[51]
"Isaac, Burchard, Willem Van Wervick, Ingelram en hunne medeplichtigen ... riepen tot dien eed den jongen Robrecht; maar de edele jonkman, verschrikt en tranen stortende, zeide: verre van mij het inzicht onzen vorst te verraden! Indien gij van uw opzet niet afziet, zal ik uw verraad den graaf openbaren."GALBERTUS. in deMém rel. à l'hist. de France,tom. VIII, p. 258.
"Isaac, Burchard, Willem Van Wervick, Ingelram en hunne medeplichtigen ... riepen tot dien eed den jongen Robrecht; maar de edele jonkman, verschrikt en tranen stortende, zeide: verre van mij het inzicht onzen vorst te verraden! Indien gij van uw opzet niet afziet, zal ik uw verraad den graaf openbaren."
GALBERTUS. in deMém rel. à l'hist. de France,tom. VIII, p. 258.
[52]
"Binnentredende, doofden zij hunne vuren uit, opdat degenen, die in het huis waakten, hen niet zouden herkennen."GALBERTUS, p 259.
"Binnentredende, doofden zij hunne vuren uit, opdat degenen, die in het huis waakten, hen niet zouden herkennen."
GALBERTUS, p 259.
De kerk van St-Donaas, binnen den burg, was een schoone, groote tempel van Romaansche bouwstijl.
Hare middelbeuk was zeer verheven; maar van wederzijde verlengde zich eene lage, donkere nevenbeuk, waarvan het neergedrukte welfsel op korte pijlers rustte. Daarboven liep, rondom de geheele kerk, eene opene gaanderij, vanwaar de geloovigen even goed als beneden de priesters aan den autaar konden zien en de goddelijke diensten bijwonen.
De Zuidelijke zijde dezer gaanderij had men van het overige gedeelte afgescheiden, en tot eene kapelle voor den graaf van Vlaanderen ingericht.
Zij was versierd met een prachtig altaar en met schooneheiligenbeelden. Een kostbaar gesnedene knielbank voor den graaf prijkte in haar midden, bijna aan den voet des altaars. Er stonden aan beide zijden gestoelten voor de lieden van het hof en, meer naar den gemeenen ingang, vele rijen houten banken voor de geloovigen, die 's graven misse wilden bijwonen; maar vooral voor de arme menschen, die gewoon waren hier in menigte te komen, met de hoop van den vorsten aalmoezen te genieten.
Deze verhevene kapelle, die men de opperkerk noemde, had eenen ingang voor het volk, die met eenen engen steenen trap onder de lage beuk der benedenkerk uitkwam; maar dicht bij het altaar was eene tweede deur, uitsluitelijk bestemd ten gebruike des graven. Een gewelfde gang liep van daar over de Hoogpoort naar het paleis, op zulke wijze dat vorst Karel, uit zijne slaapkamer tredende, zich ter kerk kon begeven zonder het plein van den burg te moeten overstappen.
De nacht was ongewoon donker geweest, ter oorzake van eenen dikken mist, die reeds van den avond te voren als een somber baarkleed over de aarde was nedergezakt.
Nu ging de morgenstond aanbreken; maar nog was de nevel zoo dik, dat men nauwelijks op een paar stappen verre de voorwerpen als onduidelijke schaduwen kon onderscheiden.
In de opperkerk van St-Donaan hadden de broeders en klerken van het klooster een aantal waskaarsen op en nevens het altaar aangestoken, in afwachting dat het uur der vroegmis verscheen.
Vele geloovigen,—poorters uit de naburige straten, of arme menschen, waartusschen ook eenige vrouwen,—traden onder de donkere poort der kerk en beklommen langzaam den steenen trap, om in 's graven kapelle de misse te gaan hooren.
Maar wat niemand bemerkte was, dat nu en dan vele mannen met bruine mantels en breede hoeden den steenen trap voorbijstapten om zich in de duisternis onder de lage nevenbeuk der benedenkerk te gaan verbergen.
Eenigen dezer scheidden zich echter zonder spreken bij de groote ingangpoort van hunne makkers en bestegen den trap. Onder het opklimmen fluisterden zij nog elkander geheime woorden toe, doch zoohaast zij de deur der opperkerk bereikten, hielden zij zich alsof zij elkander geheel vreemd waren, en stapten stil en met zedige houding, ieder in eene verschillende richting, door de geloovigen, om plaats op eene der knielbanken te zoeken.
Zoo naderde er nu een man, die op eenen stok leunde, tot eene der voorste banken en knielde neder tusschen twee vrouwen. Zij bezagen hem, voor zooveel het schemerlicht der waskaarsen het hun toeliet; zijne hooge gestalte verwonderde hen. Maar de man moest ziek of zeer oud zijn; want hij ging diep gebogen, en dat hij noodlijdend was, kon men genoeg bemerken aan zijnen gelapten en gescheurden mantel. Ongetwijfeld kwam hij, evenals vele andere arme lieden, in de kapelle om deelachtig te worden aan de aalmoezen welke de graaf gewoon was in de vroegmis uit te deelen.
Van zulke zonderlinge arme lieden bevonden er zich nu een zeker getal in de kapelle tusschen de geloovigen verspreid; maar alhoewel de eerste dagschemering als een flauwe melkachtige schijn zich aan de buitenvensters vertoonde, was het nog zoo donker in het diepe der kapelle, dat men zelfs de lieden, nevens wie men onmiddellijk was gezeten, niet duidelijk kon onderscheiden.
Het uur der vroegmis moest verschenen zijn; want alles was gereed op het altaar. Een koorknaap hield zelfs de hand aan het zeel eener klok, om op het eerste sein te kleppen; ja, in de opene deur van het sakristijn, vertoonde zich nu en dan een priester in plechtgewaad, die als met ongeduld naar de deur blikte, om te zien of de graaf nog niet kwam.
Ook de arme man met den gescheurden mantel scheen door ongeduld aangejaagd; want, ofschoon hij diep voorover op zijne knielbank gebogen lag, hief hij bij het minste gerucht het hoofd op en liet het dan weer nederzakken, onder het slaken van een versmacht gemor. De nevenszittende vrouwen meenden, dat hij zuchtte van verdriet, omdat degene, van wien hij hulp voor zijnen nood verhoopte, zoolang zich liet wachten.
Maar zij bedrogen zich in hun medelijden; want in het hart, dat onder den gescheurden mantel onstuimig klopte, woelde de vurigste haat en gloeide de dorst naar bloed. Indien de graaf, door Robrecht Sneloghe gewaarschuwd, of door onpasselijkheid belet, in de vroegmis niet verscheen, dan ontsnapte hij aan de wraakzucht van zijnen vijand, en verijdeld werd de zoo wel beraamde aanslag! Alle hoop was dan voor Burchard verloren; want het leger van Atrecbt was misschien reeds in Vlaanderen, en graaf Karel, door zulke macht van ridders omringd en beschut, zou niet meer naakbaar zijn voor een balling, die in het diepe van Kerlingaland eene schuilplaats zou moeten zoeken.
Terwijl de moordzuchtige Burchard dus in zich zelven het dreigend lot vermaledijdde en eene klimmende hopeloosheid in zijn hart voelde zinken, kwam er uit het sakristijn een priester, dien hij voor den hofkapelaan herkende. Deze verdween in de deur welke toegang gaf tot het paleis. Burchard twijfelde niet of hij wilde naar de reden van des graven afwezigheid gaan vernemen. En inderdaad, hij misgreep zich niet; want de priester begaf zich voor de gang naar de nachtvertrekken des vorsten. In eene voorzaal ontmoette hij Jan Cauwenoghe, den kamerdienaar des graven, die op zijne vraag antwoordde:
"Onze heer graaf heeft zeer slecht geslapen dezen nacht: hij gevoelt zich niet wel en is later dan naar gewoonte opgestaan; maar nu is hij gekleed en komt oogenblikkelijk. Er is geen belet: ga maar binnen, heer kanunnik."
