LXXXI.

LXXXI.Waarom fluistert gij zoo zwakjes aan mijn oor, O Dood, mijn Dood?Als de bloemen zich neigen in den avondstond, en het vee terugkeert tot zijn stallen, dan komt gij ter sluiks aan mijn zijde en fluistert woorden die ik niet versta.Moet gij mij aldus werven en winnen met het heulsap van droomerig gemurmel en koude kussen, O Dood, mijn Dood?Zal er geen pralende plechtigheid zijn bij onze bruiloft?Zult gij uw verkronkelde, tanige haren niet opbinden met een krans?Zal niemand uw banier voor u uitdragen, en zal de nacht niet in gloed staan door uw roode toorts-vlammen, O Dood, mijn Dood?Kom met klinkende kinkhoorns, kom in den slapeloozen nacht.Kleed mij in een karmozijn-mantel, grijp mijn hand en neem mij.Laat uw wagen klaar staan voor mijn deur, met ongeduldig hinnikende paarden.Ligt mijn sluyer op en zie mij fier in ’t gelaat, O Dood, mijn Dood.

LXXXI.Waarom fluistert gij zoo zwakjes aan mijn oor, O Dood, mijn Dood?Als de bloemen zich neigen in den avondstond, en het vee terugkeert tot zijn stallen, dan komt gij ter sluiks aan mijn zijde en fluistert woorden die ik niet versta.Moet gij mij aldus werven en winnen met het heulsap van droomerig gemurmel en koude kussen, O Dood, mijn Dood?Zal er geen pralende plechtigheid zijn bij onze bruiloft?Zult gij uw verkronkelde, tanige haren niet opbinden met een krans?Zal niemand uw banier voor u uitdragen, en zal de nacht niet in gloed staan door uw roode toorts-vlammen, O Dood, mijn Dood?Kom met klinkende kinkhoorns, kom in den slapeloozen nacht.Kleed mij in een karmozijn-mantel, grijp mijn hand en neem mij.Laat uw wagen klaar staan voor mijn deur, met ongeduldig hinnikende paarden.Ligt mijn sluyer op en zie mij fier in ’t gelaat, O Dood, mijn Dood.

LXXXI.

Waarom fluistert gij zoo zwakjes aan mijn oor, O Dood, mijn Dood?Als de bloemen zich neigen in den avondstond, en het vee terugkeert tot zijn stallen, dan komt gij ter sluiks aan mijn zijde en fluistert woorden die ik niet versta.Moet gij mij aldus werven en winnen met het heulsap van droomerig gemurmel en koude kussen, O Dood, mijn Dood?Zal er geen pralende plechtigheid zijn bij onze bruiloft?Zult gij uw verkronkelde, tanige haren niet opbinden met een krans?Zal niemand uw banier voor u uitdragen, en zal de nacht niet in gloed staan door uw roode toorts-vlammen, O Dood, mijn Dood?Kom met klinkende kinkhoorns, kom in den slapeloozen nacht.Kleed mij in een karmozijn-mantel, grijp mijn hand en neem mij.Laat uw wagen klaar staan voor mijn deur, met ongeduldig hinnikende paarden.Ligt mijn sluyer op en zie mij fier in ’t gelaat, O Dood, mijn Dood.

Waarom fluistert gij zoo zwakjes aan mijn oor, O Dood, mijn Dood?

Als de bloemen zich neigen in den avondstond, en het vee terugkeert tot zijn stallen, dan komt gij ter sluiks aan mijn zijde en fluistert woorden die ik niet versta.

Moet gij mij aldus werven en winnen met het heulsap van droomerig gemurmel en koude kussen, O Dood, mijn Dood?

Zal er geen pralende plechtigheid zijn bij onze bruiloft?

Zult gij uw verkronkelde, tanige haren niet opbinden met een krans?

Zal niemand uw banier voor u uitdragen, en zal de nacht niet in gloed staan door uw roode toorts-vlammen, O Dood, mijn Dood?

Kom met klinkende kinkhoorns, kom in den slapeloozen nacht.

Kleed mij in een karmozijn-mantel, grijp mijn hand en neem mij.

Laat uw wagen klaar staan voor mijn deur, met ongeduldig hinnikende paarden.

Ligt mijn sluyer op en zie mij fier in ’t gelaat, O Dood, mijn Dood.


Back to IndexNext