HOOFDSTUK V.

Bij hunne komst was echter het toen aanwezige waterwild schichtig opgevlogen en weggevlucht, en de jagers begrepen, dat zij geduld moesten oefenen, wilden zij niet platzak huiswaarts keeren.

Soms hoorden zij tot hunne blijdschap eenige wilde eenden door de lucht vliegen, en dan trachtten zij ze in het gezicht te krijgen, hopende dat zij in hunne nabijheid mochten neervallen.

Er verstreek echter wel een half uur, eer zij een enkelen vogel zagen naderen, en Heer Jan begon den moed reeds te verliezen.

„Zouden we geen ander plaatsje opzoeken?” fluisterde hij Marten toe. „Ik zie hier meerkoet noch eendvogel, en het wachten begint mij duchtig te vervelen.”

„Ik zou het niet doen, Heer,” sprak Marten zacht. „Wij hebben de vogels hier verjaagd door onze komst, en moeten niet te haastig zijn. Op een andere plaats hebben wij het eerste half uur ook geen kans.”

„Dat is waar.”

Doodstil bleven zij zitten. De vischjes waren nu al tot op een vrij grooten afstand weggedreven, en Marten haalde de lijn zoo zacht mogelijk wat in. Opeens echter hield hij daarmede op.

„St,—een woerd!” fluisterde hij bijna onhoorbaar, en onbeweeglijk bleef hij zitten. „Ginds, bij het elzenboschje.”

„Ja,—'k zie hem,” was het antwoord.

De woerd zwom langzaam heen en weder. Telkens stak hij den kop onder water en wipte zich dan voorover, zoodat zijn staart loodrecht omhoog wees.

„'t Is een dikkerd,” fluisterde Heer Jan. „Zijn wijfje zal ook wel niet ver uit de buurt zijn.”

De jagers verkeerden niet weinig in spanning, en hoopten, dat de vogel de doode vischjes in hetoog zou krijgen. En toen de woerd zich inderdaad in de richting van het drijvend aas voortbewoog, onbewust van den list, die hem gespannen was, zaten zij met gerekten hals te kijken naar elk zijner bewegingen.

„Hij komt naderbij!” fluisterde Heer Jan, die moeilijk zwijgen kon. „Kijk, daar zie ik de eend ook!—Mooi zoo!”

„Laten wij nu doodstil wezen en ons niet bewegen,” fluisterde Marten, die bang was, dat devogelshen zouden opmerken en wegvliegen.

„De eend nadert mijn vischje,” sprak Heer Jan weer. „Hij is er vlak bij.”

„Stil toch,” zei Marten. „Aanstonds merken zij ons op.”

Dat deed het eendenpaar echter niet. Langzaam en steeds naar voedsel zoekende, naderden zij het aas, dat door de golfjes heen en weder werd gestuwd.

„De woerd is bijjouwvischje!” verbrak Heer Jan opeens de stilte.—„Ha—nu ziet hij het, .... kijk, hij pakt het beet—ja, slik maar, 't smaakt lekker!”

„Wees toch stil, Heer Jan!”waarschuwde Marten, die geheel voorover gebogen de lijn vasthield en naar den woerd tuurde.

„Ze hooren ons toch niet!” fluisterde Heer Jan weer. „Wacht, daar komt de eend ook naderbij.—De woerd heeft het aas ingeslikt, Marten,—wachtnog even, dan snap ik misschien de eend ook...”

Maar 't was te laat. De woerd, die inderdaad het vischje had opgeslokt, bemerkte onraad, want de lijn hinderde hem geducht. Hij probeerde dat lastige ding te verwijderen en voelde toen plotseling, dat hij in zijne bewegingen belemmerd werd. Hij trok en rukte, om zich te bevrijden, maar dat gelukte hem niet. Daarna dook hij onder water, maar toen ook dat niet hielp, repte hij de vleugels, en vloog over de oppervlakte van het water heen en weêr, wat een geweldig leven veroorzaakte, want de vleugels klepten telkens in het water, zoodat het hoog opspatte. Dat werkte aanstekelijk op de eend, die het voorbeeld van haar gemaal volgde en ook rondfladderde.

„Haal hem in, Marten! De eend ziet er nu toch niets van!” riep Heer Jan, die opgetogen was over de gelukkige vangst. Marten haalde de lijn schielijk in, tot groote verbazing van den woerd, die niet begreep, wat er aan de hand was en zich geweldig verzette. Hij naderde snel het schuitje, waar Marten hem greep. Op het volgende oogenblik lag hij met omgedraaiden nek op den bodem. De eend fladderde nog altoos wild in het rond, in de meening, dat ook de woerd een vroolijk spel speelde. Maar eindelijk kwam zij tot bedaren, en toen zij den woerd nergens meer zag, zwom zij heen en weer, om hem te zoeken. Zoo ontdekte zij het vischje aan de lijnvan Heer Jan, en dit zag er voor haar zoo verleidelijk uit, dat zij het in den snavel nam en, hoewel met eenige moeite, doorslikte. Dit geschiedde natuurlijk tot groote pret van Heer Jan Gerritsz, die de lijn nu inpalmde en de eend het droevig lot liet deelen van den woerd.

„Wat een paar mooie vogels, Marten,” zei Heer Jan, die met welbehagen de beide eenden bij de pooten pakte, om te voelen, hoe zwaar zij waren. „Kijk eens,—zoo vet als modder!”

„Ja,—'t zijn twee beste,” beaamde Marten, die zijne lijn weer voor een nieuwen liefhebber in gereedheid bracht. De reeder volgde dat voorbeeld, en spoedig dreven weer twee vischjes langzaam van het schuitje af.

De jagers bleven voortdurend in spanning, want langzamerhand kwamen er heel wat watervogels in den omtrek rondzwemmen. Mosbruine en blauwzwarte aalschelvers joegen er met schuwe onrust naar hun aas, wit gebleste meerkoeten lieten zich nu hier, dan daar zien, zwart gekuifde zanddrijvers hieven hunne fiere halzen omhoog, om den omtrek te verkennen, en koppels eenden staken de koppen in de diepte, om naar hunne prooi te zoeken. Blijkbaar was het schuitje op eene bijzonder gelukkige plaats vastgelegd.

En de jagers kregen een zoo ruimen oogst, dat hij hunne stoutste verwachtingen overtrof. Zij vingenzooveel vogels van diverse pluimage, dat zij hunne buren ook wel een heerlijk middagmaal konden bezorgen en dan nog meer dan genoeg overhielden voor zichzelven. Zij hadden het zóó druk met hunne jacht, dat het middaguur al lang vervlogen was, eer zij er aan dachten, dat Moeder Fijtje voor boterhammen, of zooals zij toen zeiden, „stukken” met ham had gezorgd. Eindelijk werden hunne magen echter oproerig, en Marten herinnerde Heer Jan aan den inhoud van het kastje, dat onder het voorbankje getimmerd was.

„Zoo, krijg je honger?” was het antwoord. „Nu ik ook terdege. Laten wij het aas eenigen tijd binnenhalen, en zien, wat je moeder voor ons heeft klaargemaakt. En een frissche dronk zal ook smaken. Wat hebben we eene gelukkige vangst,—'t gaat voortreffelijk!”

De lijnen werden ingehaald en de stukken met ham uit hun schuilhoek te voorschijn gebracht. Deze zagen er lekker uit en lieten zich heerlijk smaken.

Heer Jan schonk elk eene kan bier in, en 't bleek hun, dat Jan Slob zijn roem niet voor niets droeg, en hem ten volle waardig was.

