VIII

De Tancmars toonden zich bedroefd en ontevreden over dit besluit en klaagden dat de graaf, in zijne overdrevene zucht tot rechtvaardigheid, weigerde tusschen den schuldige en zijn slachtoffer eenig onderscheid te maken. Het was list en veinzerij van hunnentwege; want zij wisten dat zij, door zulke eerbiedige tegenstreving, den vorst in zijn genomen besluit konden bevestigen. Zij waren wel overtuigd dat een rechtbank die, als het ridderhof, geheel uit vijanden der Erembalds en der Kerels was samengesteld, niets anders kon doen dan Burchard veroordeelen, hij mocht dan al zijne wraakpleging kunnen verrechtvaardigen of niet.

Daarop werden naar Brugge en naar andere steden bodengezonden, dragers van 's graven bevelbrieven, waarbij afgekondigd werd dat, vijf dagen later, het hooge ridderhof onder het voorzitterschap des vorsten te Yperen zou vergaderen, om Rambold Tancmar en Burchard Knap aangaande de gepleegde moorderijen te hooren en te vonnissen.

De gestelde dag was nu verschenen; te twee uren namiddag zou te Yperen, in de zaal op den Burg, de vorstelijke vierschaar worden geopend.

Volgens de gewoonte van dien tijd, zouden de bloedverwanten en bijzonderste vrienden der beschudigden dezen ter vierschaar vergezellen, hetzij om hen desnoods voor het gerecht te verdedigen, hetzij om, door hunne tegenwoordigheid, te betuigen dat zij de achting veler lieden genoten of tot eene machtige maagschap behoorden.

Zoo kwam het dat op dien dag, in den morgen, de Erembalds van Brugge, ten getalle van wel dertig, omtrent Staden, op de baan naar Yperen voorbijreden.

Zij hadden den nacht te Thorhout doorgebracht en waren laat genoeg te paard gestegen om niet voor het bepaald uur te Yperen aan te komen. Bertulf, de proost van St-Donaas, had het dus goedgevonden om reden dat hij het oploopend gemoed van Burchard vreesde, en zooveel mogelijk hem de aanraking met zijne vijanden, de Tancmars, wilde doen vermijden.

Wel is waar dat, door de dagvaarding voor 's vorsten rechtbank, er tusschen de belanghebbenden en hunne vrienden een plechtige vrede was gebannen, dien men op de doodstraf moest eerbiedigen; maar Burchard had reeds zoovele blijken van ontembaarheid en van blinde gramschap gegeven, dat de oude Bertulf alle vertrouwen in zijnen woesten neef had verloren.

Alhoewel de proost in den grond zijns harten bekende dat Rambold Tancmar de eerste oorzaak der betreurlijke moorderijen was geweest en Burchard eene wettige wraak had uitgeoefend, beschuldigde hij niettemin zijnen neef van onvoorzichtigheid en wreedheid. Zulks was insgelijks het gevoelen van Hacket, den kastelein, en van vele andere leden van hunne maagschap.

Waarschijnlijk hadden zij gedurende hunne reis deze meening herhaalde malen uitgedrukt; want nu waren zij sedert een uuropnieuw daarover in een hevig gesprek met Burchard, wier onverduldigheid zooverre ging, dat hij den proost en al wie zijne zienswijze deelde van lafheid durfde beschuldigen.

Door eene strenge vermaning zijner ooms gekwetst, hield Burchard zijn paard terug en betuigde in toornige woorden het inzicht voortaan op eenigen afstand achteruit te blijven om zulke bewijzen van kleinhartigheid niet meer te moeten hooren.

Nauwelijks was hij eenige oogenblikken alleen, of een ander ridder vertraagde insgelijks den stap van zijn paard totdat hij zich terzijde van Burchard bevond. Dan zeide hij met eene stem die versomberd scheen door een diep gevoel van verontwaardiging:

"Het is om rood te worden van schaamte, bij elk woord dat ze ginder spreken! Ha, mher Burchard, de Erembalds, behalve gij en een paar anderen misschien, zijn geene Kerels meer!"

"Gij hebt wel gelijk, mher Disdir Vos", antwoordde Burchard. "Het leven in de stad, het genot van hooge ambachten heeft hen bedorven. Zij stellen de Romaansche voorzichtigheid boven de Germaansche koenheid."

"Gave God dat zij u geleken, Burchard, dan zouden de Isegrims het niet durven bestaan de Kerels te hoonen of te bedreigen. Ik heb hier niet veel te zeggen, dewijl ik geen Erembald ben en slechts naar Yperen ga uit achting, ja, uit bewondering voor u; maar gij hebt gehoord hoe ik evenwel uw recht tegen den proost verdedigde?"

"Ja, en ik ben er u dankbaar voor, het heeft mij verheugd omtrent mij toch eenen Kerel te vinden die zich nog den mannelijken trots der vaderen in het harte voelt."

Disdir Vos scheen eene wijl te overwegen.

"Het is pijnlijk zulk iets te moeten denken, Burchard", zeide hij, "maar het zou mij niet verwonderen indien sommige Erembalds u op het oogenblik van gevaar verzaakten en verlieten, om zich aan de zijde uwer vijanden te schikken."

"Neen, neen, dit toch niet!" kreet Burchard, "uwe vrees is overdreven."

"Gij meent het?" wedervoer Disdir Vos, die ongetwijfeld met verborgen inzicht den gramstorigen Kerel tegen zijne magen aanhitste. "Bemerkt gij dan niet dat er reeds zekeren uwer naaste bloedverwanten van nu af u verlaten?"

"Wie zou dit zijn?" vroeg Burchard verwonderd.

"Waarom is mher Sneloghe niet in uw gezelschap?"

"De proost heeft mij gezegd dat hij gisteren te Brugge moest blijven om eene gewichtige zaak af te doen; maar dat hij heden evenwel intijds te Yperen zal aankomen."

Disdir Vos schudde het hoofd met eenen scherpen spotlach op de lippen.

"Sa, Disdir", morde Burchard, "ik meende dat gij een vriend van Robrecht waart, en gij beticht hem van ontrouw en lafheid! Wat doet u denken dat hij niet zal komen?"

"God gave dat ik mij bedroge! Maar ziet gij niet, Burchard, hoe Robrecht alle moeite aanwendt om door prachtige kleeding, door overdrevene heuschheid en door verfijnde spreekwijze zelfs aan de leenheeren te gelijken? Hij snakt om tusschen de Isegrims als een hunner te worden aanvaard. Zal een echte Kerel kruipen en vleien, zooals hij gedaan heeft, om de hand eener edele jonkvrouw te bekomen?"

"Bij Loki![44]gij zijt zinneloos, Disdir, en weet niet wat ge zegt!" viel Burchard met ongeduld uit. "Robrecht zou de Isegrims vleien en voor hen kruipen? Wat domheid toch! Ja, hij luistert te veel naar zijn oom; maar, wees zeker, het Kerlenhart klopt hem op de goede plaats. Waren al de Erembalds hem gelijk, er kwame spoedig een einde aan den overmoed onzer vijanden. Het is mher Sneloghe niet die de hand van jonkver Placida heeft gevraagd; het is zijn oom de proost. Zijne huwelijksbelofte met Placida is verbroken. Hij gaat trouwen met Dakerlia Wulf. Gij moet het weten."

"Eilaas, ja, ik weet het tot mijn ongeluk!" zuchtte Disdir. "Snode spot! Robrecht had de wreedheid zelf mij zijn huwelijk met Dakerlia aan te kondigen, ofschoon hij wist dat zulke tijding als een moordpriem mij door het hart moest gaan."

"Versta ik wel? Gij insgelijks bemindet jonkver Wulf?"

"Ach, meer dan mijn leven!"

"Dan beklaag ik u, mijn arme Disdir. Het bij eene vrouw op mher Sneloghe te winnen, dit hebt gij wel zeker nooit gehoopt?"

"Doemenis, doemenis! Robrecht heeft mij snood bedrogen", klaagde Disdir Vos met versmachte woede. "Ik maak u rechter tusschen ons beiden, Burchard. Oordeel of ik niet het slachtoffer eener hatelijke kuiperij mij mag noemen. Het is reeds lang dat ik jonkver Wulf bemin. Zeker, zij hadde mijne hulde aanvaard indien Robrecht mij dit geluk niet had benijd. In alle geval, hij heeft, toen er spraak was van zijn huwelijk met Placida, mij verklaard dat hij beslissend van Dakerlia's hand afzag."

"Ik geloof het wel", bemerkte Burchard. "Men trouwt niet met twee vrouwen te gelijk."

"Neen, zoo eenvoudig was zijne verklaring niet. Hij beloofde mij zelf ten mijnen gunste bij Dakerlia te pleiten. Nu breekt hij, als een valschaard, zijne plechtige belofte en vernietigt mijne levenshoop voor altijd. Ho, beken het, Burchard, het is een wraakroepend verraad."

"De minnenijd berooft den mensch van zijn verstand, ik zie het", schertste Burchard. "Wel, wel, mijn arme Disdir, het zijn dwaasheden die gij uitkraamt, dunkt mij. Dakerlia Wulf is geen kind meer, en ik ken haar genoeg om te weten dat zij, minder nog dan een man misschien, in de beschikking over haar hart zich zou laten dwingen. Bemint zij u? Dit is de vraag ... Gij antwoordt niet? Zij bemint dus Robrecht. Gij moet hare beslissing eerbiedigen."

"Robrecht is een veinsaard; hij heeft mij laffelijk bedrogen; ik zal mij wreken!" riep Disdir, knarsetandend van spijt en woede.

