XXIV

"Ha, ik vrees uwe bedreiging niet!""Ha, ik vrees uwe bedreiging niet!"

Toen zij op de gaanderij van den toren kwamen en elkander met wanhoop riepen, bevonden zij dat zij slechts nog veertig in getal waren; zevenendertig man en drie vrouwen!

De kastelein Hacket was niet meer met hen!

[81]

"In de kerk vocht men met de hevigste vurigheid, en bij den toren was er zulke groote bloedstorting en menschenslachting, dat ik het niet zou kunnen beschrijven, noch het getal uitdrukken dergenen die werden gedood of gewond."GALB., p. 380.

"In de kerk vocht men met de hevigste vurigheid, en bij den toren was er zulke groote bloedstorting en menschenslachting, dat ik het niet zou kunnen beschrijven, noch het getal uitdrukken dergenen die werden gedood of gewond."

GALB., p. 380.

[82]

Zie het verhaal van Bertulfs schrikkelijke folteringen en dood, op bevel van Willem Van Loo, bij GALBERTUS, p. 341.

Zie het verhaal van Bertulfs schrikkelijke folteringen en dood, op bevel van Willem Van Loo, bij GALBERTUS, p. 341.

[83]

Volgens GALBERTUS (p. 353) werden de Kerels den 14 April, na een bloedig gevecht, uit de opperkerk op den toren gedreven.

Volgens GALBERTUS (p. 353) werden de Kerels den 14 April, na een bloedig gevecht, uit de opperkerk op den toren gedreven.

Er gloeide in Robrechts hart een diepe haat tegen den moordenaar Burchard, die, wel zeker de oorzaak van al hunne ongelukken zijnde, echter boos genoeg was geweest om de schuld op zijnen armen oom Bertulf te leggen en hem zelfs na zijnen ijselijken marteldood nog te hoonen.

Van zijnen kant, was Burchard zoo verbolgen dat hij geenen blik op mher Sneloghe of op Dakerlia kon werpen, of hij sidderde van woede en wraakzucht.

Zij hadden op den toren nog hevige verwijten en uitdagingen gewisseld; maar de krachtdadige tusschenkomst hunner gezellen en de zekerheid dat zij bij het eerste morgenlicht weder zouden worden aangevallen, brachten hen, in schijn ten minste, tot bedaren.

Te zamen konden zij evenwel niet blijven; want bij het minste woord zouden zij elkander aan het lijf willen, en dan werden de Kerels blootgesteld aan het gevaar van elkander in eenen gruwelijken broederstrijd te vernielen.

Het verlies van den kastelein liet de Kerels zonder opperhoofd. Wie zou nu over hen gebieden? Robrecht? Burchard? Geen van beiden zou de bevelen van den anderen aanvaarden. Ja, zij konden elkander niet meer naderen zonder in gramschap te ontvlammen.

Toen de dag reeds lang was aangebroken en men geene beweging onder de vijanden opmerkte, brachten de algemene vermoeidheid en de nood tot rusten, als van zelf de oplossing van het lastig raadsel.

Op den toren der kerk waren twee gaanderijen. De laagste was groot en breed; de opperste, die wel vijftig voet boven de eerste was verheven, had eenen minderen omvang. Zoo was insgelijks het binnenste van den toren in twee verdiepen gedeeld, welke ruimte genoeg aanboden om zoo weinig menschen tot woning te verstrekken.

Burchard, met een twaalftal Houtkerels, die uit plichtgevoel hem nog bijbleven, klom naarboven en nam bezit van de opperste gaanderij. Hij zou tot de verdediging medewerken zonder echter iemands bevel te erkennen.

Opmerkelijk was het,—en Burchard bevond het nu met spijt en schrik,—-dat van al de Houtkerels die op den morgen van den moord met hem in de kerk geslopen waren, geen enkele meer op den toren was. Allen waren gesneuveld of gevangen.

De overige mannen bleven met Robrecht op de groote gaanderij waar zij, binnen den toren, in allernaast met planken en tapijten eene soort van kamer timmerden, om den drie vrouwen eene behoorlijke slaapstede te bezorgen.

Na langs de vier zijden des torens schildwachten te hebben gezet, met den last bij den minsten schijn van aanval hen door den Harop-kreet te wekken, gingen de overige Kerels binnen den toren en legden, zoo zij best konden, zich hier of daar ter rust.

Van de hoogte waarop zij stonden zagen de schildwachten over de gansche stad heen en niets van alwat op de Markt, op den Maalberg of in de naastbijgelegene straten gebeurde, kon hunne aandacht ontsnappen.

Wel bespeurden zij dien ganschen morgen eene groote beweging van poorters en wapenknechten in de stad; maar dezen volgden allen de richting naar St-Salvators, alsof zij daar eenen plechtigen kerkdienst gingen bijwonen.

Een weinig voor elf uur werd hun de reden dier beweging verklaard

Uit de kerk stroomde alsdan een groote toevloed van lieden, die de Steenstraat geheel overdekte en langzaam naar de Markt vooruitkwam. Hij was samengesteld uit ridders, poorters en wapenknechten klaarblijkend niet op vijandelijkheden bedacht, aangezien zij met elkander waren vermengd en nu pogingen deden om zich in eenen stoet te schikken.

Na eene wijl traden uit de kerk een groot getal priesters, diakens en zangers, met vanen, standaarden en wierookvaten. Dezen stelden zich aan het hoofd van den stoet en gaven, door het aanheffen van een treurigen lijkzang, het sein tot den optocht.

In den eerste wisten de schildwachten op den toren niet wat deze plechtigheid te beduiden had; maar toen de zingende priesters met hun gevolg over de Markt kwamen en de Hofstraat insloegen, twijfelden zij niet meer, of hun doel moest zijn het lijk van Karel van Denemarken uit St-Donaas weg te halen en het op niet ontwijde aarde en in eene betere grafstede te leggen.

Zij wekten hunne gezellen en zeiden hun wat er geschiedde, en hoe duizenden menschen in den burg gingen treden; maar dewijl de Kerels uiterst vermoeid en slaperig waren, wilden de meesten hunne rust niet laten, om naar iets te gaan kijken dat hun als geen gevaar aanbiedende, geheel onverschillig was.

Robrecht, met vier of vijf zijner gezellen, kwam op de gaanderij en schouwde neder op den stoet die nu binnen den burg trad en, zonder der Kerlen pijlen of hunne steenen te vreezen, tot aan den voet van den toren zelven vooruitstapte, om in de kerk te gaan. Mher Sneloghe begreep dat de priesters vertrouwen genoeg in der Kerlen godvruchtigheid hadden gehad om te denken dat zij deze lijkplechtigheid niet door het plegen van vijandelijkheden zouden storen. Hij gebood zijne mannen hunne bogen neder te leggen om in stilte te aanschouwen wat daarbeneden geschiedde.

