HOOFDSTUK XXX.

[Inhoud]HOOFDSTUK XXX.Anna voelde zich thans zeer eenzaam. Nu eerst voelde zij de sterkte van den band, die haar aan Dirk Kloppers bond.Hoe menigmaal ging zij tegen het vallen van den avond op den hoogsten heuvel in den omtrek, om te zien, of haar man nog niet terugkwam! Zij wist, dat het dwaasheid was, zulks te doen, doch zij had een weemoedig genot in die dwaasheid.Ach, zij had hem lief—er is immers ook geen inniger, hechter, teederder band te denken dan tusschen man en vrouw! Elken morgen en elken avond smeekte zij op neergebogen knieën voor dat zoo dierbaar leven, dat thans door de bommen der Engelsche kanonnen werd bedreigd. Met haar gebeden wilde zij haar man dekken als met een schild, en hare liefde wilde zich om hem heen legeren als een slagorde met banieren!Zoo lief had Anna haar man.De tijd brak aan, dat zij een dochterke in haar armen hield. Het was een allerliefst, mollig wichtje; het had de blauwe, schitterende oogen van haren vader. Zij noemde het Mieke, naar zijn zuster, die in het gevecht tegen de Zoeloe’s was bezweken, en soms ging er een groote, heerlijke blijdschap door haar ziel, als zij dacht aan het oogenblik, dat Dirk behouden terug zou komen, en dit lieve kindeke aan zijn hart zou drukken.Reikhalzend zag zij uit naar tijding, maar er verliepen weken en maanden, zonder dat er tijding kwam.Nu, dat was niet te verwonderen. Immers honderden mijlen wildernis en het hooge Drakengebergte scheidden de streek, waar de familie Kloppers woonde, van het gebied,[196]waar de bloedige botsing zou plaats grijpen. Daarbij veroorzaakte de strijd tusschen de twee blanke rassen een begrijpelijke spanning en gisting bij de Kafferstammen, zoodat de wijd en zijd verspreide, als van de wereld afgezonderde Emigranten-Boeren dicht bij huis en hof moesten blijven, en weinig nieuws vernamen.Eindelijk echter kwam er toch tijding, maar ’t was een vreeselijke, ontzettende tijding. Zij zag er uit als een hoop harde, wreede klipsteenen, waaronder het liefste ligt begraven, dat wij op aarde bezitten.Gert Kloppers zelf bracht de tijding.Door de kleine vensterruiten zag Anna hem aankomen. Hij liep gedrukt, gebogen; het scheen, dat een onzichtbare, doch zware last hem neder drukte. Op zijn gelaat lag een trek van bittere smart.En dat was niet te verwonderen, want Dirk was—dood! Dirk—de trots van zijn oogen!Deglans van zijn leven!Zijneerstgeboren zoon! Het wilde wat zeggen—Dirk dood!Heden morgen had hij het vreeselijk bericht gehoord van een hem bekend, rondreizend man, die pas uit Natal was gekomen. Die man had het van een Boer, die zelf het gevecht tegen de Engelschen had medegemaakt.Dirk