"Gij zult u wreken? op Robrecht?" herhaalde Burchard glimlachende. "Het is uwe zaak, maar uit vriendschap tot u kan ik niet nalaten u van twee dingen te verwittigen. Ten eerste, Robrecht is sterker dan gij en wordt geroemd om zijne bedrevenheid in het behandelen der wapenen. Hij zal geenen hoon verdragen. Ten tweede, hij wordt zoo algemeen geacht en bemind dat, indien het u gelukte hem in eenen kamp te treffen, twintig anderen u opvolgend zouden uitdagen. Ik zelf zou naar uw bloed moeten staan. Gij begrijpt, het is alsof gij reeds dood waart ..."

"En toch zal ik mij wreken!" gromde Disdir Vos.

"Kom, kom, gij droomt. Uwe spijt zal bedaren. Wat onzin Gij zoudt u wreken over een ongelijk dat niemand u aandoet.Overweeg toch: wie ter wereld die eene vrouw bemint en zich door haar bemint weet zal deze vrouw verzaken uit toegevendheid voor eenen anderen man? Zoudt gij het doen? Waarom verlangt gij het dan van mher Sneloghe?"

Eene stem riep nu van de andere zijde der baan Burchard eenen goeden dag toe.

"Doemenis, daar is hij!" zuchtte Disdir Vos bevend van angst of van toorn.

Inderdaad, Robrecht en Dakerlia's vader reden hen voorbij, om den proost en den kastelein, die vooruit waren, hunne groetenissen te brengen. Na eene lange wijl de oogen met nijdigen blik op Robrecht te hebben gehouden, zeide Disdir tot Burchard:

"Gij ziet wel hoe hij u ontwijkt. Nauwelijks gunt hij u eenen korten groet, en vervordert zijnen weg, schier zonder u te bezien."

"Neen, neen", antwoordde Burchard, "ik ken Robrecht beter ... Daar keert hij reeds zijn paard om tot ons te komen."

Mher Sneloghe naderde inderdaad tot Burchard, drukte hem de hand en wisselde eenige woorden met hem over het geding dat ging geopend worden. Hij drukte de vaste hoop uit dat Rambold Tancmar zou veroordeeld worden; want, volgens zijn gevoelen, had Burchard niets gedaan dan eene wettige wraak uitgeoefend. Wel was deze wraak bloedig geweest, maar wreeder toch niet dan de onmenschelijke moord door Rambold op den kleinen Eric en op de Kerels van Bethferkerke gepleegd.

Burchard zeide, spottende, dat hij naar Yperen ging om zijne ooms deze bevrediging te geven; maar dat hij het deed met de vaste overtuiging dat de ridders hem zouden veroordeelen. Welke rechtvaardigheid mocht een Kerel toch verwachten in eene vierschaar die slechts samengesteld was uit de heetste Isegrims, en voorgezeten door Karel van Denemarken, den huichelenden en valschen vijand der Kerels en der Erembalds?

Disdir Vos scheen in gedachten verslonden en bemoeide zich met de samenspraak niet.

Eene nauwe brug over eenen waterloop dwong hen welhaast hunne paarden het eene achter het andere vooruit te laten stappen Deze omstandigheid waarnemende, zeide Robrecht tot Disdir: "Ik wenschte wel een ogenblik alleen met u te kunnen spreken, mher Vos. Verleen mij een kort onderhoud, ik bid u."

"Onmiddellijk, als gij wilt", was het antwoord.

Nu kwam Burchard hen weder terzijde. Robrecht verzocht hem om verschooning, zeggende dat hij met Disdir eene wijl achteruit zou blijven, om met hem over iets bijzonders te kouten.

"Ik weet wel wat gij samen te verhandelen hebt", zeide Burchard glimlachend. "Liefdezaken, uw huwelijk met Dakerlia, niet waar?"

"Hoe? Heeft mher Disdir u daarvan gesproken?"

"Ja, het schijnt dat hij wel gaarne in uwe plaats zou zijn."

"Is het zoo, dan behoef ik hem niet alleen te spreken, en gij moogt het wel hooren, Burchard, wat ik hem te zeggen heb. Het zal kort zijn."

Hij wendde zich tot Disdir en zeide hem op kalmen, doch nadrukvollen toon: "Mher Vos, ik heb u plechtiglijk mijn aanstaande huwelijk met jonkver Wulf aangekondigd. Na onze woordenwisseling over deze zaak hebt gij, in schijn ten minste, als vriend afscheid van mij genomen. Waarom veinst gij nu te vergeten wat ik u heb gezegd?"

"Is het om dus hoonend mij te ondervragen dat gij mij alleen moest onderhouden?" gromde Disdir. "Ik ben onbedreven in het oplossen van raadsels."

"Welnu, ja, laat ons klaar zijn. Mher Vos, zoolang gij niet wist dat er tusschen jonkver Wulf en mij eene huwelijksbelofte bestaat kondet gij u vrij achten tot het aanwenden van pogingen om, ware het mogelijk, u door Dakerlia te doen beminnen. Nu is u daartoe het recht benomen. Dakerlia heeft mij geklaagd dat gij haar vervolgt, dat gij haar afspiedt als zij ter kerke gaat of er van terugkeert, en dat gij, ondanks hare herhaalde afwijzing, haar lastig valt met de betuigingen uwer liefde. Mij is het nu een plicht geworden mijne bruid te doen eerbiedigen. Ik hoop, mher Vos, dat deze weinige worden voldoende zullen zijn om u insgelijks uwen plicht jegens Dakerlia en jegens mij te doen begrijpen."

"Wat wilt gij zeggen?" vroeg Disdir.

"Dat gij jonkver Dakerlia voortaan met vrede zult laten."

"Ik heb van niemand bevelen te ontvangen."

"Aldus, gij zijt voornemens voort te gaan met mijne bruid te hoonen?"

"Ik zal doen wat mij goeddunkt."

"Het zij dan zoo, vermits gij het verlangt", zeide Robrecht. "Mij spijt het zeer eenen vriend dus toe te spreken, maar gij dwingt er mij toe. Wordt er bloed tusschen ons gestort, het valle dan op u, mher Disdir. Daar, aanvaard dit pand!"

En dit zeggende, bood Robrecht zijnen handschoen aan Disdir Vos. Deze verbleekte en aanschouwde zijnen uitdager met scherpen blik.

"Gij aarzelt?" kreet Robrecht verbaasd.

Maar Burchard, die de weigering van Disdir gansch goedkeurde en hem daarom uit de pijnlijke verlegenheid wilde redden, greep den handschoen.

"Hier is een misverstand; gij zult niet strijden!" riep hij.

"Maar weigert Disdir den aangeboden kamp? Ik moet het weten!"

"Bloed tusschen vrienden!" zuchtte mher Vos met eenen geveinsden afkeer. "Voor een ongeluk waaraan het lot alleen schuld heeft ..."

"Kom, Robrecht, wees redelijk", viel Burchard in. "Dat Disdir droef en spijtig is, zult gij hem daarom gaan haten? Indien Dakerlia u verstiet, zoudt gij niet treuren?"

"Zeker, zeker", antwoordde Robrecht getroffen. "Dat Disdir belove mijne bruid te eerbiedigen, en ik wil alles vergeten."

"Ik zal ze eerbiedigen", stamelde Disdir. "Deze verzekering hadde ik u gewillig gegeven, hadde gij niet, op eenen kwetsenden toon van bevel, mij ze hadt willen afdwingen. Ik ben ridder, ik ben ongelukkig, gij behandelt mij zonder achting, zonder medelijden. Waart gij in mijne plaats en ik in de uwe, wees zeker, ik zou beter dan gij toonen dat ik gevoelig ben aan de wettige smart van eenen vriend."

Deze woorden, oprecht of geveinsd, hadden Disdir een pijnlijk geweld op zich zelven gekost. Tranen glinsterden in zijne oogen; hij scheen vernederd en beschaamd.

Mher Sneloghe, door deze teekens van diepe droefheid getroffen, reikte hem de hand en zeide met minzaamheid in de stem:

"Nu, Disdir, het is een misverstaan, inderdaad. Laat ons vrienden blijven. Geloof mij, had jonkver Wulf u hare genegenheid geschonken, ik hadde hare beslissing geëerbiedigd. Evenals gij zou ik daarover getreurd hebben; maar daarom toch zou ik u niet vijandig geworden zijn."

Zij drukten elkaar de hand. In Disdirs oogen fonkelde nog de nijd, en zijne lippen waren scherp gesloten; maar Robrecht en Burchard meenden te mogen denken dat deze zure uitdrukking slechts het gevolg was van het geweld dat hij op zijn hart deed, om zoo beslissend eene lange hoop te verzaken. Zij mistrouwden zijne oprechtheid niet en prezen hem integendeel om zijn moedig besluit.

Robrecht verschoonde zich bij Burchard omdat hij niet langer zoo van de anderen afgescheiden met hen kon blijven, aangezien hij beleefdheidshalve zijne ooms en zijnen schoonvader gezelschap moest houden. Hij dreef daarom zijn paard vooruit en begaf zich naar het hoofd van den stoet.

Eenigen tijd daarna bereikten de Erembalds de stad Yperen.

Zij reden de Thorhoutsche poort binnen en namen hunnen intrek in de groote afspanning de Gouden Liebaart, om eene wijl te rusten en hunne kleederen van stof te zuiveren.

De stad Yperen, door zich zelve reeds volkrijk, had nog gansche benden bezoekers van Veurne, Dixmude, Roesbrugge, Steenvoorde Poperinghe en andere naastgelegene Ambachten ontvangen. Daarenboven, de gansche hofhouding des graven, benevens een honderdtal ridders met hunne talrijke wapenknechten, waren er dien morgen aangekomen, zoodat het in de straten krielde van allerlei lieden, en de stad een voorkomen aanbood alsof een leger er zich, te midden eener kermis, tot den oorlog bereidde.

