XX

So lanc een hert, dat lafheid haet,

In eenen Kerlenboesem slaet!

Doedele, bommele, romdomdom,

Houd u recht en sie niet om!

Zoolang had de bestorming geduurd, dat kort na den aftocht der aanvallers het daglicht zichtbaar begon te verzwakken.

Mher Gervaas Van Praet zond eenen wapenbode naar den burg om den Kerels eene opschorsing der vijandelijkheden tot morgen bij zonsopgang te verzoeken, ten einde men de gekwetsten mocht opnemen en de dooden begraven.

Deze vraag werd ingewilligd, en de Kerels staken boven de Hofpoort de witte vredevlag uit.

Binnen den burg had men insgelijks een zeker getal dooden en gekwetsten. De eersten begroef men op het kleine kerkhof nevens St-Donaas; de anderen verzorgde men in het klooster.

De avond was reeds gevallen, toen men de dooden ter aarde besteld en alles op de wallen tot de afwering van eenen nieuwen stormloop had in gereedheid gebracht.

Hacket, de kastelein, stelde eenige geringe wachten boven de muren, en gaf den overigen mannen oorlof te gaan rusten in de kloostergebouwen en in de Love, waar men groote vuren had ontstoken, aangezien er een koude gure wind was ontstaan.

Dewijl het nu wapenstilstand was tot den volgenden morgen, konden de mannen die de wacht niet hadden eenige rust na de vermoeienis van den druk doorgestreden dag genieten.

In den eerste hadden de Kerels, rondom de vuren gezeten, hunne schitterende zegepraal geroemd of den dood van velen hunner gezellen door eenige woorden van treurnis beklaagd; maar welhaast deed de warmte hen onder eene onweerstaanbare sluimerigheid bezwijken, en zij legden zich langs de wanden der kamers gansch gekleed te slapen.

Alles werd doodstil op den burg.

Zelfs de schildwachten boven de wallen wankelden in hunnen stap of zwijmelden, met gesloten oogen, achter de kanteelen voort.

Zij waren toch zoo moede van eenen ganschen dag hevig strijden; al hunne gewrichten deden hun zeer, en de afgematheid beroofde hen schier van gevoel en besef. Daarbuiten, op de Markt en in de straten rondom den burg, was het even stil. Men zou gemeend hebben dat in gansch Brugge geen enkel mensch meer waakte. Zeker, de Isegrims, na een zoo schrikkelijk verlies, konden dien nacht niets tegen den burg meerondernemen. Daarenboven, het was wapenstilstand tot het rijzen der zon.

Door dergelijke overwegingen gansch gerustgesteld, sloten de schildwachten allengs de oogen en vielen in slaap achter de kanteelen, of daalden van den muur om zich bij de vuren te gaan warmen.

Toen het uur van middernacht naderde, was een groot gedeelte van den wal door de schildwachten verlaten.

In de kamer van des kasteleins Steen zat Robrecht in eenen leunstoel; hij had het hoofd achterover tegen den rug van den zetel laten vallen en sliep met hoorbare hijgingen.

Tegen den wand der kamer, op een bed, lag Eggard Van IJsendijke uitgestrekt. De arme ridder had in de bestorming eene ijselijke wonde ontvangen; zijn hoofd was schier geheel bedekt met bebloede doeken, en men zou hem dood gemeend hebben, indien niet de zwoeging zijner borst en bijwijlen de krampachtige beweging zijner lippen hadden komen getuigen dat hij nog leefde.

Dakerlia en Witta zaten nevens hem, met verkropt hart en tranende oogen zijn lijden afspiedende. Robrechts zuster scheen bovenal bedrukt en wanhopig. Zij hield eene hand van den gekwetste, en wanneer hij door de krampachtige trekking zijner leden eenen aanval van hevige smart verried, murmelde zij woorden van troost en medelijden aan zijn oor of verfrischte zijne dorre lippen met eenige druppels water.

Er kwam een oogenblik, dat de ongelukkige Eggard, door de hersenpijn aangejaagd, schrikkelijk begon te woelen en den naam van Robrecht als eene bede tot hulp en lafenis uitsprak.

Witta, verschrikt en vreezende dat Eggards laatste stond was verschenen, wekte haren broeder.

Mher Sneloghe rekte zich de leden, ging nog gansch verdwaasd van den loomen slaap tot zijnen vriend en beschouwde hem eene wijl.

"Arme Eggard!" zuchtte hij, o wat moet hij lijden! Waarom roept gij mij, zuster?"

"Ach, ik beef er nog van," antwoordde Witta. "Hij scheen te willen sterven in eene schromelijke kramp en murmelde uwen naam, als wenschte hij u een laatst vaarwel toe. God zij er om gezegend, nu is het weder voorbij!"

"Gij weet wel, Dakerlia, wat de heelmeester heeft bevolen", zeide Robrecht berispend. "Men mag omtrent den zieke niet spreken, en buiten het bevochtigen zijner lippen, moet men beweegloos en stil hem bewaken. Doe mijne zuster bedaard blijven. Hier is ons medelijden, hier is onze hulp machteloos. God alleen beschikt over het leven van onzen armen vriend. Bidden is alwat gij voor hem kunt doen. Morgen zal hij misschien beter zijn. Wie kan het weten? Wellicht zal hij nog genezen. Hopen wij het...."

Onder het mompelen dezer laatste woorden was hij tot zijnen zetel wedergekeerd. Nog eene wijl bleef hij van daar met de uitdrukking der diepste droefheid op den gekwetste staren; doch allengs zakte het hoofd hem op den schouder, en hij sloot de oogen. Weinig tijds daarna kwam de zwoegende hijging zijner borst getuigen dat hij opnieuw in eenen diepen slaap was weggezonken....

Had Robrecht, hadden de Kerels binnen den burg geweten wat daarbuiten in de stad geschiedde, zij zouden zeker zich niet zoo ongekommerd overgeleverd hebben aan het genot der rust.

Terwijl alles sliep, waren eenigen der stoutste Gentenaars op de gedachte gekomen, in het midden van den nacht nog eene poging tot het innemen van den burg te beproeven. Zij zouden met twee of drie der lichtste ladders geheimelijk en zonder hunne nadering door het minste gerucht te verraden, naar den wal kruipen en den muur nevens de Hofpoort beklimmen. Waren daar, volgens hun vermoeden, de schildwachten afwezig of ingeslapen, dan zouden zij zich boven den muur stilhouden, totdat een zeker getal hunner gezellen hen kon vervoegen. Eens sterk genoeg, zouden zij van den wal dalen en bij middel van door hen medegebrachte werktuigen de Hofpoort openen, om het overige hunner mannen een vrijen doorgang te bieden.

Gelukte die list, zooals zij haar hadden berekend, dan viel de burg nog voor den morgen in hunne macht en werden de slapende Kerels verrast en verplet.

Toen men den veldheer Gervaas Van Praet van dit ontwerp kennis gaf, keurde hij het af en wilde de Gentenaars beletten dus verraderlijk den aanvaarden wapenstilstand te breken; doch de ridders zelven laakten zijne teergevoelige eerlijkheid jegens moordenaars die in den ban der kerk lagen.

En daar hij nog wederstand bood, verklaarden hem de oversten der Gentenaars, dat zij en hunne mannen alleen den slag zouden wagen, de veldheer mocht hun voornemen goedkeuren of niet.

