XI

"Wij Karel, graaf van Vlaanderen, al degenen die deze letteren lezen of hooren lezen, heil in Gode!Alzoo er in zekere gewesten van onzen lande van Vlaanderen een slag van lieden wonen, zich noemende Kerels, die, zonder gezeten te zijn op vrije erven, gezegdAllodii, beweren vrij te zijn in hunnen persoon en hunne goederen, en tot groote inbreuk op den openbaren vrede zich vermeten wapens te dragen, niettegenstaande het herhaald verbod, door onze voorgangers en door ons uitgevaardigd;Aangezien deze lieden, zich noemende Kerels, tot geene erkende leenen behooren en onder zulke zich weigeren te schikken;Overwegende dat dergelijke toestand slechts het gevolg eener onwettige aanmatiging kan zijn, strijdig met de rechten onzer kroon en met den vrede des graafschaps;Maken kond, dat wij, na rijp beraad en onderzoek van elks recht, hebben besloten en besluiten wat volgt:Ten eerste. Elk ingezetene dezer landen van Vlaanderen, die niet toebehoort tot een onzer leenen of tot eene abdij, of niet eigenaar is eener erkende vrije erve, gezegdAllodium, andersBoekland[48], of niet het poortersrecht in eene onzer goede steden geniet, zal voortaan een man onzer kroon zijn."

"Wij Karel, graaf van Vlaanderen, al degenen die deze letteren lezen of hooren lezen, heil in Gode!

Alzoo er in zekere gewesten van onzen lande van Vlaanderen een slag van lieden wonen, zich noemende Kerels, die, zonder gezeten te zijn op vrije erven, gezegdAllodii, beweren vrij te zijn in hunnen persoon en hunne goederen, en tot groote inbreuk op den openbaren vrede zich vermeten wapens te dragen, niettegenstaande het herhaald verbod, door onze voorgangers en door ons uitgevaardigd;

Aangezien deze lieden, zich noemende Kerels, tot geene erkende leenen behooren en onder zulke zich weigeren te schikken;

Overwegende dat dergelijke toestand slechts het gevolg eener onwettige aanmatiging kan zijn, strijdig met de rechten onzer kroon en met den vrede des graafschaps;

Maken kond, dat wij, na rijp beraad en onderzoek van elks recht, hebben besloten en besluiten wat volgt:

Ten eerste. Elk ingezetene dezer landen van Vlaanderen, die niet toebehoort tot een onzer leenen of tot eene abdij, of niet eigenaar is eener erkende vrije erve, gezegdAllodium, andersBoekland[48], of niet het poortersrecht in eene onzer goede steden geniet, zal voortaan een man onzer kroon zijn."

Tot dan had de menigte, waaronder waarschijnlijk zich geene of weinige Kerels bevonden, stom en gapend den klerk de woorden uit den mond geluisterd; maar nu ontstond er zulk luid gemor van verbaasdheid, dat men de stem van den afkondiger niet meer kon hooren.

"Stil! stil!" riepen vele der omstanders, die zich misschien de zaak der Kerels weinig aantrokken.

De klerk zette zijne lezing voort.

"Ten tweede. Al zulke mannen der kroon zullen in handen der ontvangers onzer burgen en kasteleinen den tol, gezegdbalfaart, betalen, dit is een denier jaarlijks, vier deniers op den dag van hun huwelijk en vier deniers bij hun afsterven, of anders het beste hoofd ter keuze des heeren.Ten derde. Het blijft allen dienstbaren lieden verboden, wapens te dragen, als daar zijn schermzeisen, zwaarden, staven, knijven, kolven, op lijf straffe of op boete, zooals bepaald is bij de besluiten der graven, onze voorgangers, en der onze."

"Ten tweede. Al zulke mannen der kroon zullen in handen der ontvangers onzer burgen en kasteleinen den tol, gezegdbalfaart, betalen, dit is een denier jaarlijks, vier deniers op den dag van hun huwelijk en vier deniers bij hun afsterven, of anders het beste hoofd ter keuze des heeren.

Ten derde. Het blijft allen dienstbaren lieden verboden, wapens te dragen, als daar zijn schermzeisen, zwaarden, staven, knijven, kolven, op lijf straffe of op boete, zooals bepaald is bij de besluiten der graven, onze voorgangers, en der onze."

Het overige der afkondiging bestond slechts in eenige voorschriften tot de uitvoering van het zwaarwichtig besluit.

Met groot geschater van stemmen begonnen de poorters elkander hun gevoelen over dit edict tegen de Kerels mede te deelen; maar dewijl de bazuinblazers de plaats verlieten en naar de Steenstraat opgingen, om daar en elders hunne zending te vervullen, volgden hen de meeste aanhoorders. Andere liepen in allerijl over de Markt, om het verrassende nieuws aan vrienden of bekenden te gaan mededeelen.

Robrecht en Dakerlia, getroffen met eenen diepen schrik, aanschouwdenelkander eene wijl zonder spreken.

"Eilaas", zuchtte Dakerlia, "daar breekt het langgevreesde onweder over Vlaanderen los! Het bloed mijns vaders heeft nutteloos gevloeid. Arm Kerlingaland!"

"Arm Kerlingaland?" herhaalde Robrecht. "Neen, neen, het recht zal zegepralen! Men heeft met ons gehuicheld. Wij zijn verraden, snood verraden. Ha, nu is alle geduld lafheid, alle toegevendheid misdaad! Wanhoop niet van onze zaak. Meent gij dan dat de Kerels zich zullen laten binden als kalveren op de markt? De nootkreet gaat hergalmen over Kerlingaland. Wie overwinnen zal, dit weet God alleen; maar wij zullen den strijd niet opgeven, al eischte de verdediging der vrijheid onzen laatsten druppel bloed!"

"Ramp, ramp!" klaagde Witta, "wie er ook overwinne, Vlaanderen zal overdekt worden met lijken ..."

"O, mijn God!" kreet eensklaps Dakerlia verbleekend.

"Wat geschiedt u? Wat ziet gij?" vroegen Robrecht en zijne zuster verbaasd.

Maar Dakerlia greep haren verloofde de hand, trok hem naar de Hofstraat en antwoordde haastig:

"Kom, kom, loopen wij naar huis. Mijn arme vader! Indien iemand hem deze tijding bracht, het zou hem zoo diep bedroeven, hem eenen noodlottigen slag toebrengen misschien! Kom, wij zullen verbieden dat iemand van buiten hem nadere, wie het ook weze!"

"Maar bedwing toch uwe ontsteltenis, Dakerlia", zeide Robrecht "Uw vader zou bemerken dat gij hem iets verbergt ..."

"Neen, neen, hij zal het niet zien; ik ben sterk, ik zal welgemoedheid veinzen."

Inderdaad, toen zij het bed haars vaders naderde, zweefde er een stille glimlach op haar gelaat; maar dewijl hij met de oogen gesloten lag, en de geneesheeren haar teeken deden dat hij rustte, hield zij zich stil en zette zich bij het hoofdeneinde op eenen stoel.

Robrecht murmelde iets aan het oor van den proost, wenkte den kastelein met den vinger en verliet de kamer met zijne beide ooms, die,nieuwsgierig geworden door zijne geheimzinnigheid, hem vragend aanzagen.

