Vijfde Bedrijf.Eerste Tooneel.Voor een vrouwenklooster.De Koopman enAngelokomen op.Angelo.Het spijt mij, heer, dat ik uw reis vertraagde,Maar ’k zweer u, dat ik hem de keten gaf,Al is hij laag genoeg om dit te looch’nen.Koopman.Hoe staat de man hier in de stad bekend?Angelo.Hij heeft een besten naam, heer; zijn credietIs onbeperkt, hij algemeen bemind;Hij is van de allereersten van de stad,Ja, meer dan mijn vermogen geldt zijn woord.Koopman.Spreek zacht, want als ik wel zie, komt hij ginds.(Antipholusvan Syracuse enDromiovan Syracuse komen op.)Angelo.Hij is ’t; met de eigen keten om den hals,Die hij, bij hoog en laag, nooit had gezien!Verzel mij, waarde heer, ik spreek hem aan.—Signor Antipholus, ik sta verbaasd,13Dat gij in ongelegenheid mij brengt,En, waarlijk niet in ’t voordeel van uw naam,Door woord en eed de ontvangst geloochend hebtDer keten, die gij openlijk nu draagt.Gezwegen nog van de aanklacht, schande en gijz’ling,Deedt ge onrecht, schade aan deez’ mijn wakk’ren vriend,Die, had hem onze twist niet opgehouden,Nu onder zeil zou zijn, in volle zee.Ik leverde u die keten; kunt gij ’t looch’nen?Antipholus van Syracuse.Gij deedt het, zeker; ik ontkende ’t nooit.Koopman.Dit deedt gij wel, heer; ja, gij zwoert er op.Antipholus van Syracuse.Wie hoorde die verlooch’ning; wie dien eed?Koopman.Gij weet wel, dat mijn eigen ooren ’t hoorden.Ellend’ling foei! ’t is zonde, dat gij leeft,En nog verkeert waar brave lieden zijn.Antipholus van Syracuse.Een lage schurk zijt gij, die zoo mij hoont.Durft gij mij staan, dan zal ik tot uw strafMijn eer en eerlijkheid terstond u staven.Koopman.Ik durf, en staaf, dat gij de schurk hier zijt.(Zij trekken de degens.)(Adriana,Luciana,de Courtisane en Anderen komen op.)Adriana.Houd op, doe hem geen leed; hij is waanzinnig.—33Dringt tot hem door, ontwapent hem; en bindtOok Dromio, en voert hen naar mijn huis.Dromio van Syracuse.Loop, meester, loop; ga, red u in een huis,In ’t klooster hier; vlucht, of wij zijn verloren!(AntipholusenDromiovan Syracuse vluchten in het klooster.)(De Abdis komt op.)Abdis.Stil, menschen! Wat is ’t doel van dezen oploop?Adriana.Mijn van ’t verstand beroofden man te halen.Ach, laat ons in, opdat wij hem weer bindenEn ter verpleging voeren naar zijn huis.Angelo.Ik wist wel, dat hij in de war moest zijn.Koopman.Nu is ’t mij leed, dat ik den degen trok.Abdis.Hoe lang is ’t, dat uw man waanzinnig werd?Adriana.Hij was, de gansche week, zwaarmoedig, stil,Ontstemd, een ander man dan ooit te voren,Doch niet dan dezen middag heeft zijn stemmingZich in een vlaag van razernij geuit.Abdis.Is hem een kostlijk schip op zee vergaan?Een dierb’re vriend gestorven? Heeft zijn oogMisschien zijn hart verleid tot laakb’re min?Die zonde is vaak een zwak van jonge mannen,Die al te vrij hun oogen zwerven doen.Wat van dit alles was het, dat hem trof?Adriana.Niets van dit alles, of misschien het laatste:Een liefje, dat hem aftrok van zijn huis.Abdis.Hadt dan daarover ernstig hem berispt!Adriana.Dit deed ik wel.Abdis.Dit deed ik wel.Misschien niet streng genoeg.Adriana.Zoo streng als mij de zedigheid maar toeliet.Abdis.Als gij alleen waart?Adriana.Als gij alleen waart?Ook wel in gezelschap.Abdis.Maar moog’lijk niet genoeg.Adriana.O, wel genoeg; nooit sprak ik van iets anders;In bed, geen slaap ooit, want ik wees er op;Alleen met hem, was dit mijn onderwerp;En waren we onder menschen, ’k doelde er op;“’t Was laag en slecht”, ziedaar mijn gansch gesprek.Abdis.En daardoor werd de man ten laatste gek;’t Venijnig razen van jaloersche vrouwenDoodt wisser dan de beet eens dollen honds;Door uw gekijf werd hij belet te slapen,En daardoor werd hij eindlijk zwak in ’t hoofd;Met uw verwijten werd zijn maal gesausd;Onrustig eten stoort de spijsvertering;74Zoo werd het woedend vuur der koorts gewekt;En wat is koorts, zoo niet een vlaag van waanzin?Gij zegt, uw kijven stoorde zijn vermaken;Maar roof eens ied’re vroolijkheid,—wat volgt?Wat, dan droefgeestigheid, dof, zwart, de zusterVan radelooze, onstuimige vertwijf’lingMet haren langen stoet, verderf verspreidend,Van bleeke kwalen, vijanden van ’t leven?Wie in zijn maal, vermaak en slaap aldoorGestoord wordt, mensch of dier, bezwijkt er voor,Wordt suf of dol. Dus: voor uw ijverzuchtNam wis uws mans verstand in ’t eind de vlucht.Luciana.Wat ze ooit verweet, zij deed het zacht, ja schuw;Al was ook zijn gedrag wild, woest en ruw.—Wat hoort gij haar verwijten, en zegt niets?Adriana.Zij heeft mij bitter zelfverwijt gewekt.—Naar binnen, vrienden! haalt mijn man nu hier!Abdis.Neen, neen; geen schepsel treedt mijn woning binnen.Adriana.Geeft dan uw dienaars last mijn man te brengen.Abdis.Ook dit niet; in een vrijplaats borg hij zich;En die zal hem beschermen voor uw hand,Tot ik hem zijn verstand hergeven heb,Of al mijn moeite en zorgen ijdel blijken.Adriana.Neen, ik ben pleegster van mijn man; ik wilZijn krankheid heelen, dit is mijne taak;En hierbij trede niemand in mijn plaats;Sta dus hem af, dat ik hem met mij neem’.Abdis.Bedaar; hij zal niet gaan, eer ik mijn schatVan welgestaafde midd’len heb beproefd,Mijn kruiden, dranken, heilige gebeden,Om hem een man als vroeger te doen zijn.Dit is van de gelofte, die ik deed,Een deel, een heil’ge liefdeplicht der orde;Daarom, ga heen en laat hem hier bij mij.Adriana.Ik gaan, met achterlating van mijn man?Voorwaar, het is geen heilig doen, als gijDe vrouw wilt scheiden van haar echtgenoot.Abdis.Bedaar, ga heen; ik lever hem niet uit.(Abdis af.)Luciana.Klaag over deze krenking bij den hertog.Adriana.Kom mede, ik wil een voetval voor hem doen,En rijs niet, eer mijn tranen en gebedenVan hem verwerven, dat hij herwaarts koom’,En aan de abdis mijn man door kracht ontrukk’.Koopman.De zonnewijzer, meen ik, wijst op vijf;Zoo daad’lijk komt de hertog zelf hier langsOp zijnen weg naar ’t somber dal des doods,De plaatse, waar het halsrecht wordt gehouden;Zij ligt aan de overzij der kloostergracht.Angelo.Wat roept hem daar?123Koopman.Een achtbaar man, een Syracusisch koopman,Kwam tot zijn ongeluk alhier aan wal,—Wat tegen onze wetten strijdt,—en wordtOm dit vergrijp in ’t openbaar onthoofd.Angelo.Daar zijn zij; wonen wij de onthoofding bij.Luciana.Kniel voor den hertog, eer hij verder gaat.(De Hertog met zijn Gevolg,Ægeon,blootshoofds, vergezeld van den Beul en andere Gerechtsdienaars, komen op.)Hertog.Nog eenmaal zij het openlijk verkondigd;Wanneer een vriend de som voor hem betaalt,Dan sterft hij niet; dit sta ik hem nog toe.Adriana.O vorst! mijn recht! bescherm mij voor de abdis!Hertog.De deugdzame en zoo hoog-eerwaarde vrouw!Onmoog’lijk is ’t, dat zij u onrecht deed.Adriana.Vergun mij, edel vorst: Antipholus,Mijn man, dien ik, op aandrang van uw hoogheid,Tot heer van mij en ’t mijne maakte, werdDeez’ boozen dag van razernij bevangen,Zoodat hij, met zijn even dollen dienaar,Als een bezeet’ne door de straten liep,En tot ontstelt’nis van de burgers, binnenHun huizen drong, juweelen roofde, ringen,Ja alles, waar zijn razend oog op viel.Ik liet hem binden, voeren in ons huis,En ging toen uit om weder goed te maken,Wat hier of daar zijn woede had misdaan.Maar,—’k weet niet, hoe zijn dolheid er in slaagde,—Dra was hij los, ontsnapt aan zijn bewakers,Ontmoet ons weer, zijn dolle slaaf en hij;En beide’, ontvlamd in woede, ’t zwaard ontbloot,Zij dringen op ons aan, en wij, wij vluchten,Maar keeren dra, door hulp versterkt, terug,Om hen op nieuw te binden. Zij ontvluchten,Door ons vervolgd, in deze abdij; en hierSluit nu de abdis de poort voor ons en weigertAan ons verlof, dat wij hem komen halen,En weigert ook, hem aan ons uit te leev’ren.Gelast dus, eed’le hertog, dat hij onsGebracht word’ ter verpleging in zijn huis.160Hertog.Uw man heeft mij in de’ oorlog goed gediend,En ik heb u mijn vorstlijk woord verpand,Toen gij als heer en meester hem aanvaarddet,Door daden steeds hem alle gunst te toonen.Kloppe een van u dus aan de kloosterpoort;Ik wensch de abdis te hooren, want ik wilDe zaak beslechten, eer ik verder ga.(Een Dienaar komt op.)Dienaar.Meest’res, meest’res, o snel! en red u, snel!Want heer en dienaar zijn weer los, de meidenGeranseld en de dokter vastgebonden;Dien zengden zij met brandend hout den baard;En als die vlamde, goten zij met kuipenEr stinkende aalt op om het haar te blusschen.Mijn meester preekt geduld hem voor, terwijlDe knecht het hoofd hem kaal-knipt als een nar;Als gij niet oogenblikk’lijk bijstand zendt,Dan dooden zij den duivelbanner nog.Adriana.Stil, dwaas! uw meester en zijn knecht zijn hier;Onwaar is alles, wat gij daar bericht.Dienaar.Neen, neen, meest’res, ik zweer u, het is waar;Ik haalde nauwlijks adem, sinds ik ’t zag.Hij schreeuwt om u, en zweert, dat, heeft hij u,Hij u ’t gelaat verzengt, ontoonbaar maakt.(Geschreeuw achter het tooneel.)Hoor, hoor! daar is hij reeds, ik bid u, vlucht.Hertog.Kom bij mij hier; ducht niets; de wacht treê voor.Adriana.Wee mij, het is mijn man! Getuig nu zelf,Dat een onzichtb’re toovermacht hem drijft!Zoo even was hij in de abdij verborgen,Nu is hij weder hier, geen mensch weet hoe.(Antipholusvan Ephesus enDromiovan Ephesus komen op.)Antipholus van Ephesus.Doe recht, genadig vorst, verschaf mij recht,Ter wille van mijn diensten in den krijg,Toen ik u dekte met mijn lijf als schild,Gewond werd tot uw redding; ’k vraag bij ’t bloed,Dat ik voor u toen stortte, schaf mij recht.Ægeon.Als mij de doodsangst niet benevelt, zie ikMijn zoon Antipholus en Dromio daar.Antipholus van Ephesus.Verschaf mij recht, heer, tegen deze vrouw!Zij, die gij mij als echtgenoot eens schonkt,Heeft mij belaagd, beleedigd en onteerd,Heeft mij gekrenkt, ja boven alle maat.O, ongelooflijk is de smaad, dien zijMij schaamt’loos dezen dag heeft aangedaan.Hertog.Zeg hoe, en u zal alle recht geworden.Antipholus van Ephesus.Zij sloot, doorluchte vorst, het huis voor mij,Terwijl zij binnen met schavuiten braste.205Hertog.Een zwaar vergrijp! Zeg, vrouwe, deedt ge aldus?Adriana.Neen, eed’le vorst; hijzelf, ik en mijn zuster,Wij aten samen thuis. God straff’ mijn ziel,Als hij mij daar niet gruwlijk valsch beticht.Luciana.’k Wil nooit den dag meer zien, des nachts nooit slapen,Als zij uw hoogheid niet de waarheid meldt.Angelo.O, valsche vrouwen! Beiden zweren valsch;Op dit punt heeft de dolleman gelijk.Antipholus van Ephesus.Mijn vorst en heer! ik weet wel wat ik zeg;’k Ben niet door wijn beneveld, ben niet dol,Niet blind door woede, schoon, wat mij weêrvoer,Genoeg ware, om een wijs man gek te maken.Die vrouw sloot mij de deur bij ’t middagmaal,En is de goudsmid hier niet in ’t komplot,Hij kan ’t getuigen, want hij was er bij.Van daar ging hij voor mij een keten halen,Die hij me in de’ Egel brengen zou, want daarHeb ik met Balthazar gemiddagmaald.Toen hij na ’t maal nog niet gekomen was,Ging ik hem zoeken, kwam op straat hem tegen,En deze heer was bij hem. Maar daar zwoerDie valsche goudsmid mij een duren eed,Dat hij de keten mij gegeven had,Die ik, bij God, nooit had gezien, en lietMij daad’lijk voor ’t bedrag in hecht’nis nemen.Ik heb mij niet verzet, maar zond mijn lummelNaar huis om geld; hij keerde zonder geld.Toen heb ik mijn bewaker overreed,Dat hij mij naar mijn huis zou vergezellen.Op weg daarheen ontmoetten wijMijn vrouw, haar zuster en een gansche bentVan lage saamgezwoor’nen, onder henEen zeek’ren Knijp, een schralen maag’ren deugniet,Een wandelend geraamte, een marktbedrieger,Een kalen kunstenmaker en voorspeller,Holoogig, scherp van trekken en in lompen,Een levend lijk. Dat aak’lig monster gafZich, waarlijk! uit voor duivelbanner, kijkt mijIn de oogen, voelt mijn pols, en keertBrutaal zijn niet-gezicht naar mijn gezicht,En roept: “Hij is bezeten!” Toen werpt allesZich op mij, bindt mij, sleept mij weg naar huis,En brengt mij daar, te zaam met Dromio,Gebonden, in een kil en donker hok.247Mijn banden reet ik met mijn tanden stuk,Herwon mijn vrijheid en liep onverwijldHier tot uw hoogheid, wien ik dringend smeek,Genadig mij voldoening te verschaffenVoor een behand’ling, zoo vol schande en smaad.Angelo.Mijn vorst, in waarheid, dit getuig ik meê;Hij spijsde niet te huis, men sloot hem buiten.Hertog.Maar gaaft gij hem de keten, ja of neen?Angelo.Gewis, heer, en toen hij naar binnen vlood,Zag ieder hier de keten om zijn hals.Koopman.En ik kan ook bezweren, dat mijn oorenDe erkent’nis hoorden van de ontvangst, en toch,Gij hadt die vroeger op de markt geloochend.En daarop trok ik tegen u het zwaard,En zijt gij hier het klooster ingevlucht,Van waar ge, als door een wonder, hier weer staat.Antipholus van Ephesus.Ik zette nooit een voet in deze abdij;Nooit trokt gij tegen mij het zwaard, en ’k hebDe keten nooit gezien. God sta mij bij!Waar gij mij meê bezwaart, ’t is alles logen.Hertog.Dit is een zaak vol wondervreemde raadsels!Het schijnt, gij allen dronkt uit Circe’s nap.Waar’ hij hier ingevlucht, hij zou er zijn;En waar’ hij dol, hij pleitte niet zoo kalm.Gij zegt, hij at bij u; de goudsmid hierOntkent dit stellig.—Knaap, en wat zegt gij?Dromio van Ephesus.Mijn vorst, hij at bij die daar ginds, in de’ Egel.Courtisane.Zoo is ’t, en trok dien ring mij van den vinger.Antipholus van Ephesus.’t Is waar, mijn vorst, dien ring heb ik van haar.Hertog.En zaagt gij hem de abdij hier binnengaan?Courtisane.Zoo zeker, heer, als ik uw hoogheid zie.Hertog.’t Is wondervreemd;—ga, roep de abdis nu hier;Gij speelt een spel, of uw verstand loopt spelen.(Een van het Gevolg af.)Ægeon.Grootmoedig vorst, vergun me een enkel woord;Waarschijnlijk is een vriend daar, die mij redden,De som, die mij bevrijdt, betalen zal.Hertog.Spreek, Syracuser, wat gij wilt; spreek vrij.Ægeon.Uw naam, heer, is Antipholus, niet waar?En die man is uw dienaar Dromio?287Dromio van Ephesus.Tot voor een uur was ik zijn dienaar, heer;Maar thans heeft hij mijn banden doorgeknaagd,Dus ben ik, Dromio, thans door hem gediend.Ægeon.Gij beiden zult u mijner wis herinn’ren.Dromio van Ephesus.Neen, wij herinn’ren ons ons-zelf door u:Wij waren pas in banden zooals gij;Doch gij zijt geen patiënt van Knijp, niet waar?Ægeon.Wat ziet gij vreemd mij aan? gij kent mij wel.Antipholus van Ephesus.Ik heb u nooit gezien, heer, vóór dit uur.Ægeon.Sinds gij mij zaagt, heeft droef’nis mij veranderd;Door zorgvolle uren heeft de maag’re handDes Tijds mij vreemde trekken ingegrift:Maar zeg mij dan, mijn stem herkent gij toch?Antipholus van Ephesus.Ook niet.Ægeon.Ook niet.En Dromio, gij?Dromio van Ephesus.Ook niet. En Dromio, gij?Ik ook niet, heer.Ægeon.Gij kent die zeker.Dromio van Ephesus.Nu, heer, even zeker ken ik ze niet; en wat ook iemand u moge ontkennen, gij zijt nu gebonden om hem te gelooven.Ægeon.Mijn stem zelfs niet! O, wreede macht des Tijds!Hebt gij in zeven jaar mijn arme tongDoorboord, gesplitst, zoodat mijn een’ge zoonDen zwakken toon niet kent mijns schorren kommers?Zij mijn gerimpeld aangezicht bedektMet ’s winters doodsche vlokkensneeuw, en werdenDe buizen van mijn bloed verstijfd, toch heeftDe nacht mijns levens nog herinnering,Mijn kwijnend lampenpaar een schemerschijn,Mijn oor, schoon doof, nog iets gehoors; en dieGetuigen, die mij bleven, zeggen mij:Voorwaar, gij zijt mijn zoon Antipholus.Antipholus van Ephesus.Ik heb mijn vader nooit, neen, nooit gezien.Ægeon.Wij scheiden voor pas zeven jaar, bedenk het,In Syracuse, knaap. Zeg, schaamt ge u, zoon,Nu ik ellendig ben, mij te herkennen?Antipholus van Ephesus.De hertog, en een elk, die hier mij kent,Zijn mijn getuigen, dat het niet zoo is;Ik ben in Syracuse nooit geweest.325Hertog.Ik zeg u, Syracuser, twintig jaarWas ik beschermer van Antipholus,En zoo lang was hij nooit in Syracuse.Wis maken ouderdom en angst u kindsch.(De Abdis komt op, metAntipholusvan Syracuse enDromiovan Syracuse.)Abdis.Zie, vorst, een man, die bitter onrecht leed.(Allen dringen om hen heen, om hen te zien.)Adriana.Twee echtgenooten, of mijn oog bedriegt mij.Hertog.De een moet geleigeest van den ander zijn,En zoo de dienaars ook! Wie is de mensch,En wie de geest? wie kan hen onderkennen?Dromio van Syracuse.Ik, heer, ben Dromio, laat dezen gaan.Dromio van Ephesus.Ik, heer, ben Dromio, laat mij hier staan.Antipholus van Syracuse.Wie zijt gij, spreek! Ægeon of zijn geest?Dromio van Syracuse.Mijn oude meester! wie heeft u geboeid?Abdis.Wie hem ook boeide, ik maak zijn handen los,En win een echtgenoot door zijn bevrijding.Spreek, oude Ægeon, als gij ’t zijt, die eensEen vrouw, met name Æmilia, bezat,Die op één dag twee schoone zoons u schonk,Als gij dezelfde Ægeon zijt, zoo spreek,En spreek dan tot die zelfde Æmilia!Ægeon.Als ik niet droom, zijt gij Æmilia!En zijt gij dat, zoo meld mij van den zoon,Die met u dreef op dien onzaal’gen mast.Abdis.Door Epidamniërs werden hij en ik,En ook de tweeling Dromio gered;Doch weldra namen visschers van CorintheHun met geweld mijn zoon en Dromio af,Maar lieten mij aan die van Epidamnum.Wat later van hen werd, bleef me onbekend;En mij viel ’t lot ten deel, dat gij hier ziet.Hertog.’t Verhaal van dezen morgen gaat nu voort:Die twee Antipholussen, zoo gelijk,En die twee Dromio’s, ook van uitzicht één,—En dan wat zij daar van die schipbreuk meldde;—Ja, dit zijn de ouders van die beide kind’ren,Die hier het toeval samen heeft gebracht.Antipholus, gij kwaamt dus van Corinthe?Antipholus van Syracuse.Niet ik, heer, neen; ik kwam van Syracuse.Hertog.Treed dan ter zijde; ik weet niet, wien ik zie.364Antipholus van Ephesus.Ja, ik, doorluchte vorst, kwam van Corinthe.Dromio van Ephesus.En ik met hem.Antipholus van Ephesus.Hierheen gebracht door hertog Menaphron,Den hoogberoemden krijgsheld, uwen oom.Adriana.Wie van u beiden at vandaag bij mij?Antipholus van Syracuse.Ik, eed’le vrouw.Adriana.En gij zijt niet mijn man?Antipholus van Ephesus.Neen, neen, zeg ik daarop.Antipholus van Syracuse.Dat zeg ik ook; toch noemde zij mij zoo;En deze schoone jonkvrouw, hare zuster,Sprak steeds van zwager.—(TotLuciana.)Wat ik toen u zeide,Dit worde, wensch ik vurig, dra vervuld,Zoo niet al wat ik zie en hoor, een droom is.Angelo.Dat is de keten, heer, die ik u gaf.Antipholus van Syracuse.Ik meen het ook, heer; ik ontken het niet.Antipholus van Ephesus.En mij, heer, deedt gij voor die keten gijz’len.Angelo.Ik meen het ook, heer; ik ontken het niet.Adriana.Ik zond u, heer, voor uwen borgtocht geld,Door Dromio; maar ’t schijnt, hij bracht het niet.Dromio van Ephesus.Neen, niet door mij.Antipholus van Syracuse.De buidel met dukaten kwam tot mij;En Dromio, mijn dienaar, bracht mij dien.Zoo trof staâg de een den dienaar van den ander;Ik werd voor hem gehouden, hij voor mij,En zoo ontstonden die vergissingen.Antipholus van Ephesus.Dat goud zij nu de losprijs van mijn vader.Hertog.Behoud het vrij; ik schonk hem ’t leven reeds.Courtisane.Heer, geef mijn diamant mij nu terug.Antipholus van Ephesus.Hier is hij, met mijn’ dank voor ’t goed onthaal.Abdis.Doorluchte hertog, sta de gunst mij toeVan met ons in de abdij te gaan, en hoorUitvoerig, wat ons ieder is weervaren;En allen, die hier nu verzameld zijt,En meegeleden hebt door al de dwalingVan éénen dag, treedt binnen; allen zullenTen volle, zoo ik hoop, bevredigd zijn.—399Sinds vijf en twintig jaar, mijn zonen, was ikIn arbeid over u en eerst dit uurWerd ik van mijnen zwaren last bevrijd.—Mijn vorst, mijn echtgenoot en tweetal zoons,En gij, kalenders van hun levenstijd,Gaat op ten doopfeest; weest met mij verblijd;Wat dag, na lange smart aan vreugd gewijd!Hertog.Ja! gaarne zal ik peter zijn op ’t feest.(De Hertog, de Abdis,Ægeon,de Courtisane, de Koopman,Angeloen het Gevolg af.)Dromio van Syracuse.Zal ik uw goed, heer, nu van boord gaan halen?Antipholus van Ephesus.Wat hebt gij, Dromio, van mij ingescheept?Dromio van Syracuse.Heer, wat van u in den Centaurus lag.Antipholus van Syracuse.Hij spreekt tot mij. Ik ben uw meester, Dromio;Ga thans maar mee; dat alles komt te recht.Omarm uw broeder, wees met hem verheugd.(Antipholusvan Syracuse,Antipholusvan Ephesus,AdrianaenLucianaaf.)Dromio van Syracuse.Dat dikke lief van u, ginds in uw huis,Die mij voor u tot keukenman wou maken,Zal nu mijn zuster wezen, niet mijn vrouw.Dromio van Ephesus.Mij dunkt, gij zijt mijn spiegel, niet mijn broeder;Ik zie aan u, ik ben een knap jongmensch.Komaan, naar binnen, om bij ’t feest te zijn.Dromio van Syracuse.Ga voor, man; gij zijt de oudste.Dromio van Ephesus.Dat is de vraag, hoe zullen wij ’t beslissen?Dromio van Syracuse.Wij zullen om ’t langste strootje trekken voor de eerstgeboorte; ga tot zoo lang voor.Dromio van Ephesus.Neen, dan zij ’t zoo:Wij sprongen samen de wereld in, als broeders, met elkander;Zoo gaan wij nu samen hand aan hand, en de een niet na den ander.(Beiden af.)Aanteekeningen.Van de “Comedy of Errors” is geen afzonderlijke druk bekend; men kan als zeker aannemen, dat het stuk voor het eerst verscheen in 1623, in de folio-uitgave van Shakespeare’s gezamenlijke tooneelwerken. In 1598 maakte Francis Meres,—zie boven blz. 120,—er gewag van, maar zeker is het verscheiden jaren ouder en onder de eerstelingen des dichters te rekenen. De bewijzen hiervoor zijn in het stuk zelf te vinden. Vooreerst merke men op, welk een uitgestrekt gebruik Shakespeare maakt van zoogenaamdedoggerel rhymesof knuppelverzen, die in oudere Engelsche tooneelwerken veelvuldig gebezigd worden, zoodat zelfs geheele stukken er in geschreven werden; Shakespeare gebruikt ze alleen voor boertige tooneelen of gezegden, maar oudere tooneelschrijvers achten ze ook voor ernstige onderwerpen geschikt; zoo geeft in een ernstig stuk van 1570 of daaromtrent,Damon and Pithiasgeheeten, Dionysius zijn rechtspraak met deze woorden:“Pithias, seeing thou takest me at my word, take Damon to thee:For two months he is thine; unbind him, I set him free;Which time once expired, if he appear not the next day by noon,Without further delay thou shalt lose thy life, and that full soon.”Behalve in dit stuk van Sh. vindt men deze verzen, die ongeveer het midden houden tusschen regelmatige verzen en proza, bijna alleen in “De getemde Feeks” (Taming of the shrew) en in “Veel gemin, geen gewin” (Love’s labour’s lost), beide, of ten minste het laatstgenoemde, onder Sh.’s eerste stukken te rekenen. In “De klucht der vergissingen” zijn deze verzen over het algemeen regelmatiger dan in “Veel gemin, geen gewin”, waar soms alleen het rijm uitwijst, dat er verzen bedoeld zijn; men zie daar b.v.IV. 2. 29, de regels: “Zoo dorre planten” enz.—Een tweede bijzonderheid is het veelvuldig voorkomen van afwisselend rijmende verzen, die Sh. in zijn Venus en Adonis (1593) zoo meesterlijk weet te bezigen en die in de latere stukken van Sh. zelden voorkomen, maar wel in de oudere, met name in “Veel gemin, geen gewin”, den “Midzomernachtdroom”, en “Romeo en Julia”.—Volgens velen komt in “De Klucht der vergissingen” een toespeling op de tijdsomstandigheden voor, die vermoeden doet, dat het stuk in 1591 of 1592 geschreven is. In het tweede tooneel van het derde bedrijf geeft de Syrac. Dromio aan zijn heer een beschrijving van de keukenmeid uit het huis van Antipholus van Ephesus; hij vergelijkt haar met een globe en zegt, dat hij landen op haar onderscheiden kan. Op de vraag van zijn meester, waar dan Frankrijk ligt, antwoordt hij:In her forehead, armed and reverted, making war against her heir. Dit heir is in de tweede folio-uitgave inhairveranderd, waarschijnlijk, omdat de woordspeling metheirenhairniet begrepen werd. Verstaat menhair, dan was het voorhoofd gewapend, bekleed met iets, dat voortwoekerend het haar doet uitvallen en het voorhoofd vergroot, een gevolg der Fransche ziekte, ook bij Bredero de Francoysen genoemd. Verstaat menheir, erfgenaam, dan wordt er gezinspeeld op den binnenlandschen oorlog in Frankrijk, die na het vermoorden van koning Hendrik III, in Augustus 1589, ontbrand was tegen zijn erfgenaam, Hendrik IV, en eerst een einde nam, toen deze, in Juli 1593, Parijs wel een mis waard achtte. Koningin Elizabeth had in 1591 aan Hendrik IV 4000 man hulptroepen gezonden onder Essex en diens broeder Walter en steunde hem ook later meer dan eens op gelijke wijze. De toestand in Frankrijk was dus ongetwijfeld in Londen bekend genoeg, dat zulk een woordspeling methairenheirdadelijk verstaan werd.—Men weet verder, dat er in December 1594 in Gray’s Inn ter eere van een groot heer eenComedy of Errorsvertoond werd, waarschijnlijk dit stuk. Later werdhet ook wel voor Koning Jacobus I opgevoerd, naar gemeld wordt op 28 December 1604.Neemt men aan, dat het stuk in 1591 of 1592 geschreven is, dan zal men der waarheid zeker zeer nabij zijn. Verder kunnen wij als zeker aannemen, dat Sh. bekend was met het blijspelMenæchmeivan den ouden Romeinschen dichterPlautus, en daaruit aanleiding putte om dit stuk te schrijven. Wel is het oude blijspel niet vóór 1595 in het Engelsch verschenen, maar Shakespeare was hoogstwaarschijnlijk het Latijn genoeg machtig om Plautus in het oorspronkelijke te lezen. Er was in Stratford een Grammarschool, dus een school, waar het Latijn hoofdvak was; deze werd ongetwijfeld door Shakespeare bezocht en men mag gerust vermoeden, dat hij zijn meesters geen oneer zal hebben aangedaan en, om Plautus te leeren kennen, niet behoefde te wachten op het verschijnen eener gebrekkige vertaling; zijn Venus en Adonis, en al zijn oudere stukken leggen getuigenis af, dat hij het Latijn vrij goed machtig was en de Latijnsche schrijvers, zooals Ovidius en Plautus, in het oorspronkelijke las; in zijn latere stukken laat hij die kennis minder uitkomen, maar men kan er toch op velerlei wijze de sporen van opmerken, tot in den zinsbouw en de beteekenis, die hij somwijlen aan de woorden toekent1. De folio-uitgave maakt het bovendien hoogst waarschijnlijk, dat Sh. Plautus’ Menæchmi in het Latijn gelezen heeft: de Antipholus van Ephesus heet erSereptus, een blijkbare fout van den afschrijver of zetter voorSurreptus, “de gestolene”, het woord, waarmede in Plautus’ stuk, de eene broeder telkens wordt aangeduid, gelijk hij ook in de inhoudsopgave, hetargumentum, driemaal zoo genoemd wordt; de andere broeder heet in Sh.’s folio-uitgave nu eenserotes, dan wedererrotes, een dergelijke fout voorerraticus, de zwervende, dus de reiziger, die zijn broeder overal gaat zoeken.Ter juiste waardeering van Sh.’s stuk mag het nuttig heeten, met dat van Plautus eenigszins nader kennis te maken. Bij Plautus is geen onder ’t leed gebogen vader, die, van zijn beide zoons beroofd, ze gaat opzoeken; de vader der tweelingen is lang dood; door een proloog worden wij ingelicht over het vroeger gebeurde. In Syracuse leefde een oud koopman, aan wien zijn vrouw twee geheel gelijke tweelingen schonk. Toen de jongens zeven jaren oud waren, neemt de vader den eenen mee op zijn reize naar de groote en rijke koopstad van Beneden-Italië, Tarente. Daar wordt op de markt de knaap door een koopman uit de bekende handelsstad van Grieksch Illyrië, Epidamnus, bij de Romeinen meest Dyrrachium geheeten, gestolen en naar zijn woonplaats medegenomen; de vader sterft weinige dagen later van verdriet. Toen de grootvader der tweelingen te Syracuse dit verneemt, geeft hij aan den overgebleven tweeling, Sosicles, den naam van zijn verloren lieveling en naamgenoot, en noemt hem dus Menæchmus.—De koopman uit Epidamnus, die geen kinderen had, neemt den gestolen knaap als zoon aan, bezorgt hem later een rijke vrouw, komt weldra te sterven en laat hem al zijn schatten na. Zijn broeder Menæchmus (Sosicles) heeft geen rust in Syracuse, maar gaat zijn broeder zoeken; na een jaar of zes zwervens komt hij eindelijk te Epidamnus aan.Juist na zijn aankomst begint het stuk van Plautus. Eerst treedt de Parasiet of Tafelschuimer van den Epidamnischen Menæchmus op, die bij zijn begunstiger wil gaan eten. Weldra komt deze zelf uit zijn huis, onder het uiten van verwijten tegen zijn vrouw, die jaloersch is, en altijd weten wil waar hij heengaat. Het arme schepsel heeft er wel reden toe, want haar man wil juist naar een liefje, een lichtekooi, gaan, met name Erotium; hij heeft zelfs een fraai opperkleed van zijn vrouw bij zich, dat hij heimelijk heeft weggekaapt en aan Erotium schenken wil. Hij treft deze bij haar huis aan, geeft haar het gewaad, en zegt, dat hij, na op de markt geweest te zijn, met zijn Parasiet bij haar zal komen eten. Erotium zendt haar kok uit om de noodige inkoopen te doen en gaat in huis.Nu komt de broeder uit Syracuse, Menæchmus-Sosicles, op. De kok, die van zijn boodschappen terugkeert, is de eerste, die hem voor zijn broeder aanziet; weldra doet ook Erotium, die uit haar huis te voorschijn komt, hetzelfde; de man staat verbijsterd, dat zij niet alleen zijn naam weet, maar ook dien zijns vaders en nog andere bijzonderheden uit Syracuse, doch gaat op haar aandringen met haar eten, na eerst zijn geldbuidel aan zijn slaaf Messenio te hebben toevertrouwd.