Naarmate het uur van het vorstelijk geding naderde, drong de menigte meer en meer te zamen op het voorplein van den burg, om van de eene zijde de Tancmars, en van de andere de Erembalds te zien voorbijgaan. Hoezeer ook sommige Kerels of poorters lust hadden om een der beide geslachten toe te juichen of uit te jouwen, en dus hunnen haat of hunne genegenheid te betuigen, zij durfden het niet doen, omdat zulks door den gebannen vrede was verboden, en de wapenlieden met uitgetogen zwaard genoegin machte daar stonden om de wet en des vorsten wil te doen eerbiedigen.

Nauwelijks was het bepaalde uur verschenen of de trompers gingen rond en daagden bij name Rambold Tancmar en Burchard Knap voor het hooger ridderhof.

De geroepenen, door hunne bijzonderste bloedverwanten gevolgd, traden in de groote zaal van den burg. Hun werden, elk langs eene zijde, banken aangewezen, ten dien einde te midden der zaal gesteld.

De graaf zat op eene verhevenheid, onder eene soort van troon en achter eene breede tafel, waar rondom de leden van het hof, de maarschalk en de schrijvers plaats genomen hadden.

Al de leden van het hof waren vijanden der Erembalds, ten minste zij stonden bekend als Isegrims, dit is te zeggen als zulke lieden die den leenheeren alle macht en alle recht wilden toegekend zien, ten koste van het recht en van de vrijheid der poorters en der Kerels.

Eenen enkelen ridder, den kastelein of burggraaf van Yperen, die nevens den vorst zat, meende Burchard als eenen vriend en verdediger te mogen beschouwen. Het was Willem van Loo, afstammeling der graven van Vlaanderen, en die slechts na eenen ongelukkigen oorlog zich gedwongen had gezien de kroon aan Karel van Denemarken af te staan. Hij alleen had Burchard met een teeken des hoofds en eenen minzamen glimlach gegroet. Zijne tegenwoordigheid tusschen de rechters verheugde de Erembalds, ofschoon de proost Bertulf wel wist dat Willem van Loo eenen geheimen wrok tegen hem had, omdat hij, in den oorlog voor de kroon, zich ten voordeele van Karel van Denemarken had verklaard.

Nog werden de trompen aangeheven en eenige afkondigingen gedaan, waarna de maarschalk, woordvoerder des vorsten, Rambold Tancmar als aanklager opriep en hem vroeg waarover hij recht eischte.

Rambold verhaalde met berekende bedaardheid en geveinsde droefheid wat er te Straten was geschied. De graaf had uit grootmoedigheid zijnen raadsheer Tancmar eenige gronden, die de kroon toebehoorden, ter leen geschonken. Burchard Knap hadbeweerd dat de graaf geen recht had om over deze gronden te beschikken en had er zijne lieden op gesteld, om Tancmar den eigendom er van met geweld van wapenen te betwisten. Rambold, die door zijnen oom belast was geworden, gedurende zijne tegenwoordigheid in het leger zijne goederen te Straten te bewaren en te verdedigen, had zich verplicht gezien geweld tegen geweld te stellen en Burchards lieden van den bedoelden grond te verjagen. Wat Burchard dan had gedaan: hoe hij Tancmars lieden had neergehakt, hoe hij eene edelgeborene maagd, eene onschuldige jonkvrouw had vermoord, hoe hij al de lijken zijner slachtoffers en den burcht zei ven had verbrand, dit wist iedereen. De droeve mare zijner gruwelijke gewelddaden had geheel Vlaanderen met verontwaardiging vervuld; en uit alle burchten, uit elk ridderlijk hart steeg eene stem op tot den troon om recht en om wraak. Op den ijselijken dood zijner arme zuster wilde hij nu niet aandringen, om den vorst niet pijnlijk te ontroeren en zelf niet in rouwtranen te smelten. Hij putte sterkte en troost in de overtuiging dat de graaf recht zou doen met al de strengheid die zulke voorbeeldelooze wreedheid eischte.

Burchard, die met diepe aandacht de rede van zijnen vijand had afgeluisterd, en bij elk woord had gevoeld hoe deze, door het verzwijgen of verdraaien der omstandigheden, al de schuld hem op den hals poogde te schuiven, wrong zijne vuisten, trappelde met de voeten en morde hoorbaar vermaledijdingen tegen zijnen aanklager.

Bertulf en Hacket, zijne ooms, spanden alle moeite in om hem tot bedaren te brengen; doch de stem van Rambold, die hij zoolang had moeten hooren, was alleen toereikend geweest om zijn geduld te vernietigen en hem in woede te doen ontvlammen.

Nu werd hij zelf opgeroepen en de maarschalk vroeg wat hij tegen Rambolds aantijgingen in te brengen had.

Burchard trad met fierheid en zichtbaar toornig voor het hof.

"Wat die listige mensch u zegt is valsch, geheel valsch!" riep nij met kracht. "De grond was mijn eigendom; ik heb hem geërfd van mijne moeder zaliger. Men heeft u bedrogen, heer graaf. Haddet gij geweten dat de weide en de boomgaard te Straten u niet toebehoorde, gij zoudt deze goederen zeker niet weggeschonken hebben, want ook de vorst moet elks recht eerbiedigen...."

Een afkeurend gemor, dat onder de Tancmars en zelfs onder eenige leden der rechtbank opsteeg, onderbrak zijne rede.

Hij, daarover gekwetst, hief het hoofd met trotschheid op, stuurde fonkelende blikken tot de bank zijner vijanden, en riep uit:

"Vleiers en valschaards zijn zij die alle mannelijke openhartigheid terzijde stellen en hier durven beweren dat de vorst het recht bezit om onrechtvaardig te zijn, daar de God des hemels zelf dit recht niet heeft!"

Deze vermetele worden ontrukten al den ridders eenen kreet van verontwaardiging; het gelaat des graven was versomberd door eene uitdrukking van beklemden toorn.

Bertulf, de proost van St-Donaas, die het gevaar merkte, stond op en naderde tot zijnen neef, met wien hij in stilte eenige haastige en driftige woorden wisselde. Burchard keerde onwillig naar zijne plaats op de bank terug. De oude Bertulf wendde zich met eene diepe buiging tot het hof en zeide:

"Genadige heer graaf, en gij, heeren rechters, de beschuldigde gevoelt wel dat hij, ondanks zijnen eerbied voor het hof, door ontsteltenis in gevaar zou komen van dingen te zeggen welke hem niet zoo in het gemoed liggen. Hij heeft mij, zijnen oom, aangesteld als zijnen woordvoerder, en in deze hoedanigheid zal ik spreken, indien de vorst en de heeren rechters gelieven mij aan te hooren."

Er werd over deze vraag eene wijl in stilte beraadslaagd. Vele rechters getuigden door ontkennend schudden des hoof dat, dat zij van gedachte waren den woordvoerder van Burchard niet te aanvaarden en deze te dwingen zijne eigene verdediging voor te dragen. Dit was inderdaad een onfeilbaar middel, niet alleen om hem te doen veroordeelen, maar tevens om den graaf tot eene strenge en onmiddellijke straf pleging aan te drijven. Maar Willem, de burggraaf van Yperen, deed den vorst begrijpen dat men den beschuldigde de gewone middelen tot verdediging niet mocht ontzeggen.

Men besliste dus dat men de vraag van den proost van St-Donaas zou inwilligen.

De maarschalk stond op en riep:

"Onze genadige heer graaf en het hof stemmen er in toe den woordvoerder van Burchard Knap te hooren. Dat hij spreke!"

"Heeren", begon Bertulf op zeer kalmen toon, "om te kunnen oordeelen wie hier de ware plichtige is, hoeft men niet te onderzoeken wien de boomgaard en de weide te Straten toebehoorden. Het is genoeg te weten dat de heer graaf bevolen had dat men, tot zijnen terugkeer van den oorlog, desaangaande alles zou laten in den toestand waarin het bij zijn vertrek zich bevond. Wie heeft allereerst dit hoog bevel overtreden? Is het niet Rambold Tancmar die nog onlangs dien grond met paalwerk deed omsluiten? Heeft mijn neef iets gepleegd dat buiten zijn recht was, toen hij de palen uitwierp en den grond in den staat herstelde waarin onze genadige heer graaf had bevolen hem te laten?"

"Hij heeft er gewapende lieden op gezet en mijnen neef eene oorlogsverklaring toegezonden", onderbrak de raadsheer Tancmar.

"Maar had mher Rambold niet reeds gewapenderhand de gezellen van mijnen neef mishandeld en verjaagd?" wedervoer Bertulf. "Dan, tot dit oogenblik was er nog niets geschied, dat de gewelddaden, die wij allen in het diepste van ons hart betreuren, kon veroorzaken. Maar Rambold, den landsvrede op eene bloedige wijze willende breken, is met macht van wapenen op de gezellen van mijnen neef gevallen, heeft er een gedeelte van vermoord, en dooden en gevangenen den rechtervoet afgehakt. Deze voeten heeft hij in eenen korf gelegd en ze, in de proostdij te Brugge, mijnen neef Burchard als een geschenk toegestuurd, den bode de gruwelijke woorden in den mond leggende: 'Rambold Tancmar zendt Burchard Knap deze vruchten van eenen nieuwen grond; hij hoopt dat het gezicht daarvan hem zal verblijden.' In dezen korf vond mijn neef insgelijks den voet van den zoon zijner zuster zaliger, een kind van veertien jaar, dat hij beminde als het licht zijner oogen. Ik beroep mij op uw hart, heer graaf, en ik spreek tot uw gemoed, heeren. Wat zoudt gij bij zulke ijselijke wreedheid, bij zulken helschen spot hebben gedaan? Recht geëischt bij onzen genadigen heer graaf, zult gij zeggen? Inderdaad, maar vergeet niet dat mijn neef mensch is, en meer dan mensch zou moeten zijn om bij zulken bloedigen hoon niet onder zijne wettige wraakzucht te bezwijken."