was met andere Boeren reeds tot de batterij der Engelschen doorgedrongen; hij had de hand reeds gelegd op den zwaren, ijzeren loop van het kanon, toen hij door den sabelhouw van een Engelsch officier doodelijk werd getroffen.Als een held was hij gevallen—voor vrijheid en recht!Anna was, toen zij haren schoonvader zag aankomen, door bange voorgevoelens gekweld, hem tegemoet gegaan.Geen kreet, zelfs geen zucht kwam over hare lippen, toen Gert Kloppers haarvoorzichtighet treurige nieuws mededeelde. Slechts beefden hare lippen, en de laatste bloeddrup week uit haar gelaat. Zij greep den stam van een jongen appelboom, die verleden jaar door Dirk was gepoot, om niet om te vallen.Als in een droom liep zij, dagen lang. Maar eindelijk kwam zij tot de werkelijkheid terug, en de diepe wateren der smart gingen over hare ziel. Doch in de diepe wateren liggen de kostbare parels, en de kostbaarste parel werd Anna’s deel.Zij leerde zich zelve kennen, en zij leerde de roede kussen, die haar sloeg. Van wege hare vele tranen kon zij[197]den Heiland niet zien, maar zij voèlde de hand van den liefderijken Herder, die het verloren schaap zocht, en zij hoòrde Zijne stem: „Komt herwaarts tot Mij allen, die vermoeid en belast zijt, en ik zal u ruste geven!”Hare schoonouders kwamen haar dagelijks bezoeken. Men zette zich dan aan de eikenhouten tafel, waar Dirk en Anna zoo dikwijls plachten te zitten, en men sprak met elkander over lieve herinneringen, waaraan de naam van Dirk was verbonden.„En heden zou Dirk jarig zijn geweest,” zeide Moeder Kloppers een keer.„Ja,” zeide Anna, „heden. Verleden jaar hebben wij dien verjaardag nog samen gevierd; wij waren pas eenige weken getrouwd. Het verschil is groot tusschen vrouw en weduwe.”Ja, dat verschil was werkelijk groot.Zij bedekte haar gelaat en weende.Honderden mijlen van Anna’s woning verwijderd, aan een der zuidelijkste punten van Natal, waar de golven van den Indischen Oceaan zich breken tegen het strand, stonden op dienzelfden dag een zestal kloeke ruiters bij hunne gezadelde paarden.De paarden sloegen ongeduldig met de voorpooten in het mulle zand.Nu sprongen de ruiters vlug in het zaâl.De voorste sloeg met de vlakke hand op den slanken hals van zijn zwarten hengst, en zeide op vroolijken toon: „Vooruit, Hannibal! Naar huis!”Die ruiter droeg een breed, versch litteeken op zijn voorhoofd.Dat litteeken was waarschijnlijk van een sabelhouw afkomstig. In elk geval: het litteeken stond hem goed.De ruiters gaven hun paarden de sporen.Sneller, al sneller joegen zij door Natal, het land der duizend heuvelen, het noorden in.… naar de Transvaal.… tot voor Anna’s woning.…[198]