Hij bracht hen in eene zaal en zeide hun met de handen opgeheven:

"Schrikkelijk nieuws! Er loopt een klerk in de stad rond, die een besluit van onsen graaf tegen de Kerels afkondigt. De Kerels zijn voortaan dienstbaar aan de kroon, evenals waren zij in slavernij geboren!"

De proost verbleekte; eene siddering doorliep de leden des kasteleins; beiden bleven stom, als konden zij de onverwachte tijding niet gelooven.

"Zijt gij zeker van hetgeen gij zegt?" vroeg de oude Bertulf.

"Gansch zeker; ik heb het besluit hooren afkondigen."

"Waar?"

"Op de Markt, in tegenwoordigheid van eenen grooten hoop volks."

"En hoe luidde dit besluit?"

"Het verklaarde dat de Kerels ten onrechte zich vrij wanen; het legt hun den balfaart der dienstbaarheid op en verbiedt hun, op lijfstraf en op boete, eenige hoegenaamde wapens te dragen."

"Eilaas, welke onheilen dreigen Vlaanderen!" zuchtte de kastelein Hacket. "De valsche Isegrims zegevieren!"

"Bekent het nu, mijne ooms", bemerkte Robrecht, "al ons geduld, al onze toegevendheid heeft tot niets gediend dan om den hoogmoed onzer vijanden aan te vuren. Het is misschien nog tijd. Geef een teeken, heer proost; help gij er toe, heer kastelein, en morgen staat geheel Kerlingaland onder de wapens!"

"Met zulk voorbarig besluit ware alles verloren", antwoordde Bertulf, zich op het voorhoofd wrijvend om een klaar en diep besef van den toestand in zijne hersens op te wekken. "Onze vijanden moeten hetzelfde wenschen als gij, Robrecht. Zulke onvoorbereide opstand kan slechts gedeeltelijk zijn. Vergeet hef leger niet dat te Atrecht ons bewaakt. De opstand der Kerels, indien men verplicht wordt tot zulk uiterst middel zijne toevlucht te nemen, mag slechts algemeen zijn, en onze heirkrachten moeten tot eenen langen oorlog worden ingericht."

"Maar, oom lief, is de maat niet vol genoeg?" wedervoer Robrecht, met eene verontwaardiging die hij uit ontzag voor den ouden proost poogde te bedwingen. "De tijding van dit hoonend besluit zal de Kerels, deHoutkerels vooral, verwoed maken."

"Inderdaad", bemerkte de kastelein, "mij zou het niet verwonderen dat zij onmiddellijk de wapens opnamen en de burchten der leenheeren begonnen te bestormen en af te branden."

"En ware het niet beter het sein tot den algemeenen opstand te geven?" vroeg Robrecht. "Wees zeker, oom, uw lankmoedigheid zal het ongeluk van Kerlingaland zijn!"

"Bedwing uwe jonge drift, mijn neef", sprak Bertulf op strengen toon. "Met zulke overijling verderft men de beste zaak. Hebt gij dan geen vertrouwen meer in mijne oude ondervinding?"

"Zeker, oom; maar, met uw oorlof, mij dunkt, dat krachtdadigheid en moed, in dringende omstandigheden, meer zijn dan wijsheid."

"Ik geloof dat gij gelijk hebt, broeder", zeide de kastelein, "maar werkeloos kunnen wij niet blijven. Wat gaan wij doen?"

"Wij moeten alle beweging in de Ambachten voorkomen", antwoordde de proost. "De Kerels doen stil blijven totdat de Hoop over de erge zaak beslist hebbe. Wat is zes dagen? Wil de Hoop het lot der wapens beproeven, men zal daar de afgevaardigden van al de Ambachten onder de hand hebben en dus, moet het zijn, met een enkel woord gansch Kerlingaland als één man doen opstaan."

"Maar, heer oom", bemerkte Robrecht, "gij vergeet Burchard Knap, uwen neef. Als die de mare zal vernemen!"

"Ik weet waar hij zich ophoudt: hij zal een bijzonderen brief van mij ontvangen en in vrede blijven, ten minste tot den dag van den Hoop. Hij heeft mij dit reeds plechtig beloofd."

"Alzoo, wij hoeven ons te bereiden tot den oorlog?" vroeg de kastelein.

"Bereiden, voorzeker", antwoordde hem zijn broeder de proost, "maar die noodlottige worsteling is nog niet volstrekt onvermijdelijk. Wie zegt ons dat, indien onze graaf het oor aan den raad onzer vijanden heeft geleend, het niet alleenlijk is, omdat de oorlog in Aquitanië, en nu op de grenzen van Normandië, hem dwingt naar middelen uit te zien om zich eene groote hoeveelheid gelds te bezorgen? Indien de Kerels hem eene bede toestonden van eenige duizende marken zilvers?"

"Alweder toegevendheid en gebeden?" morde Robrecht; "kunnen wij dan niets meer dan smeeken? Gij weet, oom, hoe ik onzen graaf verkleefd was, ondanks het onrecht dat ons werd aangedaan. Vorst Karel had mijnen vader zaliger vereerd en bemind. Ik was hem daarvoor dankbaar. Nu moet ik die dankbaarheid in mijn hart versmachten. Ik heb te kiezen tusschen den oorlog tegen den graaf en de vernedering van mijn vaderland, het verlies onzer vrijheid. De overtuiging dat onze vorst door de booze Isegrims is misleid maakte mij die keus nog pijnlijk, ik beken het; maar de stem van mijn geweten ..."

"Zwijg toch", onderbrak hem de proost, "Gij wordt even voorbarig en oploopend als de woeste Burchard. Luister toch eerst naar de kalme rede. Indien wij door zulke geldelijke opoffering het edict en de schrikkelijke rampen afweren, die ons geslacht en ons vaderland bedreigen, zoudt gij mij laken den raad daartoe te hebben gegeven?"

"Neen, neen, oom; maar alle hoop op rechtvaardigheid, alle hoop op vrede is dood in mij!"

"Welnu, ik zal pogen te weten wat zulk aanbod bij den graaf vermag. In alle geval, de Hoop te Veurne zal over de zaak beraadslagen; en wij allen, onzen Gilden-eed getrouw, zullen ons aan zijne beslissing onderwerpen. Laat ons nu naar de proostdij gaan, Hacket; de tijd is ons kostelijk; wij moeten met spoed onze voorzorgen nemen om, tot de beslissing van den Hoop, alle beroerte in de Ambachten te beletten."

In den gang zeide de proost nog:

"Wij zullen terloops Segher Wulf vaarwel wenschen; hij zal misschien ontwaakt zijn."

Robrecht hield hen terug en deed hun begrijpen dat zij in tegenwoordigheid des zieken van het afgekondigde besluit niet mochten gewagen. Segher Wulf, die zich gelukkig achtte, zijn leven te hebben gewaagd, in de gedachte dat hij door het storten van zijn bloed de vrijheid der Kerels tegen allen nieuwen aanval had behoed, kon een noodlottigen slag ontvangen, indien hij nu vernam dat de Isegrims zelfs het oordeel Gods niet hadden geëerbiedigd.

Zijne ooms erkenden de gegrondheid dezer bemerkingen en beloofden den zieke van niets te spreken.

