Aanhangsel.Van de Jong-Turken maakten wij in ons verhaal nog slechts terloops melding. Zij vormden vóór 1908 geen kracht van beteekenis in het rijk. Velen der hervormingsgezinden, die vooral vóór 1878 van zich hadden doen hooren, waren onder het régime van Abdoel-Hamid gedwongen het land te verlaten. Zij leefden als ballingen in de Westersche wereld, vooral te Parijs, en maakten in ruime mate kennis met Westersche wetenschap en Westersche cultuur. De denkende koppen onder hen beraamden programma’s van hervormingen. Zij dweepten niet als de vroegere Jong-Turken met het West-Europeesche parlementaire systeem, oordeelende, dat die voor een zeer gecompliceerden staat als den Turkschen minder zou deugen. Zij voelden het meest voor een Republiek, maar aanvaardden de constitutioneele monarchie als overgangssysteem, als eerste stadium voor den nieuwen tijd. Hoofdzaak was: aan de absolute regeering van Abdoel-Hamid een einde te maken. Het duurde vrij lang, voordat het Turksche volk, zoo phlegmathiek van aard, zelfs deze regeering moede werd. De Jong-Turken zochten hun aanhang vooral in het leger en langzamerhand kreeg de propaganda van het door hen gestichte comité voor Unie en Vooruitgang hier invloed, bepaaldelijk onder de troepen, die in Macedonië waren bijeengetrokken. Moeilijkheden van den sultan met de Albaneezen gaven toen in 1908 het sein tot het uitbreken van een militairen opstand onder dezen.In Juli van dit jaar proclameerden het pas genoemde comité en eenige Jong-Turkschen officieren in Macedonië het herstel van de constitutie van 1878. Van Albanië uit werd hierop bij den sultan aangedrongen. Abdoel-Hamid, bevreesd voor een opmarsch der troepen naar Constantinopel, voorkwam het gevaar door toe te geven: Op den 24sten Juli decreteerde hij zelf, dat de constitutie hersteld was. Een volksvertegenwoordiging werd meteen samengeroepen. Nu werd het een uitbundige vreugde in den Balkan, voor zoover nog onder Turksch bewind. Men meende, dat een geheel nieuw vooruitzicht zich opende en dat de Macedonischeen andere kwesties van zelf zouden verdwijnen. Christenen en Mohammedanen waren gelijk. Hun algeheele verbroedering was aanstaande. Het verleden kon vergeten worden....Te midden van den jubel deden zich twee onaangename tonen hooren. In October verklaarde keizer Frans Jozef, dat hij Bosnië en Herzegowina annexeerde en dus de tijdelijke occupatie in een definitieve veranderde, terwijl hij het Sandsjak van Novi-Bazar aan Turkije teruggaf. Ongeveer tegelijkertijd proclameerde vorst Ferdinand van Boelgarije zich tot tsaar van dit land en Oost-Roemelië beide: hij ontdeed zich dus van de Turksche suzereiniteit. Feitelijk veranderde dit niet veel aan den bestaanden toestand. Er was eigenlijk niemand, die nog verwachtte, dat Oostenrijk-Hongarije de geoccupeerde gewesten ooit vrijwillig zou teruggeven of dat vorst Ferdinand Oost-Roemelië zou ontruimen. De nieuwe staatsrechtelijke toestand in Turkije, die ook voor de nog slechts in naam Turksch heetende gebieden gevolgen zou kunnen hebben, had voor Oostenrijk en Boelgarije, die hier niet zonder onderling overleg gehandeld hadden, de gelegenheid geschapen, om den vorm van het bezit te wijzigen. Het meeste verzet tegen deze formeel-rechtelijk niet te billijken handelingen kwam van de zijde der entente-mogendheden, v.n. van Engeland en Rusland, terwijl in Servië een zeer scherpe beweging tegen de annexatie ontstond. Ook Italië, waar de publieke opinie Oostenrijk gemeenlijk weinig goed gezind was, toonde er zich