DERDE BEDRIJF

[Inhoud]DERDE BEDRIJF(3 jaren later.)Kamer in het huis van Mr. Karel Van Hogerveldt. Eenvoudig gemeubeld. Rechts schrijfbureau. Kast met boeken op den achtergrond. Op het bureau een brandende lamp. Karel is aan zijn bureau in slaap gevallen. Canapé links.[Inhoud]EERSTE TOONEEL.Mevr.Van Hogerveldt,Louise,Karel.Mevr. Van Hogerveldt en Louise komen door de achterdeur binnen.Mevr. Van Hogerveldt,zij blaast de lamp uit.Zie je nu wel, Louise, ik was toch niet ten onrechte bezorgd, toen hij niet aan het ontbijt kwam. ’t Is nu al elf uren. Hij heeft zeker weêr den ganschen nacht zitten werken en is eindelijk van vermoeidheid in slaap gevallen. Arme jongen!Louise.Karel offert zich geheel voor ons op, ma; wij zullen het hem nimmer kunnen vergelden.Mevr. Van Hogerveldt.Hij is een brave, edele jongen, dat moet ik zeggen; ik[55]heb hem al zoo dikwijls gevraagd om zijn gezondheid wat meer te ontzien. In die drie jaren, sedert ons het ongeluk trof, heeft hij meer dan hard gewerkt, en dat bijna uitsluitend voor ons; och, ik maak me zoo bevreesd, dat hij ziek zal worden.(Zij is aangedaan en gaat op de canapé zitten.)Louise.Maar, maatjelief, laten we hem dan wekken, hij moet naar bed gaan.Mevr. Van Hogerveldt.Ja, kind, dat moet hij ook, en van middag zullen we hem nog wel eens goed op het hart drukken, dat hij te veel van zijn krachten vergt.Louise.Zeker ma, dat moeten we doen, och we hebben toch al zóoveel met pa te stellen, vooral in den laatsten tijd, dat als nu Karel nog.….Mevr. Van Hogerveldt,snel.Kind, spreek me niet van je armen vader; die rampzalige gebeurtenis met dat ongelukkige geld heeft hem geheel geknakt. ’t Is of hij met den dag suffer en gevoelloozer wordt.(Karel wordt wakker zonder dat de anderen het bemerken.)Mevr. Van Hogerveldt,vervolgt.Och! ’t heeft me toch altijd zoo’n leed gedaan, dat je er vroeger maar niet in hebt toegestemd de vrouw van Dekkers te worden. Ik denk daar nog dikwijls aan.Louise.Hoe kunt u dat nù zeggen, nu we hem eerst van zijn ware zijde hebben leeren kennen?Mevr. Van Hogerveldt.Kind, als je zijn vrouw waart geworden, dan zou hij ons immers gespaard hebben.Karel,spottend.Wel zeker, Louise had maar met Dekkers moeten trouwen en ik met de een of andere rijke weduwe of dochter van[56]een millionnair, dan hadden we immersgeldgehad. Een heerlijk vooruitzicht, niet waar, ma? Al was er dan geen sprake van liefde.…Mevr. Van Hogerveldt,snel.Dan was je ten minste beiden rijk getrouwd en we zaten niet in zorgen!Karel,opstaande.Ja, rijk getrouwd! Goddank dat Louise en ik daar anders over dachten. Hoe verkeerd onze opvoeding ook was, ze gaf ons ruimschoots gelegenheid totzelfstandigeontwikkeling.Mevr. Van Hogerveldt,verontwaardigd.Natuurlijk deugde je opvoeding niet. ’t Is tegenwoordig een gewoonte van de kinderen om hun ouders dit te verwijten. Het «eert uw vader en uwe moeder» staat niet meer in den bijbel der hedendaagsche jongelui.Louise.O, moeder! En dat kunt ge hèm zeggen …?Mevr. Van Hogerveldt,verward.Nu ja.… ik bedoel niet dat.… ik meen.…Karel,lachend.Wat ik u bidden mag, ma, bespaar me het onaangename een verontschuldiging te moeten hooren.Mevr. Van Hogerveldt.Dat juist niet, maar je begrijpt, ik was al niet in mijn schik, toen ik bemerkte, dat je van nacht weêr hebt zitten werken en.… en.…Louise.En daardoor vergat ma voor een oogenblik, dat je zooveel voor ons hebt gedaan.Karel,met een beweging van ongeduld aan zijn schrijftafel gaande zitten.Wat praat je daar nu voor onzin, Louise.(Lachend.)Jijhebt wel eenige verplichting aan me, dat ontken ik niet,[57]want wie zou nu de zorg voor zoo’n nare, vervelende zus op zich willen nemen? Ja, misschien.…(Louise loopt naar hem toe en legt hem de hand op den mond. Karel neemt haar hand in de zijne en staat op.)Karel,ernstig.Maar met ma is dat iets anders. Er kan geen verplichting bestaan van ouders tegenover kinderen. Kijk, ma en ik hebben al jaren met elkaâr twist gehad, we zijn gewoon zoo wat over alles te kibbelen zonder het ooit kwaad te meenen. En nu de verhoudingen, wat het financiëele betreft, zijn veranderd, nu hoor ik mijn goede moeder, terwijl ze me eens flink mijn zondenregister wil gaan lezen, plotseling inbinden, omdat ze zich herinnert, dat ik mij voor mijn ouders eenige opoffering getroostte.(Hij gaat naar haar toe en omhelst haar.)Mevr. Van Hogerveldt.Je hebt gelijk, Karel. Het gebod, dat ik zooeven aanhaalde is wèl goed door u begrepen en opgevolgd. Maar beloof me nu, dat je voortaan meer voor je gezondheid zult waken, hè, dan benikgerust.Karel.Nu, maatje, dat zal wel schikken. U begrijpt wel, ’t is den eenen dag wat drukker dan den andere.Mevr. Van Hogerveldt.Goed, goed, maar volg nu mijn raad eens op en ga een uurtje naar bed. Ik ga in dien tijd naar boven om mij te kleeden en jij, Louise, zult den boel hier wel wat opredderen, niet waar? ’t Ziet er weêr schromelijk uit.Louise.Wel zeker, ma, ga maar gerust heen. Daar zal ik wel voor zorgen. Foei, wat een rommel.Karel,bij de middendeur.Gooi in ’s hemels naam mijn papieren niet door elkaâr.Louise.O, neen, voor die fraaie documenten heb ik alle respect.(Mevr.Van Hogerveldt en Karel af.)[58][Inhoud]TWEEDE TOONEEL.Louise,alleen.Komaan, ik ben blij, dat hij is gaan slapen. Alshijeens ziek werd, wat zouden we dan beginnen?(Zij kijkt rond.)Welk een verschil tusschen nu en voorheen! Toen slechts weelde en genot, thans niets dan onthouding en arbeid. Toen had pa een deftige betrekking, wij kwamen in de voornaamste kringen, en nu.… och, ’t meest doet het mij leed, dat die ongelukkige geldquaestie zooveel invloed op zijn gezondheid heeft gehad. En hoe lang zal het nog moeten duren vóor dat we geheel vrij zijn.…(Er wordt geklopt.)Daar wordt geklopt. Dat zal iemand voor Karel zijn. Enfin, we zullen zien. Binnen![Inhoud]DERDE TOONEEL.Louise,Betje.Betje,binnenkomende.Juffrouw, daar is een heer om u te spreken.Louise.Mij? Vroeg hij naarmij?Betje.Ja, hij vroeg bepaald naar juffrouw Louise.Louise.En hoe heet die heer?Betje.Dat weet ik niet. Hij zei alleen: zeg, dat ik de juffrouw dringend moet spreken, het betreft een zaak van aanbelang.Louise.Ja, maar.… ik weet niet.… hoe ziet hij er zoo wat uit? Is het eenjongmensch?[59]Betje,lachend.Jong? Heere bewaar me! Meer zout dan peper juffrouw! Ik denk, dat hij zoowat naar de zestig loopt.Louise,lachend.O! Nu, laat hem dàn maar binnen komen.Betje af.[Inhoud]VIERDE TOONEEL.Louise. DaarnaDekkers.Dekkers,groetend.Mejuffrouw!Louise,verschrikt, ter zijde.O God! had ik dat geweten.…!Dekkers.Vergeef me, dat ik zoo onverwachts tot u kom. U zult echter spoedig zien, dat mijn bezoek een gegronde reden heeft, dat.…Louise.Een oogenblik, mijnheer. Ik zal mijn broêr gaan zeggen, dat u.…(Zij wil gaan. Dekkers houdt haar tegen.)Dekkers.Pardon! Ik kom juist omute spreken.Louise.Dat kan wel zijn, maar ik betwijfel of mijn familie zou goedkeuren.… dat ik u in ons huis had toegelaten.Dekkers.O, dat zou ze zeker! Mijn bezoek is in aller belang. De onaangename toestand, waarin uwe familie.…Louise,snel.U behoeft mij dat niet in herinnering te brengen, evenmin als dat wij dien voornamelijk aan u te wijten hadden.Dekkers.Aan mij? Dat ontken ik ten stelligste. Ik was als commissaris[60]verplichtte spreken, er was een sterk vermoeden bij mij gerezen.Louise.Dan hadt u, als vadersvriend,ons moeten waarschuwen.Dekkers.Dat kon ik immers niet, zoo lang ik geen zekerheid had, maar toch heb ik u genoeg doen gevoelen, dat er reden bestond om te vreezen!Datzult ge u ook wel herinneren.Louise.Nu, ja!Dekkers.Ik heb uw hand gevraagd met de belofte, dat alles in orde zou komen, maar.… gij hebt niet gewild!Louise.O, neen, zeker niet! En zelfs als ik geweten had.… dan had ik misschien toch niet.… In elk geval, u bezigde toen onbestemde uitdrukkingen, die ik aan een andere oorzaak toeschreef, uitte slechts vermoedens die.…Dekkers,invallend.Die maar al te gegrond waren. Dat heeft de ervaring geleerd.Louise,trotsch.Hoe het zij, ik begrijp niet, waarom gij de onkieschheid hebt om op iets terug te komen, dat reeds lang vergeten moest zijn.Dekkers.’t Is geen onkieschheid, die mij daartoe noopt: ’t is veeleer het tegendeel.Louise.Het tegendeel?Dekkers.Zeker. Wilt ge mij een oogenblik aanhooren, alvorens te oordeelen?(Louise wijst een stoel aan; beiden gaan zitten.)De schuld uws vaders of liever die van uw broeder bedraagt thans nog f 30.000.[61]Louise.Maar dat is immers òòk niets nieuws, mijnheer.Dekkers,een beweging met de hand makende.Tot zijn eer moet ik zeggen, dat uw broêr zich een bovenmenschelijke inspanning beeft getroost om aan zijn belofte te kunnen voldoen. Het zal echter nog verscheidene jaren duren,vóordathij van zijn verplichting geheel zal zijn ontheven.Louise.Dat is waar; ’t is helaas! maar al te waar.Dekkers.Zijn huwelijk heeft hij al dien tijd moeten uitstellen.Louise.Och ja, daar denk ik dikwijls genoeg over! Dat hindert me nog het meest.Dekkers.’t Is ook recht verdrietig, en.….. wat niet minder zwaar weegt, zijn gezondheid lijdt, naar men mij zegt, onder al die meer dan drukke bezigheden. Het is dus hoog noodig dat er een verandering in dien toestand komt.Louise.O, ik wenschte het zoo gaarne voor hem, want ook ik vrees, dat hij ziek zal worden, als het zoo voortgaat, maar.… wie zal hem zijn taak helpen verlichten?Dekkers,met nadruk.Dat kuntgij, mejuffrouw, zoo ge slechts wilt.Louise.Ik? Och, wat!Dekkers,een portefeuille met bankpapier uit zijn zak nemende.Toch wel, juffrouw Louise. Vóor drie jaar hebt gij geweigerd mijn vrouw te worden; gij meendet toen, dat ik uw vadervalschbeschuldigde. Thans weet ge, dat ditnietzoo is, en dat uw familie reeds al dien tijd onder recht treurige omstandigheden gebukt gaat. Zooals ge zelve inziet, kan dit nog lang zoo voortduren, tenzij.….[62]Louise,snel.Tenzij?Dekkers.Tenzij gij mij nog uw hand wilt schenken. Na al hetgeen in uw familie voorviel en ondanks uw weigering, bleef ik u nog steeds beminnen.(Hij neemt het bankpapier uit zijn portefeuille.)Zie, Louise, hier is de nog ontbrekende som, ik stel ze ter uwer beschikking, ze isuweigendom, mits.… ge mij belooft.…(Hij grijpt haar hand. Louise heeft het gelaat afgewend en trekt hare hand terug.)Louise,ter zijde.O God, welk een beleediging! dat is verschrikkelijk!(Minachtendtot Dekkers.)Weg met dat geld, man!.…Koopman!Dekkers.Versta mij toch wel: gijverkooptuw liefde niet, gij schenkt ze mij in ruil voor de mijne; door dit geld aan te nemen, koopt ge echter het geluk van uwe ouders en wat misschien meer zegt, dat van uw broeder terug.Louise,aarzelend en aangedaan. Ter zijde.Arme vader! en Karel, ach, als hij eens.…Dekkers,invallend.Aarzelt ge nog? Kunt gij uw familie nog langer zien lijden? Zoudt gij ’t uzelve niet verwijten als Karel ziek werd, als hij misschien.…stierf?Louise,verschrikt.Sterven!.… O, God! als dat gebeurde.…(Ter zijde.)Wat moet ik beginnen? Wat moet ik doen?(Tot Dekkers.)Ik zal er mij op bedenken; morgen kunt ge mijn antwoord vernemen; ik wil eerst met Karel spreken.Dekkers,hij steekt de portefeuille in den zak.Zooals ge wilt. Overigens zal ik hem van middag, misschien straks nog, zelf komen bezoeken. Tot morgen dus, ik[63]hoop, dat gij ditmaal niet zult vergeten, dat erzooveelvan uw besluit afhangt.(Groetend.)Mejuffrouw!(Dekkers af.)[Inhoud]VIJFDE TOONEEL.Louise,alleen.Wàt te doen? Wàt te doen! Welk een vreeselijke toestand! Door zijne vrouw te worden red ik mijne ouders en Karel uit al hunne zorgen, maar aan den anderen kant.…. mijn leven te moeten slijten aan de zijde van dien ellendeling, dien ik haat, dien ik in ’t diepst van mijne ziel veracht, die ons eerst in het ongeluk heeft gestort en zich thans niet schaamt mij als een veile deern geld te bieden voor gehuichelde liefde.….…..(Zij gaat op de canapé zitten.)En die arme Willem dan?.….… O, ik weet zeker, dat hij mij bemint. Wat heeft hij Karel altijd trouw ter zijde gestaan en dat niet alleen als zijn vriend, maar ook met de hoop in het hart, dat ik eenmaal zijne vrouw zou worden; daarvan ben ik in mijne ziel overtuigd, en ik, och, laat ik het mij niet verhelen, ik voel immers reeds sedert lang, dat ik hem bemin; ik ben er zeker van, dat ook hij dit heeft bespeurd. En niemand, voor wien ik mijn gemoed kan uitstorten, niemand wien ik om raad kan vragen!(Karel komt door zijdeur binnen.)[Inhoud]ZESDE TOONEEL.LouiseenKarel.Karel,met een brief in de hand.Nog altijd hier, Louise? Je schijnt heel wat te doen gehad te hebben.Louise.En jij dan, ik dacht, dat je zoudt gaan slapen?[64]Karel.Dat was ook mijn plan, zusje, maar ik ontving daar juist een brief, dien ik genoodzaakt ben zoo spoedig mogelijk te beantwoorden.(Gaat aan zijn lessenaar zitten.)Louise.Kan er eerst een oogenblik voor mij overschieten?Karel.Is ’t zóo belangrijk, wat je te zeggen hebt? Heeft het zóo’n haast?Louise.Zoowel het een als het ander. ’t Betreft zoo goed u als mij.Karel.Wel verduiveld! je maakt me nieuwsgierig, zusje. Ik luister!Louise.Zou je ’t niet gelukkig vinden, Karel, als nu ’t oogenblik eens was gekomen, dat je kon gaan trouwen? Dan hadt je toch een onbezorgd, gelukkig leven en je behoefde niet zóo nacht en dag te werken?Karel.Wat bedoel je nu?Louise.Ik meen.… als.… als.… bijvoorbeeld dat geld.… dat nog te kort komt, thans in eens kon worden aangezuiverd?Karel,ongeduldig.Geen kwaad idée! Maar.… zie jij daar kans toe? Ik zeker niet.Louise.Misschien wel, maar ik wil niets doen zonder je vooraf te hebben geraadpleegd.Karel,haar onder de kin strijkend.Wel, kind, dat vind ik heel lief van je.Louise.Och, dat daargelaten; je waart zoo even verwonderd mij[65]nog hier te vinden, de reden is, dat ik een bezoek heb gehad van een heer.Karel.Wàt blief?Louise.Van iemand, die met den stand uwer zaken bekend was. Kort en goed: die heer heeft mij ten huwelijk gevraagd en aangeboden het ontbrekende dadelijk te voldoen.Karel,gaat aan zijn lessenaar.Ik dacht niet, dat je me zoudt ophouden om aardigheden te vertellen.Louise.Volstrekt niet, Karel, ik verzeker je, dat het ernst is. Ik geef je er mijn woord op.Karel,opstaande.Ik geloof waarachtig dat.… En wat heb je dien man geantwoord?Louise.Ik heb een dag uitstel gevraagd, want hij wilde mij slechts het geld geven, onder voorwaarde dat ik zijn vrouw zou worden.Karel,haastig.Geldgeven! En wie is die man?Louise.Kan je ’t nog niet raden? Hij is vroeger dikwijls bij ons geweest. ’t Is wel geen vriend van ons, maar we hebben hem misschien ook wel wat al te hard beoordeeld. Hij heeftookzijn goede hoedanigheden.Karel,heftig.Dekkers!Louise.Nu ja, waarom niet?Karel.Louise, hoe hebt ge er over kunnen denken! Die huichelaar, die ellendeling! Hij wil ten tweeden male trachten je te dwingen! Kind, ik stel je goede bedoeling op prijs en[66]heb je er te liever om, maar, zoo waar ik leef, zal ik het beletten; versta mij wel, Louise, ik wil er nimmer iets van hooren!Louise,grijpt zijn hand.Karel, om Godswil! maak u niet zoo driftig! Ik heb je immers gezegd, dat alsgijniet wilt.…Karel.Er mag geen sprake van zijn. Liever hard gewerkt en volgehouden tot het uiterste, desnoods met opoffering van alles, dan vandienman een gunst aan te nemen! Gij zult hem afwijzen, Louise! Geef mij uw woord daarop. Bovendien zoudt ge immers niet alleen uzelve ongelukkig maken, niet waar? Denk aan Willem!Louise.O, aan hem heb ik wel gedacht, maar de strijd was mij zoo zwaar.(Zij omhelst hem.)Nu weet ik wat mij te doen staat, Karel.Karel.Dat is goed!Gijmoogt niet ongelukkig worden; hetgeen ik op mij nam zal ik zelf volbrengen. Al hangt mij nog het zwaarste boven het hoofd, ik hoop de crisis door te staan zooals het een man betaamt. Maar alleen de gedachte aan hetgeen mij nog wacht, drukt me verschrikkelijk ter neêr.Louise.Karel, wat verbleek je? Welke nieuwe ramp staat ons te wachten? O zeg het mij, ik bid het je. ’t Mocht anders weêr onverwachts komen.Karel.Stel je gerust, Louise.Onsbedreigt geen ongeluk. Alleen eischt de noodzakelijkheid vanmijeen offer; eer en plicht gebieden mij het te brengen. Voor onze familie zal het echter geen ramp zijn.… als ik ten minste.…Louise.Als gij?Karel.Niets, niets!(Glimlachend.)Laat mij nu alleen, Louise, en ga naar ma, die ik in druk gesprek met Willem heb[67]achtergelaten. Het wachten zal hem minder lang vallen als hij in uw gezelschap is.Louise.Geloof je dat? Nu, hoe het zij, als het te lang duurt, zend ik hem bij je, hoor!(Karel gaat zitten. Louise wil vertrekken.)Louise,bij de deur.Daar wordt geklopt!(Zij opent de deur.)[Inhoud]ZEVENDE TOONEEL.Karel,Louise,Anna,binnenkomende.Karel,opstaande, ter zijde.Nu reeds! O God, schenk me kracht en moed! Nu vooral!Louise,omhelst Anna.Dag lieve, beste Anna! Zie eens, Karel, daar is beter gezelschap voor je dan het mijne. Nu laat ik je samen alleen.Anna.Waarom zou je zoo dadelijk heengaan? Blijf bij ons, Louise.Louise.Neen, neen! Karel is zwaarmoedig! Niemand zal hem beter kunnen troosten dan gij. En dan, ik moet ook een zielzieke gaan verzorgen, maar ik kom toch gauw terug. Tot straks.(Louise af.)[Inhoud]ACHTSTE TOONEEL.Karel,Anna.Karel,Anna’s hand nemende.Wat zie je er ontstemd uit, Annalief! Er is toch niets, hoop ik …?[68]Anna,ernstig.Metmijniet. Ik vernam zoo even van uw moeder, dat je weêr je woord niet hebt gehouden om ’s nachts niet te werken.Karel.Och, ik zal mijn schade wel inhalen. Maak je maar niet ongerust, lieve.Anna.’t Is in je eigen belang! Je zult ziek worden.Karel.Dat willen we niet hopen. Mijn bezigheden zullen me niet ziek maken; het is voor mij een reden tot dankbaarheid, als mijn praktijk zich weêr eenigszins uitbreidt. ’t Is maar een vleugje, Anna, ’t ging in den laatsten tijd ook al bitter slecht. ’t Is waar, ik heb nu hard gewerkt en moet wat rust nemen, ik kan het niet meer zoo volhouden, als voor een paar jaren.Anna.Een reden te meer om je te ontzien. Je gezondheid gaat toch boven alles.Karel.Nu ja, mijn gezondheid, mijn gezondheid.… ’t Meest pijnigt me de gedachte, dat het nog lang zoo moet voortduren, als de zaken niet beter gaan;(zuchtend)anders is het eind niet te voorzien.Anna.’t Is wel treurig!Karel.Dat is het zeker. Terwijl ik in de eerste drie jaren na de ramp aardige sommen kon afdoen, zal het dit jaar niet veel bedragen.Anna,zuchtend.Men zou er op die wijze den moed bij verliezen.Karel.Ik heb er al lang over nagedacht en begrepen, dat het tijd is om krachtig te handelen, opdat wij nietbeidenvan de treurige omstandigheden het slachtoffer worden.[69]Anna.Och! wat zullen we er aan doen? We kunnen de zaak niet dwingen; maar dat hopeloos wachten, zoo zonder eenig vooruitzicht.… ’t is om er ziek van te worden.Karel.Dat is ook zoo en daarom wilde ik je een voorstel doen. Zie, ge zijt mij drie jaar lang in het ongeluk trouw gebleven; je hebt mij moed ingesproken, als ik neerslachtig was; zou het nu niet egoïstisch van me zijn, als ik diezelfde toewijding, wie weet hoeveel jaren nog van je zou eischen, als ik nog rechten op je wilde doen gelden, terwijl je wellicht gelukkig getrouwd hadt kunnen zijn?Anna.Karel! die taal!Karel.Is niet de taal van mijn hart, dat weet God! maar die, welke mijn gezond verstand mij ingeeft. Hoe pijnlijk dit ook voor mij is, in uw belang, Anna, ben ik verplicht u voor te stellen om onze verbintenis te verbreken. Herneem gij uw vrijheid,ikmag uw toekomst niet langer aan de mijne verbinden; daar is ze te duister voor.Anna.Maar dat is u toch geen ernst? Gij schertst, niet waar? Of bemint ge mij niet meer?Karel.Anna, juist omdat ik u liefheb, doe ik u dat voorstel. In een toestand als de mijne mag het gevoel het verstand niet beheerschen.Anna,na een korte pauze, langzaam.Misschien heb je gelijk en is het zóo beter voor ons beiden.Karel,ter zijde.O, God! wat blijft ze daar koel onder!(TotAnna.)’t Verheugt me, dat ge mij zóó goed en zoo spoedig begrijpt. Ik had gevreesd.… of liever =.… O, Anna, als ge wist welk een harden strijd ik gestreden heb, als ge wist hoe ik geworsteld heb om den drang van mijn hart te weerstaan en[70]het gezond verstand te doen zegevieren, dan.… dan hadt ge mijn smart niet beter kunnen verlichten, dan ge nu doet door uw kalmte, door uw.…Anna.Laten we bedaard blijven, Karel! ’t Doet ook mij innig leed van je te moeten scheiden, maar.… de noodzakelijkheid.…Karel.Zeker, zeker. We moeten.… Ik moet een voorbeeld nemen aan u. Vergeef me mijn opgewondenheid.Anna.Ik ben je er dankbaar voor, mijn vriend. Niet dat ik na alles wat er voorviel in de laatste jaren ooit had kunnen denken datgijme een scheiding zoudt hebben voorgesteld.Karel.Heb ik het zelf ooit gedacht!Anna.Nu het echter zoover is gekomen, billijk ik uw verlangen. Ik begrijp dat slechts de wreede noodzakelijkheid je noopte tot dien stap.Karel.Wreed? O God, zoo wreed! Slechts drie jaren van mijn leven ken ik haar vreeselijke macht en in dien korten tijd heeft ze met ijskoude hand de liefelijkste banden mijner ziel verscheurd, heeft ze als een kanker aan mijn leven geknaagd. De arbeid, dien ik vroeger vereerde en liefhad als de vrucht van mijn geest, werd me onverschillig, sedert de nood mij voortzweepte en me verlaagde tot werktuig. Waar is mijn schoone droom, om door studie eenmaal te schitteren onder de mannen der wetenschap! Hij vervloog in rook, toen de onverbiddelijke noodzakelijkheid mij dwong te woekeren met elk uur van den dag, zelfs van den nacht. En het eenige wat me overbleef, mijn liefde voor u.…Anna.Die ge zoo vaak uw steun noemdet in den tegenspoed …Karel.Mag dat niet langer zijn! Ik herhaal het: ik kan uw toekomst[71]niet afhankelijk stellen van de mijne. De noodzakelijkheid vordert, dat ik nog jaren lang werk om bevrijd te worden van den last, dien zij me oplegde. En als ik uit haar gareel ben ontslagen, als ik u eenmaal mijn vrouw zou mogen noemen, dan zouden uw schoonste levensjaren in sombere eentonigheid zijn voorbijgegaan en ik … ik zou voor u niets kunnen zijn dan een man, wiens gezondheid verzwakt, wiens energie verlamd was, een man zonder toekomst.… een treurige parodie op ’n jeugdig echtgenoot!Anna.Ge blijft dus bij uw voornemen?Karel.Het moet! Vraag mij niet langer. Ik voel, dat me de toestand ondragelijk wordt, dat mij de moed gaat ontzinken.Anna.Dus.… wij scheiden.(Karel knikt met het hoofd.)Laat ons dan kort zijn, Karel.(Zij reikt hem de hand.)Vaarwel, mijn beste en.… houd moed.(Karel omhelst haar vurig. Anna maakt zich uit zijn arm los.)Vaarwel, Karel, vaarwel!(Zij ijlt de middendeur uit, maar blijft daarachter staan en gluurt naar binnen.)[Inhoud]NEGENDE TOONEEL.Karel,alleen.Zij is weg! Voor altijd weg! Wat heb ik gedaan? Ik deed het in haar belang, maar thans is voor mij ook alles verloren! Zij was mijn grootste steun, waar ik behoefte had aan moed en wilskracht; met onderwerping en geduld schikte zij zich in haar lot en nu heeft ze mij verlaten! Maar ’t is immers mijn eigen schuld. Ik waardeerde haar opoffering niet genoeg. Ik zag niet in hoe deze juist het grootste bewijs harer liefde was, en ik waagde het te denken, dat ik zonder haar gelukkig zou kunnen zijn! Anna! lieve Anna, ik heb u miskend, nu gevoel ik eerst hoe lief ik u heb, en ikzelf heb u laten vertrekken! Anna! O God! Het is verschrikkelijk![72]Anna, vergeef het mij!(Hij zinkt op de canapé ineen.)(Anna door de middendeur op.)[Inhoud]TIENDE TOONEEL.Karel,Anna.Anna.Van ganscher harte, Karel, lieve Karel! Zie, ik ben niet vertrokken, en ik zal het ook niet doen.(Zij knielt bij hem neêr.)Vergeef mij, dat ik u bedroefde door u te verlaten. ’t Was mij geen ernst. Ik wilde slechts zien of je zóo van mij zoudt kunnen scheiden. Thans weet ik het beter. Ik zweer je Karel, dat ik je nooit zal verlaten.Karel,omhelst haar en richt haar op.Ik heb haar weder! O! dank, Anna, dank!Anna.Maar nu mijn voorwaarden!Karel.Stel ze; vraag me al wat mogelijk is, en ik zal het ten uitvoer brengen, als ik je slechts mag behouden.Anna.Wees niet bezorgd. Wij zullen bij elkaar blijven en wel ter dege; wij moeten gaan trouwen.Karel.O, was dàt waar, maar je weet immers, dat dit onmogelijk is.Anna.Misschien minder dan je denkt, Karel.Jijstelde mij zoo even een scheiding voor:ikstel je voor te gaan trouwen, enmijnvoorstel, dat verzeker ik je, is vrij wat ernstiger gemeend![73]Karel.Ik begrijp je niet, Anna,… en de schuld, die nog voldaan moet worden.…Anna,hem in de rede vallende.Ja, ja, ik weet hoeveel die op ’t oogenblik nog bedraagt. ’t Is je bekend, dat ik van mijn ouders een klein kapitaaltje erfde, nauwelijks genoeg om onafhankelijk te leven. Ik heb, lach niet! er meêgespeculeerd!Karel.Wat? gespeculeerd! Dat is onvergeeflijk.Anna.O, stel je gerust! Niet in Amerikaansche Sporen; omstreeks drie jaar geleden heb ik er aandeelen voor gekocht in een jeugdige, maar echt Nederlandsche onderneming, en op wiens raad denkt ge wel?Karel.Hoe kan ik dat raden?Anna.Op dien van een goed vriend: van Vredenburch. Welnu, die aandeelen zijn thans haast 50 percent gerezen, zoodat ik een aardig sommetje heb verdiend.Karel.Wel, dat is prachtig! Ik wensch je van harte geluk.Anna.Mij?Neenons, want zie, het was van ’t begin af aan mijn plan, zoodra ik kon, iets tot uw doel bij te dragen.Karel.Engel!Anna.Nu, dat is zoo erg niet. Ik ben dus, zooals ik zei, zuinig geweest en—zeg, Karel, je hebt vroeger m’n borduurwerk wel eens geprezen, niet waar?Karel.Ja, maar.…Anna.Geen maren! Ik heb,dank alweêr aan de tusschenkomst[74]van mijnheer en mevrouw Vredenburch, in alle stilte vrij wat geld met mijn arbeid verdiend. Kortom, mijn zaakjes zijn uitmuntend geslaagd en ik bezit thans genoeg om aan te vullen, wat u nog ontbreekt.(Zij haalt een portefeuille uit den zak.)Ziedaar! Beschik er over!Karel.Maar Anna! dat is te veel. Dat kan en mag ik niet aannemen!Anna.Waarom niet? Als je mij bemint, dan moogt ge geen bezwaren maken. Dit geld is immers geen geschenk, het is uw rechtmatig eigendom, want, zooals ik u gezegd heb: wij gaan trouwen.Karel,het geld aannemende.’t Is waar! Zóo kan het gaan, Anna, ja, ge zijt een engel. O God! welk een plotselinge omkeer! Wat voel ik me van een zwaren last ontheven!(Kusthaar.)[Inhoud]ELFDE TOONEEL.Karel, Anna, Louise met Verhagen gearmd binnenkomende, gevolgd door den heer en mevrouw Van Hogerveldt.(Mevrouw geleidt haar man naar een leunstoel. Van H. ziet, versuft, vóor zich.)Karel,tot Anna, op Verhagen en Louise wijzende.Wel, wel, zie me dat eens aan! Het schijnt, dat ook tusschen hen alles in orde is!Verhagen.Gelukkig! Louise heeft me alles verteld; aan jou heb ik het te danken, dat ze me thans niet voor de tweede maal bijna werd ontroofd. Ik heb dan ook maar flink gebruik gemaakt van den tijd, dien ik versleet met wachten op je brief.Karel,luchtig.Laat dien maar rusten! Maar.… heb je mama’s toestemming al?[75]Mevr. Van Hogerveldt.Ja! Wat zou ik mij langer daartegen verzetten. Als zoo’n stijfhoofdig kind haar zin wil hebben, dan is er toch geen garen meê te spinnen.Karel.Komaan, dat doet me genoegen. Ik feliciteer je van harte, en … wat ik vragen wilde, wanneer zullen we bruiloft vieren?Verhagen.Onze eerste afspraak is geweest, Karel, om niet te trouwen vóor u en Anna. Gij hebt daarmeê al zoo lang moeten wachten, nu wil Louise u niet vóor zijn.Karel.Ferm zoo, Louise, dat vind ik uitstekend; ik stel dan voor, dat we op denzelfden dag in het bootje stappen en dat wel binnen de drie maanden.Louise.Drie maanden? Maar wat … Ga je dan …?Karel.Ja, kind, zooals ik zeg: binnen drie maanden;(tot Anna)niet waar, lieve?Anna.O, ik neem er genoegen meê.Louise.Maar Karel, ik begrijp niet.…Verhagen.Och, maak ons nu niets wijs, vlei me niet met een ijdele hoop; je begrijpt, ik ben op het oogenblik in staat om alles te gelooven.Mevr. Van Hogerveldt.Ik sta er verstomd van! Hogerveldt, hoor je dat? Och neen, dat is waar ook! Maar kinderen, verklaart je toch nader! Daar vat ik nu niets van![76]Karel.O, ik weet wel wat jelui wilt zeggen.(TotLouise.)Zoo even heb ik u verboden geld aan te nemen, thans heb ik het zelf gedaan.Verhagen en Louise,tegelijk.Maar van wien dan?Karel,Anna’s hand nemende.Van een engel van goedheid en zelfopoffering, van haar!Verhagen,juichend.Bravo! dat stelt me gerust!Louise.Anna! O, duizendmaal dank!(Zij omhelst haar.)(Er wordt geklopt.)[Inhoud]TWAALFDE TOONEEL.De vorigen,Betje,binnenkomende.Betje,tot Karel.Mijnheer, daar zijn drie heeren voor u.Karel,lachend.Drie tegelijk? En wie zijn het?Betje.Ja, ik kan al die namen niet onthouden. Een ken ik er wel van, die is meer hier geweest: mijnheer Vredenburch!Karel.O zoo!(TotVerhagen.)Dan zijn het zeker Commissarissen, ofschoon ik niet recht begrijp, wat zij hier komen doen.(TotBetje.)Laat de heeren binnenkomen.Betje af.[77]Verhagen,(tot Karel.)Tot straks, ik zal maar zoolang heengaan.(Hij wil gaan.)Karel,hem tegenhoudende.Wel neen, Willem, je blijft hier, we hebben voor jou geen geheimen.[Inhoud]DERTIENDE TOONEEL.De vorigen,Vredenburch,ter Maten,Van Haaften.Karel.Weest zoo goed plaats te nemen, heeren. Ik had thans waarlijk niet op een bezoek van u gerekend. U ziet ons juist allen huiselijk bij elkaar.(Zij nemen plaats.)Mevr. Van Hogerveldt,tot haar echtgenoot.Hogerveldt, daar zijn Commissarissen, daar is mijnheer Vredenburch.(Neemt hem bij den arm en doet hem opstaan.)(Van Hogerveldt ziet wezenloos rond zonder te antwoorden, en gaat weêr zitten.)Karel.Verschoont mijn vader, heeren, u kent zijn toestand.Vredenburch,tot Karel.Mijnheer Van Hogerveldt, ik zal u met een enkel woord het doel onzer komst meêdeelen. Na de gebeurtenis, die in uw familie plaats greep, hebt gij een taak op u genomen, die slechts met de grootste zelfopoffering kon worden verricht. Tot nu toe hebt ge u hoogst loffelijk daarvan gekweten; ik heb geen woorden genoeg om u daarover onze[78]oprechte bewondering te betuigen; ’t was ons daarom een waar genoegen nu en dan aan de uitbreiding van uw praktijk bevorderlijk te kunnen zijn. Wat de door ons overgenomen schuld betreft, ze is tot op bijna de helft door u aangezuiverd. Om kort te gaan: wij hebben besloten u in uw moeielijke taak te gemoet te komen en u volledige kwijting aan te bieden. Neem die aan als een blijk van onze hoogachting en waardeering en als een bewijs, dat we ons persoonlijk voor een deel aansprakelijk hebben gevoeld.(Hij toont eene quitantie.)Zie hier, mijn vriend, geef dit uw vader, wellicht zal dit hem.…Karel.Ik dank u voor uw goede bedoelingen, heeren, maar de geestvermogens van mijn armen vader zijn, helaas! voor goed gekrenkt. U ziet het, hij hoort noch begrijpt iets van ’t geen hier voorvalt.Ikstel uw aanbod op hoogen prijs, weest daar zeker van, maar ik kan niets terugnemen van de verbintenis, die ik eenmaal aanging; de schuld mijns vaders zal door mij worden aangezuiverd tot op den laatsten penning.Vredenburch.Wanneer wij u daarvan ontheffen, daniszij immers aangezuiverd?Karel.Ik wil niet de minste smet op onzen naam laten kleven. Uw quitantie neem ik gaarne aan, doch alleen tegen afbetaling mijner schuld.(Hij haalt het bankpapier uit de portefeuille en neemt de quitantie aan.)Ziet hier, mijne heeren, hetgeen ik u nog schuldig ben, en dat ik het geluk heb te kunnen voldoen.(Vredenburch neemt het geld aan.)Ter Maten.Maar dat geld …Karel.Wasmijneigendom, mijnheer, en heeft thans zijn bestemming bereikt. Ik dank u allen voor het groote vertrouwen, dat u inmijhebt gesteld.[79]Van Haaften.Mijnheer Van Hogerveldt! ge zijt een man, wiens hart op de rechte plaats zit.Vredenburch.Het doet mij leed, dat ge ons aanbod niet hebt aangenomen, doch ik eerbiedig de redenen, die u daarvoor hebt; ze leggen slechts te schooner getuigenis voor u af.(Opstaande, tot Mevr. Van Hogerveldt.)Mevrouw! ik wensch u van harte geluk metzulkeen zoon![Inhoud]VEERTIENDE TOONEEL.De vorigen,Dekkers.Dekkers,binnenkomende, wil weêr heengaan.Pardon, ik dacht u alleen op uw kantoor te vinden, mijnheer Van Hogerveldt. Ik zal u niet storen.Karel,naar hem toegaande.O, u stoort ons volstrekt niet, mijnheer Dekkers. Ik heb u zelfs gewacht. U komt waarschijnlijk het antwoord vernemen op de vraag, die ge van morgen aan mijne zuster hebt gedaan?Dekkers,verlegen.Ik had … u gaarne … eerst nog willen spreken.Karel.Onnoodig, mijnheer. De zaak is mij geheel bekend.(Hij neemt Verhagen bij de hand.)Mag ik u mijn aanstaanden schoonbroeder voorstellen?De Gordijn valt.EINDE.[82]