Mher Gervaas, om de verdeeldheid niet in het leger te brengen, gaf met onwil en spijt zijne toestemming, doch zou niet zelf deelnemen aan deze poging.

Onmiddellijk hadden de Gentenaars in stilte begonnen hunne toebereidsels te maken. Een uur na middernacht slopen ongeveer honderd man, tusschen hen uitgekozen als de behendigsten en stoutsten, met slechts twee der lichtste ladders door de duisternis over de Hofbrug.

Dewijl boven den muur geene schildwachten meer tegenwoordig waren, werd hunne nadering niet opgemerkt....

Het was op dit oogenblik dat Robrecht Sneloghe voor de tweede maal in zijnen zetel door den slaap was overwonnen geworden.

Reeds sluimerde hij nu weder zeer diep sedert een goed kwart uurs, toen eensklaps de kreet "Harop! Harop!" met bijzondere haast en kracht uit alle hoeken van den burg ontstond en hem verrast uit den slaap deed opschieten.

Eer hij gansch was ontwaakt, hoorde hij het gedonder van zware hamersslagen, het geklingel van wapenen, het noodgeroep der Kerels en de zegekreten der Isegrims.

"Blijft, blijft!" zeide hij tot de verschrikte jonkvrouwen. "Wij worden aangevallen, valsch, verraderlijk. Het zal niets zijn. Wacht op mijne terugkomst. Houdt u stil...."

En met uitgetogen zwaard sprong hij naar buiten.

Hier vond hij zijne gezellen naar den kant der Hofpoort in eenen schrikkelijken strijd gewikkeld. De vijand was binnen den burg!

Aan het geroep "Isegrim, Isegrim!" "Blauwvoet, Blauwvoet!" dat tot herkenningsteeken in de duisternis van wederzijde werd aangeheven, meende Robrecht te kunnen oordeelen dat de vijand niet overmachtig was en door de Kerels, die nu uit al de gebouwen kwamen gestormd, wel ras zou verplet zijn.

Onder het uitgalmen van den kreet: "Ravenschoot, Ravenschoot met mij!" wierp hij zich vooruit en hakte links en rechts op den vijand.

Maar alhoewel het grootste getal der Gentenaars, die over den wal geklommen waren, reeds in hun bloed lagen te spartelen en door de Kerels werden vertreden, gelukte het den overblijvenden op dit oogenblik de poort te openen.

Dan drong zulke machtige vloed van strijdzuchtige en plunderzieke mannen den burg binnen, dat de Kerels, na eenen langen en hardnekkigen wederstand, gedwongen werden te wijken, en zij stap voor stap den grond zich voelden ontnemen[73].

Robrecht Sneloghe dacht aan Dakerlia en aan zijne zuster. Hem schoot als een bliksem de overweging door den geest, dat zij in des kasteleins Steen niet veilig waren en onmiddellijk in des vijands handen zouden vallen.

Hij liep uit het gevecht, sprong in de kamer, waar de jonkvrouwen zich bevonden, en riep:

"Gauw, gauw, volgt mij! Spoedig, of het is te laat!"

"Ach, de arme Eggard, onze beschermer, onze verlosser!" riep Witta. "Verlaat gij hem zonder medelijden, Robrecht? Zij zullen hem ijselijk martelen!"

Op dit oogenblik woelde de gekwetste, hief de handen in de hoogte en murmelde op klagenden toon:

"Robrecht, Robrecht!"

Mher Sneloghe, tot in het diepste der ziel geroerd door zijnen roep, dien hij als een gebed tot bijstand aanzag, omvatte het lichaam van zijnen gekwetsten vriend, hief door eene geweldige krachtinspanning hem op den schouder en liep naar de deur, terwijl hij met koortsigen klem tot de jonkvrouwen zeide:

"Volgt mij van nabij, verlaat mij niet! In het klooster, in de proostdij zijn wij niet veilig! Komt, komt!"

Buiten, langs den kant der Love, vond hij nog eene talrijke schaar Kerels, die zich woedend verdedigden, alhoewel het plein schier op zijnegansche uitgestrektheid weergalmde van den roep "Isegrim, Isegrim!"

Het gelukte Robrecht, immer door de jonkvrouwen van nabij gevolgd, voorbij de Loove te geraken. Nog een tiental stappen, en hij zou de enge poort van het klooster bereiken. Eens binnen de geestelijke gestichten, dan was hij veilig; want deze gebouwen waren omvangen door eene afzonderlijke versterking, die na het verlies van den burg nog eene lange belegering kon doorstaan.

Reeds juichte de jonge ridder, want hij raakte schier de poort des kloosters; maar nu werden eensklaps de nog strijdende Kerels door eenen woedenden aanval van duizenden vijanden overrompeld en tegen den gevel der Loove verpletterd.

Degenen, die nog vrij in hunne beweging waren, stroomden vluchtend, en met den vijand vermengd, als een stortvloed naar het klooster, en zoo drongen zij Robrecht met zijnen last er insgelijks binnen.

Onmiddellijk werd deze poort verbalkt en van achter met allerlei voorwerpen versterkt en bedijkt.

Robrecht liep tot in eene der kloosterkamers en legde zijnen gekwetsten vriend Eggard Van IJsendijke op een bed. Dan keerde hij, als uitzinnig van schrik, terug tot achter de poort.

"Ha, God dank, Dakerlia, gij zijt gered!" kreet hij, zijne verloofde aan den hals vliegend.

Maar even ras stuurde hij zijne blikken kommervol in het ronde.

"Dakerlia, waar, waar is mijne zuster?" vroeg hij. "Gij weent, o hemel!"

"Arme Witta, arme Witta!" zuchtte jonkver Wulf.

"Zij is niet met u!" kreet Robrecht, sidderend van schrik. "Zij is buiten gebleven? Eilaas, eilaas!"

En hij zakte, door de wanhoop verpletterd, op eene bank neder.

[71]

"Segher, kastelein van Gent, kwam toegeloopen met al zijne macht.... De burgers van Gent, met eenen hoopbrigandsuit hunne omstreken, zeer dorstig naar buit, vergaderden om in het beleg te komen, als mannen befaamd in den oorlog en behendig tot het innemen en verdelgen van sterke vestingen."GALB., p. 299; zie ook KERVYN DE LETTENHOVE, I, p. 391.

"Segher, kastelein van Gent, kwam toegeloopen met al zijne macht.... De burgers van Gent, met eenen hoopbrigandsuit hunne omstreken, zeer dorstig naar buit, vergaderden om in het beleg te komen, als mannen befaamd in den oorlog en behendig tot het innemen en verdelgen van sterke vestingen."

GALB., p. 299; zie ook KERVYN DE LETTENHOVE, I, p. 391.

[72]

"Den Zaterdag bevalen de oversten eenen algemeenen aanval.... Het gevecht duurde tot den avond, en de aanvallers, na groote schade en verlies, verwijderden zich van de muren van den burg, beducht voor de gevaren van den nacht."GALBERTUS, pp. 298 en 299.

"Den Zaterdag bevalen de oversten eenen algemeenen aanval.... Het gevecht duurde tot den avond, en de aanvallers, na groote schade en verlies, verwijderden zich van de muren van den burg, beducht voor de gevaren van den nacht."

GALBERTUS, pp. 298 en 299.