—Weldra komt de Parasiet op, die van zijn begunstiger is afgeraakt en reeds ontevreden is, dat hij nog niet aan het lekkere maal zit. Daar ziet hij zijn Menæchmus, zoo hij meent, uit het huis komen; deze neemt het oppergewaad mee, met de belofte, dat hij dit nog zal laten verfraaien. De Parasiet spreekt hem aan, maar wordt afgegrauwd, zoodat hij woedend besluit, aan Menæchmus’ vrouw het gedrag van haar man te gaan verklappen. Juist als Menæchmus-Sosiclesheen wil gaan, komt de dienstmeid van Erotium uit het huis met een gouden ketting, vroeger, zoo zij zegt, door hem van zijn vrouw gestolen, hij belooft op haar verzoek, dat hij dien zwaarder en nieuwerwetscher zal laten maken en dan aan haar meesteres zal terugbrengen; hij is echter wel degelijk van plan dien, zoowel als den mantel, voor zich te houden.—De Parasiet heeft inmiddels Menæchmus’ vrouw met de ontrouw van haar man bekend gemaakt, en haar ook gemeld, dat deze het gestolen opperkleed bij zich heeft, om het nog mooier te laten maken; beiden wachten den man op, die door zaken is opgehouden en zich nu naar zijn liefste spoedt. Zoodra zij hem ontwaren, heeft hij het hard te verantwoorden; liegen en ontkennen helpt hem niet; zijn vrouw wil hem niet meer het huis laten betreden, als hij het kleed niet meebrengt en gaat in huis. Hij gaat naar Erotium, maar wordt door haar, als hij beweert nòch mantel nòch ketting van haar te hebben ontvangen, met verwijten overladen en buiten gesloten, en gaat zijn vrienden over het geval raadplegen. Nu komt de andere Menæchmus, met den mantel om, op, wordt door de vrouw zijns broeders met verwijtingen begroet; ten hoogste verontwaardigd, dat hij haar niet wil kennen, laat zij haar vader roepen, die haar wel de les leest over haar wantrouwen en jaloerschheid, maar eindelijk, daar de gewaande echtgenoot nòch vrouw nòch schoonvader wil kennen, en zich ook opzettelijk als een dolle aanstelt, het met haar eens is, dat hij gek is, zoodat een geneesheer ontboden wordt. Hij weet echter te ontkomen alvorens deze er is. De geneesheer treft daarentegen den anderen Menæchmus nabij zijn huis aan, houdt hem om zijn ontkentenis van het gebeurde voor waanzinnig, en ontbiedt helpers, die den dolleman willen grijpen en medevoeren. Deze wordt echter ontzet door den slaaf Messenio, die zijn heer in gevaar meent te zien, en tot loon voor dezen dienst zijn vrijheid verzoekt, maar hem wel wil blijven dienen, en terstond het toevertrouwde geld, dat veilig in de herberg geborgen ligt, gaat halen. De gehuwde Menæchmus gaat nog eens beproeven den mantel zijner vrouw terug te krijgen. Nu ontmoet Messenio zijn echten heer, die niets van den bewezen dienst en de vrijlating van zijn slaaf afweet, maar onder het gesprek komt de tweelingbroeder op en dan wordt, door bemiddeling van den slaaf, alles opgehelderd; de broeders besluiten samen Epidamnus te verlaten; de slaaf wordt vrijgelaten en mag den verkoop van het huis en de goederen des Epidamniërs bekend maken; als er maar een kooper komt opdagen, is zelfs de vrouw te koop.De vergelijking van beide stukken in bijzonderheden zou het bestek der aanteekeningen verre te buiten gaan en zij, naar aanleiding van het medegedeelde, aan den lezer zelf overgelaten; slechts enkele opmerkingen kunnen hier nog plaats vinden. Shakespeare heeft aan het eene tweelingpaar een tweede toegevoegd en daardoor een grootere en zeer vermakelijke verscheidenheid in de vergissingen verkregen. Hij maakte daarbij gebruik van het onloochenbare recht van den kluchtspelschrijver om toestanden te onderstellen, die onwaarschijnlijk zijn; genoeg is het, als zij slechts mogelijk zijn en tevens geschikt om den toeschouwer te boeien en te vermaken. Aan dit vereischte voldoet Shakespeare’s stuk ten volle. Uit de onderstelling vloeit alles zoo geregeld mogelijk voort; en daar de toeschouwer in het geheim is en veel meer weet dan de optredende personen, vindt hij genot in het gevoel, dat hij alles, wat voor deze een raadsel is, zelf onmiddellijk kan oplossen. Als men daarbij nu nog in aanmerking neemt, dat er in het stuk wel degelijk karakterschildering is, dat er een kennelijk verschil bestaat in geaardheid tusschen de twee gebroeders Antipholus, en ook, hoewel in geringere mate, tusschen de twee Dromio’s; dat Adriana en haar zuster Luciana, de oude Ægeon, de Hertog, kortom alle personen met zorg geteekend zijn,—als wij nagaan, hoe indrukwekkend de lotgevallen van den rampspoedigen vader zijn medegedeeld, zoodat zij ons gedurende het geheele stuk voor den geest staan, hoe de blij-eindende ontknooping ons inderdaad roert, geruststelt en bevredigt, dan kunnen wij niet nalaten in dit tooneelwerk van den jeugdigen Shakespeare een meesterstuk te zien.I. 1. 13.Verboden hier en ginder raadsbesluiten.In een stuk, uitgevaardigd in het begin van Elizabeth’s regeering, wordt erkend, dat beperkende bepalingen tot bescherming van eigen handel groot ongenoegen wekken tusschen vorsten, en aan de kooplieden veel leed en schade toebrengen. Toch riep Elizabeth zelf, weinige jaren later zulke bepalingen in het leven. Het is, of de dichter hier wil uitdrukken, welke noodlottige gevolgen zij desnoods zouden kunnen hebben.I. 1. 41.Door meen’ge welgeslaagde reis naar Epidamnum.Wel staat in ’t Engelsch, dat hij meen’ge reis naar Epidamnum deed, doch de bedoeling is ongetwijfeld, dat hij menig schip met koopwaren er heen zond, want eerst na den dood van zijn factor reisde hijzelf er naar toe.I. 1. 53.Dat naamverschil alleen verschil kon geven.Dat de twee kinderen ooit een verschillenden naam droegen, blijkt niet bij Sh.; bij Plautus wel.I. 1. 79.Voor de eerstgeboor’ne meest bezorgd.Bij Sh. staatlatterborn, in tegenspraak met reg. 125. Daarom is hier vertaald, alsof erelder-bornstaat.—Het is echter ook mogelijk, dat regel 125 moet gelezen worden:my eldest boy, and yet my youngest care, dan warejongst-geborenehier goed.I. 1. 94.Epidaurusis een stad aan de oostkust van de Peloponnesus, nabij Argos.I. 1. 132.Ik heb in ’t verste Griekenlandenz. Men mag vermoeden, dat hier een paar regels zijn weggevallen, waar Ægeon zal gezegd hebben, dat hij om het uitblijven van zijn zoon, besloot dezen zelf te gaan zoeken.I. 2. 9.Naar den Centaurus.Blijkbaar is dit, zooals later ook de Tijger (III. 1. 95), de naam van een herberg; maar Sh. geeft ook aan huizen van bijzondere personen, zooals in zijn tijd ook ten onzent in zwang was, in dit stuk namen, zooals de Feniks (I. 2. 75), de Egel (III. 1. 116).I. 2. 56.Een staartriem voor mijn meesteres.In Sh.’s tijd reden, bij reizen, ook de vrouwen te paard.I. 2. 97.De stad is, zegt men, vol bedrog en list.De stad Ephesus stond reeds bij de ouden bekend als een plaats, waar veel tooverkunst uitgeoefend werd. Men vindt dit ook in de Handelingen der Apostelen vermeld, XIX, vs. 13 en 19. Dat Sh. juist daarom zijn stuk te Ephesus liet spelen, is duidelijk genoeg; men vergelijke II. 2. 191; als de gedachte aan tooverij den zoekenden Antipholus en zijn dienaar verbijstert, is het verklaarbaar, dat zij, bij al de vergissingen, niet op de gedachte komen, van nader te onderzoeken, of niet misschien juist in Ephesus hun evenbeelden wonen.II.Eerste Tooneel.Wààr een tooneel speelt, wordt door de folio-uitgave niet aangegeven; de meeste uitgevers hebben hier als localiteit een openbaar plein aangegeven. Ten onrechte; Adriana en Luciana hebben niets op straat te doen, en wachten, zooals blijkt, thuis den heer des huizes af, naar wien zij hun dienaar op nieuw willen uitsturen. Men kan hierbij ook aannemen, dat de twee vrouwen zich daar in een binnenhof of in den tuin bevinden, waar de tafel voor het maal gereedstaat. Daar kunnen zij, III. 1, zeer wel met Antipholus van Syracuse het middagmaal gebruiken; op het hooren van gedruisch gaat Adriana dan naar de deur.II. 1. 83.Te schoppen als een bal.Voor het voetbalspel, ook thans nog in zwang, is, zoals bekend is, de bal met leder overtrokken.II. 1. 101.Ik arme ben hem te oud.In ’t Engelsch:Poor I am but his stale. Geheel juist is de plaats niet te vertalen; in het oorspronkelijke wordt gespeeld met de woordendeerendear, en met de verschillende beteekenissen van het substantiefstale(zie “Taming Shrew” I. 1. 58, en III. 1. 90; “Much Ado” II. 2. 26, en IV. 1. 66) en van het adjectiefstale, zieCymbeline, III. 4. 53. Op deze laatste beteekenis is bij de hier gegeven vertaling vooral gelet.II. 1. 109.Ik zie het nuenz. De meest bedorven plaats in het stuk; het is nog niet gelukt, den tekst op bevredigende wijze te herstellen, het bederf schuilt vooral in reg. 112:Wear goldenz.II. 2. 35.Op mijn bol?In ’t Engelsch een woordspeling metsconce, dat “bol” of “hoofd” beteekent, en ook “schans”, waarom ook het woordensconce, “verschansen” volgt.II. 2. 89.Hij verliest het met een soort van genot.Op de meening, dat door een losbandige levenswijze ziekten ontstaan, die het haar doen uitvallen, zinspeelt de dichter meermalen.III. 1. 53.Hoor, meisje, wat is dat?In ’t Engelsch:Do you hear, you minion? you’ll let us in, I hope. In ’t Engelsch is dit gedeelte het eenige vers, dat niet rijmt. Men heeft daarom, met groote waarschijnlijkheid, vermoed, dat er een regel hier uitgevallen is, die opropeeindigde en waarin Lucie met een eind touw bedreigd wordt. Theobald veranderde, om een rijm te krijgen op de volgende twee regels,I hopeinI trow. De vertaler moest hier ook met een drievoudig rijm zich redden.III. 1. 81.Een koevoet zonder koe.In ’t Engelsch:A crow without a feather. “Crow” beteekentkraaienbreekijzer. Daarop volgt reg. 83 nogto pluck a crow together, in het Duitsch “ein Hühnchen mit Jemandem pflücken”, wat wij zeggen: “een appeltje met iemand schillen.”—Opmerkelijk is, dat Plautus in zijn “Gevangenen”,Captivi, V. 4. 9., het woordupupaevenzoo gebruikt als Shakespeare hiercrow;upupais te gelijk een vogel, dehop, en eenpikhouweel, zooals voor het loswerken van steenachtigen grond gebezigd word.III.Tweede Tooneel.Binnenplein.Men kan zich ook voorstellen, dat na het vertrek der vorigen Luciana en Antipholus van Syracuse uit het huis te voorschijn komen. Eigenaardiger is het echter, dat dit gesprek niet op straat gevoerd wordt, maar op een binnenplein, dat men als aan den ingang grenzend denken kan.III. 2. 52.Is de liefde wuft.Men vergelijke:Venus en Adonis, 149.III. 2. 117.Zij is een kogel, een globe.Men vergelijke inRabelais(L. III. Ch. 28) de beschrijving van den baard van Panurge door frère Jean, aldus luidende: “Ta barbe par les distinctions du gris, du blanc, du tanné, et du noir, me semble une mappemonde. Regarde ici.Voyla Asie. Icy sont Tigris et Euphrates. Voyla Africque. Icy est la montaigne de la Lune. Vois-tu les paluz du Nil? Deça est Europe. Vois-tu Theleme? Ce touppet icy tout blanc, sont les monts Hyperborées.”—Als het stuk voor koning Jacob I werd opgevoerd, bleef zeker de vermelding van Schotlands onvruchtbaarheid (reg.123) wel achterwege. In den Koopman van Venetië (I. 2. 83) wordt een Schotsch edelman belachelijk gemaakt: in de oude quarto staatthe Scottish lord, maar in de folio-uitgave van 1623, gedrukt nadat het stuk voor genoemden koning gespeeld was, staatthe other lord.IV. 1. 93.Welk een schip, gij schaapskop?In ’t Engelsch: “Thou peevish sheep, what ship” enz. In Shakespeare’s tijd werdenshipensheepnagenoeg eender uitgesproken.IV. 2. 22.Misvormd naar ’t lijf.In het Engelschstigmatical, door de natuur geteekend, gebrandmerkt.IV. 2. 27.De kievit schreeuwt, enz. In Sh.’s tijd werd de kievit meermalen hiervoor aangehaald, ja de uitdrukking schijnt spreekwoordelijk geweest te zijn. InLily’s Campaspe leest men: “You resemble the lapwing, who crieth most where her nest is not.” Shakespeare zelf herhaalt het beeld in “Maat voor Maat,” I.4.32.IV. 2. 32.Hij is in ’t voorportaal, neen, in de hel.In het Engelsch staat: He is in Tartar’s limbo; de uitdrukking schijnt aan de Engelschen uit Dante’s Goddelijke Comedie gemeenzaam te zijn geworden, men vindt haar meermalen bij Shakespeare en ook in Spencer’s Elfenkoningin. Dehelwas in Sh.’s tijd, en nog een eeuw later de naam van een gevangenis. Evenzoo wascounter(reg. 39) de naam van een gevangenis; maarto run counteris ook een uitdrukking voor een jachthond, die op een valsch spoor is of in verkeerde richting loopt.—De gerechtsdienaars waren in leder gekleed, zie K. Hendrik IV, I. 2. 48.IV. 3. 14.Den ouden Adam in zijn nieuw gewaad.Adam na den val, toen hij zich met beestenvellen bekleedde.IV. 3. 28.Dan een Moor met zijn piek.Er staat eigenlijk: “dan een moorenpiek”. Eenmorris-pikewas een gevaarlijk wapen; gerechtsdienaars droegen als teeken van hun ambt een staf,mace.IV. 3. 34.Blijf maar zitten.In ’t Engelsch:God give good rest! “Rest” te gelijk voorrustenarrestgebezigd.—Deengelen, waarvan reg. 41 gesproken wordt, zijn gouden munten van 10 Shill.; zie “Koopman van Venetië,” II. 7. 65.IV. 4. 44.Respice finem.Let op het einde. Het bijna gelijkluidendeRespice funem, waarop hier gedoeld wordt, beteekent: “Let op het touw”, of “Pas op voor het touw”; Dromio doelt op het touw, dat hij heeft moeten halen. Als men aan de papegaaien, om de toehoorders te plagen, leert zeggen: “Beware the rope’s end”, beteekent dit eer:“Hoed u voor den strop.”—Dokter Knijp, die hier optreedt, wordt in de Folio-uitgave een schoolmeester genoemd; schoolmeesters verstonden Latijn, en konden daarom als duivelbanners optreden.IV. 4. 78.De keukenmaagd.Het Engelsch betitelt haarkitchen-vestal, omdat zij, als de Vestaalsche maagden, het vuur moet aanhouden.V. 1. 175.Het hoofd hem kaal knipt als een nar.Het was de gewoonte, bij de verpleging van narren (gekken, waanzinnigen) hun het haar zeer kort af te knippen of af te scheren.V. 1. 205.Terwijl zij binnen met schavuiten braste.In het Engelsch staat:While she with harlots feasted in my house. Het woordharlotbeteekent, van mannen gebruikt, meestal “liederlijk mensch, schoelje, schavuit.”V. 1. 400.Sinds vijf en twintig jaarenz. In de Folio-uitgave leest men: “Sinds drie en dertig jaar.” Het is mogelijk, dat Sh. zelf zoo schreef en niet heeft nagerekend, wat hij vroeger had medegedeeld; maar drie en dertig is voor deze broeders wel wat oud en door een eenvoudige optelling van twee, door Sh. gegeven getallen vindt men vijf en twintig jaar, wat meer met den geest van het stuk overeenkomt. Ægeon heeft,I. 1. 126, gezegd, dat de hem overgebleven zoon op achttienjarigen leeftijd zijn broeder ging opzoeken, en zoo pas,V. 1. 309, dat dit vertrek eerst zeven jaar geleden is. Reeds voorlang heeft Theobald het getal veranderd en is door verscheiden uitgevers, b.v. door Knight, hierin gevolgd.1Men vindt dit boven blz. 5 en vgg. uiteengezet. Meermalen zal men in de aanteekeningen het een en ander aantreffen, dat ook in het “Overzicht van Sh.’s leven en werken” vermeld is. Op deze wijze kunnen de aanteekeningen een geheel uitmaken, dat geraadpleegd kan worden zonder dat de lezer telkens naar dit overzicht verwezen wordt.
Vijfde Bedrijf.Eerste Tooneel.Voor een vrouwenklooster.De Koopman enAngelokomen op.Angelo.Het spijt mij, heer, dat ik uw reis vertraagde,Maar ’k zweer u, dat ik hem de keten gaf,Al is hij laag genoeg om dit te looch’nen.Koopman.Hoe staat de man hier in de stad bekend?Angelo.Hij heeft een besten naam, heer; zijn credietIs onbeperkt, hij algemeen bemind;Hij is van de allereersten van de stad,Ja, meer dan mijn vermogen geldt zijn woord.Koopman.Spreek zacht, want als ik wel zie, komt hij ginds.(Antipholusvan Syracuse enDromiovan Syracuse komen op.)Angelo.Hij is ’t; met de eigen keten om den hals,Die hij, bij hoog en laag, nooit had gezien!Verzel mij, waarde heer, ik spreek hem aan.—Signor Antipholus, ik sta verbaasd,13Dat gij in ongelegenheid mij brengt,En, waarlijk niet in ’t voordeel van uw naam,Door woord en eed de ontvangst geloochend hebtDer keten, die gij openlijk nu draagt.Gezwegen nog van de aanklacht, schande en gijz’ling,Deedt ge onrecht, schade aan deez’ mijn wakk’ren vriend,Die, had hem onze twist niet opgehouden,Nu onder zeil zou zijn, in volle zee.Ik leverde u die keten; kunt gij ’t looch’nen?Antipholus van Syracuse.Gij deedt het, zeker; ik ontkende ’t nooit.Koopman.Dit deedt gij wel, heer; ja, gij zwoert er op.Antipholus van Syracuse.Wie hoorde die verlooch’ning; wie dien eed?Koopman.Gij weet wel, dat mijn eigen ooren ’t hoorden.Ellend’ling foei! ’t is zonde, dat gij leeft,En nog verkeert waar brave lieden zijn.Antipholus van Syracuse.Een lage schurk zijt gij, die zoo mij hoont.Durft gij mij staan, dan zal ik tot uw strafMijn eer en eerlijkheid terstond u staven.Koopman.Ik durf, en staaf, dat gij de schurk hier zijt.(Zij trekken de degens.)(Adriana,Luciana,de Courtisane en Anderen komen op.)Adriana.Houd op, doe hem geen leed; hij is waanzinnig.—33Dringt tot hem door, ontwapent hem; en bindtOok Dromio, en voert hen naar mijn huis.Dromio van Syracuse.Loop, meester, loop; ga, red u in een huis,In ’t klooster hier; vlucht, of wij zijn verloren!(AntipholusenDromiovan Syracuse vluchten in het klooster.)(De Abdis komt op.)Abdis.Stil, menschen! Wat is ’t doel van dezen oploop?Adriana.Mijn van ’t verstand beroofden man te halen.Ach, laat ons in, opdat wij hem weer bindenEn ter verpleging voeren naar zijn huis.Angelo.Ik wist wel, dat hij in de war moest zijn.Koopman.Nu is ’t mij leed, dat ik den degen trok.Abdis.Hoe lang is ’t, dat uw man waanzinnig werd?Adriana.Hij was, de gansche week, zwaarmoedig, stil,Ontstemd, een ander man dan ooit te voren,Doch niet dan dezen middag heeft zijn stemmingZich in een vlaag van razernij geuit.Abdis.Is hem een kostlijk schip op zee vergaan?Een dierb’re vriend gestorven? Heeft zijn oogMisschien zijn hart verleid tot laakb’re min?Die zonde is vaak een zwak van jonge mannen,Die al te vrij hun oogen zwerven doen.Wat van dit alles was het, dat hem trof?Adriana.Niets van dit alles, of misschien het laatste:Een liefje, dat hem aftrok van zijn huis.Abdis.Hadt dan daarover ernstig hem berispt!Adriana.Dit deed ik wel.Abdis.Dit deed ik wel.Misschien niet streng genoeg.Adriana.Zoo streng als mij de zedigheid maar toeliet.Abdis.Als gij alleen waart?Adriana.Als gij alleen waart?Ook wel in gezelschap.Abdis.Maar moog’lijk niet genoeg.Adriana.O, wel genoeg; nooit sprak ik van iets anders;In bed, geen slaap ooit, want ik wees er op;Alleen met hem, was dit mijn onderwerp;En waren we onder menschen, ’k doelde er op;“’t Was laag en slecht”, ziedaar mijn gansch gesprek.Abdis.En daardoor werd de man ten laatste gek;’t Venijnig razen van jaloersche vrouwenDoodt wisser dan de beet eens dollen honds;Door uw gekijf werd hij belet te slapen,En daardoor werd hij eindlijk zwak in ’t hoofd;Met uw verwijten werd zijn maal gesausd;Onrustig eten stoort de spijsvertering;74Zoo werd het woedend vuur der koorts gewekt;En wat is koorts, zoo niet een vlaag van waanzin?Gij zegt, uw kijven stoorde zijn vermaken;Maar roof eens ied’re vroolijkheid,—wat volgt?Wat, dan droefgeestigheid, dof, zwart, de zusterVan radelooze, onstuimige vertwijf’lingMet haren langen stoet, verderf verspreidend,Van bleeke kwalen, vijanden van ’t leven?Wie in zijn maal, vermaak en slaap aldoorGestoord wordt, mensch of dier, bezwijkt er voor,Wordt suf of dol. Dus: voor uw ijverzuchtNam wis uws mans verstand in ’t eind de vlucht.Luciana.Wat ze ooit verweet, zij deed het zacht, ja schuw;Al was ook zijn gedrag wild, woest en ruw.—Wat hoort gij haar verwijten, en zegt niets?Adriana.Zij heeft mij bitter zelfverwijt gewekt.—Naar binnen, vrienden! haalt mijn man nu hier!Abdis.Neen, neen; geen schepsel treedt mijn woning binnen.Adriana.Geeft dan uw dienaars last mijn man te brengen.Abdis.Ook dit niet; in een vrijplaats borg hij zich;En die zal hem beschermen voor uw hand,Tot ik hem zijn verstand hergeven heb,Of al mijn moeite en zorgen ijdel blijken.Adriana.Neen, ik ben pleegster van mijn man; ik wilZijn krankheid heelen, dit is mijne taak;En hierbij trede niemand in mijn plaats;Sta dus hem af, dat ik hem met mij neem’.Abdis.Bedaar; hij zal niet gaan, eer ik mijn schatVan welgestaafde midd’len heb beproefd,Mijn kruiden, dranken, heilige gebeden,Om hem een man als vroeger te doen zijn.Dit is van de gelofte, die ik deed,Een deel, een heil’ge liefdeplicht der orde;Daarom, ga heen en laat hem hier bij mij.Adriana.Ik gaan, met achterlating van mijn man?Voorwaar, het is geen heilig doen, als gijDe vrouw wilt scheiden van haar echtgenoot.Abdis.Bedaar, ga heen; ik lever hem niet uit.(Abdis af.)Luciana.Klaag over deze krenking bij den hertog.Adriana.Kom mede, ik wil een voetval voor hem doen,En rijs niet, eer mijn tranen en gebedenVan hem verwerven, dat hij herwaarts koom’,En aan de abdis mijn man door kracht ontrukk’.Koopman.De zonnewijzer, meen ik, wijst op vijf;Zoo daad’lijk komt de hertog zelf hier langsOp zijnen weg naar ’t somber dal des doods,De plaatse, waar het halsrecht wordt gehouden;Zij ligt aan de overzij der kloostergracht.Angelo.Wat roept hem daar?123Koopman.Een achtbaar man, een Syracusisch koopman,Kwam tot zijn ongeluk alhier aan wal,—Wat tegen onze wetten strijdt,—en wordtOm dit vergrijp in ’t openbaar onthoofd.Angelo.Daar zijn zij; wonen wij de onthoofding bij.Luciana.Kniel voor den hertog, eer hij verder gaat.(De Hertog met zijn Gevolg,Ægeon,blootshoofds, vergezeld van den Beul en andere Gerechtsdienaars, komen op.)Hertog.Nog eenmaal zij het openlijk verkondigd;Wanneer een vriend de som voor hem betaalt,Dan sterft hij niet; dit sta ik hem nog toe.Adriana.O vorst! mijn recht! bescherm mij voor de abdis!Hertog.De deugdzame en zoo hoog-eerwaarde vrouw!Onmoog’lijk is ’t, dat zij u onrecht deed.Adriana.Vergun mij, edel vorst: Antipholus,Mijn man, dien ik, op aandrang van uw hoogheid,Tot heer van mij en ’t mijne maakte, werdDeez’ boozen dag van razernij bevangen,Zoodat hij, met zijn even dollen dienaar,Als een bezeet’ne door de straten liep,En tot ontstelt’nis van de burgers, binnenHun huizen drong, juweelen roofde, ringen,Ja alles, waar zijn razend oog op viel.Ik liet hem binden, voeren in ons huis,En ging toen uit om weder goed te maken,Wat hier of daar zijn woede had misdaan.Maar,—’k weet niet, hoe zijn dolheid er in slaagde,—Dra was hij los, ontsnapt aan zijn bewakers,Ontmoet ons weer, zijn dolle slaaf en hij;En beide’, ontvlamd in woede, ’t zwaard ontbloot,Zij dringen op ons aan, en wij, wij vluchten,Maar keeren dra, door hulp versterkt, terug,Om hen op nieuw te binden. Zij ontvluchten,Door ons vervolgd, in deze abdij; en hierSluit nu de abdis de poort voor ons en weigertAan ons verlof, dat wij hem komen halen,En weigert ook, hem aan ons uit te leev’ren.Gelast dus, eed’le hertog, dat hij onsGebracht word’ ter verpleging in zijn huis.160Hertog.Uw man heeft mij in de’ oorlog goed gediend,En ik heb u mijn vorstlijk woord verpand,Toen gij als heer en meester hem aanvaarddet,Door daden steeds hem alle gunst te toonen.Kloppe een van u dus aan de kloosterpoort;Ik wensch de abdis te hooren, want ik wilDe zaak beslechten, eer ik verder ga.(Een Dienaar komt op.)Dienaar.Meest’res, meest’res, o snel! en red u, snel!Want heer en dienaar zijn weer los, de meidenGeranseld en de dokter vastgebonden;Dien zengden zij met brandend hout den baard;En als die vlamde, goten zij met kuipenEr stinkende aalt op om het haar te blusschen.Mijn meester preekt geduld hem voor, terwijlDe knecht het hoofd hem kaal-knipt als een nar;Als gij niet oogenblikk’lijk bijstand zendt,Dan dooden zij den duivelbanner nog.Adriana.Stil, dwaas! uw meester en zijn knecht zijn hier;Onwaar is alles, wat gij daar bericht.Dienaar.Neen, neen, meest’res, ik zweer u, het is waar;Ik haalde nauwlijks adem, sinds ik ’t zag.Hij schreeuwt om u, en zweert, dat, heeft hij u,Hij u ’t gelaat verzengt, ontoonbaar maakt.(Geschreeuw achter het tooneel.)Hoor, hoor! daar is hij reeds, ik bid u, vlucht.Hertog.Kom bij mij hier; ducht niets; de wacht treê voor.Adriana.Wee mij, het is mijn man! Getuig nu zelf,Dat een onzichtb’re toovermacht hem drijft!Zoo even was hij in de abdij verborgen,Nu is hij weder hier, geen mensch weet hoe.(Antipholusvan Ephesus enDromiovan Ephesus komen op.)Antipholus van Ephesus.Doe recht, genadig vorst, verschaf mij recht,Ter wille van mijn diensten in den krijg,Toen ik u dekte met mijn lijf als schild,Gewond werd tot uw redding; ’k vraag bij ’t bloed,Dat ik voor u toen stortte, schaf mij recht.Ægeon.Als mij de doodsangst niet benevelt, zie ikMijn zoon Antipholus en Dromio daar.Antipholus van Ephesus.Verschaf mij recht, heer, tegen deze vrouw!Zij, die gij mij als echtgenoot eens schonkt,Heeft mij belaagd, beleedigd en onteerd,Heeft mij gekrenkt, ja boven alle maat.O, ongelooflijk is de smaad, dien zijMij schaamt’loos dezen dag heeft aangedaan.Hertog.Zeg hoe, en u zal alle recht geworden.Antipholus van Ephesus.Zij sloot, doorluchte vorst, het huis voor mij,Terwijl zij binnen met schavuiten braste.205Hertog.Een zwaar vergrijp! Zeg, vrouwe, deedt ge aldus?Adriana.Neen, eed’le vorst; hijzelf, ik en mijn zuster,Wij aten samen thuis. God straff’ mijn ziel,Als hij mij daar niet gruwlijk valsch beticht.Luciana.’k Wil nooit den dag meer zien, des nachts nooit slapen,Als zij uw hoogheid niet de waarheid meldt.Angelo.O, valsche vrouwen! Beiden zweren valsch;Op dit punt heeft de dolleman gelijk.Antipholus van Ephesus.Mijn vorst en heer! ik weet wel wat ik zeg;’k Ben niet door wijn beneveld, ben niet dol,Niet blind door woede, schoon, wat mij weêrvoer,Genoeg ware, om een wijs man gek te maken.Die vrouw sloot mij de deur bij ’t middagmaal,En is de goudsmid hier niet in ’t komplot,Hij kan ’t getuigen, want hij was er bij.Van daar ging hij voor mij een keten halen,Die hij me in de’ Egel brengen zou, want daarHeb ik met Balthazar gemiddagmaald.Toen hij na ’t maal nog niet gekomen was,Ging ik hem zoeken, kwam op straat hem tegen,En deze heer was bij hem. Maar daar zwoerDie valsche goudsmid mij een duren eed,Dat hij de keten mij gegeven had,Die ik, bij God, nooit had gezien, en lietMij daad’lijk voor ’t bedrag in hecht’nis nemen.Ik heb mij niet verzet, maar zond mijn lummelNaar huis om geld; hij keerde zonder geld.Toen heb ik mijn bewaker overreed,Dat hij mij naar mijn huis zou vergezellen.Op weg daarheen ontmoetten wijMijn vrouw, haar zuster en een gansche bentVan lage saamgezwoor’nen, onder henEen zeek’ren Knijp, een schralen maag’ren deugniet,Een wandelend geraamte, een marktbedrieger,Een kalen kunstenmaker en voorspeller,Holoogig, scherp van trekken en in lompen,Een levend lijk. Dat aak’lig monster gafZich, waarlijk! uit voor duivelbanner, kijkt mijIn de oogen, voelt mijn pols, en keertBrutaal zijn niet-gezicht naar mijn gezicht,En roept: “Hij is bezeten!” Toen werpt allesZich op mij, bindt mij, sleept mij weg naar huis,En brengt mij daar, te zaam met Dromio,Gebonden, in een kil en donker hok.247Mijn banden reet ik met mijn tanden stuk,Herwon mijn vrijheid en liep onverwijldHier tot uw hoogheid, wien ik dringend smeek,Genadig mij voldoening te verschaffenVoor een behand’ling, zoo vol schande en smaad.Angelo.Mijn vorst, in waarheid, dit getuig ik meê;Hij spijsde niet te huis, men sloot hem buiten.Hertog.Maar gaaft gij hem de keten, ja of neen?Angelo.Gewis, heer, en toen hij naar binnen vlood,Zag ieder hier de keten om zijn hals.Koopman.En ik kan ook bezweren, dat mijn oorenDe erkent’nis hoorden van de ontvangst, en toch,Gij hadt die vroeger op de markt geloochend.En daarop trok ik tegen u het zwaard,En zijt gij hier het klooster ingevlucht,Van waar ge, als door een wonder, hier weer staat.Antipholus van Ephesus.Ik zette nooit een voet in deze abdij;Nooit trokt gij tegen mij het zwaard, en ’k hebDe keten nooit gezien. God sta mij bij!Waar gij mij meê bezwaart, ’t is alles logen.Hertog.Dit is een zaak vol wondervreemde raadsels!Het schijnt, gij allen dronkt uit Circe’s nap.Waar’ hij hier ingevlucht, hij zou er zijn;En waar’ hij dol, hij pleitte niet zoo kalm.Gij zegt, hij at bij u; de goudsmid hierOntkent dit stellig.—Knaap, en wat zegt gij?Dromio van Ephesus.Mijn vorst, hij at bij die daar ginds, in de’ Egel.Courtisane.Zoo is ’t, en trok dien ring mij van den vinger.Antipholus van Ephesus.’t Is waar, mijn vorst, dien ring heb ik van haar.Hertog.En zaagt gij hem de abdij hier binnengaan?Courtisane.Zoo zeker, heer, als ik uw hoogheid zie.Hertog.’t Is wondervreemd;—ga, roep de abdis nu hier;Gij speelt een spel, of uw verstand loopt spelen.(Een van het Gevolg af.)Ægeon.Grootmoedig vorst, vergun me een enkel woord;Waarschijnlijk is een vriend daar, die mij redden,De som, die mij bevrijdt, betalen zal.Hertog.Spreek, Syracuser, wat gij wilt; spreek vrij.Ægeon.Uw naam, heer, is Antipholus, niet waar?En die man is uw dienaar Dromio?287Dromio van Ephesus.Tot voor een uur was ik zijn dienaar, heer;Maar thans heeft hij mijn banden doorgeknaagd,Dus ben ik, Dromio, thans door hem gediend.Ægeon.Gij beiden zult u mijner wis herinn’ren.Dromio van Ephesus.Neen, wij herinn’ren ons ons-zelf door u:Wij waren pas in banden zooals gij;Doch gij zijt geen patiënt van Knijp, niet waar?Ægeon.Wat ziet gij vreemd mij aan? gij kent mij wel.Antipholus van Ephesus.Ik heb u nooit gezien, heer, vóór dit uur.Ægeon.Sinds gij mij zaagt, heeft droef’nis mij veranderd;Door zorgvolle uren heeft de maag’re handDes Tijds mij vreemde trekken ingegrift:Maar zeg mij dan, mijn stem herkent gij toch?Antipholus van Ephesus.Ook niet.Ægeon.Ook niet.En Dromio, gij?Dromio van Ephesus.Ook niet. En Dromio, gij?Ik ook niet, heer.Ægeon.Gij kent die zeker.Dromio van Ephesus.Nu, heer, even zeker ken ik ze niet; en wat ook iemand u moge ontkennen, gij zijt nu gebonden om hem te gelooven.