De priester klopte en opende de deur. Hij vond den graaf staande te midden der kamer, terwijl een andere dienaar hem hielp om de kap op zijn hoofd te schikken.
"Ik vraag u verschooning, kapelaan", zeide de vorst. "Laat ik u wachten, het is mijne schuld niet. Nog een paar minuten."
"Maar indien Uwe Hoogheid onpasselijk is", bemerkte de priester, "ware het beter nog wat te bedde te blijven en te rusten."
"Neen, neen, heer kanunnik, ik voel heden, meer dan andere dagen den nood om God te bidden. Ik heb zoo slecht geslapen, den gansenen nacht gedroomd van ijselijke dingen, koortsig geweest en gewoeld, als ware het bed mij eene pijnbank geworden[54]. Kanunnik, gij kent de Kerels, gij; zouden zij inderdaad bekwaam zijn om mij bij verrassing te dooden?"
"U dooden?" herhaalde de priester verschrikt. "Vreest gij dit, heer graaf?"
"Men heeft het mij gezegd; nu heb ik herhaalde malen er van gedroomd."
...Met gekloofd hoofd op den vloer der kerk.......Met gekloofd hoofd op den vloer der kerk....
"Het is misschien eene waarschuwing des hemels!" zuchtte de kanunnik. "Blijf in uwe kamer, heer vorst, de kapel is vol volk. Wie weet?"
"Is er niet dagelijks volk in de kapelle? God houdt mijn leven in Zijne handen", zeide graaf Karel met eenen glimlach. "Heeft Hij er over beschikt, dan kan een moordenaar mij even goed hier treffen als in de kerk. Zou ik nalaten mijne Christelijke plichten te vervullen, omdat een zwarte droom mijne nachtrust heeft gestoord Ik volg u, kapelaan."
Hij duwde eene andere deur open en zeide tot de ridders die daar opzijne bevelen stonden te wachten:
"Heeren, wij zijn gereed en gaan ter misse. Gelieft ons te volgen."
Hierop trad hij met den kapelaan uit de kamer. Na hem kwamen de volgende personen: Tancmar Van Straten, zijn geheimraadsheer; Gervaas Van Praet, zijn opperkamerling; Walter Van Lokeren, zijn hofbottelier, met dezes broeder Eustaas Frumold, Arnold en Ogier, zijne schrijvers en rekenmeesters met nog vier of vijf andere hofbedienden.
Toen de graaf in de kapelle verscheen, klepte men het klokje, dat bij het sakristijn hing.... Een onwillige kreet ontsnapte den man met den gescheurden mantel; maar hij boog onmiddellijk het hoofd zoo diep dat, al hadde er meer licht in de kapelle geheerscht, men toch zijne wezenstrekken niet zou herkend hebben.
Graaf Karel knielde neder op weinig afstand van het altaar; de lieden van zijn gevolg namen plaats in het gestoelte. De mis begon....
De priesters zongen de morgengebeden, en de vorst, zijne stem met de hunne parende, zeide de psalmen Davids op, terwijl in het overige der kerk de diepste stilte heerschte. Toen de misse eenigszins gevorderd was en graaf Karel met luider stemme denpateropzeide, verliet Tancmar Van Straten het gestoelte, haalde eene zijden beurs uit zijne tasch en legde, volgens de dagelijksche gewoonte, eene handvol deniers op het rustbord van 's vorsten knielbank.
Dit was een teeken voor de arme lieden, die nu van tusschen de banken en zoo stil mogelijk den graaf naderden om eene aalmoes uit zijne hand te ontvangen.
Ook de hoogstaltige man met den gescheurden mantel stond op. Zich diep gebogen houdende en leunende op eenen staf, als hadde hij moeite om zijne verstijfde beenen te sleepen, stapte hij langzaam vooruit en schikte zich tusschen andere noodlijdenden, achter des graven rug.
Eene zieke vrouw, met een kind op den arm, stak het eerste hare hand uit, om den denier te ontvangen, dien graaf Karel haar toereikte.... Maar op dit oogenblik wierp Burchard den gescheurden mantel zich van de schouders; een zwaard bliksemde in zijne handen,en hij sloeg het neder met zulk wreed geweld, dat de arme graaf, zonder zelfs eene klacht te kunnen uiten, met gekloofd hoofd op den vloer der kerk achterover stortte ...[55]
De arme lieden vluchtten weg van het autaar en vervulden de kapelle met den weekreet: "Wacharm! Wacharm! Wacharm!"
Maar boven dit noodgekerm heerschte de machtige stem van Burchard, die schreeuwde:
"Harop! Harop! Leve Willem Van Loo, graaf van Vlaanderen! Heil Willem! Heil! Heil!"
In de benedenkerk hergalmden even ras dezelfde kreten, alsof van daar honderd verwarde stemmen het akelig moordgeroep hadden beantwoord.
Door de afschuwelijkheid zelve der ongehoorde misdaad verstomd dachten de ridders des graven in den eerste op geene tegenweer welke zij overigens als onmogelijk aanzagen. Zij waren terzijde gesprongen, om de slingeringen van Burchards zwaard te ontwijken; twee of drie waren zelfs langs de naaste deur in bet paleis gevloden om daar hulp te zoeken.
Tancmar Van Straten wilde hen volgen; maar Ingelram Van Eessen, die nu met vijf of zes man toeschoot, gaf hem eenen wreeden zwaardslag. Met geopenden schouder viel de hofraadsheer levenloos in zijn bloed ten gronde[56].
De geloovigen liepen kermend naar den uitgang en verpletterden elkander bij de nauwe deur om te ontvluchten. Velen waren reeds op den steenen trap geraakt; maar daar ontmoetten zij de mannen van Burchard die, als een woeste drom, de vliedenden terug naar boven dreven en achter hen met woedend wraakgeschreeuw de kapelle binnenstormden.
In deze drukke verwarring was het onmogelijk iemand te herkennen of te vervolgen; de moordenaars zelven werden voortgewoeld en onweerstaanbaar tot tegen den autaar gedrongen. Dit gaf den meesten van 's graven lieden tijd en middel om te ontkomen; doch, dewijl Ingelram Van Eessen de deur naar het paleis hield bezet, zagen zij zich gedwongen een anderen weg te zoeken of zich te verbergen. Dan eerst werd de uitgang naar de benedenkerk vrij; ook bleef er, een oogenblik daarna, niemand meer in de bovenkerk dan de moordenaars en drie of vier priesters, die bevend en weenend op het bloedige lijk van Karel staarden, zonder het evenwel te durven raken.
De moordenaars, vreugdedronken over hunne gemakkelijke zegepraal, deden niets dan juichen en schreeuwen:
"Heil Willem, heil den nieuwen graaf van Vlaanderen! Heil! heil!"
Maar Burchard, door eenen schallenden klank zijner stem, gebood hun de stilte en zeide:
"Zwijgt, mannen, ons werk is niet volvoerd. Met den graaf waren hier een tiental vermaledijde Isegrims. Zij kunnen niet ontvlucht zijn; de uitgangen der kapelle waren bezet; zij zijn dus verborgen. Doorzoekt alle hoeken en kanten; en, vindt gij iemand, brengt hem hier voor mij. Wie mij Walter Van Lokeren levert, of Gervaas Van Praet, of den schrijver Frumold, dien geef ik drie marken zilvers!"
Zijne mannen, door het gezicht van twee lijken en van plassen bloed aangehitst, en door de hoop op de aanzienlijke belooning verlokt, begonnen hunne opzoekingen niet alleen in de kapelle, maar tevens in de benedenkerk.
Walter Van Lokeren, na Tancmar de heetste vijand der Kerels, hield zich verborgen achter het orgel. Een kerkdienaar had eenen mantel over hem geworpen, en hij zat, op den houten vloer ineengekropen, onder dit wijde kleedsel.
Hij hoorde hoe men zijnen naam uitriep en hem eenen ijselijken dood toezwoer; het hart klopte hem van angst, en het koude zweet brak hem uit. Alle hoop had hem echter niet begeven, want tot dan had geen zijner vijanden er aan gedacht deze schuilplaats te doorzoeken.
