LXVII.Al komt de avond met trage schreeden en wenkt dat alle gezangen zullen staken;al zijn uw gezellen ter rust gegaan en zijt gij zelve moede;al loert vrees in het donker en al is het gelaat des heemels omsluyerd;toch, voogel! o mijn voogel, luister naar me, vouw uw vleugelen niet digt.Dat donkere is niet het woud-gebladert, het is de zee, zwellend als een donkere zwarte slang.Dat is niet de dans van jasmijn-bloesem, het is opblinkend schuim.Ach, waar is de groene zonnige kust, waar is uw nest?Voogel, mijn voogel, luister naar mij, vouw uw vleugelen niet digt.Langs uwen weg ligt de eenzame nacht, de dageraad slaapt achter de schaduwige heuvelen.De sterren tellen de uuren met ingehouden adem, de zwakke maan drijft door de scheemerige nacht.Voogel! o mijn voogel, luister naar me, vouw uw vleugelen niet digt.Voor u is er noch hoop, noch vrees.Er is geen woord, geen fluistering, geen roep.Geen thuis, geen rustplaats.Niets als uw eigen vleugelpaar en de weegenlooze heemel.Voogel, o mijn voogel, luister naar mij, vouw uw vleugelen niet digt.
LXVII.Al komt de avond met trage schreeden en wenkt dat alle gezangen zullen staken;al zijn uw gezellen ter rust gegaan en zijt gij zelve moede;al loert vrees in het donker en al is het gelaat des heemels omsluyerd;toch, voogel! o mijn voogel, luister naar me, vouw uw vleugelen niet digt.Dat donkere is niet het woud-gebladert, het is de zee, zwellend als een donkere zwarte slang.Dat is niet de dans van jasmijn-bloesem, het is opblinkend schuim.Ach, waar is de groene zonnige kust, waar is uw nest?Voogel, mijn voogel, luister naar mij, vouw uw vleugelen niet digt.Langs uwen weg ligt de eenzame nacht, de dageraad slaapt achter de schaduwige heuvelen.De sterren tellen de uuren met ingehouden adem, de zwakke maan drijft door de scheemerige nacht.Voogel! o mijn voogel, luister naar me, vouw uw vleugelen niet digt.Voor u is er noch hoop, noch vrees.Er is geen woord, geen fluistering, geen roep.Geen thuis, geen rustplaats.Niets als uw eigen vleugelpaar en de weegenlooze heemel.Voogel, o mijn voogel, luister naar mij, vouw uw vleugelen niet digt.
LXVII.
Al komt de avond met trage schreeden en wenkt dat alle gezangen zullen staken;al zijn uw gezellen ter rust gegaan en zijt gij zelve moede;al loert vrees in het donker en al is het gelaat des heemels omsluyerd;toch, voogel! o mijn voogel, luister naar me, vouw uw vleugelen niet digt.Dat donkere is niet het woud-gebladert, het is de zee, zwellend als een donkere zwarte slang.Dat is niet de dans van jasmijn-bloesem, het is opblinkend schuim.Ach, waar is de groene zonnige kust, waar is uw nest?Voogel, mijn voogel, luister naar mij, vouw uw vleugelen niet digt.Langs uwen weg ligt de eenzame nacht, de dageraad slaapt achter de schaduwige heuvelen.De sterren tellen de uuren met ingehouden adem, de zwakke maan drijft door de scheemerige nacht.Voogel! o mijn voogel, luister naar me, vouw uw vleugelen niet digt.Voor u is er noch hoop, noch vrees.Er is geen woord, geen fluistering, geen roep.Geen thuis, geen rustplaats.Niets als uw eigen vleugelpaar en de weegenlooze heemel.Voogel, o mijn voogel, luister naar mij, vouw uw vleugelen niet digt.
Al komt de avond met trage schreeden en wenkt dat alle gezangen zullen staken;
al zijn uw gezellen ter rust gegaan en zijt gij zelve moede;
al loert vrees in het donker en al is het gelaat des heemels omsluyerd;
toch, voogel! o mijn voogel, luister naar me, vouw uw vleugelen niet digt.
Dat donkere is niet het woud-gebladert, het is de zee, zwellend als een donkere zwarte slang.
Dat is niet de dans van jasmijn-bloesem, het is opblinkend schuim.
Ach, waar is de groene zonnige kust, waar is uw nest?
Voogel, mijn voogel, luister naar mij, vouw uw vleugelen niet digt.
Langs uwen weg ligt de eenzame nacht, de dageraad slaapt achter de schaduwige heuvelen.
De sterren tellen de uuren met ingehouden adem, de zwakke maan drijft door de scheemerige nacht.
Voogel! o mijn voogel, luister naar me, vouw uw vleugelen niet digt.
Voor u is er noch hoop, noch vrees.
Er is geen woord, geen fluistering, geen roep.
Geen thuis, geen rustplaats.
Niets als uw eigen vleugelpaar en de weegenlooze heemel.
Voogel, o mijn voogel, luister naar mij, vouw uw vleugelen niet digt.