[Inhoud]HOOFDSTUK XXX.Anna voelde zich thans zeer eenzaam. Nu eerst voelde zij de sterkte van den band, die haar aan Dirk Kloppers bond.Hoe menigmaal ging zij tegen het vallen van den avond op den hoogsten heuvel in den omtrek, om te zien, of haar man nog niet terugkwam! Zij wist, dat het dwaasheid was, zulks te doen, doch zij had een weemoedig genot in die dwaasheid.Ach, zij had hem lief—er is immers ook geen inniger, hechter, teederder band te denken dan tusschen man en vrouw! Elken morgen en elken avond smeekte zij op neergebogen knieën voor dat zoo dierbaar leven, dat thans door de bommen der Engelsche kanonnen werd bedreigd. Met haar gebeden wilde zij haar man dekken als met een schild, en hare liefde wilde zich om hem heen legeren als een slagorde met banieren!Zoo lief had Anna haar man.De tijd brak aan, dat zij een dochterke in haar armen hield. Het was een allerliefst, mollig wichtje; het had de blauwe, schitterende oogen van haren vader. Zij noemde het Mieke, naar zijn zuster, die in het gevecht tegen de Zoeloe’s was bezweken, en soms ging er een groote, heerlijke blijdschap door haar ziel, als zij dacht aan het oogenblik, dat Dirk behouden terug zou komen, en dit lieve kindeke aan zijn hart zou drukken.Reikhalzend zag zij uit naar tijding, maar er verliepen weken en maanden, zonder dat er tijding kwam.Nu, dat was niet te verwonderen. Immers honderden mijlen wildernis en het hooge Drakengebergte scheidden de streek, waar de familie Kloppers woonde, van het gebied,[196]waar de bloedige botsing zou plaats grijpen. Daarbij veroorzaakte de strijd tusschen de twee blanke rassen een begrijpelijke spanning en gisting bij de Kafferstammen, zoodat de wijd en zijd verspreide, als van de wereld afgezonderde Emigranten-Boeren dicht bij huis en hof moesten blijven, en weinig nieuws vernamen.Eindelijk echter kwam er toch tijding, maar ’t was een vreeselijke, ontzettende tijding. Zij zag er uit als een hoop harde, wreede klipsteenen, waaronder het liefste ligt begraven, dat wij op aarde bezitten.Gert Kloppers zelf bracht de tijding.Door de kleine vensterruiten zag Anna hem aankomen. Hij liep gedrukt, gebogen; het scheen, dat een onzichtbare, doch zware last hem neder drukte. Op zijn gelaat lag een trek van bittere smart.En dat was niet te verwonderen, want Dirk was—dood! Dirk—de trots van zijn oogen!Deglans van zijn leven!Zijneerstgeboren zoon! Het wilde wat zeggen—Dirk dood!Heden morgen had hij het vreeselijk bericht gehoord van een hem bekend, rondreizend man, die pas uit Natal was gekomen. Die man had het van een Boer, die zelf het gevecht tegen de Engelschen had medegemaakt.Dirk was met andere Boeren reeds tot de batterij der Engelschen doorgedrongen; hij had de hand reeds gelegd op den zwaren, ijzeren loop van het kanon, toen hij door den sabelhouw van een Engelsch officier doodelijk werd getroffen.Als een held was hij gevallen—voor vrijheid en recht!Anna was, toen zij haren schoonvader zag aankomen, door bange voorgevoelens gekweld, hem tegemoet gegaan.Geen kreet, zelfs geen zucht kwam over hare lippen, toen Gert Kloppers haarvoorzichtighet treurige nieuws mededeelde. Slechts beefden hare lippen, en de laatste bloeddrup week uit haar gelaat. Zij greep den stam van een jongen appelboom, die verleden jaar door Dirk was gepoot, om niet om te vallen.Als in een droom liep zij, dagen lang. Maar eindelijk kwam zij tot de werkelijkheid terug, en de diepe wateren der smart gingen over hare ziel. Doch in de diepe wateren liggen de kostbare parels, en de kostbaarste parel werd Anna’s deel.Zij leerde zich zelve kennen, en zij leerde de roede kussen, die haar sloeg. Van wege hare vele tranen kon zij[197]den Heiland niet zien, maar zij voèlde de hand van den liefderijken Herder, die het verloren schaap zocht, en zij hoòrde Zijne stem: „Komt herwaarts tot Mij allen, die vermoeid en belast zijt, en ik zal u ruste geven!”Hare schoonouders kwamen haar dagelijks bezoeken. Men zette zich dan aan de eikenhouten tafel, waar Dirk en Anna zoo dikwijls plachten te zitten, en men sprak met elkander over lieve herinneringen, waaraan de naam van Dirk was verbonden.„En heden zou Dirk jarig zijn geweest,” zeide Moeder Kloppers een keer.„Ja,” zeide Anna, „heden. Verleden jaar hebben wij dien verjaardag nog samen gevierd; wij waren pas eenige weken getrouwd. Het verschil is groot tusschen vrouw en weduwe.”Ja, dat verschil was werkelijk groot.Zij bedekte haar gelaat en weende.Honderden mijlen van Anna’s woning verwijderd, aan een der zuidelijkste punten van Natal, waar de golven van den Indischen Oceaan zich breken tegen het strand, stonden op dienzelfden dag een zestal kloeke ruiters bij hunne gezadelde paarden.De paarden sloegen ongeduldig met de voorpooten in het mulle zand.Nu sprongen de ruiters vlug in het zaâl.De voorste sloeg met de vlakke hand op den slanken hals van zijn zwarten hengst, en zeide op vroolijken toon: „Vooruit, Hannibal! Naar huis!”Die ruiter droeg een breed, versch litteeken op zijn voorhoofd.Dat litteeken was waarschijnlijk van een sabelhouw afkomstig. In elk geval: het litteeken stond hem goed.De ruiters gaven hun paarden de sporen.Sneller, al sneller joegen zij door Natal, het land der duizend heuvelen, het noorden in.… naar de Transvaal.… tot voor Anna’s woning.…[198]