[Inhoud]DERDE BEDRIJF(3 jaren later.)Kamer in het huis van Mr. Karel Van Hogerveldt. Eenvoudig gemeubeld. Rechts schrijfbureau. Kast met boeken op den achtergrond. Op het bureau een brandende lamp. Karel is aan zijn bureau in slaap gevallen. Canapé links.[Inhoud]EERSTE TOONEEL.Mevr.Van Hogerveldt,Louise,Karel.Mevr. Van Hogerveldt en Louise komen door de achterdeur binnen.Mevr. Van Hogerveldt,zij blaast de lamp uit.Zie je nu wel, Louise, ik was toch niet ten onrechte bezorgd, toen hij niet aan het ontbijt kwam. ’t Is nu al elf uren. Hij heeft zeker weêr den ganschen nacht zitten werken en is eindelijk van vermoeidheid in slaap gevallen. Arme jongen!Louise.Karel offert zich geheel voor ons op, ma; wij zullen het hem nimmer kunnen vergelden.Mevr. Van Hogerveldt.Hij is een brave, edele jongen, dat moet ik zeggen; ik[55]heb hem al zoo dikwijls gevraagd om zijn gezondheid wat meer te ontzien. In die drie jaren, sedert ons het ongeluk trof, heeft hij meer dan hard gewerkt, en dat bijna uitsluitend voor ons; och, ik maak me zoo bevreesd, dat hij ziek zal worden.(Zij is aangedaan en gaat op de canapé zitten.)Louise.Maar, maatjelief, laten we hem dan wekken, hij moet naar bed gaan.Mevr. Van Hogerveldt.Ja, kind, dat moet hij ook, en van middag zullen we hem nog wel eens goed op het hart drukken, dat hij te veel van zijn krachten vergt.Louise.Zeker ma, dat moeten we doen, och we hebben toch al zóoveel met pa te stellen, vooral in den laatsten tijd, dat als nu Karel nog.….Mevr. Van Hogerveldt,snel.Kind, spreek me niet van je armen vader; die rampzalige gebeurtenis met dat ongelukkige geld heeft hem geheel geknakt. ’t Is of hij met den dag suffer en gevoelloozer wordt.(Karel wordt wakker zonder dat de anderen het bemerken.)Mevr. Van Hogerveldt,vervolgt.Och! ’t heeft me toch altijd zoo’n leed gedaan, dat je er vroeger maar niet in hebt toegestemd de vrouw van Dekkers te worden. Ik denk daar nog dikwijls aan.Louise.Hoe kunt u dat nù zeggen, nu we hem eerst van zijn ware zijde hebben leeren kennen?Mevr. Van Hogerveldt.Kind, als je zijn vrouw waart geworden, dan zou hij ons immers gespaard hebben.Karel,spottend.Wel zeker, Louise had maar met Dekkers moeten trouwen en ik met de een of andere rijke weduwe of dochter van[56]een millionnair, dan hadden we immersgeldgehad. Een heerlijk vooruitzicht, niet waar, ma? Al was er dan geen sprake van liefde.…Mevr. Van Hogerveldt,snel.Dan was je ten minste beiden rijk getrouwd en we zaten niet in zorgen!Karel,opstaande.Ja, rijk getrouwd! Goddank dat Louise en ik daar anders over dachten. Hoe verkeerd onze opvoeding ook was, ze gaf ons ruimschoots gelegenheid totzelfstandigeontwikkeling.Mevr. Van Hogerveldt,verontwaardigd.Natuurlijk deugde je opvoeding niet. ’t Is tegenwoordig een gewoonte van de kinderen om hun ouders dit te verwijten. Het «eert uw vader en uwe moeder» staat niet meer in den bijbel der hedendaagsche jongelui.Louise.O, moeder! En dat kunt ge hèm zeggen …?Mevr. Van Hogerveldt,verward.Nu ja.… ik bedoel niet dat.… ik meen.…Karel,lachend.Wat ik u bidden mag, ma, bespaar me het onaangename een verontschuldiging te moeten hooren.Mevr. Van Hogerveldt.Dat juist niet, maar je begrijpt, ik was al niet in mijn schik, toen ik bemerkte, dat je van nacht weêr hebt zitten werken en.… en.…Louise.En daardoor vergat ma voor een oogenblik, dat je zooveel voor ons hebt gedaan.Karel,met een beweging van ongeduld aan zijn schrijftafel gaande zitten.Wat praat je daar nu voor onzin, Louise.(Lachend.)Jijhebt wel eenige verplichting aan me, dat ontken ik niet,[57]want wie zou nu de zorg voor zoo’n nare, vervelende zus op zich willen nemen? Ja, misschien.…(Louise loopt naar hem toe en legt hem de hand op den mond. Karel neemt haar hand in de zijne en staat op.)Karel,ernstig.Maar met ma is dat iets anders. Er kan geen verplichting bestaan van ouders tegenover kinderen. Kijk, ma en ik hebben al jaren met elkaâr twist gehad, we zijn gewoon zoo wat over alles te kibbelen zonder het ooit kwaad te meenen. En nu de verhoudingen, wat het financiëele betreft, zijn veranderd, nu hoor ik mijn goede moeder, terwijl ze me eens flink mijn zondenregister wil gaan lezen, plotseling inbinden, omdat ze zich herinnert, dat ik mij voor mijn ouders eenige opoffering getroostte.(Hij gaat naar haar toe en omhelst haar.)Mevr. Van Hogerveldt.Je hebt gelijk, Karel. Het gebod, dat ik zooeven aanhaalde is wèl goed door u begrepen en opgevolgd. Maar beloof me nu, dat je voortaan meer voor je gezondheid zult waken, hè, dan benikgerust.Karel.Nu, maatje, dat zal wel schikken. U begrijpt wel, ’t is den eenen dag wat drukker dan den andere.Mevr. Van Hogerveldt.Goed, goed, maar volg nu mijn raad eens op en ga een uurtje naar bed. Ik ga in dien tijd naar boven om mij te kleeden en jij, Louise, zult den boel hier wel wat opredderen, niet waar? ’t Ziet er weêr schromelijk uit.Louise.Wel zeker, ma, ga maar gerust heen. Daar zal ik wel voor zorgen. Foei, wat een rommel.Karel,bij de middendeur.Gooi in ’s hemels naam mijn papieren niet door elkaâr.Louise.O, neen, voor die fraaie documenten heb ik alle respect.(Mevr.Van Hogerveldt en Karel af.)[58][Inhoud]TWEEDE TOONEEL.Louise,alleen.Komaan, ik ben blij, dat hij is gaan slapen. Alshijeens ziek werd, wat zouden we dan beginnen?(Zij kijkt rond.)Welk een verschil tusschen nu en voorheen! Toen slechts weelde en genot, thans niets dan onthouding en arbeid. Toen had pa een deftige betrekking, wij kwamen in de voornaamste kringen, en nu.… och, ’t meest doet het mij leed, dat die ongelukkige geldquaestie zooveel invloed op zijn gezondheid heeft gehad. En hoe lang zal het nog moeten duren vóor dat we geheel vrij zijn.…(Er wordt geklopt.)Daar wordt geklopt. Dat zal iemand voor Karel zijn. Enfin, we zullen zien. Binnen![Inhoud]DERDE TOONEEL.Louise,Betje.Betje,binnenkomende.Juffrouw, daar is een heer om u te spreken.Louise.Mij? Vroeg hij naarmij?Betje.Ja, hij vroeg bepaald naar juffrouw Louise.Louise.En hoe heet die heer?Betje.Dat weet ik niet. Hij zei alleen: zeg, dat ik de juffrouw dringend moet spreken, het betreft een zaak van aanbelang.Louise.Ja, maar.… ik weet niet.… hoe ziet hij er zoo wat uit? Is het eenjongmensch?[59]Betje,lachend.Jong? Heere bewaar me! Meer zout dan peper juffrouw! Ik denk, dat hij zoowat naar de zestig loopt.Louise,lachend.O! Nu, laat hem dàn maar binnen komen.Betje af.[Inhoud]VIERDE TOONEEL.Louise. DaarnaDekkers.Dekkers,groetend.Mejuffrouw!Louise,verschrikt, ter zijde.O God! had ik dat geweten.…!Dekkers.Vergeef me, dat ik zoo onverwachts tot u kom. U zult echter spoedig zien, dat mijn bezoek een gegronde reden heeft, dat.…Louise.Een oogenblik, mijnheer. Ik zal mijn broêr gaan zeggen, dat u.…(Zij wil gaan. Dekkers houdt haar tegen.)Dekkers.Pardon! Ik kom juist omute spreken.Louise.Dat kan wel zijn, maar ik betwijfel of mijn familie zou goedkeuren.… dat ik u in ons huis had toegelaten.Dekkers.O, dat zou ze zeker! Mijn bezoek is in aller belang. De onaangename toestand, waarin uwe familie.…Louise,snel.U behoeft mij dat niet in herinnering te brengen, evenmin als dat wij dien voornamelijk aan u te wijten hadden.Dekkers.Aan mij? Dat ontken ik ten stelligste. Ik was als commissaris[60]verplichtte spreken, er was een sterk vermoeden bij mij gerezen.Louise.Dan hadt u, als vadersvriend,ons moeten waarschuwen.Dekkers.Dat kon ik immers niet, zoo lang ik geen zekerheid had, maar toch heb ik u genoeg doen gevoelen, dat er reden bestond om te vreezen!Datzult ge u ook wel herinneren.Louise.Nu, ja!Dekkers.Ik heb uw hand gevraagd met de belofte, dat alles in orde zou komen, maar.… gij hebt niet gewild!Louise.O, neen, zeker niet! En zelfs als ik geweten had.… dan had ik misschien toch niet.… In elk geval, u bezigde toen onbestemde uitdrukkingen, die ik aan een andere oorzaak toeschreef, uitte slechts vermoedens die.…Dekkers,invallend.Die maar al te gegrond waren. Dat heeft de ervaring geleerd.Louise,trotsch.Hoe het zij, ik begrijp niet, waarom gij de onkieschheid hebt om op iets terug te komen, dat reeds lang vergeten moest zijn.Dekkers.’t Is geen onkieschheid, die mij daartoe noopt: ’t is veeleer het tegendeel.Louise.Het tegendeel?Dekkers.Zeker. Wilt ge mij een oogenblik aanhooren, alvorens te oordeelen?(Louise wijst een stoel aan; beiden gaan zitten.)De schuld uws vaders of liever die van uw broeder bedraagt thans nog f 30.000.[61]Louise.Maar dat is immers òòk niets nieuws, mijnheer.Dekkers,een beweging met de hand makende.Tot zijn eer moet ik zeggen, dat uw broêr zich een bovenmenschelijke inspanning beeft getroost om aan zijn belofte te kunnen voldoen. Het zal echter nog verscheidene jaren duren,vóordathij van zijn verplichting geheel zal zijn ontheven.Louise.Dat is waar; ’t is helaas! maar al te waar.Dekkers.Zijn huwelijk heeft hij al dien tijd moeten uitstellen.Louise.Och ja, daar denk ik dikwijls genoeg over! Dat hindert me nog het meest.Dekkers.’t Is ook recht verdrietig, en.….. wat niet minder zwaar weegt, zijn gezondheid lijdt, naar men mij zegt, onder al die meer dan drukke bezigheden. Het is dus hoog noodig dat er een verandering in dien toestand komt.Louise.O, ik wenschte het zoo gaarne voor hem, want ook ik vrees, dat hij ziek zal worden, als het zoo voortgaat, maar.… wie zal hem zijn taak helpen verlichten?Dekkers,met nadruk.Dat kuntgij, mejuffrouw, zoo ge slechts wilt.Louise.Ik? Och, wat!Dekkers,een portefeuille met bankpapier uit zijn zak nemende.Toch wel, juffrouw Louise. Vóor drie jaar hebt gij geweigerd mijn vrouw te worden; gij meendet toen, dat ik uw vadervalschbeschuldigde. Thans weet ge, dat ditnietzoo is, en dat uw familie reeds al dien tijd onder recht treurige omstandigheden gebukt gaat. Zooals ge zelve inziet, kan dit nog lang zoo voortduren, tenzij.….[62]Louise,snel.Tenzij?Dekkers.Tenzij gij mij nog uw hand wilt schenken. Na al hetgeen in uw familie voorviel en ondanks uw weigering, bleef ik u nog steeds beminnen.(Hij neemt het bankpapier uit zijn portefeuille.)Zie, Louise, hier is de nog ontbrekende som, ik stel ze ter uwer beschikking, ze isuweigendom, mits.… ge mij belooft.…(Hij grijpt haar hand. Louise heeft het gelaat afgewend en trekt hare hand terug.)Louise,ter zijde.O God, welk een beleediging! dat is verschrikkelijk!(Minachtendtot Dekkers.)Weg met dat geld, man!.…Koopman!Dekkers.Versta mij toch wel: gijverkooptuw liefde niet, gij schenkt ze mij in ruil voor de mijne; door dit geld aan te nemen, koopt ge echter het geluk van uwe ouders en wat misschien meer zegt, dat van uw broeder terug.Louise,aarzelend en aangedaan. Ter zijde.Arme vader! en Karel, ach, als hij eens.…Dekkers,invallend.Aarzelt ge nog? Kunt gij uw familie nog langer zien lijden? Zoudt gij ’t uzelve niet verwijten als Karel ziek werd, als hij misschien.…stierf?Louise,verschrikt.Sterven!.… O, God! als dat gebeurde.…(Ter zijde.)Wat moet ik beginnen? Wat moet ik doen?(Tot Dekkers.)Ik zal er mij op bedenken; morgen kunt ge mijn antwoord vernemen; ik wil eerst met Karel spreken.Dekkers,hij steekt de portefeuille in den zak.Zooals ge wilt. Overigens zal ik hem van middag, misschien straks nog, zelf komen bezoeken. Tot morgen dus, ik[63]hoop, dat gij ditmaal niet zult vergeten, dat erzooveelvan uw besluit afhangt.(Groetend.)Mejuffrouw!(Dekkers af.)[Inhoud]VIJFDE TOONEEL.Louise,alleen.Wàt te doen? Wàt te doen! Welk een vreeselijke toestand! Door zijne vrouw te worden red ik mijne ouders en Karel uit al hunne zorgen, maar aan den anderen kant.…. mijn leven te moeten slijten aan de zijde van dien ellendeling, dien ik haat, dien ik in ’t diepst van mijne ziel veracht, die ons eerst in het ongeluk heeft gestort en zich thans niet schaamt mij als een veile deern geld te bieden voor gehuichelde liefde.….…..(Zij gaat op de canapé zitten.)En die arme Willem dan?.….… O, ik weet zeker, dat hij mij bemint. Wat heeft hij Karel altijd trouw ter zijde gestaan en dat niet alleen als zijn vriend, maar ook met de hoop in het hart, dat ik eenmaal zijne vrouw zou worden; daarvan ben ik in mijne ziel overtuigd, en ik, och, laat ik het mij niet verhelen, ik voel immers reeds sedert lang, dat ik hem bemin; ik ben er zeker van, dat ook hij dit heeft bespeurd. En niemand, voor wien ik mijn gemoed kan uitstorten, niemand wien ik om raad kan vragen!(Karel komt door zijdeur binnen.)[Inhoud]ZESDE TOONEEL.LouiseenKarel.Karel,met een brief in de hand.Nog altijd hier, Louise? Je schijnt heel wat te doen gehad te hebben.Louise.En jij dan, ik dacht, dat je zoudt gaan slapen?[64]Karel.Dat was ook mijn plan, zusje, maar ik ontving daar juist een brief, dien ik genoodzaakt ben zoo spoedig mogelijk te beantwoorden.(Gaat aan zijn lessenaar zitten.)Louise.Kan er eerst een oogenblik voor mij overschieten?Karel.Is ’t zóo belangrijk, wat je te zeggen hebt? Heeft het zóo’n haast?Louise.Zoowel het een als het ander. ’t Betreft zoo goed u als mij.Karel.Wel verduiveld! je maakt me nieuwsgierig, zusje. Ik luister!Louise.Zou je ’t niet gelukkig vinden, Karel, als nu ’t oogenblik eens was gekomen, dat je kon gaan trouwen? Dan hadt je toch een onbezorgd, gelukkig leven en je behoefde niet zóo nacht en dag te werken?Karel.Wat bedoel je nu?Louise.Ik meen.… als.… als.… bijvoorbeeld dat geld.… dat nog te kort komt, thans in eens kon worden aangezuiverd?Karel,ongeduldig.Geen kwaad idée! Maar.… zie jij daar kans toe? Ik zeker niet.Louise.Misschien wel, maar ik wil niets doen zonder je vooraf te hebben geraadpleegd.Karel,haar onder de kin strijkend.Wel, kind, dat vind ik heel lief van je.Louise.Och, dat daargelaten; je waart zoo even verwonderd mij[65]nog hier te vinden, de reden is, dat ik een bezoek heb gehad van een heer.Karel.Wàt blief?Louise.Van iemand, die met den stand uwer zaken bekend was. Kort en goed: die heer heeft mij ten huwelijk gevraagd en aangeboden het ontbrekende dadelijk te voldoen.Karel,gaat aan zijn lessenaar.Ik dacht niet, dat je me zoudt ophouden om aardigheden te vertellen.Louise.Volstrekt niet, Karel, ik verzeker je, dat het ernst is. Ik geef je er mijn woord op.Karel,opstaande.Ik geloof waarachtig dat.… En wat heb je dien man geantwoord?Louise.Ik heb een dag uitstel gevraagd, want hij wilde mij slechts het geld geven, onder voorwaarde dat ik zijn vrouw zou worden.Karel,haastig.Geldgeven! En wie is die man?Louise.Kan je ’t nog niet raden? Hij is vroeger dikwijls bij ons geweest. ’t Is wel geen vriend van ons, maar we hebben hem misschien ook wel wat al te hard beoordeeld. Hij heeftookzijn goede hoedanigheden.Karel,heftig.Dekkers!Louise.Nu ja, waarom niet?Karel.Louise, hoe hebt ge er over kunnen denken! Die huichelaar, die ellendeling! Hij wil ten tweeden male trachten je te dwingen! Kind, ik stel je goede bedoeling op prijs en[66]heb je er te liever om, maar, zoo waar ik leef, zal ik het beletten; versta mij wel, Louise, ik wil er nimmer iets van hooren!Louise,grijpt zijn hand.Karel, om Godswil! maak u niet zoo driftig! Ik heb je immers gezegd, dat alsgijniet wilt.…Karel.Er mag geen sprake van zijn. Liever hard gewerkt en volgehouden tot het uiterste, desnoods met opoffering van alles, dan vandienman een gunst aan te nemen! Gij zult hem afwijzen, Louise! Geef mij uw woord daarop. Bovendien zoudt ge immers niet alleen uzelve ongelukkig maken, niet waar? Denk aan Willem!Louise.O, aan hem heb ik wel gedacht, maar de strijd was mij zoo zwaar.(Zij omhelst hem.)Nu weet ik wat mij te doen staat, Karel.Karel.Dat is goed!Gijmoogt niet ongelukkig worden; hetgeen ik op mij nam zal ik zelf volbrengen. Al hangt mij nog het zwaarste boven het hoofd, ik hoop de crisis door te staan zooals het een man betaamt. Maar alleen de gedachte aan hetgeen mij nog wacht, drukt me verschrikkelijk ter neêr.Louise.Karel, wat verbleek je? Welke nieuwe ramp staat ons te wachten? O zeg het mij, ik bid het je. ’t Mocht anders weêr onverwachts komen.Karel.Stel je gerust, Louise.Onsbedreigt geen ongeluk. Alleen eischt de noodzakelijkheid vanmijeen offer; eer en plicht gebieden mij het te brengen. Voor onze familie zal het echter geen ramp zijn.… als ik ten minste.…Louise.Als gij?Karel.Niets, niets!(Glimlachend.)Laat mij nu alleen, Louise, en ga naar ma, die ik in druk gesprek met Willem heb[67]achtergelaten. Het wachten zal hem minder lang vallen als hij in uw gezelschap is.Louise.Geloof je dat? Nu, hoe het zij, als het te lang duurt, zend ik hem bij je, hoor!(Karel gaat zitten. Louise wil vertrekken.)Louise,bij de deur.Daar wordt geklopt!(Zij opent de deur.)[Inhoud]ZEVENDE TOONEEL.Karel,Louise,Anna,binnenkomende.Karel,opstaande, ter zijde.Nu reeds! O God, schenk me kracht en moed! Nu vooral!Louise,omhelst Anna.Dag lieve, beste Anna! Zie eens, Karel, daar is beter gezelschap voor je dan het mijne. Nu laat ik je samen alleen.Anna.Waarom zou je zoo dadelijk heengaan? Blijf bij ons, Louise.Louise.Neen, neen! Karel is zwaarmoedig! Niemand zal hem beter kunnen troosten dan gij. En dan, ik moet ook een zielzieke gaan verzorgen, maar ik kom toch gauw terug. Tot straks.(Louise af.)[Inhoud]ACHTSTE TOONEEL.Karel,Anna.Karel,Anna’s hand nemende.Wat zie je er ontstemd uit, Annalief! Er is toch niets, hoop ik …?[68]Anna,ernstig.Metmijniet. Ik vernam zoo even van uw moeder, dat je weêr je woord niet hebt gehouden om ’s nachts niet te werken.Karel.Och, ik zal mijn schade wel inhalen. Maak je maar niet ongerust, lieve.Anna.’t Is in je eigen belang! Je zult ziek worden.Karel.Dat willen we niet hopen. Mijn bezigheden zullen me niet ziek maken; het is voor mij een reden tot dankbaarheid, als mijn praktijk zich weêr eenigszins uitbreidt. ’t Is maar een vleugje, Anna, ’t ging in den laatsten tijd ook al bitter slecht. ’t Is waar, ik heb nu hard gewerkt en moet wat rust nemen, ik kan het niet meer zoo volhouden, als voor een paar jaren.Anna.Een reden te meer om je te ontzien. Je gezondheid gaat toch boven alles.Karel.Nu ja, mijn gezondheid, mijn gezondheid.… ’t Meest pijnigt me de gedachte, dat het nog lang zoo moet voortduren, als de zaken niet beter gaan;(zuchtend)anders is het eind niet te voorzien.Anna.’t Is wel treurig!Karel.Dat is het zeker. Terwijl ik in de eerste drie jaren na de ramp aardige sommen kon afdoen, zal het dit jaar niet veel bedragen.Anna,zuchtend.Men zou er op die wijze den moed bij verliezen.Karel.Ik heb er al lang over nagedacht en begrepen, dat het tijd is om krachtig te handelen, opdat wij nietbeidenvan de treurige omstandigheden het slachtoffer worden.[69]Anna.Och! wat zullen we er aan doen? We kunnen de zaak niet dwingen; maar dat hopeloos wachten, zoo zonder eenig vooruitzicht.… ’t is om er ziek van te worden.Karel.Dat is ook zoo en daarom wilde ik je een voorstel doen. Zie, ge zijt mij drie jaar lang in het ongeluk trouw gebleven; je hebt mij moed ingesproken, als ik neerslachtig was; zou het nu niet egoïstisch van me zijn, als ik diezelfde toewijding, wie weet hoeveel jaren nog van je zou eischen, als ik nog rechten op je wilde doen gelden, terwijl je wellicht gelukkig getrouwd hadt kunnen zijn?Anna.Karel! die taal!Karel.Is niet de taal van mijn hart, dat weet God! maar die, welke mijn gezond verstand mij ingeeft. Hoe pijnlijk dit ook voor mij is, in uw belang, Anna, ben ik verplicht u voor te stellen om onze verbintenis te verbreken. Herneem gij uw vrijheid,ikmag uw toekomst niet langer aan de mijne verbinden; daar is ze te duister voor.Anna.Maar dat is u toch geen ernst? Gij schertst, niet waar? Of bemint ge mij niet meer?Karel.Anna, juist omdat ik u liefheb, doe ik u dat voorstel. In een toestand als de mijne mag het gevoel het verstand niet beheerschen.Anna,na een korte pauze, langzaam.Misschien heb je gelijk en is het zóo beter voor ons beiden.Karel,ter zijde.O, God! wat blijft ze daar koel onder!(TotAnna.)’t Verheugt me, dat ge mij zóó goed en zoo spoedig begrijpt. Ik had gevreesd.… of liever =.… O, Anna, als ge wist welk een harden strijd ik gestreden heb, als ge wist hoe ik geworsteld heb om den drang van mijn hart te weerstaan en[70]het gezond verstand te doen zegevieren, dan.… dan hadt ge mijn smart niet beter kunnen verlichten, dan ge nu doet door uw kalmte, door uw.…Anna.Laten we bedaard blijven, Karel! ’t Doet ook mij innig leed van je te moeten scheiden, maar.… de noodzakelijkheid.…Karel.Zeker, zeker. We moeten.… Ik moet een voorbeeld nemen aan u. Vergeef me mijn opgewondenheid.Anna.Ik ben je er dankbaar voor, mijn vriend. Niet dat ik na alles wat er voorviel in de laatste jaren ooit had kunnen denken datgijme een scheiding zoudt hebben voorgesteld.Karel.Heb ik het zelf ooit gedacht!Anna.Nu het echter zoover is gekomen, billijk ik uw verlangen. Ik begrijp dat slechts de wreede noodzakelijkheid je noopte tot dien stap.Karel.Wreed? O God, zoo wreed! Slechts drie jaren van mijn leven ken ik haar vreeselijke macht en in dien korten tijd heeft ze met ijskoude hand de liefelijkste banden mijner ziel verscheurd, heeft ze als een kanker aan mijn leven geknaagd. De arbeid, dien ik vroeger vereerde en liefhad als de vrucht van mijn geest, werd me onverschillig, sedert de nood mij voortzweepte en me verlaagde tot werktuig. Waar is mijn schoone droom, om door studie eenmaal te schitteren onder de mannen der wetenschap! Hij vervloog in rook, toen de onverbiddelijke noodzakelijkheid mij dwong te woekeren met elk uur van den dag, zelfs van den nacht. En het eenige wat me overbleef, mijn liefde voor u.…Anna.Die ge zoo vaak uw steun noemdet in den tegenspoed …Karel.Mag dat niet langer zijn! Ik herhaal het: ik kan uw toekomst[71]niet afhankelijk stellen van de mijne. De noodzakelijkheid vordert, dat ik nog jaren lang werk om bevrijd te worden van den last, dien zij me oplegde. En als ik uit haar gareel ben ontslagen, als ik u eenmaal mijn vrouw zou mogen noemen, dan zouden uw schoonste levensjaren in sombere eentonigheid zijn voorbijgegaan en ik … ik zou voor u niets kunnen zijn dan een man, wiens gezondheid verzwakt, wiens energie verlamd was, een man zonder toekomst.… een treurige parodie op ’n jeugdig echtgenoot!Anna.Ge blijft dus bij uw voornemen?Karel.Het moet! Vraag mij niet langer. Ik voel, dat me de toestand ondragelijk wordt, dat mij de moed gaat ontzinken.Anna.Dus.… wij scheiden.(Karel knikt met het hoofd.)Laat ons dan kort zijn, Karel.(Zij reikt hem de hand.)Vaarwel, mijn beste en.… houd moed.(Karel omhelst haar vurig. Anna maakt zich uit zijn arm los.)Vaarwel, Karel, vaarwel!(Zij ijlt de middendeur uit, maar blijft daarachter staan en gluurt naar binnen.)[Inhoud]NEGENDE TOONEEL.Karel,alleen.Zij is weg! Voor altijd weg! Wat heb ik gedaan? Ik deed het in haar belang, maar thans is voor mij ook alles verloren! Zij was mijn grootste steun, waar ik behoefte had aan moed en wilskracht; met onderwerping en geduld schikte zij zich in haar lot en nu heeft ze mij verlaten! Maar ’t is immers mijn eigen schuld. Ik waardeerde haar opoffering niet genoeg. Ik zag niet in hoe deze juist het grootste bewijs harer liefde was, en ik waagde het te denken, dat ik zonder haar gelukkig zou kunnen zijn! Anna! lieve Anna, ik heb u miskend, nu gevoel ik eerst hoe lief ik u heb, en ikzelf heb u laten vertrekken! Anna! O God! Het is verschrikkelijk![72]Anna, vergeef het mij!(Hij zinkt op de canapé ineen.)(Anna door de middendeur op.)[Inhoud]TIENDE TOONEEL.Karel,Anna.Anna.Van ganscher harte, Karel, lieve Karel! Zie, ik ben niet vertrokken, en ik zal het ook niet doen.(Zij knielt bij hem neêr.)Vergeef mij, dat ik u bedroefde door u te verlaten. ’t Was mij geen ernst. Ik wilde slechts zien of je zóo van mij zoudt kunnen scheiden. Thans weet ik het beter. Ik zweer je Karel, dat ik je nooit zal verlaten.Karel,omhelst haar en richt haar op.Ik heb haar weder! O! dank, Anna, dank!Anna.Maar nu mijn voorwaarden!Karel.Stel ze; vraag me al wat mogelijk is, en ik zal het ten uitvoer brengen, als ik je slechts mag behouden.Anna.Wees niet bezorgd. Wij zullen bij elkaar blijven en wel ter dege; wij moeten gaan trouwen.Karel.O, was dàt waar, maar je weet immers, dat dit onmogelijk is.Anna.Misschien minder dan je denkt, Karel.Jijstelde mij zoo even een scheiding voor:ikstel je voor te gaan trouwen, enmijnvoorstel, dat verzeker ik je, is vrij wat ernstiger gemeend![73]Karel.Ik begrijp je niet, Anna,… en de schuld, die nog voldaan moet worden.…Anna,hem in de rede vallende.Ja, ja, ik weet hoeveel die op ’t oogenblik nog bedraagt. ’t Is je bekend, dat ik van mijn ouders een klein kapitaaltje erfde, nauwelijks genoeg om onafhankelijk te leven. Ik heb, lach niet! er meêgespeculeerd!Karel.Wat? gespeculeerd! Dat is onvergeeflijk.Anna.O, stel je gerust! Niet in Amerikaansche Sporen; omstreeks drie jaar geleden heb ik er aandeelen voor gekocht in een jeugdige, maar echt Nederlandsche onderneming, en op wiens raad denkt ge wel?Karel.Hoe kan ik dat raden?Anna.Op dien van een goed vriend: van Vredenburch. Welnu, die aandeelen zijn thans haast 50 percent gerezen, zoodat ik een aardig sommetje heb verdiend.Karel.Wel, dat is prachtig! Ik wensch je van harte geluk.Anna.Mij?Neenons, want zie, het was van ’t begin af aan mijn plan, zoodra ik kon, iets tot uw doel bij te dragen.Karel.Engel!Anna.Nu, dat is zoo erg niet. Ik ben dus, zooals ik zei, zuinig geweest en—zeg, Karel, je hebt vroeger m’n borduurwerk wel eens geprezen, niet waar?Karel.Ja, maar.…Anna.Geen maren! Ik heb,dank alweêr aan de tusschenkomst[74]van mijnheer en mevrouw Vredenburch, in alle stilte vrij wat geld met mijn arbeid verdiend. Kortom, mijn zaakjes zijn uitmuntend geslaagd en ik bezit thans genoeg om aan te vullen, wat u nog ontbreekt.(Zij haalt een portefeuille uit den zak.)Ziedaar! Beschik er over!Karel.Maar Anna! dat is te veel. Dat kan en mag ik niet aannemen!Anna.Waarom niet? Als je mij bemint, dan moogt ge geen bezwaren maken. Dit geld is immers geen geschenk, het is uw rechtmatig eigendom, want, zooals ik u gezegd heb: wij gaan trouwen.Karel,het geld aannemende.’t Is waar! Zóo kan het gaan, Anna, ja, ge zijt een engel. O God! welk een plotselinge omkeer! Wat voel ik me van een zwaren last ontheven!(Kusthaar.)[Inhoud]ELFDE TOONEEL.Karel, Anna, Louise met Verhagen gearmd binnenkomende, gevolgd door den heer en mevrouw Van Hogerveldt.(Mevrouw geleidt haar man naar een leunstoel. Van H. ziet, versuft, vóor zich.)Karel,tot Anna, op Verhagen en Louise wijzende.Wel, wel, zie me dat eens aan! Het schijnt, dat ook tusschen hen alles in orde is!Verhagen.Gelukkig! Louise heeft me alles verteld; aan jou heb ik het te danken, dat ze me thans niet voor de tweede maal bijna werd ontroofd. Ik heb dan ook maar flink gebruik gemaakt van den tijd, dien ik versleet met wachten op je brief.Karel,luchtig.Laat dien maar rusten! Maar.… heb je mama’s toestemming al?[75]Mevr. Van Hogerveldt.Ja! Wat zou ik mij langer daartegen verzetten. Als zoo’n stijfhoofdig kind haar zin wil hebben, dan is er toch geen garen meê te spinnen.Karel.Komaan, dat doet me genoegen. Ik feliciteer je van harte, en … wat ik vragen wilde, wanneer zullen we bruiloft vieren?Verhagen.Onze eerste afspraak is geweest, Karel, om niet te trouwen vóor u en Anna. Gij hebt daarmeê al zoo lang moeten wachten, nu wil Louise u niet vóor zijn.Karel.Ferm zoo, Louise, dat vind ik uitstekend; ik stel dan voor, dat we op denzelfden dag in het bootje stappen en dat wel binnen de drie maanden.Louise.Drie maanden? Maar wat … Ga je dan …?Karel.Ja, kind, zooals ik zeg: binnen drie maanden;(tot Anna)niet waar, lieve?Anna.O, ik neem er genoegen meê.Louise.Maar Karel, ik begrijp niet.…Verhagen.Och, maak ons nu niets wijs, vlei me niet met een ijdele hoop; je begrijpt, ik ben op het oogenblik in staat om alles te gelooven.Mevr. Van Hogerveldt.Ik sta er verstomd van! Hogerveldt, hoor je dat? Och neen, dat is waar ook! Maar kinderen, verklaart je toch nader! Daar vat ik nu niets van![76]Karel.O, ik weet wel wat jelui wilt zeggen.(TotLouise.)Zoo even heb ik u verboden geld aan te nemen, thans heb ik het zelf gedaan.Verhagen en Louise,tegelijk.Maar van wien dan?Karel,Anna’s hand nemende.Van een engel van goedheid en zelfopoffering, van haar!Verhagen,juichend.Bravo! dat stelt me gerust!Louise.Anna! O, duizendmaal dank!(Zij omhelst haar.)(Er wordt geklopt.)[Inhoud]TWAALFDE TOONEEL.De vorigen,Betje,binnenkomende.Betje,tot Karel.Mijnheer, daar zijn drie heeren voor u.Karel,lachend.Drie tegelijk? En wie zijn het?Betje.Ja, ik kan al die namen niet onthouden. Een ken ik er wel van, die is meer hier geweest: mijnheer Vredenburch!Karel.O zoo!(TotVerhagen.)Dan zijn het zeker Commissarissen, ofschoon ik niet recht begrijp, wat zij hier komen doen.(TotBetje.)Laat de heeren binnenkomen.Betje af.[77]Verhagen,(tot Karel.)Tot straks, ik zal maar zoolang heengaan.(Hij wil gaan.)Karel,hem tegenhoudende.Wel neen, Willem, je blijft hier, we hebben voor jou geen geheimen.[Inhoud]DERTIENDE TOONEEL.De vorigen,Vredenburch,ter Maten,Van Haaften.Karel.Weest zoo goed plaats te nemen, heeren. Ik had thans waarlijk niet op een bezoek van u gerekend. U ziet ons juist allen huiselijk bij elkaar.(Zij nemen plaats.)Mevr. Van Hogerveldt,tot haar echtgenoot.Hogerveldt, daar zijn Commissarissen, daar is mijnheer Vredenburch.(Neemt hem bij den arm en doet hem opstaan.)(Van Hogerveldt ziet wezenloos rond zonder te antwoorden, en gaat weêr zitten.)Karel.Verschoont mijn vader, heeren, u kent zijn toestand.Vredenburch,tot Karel.Mijnheer Van Hogerveldt, ik zal u met een enkel woord het doel onzer komst meêdeelen. Na de gebeurtenis, die in uw familie plaats greep, hebt gij een taak op u genomen, die slechts met de grootste zelfopoffering kon worden verricht. Tot nu toe hebt ge u hoogst loffelijk daarvan gekweten; ik heb geen woorden genoeg om u daarover onze[78]oprechte bewondering te betuigen; ’t was ons daarom een waar genoegen nu en dan aan de uitbreiding van uw praktijk bevorderlijk te kunnen zijn. Wat de door ons overgenomen schuld betreft, ze is tot op bijna de helft door u aangezuiverd. Om kort te gaan: wij hebben besloten u in uw moeielijke taak te gemoet te komen en u volledige kwijting aan te bieden. Neem die aan als een blijk van onze hoogachting en waardeering en als een bewijs, dat we ons persoonlijk voor een deel aansprakelijk hebben gevoeld.(Hij toont eene quitantie.)Zie hier, mijn vriend, geef dit uw vader, wellicht zal dit hem.…Karel.Ik dank u voor uw goede bedoelingen, heeren, maar de geestvermogens van mijn armen vader zijn, helaas! voor goed gekrenkt. U ziet het, hij hoort noch begrijpt iets van ’t geen hier voorvalt.Ikstel uw aanbod op hoogen prijs, weest daar zeker van, maar ik kan niets terugnemen van de verbintenis, die ik eenmaal aanging; de schuld mijns vaders zal door mij worden aangezuiverd tot op den laatsten penning.Vredenburch.Wanneer wij u daarvan ontheffen, daniszij immers aangezuiverd?Karel.Ik wil niet de minste smet op onzen naam laten kleven. Uw quitantie neem ik gaarne aan, doch alleen tegen afbetaling mijner schuld.(Hij haalt het bankpapier uit de portefeuille en neemt de quitantie aan.)Ziet hier, mijne heeren, hetgeen ik u nog schuldig ben, en dat ik het geluk heb te kunnen voldoen.(Vredenburch neemt het geld aan.)Ter Maten.Maar dat geld …Karel.Wasmijneigendom, mijnheer, en heeft thans zijn bestemming bereikt. Ik dank u allen voor het groote vertrouwen, dat u inmijhebt gesteld.[79]Van Haaften.Mijnheer Van Hogerveldt! ge zijt een man, wiens hart op de rechte plaats zit.Vredenburch.Het doet mij leed, dat ge ons aanbod niet hebt aangenomen, doch ik eerbiedig de redenen, die u daarvoor hebt; ze leggen slechts te schooner getuigenis voor u af.(Opstaande, tot Mevr. Van Hogerveldt.)Mevrouw! ik wensch u van harte geluk metzulkeen zoon![Inhoud]VEERTIENDE TOONEEL.De vorigen,Dekkers.Dekkers,binnenkomende, wil weêr heengaan.Pardon, ik dacht u alleen op uw kantoor te vinden, mijnheer Van Hogerveldt. Ik zal u niet storen.Karel,naar hem toegaande.O, u stoort ons volstrekt niet, mijnheer Dekkers. Ik heb u zelfs gewacht. U komt waarschijnlijk het antwoord vernemen op de vraag, die ge van morgen aan mijne zuster hebt gedaan?Dekkers,verlegen.Ik had … u gaarne … eerst nog willen spreken.Karel.Onnoodig, mijnheer. De zaak is mij geheel bekend.(Hij neemt Verhagen bij de hand.)Mag ik u mijn aanstaanden schoonbroeder voorstellen?De Gordijn valt.EINDE.[82]