Door de beweging, die de jagers gemaakt hadden, was het wild verschrikt opgevlogen en weggevlucht, natuurlijk onder een oorverdoovend gesnater. Marten keek ze teleurgesteld na, maar Heer Jan zei:

„Laat ze maar gaan, Marten. Zij zullen straks welterugkomen. Na onze voorspoedige vangst kunnen wij wel weer een half uurtje geduld oefenen, zou ik meenen. Ik geloof, dat wij nu al meer hebben dan verleden jaar van den geheelen dag.”

„'k Geloof het ook,” zei Marten met een vollen mond, want hij had honger voor twee en liet het eene stuk na het andere in zijne maag verdwijnen.

„Je gezondheid schijnt weinig te wenschen over te laten,” lachte Heer Jan, die met verbazing aanzag, hoe Marten schranste.

„Dat gaat wel,” lachte Marten. „Ik voel me vrij wel!”

Zoodra het maal afgeloopen was, werd de jacht voortgezet. De vischjes werden te water geworpen, en de jagers hielden zich opnieuw doodstil.

Zoo ging de middag genoeglijk voorbij. De oogst was buitengewoon voorspoedig, en Heer Jan fluisterde Marten toe, dat hij ook eenige vogels aan Hopman Wybe Sjoerds zou zenden, om die bij zijn middagmaal te gebruiken.

„Van mij kan hij de afgekloven beentjes krijgen,” mompelde Marten. „'t Is een brutale kaerel, die geen vetten eendebout verdient.”

Eindelijk lag de bodem van het vaartuigje geheel met doode vogels bedekt, en Heer Jan meende, dat het nu tijd werd, om naar huis terug te keeren. Ook Marten had zijne bekomst van de jacht, en het zitten begon hem te vervelen. De lijnen werdendus ingehaald en opgeborgen, en Marten greep de riemen. De terugtocht werd aanvaard, en het deed den krachtigen Marten goed, weer eens een flinke lichaamsbeweging te kunnen nemen. Hij boog zich bij het roeien krachtig voor- en achterover, zoodat het bootje snel het water doorkliefde.

„Moeten wij niet eerst naar Jan Slob aan den Westzaner Overtoom, om de ledige kannen terug te brengen?” vroeg hij onder het roeien door.

„Ja,—dat is waar ook. Ik zou er waarlijk niet aan gedacht hebben. Zeker, we moeten...”

Maar plotseling bleef hij in zijne woorden steken, en Marten zag hem met wijd opengesperde oogen staren in de richting van Saardam, tot hij plotseling van zijn zitplaats opsprong, en uitriep:

„Mijn God! Marten,—kijk eens,—daar is brand ginds, wel op twee,—drie plaatsen tegelijk...”

Met uitgestrekten arm wees hij naar Saardam.

Ontsteld liet Marten de riemen rusten, en vlug stond ook hij op, om te kijken. Inderdaad,—groote rookwolken stegen omhoog op verscheidene plaatsen tegelijk. Hij werd doodsbleek, en toen hij een oogenblik naar het gelaat van Jan Gerritsz keek, zag hij, dat ook deze geen kleur meer op zijn wangen had.

„Dat is onheil!” mompelde Marten zacht. „De Spanjaarden zijn gekomen...”

„Ja,—dat is onheil,” prevelde ook Heer Jan. „'t Moeten de Spanjaarden zijn!—Dan is—danmoet Wybe Sjoerds niet teruggekeerd zijn.”

Marten zocht met zijn oogen de plaats, waar de hoeve zijner ouders gelegen was. Genadige hemel! Ook daar stegen zware rookkolommen omhoog.

De arme jongen begon te beven over al zijne leden.

„Onze hoeve staat in brand!” stamelde hij verschrikt, terwijl tranen hem in de oogen sprongen. „O, Heer Jan, wat zou er gebeurd zijn? Zie, ginds komen mannen en vrouwen aansnellen langs den dijk... O God, hoe vreeselijk!”

Hij bleef nog een oogenblik staan. Toen nam hij opeens plaats op de roeibank en greep de riemen. Met groote, krachtige slagen roeide hij naar huis. Aan de ledige kannen en den eigenaar daarvan dacht hij niet meer. Pijlsnel schoot de boot door het water. Telkens keek hij achterom naar de opstijgende rookwolken, en hoe meer hij naderde, des te sterker werd de zekerheid, dat de hoeve door de vlammen werd verteerd. En telkens krachtiger nog werden zijne riemslagen, tot zij de naderende mannen, vrouwen en kinderen hadden bereikt, die zich, velen schreiende, voortspoedden in de richting van de herberg aan den Overtoom.

Marten liet de riemen hangen en sprong op. Ha, die menschen kende hij; 't waren immers boeren en arbeiders met hunne gezinnen, die, evenals hij, aan den Zuiddijk woonden. Zie, schrik en ontsteltenisstonden hun op het gelaat te lezen, en de kinderen lieten hun luid jammergeschrei hooren, terwijl de vrouwen snikten. De mannen liepen voort met gebalde vuisten; hunne gelaatstrekken teekenden woede en wraaklust.

„Wat is er gebeurd?” riep hij de menschen toe.

„Ja, wat is er gebeurd?” riep Heer Jan Gerritsz, die eveneens opgestaan was.

„O, ben jij het, Marten?” riep een van de mannen terug. „Vreeselijk! De Spekken zijn gekomen, met schepen, en zijn aan den Zuiddijk geland, vanwaar zij roovende en brandende zijn voortgetrokken naar Saardam. O, ga daar niet heen, Marten, maar vlucht, zoo snel je kunt. Ginds wacht je de dood,—vlucht zoo schielijk mogelijk!”

Marten kromp van schrik en ontsteltenis ineen en bedekte gedurende een kort oogenblik zijn gelaat met de handen. Maar toen vermande de knaap zich. Hij bedwong zijn snikken en vroeg, maar zijne stem klonk heesch:

„En mijne ouders, Willem, mijn vader en mijne moeder?—En Anna?”

In ademlooze spanning wachtte hij het antwoord af. Zijn schrik werd nog grooter, toen de man blijkbaar met zijn antwoord weifelde.

„Maar spreek dan toch, Willem Pietersz, spreek dan toch,” riep hij uit, stampvoetend van ongeduld en spanning.

„Jullie hoeve was de eerste, die in brand gestoken is, Marten,” klonk het zacht terug. „Ik vrees, dat een groote ramp je getroffen heeft. Ga niet naar huis, maar vlucht zoo snel je kunt. De vervloekte Spanjolen ontzien niets en hebben als bare duivels huisgehouden...”

„Maar mijne ouders, Willem, zeg me dan toch, waar zij zich bevinden...”

„Arme jongen!” klonk het terug. „Ze zijn vermoord...”

Een akelige gil klonk over het water, en in vertwijfeling wrong de knaap de handen. Maar weer bedwong hij zich, en riep uit met een stem, door snikken afgebroken:

„En Anna, is ook zij—vermoord?”

„Ik heb Anna zien vluchten, het land in, in de richting van Oostzaan, en twee van die duivels achtervolgden haar. Wat er van haar geworden is, weet ik niet... Ook mijne hoeve is in vlammen opgegaan, en slechts door eene haastige vlucht hebben wij ons leven kunnen redden.—Wij bezitten niets meer, niets...”

En dreigend de vuisten opheffende naar Saardam, waar de gevloekte Spanjaarden thans den vergaarden buit verdobbelden en verbrasten, riep hij uit:

„Maar wreken zal ik mij op dat gespuis, dat mij tot den bedelstaf heeft gebracht. Ja, bloedig zal ik mij wreken!”