Alzoo zij nu door de gang traden, hoorden zij eensklaps op eenigenafstand bazuintonen hergalmen.

"O! mijn God!" kreet Robrecht verschrikt, "daar komt men nu in deze straat het noodlottig besluit afkondigen. Mher Wulf zal het hooren. Wat schromelijke slag!"

"De snoodaards!" morde de kastelein. "Wie weet, hebben zij de wapenboden daartoe geen bijzonder bevel gegeven? Onverbiddelijk zijn de Tancmars in hunnen haat."

"Maar neen, de wapenboden zijn nog verre; mher Wulf kan niets van de afkondiging verstaan", bemerkte de proost.

"Ach, hij hoort zoo verwonderlijk scherp, en hij ligt onder het venster bij de straat", klaagde Robrecht.

"Kom, kom, gij bekommert u ten onrechte", zeide de proost, terwijl hij de deur der ziekenkamer opende.

Segher Wulf lag nog met geslotene oogen, en nevens hem stond Dakerlia met angst en vervaardheid op het gelaat; want zij insgelijks had de bazuintonen gehoord.

"Ontstel u niet zoozeer, jonkvrouw; uw vader slaapt en de bazuinblazers zijn weg", fluisterde de proost aan haar oor.

Maar nauwelijks waren deze stille woorden zijnen mond ontglipt of de stem van den afkondiger verhief zich onder het venster zelf.

Een pijnlijke kreet ontsnapte Dakerlia, terwijl zij de bevende handen over haren vader uitstrekte, als poogde zij de noodlottige klanken te onderscheppen.

De zieke opende de oogen wijd en luisterde. Hij bleef rustig; geene plooi op zijn gelaat duidde aan dat hij verstond wat men daarbuiten zoo luid afriep.

Reeds was de klerk zeer verre in het lezen van het besluit gevorderd, en nog had Segher Wulf geen teeken van ontroering gegeven. De omstanders meenden te mogen hopen, dat hij niets van het besluit zou verstaan.

Maar toen de afkondiger het tweede punt van het noodlottig edict bereikte, werd de zieke eensklaps als door eenen geweldigen slag getroffen: al zijne leden trokken zich krampachtig te zamen en, ofschoon de klagende Dakerlia en de verschrikte geneesheeren hem poogden te bedwingen, duwde hij zijne twee armen op het bed, spande al zijne zenuwen en riep uit, terwijl hij zich met verwonderlijke kracht in dehoogte hief:

"Slaven! De Kerels slaven! Wraak, wraak, o, mijn God!"

Eilaas! Zijn slecht geheeld sleutelbeen brak opnieuw, zijne wond scheurde open, het bloed golfde hem over de borst en hii viel met eenen akeligen noodkreet achterover ...

"Het is niets, geen gejammer, geen gekerm!" riep een der geneesheeren, den proost haastige teekens doende, dat men de jonkvrouw zou verwijderen.

Allen verstonden hem. Robrecht en zijne ooms grepen Dakerlia bij de armen en schouders, en hoe zij ook als zinneloos worstelde, zij leidden ze met geweld in eene ver afgelegene kamer. Daar poogde men haar te doen gelooven dat het ongeval geene erge gevolgen zou hebben. De geneesheer had immers zelf gezegd dat men niet mocht bekommerd zijn? Een nieuw verband zou alles weer herstellen.

Maar Dakerlia, door eenen doodelijken schrik aangejaagd, was niet te bedaren.

"De wreedaards, de Isegrims!" riep zij uit, terwijl men haar poogde van de deur terug te houden. "Zij hebben hem in den kamp niet kunnen overwinnen. Vermoorden moesten zij hem, met valschheid, met lafhartigheid! O, mijn vader, mijn arme vader, wie zal u wreken? Wie zal het edel bloed herkoopen, dat gij voor de vrijheid van Kerlingaland hebt vergoten?"

"Wees gerust, Dakerlia", antwoordde Robrecht Sneloghe. "De noodhoorns gaan galmen over Kerlingaland. Het is een oorlog om leven en dood. Ik zal te midden des gevechts de vijanden uws vaders opzoeken en ze treffen, zoolang mijn arm de macht heeft tot het verheffen van een zwaard."

De maagd slaakte eenen angstkreet, legde zich de handen voor de oogen en begon overvloedig te weenen; maar zij was zoo aangejaagd dat zij bijna onmiddellijk weder naar den ingang der kamer sprong en zich de handen ten bloede werkte om de geslotene deur open te rukken.

Zij viel op de knieën voor den proost en kermde en bad met saamgevoegde handen, om tot haren vader te mogen gaan. Hij kon sterven, haar verkrampend hart riep het luid. Mocht zij hem dan niet een laatst vaarwel wenschen en hem de oogen sluiten? Zou hij ten hemel varen zonderzijn kind aan zijne zijde te zien?

Eindelijk door medelijden overwonnen, zeide de proost tot haar, dat hij den kastelein zou verzoeken naar de ziekenkamer te gaan om het oorlof der geneesheeren af te smeeken, indien Dakerlia toestemde bedaard te wachten op de tijding welke hij hun zou brengen.

Men opende met voorzorg de deur en Hacket begaf zich naar de kamer aan de straat.

Hier ontvloog hem een kreet van schrik, ofschoon de geneesheer door zich den vinger aan den mond te leggen, hem tot stilte aanmaande.

Segher Wulf lag uitgestrekt op het bed, met een kruisbeeld op de borst. Zijn gelaat was loodvervig en toonde de doorschijnende tint der bloedeloosheid. Witta zat ten gronde geknield en weende bitter.

De kastelein naderde met kloppend hart en aanschouwde den geneesheer.

"Niets meer dan een lijk!" murmelde deze.

"Wel zeker?"

"Hoe anders? Al zijn bloed is hem ontloopen."

"Wat akelige ramp!"

"Ja, een ijselijk voorval; maar klagen kan hier niet helpen, heer kastelein. Gij moet tot de jonkvrouw gaan; haar eerst met halve woorden een ongeluk doen voorgevoelen, haar dan van een groot gevaar spreken en zoo allengs haar den dood haars vaders melden, opdat de slag haar niet plotselijk treffe."

De kastelein verwijderde zich stilzwijgend, om de droeve zending te gaan vervullen; maar nauwelijks was hij eenige oogenblikken weg, of men horde in den gang eenige wanhopige klachten hergalmen.

Dakerlia stortte in de kamer en liep tot bij het bed. Een eerste blik zeide haar alles: zij slaakte eenen machtigen schreeuw, eenen noodkreet, die het gansche huis doorschalde, en viel gevoelloos met het hoofd op de borst haars vaders.

[48]

Bij de Angel-Saksen noemde men het Gemeentegoed of vrij geweidefolcland(ager publicus), een land, waarvan het bezit door eene geschrevene oorkonde vanwege den vorst was toegestaan of bevestigd,bocland(geboekt land).Zie LAPPENBERG,Geschichte von Engelandt. I, pp. 578 en 579.

Bij de Angel-Saksen noemde men het Gemeentegoed of vrij geweidefolcland(ager publicus), een land, waarvan het bezit door eene geschrevene oorkonde vanwege den vorst was toegestaan of bevestigd,bocland(geboekt land).