Ægeon.Mijn stem zelfs niet! O, wreede macht des Tijds!Hebt gij in zeven jaar mijn arme tongDoorboord, gesplitst, zoodat mijn een’ge zoonDen zwakken toon niet kent mijns schorren kommers?Zij mijn gerimpeld aangezicht bedektMet ’s winters doodsche vlokkensneeuw, en werdenDe buizen van mijn bloed verstijfd, toch heeftDe nacht mijns levens nog herinnering,Mijn kwijnend lampenpaar een schemerschijn,Mijn oor, schoon doof, nog iets gehoors; en dieGetuigen, die mij bleven, zeggen mij:Voorwaar, gij zijt mijn zoon Antipholus.Antipholus van Ephesus.Ik heb mijn vader nooit, neen, nooit gezien.Ægeon.Wij scheiden voor pas zeven jaar, bedenk het,In Syracuse, knaap. Zeg, schaamt ge u, zoon,Nu ik ellendig ben, mij te herkennen?Antipholus van Ephesus.De hertog, en een elk, die hier mij kent,Zijn mijn getuigen, dat het niet zoo is;Ik ben in Syracuse nooit geweest.325Hertog.Ik zeg u, Syracuser, twintig jaarWas ik beschermer van Antipholus,En zoo lang was hij nooit in Syracuse.Wis maken ouderdom en angst u kindsch.(De Abdis komt op, metAntipholusvan Syracuse enDromiovan Syracuse.)Abdis.Zie, vorst, een man, die bitter onrecht leed.(Allen dringen om hen heen, om hen te zien.)Adriana.Twee echtgenooten, of mijn oog bedriegt mij.Hertog.De een moet geleigeest van den ander zijn,En zoo de dienaars ook! Wie is de mensch,En wie de geest? wie kan hen onderkennen?Dromio van Syracuse.Ik, heer, ben Dromio, laat dezen gaan.Dromio van Ephesus.Ik, heer, ben Dromio, laat mij hier staan.Antipholus van Syracuse.Wie zijt gij, spreek! Ægeon of zijn geest?Dromio van Syracuse.Mijn oude meester! wie heeft u geboeid?Abdis.Wie hem ook boeide, ik maak zijn handen los,En win een echtgenoot door zijn bevrijding.Spreek, oude Ægeon, als gij ’t zijt, die eensEen vrouw, met name Æmilia, bezat,Die op één dag twee schoone zoons u schonk,Als gij dezelfde Ægeon zijt, zoo spreek,En spreek dan tot die zelfde Æmilia!Ægeon.Als ik niet droom, zijt gij Æmilia!En zijt gij dat, zoo meld mij van den zoon,Die met u dreef op dien onzaal’gen mast.Abdis.Door Epidamniërs werden hij en ik,En ook de tweeling Dromio gered;Doch weldra namen visschers van CorintheHun met geweld mijn zoon en Dromio af,Maar lieten mij aan die van Epidamnum.Wat later van hen werd, bleef me onbekend;En mij viel ’t lot ten deel, dat gij hier ziet.Hertog.’t Verhaal van dezen morgen gaat nu voort:Die twee Antipholussen, zoo gelijk,En die twee Dromio’s, ook van uitzicht één,—En dan wat zij daar van die schipbreuk meldde;—Ja, dit zijn de ouders van die beide kind’ren,Die hier het toeval samen heeft gebracht.Antipholus, gij kwaamt dus van Corinthe?Antipholus van Syracuse.Niet ik, heer, neen; ik kwam van Syracuse.Hertog.Treed dan ter zijde; ik weet niet, wien ik zie.364Antipholus van Ephesus.Ja, ik, doorluchte vorst, kwam van Corinthe.Dromio van Ephesus.En ik met hem.Antipholus van Ephesus.Hierheen gebracht door hertog Menaphron,Den hoogberoemden krijgsheld, uwen oom.Adriana.Wie van u beiden at vandaag bij mij?Antipholus van Syracuse.Ik, eed’le vrouw.Adriana.En gij zijt niet mijn man?Antipholus van Ephesus.Neen, neen, zeg ik daarop.Antipholus van Syracuse.Dat zeg ik ook; toch noemde zij mij zoo;En deze schoone jonkvrouw, hare zuster,Sprak steeds van zwager.—(TotLuciana.)Wat ik toen u zeide,Dit worde, wensch ik vurig, dra vervuld,Zoo niet al wat ik zie en hoor, een droom is.Angelo.Dat is de keten, heer, die ik u gaf.Antipholus van Syracuse.Ik meen het ook, heer; ik ontken het niet.Antipholus van Ephesus.En mij, heer, deedt gij voor die keten gijz’len.Angelo.Ik meen het ook, heer; ik ontken het niet.Adriana.Ik zond u, heer, voor uwen borgtocht geld,Door Dromio; maar ’t schijnt, hij bracht het niet.Dromio van Ephesus.Neen, niet door mij.Antipholus van Syracuse.De buidel met dukaten kwam tot mij;En Dromio, mijn dienaar, bracht mij dien.Zoo trof staâg de een den dienaar van den ander;Ik werd voor hem gehouden, hij voor mij,En zoo ontstonden die vergissingen.Antipholus van Ephesus.Dat goud zij nu de losprijs van mijn vader.Hertog.Behoud het vrij; ik schonk hem ’t leven reeds.Courtisane.Heer, geef mijn diamant mij nu terug.Antipholus van Ephesus.Hier is hij, met mijn’ dank voor ’t goed onthaal.Abdis.Doorluchte hertog, sta de gunst mij toeVan met ons in de abdij te gaan, en hoorUitvoerig, wat ons ieder is weervaren;En allen, die hier nu verzameld zijt,En meegeleden hebt door al de dwalingVan éénen dag, treedt binnen; allen zullenTen volle, zoo ik hoop, bevredigd zijn.—399Sinds vijf en twintig jaar, mijn zonen, was ikIn arbeid over u en eerst dit uurWerd ik van mijnen zwaren last bevrijd.—Mijn vorst, mijn echtgenoot en tweetal zoons,En gij, kalenders van hun levenstijd,Gaat op ten doopfeest; weest met mij verblijd;Wat dag, na lange smart aan vreugd gewijd!Hertog.Ja! gaarne zal ik peter zijn op ’t feest.(De Hertog, de Abdis,Ægeon,de Courtisane, de Koopman,Angeloen het Gevolg af.)Dromio van Syracuse.Zal ik uw goed, heer, nu van boord gaan halen?Antipholus van Ephesus.Wat hebt gij, Dromio, van mij ingescheept?Dromio van Syracuse.Heer, wat van u in den Centaurus lag.Antipholus van Syracuse.Hij spreekt tot mij. Ik ben uw meester, Dromio;Ga thans maar mee; dat alles komt te recht.Omarm uw broeder, wees met hem verheugd.(Antipholusvan Syracuse,Antipholusvan Ephesus,AdrianaenLucianaaf.)Dromio van Syracuse.Dat dikke lief van u, ginds in uw huis,Die mij voor u tot keukenman wou maken,Zal nu mijn zuster wezen, niet mijn vrouw.Dromio van Ephesus.Mij dunkt, gij zijt mijn spiegel, niet mijn broeder;Ik zie aan u, ik ben een knap jongmensch.Komaan, naar binnen, om bij ’t feest te zijn.Dromio van Syracuse.Ga voor, man; gij zijt de oudste.Dromio van Ephesus.Dat is de vraag, hoe zullen wij ’t beslissen?Dromio van Syracuse.Wij zullen om ’t langste strootje trekken voor de eerstgeboorte; ga tot zoo lang voor.Dromio van Ephesus.Neen, dan zij ’t zoo:Wij sprongen samen de wereld in, als broeders, met elkander;Zoo gaan wij nu samen hand aan hand, en de een niet na den ander.(Beiden af.)Aanteekeningen.Van de “Comedy of Errors” is geen afzonderlijke druk bekend; men kan als zeker aannemen, dat het stuk voor het eerst verscheen in 1623, in de folio-uitgave van Shakespeare’s gezamenlijke tooneelwerken. In 1598 maakte Francis Meres,—zie boven blz. 120,—er gewag van, maar zeker is het verscheiden jaren ouder en onder de eerstelingen des dichters te rekenen. De bewijzen hiervoor zijn in het stuk zelf te vinden. Vooreerst merke men op, welk een uitgestrekt gebruik Shakespeare maakt van zoogenaamdedoggerel rhymesof knuppelverzen, die in oudere Engelsche tooneelwerken veelvuldig gebezigd worden, zoodat zelfs geheele stukken er in geschreven werden; Shakespeare gebruikt ze alleen voor boertige tooneelen of gezegden, maar oudere tooneelschrijvers achten ze ook voor ernstige onderwerpen geschikt; zoo geeft in een ernstig stuk van 1570 of daaromtrent,Damon and Pithiasgeheeten, Dionysius zijn rechtspraak met deze woorden:“Pithias, seeing thou takest me at my word, take Damon to thee:For two months he is thine; unbind him, I set him free;Which time once expired, if he appear not the next day by noon,Without further delay thou shalt lose thy life, and that full soon.”Behalve in dit stuk van Sh. vindt men deze verzen, die ongeveer het midden houden tusschen regelmatige verzen en proza, bijna alleen in “De getemde Feeks” (Taming of the shrew) en in “Veel gemin, geen gewin” (Love’s labour’s lost), beide, of ten minste het laatstgenoemde, onder Sh.’s eerste stukken te rekenen. In “De klucht der vergissingen” zijn deze verzen over het algemeen regelmatiger dan in “Veel gemin, geen gewin”, waar soms alleen het rijm uitwijst, dat er verzen bedoeld zijn; men zie daar b.v.IV. 2. 29, de regels: “Zoo dorre planten” enz.—Een tweede bijzonderheid is het veelvuldig voorkomen van afwisselend rijmende verzen, die Sh. in zijn Venus en Adonis (1593) zoo meesterlijk weet te bezigen en die in de latere stukken van Sh. zelden voorkomen, maar wel in de oudere, met name in “Veel gemin, geen gewin”, den “Midzomernachtdroom”, en “Romeo en Julia”.—Volgens velen komt in “De Klucht der vergissingen” een toespeling op de tijdsomstandigheden voor, die vermoeden doet, dat het stuk in 1591 of 1592 geschreven is. In het tweede tooneel van het derde bedrijf geeft de Syrac. Dromio aan zijn heer een beschrijving van de keukenmeid uit het huis van Antipholus van Ephesus; hij vergelijkt haar met een globe en zegt, dat hij landen op haar onderscheiden kan. Op de vraag van zijn meester, waar dan Frankrijk ligt, antwoordt hij:In her forehead, armed and reverted, making war against her heir. Dit heir is in de tweede folio-uitgave inhairveranderd, waarschijnlijk, omdat de woordspeling metheirenhairniet begrepen werd. Verstaat menhair, dan was het voorhoofd gewapend, bekleed met iets, dat voortwoekerend het haar doet uitvallen en het voorhoofd vergroot, een gevolg der Fransche ziekte, ook bij Bredero de Francoysen genoemd. Verstaat menheir, erfgenaam, dan wordt er gezinspeeld op den binnenlandschen oorlog in Frankrijk, die na het vermoorden van koning Hendrik III, in Augustus 1589, ontbrand was tegen zijn erfgenaam, Hendrik IV, en eerst een einde nam, toen deze, in Juli 1593, Parijs wel een mis waard achtte. Koningin Elizabeth had in 1591 aan Hendrik IV 4000 man hulptroepen gezonden onder Essex en diens broeder Walter en steunde hem ook later meer dan eens op gelijke wijze. De toestand in Frankrijk was dus ongetwijfeld in Londen bekend genoeg, dat zulk een woordspeling methairenheirdadelijk verstaan werd.—Men weet verder, dat er in December 1594 in Gray’s Inn ter eere van een groot heer eenComedy of Errorsvertoond werd, waarschijnlijk dit stuk. Later werdhet ook wel voor Koning Jacobus I opgevoerd, naar gemeld wordt op 28 December 1604.Neemt men aan, dat het stuk in 1591 of 1592 geschreven is, dan zal men der waarheid zeker zeer nabij zijn. Verder kunnen wij als zeker aannemen, dat Sh. bekend was met het blijspelMenæchmeivan den ouden Romeinschen dichterPlautus, en daaruit aanleiding putte om dit stuk te schrijven. Wel is het oude blijspel niet vóór 1595 in het Engelsch verschenen, maar Shakespeare was hoogstwaarschijnlijk het Latijn genoeg machtig om Plautus in het oorspronkelijke te lezen. Er was in Stratford een Grammarschool, dus een school, waar het Latijn hoofdvak was; deze werd ongetwijfeld door Shakespeare bezocht en men mag gerust vermoeden, dat hij zijn meesters geen oneer zal hebben aangedaan en, om Plautus te leeren kennen, niet behoefde te wachten op het verschijnen eener gebrekkige vertaling; zijn Venus en Adonis, en al zijn oudere stukken leggen getuigenis af, dat hij het Latijn vrij goed machtig was en de Latijnsche schrijvers, zooals Ovidius en Plautus, in het oorspronkelijke las; in zijn latere stukken laat hij die kennis minder uitkomen, maar men kan er toch op velerlei wijze de sporen van opmerken, tot in den zinsbouw en de beteekenis, die hij somwijlen aan de woorden toekent1. De folio-uitgave maakt het bovendien hoogst waarschijnlijk, dat Sh. Plautus’ Menæchmi in het Latijn gelezen heeft: de Antipholus van Ephesus heet erSereptus, een blijkbare fout van den afschrijver of zetter voorSurreptus, “de gestolene”, het woord, waarmede in Plautus’ stuk, de eene broeder telkens wordt aangeduid, gelijk hij ook in de inhoudsopgave, hetargumentum, driemaal zoo genoemd wordt; de andere broeder heet in Sh.’s folio-uitgave nu eenserotes, dan wedererrotes, een dergelijke fout voorerraticus, de zwervende, dus de reiziger, die zijn broeder overal gaat zoeken.Ter juiste waardeering van Sh.’s stuk mag het nuttig heeten, met dat van Plautus eenigszins nader kennis te maken. Bij Plautus is geen onder ’t leed gebogen vader, die, van zijn beide zoons beroofd, ze gaat opzoeken; de vader der tweelingen is lang dood; door een proloog worden wij ingelicht over het vroeger gebeurde. In Syracuse leefde een oud koopman, aan wien zijn vrouw twee geheel gelijke tweelingen schonk. Toen de jongens zeven jaren oud waren, neemt de vader den eenen mee op zijn reize naar de groote en rijke koopstad van Beneden-Italië, Tarente. Daar wordt op de markt de knaap door een koopman uit de bekende handelsstad van Grieksch Illyrië, Epidamnus, bij de Romeinen meest Dyrrachium geheeten, gestolen en naar zijn woonplaats medegenomen; de vader sterft weinige dagen later van verdriet. Toen de grootvader der tweelingen te Syracuse dit verneemt, geeft hij aan den overgebleven tweeling, Sosicles, den naam van zijn verloren lieveling en naamgenoot, en noemt hem dus Menæchmus.—De koopman uit Epidamnus, die geen kinderen had, neemt den gestolen knaap als zoon aan, bezorgt hem later een rijke vrouw, komt weldra te sterven en laat hem al zijn schatten na. Zijn broeder Menæchmus (Sosicles) heeft geen rust in Syracuse, maar gaat zijn broeder zoeken; na een jaar of zes zwervens komt hij eindelijk te Epidamnus aan.Juist na zijn aankomst begint het stuk van Plautus. Eerst treedt de Parasiet of Tafelschuimer van den Epidamnischen Menæchmus op, die bij zijn begunstiger wil gaan eten. Weldra komt deze zelf uit zijn huis, onder het uiten van verwijten tegen zijn vrouw, die jaloersch is, en altijd weten wil waar hij heengaat. Het arme schepsel heeft er wel reden toe, want haar man wil juist naar een liefje, een lichtekooi, gaan, met name Erotium; hij heeft zelfs een fraai opperkleed van zijn vrouw bij zich, dat hij heimelijk heeft weggekaapt en aan Erotium schenken wil. Hij treft deze bij haar huis aan, geeft haar het gewaad, en zegt, dat hij, na op de markt geweest te zijn, met zijn Parasiet bij haar zal komen eten. Erotium zendt haar kok uit om de noodige inkoopen te doen en gaat in huis.Nu komt de broeder uit Syracuse, Menæchmus-Sosicles, op. De kok, die van zijn boodschappen terugkeert, is de eerste, die hem voor zijn broeder aanziet; weldra doet ook Erotium, die uit haar huis te voorschijn komt, hetzelfde; de man staat verbijsterd, dat zij niet alleen zijn naam weet, maar ook dien zijns vaders en nog andere bijzonderheden uit Syracuse, doch gaat op haar aandringen met haar eten, na eerst zijn geldbuidel aan zijn slaaf Messenio te hebben toevertrouwd.—Weldra komt de Parasiet op, die van zijn begunstiger is afgeraakt en reeds ontevreden is, dat hij nog niet aan het lekkere maal zit. Daar ziet hij zijn Menæchmus, zoo hij meent, uit het huis komen; deze neemt het oppergewaad mee, met de belofte, dat hij dit nog zal laten verfraaien. De Parasiet spreekt hem aan, maar wordt afgegrauwd, zoodat hij woedend besluit, aan Menæchmus’ vrouw het gedrag van haar man te gaan verklappen. Juist als Menæchmus-Sosiclesheen wil gaan, komt de dienstmeid van Erotium uit het huis met een gouden ketting, vroeger, zoo zij zegt, door hem van zijn vrouw gestolen, hij belooft op haar verzoek, dat hij dien zwaarder en nieuwerwetscher zal laten maken en dan aan haar meesteres zal terugbrengen; hij is echter wel degelijk van plan dien, zoowel als den mantel, voor zich te houden.—De Parasiet heeft inmiddels Menæchmus’ vrouw met de ontrouw van haar man bekend gemaakt, en haar ook gemeld, dat deze het gestolen opperkleed bij zich heeft, om het nog mooier te laten maken; beiden wachten den man op, die door zaken is opgehouden en zich nu naar zijn liefste spoedt. Zoodra zij hem ontwaren, heeft hij het hard te verantwoorden; liegen en ontkennen helpt hem niet; zijn vrouw wil hem niet meer het huis laten betreden, als hij het kleed niet meebrengt en gaat in huis. Hij gaat naar Erotium, maar wordt door haar, als hij beweert nòch mantel nòch ketting van haar te hebben ontvangen, met verwijten overladen en buiten gesloten, en gaat zijn vrienden over het geval raadplegen. Nu komt de andere Menæchmus, met den mantel om, op, wordt door de vrouw zijns broeders met verwijtingen begroet; ten hoogste verontwaardigd, dat hij haar niet wil kennen, laat zij haar vader roepen, die haar wel de les leest over haar wantrouwen en jaloerschheid, maar eindelijk, daar de gewaande echtgenoot nòch vrouw nòch schoonvader wil kennen, en zich ook opzettelijk als een dolle aanstelt, het met haar eens is, dat hij gek is, zoodat een geneesheer ontboden wordt. Hij weet echter te ontkomen alvorens deze er is. De geneesheer treft daarentegen den anderen Menæchmus nabij zijn huis aan, houdt hem om zijn ontkentenis van het gebeurde voor waanzinnig, en ontbiedt helpers, die den dolleman willen grijpen en medevoeren. Deze wordt echter ontzet door den slaaf Messenio, die zijn heer in gevaar meent te zien, en tot loon voor dezen dienst zijn vrijheid verzoekt, maar hem wel wil blijven dienen, en terstond het toevertrouwde geld, dat veilig in de herberg geborgen ligt, gaat halen. De gehuwde Menæchmus gaat nog eens beproeven den mantel zijner vrouw terug te krijgen. Nu ontmoet Messenio zijn echten heer, die niets van den bewezen dienst en de vrijlating van zijn slaaf afweet, maar onder het gesprek komt de tweelingbroeder op en dan wordt, door bemiddeling van den slaaf, alles opgehelderd; de broeders besluiten samen Epidamnus te verlaten; de slaaf wordt vrijgelaten en mag den verkoop van het huis en de goederen des Epidamniërs bekend maken; als er maar een kooper komt opdagen, is zelfs de vrouw te koop.De vergelijking van beide stukken in bijzonderheden zou het bestek der aanteekeningen verre te buiten gaan en zij, naar aanleiding van het medegedeelde, aan den lezer zelf overgelaten; slechts enkele opmerkingen kunnen hier nog plaats vinden. Shakespeare heeft aan het eene tweelingpaar een tweede toegevoegd en daardoor een grootere en zeer vermakelijke verscheidenheid in de vergissingen verkregen. Hij maakte daarbij gebruik van het onloochenbare recht van den kluchtspelschrijver om toestanden te onderstellen, die onwaarschijnlijk zijn; genoeg is het, als zij slechts mogelijk zijn en tevens geschikt om den toeschouwer te boeien en te vermaken. Aan dit vereischte voldoet Shakespeare’s stuk ten volle. Uit de onderstelling vloeit alles zoo geregeld mogelijk voort; en daar de toeschouwer in het geheim is en veel meer weet dan de optredende personen, vindt hij genot in het gevoel, dat hij alles, wat voor deze een raadsel is, zelf onmiddellijk kan oplossen. Als men daarbij nu nog in aanmerking neemt, dat er in het stuk wel degelijk karakterschildering is, dat er een kennelijk verschil bestaat in geaardheid tusschen de twee gebroeders Antipholus, en ook, hoewel in geringere mate, tusschen de twee Dromio’s; dat Adriana en haar zuster Luciana, de oude Ægeon, de Hertog, kortom alle personen met zorg geteekend zijn,—als wij nagaan, hoe indrukwekkend de lotgevallen van den rampspoedigen vader zijn medegedeeld, zoodat zij ons gedurende het geheele stuk voor den geest staan, hoe de blij-eindende ontknooping ons inderdaad roert, geruststelt en bevredigt, dan kunnen wij niet nalaten in dit tooneelwerk van den jeugdigen Shakespeare een meesterstuk te zien.I. 1. 13.Verboden hier en ginder raadsbesluiten.In een stuk, uitgevaardigd in het begin van Elizabeth’s regeering, wordt erkend, dat beperkende bepalingen tot bescherming van eigen handel groot ongenoegen wekken tusschen vorsten, en aan de kooplieden veel leed en schade toebrengen. Toch riep Elizabeth zelf, weinige jaren later zulke bepalingen in het leven. Het is, of de dichter hier wil uitdrukken, welke noodlottige gevolgen zij desnoods zouden kunnen hebben.I. 1. 41.Door meen’ge welgeslaagde reis naar Epidamnum.Wel staat in ’t Engelsch, dat hij meen’ge reis naar Epidamnum deed, doch de bedoeling is ongetwijfeld, dat hij menig schip met koopwaren er heen zond, want eerst na den dood van zijn factor reisde hijzelf er naar toe.I. 1. 53.Dat naamverschil alleen verschil kon geven.Dat de twee kinderen ooit een verschillenden naam droegen, blijkt niet bij Sh.; bij Plautus wel.I. 1. 79.Voor de eerstgeboor’ne meest bezorgd.Bij Sh. staatlatterborn, in tegenspraak met reg. 125. Daarom is hier vertaald, alsof erelder-bornstaat.—Het is echter ook mogelijk, dat regel 125 moet gelezen worden:my eldest boy, and yet my youngest care, dan warejongst-geborenehier goed.I. 1. 94.Epidaurusis een stad aan de oostkust van de Peloponnesus, nabij Argos.I. 1. 132.Ik heb in ’t verste Griekenlandenz. Men mag vermoeden, dat hier een paar regels zijn weggevallen, waar Ægeon zal gezegd hebben, dat hij om het uitblijven van zijn zoon, besloot dezen zelf te gaan zoeken.I. 2. 9.Naar den Centaurus.Blijkbaar is dit, zooals later ook de Tijger (III. 1. 95), de naam van een herberg; maar Sh. geeft ook aan huizen van bijzondere personen, zooals in zijn tijd ook ten onzent in zwang was, in dit stuk namen, zooals de Feniks (I. 2. 75), de Egel (III. 1. 116).I. 2. 56.Een staartriem voor mijn meesteres.In Sh.’s tijd reden, bij reizen, ook de vrouwen te paard.I. 2. 97.De stad is, zegt men, vol bedrog en list.De stad Ephesus stond reeds bij de ouden bekend als een plaats, waar veel tooverkunst uitgeoefend werd. Men vindt dit ook in de Handelingen der Apostelen vermeld, XIX, vs. 13 en 19. Dat Sh. juist daarom zijn stuk te Ephesus liet spelen, is duidelijk genoeg; men vergelijke II. 2. 191; als de gedachte aan tooverij den zoekenden Antipholus en zijn dienaar verbijstert, is het verklaarbaar, dat zij, bij al de vergissingen, niet op de gedachte komen, van nader te onderzoeken, of niet misschien juist in Ephesus hun evenbeelden wonen.II.Eerste Tooneel.Wààr een tooneel speelt, wordt door de folio-uitgave niet aangegeven; de meeste uitgevers hebben hier als localiteit een openbaar plein aangegeven. Ten onrechte; Adriana en Luciana hebben niets op straat te doen, en wachten, zooals blijkt, thuis den heer des huizes af, naar wien zij hun dienaar op nieuw willen uitsturen. Men kan hierbij ook aannemen, dat de twee vrouwen zich daar in een binnenhof of in den tuin bevinden, waar de tafel voor het maal gereedstaat. Daar kunnen zij, III. 1, zeer wel met Antipholus van Syracuse het middagmaal gebruiken; op het hooren van gedruisch gaat Adriana dan naar de deur.II. 1. 83.Te schoppen als een bal.Voor het voetbalspel, ook thans nog in zwang, is, zoals bekend is, de bal met leder overtrokken.II. 1. 101.Ik arme ben hem te oud.In ’t Engelsch:Poor I am but his stale. Geheel juist is de plaats niet te vertalen; in het oorspronkelijke wordt gespeeld met de woordendeerendear, en met de verschillende beteekenissen van het substantiefstale(zie “Taming Shrew” I. 1. 58, en III. 1. 90; “Much Ado” II. 2. 26, en IV. 1. 66) en van het adjectiefstale, zieCymbeline, III. 4. 53. Op deze laatste beteekenis is bij de hier gegeven vertaling vooral gelet.II. 1. 109.Ik zie het nuenz. De meest bedorven plaats in het stuk; het is nog niet gelukt, den tekst op bevredigende wijze te herstellen, het bederf schuilt vooral in reg. 112:Wear goldenz.II. 2. 35.Op mijn bol?In ’t Engelsch een woordspeling metsconce, dat “bol” of “hoofd” beteekent, en ook “schans”, waarom ook het woordensconce, “verschansen” volgt.II. 2. 89.Hij verliest het met een soort van genot.Op de meening, dat door een losbandige levenswijze ziekten ontstaan, die het haar doen uitvallen, zinspeelt de dichter meermalen.III. 1. 53.Hoor, meisje, wat is dat?In ’t Engelsch:Do you hear, you minion? you’ll let us in, I hope. In ’t Engelsch is dit gedeelte het eenige vers, dat niet rijmt. Men heeft daarom, met groote waarschijnlijkheid, vermoed, dat er een regel hier uitgevallen is, die opropeeindigde en waarin Lucie met een eind touw bedreigd wordt. Theobald veranderde, om een rijm te krijgen op de volgende twee regels,I hopeinI trow. De vertaler moest hier ook met een drievoudig rijm zich redden.III. 1. 81.Een koevoet zonder koe.In ’t Engelsch:A crow without a feather. “Crow” beteekentkraaienbreekijzer. Daarop volgt reg. 83 nogto pluck a crow together, in het Duitsch “ein Hühnchen mit Jemandem pflücken”, wat wij zeggen: “een appeltje met iemand schillen.”—Opmerkelijk is, dat Plautus in zijn “Gevangenen”,Captivi, V. 4. 9., het woordupupaevenzoo gebruikt als Shakespeare hiercrow;upupais te gelijk een vogel, dehop, en eenpikhouweel, zooals voor het loswerken van steenachtigen grond gebezigd word.III.Tweede Tooneel.Binnenplein.Men kan zich ook voorstellen, dat na het vertrek der vorigen Luciana en Antipholus van Syracuse uit het huis te voorschijn komen. Eigenaardiger is het echter, dat dit gesprek niet op straat gevoerd wordt, maar op een binnenplein, dat men als aan den ingang grenzend denken kan.III. 2. 52.Is de liefde wuft.Men vergelijke:Venus en Adonis, 149.III. 2. 117.Zij is een kogel, een globe.Men vergelijke inRabelais(L. III. Ch. 28) de beschrijving van den baard van Panurge door frère Jean, aldus luidende: “Ta barbe par les distinctions du gris, du blanc, du tanné, et du noir, me semble une mappemonde. Regarde ici.Voyla Asie. Icy sont Tigris et Euphrates. Voyla Africque. Icy est la montaigne de la Lune. Vois-tu les paluz du Nil? Deça est Europe. Vois-tu Theleme? Ce touppet icy tout blanc, sont les monts Hyperborées.”—Als het stuk voor koning Jacob I werd opgevoerd, bleef zeker de vermelding van Schotlands onvruchtbaarheid (reg.123) wel achterwege. In den Koopman van Venetië (I. 2. 83) wordt een Schotsch edelman belachelijk gemaakt: in de oude quarto staatthe Scottish lord, maar in de folio-uitgave van 1623, gedrukt nadat het stuk voor genoemden koning gespeeld was, staatthe other lord.IV. 1. 93.Welk een schip, gij schaapskop?In ’t Engelsch: “Thou peevish sheep, what ship” enz. In Shakespeare’s tijd werdenshipensheepnagenoeg eender uitgesproken.IV. 2. 22.Misvormd naar ’t lijf.In het Engelschstigmatical, door de natuur geteekend, gebrandmerkt.IV. 2. 27.De kievit schreeuwt, enz. In Sh.’s tijd werd de kievit meermalen hiervoor aangehaald, ja de uitdrukking schijnt spreekwoordelijk geweest te zijn. InLily’s Campaspe leest men: “You resemble the lapwing, who crieth most where her nest is not.” Shakespeare zelf herhaalt het beeld in “Maat voor Maat,” I.4.32.IV. 2. 32.Hij is in ’t voorportaal, neen, in de hel.In het Engelsch staat: He is in Tartar’s limbo; de uitdrukking schijnt aan de Engelschen uit Dante’s Goddelijke Comedie gemeenzaam te zijn geworden, men vindt haar meermalen bij Shakespeare en ook in Spencer’s Elfenkoningin. Dehelwas in Sh.’s tijd, en nog een eeuw later de naam van een gevangenis. Evenzoo wascounter(reg. 39) de naam van een gevangenis; maarto run counteris ook een uitdrukking voor een jachthond, die op een valsch spoor is of in verkeerde richting loopt.—De gerechtsdienaars waren in leder gekleed, zie K. Hendrik IV, I. 2. 48.IV. 3. 14.Den ouden Adam in zijn nieuw gewaad.Adam na den val, toen hij zich met beestenvellen bekleedde.IV. 3. 28.Dan een Moor met zijn piek.Er staat eigenlijk: “dan een moorenpiek”. Eenmorris-pikewas een gevaarlijk wapen; gerechtsdienaars droegen als teeken van hun ambt een staf,mace.IV. 3. 34.Blijf maar zitten.In ’t Engelsch:God give good rest! “Rest” te gelijk voorrustenarrestgebezigd.—Deengelen, waarvan reg. 41 gesproken wordt, zijn gouden munten van 10 Shill.; zie “Koopman van Venetië,” II. 7. 65.IV. 4. 44.Respice finem.Let op het einde. Het bijna gelijkluidendeRespice funem, waarop hier gedoeld wordt, beteekent: “Let op het touw”, of “Pas op voor het touw”; Dromio doelt op het touw, dat hij heeft moeten halen. Als men aan de papegaaien, om de toehoorders te plagen, leert zeggen: “Beware the rope’s end”, beteekent dit eer:“Hoed u voor den strop.”—Dokter Knijp, die hier optreedt, wordt in de Folio-uitgave een schoolmeester genoemd; schoolmeesters verstonden Latijn, en konden daarom als duivelbanners optreden.IV. 4. 78.De keukenmaagd.Het Engelsch betitelt haarkitchen-vestal, omdat zij, als de Vestaalsche maagden, het vuur moet aanhouden.V. 1. 175.Het hoofd hem kaal knipt als een nar.Het was de gewoonte, bij de verpleging van narren (gekken, waanzinnigen) hun het haar zeer kort af te knippen of af te scheren.V. 1. 205.Terwijl zij binnen met schavuiten braste.In het Engelsch staat:While she with harlots feasted in my house. Het woordharlotbeteekent, van mannen gebruikt, meestal “liederlijk mensch, schoelje, schavuit.”V. 1. 400.Sinds vijf en twintig jaarenz. In de Folio-uitgave leest men: “Sinds drie en dertig jaar.” Het is mogelijk, dat Sh. zelf zoo schreef en niet heeft nagerekend, wat hij vroeger had medegedeeld; maar drie en dertig is voor deze broeders wel wat oud en door een eenvoudige optelling van twee, door Sh. gegeven getallen vindt men vijf en twintig jaar, wat meer met den geest van het stuk overeenkomt. Ægeon heeft,I. 1. 126, gezegd, dat de hem overgebleven zoon op achttienjarigen leeftijd zijn broeder ging opzoeken, en zoo pas,V. 1. 309, dat dit vertrek eerst zeven jaar geleden is. Reeds voorlang heeft Theobald het getal veranderd en is door verscheiden uitgevers, b.v. door Knight, hierin gevolgd.1Men vindt dit boven blz. 5 en vgg. uiteengezet. Meermalen zal men in de aanteekeningen het een en ander aantreffen, dat ook in het “Overzicht van Sh.’s leven en werken” vermeld is. Op deze wijze kunnen de aanteekeningen een geheel uitmaken, dat geraadpleegd kan worden zonder dat de lezer telkens naar dit overzicht verwezen wordt.