DERDE BEDRIJF(3 jaren later.)Kamer in het huis van Mr. Karel Van Hogerveldt. Eenvoudig gemeubeld. Rechts schrijfbureau. Kast met boeken op den achtergrond. Op het bureau een brandende lamp. Karel is aan zijn bureau in slaap gevallen. Canapé links.

(3 jaren later.)

Kamer in het huis van Mr. Karel Van Hogerveldt. Eenvoudig gemeubeld. Rechts schrijfbureau. Kast met boeken op den achtergrond. Op het bureau een brandende lamp. Karel is aan zijn bureau in slaap gevallen. Canapé links.

[Inhoud]EERSTE TOONEEL.Mevr.Van Hogerveldt,Louise,Karel.Mevr. Van Hogerveldt en Louise komen door de achterdeur binnen.Mevr. Van Hogerveldt,zij blaast de lamp uit.Zie je nu wel, Louise, ik was toch niet ten onrechte bezorgd, toen hij niet aan het ontbijt kwam. ’t Is nu al elf uren. Hij heeft zeker weêr den ganschen nacht zitten werken en is eindelijk van vermoeidheid in slaap gevallen. Arme jongen!Louise.Karel offert zich geheel voor ons op, ma; wij zullen het hem nimmer kunnen vergelden.Mevr. Van Hogerveldt.Hij is een brave, edele jongen, dat moet ik zeggen; ik[55]heb hem al zoo dikwijls gevraagd om zijn gezondheid wat meer te ontzien. In die drie jaren, sedert ons het ongeluk trof, heeft hij meer dan hard gewerkt, en dat bijna uitsluitend voor ons; och, ik maak me zoo bevreesd, dat hij ziek zal worden.(Zij is aangedaan en gaat op de canapé zitten.)Louise.Maar, maatjelief, laten we hem dan wekken, hij moet naar bed gaan.Mevr. Van Hogerveldt.Ja, kind, dat moet hij ook, en van middag zullen we hem nog wel eens goed op het hart drukken, dat hij te veel van zijn krachten vergt.Louise.Zeker ma, dat moeten we doen, och we hebben toch al zóoveel met pa te stellen, vooral in den laatsten tijd, dat als nu Karel nog.….Mevr. Van Hogerveldt,snel.Kind, spreek me niet van je armen vader; die rampzalige gebeurtenis met dat ongelukkige geld heeft hem geheel geknakt. ’t Is of hij met den dag suffer en gevoelloozer wordt.(Karel wordt wakker zonder dat de anderen het bemerken.)Mevr. Van Hogerveldt,vervolgt.Och! ’t heeft me toch altijd zoo’n leed gedaan, dat je er vroeger maar niet in hebt toegestemd de vrouw van Dekkers te worden. Ik denk daar nog dikwijls aan.Louise.Hoe kunt u dat nù zeggen, nu we hem eerst van zijn ware zijde hebben leeren kennen?Mevr. Van Hogerveldt.Kind, als je zijn vrouw waart geworden, dan zou hij ons immers gespaard hebben.Karel,spottend.Wel zeker, Louise had maar met Dekkers moeten trouwen en ik met de een of andere rijke weduwe of dochter van[56]een millionnair, dan hadden we immersgeldgehad. Een heerlijk vooruitzicht, niet waar, ma? Al was er dan geen sprake van liefde.…Mevr. Van Hogerveldt,snel.Dan was je ten minste beiden rijk getrouwd en we zaten niet in zorgen!Karel,opstaande.Ja, rijk getrouwd! Goddank dat Louise en ik daar anders over dachten. Hoe verkeerd onze opvoeding ook was, ze gaf ons ruimschoots gelegenheid totzelfstandigeontwikkeling.Mevr. Van Hogerveldt,verontwaardigd.Natuurlijk deugde je opvoeding niet. ’t Is tegenwoordig een gewoonte van de kinderen om hun ouders dit te verwijten. Het «eert uw vader en uwe moeder» staat niet meer in den bijbel der hedendaagsche jongelui.Louise.O, moeder! En dat kunt ge hèm zeggen …?Mevr. Van Hogerveldt,verward.Nu ja.… ik bedoel niet dat.… ik meen.…Karel,lachend.Wat ik u bidden mag, ma, bespaar me het onaangename een verontschuldiging te moeten hooren.Mevr. Van Hogerveldt.Dat juist niet, maar je begrijpt, ik was al niet in mijn schik, toen ik bemerkte, dat je van nacht weêr hebt zitten werken en.… en.…Louise.En daardoor vergat ma voor een oogenblik, dat je zooveel voor ons hebt gedaan.Karel,met een beweging van ongeduld aan zijn schrijftafel gaande zitten.Wat praat je daar nu voor onzin, Louise.(Lachend.)Jijhebt wel eenige verplichting aan me, dat ontken ik niet,[57]want wie zou nu de zorg voor zoo’n nare, vervelende zus op zich willen nemen? Ja, misschien.…(Louise loopt naar hem toe en legt hem de hand op den mond. Karel neemt haar hand in de zijne en staat op.)Karel,ernstig.Maar met ma is dat iets anders. Er kan geen verplichting bestaan van ouders tegenover kinderen. Kijk, ma en ik hebben al jaren met elkaâr twist gehad, we zijn gewoon zoo wat over alles te kibbelen zonder het ooit kwaad te meenen. En nu de verhoudingen, wat het financiëele betreft, zijn veranderd, nu hoor ik mijn goede moeder, terwijl ze me eens flink mijn zondenregister wil gaan lezen, plotseling inbinden, omdat ze zich herinnert, dat ik mij voor mijn ouders eenige opoffering getroostte.(Hij gaat naar haar toe en omhelst haar.)Mevr. Van Hogerveldt.Je hebt gelijk, Karel. Het gebod, dat ik zooeven aanhaalde is wèl goed door u begrepen en opgevolgd. Maar beloof me nu, dat je voortaan meer voor je gezondheid zult waken, hè, dan benikgerust.Karel.Nu, maatje, dat zal wel schikken. U begrijpt wel, ’t is den eenen dag wat drukker dan den andere.Mevr. Van Hogerveldt.Goed, goed, maar volg nu mijn raad eens op en ga een uurtje naar bed. Ik ga in dien tijd naar boven om mij te kleeden en jij, Louise, zult den boel hier wel wat opredderen, niet waar? ’t Ziet er weêr schromelijk uit.Louise.Wel zeker, ma, ga maar gerust heen. Daar zal ik wel voor zorgen. Foei, wat een rommel.Karel,bij de middendeur.Gooi in ’s hemels naam mijn papieren niet door elkaâr.Louise.O, neen, voor die fraaie documenten heb ik alle respect.(Mevr.Van Hogerveldt en Karel af.)[58][Inhoud]TWEEDE TOONEEL.Louise,alleen.Komaan, ik ben blij, dat hij is gaan slapen. Alshijeens ziek werd, wat zouden we dan beginnen?(Zij kijkt rond.)Welk een verschil tusschen nu en voorheen! Toen slechts weelde en genot, thans niets dan onthouding en arbeid. Toen had pa een deftige betrekking, wij kwamen in de voornaamste kringen, en nu.… och, ’t meest doet het mij leed, dat die ongelukkige geldquaestie zooveel invloed op zijn gezondheid heeft gehad. En hoe lang zal het nog moeten duren vóor dat we geheel vrij zijn.…(Er wordt geklopt.)Daar wordt geklopt. Dat zal iemand voor Karel zijn. Enfin, we zullen zien. Binnen![Inhoud]DERDE TOONEEL.Louise,Betje.Betje,binnenkomende.Juffrouw, daar is een heer om u te spreken.Louise.Mij? Vroeg hij naarmij?Betje.Ja, hij vroeg bepaald naar juffrouw Louise.Louise.En hoe heet die heer?Betje.Dat weet ik niet. Hij zei alleen: zeg, dat ik de juffrouw dringend moet spreken, het betreft een zaak van aanbelang.Louise.Ja, maar.… ik weet niet.… hoe ziet hij er zoo wat uit? Is het eenjongmensch?[59]Betje,lachend.Jong? Heere bewaar me! Meer zout dan peper juffrouw! Ik denk, dat hij zoowat naar de zestig loopt.Louise,lachend.O! Nu, laat hem dàn maar binnen komen.Betje af.[Inhoud]VIERDE TOONEEL.Louise. DaarnaDekkers.Dekkers,groetend.Mejuffrouw!Louise,verschrikt, ter zijde.O God! had ik dat geweten.…!Dekkers.Vergeef me, dat ik zoo onverwachts tot u kom. U zult echter spoedig zien, dat mijn bezoek een gegronde reden heeft, dat.…Louise.Een oogenblik, mijnheer. Ik zal mijn broêr gaan zeggen, dat u.…(Zij wil gaan. Dekkers houdt haar tegen.)Dekkers.Pardon! Ik kom juist omute spreken.Louise.Dat kan wel zijn, maar ik betwijfel of mijn familie zou goedkeuren.… dat ik u in ons huis had toegelaten.Dekkers.O, dat zou ze zeker! Mijn bezoek is in aller belang. De onaangename toestand, waarin uwe familie.…Louise,snel.U behoeft mij dat niet in herinnering te brengen, evenmin als dat wij dien voornamelijk aan u te wijten hadden.Dekkers.Aan mij? Dat ontken ik ten stelligste. Ik was als commissaris[60]verplichtte spreken, er was een sterk vermoeden bij mij gerezen.Louise.Dan hadt u, als vadersvriend,ons moeten waarschuwen.Dekkers.Dat kon ik immers niet, zoo lang ik geen zekerheid had, maar toch heb ik u genoeg doen gevoelen, dat er reden bestond om te vreezen!Datzult ge u ook wel herinneren.Louise.Nu, ja!Dekkers.Ik heb uw hand gevraagd met de belofte, dat alles in orde zou komen, maar.… gij hebt niet gewild!Louise.O, neen, zeker niet! En zelfs als ik geweten had.… dan had ik misschien toch niet.… In elk geval, u bezigde toen onbestemde uitdrukkingen, die ik aan een andere oorzaak toeschreef, uitte slechts vermoedens die.…Dekkers,invallend.Die maar al te gegrond waren. Dat heeft de ervaring geleerd.Louise,trotsch.Hoe het zij, ik begrijp niet, waarom gij de onkieschheid hebt om op iets terug te komen, dat reeds lang vergeten moest zijn.Dekkers.’t Is geen onkieschheid, die mij daartoe noopt: ’t is veeleer het tegendeel.Louise.Het tegendeel?Dekkers.Zeker. Wilt ge mij een oogenblik aanhooren, alvorens te oordeelen?(Louise wijst een stoel aan; beiden gaan zitten.)De schuld uws vaders of liever die van uw broeder bedraagt thans nog f 30.000.[61]Louise.Maar dat is immers òòk niets nieuws, mijnheer.Dekkers,een beweging met de hand makende.Tot zijn eer moet ik zeggen, dat uw broêr zich een bovenmenschelijke inspanning beeft getroost om aan zijn belofte te kunnen voldoen. Het zal echter nog verscheidene jaren duren,vóordathij van zijn verplichting geheel zal zijn ontheven.Louise.Dat is waar; ’t is helaas! maar al te waar.Dekkers.Zijn huwelijk heeft hij al dien tijd moeten uitstellen.Louise.Och ja, daar denk ik dikwijls genoeg over! Dat hindert me nog het meest.Dekkers.’t Is ook recht verdrietig, en.….. wat niet minder zwaar weegt, zijn gezondheid lijdt, naar men mij zegt, onder al die meer dan drukke bezigheden. Het is dus hoog noodig dat er een verandering in dien toestand komt.Louise.O, ik wenschte het zoo gaarne voor hem, want ook ik vrees, dat hij ziek zal worden, als het zoo voortgaat, maar.… wie zal hem zijn taak helpen verlichten?Dekkers,met nadruk.Dat kuntgij, mejuffrouw, zoo ge slechts wilt.Louise.Ik? Och, wat!Dekkers,een portefeuille met bankpapier uit zijn zak nemende.Toch wel, juffrouw Louise. Vóor drie jaar hebt gij geweigerd mijn vrouw te worden; gij meendet toen, dat ik uw vadervalschbeschuldigde. Thans weet ge, dat ditnietzoo is, en dat uw familie reeds al dien tijd onder recht treurige omstandigheden gebukt gaat. Zooals ge zelve inziet, kan dit nog lang zoo voortduren, tenzij.….[62]Louise,snel.Tenzij?Dekkers.Tenzij gij mij nog uw hand wilt schenken. Na al hetgeen in uw familie voorviel en ondanks uw weigering, bleef ik u nog steeds beminnen.(Hij neemt het bankpapier uit zijn portefeuille.)Zie, Louise, hier is de nog ontbrekende som, ik stel ze ter uwer beschikking, ze isuweigendom, mits.… ge mij belooft.…(Hij grijpt haar hand. Louise heeft het gelaat afgewend en trekt hare hand terug.)Louise,ter zijde.O God, welk een beleediging! dat is verschrikkelijk!(Minachtendtot Dekkers.)Weg met dat geld, man!.…Koopman!Dekkers.Versta mij toch wel: gijverkooptuw liefde niet, gij schenkt ze mij in ruil voor de mijne; door dit geld aan te nemen, koopt ge echter het geluk van uwe ouders en wat misschien meer zegt, dat van uw broeder terug.Louise,aarzelend en aangedaan. Ter zijde.Arme vader! en Karel, ach, als hij eens.…Dekkers,invallend.Aarzelt ge nog? Kunt gij uw familie nog langer zien lijden? Zoudt gij ’t uzelve niet verwijten als Karel ziek werd, als hij misschien.…stierf?Louise,verschrikt.Sterven!.… O, God! als dat gebeurde.…(Ter zijde.)Wat moet ik beginnen? Wat moet ik doen?(Tot Dekkers.)Ik zal er mij op bedenken; morgen kunt ge mijn antwoord vernemen; ik wil eerst met Karel spreken.Dekkers,hij steekt de portefeuille in den zak.Zooals ge wilt. Overigens zal ik hem van middag, misschien straks nog, zelf komen bezoeken. Tot morgen dus, ik[63]hoop, dat gij ditmaal niet zult vergeten, dat erzooveelvan uw besluit afhangt.(Groetend.)Mejuffrouw!(Dekkers af.)[Inhoud]VIJFDE TOONEEL.Louise,alleen.Wàt te doen? Wàt te doen! Welk een vreeselijke toestand! Door zijne vrouw te worden red ik mijne ouders en Karel uit al hunne zorgen, maar aan den anderen kant.…. mijn leven te moeten slijten aan de zijde van dien ellendeling, dien ik haat, dien ik in ’t diepst van mijne ziel veracht, die ons eerst in het ongeluk heeft gestort en zich thans niet schaamt mij als een veile deern geld te bieden voor gehuichelde liefde.….…..(Zij gaat op de canapé zitten.)En die arme Willem dan?.….… O, ik weet zeker, dat hij mij bemint. Wat heeft hij Karel altijd trouw ter zijde gestaan en dat niet alleen als zijn vriend, maar ook met de hoop in het hart, dat ik eenmaal zijne vrouw zou worden; daarvan ben ik in mijne ziel overtuigd, en ik, och, laat ik het mij niet verhelen, ik voel immers reeds sedert lang, dat ik hem bemin; ik ben er zeker van, dat ook hij dit heeft bespeurd. En niemand, voor wien ik mijn gemoed kan uitstorten, niemand wien ik om raad kan vragen!(Karel komt door zijdeur binnen.)[Inhoud]ZESDE TOONEEL.LouiseenKarel.Karel,met een brief in de hand.Nog altijd hier, Louise? Je schijnt heel wat te doen gehad te hebben.Louise.En jij dan, ik dacht, dat je zoudt gaan slapen?[64]Karel.Dat was ook mijn plan, zusje, maar ik ontving daar juist een brief, dien ik genoodzaakt ben zoo spoedig mogelijk te beantwoorden.(Gaat aan zijn lessenaar zitten.)Louise.Kan er eerst een oogenblik voor mij overschieten?Karel.Is ’t zóo belangrijk, wat je te zeggen hebt? Heeft het zóo’n haast?Louise.Zoowel het een als het ander. ’t Betreft zoo goed u als mij.Karel.Wel verduiveld! je maakt me nieuwsgierig, zusje. Ik luister!Louise.Zou je ’t niet gelukkig vinden, Karel, als nu ’t oogenblik eens was gekomen, dat je kon gaan trouwen? Dan hadt je toch een onbezorgd, gelukkig leven en je behoefde niet zóo nacht en dag te werken?Karel.Wat bedoel je nu?Louise.Ik meen.… als.… als.… bijvoorbeeld dat geld.… dat nog te kort komt, thans in eens kon worden aangezuiverd?Karel,ongeduldig.Geen kwaad idée! Maar.… zie jij daar kans toe? Ik zeker niet.Louise.Misschien wel, maar ik wil niets doen zonder je vooraf te hebben geraadpleegd.Karel,haar onder de kin strijkend.Wel, kind, dat vind ik heel lief van je.Louise.Och, dat daargelaten; je waart zoo even verwonderd mij[65]nog hier te vinden, de reden is, dat ik een bezoek heb gehad van een heer.Karel.Wàt blief?Louise.Van iemand, die met den stand uwer zaken bekend was. Kort en goed: die heer heeft mij ten huwelijk gevraagd en aangeboden het ontbrekende dadelijk te voldoen.Karel,gaat aan zijn lessenaar.Ik dacht niet, dat je me zoudt ophouden om aardigheden te vertellen.Louise.Volstrekt niet, Karel, ik verzeker je, dat het ernst is. Ik geef je er mijn woord op.Karel,opstaande.Ik geloof waarachtig dat.… En wat heb je dien man geantwoord?Louise.Ik heb een dag uitstel gevraagd, want hij wilde mij slechts het geld geven, onder voorwaarde dat ik zijn vrouw zou worden.Karel,haastig.Geldgeven! En wie is die man?Louise.Kan je ’t nog niet raden? Hij is vroeger dikwijls bij ons geweest. ’t Is wel geen vriend van ons, maar we hebben hem misschien ook wel wat al te hard beoordeeld. Hij heeftookzijn goede hoedanigheden.Karel,heftig.Dekkers!Louise.Nu ja, waarom niet?Karel.Louise, hoe hebt ge er over kunnen denken! Die huichelaar, die ellendeling! Hij wil ten tweeden male trachten je te dwingen! Kind, ik stel je goede bedoeling op prijs en[66]heb je er te liever om, maar, zoo waar ik leef, zal ik het beletten; versta mij wel, Louise, ik wil er nimmer iets van hooren!Louise,grijpt zijn hand.Karel, om Godswil! maak u niet zoo driftig! Ik heb je immers gezegd, dat alsgijniet wilt.…Karel.Er mag geen sprake van zijn. Liever hard gewerkt en volgehouden tot het uiterste, desnoods met opoffering van alles, dan vandienman een gunst aan te nemen! Gij zult hem afwijzen, Louise! Geef mij uw woord daarop. Bovendien zoudt ge immers niet alleen uzelve ongelukkig maken, niet waar? Denk aan Willem!Louise.O, aan hem heb ik wel gedacht, maar de strijd was mij zoo zwaar.(Zij omhelst hem.)Nu weet ik wat mij te doen staat, Karel.Karel.Dat is goed!Gijmoogt niet ongelukkig worden; hetgeen ik op mij nam zal ik zelf volbrengen. Al hangt mij nog het zwaarste boven het hoofd, ik hoop de crisis door te staan zooals het een man betaamt. Maar alleen de gedachte aan hetgeen mij nog wacht, drukt me verschrikkelijk ter neêr.Louise.Karel, wat verbleek je? Welke nieuwe ramp staat ons te wachten? O zeg het mij, ik bid het je. ’t Mocht anders weêr onverwachts komen.Karel.Stel je gerust, Louise.Onsbedreigt geen ongeluk. Alleen eischt de noodzakelijkheid vanmijeen offer; eer en plicht gebieden mij het te brengen. Voor onze familie zal het echter geen ramp zijn.… als ik ten minste.…Louise.Als gij?Karel.Niets, niets!(Glimlachend.)Laat mij nu alleen, Louise, en ga naar ma, die ik in druk gesprek met Willem heb[67]achtergelaten. Het wachten zal hem minder lang vallen als hij in uw gezelschap is.Louise.Geloof je dat? Nu, hoe het zij, als het te lang duurt, zend ik hem bij je, hoor!(Karel gaat zitten. Louise wil vertrekken.)Louise,bij de deur.Daar wordt geklopt!(Zij opent de deur.)[Inhoud]ZEVENDE TOONEEL.Karel,Louise,Anna,binnenkomende.Karel,opstaande, ter zijde.Nu reeds! O God, schenk me kracht en moed! Nu vooral!Louise,omhelst Anna.Dag lieve, beste Anna! Zie eens, Karel, daar is beter gezelschap voor je dan het mijne. Nu laat ik je samen alleen.Anna.Waarom zou je zoo dadelijk heengaan? Blijf bij ons, Louise.Louise.Neen, neen! Karel is zwaarmoedig! Niemand zal hem beter kunnen troosten dan gij. En dan, ik moet ook een zielzieke gaan verzorgen, maar ik kom toch gauw terug. Tot straks.(Louise af.)[Inhoud]ACHTSTE TOONEEL.Karel,Anna.Karel,Anna’s hand nemende.Wat zie je er ontstemd uit, Annalief! Er is toch niets, hoop ik …?[68]Anna,ernstig.Metmijniet. Ik vernam zoo even van uw moeder, dat je weêr je woord niet hebt gehouden om ’s nachts niet te werken.Karel.Och, ik zal mijn schade wel inhalen. Maak je maar niet ongerust, lieve.Anna.’t Is in je eigen belang! Je zult ziek worden.Karel.Dat willen we niet hopen. Mijn bezigheden zullen me niet ziek maken; het is voor mij een reden tot dankbaarheid, als mijn praktijk zich weêr eenigszins uitbreidt. ’t Is maar een vleugje, Anna, ’t ging in den laatsten tijd ook al bitter slecht. ’t Is waar, ik heb nu hard gewerkt en moet wat rust nemen, ik kan het niet meer zoo volhouden, als voor een paar jaren.Anna.Een reden te meer om je te ontzien. Je gezondheid gaat toch boven alles.Karel.Nu ja, mijn gezondheid, mijn gezondheid.… ’t Meest pijnigt me de gedachte, dat het nog lang zoo moet voortduren, als de zaken niet beter gaan;(zuchtend)anders is het eind niet te voorzien.Anna.’t Is wel treurig!Karel.Dat is het zeker. Terwijl ik in de eerste drie jaren na de ramp aardige sommen kon afdoen, zal het dit jaar niet veel bedragen.Anna,zuchtend.Men zou er op die wijze den moed bij verliezen.Karel.Ik heb er al lang over nagedacht en begrepen, dat het tijd is om krachtig te handelen, opdat wij nietbeidenvan de treurige omstandigheden het slachtoffer worden.[69]Anna.Och! wat zullen we er aan doen? We kunnen de zaak niet dwingen; maar dat hopeloos wachten, zoo zonder eenig vooruitzicht.… ’t is om er ziek van te worden.Karel.Dat is ook zoo en daarom wilde ik je een voorstel doen. Zie, ge zijt mij drie jaar lang in het ongeluk trouw gebleven; je hebt mij moed ingesproken, als ik neerslachtig was; zou het nu niet egoïstisch van me zijn, als ik diezelfde toewijding, wie weet hoeveel jaren nog van je zou eischen, als ik nog rechten op je wilde doen gelden, terwijl je wellicht gelukkig getrouwd hadt kunnen zijn?Anna.Karel! die taal!Karel.Is niet de taal van mijn hart, dat weet God! maar die, welke mijn gezond verstand mij ingeeft. Hoe pijnlijk dit ook voor mij is, in uw belang, Anna, ben ik verplicht u voor te stellen om onze verbintenis te verbreken. Herneem gij uw vrijheid,ikmag uw toekomst niet langer aan de mijne verbinden; daar is ze te duister voor.Anna.Maar dat is u toch geen ernst? Gij schertst, niet waar? Of bemint ge mij niet meer?Karel.Anna, juist omdat ik u liefheb, doe ik u dat voorstel. In een toestand als de mijne mag het gevoel het verstand niet beheerschen.Anna,na een korte pauze, langzaam.Misschien heb je gelijk en is het zóo beter voor ons beiden.Karel,ter zijde.O, God! wat blijft ze daar koel onder!(TotAnna.)’t Verheugt me, dat ge mij zóó goed en zoo spoedig begrijpt. Ik had gevreesd.… of liever =.… O, Anna, als ge wist welk een harden strijd ik gestreden heb, als ge wist hoe ik geworsteld heb om den drang van mijn hart te weerstaan en[70]het gezond verstand te doen zegevieren, dan.… dan hadt ge mijn smart niet beter kunnen verlichten, dan ge nu doet door uw kalmte, door uw.…Anna.Laten we bedaard blijven, Karel! ’t Doet ook mij innig leed van je te moeten scheiden, maar.… de noodzakelijkheid.…Karel.Zeker, zeker. We moeten.… Ik moet een voorbeeld nemen aan u. Vergeef me mijn opgewondenheid.Anna.Ik ben je er dankbaar voor, mijn vriend. Niet dat ik na alles wat er voorviel in de laatste jaren ooit had kunnen denken datgijme een scheiding zoudt hebben voorgesteld.Karel.Heb ik het zelf ooit gedacht!Anna.Nu het echter zoover is gekomen, billijk ik uw verlangen. Ik begrijp dat slechts de wreede noodzakelijkheid je noopte tot dien stap.Karel.Wreed? O God, zoo wreed! Slechts drie jaren van mijn leven ken ik haar vreeselijke macht en in dien korten tijd heeft ze met ijskoude hand de liefelijkste banden mijner ziel verscheurd, heeft ze als een kanker aan mijn leven geknaagd. De arbeid, dien ik vroeger vereerde en liefhad als de vrucht van mijn geest, werd me onverschillig, sedert de nood mij voortzweepte en me verlaagde tot werktuig. Waar is mijn schoone droom, om door studie eenmaal te schitteren onder de mannen der wetenschap! Hij vervloog in rook, toen de onverbiddelijke noodzakelijkheid mij dwong te woekeren met elk uur van den dag, zelfs van den nacht. En het eenige wat me overbleef, mijn liefde voor u.…Anna.Die ge zoo vaak uw steun noemdet in den tegenspoed …Karel.Mag dat niet langer zijn! Ik herhaal het: ik kan uw toekomst[71]niet afhankelijk stellen van de mijne. De noodzakelijkheid vordert, dat ik nog jaren lang werk om bevrijd te worden van den last, dien zij me oplegde. En als ik uit haar gareel ben ontslagen, als ik u eenmaal mijn vrouw zou mogen noemen, dan zouden uw schoonste levensjaren in sombere eentonigheid zijn voorbijgegaan en ik … ik zou voor u niets kunnen zijn dan een man, wiens gezondheid verzwakt, wiens energie verlamd was, een man zonder toekomst.… een treurige parodie op ’n jeugdig echtgenoot!Anna.Ge blijft dus bij uw voornemen?Karel.Het moet! Vraag mij niet langer. Ik voel, dat me de toestand ondragelijk wordt, dat mij de moed gaat ontzinken.Anna.Dus.… wij scheiden.(Karel knikt met het hoofd.)Laat ons dan kort zijn, Karel.(Zij reikt hem de hand.)Vaarwel, mijn beste en.… houd moed.(Karel omhelst haar vurig. Anna maakt zich uit zijn arm los.)Vaarwel, Karel, vaarwel!(Zij ijlt de middendeur uit, maar blijft daarachter staan en gluurt naar binnen.)[Inhoud]NEGENDE TOONEEL.Karel,alleen.Zij is weg! Voor altijd weg! Wat heb ik gedaan? Ik deed het in haar belang, maar thans is voor mij ook alles verloren! Zij was mijn grootste steun, waar ik behoefte had aan moed en wilskracht; met onderwerping en geduld schikte zij zich in haar lot en nu heeft ze mij verlaten! Maar ’t is immers mijn eigen schuld. Ik waardeerde haar opoffering niet genoeg. Ik zag niet in hoe deze juist het grootste bewijs harer liefde was, en ik waagde het te denken, dat ik zonder haar gelukkig zou kunnen zijn! Anna! lieve Anna, ik heb u miskend, nu gevoel ik eerst hoe lief ik u heb, en ikzelf heb u laten vertrekken! Anna! O God! Het is verschrikkelijk![72]Anna, vergeef het mij!(Hij zinkt op de canapé ineen.)(Anna door de middendeur op.)[Inhoud]TIENDE TOONEEL.Karel,Anna.Anna.Van ganscher harte, Karel, lieve Karel! Zie, ik ben niet vertrokken, en ik zal het ook niet doen.(Zij knielt bij hem neêr.)Vergeef mij, dat ik u bedroefde door u te verlaten. ’t Was mij geen ernst. Ik wilde slechts zien of je zóo van mij zoudt kunnen scheiden. Thans weet ik het beter. Ik zweer je Karel, dat ik je nooit zal verlaten.Karel,omhelst haar en richt haar op.Ik heb haar weder! O! dank, Anna, dank!Anna.Maar nu mijn voorwaarden!Karel.Stel ze; vraag me al wat mogelijk is, en ik zal het ten uitvoer brengen, als ik je slechts mag behouden.Anna.Wees niet bezorgd. Wij zullen bij elkaar blijven en wel ter dege; wij moeten gaan trouwen.Karel.O, was dàt waar, maar je weet immers, dat dit onmogelijk is.Anna.Misschien minder dan je denkt, Karel.Jijstelde mij zoo even een scheiding voor:ikstel je voor te gaan trouwen, enmijnvoorstel, dat verzeker ik je, is vrij wat ernstiger gemeend![73]Karel.Ik begrijp je niet, Anna,… en de schuld, die nog voldaan moet worden.…Anna,hem in de rede vallende.Ja, ja, ik weet hoeveel die op ’t oogenblik nog bedraagt. ’t Is je bekend, dat ik van mijn ouders een klein kapitaaltje erfde, nauwelijks genoeg om onafhankelijk te leven. Ik heb, lach niet! er meêgespeculeerd!Karel.Wat? gespeculeerd! Dat is onvergeeflijk.Anna.O, stel je gerust! Niet in Amerikaansche Sporen; omstreeks drie jaar geleden heb ik er aandeelen voor gekocht in een jeugdige, maar echt Nederlandsche onderneming, en op wiens raad denkt ge wel?Karel.Hoe kan ik dat raden?Anna.Op dien van een goed vriend: van Vredenburch. Welnu, die aandeelen zijn thans haast 50 percent gerezen, zoodat ik een aardig sommetje heb verdiend.Karel.Wel, dat is prachtig! Ik wensch je van harte geluk.Anna.Mij?Neenons, want zie, het was van ’t begin af aan mijn plan, zoodra ik kon, iets tot uw doel bij te dragen.Karel.Engel!Anna.Nu, dat is zoo erg niet. Ik ben dus, zooals ik zei, zuinig geweest en—zeg, Karel, je hebt vroeger m’n borduurwerk wel eens geprezen, niet waar?Karel.Ja, maar.…Anna.Geen maren! Ik heb,dank alweêr aan de tusschenkomst[74]van mijnheer en mevrouw Vredenburch, in alle stilte vrij wat geld met mijn arbeid verdiend. Kortom, mijn zaakjes zijn uitmuntend geslaagd en ik bezit thans genoeg om aan te vullen, wat u nog ontbreekt.(Zij haalt een portefeuille uit den zak.)Ziedaar! Beschik er over!Karel.Maar Anna! dat is te veel. Dat kan en mag ik niet aannemen!Anna.Waarom niet? Als je mij bemint, dan moogt ge geen bezwaren maken. Dit geld is immers geen geschenk, het is uw rechtmatig eigendom, want, zooals ik u gezegd heb: wij gaan trouwen.Karel,het geld aannemende.’t Is waar! Zóo kan het gaan, Anna, ja, ge zijt een engel. O God! welk een plotselinge omkeer! Wat voel ik me van een zwaren last ontheven!(Kusthaar.)[Inhoud]ELFDE TOONEEL.Karel, Anna, Louise met Verhagen gearmd binnenkomende, gevolgd door den heer en mevrouw Van Hogerveldt.(Mevrouw geleidt haar man naar een leunstoel. Van H. ziet, versuft, vóor zich.)Karel,tot Anna, op Verhagen en Louise wijzende.Wel, wel, zie me dat eens aan! Het schijnt, dat ook tusschen hen alles in orde is!Verhagen.Gelukkig! Louise heeft me alles verteld; aan jou heb ik het te danken, dat ze me thans niet voor de tweede maal bijna werd ontroofd. Ik heb dan ook maar flink gebruik gemaakt van den tijd, dien ik versleet met wachten op je brief.Karel,luchtig.Laat dien maar rusten! Maar.… heb je mama’s toestemming al?[75]Mevr. Van Hogerveldt.Ja! Wat zou ik mij langer daartegen verzetten. Als zoo’n stijfhoofdig kind haar zin wil hebben, dan is er toch geen garen meê te spinnen.Karel.Komaan, dat doet me genoegen. Ik feliciteer je van harte, en … wat ik vragen wilde, wanneer zullen we bruiloft vieren?Verhagen.Onze eerste afspraak is geweest, Karel, om niet te trouwen vóor u en Anna. Gij hebt daarmeê al zoo lang moeten wachten, nu wil Louise u niet vóor zijn.Karel.Ferm zoo, Louise, dat vind ik uitstekend; ik stel dan voor, dat we op denzelfden dag in het bootje stappen en dat wel binnen de drie maanden.Louise.Drie maanden? Maar wat … Ga je dan …?Karel.Ja, kind, zooals ik zeg: binnen drie maanden;(tot Anna)niet waar, lieve?Anna.O, ik neem er genoegen meê.Louise.Maar Karel, ik begrijp niet.…Verhagen.Och, maak ons nu niets wijs, vlei me niet met een ijdele hoop; je begrijpt, ik ben op het oogenblik in staat om alles te gelooven.Mevr. Van Hogerveldt.Ik sta er verstomd van! Hogerveldt, hoor je dat? Och neen, dat is waar ook! Maar kinderen, verklaart je toch nader! Daar vat ik nu niets van![76]Karel.O, ik weet wel wat jelui wilt zeggen.(TotLouise.)Zoo even heb ik u verboden geld aan te nemen, thans heb ik het zelf gedaan.Verhagen en Louise,tegelijk.Maar van wien dan?Karel,Anna’s hand nemende.Van een engel van goedheid en zelfopoffering, van haar!Verhagen,juichend.Bravo! dat stelt me gerust!Louise.Anna! O, duizendmaal dank!(Zij omhelst haar.)(Er wordt geklopt.)[Inhoud]TWAALFDE TOONEEL.De vorigen,Betje,binnenkomende.Betje,tot Karel.Mijnheer, daar zijn drie heeren voor u.Karel,lachend.Drie tegelijk? En wie zijn het?Betje.Ja, ik kan al die namen niet onthouden. Een ken ik er wel van, die is meer hier geweest: mijnheer Vredenburch!Karel.O zoo!(TotVerhagen.)Dan zijn het zeker Commissarissen, ofschoon ik niet recht begrijp, wat zij hier komen doen.(TotBetje.)Laat de heeren binnenkomen.Betje af.[77]Verhagen,(tot Karel.)Tot straks, ik zal maar zoolang heengaan.(Hij wil gaan.)Karel,hem tegenhoudende.Wel neen, Willem, je blijft hier, we hebben voor jou geen geheimen.[Inhoud]DERTIENDE TOONEEL.De vorigen,Vredenburch,ter Maten,Van Haaften.Karel.Weest zoo goed plaats te nemen, heeren. Ik had thans waarlijk niet op een bezoek van u gerekend. U ziet ons juist allen huiselijk bij elkaar.(Zij nemen plaats.)Mevr. Van Hogerveldt,tot haar echtgenoot.Hogerveldt, daar zijn Commissarissen, daar is mijnheer Vredenburch.(Neemt hem bij den arm en doet hem opstaan.)(Van Hogerveldt ziet wezenloos rond zonder te antwoorden, en gaat weêr zitten.)Karel.Verschoont mijn vader, heeren, u kent zijn toestand.Vredenburch,tot Karel.Mijnheer Van Hogerveldt, ik zal u met een enkel woord het doel onzer komst meêdeelen. Na de gebeurtenis, die in uw familie plaats greep, hebt gij een taak op u genomen, die slechts met de grootste zelfopoffering kon worden verricht. Tot nu toe hebt ge u hoogst loffelijk daarvan gekweten; ik heb geen woorden genoeg om u daarover onze[78]oprechte bewondering te betuigen; ’t was ons daarom een waar genoegen nu en dan aan de uitbreiding van uw praktijk bevorderlijk te kunnen zijn. Wat de door ons overgenomen schuld betreft, ze is tot op bijna de helft door u aangezuiverd. Om kort te gaan: wij hebben besloten u in uw moeielijke taak te gemoet te komen en u volledige kwijting aan te bieden. Neem die aan als een blijk van onze hoogachting en waardeering en als een bewijs, dat we ons persoonlijk voor een deel aansprakelijk hebben gevoeld.(Hij toont eene quitantie.)Zie hier, mijn vriend, geef dit uw vader, wellicht zal dit hem.…Karel.Ik dank u voor uw goede bedoelingen, heeren, maar de geestvermogens van mijn armen vader zijn, helaas! voor goed gekrenkt. U ziet het, hij hoort noch begrijpt iets van ’t geen hier voorvalt.Ikstel uw aanbod op hoogen prijs, weest daar zeker van, maar ik kan niets terugnemen van de verbintenis, die ik eenmaal aanging; de schuld mijns vaders zal door mij worden aangezuiverd tot op den laatsten penning.Vredenburch.Wanneer wij u daarvan ontheffen, daniszij immers aangezuiverd?Karel.Ik wil niet de minste smet op onzen naam laten kleven. Uw quitantie neem ik gaarne aan, doch alleen tegen afbetaling mijner schuld.(Hij haalt het bankpapier uit de portefeuille en neemt de quitantie aan.)Ziet hier, mijne heeren, hetgeen ik u nog schuldig ben, en dat ik het geluk heb te kunnen voldoen.(Vredenburch neemt het geld aan.)Ter Maten.Maar dat geld …Karel.Wasmijneigendom, mijnheer, en heeft thans zijn bestemming bereikt. Ik dank u allen voor het groote vertrouwen, dat u inmijhebt gesteld.[79]Van Haaften.Mijnheer Van Hogerveldt! ge zijt een man, wiens hart op de rechte plaats zit.Vredenburch.Het doet mij leed, dat ge ons aanbod niet hebt aangenomen, doch ik eerbiedig de redenen, die u daarvoor hebt; ze leggen slechts te schooner getuigenis voor u af.(Opstaande, tot Mevr. Van Hogerveldt.)Mevrouw! ik wensch u van harte geluk metzulkeen zoon![Inhoud]VEERTIENDE TOONEEL.De vorigen,Dekkers.Dekkers,binnenkomende, wil weêr heengaan.Pardon, ik dacht u alleen op uw kantoor te vinden, mijnheer Van Hogerveldt. Ik zal u niet storen.Karel,naar hem toegaande.O, u stoort ons volstrekt niet, mijnheer Dekkers. Ik heb u zelfs gewacht. U komt waarschijnlijk het antwoord vernemen op de vraag, die ge van morgen aan mijne zuster hebt gedaan?Dekkers,verlegen.Ik had … u gaarne … eerst nog willen spreken.Karel.Onnoodig, mijnheer. De zaak is mij geheel bekend.(Hij neemt Verhagen bij de hand.)Mag ik u mijn aanstaanden schoonbroeder voorstellen?De Gordijn valt.EINDE.[82]