En de andere mannen balden evenzoo de vuisten, en starende op de vlammen en rookwolken in de verte, mompelden zij met op elkander geklemde kaken: „Wraak! Wraak!”

„Heeft men ook de Saardamsche woningen geplunderd?” vroeg Heer Jan, terwijl hij de riemen greep, want hij zag wel, dat Marten te zeer ontsteld en geschokt was, om iets te doen.

„Ik weet het niet, Heer,” was het antwoord. „'t Schijnt mij toe, dat de plundering zich tot den Zuiddijk heeft bepaald, althans verderop bespeur ik nergens brand.”

„Ik ook niet, Gode zij dank!” mompelde Heer Jan.

De vluchtelingen vervolgden hun tocht. Zij waren thans bedelaars geworden, die zelfs geen dak meer hadden, waaronder zij rusten konden. Zij trokken verder, zonder te weten waarheen.

Heer Jan wendde den steven naar de Zaan. Hij wilde zelf hoe eerder, hoe liever thuis zijn, om zoo mogelijk over de zijnen te kunnen waken, en hij verweet zich de lichtzinnigheid, waarmede hij zijn pleiziertochtje van Ruichoort had ondernomen. Met diepe deernis staarde hij zijn reisgezel aan, die thans op het achterbankje gezeten was, met de ellebogen op de knieën en het gelaat in de handen. Hij zag, hoe dikke tranen hem door de vingers rolden.

„Marten,” zei hij zacht, en hij deed zijn best om iets te bedenken, dat hem troosten kon.

„Marten!” herhaalde hij.—„Marten!”

En even later liet hij er op volgen:

„Misschien heeft Willem Pietersz het mis gehad. In zijne verbijstering kan hij zich gemakkelijk vergist hebben...”

Maar Marten schudde ontkennend het hoofd, en Heer Jan Gerritsz sprak niet verder. Hij vreesde zelf, dat hij den ongelukkigen knaap met eene ijdele hoop vleide.

De boot voer snel voort en had weldra de Zaan en even later de hoeve bereikt. Beiden stapten aan land. De vlammen stegen nog uit den puinhoop op en kleine rookkolommen waren nog zichtbaar. Marten betrad het erf. Geen levend wezen was daar te zien. Zelfs het vee uit het land was weggevoerd.

Hij ging verder, terwijl zijne oogen rusteloos ronddwaalden. Opeens slaakte hij een luiden kreet. Dicht bij de schuur, die door de vlammen was gespaard, lagen de lichamen van zijne ouders op den grond. Naast zijn vader lag diens vuurroer,—afgeschoten. En met zijn arm hield hij nog het lijk van Moeder Fijtje omkneld. Blijkbaar was hij gedood in den strijd om haar tegen de onverlaten te beschermen...

Marten knielde bij hen neder, en schreide jammerlijk, en ook Jan Gerritsz was bij dit vreeselijk schouwspel zijne tranen niet meester. Hij legde Marten de hand zacht op het hoofd, en zeide:

„Arme,—arme jongen.”

De jonge zwerver.

Langen tijd zat Marten als vernietigd bij de lijken van zijne ouders, van wie hij zoo innig veel gehouden had. Ach, dat hij hen nu zóó moest wedervinden! Dat hij nu nooit meer hunne vriendelijke stem hooren, nooit meer hun liefdevol oog zien zou. Thans waren zij hem ontnomen voor altoos door de wreede Spanjaarden, die hen goedsmoeds en zonder de minste noodzakelijkheid hadden vermoord.

Heer Jan Gerritsz kon het niet van zich verkrijgen den armen knaap alleen te laten, hoewel hij als op heete kolen stond, want hij brandde van verlangen om thuis te komen en te zien, hoe de zijnen het maakten. Hoe vreesde hij, dat de vijanden ook te Saardam op barbaarsche wijze hadden huisgehouden, en wellicht waren ook zijn vrouw en kinderen door hunne handen om het leven gebracht. Eindelijk,toen Marten maar steeds roerloos op dezelfde plek bleef zitten, kon hij het niet langer uithouden, en zeide:

„Marten, ik móét vertrekken, hoe graag ik ook bij je zou willen blijven. Bedenk, dat mijne vrouw en kinderen thans ook aan de grootste gevaren zijn blootgesteld en behoefte hebben aan mannelijke hulp,—als zij nog leven.—Ga met mij mede, Marten; hier kun je toch niet langer blijven. Je huis is verbrand en je ouders zijn er niet meer. Kom meê, arme jongen. Mijn huis zaljouwhuis zijn...”

Marten liet hem niet uitspreken. Hij stond op, droogde zich de tranen van het gelaat, en zeide met heesche stem:

„U màg niet langer blijven, Heer Jan. Vergeef mij, dat ik daar niet eerder aan gedacht heb. Uw plicht roept u naar uw huis en naar de uwen. Maar ik ga niet mede. Ik moet mijne ouders begraven en mijn zuster zoeken. Vergeet niet, dat zij thans niemand op de wereld meer heeft dan mij. Wij behooren voortaan bij elkander...”

„Maar de avond valt, Marten, en het wordt reeds duister. Ga met mij mede tot morgen...”

„Neen, Heer, voortaan ben ik een zwerver op Gods aardbodem, en het maakt al weinig verschil, of dat heden begint of morgen. Ga gerust heen, Heer Jan, en bekommer u niet over mij. Ik moet mijne zuster zoeken. Zij heeft mijne hulp noodig.”

Hij stak Heer Jan de hand toe, en deze nam haaraan, blijkbaar nog weifelend of hij heen mocht gaan. Maar toch voelde hij, dat hij langer niet mocht blijven.

„God bescherme u, Marten!” sprak hij ernstig. „En zoo de omstandigheden je te machtig worden,—kom dan tot mij; ik zal toonen je vriend te zijn.”

„Dank u,” zei Marten ontroerd.

Heer Jan vertrok. Eerst keek hij nog telkens om naar den verlaten knaap, maar de angst over het lot der zijnen deed hem al spoedig zijne schreden verhaasten.

Toen Marten alleen was, ging hij over tot eene droevige daad. Achter de hoeve lag een bloementuin, waarin een paar mooie, groote struikrozen bloeiden. Die rozen waren de lievelingsbloemen zijner moeder geweest. Onder die struiken dolf hij een graf.

Toen het gereed was, wachtte hij, totdat iemand de nu nog eenzamer geworden plaats voorbijging. 't Was een Saardammer, die zich in het dorp niet meer veilig achtte en een goed heenkomen zocht.

Marten riep zijne hulp in bij de droeve daad, die hij nog moest verrichten, en hoe gejaagd de man ook was, de smeekbede van den verweesden knaap durfde hij niet weigeren. Samen droegen zij de dooden in de groeve. Daarna was Marten weer alleen. 't Was nu reeds geheel avond geworden, maar heldere sterren flonkerden aan het firmament, en de maan goot haar bleek schijnsel over de aarde. Nog rookte de puinhoop.

Met een droevigen zucht begaf Marten zich op het land, waarop Anna gevlucht was, toen zij door de Spanjaarden achtervolgd werd. Hij wanhoopte echter, eenig spoor van haar te zullen vinden. De verschillende landstrooken waren door vele slooten gescheiden. Zou Anna zich daardoor hebben laten weerhouden? Hij dacht van niet, want de angst, om in de handen der vijanden te vallen, zou er haar wel doorheen gejaagd hebben. Bovendien was zij vlug en dapper, dat wist hij.

Hij vond dan ook nergens iets, dat hem eene aanwijzing kon geven, waarheen zij gevlucht was. En voor een nauwkeurig onderzoek was het te donker.