Zie LAPPENBERG,Geschichte von Engelandt. I, pp. 578 en 579.

De dag waarop de Hoop[49]zou gehouden worden, was verschenen.

Reeds van in den vroegen morgen krielde de stad Veurne met lieden die zich uit alle gewesten van Kerlingaland zich derwaarts hadden begeven, en nog zag men elk oogenblik groote overdekte wagens voor de bijzonderste herbergen stilhouden.

Niet al deze bezoekers waren geroepen, om als afgevaardigden der Ambachten in den Hoop te zetelen. Eenigen moesten zich aanbieden voor het beroepsgerecht ofjaarwaarhede, anderen zouden zekere zaken aangaande hunne betrekkingen met het Gilde vereffenen; de meesten evenwel hadden de reis ondernomen uit enkele nieuwsgierigheid of om vrienden of bekenden te ontmoeten.

Rondom den Kerkhofsmuur van St-Walburgis stonden kramen met eetwaren, met fruit en lekkernijen, met landbouwgereedschap, met huisgerief en kleederstoffen, zoodat de plaats naar die zijde geheel het voorkomen had eener jaarmarkt of eener kermis.

Daar was groote toeloop van volk. De Kerels herkende men aan hunne lange baarden en aan hun breed zwaard of schermzeis. Tusschen hen kon men de Houtkerels onderscheiden aan het diepere blauw hunner kleeding en aan hunne hoeden, waarvan de randen achter en terzijde in vorm eener klak waren opgeslagen, terwijl de Veld- en Duinkerels breedgerande hoeden droegen, die met eene veder van den Blauwvoet of Zeearend waren gesierd.

Men bemerkte zelfs hier en daar eenen Kolvekerel uit het graafschap Gwynen, die gansch in kleeding en voorkomen aan de andere Kerels geleek, tenzij dat hij tot eenig wapen eenen houten kolf of knots in de hand of op den schouder droeg.

De poorters of burgers van Veurne hadden geenen baard, en slechts de bijzondersten onder hen droegen een kort mes boven de lederen tassche aan hunnen gordel. Zij lieten zich niet veel in met de Kerels, die overigens hen met hoogmoed bejegenden en zorgvuldig vermeden over de zaken der Ambachten in hunne tegenwoordigheid te spreken.

Inderdaad, de Kerels zagen de poorters der steden als lieden aan die hunne onafhankelijkheid hadden verloren en van de voorvaderlijke vrijheden niets meer bezaten dan wat de vorst hun willekeurig en uit genade had laten behouden.

Vroeger genoten al de gedeelten van Kerlingaland dezelfde onafhankelijkheid, en hadden geenen anderen dienstplicht jegens den graaf dan het leveren van krijgslieden tot 's lands verdediging Zij betaalden gewilliglijk alle tollen van doorvaart op koopwaren, havenrechten en burggelden aan 's gravens ambtenaars, voor zooveel deze belastingen niet als een persoonlijke hoofdtol konden worden beschouwd. Daarenboven, in oorlogstijd of in andere gewichtige omstandigheden, wanneer de vorst hun eenebedetoerichtte, verleenden zij hem vrijwilliglijk aanzienlijke hulpgelden uit den gildeschat.

Maar voor twee eeuwen hadden de graven van Vlaanderen, om het land tegen de invallen der Noormannen te kunnen verdedigen, met de toestemming der Kerels zelven, verschillende steden met muren omsingeld en er een sterk kastel of burg gebouwd, waarin een ambtenaar, door den vorst aangesteld, als kastelein of burggraaf het bevel voerde.

Van dit oogenblik af zag de graaf het gebied van den burg als een leen der Kroon aan, en werden de inwoners der steden zijne leenmannen, met de uitzondering nochtans, dat hij hun zekere vrijheden liet behouden, en deze bevestigde door eene vorstelijke vergunning. Hij gaf zulkegemeentebestierders ofschepenenen liet er het recht uitoefenen in zijnen naam, onder de hooge bewaking van den kastelein.

Geheel anders was het met de Kerels buiten de bemuurde steden gesteld. Dezen hadden nog hunne voorvaderlijke inrichtingen behouden en bestierden zich zelven en oefenden den rechtspleging zonder de minste tusschenkomst eener hoogere overheid. Eén of meer dorpen, onder een gemeenschappelijk bestier, noemden zij eeneminne, en verscheidene zulkerminnenvormden een Ambacht. Schepenen hadden zij niet; hunne bestierders, jaarlijks door hen gekozen, noemden zij Keurmans. Dezen waren belast met het beredderen der openbare belangen van de minne, en zetelden in de vierschaar en vonnisten, zoowel over stoffelijke gedingen als over wetsovertredingen en misdaden.

Binnen de stad Veurne zelve, naar eenen hoek der Markt, was er nog eene vrije plek grond, die niet aan de overheid van den kastelein was onderworpen. Daarop hadden de machtige Kerels van Veurne-Ambacht hunne groote Gildehalle gebouwd, om er hunne gemeene zaken te behandelen en er de wekelijksche rechtspleging te oefenen.

Van buiten beschouwd, had deze Halle het voorkomen van een onmatig lang en breed huis, zonder verdiep, welks eenvormige lijnen slechts onderbroken waren door een hoog torentje, waarin twee klokken hingen van verschillende grootte. De vensters waren zeer hoog boven den grond en met ijzeren staven gesloten.

Nu stonden voor de ingangspoort tien of twaalf langgebaarde mannen, met uitgetogen schermzeis, die de poorters en vreemdelingen van de Halle hielden verwijderd.

Dit opzicht van ongastvrijheid en van verborgenheid moest doen denken dat de Kerels, bij den bouw der Gildehalle, voor doel hadden gehad, alle bespieding van buiten af te weren en het geheim hunner beraadslagingen te vrijwaren tegen de nieuwsgierigheid zulker lieden, die niet door den Gildeneed met hen waren verbonden.

Van binnen was de Halle niet zoo somber; want de vensters, die op den neerhof uitzagen, waren zeer breed, en geen traliewerk onderschepte er het daglicht. Hare grootste uitgestrektheid was ingenomen door eene lange zaal, waarvan het gewelf, met zijne veelvuldige graten, op twee rijen lage pijlers rustte, die met zonderlinge beeldsieraden waren overdekt.

Men had nu, tot het houden van den Hoop, in deze zaal eene verhevendheid getimmerd en er talrijke banken gezet.

Nog vele min wijde vertrekken, elk tot een bijzonder gebruik bestemd, lagen achter de groote zaal en hadden eenen gemeenen uitgang op den neerhof, niet verre van de plaats waar, onder de opene lucht, de vier banken dervierschaartusschen eene ringvormige haag waren geschikt.

Tot dan hadden de Kerels rondom het kerkhof gewandeld of in groepen op de Markt over de zaken van Kerlingaland gekout en getwist, immer zorgende dat zij niet door de poorters werden gehoord.

In de Halle bevonden zich geene andere personen dan eenige Keurlieden en klerken, die alles in gereedheid brachten tot den dienst waarmede elk hunner belast was.

Nu evenwel werd op het torentje de kleinste klok geluid. Vele Kerels traden in de Halle, en begaven zich in verschillende vertrekken, volgens de zaken welke zij te bezorgen hadden.