[Inhoud]EERSTE TOONEEL.Mevr.Van Hogerveldt,Louise,Karel.Mevr. Van Hogerveldt en Louise komen door de achterdeur binnen.Mevr. Van Hogerveldt,zij blaast de lamp uit.Zie je nu wel, Louise, ik was toch niet ten onrechte bezorgd, toen hij niet aan het ontbijt kwam. ’t Is nu al elf uren. Hij heeft zeker weêr den ganschen nacht zitten werken en is eindelijk van vermoeidheid in slaap gevallen. Arme jongen!Louise.Karel offert zich geheel voor ons op, ma; wij zullen het hem nimmer kunnen vergelden.Mevr. Van Hogerveldt.Hij is een brave, edele jongen, dat moet ik zeggen; ik[55]heb hem al zoo dikwijls gevraagd om zijn gezondheid wat meer te ontzien. In die drie jaren, sedert ons het ongeluk trof, heeft hij meer dan hard gewerkt, en dat bijna uitsluitend voor ons; och, ik maak me zoo bevreesd, dat hij ziek zal worden.(Zij is aangedaan en gaat op de canapé zitten.)Louise.Maar, maatjelief, laten we hem dan wekken, hij moet naar bed gaan.Mevr. Van Hogerveldt.Ja, kind, dat moet hij ook, en van middag zullen we hem nog wel eens goed op het hart drukken, dat hij te veel van zijn krachten vergt.Louise.Zeker ma, dat moeten we doen, och we hebben toch al zóoveel met pa te stellen, vooral in den laatsten tijd, dat als nu Karel nog.….Mevr. Van Hogerveldt,snel.Kind, spreek me niet van je armen vader; die rampzalige gebeurtenis met dat ongelukkige geld heeft hem geheel geknakt. ’t Is of hij met den dag suffer en gevoelloozer wordt.(Karel wordt wakker zonder dat de anderen het bemerken.)Mevr. Van Hogerveldt,vervolgt.Och! ’t heeft me toch altijd zoo’n leed gedaan, dat je er vroeger maar niet in hebt toegestemd de vrouw van Dekkers te worden. Ik denk daar nog dikwijls aan.Louise.Hoe kunt u dat nù zeggen, nu we hem eerst van zijn ware zijde hebben leeren kennen?Mevr. Van Hogerveldt.Kind, als je zijn vrouw waart geworden, dan zou hij ons immers gespaard hebben.Karel,spottend.Wel zeker, Louise had maar met Dekkers moeten trouwen en ik met de een of andere rijke weduwe of dochter van[56]een millionnair, dan hadden we immersgeldgehad. Een heerlijk vooruitzicht, niet waar, ma? Al was er dan geen sprake van liefde.…Mevr. Van Hogerveldt,snel.Dan was je ten minste beiden rijk getrouwd en we zaten niet in zorgen!Karel,opstaande.Ja, rijk getrouwd! Goddank dat Louise en ik daar anders over dachten. Hoe verkeerd onze opvoeding ook was, ze gaf ons ruimschoots gelegenheid totzelfstandigeontwikkeling.Mevr. Van Hogerveldt,verontwaardigd.Natuurlijk deugde je opvoeding niet. ’t Is tegenwoordig een gewoonte van de kinderen om hun ouders dit te verwijten. Het «eert uw vader en uwe moeder» staat niet meer in den bijbel der hedendaagsche jongelui.Louise.O, moeder! En dat kunt ge hèm zeggen …?Mevr. Van Hogerveldt,verward.Nu ja.… ik bedoel niet dat.… ik meen.…Karel,lachend.Wat ik u bidden mag, ma, bespaar me het onaangename een verontschuldiging te moeten hooren.Mevr. Van Hogerveldt.Dat juist niet, maar je begrijpt, ik was al niet in mijn schik, toen ik bemerkte, dat je van nacht weêr hebt zitten werken en.… en.…Louise.En daardoor vergat ma voor een oogenblik, dat je zooveel voor ons hebt gedaan.Karel,met een beweging van ongeduld aan zijn schrijftafel gaande zitten.Wat praat je daar nu voor onzin, Louise.(Lachend.)Jijhebt wel eenige verplichting aan me, dat ontken ik niet,[57]want wie zou nu de zorg voor zoo’n nare, vervelende zus op zich willen nemen? Ja, misschien.…(Louise loopt naar hem toe en legt hem de hand op den mond. Karel neemt haar hand in de zijne en staat op.)Karel,ernstig.Maar met ma is dat iets anders. Er kan geen verplichting bestaan van ouders tegenover kinderen. Kijk, ma en ik hebben al jaren met elkaâr twist gehad, we zijn gewoon zoo wat over alles te kibbelen zonder het ooit kwaad te meenen. En nu de verhoudingen, wat het financiëele betreft, zijn veranderd, nu hoor ik mijn goede moeder, terwijl ze me eens flink mijn zondenregister wil gaan lezen, plotseling inbinden, omdat ze zich herinnert, dat ik mij voor mijn ouders eenige opoffering getroostte.(Hij gaat naar haar toe en omhelst haar.)Mevr. Van Hogerveldt.Je hebt gelijk, Karel. Het gebod, dat ik zooeven aanhaalde is wèl goed door u begrepen en opgevolgd. Maar beloof me nu, dat je voortaan meer voor je gezondheid zult waken, hè, dan benikgerust.Karel.Nu, maatje, dat zal wel schikken. U begrijpt wel, ’t is den eenen dag wat drukker dan den andere.Mevr. Van Hogerveldt.Goed, goed, maar volg nu mijn raad eens op en ga een uurtje naar bed. Ik ga in dien tijd naar boven om mij te kleeden en jij, Louise, zult den boel hier wel wat opredderen, niet waar? ’t Ziet er weêr schromelijk uit.Louise.Wel zeker, ma, ga maar gerust heen. Daar zal ik wel voor zorgen. Foei, wat een rommel.Karel,bij de middendeur.Gooi in ’s hemels naam mijn papieren niet door elkaâr.Louise.O, neen, voor die fraaie documenten heb ik alle respect.(Mevr.Van Hogerveldt en Karel af.)[58]

EERSTE TOONEEL.Mevr.Van Hogerveldt,Louise,Karel.Mevr. Van Hogerveldt en Louise komen door de achterdeur binnen.Mevr. Van Hogerveldt,zij blaast de lamp uit.Zie je nu wel, Louise, ik was toch niet ten onrechte bezorgd, toen hij niet aan het ontbijt kwam. ’t Is nu al elf uren. Hij heeft zeker weêr den ganschen nacht zitten werken en is eindelijk van vermoeidheid in slaap gevallen. Arme jongen!Louise.Karel offert zich geheel voor ons op, ma; wij zullen het hem nimmer kunnen vergelden.Mevr. Van Hogerveldt.Hij is een brave, edele jongen, dat moet ik zeggen; ik[55]heb hem al zoo dikwijls gevraagd om zijn gezondheid wat meer te ontzien. In die drie jaren, sedert ons het ongeluk trof, heeft hij meer dan hard gewerkt, en dat bijna uitsluitend voor ons; och, ik maak me zoo bevreesd, dat hij ziek zal worden.(Zij is aangedaan en gaat op de canapé zitten.)Louise.Maar, maatjelief, laten we hem dan wekken, hij moet naar bed gaan.Mevr. Van Hogerveldt.Ja, kind, dat moet hij ook, en van middag zullen we hem nog wel eens goed op het hart drukken, dat hij te veel van zijn krachten vergt.Louise.Zeker ma, dat moeten we doen, och we hebben toch al zóoveel met pa te stellen, vooral in den laatsten tijd, dat als nu Karel nog.….Mevr. Van Hogerveldt,snel.Kind, spreek me niet van je armen vader; die rampzalige gebeurtenis met dat ongelukkige geld heeft hem geheel geknakt. ’t Is of hij met den dag suffer en gevoelloozer wordt.(Karel wordt wakker zonder dat de anderen het bemerken.)Mevr. Van Hogerveldt,vervolgt.Och! ’t heeft me toch altijd zoo’n leed gedaan, dat je er vroeger maar niet in hebt toegestemd de vrouw van Dekkers te worden. Ik denk daar nog dikwijls aan.Louise.Hoe kunt u dat nù zeggen, nu we hem eerst van zijn ware zijde hebben leeren kennen?Mevr. Van Hogerveldt.Kind, als je zijn vrouw waart geworden, dan zou hij ons immers gespaard hebben.Karel,spottend.Wel zeker, Louise had maar met Dekkers moeten trouwen en ik met de een of andere rijke weduwe of dochter van[56]een millionnair, dan hadden we immersgeldgehad. Een heerlijk vooruitzicht, niet waar, ma? Al was er dan geen sprake van liefde.…Mevr. Van Hogerveldt,snel.Dan was je ten minste beiden rijk getrouwd en we zaten niet in zorgen!Karel,opstaande.Ja, rijk getrouwd! Goddank dat Louise en ik daar anders over dachten. Hoe verkeerd onze opvoeding ook was, ze gaf ons ruimschoots gelegenheid totzelfstandigeontwikkeling.Mevr. Van Hogerveldt,verontwaardigd.Natuurlijk deugde je opvoeding niet. ’t Is tegenwoordig een gewoonte van de kinderen om hun ouders dit te verwijten. Het «eert uw vader en uwe moeder» staat niet meer in den bijbel der hedendaagsche jongelui.Louise.O, moeder! En dat kunt ge hèm zeggen …?Mevr. Van Hogerveldt,verward.Nu ja.… ik bedoel niet dat.… ik meen.…Karel,lachend.Wat ik u bidden mag, ma, bespaar me het onaangename een verontschuldiging te moeten hooren.Mevr. Van Hogerveldt.Dat juist niet, maar je begrijpt, ik was al niet in mijn schik, toen ik bemerkte, dat je van nacht weêr hebt zitten werken en.… en.…Louise.En daardoor vergat ma voor een oogenblik, dat je zooveel voor ons hebt gedaan.Karel,met een beweging van ongeduld aan zijn schrijftafel gaande zitten.Wat praat je daar nu voor onzin, Louise.(Lachend.)Jijhebt wel eenige verplichting aan me, dat ontken ik niet,[57]want wie zou nu de zorg voor zoo’n nare, vervelende zus op zich willen nemen? Ja, misschien.…(Louise loopt naar hem toe en legt hem de hand op den mond. Karel neemt haar hand in de zijne en staat op.)Karel,ernstig.Maar met ma is dat iets anders. Er kan geen verplichting bestaan van ouders tegenover kinderen. Kijk, ma en ik hebben al jaren met elkaâr twist gehad, we zijn gewoon zoo wat over alles te kibbelen zonder het ooit kwaad te meenen. En nu de verhoudingen, wat het financiëele betreft, zijn veranderd, nu hoor ik mijn goede moeder, terwijl ze me eens flink mijn zondenregister wil gaan lezen, plotseling inbinden, omdat ze zich herinnert, dat ik mij voor mijn ouders eenige opoffering getroostte.(Hij gaat naar haar toe en omhelst haar.)Mevr. Van Hogerveldt.Je hebt gelijk, Karel. Het gebod, dat ik zooeven aanhaalde is wèl goed door u begrepen en opgevolgd. Maar beloof me nu, dat je voortaan meer voor je gezondheid zult waken, hè, dan benikgerust.Karel.Nu, maatje, dat zal wel schikken. U begrijpt wel, ’t is den eenen dag wat drukker dan den andere.Mevr. Van Hogerveldt.Goed, goed, maar volg nu mijn raad eens op en ga een uurtje naar bed. Ik ga in dien tijd naar boven om mij te kleeden en jij, Louise, zult den boel hier wel wat opredderen, niet waar? ’t Ziet er weêr schromelijk uit.Louise.Wel zeker, ma, ga maar gerust heen. Daar zal ik wel voor zorgen. Foei, wat een rommel.Karel,bij de middendeur.Gooi in ’s hemels naam mijn papieren niet door elkaâr.Louise.O, neen, voor die fraaie documenten heb ik alle respect.(Mevr.Van Hogerveldt en Karel af.)[58]

Mevr.Van Hogerveldt,Louise,Karel.

Mevr. Van Hogerveldt en Louise komen door de achterdeur binnen.

Mevr. Van Hogerveldt,zij blaast de lamp uit.Zie je nu wel, Louise, ik was toch niet ten onrechte bezorgd, toen hij niet aan het ontbijt kwam. ’t Is nu al elf uren. Hij heeft zeker weêr den ganschen nacht zitten werken en is eindelijk van vermoeidheid in slaap gevallen. Arme jongen!

Mevr. Van Hogerveldt,zij blaast de lamp uit.

Zie je nu wel, Louise, ik was toch niet ten onrechte bezorgd, toen hij niet aan het ontbijt kwam. ’t Is nu al elf uren. Hij heeft zeker weêr den ganschen nacht zitten werken en is eindelijk van vermoeidheid in slaap gevallen. Arme jongen!

Louise.Karel offert zich geheel voor ons op, ma; wij zullen het hem nimmer kunnen vergelden.

Louise.

Karel offert zich geheel voor ons op, ma; wij zullen het hem nimmer kunnen vergelden.

Mevr. Van Hogerveldt.Hij is een brave, edele jongen, dat moet ik zeggen; ik[55]heb hem al zoo dikwijls gevraagd om zijn gezondheid wat meer te ontzien. In die drie jaren, sedert ons het ongeluk trof, heeft hij meer dan hard gewerkt, en dat bijna uitsluitend voor ons; och, ik maak me zoo bevreesd, dat hij ziek zal worden.(Zij is aangedaan en gaat op de canapé zitten.)

Mevr. Van Hogerveldt.

Hij is een brave, edele jongen, dat moet ik zeggen; ik[55]heb hem al zoo dikwijls gevraagd om zijn gezondheid wat meer te ontzien. In die drie jaren, sedert ons het ongeluk trof, heeft hij meer dan hard gewerkt, en dat bijna uitsluitend voor ons; och, ik maak me zoo bevreesd, dat hij ziek zal worden.(Zij is aangedaan en gaat op de canapé zitten.)

Louise.Maar, maatjelief, laten we hem dan wekken, hij moet naar bed gaan.

Louise.

Maar, maatjelief, laten we hem dan wekken, hij moet naar bed gaan.

Mevr. Van Hogerveldt.Ja, kind, dat moet hij ook, en van middag zullen we hem nog wel eens goed op het hart drukken, dat hij te veel van zijn krachten vergt.

Mevr. Van Hogerveldt.

Ja, kind, dat moet hij ook, en van middag zullen we hem nog wel eens goed op het hart drukken, dat hij te veel van zijn krachten vergt.

Louise.Zeker ma, dat moeten we doen, och we hebben toch al zóoveel met pa te stellen, vooral in den laatsten tijd, dat als nu Karel nog.….

Louise.

Zeker ma, dat moeten we doen, och we hebben toch al zóoveel met pa te stellen, vooral in den laatsten tijd, dat als nu Karel nog.….

Mevr. Van Hogerveldt,snel.Kind, spreek me niet van je armen vader; die rampzalige gebeurtenis met dat ongelukkige geld heeft hem geheel geknakt. ’t Is of hij met den dag suffer en gevoelloozer wordt.

Mevr. Van Hogerveldt,snel.

Kind, spreek me niet van je armen vader; die rampzalige gebeurtenis met dat ongelukkige geld heeft hem geheel geknakt. ’t Is of hij met den dag suffer en gevoelloozer wordt.

(Karel wordt wakker zonder dat de anderen het bemerken.)

Mevr. Van Hogerveldt,vervolgt.Och! ’t heeft me toch altijd zoo’n leed gedaan, dat je er vroeger maar niet in hebt toegestemd de vrouw van Dekkers te worden. Ik denk daar nog dikwijls aan.

Mevr. Van Hogerveldt,vervolgt.

Och! ’t heeft me toch altijd zoo’n leed gedaan, dat je er vroeger maar niet in hebt toegestemd de vrouw van Dekkers te worden. Ik denk daar nog dikwijls aan.

Louise.Hoe kunt u dat nù zeggen, nu we hem eerst van zijn ware zijde hebben leeren kennen?

Louise.

Hoe kunt u dat nù zeggen, nu we hem eerst van zijn ware zijde hebben leeren kennen?

Mevr. Van Hogerveldt.Kind, als je zijn vrouw waart geworden, dan zou hij ons immers gespaard hebben.

Mevr. Van Hogerveldt.

Kind, als je zijn vrouw waart geworden, dan zou hij ons immers gespaard hebben.

Karel,spottend.Wel zeker, Louise had maar met Dekkers moeten trouwen en ik met de een of andere rijke weduwe of dochter van[56]een millionnair, dan hadden we immersgeldgehad. Een heerlijk vooruitzicht, niet waar, ma? Al was er dan geen sprake van liefde.…

Karel,spottend.

Wel zeker, Louise had maar met Dekkers moeten trouwen en ik met de een of andere rijke weduwe of dochter van[56]een millionnair, dan hadden we immersgeldgehad. Een heerlijk vooruitzicht, niet waar, ma? Al was er dan geen sprake van liefde.…

Mevr. Van Hogerveldt,snel.Dan was je ten minste beiden rijk getrouwd en we zaten niet in zorgen!

Mevr. Van Hogerveldt,snel.

Dan was je ten minste beiden rijk getrouwd en we zaten niet in zorgen!

Karel,opstaande.Ja, rijk getrouwd! Goddank dat Louise en ik daar anders over dachten. Hoe verkeerd onze opvoeding ook was, ze gaf ons ruimschoots gelegenheid totzelfstandigeontwikkeling.

Karel,opstaande.

Ja, rijk getrouwd! Goddank dat Louise en ik daar anders over dachten. Hoe verkeerd onze opvoeding ook was, ze gaf ons ruimschoots gelegenheid totzelfstandigeontwikkeling.

Mevr. Van Hogerveldt,verontwaardigd.Natuurlijk deugde je opvoeding niet. ’t Is tegenwoordig een gewoonte van de kinderen om hun ouders dit te verwijten. Het «eert uw vader en uwe moeder» staat niet meer in den bijbel der hedendaagsche jongelui.

Mevr. Van Hogerveldt,verontwaardigd.

Natuurlijk deugde je opvoeding niet. ’t Is tegenwoordig een gewoonte van de kinderen om hun ouders dit te verwijten. Het «eert uw vader en uwe moeder» staat niet meer in den bijbel der hedendaagsche jongelui.