Opeens bedacht hij, dat zij wellicht eene schuilplaats gevonden kon hebben bij Kees Aartsz, een arbeider, wiens eenvoudig huisje aan den Waterlandschen dijk gelegen was. Want in die richting moest zij gevlucht zijn, als zij haar toevlucht op de landerijen had gezocht. Hij besloot zich onmiddellijk daarheen te begeven, en koos daartoe den kortsten weg, dwars door het land, zonder zich door slooten te laten weerhouden. Marten kon goed springen, en dat kwam hem nu te pas. In betrekkelijk korten tijd kwam hij bij Kees Aartsz aan.

De bewoners waren nog op, maar de deur was zorgvuldig gesloten.

Op zijn roepen klonk eene stem van binnen:

„Wie is daar?”

„Goed volk, Kees,—ik ben Marten Florisz. Doe even open.”

Dat geschiedde, en de man, die in de deuropening verscheen, zeide: „Kom binnen, Marten.”

„Neen, ik kom niet binnen. Alleen wil ik graag weten, of u mijn zuster misschien gezien heeft. Zij is het land opgevlucht voor de Spanjaarden,—en ik weet niet, waarheen zij gegaan is.”

De man keek hem met innig leedwezen aan, en de vrouw, die evenzoo aan de deur verschenen was, kreeg de tranen in de oogen, toen zij den armen jongen zag. De menschen wisten wel, wat er op de hoeve gebeurd was.

„Wij hebben Anna gezien, Marten,” sprak de man. „En zij is Godlof den Spanjaarden ontkomen. Door de breedste slooten vloog zij heen, en dat was haar geluk, want de soldaten met hunne stalen wapenrustingen durfden zich in de modderige slooten niet wagen. Zij kwam hier in de grootste ontsteltenis aan, want zij had alles gezien, wat er bij jelui gebeurd was.—Och, zij was zoo bedroefd...”

„Geen wonder, het arme meisje,” zei de vrouw schreiënd.

„Wij boden haar aan hier te blijven, maar dat durfde ze niet. Zij was zoo angstig en gejaagd, dat zij bijna niet wist, wat zij deed, en zij vreesde, dat de soldaten over den dijk zouden komen, om haar te halen...”

„Maar waar is zij nu?” vroeg Marten ongeduldig.

„Er kwamen enkele bootjes met vluchtende Saardammers hier langs, die door de Gouw wisten te ontkomen. Met een van die booten is zij medegegaan,—maar waarheen, dat weet ik niet. De menschen wisten zelf niet, waarheen het lot hen voeren zou. Vermoedelijk bevindt zij zich hier of daar te Westzaan of te Assendelft, of Beverwijk,—wie zal 't zeggen?”

„Dan weet ik nu genoeg,” sprak Marten. „Heb dank voor de hulp, die u beiden aan haar verleend hebt. Goeden nacht.”

De man kon den knaap zoo echter niet laten vertrekken. Hij wist immers, dat deze geen dak meer had, om onder te rusten. Daarom zei hij:

„Blijf vannacht hier, Marten. De nieuwe dag geeft nieuwen raad, maar vergt ook weer nieuwe kracht.”

„Dank voor uw vriendelijk aanbod, buurman,” zei Marten. „Ik kan het echter niet aannemen, want ik zal rust noch duur hebben, voor ik mijn zuster wedergevonden heb. Nog één vraag: weet u ook, waar onze hond gebleven is? Ik heb hem nergens gezien, dood of levend.”

„Hij was bij Anna, en 't is voor een groot deel aan hem te danken, dat zij ontsnapt is, want hij vloog telkens op de kerels aan. En dan hadden zij 't kwaad te verantwoorden. Maar een van de soldaten heeft hem eindelijk met de kolf van zijn vuurroereen zoo hevigen slag op den kop gegeven, dat hij bijna niet meer loopen kon. Toch volgde hij Anna nog, zoo goed en zoo kwaad, als het ging. Hij kroop bijna over den grond, toen hij hier aankwam.”

„Arme Kees!” mompelde Marten.

„Maar hij kwam langzamerhand weer op zijn verhaal,” viel de vrouw in. „Hij was half verdoofd geweest van den slag. Anna heeft hem medegenomen in de schuit.”

„Aan wie behoorde die?” vroeg Marten.

„'k Weet het niet, want ik ken weinig Saardammers, omdat ik hier nog maar zoo korten tijd woon.—Blijf hier van nacht, Marten. Je kunt haar nu toch niet zoeken. 't Wordt nacht.”

Maar Marten schudde ontkennend het hoofd, en na een korten groet keerde hij over den dijk terug naar de plaats, waar eenmaal de hoeve zijner ouders had gestaan.

Bij het heldere maanlicht zag hij, hoe de Spanjaarden de naaste woning, die van de familie Bleeker, hadden gespaard.

„Het verradersloon,” mompelde Marten bitter.

Blijkbaar had hij onder het loopen zijn plan gevormd, want zonder zich een oogenblik te bedenken stapte hij in zijn boot, maakte het touw los, greep de riemen, en roeide het IJ op, in de richting van den Westzaner Overtoom.

De doode vogels lagen nog op den bodem vanhet vaartuigje. Hij koos zijne richting naar het Westen, en hield de Noordzijde van het water. Zoodra hij de herberg van Jan Slob genaderd was, bond hij de boot vast, en trad de herberg binnen, die nog niet gesloten was. Er bevond zich geen enkele gast in de gelagkamer, en de kastelein maakte zich blijkbaar gereed, om naar bed te gaan. Hij had zijne blauwe slaapmuts ten minste al op, en was reeds half ontkleed.

„Zoo laat in den avond nog volk?” vroeg hij niet zonder eenige verbazing, terwijl hij een brandende kaars omhoog hield, ten einde te kunnen zien, wie er binnengekomen was. „Hé, dat is Marten Florisz zoowaar nog. Wel, ik dacht dat je de kannen geheel vergeten waart, en... Maar jongen, wat zie je er uit? Je bent zoo bleek als een lijk, en je handen beven. Ha, die vervloekte Spekken hebben zeker...”

„Zij hebben mijne ouders vermoord, mijne zuster op de vlucht gejaagd, en onze hoeve verbrand!” sprak Marten kortaf, en opnieuw barstte hij in tranen uit.

„Dat gespuis! Dat addergebroedsel!” riep Jan Slob uit, terwijl hij bij Marten kwam staan, die op een stoel neergevallen was en zijne tranen den vrijen loop liet.Sloblegde hem de hand op het hoofd. Woorden van troost kon hij niet vinden, en daarom deed hij niet anders dan schelden op de bedrijvers van zooveel wreedheid. En ruw als hij was, vloeidenhem de vreeselijkste scheldwoorden over de lippen. Wel honderdmaal herhaalde hij: „Aan de galg moesten zij hangen,—aan de galg moesten zij hangen, de bloedhonden!”

Marten maakte eindelijk aan zijn woordenvloed een einde door hem te vragen, of hij ook iets van zijne zuster had gemerkt, en misschien ook wist, waarheen zij zich begeven had.

„Niets van gezien, Marten,—heelemaal niets. Alleen weet ik, dat er nog verscheidene vluchtelingen hier gepasseerd zijn, die zich misschien naar Beverwijk of Alkmaar begeven hebben. En velen heb ik ook naar Westzaan zien vluchten, misschien omdat zij daar familie hadden. Wie weet, is Anna daar ook niet bij geweest. Het is ook mogelijk, dat zij den wijk naar Haarlem heeft genomen. Ik moet ronduit zeggen, dat ik er niets van weet. Maar wèl weet ik, dat de eerste Spanjaard, die in mijne handen valt, er vreeselijk voor boeten zal. „Oog om oog en tand om tand,” zoo zal het voortaan wezen.”

