XXVI.„Al wat van uw milde handen komt, neem ik aan. Ik vraag om niets méér.”„Ja, ja, ik ken je, bescheiden beedelaar, je vraagt alles wat men heeft.”„Als er een verlooren bloemke voor mij is, dan zal ik het in mijn hart dragen.”„En als het doornen heeft!”„Ik zal ze dulden.”„Ja, ja, ik ken je, bescheiden beedelaar, je vraagt alles wat men heeft.”„Als je maar ééns je minnende oogen wou opheffen tot mijn gelaat, dan zou dat mijn leeven zalig maken tot génerzijds des doods.”„En als er enkel wreede blikken zijn?”„Ik zal ze houden om mijn hart te doorbooren.”„Ja, ja, ik ken je, bescheiden beedelaar, je vraagt alles wat men heeft.”
XXVI.„Al wat van uw milde handen komt, neem ik aan. Ik vraag om niets méér.”„Ja, ja, ik ken je, bescheiden beedelaar, je vraagt alles wat men heeft.”„Als er een verlooren bloemke voor mij is, dan zal ik het in mijn hart dragen.”„En als het doornen heeft!”„Ik zal ze dulden.”„Ja, ja, ik ken je, bescheiden beedelaar, je vraagt alles wat men heeft.”„Als je maar ééns je minnende oogen wou opheffen tot mijn gelaat, dan zou dat mijn leeven zalig maken tot génerzijds des doods.”„En als er enkel wreede blikken zijn?”„Ik zal ze houden om mijn hart te doorbooren.”„Ja, ja, ik ken je, bescheiden beedelaar, je vraagt alles wat men heeft.”
XXVI.
„Al wat van uw milde handen komt, neem ik aan. Ik vraag om niets méér.”„Ja, ja, ik ken je, bescheiden beedelaar, je vraagt alles wat men heeft.”„Als er een verlooren bloemke voor mij is, dan zal ik het in mijn hart dragen.”„En als het doornen heeft!”„Ik zal ze dulden.”„Ja, ja, ik ken je, bescheiden beedelaar, je vraagt alles wat men heeft.”„Als je maar ééns je minnende oogen wou opheffen tot mijn gelaat, dan zou dat mijn leeven zalig maken tot génerzijds des doods.”„En als er enkel wreede blikken zijn?”„Ik zal ze houden om mijn hart te doorbooren.”„Ja, ja, ik ken je, bescheiden beedelaar, je vraagt alles wat men heeft.”
„Al wat van uw milde handen komt, neem ik aan. Ik vraag om niets méér.”
„Ja, ja, ik ken je, bescheiden beedelaar, je vraagt alles wat men heeft.”
„Als er een verlooren bloemke voor mij is, dan zal ik het in mijn hart dragen.”
„En als het doornen heeft!”
„Ik zal ze dulden.”
„Ja, ja, ik ken je, bescheiden beedelaar, je vraagt alles wat men heeft.”
„Als je maar ééns je minnende oogen wou opheffen tot mijn gelaat, dan zou dat mijn leeven zalig maken tot génerzijds des doods.”
„En als er enkel wreede blikken zijn?”
„Ik zal ze houden om mijn hart te doorbooren.”
„Ja, ja, ik ken je, bescheiden beedelaar, je vraagt alles wat men heeft.”