagens diep door het water der drift moesten, toch in goede orde den overkant, terwijl het kamp op de historische plek van den 16denDecember 1838 werd opgeslagen.
Zoo naderden het kommando der Boeren en het leger der Panda-krijgers elkander al meer en meer. Zij vormden wel een groot contrast: de Panda-krijgers waren half naakt, met kralen en veeren versierd, druk bewegelijk, hunknotsen[173]opheffend, hun speren zwaaiend en op hun leeren schilden slaande, terwijl de Boeren op hun taaie, vlugge paarden, het geweer over den schouder, alle noodelooze vertooning vermeden, en kalm, sober en nuchter maar vastberaden slechts dit ééne groote doel in ’t oog behielden: hun slag te slaan met groote kracht.
Intusschen stootte Nonquaas, Panda’s veldheer, het eerst op de Zoeloe’s van Dingaan, en spoedig was hij met de vijanden in een bloedig gevecht gewikkeld. Er werd nauwlijks één schot gelost, maar de lange werpspeer suisde door de lucht, straks vervangen door de korte stootassegaai en de staalhardeknots, die onder een helsch gebrul hun vreeselijk werk verrichtten.
Intusschen stonden twee Zoeloe-kapiteins, die aan Pretorius hunne hulde en onderdanigheid hadden betuigd, en als Panda’s bondgenooten mee waren opgetrokken, met hun volk zijwaarts van het slaggewoel, en volgden met groote belangstelling de wisselingen van het gevecht.
„Als ik vecht,” zeide de jongste der twee, na een lange pauze, „dan win ik het graag, en als wij onze bondgenooten, de Panda’s, helpen, dan verliezen wij ’t. Zooveel verstand heb ìk wel van vechten.”
„En in plaats van winnen krijgen wij dan Dingaan’s lieve jongens aan onzen hals,” zeide de oudste.
„Daarom zou het wel zoo verstandig zijn, Dingaan te helpen,” zeide de jongste.
„Als hij ons uit dankbaarheid maar niet aan de assegaai rijgt,” zeide de oudste.
„Wees gerust! Wij worden zijne eerste staatsdienaren,” zeide de jongste.
„En de Boeren?” zeide de oudste.
„Die zullen wegblijven en naar huis gaan,” zeide de jongste.
„We willen ’t hopen,” zeide de oudste.
„Maar nu zal ’t tijd worden,” liet de oudste er op volgen, „laat ons oprukken! De Panda’s zullen al heel vreemd staan te kijken—voorwaarts!”
De Panda-krijgers hadden tot op dit oogenblik met onmiskenbare dapperheid gestreden, doch tegen het verraad konden zij niet op, en de langzame, geregelde terugtocht dreigde plotseling in een wilde vlucht te ontaarden.
Doch zoover kwam het niet. Dingaan vreesde oogenschijnlijk een hinderlaag der Boeren, en de vervolging werd spoedig gestaakt.[174]
Intusschen zond Pretorius twee verspieders uit, om Panda’s leger op te sporen, die, om Dingaan’s aandacht te ontsnappen, slechts des nachts mochten rijden. Zij brachten de tijding, dat Nonquaas reeds met de Zoeloe’s was slaags geweest, met verlies was teruggeslagen, doch desniettegenstaande in staat was, zich op een nader te bepalen punt met het Boerenkommando te vereenigen. Dit punt werd door Pretorius aan Nonquaas opgegeven, maar in plaats van de Panda’s, die hij er meende te treffen, stootte Pretorius op de nog ongehavende regimenten van koning Dingaan.
Niet ver van zijn hoofdstad werd zijn lot beslist. De koning zelf voerde zijn leger aan. Hij had een slechten nacht gehad. Had hij in den droom de schimmen gezien der vermoorde Boeren? Hadden zij hun ontvleeschde handen uitgestrekt en hem naar de keel gegrepen?
Zijn blik was onrustig. Bange voorgevoelens vervulden zijn ziel, en zijn knieën knikten als die van Belzazar, toen deze de geheimzinnige hand aan den wand het doodvonnis zag schrijven.
Maar Dingaan vermande zich, gaf het teeken tot den aanval, en nog eens deed zijn stem de vroegere geestdrift ontvlammen in de harten van zijn veteranen.