In eene groote kamer zaten de ontvangers van den gildeschat met hunne klerken. Hier kwamen opvolgend de afgevaardigden der Ambachten het geld storten dat zij voor elk lid van het Gilde als jaarlijksche bijdrage waren verschuldigd.

Daarnevens en van de ontvangers gescheiden, zaten de betaalders die, op vertoon van oorkonden, door aangestelde opzichters en schatters afgeleverd, de hulpgelden uitdeelden voor brand van huizen of vergaan van schepen of schuiten; want de gildeschat was voor de Kerels tevens eene kas van onderlinge verzekering.[50]

In een ander vertrek zaten de beheerders van wegenissen en van water- en dijkwerken, die ten laste van meer dan één Ambacht moesten worden onderhouden.

Maar de toevloed van volk was het grootst op den neerhof, in en rondom de vierschaar.

Hier zetelden afgevaardigde Keurmans van de groote Ambachten, ondere anderen van Veurne, Capellebrouck, Berg, Brouckburg, Hazebrouck en Duinkerke. Te zamen vormden zij een gerechtshof, dat elken Kerel moest aanhooren die beweerde dat hem, in zijn Ambacht, onrecht was gedaan of recht was geweigerd. Deze vierschare, die menjaarwaarhedenoemde, vonniste diensvolgens als een hof van beroep; zij was onafhankelijk van den Hoop en zetelde verscheidene dagen.

Al deze bijzondere verrichtingen namen den ganschen morgen in, en het was slechts ten één uur namiddag, na men den afgevaardigden den tijd had gegund om te eten, dat de groote klok de opening van den Hoop aankondigde.

Men had eenigen tijd te voren iedereen, wie hij ook ware, de Halle doen ontruimen. Nu werd niemand toegelaten, tenzij na onderzoek der volmacht, hem afgeleverd door de Keurlieden van het Ambacht, dat hem als zijnen vertegenwoordiger had gekozen.

De groote zaal geraakte allengs vol. Elk nam plaats naar zijne geliefte, nevens zijne vrienden of bekenden.

Hacket, de kastelein van Brugge, bevond zich daar als afgevaardigde van het Brugsche Vrije; nevens hem, Robrecht Sneloghe, als vertegenwoordiger van Houthem; en, meer naar achter in de zaal, Disdir Vos, Willem Van Wervick en Ingelram Van Eessen en andere ridders, door verschillige Ambachten afgevaardigd.

Dewijl de Hoop nog niet was geopend, en de Kerels met luider stemme hun gevoelen uitdrukten over de zaak van den balfaart en over hetgeen men in deze erge tijdsomstandigheden te doen had, heerschte er in de gansche zaal een verward gerucht als van eenen ronkenden bijenzwerm ... Maar daar verschenen nu de afgevaardigden der groote Ambachten op de verhevenheid en, terwijl zij plaats namen in de leunstoelen, die men daar voor hen had geschikt, zetteden al de aanwezigen zich op de banken neder.

Het gedruisch begon echter opnieuw, totdat de Voorman of voorzitter met eenen zwaren houten hamer zoo hard op de eiken tafel sloeg, dat de galm als een donder door de zaal dreunde.

Elk zweeg en de diepste stilte verving het gerucht.

De Voorman of de voorzitter was een Keurmanvan Hazebrouck met eenen langen sneeuwwitten baard. Hij wierp eenen tragen blik door de zaal, klopte dan nog eens met den hamer, stond op en sprak:

"Gezellen, Gildebroeders, toen wij, uwe zaakgelastigden, voor eenige weken ons wilden bereiden tot het houden van den Hoop, hadden wij eenige min of meer belangrijke voorwerpen uitgekozen om aan uwe beraadslaging te worden onderworpen. Sedert dan heeft onze heer graaf tegen de Kerels een edict uitgevaardigd dat, moest het van kracht blijven, ons en onze kinderen in eeuwige slavernij zou dompelen. Zoo zwaarwichtig is voor ons deze zaak, dat ik ze alle andere doen voorafgaan. Ik hoop dat gij niet alleen met de verontwaardiging van diepgehoonde, maar tevens met de bedaardheid van wijze en bezadigde lieden zult onderzoeken en overwegen wat ons te doen staat om de vrijheid van Kerlingaland te redden en ongeschonden te behouden. En, ten einde het rechtverkrachtend besluit van onzen heer graaf iedereen geheel bekend zij, zal ik den klerk verzoeken het u voor te lezen."

De klerk stond op en begon de lezing van het edict. Schier bij elken regel werd zijne stem verdoofd door het toornig gemor der vergadering; maar wanneer iets bijzonder kwetsends in het besluit voorkwam, ontstond uit al de hoeken der zaal een onweder van wraakkreten en vermaledijdingen.

"Te wapen, te wapen! Sla dood de Isegrims! Stroome ons bloed voor de vrijheid! Heden nog! Gevloekt, gevloekt de balfaart der slavernij!" galmden de driftigsten.

"Stil! Stil! Laat af met dit woest geschreeuw: wij hooren niet!" riepen eenige anderen.

Zoo ging de lezing van het besluit met vele onderbrekingen tot het einde voort.

Nu nog heviger dan te voren, zou de meerderheid der aanwezigen hare verontwaardiging en hare woede door verwarde kreten lucht geven, maar de Voorman klopte zoo geweldig met den hamer, dat hij iedereen tot zwijgen dwong.

Hij zeide, dat hij de diepe onsteltenis der vergadering wel begreep, en daarom gedacht had de stilte niet streng te moeten handhaven. Nu evenwel verzocht hij zijne gezellen hun gevoel van wettige verontwaardiging te bedwingen, opdat de beraadslaging, die nu ging aanvangen, behoorlijk en met eerbied voor elke gedachte kon worden voortgezet. Hij zou van nu af geene onderbrekingen meer dulden, en niemand zou spreken dan met zijne toelating en op beurt.

Daarop vroeg hij of een der aanwezigen het woord verlangde; doch zoovele handen gingen terzelfder tijd in de hoogte en zoovele namen werden hem toegeroepen dat hij niet wist wien uit te kiezen tusschen al de sprekers die zich aanboden.

Op dit oogenblik werd de deur der zaal geopend.

Er trad een hoogstaltig man binnen, wiens fiere houding en stoute blik ook degenen met ontzag troffen die hem niet kenden. Hij was gekleed als een ridder en aan het gevest van zijn zwaard glinsterde eenig edelgesteente.

Zijne verschijning deed een algemeen gemor van verbaasdheid ontstaan, bovenal toen degenen, die hem herkenden, zijnen naam noemden.

"Burchard Knap! Hij is een banneling. Iedereen mag hem dooden! Hoe durft hij bij kiaren dage hier verschijnen? Heeft hij recht om in den Hoop te zitten?" vroeg men elkander.

Dit ongunstig gemompel scheen Burchard Knap te kwetsen. Met spijt in de stem riep hij uit:

"Gezellen, is het zoo dat gij een slachtoffer der dwingelandij begroet? Had iemand onzer gevreesd zich door de Isegrims te doen bannen, Kerlingaland zou nu niet op den boord des afgronds staan. Elkeen mag mij dooden. De minste schalk kan mij eenen pijl door rug en lenden drijven, ik weet het; maar, hoe de dood mij ook bedreige, hij kan mij niet weerhouden van hier mijnen plicht te komen vervullen. Ik ben afgevaardigde van Rodenburg en, als zulks, zal ik in den Hoop zetelen met evenveel recht als de beste die hier tegenwoordig is."