Maar nu hoorde hij eene bende woedende mannen naderen. Welhaast beukten zij zoo geweldig met hunne zwaarden op de orgelkas, dat elke slag als een doodvonnis in de ooren van den armen ridder hergalmde.
Zeker dat zij hem gingen ontdekken, sprong hij op en liep dwars door zijne vervolgers in de kapelle, met opgeheven armen tot God om hulp roepende en zijne vijanden om levensgenade smeekende.
Burchard en Ingelram herkenden hem. Zij liepen hem achterna en huilden als bloedzuchtige tijgers:
"Sla dood, sla dood, den snooden Isegrim!"
Walter Van Lokeren viel geknield voor den autaar, op het oogenblik dat Burchard hem bereikte en hem met de eene hand bij het haar greep, terwijl hij met de andere zijn zwaard ophief om hem den doodslag te geven.
Een priester hield evenwel zijnen arm terug en smeekte, met tranen in de oogen, om genade voor den ongelukkigen ridder; en, toen hij op het wraakzuchtig antwoord van Burchard wel merkte dat het leven van den hofbottelier niet te redden was, verzocht hij den moordenaar toch niet langer aldus de kapelle met bloed te besmetten en het huis Gods te ontheiligen.
Burchard en zijne beide eedgenooten, Ingelram en Isaac sleurden den ridder bij het haar over den vloer der kapelle naar de uitgangdeur.
"O, mijn God, mijn God, erbarm u mijner!" kermde Walter Van Lokeren. "Spaart mij, spaart mij!"
"Wij zullen u sparen zooals gij ons bij den graaf heb gespaard, valsche lasteraar![57]" antwoordde hem Burchard.
Zij rukten hem van de trap, brachten hem voor de deur der kerk en hakten daar allen te gelijk op hem, met zooveel woede, dat zijn lichaam schier onkennelijk was, toen zij het verlieten om in de benedenkerk naar nieuwe slachtoffers te zoeken.
Onderwijl hadden hunne mannen in de kapelle, achter den autaar de wareschuilplaats der gevluchte ridders en hofbedienden ontdekt. Opvolgend hadden zij uit dit donker hol, waarin men gewoon was de minst kostbare sieraden der kerk te bergen, zeven of acht personen gerukt en ze te midden der kapelle gesleurd, om te herkennen of er tusschen hen zich niet een der ridders bevond voor wie Burchard de marken zilvers had beloofd.
Deze ongelukkigen stonden daar nu bevend, met den doodsangst op het gelaat, en schouwend op het lijk van hunnen vorst, dat nevens hen in zijn bloed lag uitgestrekt. Zij twijfelden niet aan het wreede lot dat hun was beschoren; de eenen knielden neder, de anderen vouwden de handen, eenigen smeekten de priesters, die bij het sakristijn stonden, hunne biecht te willen hooren; allen spraken met misbaar en tranen van hunne kinderen of van hunne ouders ...
Onder hen bevonden zich Arnold en Ogier, des graven schrijvers; Bertyn en Baldwyn, zijne kamerdienaars; Godbert, zijn schenker, en de jonge Frumold, zijn schatbewaarder.
Deze laatste was een dergenen, voor wier levering Burchard drie marken zilvers had beloofd; maar de moordenaars kenden hem niet. Daarom, alhoewel zij hunne zwaarden en knijven boven de hoofden der gevangenen zwaaiden, sloegen zij hen niet. Zij wilden op de komst hunnen aanleiders wachten, opdat zij hun aanwezen wie van dezen hun onbekende lieden moest vermoord of behouden worden.
Frumold, die zich op de knieën had laten vallen, sprak met luider stemme zijne biecht, en bekwam dan ook de vergiffenis zijner zonden van eenen priester.
Den ring van zijnen vinger trekkende, bood hij dien den geestelijke en zuchtte:
"O, vader, ik smeek u, geef deze laatste herinnering aan mijne dochter Aleidis! Zeg het ongelukkig kind dat ik haar zegen, dat ik daarboven God voor haar zal bidden. Weze zij de arme ziel haars vaders gedachtig ..."
En na deze woorden deed hij vruchteloos geweld om nog te spreken: tranen en snikken versmachtten zijne stem.
De priester, door medelijden geroerd, veinsde de ontvangene boodschap onmiddellijk te willen volbrengen, en begaf zich naar de deur van den trap, zonder dat iemand der moordenaars hem belette uit te gaan. Hij had nog eenige hoop den schatmeester des graven te kunnen redden, en liep met dat inzicht naar de proostdij, om Bertulf te gaan verwittigen en zijne hulp in te roepen.
Al deze dingen waren geschied op minder tijd dan er noodig is om ze te verhalen. Nog altoos heerschte er eene halve schemering in de kapelle, alhoewel er reeds eene grijze klaarheid in de benedenkerk zich verspreidde.
Nu kwam Burchard met zijne bloeddorstige vrienden terug in de kapelle.
Isaac Van Reninghe herkende des graven schatmeester. Hij sprong op hem toe, rukte hem, onder het bulderen van schromelijke vermaledijdingen, de kappe van het hoofd, greep hem bij het haar en sleepte hem over den vloer, om hem buiten de kerk te gaan vermoorden.
Maar daar trad de proost Bertulf hem te gemoet, met den ouden Frumold, des schatmeesters oom, die, ondanks zijne zwakheid, Isaac om de lenden vatte en hem dwong zijn slachtoffer los te laten.
Burchard kwam toegeloopen. De proost zeide hem met tranen in de oogen:
"Neef, neef, wat hebt gij gedaan? Vreest gij dan niet dat de wrake Gods om zulke misdaad ons geslacht verdelge als een ras van Caïn?"
"Geene laffe woorden!" riep Burchard zeer trotsch. "Willem Van Loo is graaf van Vlaanderen. Aan hem alleen heb ik rekening mijner daden te geven en, keurt hij goed wat ik doe, wie zou mij durven laken?"
"De dooden zijn noch door klachten noch door gebeden op te wekken", zuchtte de oude Bertulf, "maar uit liefde tot uwen grijzen oom, spaar het leven dezer arme lieden!"
"Frumold moet sterven!" gromde Ingelram Van Eessen.
"Ach, Isaac, mijn vriend", smeekte Frumold, "heb deernis met mij, ontferm u mijner arme kinderkens, die op de wereld zullen blijven zonder steun!"
"Hoe? medelijden met u?" schreeuwde Isaac Van Reninghe, spotlachend. "Zijt gij het niet, die, meer nog dan anderen, ons bij den graaf hebt gelasterd? Gij zult sterven, al boodt gij ons zooveel goud aan als de kapelle kan bevatten. Kom, kom, naar de deur der kerk; ik alleen kloof u het hoofd!"
Onderwijl had de proost nog eenige woorden met zijnen neef gewisseld. Deze verhief de stem en, als een veldheer gebiedende, riep hij:
"Stil! Men zal hier doen wat ik beveel."
En zich tot Frumold keerende, die nog biddend op de knieën zat, vroeg hij, in schijn meer bedaard:
"Gij hebt de sleutels van des graven schat in uw bezit?"
"Hier zijn ze", antwoordde Frumold, eenen reesel sleutels uit zijne tasch halende.
"Er moeten verborgene schatten zijn?" mompelde Burchard.
"Ja, zulke zijn er", bevestigde Frumold, die begon te hopen dat de tusschenkomst van den proost hem misschien nog het leven zou redden.
"Zult gij ons die verborgene schatten toonen?" vroeg hem Burchard.
"Ik zal ze u aanwijzen, zonder iets te verzwijgen."
"Welnu", zeide Burchard op eenen toon, die geene wederspraak duldde, "ik vertrouw de sleutels aan mijnen oom, den proost, die ze zal bewaren. Wij hebben nu geenen tijd ons daarmede lang bezig te houden. Al deze gevangene stel ik insgelijks onder de bewaking van den proost van St-Donaas. Hij blijft jegens ons en jegens den graaf van Vlaanderen borg, dat geene hunner zonder mijn bevel uit de proostdij zal gaan[58]."