"Het hof late mij toe eenige woorden tot terechtwijzing te spreken", zeide de hofraadsheer Tancmar. "Zeker, hadde mijn neef Rambold de voeten van mher Burchards lieden afgesneden zonder daartoe uitgedaagd te zijn geworden, het ware eene onmenschelijke wreedheid en eene helsche spot geweest, zooals de heer proost zegt. Maar hier valt aan te merken dat Burchard Knap in het openbaar mijnen neef gedreigd had zulks aan zijne lieden, ja, aan hem zelven te doen, indien iemand hunner den voet op den betwisten grond durfde zetten."

"Wie dit gezegd heeft is een valschaard: hij liegt!" riep Burchard rechtspringende.

Een strenge oogslag van den proost dwong hem echter weder tot stilte.

"Heeren, de wraak die mijn neef Burchard te Straten gepleegd heeft", hernam Bertulf, "is wreed en bloedig geweest. Mij doet het pijn, ja, mij grieft het diep dit te moeten bekennen. Maar was zij wreeder dan de moorderij door Rambold vroeger aangericht, en welker ijselijkheid hij zelfs niet onder den naam van wraak kan pogen te verminderen? Rambold heeft de gezellen van mijnen neef vermoord en het kind zijner zuster van het leven beroofd na het onmenschelijk te hebben verminkt. Burchard heeft de lieden van Rambold vermoord, en in de woestheid der wraakpleging heeft men Rambolds zuster insgelijks het leven benomen. Wanneer men alleenlijk de daden beschouwt, dan zouden zij beiden even plichtig zijn; want wat de tweede deed is de herhaling van wat de eerste had gedaan. Evenwel, de rechters verzuimen nooit de oorzaak der dingen te onderzoeken om te weten wie de stichter was van het kwaad en dus met vrijen, onbelemmerden wil heeft gehandeld, niet om wraak te plegen, maar uit enkele nijging tot vijandschap en tot wreedheid. Wie was hier de eerste stichter van de afschuwelijke gewelddaden welke het geheele land met ons betreurt? Uw antwoord kan niet twijfelachtig zijn, heeren rechters. De overtuiging welke mijn neef, omdat hij niet gewoon is in het openbaar te spreken, verkeerdelijk heeft uitgedrukt, ligt ook in onze harten: Onze heer graaf kan niet onrechtvaardig zijn, omdat zijne wijsheid, zijne grootmoedigheid en zijne vaderlijke bezorgdheid voor het welzijn van zijn volk zulksonmogelijk maken. Daarom, wij berusten in het recht onzer zaak en zien met vertrouwen een gunstig vonnis te gemoet."

Rambold Tancmar hield daarop eene tegenrede; de proost van St-Donaas antwoordde hem eene tweede maal; de hofraadsheer poogde nog van tijd tot tijd door eene onderbreking zijnen neef behulpzaam te zijn; ook Burchard riep nog twee- of driemaal dat de Tancmars wetens en willens logen; maar al deze pleitredenen en woordenwisselingen brachten niets nieuws aan den dag, en lieten de zaak zooals zij zich van den beginne had voorgedaan.

Op deze wijze liep het geding ten einde. De graaf en de leden van het hof verlieten de zaal, om in een ander vertrek over het vonnis te raadplegen.

Intusschen bleven de Tancmars en de Erembalds op hunne plaatsen zitten en koutten met hunne vrienden, en berekenden de kansen eener gunstige uitspraak.

Terwijl de meeste Erembalds den glimlach op de lippen hadden en luidop spraken, fluisterden de Tancmars in stilte. De eersten, door de welsprekendheid van Bertulfs pleitrede aangemoedigd, twijfelden niet aan den goeden uitslag hunner zaak; de vrienden van Rambold vreesden integendeel dat hij, als stichter en als eerste oorzaak van het kwaad, zou worden veroordeeld. Wel hielden zij zich overtuigd dat de graaf de Erembalds haatte en tegen de Kerels in het algemeen was verbitterd; maar hij was zoo zonderling en zoo ondoorgrondelijk van gemoed. Daarenboven, iedereen wist dat graaf Karel zijnen hoogmoed stelde in de faam van een streng, doch rechvaardig vorst te zijn. Zou hij nu niet terugwijken voor eene veroordeeling van Burchard, indien de welberekende pleitrede van den proost hem deed vreezen dat zulke veroordeeling als een onrecht zou worden aangezien?

Het hof bleef zeer lang in beraadslaging.

Naarmate de tijd verliep, groeide de hoop op eenen goeden uitslag onder de Erembalds aan, omdat zij elkander moed inspraken en door allerlei gunstige vooruitzichten Burchard poogden te bedaren.

De Tancmars, integendeel, door het gevoel van Rambolds plichtigheid reeds in twijfel gebracht, verloren bij het gezicht der welgemoedheid hunner vijanden bijna alle hoop.

De oude Bertulf, die de ridders als vijanden der Erembalds mistrouwde en de mogelijkheid der veroordeeling zijns neefs in zijn gemoed erkende, nam den tijd waar om Burchard tot het aanvaarden van het vonnis te bereiden, hoe het ook mocht zijn. Hij deed hem begrijpen dat alle opstand, alle oneerbiedig geschreeuw den graaf slechts kon verbitteren en hunne zaak bederven. Hij bezwoer hem uit liefde, uit opoffering voor zijn geslacht en voor Kerlingaland, met verduldigheid des vorsten uitspraak aan te hooren en, al ware het slechts in schijn, zich er aan te onderwerpen Hij verkreeg door welsprekendheid en door lang aandringen zooveel op zijnen neef, dat deze beloofde zijnen raad te volgen.

Eindelijk verscheen weder het hof in de zaal. De graaf en de rechters gingen tot hunne vorige plaatsen; de trompers hieven een kort geschal aan; de jonge Frumold, als schrijver van het hof, kwam vooruit en las, met luider stemme, terwijl de diepste stilte in de zaal heerschte, het uitgesproken vonnis.

Dit stuk was zeer lang. Het verhaalde, tot in de minste bijzonderheden al de feiten die zoowel door Rambold Tancmar als door Burchard Knap waren gepleegd geworden, zonder dat men uit deze bloote beschrijving der voorvallen kon opmaken wat het besluit van het vonnis kon zijn.

Ook luisterden de aanwezigen met overspannen aandacht en veler hart popelde van vrees of van ongeduldige verwachting, totdat eindelijk een zegevierende lach op de aangezichten der Tancmars verscheen en de oude proost van St-Donaas, met eenen kreet van angst en medelijden, zijnen neef omhelsde en hem, bij al wat hem duurbaar was, bezwoer zijne verontwaardiging te bedwingen.

Burchard Knap was schuldig verklaard en veroordeeld; Rambold Tancmar kwam er niet alleen gansch ongestraft van af, maar hem werd nog daarenboven schadevergoeding toegekend!

Wel liet Burchard een versmacht gegrom hooren als van eenen getergden leeuw, maar hij hield het hoofd gebogen en roerde zich niet, terwijl de schrijver dus voortlas.

"Ten eerste, wij bevelen dat de burcht te Straten, ten koste van den veroordeelden Burchard Knap, weder zal worden opgebouwd zooals hij te voren was.

Ten tweede, wij bevelen, omdat de veroordeelde den landsvrede heeft gebroken, dat zijn huis te Bethferkerke zal worden afgebrand en vernietigd, hem verbiedend, op lijfstraffe, voortaan in het Ambacht van Brugge eene woning op te richten of te hebben[45].

Ten derde, wij bevelen dat de veroordeelde Burchard Knap uit onzen Lande van Vlaanderen blijve gebannen, gedurende den tijd van tien achtereenvolgende jaren. Wij willen en bevelen dat hij, te beginnen van heden met zonneondergang onze stad Yperen ontruime en voorts den grond van ons graafschap na den derden dag, gevende al onzen ridders, kasteleins, wapenlieden, poorters en laten recht en bevel hem aan den lijve te gaan en hem te dooden, indien hij ooit, in miskenning van dit ons vonnis, voor den gemelden tijd van tien jaren, binnen de palen van ons graafschap zich durfde vertoonen."

Burchard, die tot dan, door zijne gemoedssterkte te overspannen zich had kunnen bedwingen, sprong nu eensklaps recht en bief de dreigende vuist tegen den graaf op, terwijl uit zijne borst onverstaanbare vermaledijdingen opstegen: maar de proost, de kastelein, Robrecht, Segher Wulf, Yorg Koevoet, Matfried Wezel en andere vrienden omringden hem, biddend en smeekend, of omarmden en weerhielden hem met geweld.

Eindelijk rukten zij hem uit de zaal, terwijl de trompers de opheffing der rechtbank verkondigden.

Hem omringende en het nieuwsgierige volk terugdrijvende, sleurden zij hem met groote haast tot in de herberg de Gulden Liebaart, en brachten hem hier in eene zaal waarvan zij de deuren toesloten.

Burchard, uitzinnig van woede over het schreeuwend onrecht dat, volgens zijne meening, hem was aangedaan, bulderde van niets min dan van den graaf en al de rechters die hem veroordeeld hadden te vermoorden en hun de meineedige tong uit den mond te rukken.

Disdir Vos gaf hem gelijk en ging zelfs nog verder: hij was van gedachte dat men den nacht moest afwachten en het vuur aan de vier hoeken van den burg steken, om den graaf en de hatelijke Isegrims, die hem het onrecht geraden hadden, te verbranden en onder de puinen van den burg te begraven.