"Maar gij zijt gebannen!" riep eene stem.

"Wie heeft daar gesproken?" wedervoer Burchard met bedwongene gramschap. "Dat hij rechtsta en zich toone. Ik wil weten welke vrije Kerel zich hier aanstelt tot uitvoerder der vonnissen die onze verdrukkers tegen zijne broeders hebben uitgesproken."

"Niemand, niemand! Leve Burchard Knap!" klonk het door de zaal.

De slag van den hamer weergalmde.

"Gezellen", zeide de Voorman, "mher Burchard Knap van Bethferkerke is als ridder door het hooger hof der baroenen tot ballingschap verwezen. Als Kerel kon hij slechts door de Aldermans van zijn Ambacht worden gevonnist; als Kerel bevindt hij zich tusschen ons, niet als ridder. Wij aanvaarden dus in hem den vertegenwoordiger van Rodenburg."

Een bijna algemeen handgeklap juichte deze verklaring toe.

Burchard, hierdoor aangemoedigd en verstout, begon weder tot de vergadering te spreken; maar de Voorman onderbrak hem door herhaalde hamerslagen, en verzocht hem zich neder te zetten, hem zeggende dat hij stellig en streng hem verbood het woord te voeren voordat zijne beurt kwam. De onverduldige Kerel moest gehoorzamen en nam grommend plaats op de bank nevens Disdir Vos.

"Dat mher Hacket, kastelein van Brugge, spreke!" zeide de Voorman.

Hacket begon eene rede, waarin hij de vergadering aanraadde de zaak wel en met bedaarden geest te overwegen, vooraleer eene misschien overijlde beslissing te nemen. Het was telkens een groot ongeluk wanneer een volk gedwongen was op te staan tegen zijnen wettigen vorst, en eene misdaad wanneer zulken opstand gebeurde zonder dat men alle middelen had uitgeput om hem te ontwijken. Men mocht niet vergeten dat graaf Karel in den grond een edelmoedig vorst was. Hij had het genoeg bewezen tijdens den laatsten hongersnood, toen hij zijnen ganschen schat had uitgeput om de noodlijdenden te spijzen, zonder eenig onderscheid te maken tusschen de lieden der kroonsleenen en de lieden van Kerlingaland. De kastelein scheen te worstelen tegen een voorstel dat nog niet gedaan was. In alle geval moest hij voorzien dat zijn neef Burchard of anderen den graaf met hevigheid zouden beschuldigen; want hij haalde vele redenen aan, om te bewijzen dat de Isegrims alleen schuld hadden aan de grieven der Kerels en vorst Karel, zonder het te weten, door hen was bedrogen en misleid. Dan schilderde hij af hoe het geheele land, indien men den oorlog moest beginnen, met bloed en puinhoopen zou overdekt worden en alle welvaart voor vele jaren vernietigd. Bestonden er middelen om dit onheil nog af te keeren, het was de plicht der vergadering zulke middelen te beproeven. Na deze voorbereiding sprak hij van de hoop die men nog moest koesteren dat de graaf, indien men hem een aanzienlijk getal marken zilvers uit den gildeschat toestond, het noodlottig besluit zou intrekken. Wat was toch eene geldelijke opoffering, die in alle geval nog het tiende gedeelte van de kosten des oorlogs niet zou bereiken? Hij deed kennen dat de proost van St-Donaas in dien zin pogingen bij het hof had begonnen, en hij eindigde met het voorstel, hier slechts een voorwaardelijk besluit te nemen en de wapens niet op te vatten voordat men zeker ware van de mislukking aller min geweldige middelen.

Deze vreedzame redevoering werd met een hevig gemor van afkeuring begroet.

"Altijd dezelfde vrouwentaal!" riep Burchard. "Wij hebben reeds den strop aan den nek; geeft onzen vijanden dan den tijd om ons geheel te verworgen!"

"Onze flauwheid stort Kerlingaland in het verderf. De vrijheid eischt bloed, geven wij ons bloed!" schreeuwde Disdir Vos, harder nog dan Burchard, die hem daarom de handen drukte.

"De beurt is aan Alyn Van Ghistel", zeide de Voorman.

Een zeer oud man stond op. Zijne gedachten, die hij zeer onduidelijk voordroeg, kwamen hierop uit, dat men zich wel in allerhaast ten oorlog hoefde te bereiden, doch niet nalaten mocht het middel tot verzoening te beproeven dat door den vorigen spreker was aangeduid.

De vergadering hoorde zijne rede met onverschilligheid aan.

"Mher Robrecht Sneloghe van Houthem mag spreken" riep de Voorman.

Robrecht begon dus zijne rede:

"Gezellen, velen uwer weten dat ik nauw vermaagdschapt ben met den kastelein van Brugge en den proost van St-Donaas. Zij zijn mijne ooms. Ik huldig hier in het openbaar hunne oprechte en vurige verkleefdheid aan de belangen van Kerlingaland; maar, hoe het mij ook leed doe, in de gewichtige zaak waarover wij beraadslagen, kan ik hun niet terzijde blijven. Integendeel, de plicht, de diepgevoelde plicht dwingt mij dezelfde overtuiging uit te drukken als mijn vriend Disdir Vos van Bekeghem, en met hem te roepen: Ja, onze lankmoedigheid stort Kerlingaland in slavernij! Niet meer gewacht, niet meer geaarzeld; de verdediging der vrijheid eischt bloed, geven wij zonder dralen ons bloed!"

Deze laatste woorden werden luidruchtig toegejuicht, en menige kreet van "leve Robrecht Sneloghe!" liet zich hooren; want de jonge ridder was in de Ambachten algemeen gekend en door iedereen bemind.

Hij hernam zijne rede:

"Neen, gezellen, laat u niet verleiden door de hoop op vrede. De Isegrims hebben gezworen dat zij hunne kuiperijen niet zullen staken voordat de Kerels machteloos en gedwee onder het slavenjuk gebogen liggen. Doet opofferingen van schatten gelds, verkropt hoon en onrecht, het kan niet helpen. Indien wij langer terugdeinzen voor eenen oorlog, die toch niet te ontwijken is, smeden wij zelven, als dwazen en als lafaards, de ketens die ons aan het juk der dienstbaarheid moeten vastklinken. Daarom met voorvaderlijke trotschheid opgestaan en met het zwaard het edict der slavernij verscheurd! Ja, ja, loopen wij te wapen, veeleer heden dan morgen! Wie aarzelt is half verwonnen.—Wat hebben wij te vreezen? Indien al de weerbare mannen van Kerlingaland te velde komen, wie zou ons dwingen? Ontbreekt het ons aan geld, aan wapens of aan moed?... Ziehier mijn voorstel, gezellen. Dat dezen nacht en morgen overal, waar de beslissing van den Hoop bekend wordt, het noodvuur vlamme en de noodhoorns galmen! Verkondigen wij den landstorm; bepalen wij eene vergaderplaats, hetzij Diksmuide, Ghistel of Oudenburg; benoemen wij in dezen Hoop zelven eenen ervaren veldheer en eenen krijgsraad. Onmiddellijk zullen wij eene aanzienlijke macht te wapen hebben. Met deze eerste benden zouden wij de versterkte burgen in Kerlingaland overrompelen en, zonder ernstigen tegenstand te ontmoeten, in bezit nemen. Tegen deze vestingen gesteund zouden wij in allerhaast ons leger tot eenen beslissenden oorlog inrichten, van daar in ontzaglijke drommen onze vijanden te gemoet trekken en Kerlingaland en de vrijheid wreken in het terugvinden dan nadat graaf Karel onze vrijheid opnieuw hebbe bezworen en gewaarborgd, en wij de vaste verzekering hebben bekomen, dat hij de Isegrims uit zijnen raad zal verwijderen en ons een rechtvaardig vorst wil zijn. Wat gij ook over deze voorstellen denkt, gezellen, gelooft mij, wachten, aarzelen is hier eene lafheid en eene misdaad. Gansch Kerlingaland loope te wapen als een enkel man, en verrassen en verbazen wij onze vijanden door plotselijke ontwikkeling van al onze macht!"