„Ja,” zei Marten somber en binnensmonds, „oog om oog en tand om tand. Mijn arm zal voortaan gewijd zijn aan den Prins.”

„Flink zoo, mijn jongen! Je bent sterk genoeg, om mede te strijden voor de vrijheid van het vaderland. Weg met de Spanjolen! Wij moeten niet rusten, voordat de laatste Spek over de grenzen is gejaagd.Wij hebben nù gezien, wat wij van hen te wachten hebben. O, ik vreesde het al, zoodra ik hunne schepen het IJ zag oversteken. Naar ik gehoord heb, is Admiraal Bossu zelf aan boord geweest en was het op zijn bevel, dat zijne krijgslieden aan den Zuiddijk werden ontscheept. Plunderende zijn zij tot den Dam toe verder getrokken, en dat zij onbarmhartig hebben huisgehouden ... maar daarover behoef ik tegen jou niet te spreken. Die beulen! Aan de galg moeten zij, tot den laatsten man toe! Maar zeg mij nu, Marten, wat is je plan? Waarheen denk je je te begeven?”

„Ik weet het niet, Jan Slob, ik weet het niet. Natuurlijk ga ik mijne zuster zoeken, want zij heeft nu niets meer op de wereld, dan mij. Wist ik maar, waarheen zij zich gewend heeft...”

„Daar kun-je morgen over nadenken, mijn jongen,” hernam de waard goedig. „Je brengt den nacht hier door, dat spreekt van zelf, en morgen zullen wij verder zien...”

„Maar ik moet Anna zoeken,” sprak Marten, die van droefheid en vermoeienis bijna te uitgeput was om te denken.

„Natuurlijk,” zeiSlob, die wel opmerkte, hoe afgetobd de knaap zich gevoelde. „Morgen ga je zoeken, overal in den omtrek,—maar nu blijf je hier; kom mede, op den zolder heb ik een lekkere slaapplaats gereed, waarvan al menigeen gebruik heeft gemaakt, die voor de Spekken vluchten moest.Ik laat je thans niet verder trekken, Marten, al zou ik je met geweld hier moeten houden.”

Dat was trouwens niet noodig, want Marten gevoelde zeer goed, dat hij behoefte had aan rust, en verzette zich niet tegen het gulle aanbod van den waard. Zwijgend volgde hij hem eene trap op naar boven. Daar was een bedstede getimmerd, waarop een zacht bed gereed lag.

„Wil je eerst niet wat eten?” vroeg Slob plotseling. „Domoor, die ik ben, om daar niet eerder aan te denken. 't Is zeker al lang geleden, dat je wat gebruikt hebt.”

Marten bedankte echter; hij had in 't geheel geen eetlust.

Gelukkig viel hij spoedig in slaap, tot groote blijdschap van Jan Slob, die beneden nog een half uurtje gewacht had, om nog eens naar hem te kunnen zien, voor ook hij zich ter ruste begaf.

Wel werd Martens slaap dikwijls verontrust door benauwde droomen, vooral in den voornacht, maar later werd hij rustiger en kalmer. Zijne ademhaling werd minder gejaagd, en hij sprak niet meer in zijn slaap.

Hij werd den volgenden morgen zelfs veel later wakker dan gewoonlijk, en Jan Slob liet hem rustig liggen. 't Was al bijna acht uur, eer hij ontwaakte, maar toen voelde hij zich ook verkwikt en versterkt. Hij stond op en begaf zich naar beneden. Slob enzijne vrouw bevonden zich in de gelagkamer, en zij reikten Marten hartelijk de hand. Toen hij zich frisch gewasschen en daarna verder gekleed had, nam hij plaats aan de eenvoudige ontbijttafel, waar een flinke boterham met kaas voor hem gereed stond.

„Komaan, voorgezet is voorgediend, moet je maar denken,” sprak vrouw Marye, „en 't is je van harte gegund.”

„Wat is nu je plan, Marten? Heb je al nagedacht over hetgeen je te doen staat?” vroeg de waard. En hij liet er hartelijk op volgen: „Je moet me goed begrijpen, Marten; ik bedoel met deze vraag volstrekt niet, dat je ons hier te veel bent, en dat we je hoe eerder hoe liever weg willen sturen. Volstrekt niet, hoor. Al wou je hier je anker voor goed neerleggen, wij zouden er niets tegen hebben en het zelfs wel aangenaam vinden, want wij kunnen een jongen met een paar stevige armen aan het lijf best gebruiken. Maar wij begrijpen zelf zeer goed, dat je hier rust noch duur zoudt hebben, voor je Anna wedergevonden hebt...”

„Dat is ook zoo, al ben ik u uiterst dankbaar voor uw vriendelijk aanbod,” viel Marten in. „Mijn plan is, eerst naar Westzaan te gaan. 't Zou best mogelijk kunnen zijn, dat Anna daar eene toevlucht heeft gezocht. Wij hebben er nog een neef wonen, weet u...”

„Een neef op Westzaan? Wie is dat dan?”

„Govert 't Hoen,—u kent hem ongetwijfeld wel.”

„Govert 't Hoen,—of 't Oude Hoen, zooals hij gewoonlijk genoemd wordt. Zou ik dien niet kennen?” lachte de waard met een knipoogje. „Wel jongen, 't is een van mijne beste vrienden, en een dappere kaerel bovendien. Als er één is, die een hekel heeft aan de Spekken, dan is hij het! Welzoo, is 't Oude Hoen een neef van je?”

„Een verre neef eigenlijk, Slob, maar hij kwam nog wel eens bij ons op de hoeve...”

„Nu, dan heb je groot gelijk, je 't allereerst naar hem te begeven. 't Is een verstandig man,—een man, voor wien ik het meeste respect heb, en 't zou inderdaad niet onmogelijk wezen, dat Anna naar hem gevlucht was.—Zeker, best mogelijk, en al is dat niet het geval, dan zal hij je toch ten beste raden. Ik geloof, dat het een heel wijs besluit van je is, en ik mag er je niet van terughouden.—Ik heb gezien, dat je schuitje bij mij aan den steiger ligt. Ik zal met je meêgaan tot aan den Overtoom, om het over den dijk te brengen.”

Marten stond op en nam afscheid van zijne gastvrouw, wie hij zijn hartelijken dank betuigde. Maar daar wilde zij niet van hooren en zij deed hem tot aan de deur uitgeleide. Slob en hij brachten het schuitje naar den Overtoom en wonden het met vereende kracht over den dijk in de Westzaner Gouw. En weldra was Marten weer alleen.

Hij roeide met krachtige slagen voort, want de ongerustheid over het lot van Anna dreef hem tot spoed. Zij waren hun geheele leven niet alleen broer en zuster geweest, maar ook trouwe vrienden, die innig veel van elkander hielden. En nooit had hij dit sterker gevoeld dan thans, nu zij hunne ouders verloren hadden en niets ter wereld meer bezaten dan elkander. Zij verschilden maar een goed jaar in leeftijd en waren samen opgegroeid. Samen hadden zij gespeeld, samen schoolgegaan, samen lief en leed gedeeld. Eerst was Anna in zijn oog altijd de groote zuster geweest, omdat zij de oudere was, maar dat verschil was allengs weggevallen en eindelijk was hij de grootere en sterkere geworden, die zijne zuster soms beschermen moest tegen baldadigheden van andere jongens, als zij haar plagen wilden. Zoo waren langzamerhand de rollen omgekeerd en was hij het geweest, bij wien zij hulp en steun zocht. O, hij voelde het: daaraan had zij thans dubbel behoefte. Als eene arme wees zwierf zij nu in den vreemde rond en zag ongetwijfeld reikhalzend uit naar haar broeder, den eenigen, dien zij op de wereld bezat.