Vijfde Bedrijf.Eerste Tooneel.Voor een vrouwenklooster.De Koopman enAngelokomen op.Angelo.Het spijt mij, heer, dat ik uw reis vertraagde,Maar ’k zweer u, dat ik hem de keten gaf,Al is hij laag genoeg om dit te looch’nen.Koopman.Hoe staat de man hier in de stad bekend?Angelo.Hij heeft een besten naam, heer; zijn credietIs onbeperkt, hij algemeen bemind;Hij is van de allereersten van de stad,Ja, meer dan mijn vermogen geldt zijn woord.Koopman.Spreek zacht, want als ik wel zie, komt hij ginds.(Antipholusvan Syracuse enDromiovan Syracuse komen op.)Angelo.Hij is ’t; met de eigen keten om den hals,Die hij, bij hoog en laag, nooit had gezien!Verzel mij, waarde heer, ik spreek hem aan.—Signor Antipholus, ik sta verbaasd,13Dat gij in ongelegenheid mij brengt,En, waarlijk niet in ’t voordeel van uw naam,Door woord en eed de ontvangst geloochend hebtDer keten, die gij openlijk nu draagt.Gezwegen nog van de aanklacht, schande en gijz’ling,Deedt ge onrecht, schade aan deez’ mijn wakk’ren vriend,Die, had hem onze twist niet opgehouden,Nu onder zeil zou zijn, in volle zee.Ik leverde u die keten; kunt gij ’t looch’nen?Antipholus van Syracuse.Gij deedt het, zeker; ik ontkende ’t nooit.Koopman.Dit deedt gij wel, heer; ja, gij zwoert er op.Antipholus van Syracuse.Wie hoorde die verlooch’ning; wie dien eed?Koopman.Gij weet wel, dat mijn eigen ooren ’t hoorden.Ellend’ling foei! ’t is zonde, dat gij leeft,En nog verkeert waar brave lieden zijn.Antipholus van Syracuse.Een lage schurk zijt gij, die zoo mij hoont.Durft gij mij staan, dan zal ik tot uw strafMijn eer en eerlijkheid terstond u staven.Koopman.Ik durf, en staaf, dat gij de schurk hier zijt.(Zij trekken de degens.)(Adriana,Luciana,de Courtisane en Anderen komen op.)Adriana.Houd op, doe hem geen leed; hij is waanzinnig.—33Dringt tot hem door, ontwapent hem; en bindtOok Dromio, en voert hen naar mijn huis.Dromio van Syracuse.Loop, meester, loop; ga, red u in een huis,In ’t klooster hier; vlucht, of wij zijn verloren!(AntipholusenDromiovan Syracuse vluchten in het klooster.)(De Abdis komt op.)Abdis.Stil, menschen! Wat is ’t doel van dezen oploop?Adriana.Mijn van ’t verstand beroofden man te halen.Ach, laat ons in, opdat wij hem weer bindenEn ter verpleging voeren naar zijn huis.Angelo.Ik wist wel, dat hij in de war moest zijn.Koopman.Nu is ’t mij leed, dat ik den degen trok.Abdis.Hoe lang is ’t, dat uw man waanzinnig werd?Adriana.Hij was, de gansche week, zwaarmoedig, stil,Ontstemd, een ander man dan ooit te voren,Doch niet dan dezen middag heeft zijn stemmingZich in een vlaag van razernij geuit.Abdis.Is hem een kostlijk schip op zee vergaan?Een dierb’re vriend gestorven? Heeft zijn oogMisschien zijn hart verleid tot laakb’re min?Die zonde is vaak een zwak van jonge mannen,Die al te vrij hun oogen zwerven doen.Wat van dit alles was het, dat hem trof?Adriana.Niets van dit alles, of misschien het laatste:Een liefje, dat hem aftrok van zijn huis.Abdis.Hadt dan daarover ernstig hem berispt!Adriana.Dit deed ik wel.Abdis.Dit deed ik wel.Misschien niet streng genoeg.Adriana.Zoo streng als mij de zedigheid maar toeliet.Abdis.Als gij alleen waart?Adriana.Als gij alleen waart?Ook wel in gezelschap.Abdis.Maar moog’lijk niet genoeg.Adriana.O, wel genoeg; nooit sprak ik van iets anders;In bed, geen slaap ooit, want ik wees er op;Alleen met hem, was dit mijn onderwerp;En waren we onder menschen, ’k doelde er op;“’t Was laag en slecht”, ziedaar mijn gansch gesprek.Abdis.En daardoor werd de man ten laatste gek;’t Venijnig razen van jaloersche vrouwenDoodt wisser dan de beet eens dollen honds;Door uw gekijf werd hij belet te slapen,En daardoor werd hij eindlijk zwak in ’t hoofd;Met uw verwijten werd zijn maal gesausd;Onrustig eten stoort de spijsvertering;74Zoo werd het woedend vuur der koorts gewekt;En wat is koorts, zoo niet een vlaag van waanzin?Gij zegt, uw kijven stoorde zijn vermaken;Maar roof eens ied’re vroolijkheid,—wat volgt?Wat, dan droefgeestigheid, dof, zwart, de zusterVan radelooze, onstuimige vertwijf’lingMet haren langen stoet, verderf verspreidend,Van bleeke kwalen, vijanden van ’t leven?Wie in zijn maal, vermaak en slaap aldoorGestoord wordt, mensch of dier, bezwijkt er voor,Wordt suf of dol. Dus: voor uw ijverzuchtNam wis uws mans verstand in ’t eind de vlucht.Luciana.Wat ze ooit verweet, zij deed het zacht, ja schuw;Al was ook zijn gedrag wild, woest en ruw.—Wat hoort gij haar verwijten, en zegt niets?Adriana.Zij heeft mij bitter zelfverwijt gewekt.—Naar binnen, vrienden! haalt mijn man nu hier!Abdis.Neen, neen; geen schepsel treedt mijn woning binnen.Adriana.Geeft dan uw dienaars last mijn man te brengen.Abdis.Ook dit niet; in een vrijplaats borg hij zich;En die zal hem beschermen voor uw hand,Tot ik hem zijn verstand hergeven heb,Of al mijn moeite en zorgen ijdel blijken.Adriana.Neen, ik ben pleegster van mijn man; ik wilZijn krankheid heelen, dit is mijne taak;En hierbij trede niemand in mijn plaats;Sta dus hem af, dat ik hem met mij neem’.Abdis.Bedaar; hij zal niet gaan, eer ik mijn schatVan welgestaafde midd’len heb beproefd,Mijn kruiden, dranken, heilige gebeden,Om hem een man als vroeger te doen zijn.Dit is van de gelofte, die ik deed,Een deel, een heil’ge liefdeplicht der orde;Daarom, ga heen en laat hem hier bij mij.Adriana.Ik gaan, met achterlating van mijn man?Voorwaar, het is geen heilig doen, als gijDe vrouw wilt scheiden van haar echtgenoot.Abdis.Bedaar, ga heen; ik lever hem niet uit.(Abdis af.)Luciana.Klaag over deze krenking bij den hertog.Adriana.Kom mede, ik wil een voetval voor hem doen,En rijs niet, eer mijn tranen en gebedenVan hem verwerven, dat hij herwaarts koom’,En aan de abdis mijn man door kracht ontrukk’.Koopman.De zonnewijzer, meen ik, wijst op vijf;Zoo daad’lijk komt de hertog zelf hier langsOp zijnen weg naar ’t somber dal des doods,De plaatse, waar het halsrecht wordt gehouden;Zij ligt aan de overzij der kloostergracht.Angelo.Wat roept hem daar?123Koopman.Een achtbaar man, een Syracusisch koopman,Kwam tot zijn ongeluk alhier aan wal,—Wat tegen onze wetten strijdt,—en wordtOm dit vergrijp in ’t openbaar onthoofd.Angelo.Daar zijn zij; wonen wij de onthoofding bij.Luciana.Kniel voor den hertog, eer hij verder gaat.(De Hertog met zijn Gevolg,Ægeon,blootshoofds, vergezeld van den Beul en andere Gerechtsdienaars, komen op.)Hertog.Nog eenmaal zij het openlijk verkondigd;Wanneer een vriend de som voor hem betaalt,Dan sterft hij niet; dit sta ik hem nog toe.Adriana.O vorst! mijn recht! bescherm mij voor de abdis!Hertog.De deugdzame en zoo hoog-eerwaarde vrouw!Onmoog’lijk is ’t, dat zij u onrecht deed.Adriana.Vergun mij, edel vorst: Antipholus,Mijn man, dien ik, op aandrang van uw hoogheid,Tot heer van mij en ’t mijne maakte, werdDeez’ boozen dag van razernij bevangen,Zoodat hij, met zijn even dollen dienaar,Als een bezeet’ne door de straten liep,En tot ontstelt’nis van de burgers, binnenHun huizen drong, juweelen roofde, ringen,Ja alles, waar zijn razend oog op viel.Ik liet hem binden, voeren in ons huis,En ging toen uit om weder goed te maken,Wat hier of daar zijn woede had misdaan.Maar,—’k weet niet, hoe zijn dolheid er in slaagde,—Dra was hij los, ontsnapt aan zijn bewakers,Ontmoet ons weer, zijn dolle slaaf en hij;En beide’, ontvlamd in woede, ’t zwaard ontbloot,Zij dringen op ons aan, en wij, wij vluchten,Maar keeren dra, door hulp versterkt, terug,Om hen op nieuw te binden. Zij ontvluchten,Door ons vervolgd, in deze abdij; en hierSluit nu de abdis de poort voor ons en weigertAan ons verlof, dat wij hem komen halen,En weigert ook, hem aan ons uit te leev’ren.Gelast dus, eed’le hertog, dat hij onsGebracht word’ ter verpleging in zijn huis.160Hertog.Uw man heeft mij in de’ oorlog goed gediend,En ik heb u mijn vorstlijk woord verpand,Toen gij als heer en meester hem aanvaarddet,Door daden steeds hem alle gunst te toonen.Kloppe een van u dus aan de kloosterpoort;Ik wensch de abdis te hooren, want ik wilDe zaak beslechten, eer ik verder ga.(Een Dienaar komt op.)Dienaar.Meest’res, meest’res, o snel! en red u, snel!Want heer en dienaar zijn weer los, de meidenGeranseld en de dokter vastgebonden;Dien zengden zij met brandend hout den baard;En als die vlamde, goten zij met kuipenEr stinkende aalt op om het haar te blusschen.Mijn meester preekt geduld hem voor, terwijlDe knecht het hoofd hem kaal-knipt als een nar;Als gij niet oogenblikk’lijk bijstand zendt,Dan dooden zij den duivelbanner nog.Adriana.Stil, dwaas! uw meester en zijn knecht zijn hier;Onwaar is alles, wat gij daar bericht.Dienaar.Neen, neen, meest’res, ik zweer u, het is waar;Ik haalde nauwlijks adem, sinds ik ’t zag.Hij schreeuwt om u, en zweert, dat, heeft hij u,Hij u ’t gelaat verzengt, ontoonbaar maakt.(Geschreeuw achter het tooneel.)Hoor, hoor! daar is hij reeds, ik bid u, vlucht.Hertog.Kom bij mij hier; ducht niets; de wacht treê voor.Adriana.Wee mij, het is mijn man! Getuig nu zelf,Dat een onzichtb’re toovermacht hem drijft!Zoo even was hij in de abdij verborgen,Nu is hij weder hier, geen mensch weet hoe.(Antipholusvan Ephesus enDromiovan Ephesus komen op.)Antipholus van Ephesus.Doe recht, genadig vorst, verschaf mij recht,Ter wille van mijn diensten in den krijg,Toen ik u dekte met mijn lijf als schild,Gewond werd tot uw redding; ’k vraag bij ’t bloed,Dat ik voor u toen stortte, schaf mij recht.Ægeon.Als mij de doodsangst niet benevelt, zie ikMijn zoon Antipholus en Dromio daar.Antipholus van Ephesus.Verschaf mij recht, heer, tegen deze vrouw!Zij, die gij mij als echtgenoot eens schonkt,Heeft mij belaagd, beleedigd en onteerd,Heeft mij gekrenkt, ja boven alle maat.O, ongelooflijk is de smaad, dien zijMij schaamt’loos dezen dag heeft aangedaan.Hertog.Zeg hoe, en u zal alle recht geworden.Antipholus van Ephesus.Zij sloot, doorluchte vorst, het huis voor mij,Terwijl zij binnen met schavuiten braste.205Hertog.Een zwaar vergrijp! Zeg, vrouwe, deedt ge aldus?Adriana.Neen, eed’le vorst; hijzelf, ik en mijn zuster,Wij aten samen thuis. God straff’ mijn ziel,Als hij mij daar niet gruwlijk valsch beticht.Luciana.’k Wil nooit den dag meer zien, des nachts nooit slapen,Als zij uw hoogheid niet de waarheid meldt.Angelo.O, valsche vrouwen! Beiden zweren valsch;Op dit punt heeft de dolleman gelijk.Antipholus van Ephesus.Mijn vorst en heer! ik weet wel wat ik zeg;’k Ben niet door wijn beneveld, ben niet dol,Niet blind door woede, schoon, wat mij weêrvoer,Genoeg ware, om een wijs man gek te maken.Die vrouw sloot mij de deur bij ’t middagmaal,En is de goudsmid hier niet in ’t komplot,Hij kan ’t getuigen, want hij was er bij.Van daar ging hij voor mij een keten halen,Die hij me in de’ Egel brengen zou, want daarHeb ik met Balthazar gemiddagmaald.Toen hij na ’t maal nog niet gekomen was,Ging ik hem zoeken, kwam op straat hem tegen,En deze heer was bij hem. Maar daar zwoerDie valsche goudsmid mij een duren eed,Dat hij de keten mij gegeven had,Die ik, bij God, nooit had gezien, en lietMij daad’lijk voor ’t bedrag in hecht’nis nemen.Ik heb mij niet verzet, maar zond mijn lummelNaar huis om geld; hij keerde zonder geld.Toen heb ik mijn bewaker overreed,Dat hij mij naar mijn huis zou vergezellen.Op weg daarheen ontmoetten wijMijn vrouw, haar zuster en een gansche bentVan lage saamgezwoor’nen, onder henEen zeek’ren Knijp, een schralen maag’ren deugniet,Een wandelend geraamte, een marktbedrieger,Een kalen kunstenmaker en voorspeller,Holoogig, scherp van trekken en in lompen,Een levend lijk. Dat aak’lig monster gafZich, waarlijk! uit voor duivelbanner, kijkt mijIn de oogen, voelt mijn pols, en keertBrutaal zijn niet-gezicht naar mijn gezicht,En roept: “Hij is bezeten!” Toen werpt allesZich op mij, bindt mij, sleept mij weg naar huis,En brengt mij daar, te zaam met Dromio,Gebonden, in een kil en donker hok.247Mijn banden reet ik met mijn tanden stuk,Herwon mijn vrijheid en liep onverwijldHier tot uw hoogheid, wien ik dringend smeek,Genadig mij voldoening te verschaffenVoor een behand’ling, zoo vol schande en smaad.Angelo.Mijn vorst, in waarheid, dit getuig ik meê;Hij spijsde niet te huis, men sloot hem buiten.Hertog.Maar gaaft gij hem de keten, ja of neen?Angelo.Gewis, heer, en toen hij naar binnen vlood,Zag ieder hier de keten om zijn hals.Koopman.En ik kan ook bezweren, dat mijn oorenDe erkent’nis hoorden van de ontvangst, en toch,Gij hadt die vroeger op de markt geloochend.En daarop trok ik tegen u het zwaard,En zijt gij hier het klooster ingevlucht,Van waar ge, als door een wonder, hier weer staat.Antipholus van Ephesus.Ik zette nooit een voet in deze abdij;Nooit trokt gij tegen mij het zwaard, en ’k hebDe keten nooit gezien. God sta mij bij!Waar gij mij meê bezwaart, ’t is alles logen.Hertog.Dit is een zaak vol wondervreemde raadsels!Het schijnt, gij allen dronkt uit Circe’s nap.Waar’ hij hier ingevlucht, hij zou er zijn;En waar’ hij dol, hij pleitte niet zoo kalm.Gij zegt, hij at bij u; de goudsmid hierOntkent dit stellig.—Knaap, en wat zegt gij?Dromio van Ephesus.Mijn vorst, hij at bij die daar ginds, in de’ Egel.Courtisane.Zoo is ’t, en trok dien ring mij van den vinger.Antipholus van Ephesus.’t Is waar, mijn vorst, dien ring heb ik van haar.Hertog.En zaagt gij hem de abdij hier binnengaan?Courtisane.Zoo zeker, heer, als ik uw hoogheid zie.Hertog.’t Is wondervreemd;—ga, roep de abdis nu hier;Gij speelt een spel, of uw verstand loopt spelen.(Een van het Gevolg af.)Ægeon.Grootmoedig vorst, vergun me een enkel woord;Waarschijnlijk is een vriend daar, die mij redden,De som, die mij bevrijdt, betalen zal.Hertog.Spreek, Syracuser, wat gij wilt; spreek vrij.Ægeon.Uw naam, heer, is Antipholus, niet waar?En die man is uw dienaar Dromio?287Dromio van Ephesus.Tot voor een uur was ik zijn dienaar, heer;Maar thans heeft hij mijn banden doorgeknaagd,Dus ben ik, Dromio, thans door hem gediend.Ægeon.Gij beiden zult u mijner wis herinn’ren.Dromio van Ephesus.Neen, wij herinn’ren ons ons-zelf door u:Wij waren pas in banden zooals gij;Doch gij zijt geen patiënt van Knijp, niet waar?Ægeon.Wat ziet gij vreemd mij aan? gij kent mij wel.Antipholus van Ephesus.Ik heb u nooit gezien, heer, vóór dit uur.Ægeon.Sinds gij mij zaagt, heeft droef’nis mij veranderd;Door zorgvolle uren heeft de maag’re handDes Tijds mij vreemde trekken ingegrift:Maar zeg mij dan, mijn stem herkent gij toch?Antipholus van Ephesus.Ook niet.Ægeon.Ook niet.En Dromio, gij?Dromio van Ephesus.Ook niet. En Dromio, gij?Ik ook niet, heer.Ægeon.Gij kent die zeker.Dromio van Ephesus.Nu, heer, even zeker ken ik ze niet; en wat ook iemand u moge ontkennen, gij zijt nu gebonden om hem te gelooven.Ægeon.Mijn stem zelfs niet! O, wreede macht des Tijds!Hebt gij in zeven jaar mijn arme tongDoorboord, gesplitst, zoodat mijn een’ge zoonDen zwakken toon niet kent mijns schorren kommers?Zij mijn gerimpeld aangezicht bedektMet ’s winters doodsche vlokkensneeuw, en werdenDe buizen van mijn bloed verstijfd, toch heeftDe nacht mijns levens nog herinnering,Mijn kwijnend lampenpaar een schemerschijn,Mijn oor, schoon doof, nog iets gehoors; en dieGetuigen, die mij bleven, zeggen mij:Voorwaar, gij zijt mijn zoon Antipholus.Antipholus van Ephesus.Ik heb mijn vader nooit, neen, nooit gezien.Ægeon.Wij scheiden voor pas zeven jaar, bedenk het,In Syracuse, knaap. Zeg, schaamt ge u, zoon,Nu ik ellendig ben, mij te herkennen?Antipholus van Ephesus.De hertog, en een elk, die hier mij kent,Zijn mijn getuigen, dat het niet zoo is;Ik ben in Syracuse nooit geweest.325Hertog.Ik zeg u, Syracuser, twintig jaarWas ik beschermer van Antipholus,En zoo lang was hij nooit in Syracuse.Wis maken ouderdom en angst u kindsch.(De Abdis komt op, metAntipholusvan Syracuse enDromiovan Syracuse.)Abdis.Zie, vorst, een man, die bitter onrecht leed.(Allen dringen om hen heen, om hen te zien.)Adriana.Twee echtgenooten, of mijn oog bedriegt mij.Hertog.De een moet geleigeest van den ander zijn,En zoo de dienaars ook! Wie is de mensch,En wie de geest? wie kan hen onderkennen?Dromio van Syracuse.Ik, heer, ben Dromio, laat dezen gaan.Dromio van Ephesus.Ik, heer, ben Dromio, laat mij hier staan.Antipholus van Syracuse.Wie zijt gij, spreek! Ægeon of zijn geest?Dromio van Syracuse.Mijn oude meester! wie heeft u geboeid?Abdis.Wie hem ook boeide, ik maak zijn handen los,En win een echtgenoot door zijn bevrijding.Spreek, oude Ægeon, als gij ’t zijt, die eensEen vrouw, met name Æmilia, bezat,Die op één dag twee schoone zoons u schonk,Als gij dezelfde Ægeon zijt, zoo spreek,En spreek dan tot die zelfde Æmilia!Ægeon.Als ik niet droom, zijt gij Æmilia!En zijt gij dat, zoo meld mij van den zoon,Die met u dreef op dien onzaal’gen mast.Abdis.Door Epidamniërs werden hij en ik,En ook de tweeling Dromio gered;Doch weldra namen visschers van CorintheHun met geweld mijn zoon en Dromio af,Maar lieten mij aan die van Epidamnum.Wat later van hen werd, bleef me onbekend;En mij viel ’t lot ten deel, dat gij hier ziet.Hertog.’t Verhaal van dezen morgen gaat nu voort:Die twee Antipholussen, zoo gelijk,En die twee Dromio’s, ook van uitzicht één,—En dan wat zij daar van die schipbreuk meldde;—Ja, dit zijn de ouders van die beide kind’ren,Die hier het toeval samen heeft gebracht.Antipholus, gij kwaamt dus van Corinthe?Antipholus van Syracuse.Niet ik, heer, neen; ik kwam van Syracuse.Hertog.Treed dan ter zijde; ik weet niet, wien ik zie.364Antipholus van Ephesus.Ja, ik, doorluchte vorst, kwam van Corinthe.Dromio van Ephesus.En ik met hem.Antipholus van Ephesus.Hierheen gebracht door hertog Menaphron,Den hoogberoemden krijgsheld, uwen oom.Adriana.Wie van u beiden at vandaag bij mij?Antipholus van Syracuse.Ik, eed’le vrouw.Adriana.En gij zijt niet mijn man?Antipholus van Ephesus.Neen, neen, zeg ik daarop.Antipholus van Syracuse.Dat zeg ik ook; toch noemde zij mij zoo;En deze schoone jonkvrouw, hare zuster,Sprak steeds van zwager.—(TotLuciana.)Wat ik toen u zeide,Dit worde, wensch ik vurig, dra vervuld,Zoo niet al wat ik zie en hoor, een droom is.Angelo.Dat is de keten, heer, die ik u gaf.Antipholus van Syracuse.Ik meen het ook, heer; ik ontken het niet.Antipholus van Ephesus.En mij, heer, deedt gij voor die keten gijz’len.Angelo.Ik meen het ook, heer; ik ontken het niet.Adriana.Ik zond u, heer, voor uwen borgtocht geld,Door Dromio; maar ’t schijnt, hij bracht het niet.Dromio van Ephesus.Neen, niet door mij.Antipholus van Syracuse.De buidel met dukaten kwam tot mij;En Dromio, mijn dienaar, bracht mij dien.Zoo trof staâg de een den dienaar van den ander;Ik werd voor hem gehouden, hij voor mij,En zoo ontstonden die vergissingen.Antipholus van Ephesus.Dat goud zij nu de losprijs van mijn vader.Hertog.Behoud het vrij; ik schonk hem ’t leven reeds.Courtisane.Heer, geef mijn diamant mij nu terug.Antipholus van Ephesus.Hier is hij, met mijn’ dank voor ’t goed onthaal.Abdis.Doorluchte hertog, sta de gunst mij toeVan met ons in de abdij te gaan, en hoorUitvoerig, wat ons ieder is weervaren;En allen, die hier nu verzameld zijt,En meegeleden hebt door al de dwalingVan éénen dag, treedt binnen; allen zullenTen volle, zoo ik hoop, bevredigd zijn.—399Sinds vijf en twintig jaar, mijn zonen, was ikIn arbeid over u en eerst dit uurWerd ik van mijnen zwaren last bevrijd.—Mijn vorst, mijn echtgenoot en tweetal zoons,En gij, kalenders van hun levenstijd,Gaat op ten doopfeest; weest met mij verblijd;Wat dag, na lange smart aan vreugd gewijd!Hertog.Ja! gaarne zal ik peter zijn op ’t feest.(De Hertog, de Abdis,Ægeon,de Courtisane, de Koopman,Angeloen het Gevolg af.)Dromio van Syracuse.Zal ik uw goed, heer, nu van boord gaan halen?Antipholus van Ephesus.Wat hebt gij, Dromio, van mij ingescheept?Dromio van Syracuse.Heer, wat van u in den Centaurus lag.Antipholus van Syracuse.Hij spreekt tot mij. Ik ben uw meester, Dromio;Ga thans maar mee; dat alles komt te recht.Omarm uw broeder, wees met hem verheugd.(Antipholusvan Syracuse,Antipholusvan Ephesus,AdrianaenLucianaaf.)Dromio van Syracuse.Dat dikke lief van u, ginds in uw huis,Die mij voor u tot keukenman wou maken,Zal nu mijn zuster wezen, niet mijn vrouw.Dromio van Ephesus.Mij dunkt, gij zijt mijn spiegel, niet mijn broeder;Ik zie aan u, ik ben een knap jongmensch.Komaan, naar binnen, om bij ’t feest te zijn.Dromio van Syracuse.Ga voor, man; gij zijt de oudste.Dromio van Ephesus.Dat is de vraag, hoe zullen wij ’t beslissen?Dromio van Syracuse.Wij zullen om ’t langste strootje trekken voor de eerstgeboorte; ga tot zoo lang voor.Dromio van Ephesus.Neen, dan zij ’t zoo:Wij sprongen samen de wereld in, als broeders, met elkander;Zoo gaan wij nu samen hand aan hand, en de een niet na den ander.(Beiden af.)