De gevangenen dankten en juichten; want zij waren nu aan eenen onmiddellijken dood ontsnapt en twijfelden niet of de proost, wiens overheid groot was, zou hen blijven beschermen, totdat de woede hunner wreede vijanden was gekoeld. Zij volgden hunnen redder naar de trap der kapelle.
Wel morden en gromden Burchards gezellen; maar hij zeide hun:
"Geen tegenstand! Wij moeten 's graven schat hebben. Willem Van Loo zalhem gebruiken om den oorlog tegen onze vijanden te voeren. Wij kunnen later even goed over het lot van Frumold en van de anderen beslissen. Nu moeten wij het paleis gaan doorzoeken om te zien of daar geene onzer vijanden meer te ontdekken zijn. Gervaas Van Praet is ons ontsnapt; de beide zonen van den snooden Tancmar leven nog! Komt met haast; wij moeten den ganschen dag arbeiden ..."
Zij liepen door de gang over de Hoogpoort en kwamen in het paleis; maar, hoe zij zochten in kamers, in zalen en in kelders, zij vonden er geen levend wezen.
Slechts toen zij het paleis meenden te verlaten, troffen zij in de voorzaal, tegen het plein, den kastelein Hacket aan, met Hendrik Van Roesbrugge, eenen ridder van 's graven hof, en Eustaas, den broeder van den vermoorden Walter Van Lokeren.
Zoohaast zij dezen laatste bemerkten, hieven zij hunne zwaarden op, om hem onmiddellijk neer te hakken; want hier niet op gewijden grond zijnde, hadden zij geene reden om hun slachtoffer naar buiten te sleuren.
Maar Hacket, die hun inzicht bespeurde, sprong voor de twee ridders, beschutte ze met zijn lijf en riep:
"Zij zijn mijne gevangenen! Niemand raakt een haar van hun hoofd zonder mij eerst te dooden!"
Hetzij de woede van Burchard was gekoeld, of dat hij zijnen oom niet op eene bloedige wijze wilde wederstreven, hij gebood zijnen mannen, deze ridders, die zich toch den Kerels niet bijzonder vijandig getoond hadden, vooralsnu ongehinderd te laten; en hij stelde ze, evenals hij met de anderen had gedaan, in bewaring van den proost en van den kastelein, die voor hunne gevangenhouding verantwoordelijk zouden blijven.
Op dit oogenblik haalden eenige gezellen van Burchard eenen ouden man uit eene schuilplaats nevens de poort.
Deze beweerde dat hij zich niet had verborgen. Wie zou Eggard, den grijzen deurwaarder der Loove, toch willen kwaad doen, hem, die niets dan vrienden telde in Brugge?
Inderdaad, Burchard lachte over den vond zijner mannen en verbood dat men den halfzinneloozen poortbewaarder eenig kwaad deed.
"Welnu, Eggard", vroeg hij, "hebt gij altoos bij de poort gestaan, sedert dezen vroegen morgen?"
"Reeds van vier uren", was het antwoord.
"Gij hebt dan wel lieden zien vluchten, dienaars en ridders?"
"Velen."
"Ook mher Gervaas Van Praet?"
"Ja, die is in den stal op een paard gesprongen en is langs de Hoogpoort weggereden, als hadde hij den duivel achter zich[59]."
"Zoo, zoo! En de zonen van mher Tancmar?"
"Die zijn beiden niet in het paleis geweest en slapen waarschijnlijk nog, indien de helsche storm, die er op den burg heerscht, hen niet heeft gewekt."
"Volgt mij, gezellen!" kreet Burchard. "De zonen van Tancmar zijn onze grootste vijanden. Wij gaan ze verrassen. Zij moeten sterven!"
Zij liepen in allerhaast over het middelplein en door de Hofpoort.
Nu begon het klaar dag te worden. Ongetwijfeld had de schromelijke mare zich gedeeltelijk door de stad verspreid; want er was reeds volk op de straten, meest gemeene lieden en schalken.
Waar de woeste bende voorbijging en den zegevierenden schreeuw: "Leve Willem Van Loo, graaf van Vlaanderen!" tot boven de huizen deed hergalmen, juichte het volk hen toe en herhaalde hunnen roep.
Nergens een teeken van afkeuring, nergens een traan over het lot van den vorst, die zoo ellendig onder den slag van sluipmoordenaars den dood had gevonden.
Graaf Karel was in Brugge niet algemeen bemind, hoe milddadig hij zich ook jegens de noodlijdenden toonde. Alhoewel de poorters van Brugge sedert lang aan eene bijna geheele afhankelijkheid gewend waren, vloeide hun toch Kerlenbloed in de aderen, en poogden zij met ijverzucht de weinige vrijheden te bewaren, welke de vorige graven hun had laten behouden. Omdat Karel van Denemarken, door de Isegrims geraden, aangaande het bestier des lands meer zuidelijke gedachten koesterde, en alle macht in zijnen persoon alleen scheen te willen samentrekken, zonder acht op de bestaande vrijheden te slaan, hadden zij eenen wrok tegen hem. Dat hij het niet oprecht met zijne onderdanen meende, daarvan beschuldigde men hem niet; maar het was genoeg dat hij niet zelden zijnen eigen wil in de plaats van het recht stelde, om hem de genegenheid der poorters te ontrooven.
Hoe het zij, zeker bevonden zich tevens in de straten vele menschen, die den moord van vorst Karel als een gruwel laakten of betreurden; maar zij durfden het niet toonen, uit schrik voor de wreede Houtkerels, tusschen welke zij er sommigen bemerkten wier handen gansch met bloed waren geverfd.
Over de St-Salvatorskerk, op den hoek der Zilverstraat, stond de prachtige steen, door het huisgezin van Tancmar bewoond.
Burchard en zijne mannen, toen zij voor dezen sterken Steen kwamen, begonnen met hunne zwaarden op de poort te slaan en te schreeuwen dat men zou openen; maar zij bekwamen geen antwoord, en het bleef binnen in het huis zoo stil alsof geen levend wezen zich er had bevonden.
Geen middel was er om in den Steen te dringen. Dit onverwacht beletsel voerde hunne woede ten top, en zij poogden hunne spijt lucht te geven door het bulderen van allerlei vermaledijdingen.
Maar Ingelram Van Eessen bemerkte eenen balk, die wat verder voor de deur van eenen wagenmaker ten gronde lag. Hij riep eenige mannen tot zich en dezen keerden welhaast weder met den vreeselijken stormram op de armen.
Achteruitgaande, liepen zij tegen de poort en beukten zoo geweldig, dat de slag als een donder binnen den Steen hergalmde.
De poort was zeer sterk; zij weerstond aan vijf herhaalde botsingen, zonder te breken of te bewegen; maar bij den zesden slag sprong een der bovenste hengsels uit den muur en eene zijde der poort neigde achterover. De aanvallers hieven zegevierende kreten aan. Nog één loop, en de poort zou onfeilbaar nederstorten.
Men was met den stormram achteruitgeweken, om met verdubbelde kracht tegen de poort te beuken. Burchard en zijne gezellen hieven hunne zwaarden in de hoogte, gereed om den Steen binnen te stormen en hunne vijanden neder te hakken ... toen eensklaps twee personen over den achtermuur van den Steen in de Zilverstraat sprongen en met ongemeene snelheid hun behoud in de vlucht zochten.
"Zij zijn het, Tanemars zonen! Slaat dood, slaat dood! Drie marken zilvers voor elk!" riep Burchard, terwijl hij, door al zijne mannen gevolgd, de vluchtelingen achternaliep.
Maar dezen waren te verre vooruit en zouden waarschijnlijk ontsnapt zijn aan degenen die dorst hadden naar hun bloed, indien niet een onverwacht beletsel hun den weg had versperd.