[73]

Zie het verhaal dezer nachtelijke overrompeling en der plundering van den burg bij GALBERTUS, p. 315.

Zie het verhaal dezer nachtelijke overrompeling en der plundering van den burg bij GALBERTUS, p. 315.

De poorters van Brugge, te zamen geroepen, om bij openbare stemming eenen nieuwen graaf te kiezen, overdekten in onderscheidene groepen of scharen het groote plein buiten de Smedepoort dat men het Zand noemde.

In het midden dezer vlakte had men eene breede stelling getimmerd waarop nu de schepenen der stad en de voornaamste Vlaamsche ridders met hunnen veldheer, mher Van Praet, zich hielden, zoowel om hunne stem te geven, als om de plechtigheid te bestieren en over de oprechtheid der kiezing te waken.

Disdir Vos, de verrader, die sedert de nachtelijke overrompeling der stad het bijzondere vertrouwen van den veldheer scheen te genieten, stond nu insgelijks achter hem.

Voor de stelling waren een groot getal poorters, meest bejaard en met zekere pracht gekleed, in eenen afzonderlijken hoop vergaderd Het waren de hoofdmannen der wijken en der gilden of neringen, die hier kwamen hooren wat de schepenen of ridders het volk te zeggen hadden. Zij zouden dan tot hunne mannen gaan, die wat verder op het plein langs alle zijden waren geschaard hun de woorden der overheden mededeelen, hunne stemmen opnemen en den uitslag der kiezing naar de schepenen brengen.

Deze hoofdmannen spraken in afwachting zeer luid en vurig over de zaak, die hen hier te zamen riep. Eenigen wilden de stemming geweigerd hebben, om reden dat de koning van Frankrijk zich in geenen deele met het bestuur van Vlaanderen te bemoeien had, en hij het was die de Brugsche poorters niet alleen den raad, maar zelfs het bevel had gezonden tot het kiezen van eenen nieuwen graaf.

De meesten waren van gevoelen, dat men zonder tegenwerping en in allerhaast des konings bevel moest volbrengen,uit vreeze dat hij, beter beraden, het nog zou kunnen intrekken. In oude tijden hadden hunne voorouders het recht genoten tot het kiezen hunner vorsten. Nu werd dit recht, dat eeuwen lang hun ontroofd was gebleven, hun werkelijk teruggeschonken. Zouden zij dwaas genoeg zijn om het te verwerpen, alleenlijk omdat zij het bekwamen door toedoen van eenen vreemden vorst? Waarom toonden de poorters, die voornemens waren ten gunste van Willem Van Loo te stemmen, zich zoo ontevreden? Waren zij niet even vrij in hunne keus als de aanhangers van Diederik van den Elsas of van den jongen graaf van Holland?

Deze en andere zulke redenen hadden de meest ontevredene hoofdmannen eenigszins tot bedaren gebracht; evenwel bleef het gerucht der driftige samenspraak tusschen hen voortduren, dewijl elk nu groote pogingen inspande om de anderen tot het stemmen voor dezen of genen vorst over te halen.

Op dit oogenblik bracht een wapenbode de bazuin aan den mond en gebood door eenige scherpe galmen de stilte en de aandacht.

De veldheer Gervaas Van Praet trad vooruit op de stelling, met een bezegeld perkament in de hand, en, zich tot de hoofdmannen wendende, zeide hij:

"Ziet hier, vrienden, wat Lodewijk, de machtige koning van het Fransche rijk, aan de ridders van Vlaanderen en aan de inwoners der goede steden schrijft."

Hij vestigde zijne oogen op het perkament en las:

"Beminden en getrouwen, ridders en burgers van het graafschap Vlaanderen. Het schijnt mij nu niet raadzaam u te gaan bezoeken. Ik zal met eenigen mijner lieden tot u komen, zoohaast ik den uitslag van het beleg van den burg van Brugge zal kennen. Want volgens mijn gevoelen zou ik niet wijselijk handelen met mij in de handen der verraders van uw land te gaan werpen, wel wetende dat er nog velen zijn die het lot der belegerde moordenaars betreuren, hunne misdaden verdedigen en op alle wijze werkzaam zijn tot hunne verlossing. Uw ongelukkig land is in verwarring. Reeds zijn er samenspanningen gesmeed om de grafelijke kroon met geweld voor Willem Van Loo te bekomen; maar meest al de inwoners der steden hebben gezworen nooit dezen Willem voor graaf te aanvaarden, omdat hij van onedele geboorte is, dit is te zeggen, geboren van eenen edelen vader en van eene onvrije moeder die, zoolang zij leefde, niet heeft opgehouden schapenwol te kaarden. Ik wil en ik beveel dat de ridders en burgers van Vlaanderen zonder uitstel vergaderen om eenen bekwamen graaf te kiezen. Het land zou niet langer van eenen wettigen vorst kunnen beroofd blijven, zonder blootgesteld te zijn aan grootere gevaren dan degene waarmede het nu wordt bedreigd.Heil in Gode. LODEWIJK[74]

"Beminden en getrouwen, ridders en burgers van het graafschap Vlaanderen. Het schijnt mij nu niet raadzaam u te gaan bezoeken. Ik zal met eenigen mijner lieden tot u komen, zoohaast ik den uitslag van het beleg van den burg van Brugge zal kennen. Want volgens mijn gevoelen zou ik niet wijselijk handelen met mij in de handen der verraders van uw land te gaan werpen, wel wetende dat er nog velen zijn die het lot der belegerde moordenaars betreuren, hunne misdaden verdedigen en op alle wijze werkzaam zijn tot hunne verlossing. Uw ongelukkig land is in verwarring. Reeds zijn er samenspanningen gesmeed om de grafelijke kroon met geweld voor Willem Van Loo te bekomen; maar meest al de inwoners der steden hebben gezworen nooit dezen Willem voor graaf te aanvaarden, omdat hij van onedele geboorte is, dit is te zeggen, geboren van eenen edelen vader en van eene onvrije moeder die, zoolang zij leefde, niet heeft opgehouden schapenwol te kaarden. Ik wil en ik beveel dat de ridders en burgers van Vlaanderen zonder uitstel vergaderen om eenen bekwamen graaf te kiezen. Het land zou niet langer van eenen wettigen vorst kunnen beroofd blijven, zonder blootgesteld te zijn aan grootere gevaren dan degene waarmede het nu wordt bedreigd.

Heil in Gode. LODEWIJK[74]

Deze brief verwekte eene korte opschudding onder de hoofdmannen. Het waren de aanhangers van Willem Van Loo, die luidop riepen, dat de koning zich door lasteraars had laten bedriegen. Willem was niet van onechten bloede; zijne moeder zaliger was eene Kerlinne, en dus geene onvrij geborene, zooals de brief het valschelijk beweerde. Al de Kerlinnen, buiten de steden, waren zij ook edel en rijk als vorstinnen, hadden de gewoonte en den plicht te werken; en, omdat de moeder van Willem Van Loo schapen wol had gekaard, was zij niet min edel dan of zij haar leven in ijdele werkeloosheid had gesleten.

Mher Gervaas Van Pract en de voorschepen daalden van de stelling tusschen de hoofdmannen. Zij maanden hen aan, de brieven des konings te eerbiedigen, en deden hen begrijpen dat, indien iets daarin hun niet gegrond voorkwam, zij desniettemin vrij in hunne keus bleven en zelfs voor Willem Van Loo konden stemmen, indien zij zulks goed vonden.