Alhoewel van zulke gewelddaden niet sprekende, beklaagde Robrecht Sneloghe met ware deelneming het onrechtvaardig vonnis en drukte de meening uit dat het waarlijk tijd was om geweld tegen geweld te stellen, wilde men niet door de Isegrims zelven worden aangezien als lafaards, die men zonder vrees van tegenstand mag vervolgen en verdrukken.

Segher Wulf sprak in denzelfden zin, en was zeer verbolgen over eene veroordeeling welke hij aanschouwde als eene daad van wraakroepende dwingelandij.

De oude Bertulf riep zijne overheid in, als hoofd der Erembalds, om zich te doen aanhooren, en wendde al zijne welsprekendheid aan om zijnen neef en de anderen tot eene kalme overweging van hunnen toestand te brengen. Volgens hem had men door kuiperijen en bedrog den graaf verrast en hem dit onbegrijpelijk vonnis doen bezegelen. Men moest de gemoederen slechts tijd geven om een weinig te bedaren, en door onderwerping den vorst laten gelooven dat men zijne besluiten wilde eerbiedigen. Hij, proost van St-Donaas, zou persoonlijke pogingen bij het hof doen. De graaf zou voor eenige dagen te Brugge komen verblijven; dan konden de Erembalds en hunne vrienden bijna dagelijks den vorst naderen. Men mocht de hoop voeden, men mocht bijna zeker zijn dat de graaf de ongerechtigheid van zijn vonnis zou erkennen en het zou herroepen.

Burchard viel in nieuwe wraakreten uit, beschuldigde zijne ooms van lafheid en riep dat hij niemands hulp noodig had om de Kerels te wapen te doen loopen. Men zou het wel zien eer acht dagen voorbij waren, hoe de burchten der Isegrims over geheel Kerlingaland in vuur en vlam zouden staan, en hoe de kroon, welke de graaf slechts droeg om onrecht te plegen, hem van het hoofd zou worden gerukt.

Maar de proost verloor zijn geduld niet en zette onverstoord zijne bedarende rede voort. Hij deed elk begrijpen dat men niet om het kwaad dat een enkel persoon werd aangedaan, het geheele Kerlingaland tot een bloedbad mocht maken, niet alleenlijk omdat zulks in zich zelven eene onrechtvaardigheid was, maarbovenal omdat de wetten der Gilden verboden iets gewichtigs te ondernemen zonder eerst hunne vertegenwoordigers te hebben geraadpleegd. Binnen drie weken zou te Veurne de jaarlijkscheHoopder Gilden van Kerlingaland te zamen komen. Gunstiger omstandigheid kon zich niet voordoen. Men zou in de Hoop kennis geven van het gebeurde en van den ergen toestand der zaken, en dan, na rijp beraad, de afgevaardigden laten oordeelen wat de Kerels behoorden te doen. Besliste men daar tot den opstand en tot den oorlog, welnu de proost, de kastelein en alwie het met hem hield, zouden de besluiten van den Hoop aanvaarden en ze helpen uitvoeren, ten koste van goed en bloed. Burchard kon in afwachting eene schuilplaats bij zijnen vader te Rodenburg vinden. Niemand zou hem daar durven opzoeken en veel min vervolgen. Hij, de proost, zijn oom, zou hem nu en dan gaan bezoeken om hem kennis van den gang der zaken te brengen.

Eindelijk door de vereenigde pogingen zijner magen en vrienden overwonnen, of eerder vermoeid van hen tegen te spreken, scheen Burchard eenigszins gestild en stemde er in toe, dewijl het daglicht verzwakte, met hen Yperen te verlaten, volgens het bevel des graven.

Men hoorde de opgezadelde paarden in de straat trappelen en hinniken, en reeds opende de proost de deur om de zaal te verlaten, toen een ridder binnentrad en, recht tot Burchard gaande, hem met een woord van troost de hand drukte.

"Mher Willem Van Loo, burggraaf van Yperen, wilt gij graaf van Vlaanderen zijn?" riep Burchard.

"Ik graaf van Vlaanderen?" stamelde Willem verwonderd.

"Zijt gij niet de wettige erfgenaam onzer vorsten?" vroeg Burchard, zeer aangejaagd en als door eene hevige blijdschap ontroerd. "Heeft niet deze Karel van Denemarken u de kroon ontroofd?"

Willem van Yperen deed een teeken dat men de deur der zaal zou sluiten; dan zeide hij tot Burchard:

"Mher Knap, spreek toch hier van zulke dingen niet. De graaf is in Yperen met vele ridders en wapenlieden; hij kan met u doen wat hij wil. Zeker, indien men het recht had geëerbiedigd, zou ik nu op den grafelijken troon zitten en zulke ongehoorde wetsverkrachting, als wij heden hebben bijgewoond, zou op Vlaanderens grond niet geschieden; maar het lot heeft zich tegen mij verklaard en ik heb mij gebogen onder het geweld der wapenen ..."

"De tijden zijn veranderd", viel Burchard ongeduldig in zijne rede. "De maat der ongerechtigheid is vol. Wilt gij graaf van Vlaanderen zijn, mher Willem? Zeg één woord!"

"Eilaas, wie kan mij mijn erfdeel terugschenken?" zuchtte Willem Van Loo met een moedeloozen glimlach.

"Wie? Ik!" riep Burchard.

"Maar welke middelen meent gij te hebben?"

"Ha, dit is mijn geheim", morde Burchard, zich met de vuist op het voorhoofd slaande.

"Kom, kom, dit zijn droomen, onmogelijke droomen", zeide Willem. "Ik ben u dankbaar voor uwen goeden wil ten mijnen opzichte; maar, gekwetst en verbitterd als gij nu zijt acht gij mogelijk wat geheel onmogelijk is."

De proost had reeds tusschen deze zonderlinge samenspraak eenige bemerkingen geworpen, om te doen gevoelen hoe zinneloos en hoe gevaarlijk zulke bedreigingen tegen den vorst waren, en hij drong weder met kracht op het vertrek aan. De zon zou welhaast onder den gezichteinder wegzinken, en wie kon verzekeren dat niet de eene of andere ridder of dienaar des graven op het leven van Burchard zou toeleggen, aangezien het gevelde vonnis zulks iedereen ten plichte maakte?

Allen verlieten op zijnen raad de zaal en gingen buiten de herberg.

Willem van Yperen had Burchard gevolgd.

Op het oogenblik dat deze te paard zou steigen, neigde hij zich naar mher Willem en fluisterde aan zijn oor:

"Burggraaf, wij zien elkander spoedig weder."

"Maar gij zijt gebannen!" bemerkte de andere, niet zonder verschriktheid. "Ik mag u niet onder mijn dak onthalen."

"Als de graaf vertrokken is. Des nachts. Vrees niet. Ik heb gewichtige zaken u mede te deelen: uw geluk en onze vrijheid hangen er van af."

En na het uitspreken dezer woorden sprong hij te paard en volgde de andere Erembalds die reeds vooruit waren, als hadden zij groote haast om de poort te bereiken en de stad te verlaten.

[44]

Lokiis de duivel der oud-Germaansche godenleer.

Lokiis de duivel der oud-Germaansche godenleer.

[45]

Zie over het vonnis tegen Burchard, door den graaf te Yperen uitgesproken, KERVYN DE LETTENHOVE,Hist. de F., t. I, 371.

Zie over het vonnis tegen Burchard, door den graaf te Yperen uitgesproken, KERVYN DE LETTENHOVE,Hist. de F., t. I, 371.

Dakerlia Wulf stond alleen in eene groote kamer van haar vaders woning, voor eene tafel die beladen was met velerlei kostbare voorwerpen, als gebeeldhouwde schrijnen en doozen, vergulde lampen, kristallen drinkvaten, zilveren dischgerief, een kruisbeeld van elpenbeen; alles zoo kunstrijk, zoo zeldzaam en zoo prachtig dat, hoe weinig plaats het ook besloeg, men het evenwel als eenen aanzienlijken schat moest beschouwen.

Met den glans des geluks in de oogen en den glimlach der bewondering op de lippen, staarde Dakerlia droomend op deze tafel, nam het een of ander voorwerp in de hand, keerde het om, bezag het langs alle zijden en hief dan, als aangedreven door een gevoel van dankbaarheid, den blik tot God.

Het gerucht van stappen in den gang stoorde haar eindelijk in zulk dankgebed. Een blijde kreet ontsnapte haar; met de handen uitgestrekt, keerde zij zich naar de deur en murmelde:

"Ha, hij is daar ... mijn verloofde!"

Robrecht en zijne zuster vertoonden zich bij den ingang der kamer. Zij waren gevolgd door eenen schalk die een zwaar kunstvoorwerp op den arm droeg. Het geleek aan eene kerk, met vensters en torens, gansch van glinsterend goud, en hier en daar opgeluisterd met een fonkelend gesteente.

De schalk zette, naar aanwijzing zijns meesters, het gulden kerkje op de tafel en verliet de kamer.

Dan eerst greep Dakerlia ontroerd den jongeling de beide handen en riep:

"Ach, Robrecht, wilt gij mij dan zinneloos maken van geluk en fierheid? Is die wonderschoone kapelle voor mij?"

"Alweder een geschenk voor u, lieve Dakerlia,", antwoordde mher Sneloghe.

"Hoe zal ik ooit uwe goedheid, uwe liefde kunnen erkennen?"

"Uwe tevredenheid, uwe blijdschap alleen, Dakerlia, is mij eene voldoende belooning ... Maar ken mij toch "de verdienste van dit echt vorstelijk geschenk niet toe. Het is eene gift van mijnen oom, den proost. Zie, Dakerlia, de dubbele poort van het kerkje kan men openen. Hierbinnen, op eene soort van altaar, staat een zilveren doosje. Wist gij, lieve, wat het bevat, het geschenk zou honderdmaal meer prijs nog in uwe oogen hebben...."