Louise.O, moeder! En dat kunt ge hèm zeggen …?

Louise.

O, moeder! En dat kunt ge hèm zeggen …?

Mevr. Van Hogerveldt,verward.Nu ja.… ik bedoel niet dat.… ik meen.…

Mevr. Van Hogerveldt,verward.

Nu ja.… ik bedoel niet dat.… ik meen.…

Karel,lachend.Wat ik u bidden mag, ma, bespaar me het onaangename een verontschuldiging te moeten hooren.

Karel,lachend.

Wat ik u bidden mag, ma, bespaar me het onaangename een verontschuldiging te moeten hooren.

Mevr. Van Hogerveldt.Dat juist niet, maar je begrijpt, ik was al niet in mijn schik, toen ik bemerkte, dat je van nacht weêr hebt zitten werken en.… en.…

Mevr. Van Hogerveldt.

Dat juist niet, maar je begrijpt, ik was al niet in mijn schik, toen ik bemerkte, dat je van nacht weêr hebt zitten werken en.… en.…

Louise.En daardoor vergat ma voor een oogenblik, dat je zooveel voor ons hebt gedaan.

Louise.

En daardoor vergat ma voor een oogenblik, dat je zooveel voor ons hebt gedaan.

Karel,met een beweging van ongeduld aan zijn schrijftafel gaande zitten.Wat praat je daar nu voor onzin, Louise.(Lachend.)Jijhebt wel eenige verplichting aan me, dat ontken ik niet,[57]want wie zou nu de zorg voor zoo’n nare, vervelende zus op zich willen nemen? Ja, misschien.…

Karel,met een beweging van ongeduld aan zijn schrijftafel gaande zitten.

Wat praat je daar nu voor onzin, Louise.(Lachend.)Jijhebt wel eenige verplichting aan me, dat ontken ik niet,[57]want wie zou nu de zorg voor zoo’n nare, vervelende zus op zich willen nemen? Ja, misschien.…

(Louise loopt naar hem toe en legt hem de hand op den mond. Karel neemt haar hand in de zijne en staat op.)

Karel,ernstig.Maar met ma is dat iets anders. Er kan geen verplichting bestaan van ouders tegenover kinderen. Kijk, ma en ik hebben al jaren met elkaâr twist gehad, we zijn gewoon zoo wat over alles te kibbelen zonder het ooit kwaad te meenen. En nu de verhoudingen, wat het financiëele betreft, zijn veranderd, nu hoor ik mijn goede moeder, terwijl ze me eens flink mijn zondenregister wil gaan lezen, plotseling inbinden, omdat ze zich herinnert, dat ik mij voor mijn ouders eenige opoffering getroostte.(Hij gaat naar haar toe en omhelst haar.)

Karel,ernstig.

Maar met ma is dat iets anders. Er kan geen verplichting bestaan van ouders tegenover kinderen. Kijk, ma en ik hebben al jaren met elkaâr twist gehad, we zijn gewoon zoo wat over alles te kibbelen zonder het ooit kwaad te meenen. En nu de verhoudingen, wat het financiëele betreft, zijn veranderd, nu hoor ik mijn goede moeder, terwijl ze me eens flink mijn zondenregister wil gaan lezen, plotseling inbinden, omdat ze zich herinnert, dat ik mij voor mijn ouders eenige opoffering getroostte.(Hij gaat naar haar toe en omhelst haar.)

Mevr. Van Hogerveldt.Je hebt gelijk, Karel. Het gebod, dat ik zooeven aanhaalde is wèl goed door u begrepen en opgevolgd. Maar beloof me nu, dat je voortaan meer voor je gezondheid zult waken, hè, dan benikgerust.

Mevr. Van Hogerveldt.

Je hebt gelijk, Karel. Het gebod, dat ik zooeven aanhaalde is wèl goed door u begrepen en opgevolgd. Maar beloof me nu, dat je voortaan meer voor je gezondheid zult waken, hè, dan benikgerust.

Karel.Nu, maatje, dat zal wel schikken. U begrijpt wel, ’t is den eenen dag wat drukker dan den andere.

Karel.

Nu, maatje, dat zal wel schikken. U begrijpt wel, ’t is den eenen dag wat drukker dan den andere.

Mevr. Van Hogerveldt.Goed, goed, maar volg nu mijn raad eens op en ga een uurtje naar bed. Ik ga in dien tijd naar boven om mij te kleeden en jij, Louise, zult den boel hier wel wat opredderen, niet waar? ’t Ziet er weêr schromelijk uit.

Mevr. Van Hogerveldt.

Goed, goed, maar volg nu mijn raad eens op en ga een uurtje naar bed. Ik ga in dien tijd naar boven om mij te kleeden en jij, Louise, zult den boel hier wel wat opredderen, niet waar? ’t Ziet er weêr schromelijk uit.

Louise.Wel zeker, ma, ga maar gerust heen. Daar zal ik wel voor zorgen. Foei, wat een rommel.

Louise.

Wel zeker, ma, ga maar gerust heen. Daar zal ik wel voor zorgen. Foei, wat een rommel.

Karel,bij de middendeur.Gooi in ’s hemels naam mijn papieren niet door elkaâr.

Karel,bij de middendeur.

Gooi in ’s hemels naam mijn papieren niet door elkaâr.

Louise.O, neen, voor die fraaie documenten heb ik alle respect.

Louise.

O, neen, voor die fraaie documenten heb ik alle respect.

(Mevr.Van Hogerveldt en Karel af.)

[58]

[Inhoud]TWEEDE TOONEEL.Louise,alleen.Komaan, ik ben blij, dat hij is gaan slapen. Alshijeens ziek werd, wat zouden we dan beginnen?(Zij kijkt rond.)Welk een verschil tusschen nu en voorheen! Toen slechts weelde en genot, thans niets dan onthouding en arbeid. Toen had pa een deftige betrekking, wij kwamen in de voornaamste kringen, en nu.… och, ’t meest doet het mij leed, dat die ongelukkige geldquaestie zooveel invloed op zijn gezondheid heeft gehad. En hoe lang zal het nog moeten duren vóor dat we geheel vrij zijn.…(Er wordt geklopt.)Daar wordt geklopt. Dat zal iemand voor Karel zijn. Enfin, we zullen zien. Binnen!

TWEEDE TOONEEL.Louise,alleen.Komaan, ik ben blij, dat hij is gaan slapen. Alshijeens ziek werd, wat zouden we dan beginnen?(Zij kijkt rond.)Welk een verschil tusschen nu en voorheen! Toen slechts weelde en genot, thans niets dan onthouding en arbeid. Toen had pa een deftige betrekking, wij kwamen in de voornaamste kringen, en nu.… och, ’t meest doet het mij leed, dat die ongelukkige geldquaestie zooveel invloed op zijn gezondheid heeft gehad. En hoe lang zal het nog moeten duren vóor dat we geheel vrij zijn.…(Er wordt geklopt.)Daar wordt geklopt. Dat zal iemand voor Karel zijn. Enfin, we zullen zien. Binnen!

Louise,alleen.Komaan, ik ben blij, dat hij is gaan slapen. Alshijeens ziek werd, wat zouden we dan beginnen?(Zij kijkt rond.)Welk een verschil tusschen nu en voorheen! Toen slechts weelde en genot, thans niets dan onthouding en arbeid. Toen had pa een deftige betrekking, wij kwamen in de voornaamste kringen, en nu.… och, ’t meest doet het mij leed, dat die ongelukkige geldquaestie zooveel invloed op zijn gezondheid heeft gehad. En hoe lang zal het nog moeten duren vóor dat we geheel vrij zijn.…

Louise,alleen.

Komaan, ik ben blij, dat hij is gaan slapen. Alshijeens ziek werd, wat zouden we dan beginnen?(Zij kijkt rond.)Welk een verschil tusschen nu en voorheen! Toen slechts weelde en genot, thans niets dan onthouding en arbeid. Toen had pa een deftige betrekking, wij kwamen in de voornaamste kringen, en nu.… och, ’t meest doet het mij leed, dat die ongelukkige geldquaestie zooveel invloed op zijn gezondheid heeft gehad. En hoe lang zal het nog moeten duren vóor dat we geheel vrij zijn.…

(Er wordt geklopt.)

Daar wordt geklopt. Dat zal iemand voor Karel zijn. Enfin, we zullen zien. Binnen!

Daar wordt geklopt. Dat zal iemand voor Karel zijn. Enfin, we zullen zien. Binnen!

[Inhoud]DERDE TOONEEL.Louise,Betje.Betje,binnenkomende.Juffrouw, daar is een heer om u te spreken.Louise.Mij? Vroeg hij naarmij?Betje.Ja, hij vroeg bepaald naar juffrouw Louise.Louise.En hoe heet die heer?Betje.Dat weet ik niet. Hij zei alleen: zeg, dat ik de juffrouw dringend moet spreken, het betreft een zaak van aanbelang.Louise.Ja, maar.… ik weet niet.… hoe ziet hij er zoo wat uit? Is het eenjongmensch?[59]Betje,lachend.Jong? Heere bewaar me! Meer zout dan peper juffrouw! Ik denk, dat hij zoowat naar de zestig loopt.Louise,lachend.O! Nu, laat hem dàn maar binnen komen.Betje af.

DERDE TOONEEL.Louise,Betje.Betje,binnenkomende.Juffrouw, daar is een heer om u te spreken.Louise.Mij? Vroeg hij naarmij?Betje.Ja, hij vroeg bepaald naar juffrouw Louise.Louise.En hoe heet die heer?Betje.Dat weet ik niet. Hij zei alleen: zeg, dat ik de juffrouw dringend moet spreken, het betreft een zaak van aanbelang.Louise.Ja, maar.… ik weet niet.… hoe ziet hij er zoo wat uit? Is het eenjongmensch?[59]Betje,lachend.Jong? Heere bewaar me! Meer zout dan peper juffrouw! Ik denk, dat hij zoowat naar de zestig loopt.Louise,lachend.O! Nu, laat hem dàn maar binnen komen.Betje af.

Louise,Betje.

Betje,binnenkomende.Juffrouw, daar is een heer om u te spreken.

Betje,binnenkomende.

Juffrouw, daar is een heer om u te spreken.

Louise.Mij? Vroeg hij naarmij?

Louise.

Mij? Vroeg hij naarmij?

Betje.Ja, hij vroeg bepaald naar juffrouw Louise.

Betje.

Ja, hij vroeg bepaald naar juffrouw Louise.

Louise.En hoe heet die heer?

Louise.

En hoe heet die heer?

Betje.Dat weet ik niet. Hij zei alleen: zeg, dat ik de juffrouw dringend moet spreken, het betreft een zaak van aanbelang.

Betje.

Dat weet ik niet. Hij zei alleen: zeg, dat ik de juffrouw dringend moet spreken, het betreft een zaak van aanbelang.

Louise.Ja, maar.… ik weet niet.… hoe ziet hij er zoo wat uit? Is het eenjongmensch?

Louise.

Ja, maar.… ik weet niet.… hoe ziet hij er zoo wat uit? Is het eenjongmensch?

[59]

Betje,lachend.Jong? Heere bewaar me! Meer zout dan peper juffrouw! Ik denk, dat hij zoowat naar de zestig loopt.

Betje,lachend.

Jong? Heere bewaar me! Meer zout dan peper juffrouw! Ik denk, dat hij zoowat naar de zestig loopt.

Louise,lachend.O! Nu, laat hem dàn maar binnen komen.

Louise,lachend.

O! Nu, laat hem dàn maar binnen komen.

Betje af.

[Inhoud]VIERDE TOONEEL.Louise. DaarnaDekkers.Dekkers,groetend.Mejuffrouw!Louise,verschrikt, ter zijde.O God! had ik dat geweten.…!Dekkers.Vergeef me, dat ik zoo onverwachts tot u kom. U zult echter spoedig zien, dat mijn bezoek een gegronde reden heeft, dat.…Louise.Een oogenblik, mijnheer. Ik zal mijn broêr gaan zeggen, dat u.…(Zij wil gaan. Dekkers houdt haar tegen.)Dekkers.Pardon! Ik kom juist omute spreken.Louise.Dat kan wel zijn, maar ik betwijfel of mijn familie zou goedkeuren.… dat ik u in ons huis had toegelaten.Dekkers.O, dat zou ze zeker! Mijn bezoek is in aller belang. De onaangename toestand, waarin uwe familie.…Louise,snel.U behoeft mij dat niet in herinnering te brengen, evenmin als dat wij dien voornamelijk aan u te wijten hadden.Dekkers.Aan mij? Dat ontken ik ten stelligste. Ik was als commissaris[60]verplichtte spreken, er was een sterk vermoeden bij mij gerezen.Louise.Dan hadt u, als vadersvriend,ons moeten waarschuwen.Dekkers.Dat kon ik immers niet, zoo lang ik geen zekerheid had, maar toch heb ik u genoeg doen gevoelen, dat er reden bestond om te vreezen!Datzult ge u ook wel herinneren.Louise.Nu, ja!Dekkers.Ik heb uw hand gevraagd met de belofte, dat alles in orde zou komen, maar.… gij hebt niet gewild!Louise.O, neen, zeker niet! En zelfs als ik geweten had.… dan had ik misschien toch niet.… In elk geval, u bezigde toen onbestemde uitdrukkingen, die ik aan een andere oorzaak toeschreef, uitte slechts vermoedens die.…Dekkers,invallend.Die maar al te gegrond waren. Dat heeft de ervaring geleerd.Louise,trotsch.Hoe het zij, ik begrijp niet, waarom gij de onkieschheid hebt om op iets terug te komen, dat reeds lang vergeten moest zijn.Dekkers.’t Is geen onkieschheid, die mij daartoe noopt: ’t is veeleer het tegendeel.Louise.Het tegendeel?Dekkers.Zeker. Wilt ge mij een oogenblik aanhooren, alvorens te oordeelen?(Louise wijst een stoel aan; beiden gaan zitten.)De schuld uws vaders of liever die van uw broeder bedraagt thans nog f 30.000.[61]Louise.Maar dat is immers òòk niets nieuws, mijnheer.Dekkers,een beweging met de hand makende.Tot zijn eer moet ik zeggen, dat uw broêr zich een bovenmenschelijke inspanning beeft getroost om aan zijn belofte te kunnen voldoen. Het zal echter nog verscheidene jaren duren,vóordathij van zijn verplichting geheel zal zijn ontheven.Louise.Dat is waar; ’t is helaas! maar al te waar.Dekkers.Zijn huwelijk heeft hij al dien tijd moeten uitstellen.Louise.Och ja, daar denk ik dikwijls genoeg over! Dat hindert me nog het meest.Dekkers.’t Is ook recht verdrietig, en.….. wat niet minder zwaar weegt, zijn gezondheid lijdt, naar men mij zegt, onder al die meer dan drukke bezigheden. Het is dus hoog noodig dat er een verandering in dien toestand komt.Louise.O, ik wenschte het zoo gaarne voor hem, want ook ik vrees, dat hij ziek zal worden, als het zoo voortgaat, maar.… wie zal hem zijn taak helpen verlichten?Dekkers,met nadruk.Dat kuntgij, mejuffrouw, zoo ge slechts wilt.Louise.Ik? Och, wat!Dekkers,een portefeuille met bankpapier uit zijn zak nemende.Toch wel, juffrouw Louise. Vóor drie jaar hebt gij geweigerd mijn vrouw te worden; gij meendet toen, dat ik uw vadervalschbeschuldigde. Thans weet ge, dat ditnietzoo is, en dat uw familie reeds al dien tijd onder recht treurige omstandigheden gebukt gaat. Zooals ge zelve inziet, kan dit nog lang zoo voortduren, tenzij.….[62]Louise,snel.Tenzij?Dekkers.Tenzij gij mij nog uw hand wilt schenken. Na al hetgeen in uw familie voorviel en ondanks uw weigering, bleef ik u nog steeds beminnen.(Hij neemt het bankpapier uit zijn portefeuille.)Zie, Louise, hier is de nog ontbrekende som, ik stel ze ter uwer beschikking, ze isuweigendom, mits.… ge mij belooft.…(Hij grijpt haar hand. Louise heeft het gelaat afgewend en trekt hare hand terug.)Louise,ter zijde.O God, welk een beleediging! dat is verschrikkelijk!(Minachtendtot Dekkers.)Weg met dat geld, man!.…Koopman!Dekkers.Versta mij toch wel: gijverkooptuw liefde niet, gij schenkt ze mij in ruil voor de mijne; door dit geld aan te nemen, koopt ge echter het geluk van uwe ouders en wat misschien meer zegt, dat van uw broeder terug.Louise,aarzelend en aangedaan. Ter zijde.Arme vader! en Karel, ach, als hij eens.…Dekkers,invallend.Aarzelt ge nog? Kunt gij uw familie nog langer zien lijden? Zoudt gij ’t uzelve niet verwijten als Karel ziek werd, als hij misschien.…stierf?Louise,verschrikt.Sterven!.… O, God! als dat gebeurde.…(Ter zijde.)Wat moet ik beginnen? Wat moet ik doen?(Tot Dekkers.)Ik zal er mij op bedenken; morgen kunt ge mijn antwoord vernemen; ik wil eerst met Karel spreken.Dekkers,hij steekt de portefeuille in den zak.Zooals ge wilt. Overigens zal ik hem van middag, misschien straks nog, zelf komen bezoeken. Tot morgen dus, ik[63]hoop, dat gij ditmaal niet zult vergeten, dat erzooveelvan uw besluit afhangt.(Groetend.)Mejuffrouw!(Dekkers af.)

VIERDE TOONEEL.Louise. DaarnaDekkers.Dekkers,groetend.Mejuffrouw!Louise,verschrikt, ter zijde.O God! had ik dat geweten.…!Dekkers.Vergeef me, dat ik zoo onverwachts tot u kom. U zult echter spoedig zien, dat mijn bezoek een gegronde reden heeft, dat.…Louise.Een oogenblik, mijnheer. Ik zal mijn broêr gaan zeggen, dat u.…(Zij wil gaan. Dekkers houdt haar tegen.)Dekkers.Pardon! Ik kom juist omute spreken.Louise.Dat kan wel zijn, maar ik betwijfel of mijn familie zou goedkeuren.… dat ik u in ons huis had toegelaten.Dekkers.O, dat zou ze zeker! Mijn bezoek is in aller belang. De onaangename toestand, waarin uwe familie.…Louise,snel.U behoeft mij dat niet in herinnering te brengen, evenmin als dat wij dien voornamelijk aan u te wijten hadden.Dekkers.Aan mij? Dat ontken ik ten stelligste. Ik was als commissaris[60]verplichtte spreken, er was een sterk vermoeden bij mij gerezen.Louise.Dan hadt u, als vadersvriend,ons moeten waarschuwen.Dekkers.Dat kon ik immers niet, zoo lang ik geen zekerheid had, maar toch heb ik u genoeg doen gevoelen, dat er reden bestond om te vreezen!Datzult ge u ook wel herinneren.Louise.Nu, ja!Dekkers.Ik heb uw hand gevraagd met de belofte, dat alles in orde zou komen, maar.… gij hebt niet gewild!Louise.O, neen, zeker niet! En zelfs als ik geweten had.… dan had ik misschien toch niet.… In elk geval, u bezigde toen onbestemde uitdrukkingen, die ik aan een andere oorzaak toeschreef, uitte slechts vermoedens die.…Dekkers,invallend.Die maar al te gegrond waren. Dat heeft de ervaring geleerd.Louise,trotsch.Hoe het zij, ik begrijp niet, waarom gij de onkieschheid hebt om op iets terug te komen, dat reeds lang vergeten moest zijn.Dekkers.’t Is geen onkieschheid, die mij daartoe noopt: ’t is veeleer het tegendeel.Louise.Het tegendeel?Dekkers.Zeker. Wilt ge mij een oogenblik aanhooren, alvorens te oordeelen?(Louise wijst een stoel aan; beiden gaan zitten.)De schuld uws vaders of liever die van uw broeder bedraagt thans nog f 30.000.[61]Louise.Maar dat is immers òòk niets nieuws, mijnheer.Dekkers,een beweging met de hand makende.Tot zijn eer moet ik zeggen, dat uw broêr zich een bovenmenschelijke inspanning beeft getroost om aan zijn belofte te kunnen voldoen. Het zal echter nog verscheidene jaren duren,vóordathij van zijn verplichting geheel zal zijn ontheven.Louise.Dat is waar; ’t is helaas! maar al te waar.Dekkers.Zijn huwelijk heeft hij al dien tijd moeten uitstellen.Louise.Och ja, daar denk ik dikwijls genoeg over! Dat hindert me nog het meest.Dekkers.’t Is ook recht verdrietig, en.….. wat niet minder zwaar weegt, zijn gezondheid lijdt, naar men mij zegt, onder al die meer dan drukke bezigheden. Het is dus hoog noodig dat er een verandering in dien toestand komt.Louise.O, ik wenschte het zoo gaarne voor hem, want ook ik vrees, dat hij ziek zal worden, als het zoo voortgaat, maar.… wie zal hem zijn taak helpen verlichten?Dekkers,met nadruk.Dat kuntgij, mejuffrouw, zoo ge slechts wilt.Louise.Ik? Och, wat!Dekkers,een portefeuille met bankpapier uit zijn zak nemende.Toch wel, juffrouw Louise. Vóor drie jaar hebt gij geweigerd mijn vrouw te worden; gij meendet toen, dat ik uw vadervalschbeschuldigde. Thans weet ge, dat ditnietzoo is, en dat uw familie reeds al dien tijd onder recht treurige omstandigheden gebukt gaat. Zooals ge zelve inziet, kan dit nog lang zoo voortduren, tenzij.….[62]Louise,snel.Tenzij?Dekkers.Tenzij gij mij nog uw hand wilt schenken. Na al hetgeen in uw familie voorviel en ondanks uw weigering, bleef ik u nog steeds beminnen.(Hij neemt het bankpapier uit zijn portefeuille.)Zie, Louise, hier is de nog ontbrekende som, ik stel ze ter uwer beschikking, ze isuweigendom, mits.… ge mij belooft.…(Hij grijpt haar hand. Louise heeft het gelaat afgewend en trekt hare hand terug.)Louise,ter zijde.O God, welk een beleediging! dat is verschrikkelijk!(Minachtendtot Dekkers.)Weg met dat geld, man!.…Koopman!Dekkers.Versta mij toch wel: gijverkooptuw liefde niet, gij schenkt ze mij in ruil voor de mijne; door dit geld aan te nemen, koopt ge echter het geluk van uwe ouders en wat misschien meer zegt, dat van uw broeder terug.Louise,aarzelend en aangedaan. Ter zijde.Arme vader! en Karel, ach, als hij eens.…Dekkers,invallend.Aarzelt ge nog? Kunt gij uw familie nog langer zien lijden? Zoudt gij ’t uzelve niet verwijten als Karel ziek werd, als hij misschien.…stierf?Louise,verschrikt.Sterven!.… O, God! als dat gebeurde.…(Ter zijde.)Wat moet ik beginnen? Wat moet ik doen?(Tot Dekkers.)Ik zal er mij op bedenken; morgen kunt ge mijn antwoord vernemen; ik wil eerst met Karel spreken.Dekkers,hij steekt de portefeuille in den zak.Zooals ge wilt. Overigens zal ik hem van middag, misschien straks nog, zelf komen bezoeken. Tot morgen dus, ik[63]hoop, dat gij ditmaal niet zult vergeten, dat erzooveelvan uw besluit afhangt.(Groetend.)Mejuffrouw!(Dekkers af.)

Louise. DaarnaDekkers.

Dekkers,groetend.Mejuffrouw!

Dekkers,groetend.

Mejuffrouw!

Louise,verschrikt, ter zijde.O God! had ik dat geweten.…!

Louise,verschrikt, ter zijde.

O God! had ik dat geweten.…!

Dekkers.Vergeef me, dat ik zoo onverwachts tot u kom. U zult echter spoedig zien, dat mijn bezoek een gegronde reden heeft, dat.…

Dekkers.

Vergeef me, dat ik zoo onverwachts tot u kom. U zult echter spoedig zien, dat mijn bezoek een gegronde reden heeft, dat.…

Louise.Een oogenblik, mijnheer. Ik zal mijn broêr gaan zeggen, dat u.…(Zij wil gaan. Dekkers houdt haar tegen.)

Louise.

Een oogenblik, mijnheer. Ik zal mijn broêr gaan zeggen, dat u.…(Zij wil gaan. Dekkers houdt haar tegen.)

Dekkers.Pardon! Ik kom juist omute spreken.

Dekkers.

Pardon! Ik kom juist omute spreken.

Louise.Dat kan wel zijn, maar ik betwijfel of mijn familie zou goedkeuren.… dat ik u in ons huis had toegelaten.

Louise.

Dat kan wel zijn, maar ik betwijfel of mijn familie zou goedkeuren.… dat ik u in ons huis had toegelaten.

Dekkers.O, dat zou ze zeker! Mijn bezoek is in aller belang. De onaangename toestand, waarin uwe familie.…

Dekkers.

O, dat zou ze zeker! Mijn bezoek is in aller belang. De onaangename toestand, waarin uwe familie.…

Louise,snel.U behoeft mij dat niet in herinnering te brengen, evenmin als dat wij dien voornamelijk aan u te wijten hadden.

Louise,snel.

U behoeft mij dat niet in herinnering te brengen, evenmin als dat wij dien voornamelijk aan u te wijten hadden.

Dekkers.Aan mij? Dat ontken ik ten stelligste. Ik was als commissaris[60]verplichtte spreken, er was een sterk vermoeden bij mij gerezen.

Dekkers.

Aan mij? Dat ontken ik ten stelligste. Ik was als commissaris[60]verplichtte spreken, er was een sterk vermoeden bij mij gerezen.

Louise.Dan hadt u, als vadersvriend,ons moeten waarschuwen.

Louise.

Dan hadt u, als vadersvriend,ons moeten waarschuwen.

Dekkers.Dat kon ik immers niet, zoo lang ik geen zekerheid had, maar toch heb ik u genoeg doen gevoelen, dat er reden bestond om te vreezen!Datzult ge u ook wel herinneren.

Dekkers.

Dat kon ik immers niet, zoo lang ik geen zekerheid had, maar toch heb ik u genoeg doen gevoelen, dat er reden bestond om te vreezen!Datzult ge u ook wel herinneren.

Louise.Nu, ja!

Louise.

Nu, ja!

Dekkers.Ik heb uw hand gevraagd met de belofte, dat alles in orde zou komen, maar.… gij hebt niet gewild!

Dekkers.

Ik heb uw hand gevraagd met de belofte, dat alles in orde zou komen, maar.… gij hebt niet gewild!

Louise.O, neen, zeker niet! En zelfs als ik geweten had.… dan had ik misschien toch niet.… In elk geval, u bezigde toen onbestemde uitdrukkingen, die ik aan een andere oorzaak toeschreef, uitte slechts vermoedens die.…

Louise.

O, neen, zeker niet! En zelfs als ik geweten had.… dan had ik misschien toch niet.… In elk geval, u bezigde toen onbestemde uitdrukkingen, die ik aan een andere oorzaak toeschreef, uitte slechts vermoedens die.…

Dekkers,invallend.Die maar al te gegrond waren. Dat heeft de ervaring geleerd.

Dekkers,invallend.

Die maar al te gegrond waren. Dat heeft de ervaring geleerd.

Louise,trotsch.Hoe het zij, ik begrijp niet, waarom gij de onkieschheid hebt om op iets terug te komen, dat reeds lang vergeten moest zijn.

Louise,trotsch.

Hoe het zij, ik begrijp niet, waarom gij de onkieschheid hebt om op iets terug te komen, dat reeds lang vergeten moest zijn.

Dekkers.’t Is geen onkieschheid, die mij daartoe noopt: ’t is veeleer het tegendeel.

Dekkers.

’t Is geen onkieschheid, die mij daartoe noopt: ’t is veeleer het tegendeel.

Louise.Het tegendeel?

Louise.

Het tegendeel?

Dekkers.Zeker. Wilt ge mij een oogenblik aanhooren, alvorens te oordeelen?(Louise wijst een stoel aan; beiden gaan zitten.)De schuld uws vaders of liever die van uw broeder bedraagt thans nog f 30.000.

Dekkers.

Zeker. Wilt ge mij een oogenblik aanhooren, alvorens te oordeelen?(Louise wijst een stoel aan; beiden gaan zitten.)De schuld uws vaders of liever die van uw broeder bedraagt thans nog f 30.000.

[61]

Louise.Maar dat is immers òòk niets nieuws, mijnheer.

Louise.

Maar dat is immers òòk niets nieuws, mijnheer.

Dekkers,een beweging met de hand makende.Tot zijn eer moet ik zeggen, dat uw broêr zich een bovenmenschelijke inspanning beeft getroost om aan zijn belofte te kunnen voldoen. Het zal echter nog verscheidene jaren duren,vóordathij van zijn verplichting geheel zal zijn ontheven.

Dekkers,een beweging met de hand makende.

Tot zijn eer moet ik zeggen, dat uw broêr zich een bovenmenschelijke inspanning beeft getroost om aan zijn belofte te kunnen voldoen. Het zal echter nog verscheidene jaren duren,vóordathij van zijn verplichting geheel zal zijn ontheven.

Louise.Dat is waar; ’t is helaas! maar al te waar.

Louise.

Dat is waar; ’t is helaas! maar al te waar.

Dekkers.Zijn huwelijk heeft hij al dien tijd moeten uitstellen.

Dekkers.

Zijn huwelijk heeft hij al dien tijd moeten uitstellen.

Louise.Och ja, daar denk ik dikwijls genoeg over! Dat hindert me nog het meest.

Louise.

Och ja, daar denk ik dikwijls genoeg over! Dat hindert me nog het meest.

Dekkers.’t Is ook recht verdrietig, en.….. wat niet minder zwaar weegt, zijn gezondheid lijdt, naar men mij zegt, onder al die meer dan drukke bezigheden. Het is dus hoog noodig dat er een verandering in dien toestand komt.

Dekkers.

’t Is ook recht verdrietig, en.….. wat niet minder zwaar weegt, zijn gezondheid lijdt, naar men mij zegt, onder al die meer dan drukke bezigheden. Het is dus hoog noodig dat er een verandering in dien toestand komt.

Louise.O, ik wenschte het zoo gaarne voor hem, want ook ik vrees, dat hij ziek zal worden, als het zoo voortgaat, maar.… wie zal hem zijn taak helpen verlichten?

Louise.

O, ik wenschte het zoo gaarne voor hem, want ook ik vrees, dat hij ziek zal worden, als het zoo voortgaat, maar.… wie zal hem zijn taak helpen verlichten?

Dekkers,met nadruk.Dat kuntgij, mejuffrouw, zoo ge slechts wilt.

Dekkers,met nadruk.

Dat kuntgij, mejuffrouw, zoo ge slechts wilt.

Louise.Ik? Och, wat!

Louise.

Ik? Och, wat!

Dekkers,een portefeuille met bankpapier uit zijn zak nemende.Toch wel, juffrouw Louise. Vóor drie jaar hebt gij geweigerd mijn vrouw te worden; gij meendet toen, dat ik uw vadervalschbeschuldigde. Thans weet ge, dat ditnietzoo is, en dat uw familie reeds al dien tijd onder recht treurige omstandigheden gebukt gaat. Zooals ge zelve inziet, kan dit nog lang zoo voortduren, tenzij.….

Dekkers,een portefeuille met bankpapier uit zijn zak nemende.

Toch wel, juffrouw Louise. Vóor drie jaar hebt gij geweigerd mijn vrouw te worden; gij meendet toen, dat ik uw vadervalschbeschuldigde. Thans weet ge, dat ditnietzoo is, en dat uw familie reeds al dien tijd onder recht treurige omstandigheden gebukt gaat. Zooals ge zelve inziet, kan dit nog lang zoo voortduren, tenzij.….

[62]

Louise,snel.Tenzij?

Louise,snel.

Tenzij?

Dekkers.Tenzij gij mij nog uw hand wilt schenken. Na al hetgeen in uw familie voorviel en ondanks uw weigering, bleef ik u nog steeds beminnen.(Hij neemt het bankpapier uit zijn portefeuille.)Zie, Louise, hier is de nog ontbrekende som, ik stel ze ter uwer beschikking, ze isuweigendom, mits.… ge mij belooft.…

Dekkers.

Tenzij gij mij nog uw hand wilt schenken. Na al hetgeen in uw familie voorviel en ondanks uw weigering, bleef ik u nog steeds beminnen.(Hij neemt het bankpapier uit zijn portefeuille.)Zie, Louise, hier is de nog ontbrekende som, ik stel ze ter uwer beschikking, ze isuweigendom, mits.… ge mij belooft.…

(Hij grijpt haar hand. Louise heeft het gelaat afgewend en trekt hare hand terug.)

Louise,ter zijde.O God, welk een beleediging! dat is verschrikkelijk!(Minachtendtot Dekkers.)Weg met dat geld, man!.…Koopman!

Louise,ter zijde.

O God, welk een beleediging! dat is verschrikkelijk!(Minachtendtot Dekkers.)Weg met dat geld, man!.…Koopman!

Dekkers.Versta mij toch wel: gijverkooptuw liefde niet, gij schenkt ze mij in ruil voor de mijne; door dit geld aan te nemen, koopt ge echter het geluk van uwe ouders en wat misschien meer zegt, dat van uw broeder terug.

Dekkers.

Versta mij toch wel: gijverkooptuw liefde niet, gij schenkt ze mij in ruil voor de mijne; door dit geld aan te nemen, koopt ge echter het geluk van uwe ouders en wat misschien meer zegt, dat van uw broeder terug.

Louise,aarzelend en aangedaan. Ter zijde.Arme vader! en Karel, ach, als hij eens.…

Louise,aarzelend en aangedaan. Ter zijde.

Arme vader! en Karel, ach, als hij eens.…

Dekkers,invallend.Aarzelt ge nog? Kunt gij uw familie nog langer zien lijden? Zoudt gij ’t uzelve niet verwijten als Karel ziek werd, als hij misschien.…stierf?

Dekkers,invallend.

Aarzelt ge nog? Kunt gij uw familie nog langer zien lijden? Zoudt gij ’t uzelve niet verwijten als Karel ziek werd, als hij misschien.…stierf?