allerminst mede ingenomen; de regeering, ofschoon vasthoudend aan het drievoudig verbond, deed het voor Oostenrijk minder aangename voorstel een Europeesche conferentie samen te roepen, om de zaken op den Balkan opnieuw te regelen. In dezen tegenstand openbaarde zich eigenlijk de Europeesche verhoudingen: de gebeurtenissen op den Balkan gaven er slechts de aanleiding toe, dat de beide Europeesche staten-groepen elkander haast in de haren vlogen. Duitschland schaarde zich zonder voorbehoud aan de zijde van zijn bondgenoot. Een groote Europeesche oorlog heeft toen zeer ernstig gedreigd. Het schijnt, dat vooral Rusland, dat zich militair nog niet voldoende hersteld had, niet met kracht heeft durven doortasten. Tot vermindering van de spanning, die sedert October 1908 in Europa heerschte, droeg veel bij, dat Oostenrijk-Hongarije er in slaagde Turkije te bewegen zich in het fait accompli te schikken. Hier was de beweging tegen de annexatie lang niet zoo heftig geweest als in de landen der entente, en in Servië. De regeering had geprotesteerd en er was een boycotbeweging in enkele Turksche havens ontstaan. Ernstigeren vorm had het conflict niet aangenomen. En Abdoel-Hamid bleek spoedig bereid voor de betrekkelijk aanzienlijke schadeloosstelling van 2–1/2 millioen Turksche ponden zijne souvereine rechten—rechten, die alleen nog in naam bestonden!—af te staan; hij bedong bij de voor hem lang niet onvoordeelige overeenkomst van Februari 1909 nog bovendien, dat zijne geestelijke rechten als khalief over de Mohammedanen in debeide gewesten, ten deele althans, bewaard bleven en dat Oostenrijk de toezegging deed er toe te zullen medewerken, dat de nog altijd bestaande capitulatiën der vreemde mogendheden zouden opgeheven worden. Kort daarna erkende de sultan bij een overeenkomst met Boelgarije ook den nieuwen stand van zaken hier. Zij was mogelijk geworden, doordat Rusland aanbood de 5 millioen Turksche ponden, die het nog van Turkije te eischen had als rest van de oorlogsschatting van 1878, aan dit land kwijt te schelden, terwijl Boelgarije zich verplichtte 3 millioen dergelijke ponden aan Rusland te betalen. Ook hier deed de sultan geen onvoordeelige zaken. Een afzonderlijke regeling werd getroffen over de belangen der Mohammedanen in Boelgarije. Na deze schikkingen luwde de storm in Europa. Het laatst moest Servië zich gewonnen geven. Oostenrijk eischte van dit land toen de uitdrukkelijke belofte, dat het zich bij de annexatie neerlegde. Maar de goede verhouding keerde niet terug; de tegenstellingen waren hier en elders in Europa door deze gebeurtenissen veeleer verscherpt.Deze voor het enthusiasme, door de Jong-Turksche revolutie veroorzaakt, minder aangename, maar niet te veel storende geluiden werden spoedig door erger gevolgd. Abdoel-Hamid maakte van de zwarigheden gebruik, om zich aan den invloed van de Jong-Turken te onttrekken. Spoedig na de overeenkomsten met Oostenrijk en Boelgarije waagde hij een staatsgreep; hij wist zich van den steun der Oud-Turken zeker en hoopte op dien van de Liberale Unie, die zich in hare hervormingsneigingen vrij sterk van het onder de Jong-Turken overheerschende comité van Unie en Vooruitgang onderscheidde. In April 1909 werd het parlementsgebouw te Constantinopel door soldaten bezet en het ministerie, toen grootendeels uit voorstanders van het comité bestaande, geheel gewijzigd. Maar onmiddellijk rukte nu het Macedonische leger, dus het leger van de Jong-Turken, naar Constantinopel op en het deed dit onder opperbevel