XLIII.Neen, mijn vrienden, een askeet word ik nooit, wat gij ook moogt zeggen.Als zij niet met mij samen de gelofte aflegt, word ik geen askeet.Ik ben vast beslooten nooit askeet te worden, tenzij ik een schaduwig hoekje vind en gezelschap bij mijn boetedoening.Neen, mijn vrienden, ik zal nooit mijn haard en huis verlaten, noch mij terugtrekken in woudeenzaamheid, als er geen vroolijke lach echoot in haar schaduw, en er niet de tip van een safraan-geele mantel fladdert in den wind; als haar stilte niet verdiept wordt door zacht gefluister.Ik word nooit een askeet.
XLIII.Neen, mijn vrienden, een askeet word ik nooit, wat gij ook moogt zeggen.Als zij niet met mij samen de gelofte aflegt, word ik geen askeet.Ik ben vast beslooten nooit askeet te worden, tenzij ik een schaduwig hoekje vind en gezelschap bij mijn boetedoening.Neen, mijn vrienden, ik zal nooit mijn haard en huis verlaten, noch mij terugtrekken in woudeenzaamheid, als er geen vroolijke lach echoot in haar schaduw, en er niet de tip van een safraan-geele mantel fladdert in den wind; als haar stilte niet verdiept wordt door zacht gefluister.Ik word nooit een askeet.
XLIII.
Neen, mijn vrienden, een askeet word ik nooit, wat gij ook moogt zeggen.Als zij niet met mij samen de gelofte aflegt, word ik geen askeet.Ik ben vast beslooten nooit askeet te worden, tenzij ik een schaduwig hoekje vind en gezelschap bij mijn boetedoening.Neen, mijn vrienden, ik zal nooit mijn haard en huis verlaten, noch mij terugtrekken in woudeenzaamheid, als er geen vroolijke lach echoot in haar schaduw, en er niet de tip van een safraan-geele mantel fladdert in den wind; als haar stilte niet verdiept wordt door zacht gefluister.Ik word nooit een askeet.
Neen, mijn vrienden, een askeet word ik nooit, wat gij ook moogt zeggen.
Als zij niet met mij samen de gelofte aflegt, word ik geen askeet.
Ik ben vast beslooten nooit askeet te worden, tenzij ik een schaduwig hoekje vind en gezelschap bij mijn boetedoening.
Neen, mijn vrienden, ik zal nooit mijn haard en huis verlaten, noch mij terugtrekken in woudeenzaamheid, als er geen vroolijke lach echoot in haar schaduw, en er niet de tip van een safraan-geele mantel fladdert in den wind; als haar stilte niet verdiept wordt door zacht gefluister.
Ik word nooit een askeet.