Min of meer bevredigd, gingen de hoofdmannen tot hunne gezellen om de stemming te doen beginnen.

Men hoorde welhaast ten allen kant op het plein een groot geraas en geroep ontstaan, naarmate de hoofdmannen aan de menigte mededeelden wat de veldheer hun vanwege den koning had voorgelezen.

Ondertusschen begon de stemming, en deze werkzaamheid duurde zeer lang voort.

Terwijl men er nog mede bezig was, galmden eensklaps, in de baan naar Thourout, de klanken van eenige hoorns, als wierd de nadering van krijgslieden aangekondigd.

Even ras zag men een twintigtal ridders te paard, door eene tamelijke sterke bende wapenknechten gevolgd, op het plein treden en zich naar de stelling richten. Iedereen keek met nieuwsgierigheid deze ridders achterna; doch in de meening dat zij, evenals vele anderen, die dagelijks in Brugge kwamen, slechts hier verschenen om deel aan het beleg te nemen, zette men, na eene korte onderbreking, het opnemen der stemmen weder voort.

De aangekomene ridders beklommen de stelling. Baudewijn Van Aelst, die hun aanleider scheen, begon in stilte met mher Gervaas Van Praet en met den voorschepen te spreken.

Ongetwijfeld deelde hij hun gewichtige dingen mede; want de veldheer scheen spijtig en betuigde zijne ontevredenheid door bittere woorden.

"Zouden wij klagen, veldheer", zeide hem Baudewijn Van Aelst, "omdat de koning de poorters van den balfaart en van eenige andere schattingen wil ontslaan? Hij en de nieuwe graaf, van eenen anderen kant, beloven, dat zij al de eigendommen der Erembalds en hunner aanhangers aan de ridders tot belooning zullen schenken. Daarin zult gij eene ruime vergoeding vinden voor het verlies van uw recht op sommige poorters. Komt, heeren, de zaak eischt spoed; eerbiedigen wij den wil des konings. Geef den bazuinblazers bevel om de hoofdmannen te zamen te roepen. De stemming is gelukkiglijk nog niet afgeloopen; anders mochten wij moeielijkheden ontmoeten, welke het onze plicht is te voorkomen."

Eene wijl daarna stonden de geroepene hoofdmannen weder voor de stelling en keken verwonderd op, elkander vragende wat zwaarwichtige tijding er toch mocht gekomen zijn, daar men de kiezing opschorste om hun iets nieuws mede te deelen.

Baudewijn Van Aelst trad vooruit en, na de stilte door eenige bazuinklanken was bevolen geworden, zeide hij tot de hoofdmannen: "Poorters van Brugge, ik ben tot u gezonden door den koning van Frankrijk. Hoort, wat hij u schrijft."

Een perkament ontplooid hebbende, las hij den volgenden brief, hem bij de lezing in het Dietsch vertalende:

"Lodewijk, de koning van Frankrijk, groet minnelijk al zijne goede zonen, de inwoners van het graafschap Vlaanderen, en kondigt hun aan dat hij van Atrecht is vertrokken om tot hen te komen, aan het hoofd zijner koninklijke legers, vervuld met dapperheid en met de kracht Gods, zijne onverwinnelijke hulp. Bedroefd omdat wij voorzagen dat de moord des graven uw land in het verderf zou storten, hebben wij besloten onze wraak uit te oefenen met eene onverbiddelijke strengheid en door lijfstraffen, tot nog toe ongehoord. Wij hebben, om uw land voor grootere onheilen te behoeden, u eenen graaf gekozen. Opdat dezen den vrede in het graafschap zou kunnen herstellen en den verloren voorspoed doen herbloeien, gehoorzaamt en doet wat mher Baudewijn Van Aelst, mijn bode en uw vriend, ingevolge mijnen wil, dien hij kent, u zal raden en gebieden[75]."

Er heerschte eene groote stilte onder de luisterende hoofdmannen Zij hielden zwijgend de oogen op den koninklijken bode, van wien zij eene uitlegging over de zonderlinge tijding schenen te vragen.

Baudewijn Van Aelst nam het woord en sprak:

"Hoort, poorters van Brugge, wat de koning van Frankrijk mij belast heeft u te boodschappen. De ridders van Frankrijk en de ridders van Vlaanderen hebben, op raad en bevel des konings, tot graaf van Vlaanderen gekozen en verheven Willem, den jongen hertog van Normandië."

Er rees een hevig gemor en ook wel hier en daar een luid geroep van ontevredenheid tusschen de hoofdmannen.

Een hunner zeide zelfs verstaanbaar:

"Wat? Een Normandiër graaf van Vlaanderen? De Isegrims hebben ons weder verraden. Het was te voorzien: zij zijn altoos de dienaars en vleiers der vreemdelingen geweest!"

Een nieuw bazuingeschal herstelde de stilte, en Baudewijn Van Aelst zette dus zijne rede voort:

"Wij allen, ridders, die nu tot u gekomen zijn, en vele anderen nog, hebben Willem van Normandië tot graaf gekozen en hem als zulken eed gezworen en hulde bewezen. Hij, tot onze belooning, heeft den ridderen van Vlaanderen al de landen en eigendommen geschonken die tot nu toe hebben toebehoord aan de moordenaars van graaf Karel en aan degenen die hen aanhangen of verdedigen. De verraders zijn door den koning veroordeeld tot den wreedsten en schandelijksten dood, en geen hunner zal worden gespaard. Ik, in naam des konings, gebied en raad u, poorters van Brugge, en al wie hier tegenwoordig zijn, voor uwen wettigen vorst te aanvaarden Willem van Normandië, die door ons is gekozen en door den koning met de grafelijke kroon is begiftigd."

Weder ontstond er luid gemor en driftig gewoel onder de hoofdmannen; maar Baudewijn Van Aelst verhief de stem en ging voort:

"De koning en de nieuwe graaf, om den lieden van Brugge hunnen goeden wil te betuigen, hebben besloten dat voortaan geen poorter nog eenige persoonlijke schatting zal betalen. Alle belastingen hoegenaamd ook, of balfaart of beste hoofd, of staande op huizen of op neringen, zijn en blijven afgeschaft ten eeuwigen dage. Daarenboven zullen de burgers van Vlaanderen voortaan macht en vrijheid hebben om hunne eigene wetten en gebruiken te behouden, of ze te veranderen volgens hun goeddunken[76]."

Zulke volledige vrijmaking van alle schatting en dus ook van de teekens der dientsbaarheid, was eene gift en eene weldaad, waaraan de poorters zich des te minder vanwege den koning konden verwachten, daar hunne eigene graven sedert langen tijd nooit opgehouden hadden pogingen te doen om het volk der steden dieper en dieper in slavernij te dompelen. Ook werd dit besluit door de meeste hoofdmannen met onverborgene vreugd en zelfs met luid gejubel onthaald.

Er waren evenwel nog eenigen die zich ontevreden toonden en luidop riepen dat zij in zulke beloften niet geloofden, aangezien de koning en de graaf, die willekeurig hun dit recht toestonden, even willekeurig het hun konden ontnemen.