van Mahmoed-Sjefket-pasja in de beste orde. Straatgevechten in de hoofdstad liepen ten voordeele van dit leger af. Nu kwam een nationale vergadering—als hoedanig zich de volksvertegenwoordiging geconstitueerd had—te Constantinopel bijeen. Zij zette Abdoel-Hamid af en proclameerde een jongeren broeder van dezen als Mohammed V tot diens opvolger. Den gevallen Sultan werd een woonplaats te Saloniki aangewezen; hij behield zijn leven en zijne vrouwen, maar zijn rijkdom werd hem afgenomen. Onder den nieuwen sultan begon de regeering van het comité zelf.Nu mocht men verwachten, dat de in Juli 1908 verkondigde idealen hare verwezenlijking nabij waren. Maar juist het omgekeerde gebeurde. Wel bleef de constitutie gehandhaafd, maar in allen deele uitgevoerd werd zij niet. En tusschen de Christenen en de Jong-Turksche regeering werd de verhouding spoedig heel slecht. Dit is buiten kijf de schuld der laatste. In de praktijktoonde zich deze zeer chauvinistisch-Turksch. Niet om gelijkstelling bleek het haar te doen, maar om gelijkmaking, om assimilatie van de verschillende deelen aan de Turksche norm. Afschaffing van alle bijzondere rechten, den onderdeelen in verschillende mate toegekend, en sterke centralisatie van de regeering werden de leus. Het moge waar zijn, dat de Jong-Turken hiermede de verwezenlijking van zekere moreele idealen hoopten mogelijk te maken, zij lieten zich, om hun doel te bereiken, van geen middelen, hoe slecht en onpractisch ook, afschrikken en toonden daarbij weinig staatkundig talent. Zij deden, zooals dwepers veelal doen, en men is geneigd hen met eenige zachtheid te beoordeelen, juist omdat ze dwepers waren en omdat ze voor zulk een geweldig zware taak stonden: de bereddering van Abdoel-Hamid’s nalatenschap!Wat al plannen hebben zij geëntameerd! Ze wilden de Turken in de niet meer onder Turksch bewind staande landen, in en buiten Europa, naar Turkije overbrengen, daarmede de Turksche bevolking versterken en over de Christelijke den baas worden. Ze wilden de scholen overal naar één model, een Turksch model natuurlijk, inrichten. Tot Ottomanen zouden alle onderdanen van den Turkschen staat gemaakt worden,—naar één uniform model. En dat in een staat, waar juist de grootst mogelijke verscheidenheid van taal, godsdienst, gewoonten bestond! Verzet, dat natuurlijk niet uit kon blijven en ook waarlijk niet uitbleef, zou met geweld worden bedwongen. Ontwapening van de deelen, waar verzet gepleegd werd, was hiertoe een eerste schrede. Nu verdween de geest van verbroedering van 1908 zeer snel. Niet alleen in de Christelijke streken van den Balkan, ook in de door Mohammedanen bewoonde werd het roerig, tot in Syrië toe, waar juist de Arabieren in den beginne den Jong-Turken zeer goed gezind geweest waren, maar—van de centralisatie waren ook zij volstrekt niet gediend. Evenmin als de Albaneezen, ze mochten dan den Islam of het Christendom aanhangen, die juist op hunne groote mate van zelfstandigheid prat waren geweest. Van 1909–1911 kwam het onder hen van opstand tot opstand. In Macedonië begonnen de gevechten opnieuw; de toestand van vóór 1908 keerde terug. De regeering toonde zich ontegenzeggelijk krachtiger dan die van Abdoel-Hamid. In 1911 behaalde ze niet onbelangrijke voordeelen in Albanië en in Macedonië schenen de benden het nu tegen de Turksche troepen te moeten afleggen. De laatsten hadden het misschien nog verder kunnen brengen, ware de kracht van het leger, doordat vele officieren te veel aan politiek deden, waardoor de tucht