De stoet bleef weinigen tijd in de ontheiligde kerk.

Eerst traden de priesters, zingend en in wolken wierook gehuld, er uit. Achter hen kwamen eenige ridders met eene lijkbaar waarop, onder een zwart kleed met zilveren kronen, de doodkist, die het lichaam van graaf Karel bevatte, werd gedragen.

Al de poorters volgden met ontdekten hoofde. Velen weenden zichtbaar, en het klagen en jammeren der vrouwen klom, als een beschuldigend gebruis, tot op de gaanderij waar de Kerels zich bevonden.

Tot alsdan was alles stil en vreedzaam toegegaan; maar nu werden er eensklaps door de Houtkerels der bovenste gaanderij eenige pijlen onder den dichten stoet geschoten, en drie of vier poorters vielen gewond neder.

Dan rees er een lange en schallende wraakkreet onder de menigte op, en terwijl velen der tegenwoordig zijnde lieden den burg afvloden, staken de anderen de gebalde vuisten dreigend tegen de Kerels op en stuurde hun de schrikkelijkste vermaledijdingen toe.

Aangezien het voorste gedeelte van den stoet reeds in de Hofstraat was getreden en buiten het bereik der Kerels zich bevond, stoorde deze vijandelijke aanval de plechtigheid niet ernstigerwijze.

Eenige oogenblikken daarna hadden al de poorters het plein van den burg verlaten en, ofschoon nog immer van verre de Kerels bedreigende, volgden zij de priesters naar de St-Christoffelskapelle waar men, in afwachting van 's konings terugkomst, het lijk des graven zou nederzetten.

Het geschreeuw en gedruisch der vluchtende menigte had al de Kerels op de gaanderij gelokt.

Robrecht, ten uiterste verbitterd over den aanval door de Houtkerels tegen den lijkstoet gepleegd, meende naarboven te loopen om Burchard rekening over deze nuttelooze baldadigheid te vragen maar zijne gezellen en Dakerlia wederhielden hem door hunne gebeden ...

In den namiddag stond Robrecht met Dakerlia op de gaanderij. Hij poogde zijnen mannen nog eenige hoop in te boezemen. Het Kerlenleger kon in den eersten veldslag tegen den koning van Frankrijk de overwinning behalen. Dan werden zij verlost; en vermits zij allen hunne onschuld aan den moord des graven konden bewijzen, zouden zij hunne vrijheid bekomen en ongehinderd naar Kerlingaland mogen terugkeeren.

Terwijl hij nog sprekende was, werd hij in zijne rede onderbroken door eenen Kerel die over de Markt wees en zeide:

"Ziet, ziet, ginder ten einde der Markt! Men gaat ons aanvallen! Vele benden wapenknechten, boogschutters ..."

Inderdaad, uit de St-Jacobsstraat kwam op dit oogenblik, met ontrolde banieren en klinkende bazuinen, eene talrijke schaar krijgslieden over de Markt en richtte zich naar den burg.

Op Robrechts bevel werd in allerhaast het vuur onder de ketels met olie ontstoken en steenen naar den Zuiderkant des torens in hoopen bijeengedragen.

De wapenknechten traden op het middenplein van den burg, en terwijl zij zich daar langs de Loove en het Gijselhuis in een vierkant schikten, stapte uit hun midden een bazuinblazer met eenen wapenbode vooruit. Deze riep den Kerels toe dat hun een wapenstilstand tot het einde van den dag werd voorgesteld, opdat zij zouden kunnen aanhooren wat de veldheer door zijne zaakgelastigden hun wilde zeggen.

Ten teeken van toestemming hingen de Kerels eene witte vlag buiten de gaanderij. Den wapenbode aansprekende, vroegen zij hem wat hij hun vanwege den veldheer te melden had; maar hij gaf hun te kennen dat zij een weinig op de boodschap moesten wachten.

Over dit antwoord verwonderd, keken de Kerels met overspannen nieuwsgierigheid naar den kant der Markt, waar des veldheers woning stond. Wat ging men hun voorstellen? De vrijheid? de gevangenis? den dood? Hadden de Kerels over het Fransche leger gezegepraald?

Eensklaps werd hunne aandacht opgewekt door eenen verwarden volksdrom, die van uit de Steenstraat over de Markt kwam gevloeid en eenige wapenknechten scheen te omringen.

"Wat mag dit zonderling gewoel toch beduiden?" morde Robrecht.

"Eilaas!" zuchtte Dakerlia, de handen klagende opheffende, "de Isegrims, over de bloedige storing der lijkplecht verbitterd, komen zich wreken."

"Die wanordelijke volkshoop?" vroeg Robrecht verwonderd.

"Akelig, akelig! Zij zullen hier, onder onze oogen, iemand martelen!"

"Wie zou het zijn, meent gij?"

"Gave God, Robrecht, dat mijne vrees ongegrond ware. Arme Hacket!"

"Mijn oom, zij zouden mijnen armen oom onder ons gezicht vermoorden? Kom, Dakerlia, zulk schouwspel is te gruwelijk; ik zou het niet kunnen zien; treden wij binnen den toren."

En dit zeggende, verliet hij de gaanderij met zijne verloofde; maar nauwelijks had hij eenige stappen gedaan, of een Kerel kwam hem achternageloopen en riep hem toe:

"Mher Sneloghe, gij bedriegt u: het is onze kastelein Hacket niet, dien zij naar hier brengen. Neen, het is eene vrouw ..."

Robrecht en Dakerlia slaakten terzelfder tijd eenen grievenden noodkreet.

"Eene vrouw? O, hemel, eene vrouw!"

Meer zeiden zij niet: hun vervaarde blik en de ontsteltenis huns gelaats toonden genoeg dat zij door eene schrikwekkende gedachte waren aangegrepen.

Zij liepen terug naar de gaanderij en poogden, door het overspannen hunner gezichtskracht, te herkennen of de Kerel hun de waarheid had gezegd; doch nu de menigte zich verdrong om de Hof straat in te stroomen, was het hun onmogelijk iets te onderscheiden.

Welhaast bereikte deze verwarde stoet de Hofpoort en trad op het middelplein van den burg.

Dakerlia vloog haren verloofde met eenen angstschreeuw aan den hals.

"Arme Robrecht!" zuchtte zij. "Wee, wee ons, het is Witta, de goede Witta! Gruwelijk, Disdir Vos, de valsche verrader, stoot haar voort en mishandelt haar!"

