LXXXV.

LXXXV.Wie zijt gij, leezer, die mijn gedichten leest oover honderd jaar?Ik kan u geen enkele bloem zenden van deeze lente-weelde, geen enkele gouden stréép van gindsche wolken.Oopen uw deuren en zie naar buiten.Verzamel uit uw bloeyende hof geurige herinneringen, van de verdweenen bloemen van voor honderd jaar.Moogt gij in de vreugde uws harten de leevende vreugde voelen, die op een lentemorgen zong, en haar blijde stem heen zond oover honderd jaren.

LXXXV.Wie zijt gij, leezer, die mijn gedichten leest oover honderd jaar?Ik kan u geen enkele bloem zenden van deeze lente-weelde, geen enkele gouden stréép van gindsche wolken.Oopen uw deuren en zie naar buiten.Verzamel uit uw bloeyende hof geurige herinneringen, van de verdweenen bloemen van voor honderd jaar.Moogt gij in de vreugde uws harten de leevende vreugde voelen, die op een lentemorgen zong, en haar blijde stem heen zond oover honderd jaren.

LXXXV.

Wie zijt gij, leezer, die mijn gedichten leest oover honderd jaar?Ik kan u geen enkele bloem zenden van deeze lente-weelde, geen enkele gouden stréép van gindsche wolken.Oopen uw deuren en zie naar buiten.Verzamel uit uw bloeyende hof geurige herinneringen, van de verdweenen bloemen van voor honderd jaar.Moogt gij in de vreugde uws harten de leevende vreugde voelen, die op een lentemorgen zong, en haar blijde stem heen zond oover honderd jaren.

Wie zijt gij, leezer, die mijn gedichten leest oover honderd jaar?

Ik kan u geen enkele bloem zenden van deeze lente-weelde, geen enkele gouden stréép van gindsche wolken.

Oopen uw deuren en zie naar buiten.

Verzamel uit uw bloeyende hof geurige herinneringen, van de verdweenen bloemen van voor honderd jaar.

Moogt gij in de vreugde uws harten de leevende vreugde voelen, die op een lentemorgen zong, en haar blijde stem heen zond oover honderd jaren.


Back to IndexNext