Eerste Tooneel.Voor een vrouwenklooster.De Koopman enAngelokomen op.Angelo.Het spijt mij, heer, dat ik uw reis vertraagde,Maar ’k zweer u, dat ik hem de keten gaf,Al is hij laag genoeg om dit te looch’nen.Koopman.Hoe staat de man hier in de stad bekend?Angelo.Hij heeft een besten naam, heer; zijn credietIs onbeperkt, hij algemeen bemind;Hij is van de allereersten van de stad,Ja, meer dan mijn vermogen geldt zijn woord.Koopman.Spreek zacht, want als ik wel zie, komt hij ginds.(Antipholusvan Syracuse enDromiovan Syracuse komen op.)Angelo.Hij is ’t; met de eigen keten om den hals,Die hij, bij hoog en laag, nooit had gezien!Verzel mij, waarde heer, ik spreek hem aan.—Signor Antipholus, ik sta verbaasd,13Dat gij in ongelegenheid mij brengt,En, waarlijk niet in ’t voordeel van uw naam,Door woord en eed de ontvangst geloochend hebtDer keten, die gij openlijk nu draagt.Gezwegen nog van de aanklacht, schande en gijz’ling,Deedt ge onrecht, schade aan deez’ mijn wakk’ren vriend,Die, had hem onze twist niet opgehouden,Nu onder zeil zou zijn, in volle zee.Ik leverde u die keten; kunt gij ’t looch’nen?Antipholus van Syracuse.Gij deedt het, zeker; ik ontkende ’t nooit.Koopman.Dit deedt gij wel, heer; ja, gij zwoert er op.Antipholus van Syracuse.Wie hoorde die verlooch’ning; wie dien eed?Koopman.Gij weet wel, dat mijn eigen ooren ’t hoorden.Ellend’ling foei! ’t is zonde, dat gij leeft,En nog verkeert waar brave lieden zijn.Antipholus van Syracuse.Een lage schurk zijt gij, die zoo mij hoont.Durft gij mij staan, dan zal ik tot uw strafMijn eer en eerlijkheid terstond u staven.Koopman.Ik durf, en staaf, dat gij de schurk hier zijt.(Zij trekken de degens.)(Adriana,Luciana,de Courtisane en Anderen komen op.)Adriana.Houd op, doe hem geen leed; hij is waanzinnig.—33Dringt tot hem door, ontwapent hem; en bindtOok Dromio, en voert hen naar mijn huis.Dromio van Syracuse.Loop, meester, loop; ga, red u in een huis,In ’t klooster hier; vlucht, of wij zijn verloren!(AntipholusenDromiovan Syracuse vluchten in het klooster.)(De Abdis komt op.)Abdis.Stil, menschen! Wat is ’t doel van dezen oploop?Adriana.Mijn van ’t verstand beroofden man te halen.Ach, laat ons in, opdat wij hem weer bindenEn ter verpleging voeren naar zijn huis.Angelo.Ik wist wel, dat hij in de war moest zijn.Koopman.Nu is ’t mij leed, dat ik den degen trok.Abdis.Hoe lang is ’t, dat uw man waanzinnig werd?Adriana.Hij was, de gansche week, zwaarmoedig, stil,Ontstemd, een ander man dan ooit te voren,Doch niet dan dezen middag heeft zijn stemmingZich in een vlaag van razernij geuit.Abdis.Is hem een kostlijk schip op zee vergaan?Een dierb’re vriend gestorven? Heeft zijn oogMisschien zijn hart verleid tot laakb’re min?Die zonde is vaak een zwak van jonge mannen,Die al te vrij hun oogen zwerven doen.Wat van dit alles was het, dat hem trof?Adriana.Niets van dit alles, of misschien het laatste:Een liefje, dat hem aftrok van zijn huis.Abdis.Hadt dan daarover ernstig hem berispt!Adriana.Dit deed ik wel.Abdis.Dit deed ik wel.Misschien niet streng genoeg.Adriana.Zoo streng als mij de zedigheid maar toeliet.Abdis.Als gij alleen waart?Adriana.Als gij alleen waart?Ook wel in gezelschap.Abdis.Maar moog’lijk niet genoeg.Adriana.O, wel genoeg; nooit sprak ik van iets anders;In bed, geen slaap ooit, want ik wees er op;Alleen met hem, was dit mijn onderwerp;En waren we onder menschen, ’k doelde er op;“’t Was laag en slecht”, ziedaar mijn gansch gesprek.Abdis.En daardoor werd de man ten laatste gek;’t Venijnig razen van jaloersche vrouwenDoodt wisser dan de beet eens dollen honds;Door uw gekijf werd hij belet te slapen,En daardoor werd hij eindlijk zwak in ’t hoofd;Met uw verwijten werd zijn maal gesausd;Onrustig eten stoort de spijsvertering;74Zoo werd het woedend vuur der koorts gewekt;En wat is koorts, zoo niet een vlaag van waanzin?Gij zegt, uw kijven stoorde zijn vermaken;Maar roof eens ied’re vroolijkheid,—wat volgt?Wat, dan droefgeestigheid, dof, zwart, de zusterVan radelooze, onstuimige vertwijf’lingMet haren langen stoet, verderf verspreidend,Van bleeke kwalen, vijanden van ’t leven?Wie in zijn maal, vermaak en slaap aldoorGestoord wordt, mensch of dier, bezwijkt er voor,Wordt suf of dol. Dus: voor uw ijverzuchtNam wis uws mans verstand in ’t eind de vlucht.Luciana.Wat ze ooit verweet, zij deed het zacht, ja schuw;Al was ook zijn gedrag wild, woest en ruw.—Wat hoort gij haar verwijten, en zegt niets?Adriana.Zij heeft mij bitter zelfverwijt gewekt.—Naar binnen, vrienden! haalt mijn man nu hier!Abdis.Neen, neen; geen schepsel treedt mijn woning binnen.Adriana.Geeft dan uw dienaars last mijn man te brengen.Abdis.Ook dit niet; in een vrijplaats borg hij zich;En die zal hem beschermen voor uw hand,Tot ik hem zijn verstand hergeven heb,Of al mijn moeite en zorgen ijdel blijken.Adriana.Neen, ik ben pleegster van mijn man; ik wilZijn krankheid heelen, dit is mijne taak;En hierbij trede niemand in mijn plaats;Sta dus hem af, dat ik hem met mij neem’.Abdis.Bedaar; hij zal niet gaan, eer ik mijn schatVan welgestaafde midd’len heb beproefd,Mijn kruiden, dranken, heilige gebeden,Om hem een man als vroeger te doen zijn.Dit is van de gelofte, die ik deed,Een deel, een heil’ge liefdeplicht der orde;Daarom, ga heen en laat hem hier bij mij.Adriana.Ik gaan, met achterlating van mijn man?Voorwaar, het is geen heilig doen, als gijDe vrouw wilt scheiden van haar echtgenoot.Abdis.Bedaar, ga heen; ik lever hem niet uit.(Abdis af.)Luciana.Klaag over deze krenking bij den hertog.Adriana.Kom mede, ik wil een voetval voor hem doen,En rijs niet, eer mijn tranen en gebedenVan hem verwerven, dat hij herwaarts koom’,En aan de abdis mijn man door kracht ontrukk’.Koopman.De zonnewijzer, meen ik, wijst op vijf;Zoo daad’lijk komt de hertog zelf hier langsOp zijnen weg naar ’t somber dal des doods,De plaatse, waar het halsrecht wordt gehouden;Zij ligt aan de overzij der kloostergracht.Angelo.Wat roept hem daar?123Koopman.Een achtbaar man, een Syracusisch koopman,Kwam tot zijn ongeluk alhier aan wal,—Wat tegen onze wetten strijdt,—en wordtOm dit vergrijp in ’t openbaar onthoofd.Angelo.Daar zijn zij; wonen wij de onthoofding bij.Luciana.Kniel voor den hertog, eer hij verder gaat.(De Hertog met zijn Gevolg,Ægeon,blootshoofds, vergezeld van den Beul en andere Gerechtsdienaars, komen op.)Hertog.Nog eenmaal zij het openlijk verkondigd;Wanneer een vriend de som voor hem betaalt,Dan sterft hij niet; dit sta ik hem nog toe.Adriana.O vorst! mijn recht! bescherm mij voor de abdis!Hertog.De deugdzame en zoo hoog-eerwaarde vrouw!Onmoog’lijk is ’t, dat zij u onrecht deed.Adriana.Vergun mij, edel vorst: Antipholus,Mijn man, dien ik, op aandrang van uw hoogheid,Tot heer van mij en ’t mijne maakte, werdDeez’ boozen dag van razernij bevangen,Zoodat hij, met zijn even dollen dienaar,Als een bezeet’ne door de straten liep,En tot ontstelt’nis van de burgers, binnenHun huizen drong, juweelen roofde, ringen,Ja alles, waar zijn razend oog op viel.Ik liet hem binden, voeren in ons huis,En ging toen uit om weder goed te maken,Wat hier of daar zijn woede had misdaan.Maar,—’k weet niet, hoe zijn dolheid er in slaagde,—Dra was hij los, ontsnapt aan zijn bewakers,Ontmoet ons weer, zijn dolle slaaf en hij;En beide’, ontvlamd in woede, ’t zwaard ontbloot,Zij dringen op ons aan, en wij, wij vluchten,Maar keeren dra, door hulp versterkt, terug,Om hen op nieuw te binden. Zij ontvluchten,Door ons vervolgd, in deze abdij; en hierSluit nu de abdis de poort voor ons en weigertAan ons verlof, dat wij hem komen halen,En weigert ook, hem aan ons uit te leev’ren.Gelast dus, eed’le hertog, dat hij onsGebracht word’ ter verpleging in zijn huis.160Hertog.Uw man heeft mij in de’ oorlog goed gediend,En ik heb u mijn vorstlijk woord verpand,Toen gij als heer en meester hem aanvaarddet,Door daden steeds hem alle gunst te toonen.Kloppe een van u dus aan de kloosterpoort;Ik wensch de abdis te hooren, want ik wilDe zaak beslechten, eer ik verder ga.(Een Dienaar komt op.)Dienaar.Meest’res, meest’res, o snel! en red u, snel!Want heer en dienaar zijn weer los, de meidenGeranseld en de dokter vastgebonden;Dien zengden zij met brandend hout den baard;En als die vlamde, goten zij met kuipenEr stinkende aalt op om het haar te blusschen.Mijn meester preekt geduld hem voor, terwijlDe knecht het hoofd hem kaal-knipt als een nar;Als gij niet oogenblikk’lijk bijstand zendt,Dan dooden zij den duivelbanner nog.Adriana.Stil, dwaas! uw meester en zijn knecht zijn hier;Onwaar is alles, wat gij daar bericht.Dienaar.Neen, neen, meest’res, ik zweer u, het is waar;Ik haalde nauwlijks adem, sinds ik ’t zag.Hij schreeuwt om u, en zweert, dat, heeft hij u,Hij u ’t gelaat verzengt, ontoonbaar maakt.(Geschreeuw achter het tooneel.)Hoor, hoor! daar is hij reeds, ik bid u, vlucht.Hertog.Kom bij mij hier; ducht niets; de wacht treê voor.Adriana.Wee mij, het is mijn man! Getuig nu zelf,Dat een onzichtb’re toovermacht hem drijft!Zoo even was hij in de abdij verborgen,Nu is hij weder hier, geen mensch weet hoe.(Antipholusvan Ephesus enDromiovan Ephesus komen op.)Antipholus van Ephesus.Doe recht, genadig vorst, verschaf mij recht,Ter wille van mijn diensten in den krijg,Toen ik u dekte met mijn lijf als schild,Gewond werd tot uw redding; ’k vraag bij ’t bloed,Dat ik voor u toen stortte, schaf mij recht.Ægeon.Als mij de doodsangst niet benevelt, zie ikMijn zoon Antipholus en Dromio daar.Antipholus van Ephesus.Verschaf mij recht, heer, tegen deze vrouw!Zij, die gij mij als echtgenoot eens schonkt,Heeft mij belaagd, beleedigd en onteerd,Heeft mij gekrenkt, ja boven alle maat.O, ongelooflijk is de smaad, dien zijMij schaamt’loos dezen dag heeft aangedaan.Hertog.Zeg hoe, en u zal alle recht geworden.Antipholus van Ephesus.Zij sloot, doorluchte vorst, het huis voor mij,Terwijl zij binnen met schavuiten braste.205Hertog.Een zwaar vergrijp! Zeg, vrouwe, deedt ge aldus?Adriana.Neen, eed’le vorst; hijzelf, ik en mijn zuster,Wij aten samen thuis. God straff’ mijn ziel,Als hij mij daar niet gruwlijk valsch beticht.Luciana.’k Wil nooit den dag meer zien, des nachts nooit slapen,Als zij uw hoogheid niet de waarheid meldt.Angelo.O, valsche vrouwen! Beiden zweren valsch;Op dit punt heeft de dolleman gelijk.Antipholus van Ephesus.Mijn vorst en heer! ik weet wel wat ik zeg;’k Ben niet door wijn beneveld, ben niet dol,Niet blind door woede, schoon, wat mij weêrvoer,Genoeg ware, om een wijs man gek te maken.Die vrouw sloot mij de deur bij ’t middagmaal,En is de goudsmid hier niet in ’t komplot,Hij kan ’t getuigen, want hij was er bij.Van daar ging hij voor mij een keten halen,Die hij me in de’ Egel brengen zou, want daarHeb ik met Balthazar gemiddagmaald.Toen hij na ’t maal nog niet gekomen was,Ging ik hem zoeken, kwam op straat hem tegen,En deze heer was bij hem. Maar daar zwoerDie valsche goudsmid mij een duren eed,Dat hij de keten mij gegeven had,Die ik, bij God, nooit had gezien, en lietMij daad’lijk voor ’t bedrag in hecht’nis nemen.Ik heb mij niet verzet, maar zond mijn lummelNaar huis om geld; hij keerde zonder geld.Toen heb ik mijn bewaker overreed,Dat hij mij naar mijn huis zou vergezellen.Op weg daarheen ontmoetten wijMijn vrouw, haar zuster en een gansche bentVan lage saamgezwoor’nen, onder henEen zeek’ren Knijp, een schralen maag’ren deugniet,Een wandelend geraamte, een marktbedrieger,Een kalen kunstenmaker en voorspeller,Holoogig, scherp van trekken en in lompen,Een levend lijk. Dat aak’lig monster gafZich, waarlijk! uit voor duivelbanner, kijkt mijIn de oogen, voelt mijn pols, en keertBrutaal zijn niet-gezicht naar mijn gezicht,En roept: “Hij is bezeten!” Toen werpt allesZich op mij, bindt mij, sleept mij weg naar huis,En brengt mij daar, te zaam met Dromio,Gebonden, in een kil en donker hok.247Mijn banden reet ik met mijn tanden stuk,Herwon mijn vrijheid en liep onverwijldHier tot uw hoogheid, wien ik dringend smeek,Genadig mij voldoening te verschaffenVoor een behand’ling, zoo vol schande en smaad.Angelo.Mijn vorst, in waarheid, dit getuig ik meê;Hij spijsde niet te huis, men sloot hem buiten.Hertog.Maar gaaft gij hem de keten, ja of neen?Angelo.Gewis, heer, en toen hij naar binnen vlood,Zag ieder hier de keten om zijn hals.Koopman.En ik kan ook bezweren, dat mijn oorenDe erkent’nis hoorden van de ontvangst, en toch,Gij hadt die vroeger op de markt geloochend.En daarop trok ik tegen u het zwaard,En zijt gij hier het klooster ingevlucht,Van waar ge, als door een wonder, hier weer staat.Antipholus van Ephesus.Ik zette nooit een voet in deze abdij;Nooit trokt gij tegen mij het zwaard, en ’k hebDe keten nooit gezien. God sta mij bij!Waar gij mij meê bezwaart, ’t is alles logen.Hertog.Dit is een zaak vol wondervreemde raadsels!Het schijnt, gij allen dronkt uit Circe’s nap.Waar’ hij hier ingevlucht, hij zou er zijn;En waar’ hij dol, hij pleitte niet zoo kalm.Gij zegt, hij at bij u; de goudsmid hierOntkent dit stellig.—Knaap, en wat zegt gij?Dromio van Ephesus.Mijn vorst, hij at bij die daar ginds, in de’ Egel.Courtisane.Zoo is ’t, en trok dien ring mij van den vinger.Antipholus van Ephesus.’t Is waar, mijn vorst, dien ring heb ik van haar.Hertog.En zaagt gij hem de abdij hier binnengaan?Courtisane.Zoo zeker, heer, als ik uw hoogheid zie.Hertog.’t Is wondervreemd;—ga, roep de abdis nu hier;Gij speelt een spel, of uw verstand loopt spelen.(Een van het Gevolg af.)Ægeon.Grootmoedig vorst, vergun me een enkel woord;Waarschijnlijk is een vriend daar, die mij redden,De som, die mij bevrijdt, betalen zal.Hertog.Spreek, Syracuser, wat gij wilt; spreek vrij.Ægeon.Uw naam, heer, is Antipholus, niet waar?En die man is uw dienaar Dromio?287Dromio van Ephesus.Tot voor een uur was ik zijn dienaar, heer;Maar thans heeft hij mijn banden doorgeknaagd,Dus ben ik, Dromio, thans door hem gediend.Ægeon.Gij beiden zult u mijner wis herinn’ren.Dromio van Ephesus.Neen, wij herinn’ren ons ons-zelf door u:Wij waren pas in banden zooals gij;Doch gij zijt geen patiënt van Knijp, niet waar?Ægeon.Wat ziet gij vreemd mij aan? gij kent mij wel.Antipholus van Ephesus.Ik heb u nooit gezien, heer, vóór dit uur.Ægeon.Sinds gij mij zaagt, heeft droef’nis mij veranderd;Door zorgvolle uren heeft de maag’re handDes Tijds mij vreemde trekken ingegrift:Maar zeg mij dan, mijn stem herkent gij toch?Antipholus van Ephesus.Ook niet.Ægeon.Ook niet.En Dromio, gij?Dromio van Ephesus.Ook niet. En Dromio, gij?Ik ook niet, heer.Ægeon.Gij kent die zeker.Dromio van Ephesus.Nu, heer, even zeker ken ik ze niet; en wat ook iemand u moge ontkennen, gij zijt nu gebonden om hem te gelooven.Ægeon.Mijn stem zelfs niet! O, wreede macht des Tijds!Hebt gij in zeven jaar mijn arme tongDoorboord, gesplitst, zoodat mijn een’ge zoonDen zwakken toon niet kent mijns schorren kommers?Zij mijn gerimpeld aangezicht bedektMet ’s winters doodsche vlokkensneeuw, en werdenDe buizen van mijn bloed verstijfd, toch heeftDe nacht mijns levens nog herinnering,Mijn kwijnend lampenpaar een schemerschijn,Mijn oor, schoon doof, nog iets gehoors; en dieGetuigen, die mij bleven, zeggen mij:Voorwaar, gij zijt mijn zoon Antipholus.Antipholus van Ephesus.Ik heb mijn vader nooit, neen, nooit gezien.Ægeon.Wij scheiden voor pas zeven jaar, bedenk het,In Syracuse, knaap. Zeg, schaamt ge u, zoon,Nu ik ellendig ben, mij te herkennen?Antipholus van Ephesus.De hertog, en een elk, die hier mij kent,Zijn mijn getuigen, dat het niet zoo is;Ik ben in Syracuse nooit geweest.325Hertog.Ik zeg u, Syracuser, twintig jaarWas ik beschermer van Antipholus,En zoo lang was hij nooit in Syracuse.Wis maken ouderdom en angst u kindsch.(De Abdis komt op, metAntipholusvan Syracuse enDromiovan Syracuse.)Abdis.Zie, vorst, een man, die bitter onrecht leed.(Allen dringen om hen heen, om hen te zien.)Adriana.Twee echtgenooten, of mijn oog bedriegt mij.Hertog.De een moet geleigeest van den ander zijn,En zoo de dienaars ook! Wie is de mensch,En wie de geest? wie kan hen onderkennen?Dromio van Syracuse.Ik, heer, ben Dromio, laat dezen gaan.Dromio van Ephesus.Ik, heer, ben Dromio, laat mij hier staan.Antipholus van Syracuse.Wie zijt gij, spreek! Ægeon of zijn geest?Dromio van Syracuse.Mijn oude meester! wie heeft u geboeid?Abdis.Wie hem ook boeide, ik maak zijn handen los,En win een echtgenoot door zijn bevrijding.Spreek, oude Ægeon, als gij ’t zijt, die eensEen vrouw, met name Æmilia, bezat,Die op één dag twee schoone zoons u schonk,Als gij dezelfde Ægeon zijt, zoo spreek,En spreek dan tot die zelfde Æmilia!Ægeon.Als ik niet droom, zijt gij Æmilia!En zijt gij dat, zoo meld mij van den zoon,Die met u dreef op dien onzaal’gen mast.Abdis.Door Epidamniërs werden hij en ik,En ook de tweeling Dromio gered;Doch weldra namen visschers van CorintheHun met geweld mijn zoon en Dromio af,Maar lieten mij aan die van Epidamnum.Wat later van hen werd, bleef me onbekend;En mij viel ’t lot ten deel, dat gij hier ziet.Hertog.’t Verhaal van dezen morgen gaat nu voort:Die twee Antipholussen, zoo gelijk,En die twee Dromio’s, ook van uitzicht één,—En dan wat zij daar van die schipbreuk meldde;—Ja, dit zijn de ouders van die beide kind’ren,Die hier het toeval samen heeft gebracht.Antipholus, gij kwaamt dus van Corinthe?Antipholus van Syracuse.Niet ik, heer, neen; ik kwam van Syracuse.Hertog.Treed dan ter zijde; ik weet niet, wien ik zie.364Antipholus van Ephesus.Ja, ik, doorluchte vorst, kwam van Corinthe.Dromio van Ephesus.En ik met hem.Antipholus van Ephesus.Hierheen gebracht door hertog Menaphron,Den hoogberoemden krijgsheld, uwen oom.Adriana.Wie van u beiden at vandaag bij mij?Antipholus van Syracuse.Ik, eed’le vrouw.Adriana.En gij zijt niet mijn man?Antipholus van Ephesus.Neen, neen, zeg ik daarop.Antipholus van Syracuse.Dat zeg ik ook; toch noemde zij mij zoo;En deze schoone jonkvrouw, hare zuster,Sprak steeds van zwager.—(TotLuciana.)Wat ik toen u zeide,Dit worde, wensch ik vurig, dra vervuld,Zoo niet al wat ik zie en hoor, een droom is.Angelo.Dat is de keten, heer, die ik u gaf.Antipholus van Syracuse.Ik meen het ook, heer; ik ontken het niet.Antipholus van Ephesus.En mij, heer, deedt gij voor die keten gijz’len.Angelo.Ik meen het ook, heer; ik ontken het niet.Adriana.Ik zond u, heer, voor uwen borgtocht geld,Door Dromio; maar ’t schijnt, hij bracht het niet.Dromio van Ephesus.Neen, niet door mij.Antipholus van Syracuse.De buidel met dukaten kwam tot mij;En Dromio, mijn dienaar, bracht mij dien.Zoo trof staâg de een den dienaar van den ander;Ik werd voor hem gehouden, hij voor mij,En zoo ontstonden die vergissingen.Antipholus van Ephesus.Dat goud zij nu de losprijs van mijn vader.Hertog.Behoud het vrij; ik schonk hem ’t leven reeds.Courtisane.Heer, geef mijn diamant mij nu terug.Antipholus van Ephesus.Hier is hij, met mijn’ dank voor ’t goed onthaal.Abdis.Doorluchte hertog, sta de gunst mij toeVan met ons in de abdij te gaan, en hoorUitvoerig, wat ons ieder is weervaren;En allen, die hier nu verzameld zijt,En meegeleden hebt door al de dwalingVan éénen dag, treedt binnen; allen zullenTen volle, zoo ik hoop, bevredigd zijn.—399Sinds vijf en twintig jaar, mijn zonen, was ikIn arbeid over u en eerst dit uurWerd ik van mijnen zwaren last bevrijd.—Mijn vorst, mijn echtgenoot en tweetal zoons,En gij, kalenders van hun levenstijd,Gaat op ten doopfeest; weest met mij verblijd;Wat dag, na lange smart aan vreugd gewijd!Hertog.Ja! gaarne zal ik peter zijn op ’t feest.(De Hertog, de Abdis,Ægeon,de Courtisane, de Koopman,Angeloen het Gevolg af.)Dromio van Syracuse.Zal ik uw goed, heer, nu van boord gaan halen?Antipholus van Ephesus.Wat hebt gij, Dromio, van mij ingescheept?Dromio van Syracuse.Heer, wat van u in den Centaurus lag.Antipholus van Syracuse.Hij spreekt tot mij. Ik ben uw meester, Dromio;Ga thans maar mee; dat alles komt te recht.Omarm uw broeder, wees met hem verheugd.(Antipholusvan Syracuse,Antipholusvan Ephesus,AdrianaenLucianaaf.)Dromio van Syracuse.Dat dikke lief van u, ginds in uw huis,Die mij voor u tot keukenman wou maken,Zal nu mijn zuster wezen, niet mijn vrouw.Dromio van Ephesus.Mij dunkt, gij zijt mijn spiegel, niet mijn broeder;Ik zie aan u, ik ben een knap jongmensch.Komaan, naar binnen, om bij ’t feest te zijn.Dromio van Syracuse.Ga voor, man; gij zijt de oudste.Dromio van Ephesus.Dat is de vraag, hoe zullen wij ’t beslissen?Dromio van Syracuse.Wij zullen om ’t langste strootje trekken voor de eerstgeboorte; ga tot zoo lang voor.Dromio van Ephesus.Neen, dan zij ’t zoo:Wij sprongen samen de wereld in, als broeders, met elkander;Zoo gaan wij nu samen hand aan hand, en de een niet na den ander.(Beiden af.)
Voor een vrouwenklooster.
De Koopman enAngelokomen op.
Angelo.Het spijt mij, heer, dat ik uw reis vertraagde,Maar ’k zweer u, dat ik hem de keten gaf,Al is hij laag genoeg om dit te looch’nen.
Angelo.
Het spijt mij, heer, dat ik uw reis vertraagde,
Maar ’k zweer u, dat ik hem de keten gaf,
Al is hij laag genoeg om dit te looch’nen.
Koopman.Hoe staat de man hier in de stad bekend?
Koopman.
Hoe staat de man hier in de stad bekend?
Angelo.Hij heeft een besten naam, heer; zijn credietIs onbeperkt, hij algemeen bemind;Hij is van de allereersten van de stad,Ja, meer dan mijn vermogen geldt zijn woord.
Angelo.
Hij heeft een besten naam, heer; zijn crediet
Is onbeperkt, hij algemeen bemind;
Hij is van de allereersten van de stad,
Ja, meer dan mijn vermogen geldt zijn woord.
Koopman.Spreek zacht, want als ik wel zie, komt hij ginds.
Koopman.
Spreek zacht, want als ik wel zie, komt hij ginds.
(Antipholusvan Syracuse enDromiovan Syracuse komen op.)
Angelo.Hij is ’t; met de eigen keten om den hals,Die hij, bij hoog en laag, nooit had gezien!Verzel mij, waarde heer, ik spreek hem aan.—Signor Antipholus, ik sta verbaasd,13Dat gij in ongelegenheid mij brengt,En, waarlijk niet in ’t voordeel van uw naam,Door woord en eed de ontvangst geloochend hebtDer keten, die gij openlijk nu draagt.Gezwegen nog van de aanklacht, schande en gijz’ling,Deedt ge onrecht, schade aan deez’ mijn wakk’ren vriend,Die, had hem onze twist niet opgehouden,Nu onder zeil zou zijn, in volle zee.Ik leverde u die keten; kunt gij ’t looch’nen?
Angelo.
Hij is ’t; met de eigen keten om den hals,
Die hij, bij hoog en laag, nooit had gezien!
Verzel mij, waarde heer, ik spreek hem aan.—
Signor Antipholus, ik sta verbaasd,13
Dat gij in ongelegenheid mij brengt,
En, waarlijk niet in ’t voordeel van uw naam,
Door woord en eed de ontvangst geloochend hebt
Der keten, die gij openlijk nu draagt.
Gezwegen nog van de aanklacht, schande en gijz’ling,
Deedt ge onrecht, schade aan deez’ mijn wakk’ren vriend,
Die, had hem onze twist niet opgehouden,
Nu onder zeil zou zijn, in volle zee.
Ik leverde u die keten; kunt gij ’t looch’nen?
Antipholus van Syracuse.Gij deedt het, zeker; ik ontkende ’t nooit.
Antipholus van Syracuse.
Gij deedt het, zeker; ik ontkende ’t nooit.
Koopman.Dit deedt gij wel, heer; ja, gij zwoert er op.
Koopman.
Dit deedt gij wel, heer; ja, gij zwoert er op.
Antipholus van Syracuse.Wie hoorde die verlooch’ning; wie dien eed?
Antipholus van Syracuse.
Wie hoorde die verlooch’ning; wie dien eed?
Koopman.Gij weet wel, dat mijn eigen ooren ’t hoorden.Ellend’ling foei! ’t is zonde, dat gij leeft,En nog verkeert waar brave lieden zijn.
Koopman.
Gij weet wel, dat mijn eigen ooren ’t hoorden.
Ellend’ling foei! ’t is zonde, dat gij leeft,
En nog verkeert waar brave lieden zijn.
Antipholus van Syracuse.Een lage schurk zijt gij, die zoo mij hoont.Durft gij mij staan, dan zal ik tot uw strafMijn eer en eerlijkheid terstond u staven.
Antipholus van Syracuse.
Een lage schurk zijt gij, die zoo mij hoont.
Durft gij mij staan, dan zal ik tot uw straf
Mijn eer en eerlijkheid terstond u staven.
Koopman.Ik durf, en staaf, dat gij de schurk hier zijt.
Koopman.
Ik durf, en staaf, dat gij de schurk hier zijt.
(Zij trekken de degens.)
(Adriana,Luciana,de Courtisane en Anderen komen op.)
Adriana.Houd op, doe hem geen leed; hij is waanzinnig.—33Dringt tot hem door, ontwapent hem; en bindtOok Dromio, en voert hen naar mijn huis.
Adriana.
Houd op, doe hem geen leed; hij is waanzinnig.—33
Dringt tot hem door, ontwapent hem; en bindt
Ook Dromio, en voert hen naar mijn huis.
Dromio van Syracuse.Loop, meester, loop; ga, red u in een huis,In ’t klooster hier; vlucht, of wij zijn verloren!
Dromio van Syracuse.
Loop, meester, loop; ga, red u in een huis,
In ’t klooster hier; vlucht, of wij zijn verloren!
(AntipholusenDromiovan Syracuse vluchten in het klooster.)
(De Abdis komt op.)
Abdis.Stil, menschen! Wat is ’t doel van dezen oploop?
Abdis.
Stil, menschen! Wat is ’t doel van dezen oploop?
Adriana.Mijn van ’t verstand beroofden man te halen.Ach, laat ons in, opdat wij hem weer bindenEn ter verpleging voeren naar zijn huis.
Adriana.
Mijn van ’t verstand beroofden man te halen.
Ach, laat ons in, opdat wij hem weer binden
En ter verpleging voeren naar zijn huis.
Angelo.Ik wist wel, dat hij in de war moest zijn.
Angelo.
Ik wist wel, dat hij in de war moest zijn.
Koopman.Nu is ’t mij leed, dat ik den degen trok.
Koopman.
Nu is ’t mij leed, dat ik den degen trok.
Abdis.Hoe lang is ’t, dat uw man waanzinnig werd?
Abdis.
Hoe lang is ’t, dat uw man waanzinnig werd?
Adriana.Hij was, de gansche week, zwaarmoedig, stil,Ontstemd, een ander man dan ooit te voren,Doch niet dan dezen middag heeft zijn stemmingZich in een vlaag van razernij geuit.
Adriana.
Hij was, de gansche week, zwaarmoedig, stil,
Ontstemd, een ander man dan ooit te voren,
Doch niet dan dezen middag heeft zijn stemming
Zich in een vlaag van razernij geuit.
Abdis.Is hem een kostlijk schip op zee vergaan?Een dierb’re vriend gestorven? Heeft zijn oogMisschien zijn hart verleid tot laakb’re min?Die zonde is vaak een zwak van jonge mannen,Die al te vrij hun oogen zwerven doen.Wat van dit alles was het, dat hem trof?
Abdis.
Is hem een kostlijk schip op zee vergaan?
Een dierb’re vriend gestorven? Heeft zijn oog
Misschien zijn hart verleid tot laakb’re min?
Die zonde is vaak een zwak van jonge mannen,
Die al te vrij hun oogen zwerven doen.
Wat van dit alles was het, dat hem trof?
Adriana.Niets van dit alles, of misschien het laatste:Een liefje, dat hem aftrok van zijn huis.
Adriana.
Niets van dit alles, of misschien het laatste:
Een liefje, dat hem aftrok van zijn huis.
Abdis.Hadt dan daarover ernstig hem berispt!
Abdis.
Hadt dan daarover ernstig hem berispt!
Adriana.Dit deed ik wel.
Adriana.
Dit deed ik wel.
Abdis.Dit deed ik wel.Misschien niet streng genoeg.
Abdis.
Dit deed ik wel.Misschien niet streng genoeg.
Adriana.Zoo streng als mij de zedigheid maar toeliet.