"Mijne zuster? Zij ook, zij zou boeten voor de misdaad! O, neen, mijn God, laat mij sterven; maar behoed een arm, onschuldig kind!"

Witta Sneloghe stapte tusschen een twintigtal wapenknechten die haar nu en dan barschelijk bij den schouder namen of haar voortstuwden. Disdir Vos was niet meer met haar; ongetwijfeld had hij zich achter den dam of onder het kerkportaal verscholen in de gegronde vrees dat zijne tegenwoordigheid sommige Kerels kon aandrijven om hem eenen pijl door het lichaam te schieten.

Van zoohaast Witta op den burg was verschenen, had zij oogen en handen tot haren broeder en tot Dakerlia opgeheven, als wilde zij haar schrikkelijk lot hun klagen of hunne hulp afsmeeken. Tranen rolden de ongelukkige maagd over de wangen.

Het was Robrecht zoo bang om het hart, dat hij sidderend naar beneden schouwde en geene andere klacht deed hooren dan een heesch en somber keelgeluid.

Dakerlia, door zijnen angst en zijn lijden verschrikt, overwon hare eigene smart, om hem te steunen en te troosten. Zij zeide hem dat alle hoop niet was verloren. Misschien vreesden zij ten onrechte een ijselijk ongeluk. Zij kenden immers de inzichten des vijands niet ...

Maar nu trad een wapenbode dichter bij den toren en riep hun toe:

"In name van mher Gervaas Van Praet, veldheer der Vlaamsche heirkracht, spreek ik tot u. Hoort, wat hij u meldt. Geeft u over in zijne handen, opdat hij over het lot van elk uwer beschikke naar zijnen wil. Een half uur gunt hij u om tot deze overgaaf te besluiten. Indien gij voor het verloop van dien tijd u niet in zijne genade hebt overgegeven, zal, tot een voorbeeld en tot wraak over den moord van graaf Karel, deze jonkvrouw, Witta Sneloghe, zuster van een der moordenaars, onder uwe oogen door den beul het hoofd worden afgeslagen. Ziet aldus wat u te doen staat; wij wachten uw antwoord."

Robrecht slaakte eenen schreeuw en beefde in al zijne ledematen; hij was schier ijlhoofdig en kon zijnen blik niet afwenden van zijne arme zuster, die biddend en smeekend immer de handen tot hem ophief.

Dakerlia, door bedruktheid en schrik overstelpt, had de handen voor de oogen geslagen en weende bitter.

De eindeloosheid van het ongeluk dat hem bedreigde en de akeligheid van zijnen toestand deden Robrecht een uiterst geweld inspannen om zijne smart te bedwingen. Er was geen tijd te verliezen; wat doodelijke angst hem ook folterde, hij was man en moest zelfs te midden der gruwelijkste gevaren sterkmoedig blijven.

Zich tot zijne gezellen keerende, zeide hij haastig:

"Vrienden, wat gaan wij doen? Weigeren wij ons over te geven, dan vermoordt men mijne zuster,—onnoozel kind, zoet en argloos als een lam!—Geven wij ons over zonder voorwaarden, zooals men het eischt, dan dreigt ons een onvermijdelijke dood. Wat gedaan? O, hemel, geeft mij raad! Wat gedaan?"

De Kerels zwegen of morden binnensmonds. Het was klaarblijkend dat zij geenen lust gevoelden om zich weerloos in de handen hunner wreede vijanden te leveren; evenwel, uit medelijden voor den hachelijken toestand van hunnen overste, drukten zij hunne weigering niet door woorden uit.

"Ach, nog eene zwakke hoop!" kreet Robrecht, "misschien zullen onze vijanden niet onverbiddelijk zijn en ons de voorwaarden toestaan die mijn oom Hacket hun vroeger heeft uitgedrukt. Wat voordeel brengt het toch Kerlingaland toe, dat wij nog eenige dagen op dezen toren blijven? Sterven,—indien dit lot ons door God is voorbeschikt,—sterven moeten wij allen. Waarom mijne zuster, waarom een onnoozel kind nutteloos geslachtofferd? Laat mij het beproeven: wil men ons beloven ons onmiddellijk te dooden en ons toe te laten onze onschuld aan den moord te bewijzen, dan, vrienden, ik smeek u, geven wij ons over! Mijne arme zuster zal gered zijn en wij, misschien, zullen worden gespaard ..."

Burchard Knap die, om beter te hooren wat des veldheers bode zeide op de groote gaanderij was gekomen, viel Robrecht hier met eenen spotlach in de rede, en riep:

"Zinnelooze woorden! Ziet gij niet dat de Isegrims deze nieuwe list uitgevonden hebben om ons in handen te krijgen en ons te martelen, zooals zij onze ongelukkige broeders hebben gemarteld? Al wat zij zeggen is bedrog en valschheid. Zoohaast gij beneden zijt zal men u doodslaan en uwe lijken met voeten treden. Wat mij betreft, ik geef mij niet over. Moet ik sterven, het zij dan met met zwaard in de vuist!"

"Maar, maar, om Gods wille, Burchard", smeekte mher Sneloghe, "beneem mij dit laatste middel niet! Veroordeel mijne rampzalige zuster niet tot eenen gruwelijken dood!"

"Te veel reeds hebben vrouwen onze verdediging gehinderd", gromde Burchard. "Voor het behoud van het leven uwer zuster zoudt gij het leven van al deze dappere mannen gaan opofferen? Het is belachelijk!"

Robrecht meende tegen den barschen Burchard met woede uit te vallen; maar nu galmde hem van beneden eenen angstkreet in de ooren, die hem naar den boord der gaanderij deed springen. Hij zag de arme Wtta tusschen ridders en wapenknechten ten gronde geknield, terwijl een beul met uitgetogen zwaard nevens haar gereed stond om op het eerste sein haar het hoofd af te slaan.

Bevend als een riet en schier zinneloos van verschriktheid, deed Robrecht een teeken dat hij wilde spreken. De wapenbode naderde en mher Sneloghe gaf hem te kennen dat de Kerels er in toestemden den toren te verlaten en zich in des veldheers handen over te geven op voorwaarde dat men hen allen in de gevangenis zou leiden en men hen door een gerechtshof zou doen oordeelen, opdat elk hunner gestraft wierde in de maat zijner schuldigheid.

De wapenbode keerde terug naar de ridders die onder elkander met zekere hevigheid over deze voorstellen begonnen te raadplegen.

Intusschen was Disdir Vos, door den gang der onderhandelingen verstout, uit zijne schuilplaats getreden en stond nu nevens de geknielde Witta, waar hij met eenen ridder, die de overste der wapenknechten scheen, begon te spreken.