Er volgde eene lange en donderende toejuiching; vele stemmen zelfs schreeuwden luid dat men mher Sneloghe tot veldheer moest kiezen; maar Robrecht beriep zich op zijne jonkheid en onervarendheid en verklaarde dat hij deze zending niet kon of wilde aanvaarden.

Burchard Knap sprong recht en poogde te spreken; maar de Voorman ontnam hem onmiddellijk het woord en deed hem zitten, voor reden gevende dat, eer zijne beurt verschene, nog menig ander gezel moest worden gehoord.

Inderdaad, verscheidene afgevaardigden drukten, de eene na den andere, hun gevoelen uit. Één of twee rieden met weinig aandringen de voorzichtigheid aan en wilden het middel, waarvan de kastelein Hacket gesproken had, beproefd zien; al de anderen vielen met woede tegen de Isegrims uit, noemde alle lankmoedigheid verraad en lafhartigheid, en stemden voor het onmiddellijk beginnen van eenen oorlog zonder genade.

Eindelijk bekwam Burchard Knap het woord. Hij stond op en zeide met eene holle en krachtige stem, waarvan de ontzaggelijke toon alleen indruk deed op zijne aanhoorders.

"Gezellen, ik had honderd redenen gereed, om u tot eenen onmiddellijken oorlog te doen besluiten; maar dewijl ik zie dat het Kerlenbloed in uwe aderen niet min kookt dan in de mijne, zal ik u van wat anders, even gewichtig spreken. Heeft het u niet verbaasd dat men in deze vergadering den lof komt verkondigen van Karel van Denemarken, den huichelenden vijand der Kerels, die met zijne Isegrims in het donker onzen ondergang beraamt, en dan eensklaps voor den dag komt met het vloekbaar edict dat ons allen tot slavernij veroordeelt? Het spijt mij dat ik mijnen oom Hacket moet tegenspreken; maar de vrijheid voor alles en boven alles! Eerbied voor Karel van Denemarken? Was die vreemdeling niet van den dag zijner troonsbeklimming ons eengezworen vijand? Wat deed hij onmiddellijk? Hij vaardigde een edict uit dat hij denHeerliken vredenoemde, waarbij hij allen onvrij geboren man op lijfstraffe verbood wapens te dragen. Heeft hij niet jaren lang gepoogd u tot het nakomen van dit edict te dwingen, alsof de Kerels zonder uitzondering in slavernij waren geboren? Heeft hij niet vrijgeweiden en vrijbosschen, die den armen lieden onzer Minnen of onzer Ambachten sedert eeuwen toebehoorden, aan leenheeren en abdijen weggeschonken, zonder eerbied voor ons recht van eigendom? Gelooft mij, de haat voor de Kerels, dien men aan het hof zoo openlijk toont, ligt niet alleen in het hart der raadsheeren van Karel van Denemarken, maar vuriger nog in zijn eigen hart ..."

Mher Hacket en eenige anderen morden luid en riepen zelfs dat Burchard de dingen overdreef en den graaf ten onrechte beschuldigde; maar de overige leden der vergadering juichten den redenaar toe, en zoo ontstond er een groot gerucht in de zaal.

De stem verheffende, overneerschte Burchard al het gedruisch en sprak:

"Ik ben in het bezit van het woord en zal het behouden totdat ik gedaan heb!... Karel van Denemarken is ons vreemd; al zijne gedachten zijn Romaansch. Voor hem zijn er op de wereld slechts twee soorten van menschen mogelijk, dit is beheerders die gebieden en slaven die onder den stok der meesterschalken in het juk loopen. Dat er vrije menschen kunnen bestaan die ploegen, weven, handel drijven of de zee bevaren, dit begrijpt hij niet; ja, hij ziet het als eenen bloedigen hoon aan voor allen ridder van zoogezegde edele geboorte, dat nog anderen dan zij op persoonlijke vrijheid zich beroemen ..."

"Gij spreekt van de Isegrims en niet van den vorst!" onderbrak Robrecht.

"Ja, wij weten waarom mher Sneloghe den graaf wil sparen", wedervoer Burchard. "Het is ter gedachtenis van zijnen vader zaliger, die een vriend van Karel was. Ik zie het aan als eene slecht begrepene dankbaarheid, en herhaal hier met eene vaste overtuiging: die Karel van Denemarken is een bedrieger, een valschaard. Hij veinsde inderdaad veel prijs te hechten aan de faam van streng en rechtvaardig te zijn; maar, zegt het mij: heeft hij onder dien gehuichelden schijn ooit eenen Kerel recht laten wedervaren? Of willen wij nu het bloed bij stroomen gaan vergieten omdat wij den graaf te danken hebben voor zijne rechtvaardigheid? Dat de leenheeren hem prijzen en zijnen lof uitbazuinen, wat wonder? Hij is in alles hun beschermer en dus de natuurlijke vijand des volks ... Ja, betwist het zooveel gij wilt, mher Sneloghe, zelfs de poorters van Brugge, die van zijne willekeur afhangen, poogt hij te verdrukken. Gaat hij niet een groot gedeelte hunner nu den balfaart opleggen, alhoewel zij reeds hun deel in de lasten der poort betalen?... Wil ik u het eenige middel aanwijzen om onze vrijheid te behouden en zelfs in de toekomst tegen alle vervolging en alle verdrukking verzekerd te zijn? Wij moeten den graaf der Isegrims verloochenen en ons eenen graaf kiezen die geen vijand, maar wel een vriend der Kerels zij!"

Dit onverwacht voorstel trof de aanwezigen met verbaasdheid, en er bleef eene wijl eene betrekkelijke stilte heerschen, alhoewel eenige leden der vergadering met luider stemme tegen den vermetelen redenaar uitvielen.

"Ik heb niet gedaan", zeide deze, "maar ik wil toelaten dat mijne wederstrevers nu spreken, op voorwaarde dat mij het woord teruggegeven worde, zoohaast wij hunne opmerkingen zullen gehoord hebben."

Een algemeen handgeklap betuigde dat men dit voorstel goedkeurde.

