LXXIX.Dikwijls vraag ik verwonderd, waar de grenzen van herkenning verborgen liggen tusschen den mensch en het beest, wiens hart geen gesprooken taal kent.Door welk oer-paradijs in de verre scheppingsmorgen liep het eenvoudige pad, waarop hun harten elkaar bezochten?Deeze spooren van hun gestadigen tred zijn niet uitgewischt, al is hun verwantschap lang vergeeten.En plotseling in een of andere woordelooze muziek ontwaakt de scheemerige herinnering—en het dier staart den mensch in ’t gelaat met teeder vertrouwen, en de mensch ziet het dier in de oogen met glimlachende geneegenheid.Het is dan als ontmoetten de twee vrienden elkaar gemaskerd, en herkennen weifelend elkander in de vermomming.
LXXIX.Dikwijls vraag ik verwonderd, waar de grenzen van herkenning verborgen liggen tusschen den mensch en het beest, wiens hart geen gesprooken taal kent.Door welk oer-paradijs in de verre scheppingsmorgen liep het eenvoudige pad, waarop hun harten elkaar bezochten?Deeze spooren van hun gestadigen tred zijn niet uitgewischt, al is hun verwantschap lang vergeeten.En plotseling in een of andere woordelooze muziek ontwaakt de scheemerige herinnering—en het dier staart den mensch in ’t gelaat met teeder vertrouwen, en de mensch ziet het dier in de oogen met glimlachende geneegenheid.Het is dan als ontmoetten de twee vrienden elkaar gemaskerd, en herkennen weifelend elkander in de vermomming.
LXXIX.
Dikwijls vraag ik verwonderd, waar de grenzen van herkenning verborgen liggen tusschen den mensch en het beest, wiens hart geen gesprooken taal kent.Door welk oer-paradijs in de verre scheppingsmorgen liep het eenvoudige pad, waarop hun harten elkaar bezochten?Deeze spooren van hun gestadigen tred zijn niet uitgewischt, al is hun verwantschap lang vergeeten.En plotseling in een of andere woordelooze muziek ontwaakt de scheemerige herinnering—en het dier staart den mensch in ’t gelaat met teeder vertrouwen, en de mensch ziet het dier in de oogen met glimlachende geneegenheid.Het is dan als ontmoetten de twee vrienden elkaar gemaskerd, en herkennen weifelend elkander in de vermomming.
Dikwijls vraag ik verwonderd, waar de grenzen van herkenning verborgen liggen tusschen den mensch en het beest, wiens hart geen gesprooken taal kent.
Door welk oer-paradijs in de verre scheppingsmorgen liep het eenvoudige pad, waarop hun harten elkaar bezochten?
Deeze spooren van hun gestadigen tred zijn niet uitgewischt, al is hun verwantschap lang vergeeten.
En plotseling in een of andere woordelooze muziek ontwaakt de scheemerige herinnering—en het dier staart den mensch in ’t gelaat met teeder vertrouwen, en de mensch ziet het dier in de oogen met glimlachende geneegenheid.
Het is dan als ontmoetten de twee vrienden elkaar gemaskerd, en herkennen weifelend elkander in de vermomming.