Burchard bemerkte den verrader van op den toren. Hij nam, zonder iets te zeggen, den boog uit de handen van eenen zijner mannen, legde er eenen pijl op en mikte ...

Met eenen angstigen gil sprong Dakerlia naar hem toe en wilde hem den boog uit de handen rukken, terwijl zij riep:

"Houd op, laat af, uw pijl is een doodvonnis voor de ongelukkige Witta!"

Maar hij, met eenen enkelen zwaai zijner linkerhand, wierp de smeekende maagd zoo geweldig achteruit dat zij tegen den kerkmuur viel.

De pijl snorde door de lucht en trof in eene schuinsche richting Disdir Vos op de schouderplaat; maar hier schampte hij af, verhief zich weder en doorboorde den hals van den overste der wapenknechten. Deze, zich doodelijk gekwetst voelende, begon te wankelen doch had nog, terwijl hij ineenzakte, de kracht om te roepen:

"Sla toe! Sla toe!"

De beul, op dit bevel, slingerde zijn bliksemend zwaard door de lucht ... en het hoofd der arme Witta rolde ten gronde ...

Een lange angstschreeuw, een akelige noodkreet weergalmde terzelfder tijd op het plein en op den toren.

Robrecht Sneloghe, als hadde het gezicht van het bloedend lijk zijner zuster hem met versteendheid en verbijstering geslagen, lag beweegloos over de gaanderij en hield den strakken blik naar beneden. Hij sprak geen woord, en welke pogingen de weenende Dakerlia ook inspande om hem uit den afgrond zijner smart op te heffen, hij antwoordde haar niet.

Eensklaps toch scheen de bewustheid van wat er was geschied in hem terug te keeren. Hij sprong achteruit, trok zij'n zwaard en riep tot Burchard, terwijl vele Kerels, die zijn inzicht begrepen, hem wilden weerhouden:

"Moordenaar van den graaf, moordenaar van Bertulf, moordenaar mijner zuster, moordenaar van Kerlingaland, uw bloed moet ik hebben! Weze mijn arm de uitvoerder van Gods wraak! Het hoofd zal ik u klooven, vervloekte duivel, geboren tot ramp en schand van uw geslacht!"

Hij was zoodanig door woede vervoerd, dat hij eenigen zijner gezellen overhoop smeet, zelfs Dakerlia met geweld terugdreef en bulderend vooruit liep naar Burchard die, met het zwaard in de vuist en eenen spotlach op de lippen, hem verwachtte.

Nog immer poogden hunne gezellen hen van elkander verwijderd te houden; maar Robrecht riep op eenen toon, die geene wederspraak meer toeliet:

"Kamp! Kamp! Wilt gij mij niet dwingen een moordenaar te worden, laat mij strijden tegen het wangedrocht! Achteruit, achteruit! Hij verdedige zich, of ik vel hem, onmensen die hij is, voor mijne voeten neder!"

Door den kreet "kamp! kamp!" welken de beide vijanden terzelfder tijd aanhieven, zagen de Kerels zich gedwongen hen in vrijheid elkander te laten bevechten.

Stervende van schrik en hare onmacht voelende, was Dakerlia op beide knieën nedergezonken en hield nu de handen ten hemel en bad God om bescherming.

De zwaarden slingerden door de lucht en vielen nu en dan bonzend of knarsend op pantser of op helm. De uiterste woede zelve der strijders maakte hunne slagen onzeker. Na eene korte wijl echter bekwam mher Sneloghe zulken harden slag op den schouder dat hij er onder bukte en met eene knie ten gronde zonk. Een gil van doodelijken angst ontsnapte Dakerlia, die haren verloofde reeds dood waande; maar vooraleer Burchard opnieuw zijn zwaard kon verheffen, was Robrecht opgesprongen en achteruitgeweken.

Onder het bulderen van sombere wraakkreten, liep hij weder tegen zijnen vijand in en trof hem zoo geweldig terzijde onder zijnen helm dat hij hem den hals half doorhakte.

Eene onduidbare vermaledijding bonsde op uit Burchards borst; het bloed ontsprong hem in eenen dikken straal, en hij viel zonder beweging achterover.

De Houtkerels naderden hunnen overste om zijnen helm te ontgespen en hem hulp te brengen; maar zijne wijde wonde en de doodverf op zijn gelaat lieten hun slechts weinig hoop—Burchard Knap had het leven verloren, en zijne ziel was opgeklommen tot God, om daar te verantwoorden over hetgeen hij op de wereld had gedaan.

In den eerste had Robrecht met eenen glim van voldoening op zijnen gevallen vijand gestaard, doch na een kort oogenblik keerde het gevoel eener akelige zekerheid in hem terug, en hij sprong met eenen scherpen kreet naar de gaanderij.

Over de leuning gebogen, schouwde hij naar beneden ... Hij zag hoe men het bloedig lijk zijner zuster van den grond ophief om het elders te voeren, en hoe een wapenknecht het afgehakte hoofd bij de haren hield en het zoo de arme doode achternadroeg ...

Dit gezicht doorboorde hem het hart als een moordpriem. Hij viel ontzenuwd en vertwijfelend op de leuning der gaanderij, en begon te weenen en te snikken als een kind:

"Dood, dood, mijne arme Witta!... Onschuldig en rein als een offerlam! God, o, God, Gij hebt ons vermaledijd!... maar waarom mijne arme zuster?... Wee, wee; mocht ik sterven!..."

En overvloediger nog stroomden hem de tranen langs de wangen

Dakerlia, niet min ontsteld en door droefheid verpletterd, poogde evenwel hem nog te troosten. Hij scheen haar niet te hooren en bleef in stomme hopeloosheid verslonden, totdat zij eindelijk, als laatste toevlucht, zijne mannelijke fierheid aanriep en hem deed begrijpen dat het gezicht zijner tranen de Kerels verschrikte en hun den moed geheel zou benemen.

Hetzij de storm zijner smart een weinig was bedaard of dat hij eenige schaamte gevoelde over zijne weekhartigheid, hij luisterde naar de liefderijke vermaningen van Dakerlia, stond op, vatte haar de hand en stapte met haar in den toren, om daar in eenzaamheid zijne tranen te verbergen en zonder stoornis den dood zijner zuster te betreuren.

Onderwijl waren de meeste Kerels bij het lijk van Burchard gebleven, en hadden hem helm en harnas ontgespt en hem de hand op het hart gehouden, om zich te verzekeren dat geen spoor van leven meer in hem overbleef.