Louise,verschrikt.Sterven!.… O, God! als dat gebeurde.…(Ter zijde.)Wat moet ik beginnen? Wat moet ik doen?(Tot Dekkers.)Ik zal er mij op bedenken; morgen kunt ge mijn antwoord vernemen; ik wil eerst met Karel spreken.

Louise,verschrikt.

Sterven!.… O, God! als dat gebeurde.…(Ter zijde.)Wat moet ik beginnen? Wat moet ik doen?(Tot Dekkers.)Ik zal er mij op bedenken; morgen kunt ge mijn antwoord vernemen; ik wil eerst met Karel spreken.

Dekkers,hij steekt de portefeuille in den zak.Zooals ge wilt. Overigens zal ik hem van middag, misschien straks nog, zelf komen bezoeken. Tot morgen dus, ik[63]hoop, dat gij ditmaal niet zult vergeten, dat erzooveelvan uw besluit afhangt.(Groetend.)Mejuffrouw!

Dekkers,hij steekt de portefeuille in den zak.

Zooals ge wilt. Overigens zal ik hem van middag, misschien straks nog, zelf komen bezoeken. Tot morgen dus, ik[63]hoop, dat gij ditmaal niet zult vergeten, dat erzooveelvan uw besluit afhangt.(Groetend.)Mejuffrouw!

(Dekkers af.)

[Inhoud]VIJFDE TOONEEL.Louise,alleen.Wàt te doen? Wàt te doen! Welk een vreeselijke toestand! Door zijne vrouw te worden red ik mijne ouders en Karel uit al hunne zorgen, maar aan den anderen kant.…. mijn leven te moeten slijten aan de zijde van dien ellendeling, dien ik haat, dien ik in ’t diepst van mijne ziel veracht, die ons eerst in het ongeluk heeft gestort en zich thans niet schaamt mij als een veile deern geld te bieden voor gehuichelde liefde.….…..(Zij gaat op de canapé zitten.)En die arme Willem dan?.….… O, ik weet zeker, dat hij mij bemint. Wat heeft hij Karel altijd trouw ter zijde gestaan en dat niet alleen als zijn vriend, maar ook met de hoop in het hart, dat ik eenmaal zijne vrouw zou worden; daarvan ben ik in mijne ziel overtuigd, en ik, och, laat ik het mij niet verhelen, ik voel immers reeds sedert lang, dat ik hem bemin; ik ben er zeker van, dat ook hij dit heeft bespeurd. En niemand, voor wien ik mijn gemoed kan uitstorten, niemand wien ik om raad kan vragen!(Karel komt door zijdeur binnen.)

VIJFDE TOONEEL.Louise,alleen.Wàt te doen? Wàt te doen! Welk een vreeselijke toestand! Door zijne vrouw te worden red ik mijne ouders en Karel uit al hunne zorgen, maar aan den anderen kant.…. mijn leven te moeten slijten aan de zijde van dien ellendeling, dien ik haat, dien ik in ’t diepst van mijne ziel veracht, die ons eerst in het ongeluk heeft gestort en zich thans niet schaamt mij als een veile deern geld te bieden voor gehuichelde liefde.….…..(Zij gaat op de canapé zitten.)En die arme Willem dan?.….… O, ik weet zeker, dat hij mij bemint. Wat heeft hij Karel altijd trouw ter zijde gestaan en dat niet alleen als zijn vriend, maar ook met de hoop in het hart, dat ik eenmaal zijne vrouw zou worden; daarvan ben ik in mijne ziel overtuigd, en ik, och, laat ik het mij niet verhelen, ik voel immers reeds sedert lang, dat ik hem bemin; ik ben er zeker van, dat ook hij dit heeft bespeurd. En niemand, voor wien ik mijn gemoed kan uitstorten, niemand wien ik om raad kan vragen!(Karel komt door zijdeur binnen.)

Louise,alleen.Wàt te doen? Wàt te doen! Welk een vreeselijke toestand! Door zijne vrouw te worden red ik mijne ouders en Karel uit al hunne zorgen, maar aan den anderen kant.…. mijn leven te moeten slijten aan de zijde van dien ellendeling, dien ik haat, dien ik in ’t diepst van mijne ziel veracht, die ons eerst in het ongeluk heeft gestort en zich thans niet schaamt mij als een veile deern geld te bieden voor gehuichelde liefde.….…..(Zij gaat op de canapé zitten.)En die arme Willem dan?.….… O, ik weet zeker, dat hij mij bemint. Wat heeft hij Karel altijd trouw ter zijde gestaan en dat niet alleen als zijn vriend, maar ook met de hoop in het hart, dat ik eenmaal zijne vrouw zou worden; daarvan ben ik in mijne ziel overtuigd, en ik, och, laat ik het mij niet verhelen, ik voel immers reeds sedert lang, dat ik hem bemin; ik ben er zeker van, dat ook hij dit heeft bespeurd. En niemand, voor wien ik mijn gemoed kan uitstorten, niemand wien ik om raad kan vragen!(Karel komt door zijdeur binnen.)

Louise,alleen.

Wàt te doen? Wàt te doen! Welk een vreeselijke toestand! Door zijne vrouw te worden red ik mijne ouders en Karel uit al hunne zorgen, maar aan den anderen kant.…. mijn leven te moeten slijten aan de zijde van dien ellendeling, dien ik haat, dien ik in ’t diepst van mijne ziel veracht, die ons eerst in het ongeluk heeft gestort en zich thans niet schaamt mij als een veile deern geld te bieden voor gehuichelde liefde.….…..(Zij gaat op de canapé zitten.)En die arme Willem dan?.….… O, ik weet zeker, dat hij mij bemint. Wat heeft hij Karel altijd trouw ter zijde gestaan en dat niet alleen als zijn vriend, maar ook met de hoop in het hart, dat ik eenmaal zijne vrouw zou worden; daarvan ben ik in mijne ziel overtuigd, en ik, och, laat ik het mij niet verhelen, ik voel immers reeds sedert lang, dat ik hem bemin; ik ben er zeker van, dat ook hij dit heeft bespeurd. En niemand, voor wien ik mijn gemoed kan uitstorten, niemand wien ik om raad kan vragen!(Karel komt door zijdeur binnen.)

[Inhoud]ZESDE TOONEEL.LouiseenKarel.Karel,met een brief in de hand.Nog altijd hier, Louise? Je schijnt heel wat te doen gehad te hebben.Louise.En jij dan, ik dacht, dat je zoudt gaan slapen?[64]Karel.Dat was ook mijn plan, zusje, maar ik ontving daar juist een brief, dien ik genoodzaakt ben zoo spoedig mogelijk te beantwoorden.(Gaat aan zijn lessenaar zitten.)Louise.Kan er eerst een oogenblik voor mij overschieten?Karel.Is ’t zóo belangrijk, wat je te zeggen hebt? Heeft het zóo’n haast?Louise.Zoowel het een als het ander. ’t Betreft zoo goed u als mij.Karel.Wel verduiveld! je maakt me nieuwsgierig, zusje. Ik luister!Louise.Zou je ’t niet gelukkig vinden, Karel, als nu ’t oogenblik eens was gekomen, dat je kon gaan trouwen? Dan hadt je toch een onbezorgd, gelukkig leven en je behoefde niet zóo nacht en dag te werken?Karel.Wat bedoel je nu?Louise.Ik meen.… als.… als.… bijvoorbeeld dat geld.… dat nog te kort komt, thans in eens kon worden aangezuiverd?Karel,ongeduldig.Geen kwaad idée! Maar.… zie jij daar kans toe? Ik zeker niet.Louise.Misschien wel, maar ik wil niets doen zonder je vooraf te hebben geraadpleegd.Karel,haar onder de kin strijkend.Wel, kind, dat vind ik heel lief van je.Louise.Och, dat daargelaten; je waart zoo even verwonderd mij[65]nog hier te vinden, de reden is, dat ik een bezoek heb gehad van een heer.Karel.Wàt blief?Louise.Van iemand, die met den stand uwer zaken bekend was. Kort en goed: die heer heeft mij ten huwelijk gevraagd en aangeboden het ontbrekende dadelijk te voldoen.Karel,gaat aan zijn lessenaar.Ik dacht niet, dat je me zoudt ophouden om aardigheden te vertellen.Louise.Volstrekt niet, Karel, ik verzeker je, dat het ernst is. Ik geef je er mijn woord op.Karel,opstaande.Ik geloof waarachtig dat.… En wat heb je dien man geantwoord?Louise.Ik heb een dag uitstel gevraagd, want hij wilde mij slechts het geld geven, onder voorwaarde dat ik zijn vrouw zou worden.Karel,haastig.Geldgeven! En wie is die man?Louise.Kan je ’t nog niet raden? Hij is vroeger dikwijls bij ons geweest. ’t Is wel geen vriend van ons, maar we hebben hem misschien ook wel wat al te hard beoordeeld. Hij heeftookzijn goede hoedanigheden.Karel,heftig.Dekkers!Louise.Nu ja, waarom niet?Karel.Louise, hoe hebt ge er over kunnen denken! Die huichelaar, die ellendeling! Hij wil ten tweeden male trachten je te dwingen! Kind, ik stel je goede bedoeling op prijs en[66]heb je er te liever om, maar, zoo waar ik leef, zal ik het beletten; versta mij wel, Louise, ik wil er nimmer iets van hooren!Louise,grijpt zijn hand.Karel, om Godswil! maak u niet zoo driftig! Ik heb je immers gezegd, dat alsgijniet wilt.…Karel.Er mag geen sprake van zijn. Liever hard gewerkt en volgehouden tot het uiterste, desnoods met opoffering van alles, dan vandienman een gunst aan te nemen! Gij zult hem afwijzen, Louise! Geef mij uw woord daarop. Bovendien zoudt ge immers niet alleen uzelve ongelukkig maken, niet waar? Denk aan Willem!Louise.O, aan hem heb ik wel gedacht, maar de strijd was mij zoo zwaar.(Zij omhelst hem.)Nu weet ik wat mij te doen staat, Karel.Karel.Dat is goed!Gijmoogt niet ongelukkig worden; hetgeen ik op mij nam zal ik zelf volbrengen. Al hangt mij nog het zwaarste boven het hoofd, ik hoop de crisis door te staan zooals het een man betaamt. Maar alleen de gedachte aan hetgeen mij nog wacht, drukt me verschrikkelijk ter neêr.Louise.Karel, wat verbleek je? Welke nieuwe ramp staat ons te wachten? O zeg het mij, ik bid het je. ’t Mocht anders weêr onverwachts komen.Karel.Stel je gerust, Louise.Onsbedreigt geen ongeluk. Alleen eischt de noodzakelijkheid vanmijeen offer; eer en plicht gebieden mij het te brengen. Voor onze familie zal het echter geen ramp zijn.… als ik ten minste.…Louise.Als gij?Karel.Niets, niets!(Glimlachend.)Laat mij nu alleen, Louise, en ga naar ma, die ik in druk gesprek met Willem heb[67]achtergelaten. Het wachten zal hem minder lang vallen als hij in uw gezelschap is.Louise.Geloof je dat? Nu, hoe het zij, als het te lang duurt, zend ik hem bij je, hoor!(Karel gaat zitten. Louise wil vertrekken.)Louise,bij de deur.Daar wordt geklopt!(Zij opent de deur.)

ZESDE TOONEEL.LouiseenKarel.Karel,met een brief in de hand.Nog altijd hier, Louise? Je schijnt heel wat te doen gehad te hebben.Louise.En jij dan, ik dacht, dat je zoudt gaan slapen?[64]Karel.Dat was ook mijn plan, zusje, maar ik ontving daar juist een brief, dien ik genoodzaakt ben zoo spoedig mogelijk te beantwoorden.

LouiseenKarel.

Karel,met een brief in de hand.Nog altijd hier, Louise? Je schijnt heel wat te doen gehad te hebben.

Karel,met een brief in de hand.

Nog altijd hier, Louise? Je schijnt heel wat te doen gehad te hebben.

Louise.En jij dan, ik dacht, dat je zoudt gaan slapen?

Louise.

En jij dan, ik dacht, dat je zoudt gaan slapen?

[64]

Karel.Dat was ook mijn plan, zusje, maar ik ontving daar juist een brief, dien ik genoodzaakt ben zoo spoedig mogelijk te beantwoorden.

Karel.

Dat was ook mijn plan, zusje, maar ik ontving daar juist een brief, dien ik genoodzaakt ben zoo spoedig mogelijk te beantwoorden.

(Gaat aan zijn lessenaar zitten.)Louise.Kan er eerst een oogenblik voor mij overschieten?Karel.Is ’t zóo belangrijk, wat je te zeggen hebt? Heeft het zóo’n haast?Louise.Zoowel het een als het ander. ’t Betreft zoo goed u als mij.Karel.Wel verduiveld! je maakt me nieuwsgierig, zusje. Ik luister!Louise.Zou je ’t niet gelukkig vinden, Karel, als nu ’t oogenblik eens was gekomen, dat je kon gaan trouwen? Dan hadt je toch een onbezorgd, gelukkig leven en je behoefde niet zóo nacht en dag te werken?Karel.Wat bedoel je nu?Louise.Ik meen.… als.… als.… bijvoorbeeld dat geld.… dat nog te kort komt, thans in eens kon worden aangezuiverd?Karel,ongeduldig.Geen kwaad idée! Maar.… zie jij daar kans toe? Ik zeker niet.Louise.Misschien wel, maar ik wil niets doen zonder je vooraf te hebben geraadpleegd.Karel,haar onder de kin strijkend.Wel, kind, dat vind ik heel lief van je.Louise.Och, dat daargelaten; je waart zoo even verwonderd mij[65]nog hier te vinden, de reden is, dat ik een bezoek heb gehad van een heer.Karel.Wàt blief?Louise.Van iemand, die met den stand uwer zaken bekend was. Kort en goed: die heer heeft mij ten huwelijk gevraagd en aangeboden het ontbrekende dadelijk te voldoen.Karel,gaat aan zijn lessenaar.Ik dacht niet, dat je me zoudt ophouden om aardigheden te vertellen.Louise.Volstrekt niet, Karel, ik verzeker je, dat het ernst is. Ik geef je er mijn woord op.Karel,opstaande.Ik geloof waarachtig dat.… En wat heb je dien man geantwoord?Louise.Ik heb een dag uitstel gevraagd, want hij wilde mij slechts het geld geven, onder voorwaarde dat ik zijn vrouw zou worden.Karel,haastig.Geldgeven! En wie is die man?Louise.Kan je ’t nog niet raden? Hij is vroeger dikwijls bij ons geweest. ’t Is wel geen vriend van ons, maar we hebben hem misschien ook wel wat al te hard beoordeeld. Hij heeftookzijn goede hoedanigheden.Karel,heftig.Dekkers!Louise.Nu ja, waarom niet?Karel.Louise, hoe hebt ge er over kunnen denken! Die huichelaar, die ellendeling! Hij wil ten tweeden male trachten je te dwingen! Kind, ik stel je goede bedoeling op prijs en[66]heb je er te liever om, maar, zoo waar ik leef, zal ik het beletten; versta mij wel, Louise, ik wil er nimmer iets van hooren!Louise,grijpt zijn hand.Karel, om Godswil! maak u niet zoo driftig! Ik heb je immers gezegd, dat alsgijniet wilt.…Karel.Er mag geen sprake van zijn. Liever hard gewerkt en volgehouden tot het uiterste, desnoods met opoffering van alles, dan vandienman een gunst aan te nemen! Gij zult hem afwijzen, Louise! Geef mij uw woord daarop. Bovendien zoudt ge immers niet alleen uzelve ongelukkig maken, niet waar? Denk aan Willem!Louise.O, aan hem heb ik wel gedacht, maar de strijd was mij zoo zwaar.(Zij omhelst hem.)Nu weet ik wat mij te doen staat, Karel.Karel.Dat is goed!Gijmoogt niet ongelukkig worden; hetgeen ik op mij nam zal ik zelf volbrengen. Al hangt mij nog het zwaarste boven het hoofd, ik hoop de crisis door te staan zooals het een man betaamt. Maar alleen de gedachte aan hetgeen mij nog wacht, drukt me verschrikkelijk ter neêr.Louise.Karel, wat verbleek je? Welke nieuwe ramp staat ons te wachten? O zeg het mij, ik bid het je. ’t Mocht anders weêr onverwachts komen.Karel.Stel je gerust, Louise.Onsbedreigt geen ongeluk. Alleen eischt de noodzakelijkheid vanmijeen offer; eer en plicht gebieden mij het te brengen. Voor onze familie zal het echter geen ramp zijn.… als ik ten minste.…Louise.Als gij?Karel.Niets, niets!(Glimlachend.)Laat mij nu alleen, Louise, en ga naar ma, die ik in druk gesprek met Willem heb[67]achtergelaten. Het wachten zal hem minder lang vallen als hij in uw gezelschap is.Louise.Geloof je dat? Nu, hoe het zij, als het te lang duurt, zend ik hem bij je, hoor!(Karel gaat zitten. Louise wil vertrekken.)Louise,bij de deur.Daar wordt geklopt!(Zij opent de deur.)

(Gaat aan zijn lessenaar zitten.)

Louise.Kan er eerst een oogenblik voor mij overschieten?

Louise.

Kan er eerst een oogenblik voor mij overschieten?

Karel.Is ’t zóo belangrijk, wat je te zeggen hebt? Heeft het zóo’n haast?

Karel.

Is ’t zóo belangrijk, wat je te zeggen hebt? Heeft het zóo’n haast?

Louise.Zoowel het een als het ander. ’t Betreft zoo goed u als mij.

Louise.

Zoowel het een als het ander. ’t Betreft zoo goed u als mij.

Karel.Wel verduiveld! je maakt me nieuwsgierig, zusje. Ik luister!

Karel.

Wel verduiveld! je maakt me nieuwsgierig, zusje. Ik luister!

Louise.Zou je ’t niet gelukkig vinden, Karel, als nu ’t oogenblik eens was gekomen, dat je kon gaan trouwen? Dan hadt je toch een onbezorgd, gelukkig leven en je behoefde niet zóo nacht en dag te werken?

Louise.

Zou je ’t niet gelukkig vinden, Karel, als nu ’t oogenblik eens was gekomen, dat je kon gaan trouwen? Dan hadt je toch een onbezorgd, gelukkig leven en je behoefde niet zóo nacht en dag te werken?

Karel.Wat bedoel je nu?

Karel.

Wat bedoel je nu?

Louise.Ik meen.… als.… als.… bijvoorbeeld dat geld.… dat nog te kort komt, thans in eens kon worden aangezuiverd?

Louise.

Ik meen.… als.… als.… bijvoorbeeld dat geld.… dat nog te kort komt, thans in eens kon worden aangezuiverd?

Karel,ongeduldig.Geen kwaad idée! Maar.… zie jij daar kans toe? Ik zeker niet.

Karel,ongeduldig.

Geen kwaad idée! Maar.… zie jij daar kans toe? Ik zeker niet.

Louise.Misschien wel, maar ik wil niets doen zonder je vooraf te hebben geraadpleegd.

Louise.

Misschien wel, maar ik wil niets doen zonder je vooraf te hebben geraadpleegd.

Karel,haar onder de kin strijkend.Wel, kind, dat vind ik heel lief van je.

Karel,haar onder de kin strijkend.

Wel, kind, dat vind ik heel lief van je.

Louise.Och, dat daargelaten; je waart zoo even verwonderd mij[65]nog hier te vinden, de reden is, dat ik een bezoek heb gehad van een heer.

Louise.

Och, dat daargelaten; je waart zoo even verwonderd mij[65]nog hier te vinden, de reden is, dat ik een bezoek heb gehad van een heer.

Karel.Wàt blief?

Karel.

Wàt blief?

Louise.Van iemand, die met den stand uwer zaken bekend was. Kort en goed: die heer heeft mij ten huwelijk gevraagd en aangeboden het ontbrekende dadelijk te voldoen.

Louise.

Van iemand, die met den stand uwer zaken bekend was. Kort en goed: die heer heeft mij ten huwelijk gevraagd en aangeboden het ontbrekende dadelijk te voldoen.

Karel,gaat aan zijn lessenaar.Ik dacht niet, dat je me zoudt ophouden om aardigheden te vertellen.

Karel,gaat aan zijn lessenaar.

Ik dacht niet, dat je me zoudt ophouden om aardigheden te vertellen.

Louise.Volstrekt niet, Karel, ik verzeker je, dat het ernst is. Ik geef je er mijn woord op.

Louise.

Volstrekt niet, Karel, ik verzeker je, dat het ernst is. Ik geef je er mijn woord op.

Karel,opstaande.Ik geloof waarachtig dat.… En wat heb je dien man geantwoord?

Karel,opstaande.

Ik geloof waarachtig dat.… En wat heb je dien man geantwoord?

Louise.Ik heb een dag uitstel gevraagd, want hij wilde mij slechts het geld geven, onder voorwaarde dat ik zijn vrouw zou worden.

Louise.

Ik heb een dag uitstel gevraagd, want hij wilde mij slechts het geld geven, onder voorwaarde dat ik zijn vrouw zou worden.

Karel,haastig.Geldgeven! En wie is die man?

Karel,haastig.

Geldgeven! En wie is die man?

Louise.Kan je ’t nog niet raden? Hij is vroeger dikwijls bij ons geweest. ’t Is wel geen vriend van ons, maar we hebben hem misschien ook wel wat al te hard beoordeeld. Hij heeftookzijn goede hoedanigheden.

Louise.

Kan je ’t nog niet raden? Hij is vroeger dikwijls bij ons geweest. ’t Is wel geen vriend van ons, maar we hebben hem misschien ook wel wat al te hard beoordeeld. Hij heeftookzijn goede hoedanigheden.

Karel,heftig.Dekkers!

Karel,heftig.

Dekkers!

Louise.Nu ja, waarom niet?

Louise.

Nu ja, waarom niet?

Karel.Louise, hoe hebt ge er over kunnen denken! Die huichelaar, die ellendeling! Hij wil ten tweeden male trachten je te dwingen! Kind, ik stel je goede bedoeling op prijs en[66]heb je er te liever om, maar, zoo waar ik leef, zal ik het beletten; versta mij wel, Louise, ik wil er nimmer iets van hooren!

Karel.

Louise, hoe hebt ge er over kunnen denken! Die huichelaar, die ellendeling! Hij wil ten tweeden male trachten je te dwingen! Kind, ik stel je goede bedoeling op prijs en[66]heb je er te liever om, maar, zoo waar ik leef, zal ik het beletten; versta mij wel, Louise, ik wil er nimmer iets van hooren!

Louise,grijpt zijn hand.Karel, om Godswil! maak u niet zoo driftig! Ik heb je immers gezegd, dat alsgijniet wilt.…

Louise,grijpt zijn hand.

Karel, om Godswil! maak u niet zoo driftig! Ik heb je immers gezegd, dat alsgijniet wilt.…

Karel.Er mag geen sprake van zijn. Liever hard gewerkt en volgehouden tot het uiterste, desnoods met opoffering van alles, dan vandienman een gunst aan te nemen! Gij zult hem afwijzen, Louise! Geef mij uw woord daarop. Bovendien zoudt ge immers niet alleen uzelve ongelukkig maken, niet waar? Denk aan Willem!

Karel.

Er mag geen sprake van zijn. Liever hard gewerkt en volgehouden tot het uiterste, desnoods met opoffering van alles, dan vandienman een gunst aan te nemen! Gij zult hem afwijzen, Louise! Geef mij uw woord daarop. Bovendien zoudt ge immers niet alleen uzelve ongelukkig maken, niet waar? Denk aan Willem!

Louise.O, aan hem heb ik wel gedacht, maar de strijd was mij zoo zwaar.(Zij omhelst hem.)Nu weet ik wat mij te doen staat, Karel.

Louise.

O, aan hem heb ik wel gedacht, maar de strijd was mij zoo zwaar.(Zij omhelst hem.)Nu weet ik wat mij te doen staat, Karel.

Karel.Dat is goed!Gijmoogt niet ongelukkig worden; hetgeen ik op mij nam zal ik zelf volbrengen. Al hangt mij nog het zwaarste boven het hoofd, ik hoop de crisis door te staan zooals het een man betaamt. Maar alleen de gedachte aan hetgeen mij nog wacht, drukt me verschrikkelijk ter neêr.

Karel.

Dat is goed!Gijmoogt niet ongelukkig worden; hetgeen ik op mij nam zal ik zelf volbrengen. Al hangt mij nog het zwaarste boven het hoofd, ik hoop de crisis door te staan zooals het een man betaamt. Maar alleen de gedachte aan hetgeen mij nog wacht, drukt me verschrikkelijk ter neêr.

Louise.Karel, wat verbleek je? Welke nieuwe ramp staat ons te wachten? O zeg het mij, ik bid het je. ’t Mocht anders weêr onverwachts komen.

Louise.

Karel, wat verbleek je? Welke nieuwe ramp staat ons te wachten? O zeg het mij, ik bid het je. ’t Mocht anders weêr onverwachts komen.

Karel.Stel je gerust, Louise.Onsbedreigt geen ongeluk. Alleen eischt de noodzakelijkheid vanmijeen offer; eer en plicht gebieden mij het te brengen. Voor onze familie zal het echter geen ramp zijn.… als ik ten minste.…

Karel.

Stel je gerust, Louise.Onsbedreigt geen ongeluk. Alleen eischt de noodzakelijkheid vanmijeen offer; eer en plicht gebieden mij het te brengen. Voor onze familie zal het echter geen ramp zijn.… als ik ten minste.…

Louise.Als gij?

Louise.

Als gij?

Karel.Niets, niets!(Glimlachend.)Laat mij nu alleen, Louise, en ga naar ma, die ik in druk gesprek met Willem heb[67]achtergelaten. Het wachten zal hem minder lang vallen als hij in uw gezelschap is.

Karel.

Niets, niets!(Glimlachend.)Laat mij nu alleen, Louise, en ga naar ma, die ik in druk gesprek met Willem heb[67]achtergelaten. Het wachten zal hem minder lang vallen als hij in uw gezelschap is.

Louise.Geloof je dat? Nu, hoe het zij, als het te lang duurt, zend ik hem bij je, hoor!

Louise.

Geloof je dat? Nu, hoe het zij, als het te lang duurt, zend ik hem bij je, hoor!

(Karel gaat zitten. Louise wil vertrekken.)

Louise,bij de deur.Daar wordt geklopt!(Zij opent de deur.)

Louise,bij de deur.

Daar wordt geklopt!(Zij opent de deur.)

[Inhoud]ZEVENDE TOONEEL.Karel,Louise,Anna,binnenkomende.Karel,opstaande, ter zijde.Nu reeds! O God, schenk me kracht en moed! Nu vooral!Louise,omhelst Anna.Dag lieve, beste Anna! Zie eens, Karel, daar is beter gezelschap voor je dan het mijne. Nu laat ik je samen alleen.Anna.Waarom zou je zoo dadelijk heengaan? Blijf bij ons, Louise.Louise.Neen, neen! Karel is zwaarmoedig! Niemand zal hem beter kunnen troosten dan gij. En dan, ik moet ook een zielzieke gaan verzorgen, maar ik kom toch gauw terug. Tot straks.(Louise af.)

ZEVENDE TOONEEL.Karel,Louise,Anna,binnenkomende.Karel,opstaande, ter zijde.Nu reeds! O God, schenk me kracht en moed! Nu vooral!Louise,omhelst Anna.Dag lieve, beste Anna! Zie eens, Karel, daar is beter gezelschap voor je dan het mijne. Nu laat ik je samen alleen.Anna.Waarom zou je zoo dadelijk heengaan? Blijf bij ons, Louise.Louise.Neen, neen! Karel is zwaarmoedig! Niemand zal hem beter kunnen troosten dan gij. En dan, ik moet ook een zielzieke gaan verzorgen, maar ik kom toch gauw terug. Tot straks.(Louise af.)

Karel,Louise,Anna,binnenkomende.

Karel,opstaande, ter zijde.Nu reeds! O God, schenk me kracht en moed! Nu vooral!

Karel,opstaande, ter zijde.

Nu reeds! O God, schenk me kracht en moed! Nu vooral!

Louise,omhelst Anna.Dag lieve, beste Anna! Zie eens, Karel, daar is beter gezelschap voor je dan het mijne. Nu laat ik je samen alleen.

Louise,omhelst Anna.

Dag lieve, beste Anna! Zie eens, Karel, daar is beter gezelschap voor je dan het mijne. Nu laat ik je samen alleen.

Anna.Waarom zou je zoo dadelijk heengaan? Blijf bij ons, Louise.

Anna.

Waarom zou je zoo dadelijk heengaan? Blijf bij ons, Louise.

Louise.Neen, neen! Karel is zwaarmoedig! Niemand zal hem beter kunnen troosten dan gij. En dan, ik moet ook een zielzieke gaan verzorgen, maar ik kom toch gauw terug. Tot straks.

Louise.

Neen, neen! Karel is zwaarmoedig! Niemand zal hem beter kunnen troosten dan gij. En dan, ik moet ook een zielzieke gaan verzorgen, maar ik kom toch gauw terug. Tot straks.

(Louise af.)

[Inhoud]ACHTSTE TOONEEL.Karel,Anna.Karel,Anna’s hand nemende.Wat zie je er ontstemd uit, Annalief! Er is toch niets, hoop ik …?[68]Anna,ernstig.Metmijniet. Ik vernam zoo even van uw moeder, dat je weêr je woord niet hebt gehouden om ’s nachts niet te werken.Karel.Och, ik zal mijn schade wel inhalen. Maak je maar niet ongerust, lieve.Anna.’t Is in je eigen belang! Je zult ziek worden.Karel.Dat willen we niet hopen. Mijn bezigheden zullen me niet ziek maken; het is voor mij een reden tot dankbaarheid, als mijn praktijk zich weêr eenigszins uitbreidt. ’t Is maar een vleugje, Anna, ’t ging in den laatsten tijd ook al bitter slecht. ’t Is waar, ik heb nu hard gewerkt en moet wat rust nemen, ik kan het niet meer zoo volhouden, als voor een paar jaren.Anna.Een reden te meer om je te ontzien. Je gezondheid gaat toch boven alles.Karel.Nu ja, mijn gezondheid, mijn gezondheid.… ’t Meest pijnigt me de gedachte, dat het nog lang zoo moet voortduren, als de zaken niet beter gaan;(zuchtend)anders is het eind niet te voorzien.Anna.’t Is wel treurig!Karel.Dat is het zeker. Terwijl ik in de eerste drie jaren na de ramp aardige sommen kon afdoen, zal het dit jaar niet veel bedragen.Anna,zuchtend.Men zou er op die wijze den moed bij verliezen.Karel.Ik heb er al lang over nagedacht en begrepen, dat het tijd is om krachtig te handelen, opdat wij nietbeidenvan de treurige omstandigheden het slachtoffer worden.[69]Anna.Och! wat zullen we er aan doen? We kunnen de zaak niet dwingen; maar dat hopeloos wachten, zoo zonder eenig vooruitzicht.… ’t is om er ziek van te worden.Karel.Dat is ook zoo en daarom wilde ik je een voorstel doen. Zie, ge zijt mij drie jaar lang in het ongeluk trouw gebleven; je hebt mij moed ingesproken, als ik neerslachtig was; zou het nu niet egoïstisch van me zijn, als ik diezelfde toewijding, wie weet hoeveel jaren nog van je zou eischen, als ik nog rechten op je wilde doen gelden, terwijl je wellicht gelukkig getrouwd hadt kunnen zijn?Anna.Karel! die taal!Karel.Is niet de taal van mijn hart, dat weet God! maar die, welke mijn gezond verstand mij ingeeft. Hoe pijnlijk dit ook voor mij is, in uw belang, Anna, ben ik verplicht u voor te stellen om onze verbintenis te verbreken. Herneem gij uw vrijheid,ikmag uw toekomst niet langer aan de mijne verbinden; daar is ze te duister voor.Anna.Maar dat is u toch geen ernst? Gij schertst, niet waar? Of bemint ge mij niet meer?Karel.Anna, juist omdat ik u liefheb, doe ik u dat voorstel. In een toestand als de mijne mag het gevoel het verstand niet beheerschen.Anna,na een korte pauze, langzaam.Misschien heb je gelijk en is het zóo beter voor ons beiden.Karel,ter zijde.O, God! wat blijft ze daar koel onder!(TotAnna.)’t Verheugt me, dat ge mij zóó goed en zoo spoedig begrijpt. Ik had gevreesd.… of liever =.… O, Anna, als ge wist welk een harden strijd ik gestreden heb, als ge wist hoe ik geworsteld heb om den drang van mijn hart te weerstaan en[70]het gezond verstand te doen zegevieren, dan.… dan hadt ge mijn smart niet beter kunnen verlichten, dan ge nu doet door uw kalmte, door uw.…Anna.Laten we bedaard blijven, Karel! ’t Doet ook mij innig leed van je te moeten scheiden, maar.… de noodzakelijkheid.…Karel.Zeker, zeker. We moeten.… Ik moet een voorbeeld nemen aan u. Vergeef me mijn opgewondenheid.Anna.Ik ben je er dankbaar voor, mijn vriend. Niet dat ik na alles wat er voorviel in de laatste jaren ooit had kunnen denken datgijme een scheiding zoudt hebben voorgesteld.Karel.Heb ik het zelf ooit gedacht!Anna.Nu het echter zoover is gekomen, billijk ik uw verlangen. Ik begrijp dat slechts de wreede noodzakelijkheid je noopte tot dien stap.Karel.Wreed? O God, zoo wreed! Slechts drie jaren van mijn leven ken ik haar vreeselijke macht en in dien korten tijd heeft ze met ijskoude hand de liefelijkste banden mijner ziel verscheurd, heeft ze als een kanker aan mijn leven geknaagd. De arbeid, dien ik vroeger vereerde en liefhad als de vrucht van mijn geest, werd me onverschillig, sedert de nood mij voortzweepte en me verlaagde tot werktuig. Waar is mijn schoone droom, om door studie eenmaal te schitteren onder de mannen der wetenschap! Hij vervloog in rook, toen de onverbiddelijke noodzakelijkheid mij dwong te woekeren met elk uur van den dag, zelfs van den nacht. En het eenige wat me overbleef, mijn liefde voor u.…Anna.Die ge zoo vaak uw steun noemdet in den tegenspoed …Karel.Mag dat niet langer zijn! Ik herhaal het: ik kan uw toekomst[71]niet afhankelijk stellen van de mijne. De noodzakelijkheid vordert, dat ik nog jaren lang werk om bevrijd te worden van den last, dien zij me oplegde. En als ik uit haar gareel ben ontslagen, als ik u eenmaal mijn vrouw zou mogen noemen, dan zouden uw schoonste levensjaren in sombere eentonigheid zijn voorbijgegaan en ik … ik zou voor u niets kunnen zijn dan een man, wiens gezondheid verzwakt, wiens energie verlamd was, een man zonder toekomst.… een treurige parodie op ’n jeugdig echtgenoot!Anna.Ge blijft dus bij uw voornemen?Karel.Het moet! Vraag mij niet langer. Ik voel, dat me de toestand ondragelijk wordt, dat mij de moed gaat ontzinken.Anna.Dus.… wij scheiden.(Karel knikt met het hoofd.)Laat ons dan kort zijn, Karel.(Zij reikt hem de hand.)Vaarwel, mijn beste en.… houd moed.(Karel omhelst haar vurig. Anna maakt zich uit zijn arm los.)Vaarwel, Karel, vaarwel!(Zij ijlt de middendeur uit, maar blijft daarachter staan en gluurt naar binnen.)