Deze en dergelijke gedachten gingen hem door het hoofd, terwijl hij met regelmatigen slag doorroeide naar Westzaan. Af en toe keek hij even om naar den toren van de kerk, om te zien hoe groot de afstand was, die hem nog van het dorp scheidde.Eindelijk had hij het doel van zijn tocht bereikt en was hij de hoeve van zijn neef Govert 't Hoen genaderd. Hij legde het bootje vast en stapte aan wal. Weldra trad hij de woning binnen, die hem welbekend was, want hij was er meermalen geweest, soms wel in gezelschap van zijne ouders en van Anna. Bij de gedachte daaraan ontsnapte hem een diepe zucht. Helaas, die gelukkige dagen zouden nooit terugkomen....

Hij opende de kamerdeur en trad binnen.

Onder de Vrijbuiters.

Er zaten eenige mannen om de tafel geschaard. 't Waren allen boeren uit den omtrek, aanhangers van den Hervormden godsdienst, en trouwe volgelingen van den Prins van Oranje. De meesten ervan kende hij wel, want hij had ze meermalen in de hoeve zijner ouders ontmoet, en hij begreep dadelijk, dat zij hier bij elkander gekomen waren om te overleggen, wat hun na den inval van de Spanjaarden in Saardam te doen stond. 't Waren mannen in boersche kleeding, maar hunne gelaatstrekken teekenden zoowel vastberadenheid als moed, schranderheid als list.

Bij de binnenkomst van Marten keken zij verwonderd op, en 't Oude Hoen, die tegenover Geerte, zijne vrouw, voor het raam aan de tafel zat, riep uit:

„Wel,—wie komt daar binnenstappen? Dat iszoowaar Marten Florisz! Kom nader, neef. Je brengt zeker slechte tijding, niet waar?”

„'t Kon niet slechter, neef,” was het antwoord van Marten, terwijl hij 't Oude Hoen eene hand gaf. Deze was een klein manneke, maar hij had breede schouders en gespierde armen, en zijn gelaat teekende zooveel verstand, oprechtheid en zielenadel, dat het onwillekeurig vertrouwen inboezemde. Hij schudde Martens hand recht hartelijk, en viel hem in de rede met te zeggen:

„Wij weten er alles van, mijn jongen,—en Geerte-nicht en ik hebben je komst verwacht. Maar zeg me—waar is Anna? Of hebben die verwenschte Spekken ook haar...?”

„Zij is gevlucht, neef, maar ik weet niet waarheen, en zoek haar overal. Ik had zoo gehoopt, dat zij haar weg naar hier zou genomen hebben...”

„Wij hebben haar niet gezien,” viel Geerte in. „Maar ga zitten, Marten, en vertel ons nader, wat er gebeurd is.”

Marten voldeed aan dezen wensch, en 't spreekt vanzelf, dat hem bij dat droevig verhaal de tranen telkens in de oogen opwelden.

De mannen hoorden hem sprakeloos aan, maar bij het verhaal van de gepleegde wreedheden nepen zij woedend de vuisten samen, en hunne lippen prevelden woorden van wraak. Zij hadden zeer met den ongelukkigen knaap te doen,en hunne verontwaardiging kende bijna geen grenzen.

Nauwelijks was hij dan ook uitgesproken, of een van hen, Goesinnen genaamd, sloeg woedend met zijn vuist op tafel, en riep uit:

„Is het plegen van eene dergelijke schanddaad niet Gode geklaagd? En eischt het geen wraak? Neen mannen, 't is zooals 't Oude Hoen zegt: wij moeten ons zooveel mogelijk vereenigen en den vijand bestoken, waar wij maar kunnen. Wel is Saardam bezet, maar nog is Kennemerland en Waterland in handen van den Prins. Als wij willen, kunnen wij den Spanjaard nog ontzaglijk veel afbreuk doen. Heer Diederik van Sonoy zal spoedig genoeg krijgslieden zenden, om de bedreigde plaatsen te bezetten. Ik stel voor, dat wij 't Oude Hoen tot onzen aanvoerder benoemen en onder zijne leiding tochten te water ondernemen, om den vijand te bestoken!”

„Goed gesproken,” viel Jan Walichsin. „'t Oude Hoen zal ons aanvoeren en onze leidsman zijn. Een beteren konden wij niet wenschen.”

„Volkomen waar,” beaamde Jan Dieuwers. „Maar wat kunnen wij eigenlijk doen, dat zou ik wel willen vragen. Wat kan een handvol boeren beginnen tegen de machtige vijandige vendels? Wij zijn immers een tegen vijftig?”

't Oude Hoen stond op.

„Mannen,” sprak hij ernstig, „'t Oude Hoen wil jeaanvoerder zijn, en met Gods hulp zullen wij trachten onze vrouwen en kinderen, onze have en ons goed te beschermen tegen de vijanden. Wàt wij doen kunnen, zal de tijd ons leeren. Wij moeten in elk geval doen, wat onze hand vindt om te doen. Wij mogen niet versagen, want moed verloren is àl verloren, zegt het spreekwoord. En als het waar is, dat wij tegen de Spanjolen zijn als een tegen vijftig, welnu, dan moeten wij list stellen tegen overmacht. Alle wateren hier in den omtrek zijn ons bekend, en tusschen het riet en de schooren weten wij plaatsen genoeg te vinden, die ons aan het oog van den vijand onttrekken. Begeven de vendels zich hier of daar heen, uit onze schuilhoeken vellen wij hen man voor man neder, zonder dat zij ons bereiken kunnen of ons zelfs maar zien. Neen, wij mogen niet moedeloos bij de pakken gaan neerzitten, maar moeten strijden voor huis en haard, voor godsdienst en vaderland! Wie zichzelven helpt, dien helpt God!”

Deze woorden van 't Oude Hoen maakten diepen indruk op de aanwezigen, en meer dan een herhaalde de woorden: „Wie zichzelven helpt, dien helpt God.”

Het gezelschap werd allengs grooter, want telkens ging de deur open en traden mannen binnen, die zich, nu de nood aan den man kwam, als bij afspraak naar de woning gespoed hadden van 't Oude Hoen, dien zij allen stilzwijgend als hun hoofd enleidsman beschouwden. Zoo verschenen daar nog Joachim Cleynsorg, die door Diederik van Sonoy belast was met het bevel over een vendel krijgslieden, Engel Lastpenning van Krommenie, Claes KeesSymensen, Pieter Claessen Yperen van Oostzaan, en nog verscheidene anderen. Man voor man waren zij bereid voor de zaak der vrijheid te sterven. Ook de zoon van 't Oude Hoen was onder de aanwezigen. Hij heette Aelbert, maar werd gewoonlijk 't Jonge Hoen genoemd. Hij stond bekend als een verstandig jongeling, die bedachtzaamheid aan moed paarde. Zoodra Marten binnen gekomen was, had hij zich bij hem gevoegd, en hij fluisterde met hem over Anna, over wier lot Marten zoo bezorgd was.