Baudewijn Van Aelst, om deze laatste tegenwerpingen te versmachten gebood nog eens de stilte en sprak:

"De koning van Frankrijk is nu op reis naar Vlaanderen, aan het hoofd van twintigduizend uitgelezene krijgslieden. Binnen eenige dagen zal hij zelf met den nieuwen graaf te Brugge komen, en zijne beloften u in het openbaar bij eede bezweren. Wie zich tegen zijnen wil opwerpt en weigert Willem van Normandië als vorst te erkennen, zal aanschouwd werden als een aanhanger der moordenaars en dezelfde straf onderstaan, dit is te zeggen dat hij zal worden ter dood gebracht en zijne goederen verbeurd. Gaat nu, deelt uwen mannen mede wat de koning u door mij heeft geboodschapt. Beveelt hun zich vreedzaam naar huis te begeven. Gij, als overheid op hen hebbende, blijft verantwoordelijk voor de rust der stad, die, werd ze gestoord, op uitdrukkelijk bevel des konings, door het geweld der wapenen zou worden hersteld."

De gedane beloften van den eenen kant en de schrikkelijke bedreigingen van den anderen hadden voor gevolg, dat de hoofdmannen stilzwijgende zich van de stelling verwijderden, om hunnen gezellen de verrassende tijding der benoeming van eenen nieuwen graaf te gaan mededeelen.

De ridders bleven op de stelling staan en keken in het ronde. Zij wilden, vooraleer deze plaats te verlaten, naspeuren welke de houding der poorters en ambachtslieden zou zijn bij het vernemen van 's konings boodschap.

In den eersten bemerkten zij wel eenig gewoel en hoorden zij hier en daar afkeurend gemompel; maar het duurde evenwel niet lang, of zij zagen de poorters en ambachtslieden in scharen over het plein trekken en bij gedeelten juichend de poort ingaan.

Dan daalden de ridders insgelijks van de stelling, om zich naar de stad te begeven.

De veldheer, die alleen met Baudewijn Van Aelst de anderen vooruitstapte, zeide, na eene wijl in stille overweging te zijn verslonden gebleven, tot zijnen gezel:

"Onder ons durf ik het u wel bekennen, mher Baudewijn, 's konings boodschap bedroeft mij diep."

"Betreurt gij den keus die wij hebben gedaan?" morde Baudewijn

"Neen; mher Willem van Normandië is een jong vorst, die de eer van het ridderschap zal staande houden. Daarom verwondert het mij des te meer, dat hij nu den poorters der steden eene volledige vrijheid vergunt. Weet hij dan niet, dat onze goede graaf Karel is vermoord geworden, alleenlijk omdat hij de ridderschap wilde verheffen en de onedele menigte in dienstbaarheid houden? Ha, kon Karel van Denemarken uit zijn graf opstaan, hoe zou hij klagen over de zonderlinge wijze waarop de koning zijne gedachtenis meent te wreken!"

"Zulke overweging is insgelijks in mij opgestaan", zeide mher Baudewijn, "en ik heb mij zelfs verstout bij den koning eenige opmerkingen in dien zin te wagen. Hij heeft mij doen begrijpen dat men iets moet opofferen om de poorters der steden van Vlaanderen gunstig te stemmen. Wat het verlies betreft van den balfaart dien de ridders op vele poorters van Brugge beweren te mogen heffen, dit zal na onderzoek tiendubbel vergoed worden, bij middel der uitdeeling van de verbeurde rijkdommen en grondbezittingen der Erembalds en hunner aanhangers. Daarenboven, mher Gervaas, wat is gemakkelijker, indien de poorters een slecht gebruik van de hun verleende rechten maken, dan hun die rechten weder te ontnemen?"

De veldheer stapte mijmerend voort.

"Maar zeg eens, mher Gervaas", vroeg Baudewijn Van Aelst, "mij heeft de koning nog eenen anderen last opgelegd. Ik ging het haast vergeten. Karel van Denemarken was rijk. Waar is zijn schat gebleven?"

"De Kerels hebben 's graven rekenmeester gedwongen hun dien schat ter hand te stellen."

"En zij bezitten hem nog?"

"Zeker: vele duizenden marken zilvers en kostbare juweelen."

"De koning eischt dat die schat hem overgeleverd worde."

"Met den besten wil der wereld is het ons vooralsnu onmogelijk den koning hierin te gehoorzamen. Hij zal moeten wachten totdat wij de Kerels, die nog op den burg zijn, geheel hebben overwonnen."

"Wel hoe? Men heeft mij daar, op het plein, gezegd, dat gij den burg na eene hevige bestorming hebt ingenomen!"

"Inderdaad, mher Baudewijn, maar wij krijgen hem niet geheel. De Kerelsbezetten op den burg nog de proostdij, het klooster en de kerk van St-Donaas."

"Dit verwondert mij!" mompelde mher Baudewijn. "Indien gij zegevierend binnen den burg kondet dringen, waarom hebt gij uwe overwinning dan niet voortgedreven? Wat kon u daarin beletten?"

"Gij hebt gelijk", antwoordde de veldheer, "eene beklaaglijke omstandigheid heeft ons te midden der overwinning teruggehouden Men had den Gentenaars en onze wapenknechten beloofd hun den burg ter plundering over te geven. Zoohaast waren wij er niet binnen, of al onze mannen, in stede van de Kerels te vervolgen en tot het einde toe te bestrijden, zijn in verwarring en door de gierigheid verblind, naar de veroverde gebouwen geloopen en hebben beginnen te plunderen. Het was ons, ridderen, niet meer mogelijk iets gedaan te krijgen van mannen, die tot bezwijkens toe beladen waren met buitgemaakte voorwerpen. Onderwijl hebben de Kerels zich binnen de geestelijke gestichten van den burg opnieuw versterkt. Deze gestichten zijn omringd met wallen, gaanderijen en torens, als eene afzonderlijke vesting."

"Maar indien gij nu opnieuw eenen algemeenen storm geboodt?"

"Onmogelijk, mher Baudewijn. Wij hebben schrikkelijke verliezen geleden. Mijne mannen moeten rusten; de stormtuigen en ladders kunnen zonder herstelling niet meer dienen."

"De koning heeft mij nochtans gelast u te zeggen dat gij zonder verwijl alle mogelijke pogingen hoeft te beproeven om den schat des graven uit de handen der moordenaars te krijgen. Hij weet, door mher Frumold zelven, dat zij hem bezitten, en vreest dat zij hem bedektelijk naar den zeekant zullen zenden of, vooraleer te bezwijken, hem op eene andere wijze zullen doen verdwijnen. De koning belooft u door mij niet alleen het kasteleinschap van Brugge, maar nog uitgestrekte leenen, indien hij door uw toedoen 's graven schat bekomt."

"Het onmogelijke kan ik evenwel niet!" zuchtte de veldheer.

Na eenige oogenblikken de zaak bedacht te hebben, zeide mher Baudewijn:

"Die hardnekkige Blauwvoeten, wat hopen zij? Hebben zijnog niet de minste neiging getoond om zich over te geven?"

"Zich overgeven? De Kerels? Het zijn ontembare leeuwen Zij zullen zich tot den laatste toe op hunne wallen laten doodslaan. Van hen is er niets te verhopen dan door geweld!"

"En indien gij hun de vrijheid aanboodt, op voorwaarde dat zij u des graven schat geheel en volledig ter hand stellen?"