HOOFDSTUK XXX.

Anna voelde zich thans zeer eenzaam. Nu eerst voelde zij de sterkte van den band, die haar aan Dirk Kloppers bond.Hoe menigmaal ging zij tegen het vallen van den avond op den hoogsten heuvel in den omtrek, om te zien, of haar man nog niet terugkwam! Zij wist, dat het dwaasheid was, zulks te doen, doch zij had een weemoedig genot in die dwaasheid.Ach, zij had hem lief—er is immers ook geen inniger, hechter, teederder band te denken dan tusschen man en vrouw! Elken morgen en elken avond smeekte zij op neergebogen knieën voor dat zoo dierbaar leven, dat thans door de bommen der Engelsche kanonnen werd bedreigd. Met haar gebeden wilde zij haar man dekken als met een schild, en hare liefde wilde zich om hem heen legeren als een slagorde met banieren!Zoo lief had Anna haar man.De tijd brak aan, dat zij een dochterke in haar armen hield. Het was een allerliefst, mollig wichtje; het had de blauwe, schitterende oogen van haren vader. Zij noemde het Mieke, naar zijn zuster, die in het gevecht tegen de Zoeloe’s was bezweken, en soms ging er een groote, heerlijke blijdschap door haar ziel, als zij dacht aan het oogenblik, dat Dirk behouden terug zou komen, en dit lieve kindeke aan zijn hart zou drukken.Reikhalzend zag zij uit naar tijding, maar er verliepen weken en maanden, zonder dat er tijding kwam.Nu, dat was niet te verwonderen. Immers honderden mijlen wildernis en het hooge Drakengebergte scheidden de streek, waar de familie Kloppers woonde, van het gebied,[196]waar de bloedige botsing zou plaats grijpen. Daarbij veroorzaakte de strijd tusschen de twee blanke rassen een begrijpelijke spanning en gisting bij de Kafferstammen, zoodat de wijd en zijd verspreide, als van de wereld afgezonderde Emigranten-Boeren dicht bij huis en hof moesten blijven, en weinig nieuws vernamen.Eindelijk echter kwam er toch tijding, maar ’t was een vreeselijke, ontzettende tijding. Zij zag er uit als een hoop harde, wreede klipsteenen, waaronder het liefste ligt begraven, dat wij op aarde bezitten.Gert Kloppers zelf bracht de tijding.Door de kleine vensterruiten zag Anna hem aankomen. Hij liep gedrukt, gebogen; het scheen, dat een onzichtbare, doch zware last hem neder drukte. Op zijn gelaat lag een trek van bittere smart.En dat was niet te verwonderen, want Dirk was—dood! Dirk—de trots van zijn oogen!Deglans van zijn leven!Zijneerstgeboren zoon! Het wilde wat zeggen—Dirk dood!Heden morgen had hij het vreeselijk bericht gehoord van een hem bekend, rondreizend man, die pas uit Natal was gekomen. Die man had het van een Boer, die zelf het gevecht tegen de Engelschen had medegemaakt.Dirk was met andere Boeren reeds tot de batterij der Engelschen doorgedrongen; hij had de hand reeds gelegd op den zwaren, ijzeren loop van het kanon, toen hij door den sabelhouw van een Engelsch officier doodelijk werd getroffen.Als een held was hij gevallen—voor vrijheid en recht!Anna was, toen zij haren schoonvader zag aankomen, door bange voorgevoelens gekweld, hem tegemoet gegaan.Geen kreet, zelfs geen zucht kwam over hare lippen, toen Gert Kloppers haarvoorzichtighet treurige nieuws mededeelde. Slechts beefden hare lippen, en de laatste bloeddrup week uit haar gelaat. Zij greep den stam van een jongen appelboom, die verleden jaar door Dirk was gepoot, om niet om te vallen.Als in een droom liep zij, dagen lang. Maar eindelijk kwam zij tot de werkelijkheid terug, en de diepe wateren der smart gingen over hare ziel. Doch in de diepe wateren liggen de kostbare parels, en de kostbaarste parel werd Anna’s deel.Zij leerde zich zelve kennen, en zij leerde de roede kussen, die haar sloeg. Van wege hare vele tranen kon zij[197]den Heiland niet zien, maar zij voèlde de hand van den liefderijken Herder, die het verloren schaap zocht, en zij hoòrde Zijne stem: „Komt herwaarts tot Mij allen, die vermoeid en belast zijt, en ik zal u ruste geven!”Hare schoonouders kwamen haar dagelijks bezoeken. Men zette zich dan aan de eikenhouten tafel, waar Dirk en Anna zoo dikwijls plachten te zitten, en men sprak met elkander over lieve herinneringen, waaraan de naam van Dirk was verbonden.„En heden zou Dirk jarig zijn geweest,” zeide Moeder Kloppers een keer.„Ja,” zeide Anna, „heden. Verleden jaar hebben wij dien verjaardag nog samen gevierd; wij waren pas eenige weken getrouwd. Het verschil is groot tusschen vrouw en weduwe.”Ja, dat verschil was werkelijk groot.Zij bedekte haar gelaat en weende.Honderden mijlen van Anna’s woning verwijderd, aan een der zuidelijkste punten van Natal, waar de golven van den Indischen Oceaan zich breken tegen het strand, stonden op dienzelfden dag een zestal kloeke ruiters bij hunne gezadelde paarden.De paarden sloegen ongeduldig met de voorpooten in het mulle zand.Nu sprongen de ruiters vlug in het zaâl.De voorste sloeg met de vlakke hand op den slanken hals van zijn zwarten hengst, en zeide op vroolijken toon: „Vooruit, Hannibal! Naar huis!”Die ruiter droeg een breed, versch litteeken op zijn voorhoofd.Dat litteeken was waarschijnlijk van een sabelhouw afkomstig. In elk geval: het litteeken stond hem goed.De ruiters gaven hun paarden de sporen.Sneller, al sneller joegen zij door Natal, het land der duizend heuvelen, het noorden in.… naar de Transvaal.… tot voor Anna’s woning.…[198]