„Daar komen de witmenschen,” riep hij, „maar wij zullen hen overwinnen! Wij hebben hen gelokt diep in ons Zoeloeland, en niemand hunner zal ontsnappen! Ben ik niet de leeuw van het land der vele rivieren? Heb ik niet Piet Retief verslagen met zijn knechten, en Piet Uijs met zijn knechten, en Biggar met zijn duizenden? Wij zullen hen andermaal overvallen als een vuurvlam, die niet te keeren is, en hun lichamen tot spijze geven aan den roofvogel hoog in de lucht, en aan het wild gedierte, dat in diepe holen huist!”
Doch de witmenschen, die hij zou bestrijden, waren plotseling verdwenen. De Zoeloe’s stonden voor een vijand, die zich onzichtbaar had gemaakt, en hun speeren gierden doelloos door de lucht. Doch nu en dan, van achter een klip, een struik, een boom werd een klein rookwolkje zichtbaar, en stortte een Zoeloekrijger dood voor den grond. De rookwolkjes vermenigvuldigen zich; nu zag men ze van voren, rechts, links, en slechts de knal van het Boerengeweer verbrak de stilte.
Koning Dingaan hoorde het fluiten der kogels, en hij zag met starren blik, welke verwoestingen zij aanrichtten. Hij[175]wilde dien vijand te lijf, doch die vijand bleef onzichtbaar. Hij stond tegenover een vreeselijken, geheimzinnigen, onweerstaanbaren vijand—zijn dapperste veldheer stortte dood aan zijn voeten neer—de vale angst greep hem aan—de wrekers van het onschuldig vergoten bloed waren gekomen—hij keerde zich om en vlood om zijns levens wil!
Vernietigd was het leger van den Zoeloekoning, en gebroken de toovercirkel, waarin zich deze bloedhond bewoog.
Pretorius liet nu den Kafferprins Panda en zijne voornaamste hoofden voor zich komen, en terwijl zijn Boeren in volle uitrusting: den bandelier over de borst en het geweer over den schouder moesten aantreden, om getuigen te zijn, sprak hij het volgende: „Wij blanke Boeren hebben, zooals gij het met uw eigen oogen hebt gezien, over den wreeden Dingaan gezegepraald, zijn scepter gebroken en veel onschuldig vergoten bloed gewroken. Maar wij hebben dit niet gedaan door onze eigen kracht, maar in de kracht des Heeren, Die ons genadiglijk hielp. Nu heb ik, in naam van onzen Volksraad, goedgedacht, om u Panda te benoemen tot koning of opperhoofd over Zoeloe-land, u als onzen grooten bondgenoot te aanvaarden, en uwe vijanden als onze vijanden te beschouwen. Nooit zult gij zonder onze toestemming mogen oorlog voeren; gij zult geen bloed vergieten noch van den blanke noch van den kleurling, en wij zullen u steeds handhaven tegen iedereen.”
Diep bewogen luisterde Panda; hij was getroffen door de edelmoedigheid der Boeren, boog het hoofd en antwoordde: „Groote Heer! Ik ben door eeuwige dankbaarheid aan u verknocht, want gij hebt mij verlost van de dwingelandij, waaronder ik jarenlang als een verstooteling heb gezucht. Ik zal uwe voorwaarden vervullen, en geen bloed vergieten van blanke of kleurling, zoolang de zon en maan hun schijnsel zullen geven. Wordt gij aangetast door de vijanden, dan zal ik u bijstaan met mijn geheele macht, en mijn laatsten man voor u wagen, want zie, ik was dood, en gij hebt mij weder levend gemaakt!Ikwas verschopt, en gij hebt mij weder opgeraapt!”
Nu werd er een behoorlijk, in duplo geteekend contract opgemaakt, geteekend eenerzijds door Pretorius en eenige der voornaamste Boeren, en anderzijds door Panda en zijn kapiteins, waarbij Panda onder de opperhoogheid der Boeren[176]tot koning over Zoeloe-land werd geproklameerd, terwijl de Boeren vreugdesalvo’s losten.
Vervolgens hielden de Boeren een streng doch rechtvaardig gericht over Tambuza, Dingaan’s eersten staatsdienaar. Zijn aandeel aan den moord op de Boeren werd klaar bewezen en hij werd tot den kogel veroordeeld, waarna de Boeren met een buit van veertigduizend beesten, die hun van de Zoeloe’s toekwamen, in zegepraal terugkeerden naar hun lagers in Natal.