Zoo vervolgd door hunne wraakzuchtige vijanden, waren zij het Giststraatje ingevlucht en zouden welhaast de Noordzandstraat bereiken. Zij zagen reeds van verre de stadspoort; het open veld zou hun middel geven om tusschen de boomen te ontsnappen ...
Maar daar sprong eensklaps een poorter, Berakin genaamd, met eene bijl hun tegemoet, en hij zwaaide deze boven zijn hoofd om hen er mede te treffen. Zij deinsden terug om den slag van het moordtuig te ontwijken: doch, ziende achter zich de huilende drom hunner vijanden naderen, sprongen zij kermend en hopeloos weder vooruit. Berakin trof een hunner zoo wreedelijk, dat hij hem met éénen slag den rechterarm bij den schouder afhakte.
De ongelukkige ridder viel neder en riep zijnen vliedenden broeder nog een laatst en grievend vaarwel toe.
Eenige mannen bleven staan en verminkten het slachtoffer met wreed vermaak, terwijl de overigen immer vooruitliepen om den tweeden ridder niet te laten ontkomen.
Burchard wierp eenen blik op den stervende, wiens bloed uit eene breede wonde stroomde.
"Dit is er één!" riep hij. "Het is Walter: hij heeft zijne rekening Ghyselbrecht nu! vooruit! vooruit!"
En zijnen loop hernemende, zette hij de vervolging met nieuwe woede voort.
Mher Ghyselbrecht had inderdaad de stadspoort bereikt en liep nu over het groote plein, dat men het Zand noemde. Alhoewel een twintigtal vijanden hem op de hielen waren, zou hij misschien nog den dood ontsnapt zijn; maar op het oogenblik dat hij meende in een kreupelhout te springen, stiet hij met den voet tegen den wortel ens booms en viel ter aarde.
Vooraleer hij zich kon oprichten, was hij door twintig handen te gelijk aangegrepen; en, hoe hij kermde en om genade smeekte, men sleurde hem verder op het plein.
Daar wilde men hem oogenblikkelijk het hoofd kloven; maar degene, die beweerde hem allereerst te hebben aangevat, stelde zich tegen dit voornemen en dreigde de anderen met zijn zwaard. Hij had, zeide hij, de beloofde marken zilvers verdiend en wilde den gevangene aan Burchard Knap overleveren, die hem dan ook de toegezegde belooning niet zou weigeren.
Terwijl zij nog daarover aan het twisten waren, kwam Burchard met de geheele bende op het plein en naderde degenen die den ridder omringden.
"Ik, Batulf Merlaan, heb hem gevat: mij de marken zilvers!" riep hem een gezel toe.
"Gij zult ze krijgen, wees gerust", antwoordde Burchard.
"Ha, ha, daar heb ik u in mijne klauwen, gij snoodste aller Isegrims!" viel hij met bloedzuchtigen spotlach tegen Ghyselbrecht Tancmar uit. "Beveel uwe ziel aan God, gij gaat sterven! Ik wil, dat men uwe afgerukte leden rondom dit plein zaaie, zooals men met lafaards en verraders doet!"
Ghyselbrecht kroop op de knieën voor hem en hief de bevende handen in de hoogte, met overvloedige tranen om genade smeekende en schatten gouds hem belovende.
"Gij zijt zinneloos!" bulderde Burchard. "U het leven schenken? U, den boozen, den valschen, den meedoogenloozen vijand der Kerels? Wie heeft mher Robrecht Sneloghe bij jonkver Van Woumen gelasterd en ons eenen bloedigen hoon doen toebrengen? Ha, gij moest de bruidegom van jonkver Placida worden? Gij gaat trouwen met den dood!"
"Genade, genade, ik verzaak de hand van Placida!"
Maar Burchard hoorde hem niet aan en ging voort:
"Wie heeft aan het hof zelfs de vrije geboorte der Erembalds durven loochenen? Wie is daardoor de schuld geworden des doods van den edelen Kerel Segher Wulf? Wie heeft Karel van Denemarken het edict op den balfaart ingeboezemd? Ha, ha, ik zou u sparen? Zeg vaarwel aan het leven: uw uur is gekomen!"
"Bij de passie onzes Heeren, heb medelijden, o, dood mij niet!" kermdeGhyselbrecht.
"Ik zal u niet dooden", schertste Burchard, als hadde hij vermaak gevonden in de zieltoging van zijn slachtoffer te verlengen. "Neen, ik wil mijne handen aan uw bloed niet bevuilen; maar gij zult gaan zien of gij iets daarbij kunt winnen."
Hij gaf den armen ridder zulken geweldigen schop in de lenden, dat hij ter zijde viel; en dan, een teeken tot zijne mannen doende, zeide hij hun zeer koel:
"Verplettert de slang die zoovele jaren de Kerels met haar gif heeft bespuwd!"
Tien zwaarden vielen te gelijk op mher Ghyselbrecht die, zonder nog eenen zucht te kunnen slaken, den geest gaf. Welhaast waren zijne overblijfsels onkennelijk en lagen zijne leden, zooals zijn vijand het had voorspeld, over het plein verspreid[60].
Burchard gunde zijne bende eene korte wijl rust; want, afgemat van de drukke vervolging, hijgden vele mannen naar hunnen adem.
Hij verzamelde ze welhaast en zeide hun, dat hij onmiddellijk met hen naar Straten wilde gaan, om daar Rambold Tancmar te verrassen in den burcht, die nu reeds gedeeltelijk weder was opgebouwd. Van daar zou men naar Snelleghem loopen, met de hoop er Gervaas Van Praet, des graven kamerheer, te vinden. Men zou de burchten der ridders onderwege bezoeken en wapens verzamelen. Er was veel te rapen, en zoo zouden zijne mannen eene belooning vinden voor hunnen moed en hunne verkleefdheid.
Een schallend gejuich begroette zijne woorden. Met den zegevierenden schreeuw: "Heil, heil Willem Van Loo, onzen graaf! Leve Burchard Knap!" verliet de bende, die door bijgekomene poorters zeer was gegroeid, het plein en verdween kort daarop in de baan naar St-Andries.
[53]
"Dus gerust in de duisternis, besloten zij hunne misdaad den volgenden dag bij de eerste morgenschemering uit te voeren."GALB., p. 259.
"Dus gerust in de duisternis, besloten zij hunne misdaad den volgenden dag bij de eerste morgenschemering uit te voeren."
GALB., p. 259.
[54]
GALBERTUS, p. 260.
GALBERTUS, p. 260.
[55]
"Het Jaar 1127, den tweeden dag van Maart ... vermoordden de verraders den graaf, terwijl hij bad en aalmoezen uitdeelde, ootmoedig geknield voor God."GALE., p. 266
"Het Jaar 1127, den tweeden dag van Maart ... vermoordden de verraders den graaf, terwijl hij bad en aalmoezen uitdeelde, ootmoedig geknield voor God."
GALE., p. 266
[56]
Zie GALBERTUS, p. 267
Zie GALBERTUS, p. 267
[57]
"Walter, dus gevangen en zeker dat hij moest sterven, riep: "God, hebt medelijden met mij!" en zij antwoordden hem: "wij zullen u betalen met hetzelfde medelijden dat gij jegens ons hebt getoond.""Zij haatten hem uitermate; want hij was van 's graven raad, en had in elke gelegenheid hen benadeeld en den graaf aangehitst, om de gansche maagschap van den proost in dienstbaarheid (servage) te brengen."GALBERTUS, pp. 271 en 270.
"Walter, dus gevangen en zeker dat hij moest sterven, riep: "God, hebt medelijden met mij!" en zij antwoordden hem: "wij zullen u betalen met hetzelfde medelijden dat gij jegens ons hebt getoond."
"Zij haatten hem uitermate; want hij was van 's graven raad, en had in elke gelegenheid hen benadeeld en den graaf aangehitst, om de gansche maagschap van den proost in dienstbaarheid (servage) te brengen."
GALBERTUS, pp. 271 en 270.