Anna voelde zich thans zeer eenzaam. Nu eerst voelde zij de sterkte van den band, die haar aan Dirk Kloppers bond.

Hoe menigmaal ging zij tegen het vallen van den avond op den hoogsten heuvel in den omtrek, om te zien, of haar man nog niet terugkwam! Zij wist, dat het dwaasheid was, zulks te doen, doch zij had een weemoedig genot in die dwaasheid.

Ach, zij had hem lief—er is immers ook geen inniger, hechter, teederder band te denken dan tusschen man en vrouw! Elken morgen en elken avond smeekte zij op neergebogen knieën voor dat zoo dierbaar leven, dat thans door de bommen der Engelsche kanonnen werd bedreigd. Met haar gebeden wilde zij haar man dekken als met een schild, en hare liefde wilde zich om hem heen legeren als een slagorde met banieren!

Zoo lief had Anna haar man.

De tijd brak aan, dat zij een dochterke in haar armen hield. Het was een allerliefst, mollig wichtje; het had de blauwe, schitterende oogen van haren vader. Zij noemde het Mieke, naar zijn zuster, die in het gevecht tegen de Zoeloe’s was bezweken, en soms ging er een groote, heerlijke blijdschap door haar ziel, als zij dacht aan het oogenblik, dat Dirk behouden terug zou komen, en dit lieve kindeke aan zijn hart zou drukken.

Reikhalzend zag zij uit naar tijding, maar er verliepen weken en maanden, zonder dat er tijding kwam.

Nu, dat was niet te verwonderen. Immers honderden mijlen wildernis en het hooge Drakengebergte scheidden de streek, waar de familie Kloppers woonde, van het gebied,[196]waar de bloedige botsing zou plaats grijpen. Daarbij veroorzaakte de strijd tusschen de twee blanke rassen een begrijpelijke spanning en gisting bij de Kafferstammen, zoodat de wijd en zijd verspreide, als van de wereld afgezonderde Emigranten-Boeren dicht bij huis en hof moesten blijven, en weinig nieuws vernamen.