Hierop stonden Hacket en nog twee of drie anderen beurtelings op en deden rechtzinnige pogingen, niet om den graaf te verrechtvaardigen, maar slechts om hem te verschoonen, als zijnde de grieven der Kerels hoofdzakelijk te wijten aan de Isegrims, die den graaf uitsluitend omringden en allen anderen invloed van hem hadden verwijderd.

Robrecht Sneloghe riep eene andere reden in, om het voorstel van Burchard als ontijdig en schadelijk te doen verwerpen. Hij wees op de beroering, welke het verloochenen van den graaf door de vrije Ambachten in gansch Vlaanderen en zelfs tot in het hart van Frankrijk, waar Karel van Denemarken vele vrienden telde, zou veroorzaken. Zou men dus de Kerels blootstellen aan den haat van gansch de Westerwereld? En zouden zij niet onfeilbaar bezwijken, indien men hun zoovele vijanden te gelijk op den hals trok? Zij wilden hunne vrijheid en hun recht verdedigen; maar moesten zij daarom, zelfs voor het begin van den oorlog, den graaf van zijne kroon berooven?

Burchard antwoordde hierop, dat hij zich om de goedkeuring der Franschen niet bekreunde, die wel genoeg te doen hadden om zich tegen de Engelschen in Normandië te verdedigen. En wat de overige gewesten van Vlaanderen betrof, hij poogde te bewijzen dat de gemoederen daar niet minder ontevreden waren dan in Kerlingaland.

Wat konden de Kerels bij eene eindelijke zegepraal winnen, indien hun grootste vijand, indien Karel van Denemarken de kroon bleef dragen? Volgens hem moest men in dezen oorlog, wilde men een beslissend einde aan de vervolging zien, alles op het spel zetten en den graaf dwingen zijne kroon tegen de vrijheid der Kerels te wagen. Alle halve middelen doemde hij als ingesproken door vreesachtigheid en lage aarzeling.

Volgens de gewoonte zulker vergaderingen werden de woorden van Burchard het meest toegejuicht, alleenlijk omdat hij de geweldigste middelen voorstelde.

Willem Van Wervick en Ingelram Van Eessen hadden al zijne woorden met geestdrift toegejuicht, en nu en dan vuriger nog dan hij, hunnen haat voor graaf Karel uitgedrukt.

Na eenige wederspraak van beider zijde, staakten Hacket en Robrecht hunne vruchtelooze pogingen, daar de meerderheid hen met onwil aanhoorde en luidruchtig riep dat men tot de stemming zou overgaan.

De Voorman herhaalde in een kort begrip, wat de verschillende redenaars het gewichtigst over de hangende zaak hadden doen gelden.

Dan zeide hij:

"Gezellen, vooraleer tot de stemming over te gaan, meen ik u te mogen herinneren dat elk onzer door zijnen gildeneed verbonden is de besluiten van den Hoop te aanvaarden en rechtzinnig en trouw tot hunne uitvoering mede te werken, welke ook zijne bijzondere meening over deze besluiten zij. Wie deze verplichting niet geheel aanvaardt, dat hij opsta en het verklare!... Niemand antwoordt, het is wel. Nu zal ik de voorstellen u, onder vorm van vragen, toerichten. Wie de hand in de hoogte steekt antwoordt bevestigend, wie dit niet doe, stemt tegen het voorstel ... Ik vraag u dus ten eerste: zullen de vrije Ambachten van Kerlingaland de wapens opvatten en oorlog voeren tegen den graaf!"

De gansche vergadering sprong recht met de handen opgeheven.

En toen de Voorman uitriep:

"De Hoop besluit eenparig tot den oorlog!" volgde er onmiddellijk een langdurig gejuich, vermengd met blijde kreten en met woeste bedreigingen tegen de Isegrims.

De hamerslag hergalmde driemaal.

"Nu de tweede vraag", zeide de Voorman, "Verloochenen de vrije Ambachten Karel van Denemarken als graaf van Vlaanderen?"

Bij dit voorstel werd het noodig geoordeeld de stemmen te tellen; want een zeker getal afgevaardigden hadden de handen niet opgestoken.

Evenwel, men bevond dat de grootste meerderheid het voorstel aanvaardde, en de Voorman kondigde dus den uitslag af:

"De Hoop besluit dat de vrije Ambachten Karel van Denemarken niet meer als graaf van Vlaanderen erkennen."

Weder werd deze beslissing door luid gejuich begroet.

Eenigen der aanwezigen nochtans waren droef of schrikten terug van den gevaarlijken stap dien men hier zoo lichtvaardig waagde. Robrecht Snelooghe schudde het hoofd in diepe overweging; op het gelaat van Hacket stond eene zure grijns van ontevredenheid.

"Ik vraag het woord!" riep Burchard Knap.

En zoohaast de Voorman toestemmend hem had geantwoord, sprak hij:

"Gezellen, ik wensch u geluk over uwe manmoedige besluiten. Gelooft mij, gij hebt gedaan wat Kerlingaland van zijne vrije, van zijne onversaagde zonen mocht verwachten. Nu hebben wij geenen vorst meer. Ik raad u aan, zonder deze zaal te verlaten, eenen anderen graaf te kiezen en uwe stemmen op zulken persoon te richten die als opperveldheer ons ten oorlog kan geleiden. Wij mogen geenen tijd verliezen om ons zulken leidsman te geven. Ik zal mij verstouten iemand aan uwe keus voor te stellen. Een afstammeling onzer wettige graven is mher Willem Van Loo...."

"Willem Van Loo, leve Willem Van Loo!" riepen velen der aanhoorders; maar de Voorman klopte met den hamer, en Burchard hernam:

"Laat mij voortgaan, gezellen: mher Willem Van Loo, thans burggraaf van Yperen, is een kleinzoon van onzen beroemden graaf Robrecht De Vries. De moeder van mher Willem was eene vrije Kerlinne; hem vloeit dus Kerlenbloed in de aderen. Hij kent ons en heeft zijn gansch leven in ons midden gesleten. Hij heeft reeds als veldheer groote legers aangevoerd en is een beroemd krijgsman. Schijnt het niet dat God zelf dezen telg van onzen ouden grafelijken stam heeft gespaard, om ons ter zegepraal te leiden? Welaan, roepen wij mher Willem Van Loo met eenparige stemmen tot graaf van Vlaanderen uit."

De kreten: "Leve Willem, graaf van Vlaanderen! Heil, heil onzen graaf!" weergalmden zeer lang en zoo algemeen dat niemand het nuttig achtte de stemming door het opsteken der handen te bevestigen.

Toen het mogelijk was zich weder te doen hooren, vroeg iemand of men zich mocht verzekerd houden dat Willem van Loo uit de handen der Kerels de kroon van Vlaanderen zou willen aanvaarden. Deze kroon moest nog ten prijze van veel bloed misschien, en door zegepralen gewonnen worden. Zou mher Willem toestemmen om deze kans te wagen?

"Twijfel er niet aan", antwoordde Burchard. "Willem Van Loo stemt toe om zijn lot aan het lot der Kerels te verbinden; met ons zal hij overwinnen of bezwijken ... En, wil de vergadering mij oorlof geven om deze zaal eenige oogenblikken te verlaten, ik zal terugkeeren met mher Willem Van Loo, en hij zelf zal u van zijne aanvaarding verzekeren."


Back to IndexNext