"Welnu? Een heiligdom?"

"Ja, een vingerbeen van den grooten heiligen Donaas, patroon van Brugge."

"Dank, dank zij den heer proost! St-Donaas zal ons beschermen!"

"Gij moet de kostbare reliquiekas in uwe slaapkamer zetten", bemerkte Witta, "dan zal de booze geest onmachtig zijn ooit uwen slaap te storen."

"En wij zullen te zamen er voor knielen en God en zijnen dienaar St-Donaas dagelijks loven en danken, niet waar, Robrecht?"

"Zonder twijfel, Dakerlia. In onze slaapkamer, op Ravenschoot, is eene breede schoorsteentafel. Daarop zullen wij het zetten, nevens dit schoone kruisbeeld, tusschen gene twee albasten vaten, die ik zal doen vullen met geurige bloemen. Het zal zijn als een autaar, Dakerlia, waarvan het gezicht uw godvruchtig hart immer zal verblijden."

Nadat zij dus nog eene korte wijl hunne bewondering voor het kostbaar geschenk en hunne innige vreugde hadden uitgestort, greep de jonge ridder zijne verloofde de hand en leidde haar tot eenen leunstoel; hij zette zich nevens haar, schouwde haar diep in hare oogen en zuchtte met het licht der zielsvreugde op het gelaat:

"Ha, Dakerlia, nog acht dagen, en de hemel opent zich voor ons!"

"Nog acht dagen!" herhaalde jonkver Wulf, blozend van maagdelijke schuchterheid.

Witta, die aan hare andere zijde was gezeten, legde den arm over haren hals, trok haar tegen haar hart en riep tusschen een zoeten kus:

"Ja, ja, nog acht dagen, dan wordt gij mij een onafscheidbare zuster!"

Toen jonkver Sneloghe haren arm van den hals harer vriendin terugtrok, rolden twee dikke tranen, als glinsterende parelen, op Dakerlia's wangen.

"Welk kommervol gepeins schiet u dus eensklaps door den geest?" vroeg Robrecht verwonderd.

"Welk kommervol gepeins?" herhaalde de maagd met eenen blik, die straalde van blijdschap. "Neen, neen, het zijn tranen van dankbaarheid. Robrecht, ik herdenk dat ik veroordeeld was tot eeuwige treurnis; dat ik, tot bij het graf, eene andere vrouw haar geluk moest benijden ... en nu, zoo onverwachts zal ik uwe bruid worden; geenen enkelen dag zonder u te zien, u te hooren ... leven in uwe zoete liefde!...Soms nog beef ik. Ach, zooveel geluk in eens, het verschrikt mij! Indien eens, even onverwachts, eene wolk onzen helderen hemel kwam verduisteren!"

"Neen, vrees dit niet meer, mijne lieve", zeide Robrecht, haar opnieuw de hand nemende. "Ik weet wel wat u bekommert, maar gij hebt ongelijk. Sedert de graaf nu weder in Brugge is, ondervinden mijne ooms dat zijn toorn geheel is bedaard. Burchard Knap is gestraft geworden, onrechtvaardig gestraft, zeker; maar hij heeft zich onderworpen, en deze gehoorzaamheid van den ontembaren Kerel schijnt onzen heer graaf te hebben verzoend. Hoe het zij, acht dagen zijn zoo ras verloopen; en, moest er nog iets gebeuren, ons huwelijk zal gevierd zijn, voordat eenig nieuw gevaar de Kerels kome bedreigen. Aldus, lever u gansch over aan het geluk en laat ..."

Hij werd onderbroken door de komst van mher Segher Wulf, die, in plechtgewaad, met het zwaard aan de zijde in de zaal verscheen.

Hij lachte de jongelieden toe en deed hun teeken dat zij zouden blijven zitten; maar Dakerlia liep tot hem, leidde hem bij de tafel en toonde hem met blijden hoogmoed de gulden reliquiekas, de nieuwe prachtige gift van den proost van St-Donaas.

Na het schoone kunstwerk te hebben bewonderd, zeide mher Wulf:

"De heer graaf houdt heden open hof. Het is onze plicht hem door onze tegenwoordigheid hulde te brengen. Zult gij niet naar den burg gaan, Robrecht? Gij schudt het hoofd?"

"Maar, vader", bemerkte Dakerlia met eenige spijt, "Robrecht is daar even eerst gekomen. De groote dag nadert zoo snel! Wijhebben nog van honderden dingen te spreken en voor honderden dingen te zorgen."

"Ja, Dakerlia", morde haar vader met eenen glimlach, "gij zorgt maar al te wel. Ik heb uw huwelijkskleed gezien bij Janne Elshout, en uw kanten hulsel bij Aleide Stierzeel. Ik ben de rijkste man van Vlaanderen niet en gij geene vorstin, mijn kind."

"Ik wil schoon zijn, vader!" antwoordde de maagd.

"Maar zijt gij niet schoon genoeg, mijne zoete Dakerlia?" vroeg Robrecht. "Heeft de blanke lelie, heeft de frissche lenteroos vreemde praal te ontleenen om bewonderd te worden en elkeen te bekoren?"

"Vleitaal spreekt gij. Ik wil schoon zijn", herhaalde de jonkvrouw. "Schoon en prachtig opdat mijn bruidegom trotsch weze over mij! Niets is mij kostbaar genoeg."

"Het zij zoo: vrouwenwil, Gods wil!" zeide Segher Wulf, de schouders ophalende. "En toch, ik heb maar één kind en moet mij al eene groote opoffering getroosten. Doe dus naar uwen lust, Dakerlia; gij zult er mij, hoop ik, des te meer en te langer blijven om beminnen."

"Altijd, altijd even vurig, vader lief!" riep zij uit, terwijl zij hem aan den hals vloog en hem teederlijk omhelsde.

"Alzoo, gij gaat niet mede naar den burg?" vroeg mher Wulf, zich tot Robrecht wendende.

"Men zal mijne afwezigheid tusschen zoovele heeren niet opmerken", antwoordde de jonge ridder. "Daarbij, de gemoederen zijn nu weder gestild, en voor het oogenblik, ten minste, moeten wij voor niets bezorgd zijn."

"Dit is te zeggen", wedersprak hem Segher Wulf, "dat wij daarvan niet gansch zeker zijn. Sedert Burchard Knap werd gebannen, sedert zijn huis te Bethferkerke werd afgebrand, verspreid men zonderlinge geruchten. Er zijn er die beweren dat Burchard des nachts bedektelijk in de bosschen rondreist en de Houtkerels tot eenen opstand aanvuurt. Een van 's graven laten, die buiten Yperen woont, meent Burchard omtrent Loo in de duisternis op een reusachtig paard te hebben ontmoet en herkend. Burchard zou dus in geheime betrekkingen staan met Willem Van Loo? Wat beramen zij? Onze heer graaf, wien deze samenkomsten van Willem Van Loo met Burchard moeten bekend zijn, zal in woede ontvlammen; want Willem, alhoewel hij zich in schijn heeft onderworpen, is hem een bloedvijand, en de graaf weet het wel. Ach, het is eene ongelukkige verwikkeling! Men zal aan het hof de Kerels voor het gedrag van Burchard verantwoordelijk maken; en wie kan voorzien welke nieuwe vervolgingen er voor ons zullen uit ontstaan?"

"Maar, mher Wulf, mijn oom, de proost, zeide mij, dat hij de vaste hoop heeft van onzen vorst genade voor Burchard te bekomen. Hij en de kastelein zullen dan het huis te Bethferkerke op hunne kosten doen herbouwen. Zoo zal alles bijgelegd zijn, en Burchard zal in vrede naar Bethferkerke wederkeeren."

"Neen, neen, mijn vriend, de toekomst is zoo helder niet als gij het schijnt te gelooven. Wat zal de Hoop der Ambachten, die binnen veertien dagen te Veurne vergadert, over onze zaken beslissen?... Dankt God, mijne kinderen, dat gij dan reeds zult getrouwd zijn, anders mocht nog wel eenig toeval uw geluk komen vertragen. Blijf dus, Robrecht; desnoods zal ik u over uwe afwezigheid verontschuldigen. Vaarwel, tot straks!"

Segher Wulf drukte den jongelieden nog de hand, verliet zijnen Steen en begaf zich naar den burg.

Toen hij het paleis binnentrad, vond hij in de groote plechtzaal wel een honderdtal ridders die, bij groepen verdeeld, stonden te kouten, in afwachting van des graven verschijning.

Hij ging eenigen tijd van den eenen hoop tot den anderen, drukte hier en daar eenen vriend de hand, en bleef eindelijk met den proost en den kastelein in gesprek, totdat een luidere woordenstrijd, die uit den hoek der zaal opsteeg, zijne aandacht vestigde.

De hofraadsheer Tancmar was met zijnen oudsten zoon Ghyselbrecht uit eene binnendeur in de zaal getreden en deze laatste had onmiddellijk tot de nastaande ridders iets gezegd dat niet allen even goed beviel, want Eustaas Van Steenvoorde, een Kerel en een vriend der Erembalds, had met zekere driftigheid op zijne gezegden geantwoord.

Segher Wulf en andere ridders naderden tot de plaats waar Tancmar stond, om de reden van dien twist te vernemen. Hier hoorde mher Wulf met verontwaardiging dat de zoon van den hofraadsheer driftig zeide:

"Zij zullen den balfaart betalen: elk jaar eenen denier, vier deniers bij hun huwelijk, en vier deniers bij hunnen dood of het beste hoofd ten voordeele des graven!"

"Van wie spreekt men?" vroeg Segher Wulf zeer stil aan Eustaas Van Steenvoorde.