"Dit is onmogelijk; al wilde ik het doen, ik zou niet kunnen", antwoordde mher Van Praet. "Oordeel zelf: wij, ridders, die allereerst te wapen geloopen zijn om den dood van onzen graaf te wreken, hebben elkander met duren eede toegezworen niet te dulden dat één der moordenaars of hunner vrienden, in één woord, dat één der Erembalds gespaard worde of hem genade des levens worde verleend. Allen moeten sterven!"

"Maar, veldheer, de koning wenscht zoo vurig des graven schat te bezitten, dat hij u zeker zou goedkeuren en mild beloonen, indien gij, om den schat hem te kunnen leveren, deze weinige Kerels in vrijheid liet gaan."

"Onmogelijk, ik herhaal het u, mher Baudewijn; mijne ridders zouden tegen mij opstaan, en ik geloof zelfs niet dat de koning in persoon, hoezeer wij hem ook eerbiedigen, machtig genoeg zou zijn om hen daarin te doen toestemmen."

Zij waren nu tot op de Groote Markt gekomen en naderden het huis, dat de veldheer sedert de overrompeling der stad tot zijn verblijf had gekozen.

"Ziedaar mijne woning", zeide mher Van Praet. "Gelief mij te volgen, mher Baudewijn. Het middaguur is reeds voorbij. Gij moet vermoeid en hongerig zijn. Wees mijn gast."

Baudewijn hield hem staan en zeide in gedachten, als hadde hij geene acht op deze uitnoodiging geslagen:

"Er moet evenwel een middel zijn om 's graven schat uit hunne handen te krijgen! Om den wensch des konings te volbrengen zou men hemel en aarde willen verroeren."

"Welk middel? Ik weet er geen."

"Wij zullen er nog eens goed over nadenken, veldheer. Men heeft mij een uwer ridders, die hier achter ons komt, aangewezen als een doortrapt en spitsvondig man ..."

"Mher Disdir Vos?"

"Ja, geloof ik. Die weet misschien raad ... Kom, ik aanvaard uwe minzameuitnoodiging; want waarlijk, ik gevoel eenen koortsigen eetlust na de reis."

Door eenige andere ridders gevolgd, traden zij in de woning des veldheers ...

Een paar uren later verliet Disdir Vos dit huis. Hij keerde welhaast terug met eenen wapenbode en twee bazuinblazers.

Baudewijn Van Aelst, vergezeld door vijf of zes ridders, kwam hem vervoegen; en na de veldheer hun geluk had gewenscht in hunne onderneming, gingen zij te midden der Markt en deden de bazuinen aanheffen en eenen witten wimpel in de hoogte steken.

De Kerels liepen te zamen boven den vestingmuur en toonden kort daarop eene vredevlag, om te betuigen dat zij in de opschorsing der vijandelijkheden toestemden en den bode zouden aanhooren.

Baudewijn Van Aelst, Disdir Vos en hunne gezellen begaven zich naar den kant der Hofstraat en traden welhaast op het plein van den burg.

Hier hadden de Gentenaars, om den vijand van nabij te kunnen bewaken,—zonder gevaar te loopen van door zijne pijlen te worden getroffen—eenen langen dam opgeworpen, schier van manshoogte en als met een dak tegen alle werptuigen beschut. Dus konden zij op het plein over en weder gaan, zoo dicht bij den muur der proostdij, dat zij, door de stem te verheffen, met de Kerels uitdagingen en scheldwoorden konden wisselen.

De ridders gingen op raad van Disdir Vos eerst achter den dam. De verrader zeide hun dat de Kerels valsche lieden waren en men niet roekeloos zich aan hunne wraak mocht blootstellen.

Zijne woorden deden de ridders glimlachen. De vervaardheid van Disdir Vos scheen hun natuurlijk, en zij erkenden in hun gemoed dat, indien de Kerels, zelfs verraderlijkerwijze, hem eenen pijl door den boezem dreven of hem het hoofd met eenen steen verpletterden, hij slechts zou hebben wat hij ten minste jegens hen verdiende.

Baudewijn Van Aelst gaf den wapenbode bevel om, buiten den dam, tot aan den voet van den muur der proostdij te naderen en daar de bazuin te blazen. Hij volgde hem zonder vrees met twee andere ridders.

Na eene wijl verschenen de oversten der Kerels boven den muur: Bertulf de proost, zijn broeder de kastelein, zijn neef Burchard Knap, Yorg Koevoet en eenige anderen. Robrecht Sneloghe was niet met hen, alhoewel men hem de komst van den wapenbode had gemeld.

De jonge ridder was sedert het verlies zijner zuster, wier lot hij niet kende, zeer treurig en in schijn aan alles onverschillig geworden. Wel hield hij zich gereed om, bij het eerste sein, naar de wallen te vliegen en zijn leven te wagen; maar zoohaast zijne tegenwoordigheid niet op de muren werd vereischt, ging hij naar de kamer waar Dakerlia den gekwetsten Eggard verzorgde, en bleef daar uren lang over zijne zuster spreken of bad met zijne verloofde voor de ziel van het arme meisje, wanneer de gedachte, dat zij waarlijk dood was, zijn lijdend hart kwam bestormen.

Toen de kastelein Hacket den ridders vroeg wat de reden hunner komst was, riep Baudewijn Van Aelst hem toe:

"Ik spreek tot u als afgezant des konings van Frankrijk, die met een leger van twintigduizend man op weg is om naar Brugge te komen. Mij heeft hij belast van u de teruggaaf van 's graven schat te vragen, en mij gemachtigd u daartoe al zulke voorwaarden aan te bieden als ik zal goedvinden. Ontsluit eene der poorten en laat mij binnen, opdat ik met u over mijne zending onderhandele."

De Kerels antwoordden hem van boven dat zij wel wilden aanhooren wat hij hun te zeggen had, doch het hun volstrekt onmogelijk was eene poort te openen, aangezien alle uitgangen zoodanig van binnen waren gebalkt en met steenen bedamd, dat een gansche dag arbeid ontoereikend zou zijn om zelfs den minsten toegang vrij te maken. Had 's konings bode hun iets bijzonders te melden, zij konden niet anders dan van boven den muur hem aanhooren.

"Het zij zoo!" riep mher Baudewijn. "Hebt gij des graven schat met u?"

"Ja, wij hebben hem hier met ons", werd hem geantwoord.

"Geheel?"

"Ongeschonden en geheel, zooals Frumold, des graven rekenmeester hem volgens eene door hem geteekende lijst ons heeft ter handgesteld."

"Welnu", zeide mher Baudewijn, "luistert wat ik u voorstel als gemachtigd door den koning van Frankrijk en door den nieuwen graaf, dien hij heeft verheven. Indien gij mij des graven schat overlevert, zonder er iets van achter te houden, zult gij allen in vrijheid dezen burg en de stad mogen verlaten, met de eenige verplichting u na den oorlog voor het wettelijk gerecht aan te bieden, wanneer gij daartoe wordt gedagvaard."

Dit voorstel verraste en verwonderde de Kerels zoodanig, dat zij elkander een oogenblik zwijgend aanzagen. Zoohaast zij echter een klaar denkbeeld van de zaak zich hadden gevormd, borsten eenigen in eenen schaterlach uit, en de anderen morden eene grammoedige weigering; maar de proost Bertulf gebood zijnen gezellen de stilte, en vroeg aan 's konings bode:

"Sluit gij niemand uit? Zijn wij allen in uw voorstel begrepen?"

"Allen."