Adriana.
Zoo streng als mij de zedigheid maar toeliet.
Abdis.Als gij alleen waart?
Abdis.
Als gij alleen waart?
Adriana.Als gij alleen waart?Ook wel in gezelschap.
Adriana.
Als gij alleen waart?Ook wel in gezelschap.
Abdis.Maar moog’lijk niet genoeg.
Abdis.
Maar moog’lijk niet genoeg.
Adriana.O, wel genoeg; nooit sprak ik van iets anders;In bed, geen slaap ooit, want ik wees er op;Alleen met hem, was dit mijn onderwerp;En waren we onder menschen, ’k doelde er op;“’t Was laag en slecht”, ziedaar mijn gansch gesprek.
Adriana.
O, wel genoeg; nooit sprak ik van iets anders;
In bed, geen slaap ooit, want ik wees er op;
Alleen met hem, was dit mijn onderwerp;
En waren we onder menschen, ’k doelde er op;
“’t Was laag en slecht”, ziedaar mijn gansch gesprek.
Abdis.En daardoor werd de man ten laatste gek;’t Venijnig razen van jaloersche vrouwenDoodt wisser dan de beet eens dollen honds;Door uw gekijf werd hij belet te slapen,En daardoor werd hij eindlijk zwak in ’t hoofd;Met uw verwijten werd zijn maal gesausd;Onrustig eten stoort de spijsvertering;74Zoo werd het woedend vuur der koorts gewekt;En wat is koorts, zoo niet een vlaag van waanzin?Gij zegt, uw kijven stoorde zijn vermaken;Maar roof eens ied’re vroolijkheid,—wat volgt?Wat, dan droefgeestigheid, dof, zwart, de zusterVan radelooze, onstuimige vertwijf’lingMet haren langen stoet, verderf verspreidend,Van bleeke kwalen, vijanden van ’t leven?Wie in zijn maal, vermaak en slaap aldoorGestoord wordt, mensch of dier, bezwijkt er voor,Wordt suf of dol. Dus: voor uw ijverzuchtNam wis uws mans verstand in ’t eind de vlucht.
Abdis.
En daardoor werd de man ten laatste gek;
’t Venijnig razen van jaloersche vrouwen
Doodt wisser dan de beet eens dollen honds;
Door uw gekijf werd hij belet te slapen,
En daardoor werd hij eindlijk zwak in ’t hoofd;
Met uw verwijten werd zijn maal gesausd;
Onrustig eten stoort de spijsvertering;74
Zoo werd het woedend vuur der koorts gewekt;
En wat is koorts, zoo niet een vlaag van waanzin?
Gij zegt, uw kijven stoorde zijn vermaken;
Maar roof eens ied’re vroolijkheid,—wat volgt?
Wat, dan droefgeestigheid, dof, zwart, de zuster
Van radelooze, onstuimige vertwijf’ling
Met haren langen stoet, verderf verspreidend,
Van bleeke kwalen, vijanden van ’t leven?
Wie in zijn maal, vermaak en slaap aldoor
Gestoord wordt, mensch of dier, bezwijkt er voor,
Wordt suf of dol. Dus: voor uw ijverzucht
Nam wis uws mans verstand in ’t eind de vlucht.
Luciana.Wat ze ooit verweet, zij deed het zacht, ja schuw;Al was ook zijn gedrag wild, woest en ruw.—Wat hoort gij haar verwijten, en zegt niets?
Luciana.
Wat ze ooit verweet, zij deed het zacht, ja schuw;
Al was ook zijn gedrag wild, woest en ruw.—
Wat hoort gij haar verwijten, en zegt niets?
Adriana.Zij heeft mij bitter zelfverwijt gewekt.—Naar binnen, vrienden! haalt mijn man nu hier!
Adriana.
Zij heeft mij bitter zelfverwijt gewekt.—
Naar binnen, vrienden! haalt mijn man nu hier!
Abdis.Neen, neen; geen schepsel treedt mijn woning binnen.
Abdis.
Neen, neen; geen schepsel treedt mijn woning binnen.
Adriana.Geeft dan uw dienaars last mijn man te brengen.
Adriana.
Geeft dan uw dienaars last mijn man te brengen.
Abdis.Ook dit niet; in een vrijplaats borg hij zich;En die zal hem beschermen voor uw hand,Tot ik hem zijn verstand hergeven heb,Of al mijn moeite en zorgen ijdel blijken.
Abdis.
Ook dit niet; in een vrijplaats borg hij zich;
En die zal hem beschermen voor uw hand,
Tot ik hem zijn verstand hergeven heb,
Of al mijn moeite en zorgen ijdel blijken.
Adriana.Neen, ik ben pleegster van mijn man; ik wilZijn krankheid heelen, dit is mijne taak;En hierbij trede niemand in mijn plaats;Sta dus hem af, dat ik hem met mij neem’.
Adriana.
Neen, ik ben pleegster van mijn man; ik wil
Zijn krankheid heelen, dit is mijne taak;
En hierbij trede niemand in mijn plaats;
Sta dus hem af, dat ik hem met mij neem’.
Abdis.Bedaar; hij zal niet gaan, eer ik mijn schatVan welgestaafde midd’len heb beproefd,Mijn kruiden, dranken, heilige gebeden,Om hem een man als vroeger te doen zijn.Dit is van de gelofte, die ik deed,Een deel, een heil’ge liefdeplicht der orde;Daarom, ga heen en laat hem hier bij mij.
Abdis.
Bedaar; hij zal niet gaan, eer ik mijn schat
Van welgestaafde midd’len heb beproefd,
Mijn kruiden, dranken, heilige gebeden,
Om hem een man als vroeger te doen zijn.
Dit is van de gelofte, die ik deed,
Een deel, een heil’ge liefdeplicht der orde;
Daarom, ga heen en laat hem hier bij mij.
Adriana.Ik gaan, met achterlating van mijn man?Voorwaar, het is geen heilig doen, als gijDe vrouw wilt scheiden van haar echtgenoot.
Adriana.
Ik gaan, met achterlating van mijn man?
Voorwaar, het is geen heilig doen, als gij
De vrouw wilt scheiden van haar echtgenoot.
Abdis.Bedaar, ga heen; ik lever hem niet uit.
Abdis.
Bedaar, ga heen; ik lever hem niet uit.
(Abdis af.)
Luciana.Klaag over deze krenking bij den hertog.
Luciana.
Klaag over deze krenking bij den hertog.
Adriana.Kom mede, ik wil een voetval voor hem doen,En rijs niet, eer mijn tranen en gebedenVan hem verwerven, dat hij herwaarts koom’,En aan de abdis mijn man door kracht ontrukk’.
Adriana.
Kom mede, ik wil een voetval voor hem doen,
En rijs niet, eer mijn tranen en gebeden
Van hem verwerven, dat hij herwaarts koom’,
En aan de abdis mijn man door kracht ontrukk’.
Koopman.De zonnewijzer, meen ik, wijst op vijf;Zoo daad’lijk komt de hertog zelf hier langsOp zijnen weg naar ’t somber dal des doods,De plaatse, waar het halsrecht wordt gehouden;Zij ligt aan de overzij der kloostergracht.
Koopman.
De zonnewijzer, meen ik, wijst op vijf;
Zoo daad’lijk komt de hertog zelf hier langs
Op zijnen weg naar ’t somber dal des doods,
De plaatse, waar het halsrecht wordt gehouden;
Zij ligt aan de overzij der kloostergracht.
Angelo.Wat roept hem daar?123
Angelo.
Wat roept hem daar?123
Koopman.Een achtbaar man, een Syracusisch koopman,Kwam tot zijn ongeluk alhier aan wal,—Wat tegen onze wetten strijdt,—en wordtOm dit vergrijp in ’t openbaar onthoofd.
Koopman.
Een achtbaar man, een Syracusisch koopman,
Kwam tot zijn ongeluk alhier aan wal,—
Wat tegen onze wetten strijdt,—en wordt
Om dit vergrijp in ’t openbaar onthoofd.
Angelo.Daar zijn zij; wonen wij de onthoofding bij.
Angelo.
Daar zijn zij; wonen wij de onthoofding bij.
Luciana.Kniel voor den hertog, eer hij verder gaat.
Luciana.
Kniel voor den hertog, eer hij verder gaat.
(De Hertog met zijn Gevolg,Ægeon,blootshoofds, vergezeld van den Beul en andere Gerechtsdienaars, komen op.)
Hertog.Nog eenmaal zij het openlijk verkondigd;Wanneer een vriend de som voor hem betaalt,Dan sterft hij niet; dit sta ik hem nog toe.
Hertog.
Nog eenmaal zij het openlijk verkondigd;
Wanneer een vriend de som voor hem betaalt,
Dan sterft hij niet; dit sta ik hem nog toe.
Adriana.O vorst! mijn recht! bescherm mij voor de abdis!
Adriana.
O vorst! mijn recht! bescherm mij voor de abdis!
Hertog.De deugdzame en zoo hoog-eerwaarde vrouw!Onmoog’lijk is ’t, dat zij u onrecht deed.
Hertog.
De deugdzame en zoo hoog-eerwaarde vrouw!
Onmoog’lijk is ’t, dat zij u onrecht deed.
Adriana.Vergun mij, edel vorst: Antipholus,Mijn man, dien ik, op aandrang van uw hoogheid,Tot heer van mij en ’t mijne maakte, werdDeez’ boozen dag van razernij bevangen,Zoodat hij, met zijn even dollen dienaar,Als een bezeet’ne door de straten liep,En tot ontstelt’nis van de burgers, binnenHun huizen drong, juweelen roofde, ringen,Ja alles, waar zijn razend oog op viel.Ik liet hem binden, voeren in ons huis,En ging toen uit om weder goed te maken,Wat hier of daar zijn woede had misdaan.Maar,—’k weet niet, hoe zijn dolheid er in slaagde,—Dra was hij los, ontsnapt aan zijn bewakers,Ontmoet ons weer, zijn dolle slaaf en hij;En beide’, ontvlamd in woede, ’t zwaard ontbloot,Zij dringen op ons aan, en wij, wij vluchten,Maar keeren dra, door hulp versterkt, terug,Om hen op nieuw te binden. Zij ontvluchten,Door ons vervolgd, in deze abdij; en hierSluit nu de abdis de poort voor ons en weigertAan ons verlof, dat wij hem komen halen,En weigert ook, hem aan ons uit te leev’ren.Gelast dus, eed’le hertog, dat hij onsGebracht word’ ter verpleging in zijn huis.160
Adriana.
Vergun mij, edel vorst: Antipholus,
Mijn man, dien ik, op aandrang van uw hoogheid,
Tot heer van mij en ’t mijne maakte, werd
Deez’ boozen dag van razernij bevangen,
Zoodat hij, met zijn even dollen dienaar,
Als een bezeet’ne door de straten liep,
En tot ontstelt’nis van de burgers, binnen
Hun huizen drong, juweelen roofde, ringen,
Ja alles, waar zijn razend oog op viel.
Ik liet hem binden, voeren in ons huis,
En ging toen uit om weder goed te maken,
Wat hier of daar zijn woede had misdaan.
Maar,—’k weet niet, hoe zijn dolheid er in slaagde,—
Dra was hij los, ontsnapt aan zijn bewakers,
Ontmoet ons weer, zijn dolle slaaf en hij;
En beide’, ontvlamd in woede, ’t zwaard ontbloot,
Zij dringen op ons aan, en wij, wij vluchten,
Maar keeren dra, door hulp versterkt, terug,
Om hen op nieuw te binden. Zij ontvluchten,
Door ons vervolgd, in deze abdij; en hier
Sluit nu de abdis de poort voor ons en weigert
Aan ons verlof, dat wij hem komen halen,
En weigert ook, hem aan ons uit te leev’ren.
Gelast dus, eed’le hertog, dat hij ons
Gebracht word’ ter verpleging in zijn huis.160
Hertog.Uw man heeft mij in de’ oorlog goed gediend,En ik heb u mijn vorstlijk woord verpand,Toen gij als heer en meester hem aanvaarddet,Door daden steeds hem alle gunst te toonen.Kloppe een van u dus aan de kloosterpoort;Ik wensch de abdis te hooren, want ik wilDe zaak beslechten, eer ik verder ga.
Hertog.
Uw man heeft mij in de’ oorlog goed gediend,
En ik heb u mijn vorstlijk woord verpand,
Toen gij als heer en meester hem aanvaarddet,
Door daden steeds hem alle gunst te toonen.
Kloppe een van u dus aan de kloosterpoort;
Ik wensch de abdis te hooren, want ik wil
De zaak beslechten, eer ik verder ga.
(Een Dienaar komt op.)
Dienaar.Meest’res, meest’res, o snel! en red u, snel!Want heer en dienaar zijn weer los, de meidenGeranseld en de dokter vastgebonden;Dien zengden zij met brandend hout den baard;En als die vlamde, goten zij met kuipenEr stinkende aalt op om het haar te blusschen.Mijn meester preekt geduld hem voor, terwijlDe knecht het hoofd hem kaal-knipt als een nar;Als gij niet oogenblikk’lijk bijstand zendt,Dan dooden zij den duivelbanner nog.
Dienaar.
Meest’res, meest’res, o snel! en red u, snel!
Want heer en dienaar zijn weer los, de meiden
Geranseld en de dokter vastgebonden;
Dien zengden zij met brandend hout den baard;
En als die vlamde, goten zij met kuipen
Er stinkende aalt op om het haar te blusschen.
Mijn meester preekt geduld hem voor, terwijl
De knecht het hoofd hem kaal-knipt als een nar;
Als gij niet oogenblikk’lijk bijstand zendt,
Dan dooden zij den duivelbanner nog.
Adriana.Stil, dwaas! uw meester en zijn knecht zijn hier;Onwaar is alles, wat gij daar bericht.
Adriana.
Stil, dwaas! uw meester en zijn knecht zijn hier;
Onwaar is alles, wat gij daar bericht.
Dienaar.Neen, neen, meest’res, ik zweer u, het is waar;Ik haalde nauwlijks adem, sinds ik ’t zag.Hij schreeuwt om u, en zweert, dat, heeft hij u,Hij u ’t gelaat verzengt, ontoonbaar maakt.
Dienaar.
Neen, neen, meest’res, ik zweer u, het is waar;
Ik haalde nauwlijks adem, sinds ik ’t zag.
Hij schreeuwt om u, en zweert, dat, heeft hij u,
Hij u ’t gelaat verzengt, ontoonbaar maakt.
(Geschreeuw achter het tooneel.)
Hoor, hoor! daar is hij reeds, ik bid u, vlucht.
Hoor, hoor! daar is hij reeds, ik bid u, vlucht.
Hertog.Kom bij mij hier; ducht niets; de wacht treê voor.
Hertog.
Kom bij mij hier; ducht niets; de wacht treê voor.
Adriana.Wee mij, het is mijn man! Getuig nu zelf,Dat een onzichtb’re toovermacht hem drijft!Zoo even was hij in de abdij verborgen,Nu is hij weder hier, geen mensch weet hoe.
Adriana.
Wee mij, het is mijn man! Getuig nu zelf,
Dat een onzichtb’re toovermacht hem drijft!
Zoo even was hij in de abdij verborgen,
Nu is hij weder hier, geen mensch weet hoe.
(Antipholusvan Ephesus enDromiovan Ephesus komen op.)
Antipholus van Ephesus.Doe recht, genadig vorst, verschaf mij recht,Ter wille van mijn diensten in den krijg,Toen ik u dekte met mijn lijf als schild,Gewond werd tot uw redding; ’k vraag bij ’t bloed,Dat ik voor u toen stortte, schaf mij recht.
Antipholus van Ephesus.
Doe recht, genadig vorst, verschaf mij recht,
Ter wille van mijn diensten in den krijg,
Toen ik u dekte met mijn lijf als schild,
Gewond werd tot uw redding; ’k vraag bij ’t bloed,
Dat ik voor u toen stortte, schaf mij recht.
Ægeon.Als mij de doodsangst niet benevelt, zie ikMijn zoon Antipholus en Dromio daar.
Ægeon.
Als mij de doodsangst niet benevelt, zie ik
Mijn zoon Antipholus en Dromio daar.
Antipholus van Ephesus.Verschaf mij recht, heer, tegen deze vrouw!Zij, die gij mij als echtgenoot eens schonkt,Heeft mij belaagd, beleedigd en onteerd,Heeft mij gekrenkt, ja boven alle maat.O, ongelooflijk is de smaad, dien zijMij schaamt’loos dezen dag heeft aangedaan.
Antipholus van Ephesus.
Verschaf mij recht, heer, tegen deze vrouw!
Zij, die gij mij als echtgenoot eens schonkt,
Heeft mij belaagd, beleedigd en onteerd,
Heeft mij gekrenkt, ja boven alle maat.
O, ongelooflijk is de smaad, dien zij
Mij schaamt’loos dezen dag heeft aangedaan.
Hertog.Zeg hoe, en u zal alle recht geworden.
Hertog.
Zeg hoe, en u zal alle recht geworden.
Antipholus van Ephesus.Zij sloot, doorluchte vorst, het huis voor mij,Terwijl zij binnen met schavuiten braste.205
Antipholus van Ephesus.
Zij sloot, doorluchte vorst, het huis voor mij,
Terwijl zij binnen met schavuiten braste.205
Hertog.Een zwaar vergrijp! Zeg, vrouwe, deedt ge aldus?
Hertog.
Een zwaar vergrijp! Zeg, vrouwe, deedt ge aldus?
Adriana.Neen, eed’le vorst; hijzelf, ik en mijn zuster,Wij aten samen thuis. God straff’ mijn ziel,Als hij mij daar niet gruwlijk valsch beticht.
Adriana.
Neen, eed’le vorst; hijzelf, ik en mijn zuster,
Wij aten samen thuis. God straff’ mijn ziel,
Als hij mij daar niet gruwlijk valsch beticht.
Luciana.’k Wil nooit den dag meer zien, des nachts nooit slapen,Als zij uw hoogheid niet de waarheid meldt.
Luciana.
’k Wil nooit den dag meer zien, des nachts nooit slapen,
Als zij uw hoogheid niet de waarheid meldt.
Angelo.O, valsche vrouwen! Beiden zweren valsch;Op dit punt heeft de dolleman gelijk.
Angelo.
O, valsche vrouwen! Beiden zweren valsch;
Op dit punt heeft de dolleman gelijk.
Antipholus van Ephesus.Mijn vorst en heer! ik weet wel wat ik zeg;’k Ben niet door wijn beneveld, ben niet dol,Niet blind door woede, schoon, wat mij weêrvoer,Genoeg ware, om een wijs man gek te maken.Die vrouw sloot mij de deur bij ’t middagmaal,En is de goudsmid hier niet in ’t komplot,Hij kan ’t getuigen, want hij was er bij.Van daar ging hij voor mij een keten halen,Die hij me in de’ Egel brengen zou, want daarHeb ik met Balthazar gemiddagmaald.Toen hij na ’t maal nog niet gekomen was,Ging ik hem zoeken, kwam op straat hem tegen,En deze heer was bij hem. Maar daar zwoerDie valsche goudsmid mij een duren eed,Dat hij de keten mij gegeven had,Die ik, bij God, nooit had gezien, en lietMij daad’lijk voor ’t bedrag in hecht’nis nemen.Ik heb mij niet verzet, maar zond mijn lummelNaar huis om geld; hij keerde zonder geld.Toen heb ik mijn bewaker overreed,Dat hij mij naar mijn huis zou vergezellen.Op weg daarheen ontmoetten wijMijn vrouw, haar zuster en een gansche bentVan lage saamgezwoor’nen, onder henEen zeek’ren Knijp, een schralen maag’ren deugniet,Een wandelend geraamte, een marktbedrieger,Een kalen kunstenmaker en voorspeller,Holoogig, scherp van trekken en in lompen,Een levend lijk. Dat aak’lig monster gafZich, waarlijk! uit voor duivelbanner, kijkt mijIn de oogen, voelt mijn pols, en keertBrutaal zijn niet-gezicht naar mijn gezicht,En roept: “Hij is bezeten!” Toen werpt allesZich op mij, bindt mij, sleept mij weg naar huis,En brengt mij daar, te zaam met Dromio,Gebonden, in een kil en donker hok.247Mijn banden reet ik met mijn tanden stuk,Herwon mijn vrijheid en liep onverwijldHier tot uw hoogheid, wien ik dringend smeek,Genadig mij voldoening te verschaffenVoor een behand’ling, zoo vol schande en smaad.
Antipholus van Ephesus.
Mijn vorst en heer! ik weet wel wat ik zeg;
’k Ben niet door wijn beneveld, ben niet dol,
Niet blind door woede, schoon, wat mij weêrvoer,
Genoeg ware, om een wijs man gek te maken.
Die vrouw sloot mij de deur bij ’t middagmaal,
En is de goudsmid hier niet in ’t komplot,
Hij kan ’t getuigen, want hij was er bij.
Van daar ging hij voor mij een keten halen,
Die hij me in de’ Egel brengen zou, want daar
Heb ik met Balthazar gemiddagmaald.
Toen hij na ’t maal nog niet gekomen was,
Ging ik hem zoeken, kwam op straat hem tegen,
En deze heer was bij hem. Maar daar zwoer
Die valsche goudsmid mij een duren eed,
Dat hij de keten mij gegeven had,
Die ik, bij God, nooit had gezien, en liet
Mij daad’lijk voor ’t bedrag in hecht’nis nemen.
Ik heb mij niet verzet, maar zond mijn lummel
Naar huis om geld; hij keerde zonder geld.
Toen heb ik mijn bewaker overreed,
Dat hij mij naar mijn huis zou vergezellen.
Op weg daarheen ontmoetten wij
Mijn vrouw, haar zuster en een gansche bent
Van lage saamgezwoor’nen, onder hen
Een zeek’ren Knijp, een schralen maag’ren deugniet,
Een wandelend geraamte, een marktbedrieger,
Een kalen kunstenmaker en voorspeller,
Holoogig, scherp van trekken en in lompen,
Een levend lijk. Dat aak’lig monster gaf
Zich, waarlijk! uit voor duivelbanner, kijkt mij
In de oogen, voelt mijn pols, en keert
Brutaal zijn niet-gezicht naar mijn gezicht,
En roept: “Hij is bezeten!” Toen werpt alles
Zich op mij, bindt mij, sleept mij weg naar huis,
En brengt mij daar, te zaam met Dromio,
Gebonden, in een kil en donker hok.247
Mijn banden reet ik met mijn tanden stuk,
Herwon mijn vrijheid en liep onverwijld
Hier tot uw hoogheid, wien ik dringend smeek,
Genadig mij voldoening te verschaffen
Voor een behand’ling, zoo vol schande en smaad.
Angelo.Mijn vorst, in waarheid, dit getuig ik meê;Hij spijsde niet te huis, men sloot hem buiten.
Angelo.
Mijn vorst, in waarheid, dit getuig ik meê;
Hij spijsde niet te huis, men sloot hem buiten.
Hertog.Maar gaaft gij hem de keten, ja of neen?
Hertog.
Maar gaaft gij hem de keten, ja of neen?
Angelo.Gewis, heer, en toen hij naar binnen vlood,Zag ieder hier de keten om zijn hals.
Angelo.
Gewis, heer, en toen hij naar binnen vlood,
Zag ieder hier de keten om zijn hals.
Koopman.En ik kan ook bezweren, dat mijn oorenDe erkent’nis hoorden van de ontvangst, en toch,Gij hadt die vroeger op de markt geloochend.En daarop trok ik tegen u het zwaard,En zijt gij hier het klooster ingevlucht,Van waar ge, als door een wonder, hier weer staat.
Koopman.
En ik kan ook bezweren, dat mijn ooren
De erkent’nis hoorden van de ontvangst, en toch,
Gij hadt die vroeger op de markt geloochend.
En daarop trok ik tegen u het zwaard,
En zijt gij hier het klooster ingevlucht,
Van waar ge, als door een wonder, hier weer staat.
Antipholus van Ephesus.Ik zette nooit een voet in deze abdij;Nooit trokt gij tegen mij het zwaard, en ’k hebDe keten nooit gezien. God sta mij bij!Waar gij mij meê bezwaart, ’t is alles logen.
Antipholus van Ephesus.
Ik zette nooit een voet in deze abdij;
Nooit trokt gij tegen mij het zwaard, en ’k heb
De keten nooit gezien. God sta mij bij!
Waar gij mij meê bezwaart, ’t is alles logen.
Hertog.Dit is een zaak vol wondervreemde raadsels!Het schijnt, gij allen dronkt uit Circe’s nap.Waar’ hij hier ingevlucht, hij zou er zijn;En waar’ hij dol, hij pleitte niet zoo kalm.Gij zegt, hij at bij u; de goudsmid hierOntkent dit stellig.—Knaap, en wat zegt gij?
Hertog.
Dit is een zaak vol wondervreemde raadsels!
Het schijnt, gij allen dronkt uit Circe’s nap.
Waar’ hij hier ingevlucht, hij zou er zijn;
En waar’ hij dol, hij pleitte niet zoo kalm.
Gij zegt, hij at bij u; de goudsmid hier
Ontkent dit stellig.—Knaap, en wat zegt gij?
Dromio van Ephesus.Mijn vorst, hij at bij die daar ginds, in de’ Egel.
Dromio van Ephesus.
Mijn vorst, hij at bij die daar ginds, in de’ Egel.
Courtisane.Zoo is ’t, en trok dien ring mij van den vinger.
Courtisane.
Zoo is ’t, en trok dien ring mij van den vinger.
Antipholus van Ephesus.’t Is waar, mijn vorst, dien ring heb ik van haar.
Antipholus van Ephesus.
’t Is waar, mijn vorst, dien ring heb ik van haar.
Hertog.En zaagt gij hem de abdij hier binnengaan?
Hertog.
En zaagt gij hem de abdij hier binnengaan?
Courtisane.Zoo zeker, heer, als ik uw hoogheid zie.
Courtisane.
Zoo zeker, heer, als ik uw hoogheid zie.
Hertog.’t Is wondervreemd;—ga, roep de abdis nu hier;Gij speelt een spel, of uw verstand loopt spelen.
Hertog.
’t Is wondervreemd;—ga, roep de abdis nu hier;
Gij speelt een spel, of uw verstand loopt spelen.
(Een van het Gevolg af.)
Ægeon.Grootmoedig vorst, vergun me een enkel woord;Waarschijnlijk is een vriend daar, die mij redden,De som, die mij bevrijdt, betalen zal.
Ægeon.
Grootmoedig vorst, vergun me een enkel woord;
Waarschijnlijk is een vriend daar, die mij redden,
De som, die mij bevrijdt, betalen zal.
Hertog.Spreek, Syracuser, wat gij wilt; spreek vrij.
Hertog.
Spreek, Syracuser, wat gij wilt; spreek vrij.
Ægeon.Uw naam, heer, is Antipholus, niet waar?En die man is uw dienaar Dromio?287
Ægeon.
Uw naam, heer, is Antipholus, niet waar?
En die man is uw dienaar Dromio?287
Dromio van Ephesus.Tot voor een uur was ik zijn dienaar, heer;Maar thans heeft hij mijn banden doorgeknaagd,Dus ben ik, Dromio, thans door hem gediend.
Dromio van Ephesus.
Tot voor een uur was ik zijn dienaar, heer;
Maar thans heeft hij mijn banden doorgeknaagd,
Dus ben ik, Dromio, thans door hem gediend.
Ægeon.Gij beiden zult u mijner wis herinn’ren.
Ægeon.
Gij beiden zult u mijner wis herinn’ren.
Dromio van Ephesus.Neen, wij herinn’ren ons ons-zelf door u:Wij waren pas in banden zooals gij;Doch gij zijt geen patiënt van Knijp, niet waar?
Dromio van Ephesus.
Neen, wij herinn’ren ons ons-zelf door u:
Wij waren pas in banden zooals gij;
Doch gij zijt geen patiënt van Knijp, niet waar?
Ægeon.Wat ziet gij vreemd mij aan? gij kent mij wel.
Ægeon.
Wat ziet gij vreemd mij aan? gij kent mij wel.
Antipholus van Ephesus.Ik heb u nooit gezien, heer, vóór dit uur.
Antipholus van Ephesus.
Ik heb u nooit gezien, heer, vóór dit uur.
Ægeon.Sinds gij mij zaagt, heeft droef’nis mij veranderd;Door zorgvolle uren heeft de maag’re handDes Tijds mij vreemde trekken ingegrift:Maar zeg mij dan, mijn stem herkent gij toch?
Ægeon.
Sinds gij mij zaagt, heeft droef’nis mij veranderd;
Door zorgvolle uren heeft de maag’re hand
Des Tijds mij vreemde trekken ingegrift:
Maar zeg mij dan, mijn stem herkent gij toch?
Antipholus van Ephesus.Ook niet.
Antipholus van Ephesus.
Ook niet.
Ægeon.Ook niet.En Dromio, gij?
Ægeon.
Ook niet.En Dromio, gij?
Dromio van Ephesus.Ook niet. En Dromio, gij?Ik ook niet, heer.
Dromio van Ephesus.
Ook niet. En Dromio, gij?Ik ook niet, heer.
Ægeon.Gij kent die zeker.
Ægeon.
Gij kent die zeker.
Dromio van Ephesus.Nu, heer, even zeker ken ik ze niet; en wat ook iemand u moge ontkennen, gij zijt nu gebonden om hem te gelooven.
Dromio van Ephesus.
Nu, heer, even zeker ken ik ze niet; en wat ook iemand u moge ontkennen, gij zijt nu gebonden om hem te gelooven.
Ægeon.Mijn stem zelfs niet! O, wreede macht des Tijds!Hebt gij in zeven jaar mijn arme tongDoorboord, gesplitst, zoodat mijn een’ge zoonDen zwakken toon niet kent mijns schorren kommers?Zij mijn gerimpeld aangezicht bedektMet ’s winters doodsche vlokkensneeuw, en werdenDe buizen van mijn bloed verstijfd, toch heeftDe nacht mijns levens nog herinnering,Mijn kwijnend lampenpaar een schemerschijn,Mijn oor, schoon doof, nog iets gehoors; en dieGetuigen, die mij bleven, zeggen mij:Voorwaar, gij zijt mijn zoon Antipholus.
Ægeon.
Mijn stem zelfs niet! O, wreede macht des Tijds!
Hebt gij in zeven jaar mijn arme tong
Doorboord, gesplitst, zoodat mijn een’ge zoon
Den zwakken toon niet kent mijns schorren kommers?
Zij mijn gerimpeld aangezicht bedekt
Met ’s winters doodsche vlokkensneeuw, en werden
De buizen van mijn bloed verstijfd, toch heeft
De nacht mijns levens nog herinnering,
Mijn kwijnend lampenpaar een schemerschijn,
Mijn oor, schoon doof, nog iets gehoors; en die
Getuigen, die mij bleven, zeggen mij:
Voorwaar, gij zijt mijn zoon Antipholus.
Antipholus van Ephesus.Ik heb mijn vader nooit, neen, nooit gezien.
Antipholus van Ephesus.
Ik heb mijn vader nooit, neen, nooit gezien.
Ægeon.Wij scheiden voor pas zeven jaar, bedenk het,In Syracuse, knaap. Zeg, schaamt ge u, zoon,Nu ik ellendig ben, mij te herkennen?
Ægeon.
Wij scheiden voor pas zeven jaar, bedenk het,
In Syracuse, knaap. Zeg, schaamt ge u, zoon,
Nu ik ellendig ben, mij te herkennen?
Antipholus van Ephesus.De hertog, en een elk, die hier mij kent,Zijn mijn getuigen, dat het niet zoo is;Ik ben in Syracuse nooit geweest.325
Antipholus van Ephesus.
De hertog, en een elk, die hier mij kent,
Zijn mijn getuigen, dat het niet zoo is;
Ik ben in Syracuse nooit geweest.325
Hertog.Ik zeg u, Syracuser, twintig jaarWas ik beschermer van Antipholus,En zoo lang was hij nooit in Syracuse.Wis maken ouderdom en angst u kindsch.
Hertog.
Ik zeg u, Syracuser, twintig jaar
Was ik beschermer van Antipholus,
En zoo lang was hij nooit in Syracuse.
Wis maken ouderdom en angst u kindsch.
(De Abdis komt op, metAntipholusvan Syracuse enDromiovan Syracuse.)
Abdis.Zie, vorst, een man, die bitter onrecht leed.
Abdis.
Zie, vorst, een man, die bitter onrecht leed.
(Allen dringen om hen heen, om hen te zien.)
Adriana.Twee echtgenooten, of mijn oog bedriegt mij.
Adriana.
Twee echtgenooten, of mijn oog bedriegt mij.
Hertog.De een moet geleigeest van den ander zijn,En zoo de dienaars ook! Wie is de mensch,En wie de geest? wie kan hen onderkennen?
Hertog.