Maar Ghyselbrecht, die het had gehoord, antwoordde op tergenden toon:

"Vraag niet naar bekende dingen, mher Wulf. Van de Kerels spreek ik, en gij weet het wel."

"De Kerels zijn vrij geborene lieden; men heeft het recht niet om hun den tol der dienstbaarheid op te leggen!" wedervoer Segher Wulf.

"Vrijgeborene lieden? De Kerels, ha, ha!" schertste Ghyselbrecht, als hadde hij het vast inzicht om hier eenig gerucht te doen ontstaan, dat de Erembalds bij den graaf mocht benadeelen. "Hoe zullen de Kerels hunne vrije geboorte bewijzen?"

"Bewijst men den oorsprong van dingen die altijd hebben bestaan?" wedervoer Segher Wulf. "De Kerels zijn de eerste bewoners dezer landen geweest. Hunne vaderen waren trotsch op hunne nooit geschondene vrijheid, en deze vrijheid hebben hunne zonen tot nu toe even ongeschonden behouden."

"Men levere onzen heer graaf de oorkonden, de bewijzen daarvan!" zeide Ghyselbrecht zegevierend. "Men kan het niet. Voordat onze vorsten, ter verlossing van Jeruzalem, naar Palestina togen, betaalden de Kerels den balfaart ..."

"Valsch, het is valsch!" riepen eenige stemmen.

"En gedurende de afwezigheid onzer graven en hunner leenhouders hebben de Kerels zich eene vrijheid aangematigd die zij nooit te voren hadden genoten."

In het hart van Segher Wulf gloeide verontwaardiging en toorn; maar hij bedwong zijne ontsteltenis met geweld en sprak op treurigen toon:

"O, heeren, die hier tegenwoordig zijt, getuigt ten minste dat ik heb voorspeld welke beklaaglijke onheilen zij ons arm Vlaanderen bereiden, zij, die onzen vorst aldus het geweld en het onrecht aanraden. De Tancmars misleiden u. Ik bezweer u, leent hunde hand niet; laadt niet op u de schuld van Vlaanderens ondergang! De Kerels vragen van u niets dan vrede; zij willen ongestoord werken en rijkdom scheppen voor vorst en land. Waarom ze onrechtvaardig dwingen tot het vergieten van stroomen bloeds voor het behoud hunner oude vrijheid?"

Eenige andere Erembalds en tevens een tiental ridders traden er tusschen, hetzij om de bedaardheid aan te raden, hetzij om door even driftige woorden den twist nog aan te vuren.

Het was zichtbaar dat de hofraadsheer en zijn zoon een beraamd ontwerp uitvoerden; want Walter Van Lokeren en Raes Van Gaveren, hunne bijzonderste vrienden, stonden lachend nevens hen en fluisterden soms stille woorden aan hun oor, als om hen aan te moedigen, terwijl vele ridders waakzaam hen omringden, gereed tot hunne verdediging, indien de gehoonde Erembalds tot geweld mochten overslaan.

Segher Wulf behoefde al zijne gemoedskracht om niet in woede los te barsten; de gedachte dat de graaf alle oogenblikken kon verschijnen, weerhield hem evenwel.

"De Kerels zijn altijd dienstbare lieden geweest!" riep Ghyselbrecht, "onvrijen, dorpers, slaven, en zij zijn het nog! Het moge den Erembalds niet behagen, dat deze waarheid worde verkondigd. Het is te begrijpen, zij zijn zelven van Kerlenbloede. En gij, mher Wulf, waarom trekt gij hunne zaak u zoo vurig aan? Is het misschien omdat gij vreest dat men later ook u de bewijzen uwer vrije geboorte zou kunnen vragen?"

"Het is te veel!" schreeuwde Segher Wulf boven al de kreten zijner vrienden uit. "Mher Ghyselbrecht, gij zijt een valschaard, een lasteraar, gij liegt! Ik daag u uit tot eenen kamp op leven of dood. De God des hemels beslisse tusschen de Kerels en hunne vervolgers! Daar ligt mijn handschoen: zijt gij niet zoo laf als boos, raap hem op!"

Maar Ghyselbrecht, die nu waarschijnlijk zijn verborgen doel had bereikt, aanschouwde spotlachend zijnen getergden vijand en schudde ontkennend het hoofd.

"Gij weigert? Gij bekent dus dat gij een lafaard zijt?" gromde Segher Wulf.

"Deze heeren zullen oordeelen", wedervoer Ghyselbrecht zeer koel. "Hetis een ridder op schande verboden in eenen gesloten kamp te treden met iemand die niet vrijgeboren is. De vrije geboorte van mher Segher Wulf is mij niet bewezen, ja, ik loochen ze. Het is mij dus een onmiskenbare plicht de uitdaging af te wijzen[46]."

Segher Wulf wrong zijne vuisten van woede, en verweet Ghyselbrecht zijne bloohartigheid in diep kwetsende woorden, met de hoop dat hij hem dus tot ongeduld zou drijven. Hij noemde hem schijnheilige lasteraar, onverzadelijk van heerschzucht, vol boosheid en venijn, laf en kruipend als eene slang.

Dit alles vermocht niets op het gemoed van Ghyselbrecht, die meer dan eens herhaalde dat hij tegen geen onvrij man wilde kampen.

Er ontstond een groot gerucht, doordien de andere Erembalds zich bij Segher Wulf voegden en men mocht vreezen dat eindelijk deze woordentwist in een bloedig tooneel zou veranderen, des te meer daar de aanjagende woorden Isegrim en Blauwvoet nu insgelijks werden uitgesproken.

Er naderde een ridder, gebouwd als een reus, die tot dan, van in eenen hoek der zaal, alles onbewogen had aangehoord. Hij drong door den vlottenden hoop, raapte den handschoen van den grond en sprak:

"Ik, Jakob Van Waesten, bijgenaamd de Leeuw, van edele geboorte en ridder, ik aanvaard den handschoen en den kamp totterdood! Ik verdedig de eer van hen die men hier Isegrims durft noemen."

Tancmar en zijne vrienden poogden Jacob de Leeuw het aanvaarden van den kamp af te raden. Hun doel was geweest den strijd door allen edelgeboren man te doen weigeren en dus voor het land te doen verkondigen dat men de Erembalds als onvrije lieden aanzag. Jacob Van Waesten wilde evenwel hunne spitsvondige redenen niet aanhooren, en behield den handschoen. Hij meende juist met kalme woorden Segher Wulf aan te spreken om met hem tijd en plaats voor den kamp te bepalen,—maar nu werd eene dubbele deur opengeworpen, en de graaf verscheen in de zaal.

Al de ridders schikten zich van wederzijde langs de wanden en boden metgebukten hoofde eenen doorgang aan den vorst, die langzaam tusschen hen voorbij stapte en eene hoogte in het diepe der zaal beklom. Hier zette hij zich neder onder een kostbaar verhemelte en sprak op spijtigen toon:

"Heeren, zal ik dan nimmer den voet in Brugge kunnen zetten zonder in mijnen persoon den eerbied miskent te zien welken men den vorst verschuldigd is? Dat grove dorpers, onbeschaafde lieden zich aan zulk verbreken plichtig maken, dit laat zich eenigszins begrijpen; maar ridders, mannen van edelen bloede!... Nu, welke is de reden van den twist die tot in het diepste van ons paleis onze ooren heeft getroffen?"

"Gelieft onze genadige heer graaf mij het woord te verleenen?" vroeg Tancmar.

"Dat onze hofraadsheer spreke!" zeide de vorst.

De listige Tancmar begon het voorgevallene te verklaren, in schijn met rechtzinnigheid; maar hij drukte met zulke welberekende kracht op de ontkenning van der Kerlen vrijheid en op de redenen van de weigering zijns zoons, dat de Erembalds hem knarsetandend aanhoorden. Door de tegenwoordigheid van den graaf bedwongen, verkropten zij echter in stilte den hoon en de schande die hun hier werden aangedaan.

Insgelijks bekwam Segher Wulf het woord om zijne uitdaging te verechtvaardigen, en na hem sprak Jacob de Leeuw, om den graaf te verzoeken den kamp te willen goedkeuren en zelf tijd en plaats te bepalen opdat het ingeroepen oordeel Gods in de tegenwoordigheid des vorsten en der ridderen zich mocht verklaren.

Wel wilde Tancmar, immer om dezelfde reden, den graaf overhalen tot het afwijzen en verbieden van den kamp; maar Jakob de Leeuw wedersprak hem met veel vuur en eischte des vorsten goedkeuring, als eene genade en als en recht.

Onderwijl staken de voornaamste Isegrims de hoofden te zamen en fluisterden elkander geheime woorden in de ooren.

Dan veranderde Tancmar geheel van taal. Wel wilden de ridders niet als bewezen aanvaarden dat de Erembalds vrijgeborene lieden waren; maar dewijl Segher Wulf in hunnen naam het oordeel Gods inriep en een ridder den handschoen had opgeraapt raadde hij den vorst dezen beslissenden kamp toe te staan, in de hoop dat de hemel zelf, met de overwinning aan den kampioen der waarheid te gunnen, voor altijd over het hangend geschil zou uitspraak doen.

De Isegrims steunden zijnen raad en keurden zijne redenen goed. Zij achtten zich verzekerd dat de reusachtige Jakob Van Waesten zijnen min sterken tegenkamper wel ras zou dooden.

Graaf Karel had tot dan in stilte op deze woordenwisseling geluisterd. Nu stond hij op en sprak met luider stem:

"Wij keuren goed en veroorloven dat onze leenhouder, mher Jakob Van Waesten in het strijdperk trede tegen mher Segher Wulf Van Lampernisse, en stellen den kamp vast op heden, te twee uren namiddag, in denKrijtbinnen onzen burg van Brugge. Wij gelasten den kastelein en onze overige ambtenaars de krijtwaarders[47]te verwittigen en te zorgen voor al wat er, volgens de gewoonten der ridderschap, tot dezen kamp behoeft. Daarenboven, omdat wij met u in de kalmte des gemoeds over ernstige zaken hebben te kouten, verzoeken en bevelen wij de twee kampers zich uit ons paleis te verwijderen totdat het bepaalde uur hen ten strijde roepe."