[58]
Aangaande dit gansche tooneel en het behoud der gevangenen door tusschenkomst van den proost Bertulf, zie GALB, pp. 272 tot 275.
Aangaande dit gansche tooneel en het behoud der gevangenen door tusschenkomst van den proost Bertulf, zie GALB, pp. 272 tot 275.
[59]
"Gervaas, kamerdienaar des graven, ontvlood te paard."GALB., p. 269.
"Gervaas, kamerdienaar des graven, ontvlood te paard."
GALB., p. 269.
[60]
Zie aangaande dezen moord der twee zonen van Tancmar. GALB., p. 268.
Zie aangaande dezen moord der twee zonen van Tancmar. GALB., p. 268.
Robrecht Sneloghe lag nog te bed. De ontsteltenis zijns gemoeds, tengevolge der afschuwelijke voorstellen van Burchard, had hem in het midden van den nacht langen tijd belet te slapen; maar eindelijk toch, onder de vermoeidheid bezwijkende, was hij in eenen loomen sluimer weggezonken. Reeds begon het morgenlicht in zijne kamer te dringen, toen hij eensklaps ontwaakte en de oogen luisterend hield geopend.
Er heerschte in de verte een onduidelijk gebruis, als de suizende branding eener verre zee, waartusschen bijwijlen een machtiger gerucht, even versmoord, opsteeg. In zijne zware slaperigheid kon hij zich geen helder denkbeeld vormen van wat hij hoorde; hij meende dat het weder stormig was geworden en dat nu en dan een rukwind zuchtend tegen de torens der Steenen aansloeg.
Het gebruis scheen echter te vergaan. Robrecht liet zijn hoofd terzijde op het kussen vallen en sloot de oogen.
Maar welhaast hoorde hij in de straat eenige stemmen van lieden die in twist waren, die klaagden of elkander riepen. Dewijl zijne slaapkamer in het diepe zijner woning was gelegen, onderscheidde hij niets dan doffe klanken; hij zou misschien opnieuw ingesluimerd zijn, indien niet op dit oogenblik de stappen van een snel voorbijdravend paard voor zijnen Steen hadden hergalmd.
Alhoewel hij in zich zelven deze geruchten verklaarde door de meening dat het eerste veroorzaakt was door lieden die naar den burg ter vroegmis gingen, en het andere door eenen bode des graven, zooals er dikwijls bij het aanbreken van den dag uitgezonden werden, ontstond er niettemin een angstige twijfel in zijnen geest.
De slaap was hem beslissend ontvloden, en vermits het nu reeds licht begon te worden, stond hij op en kleedde zich met haast. Hoe het ware, hij had beloofd, voor zijne afreis naar Houthem, Dakerlia en zijne zuster nog tot vaarwel de hand te gaan drukken. Zij zouden waarschijnlijk reeds op hem wachten.
Na eene korte wijle tijds was hij gansch gekleed, daalde den trap af en ging naar de voorzaal om daar zijn zwaard te nemen.
Nauwelijks had hij den gordelriem zich om de lenden gegespt, of Dakerlia en Witta stormden klagend en met opgeheven handen de zaal binnen.
"Wach arme! Wach arme!" kermden zij, "God behoede Kerlingaland!"
"Wat is er geschied?" mompelde Robrecht verschrikt.
"Wee, wee, de graaf is vermoord!" kreten zij.
"De graaf vermoord? Graaf Karel?"
"Hij ligt in St-Donaas met gekloofd hoofd!"
"Wie, wie zijn de moordenaars?"
"Eilaas, het is gruwelijk! Houtkerels van Eerneghem ..."
"En Burchard Knap?"
"Ja, Burchard ... Wat schromelijk ongeluk!"
"Hemel, ik wist het!" zuchtte Robrecht met gebogen hoofde.
"Gij wist het?" herhaalde Dakerlia, eenen stap achteruitwijkende als hadde het verdenken van Robrechts medeplichtigheid haar doen terugschrikken.
"Neen, neen", zeide hij, het hoofd opheffende. "Ik wist dat de woeste Burchard het voornemen van dien ijselijken moord had opgevat. Mijne verontwaardiging, mijne bedreigingen, mijne gebeden troffen hem, en hij verzekerde mij dat hij van den misdadigen aanslag beslissend had afgezien. O, die ellendeling, wat al vermaledijdingen, wat al rampen roept hij niet over Kerlingaland en over geheel Vlaanderen!"
"Onuitwischbare schande voor ons geslacht!" klaagde Dakerlia
"Ons wacht de rechtvaardige wraak des hemels!" murmelde Witta snikkende.
"Ja, ja, men zou zich den naam van Kerel schamen", gromde Robrecht met toorn. "Ach, ik verbrijzel veel liever mijn zwaard dan het aan de zijde van moordenaars te moeten voeren!"
En onder het uitspreken dezer woorden trok hij zijn zwaard uit de scheede; doch, eensklaps zich bedenkende, stak hij het weder in en zeide op droeven toon:
"Mijne ooms! ik mag ze niet verlaten; ik moet ze steunen, beschermen misschien. Hoe zullen zij bedrukt zijn en schrikken, zij, de hoofden vanons geslacht! Men zal hen verantwoordelijk maken, de misdaad op hen wreken, op hen, die onschuldig zijn.... Keer terug naar huis, Dakerlia, of blijf hier met mijne zuster. Ik moet mij haasten naar den burg. Mijne ooms zullen zich tegen Burchards gewelddadigheid verzetten. Hij is in zijne blinde woede bekwaam om hen te mishandelen...."
De beide jonkvrouwen, in de gedachte dat Robrechts leven kon bedreigd zijn, wilden hem wederhouden; maar roepend dat het niet op zulk gevaarvol oogenblik was dat hij de vervulling van zijnen plicht zou verzaken, rukte hij zich los uit hunne armen en verliet de zaal, ondanks hun gekerm.
In de Hoogstraat zag hij vele lieden, die met gebaren van ontsteltenis en schrik van den kant van den burg kwamen. Onder hen bemerkte hij eenen poorter die hem goed bekend was. Dezen staande houdende, vroeg hij:
"Nu, Thiebald, wat geschiedt er op den burg?"
"O, mher Sneloghe, het is afgrijselijk! De graaf is vermoord in de vroegmis; zijn lijk ligt nog in zijn bloed op den vloer der kapelle!" antwoordde de poorter.
"Ik weet het. Waart gij er tegenwoordig?"
"Ja, ik sidder er nog van in al mijne leden."
"Ik bid u, Thiebald, zeg mij in eenige woorden: hoe is dit schromelijk ongeluk gebeurd?"
"De graaf zat geknield voor het autaar. Burchard Knap is genaderd en heeft hem met eenen enkelen slag het hoofd gekloofd. Ingelram Van Eessen heeft den hofraadsheer Tancmar den schouder afgehakt; Isaac Van Eeninghe heeft den hofbottelier bij de poort der kerk vermoord...."
"IJselijk, ijselijk!" morde Robrecht, de handen met wanhoop wringende.
"Kent gij niet mher Disdir Vos?" vroeg hij.
"Zeker, heer, ik ken hem wel."
"Was hij in de kapelle met de moordenaars?"
"Neen, hij was er niet, anders hadde ik hem gezien."
"En is Burchard Knap nog op den burg?"
"Neen, hij is daareven met zijne bende Houtkerels de stad ingeloopen, om Tancmars zonen te gaan dooden. Wee, wee ons, mher Sneloghe! de wrakeGods gaat nederstorten op onze stad, die besmet werd met zulke euveldaad."
Vier of vijf andere poorters waren genaderd; een hunner, die de laatste klacht had gehoord, riep dreigend uit:
"Wat raast gij daar, Thiebald? Dat gij een bloodaard zijt, weet iedereen. Hoe? gij beklaagt de dwingelanden? Gave God dat al de Isegrims dus naar de helle werden gezonden; dan zou Vlaanderen van zijne booze verdrukkers voor eeuwig zijn bevrijd!"