„Je blijft bij ons, Marten,” sprak hij hartelijk, „en samen zullen wij haar zoeken. O, ik twijfel niet, of we zullen haar wel opsporen. Nu zij den vijanden ontkomen is, is dat slechts eene kwestie van tijd en van geduld. Zij zal zich thans wel hier of daar in eene veilige haven bevinden. Wie zou zoo wreed kunnen zijn, aan een ouderloos meisje een onderdak te weigeren, wanneer de vijanden haar van alles beroofd hebben, wat zij op de wereld bezat? Neen, Marten, maak je over haar lot niet al te bezorgd.”

„Dat is ook mijne meening, Neef!” viel 't Oude Hoen in, die het gesprek stilzwijgend had aangehoord. „We mogen gerust aannemen, dat zij zich hier of daar in veiligheid bevindt. De menschen, met wiezij gevlucht is, zullen haar wel niet aan haar lot hebben overgelaten. Ook mijn raad is, geduld te oefenen. Waar zou je haar ook moeten zoeken? In Alkmaar? In Haarlem? Of op een van de omliggende dorpen? 't Is een zoeken in het honderd, met weinig kans van slagen.—Ik geloof, dat je het beste doet, door hier te blijven, en ons te helpen in den strijd, die ons wacht. Je hebt een paar sterke armen aan het lijf, en kunt met een verrejager even goed treffen als een onzer. Een vuurroer kun je van mij wel krijgen en een verrejager daarbij. Sluit je bij ons aan, Marten, en wordt een Vrijbuiter als wij, in dienst van den Prins. Wij strijden voor een eerlijke zaak, en God zal ons de overwinning geven.”

Marten had wel ooren naar dien raad, en hij moest toegeven, dat hij niet verstandiger handelen kon. Op goed geluk af een zwerftocht te ondernemen, om Anna op te sporen, had bij nader inzien weinig kans van slagen, en 't vermoeden lag voor de hand, dat zij zich wel hier of daar in veiligheid zou bevinden. Bovendien lachte het vrije leven van den Vrijbuiter hem wel aan met al zijn gevaren en afwisseling, en in den grond van zijn hart deed hij niets liever, dan den gegeven raad volgen.

Maar nog weifelde hij. Mocht hij den voorslag wel aannemen? Was het niet zijn plicht zoolang te zoeken, tot hij haar gevonden had? Wanneer zijn ouders nog spreken konden, zoudenzij dàt dan niet in de eerste plaats van hem vergen?

Opeens stond een van de mannen op en wees naar buiten.

„Brand!” riep hij uit. „Brand te Saardam!”

Allen stonden op om uit te zien, en begaven zich naar buiten, waar zij een beter uitzicht hadden.

„Zou er nog niet genoeg gebrand en geroofd zijn?” vroeg een hunner, terwijl zijne oogen van verontwaardiging fonkelden.

„Kijk, dáár stijgen ook rookwolken op, iets noordelijker,” sprak een tweede, terwijl hij de plaats aanwees, waar weldra een roode gloed zichtbaar werd. En zacht voegde hij erbij: „Arme Saardammers!”

„De brand wordt heviger en woedt op vele plaatsen tegelijk,” zei een ander. Zwijgend staarden de mannen naar de bedreigde plaats.

't Was dan ook een vreeselijk schouwspel, dat zich aan hun oog vertoonde. Blijkbaar grepen de vlammen snel om zich heen, want de vuurgloed werd bij de minuut grooter en woedde over eene groote oppervlakte. Dichte rookwolken maakten het uitspansel donker, en de roode vlammen verlichtten het met een fantastischen gloed.

„Die onmenschen!” mompelde een der toeschouwers.

„Beulen zijn het, onmenschelijke beulen!” knarsetandde een ander, terwijl hij het schouwspel meteen van woede verbleekt gelaat aanzag. „Hoe zij daar weer huishouden! Mannen, vrouwen en kinderen worden vermoord en uitgeschud. O, maar het schreit ten hemel!”

De oogen der mannen gloeiden van haat, en zij zwoeren elkander niet te zullen rusten, eer de laatste vijand uit deze landpalen verdreven was.

Ook Marten verkeerde diep onder den indruk van het ontzettende schouwspel, en het kostte hem weinig moeite om zich voor te stellen al den jammer, al de ellende, die op dit oogenblik te Saardam geleden werd. Hoe hadden immers de ellendelingen gehandeld op de hoeve zijner ouders! Zijn hart beefde van ontsteltenis, en tranen vulden zijn oogen. Een ontzettende haat tegen alles wat Spanjaard was, maakte zich van hem meester, en hij haakte er naar, den strijd tegen die roovers en moordenaars aan te binden.

„Neef!” riep hij uit, en zijn stem trilde van edele verontwaardiging,—„Neef, mijn besluit is genomen; ik blijf hier, om met u te strijden tegen die monsters, die zich niet ontzien, om zulke daden te doen. Ook ik schaar mij onder de Vrijbuiters!”

„Goed gesproken, Marten,” zei 't Oude Hoen, terwijl hij hem de hand drukte. En 't Jonge Hoen voegde zich bij hem en sprak:

„Wij strijden voortaan samen, Marten, en al zijn we jong, de Prins van Oranje zal geen trouweraanhangers hebben dan ons! Leve de Prins!”

„Leve de Prins van Oranje!” klonk het dof uit vele monden, want men was te diep ontsteld door den vreeselijken brand, dien zij op betrekkelijk korten afstand zagen woeden, om luidruchtig te zijn.

De vlammen hadden zich nu over eene groote breedte verspreid, en namen nog steeds in hevigheid toe.

„Gansch Saardam wordt geplunderd en platgebrand,” sprak een der mannen weer. „'t Is hemeltergend.”

„Ja, 't is afschuwelijk!” beaamden anderen. „Er blijft, naar ik vrees, geen huis gespaard. 't Is een schrikkelijk schouwspel.”

„Dat ons leeren kan, wat wij van de Spanjaarden te wachten hebben, mannen!” viel 't Oude Hoen in. „Ons rest niets, dan met de wapenen in de hand te strijden voor het leven der onzen, en gelooft me, dat het gevaar naakt. Spoedig genoeg, wellicht dezen dag nog, zullen wij de beulen hier zien. Westzaan is rijk en belooft een goeden buit. Een ieder zijopzijn hoede! Bergt al uw geld en kostbaarheden op eene veilige plaats, opdat het hun niet in handen valle...”

„Of wij dat al niet gedaan hebben!” lachte Goesinnen. „Zij zullen bij mij lang moeten zoeken, eer zij het vinden.”

Bij deze woorden dacht Marten opeens aan hetgeld, dat zijn vader 's avonds vóór den moord onder den haard verborgen had. In al zijn ellende had hij daar nog niet aan gedacht, maar nu nam hij zich voor, er zoo spoedig mogelijk met zijn neef over te spreken.

Intusschen nam de brand te Saardam nog steeds in hevigheid toe, en niemand van de toeschouwers twijfelde meer, of het gansche dorp werd met den grond gelijk gemaakt.

„Ik zie mannen naderen, dwars door het land,” riep 't Jonge Hoen plotseling uit. „Zij hebben polsstokken bij zich, en springen over de slooten. Weldra zullen wij dus weten, wat er ginds gebeurt.”

„Ja, ik zie ze ook!” zei Cleynsorg. „'t Moeten vluchtelingen zijn!”

Met spanning werd de nadering dier mannen tegemoet gezien. 't Jonge Hoen stapte in de boot, en riep Marten toe:

„Ga je meê? Straks komen zij voor breede waters, waar hunne verrejagers hun van geen dienst kunnen zijn. Laten wij ze met de schuit helpen.”

Marten was dadelijk bereid, en 't Oude Hoen zeide:

„Ja, laten wij allen in de booten gaan en Saardam zoo dicht mogelijk naderen. Wie weet, hoevele menschen wij van een anders wissen dood kunnen redden.”