De een moet geleigeest van den ander zijn,
En zoo de dienaars ook! Wie is de mensch,
En wie de geest? wie kan hen onderkennen?
Dromio van Syracuse.Ik, heer, ben Dromio, laat dezen gaan.
Dromio van Syracuse.
Ik, heer, ben Dromio, laat dezen gaan.
Dromio van Ephesus.Ik, heer, ben Dromio, laat mij hier staan.
Dromio van Ephesus.
Ik, heer, ben Dromio, laat mij hier staan.
Antipholus van Syracuse.Wie zijt gij, spreek! Ægeon of zijn geest?
Antipholus van Syracuse.
Wie zijt gij, spreek! Ægeon of zijn geest?
Dromio van Syracuse.Mijn oude meester! wie heeft u geboeid?
Dromio van Syracuse.
Mijn oude meester! wie heeft u geboeid?
Abdis.Wie hem ook boeide, ik maak zijn handen los,En win een echtgenoot door zijn bevrijding.Spreek, oude Ægeon, als gij ’t zijt, die eensEen vrouw, met name Æmilia, bezat,Die op één dag twee schoone zoons u schonk,Als gij dezelfde Ægeon zijt, zoo spreek,En spreek dan tot die zelfde Æmilia!
Abdis.
Wie hem ook boeide, ik maak zijn handen los,
En win een echtgenoot door zijn bevrijding.
Spreek, oude Ægeon, als gij ’t zijt, die eens
Een vrouw, met name Æmilia, bezat,
Die op één dag twee schoone zoons u schonk,
Als gij dezelfde Ægeon zijt, zoo spreek,
En spreek dan tot die zelfde Æmilia!
Ægeon.Als ik niet droom, zijt gij Æmilia!En zijt gij dat, zoo meld mij van den zoon,Die met u dreef op dien onzaal’gen mast.
Ægeon.
Als ik niet droom, zijt gij Æmilia!
En zijt gij dat, zoo meld mij van den zoon,
Die met u dreef op dien onzaal’gen mast.
Abdis.Door Epidamniërs werden hij en ik,En ook de tweeling Dromio gered;Doch weldra namen visschers van CorintheHun met geweld mijn zoon en Dromio af,Maar lieten mij aan die van Epidamnum.Wat later van hen werd, bleef me onbekend;En mij viel ’t lot ten deel, dat gij hier ziet.
Abdis.
Door Epidamniërs werden hij en ik,
En ook de tweeling Dromio gered;
Doch weldra namen visschers van Corinthe
Hun met geweld mijn zoon en Dromio af,
Maar lieten mij aan die van Epidamnum.
Wat later van hen werd, bleef me onbekend;
En mij viel ’t lot ten deel, dat gij hier ziet.
Hertog.’t Verhaal van dezen morgen gaat nu voort:Die twee Antipholussen, zoo gelijk,En die twee Dromio’s, ook van uitzicht één,—En dan wat zij daar van die schipbreuk meldde;—Ja, dit zijn de ouders van die beide kind’ren,Die hier het toeval samen heeft gebracht.Antipholus, gij kwaamt dus van Corinthe?
Hertog.
’t Verhaal van dezen morgen gaat nu voort:
Die twee Antipholussen, zoo gelijk,
En die twee Dromio’s, ook van uitzicht één,—
En dan wat zij daar van die schipbreuk meldde;—
Ja, dit zijn de ouders van die beide kind’ren,
Die hier het toeval samen heeft gebracht.
Antipholus, gij kwaamt dus van Corinthe?
Antipholus van Syracuse.Niet ik, heer, neen; ik kwam van Syracuse.
Antipholus van Syracuse.
Niet ik, heer, neen; ik kwam van Syracuse.
Hertog.Treed dan ter zijde; ik weet niet, wien ik zie.364
Hertog.
Treed dan ter zijde; ik weet niet, wien ik zie.364
Antipholus van Ephesus.Ja, ik, doorluchte vorst, kwam van Corinthe.
Antipholus van Ephesus.
Ja, ik, doorluchte vorst, kwam van Corinthe.
Dromio van Ephesus.En ik met hem.
Dromio van Ephesus.
En ik met hem.
Antipholus van Ephesus.Hierheen gebracht door hertog Menaphron,Den hoogberoemden krijgsheld, uwen oom.
Antipholus van Ephesus.
Hierheen gebracht door hertog Menaphron,
Den hoogberoemden krijgsheld, uwen oom.
Adriana.Wie van u beiden at vandaag bij mij?
Adriana.
Wie van u beiden at vandaag bij mij?
Antipholus van Syracuse.Ik, eed’le vrouw.
Antipholus van Syracuse.
Ik, eed’le vrouw.
Adriana.En gij zijt niet mijn man?
Adriana.
En gij zijt niet mijn man?
Antipholus van Ephesus.Neen, neen, zeg ik daarop.
Antipholus van Ephesus.
Neen, neen, zeg ik daarop.
Antipholus van Syracuse.Dat zeg ik ook; toch noemde zij mij zoo;En deze schoone jonkvrouw, hare zuster,Sprak steeds van zwager.—(TotLuciana.)Wat ik toen u zeide,Dit worde, wensch ik vurig, dra vervuld,Zoo niet al wat ik zie en hoor, een droom is.
Antipholus van Syracuse.
Dat zeg ik ook; toch noemde zij mij zoo;
En deze schoone jonkvrouw, hare zuster,
Sprak steeds van zwager.—(TotLuciana.)Wat ik toen u zeide,
Dit worde, wensch ik vurig, dra vervuld,
Zoo niet al wat ik zie en hoor, een droom is.
Angelo.Dat is de keten, heer, die ik u gaf.
Angelo.
Dat is de keten, heer, die ik u gaf.
Antipholus van Syracuse.Ik meen het ook, heer; ik ontken het niet.
Antipholus van Syracuse.
Ik meen het ook, heer; ik ontken het niet.
Antipholus van Ephesus.En mij, heer, deedt gij voor die keten gijz’len.
Antipholus van Ephesus.
En mij, heer, deedt gij voor die keten gijz’len.
Angelo.Ik meen het ook, heer; ik ontken het niet.
Angelo.
Ik meen het ook, heer; ik ontken het niet.
Adriana.Ik zond u, heer, voor uwen borgtocht geld,Door Dromio; maar ’t schijnt, hij bracht het niet.
Adriana.
Ik zond u, heer, voor uwen borgtocht geld,
Door Dromio; maar ’t schijnt, hij bracht het niet.
Dromio van Ephesus.Neen, niet door mij.
Dromio van Ephesus.
Neen, niet door mij.
Antipholus van Syracuse.De buidel met dukaten kwam tot mij;En Dromio, mijn dienaar, bracht mij dien.Zoo trof staâg de een den dienaar van den ander;Ik werd voor hem gehouden, hij voor mij,En zoo ontstonden die vergissingen.
Antipholus van Syracuse.
De buidel met dukaten kwam tot mij;
En Dromio, mijn dienaar, bracht mij dien.
Zoo trof staâg de een den dienaar van den ander;
Ik werd voor hem gehouden, hij voor mij,
En zoo ontstonden die vergissingen.
Antipholus van Ephesus.Dat goud zij nu de losprijs van mijn vader.
Antipholus van Ephesus.
Dat goud zij nu de losprijs van mijn vader.
Hertog.Behoud het vrij; ik schonk hem ’t leven reeds.
Hertog.
Behoud het vrij; ik schonk hem ’t leven reeds.
Courtisane.Heer, geef mijn diamant mij nu terug.
Courtisane.
Heer, geef mijn diamant mij nu terug.
Antipholus van Ephesus.Hier is hij, met mijn’ dank voor ’t goed onthaal.
Antipholus van Ephesus.
Hier is hij, met mijn’ dank voor ’t goed onthaal.
Abdis.Doorluchte hertog, sta de gunst mij toeVan met ons in de abdij te gaan, en hoorUitvoerig, wat ons ieder is weervaren;En allen, die hier nu verzameld zijt,En meegeleden hebt door al de dwalingVan éénen dag, treedt binnen; allen zullenTen volle, zoo ik hoop, bevredigd zijn.—399Sinds vijf en twintig jaar, mijn zonen, was ikIn arbeid over u en eerst dit uurWerd ik van mijnen zwaren last bevrijd.—Mijn vorst, mijn echtgenoot en tweetal zoons,En gij, kalenders van hun levenstijd,Gaat op ten doopfeest; weest met mij verblijd;Wat dag, na lange smart aan vreugd gewijd!
Abdis.
Doorluchte hertog, sta de gunst mij toe
Van met ons in de abdij te gaan, en hoor
Uitvoerig, wat ons ieder is weervaren;
En allen, die hier nu verzameld zijt,
En meegeleden hebt door al de dwaling
Van éénen dag, treedt binnen; allen zullen
Ten volle, zoo ik hoop, bevredigd zijn.—399
Sinds vijf en twintig jaar, mijn zonen, was ik
In arbeid over u en eerst dit uur
Werd ik van mijnen zwaren last bevrijd.—
Mijn vorst, mijn echtgenoot en tweetal zoons,
En gij, kalenders van hun levenstijd,
Gaat op ten doopfeest; weest met mij verblijd;
Wat dag, na lange smart aan vreugd gewijd!
Hertog.Ja! gaarne zal ik peter zijn op ’t feest.
Hertog.
Ja! gaarne zal ik peter zijn op ’t feest.
(De Hertog, de Abdis,Ægeon,de Courtisane, de Koopman,Angeloen het Gevolg af.)
Dromio van Syracuse.Zal ik uw goed, heer, nu van boord gaan halen?
Dromio van Syracuse.
Zal ik uw goed, heer, nu van boord gaan halen?
Antipholus van Ephesus.Wat hebt gij, Dromio, van mij ingescheept?
Antipholus van Ephesus.
Wat hebt gij, Dromio, van mij ingescheept?
Dromio van Syracuse.Heer, wat van u in den Centaurus lag.
Dromio van Syracuse.
Heer, wat van u in den Centaurus lag.
Antipholus van Syracuse.Hij spreekt tot mij. Ik ben uw meester, Dromio;Ga thans maar mee; dat alles komt te recht.Omarm uw broeder, wees met hem verheugd.
Antipholus van Syracuse.
Hij spreekt tot mij. Ik ben uw meester, Dromio;
Ga thans maar mee; dat alles komt te recht.
Omarm uw broeder, wees met hem verheugd.
(Antipholusvan Syracuse,Antipholusvan Ephesus,AdrianaenLucianaaf.)
Dromio van Syracuse.Dat dikke lief van u, ginds in uw huis,Die mij voor u tot keukenman wou maken,Zal nu mijn zuster wezen, niet mijn vrouw.
Dromio van Syracuse.
Dat dikke lief van u, ginds in uw huis,
Die mij voor u tot keukenman wou maken,
Zal nu mijn zuster wezen, niet mijn vrouw.
Dromio van Ephesus.Mij dunkt, gij zijt mijn spiegel, niet mijn broeder;Ik zie aan u, ik ben een knap jongmensch.Komaan, naar binnen, om bij ’t feest te zijn.
Dromio van Ephesus.
Mij dunkt, gij zijt mijn spiegel, niet mijn broeder;
Ik zie aan u, ik ben een knap jongmensch.
Komaan, naar binnen, om bij ’t feest te zijn.
Dromio van Syracuse.Ga voor, man; gij zijt de oudste.
Dromio van Syracuse.
Ga voor, man; gij zijt de oudste.
Dromio van Ephesus.Dat is de vraag, hoe zullen wij ’t beslissen?
Dromio van Ephesus.
Dat is de vraag, hoe zullen wij ’t beslissen?
Dromio van Syracuse.Wij zullen om ’t langste strootje trekken voor de eerstgeboorte; ga tot zoo lang voor.
Dromio van Syracuse.
Wij zullen om ’t langste strootje trekken voor de eerstgeboorte; ga tot zoo lang voor.
Dromio van Ephesus.Neen, dan zij ’t zoo:Wij sprongen samen de wereld in, als broeders, met elkander;Zoo gaan wij nu samen hand aan hand, en de een niet na den ander.
Dromio van Ephesus.
Neen, dan zij ’t zoo:
Wij sprongen samen de wereld in, als broeders, met elkander;
Zoo gaan wij nu samen hand aan hand, en de een niet na den ander.
(Beiden af.)
Aanteekeningen.Van de “Comedy of Errors” is geen afzonderlijke druk bekend; men kan als zeker aannemen, dat het stuk voor het eerst verscheen in 1623, in de folio-uitgave van Shakespeare’s gezamenlijke tooneelwerken. In 1598 maakte Francis Meres,—zie boven blz. 120,—er gewag van, maar zeker is het verscheiden jaren ouder en onder de eerstelingen des dichters te rekenen. De bewijzen hiervoor zijn in het stuk zelf te vinden. Vooreerst merke men op, welk een uitgestrekt gebruik Shakespeare maakt van zoogenaamdedoggerel rhymesof knuppelverzen, die in oudere Engelsche tooneelwerken veelvuldig gebezigd worden, zoodat zelfs geheele stukken er in geschreven werden; Shakespeare gebruikt ze alleen voor boertige tooneelen of gezegden, maar oudere tooneelschrijvers achten ze ook voor ernstige onderwerpen geschikt; zoo geeft in een ernstig stuk van 1570 of daaromtrent,Damon and Pithiasgeheeten, Dionysius zijn rechtspraak met deze woorden:“Pithias, seeing thou takest me at my word, take Damon to thee:For two months he is thine; unbind him, I set him free;Which time once expired, if he appear not the next day by noon,Without further delay thou shalt lose thy life, and that full soon.”Behalve in dit stuk van Sh. vindt men deze verzen, die ongeveer het midden houden tusschen regelmatige verzen en proza, bijna alleen in “De getemde Feeks” (Taming of the shrew) en in “Veel gemin, geen gewin” (Love’s labour’s lost), beide, of ten minste het laatstgenoemde, onder Sh.’s eerste stukken te rekenen. In “De klucht der vergissingen” zijn deze verzen over het algemeen regelmatiger dan in “Veel gemin, geen gewin”, waar soms alleen het rijm uitwijst, dat er verzen bedoeld zijn; men zie daar b.v.IV. 2. 29, de regels: “Zoo dorre planten” enz.—Een tweede bijzonderheid is het veelvuldig voorkomen van afwisselend rijmende verzen, die Sh. in zijn Venus en Adonis (1593) zoo meesterlijk weet te bezigen en die in de latere stukken van Sh. zelden voorkomen, maar wel in de oudere, met name in “Veel gemin, geen gewin”, den “Midzomernachtdroom”, en “Romeo en Julia”.—Volgens velen komt in “De Klucht der vergissingen” een toespeling op de tijdsomstandigheden voor, die vermoeden doet, dat het stuk in 1591 of 1592 geschreven is. In het tweede tooneel van het derde bedrijf geeft de Syrac. Dromio aan zijn heer een beschrijving van de keukenmeid uit het huis van Antipholus van Ephesus; hij vergelijkt haar met een globe en zegt, dat hij landen op haar onderscheiden kan. Op de vraag van zijn meester, waar dan Frankrijk ligt, antwoordt hij:In her forehead, armed and reverted, making war against her heir. Dit heir is in de tweede folio-uitgave inhairveranderd, waarschijnlijk, omdat de woordspeling metheirenhairniet begrepen werd. Verstaat menhair, dan was het voorhoofd gewapend, bekleed met iets, dat voortwoekerend het haar doet uitvallen en het voorhoofd vergroot, een gevolg der Fransche ziekte, ook bij Bredero de Francoysen genoemd. Verstaat menheir, erfgenaam, dan wordt er gezinspeeld op den binnenlandschen oorlog in Frankrijk, die na het vermoorden van koning Hendrik III, in Augustus 1589, ontbrand was tegen zijn erfgenaam, Hendrik IV, en eerst een einde nam, toen deze, in Juli 1593, Parijs wel een mis waard achtte. Koningin Elizabeth had in 1591 aan Hendrik IV 4000 man hulptroepen gezonden onder Essex en diens broeder Walter en steunde hem ook later meer dan eens op gelijke wijze. De toestand in Frankrijk was dus ongetwijfeld in Londen bekend genoeg, dat zulk een woordspeling methairenheirdadelijk verstaan werd.—Men weet verder, dat er in December 1594 in Gray’s Inn ter eere van een groot heer eenComedy of Errorsvertoond werd, waarschijnlijk dit stuk. Later werdhet ook wel voor Koning Jacobus I opgevoerd, naar gemeld wordt op 28 December 1604.Neemt men aan, dat het stuk in 1591 of 1592 geschreven is, dan zal men der waarheid zeker zeer nabij zijn. Verder kunnen wij als zeker aannemen, dat Sh. bekend was met het blijspelMenæchmeivan den ouden Romeinschen dichterPlautus, en daaruit aanleiding putte om dit stuk te schrijven. Wel is het oude blijspel niet vóór 1595 in het Engelsch verschenen, maar Shakespeare was hoogstwaarschijnlijk het Latijn genoeg machtig om Plautus in het oorspronkelijke te lezen. Er was in Stratford een Grammarschool, dus een school, waar het Latijn hoofdvak was; deze werd ongetwijfeld door Shakespeare bezocht en men mag gerust vermoeden, dat hij zijn meesters geen oneer zal hebben aangedaan en, om Plautus te leeren kennen, niet behoefde te wachten op het verschijnen eener gebrekkige vertaling; zijn Venus en Adonis, en al zijn oudere stukken leggen getuigenis af, dat hij het Latijn vrij goed machtig was en de Latijnsche schrijvers, zooals Ovidius en Plautus, in het oorspronkelijke las; in zijn latere stukken laat hij die kennis minder uitkomen, maar men kan er toch op velerlei wijze de sporen van opmerken, tot in den zinsbouw en de beteekenis, die hij somwijlen aan de woorden toekent1. De folio-uitgave maakt het bovendien hoogst waarschijnlijk, dat Sh. Plautus’ Menæchmi in het Latijn gelezen heeft: de Antipholus van Ephesus heet erSereptus, een blijkbare fout van den afschrijver of zetter voorSurreptus, “de gestolene”, het woord, waarmede in Plautus’ stuk, de eene broeder telkens wordt aangeduid, gelijk hij ook in de inhoudsopgave, hetargumentum, driemaal zoo genoemd wordt; de andere broeder heet in Sh.’s folio-uitgave nu eenserotes, dan wedererrotes, een dergelijke fout voorerraticus, de zwervende, dus de reiziger, die zijn broeder overal gaat zoeken.Ter juiste waardeering van Sh.’s stuk mag het nuttig heeten, met dat van Plautus eenigszins nader kennis te maken. Bij Plautus is geen onder ’t leed gebogen vader, die, van zijn beide zoons beroofd, ze gaat opzoeken; de vader der tweelingen is lang dood; door een proloog worden wij ingelicht over het vroeger gebeurde. In Syracuse leefde een oud koopman, aan wien zijn vrouw twee geheel gelijke tweelingen schonk. Toen de jongens zeven jaren oud waren, neemt de vader den eenen mee op zijn reize naar de groote en rijke koopstad van Beneden-Italië, Tarente. Daar wordt op de markt de knaap door een koopman uit de bekende handelsstad van Grieksch Illyrië, Epidamnus, bij de Romeinen meest Dyrrachium geheeten, gestolen en naar zijn woonplaats medegenomen; de vader sterft weinige dagen later van verdriet. Toen de grootvader der tweelingen te Syracuse dit verneemt, geeft hij aan den overgebleven tweeling, Sosicles, den naam van zijn verloren lieveling en naamgenoot, en noemt hem dus Menæchmus.—De koopman uit Epidamnus, die geen kinderen had, neemt den gestolen knaap als zoon aan, bezorgt hem later een rijke vrouw, komt weldra te sterven en laat hem al zijn schatten na. Zijn broeder Menæchmus (Sosicles) heeft geen rust in Syracuse, maar gaat zijn broeder zoeken; na een jaar of zes zwervens komt hij eindelijk te Epidamnus aan.Juist na zijn aankomst begint het stuk van Plautus. Eerst treedt de Parasiet of Tafelschuimer van den Epidamnischen Menæchmus op, die bij zijn begunstiger wil gaan eten. Weldra komt deze zelf uit zijn huis, onder het uiten van verwijten tegen zijn vrouw, die jaloersch is, en altijd weten wil waar hij heengaat. Het arme schepsel heeft er wel reden toe, want haar man wil juist naar een liefje, een lichtekooi, gaan, met name Erotium; hij heeft zelfs een fraai opperkleed van zijn vrouw bij zich, dat hij heimelijk heeft weggekaapt en aan Erotium schenken wil. Hij treft deze bij haar huis aan, geeft haar het gewaad, en zegt, dat hij, na op de markt geweest te zijn, met zijn Parasiet bij haar zal komen eten. Erotium zendt haar kok uit om de noodige inkoopen te doen en gaat in huis.Nu komt de broeder uit Syracuse, Menæchmus-Sosicles, op. De kok, die van zijn boodschappen terugkeert, is de eerste, die hem voor zijn broeder aanziet; weldra doet ook Erotium, die uit haar huis te voorschijn komt, hetzelfde; de man staat verbijsterd, dat zij niet alleen zijn naam weet, maar ook dien zijns vaders en nog andere bijzonderheden uit Syracuse, doch gaat op haar aandringen met haar eten, na eerst zijn geldbuidel aan zijn slaaf Messenio te hebben toevertrouwd.—Weldra komt de Parasiet op, die van zijn begunstiger is afgeraakt en reeds ontevreden is, dat hij nog niet aan het lekkere maal zit. Daar ziet hij zijn Menæchmus, zoo hij meent, uit het huis komen; deze neemt het oppergewaad mee, met de belofte, dat hij dit nog zal laten verfraaien. De Parasiet spreekt hem aan, maar wordt afgegrauwd, zoodat hij woedend besluit, aan Menæchmus’ vrouw het gedrag van haar man te gaan verklappen. Juist als Menæchmus-Sosiclesheen wil gaan, komt de dienstmeid van Erotium uit het huis met een gouden ketting, vroeger, zoo zij zegt, door hem van zijn vrouw gestolen, hij belooft op haar verzoek, dat hij dien zwaarder en nieuwerwetscher zal laten maken en dan aan haar meesteres zal terugbrengen; hij is echter wel degelijk van plan dien, zoowel als den mantel, voor zich te houden.—De Parasiet heeft inmiddels Menæchmus’ vrouw met de ontrouw van haar man bekend gemaakt, en haar ook gemeld, dat deze het gestolen opperkleed bij zich heeft, om het nog mooier te laten maken; beiden wachten den man op, die door zaken is opgehouden en zich nu naar zijn liefste spoedt. Zoodra zij hem ontwaren, heeft hij het hard te verantwoorden; liegen en ontkennen helpt hem niet; zijn vrouw wil hem niet meer het huis laten betreden, als hij het kleed niet meebrengt en gaat in huis. Hij gaat naar Erotium, maar wordt door haar, als hij beweert nòch mantel nòch ketting van haar te hebben ontvangen, met verwijten overladen en buiten gesloten, en gaat zijn vrienden over het geval raadplegen. Nu komt de andere Menæchmus, met den mantel om, op, wordt door de vrouw zijns broeders met verwijtingen begroet; ten hoogste verontwaardigd, dat hij haar niet wil kennen, laat zij haar vader roepen, die haar wel de les leest over haar wantrouwen en jaloerschheid, maar eindelijk, daar de gewaande echtgenoot nòch vrouw nòch schoonvader wil kennen, en zich ook opzettelijk als een dolle aanstelt, het met haar eens is, dat hij gek is, zoodat een geneesheer ontboden wordt. Hij weet echter te ontkomen alvorens deze er is. De geneesheer treft daarentegen den anderen Menæchmus nabij zijn huis aan, houdt hem om zijn ontkentenis van het gebeurde voor waanzinnig, en ontbiedt helpers, die den dolleman willen grijpen en medevoeren. Deze wordt echter ontzet door den slaaf Messenio, die zijn heer in gevaar meent te zien, en tot loon voor dezen dienst zijn vrijheid verzoekt, maar hem wel wil blijven dienen, en terstond het toevertrouwde geld, dat veilig in de herberg geborgen ligt, gaat halen. De gehuwde Menæchmus gaat nog eens beproeven den mantel zijner vrouw terug te krijgen. Nu ontmoet Messenio zijn echten heer, die niets van den bewezen dienst en de vrijlating van zijn slaaf afweet, maar onder het gesprek komt de tweelingbroeder op en dan wordt, door bemiddeling van den slaaf, alles opgehelderd; de broeders besluiten samen Epidamnus te verlaten; de slaaf wordt vrijgelaten en mag den verkoop van het huis en de goederen des Epidamniërs bekend maken; als er maar een kooper komt opdagen, is zelfs de vrouw te koop.De vergelijking van beide stukken in bijzonderheden zou het bestek der aanteekeningen verre te buiten gaan en zij, naar aanleiding van het medegedeelde, aan den lezer zelf overgelaten; slechts enkele opmerkingen kunnen hier nog plaats vinden. Shakespeare heeft aan het eene tweelingpaar een tweede toegevoegd en daardoor een grootere en zeer vermakelijke verscheidenheid in de vergissingen verkregen. Hij maakte daarbij gebruik van het onloochenbare recht van den kluchtspelschrijver om toestanden te onderstellen, die onwaarschijnlijk zijn; genoeg is het, als zij slechts mogelijk zijn en tevens geschikt om den toeschouwer te boeien en te vermaken. Aan dit vereischte voldoet Shakespeare’s stuk ten volle. Uit de onderstelling vloeit alles zoo geregeld mogelijk voort; en daar de toeschouwer in het geheim is en veel meer weet dan de optredende personen, vindt hij genot in het gevoel, dat hij alles, wat voor deze een raadsel is, zelf onmiddellijk kan oplossen. Als men daarbij nu nog in aanmerking neemt, dat er in het stuk wel degelijk karakterschildering is, dat er een kennelijk verschil bestaat in geaardheid tusschen de twee gebroeders Antipholus, en ook, hoewel in geringere mate, tusschen de twee Dromio’s; dat Adriana en haar zuster Luciana, de oude Ægeon, de Hertog, kortom alle personen met zorg geteekend zijn,—als wij nagaan, hoe indrukwekkend de lotgevallen van den rampspoedigen vader zijn medegedeeld, zoodat zij ons gedurende het geheele stuk voor den geest staan, hoe de blij-eindende ontknooping ons inderdaad roert, geruststelt en bevredigt, dan kunnen wij niet nalaten in dit tooneelwerk van den jeugdigen Shakespeare een meesterstuk te zien.I. 1. 13.Verboden hier en ginder raadsbesluiten.In een stuk, uitgevaardigd in het begin van Elizabeth’s regeering, wordt erkend, dat beperkende bepalingen tot bescherming van eigen handel groot ongenoegen wekken tusschen vorsten, en aan de kooplieden veel leed en schade toebrengen. Toch riep Elizabeth zelf, weinige jaren later zulke bepalingen in het leven. Het is, of de dichter hier wil uitdrukken, welke noodlottige gevolgen zij desnoods zouden kunnen hebben.I. 1. 41.Door meen’ge welgeslaagde reis naar Epidamnum.Wel staat in ’t Engelsch, dat hij meen’ge reis naar Epidamnum deed, doch de bedoeling is ongetwijfeld, dat hij menig schip met koopwaren er heen zond, want eerst na den dood van zijn factor reisde hijzelf er naar toe.I. 1. 53.Dat naamverschil alleen verschil kon geven.Dat de twee kinderen ooit een verschillenden naam droegen, blijkt niet bij Sh.; bij Plautus wel.I. 1. 79.Voor de eerstgeboor’ne meest bezorgd.Bij Sh. staatlatterborn, in tegenspraak met reg. 125. Daarom is hier vertaald, alsof erelder-bornstaat.—Het is echter ook mogelijk, dat regel 125 moet gelezen worden:my eldest boy, and yet my youngest care, dan warejongst-geborenehier goed.I. 1. 94.Epidaurusis een stad aan de oostkust van de Peloponnesus, nabij Argos.I. 1. 132.Ik heb in ’t verste Griekenlandenz. Men mag vermoeden, dat hier een paar regels zijn weggevallen, waar Ægeon zal gezegd hebben, dat hij om het uitblijven van zijn zoon, besloot dezen zelf te gaan zoeken.I. 2. 9.Naar den Centaurus.Blijkbaar is dit, zooals later ook de Tijger (III. 1. 95), de naam van een herberg; maar Sh. geeft ook aan huizen van bijzondere personen, zooals in zijn tijd ook ten onzent in zwang was, in dit stuk namen, zooals de Feniks (I. 2. 75), de Egel (III. 1. 116).I. 2. 56.Een staartriem voor mijn meesteres.In Sh.’s tijd reden, bij reizen, ook de vrouwen te paard.I. 2. 97.De stad is, zegt men, vol bedrog en list.De stad Ephesus stond reeds bij de ouden bekend als een plaats, waar veel tooverkunst uitgeoefend werd. Men vindt dit ook in de Handelingen der Apostelen vermeld, XIX, vs. 13 en 19. Dat Sh. juist daarom zijn stuk te Ephesus liet spelen, is duidelijk genoeg; men vergelijke II. 2. 191; als de gedachte aan tooverij den zoekenden Antipholus en zijn dienaar verbijstert, is het verklaarbaar, dat zij, bij al de vergissingen, niet op de gedachte komen, van nader te onderzoeken, of niet misschien juist in Ephesus hun evenbeelden wonen.II.Eerste Tooneel.Wààr een tooneel speelt, wordt door de folio-uitgave niet aangegeven; de meeste uitgevers hebben hier als localiteit een openbaar plein aangegeven. Ten onrechte; Adriana en Luciana hebben niets op straat te doen, en wachten, zooals blijkt, thuis den heer des huizes af, naar wien zij hun dienaar op nieuw willen uitsturen. Men kan hierbij ook aannemen, dat de twee vrouwen zich daar in een binnenhof of in den tuin bevinden, waar de tafel voor het maal gereedstaat. Daar kunnen zij, III. 1, zeer wel met Antipholus van Syracuse het middagmaal gebruiken; op het hooren van gedruisch gaat Adriana dan naar de deur.II. 1. 83.Te schoppen als een bal.Voor het voetbalspel, ook thans nog in zwang, is, zoals bekend is, de bal met leder overtrokken.II. 1. 101.Ik arme ben hem te oud.In ’t Engelsch:Poor I am but his stale. Geheel juist is de plaats niet te vertalen; in het oorspronkelijke wordt gespeeld met de woordendeerendear, en met de verschillende beteekenissen van het substantiefstale(zie “Taming Shrew” I. 1. 58, en III. 1. 90; “Much Ado” II. 2. 26, en IV. 1. 66) en van het adjectiefstale, zieCymbeline, III. 4. 53. Op deze laatste beteekenis is bij de hier gegeven vertaling vooral gelet.II. 1. 109.Ik zie het nuenz. De meest bedorven plaats in het stuk; het is nog niet gelukt, den tekst op bevredigende wijze te herstellen, het bederf schuilt vooral in reg. 112:Wear goldenz.II. 2. 35.Op mijn bol?In ’t Engelsch een woordspeling metsconce, dat “bol” of “hoofd” beteekent, en ook “schans”, waarom ook het woordensconce, “verschansen” volgt.II. 2. 89.Hij verliest het met een soort van genot.Op de meening, dat door een losbandige levenswijze ziekten ontstaan, die het haar doen uitvallen, zinspeelt de dichter meermalen.III. 1. 53.Hoor, meisje, wat is dat?In ’t Engelsch:Do you hear, you minion? you’ll let us in, I hope. In ’t Engelsch is dit gedeelte het eenige vers, dat niet rijmt. Men heeft daarom, met groote waarschijnlijkheid, vermoed, dat er een regel hier uitgevallen is, die opropeeindigde en waarin Lucie met een eind touw bedreigd wordt. Theobald veranderde, om een rijm te krijgen op de volgende twee regels,I hopeinI trow. De vertaler moest hier ook met een drievoudig rijm zich redden.III. 1. 81.Een koevoet zonder koe.In ’t Engelsch:A crow without a feather. “Crow” beteekentkraaienbreekijzer. Daarop volgt reg. 83 nogto pluck a crow together, in het Duitsch “ein Hühnchen mit Jemandem pflücken”, wat wij zeggen: “een appeltje met iemand schillen.”—Opmerkelijk is, dat Plautus in zijn “Gevangenen”,Captivi, V. 4. 9., het woordupupaevenzoo gebruikt als Shakespeare hiercrow;upupais te gelijk een vogel, dehop, en eenpikhouweel, zooals voor het loswerken van steenachtigen grond gebezigd word.III.Tweede Tooneel.Binnenplein.Men kan zich ook voorstellen, dat na het vertrek der vorigen Luciana en Antipholus van Syracuse uit het huis te voorschijn komen. Eigenaardiger is het echter, dat dit gesprek niet op straat gevoerd wordt, maar op een binnenplein, dat men als aan den ingang grenzend denken kan.III. 2. 52.Is de liefde wuft.Men vergelijke:Venus en Adonis, 149.III. 2. 117.Zij is een kogel, een globe.Men vergelijke inRabelais(L. III. Ch. 28) de beschrijving van den baard van Panurge door frère Jean, aldus luidende: “Ta barbe par les distinctions du gris, du blanc, du tanné, et du noir, me semble une mappemonde. Regarde ici.Voyla Asie. Icy sont Tigris et Euphrates. Voyla Africque. Icy est la montaigne de la Lune. Vois-tu les paluz du Nil? Deça est Europe. Vois-tu Theleme? Ce touppet icy tout blanc, sont les monts Hyperborées.”—Als het stuk voor koning Jacob I werd opgevoerd, bleef zeker de vermelding van Schotlands onvruchtbaarheid (reg.123) wel achterwege. In den Koopman van Venetië (I. 2. 83) wordt een Schotsch edelman belachelijk gemaakt: in de oude quarto staatthe Scottish lord, maar in de folio-uitgave van 1623, gedrukt nadat het stuk voor genoemden koning gespeeld was, staatthe other lord.IV. 1. 93.Welk een schip, gij schaapskop?In ’t Engelsch: “Thou peevish sheep, what ship” enz. In Shakespeare’s tijd werdenshipensheepnagenoeg eender uitgesproken.IV. 2. 22.Misvormd naar ’t lijf.In het Engelschstigmatical, door de natuur geteekend, gebrandmerkt.IV. 2. 27.De kievit schreeuwt, enz. In Sh.’s tijd werd de kievit meermalen hiervoor aangehaald, ja de uitdrukking schijnt spreekwoordelijk geweest te zijn. InLily’s Campaspe leest men: “You resemble the lapwing, who crieth most where her nest is not.” Shakespeare zelf herhaalt het beeld in “Maat voor Maat,” I.4.32.IV. 2. 32.Hij is in ’t voorportaal, neen, in de hel.In het Engelsch staat: He is in Tartar’s limbo; de uitdrukking schijnt aan de Engelschen uit Dante’s Goddelijke Comedie gemeenzaam te zijn geworden, men vindt haar meermalen bij Shakespeare en ook in Spencer’s Elfenkoningin. Dehelwas in Sh.’s tijd, en nog een eeuw later de naam van een gevangenis. Evenzoo wascounter(reg. 39) de naam van een gevangenis; maarto run counteris ook een uitdrukking voor een jachthond, die op een valsch spoor is of in verkeerde richting loopt.—De gerechtsdienaars waren in leder gekleed, zie K. Hendrik IV, I. 2. 48.IV. 3. 14.Den ouden Adam in zijn nieuw gewaad.Adam na den val, toen hij zich met beestenvellen bekleedde.IV. 3. 28.Dan een Moor met zijn piek.Er staat eigenlijk: “dan een moorenpiek”. Eenmorris-pikewas een gevaarlijk wapen; gerechtsdienaars droegen als teeken van hun ambt een staf,mace.IV. 3. 34.Blijf maar zitten.In ’t Engelsch:God give good rest! “Rest” te gelijk voorrustenarrestgebezigd.—Deengelen, waarvan reg. 41 gesproken wordt, zijn gouden munten van 10 Shill.; zie “Koopman van Venetië,” II. 7. 65.IV. 4. 44.Respice finem.Let op het einde. Het bijna gelijkluidendeRespice funem, waarop hier gedoeld wordt, beteekent: “Let op het touw”, of “Pas op voor het touw”; Dromio doelt op het touw, dat hij heeft moeten halen. Als men aan de papegaaien, om de toehoorders te plagen, leert zeggen: “Beware the rope’s end”, beteekent dit eer:“Hoed u voor den strop.”—Dokter Knijp, die hier optreedt, wordt in de Folio-uitgave een schoolmeester genoemd; schoolmeesters verstonden Latijn, en konden daarom als duivelbanners optreden.IV. 4. 78.De keukenmaagd.Het Engelsch betitelt haarkitchen-vestal, omdat zij, als de Vestaalsche maagden, het vuur moet aanhouden.V. 1. 175.Het hoofd hem kaal knipt als een nar.Het was de gewoonte, bij de verpleging van narren (gekken, waanzinnigen) hun het haar zeer kort af te knippen of af te scheren.V. 1. 205.Terwijl zij binnen met schavuiten braste.In het Engelsch staat:While she with harlots feasted in my house. Het woordharlotbeteekent, van mannen gebruikt, meestal “liederlijk mensch, schoelje, schavuit.”V. 1. 400.Sinds vijf en twintig jaarenz. In de Folio-uitgave leest men: “Sinds drie en dertig jaar.” Het is mogelijk, dat Sh. zelf zoo schreef en niet heeft nagerekend, wat hij vroeger had medegedeeld; maar drie en dertig is voor deze broeders wel wat oud en door een eenvoudige optelling van twee, door Sh. gegeven getallen vindt men vijf en twintig jaar, wat meer met den geest van het stuk overeenkomt. Ægeon heeft,I. 1. 126, gezegd, dat de hem overgebleven zoon op achttienjarigen leeftijd zijn broeder ging opzoeken, en zoo pas,V. 1. 309, dat dit vertrek eerst zeven jaar geleden is. Reeds voorlang heeft Theobald het getal veranderd en is door verscheiden uitgevers, b.v. door Knight, hierin gevolgd.1Men vindt dit boven blz. 5 en vgg. uiteengezet. Meermalen zal men in de aanteekeningen het een en ander aantreffen, dat ook in het “Overzicht van Sh.’s leven en werken” vermeld is. Op deze wijze kunnen de aanteekeningen een geheel uitmaken, dat geraadpleegd kan worden zonder dat de lezer telkens naar dit overzicht verwezen wordt.