"Zinnelooze, gij weet niet wat gij zegt", morde Robrecht met eenen blik van misprijzen, doch hij liet de poorters staan twisten en haastte zich naar den burg.
Voor de poort der kerk greep hem eene ijskoude siddering aan en hij weerhield zijnen stap, als dede iets akeligs hem twijfelen of hij wel verder zou gaan. Daar lag een groote plas bloed, ter plaatse waar men den hofbottelier had gemarteld.
Zijnen moed te zamen rapende, sprong Robrecht met eene breede schrede over de gruwelijke vlek, beklom de trap en ging in de kapelle. Hier zag hij niemand dan eenige mannen, die met bloote zwaarden bij de deur van de gang naar het paleis op wacht schenen te staan, vijf of zes priesters, die met diep gebogen hoofde in de gestoelten zaten te bidden, en drie vrouwen, bij het altaar ten gronde geknield, die nevens het lijk weenden.
Akelig en doodsch was het hier als in een graf; slechts nu en dan werd de stilte door eenen pijnlijken snik der treurende vrouwen onderbroken.
Mher Sneloghe naderde tot het altaar en blikte lang met stommen schrik op het lijk van vorst Karel, dat daar nog in zijn bloed lag uitgestrekt, zooals het onder den slag van Burchards zwaard was neergestort[61].
De jonge ridder kon zijn medelijden niet bedwingen; hem borsten de tranen uit de oogen; maar welhaast ontstond er een grijns van diepe verontwaardiging op zijn gelaat, en hij dreef zijne tranen met geweld terug.
Tot de priesters gaande, zeide hij hun:
"Maar, eerwaarde heeren, waarom laat men het lijk van onzen armen vorst dus schandelijk liggen? Bewijst hem ten minste de eer die men allen dooden schuldig is."
De priesters schenen verwonderd over deze taal.
"Ach, mher Sneloghe, wij durven niet", antwoordde de kanunnik Ludgard, die hem een vriend was. "De moordenaars hebben gedreigd de kerk van St-Donaas te verdelgen, indien wij het lichaam van graaf Karel eenige eer bewijzen. Zij zwoeren bij duren eede, den eerste die zijnen dood durft beklagen, zonder genade neder te hakken. Zij gaan wederkeeren ..."
"En toch, wij mogen geenen godsdienst oefenen, geene plechtigheden vervullen in eenen tempel die door eenen moord ontheiligd is", bemerkte de oude kanunnik Littra.
"Het zij zoo", antwoordde Robrecht, "maar roept eenige broeders, doet het lijk zooveel mogelijk van bloed reinigen, legt het op eene baar en verbergt zijn hoofd en zijne gruwelijke wonde met een linnen kleed."
"Wij zijn u dankbaar, mher Sneloghe, voor uw Christelijk medelijden", zeide Ludgard. "Wij zullen gelukkig zijn dezen plicht jegens de stoffelijke overblijfsels van onzen vorst te mogen vervullen; maar wie zal den tempel en wie zal ons tegen de wraak zijner wreede moordenaars beschermen?"
"Wie, heeren? Ik zal u behoeden, al ware het zelfs ten koste van mijn leven. Zegt dat de proost het u heeft bevolen."
"De proost!" herhaalde de priester op eenen zonderlingen toon, die Robrecht verbaasde en verschrikte.
"O, mijn God!" kreet hij, "spreek toch duidelijk. Wat wilt gij zeggen? Beschuldigt gij den proost?..."
"Neen; maar hij is oom van Burchard. De ijselijke misdaad heeft hem zoodanig ontsteld, dat hij van moed en wil is beroofd. Hij bemoeit zich met niets meer, zegt hij. Hem ontbreekt de macht om ons te beschermen."
"Welnu, heeren, doet alles op mijn bevel, ik blijf verantwoordelijk. Wil iemand u hinderen, men roepe mij in de proostdij; ik zal onmiddellijk komen en verantwoorden wat ik u heb geraden."
Dit zeggende verliet hij de kapelle en ging over het middelplein van den burg, om zijnen oom te gaan spreken.
Een huisschalk hield hem terug, onder voorwendsel dat de heer proost bevolen had niemand tot hem toe te laten, wie het ook ware. Hij was zeer aangedaan en bedrukt, en wilde alleen zijn.
Maar Robrecht, daarop geene acht slaande, stiet de deur eener zaal open en verraste zijnen oom, waar hij met het hoofd op de beide handen voor eene tafel zat. Een open zakdoek, die nevens hem lag, scheen te getuigen dat hij tranen had gestort.
Robrecht en de proost aanschouwden elkander een oogenblik zonder spreken.
"Oom, wat afschuwelijke misdaad!" riep mher Sneloghe.
"Ja, ja, Robrecht", zuchtte de oude Bertulf, moedeloos het hoofd schuddende, "Het is misschien ons aller doodvonnis! Onze vijanden zullen de kans niet laten ontsnappen, om al de Erembalds van medeplichtigheid aan dezen moord te beschuldigen. Gansch Vlaanderen zal ons vervolgen en ons verderf najagen als eene rechtvaardige wraak!"
"De dood is niets, oom, wanneer men onschuldig sterft", zeide Robrecht met beklemden toorn, "maar de schande! Wij beweren ridders te zijn, ridders en vrije mannen, en daar gedragen voorname leden van ons geslacht zich als laffe sluipmoordenaars! Ach, het is eene vlek die in de verre toekomst nog op onzen naam zal kleven. Weerhield de plicht jegens u en jegens Kerlingaland mij niet, ik verzaakte van heden af eenen naam die met wraakroepend bloed is besmeurd!"
"Weze God ons barmhartig, Robrecht, anders is deze gruweldaad de slavernij voor de Kerels en de marteldood voor uwe ooms!"
"En waar is nu Burchard?" vroeg Robrecht.
"Men heeft mij daareven geboodschapt dat hij met zijne woeste Houtkerels naar Straten is geloopen om Rambold Tancmar te gaan verrassen. Eilaas, hij heeft in de stad de beide zonen van den hofraadsheer vermoord! Zeker, zij waren ons booze, onmeedoogende vijanden; maar zoo toch moesten wij ons niet verdedigen. Dit bloed zullen wij duur betalen...."
"Oom, vergeef mij mijne vraag", onderbrak hem Robrecht. "Hebt gij dan niets gedaan om Burchard het moorddadig zwaard uit de handen te rukken?Uwe overheid op hem is groot; uw gebod ..."
"Neen, wees niet wreed voor mij, mijn goede neef", antwoordde Bertulf bijna smeekende. "Ik gevoelde mij niet wel en lag nog te bed, toen reeds de graaf en zijne twee raadslieden van het leven waren beroofd. Ik heb het beproefd, Burchard van verder bloedvergieten te wederhouden; maar hij noemde mijne vermaningen laffe woorden en weigerde mij aan te hooren. Hij handelt op bevel en met goedkeuring van Willem Van Loo, zegt hij, en indien dit waar is, wat kunnen wij tegen den wil van dengenen die in den Hoop tot graaf van Vlaanderen werd verheven?"
"Maar het is niet waar, het is eene snoode logen!" kreet Robrecht met verontwaardiging. "Burchard bedriegt ons."
"Hoe kunt gij het weten, neef?" antwoordde de proost met een treurig schokschouderen. "Kent gij den burggraaf van Yperen? Zijne ziel is diep verbitterd; hij haat Karel van Denemarken ontzeglijk, sedert deze, in zijne plaats, zoo hij meent, den troon van Vlaanderen beklom. De heerschzucht, mijn zoon, maakt den mensch tot alle euveldaden bekwaam; de geschiedenissen, oude en nieuwe, krielen van bewijzen."
"Schromelijk!" morde mher Sneloghe, "gij waant Willem Van Loo uitzinnig of boos genoeg, om door plassen bloed, laffelijk en snood gestort, den troon zijner vaderen te beklimmen? En hij zou eenen Erembald, hij zou Burchard Knap deze gruwelijke misdaad bevolen hebben?"