ACHTSTE TOONEEL.Karel,Anna.Karel,Anna’s hand nemende.Wat zie je er ontstemd uit, Annalief! Er is toch niets, hoop ik …?[68]Anna,ernstig.Metmijniet. Ik vernam zoo even van uw moeder, dat je weêr je woord niet hebt gehouden om ’s nachts niet te werken.Karel.Och, ik zal mijn schade wel inhalen. Maak je maar niet ongerust, lieve.Anna.’t Is in je eigen belang! Je zult ziek worden.Karel.Dat willen we niet hopen. Mijn bezigheden zullen me niet ziek maken; het is voor mij een reden tot dankbaarheid, als mijn praktijk zich weêr eenigszins uitbreidt. ’t Is maar een vleugje, Anna, ’t ging in den laatsten tijd ook al bitter slecht. ’t Is waar, ik heb nu hard gewerkt en moet wat rust nemen, ik kan het niet meer zoo volhouden, als voor een paar jaren.Anna.Een reden te meer om je te ontzien. Je gezondheid gaat toch boven alles.Karel.Nu ja, mijn gezondheid, mijn gezondheid.… ’t Meest pijnigt me de gedachte, dat het nog lang zoo moet voortduren, als de zaken niet beter gaan;(zuchtend)anders is het eind niet te voorzien.Anna.’t Is wel treurig!Karel.Dat is het zeker. Terwijl ik in de eerste drie jaren na de ramp aardige sommen kon afdoen, zal het dit jaar niet veel bedragen.Anna,zuchtend.Men zou er op die wijze den moed bij verliezen.Karel.Ik heb er al lang over nagedacht en begrepen, dat het tijd is om krachtig te handelen, opdat wij nietbeidenvan de treurige omstandigheden het slachtoffer worden.[69]Anna.Och! wat zullen we er aan doen? We kunnen de zaak niet dwingen; maar dat hopeloos wachten, zoo zonder eenig vooruitzicht.… ’t is om er ziek van te worden.Karel.Dat is ook zoo en daarom wilde ik je een voorstel doen. Zie, ge zijt mij drie jaar lang in het ongeluk trouw gebleven; je hebt mij moed ingesproken, als ik neerslachtig was; zou het nu niet egoïstisch van me zijn, als ik diezelfde toewijding, wie weet hoeveel jaren nog van je zou eischen, als ik nog rechten op je wilde doen gelden, terwijl je wellicht gelukkig getrouwd hadt kunnen zijn?Anna.Karel! die taal!Karel.Is niet de taal van mijn hart, dat weet God! maar die, welke mijn gezond verstand mij ingeeft. Hoe pijnlijk dit ook voor mij is, in uw belang, Anna, ben ik verplicht u voor te stellen om onze verbintenis te verbreken. Herneem gij uw vrijheid,ikmag uw toekomst niet langer aan de mijne verbinden; daar is ze te duister voor.Anna.Maar dat is u toch geen ernst? Gij schertst, niet waar? Of bemint ge mij niet meer?Karel.Anna, juist omdat ik u liefheb, doe ik u dat voorstel. In een toestand als de mijne mag het gevoel het verstand niet beheerschen.Anna,na een korte pauze, langzaam.Misschien heb je gelijk en is het zóo beter voor ons beiden.Karel,ter zijde.O, God! wat blijft ze daar koel onder!(TotAnna.)’t Verheugt me, dat ge mij zóó goed en zoo spoedig begrijpt. Ik had gevreesd.… of liever =.… O, Anna, als ge wist welk een harden strijd ik gestreden heb, als ge wist hoe ik geworsteld heb om den drang van mijn hart te weerstaan en[70]het gezond verstand te doen zegevieren, dan.… dan hadt ge mijn smart niet beter kunnen verlichten, dan ge nu doet door uw kalmte, door uw.…Anna.Laten we bedaard blijven, Karel! ’t Doet ook mij innig leed van je te moeten scheiden, maar.… de noodzakelijkheid.…Karel.Zeker, zeker. We moeten.… Ik moet een voorbeeld nemen aan u. Vergeef me mijn opgewondenheid.Anna.Ik ben je er dankbaar voor, mijn vriend. Niet dat ik na alles wat er voorviel in de laatste jaren ooit had kunnen denken datgijme een scheiding zoudt hebben voorgesteld.Karel.Heb ik het zelf ooit gedacht!Anna.Nu het echter zoover is gekomen, billijk ik uw verlangen. Ik begrijp dat slechts de wreede noodzakelijkheid je noopte tot dien stap.Karel.Wreed? O God, zoo wreed! Slechts drie jaren van mijn leven ken ik haar vreeselijke macht en in dien korten tijd heeft ze met ijskoude hand de liefelijkste banden mijner ziel verscheurd, heeft ze als een kanker aan mijn leven geknaagd. De arbeid, dien ik vroeger vereerde en liefhad als de vrucht van mijn geest, werd me onverschillig, sedert de nood mij voortzweepte en me verlaagde tot werktuig. Waar is mijn schoone droom, om door studie eenmaal te schitteren onder de mannen der wetenschap! Hij vervloog in rook, toen de onverbiddelijke noodzakelijkheid mij dwong te woekeren met elk uur van den dag, zelfs van den nacht. En het eenige wat me overbleef, mijn liefde voor u.…Anna.Die ge zoo vaak uw steun noemdet in den tegenspoed …Karel.Mag dat niet langer zijn! Ik herhaal het: ik kan uw toekomst[71]niet afhankelijk stellen van de mijne. De noodzakelijkheid vordert, dat ik nog jaren lang werk om bevrijd te worden van den last, dien zij me oplegde. En als ik uit haar gareel ben ontslagen, als ik u eenmaal mijn vrouw zou mogen noemen, dan zouden uw schoonste levensjaren in sombere eentonigheid zijn voorbijgegaan en ik … ik zou voor u niets kunnen zijn dan een man, wiens gezondheid verzwakt, wiens energie verlamd was, een man zonder toekomst.… een treurige parodie op ’n jeugdig echtgenoot!Anna.Ge blijft dus bij uw voornemen?Karel.Het moet! Vraag mij niet langer. Ik voel, dat me de toestand ondragelijk wordt, dat mij de moed gaat ontzinken.Anna.Dus.… wij scheiden.(Karel knikt met het hoofd.)Laat ons dan kort zijn, Karel.(Zij reikt hem de hand.)Vaarwel, mijn beste en.… houd moed.(Karel omhelst haar vurig. Anna maakt zich uit zijn arm los.)Vaarwel, Karel, vaarwel!(Zij ijlt de middendeur uit, maar blijft daarachter staan en gluurt naar binnen.)

Karel,Anna.

Karel,Anna’s hand nemende.Wat zie je er ontstemd uit, Annalief! Er is toch niets, hoop ik …?

Karel,Anna’s hand nemende.

Wat zie je er ontstemd uit, Annalief! Er is toch niets, hoop ik …?

[68]

Anna,ernstig.Metmijniet. Ik vernam zoo even van uw moeder, dat je weêr je woord niet hebt gehouden om ’s nachts niet te werken.

Anna,ernstig.

Metmijniet. Ik vernam zoo even van uw moeder, dat je weêr je woord niet hebt gehouden om ’s nachts niet te werken.

Karel.Och, ik zal mijn schade wel inhalen. Maak je maar niet ongerust, lieve.

Karel.

Och, ik zal mijn schade wel inhalen. Maak je maar niet ongerust, lieve.

Anna.’t Is in je eigen belang! Je zult ziek worden.

Anna.

’t Is in je eigen belang! Je zult ziek worden.

Karel.Dat willen we niet hopen. Mijn bezigheden zullen me niet ziek maken; het is voor mij een reden tot dankbaarheid, als mijn praktijk zich weêr eenigszins uitbreidt. ’t Is maar een vleugje, Anna, ’t ging in den laatsten tijd ook al bitter slecht. ’t Is waar, ik heb nu hard gewerkt en moet wat rust nemen, ik kan het niet meer zoo volhouden, als voor een paar jaren.

Karel.

Dat willen we niet hopen. Mijn bezigheden zullen me niet ziek maken; het is voor mij een reden tot dankbaarheid, als mijn praktijk zich weêr eenigszins uitbreidt. ’t Is maar een vleugje, Anna, ’t ging in den laatsten tijd ook al bitter slecht. ’t Is waar, ik heb nu hard gewerkt en moet wat rust nemen, ik kan het niet meer zoo volhouden, als voor een paar jaren.

Anna.Een reden te meer om je te ontzien. Je gezondheid gaat toch boven alles.

Anna.

Een reden te meer om je te ontzien. Je gezondheid gaat toch boven alles.

Karel.Nu ja, mijn gezondheid, mijn gezondheid.… ’t Meest pijnigt me de gedachte, dat het nog lang zoo moet voortduren, als de zaken niet beter gaan;(zuchtend)anders is het eind niet te voorzien.

Karel.

Nu ja, mijn gezondheid, mijn gezondheid.… ’t Meest pijnigt me de gedachte, dat het nog lang zoo moet voortduren, als de zaken niet beter gaan;(zuchtend)anders is het eind niet te voorzien.

Anna.’t Is wel treurig!

Anna.

’t Is wel treurig!

Karel.Dat is het zeker. Terwijl ik in de eerste drie jaren na de ramp aardige sommen kon afdoen, zal het dit jaar niet veel bedragen.

Karel.

Dat is het zeker. Terwijl ik in de eerste drie jaren na de ramp aardige sommen kon afdoen, zal het dit jaar niet veel bedragen.

Anna,zuchtend.Men zou er op die wijze den moed bij verliezen.

Anna,zuchtend.

Men zou er op die wijze den moed bij verliezen.

Karel.Ik heb er al lang over nagedacht en begrepen, dat het tijd is om krachtig te handelen, opdat wij nietbeidenvan de treurige omstandigheden het slachtoffer worden.

Karel.

Ik heb er al lang over nagedacht en begrepen, dat het tijd is om krachtig te handelen, opdat wij nietbeidenvan de treurige omstandigheden het slachtoffer worden.

[69]

Anna.Och! wat zullen we er aan doen? We kunnen de zaak niet dwingen; maar dat hopeloos wachten, zoo zonder eenig vooruitzicht.… ’t is om er ziek van te worden.

Anna.

Och! wat zullen we er aan doen? We kunnen de zaak niet dwingen; maar dat hopeloos wachten, zoo zonder eenig vooruitzicht.… ’t is om er ziek van te worden.

Karel.Dat is ook zoo en daarom wilde ik je een voorstel doen. Zie, ge zijt mij drie jaar lang in het ongeluk trouw gebleven; je hebt mij moed ingesproken, als ik neerslachtig was; zou het nu niet egoïstisch van me zijn, als ik diezelfde toewijding, wie weet hoeveel jaren nog van je zou eischen, als ik nog rechten op je wilde doen gelden, terwijl je wellicht gelukkig getrouwd hadt kunnen zijn?

Karel.

Dat is ook zoo en daarom wilde ik je een voorstel doen. Zie, ge zijt mij drie jaar lang in het ongeluk trouw gebleven; je hebt mij moed ingesproken, als ik neerslachtig was; zou het nu niet egoïstisch van me zijn, als ik diezelfde toewijding, wie weet hoeveel jaren nog van je zou eischen, als ik nog rechten op je wilde doen gelden, terwijl je wellicht gelukkig getrouwd hadt kunnen zijn?

Anna.Karel! die taal!

Anna.

Karel! die taal!

Karel.Is niet de taal van mijn hart, dat weet God! maar die, welke mijn gezond verstand mij ingeeft. Hoe pijnlijk dit ook voor mij is, in uw belang, Anna, ben ik verplicht u voor te stellen om onze verbintenis te verbreken. Herneem gij uw vrijheid,ikmag uw toekomst niet langer aan de mijne verbinden; daar is ze te duister voor.

Karel.

Is niet de taal van mijn hart, dat weet God! maar die, welke mijn gezond verstand mij ingeeft. Hoe pijnlijk dit ook voor mij is, in uw belang, Anna, ben ik verplicht u voor te stellen om onze verbintenis te verbreken. Herneem gij uw vrijheid,ikmag uw toekomst niet langer aan de mijne verbinden; daar is ze te duister voor.

Anna.Maar dat is u toch geen ernst? Gij schertst, niet waar? Of bemint ge mij niet meer?

Anna.

Maar dat is u toch geen ernst? Gij schertst, niet waar? Of bemint ge mij niet meer?

Karel.Anna, juist omdat ik u liefheb, doe ik u dat voorstel. In een toestand als de mijne mag het gevoel het verstand niet beheerschen.

Karel.

Anna, juist omdat ik u liefheb, doe ik u dat voorstel. In een toestand als de mijne mag het gevoel het verstand niet beheerschen.

Anna,na een korte pauze, langzaam.Misschien heb je gelijk en is het zóo beter voor ons beiden.

Anna,na een korte pauze, langzaam.

Misschien heb je gelijk en is het zóo beter voor ons beiden.

Karel,ter zijde.O, God! wat blijft ze daar koel onder!(TotAnna.)’t Verheugt me, dat ge mij zóó goed en zoo spoedig begrijpt. Ik had gevreesd.… of liever =.… O, Anna, als ge wist welk een harden strijd ik gestreden heb, als ge wist hoe ik geworsteld heb om den drang van mijn hart te weerstaan en[70]het gezond verstand te doen zegevieren, dan.… dan hadt ge mijn smart niet beter kunnen verlichten, dan ge nu doet door uw kalmte, door uw.…

Karel,ter zijde.

O, God! wat blijft ze daar koel onder!(TotAnna.)’t Verheugt me, dat ge mij zóó goed en zoo spoedig begrijpt. Ik had gevreesd.… of liever =.… O, Anna, als ge wist welk een harden strijd ik gestreden heb, als ge wist hoe ik geworsteld heb om den drang van mijn hart te weerstaan en[70]het gezond verstand te doen zegevieren, dan.… dan hadt ge mijn smart niet beter kunnen verlichten, dan ge nu doet door uw kalmte, door uw.…

Anna.Laten we bedaard blijven, Karel! ’t Doet ook mij innig leed van je te moeten scheiden, maar.… de noodzakelijkheid.…

Anna.

Laten we bedaard blijven, Karel! ’t Doet ook mij innig leed van je te moeten scheiden, maar.… de noodzakelijkheid.…

Karel.Zeker, zeker. We moeten.… Ik moet een voorbeeld nemen aan u. Vergeef me mijn opgewondenheid.

Karel.

Zeker, zeker. We moeten.… Ik moet een voorbeeld nemen aan u. Vergeef me mijn opgewondenheid.

Anna.Ik ben je er dankbaar voor, mijn vriend. Niet dat ik na alles wat er voorviel in de laatste jaren ooit had kunnen denken datgijme een scheiding zoudt hebben voorgesteld.

Anna.

Ik ben je er dankbaar voor, mijn vriend. Niet dat ik na alles wat er voorviel in de laatste jaren ooit had kunnen denken datgijme een scheiding zoudt hebben voorgesteld.

Karel.Heb ik het zelf ooit gedacht!

Karel.

Heb ik het zelf ooit gedacht!

Anna.Nu het echter zoover is gekomen, billijk ik uw verlangen. Ik begrijp dat slechts de wreede noodzakelijkheid je noopte tot dien stap.

Anna.

Nu het echter zoover is gekomen, billijk ik uw verlangen. Ik begrijp dat slechts de wreede noodzakelijkheid je noopte tot dien stap.

Karel.Wreed? O God, zoo wreed! Slechts drie jaren van mijn leven ken ik haar vreeselijke macht en in dien korten tijd heeft ze met ijskoude hand de liefelijkste banden mijner ziel verscheurd, heeft ze als een kanker aan mijn leven geknaagd. De arbeid, dien ik vroeger vereerde en liefhad als de vrucht van mijn geest, werd me onverschillig, sedert de nood mij voortzweepte en me verlaagde tot werktuig. Waar is mijn schoone droom, om door studie eenmaal te schitteren onder de mannen der wetenschap! Hij vervloog in rook, toen de onverbiddelijke noodzakelijkheid mij dwong te woekeren met elk uur van den dag, zelfs van den nacht. En het eenige wat me overbleef, mijn liefde voor u.…

Karel.

Wreed? O God, zoo wreed! Slechts drie jaren van mijn leven ken ik haar vreeselijke macht en in dien korten tijd heeft ze met ijskoude hand de liefelijkste banden mijner ziel verscheurd, heeft ze als een kanker aan mijn leven geknaagd. De arbeid, dien ik vroeger vereerde en liefhad als de vrucht van mijn geest, werd me onverschillig, sedert de nood mij voortzweepte en me verlaagde tot werktuig. Waar is mijn schoone droom, om door studie eenmaal te schitteren onder de mannen der wetenschap! Hij vervloog in rook, toen de onverbiddelijke noodzakelijkheid mij dwong te woekeren met elk uur van den dag, zelfs van den nacht. En het eenige wat me overbleef, mijn liefde voor u.…

Anna.Die ge zoo vaak uw steun noemdet in den tegenspoed …

Anna.

Die ge zoo vaak uw steun noemdet in den tegenspoed …

Karel.Mag dat niet langer zijn! Ik herhaal het: ik kan uw toekomst[71]niet afhankelijk stellen van de mijne. De noodzakelijkheid vordert, dat ik nog jaren lang werk om bevrijd te worden van den last, dien zij me oplegde. En als ik uit haar gareel ben ontslagen, als ik u eenmaal mijn vrouw zou mogen noemen, dan zouden uw schoonste levensjaren in sombere eentonigheid zijn voorbijgegaan en ik … ik zou voor u niets kunnen zijn dan een man, wiens gezondheid verzwakt, wiens energie verlamd was, een man zonder toekomst.… een treurige parodie op ’n jeugdig echtgenoot!

Karel.

Mag dat niet langer zijn! Ik herhaal het: ik kan uw toekomst[71]niet afhankelijk stellen van de mijne. De noodzakelijkheid vordert, dat ik nog jaren lang werk om bevrijd te worden van den last, dien zij me oplegde. En als ik uit haar gareel ben ontslagen, als ik u eenmaal mijn vrouw zou mogen noemen, dan zouden uw schoonste levensjaren in sombere eentonigheid zijn voorbijgegaan en ik … ik zou voor u niets kunnen zijn dan een man, wiens gezondheid verzwakt, wiens energie verlamd was, een man zonder toekomst.… een treurige parodie op ’n jeugdig echtgenoot!

Anna.Ge blijft dus bij uw voornemen?

Anna.

Ge blijft dus bij uw voornemen?

Karel.Het moet! Vraag mij niet langer. Ik voel, dat me de toestand ondragelijk wordt, dat mij de moed gaat ontzinken.

Karel.

Het moet! Vraag mij niet langer. Ik voel, dat me de toestand ondragelijk wordt, dat mij de moed gaat ontzinken.

Anna.Dus.… wij scheiden.(Karel knikt met het hoofd.)Laat ons dan kort zijn, Karel.(Zij reikt hem de hand.)Vaarwel, mijn beste en.… houd moed.(Karel omhelst haar vurig. Anna maakt zich uit zijn arm los.)Vaarwel, Karel, vaarwel!(Zij ijlt de middendeur uit, maar blijft daarachter staan en gluurt naar binnen.)

Anna.

Dus.… wij scheiden.(Karel knikt met het hoofd.)Laat ons dan kort zijn, Karel.(Zij reikt hem de hand.)Vaarwel, mijn beste en.… houd moed.(Karel omhelst haar vurig. Anna maakt zich uit zijn arm los.)Vaarwel, Karel, vaarwel!(Zij ijlt de middendeur uit, maar blijft daarachter staan en gluurt naar binnen.)

[Inhoud]NEGENDE TOONEEL.Karel,alleen.Zij is weg! Voor altijd weg! Wat heb ik gedaan? Ik deed het in haar belang, maar thans is voor mij ook alles verloren! Zij was mijn grootste steun, waar ik behoefte had aan moed en wilskracht; met onderwerping en geduld schikte zij zich in haar lot en nu heeft ze mij verlaten! Maar ’t is immers mijn eigen schuld. Ik waardeerde haar opoffering niet genoeg. Ik zag niet in hoe deze juist het grootste bewijs harer liefde was, en ik waagde het te denken, dat ik zonder haar gelukkig zou kunnen zijn! Anna! lieve Anna, ik heb u miskend, nu gevoel ik eerst hoe lief ik u heb, en ikzelf heb u laten vertrekken! Anna! O God! Het is verschrikkelijk![72]Anna, vergeef het mij!(Hij zinkt op de canapé ineen.)(Anna door de middendeur op.)

NEGENDE TOONEEL.Karel,alleen.Zij is weg! Voor altijd weg! Wat heb ik gedaan? Ik deed het in haar belang, maar thans is voor mij ook alles verloren! Zij was mijn grootste steun, waar ik behoefte had aan moed en wilskracht; met onderwerping en geduld schikte zij zich in haar lot en nu heeft ze mij verlaten! Maar ’t is immers mijn eigen schuld. Ik waardeerde haar opoffering niet genoeg. Ik zag niet in hoe deze juist het grootste bewijs harer liefde was, en ik waagde het te denken, dat ik zonder haar gelukkig zou kunnen zijn! Anna! lieve Anna, ik heb u miskend, nu gevoel ik eerst hoe lief ik u heb, en ikzelf heb u laten vertrekken! Anna! O God! Het is verschrikkelijk![72]Anna, vergeef het mij!(Hij zinkt op de canapé ineen.)(Anna door de middendeur op.)

Karel,alleen.Zij is weg! Voor altijd weg! Wat heb ik gedaan? Ik deed het in haar belang, maar thans is voor mij ook alles verloren! Zij was mijn grootste steun, waar ik behoefte had aan moed en wilskracht; met onderwerping en geduld schikte zij zich in haar lot en nu heeft ze mij verlaten! Maar ’t is immers mijn eigen schuld. Ik waardeerde haar opoffering niet genoeg. Ik zag niet in hoe deze juist het grootste bewijs harer liefde was, en ik waagde het te denken, dat ik zonder haar gelukkig zou kunnen zijn! Anna! lieve Anna, ik heb u miskend, nu gevoel ik eerst hoe lief ik u heb, en ikzelf heb u laten vertrekken! Anna! O God! Het is verschrikkelijk![72]Anna, vergeef het mij!(Hij zinkt op de canapé ineen.)

Karel,alleen.

Zij is weg! Voor altijd weg! Wat heb ik gedaan? Ik deed het in haar belang, maar thans is voor mij ook alles verloren! Zij was mijn grootste steun, waar ik behoefte had aan moed en wilskracht; met onderwerping en geduld schikte zij zich in haar lot en nu heeft ze mij verlaten! Maar ’t is immers mijn eigen schuld. Ik waardeerde haar opoffering niet genoeg. Ik zag niet in hoe deze juist het grootste bewijs harer liefde was, en ik waagde het te denken, dat ik zonder haar gelukkig zou kunnen zijn! Anna! lieve Anna, ik heb u miskend, nu gevoel ik eerst hoe lief ik u heb, en ikzelf heb u laten vertrekken! Anna! O God! Het is verschrikkelijk![72]Anna, vergeef het mij!(Hij zinkt op de canapé ineen.)

(Anna door de middendeur op.)

[Inhoud]TIENDE TOONEEL.Karel,Anna.Anna.Van ganscher harte, Karel, lieve Karel! Zie, ik ben niet vertrokken, en ik zal het ook niet doen.(Zij knielt bij hem neêr.)Vergeef mij, dat ik u bedroefde door u te verlaten. ’t Was mij geen ernst. Ik wilde slechts zien of je zóo van mij zoudt kunnen scheiden. Thans weet ik het beter. Ik zweer je Karel, dat ik je nooit zal verlaten.Karel,omhelst haar en richt haar op.Ik heb haar weder! O! dank, Anna, dank!Anna.Maar nu mijn voorwaarden!Karel.Stel ze; vraag me al wat mogelijk is, en ik zal het ten uitvoer brengen, als ik je slechts mag behouden.Anna.Wees niet bezorgd. Wij zullen bij elkaar blijven en wel ter dege; wij moeten gaan trouwen.Karel.O, was dàt waar, maar je weet immers, dat dit onmogelijk is.Anna.Misschien minder dan je denkt, Karel.Jijstelde mij zoo even een scheiding voor:ikstel je voor te gaan trouwen, enmijnvoorstel, dat verzeker ik je, is vrij wat ernstiger gemeend![73]Karel.Ik begrijp je niet, Anna,… en de schuld, die nog voldaan moet worden.…Anna,hem in de rede vallende.Ja, ja, ik weet hoeveel die op ’t oogenblik nog bedraagt. ’t Is je bekend, dat ik van mijn ouders een klein kapitaaltje erfde, nauwelijks genoeg om onafhankelijk te leven. Ik heb, lach niet! er meêgespeculeerd!Karel.Wat? gespeculeerd! Dat is onvergeeflijk.Anna.O, stel je gerust! Niet in Amerikaansche Sporen; omstreeks drie jaar geleden heb ik er aandeelen voor gekocht in een jeugdige, maar echt Nederlandsche onderneming, en op wiens raad denkt ge wel?Karel.Hoe kan ik dat raden?Anna.Op dien van een goed vriend: van Vredenburch. Welnu, die aandeelen zijn thans haast 50 percent gerezen, zoodat ik een aardig sommetje heb verdiend.Karel.Wel, dat is prachtig! Ik wensch je van harte geluk.Anna.Mij?Neenons, want zie, het was van ’t begin af aan mijn plan, zoodra ik kon, iets tot uw doel bij te dragen.Karel.Engel!Anna.Nu, dat is zoo erg niet. Ik ben dus, zooals ik zei, zuinig geweest en—zeg, Karel, je hebt vroeger m’n borduurwerk wel eens geprezen, niet waar?Karel.Ja, maar.…Anna.Geen maren! Ik heb,dank alweêr aan de tusschenkomst[74]van mijnheer en mevrouw Vredenburch, in alle stilte vrij wat geld met mijn arbeid verdiend. Kortom, mijn zaakjes zijn uitmuntend geslaagd en ik bezit thans genoeg om aan te vullen, wat u nog ontbreekt.(Zij haalt een portefeuille uit den zak.)Ziedaar! Beschik er over!Karel.Maar Anna! dat is te veel. Dat kan en mag ik niet aannemen!Anna.Waarom niet? Als je mij bemint, dan moogt ge geen bezwaren maken. Dit geld is immers geen geschenk, het is uw rechtmatig eigendom, want, zooals ik u gezegd heb: wij gaan trouwen.Karel,het geld aannemende.’t Is waar! Zóo kan het gaan, Anna, ja, ge zijt een engel. O God! welk een plotselinge omkeer! Wat voel ik me van een zwaren last ontheven!(Kusthaar.)

TIENDE TOONEEL.Karel,Anna.Anna.Van ganscher harte, Karel, lieve Karel! Zie, ik ben niet vertrokken, en ik zal het ook niet doen.(Zij knielt bij hem neêr.)Vergeef mij, dat ik u bedroefde door u te verlaten. ’t Was mij geen ernst. Ik wilde slechts zien of je zóo van mij zoudt kunnen scheiden. Thans weet ik het beter. Ik zweer je Karel, dat ik je nooit zal verlaten.Karel,omhelst haar en richt haar op.Ik heb haar weder! O! dank, Anna, dank!Anna.Maar nu mijn voorwaarden!Karel.Stel ze; vraag me al wat mogelijk is, en ik zal het ten uitvoer brengen, als ik je slechts mag behouden.Anna.Wees niet bezorgd. Wij zullen bij elkaar blijven en wel ter dege; wij moeten gaan trouwen.Karel.O, was dàt waar, maar je weet immers, dat dit onmogelijk is.Anna.Misschien minder dan je denkt, Karel.Jijstelde mij zoo even een scheiding voor:ikstel je voor te gaan trouwen, enmijnvoorstel, dat verzeker ik je, is vrij wat ernstiger gemeend![73]Karel.Ik begrijp je niet, Anna,… en de schuld, die nog voldaan moet worden.…Anna,hem in de rede vallende.Ja, ja, ik weet hoeveel die op ’t oogenblik nog bedraagt. ’t Is je bekend, dat ik van mijn ouders een klein kapitaaltje erfde, nauwelijks genoeg om onafhankelijk te leven. Ik heb, lach niet! er meêgespeculeerd!Karel.Wat? gespeculeerd! Dat is onvergeeflijk.Anna.O, stel je gerust! Niet in Amerikaansche Sporen; omstreeks drie jaar geleden heb ik er aandeelen voor gekocht in een jeugdige, maar echt Nederlandsche onderneming, en op wiens raad denkt ge wel?Karel.Hoe kan ik dat raden?Anna.Op dien van een goed vriend: van Vredenburch. Welnu, die aandeelen zijn thans haast 50 percent gerezen, zoodat ik een aardig sommetje heb verdiend.Karel.Wel, dat is prachtig! Ik wensch je van harte geluk.Anna.Mij?Neenons, want zie, het was van ’t begin af aan mijn plan, zoodra ik kon, iets tot uw doel bij te dragen.Karel.Engel!Anna.Nu, dat is zoo erg niet. Ik ben dus, zooals ik zei, zuinig geweest en—zeg, Karel, je hebt vroeger m’n borduurwerk wel eens geprezen, niet waar?Karel.Ja, maar.…Anna.Geen maren! Ik heb,dank alweêr aan de tusschenkomst[74]van mijnheer en mevrouw Vredenburch, in alle stilte vrij wat geld met mijn arbeid verdiend. Kortom, mijn zaakjes zijn uitmuntend geslaagd en ik bezit thans genoeg om aan te vullen, wat u nog ontbreekt.(Zij haalt een portefeuille uit den zak.)Ziedaar! Beschik er over!Karel.Maar Anna! dat is te veel. Dat kan en mag ik niet aannemen!Anna.Waarom niet? Als je mij bemint, dan moogt ge geen bezwaren maken. Dit geld is immers geen geschenk, het is uw rechtmatig eigendom, want, zooals ik u gezegd heb: wij gaan trouwen.Karel,het geld aannemende.’t Is waar! Zóo kan het gaan, Anna, ja, ge zijt een engel. O God! welk een plotselinge omkeer! Wat voel ik me van een zwaren last ontheven!(Kusthaar.)

Karel,Anna.

Anna.Van ganscher harte, Karel, lieve Karel! Zie, ik ben niet vertrokken, en ik zal het ook niet doen.(Zij knielt bij hem neêr.)Vergeef mij, dat ik u bedroefde door u te verlaten. ’t Was mij geen ernst. Ik wilde slechts zien of je zóo van mij zoudt kunnen scheiden. Thans weet ik het beter. Ik zweer je Karel, dat ik je nooit zal verlaten.

Anna.

Van ganscher harte, Karel, lieve Karel! Zie, ik ben niet vertrokken, en ik zal het ook niet doen.(Zij knielt bij hem neêr.)Vergeef mij, dat ik u bedroefde door u te verlaten. ’t Was mij geen ernst. Ik wilde slechts zien of je zóo van mij zoudt kunnen scheiden. Thans weet ik het beter. Ik zweer je Karel, dat ik je nooit zal verlaten.

Karel,omhelst haar en richt haar op.Ik heb haar weder! O! dank, Anna, dank!

Karel,omhelst haar en richt haar op.

Ik heb haar weder! O! dank, Anna, dank!

Anna.Maar nu mijn voorwaarden!

Anna.

Maar nu mijn voorwaarden!

Karel.Stel ze; vraag me al wat mogelijk is, en ik zal het ten uitvoer brengen, als ik je slechts mag behouden.

Karel.

Stel ze; vraag me al wat mogelijk is, en ik zal het ten uitvoer brengen, als ik je slechts mag behouden.

Anna.Wees niet bezorgd. Wij zullen bij elkaar blijven en wel ter dege; wij moeten gaan trouwen.

Anna.

Wees niet bezorgd. Wij zullen bij elkaar blijven en wel ter dege; wij moeten gaan trouwen.

Karel.O, was dàt waar, maar je weet immers, dat dit onmogelijk is.

Karel.

O, was dàt waar, maar je weet immers, dat dit onmogelijk is.

Anna.Misschien minder dan je denkt, Karel.Jijstelde mij zoo even een scheiding voor:ikstel je voor te gaan trouwen, enmijnvoorstel, dat verzeker ik je, is vrij wat ernstiger gemeend!

Anna.

Misschien minder dan je denkt, Karel.Jijstelde mij zoo even een scheiding voor:ikstel je voor te gaan trouwen, enmijnvoorstel, dat verzeker ik je, is vrij wat ernstiger gemeend!

[73]

Karel.Ik begrijp je niet, Anna,… en de schuld, die nog voldaan moet worden.…

Karel.

Ik begrijp je niet, Anna,… en de schuld, die nog voldaan moet worden.…

Anna,hem in de rede vallende.Ja, ja, ik weet hoeveel die op ’t oogenblik nog bedraagt. ’t Is je bekend, dat ik van mijn ouders een klein kapitaaltje erfde, nauwelijks genoeg om onafhankelijk te leven. Ik heb, lach niet! er meêgespeculeerd!

Anna,hem in de rede vallende.