"En mher Burchard Knap?"

"Hij insgelijks. Wil hij het land van Vlaanderen ten eeuwigen dage ontruimen, het staat hem vrij. Anders zal hij voor zijne daden na den oorlog verantwoorden."

"Wij zullen uw voorstel onderzoeken en er over raadplegen; gun ons den tijd daartoe!" riep Bertulf.

"Ik zal wachten. Overweegt dat binnen eenige dagen het Fransche leger te Brugge komt en er voor u geen ander uitzicht overblijft dan eene onmiddelijke nederlaag en de schrikkelijkste dood!"

Mher Baudewijn verwijderde zich met zijne gezellen achter den dam.

De Kerels, boven den muur, begonnen het voorstel van 's konings bode te overwegen. Velen spotteden er mede als met iets belachelijks, anderen wilden de zaak in ernst onderzocht hebben, ofschoon zij geneigd waren om te denken dat er bedrog onder dit verrassend aanbod schuilde.

Bertulf was van een geheel ander gevoelen. Bedrog vermoedde hij in het geheel niet; want het was volgens zijne meening onmogelijk dat de Fransche koning, in aanzien der gansche wereld, zijn gegeven woord zou breken. Zou deze machtige vorst, met tot zulke vuige listen zijne toevlucht te nemen, zijnen naam van eerlijk en trouw ridder willen schenden? Zeker, indien men eenige kans zag, om het gedeelte van den burg, dat zij nog bezaten, tot de komst van Willem Van Loo te behouden, dan zou hij, Bertulf, zelf het volstrekt verwerpen van alle voorstellen aanraden; maar die kans zag hij niet. Hij had reeds bericht ontvangen over hetgeen er dien morgen op het Zand was geschied, en hij wist voor waar dat er inderdaad een Fransch leger van twintigduizend man op gang was om naar Brugge te komen. Door zulke macht aangevallen zouden de Kerels in den burg wel zeker bezwijken en tot den laatste toe worden vermoord. Wat nut kon hunne dood op zulke wijze Kerlingaland toebrengen? Geen het minste. Bijaldien zij integendeel den burg nu verlieten, konden zij zich in het leger van mher Willem Van Loo begeven; en wie, zooals hij en zijn broeder en neven, uitgestrekte landgoederen bezat, kon de Ambachten doorloopen en overal de lieden tot den algemeenen landstorm opwekken.

In den eerste werden zijne redenen door gemor en tegenspraak onthaald; de gedachte, dus de proostdij en het klooster den vijand te leveren, kwetste den hoogmoed der Kerels.

Burchard bovenal gromde en tierde; maar de proost schetste hem met schrikkelijke kleuren den marteldood af, die hem wachtte, indien zij, zooals het zeker was, onder den aanval van het Fransche leger bezweken. Hij deed hem insgelijks begrijpen dat hij aan de zijde van mher Willem Van Loo, in het open veld, zijn land en de vrijheid meer ware diensten kon bewijzen dan besloten achter muren, die bestemd waren om onder de aanvechting des vijands te vallen.

Eindelijk stemde Burchard Knap in alles toe, en zoo deden insgelijks de meesten zijner gezellen.

Op dit oogenblik naderde Robrecht Sneloghe, dien de proost had doen roepen.

Men deelde hem mede wat hier was verhandeld. Hij verwierp het voorstel met verontwaardiging, en betuigde dat hij liever op de muren van den burg sneuvelde dan door eene daad van zwakmoedigheid ja van lafheid den naam der Erembalds te onteeren. Indien mher Willem Van Loo nu met het Kerlenleger voor Brugge kwam, en vernam dat zij den vijand den burg hadden geleverd, wat zou hij van hen zeggen?

Bertulf en Hacket vereenigden hunne pogingen om Robrecht in hun gevoelen te doen deelen. Zij herhaalden de redenen welke zij reeds hadden doen gelden en beriepen zich beurtelings op zijne vriendschap voor hen, op hunne overheid en op het belang van Kerlingaland en van de vrijheid, voor welker heil en behoud men zelfs de menschelijke eer ten offer moest brengen.

Zooverre brachten zij het, dat Robrecht Sneloghe hun antwoordde:

"Ik ben niet machtig genoeg op mijn gemoed om het voorstel goed te keuren en vrijwillig de schande te aanvaarden; maar, ooms, vermits gij meent dat ik ongelijk heb, laat mij mijn gevoelen behouden en handelt volgens uw goeddunken: ik zal mij onderwerpen, ofschoon met schaamte en verdriet."

Dan wendden de proost en de kastelein zich weder tot andere Kerels, die opnieuw zich onwillig toonden en tegenwerpingen maakten.

Robrecht, in gedachten naar beneden kijkende, bemerkte en herkende den verrader Disdir Vos die, eenigszins verstout, bij eenen doorgang van den dam een paar stappen was vooruitgetreden en spotlachend tot hem opzag.

"Ha, daar zijt gij, Disdir Vos, valsche verkooper van uw land!" riep hij hem toe. "Gij zijt het die den raad tot het vermoorden des graven hebt gegeven; en nu, nu gij ons in den nood ziet, nu verblijdt gij u over ons ongeluk! Gave de hemel dat ik u kon bereiken! Ik zou u dwingen tot een gevecht om leven en dood; en, wees zeker, ik zou haar het hoofd verpletten, de vuige slang die ons arm Kerlingaland bezoedelt met haar venijn. God zelf roep ik hier tot getuige, dat gij een verachtelijk booswicht zijt; want eerst hebt gij uw vorst verraden, en nu verraadt gij uw eigen geslacht en uw vaderland!"

Deze bloedige verwijten werden door iedereen gehoord, en vele ridders en wapenknechten zagen Disdir Vos met eenen blik van misprijzen aan. Hij scheen er geene acht op te slaan, en antwoordde door eenige scheldwoorden en bespottingen, waarin hij den naam van Robrechts zuster mengde.

Mher Sneloghe, die den zin zijner onduidelijke bedreigingen niet hadverstaan, werd door eenen hevigen angst getroffen, en kreet met de handen opgeheven:

"Mijne zuster, mijne arme, onnoozele zuster, hij heeft ze vermoord! O, God, rechtvaardige God, waarom verbliksemt Gij het monster niet!"

"Neen, neen, gij bedriegt u, mher Robrecht!" riep van beneden een ridder, ongetwijfeld door een gevoel van medelijden gedreven. "Wanhoop zoo niet: uwe zuster zit gevangen in sher Jacobs Steen; haar is niets!"

"Zij leeft, mijne zuster leeft!" galmde Robrecht, terwijl hij, door blijdschap uitzinnig, zijnen vriend Yorg Koevoet juichend aan den hals vloog.

De oude Bertulf had gedeeltelijk deze laatste uitroepingen gehoord. Een heldere glimlach kwam nu eensklaps zijn gelaat verlichten, en, als hadde hij een plotselijk voornemen opgevat, gaf hij eenen Kerel, die nevens hem stond, bevel om den hoorn te blazen.

Toen Bandewijn Van Aelst weder aan den voet van den muur stond, riep de proost:

"De veldheer houdt eene jonkvrouw gevangen, die Witta Sneloghe heet en mijne nicht is. Neemt gij als voorwaarde onzer overgaaf aan dat zij insgelijks in vrijheid zal worden gesteld?"