Dan zeide Ivo-de-wolvenjager tot hen:

"Hij is dood, gansch dood!—Hij is het die graaf Karel heeft vermoord. Geen onzer heeft werkelijk deel aan deze misdaad genomen. De gezellen, die Burchard tot den noodlottigen slag hebben geholpen, zijn allen gesneuveld. De Isegrims wilden ons martelen alleenlijk omdat mher Burchard zich met ons bevond. Laat ons nu den wapenbode den dood van den moordenaar melden; en wellicht zullen de Isegrims ons dan gunstige voorwaarden tot onze overgaaf toestaan."

Eenigen morden tegen dit voorstel; maar de meesten keurden het goed.

Ivo-de-wolvenjager stapte naar den zuiderkant der gaanderij en riep uit al zijne macht tot de ridders:

"Heeren, onder ons allen bleef nog slechts één man die schuldig was aan des graven moord, namelijk Burchard Knap. Ik maak u kond dat hij niet meer leeft; Robrecht Sneloghe heeft hem daareven in eenen kamp gedood!"

Een gemompel van verbaasdheid of van twijfel ontstond tusschen de ridders.

"Wij willen ons in uwe handen overgeven", zeide Ivo, "op de voorwaarden welke daar straks door mher Sneloghe, onzen overste, u zijn bekend gemaakt. Wij zijn niet plichtig en zullen onze onschuld voor de rechters bewijzen."

"Het is eene list! Gij poogt ons te bedriegen! De moordenaar van graaf Karel is niet dood!" riep men verwardelijk van alle kanten hem toe.

"Welnu, heeren, gij zult overtuigd worden van de waarheid mijner woorden", riep Ivo. "Wij gaan het lijk van Burchard tot u aflaten. Doe het bezichtigen door ridders die Burchard in zijn leven hebben gekend. Beraadslaagt dan over bet besluit dat gij ten onzen opzichte wilt nemen. Wij wachten uw antwoord met vertrouwen."

Hij trad terug op de gaanderij en haalde een lang touw, zooals er vele in de nabijheid gereed lagen. Door zijne makkers geholpen, bond hij het einde aan Burchards lijk en droeg dit op den boord der ganderij.

"Geeft acht, heeren", riep hij, "daar daalt het doode lichaam van Burchard Knap tot u af!"

En onder het uitspreken dezer verwittiging, lieten zij hunnen last tot op het plein van den burg nederzakken, en wierpen zelfs het touw naar beneden.

Onmiddellijk stroomde eene menigte ridders, poorters en wapenknechten naar den voet des torens om eenen blik te werpen op het lijk van den booswicht, wiens misdadige handen graaf Karel voor Gods altaar het hoofd hadden gekloofd.

Langen tijd heerschte daar een verward gewoel en gedrang en tevens een schaterend gedruisch, waaruit men niets duidelijks hoorde opgaan dan de kreten:

"Hij is het! Ik ken hem. Hij is het niet! Zij willen ons bedriegen. Het is een Kerel die hem gelijkt. Zeker, het is de barsche, de wreede Burchard wel![84]"

Maar wat ook het gevoelen was, dat hier de bovenhand behield, niet lang bleef de menigte zoo twisten. Welhaast begonnen poorters en wapenknechten hunnen haat en hunne wraakzucht op het lijk te koelen. Zij doorstaken het eerst met honderd wonden, en traden het met de voeten, totdat eene machtige stem zich verhief en uitriep:

"Naar het galgeveld, de moordenaar! Op het rad het kreng! Naar de galg het monster, naar de galg! naar de galg!"

En op zijn voorbeeld grepen eene menigte lieden het touw aan, sleepten juichend en schreeuwend het lijk over het plein, stroomden als een rollende vloed er mede door de Hof straat en verdwenen achter den hoek der Markt.

Er kwam dan weder eene betrekkelijke stilte op den burg.

Ivo-de-wolvenjager zag van boven de gaanderij dat de oversten der Isegrims onder elkander beraadslaagden, en hij twijfelde niet of zij waren bezig met de voorstellen der Kerels te overwegen.

Na eenigen tijd te hebben gewacht, riep hij:

"Welnu, heeren, wat is uw besluit? Geeft ons een antwoord?"

De ridders gingen uiteen. Velen hunner schreeuwden tot de Kerels:

"Sterven, sterven! voor u allen niets dan de dood!"

Onmiddellijk klonken eenige bazuintonen en galmde de stem van mher Gervaas bevelend over het plein.

De duizenden wapenknechten spanden hunne bogen en een oogenblik daarna vlogen zoovele pijlen naar den toren, dat de lucht als door eene wolk werd verduisterd.

Dewijl de Kerels het inzicht des vijands hadden bemerkt, konden zij zich intijds achter de kanteelen der gaanderij verbergen, en zoo kwam het dat buiten eenen Kerel, die eene wonde aan de wang bekwam, niemand hunner werd getroffen.

Zij hielden zich reeds lang op deze wijze schuil, en de vijand ging nog immer voort met schieten, zonder dat de Kerels er op bedacht waren eenige tegenweer te bieden.

Dan trad Robrecht Sneloghe op de gaanderij. Hij scheen kalm en er fonkelde eene genster van trotschheid in zijne oogen, alhoewel zijn aangezicht nog de sporen van gestorte tranen toonde.

Hij wierp eenen blik over het plein en riep dan met eene bittere grijns op de lippen tot zijne gezellen:

"Op, Kerels! Zijn wij waarlijk veroordeeld tot den dood, sterven wij ten minste gewroken! Welke gunstige gelegenheid! Eisenen wij van deze wreede beulen den prijs van den akeligen dood mijner zuster, den prijs van onzer broederen bloed! Haastig, pijlen, steenen, kokende olie! Zij zijn onverbiddelijk voor ons: geene genade meer voor hen!"

En het voorbeeld bij het woord voegende, slingerde hij eenen zwaren steen naar beneden en verpletterde eenen ridder het hoofd.

Zijne mannen sprongen allen te gelijk recht en schoten pijlen en smeten steenen met razende woede en overspannen kracht. De vrouwen zelven kwamen vooruit en sproeiden, met groote ijzeren lepels, vlammend pik en olie over het plein.

In min dan eenige oogenblikken lagen er vele poorters, wapenknechten en ridders met verpletterd hoofd, verbrande leden of doorboorde borst ten gronde.

De veldheer Gervaas Van Praet, die zich niet op zulke moorddadige tegenweer had verwacht, schrikte bij de gedachte dat hij hier nutteloos een aanzienlijk getal mannen zou verliezen. Hij deed de bazuin aanheffen en den aftocht blazen.

De wapenknechten liepen te zamen en weken schier in wanorde door de Hofstraat.

Eene wijl daarna was het op den burg zoo stil als ware er niets geschied.