Ja, ja, ik weet hoeveel die op ’t oogenblik nog bedraagt. ’t Is je bekend, dat ik van mijn ouders een klein kapitaaltje erfde, nauwelijks genoeg om onafhankelijk te leven. Ik heb, lach niet! er meêgespeculeerd!

Karel.Wat? gespeculeerd! Dat is onvergeeflijk.

Karel.

Wat? gespeculeerd! Dat is onvergeeflijk.

Anna.O, stel je gerust! Niet in Amerikaansche Sporen; omstreeks drie jaar geleden heb ik er aandeelen voor gekocht in een jeugdige, maar echt Nederlandsche onderneming, en op wiens raad denkt ge wel?

Anna.

O, stel je gerust! Niet in Amerikaansche Sporen; omstreeks drie jaar geleden heb ik er aandeelen voor gekocht in een jeugdige, maar echt Nederlandsche onderneming, en op wiens raad denkt ge wel?

Karel.Hoe kan ik dat raden?

Karel.

Hoe kan ik dat raden?

Anna.Op dien van een goed vriend: van Vredenburch. Welnu, die aandeelen zijn thans haast 50 percent gerezen, zoodat ik een aardig sommetje heb verdiend.

Anna.

Op dien van een goed vriend: van Vredenburch. Welnu, die aandeelen zijn thans haast 50 percent gerezen, zoodat ik een aardig sommetje heb verdiend.

Karel.Wel, dat is prachtig! Ik wensch je van harte geluk.

Karel.

Wel, dat is prachtig! Ik wensch je van harte geluk.

Anna.Mij?Neenons, want zie, het was van ’t begin af aan mijn plan, zoodra ik kon, iets tot uw doel bij te dragen.

Anna.

Mij?Neenons, want zie, het was van ’t begin af aan mijn plan, zoodra ik kon, iets tot uw doel bij te dragen.

Karel.Engel!

Karel.

Engel!

Anna.Nu, dat is zoo erg niet. Ik ben dus, zooals ik zei, zuinig geweest en—zeg, Karel, je hebt vroeger m’n borduurwerk wel eens geprezen, niet waar?

Anna.

Nu, dat is zoo erg niet. Ik ben dus, zooals ik zei, zuinig geweest en—zeg, Karel, je hebt vroeger m’n borduurwerk wel eens geprezen, niet waar?

Karel.Ja, maar.…

Karel.

Ja, maar.…

Anna.Geen maren! Ik heb,dank alweêr aan de tusschenkomst[74]van mijnheer en mevrouw Vredenburch, in alle stilte vrij wat geld met mijn arbeid verdiend. Kortom, mijn zaakjes zijn uitmuntend geslaagd en ik bezit thans genoeg om aan te vullen, wat u nog ontbreekt.(Zij haalt een portefeuille uit den zak.)Ziedaar! Beschik er over!

Anna.

Geen maren! Ik heb,dank alweêr aan de tusschenkomst[74]van mijnheer en mevrouw Vredenburch, in alle stilte vrij wat geld met mijn arbeid verdiend. Kortom, mijn zaakjes zijn uitmuntend geslaagd en ik bezit thans genoeg om aan te vullen, wat u nog ontbreekt.(Zij haalt een portefeuille uit den zak.)Ziedaar! Beschik er over!

Karel.Maar Anna! dat is te veel. Dat kan en mag ik niet aannemen!

Karel.

Maar Anna! dat is te veel. Dat kan en mag ik niet aannemen!

Anna.Waarom niet? Als je mij bemint, dan moogt ge geen bezwaren maken. Dit geld is immers geen geschenk, het is uw rechtmatig eigendom, want, zooals ik u gezegd heb: wij gaan trouwen.

Anna.

Waarom niet? Als je mij bemint, dan moogt ge geen bezwaren maken. Dit geld is immers geen geschenk, het is uw rechtmatig eigendom, want, zooals ik u gezegd heb: wij gaan trouwen.

Karel,het geld aannemende.’t Is waar! Zóo kan het gaan, Anna, ja, ge zijt een engel. O God! welk een plotselinge omkeer! Wat voel ik me van een zwaren last ontheven!(Kusthaar.)

Karel,het geld aannemende.

’t Is waar! Zóo kan het gaan, Anna, ja, ge zijt een engel. O God! welk een plotselinge omkeer! Wat voel ik me van een zwaren last ontheven!(Kusthaar.)

[Inhoud]ELFDE TOONEEL.Karel, Anna, Louise met Verhagen gearmd binnenkomende, gevolgd door den heer en mevrouw Van Hogerveldt.(Mevrouw geleidt haar man naar een leunstoel. Van H. ziet, versuft, vóor zich.)Karel,tot Anna, op Verhagen en Louise wijzende.Wel, wel, zie me dat eens aan! Het schijnt, dat ook tusschen hen alles in orde is!Verhagen.Gelukkig! Louise heeft me alles verteld; aan jou heb ik het te danken, dat ze me thans niet voor de tweede maal bijna werd ontroofd. Ik heb dan ook maar flink gebruik gemaakt van den tijd, dien ik versleet met wachten op je brief.Karel,luchtig.Laat dien maar rusten! Maar.… heb je mama’s toestemming al?[75]Mevr. Van Hogerveldt.Ja! Wat zou ik mij langer daartegen verzetten. Als zoo’n stijfhoofdig kind haar zin wil hebben, dan is er toch geen garen meê te spinnen.Karel.Komaan, dat doet me genoegen. Ik feliciteer je van harte, en … wat ik vragen wilde, wanneer zullen we bruiloft vieren?Verhagen.Onze eerste afspraak is geweest, Karel, om niet te trouwen vóor u en Anna. Gij hebt daarmeê al zoo lang moeten wachten, nu wil Louise u niet vóor zijn.Karel.Ferm zoo, Louise, dat vind ik uitstekend; ik stel dan voor, dat we op denzelfden dag in het bootje stappen en dat wel binnen de drie maanden.Louise.Drie maanden? Maar wat … Ga je dan …?Karel.Ja, kind, zooals ik zeg: binnen drie maanden;(tot Anna)niet waar, lieve?Anna.O, ik neem er genoegen meê.Louise.Maar Karel, ik begrijp niet.…Verhagen.Och, maak ons nu niets wijs, vlei me niet met een ijdele hoop; je begrijpt, ik ben op het oogenblik in staat om alles te gelooven.Mevr. Van Hogerveldt.Ik sta er verstomd van! Hogerveldt, hoor je dat? Och neen, dat is waar ook! Maar kinderen, verklaart je toch nader! Daar vat ik nu niets van![76]Karel.O, ik weet wel wat jelui wilt zeggen.(TotLouise.)Zoo even heb ik u verboden geld aan te nemen, thans heb ik het zelf gedaan.Verhagen en Louise,tegelijk.Maar van wien dan?Karel,Anna’s hand nemende.Van een engel van goedheid en zelfopoffering, van haar!Verhagen,juichend.Bravo! dat stelt me gerust!Louise.Anna! O, duizendmaal dank!(Zij omhelst haar.)(Er wordt geklopt.)

ELFDE TOONEEL.Karel, Anna, Louise met Verhagen gearmd binnenkomende, gevolgd door den heer en mevrouw Van Hogerveldt.(Mevrouw geleidt haar man naar een leunstoel. Van H. ziet, versuft, vóor zich.)Karel,tot Anna, op Verhagen en Louise wijzende.Wel, wel, zie me dat eens aan! Het schijnt, dat ook tusschen hen alles in orde is!Verhagen.Gelukkig! Louise heeft me alles verteld; aan jou heb ik het te danken, dat ze me thans niet voor de tweede maal bijna werd ontroofd. Ik heb dan ook maar flink gebruik gemaakt van den tijd, dien ik versleet met wachten op je brief.Karel,luchtig.Laat dien maar rusten! Maar.… heb je mama’s toestemming al?[75]Mevr. Van Hogerveldt.Ja! Wat zou ik mij langer daartegen verzetten. Als zoo’n stijfhoofdig kind haar zin wil hebben, dan is er toch geen garen meê te spinnen.Karel.Komaan, dat doet me genoegen. Ik feliciteer je van harte, en … wat ik vragen wilde, wanneer zullen we bruiloft vieren?Verhagen.Onze eerste afspraak is geweest, Karel, om niet te trouwen vóor u en Anna. Gij hebt daarmeê al zoo lang moeten wachten, nu wil Louise u niet vóor zijn.Karel.Ferm zoo, Louise, dat vind ik uitstekend; ik stel dan voor, dat we op denzelfden dag in het bootje stappen en dat wel binnen de drie maanden.Louise.Drie maanden? Maar wat … Ga je dan …?Karel.Ja, kind, zooals ik zeg: binnen drie maanden;(tot Anna)niet waar, lieve?Anna.O, ik neem er genoegen meê.Louise.Maar Karel, ik begrijp niet.…Verhagen.Och, maak ons nu niets wijs, vlei me niet met een ijdele hoop; je begrijpt, ik ben op het oogenblik in staat om alles te gelooven.Mevr. Van Hogerveldt.Ik sta er verstomd van! Hogerveldt, hoor je dat? Och neen, dat is waar ook! Maar kinderen, verklaart je toch nader! Daar vat ik nu niets van![76]Karel.O, ik weet wel wat jelui wilt zeggen.(TotLouise.)Zoo even heb ik u verboden geld aan te nemen, thans heb ik het zelf gedaan.Verhagen en Louise,tegelijk.Maar van wien dan?Karel,Anna’s hand nemende.Van een engel van goedheid en zelfopoffering, van haar!Verhagen,juichend.Bravo! dat stelt me gerust!Louise.Anna! O, duizendmaal dank!(Zij omhelst haar.)(Er wordt geklopt.)

Karel, Anna, Louise met Verhagen gearmd binnenkomende, gevolgd door den heer en mevrouw Van Hogerveldt.

(Mevrouw geleidt haar man naar een leunstoel. Van H. ziet, versuft, vóor zich.)

Karel,tot Anna, op Verhagen en Louise wijzende.Wel, wel, zie me dat eens aan! Het schijnt, dat ook tusschen hen alles in orde is!

Karel,tot Anna, op Verhagen en Louise wijzende.

Wel, wel, zie me dat eens aan! Het schijnt, dat ook tusschen hen alles in orde is!

Verhagen.Gelukkig! Louise heeft me alles verteld; aan jou heb ik het te danken, dat ze me thans niet voor de tweede maal bijna werd ontroofd. Ik heb dan ook maar flink gebruik gemaakt van den tijd, dien ik versleet met wachten op je brief.

Verhagen.

Gelukkig! Louise heeft me alles verteld; aan jou heb ik het te danken, dat ze me thans niet voor de tweede maal bijna werd ontroofd. Ik heb dan ook maar flink gebruik gemaakt van den tijd, dien ik versleet met wachten op je brief.

Karel,luchtig.Laat dien maar rusten! Maar.… heb je mama’s toestemming al?

Karel,luchtig.

Laat dien maar rusten! Maar.… heb je mama’s toestemming al?

[75]

Mevr. Van Hogerveldt.Ja! Wat zou ik mij langer daartegen verzetten. Als zoo’n stijfhoofdig kind haar zin wil hebben, dan is er toch geen garen meê te spinnen.

Mevr. Van Hogerveldt.

Ja! Wat zou ik mij langer daartegen verzetten. Als zoo’n stijfhoofdig kind haar zin wil hebben, dan is er toch geen garen meê te spinnen.

Karel.Komaan, dat doet me genoegen. Ik feliciteer je van harte, en … wat ik vragen wilde, wanneer zullen we bruiloft vieren?

Karel.

Komaan, dat doet me genoegen. Ik feliciteer je van harte, en … wat ik vragen wilde, wanneer zullen we bruiloft vieren?

Verhagen.Onze eerste afspraak is geweest, Karel, om niet te trouwen vóor u en Anna. Gij hebt daarmeê al zoo lang moeten wachten, nu wil Louise u niet vóor zijn.

Verhagen.

Onze eerste afspraak is geweest, Karel, om niet te trouwen vóor u en Anna. Gij hebt daarmeê al zoo lang moeten wachten, nu wil Louise u niet vóor zijn.

Karel.Ferm zoo, Louise, dat vind ik uitstekend; ik stel dan voor, dat we op denzelfden dag in het bootje stappen en dat wel binnen de drie maanden.

Karel.

Ferm zoo, Louise, dat vind ik uitstekend; ik stel dan voor, dat we op denzelfden dag in het bootje stappen en dat wel binnen de drie maanden.

Louise.Drie maanden? Maar wat … Ga je dan …?

Louise.

Drie maanden? Maar wat … Ga je dan …?

Karel.Ja, kind, zooals ik zeg: binnen drie maanden;(tot Anna)niet waar, lieve?

Karel.

Ja, kind, zooals ik zeg: binnen drie maanden;(tot Anna)niet waar, lieve?

Anna.O, ik neem er genoegen meê.

Anna.

O, ik neem er genoegen meê.

Louise.Maar Karel, ik begrijp niet.…

Louise.

Maar Karel, ik begrijp niet.…

Verhagen.Och, maak ons nu niets wijs, vlei me niet met een ijdele hoop; je begrijpt, ik ben op het oogenblik in staat om alles te gelooven.

Verhagen.

Och, maak ons nu niets wijs, vlei me niet met een ijdele hoop; je begrijpt, ik ben op het oogenblik in staat om alles te gelooven.

Mevr. Van Hogerveldt.Ik sta er verstomd van! Hogerveldt, hoor je dat? Och neen, dat is waar ook! Maar kinderen, verklaart je toch nader! Daar vat ik nu niets van!

Mevr. Van Hogerveldt.

Ik sta er verstomd van! Hogerveldt, hoor je dat? Och neen, dat is waar ook! Maar kinderen, verklaart je toch nader! Daar vat ik nu niets van!

[76]

Karel.O, ik weet wel wat jelui wilt zeggen.(TotLouise.)Zoo even heb ik u verboden geld aan te nemen, thans heb ik het zelf gedaan.

Karel.

O, ik weet wel wat jelui wilt zeggen.(TotLouise.)Zoo even heb ik u verboden geld aan te nemen, thans heb ik het zelf gedaan.

Verhagen en Louise,tegelijk.Maar van wien dan?

Verhagen en Louise,tegelijk.

Maar van wien dan?

Karel,Anna’s hand nemende.Van een engel van goedheid en zelfopoffering, van haar!

Karel,Anna’s hand nemende.

Van een engel van goedheid en zelfopoffering, van haar!

Verhagen,juichend.Bravo! dat stelt me gerust!

Verhagen,juichend.

Bravo! dat stelt me gerust!

Louise.Anna! O, duizendmaal dank!(Zij omhelst haar.)

Louise.

Anna! O, duizendmaal dank!(Zij omhelst haar.)

(Er wordt geklopt.)

[Inhoud]TWAALFDE TOONEEL.De vorigen,Betje,binnenkomende.Betje,tot Karel.Mijnheer, daar zijn drie heeren voor u.Karel,lachend.Drie tegelijk? En wie zijn het?Betje.Ja, ik kan al die namen niet onthouden. Een ken ik er wel van, die is meer hier geweest: mijnheer Vredenburch!Karel.O zoo!(TotVerhagen.)Dan zijn het zeker Commissarissen, ofschoon ik niet recht begrijp, wat zij hier komen doen.(TotBetje.)Laat de heeren binnenkomen.Betje af.[77]Verhagen,(tot Karel.)Tot straks, ik zal maar zoolang heengaan.(Hij wil gaan.)Karel,hem tegenhoudende.Wel neen, Willem, je blijft hier, we hebben voor jou geen geheimen.

TWAALFDE TOONEEL.De vorigen,Betje,binnenkomende.Betje,tot Karel.Mijnheer, daar zijn drie heeren voor u.Karel,lachend.Drie tegelijk? En wie zijn het?Betje.Ja, ik kan al die namen niet onthouden. Een ken ik er wel van, die is meer hier geweest: mijnheer Vredenburch!Karel.O zoo!(TotVerhagen.)Dan zijn het zeker Commissarissen, ofschoon ik niet recht begrijp, wat zij hier komen doen.(TotBetje.)Laat de heeren binnenkomen.Betje af.[77]Verhagen,(tot Karel.)Tot straks, ik zal maar zoolang heengaan.(Hij wil gaan.)Karel,hem tegenhoudende.Wel neen, Willem, je blijft hier, we hebben voor jou geen geheimen.

De vorigen,Betje,binnenkomende.

Betje,tot Karel.Mijnheer, daar zijn drie heeren voor u.

Betje,tot Karel.

Mijnheer, daar zijn drie heeren voor u.

Karel,lachend.Drie tegelijk? En wie zijn het?

Karel,lachend.

Drie tegelijk? En wie zijn het?

Betje.Ja, ik kan al die namen niet onthouden. Een ken ik er wel van, die is meer hier geweest: mijnheer Vredenburch!

Betje.

Ja, ik kan al die namen niet onthouden. Een ken ik er wel van, die is meer hier geweest: mijnheer Vredenburch!

Karel.O zoo!(TotVerhagen.)Dan zijn het zeker Commissarissen, ofschoon ik niet recht begrijp, wat zij hier komen doen.(TotBetje.)Laat de heeren binnenkomen.

Karel.

O zoo!(TotVerhagen.)Dan zijn het zeker Commissarissen, ofschoon ik niet recht begrijp, wat zij hier komen doen.(TotBetje.)Laat de heeren binnenkomen.

Betje af.

[77]

Verhagen,(tot Karel.)Tot straks, ik zal maar zoolang heengaan.

Verhagen,(tot Karel.)

Tot straks, ik zal maar zoolang heengaan.

(Hij wil gaan.)

Karel,hem tegenhoudende.Wel neen, Willem, je blijft hier, we hebben voor jou geen geheimen.

Karel,hem tegenhoudende.

Wel neen, Willem, je blijft hier, we hebben voor jou geen geheimen.

[Inhoud]DERTIENDE TOONEEL.De vorigen,Vredenburch,ter Maten,Van Haaften.Karel.Weest zoo goed plaats te nemen, heeren. Ik had thans waarlijk niet op een bezoek van u gerekend. U ziet ons juist allen huiselijk bij elkaar.(Zij nemen plaats.)Mevr. Van Hogerveldt,tot haar echtgenoot.Hogerveldt, daar zijn Commissarissen, daar is mijnheer Vredenburch.(Neemt hem bij den arm en doet hem opstaan.)(Van Hogerveldt ziet wezenloos rond zonder te antwoorden, en gaat weêr zitten.)Karel.Verschoont mijn vader, heeren, u kent zijn toestand.Vredenburch,tot Karel.Mijnheer Van Hogerveldt, ik zal u met een enkel woord het doel onzer komst meêdeelen. Na de gebeurtenis, die in uw familie plaats greep, hebt gij een taak op u genomen, die slechts met de grootste zelfopoffering kon worden verricht. Tot nu toe hebt ge u hoogst loffelijk daarvan gekweten; ik heb geen woorden genoeg om u daarover onze[78]oprechte bewondering te betuigen; ’t was ons daarom een waar genoegen nu en dan aan de uitbreiding van uw praktijk bevorderlijk te kunnen zijn. Wat de door ons overgenomen schuld betreft, ze is tot op bijna de helft door u aangezuiverd. Om kort te gaan: wij hebben besloten u in uw moeielijke taak te gemoet te komen en u volledige kwijting aan te bieden. Neem die aan als een blijk van onze hoogachting en waardeering en als een bewijs, dat we ons persoonlijk voor een deel aansprakelijk hebben gevoeld.(Hij toont eene quitantie.)Zie hier, mijn vriend, geef dit uw vader, wellicht zal dit hem.…Karel.Ik dank u voor uw goede bedoelingen, heeren, maar de geestvermogens van mijn armen vader zijn, helaas! voor goed gekrenkt. U ziet het, hij hoort noch begrijpt iets van ’t geen hier voorvalt.Ikstel uw aanbod op hoogen prijs, weest daar zeker van, maar ik kan niets terugnemen van de verbintenis, die ik eenmaal aanging; de schuld mijns vaders zal door mij worden aangezuiverd tot op den laatsten penning.Vredenburch.Wanneer wij u daarvan ontheffen, daniszij immers aangezuiverd?Karel.Ik wil niet de minste smet op onzen naam laten kleven. Uw quitantie neem ik gaarne aan, doch alleen tegen afbetaling mijner schuld.(Hij haalt het bankpapier uit de portefeuille en neemt de quitantie aan.)Ziet hier, mijne heeren, hetgeen ik u nog schuldig ben, en dat ik het geluk heb te kunnen voldoen.(Vredenburch neemt het geld aan.)Ter Maten.Maar dat geld …Karel.Wasmijneigendom, mijnheer, en heeft thans zijn bestemming bereikt. Ik dank u allen voor het groote vertrouwen, dat u inmijhebt gesteld.[79]Van Haaften.Mijnheer Van Hogerveldt! ge zijt een man, wiens hart op de rechte plaats zit.Vredenburch.Het doet mij leed, dat ge ons aanbod niet hebt aangenomen, doch ik eerbiedig de redenen, die u daarvoor hebt; ze leggen slechts te schooner getuigenis voor u af.(Opstaande, tot Mevr. Van Hogerveldt.)Mevrouw! ik wensch u van harte geluk metzulkeen zoon!

DERTIENDE TOONEEL.De vorigen,Vredenburch,ter Maten,Van Haaften.Karel.Weest zoo goed plaats te nemen, heeren. Ik had thans waarlijk niet op een bezoek van u gerekend. U ziet ons juist allen huiselijk bij elkaar.(Zij nemen plaats.)Mevr. Van Hogerveldt,tot haar echtgenoot.Hogerveldt, daar zijn Commissarissen, daar is mijnheer Vredenburch.(Neemt hem bij den arm en doet hem opstaan.)(Van Hogerveldt ziet wezenloos rond zonder te antwoorden, en gaat weêr zitten.)Karel.Verschoont mijn vader, heeren, u kent zijn toestand.Vredenburch,tot Karel.Mijnheer Van Hogerveldt, ik zal u met een enkel woord het doel onzer komst meêdeelen. Na de gebeurtenis, die in uw familie plaats greep, hebt gij een taak op u genomen, die slechts met de grootste zelfopoffering kon worden verricht. Tot nu toe hebt ge u hoogst loffelijk daarvan gekweten; ik heb geen woorden genoeg om u daarover onze[78]oprechte bewondering te betuigen; ’t was ons daarom een waar genoegen nu en dan aan de uitbreiding van uw praktijk bevorderlijk te kunnen zijn. Wat de door ons overgenomen schuld betreft, ze is tot op bijna de helft door u aangezuiverd. Om kort te gaan: wij hebben besloten u in uw moeielijke taak te gemoet te komen en u volledige kwijting aan te bieden. Neem die aan als een blijk van onze hoogachting en waardeering en als een bewijs, dat we ons persoonlijk voor een deel aansprakelijk hebben gevoeld.(Hij toont eene quitantie.)Zie hier, mijn vriend, geef dit uw vader, wellicht zal dit hem.…Karel.Ik dank u voor uw goede bedoelingen, heeren, maar de geestvermogens van mijn armen vader zijn, helaas! voor goed gekrenkt. U ziet het, hij hoort noch begrijpt iets van ’t geen hier voorvalt.Ikstel uw aanbod op hoogen prijs, weest daar zeker van, maar ik kan niets terugnemen van de verbintenis, die ik eenmaal aanging; de schuld mijns vaders zal door mij worden aangezuiverd tot op den laatsten penning.Vredenburch.Wanneer wij u daarvan ontheffen, daniszij immers aangezuiverd?Karel.Ik wil niet de minste smet op onzen naam laten kleven. Uw quitantie neem ik gaarne aan, doch alleen tegen afbetaling mijner schuld.(Hij haalt het bankpapier uit de portefeuille en neemt de quitantie aan.)Ziet hier, mijne heeren, hetgeen ik u nog schuldig ben, en dat ik het geluk heb te kunnen voldoen.(Vredenburch neemt het geld aan.)Ter Maten.Maar dat geld …Karel.Wasmijneigendom, mijnheer, en heeft thans zijn bestemming bereikt. Ik dank u allen voor het groote vertrouwen, dat u inmijhebt gesteld.[79]Van Haaften.Mijnheer Van Hogerveldt! ge zijt een man, wiens hart op de rechte plaats zit.Vredenburch.Het doet mij leed, dat ge ons aanbod niet hebt aangenomen, doch ik eerbiedig de redenen, die u daarvoor hebt; ze leggen slechts te schooner getuigenis voor u af.(Opstaande, tot Mevr. Van Hogerveldt.)Mevrouw! ik wensch u van harte geluk metzulkeen zoon!

De vorigen,Vredenburch,ter Maten,Van Haaften.

Karel.Weest zoo goed plaats te nemen, heeren. Ik had thans waarlijk niet op een bezoek van u gerekend. U ziet ons juist allen huiselijk bij elkaar.

Karel.

Weest zoo goed plaats te nemen, heeren. Ik had thans waarlijk niet op een bezoek van u gerekend. U ziet ons juist allen huiselijk bij elkaar.

(Zij nemen plaats.)

Mevr. Van Hogerveldt,tot haar echtgenoot.Hogerveldt, daar zijn Commissarissen, daar is mijnheer Vredenburch.(Neemt hem bij den arm en doet hem opstaan.)

Mevr. Van Hogerveldt,tot haar echtgenoot.

Hogerveldt, daar zijn Commissarissen, daar is mijnheer Vredenburch.(Neemt hem bij den arm en doet hem opstaan.)

(Van Hogerveldt ziet wezenloos rond zonder te antwoorden, en gaat weêr zitten.)

Karel.Verschoont mijn vader, heeren, u kent zijn toestand.

Karel.

Verschoont mijn vader, heeren, u kent zijn toestand.

Vredenburch,tot Karel.Mijnheer Van Hogerveldt, ik zal u met een enkel woord het doel onzer komst meêdeelen. Na de gebeurtenis, die in uw familie plaats greep, hebt gij een taak op u genomen, die slechts met de grootste zelfopoffering kon worden verricht. Tot nu toe hebt ge u hoogst loffelijk daarvan gekweten; ik heb geen woorden genoeg om u daarover onze[78]oprechte bewondering te betuigen; ’t was ons daarom een waar genoegen nu en dan aan de uitbreiding van uw praktijk bevorderlijk te kunnen zijn. Wat de door ons overgenomen schuld betreft, ze is tot op bijna de helft door u aangezuiverd. Om kort te gaan: wij hebben besloten u in uw moeielijke taak te gemoet te komen en u volledige kwijting aan te bieden. Neem die aan als een blijk van onze hoogachting en waardeering en als een bewijs, dat we ons persoonlijk voor een deel aansprakelijk hebben gevoeld.(Hij toont eene quitantie.)Zie hier, mijn vriend, geef dit uw vader, wellicht zal dit hem.…

Vredenburch,tot Karel.

Mijnheer Van Hogerveldt, ik zal u met een enkel woord het doel onzer komst meêdeelen. Na de gebeurtenis, die in uw familie plaats greep, hebt gij een taak op u genomen, die slechts met de grootste zelfopoffering kon worden verricht. Tot nu toe hebt ge u hoogst loffelijk daarvan gekweten; ik heb geen woorden genoeg om u daarover onze[78]oprechte bewondering te betuigen; ’t was ons daarom een waar genoegen nu en dan aan de uitbreiding van uw praktijk bevorderlijk te kunnen zijn. Wat de door ons overgenomen schuld betreft, ze is tot op bijna de helft door u aangezuiverd. Om kort te gaan: wij hebben besloten u in uw moeielijke taak te gemoet te komen en u volledige kwijting aan te bieden. Neem die aan als een blijk van onze hoogachting en waardeering en als een bewijs, dat we ons persoonlijk voor een deel aansprakelijk hebben gevoeld.(Hij toont eene quitantie.)Zie hier, mijn vriend, geef dit uw vader, wellicht zal dit hem.…

Karel.Ik dank u voor uw goede bedoelingen, heeren, maar de geestvermogens van mijn armen vader zijn, helaas! voor goed gekrenkt. U ziet het, hij hoort noch begrijpt iets van ’t geen hier voorvalt.Ikstel uw aanbod op hoogen prijs, weest daar zeker van, maar ik kan niets terugnemen van de verbintenis, die ik eenmaal aanging; de schuld mijns vaders zal door mij worden aangezuiverd tot op den laatsten penning.

Karel.

Ik dank u voor uw goede bedoelingen, heeren, maar de geestvermogens van mijn armen vader zijn, helaas! voor goed gekrenkt. U ziet het, hij hoort noch begrijpt iets van ’t geen hier voorvalt.Ikstel uw aanbod op hoogen prijs, weest daar zeker van, maar ik kan niets terugnemen van de verbintenis, die ik eenmaal aanging; de schuld mijns vaders zal door mij worden aangezuiverd tot op den laatsten penning.

Vredenburch.Wanneer wij u daarvan ontheffen, daniszij immers aangezuiverd?

Vredenburch.

Wanneer wij u daarvan ontheffen, daniszij immers aangezuiverd?

Karel.Ik wil niet de minste smet op onzen naam laten kleven. Uw quitantie neem ik gaarne aan, doch alleen tegen afbetaling mijner schuld.(Hij haalt het bankpapier uit de portefeuille en neemt de quitantie aan.)Ziet hier, mijne heeren, hetgeen ik u nog schuldig ben, en dat ik het geluk heb te kunnen voldoen.(Vredenburch neemt het geld aan.)

Karel.

Ik wil niet de minste smet op onzen naam laten kleven. Uw quitantie neem ik gaarne aan, doch alleen tegen afbetaling mijner schuld.(Hij haalt het bankpapier uit de portefeuille en neemt de quitantie aan.)Ziet hier, mijne heeren, hetgeen ik u nog schuldig ben, en dat ik het geluk heb te kunnen voldoen.(Vredenburch neemt het geld aan.)

Ter Maten.Maar dat geld …

Ter Maten.

Maar dat geld …

Karel.Wasmijneigendom, mijnheer, en heeft thans zijn bestemming bereikt. Ik dank u allen voor het groote vertrouwen, dat u inmijhebt gesteld.

Karel.

Wasmijneigendom, mijnheer, en heeft thans zijn bestemming bereikt. Ik dank u allen voor het groote vertrouwen, dat u inmijhebt gesteld.

[79]

Van Haaften.Mijnheer Van Hogerveldt! ge zijt een man, wiens hart op de rechte plaats zit.

Van Haaften.

Mijnheer Van Hogerveldt! ge zijt een man, wiens hart op de rechte plaats zit.

Vredenburch.Het doet mij leed, dat ge ons aanbod niet hebt aangenomen, doch ik eerbiedig de redenen, die u daarvoor hebt; ze leggen slechts te schooner getuigenis voor u af.(Opstaande, tot Mevr. Van Hogerveldt.)Mevrouw! ik wensch u van harte geluk metzulkeen zoon!

Vredenburch.

Het doet mij leed, dat ge ons aanbod niet hebt aangenomen, doch ik eerbiedig de redenen, die u daarvoor hebt; ze leggen slechts te schooner getuigenis voor u af.(Opstaande, tot Mevr. Van Hogerveldt.)Mevrouw! ik wensch u van harte geluk metzulkeen zoon!

[Inhoud]VEERTIENDE TOONEEL.De vorigen,Dekkers.Dekkers,binnenkomende, wil weêr heengaan.Pardon, ik dacht u alleen op uw kantoor te vinden, mijnheer Van Hogerveldt. Ik zal u niet storen.Karel,naar hem toegaande.O, u stoort ons volstrekt niet, mijnheer Dekkers. Ik heb u zelfs gewacht. U komt waarschijnlijk het antwoord vernemen op de vraag, die ge van morgen aan mijne zuster hebt gedaan?Dekkers,verlegen.Ik had … u gaarne … eerst nog willen spreken.Karel.Onnoodig, mijnheer. De zaak is mij geheel bekend.(Hij neemt Verhagen bij de hand.)Mag ik u mijn aanstaanden schoonbroeder voorstellen?De Gordijn valt.EINDE.[82]

VEERTIENDE TOONEEL.De vorigen,Dekkers.Dekkers,binnenkomende, wil weêr heengaan.Pardon, ik dacht u alleen op uw kantoor te vinden, mijnheer Van Hogerveldt. Ik zal u niet storen.Karel,naar hem toegaande.O, u stoort ons volstrekt niet, mijnheer Dekkers. Ik heb u zelfs gewacht. U komt waarschijnlijk het antwoord vernemen op de vraag, die ge van morgen aan mijne zuster hebt gedaan?Dekkers,verlegen.Ik had … u gaarne … eerst nog willen spreken.Karel.Onnoodig, mijnheer. De zaak is mij geheel bekend.(Hij neemt Verhagen bij de hand.)Mag ik u mijn aanstaanden schoonbroeder voorstellen?De Gordijn valt.EINDE.[82]

De vorigen,Dekkers.

Dekkers,binnenkomende, wil weêr heengaan.Pardon, ik dacht u alleen op uw kantoor te vinden, mijnheer Van Hogerveldt. Ik zal u niet storen.

Dekkers,binnenkomende, wil weêr heengaan.

Pardon, ik dacht u alleen op uw kantoor te vinden, mijnheer Van Hogerveldt. Ik zal u niet storen.

Karel,naar hem toegaande.O, u stoort ons volstrekt niet, mijnheer Dekkers. Ik heb u zelfs gewacht. U komt waarschijnlijk het antwoord vernemen op de vraag, die ge van morgen aan mijne zuster hebt gedaan?

Karel,naar hem toegaande.

O, u stoort ons volstrekt niet, mijnheer Dekkers. Ik heb u zelfs gewacht. U komt waarschijnlijk het antwoord vernemen op de vraag, die ge van morgen aan mijne zuster hebt gedaan?

Dekkers,verlegen.Ik had … u gaarne … eerst nog willen spreken.

Dekkers,verlegen.

Ik had … u gaarne … eerst nog willen spreken.

Karel.Onnoodig, mijnheer. De zaak is mij geheel bekend.(Hij neemt Verhagen bij de hand.)Mag ik u mijn aanstaanden schoonbroeder voorstellen?

Karel.

Onnoodig, mijnheer. De zaak is mij geheel bekend.(Hij neemt Verhagen bij de hand.)Mag ik u mijn aanstaanden schoonbroeder voorstellen?

De Gordijn valt.

EINDE.

[82]


Back to IndexNext