Segher Wulf en Jakob de Leeuw, door weinige vrienden gevolgd, verlieten de zaal.

Bij de poort onder de Loove, drukten de proost en de kastelein hunnen vriend mistroostig de handen; zij klaagden over de booze listigheid hunner vijanden, die dezen twist hadden doen ontstaan om het gemoed des graven opnieuw tegen de Kerels te ontsteken en gelegenheid te vinden om zelfs de vrije geboorte der Erembalds te loochenen. Had Ghyselbrecht Tancmar het gevoelen des vorsten uitgedrukt? Hadden de Erembalds zich bedrogen over de schijnbare bevrediging des graven? Ging het langgevreesde onweder losbreken? Zou nu hun trouwe, goede vriend Segher Wulf niet bezwijken in zijnen vermetelen kamp tegen Jakob de Leeuw, die om zijne reuzensterkte gansch Vlaanderen door was beroemd?

De tranen stonden den ouden Bertulf bij al deze erge vooruitzichten in de oogen; maar Segher Wulf deed hun begrijpen dat zij binnen de zaal zich moesten begeven om te weten wat men daar tegen de Kerels kon zeggen. Hij zelf had rust noodig en wilde naar huis gaan, om zich tot den kamp te bereiden.

Toen Segher Wulf den burg had verlaten en de Hoogstraat instapte, vertraagde hij zijnen gang, als vreesde hij zijne woning te naderen; hij bleef zelf een oogenblik staan om na te denken.

Hoe zou zijne arme Dakerlia verschrikken bij de aankondiging van eenen strijd die haar eenen beminden vader kon ontrooven! Dit huwelijk, zoo vurig gewenscht, zou het niet uitgesteld moeten worden, zelfs al wierd hij slechts ernstig gekwetst? En indien dan intusschen het geduchte onweder losbrak en de Kerels ten koste van stroomen bloeds hunne vrijheid hadden te verdedigen, zou dan niet dit noodlottig toeval het geluk van zijn kind voor altijd kunnen vernietigen?

Onder den druk zulker bedroevende overwegingen stapte hij langzaam voort, zich op voorhand geweld aandoende om zijne treurigheid voor Dakerlia te kunnen verbergen.

Ook, toen hij zijne woning had bereikt en in de zaal trad waar zijne dochter met Robrecht en zijne zuster zich nog bevonden, speelde hem een glimlach op de lippen, en hij beantwoordde hunnen blijden groet, alsof niets hem bekommerde.

Maar Dakerlia staarde hem aan en zeide:

"Heer vader, gij zijt ontsteld; u is iets onaangenaams geschied."

"Iets onaangenaams? Wie heeft u dit gezegd?" mompelde Segher Wulf verwonderd.

"Mijn hart beeft; ik zie het in den grond uwer oogen, vader."

"Welnu, ja, mijne lieve Dakerlia. Mher Tancmars zoon, de arglistige Ghyselbrecht, durfde in tegenwoordigheid der ridderen beweren dat de Kerels niet vrij geboren zijn en altijd slaven zijn geweest."

"Onmogelijk!" kreet Dakerlia met eene vonk van verontwaardiging in den blik.

"Ja, het is zoo, mijn kind; en hij ging zooverre in zijnenonbeschaamden overmoed dat hij ook den Erembalds en zelfs uwen vader hunne vrije geboorte durfde ontloochenen."

"De booze valschaard! Was er dan geen ridder, geen Erembald daar om hem den lasterenden mond te sluiten?"

"Gij wilt zeggen, mijn kind, dat ik onmiddellijk de eer van ons had moeten wreken?"

"Neen, gij niet, vader", antwoordde Dakerlia, eensklaps bedarende, "gij zijt te oud; maar hebben onze jonge ridders dan geen Kerlenbloed meer in de aderen?"

"Ah, Dakerlia", riep Bobrecht, "wees zeker, ware ik heden ten hove geweest, ik hadde den onbeschaamden Isegrim mijnen handschoen in het aangezicht gesmeten!"

"Het is juist wat ik heb gedaan", zeide Segher Wulf ... "Nu, Dakerlia, waarom verbleekt gij dus? Indien een ander ridder, zonder wraak te eischen, ons geslacht zoo diep had laten hoonen, gij zoudt hem lafaard noemen en hem minachten. Wees dus rechtvaardig voor uwen vader en prijs hem, omdat hij zijnen plicht getrouw bleef."

"O, God, de wolk, de duistere wolk aan onzen schoonen hemel!" klaagde Dakerlia met de handen opgeheven.

"En heeft Ghyselbrecht uwen handschoen opgeraapt?" vroeg Robrecht.

"Neen, de lafaard zocht een uitvlucht in de bewering dat ik, als Kerel, geen vrij man zou zijn en hij, edel geboren, dus dezen kamp niet mag aanvaarden."

"Ach, vader, hoe hebt gij mij doodelijk verschrikt!" zuchtte Dakerlia, met oogen die van plotselijke blijdschap straalden. "Ghyselbrecht heeft geweigerd? Ik voel mij genijgd om onzen boozen vijand daarvoor te zegenen."

"Gij vreest dus uitermate mij ten kamp te zien gaan, Dakerlia? Hoe dikwijls nochtans heb ik in mijn leven de eer van mijnen eigen naam of de eer van ons geslacht te verdedigen gehad? God heeft mij tot nu toe het leven laten behouden. Waarom zou Hij heden mij Zijne bescherming onttrekken?"

Dakerlia wierp hare armen om zijnen hals en zeide, hem teederlijk zoenende:

"Ja, ja, vader lief, gij hebt gelijk: de hemel zou, evenals vroeger,dengenen bijstaan die het recht verdedigt. Gij hebt wel gedaan en uwen plicht vervuld, met de lasteraars der Kerels tot zwijgen te brengen, maar ik ben toch zoo gelukkig dat Ghyselbrecht den kamp heeft geweigerd! Mijnen vader, mijnen goeden vader blootgesteld weten aan gevaar, aan doodsgevaar, ach, de gedachte alleen doet mij sidderen als een riet!"

"En toch moet ik vechten, mijn kind."

"Hemel, gij moet vechten?"

"Dezen namiddag, te twee uren."

"Neen, o neen, Ghyselbrecht heeft geweigerd!"

"Ja, maar een ander ridder heeft mijnen handschoen opgeraapt en den kamp aanvaard."

Dakerlia sloeg zich de handen voor de oogen en begon te weenen.

"Maar, mijne lieve Dakerlia, waarom zulke bittere tranen te storten?" zeide Robrecht. "Uw heer vader zal niet strijden. Ik neem zijne plaats in en zal kampen tegen zijnen vijand. Ik ben jong en sterk."

"Gij, Robrecht, gij vechten in den krijt!" riep Dakerlia met nog meerdere verschriktheid.

"Ik of uw vader; een onzer moet toch den geworpen handschoen lossen."

"Zwijgt, zwijgt beiden; gij doet mij sterven van angst!"

"Wat gij mij voorstelt is onmogelijk, mher Sneloghe", zeide Segher Wulf.

Dakerlia slaakte eenen luiden gil. Haar vader vatte hare hand en sprak troostend:

"Nu, mijn kind, ontstel u niet zoozeer over een voorval dat een ridder elk oogenblik in zijn leven kan ontmoeten. Gij, zoo moedig en zoo fier, zoud nu misschien gaan wenchen dat ik laffelijk den wreedsten hoon verdrage? Ik begrijp: het geluk dat u zoo mild toelachte is bedreigd, niet waar? Uw huwelijk ..."

De maagd legde, met eenen pijnlijken kreet, de hand op den mond haars vaders en versmachtte dus het woord dat haar kwetste.

"Mijn huwelijk, mijn huwelijk?" morde zij. "Zie, ja, mijn geluk was te groot, het moest gestoord worden; ik heb het voorgevoeld, ik heb het gedroomd ... maar indien mijne smart en mijn schrik eene andere bron hebben dan de liefde tot u, mijnen vader, dat de alziende God mij terugwerpe voor altijd in het ijselijk verdriet dat mijnen boezem heeft verknaagd!"

"Ik bid u, mher Wulf, laat mij voor u in het strijdperk treden", zeide Robrecht. "Niemand kan twijfelen aan uwen moed. Gij hebt zoovele schitterende bewijzen uwer onversaagdheid gegeven. Nu zijt gij reeds oud. Ik ben behendig en sterk. Stem toe; laat mij de eer van Dakerlia's vader wreken!"

"Ik dank u om uwe dienstvaardigheid, mijn vriend Sneloghe", sprak mher Wulf. "Al wilde ik u mijne plaats overlaten, het ware onmogelijk: de graaf zelf heeft de beide kampers bij name aangewezen. Wat zou men denken, indien ik terugtrad, ik, die den handschoen heb geworpen? Mij ontbreekt de mannelijke kracht nog niet, en ik zal toonen dat de oude Wulf Van Lampernisse nog de sterkte, de behendige kamper is van vroeger dagen. Dakerlia heeft ongelijk zich zoo diep te ontstellen. God zal mij helpen; Hij zal in mij het recht laten overwinnen ... Wees toch redelijk, jonkver Witta; gij insgelijks, gij weent en snikt? Wilt gij beiden mij allen moed ontrooven?"

"Maar wie is dan uw tegenkamper?" vroeg Robrecht.


Back to IndexNext