[84]

"De belegerden kondigden ... den dood van Burchard aan, roepende dat een twist tusschen hem en den jongen Robrecht was opgerezen, en deze hem had nedergeveld en met zijn zwaard doorstoken." GALB., p. 551.

"De belegerden kondigden ... den dood van Burchard aan, roepende dat een twist tusschen hem en den jongen Robrecht was opgerezen, en deze hem had nedergeveld en met zijn zwaard doorstoken." GALB., p. 551.

Er waren vijf of zes dagen verloopen sedert den dood van Witta en van Burchard Knap, zonder dat de Kerels op den toren eenige tijding van buiten hadden vernomen.

De Isegrims hadden bemerkt dat er uit een huis op den hoek van den Maalberg pijlen met brieven naar de Kerels werden geschoten Zij hadden daarop den graankoopman Elfrid Rooster, als plichtig aan verstandhouding met den vijand, uit zijne woning gerukt en in de gevangenis gezet. Tevens hadden zij rondom de kerk en den burg de schildwachten verdubbeld en doen afkondigen dat elk poorter, wapenknecht of ridder die tot de Kerels sprak of hun eenig bericht toestuurde, de straf der landverraders zou onderstaan.

Van dan af bleven de Kerels geheel zonder kennis van hetgeen er in de stad of elders geschiedde.

Het verwonderde hun dat men reeds bijna gedurende eene gansche week hen met rust had gelaten en geenen nieuwen aanval tegen hen had beproefd. Misschien had men besloten hen vanhonger op den toren te laten sterven? Dit was geheel onwaarschijnlijk. Wel bezaten de Kerels nog eenigen voorraad aan levensbehoeften maar zij voorzagen dat deze welhaast ontoereikend zou worden en zij hun dagelijksch voedsel moesten verminderen, wilden zij niet door gebrek gedwongen worden zich in de handen hunner vijanden over te leveren.

Intusschen poogden zij allerlei middelen tot de hardnekkigste verdediging bijeen te dragen. Zelfs braken zij steenen en balken uit den toren, om daarmede bij eenen ernstigen aanval den vijand duchtig te treffen.

Dat de Franschen of de Isegrims langs de trap eene bestorming zouden wagen, dit was niet te gelooven. Inderdaad, deze toegang, die als eene kreukel binnen den toren naar de hoogte draaide, was zoo nauw dat geene twee menschen te gelijk hem konden beklimmen Kwamen er vijanden langs daar, dan zou het den Kerels gemakkelijk zijn ze een voor een te dooden, naarmate hunne hoofden opvolgend uit de trapval opdaagden.

Evenwel, om tegen alle verrassing te zijn beveiligd, hadden da Kerels den mond van de trap, waar deze zich op de gaanderij opende, met balken en zware steenen overdekt en beladen.

Robrecht Sneloghe had nog meer dan eens, wanneer hij zich alleen binnen den toren bevond, tranen gestort over het beklaaglijk einde zijner zuster en ongetwijfeld tevens over het schrikkelijk lot dat zijne verloofde te wachten stond. Maar hetzij de krachtige woorden van Dakerlia hem moed inboezemden, of dat de onvermijdelijkheid van den dood zelven hem tegen den rampspoed deed opstaan, hij ademde niets meer dan wraak en hield zijne gezellen geen ander doel meer voor oogen dan hun leven duur te verkoopen en dus de Isegrims te dwingen zelfs bij hunne zegepraal nog de onversaagdheid en de onplooibaarheid der Kerels te bewonderen.

Weinigen onder hen behielden nog eene zwakke hoop op verlossing Wat zou de uitslag zijn van den eersten strijd tusschen het Fransche leger en der Kerlen heirkracht? Wel scheen Willem Van Loo de Erembalds te haten; maar indien hij overwinnaar bleef, zou toch de vijand Brugge verlaten, en zij zouden zonder eenig beletsel van den toren komen en in vrijheid naar huis gaan.

In den morgen van den zesden dag trad de veldheer GervaasVan Praet zelf met eenigen zijner voornaamste ridders op den burg, en deed den Kerels door eenen wapenbode hunne overgaaf afeischen, hen bedreigende met den schromelijksten marteldood indien zij nog langer weigerig bleven.

De Kerels herhaalden hunne vorige voorstellen, maar wilden van geene overgaaf op genade hooren.

Het verbitterde den veldheer ten hoogste zich dus onmachtig tegen eene handvol mannen te gevoelen; ja, het vernederde hem te moeten denken dat zij den toren wellicht zouden behouden tot den terugkeer des konings van Frankrijk, die ongetwijfeld daarover zeer ontevreden zou zijn.

Zijne ridders spoorden hem aan om, in schijn ten minste, de voorwaarden der Kerels aan te nemen; maar dezen eischten een vrijgeleide door den veldheer onderteekend en bezegeld, en Gervaas Van Praet was te eerlijk ridder om dus een verraad te plegen dat als eene eeuwige vlek, meende hij, op zijnen naam zou kleven.

Terwijl hij nog daarover met zijne ridders in beraadslaging was, kwam een overste van de Markt geloopen en zeide hem dat er een bode met eenen brief van 's konings wege was gekomen met zeer haastig nieuws. Deze bode wachtte hem in zijne woning.

Hij voegde er met luider stemme bij:

"Verheugt u, heeren, de koning heeft de Kerels overwonnen! Yperen is bezweken en Willem Van Loo is in 's konings macht!"

Een groot gejuich ontstond onder de ridders; en dewijl zij den veldheer zich zagen verwijderen, liepen zij insgelijks van den burg om de blijde tijding overal te gaan verspreiden.

De veldheer vond des konings bode in zijne woning. Zeer nieuwsgierig, opende hij den brief dien hij hem had gebracht. Dit schrijven behelsde in slechts weinige woorden de aankondiging der nederlaag van Willem Van Loo, maar meldde tevens dat de ridder Pierre de Bohain, drager des briefs, hem verdere bijzonderheden zou doen kennen.

"Aldus, uw heer koning heeft de Kerels verwonnen? God zij dank! Ik vreesde dat het zoo gemakkelijk niet zou gaan", zeide Gervaas Van Praet. "Het is te Yperen dat de slag werd geleverd?"

"Ja, veldheer, te Yperen", antwoordde de bode, "maar dat heteene gemakkelijke zaak was, daarin bedriegt gij u. Die Kerels zijn eene soort van reuzen of van duivels: zij strijden als dolle leeuwen, en laten zich liever tot den laatste toe doodslaan dan eenen voet te wijken. Gelukkiglijk waren zij niet talrijk, en daarenboven, zij werden verraden door hunne eigene landslieden."