Van de “Comedy of Errors” is geen afzonderlijke druk bekend; men kan als zeker aannemen, dat het stuk voor het eerst verscheen in 1623, in de folio-uitgave van Shakespeare’s gezamenlijke tooneelwerken. In 1598 maakte Francis Meres,—zie boven blz. 120,—er gewag van, maar zeker is het verscheiden jaren ouder en onder de eerstelingen des dichters te rekenen. De bewijzen hiervoor zijn in het stuk zelf te vinden. Vooreerst merke men op, welk een uitgestrekt gebruik Shakespeare maakt van zoogenaamdedoggerel rhymesof knuppelverzen, die in oudere Engelsche tooneelwerken veelvuldig gebezigd worden, zoodat zelfs geheele stukken er in geschreven werden; Shakespeare gebruikt ze alleen voor boertige tooneelen of gezegden, maar oudere tooneelschrijvers achten ze ook voor ernstige onderwerpen geschikt; zoo geeft in een ernstig stuk van 1570 of daaromtrent,Damon and Pithiasgeheeten, Dionysius zijn rechtspraak met deze woorden:
“Pithias, seeing thou takest me at my word, take Damon to thee:For two months he is thine; unbind him, I set him free;Which time once expired, if he appear not the next day by noon,Without further delay thou shalt lose thy life, and that full soon.”
“Pithias, seeing thou takest me at my word, take Damon to thee:
For two months he is thine; unbind him, I set him free;
Which time once expired, if he appear not the next day by noon,
Without further delay thou shalt lose thy life, and that full soon.”
Behalve in dit stuk van Sh. vindt men deze verzen, die ongeveer het midden houden tusschen regelmatige verzen en proza, bijna alleen in “De getemde Feeks” (Taming of the shrew) en in “Veel gemin, geen gewin” (Love’s labour’s lost), beide, of ten minste het laatstgenoemde, onder Sh.’s eerste stukken te rekenen. In “De klucht der vergissingen” zijn deze verzen over het algemeen regelmatiger dan in “Veel gemin, geen gewin”, waar soms alleen het rijm uitwijst, dat er verzen bedoeld zijn; men zie daar b.v.IV. 2. 29, de regels: “Zoo dorre planten” enz.—Een tweede bijzonderheid is het veelvuldig voorkomen van afwisselend rijmende verzen, die Sh. in zijn Venus en Adonis (1593) zoo meesterlijk weet te bezigen en die in de latere stukken van Sh. zelden voorkomen, maar wel in de oudere, met name in “Veel gemin, geen gewin”, den “Midzomernachtdroom”, en “Romeo en Julia”.—Volgens velen komt in “De Klucht der vergissingen” een toespeling op de tijdsomstandigheden voor, die vermoeden doet, dat het stuk in 1591 of 1592 geschreven is. In het tweede tooneel van het derde bedrijf geeft de Syrac. Dromio aan zijn heer een beschrijving van de keukenmeid uit het huis van Antipholus van Ephesus; hij vergelijkt haar met een globe en zegt, dat hij landen op haar onderscheiden kan. Op de vraag van zijn meester, waar dan Frankrijk ligt, antwoordt hij:In her forehead, armed and reverted, making war against her heir. Dit heir is in de tweede folio-uitgave inhairveranderd, waarschijnlijk, omdat de woordspeling metheirenhairniet begrepen werd. Verstaat menhair, dan was het voorhoofd gewapend, bekleed met iets, dat voortwoekerend het haar doet uitvallen en het voorhoofd vergroot, een gevolg der Fransche ziekte, ook bij Bredero de Francoysen genoemd. Verstaat menheir, erfgenaam, dan wordt er gezinspeeld op den binnenlandschen oorlog in Frankrijk, die na het vermoorden van koning Hendrik III, in Augustus 1589, ontbrand was tegen zijn erfgenaam, Hendrik IV, en eerst een einde nam, toen deze, in Juli 1593, Parijs wel een mis waard achtte. Koningin Elizabeth had in 1591 aan Hendrik IV 4000 man hulptroepen gezonden onder Essex en diens broeder Walter en steunde hem ook later meer dan eens op gelijke wijze. De toestand in Frankrijk was dus ongetwijfeld in Londen bekend genoeg, dat zulk een woordspeling methairenheirdadelijk verstaan werd.—Men weet verder, dat er in December 1594 in Gray’s Inn ter eere van een groot heer eenComedy of Errorsvertoond werd, waarschijnlijk dit stuk. Later werdhet ook wel voor Koning Jacobus I opgevoerd, naar gemeld wordt op 28 December 1604.
Neemt men aan, dat het stuk in 1591 of 1592 geschreven is, dan zal men der waarheid zeker zeer nabij zijn. Verder kunnen wij als zeker aannemen, dat Sh. bekend was met het blijspelMenæchmeivan den ouden Romeinschen dichterPlautus, en daaruit aanleiding putte om dit stuk te schrijven. Wel is het oude blijspel niet vóór 1595 in het Engelsch verschenen, maar Shakespeare was hoogstwaarschijnlijk het Latijn genoeg machtig om Plautus in het oorspronkelijke te lezen. Er was in Stratford een Grammarschool, dus een school, waar het Latijn hoofdvak was; deze werd ongetwijfeld door Shakespeare bezocht en men mag gerust vermoeden, dat hij zijn meesters geen oneer zal hebben aangedaan en, om Plautus te leeren kennen, niet behoefde te wachten op het verschijnen eener gebrekkige vertaling; zijn Venus en Adonis, en al zijn oudere stukken leggen getuigenis af, dat hij het Latijn vrij goed machtig was en de Latijnsche schrijvers, zooals Ovidius en Plautus, in het oorspronkelijke las; in zijn latere stukken laat hij die kennis minder uitkomen, maar men kan er toch op velerlei wijze de sporen van opmerken, tot in den zinsbouw en de beteekenis, die hij somwijlen aan de woorden toekent1. De folio-uitgave maakt het bovendien hoogst waarschijnlijk, dat Sh. Plautus’ Menæchmi in het Latijn gelezen heeft: de Antipholus van Ephesus heet erSereptus, een blijkbare fout van den afschrijver of zetter voorSurreptus, “de gestolene”, het woord, waarmede in Plautus’ stuk, de eene broeder telkens wordt aangeduid, gelijk hij ook in de inhoudsopgave, hetargumentum, driemaal zoo genoemd wordt; de andere broeder heet in Sh.’s folio-uitgave nu eenserotes, dan wedererrotes, een dergelijke fout voorerraticus, de zwervende, dus de reiziger, die zijn broeder overal gaat zoeken.
Ter juiste waardeering van Sh.’s stuk mag het nuttig heeten, met dat van Plautus eenigszins nader kennis te maken. Bij Plautus is geen onder ’t leed gebogen vader, die, van zijn beide zoons beroofd, ze gaat opzoeken; de vader der tweelingen is lang dood; door een proloog worden wij ingelicht over het vroeger gebeurde. In Syracuse leefde een oud koopman, aan wien zijn vrouw twee geheel gelijke tweelingen schonk. Toen de jongens zeven jaren oud waren, neemt de vader den eenen mee op zijn reize naar de groote en rijke koopstad van Beneden-Italië, Tarente. Daar wordt op de markt de knaap door een koopman uit de bekende handelsstad van Grieksch Illyrië, Epidamnus, bij de Romeinen meest Dyrrachium geheeten, gestolen en naar zijn woonplaats medegenomen; de vader sterft weinige dagen later van verdriet. Toen de grootvader der tweelingen te Syracuse dit verneemt, geeft hij aan den overgebleven tweeling, Sosicles, den naam van zijn verloren lieveling en naamgenoot, en noemt hem dus Menæchmus.—De koopman uit Epidamnus, die geen kinderen had, neemt den gestolen knaap als zoon aan, bezorgt hem later een rijke vrouw, komt weldra te sterven en laat hem al zijn schatten na. Zijn broeder Menæchmus (Sosicles) heeft geen rust in Syracuse, maar gaat zijn broeder zoeken; na een jaar of zes zwervens komt hij eindelijk te Epidamnus aan.
Juist na zijn aankomst begint het stuk van Plautus. Eerst treedt de Parasiet of Tafelschuimer van den Epidamnischen Menæchmus op, die bij zijn begunstiger wil gaan eten. Weldra komt deze zelf uit zijn huis, onder het uiten van verwijten tegen zijn vrouw, die jaloersch is, en altijd weten wil waar hij heengaat. Het arme schepsel heeft er wel reden toe, want haar man wil juist naar een liefje, een lichtekooi, gaan, met name Erotium; hij heeft zelfs een fraai opperkleed van zijn vrouw bij zich, dat hij heimelijk heeft weggekaapt en aan Erotium schenken wil. Hij treft deze bij haar huis aan, geeft haar het gewaad, en zegt, dat hij, na op de markt geweest te zijn, met zijn Parasiet bij haar zal komen eten. Erotium zendt haar kok uit om de noodige inkoopen te doen en gaat in huis.
Nu komt de broeder uit Syracuse, Menæchmus-Sosicles, op. De kok, die van zijn boodschappen terugkeert, is de eerste, die hem voor zijn broeder aanziet; weldra doet ook Erotium, die uit haar huis te voorschijn komt, hetzelfde; de man staat verbijsterd, dat zij niet alleen zijn naam weet, maar ook dien zijns vaders en nog andere bijzonderheden uit Syracuse, doch gaat op haar aandringen met haar eten, na eerst zijn geldbuidel aan zijn slaaf Messenio te hebben toevertrouwd.—Weldra komt de Parasiet op, die van zijn begunstiger is afgeraakt en reeds ontevreden is, dat hij nog niet aan het lekkere maal zit. Daar ziet hij zijn Menæchmus, zoo hij meent, uit het huis komen; deze neemt het oppergewaad mee, met de belofte, dat hij dit nog zal laten verfraaien. De Parasiet spreekt hem aan, maar wordt afgegrauwd, zoodat hij woedend besluit, aan Menæchmus’ vrouw het gedrag van haar man te gaan verklappen. Juist als Menæchmus-Sosiclesheen wil gaan, komt de dienstmeid van Erotium uit het huis met een gouden ketting, vroeger, zoo zij zegt, door hem van zijn vrouw gestolen, hij belooft op haar verzoek, dat hij dien zwaarder en nieuwerwetscher zal laten maken en dan aan haar meesteres zal terugbrengen; hij is echter wel degelijk van plan dien, zoowel als den mantel, voor zich te houden.—De Parasiet heeft inmiddels Menæchmus’ vrouw met de ontrouw van haar man bekend gemaakt, en haar ook gemeld, dat deze het gestolen opperkleed bij zich heeft, om het nog mooier te laten maken; beiden wachten den man op, die door zaken is opgehouden en zich nu naar zijn liefste spoedt. Zoodra zij hem ontwaren, heeft hij het hard te verantwoorden; liegen en ontkennen helpt hem niet; zijn vrouw wil hem niet meer het huis laten betreden, als hij het kleed niet meebrengt en gaat in huis. Hij gaat naar Erotium, maar wordt door haar, als hij beweert nòch mantel nòch ketting van haar te hebben ontvangen, met verwijten overladen en buiten gesloten, en gaat zijn vrienden over het geval raadplegen. Nu komt de andere Menæchmus, met den mantel om, op, wordt door de vrouw zijns broeders met verwijtingen begroet; ten hoogste verontwaardigd, dat hij haar niet wil kennen, laat zij haar vader roepen, die haar wel de les leest over haar wantrouwen en jaloerschheid, maar eindelijk, daar de gewaande echtgenoot nòch vrouw nòch schoonvader wil kennen, en zich ook opzettelijk als een dolle aanstelt, het met haar eens is, dat hij gek is, zoodat een geneesheer ontboden wordt. Hij weet echter te ontkomen alvorens deze er is. De geneesheer treft daarentegen den anderen Menæchmus nabij zijn huis aan, houdt hem om zijn ontkentenis van het gebeurde voor waanzinnig, en ontbiedt helpers, die den dolleman willen grijpen en medevoeren. Deze wordt echter ontzet door den slaaf Messenio, die zijn heer in gevaar meent te zien, en tot loon voor dezen dienst zijn vrijheid verzoekt, maar hem wel wil blijven dienen, en terstond het toevertrouwde geld, dat veilig in de herberg geborgen ligt, gaat halen. De gehuwde Menæchmus gaat nog eens beproeven den mantel zijner vrouw terug te krijgen. Nu ontmoet Messenio zijn echten heer, die niets van den bewezen dienst en de vrijlating van zijn slaaf afweet, maar onder het gesprek komt de tweelingbroeder op en dan wordt, door bemiddeling van den slaaf, alles opgehelderd; de broeders besluiten samen Epidamnus te verlaten; de slaaf wordt vrijgelaten en mag den verkoop van het huis en de goederen des Epidamniërs bekend maken; als er maar een kooper komt opdagen, is zelfs de vrouw te koop.
De vergelijking van beide stukken in bijzonderheden zou het bestek der aanteekeningen verre te buiten gaan en zij, naar aanleiding van het medegedeelde, aan den lezer zelf overgelaten; slechts enkele opmerkingen kunnen hier nog plaats vinden. Shakespeare heeft aan het eene tweelingpaar een tweede toegevoegd en daardoor een grootere en zeer vermakelijke verscheidenheid in de vergissingen verkregen. Hij maakte daarbij gebruik van het onloochenbare recht van den kluchtspelschrijver om toestanden te onderstellen, die onwaarschijnlijk zijn; genoeg is het, als zij slechts mogelijk zijn en tevens geschikt om den toeschouwer te boeien en te vermaken. Aan dit vereischte voldoet Shakespeare’s stuk ten volle. Uit de onderstelling vloeit alles zoo geregeld mogelijk voort; en daar de toeschouwer in het geheim is en veel meer weet dan de optredende personen, vindt hij genot in het gevoel, dat hij alles, wat voor deze een raadsel is, zelf onmiddellijk kan oplossen. Als men daarbij nu nog in aanmerking neemt, dat er in het stuk wel degelijk karakterschildering is, dat er een kennelijk verschil bestaat in geaardheid tusschen de twee gebroeders Antipholus, en ook, hoewel in geringere mate, tusschen de twee Dromio’s; dat Adriana en haar zuster Luciana, de oude Ægeon, de Hertog, kortom alle personen met zorg geteekend zijn,—als wij nagaan, hoe indrukwekkend de lotgevallen van den rampspoedigen vader zijn medegedeeld, zoodat zij ons gedurende het geheele stuk voor den geest staan, hoe de blij-eindende ontknooping ons inderdaad roert, geruststelt en bevredigt, dan kunnen wij niet nalaten in dit tooneelwerk van den jeugdigen Shakespeare een meesterstuk te zien.
I. 1. 13.Verboden hier en ginder raadsbesluiten.In een stuk, uitgevaardigd in het begin van Elizabeth’s regeering, wordt erkend, dat beperkende bepalingen tot bescherming van eigen handel groot ongenoegen wekken tusschen vorsten, en aan de kooplieden veel leed en schade toebrengen. Toch riep Elizabeth zelf, weinige jaren later zulke bepalingen in het leven. Het is, of de dichter hier wil uitdrukken, welke noodlottige gevolgen zij desnoods zouden kunnen hebben.
I. 1. 41.Door meen’ge welgeslaagde reis naar Epidamnum.Wel staat in ’t Engelsch, dat hij meen’ge reis naar Epidamnum deed, doch de bedoeling is ongetwijfeld, dat hij menig schip met koopwaren er heen zond, want eerst na den dood van zijn factor reisde hijzelf er naar toe.
I. 1. 53.Dat naamverschil alleen verschil kon geven.Dat de twee kinderen ooit een verschillenden naam droegen, blijkt niet bij Sh.; bij Plautus wel.
I. 1. 79.Voor de eerstgeboor’ne meest bezorgd.Bij Sh. staatlatterborn, in tegenspraak met reg. 125. Daarom is hier vertaald, alsof erelder-bornstaat.—Het is echter ook mogelijk, dat regel 125 moet gelezen worden:my eldest boy, and yet my youngest care, dan warejongst-geborenehier goed.
I. 1. 94.Epidaurusis een stad aan de oostkust van de Peloponnesus, nabij Argos.
I. 1. 132.Ik heb in ’t verste Griekenlandenz. Men mag vermoeden, dat hier een paar regels zijn weggevallen, waar Ægeon zal gezegd hebben, dat hij om het uitblijven van zijn zoon, besloot dezen zelf te gaan zoeken.
I. 2. 9.Naar den Centaurus.Blijkbaar is dit, zooals later ook de Tijger (III. 1. 95), de naam van een herberg; maar Sh. geeft ook aan huizen van bijzondere personen, zooals in zijn tijd ook ten onzent in zwang was, in dit stuk namen, zooals de Feniks (I. 2. 75), de Egel (III. 1. 116).
I. 2. 56.Een staartriem voor mijn meesteres.In Sh.’s tijd reden, bij reizen, ook de vrouwen te paard.
I. 2. 97.De stad is, zegt men, vol bedrog en list.De stad Ephesus stond reeds bij de ouden bekend als een plaats, waar veel tooverkunst uitgeoefend werd. Men vindt dit ook in de Handelingen der Apostelen vermeld, XIX, vs. 13 en 19. Dat Sh. juist daarom zijn stuk te Ephesus liet spelen, is duidelijk genoeg; men vergelijke II. 2. 191; als de gedachte aan tooverij den zoekenden Antipholus en zijn dienaar verbijstert, is het verklaarbaar, dat zij, bij al de vergissingen, niet op de gedachte komen, van nader te onderzoeken, of niet misschien juist in Ephesus hun evenbeelden wonen.
II.Eerste Tooneel.Wààr een tooneel speelt, wordt door de folio-uitgave niet aangegeven; de meeste uitgevers hebben hier als localiteit een openbaar plein aangegeven. Ten onrechte; Adriana en Luciana hebben niets op straat te doen, en wachten, zooals blijkt, thuis den heer des huizes af, naar wien zij hun dienaar op nieuw willen uitsturen. Men kan hierbij ook aannemen, dat de twee vrouwen zich daar in een binnenhof of in den tuin bevinden, waar de tafel voor het maal gereedstaat. Daar kunnen zij, III. 1, zeer wel met Antipholus van Syracuse het middagmaal gebruiken; op het hooren van gedruisch gaat Adriana dan naar de deur.
II. 1. 83.Te schoppen als een bal.Voor het voetbalspel, ook thans nog in zwang, is, zoals bekend is, de bal met leder overtrokken.
II. 1. 101.Ik arme ben hem te oud.In ’t Engelsch:Poor I am but his stale. Geheel juist is de plaats niet te vertalen; in het oorspronkelijke wordt gespeeld met de woordendeerendear, en met de verschillende beteekenissen van het substantiefstale(zie “Taming Shrew” I. 1. 58, en III. 1. 90; “Much Ado” II. 2. 26, en IV. 1. 66) en van het adjectiefstale, zieCymbeline, III. 4. 53. Op deze laatste beteekenis is bij de hier gegeven vertaling vooral gelet.
II. 1. 109.Ik zie het nuenz. De meest bedorven plaats in het stuk; het is nog niet gelukt, den tekst op bevredigende wijze te herstellen, het bederf schuilt vooral in reg. 112:Wear goldenz.
II. 2. 35.Op mijn bol?In ’t Engelsch een woordspeling metsconce, dat “bol” of “hoofd” beteekent, en ook “schans”, waarom ook het woordensconce, “verschansen” volgt.
II. 2. 89.Hij verliest het met een soort van genot.Op de meening, dat door een losbandige levenswijze ziekten ontstaan, die het haar doen uitvallen, zinspeelt de dichter meermalen.
III. 1. 53.Hoor, meisje, wat is dat?In ’t Engelsch:Do you hear, you minion? you’ll let us in, I hope. In ’t Engelsch is dit gedeelte het eenige vers, dat niet rijmt. Men heeft daarom, met groote waarschijnlijkheid, vermoed, dat er een regel hier uitgevallen is, die opropeeindigde en waarin Lucie met een eind touw bedreigd wordt. Theobald veranderde, om een rijm te krijgen op de volgende twee regels,I hopeinI trow. De vertaler moest hier ook met een drievoudig rijm zich redden.
III. 1. 81.Een koevoet zonder koe.In ’t Engelsch:A crow without a feather. “Crow” beteekentkraaienbreekijzer. Daarop volgt reg. 83 nogto pluck a crow together, in het Duitsch “ein Hühnchen mit Jemandem pflücken”, wat wij zeggen: “een appeltje met iemand schillen.”—Opmerkelijk is, dat Plautus in zijn “Gevangenen”,Captivi, V. 4. 9., het woordupupaevenzoo gebruikt als Shakespeare hiercrow;upupais te gelijk een vogel, dehop, en eenpikhouweel, zooals voor het loswerken van steenachtigen grond gebezigd word.
III.Tweede Tooneel.Binnenplein.Men kan zich ook voorstellen, dat na het vertrek der vorigen Luciana en Antipholus van Syracuse uit het huis te voorschijn komen. Eigenaardiger is het echter, dat dit gesprek niet op straat gevoerd wordt, maar op een binnenplein, dat men als aan den ingang grenzend denken kan.
III. 2. 52.Is de liefde wuft.Men vergelijke:Venus en Adonis, 149.
III. 2. 117.Zij is een kogel, een globe.Men vergelijke inRabelais(L. III. Ch. 28) de beschrijving van den baard van Panurge door frère Jean, aldus luidende: “Ta barbe par les distinctions du gris, du blanc, du tanné, et du noir, me semble une mappemonde. Regarde ici.Voyla Asie. Icy sont Tigris et Euphrates. Voyla Africque. Icy est la montaigne de la Lune. Vois-tu les paluz du Nil? Deça est Europe. Vois-tu Theleme? Ce touppet icy tout blanc, sont les monts Hyperborées.”—Als het stuk voor koning Jacob I werd opgevoerd, bleef zeker de vermelding van Schotlands onvruchtbaarheid (reg.123) wel achterwege. In den Koopman van Venetië (I. 2. 83) wordt een Schotsch edelman belachelijk gemaakt: in de oude quarto staatthe Scottish lord, maar in de folio-uitgave van 1623, gedrukt nadat het stuk voor genoemden koning gespeeld was, staatthe other lord.
IV. 1. 93.Welk een schip, gij schaapskop?In ’t Engelsch: “Thou peevish sheep, what ship” enz. In Shakespeare’s tijd werdenshipensheepnagenoeg eender uitgesproken.
IV. 2. 22.Misvormd naar ’t lijf.In het Engelschstigmatical, door de natuur geteekend, gebrandmerkt.
IV. 2. 27.De kievit schreeuwt, enz. In Sh.’s tijd werd de kievit meermalen hiervoor aangehaald, ja de uitdrukking schijnt spreekwoordelijk geweest te zijn. InLily’s Campaspe leest men: “You resemble the lapwing, who crieth most where her nest is not.” Shakespeare zelf herhaalt het beeld in “Maat voor Maat,” I.4.32.
IV. 2. 32.Hij is in ’t voorportaal, neen, in de hel.In het Engelsch staat: He is in Tartar’s limbo; de uitdrukking schijnt aan de Engelschen uit Dante’s Goddelijke Comedie gemeenzaam te zijn geworden, men vindt haar meermalen bij Shakespeare en ook in Spencer’s Elfenkoningin. Dehelwas in Sh.’s tijd, en nog een eeuw later de naam van een gevangenis. Evenzoo wascounter(reg. 39) de naam van een gevangenis; maarto run counteris ook een uitdrukking voor een jachthond, die op een valsch spoor is of in verkeerde richting loopt.—De gerechtsdienaars waren in leder gekleed, zie K. Hendrik IV, I. 2. 48.
IV. 3. 14.Den ouden Adam in zijn nieuw gewaad.Adam na den val, toen hij zich met beestenvellen bekleedde.
IV. 3. 28.Dan een Moor met zijn piek.Er staat eigenlijk: “dan een moorenpiek”. Eenmorris-pikewas een gevaarlijk wapen; gerechtsdienaars droegen als teeken van hun ambt een staf,mace.
IV. 3. 34.Blijf maar zitten.In ’t Engelsch:God give good rest! “Rest” te gelijk voorrustenarrestgebezigd.—Deengelen, waarvan reg. 41 gesproken wordt, zijn gouden munten van 10 Shill.; zie “Koopman van Venetië,” II. 7. 65.
IV. 4. 44.Respice finem.Let op het einde. Het bijna gelijkluidendeRespice funem, waarop hier gedoeld wordt, beteekent: “Let op het touw”, of “Pas op voor het touw”; Dromio doelt op het touw, dat hij heeft moeten halen. Als men aan de papegaaien, om de toehoorders te plagen, leert zeggen: “Beware the rope’s end”, beteekent dit eer:“Hoed u voor den strop.”—Dokter Knijp, die hier optreedt, wordt in de Folio-uitgave een schoolmeester genoemd; schoolmeesters verstonden Latijn, en konden daarom als duivelbanners optreden.
IV. 4. 78.De keukenmaagd.Het Engelsch betitelt haarkitchen-vestal, omdat zij, als de Vestaalsche maagden, het vuur moet aanhouden.
V. 1. 175.Het hoofd hem kaal knipt als een nar.Het was de gewoonte, bij de verpleging van narren (gekken, waanzinnigen) hun het haar zeer kort af te knippen of af te scheren.
V. 1. 205.Terwijl zij binnen met schavuiten braste.In het Engelsch staat:While she with harlots feasted in my house. Het woordharlotbeteekent, van mannen gebruikt, meestal “liederlijk mensch, schoelje, schavuit.”
V. 1. 400.Sinds vijf en twintig jaarenz. In de Folio-uitgave leest men: “Sinds drie en dertig jaar.” Het is mogelijk, dat Sh. zelf zoo schreef en niet heeft nagerekend, wat hij vroeger had medegedeeld; maar drie en dertig is voor deze broeders wel wat oud en door een eenvoudige optelling van twee, door Sh. gegeven getallen vindt men vijf en twintig jaar, wat meer met den geest van het stuk overeenkomt. Ægeon heeft,I. 1. 126, gezegd, dat de hem overgebleven zoon op achttienjarigen leeftijd zijn broeder ging opzoeken, en zoo pas,V. 1. 309, dat dit vertrek eerst zeven jaar geleden is. Reeds voorlang heeft Theobald het getal veranderd en is door verscheiden uitgevers, b.v. door Knight, hierin gevolgd.
1Men vindt dit boven blz. 5 en vgg. uiteengezet. Meermalen zal men in de aanteekeningen het een en ander aantreffen, dat ook in het “Overzicht van Sh.’s leven en werken” vermeld is. Op deze wijze kunnen de aanteekeningen een geheel uitmaken, dat geraadpleegd kan worden zonder dat de lezer telkens naar dit overzicht verwezen wordt.
1Men vindt dit boven blz. 5 en vgg. uiteengezet. Meermalen zal men in de aanteekeningen het een en ander aantreffen, dat ook in het “Overzicht van Sh.’s leven en werken” vermeld is. Op deze wijze kunnen de aanteekeningen een geheel uitmaken, dat geraadpleegd kan worden zonder dat de lezer telkens naar dit overzicht verwezen wordt.