„Ja, in de booten! In de booten!” riep men van alle kanten. En weldra staken de mannen van wal, maar—met het vuurroer over den schouder, ende verrejagers aan boord. Verrejagers waren polsstokken met een lange, stalen punt aan het benedeneinde, waardoor zij dubbele diensten konden bewijzen. Met de stokken sprongen de vrijbuiters over de breedste slooten, terwijl de stalen punten een vreeselijk wapen waren in de handen der verbitterde Hollanders. Eer de vijand dicht genoeg genaderd was, om met lans of zwaard te kunnen treffen, was de verrejager hem reeds in het lichaam gedrongen.

Zij hadden nog geen kwartier geroeid, toen zij een breed water genaderd waren, dat de vluchtelingen niet anders dan zwemmende konden oversteken, en ongetwijfeld zouden zij dat hebben gedaan, indien zij de nadering der Vrijbuiters niet hadden opgemerkt.

„Wat gebeurt er te Saardam?” was de eerste vraag, die tot hen werd gericht. „Wordt de plaats geplunderd?”

„'t Is afschuwelijk, mannen!” was het antwoord. „Admiraal Bossu is naar Amsterdam teruggekeerd, en heeft Hopman Van der Linden in zijn plaats gezonden, om in vereeniging met Hopman Quickel, die gisteren den Zuiddijk plunderde, de plaats te bezetten. En omdat Hopman Van der Linden nu meent, dat hij een vrij uitzicht op den omtrek moet hebben, laat hij een groot gedeelte van de Westzijde platbranden. Wel een honderddertigtal huizen is in brand gestoken...”

„Honderddertig huizen!” mompelden de mannen in de grootste verontwaardiging. „En plunderen zij die eerst?”

„Op de vreeselijkste wijze!” was het antwoord. „Als wilde dieren dringen zij de huizen binnen en rooven alles, wat zij grijpen en vangen kunnen. Zij nemen mannen, vrouwen en kinderen de kleederen van het lijf, het geld uit de laden, het brood uit de kasten,—niets, niets hebben zij den armen schepsels gelaten. En wie zich verzet tegen deze euveldaad wordt mishandeld of gedood. O God, o God, het schreit ten hemel en roept om wraak! 't Is hartverscheurend om de ellende aan te zien, en droevig, om het gejammer van vrouwen en kinderen te hooren. De arme beroofden, wien niets, zelfs geen kruimel brood gelaten is, vluchten naar alle kanten...”

„Wij zullen u over het water brengen, opdat gij uw tocht kunt vervolgen, en roeien daarna verder naar Saardam. Onze hulp is daar noodig, mannen!” sprak 't Oude Hoen somber. En dreigend liet hij er op volgen: „Wee den Spanjaard, die in onze handen valt!”

Aldus geschiedde, en met krachtige slagen roeide men voort in de richting van Saardam. Vele vluchtelingen, waaronder ook vrouwen en kinderen, zag men in de verte naderen, en men hoorde hun jammergeschrei.

't Jonge Hoen stond op, om beter en verder te kunnen zien. Plotseling riep hij uit:

„Zij worden achtervolgd door de Spekken! Roeien, mannen, zoo snel je kunt, opdat wij niet te laat komen! Zeker denken die roovers, dat de menschen nog geld of kostbaarheden met zich medevoeren...”

De Vrijbuiters spanden al hunne krachten in, en de booten vlogen pijlsnel door het water. De gesloten lippen, de vonkelende oogen gaven duidelijk genoeg te kennen, dat het elken Spanjaard, die in hunne handen mocht vallen, kwalijk zou vergaan.

„De vijanden naderen snel! Zij hebben de vluchtelingen bijna bereikt!” riep Aelbert uit, terwijl hij zich het vuurroer van den schouder nam en gereed stond om aan te leggen. Zijn lont brandde reeds.

„Help! Om Godswil, help!” klonk het hun toe, en het gejammer der kinderen maakte hun het bloed aan 't koken.

„Legt aan wal!” beval 't Oude Hoen, en op 't volgende oogenblik schuurden de booten tegen den oever. Zij hadden de vluchtelingen thans bereikt, en nauwelijks waren de Vrijbuiters, met het vuurroer in de eene en de brandende lont in de andere hand aan wal gestapt, of de vluchtende vrouwen en kinderen bestormden in hun doodelijken angst voor de naderende vijanden de booten.

Marten en Aelbert wierpen de verrejagers op het land, opdat hunne vrienden zich daarmede zouden kunnen wapenen, als de vuurroeren afgeschoten waren. Tijd om ze opnieuw te laden zou hun wel ontbreken.

Onder een luid geschreeuw naderden de Spanjaarden, wier woede geen grenzen kende, nu een rijke buit hun dreigde te ontgaan. Met getrokken zwaard stormden zij op de Vrijbuiters los, niet twijfelende, of deze kaasboeren, zooals zij ze noemden, zouden spoedig genoeg op de vlucht slaan. Marten zag, dat onder de vluchtenden zich ook Heer Jan Gerritsz bevond, met zijne vrouw en kinderen. De laatsten waren reeds in de booten gesneld, maar Heer Jan greep een verrejager en keerde zich tegen de Spanjaarden.

„Vuur!” gebood 't Oude Hoen kort en krachtig.

Verscheidene schoten knalden, en dat de boeren geleerd hadden niet te schieten zonder eerst goed te hebben aangelegd, werd duidelijk bewezen, want verscheidene Spanjaarden stortten gewond of gedood ter aarde. Toen wierpen de Vrijbuiters de vuurroeren over de schouders en grepen met een vlugge beweging de verrejagers of trokken het rapier, zoo zij er een droegen.

't Werd een geweldige strijd. De Vrijbuiters, uiterst verbitterd over het rooven en plunderen der Spanjaarden, wisten van geen genade, zelfs niet voor de gewonden, en hun aanval was onweerstaanbaar, want zij voelden, dat zij streden voor vrouw en kind, voor huis en hof. Maar ook de Spanjaarden gaven geen kamp. Moesten zij wijken voor een troepje boeren, wier hoofdwapen bestond uit een polsstok,waarmede zij gewoon waren over de slooten te springen, die hunne landerijen van elkander scheidden? Dat nooit! Met getrokken zwaard vielen zij op hunne tegenstanders aan,—doch 't was hun onmogelijk, de mannen te naderen. De lange stokken met de gevaarlijke punten hielden hen overal tegen, en menigeen stortte doodelijk gewond ter aarde. 't Bleek hun al spoedig, dat de vijand hun te machtig was; de eenvoudige boeren waren leeuwen geworden, en nadat menige Spanjaard gesneuveld was, kozen de anderen het hazenpad en keerden zoo snel mogelijk naar Saardam terug.

„Leve 't Oude Hoen en zijn vrijbuiters!” klonk het hun in triomf achterna. „Leve 't Oude Hoen en zijne Vrijbuiters!”

De gevallen Spanjaarden werden zonder mededoogen van hunne kleederen en wapens beroofd, en hunne zakken, die gevuld waren met den te Saardam geroofden buit, werden geledigd. Toen liet men hen liggen als een prooi voor de roofvogels.

„Oog om oog, tand om tand!” was de leuze dier tijden. De buit werd onder de Vrijbuiters verdeeld, maar menigeen stond zijn deel af aan de vluchtelingen, die van alles beroofd waren en niet wisten, waar een dak te vinden om onder te slapen.

Verheugd over de behaalde overwinning keerde men naar Westzaan terug.


Back to IndexNext