"Verraden? Ik bid u, heer Van Bohain, heb de goedheid en vertel mij toch hoe de gansche zaak is toegegaan."

"Het is mijne zending dit te doen, veldheer. Luister dan; ik zal pogen kort en duidelijk te zijn. Wij waren met den koning en den graaf van Vlaanderen opgetrokken naar het land der Kerels. Slechts omtrent een open vlek, dat men Staden noemt, vonden wij eerst een duizendtal vijanden, en tastten hen onmiddellijk aan met al onze macht. Het is onbegrijpelijk welken hardnekkigen tegenstand deze lieden ons boden. Wij moesten elk huis van Staden elke plooi des gronds, elke gracht, eiken boom stormenderhand innemen. Het bloedig gevecht duurde tot den avond, en het eindigde slechts toen ook de laatste dezer wilde Kerels was verpletterd. Wij bleven daar den volgenden dag, om onze dooden te begraven en onze gekwetsten te verzorgen; want, veldheer, wij hadden zulke groote verliezen geleden, dat de koning een oogenblik aarzelde om zijn leger verder te leiden in eene onbekende streek, door zulke sterkmoedige en strijdbare lieden bewoond.—Hier kwam ons het bericht toe dat de valsche graaf Willem Van Loo, met een weinig machtig leger, zich voor Yperen had nedergeslagen, en voornemens was deze stad tegen den koning te verdedigen. Het bevel tot den optocht werd ons gegeven.—Voor Yperen hadden wij een even lang en hardnekkig gevecht te leveren en de avondduisternis kwam zelfs ons dwingen den veldslag te onderbreken, met de zekerheid dat de akelige bloedstorting des anderen daags bij het opgaan der zon met meer woede nog zou beginnen."

"Die onplooibare Kerels!" zuchtte Gervaas. "Het zijn manhaftige lieden, heer ridder, en zij zouden een beter lot verdienen, indien zij niet wars waren van alle overheid en van allen dwang. Eilaas, waarom willen zij zich niet onderwerpen! Nu moeten wij ze vernietigen, het sterkste en dapperste volksras van Vlaanderen!... En den dag daarna hebt gij de Kerels beslissend overwonnen?"

"Vooraleer ik mijn verhaal voortzet, is het noodig dat ik u iets zegge", antwoordde de ridder Van Bohain. "Gij moet weten dat binnen Yperen meer dan de helft der poorters, sedert den moord van graaf Karel, vijanden der Kerels geworden zijn; want alhoewel Willem Van Loo en zijne gezellen beweren van dezen aanslag niet te hebben geweten, blijven de poorters denken dat Willem Van Loo en andere machtige lieden van het land de Kerels tot den moord hebben geraden of geholpen.—Wij waren dus in de nabijheid van Yperen gelegerd, ons voorbereidende tot den strijd van morgen, toen eenige burgers geheimelijk tot ons kwamen en den koning aanboden eene poort der stad en den burg in onze macht te leveren. Zij zouden, terwijl wij de Kerels aanvielen, de wapens opnemen en dezen van achter aanvallen, onderwijl eene poort openen en den burg, waar zij de wacht hielden, aan de Fransche krijgsknechten overleveren.—Ofschoon wij niet veel vertrouwen in deze lieden hadden, aanvaardden wij hunne voorstellen. De zaken gebeurden echter zooals zij ons hadden beloofd.—Bij de eerste morgenschemering werd de strijd hervat, en wel gedurende twee uren met veel woede voortgezet; maar dan wierpen de gewapende poorters zich langs achter op de Kerels; en dezen, dus van alle kanten ingesloten en bevochten, en daarenboven afgesneden van hun steunpunt, den burg, verzwakten allengs en bezweken eindelijk geheel, in onze handen slechts een vijftigtal gevangenen latende, waaronder de valsche graaf zich bevond.[85]"

"Willem Van Loo is waarlijk 's konings krijgsgevangene!"

"Ja, veldheer, gij zult hem ongetwijfeld heden nog zien."

"Voert men hem dan naar Brugge?"

"De koning komt naar Brugge met een klein gedeelte des legers. Uw graaf Willem van Normandië zal met de meeste macht door het land der Kerels trekken; want het schijnt dat WillemVan Loo reeds vele sterke steden en burchten had ingenomen. Zijn onze berichten echt, dan bezetten de Kerels Veurne, Vormezeele, Cassel, Arien, Berghe, Bodenburg en andere vestingen nog; maar, nu hun hoofdleger is verpletterd, kunnen zij echter geenen ernstigen tegenstand meer bieden. Het schijnt daarenboven dat er veel verdeeldheid onder hen heerscht en zij elkander den moord van graaf Karel verwijten."

"Maar, heer Van Bohain, indien de koning u heeft gezonden om mij zijne komst te boodschappen, verlangt hij wellicht als overwinnaar met plechtigheid te worden ingehaald. Ik moet daartoe in allernaast bevelen geven en de schepenen en de geestelijkheid verwittigen."

"Neen, veldheer, dit wenscht onze koning niet. Het zal voldoende zijn, het nieuws zijner overwinning door de stad te verkondigen Hij heeft liever, aangezien de oorlog nog niet is geëindigd dat men het volk de vrije uitboezeming zijner hulde en zijner blijdschap late. Wilt gij, veldheer, met een twintigtal uwer voornaamste ridders den koning te gemoet rijden, het zal hem genoegen doen. Geef mij nu oorlof om u te verlaten; ik keer terug op de baan naar Yperen."

"Eenige oogenblikken!" riep Gervaas Van Praet. "Ik haast mij de noodige bevelen te geven en mijne ridders te doen verwittigen; dan vertrek ik met u. Gelief mij nu te volgen, heer Van Bohain; ik vraag u slechts een klein half uur."

"Het zij zoo, ik zal mij gelukkig achten, in uw vereerend gezelschap te reizen", antwoordde 's konings bode, terwijl hij met den veldheer de zaal verliet.

Het nieuws van des konings overwinning en van zijnen terugkeer te Brugge verspreidde zich met wonderlijke snelheid door de stad. Welhaast zagen de Kerels van boven den toren hoe vele poorters, gewapend en ongewapend, zelfs vrouwen en kinderen, van alle kanten zich naar de Steenstraat en naar de St-Amandsstraat spoedden, ongetwijfeld om op het Zand eene of andere plechtigheid te gaan bijwonen.

Alhoewel men uit de nevenstraten nu en dan zonderlinge teekens tot de Kerels deed, en door de handen in de hoogte te heffen hen scheen te beklagen of hun te willen berichten dat eengroot ongeluk hen bedreigde, verstonden zij echter niet wat men hun wilde zeggen.