Mher Baudewijn begon in schijn over deze vraag met zijne ridders te spreken. Men kon zien dat Disdir Vos met grammoedigheid zich tegen het aanvaarden van dezen nieuwen eisch verklaarde maar waarschijnlijk liet hij zich door des konings afgezant overreden; want deze riep tot den proost:

"Ja, wij nemen de verbintenis aan de jonkvrouw, uwe nicht, in vrijheid te stellen en u toe te laten ze met u uit de stad te leiden."

Robrecht drukte zijnen oom met ontroering de handen en dankte hem vurig.

Zich weder tot mher Baudewijn wendende, vroeg de proost:

"Zult gij, voordat wij dezen burg verlaten, ons een vrijgeleide ter hand stellen, door u geteekend in naam des konings van Frankrijk en in naam van al de ridders van Vlaanderen?"

"Levert ons des graven schat zonder achterhouding. Zoohaast wij zullen bevonden hebben dat er niets aan ontbreekt, zal men u zulk vrijgeleide, onderteekend en bezegeld, doen toekomen, en gij zult vrij, met al wat u persoonlijk toebehoort, den burg en de stad mogen verlaten."

De Kerels, op bevel van den proost, brachten eenige koffers, schrijnen en balen boven den muur, en lieten ze bij middel van touwen opvolgend naar beneden zakken.

Wanneer dus een twintigtal zware kisten en pakken aan den voet van den muur lagen, riep de proost Bertulf, dat daarin de geheele schat des graven was besloten. Ten bewijze der waarheid zijner woorden liet hij allerhaast een perkament nederzakken, waarop eene lijst, door 's graven rekenmeester onderteekend, de voorwerpen aanwees welke hij den proost van St-Donaas had ter hand gesteld.

"Het is wel!" riep mher Baudewijn. "Ik zal den schat naar des veldheers woning doen dragen; wij zullen de voorwerpen met de lijst vergelijken en, bevinden wij dat er niets achtergehouden is, dan keer ik tot u terug met het vrijgeleide. Wacht aldus met eenig geduld; wij zullen ons zooveel mogelijk haasten."

Robrecht daalde van den muur en liep naar de kamer, waar Dakerlia bij het bed van den gekwetsten Eggard Van IJsendijke waakte.

"Dakerlia, o Dakerlia!" riep hij, "goed nieuws: mijne zuster leeft!"

"Lieve hemel, wat zegt gij daar! Heb ik het wel verstaan? Onze arme Witta leeft?"

"Ja, ja, en ongedeerd."

"Daarom weze de barmhartige God eeuwig gezegend!" riep Dakerlia, met de handen in de hoogte, "Waar is zij?"

"Zij zit gevangen in sher Jacobs Steen."

"Gevangen, eilaas!"

"Ja, maar zij gaat verlost worden, heden nog!"

"Wie bracht u dit gelukkig nieuws?"

"Dakerlia", zeide Robrecht op treurigen toon, "ik heb nog eene andere tijding, min goed en wel pijnlijk voor mijn Kerlenhart maar het is nu zoo beslist. Dakerlia, wij gaan straks dezen burg in vrijheid verlaten."

"Mher Yorg is hier geweest; ik weet wat men daarboven heeft verricht", antwoordde Dakerlia met eenen zucht. "Het doet mij blozen, Robrecht. Ach, indien morgen onze graaf Willem Van Loo zich voor Brugge met het Kerlenleger aanbood, zou hij degenen niet veroordeelen die den vijand dezen burg hebben overgeleverd, wanneer zij hem nog weken lang konden verdedigen?" "Ja, gij hebt gelijk, vriendinne; maar de proost en de kastelein hebben het zoo gewild. Gij zult naar Lampernisse of naar Houthem vertrekken; ik zal mij in het leger te Yperen begeven." "En die ongelukkige ridder Eggard?" vroeg Dakerlia met medelijden.

"Kan hij vervoerd worden, wij zullen hem medenemen naar Yperen. Is dit onmogelijk, dan zal ik hier in Brugge eenen poorter zoeken die zich verbinde hem goed te verplegen. Nu, Dakerlia, maak intusschen u gereed voor het vertrek; mijne tegenwoordigheid kan boven op den muur noodig zijn: ik keer terug bij mijne ooms."

Toen hij den muur had beklommen langs de zijde der Hofpoort, waar nu zijne ooms stonden, zag hij op de Markt eene groote menigte wapenknechten en ridders staan die, omdat de vredevlag waaide, uit nieuwsgierigheid den burg waren genaderd of met poorters vermengd aan het twisten en aan het kouten waren over des graven schat en over de vrijlating der Kerels.

Wat den proost Bertulf vreemd voorkwam was, dat men, naar den kant van St-Christoffelskapelle, eene lange schaar schutters in geslotene gelederen zag staan, met hunne bogen op de schouders als gingen zij ten strijd trekken.

Eindelijk hoorden de Kerels een bevel herklinken, en de boogschutters, met mher Baudewijn Van Aelst en eenige ridders vooraan, kwamen verder op de Markt tot op eenigen afstand van den muur der proostdij.

Een bazuingeschal kondigde aan dat des konings afgezant tol de Kerels wilde spreken.

Misschien had men den schat des graven niet volledig bevonden en wilde men hen daarover ondervragen.

Baudewijn Van Aelst, de stem verheffende zooveel hij kon, riep tot de Kerels:

"Voor u geene genade, moordenaars! Gij hebt op u de eeuwige vermaledijding der gansche Christenheid geladen; gij zult sterven tot den laatste. Men is booswichten geene trouw verschuldigd. Wij breken dus met recht onze belofte, en zullen u bevechten zonder rust, totdat gij allen de straf der afschuwelijke misdaad hebt onderstaan. Niets, niets voor u, verwatene Blauwvoeten, dan de wreedste, de schandelijkste dood!"

En de daad bij het woord voegende, gaf hij de schaar der boogschutters bevel om hunne pijlen naar de Kerels te schieten.

Dit was evenwel slechts eene betooging, want onmiddellijk deed hij ze verre op de Markt en tot buiten net bereik der Kerels achteruitgaan.

Hier raapte hij eenen stroohalm van den grond en brak hem aan twee stukken. Zoo deden insgelijks de ridders en wapenknechten. Dit was een teeken dat zij voortaan alle vriendschap, alle betrekking met de Kerels afbraken, hun eene eeuwige vijandschap toezwoeren en zonder genade naar hun leven zouden staan[77].

Bij het gezicht van dit snood verraad hadden de Kerels eene wijl verbluft gestaan, als konden zij niet aan zulke verregaande valschheid gelooven.

De proost en de kastelein schenen er door verpletterd; maar even ras was in het hart der anderen de wraakzucht ontvlamd, en zij riepen luid dat zij zich over dien uitslag verblijdden en hun leven duur, zeer duur aan die trouwelooze Isegrims wilden verkoopen.

"Welaan, ooms", riep Robrecht, "nu weten wij dat wij op niets mogen hopen dan op onze eigene kracht en moed. Het lot is geworpen: de vijand zal hier niet binnentreden dan door plassen van zijn eigen bloed en op der Kerlen laatste lijk!"

Bn om den Isegrims te toonen dat hunne bedreigingen hun geene vrees inboezemden, hieven de Kerels hun strijdlied aan en deden het zoo machtig klinken, dat het over de gansche stad weergalmde.


Back to IndexNext