XXI.Waarom verkoos hij aan mijn deur te koomen, de zwervende jongeling, bij het aanbreeken van den dag?Bij het thuiskomen en het uitgaan ga ik hem vóór, en mijn blik wordt getrokken door zijn gelaat.Ik weet niet of ik hem zal aanspreeken, of zwijgen. Waarom verkoos hij aan mijn deur te koomen?Donker zijn de bewolkte nachten in Juli; zacht-blaauw is de heemel in den herfst; de lentedagen zijn onrustig door de Zuidewind.En telkenmale weeft hij zijn liederen met nieuwe wijzen.Ik keer mij af van mijn werk en mijn oogen vullen zich met den neevel. Waarom verkoos hij aan mijn deur te koomen?
XXI.Waarom verkoos hij aan mijn deur te koomen, de zwervende jongeling, bij het aanbreeken van den dag?Bij het thuiskomen en het uitgaan ga ik hem vóór, en mijn blik wordt getrokken door zijn gelaat.Ik weet niet of ik hem zal aanspreeken, of zwijgen. Waarom verkoos hij aan mijn deur te koomen?Donker zijn de bewolkte nachten in Juli; zacht-blaauw is de heemel in den herfst; de lentedagen zijn onrustig door de Zuidewind.En telkenmale weeft hij zijn liederen met nieuwe wijzen.Ik keer mij af van mijn werk en mijn oogen vullen zich met den neevel. Waarom verkoos hij aan mijn deur te koomen?
XXI.
Waarom verkoos hij aan mijn deur te koomen, de zwervende jongeling, bij het aanbreeken van den dag?Bij het thuiskomen en het uitgaan ga ik hem vóór, en mijn blik wordt getrokken door zijn gelaat.Ik weet niet of ik hem zal aanspreeken, of zwijgen. Waarom verkoos hij aan mijn deur te koomen?Donker zijn de bewolkte nachten in Juli; zacht-blaauw is de heemel in den herfst; de lentedagen zijn onrustig door de Zuidewind.En telkenmale weeft hij zijn liederen met nieuwe wijzen.Ik keer mij af van mijn werk en mijn oogen vullen zich met den neevel. Waarom verkoos hij aan mijn deur te koomen?
Waarom verkoos hij aan mijn deur te koomen, de zwervende jongeling, bij het aanbreeken van den dag?
Bij het thuiskomen en het uitgaan ga ik hem vóór, en mijn blik wordt getrokken door zijn gelaat.
Ik weet niet of ik hem zal aanspreeken, of zwijgen. Waarom verkoos hij aan mijn deur te koomen?
Donker zijn de bewolkte nachten in Juli; zacht-blaauw is de heemel in den herfst; de lentedagen zijn onrustig door de Zuidewind.
En telkenmale weeft hij zijn liederen met nieuwe wijzen.
Ik keer mij af van mijn werk en mijn oogen vullen zich met den neevel. Waarom verkoos hij aan mijn deur te koomen?