Eindelijk echter kwam er toch tijding, maar ’t was een vreeselijke, ontzettende tijding. Zij zag er uit als een hoop harde, wreede klipsteenen, waaronder het liefste ligt begraven, dat wij op aarde bezitten.

Gert Kloppers zelf bracht de tijding.

Door de kleine vensterruiten zag Anna hem aankomen. Hij liep gedrukt, gebogen; het scheen, dat een onzichtbare, doch zware last hem neder drukte. Op zijn gelaat lag een trek van bittere smart.

En dat was niet te verwonderen, want Dirk was—dood! Dirk—de trots van zijn oogen!Deglans van zijn leven!Zijneerstgeboren zoon! Het wilde wat zeggen—Dirk dood!

Heden morgen had hij het vreeselijk bericht gehoord van een hem bekend, rondreizend man, die pas uit Natal was gekomen. Die man had het van een Boer, die zelf het gevecht tegen de Engelschen had medegemaakt.

Dirk was met andere Boeren reeds tot de batterij der Engelschen doorgedrongen; hij had de hand reeds gelegd op den zwaren, ijzeren loop van het kanon, toen hij door den sabelhouw van een Engelsch officier doodelijk werd getroffen.

Als een held was hij gevallen—voor vrijheid en recht!

Anna was, toen zij haren schoonvader zag aankomen, door bange voorgevoelens gekweld, hem tegemoet gegaan.

Geen kreet, zelfs geen zucht kwam over hare lippen, toen Gert Kloppers haarvoorzichtighet treurige nieuws mededeelde. Slechts beefden hare lippen, en de laatste bloeddrup week uit haar gelaat. Zij greep den stam van een jongen appelboom, die verleden jaar door Dirk was gepoot, om niet om te vallen.

Als in een droom liep zij, dagen lang. Maar eindelijk kwam zij tot de werkelijkheid terug, en de diepe wateren der smart gingen over hare ziel. Doch in de diepe wateren liggen de kostbare parels, en de kostbaarste parel werd Anna’s deel.

Zij leerde zich zelve kennen, en zij leerde de roede kussen, die haar sloeg. Van wege hare vele tranen kon zij[197]den Heiland niet zien, maar zij voèlde de hand van den liefderijken Herder, die het verloren schaap zocht, en zij hoòrde Zijne stem: „Komt herwaarts tot Mij allen, die vermoeid en belast zijt, en ik zal u ruste geven!”

Hare schoonouders kwamen haar dagelijks bezoeken. Men zette zich dan aan de eikenhouten tafel, waar Dirk en Anna zoo dikwijls plachten te zitten, en men sprak met elkander over lieve herinneringen, waaraan de naam van Dirk was verbonden.

„En heden zou Dirk jarig zijn geweest,” zeide Moeder Kloppers een keer.

„Ja,” zeide Anna, „heden. Verleden jaar hebben wij dien verjaardag nog samen gevierd; wij waren pas eenige weken getrouwd. Het verschil is groot tusschen vrouw en weduwe.”

Ja, dat verschil was werkelijk groot.

Zij bedekte haar gelaat en weende.

Honderden mijlen van Anna’s woning verwijderd, aan een der zuidelijkste punten van Natal, waar de golven van den Indischen Oceaan zich breken tegen het strand, stonden op dienzelfden dag een zestal kloeke ruiters bij hunne gezadelde paarden.

De paarden sloegen ongeduldig met de voorpooten in het mulle zand.

Nu sprongen de ruiters vlug in het zaâl.

De voorste sloeg met de vlakke hand op den slanken hals van zijn zwarten hengst, en zeide op vroolijken toon: „Vooruit, Hannibal! Naar huis!”

Die ruiter droeg een breed, versch litteeken op zijn voorhoofd.

Dat litteeken was waarschijnlijk van een sabelhouw afkomstig. In elk geval: het litteeken stond hem goed.

De ruiters gaven hun paarden de sporen.

Sneller, al sneller joegen zij door Natal, het land der duizend heuvelen, het noorden in.… naar de Transvaal.… tot voor Anna’s woning.…[198]


Back to IndexNext