In de verwachting van eenen mogelijken aanval, maakten zij hunne werptuigen gereed en ontstaken het vuur onder de ketels met pik en olie.

Er verliep een goed gedeelte van den dag zonder dat zij werden verontrust; ja, het was zelfs zoo stil in de stad en in den burg geworden, alsof poorters en Isegrims meest allen buiten de vesting waren gegaan.

Slechts toen het ongeveer twee uren na middag was, hoorden zij in de verte een hevig bazuingeschal en daartusschen een galmend gejuich dat, onduidelijk nog, met korte onderbrekingen over de stad weergalmde.

Dit gerucht groeide aan en naderde immer, totdat de volksvloed uit welke schoot het opklom, zich bij den ingang der Steenstraat en op de Markt vertoonde.

Wat dit gewoel en deze luidruchtige verwelkomingen te beduiden hadden, konden de Kerels niet raden. Wel zagen zij eindelijk den koning van Frankrijk, op een wit paard gezeten, van eenen prachtigen ridderstoet omringd en door de wapenknechten en een gedeelte des volks toegejuicht; wel bemerkten zij achter den koning eenen open wagen, waarop een ridder, dien men hoonde en met vuisten dreigde, gebonden lag; maar de stoet, die aan de overzijde der Markt voorbijtrok, was nog te zeer verwijdert om hun toe te laten duidelijk te zien wat er geschiedde.

Het was hun klaarblijkend dat de toejuichingen op des konings baan werden aangeheven door wapenknechten, schalken en mindere lieden, waartusschen slechts weinige poorters zich bevonden. De groote meerderheid der welhebbende of der neringdoende Bruggelingen hield zich stil langs de huizen, en bepaalde hare betuiging bij eenen eerbiedigen groet.

Maar telkens wanneer de koning eenige stappen voorbij was, ontstond er onder deze poorters een afkeurend gemor, en velen waren zelfs stout genoeg om openlijk door uitroepingen of door gebaren hunne gramschap en hunne verontwaardiging te betuigen.

De oorzaak dezer ontevredenheid wae, dat Rambold Tancmaren andere neven of magen van den hofraadsheer, die met graaf Karel was vermoord geworden, den koning volgden. Tot nu toe had geen hunner binnen Brugge zich durven vertoonen; maar sedert de nederlaag van het Kerlenleger vreesden zij niets meer, en tergden nu zelfs de verbitterde poorters door spottende blikken en hoogmoedig lachen.

Zoo trok de stoet, bij den klank van bazuinen en trompers, nevens de St-Christoffelskapelle voorbij, en begaf zich naar den Maalberg, alsof des konings doel ware geweest de Kerels van boven den toren zijnen zegevierenden intocht te doen aanschouwen.

Op den Maalberg hield de stoet stil, en men voerde, met een bepaald inzicht ongetwijfeld, den open wagen zoo dicht mogelijk naar den toren.

De ridder, die op den wagen gebonden lag, woelde zich om en wrong zijne leden, als wierd hij door de stuiptrekking eener vurige woede geschokt. Zoo geraakte hij half opgericht en schreeuwde met eene machtige stem tot de Kerels:

"Moordenaars, vuige, laffe moordenaars, gij hebt Kerlingaland en mij in het verderf gestort! Wees vermaledijd!"

Dan herkenden de Kerels in den gevangen ridder Willem Van Loo, dien zij te Veurne in de Hoop tot graaf van Vlaanderen hadden gekozen.

Hij lag gebonden op eenen wagen en werd in eenen zegevierenden optocht, ter eere des konings van Frankrijk, rondgevoerd! Het Kerlenleger was dus overwonnen; niet alleen was alle hoop op behoudenis des levens hun ontnomen, maar zelfs hun vaderland was verloren!

Deze overtuiging trof hen met zulken diepen angst, dat zij in den eerste geene acht op des ridders woorden gaven; maar dewijl hij zijne beschuldiging meer dan eens herhaalde, ontvlamden zij in toorn en riepen hem toe:

"De lafaard, de verrader zijt gij, valsche ridder, die den moord des graven hebt bevolen, en dan den onschuldigen proost van St-Donaas hebt doen martelen en ons zonder hulp hebt gelaten, om de wereld te doen gelooven dat gij vreemd waart aan de misdaad! Ja, de gruwelijke moord, door Burchard Knap gepleegd, isde oorzaak van Gods toorn tegen ons geslacht; maar gij, gij hebt den wreeden arm van Burchard bestierd ... Wees vermaledijd, valschaard, vermaledijd tot in den dood!"

Misschien verstond Willem Van Loo de bittere verwijten niet welke de Kerels hem toestuurden; want zij spraken verscheidene te gelijk, en daarenboven was reeds de wagen omgewend geworden en voerde men hem nu verder het plein op, om hem buiten het bereik van der Kerlen pijlen te stellen.

Intusschen had de koning zijn gevolg van ridders en wapenknechten den ruststand bevolen, en was zelf van paard gestegen, om van zoo dichtbij als mogelijk de kerk en den toren te bezichtigen.

Hij deed nu eenige stappen vooruit met den veldheer der Isegrims en met Baudewijn Van Aelst, die zich gereed hielden om hem desnoods de uitleggingen te geven, welke hij zou kunnen verlangen.

Eene wijl bleef de koning in stilte naar den toren blikken. Dan, zich tot Gervaas Van Praet wendende, vroeg hij:

"Men heeft mij daar straks gezegd dat zij nog wel met hun honderd daarboven zijn? Zij schijnen mij zoo talrijk niet!"

"Uwe gissing is gegrond, heer koning", antwoordde de veldheer "zij kunnen, volgens de nauwste berekening, niet meer boven de vijftig sterk zijn. Maar wanneer onze mannen, om hen te verontrusten, eenen aanval veinzen, weren zij zich zoo hardnekkig en zoo krachtig, dat men inderdaad wel zou denken dat zij nog met honderden te zamen zijn."

"En zij dooden u vele mannen?"

"Ja, heer koning, zij deden ons aanzienlijke verliezen onderstaan Daarom hebben wij, sedert eenige dagen, van alle vijandelijkheid tegen hen afgezien, totdat wij uwe hooge bevelen mochten ontvangen."

"Het zijn dus verwoede, zinnelooze lieden, die Kerels? Wat hopen zij?"

Mher Gervaas haalde twijfelend de schouders op.

"Maar, veldheer", zeide de koning, op eenigszins strengen toon, "het is u mogelijk geweest de kerk en de kapelle stormenderhand te winnen. Waarom hebt gij niets tegen den toren beproefd? Mij dunkt het gemakkelijk deze handvol uitgeputte mannen met geweld van daarboven af te rukken."


Back to IndexNext