"Ik weet het niet, neef; maar gij zelf hebt mij gezegd, dat Burchard te Veurne zich aanstelde als een gunsteling van mher Willem en zichtbaar zijn bijzonder vertrouwen genoot."
"Het is waar!" bevestigde Robrecht, met eenen zucht van moedeloosheid. "En zouden wij hem nog als graaf erkennen, den valschen en wreeden mensch, die zijn rijk met eenen eerloozen sluipmoord begint?"
"Spreek zulke onvoorzichtige woorden niet, mijn neef", bemerkte de proost. "Wij moeten de voorvallen afwachten en zien wat ons eigen behoud en de verdediging van Kerlingaland van ons eischen. Wij zijn gebonden door onzen gildeneed. Vergeet dit niet."
"Waar is mijn oom Hacket?" vroeg mher Sneloghe.
"Die is in het Gijselhuis en bewaart daar den schatmeester Frumold en andere hofbedienden des graven, die Burchard aan onze wacht heeft toevertrouwd."
"Oom, ik heb bevolen dat men het lijk des graven wassche en het op eene baar legge. Het volk gaat komen; dit bebloede lichaam, indien wij het zonder eenig bewijs van eerbied op den vloer lieten liggen, zou den poorters afgrijzen inboezemen en hun erg verdenken tegen u en den kastelein doen opvatten. Daarenboven, men is allen dooden eerbied verschuldigd, en Karel van Denemarken was toch voor Vlaanderen nog de wettige graaf."
"Ik dank u voor uwe goede zorg; gij hebt wel gedaan, mijn neef ... Ik was door dezen ijselijken moord zoo diep ontsteld, zoo verpletterd, dat het gansch duister in mijnen geest was geworden; nu klaart mijn verstand een weinig op. Ik ga metterhaast brieven schrijven: naar Willem Van Loo, om hem te melden wat hier is geschied en zijne hulp in te roepen; naar de bischoppen van Terouaen en van Noyon, om hun te bewijzen dat ik onschuldig ben aan deze schromelijke voorvallen en hun te verzoeken de ontheiligde kerk te komen herwijden. Ja, Robrecht, gij zult het zien, de Isegrims zullen al de Erembalds, en mij meer dan anderen betichten van aan dezen moord te hebben deelgenomen of hem te hebben aangeraden. Burchard is mijn neef; met weet dat ik alleen invloed op hem bezat, en men zal beweren dat ik zijnen arm hadde kunnen weerhouden, indien ik den ijselijken aanslag niet had goedgekeurd. De schijn is tegen ons. Niemand toch kan vermoeden dat eene hoogere overheid dan de mijne dezen moord heeft bevolen."
"Ik zelf, oom, ik kan nog niet gelooven dat mher Willem Van Loo zulk bevel heeft gegeven. Hij is toch ridder!"
"Geve God dat gij u bedrieget; anders valt de pletterende verantwoordelijkheid geheel op ons. Laat mij nu alleen, Robrecht; ik zal metterhaast mijne brieven voor Willem Van Loo en de bisschoppen gaan schrijven."
"Kan ik hier niet van eenigen dienst zijn, heer oom?" vroeg Robrecht.
"Ja, zeker, van grooten dienst; ik dacht er niet aan. Hoe verward zijn toch mijne zinnen!" antwoordde de oude Bertulf. "Ga naar de kapelle en blijf daar waken over het lijk des graven. Ik heb reeds vijf of zes wapenlieden er naartoe gezonden; maar zij hebben geenen overste. Ik zal uwen oom Hacket verzoeken er u nog anderen te sturen. Welhaast zal de gansche bevolking van Brugge te been zijn. De menigte zal uit nieuwsgierigheid naar St-Donaas komen gestroomd. Niet alleen moet men daar het gewoel en het gedrang beletten, maar tevens het lijk tegen allen hoon beschermen; want de woeste gezellen van Burchard kunnen terugkeeren, en zij zouden hun slachtoffer niet eerbiedigen. Daarenboven, vele poorters koesterden eenen even vurigen haat tegen graaf Karel. Er zijn ijselijkheden genoeg gepleegd. Ga, mijn neef, en behoed ten minste het doode lichaam tegen alle schennis en tegen alle oneerbiedigheid."
"Het is wel, oom", antwoordde Robrecht, met eenen groet. "Wees gerust; al moest mijn bloed zich mengen met het bloed van den ongelukkigen vorst Karel, niemand zal ongestraft zijn lichaam hoonen."
Hij verliet de proostdij en keerde terug naar de kapelle, waar zich een twintigtal nieuwsgierigen bevonden, die in stilte op de banken geknield zaten en, met schrik op het gelaat, naar het altaar blikten.
Het lijk lag nu op eene soort van tafel en was overdekt met een wit linnen. Rondom deze baar brandden een zeker getal waskaarsen Men had den vloer van bloed gereinigd en alles, wat in de kapelle door de woeling was overhoop gesmeten geworden, weder geschikt en gezuiverd.
Door de woorden van mher Sneloghe aangemoedigd, hadden de priesters hunne genooten en klerken verwittigd, zoodat nu bij de baar en in de gestoelten vele geestelijken en broeders van St-Donaasklooster in stilte zaten te bidden. Maar hun plechtgewaad hadden zij afgelegd, en de gewone gebeden voor de dooden lazen zij niet; want dit was hun verboden door de kerkelijke wetten, zoolang de ontheiligde tempel niet door eenen bisschop zou herwijd zijn.
Robrecht sprak eene wijl met den kanunnik Ludgard, schikte dan de gewapende wachten op eenigen afstand rondom de baar en beval hun niemand het lijk te laten naderen, en al degenen die zich oneerbiedig zouden toonen zonder eenig ontzag terug te drijven. Hij zou in de kapelle blijven en op het minste gerucht hun terzijde komen, om hun hulp te bieden, indien het noodig werd.
Na dus zijne onderrichtingen te hebben gegeven, trok hij eenen bidstoel tot bij de deur van de gang naar het paleis, en zette zich daar geknield en met gebogen hoofd neder.
Allengs kwam er meer en meer volk in de kapelle, en na een uur tijds begon men er zoo dicht opeen te staan, dat de wachten, alhoewel zij nu wel twaalf in getal waren, moeite hadden om de lieden te beletten elkander tot tegen het lijk te dringen.
Daaruit ontstond verwarring, en nu en dan een hevig gemor, dat waarlijk inbreuk maakte op den eerbied dien men deze plaats en bovenal het doode lichaam des graven was verschuldigd.
Robrecht stond op en beval dreigend de diepste stilte. Dan stelde hij vier gewapende mannen bij de deur, aan de trap, en legde hun ten plicht op niemand meer toe te laten dan wanneer de kapelle door een zeker getal bezoekers zou ontruimd zijn.
Toen hij naar zijnen bidstoel meende terug te keeren, hoorde hij eenen poorter luidop zeggen dat Karel van Denemarken niet meer had dan wat hij verdiende; hij noemde hem valschaard, dwingeland en huichelaar.
Robrecht zag hem met vertoornden blik aan en beval hem te zwijgen; maar de poorter, die verblind was door zijnen haat tegen den doode, sprak eene grove vermaledijding uit.
Robrecht deed geweld om zijne verontwaardiging te bedwingen; hij ging tot twee zijner wachten, zeide hun eenige stille woorden en naderde weder met hen tot den oneerbiedigen poorter.
"Wilt gij zwijgen of oogenblikkelijk deze kapelle verlaten?" vroeg hem mher Sneloghe.
De poorter toonde zich nog onwillig.
Op een teeken van Robrecht grepen de beide wapenlieden te gelijk hem aan en rukten hem naar de deur, ondanks zijnen tegenstand.
"Weigert hij den burg te verlaten, men voere hem naar het Gijselhuis in den kerker!" riep Robrecht.
De rust, een oogenblik door dit voorval gestoord, was welhaast geheel hersteld. Dit bewijs van krachtdadigheid boezemde de menigte ontzag in, en ieder hield zich stil.