verslapte, niet ten deele ondermijnd. Ook het opnemen van de Christenen in het leger, gevolg van den nieuwen toestand, had op den samenhang een nadeeligen invloed. Het is moeilijk te zeggen, wat het einde van deze ontwikkeling zou geweest zijn, indien deze in volle vrijheid, zonder belemmering van buiten af, had plaats gegrepen. Maar dit was niet het geval.In September 1911 ondernam Italië een expeditie naar Tripoli. De stad werd vrij gemakkelijk bezet. In het binnenland boden de Arabieren, door een klein aantal Turken versterkt, hevigen tegenstand. Het zou niet anders gegaan zijn, ware Abdoel-Hamid nog aan de regeering geweest. Maar nu kregen de Jong-Turken de schande der nederlaag te dragen en dit verhoogde hun aanzien niet. Men mocht hun met eenig recht verwijten, dat zij zeer weinig gedaan had, om de in diep verval verkeerende marine op te beuren, zij had in drie jaar toch niet genoeg kunnen doen, om Italië ter zee te weerstaan—en dit zou het eenige middel geweest zijn, om Tripoli te behouden. Terwijl de strijd in Libye nog voortduurde, sloot de Turksche regeering met Italië te Lausanne vrede (October 1912): zij stond Tripoli af, waar de sultan dergelijke rechten behield als in Bosnië en Herzegowina; zij verplichtte zich de Turksche troepen uit Libye terug te roepen; tot zoo lang zou Italië eenige eilanden in de Aegeïsche Zee (waaronder Rhodos), die het tijdens den oorlog bezet had, behouden. Zeer onvoordeelig was dit einde; geen geld zelfs was tot afkoop bedongen! Turkije had den afloop verhaast, omdat het wist, dat veel grooter gevaar dreigde.Het optreden der Jong-Turken en het gevaar voor een mogelijke versterking van den Turkschen staat had de Christelijke staten op den Balkan tot elkander gebracht. Het plan tot hunne onderlinge aaneensluiting was reeds lang van enkele zijden bepleit. Het leek ook zoo aannemelijk en zoo eenvoudig: de Christenen samen, om den Turk te verdrijven! In werkelijkheid waren de moeilijkheden even groot als die een aaneensluiting van de groote mogendheden in Europa tot hetzelfde doel sedert de 18e eeuw in den weg hadden gestaan; wat moest er gebeuren met het land, dat men den Turken zou ontnemen? Met Macedonië, waarop Bulgarije, Servië en Griekenland alle drie aasden. Met Albanië, dat Servië, Montenegro en Griekenland al even zeer begeerden. Met Constantinopel! En natuurlijk zouden de groote mogendheden de definitieve regeling niet buiten zich om laten geschieden. Rusland had de hoop op Constantinopel niet definitief opgegeven. Oostenrijk en Italië wenschten geen sterken staat aan de Adriatische Zee. Hierin stemden de belangen dezer beide, anders meer en meer divergeerende landen overeen. In het laatste stadium der Turksche kwestie in Europa zouden al deze belangen stellig tot hun recht trachten te komen. Het was onmogelijk ze alle vooraf met elkander te verzoenen. De aaneensluiting van Bulgarije, Servië, Montenegro en Griekenland in 1912, die men gewoon is den Balkanbond te noemen, was slechts een bescheiden poging, om althans enkele onderlinge geschilpunten uit den weg te ruimen en zoo het gezamenlijk optreden mogelijk te maken.De wijze, waarop, en de omstandigheden, waaronder de zoogenaamde Balkanbond tot stand kwam, zijn niet in alle bijzonderheden bekend. Zeker is, dat de besprekingen tusschen devoornaamste Balkan-staatslieden, vooral op aansporen van den Griekschen minister Venizelos, in den loop van 1910 begonnen en dat eerst in het voorjaar van 1912 een Servisch-Boelgaarschverdrag, weldra gevolgd door een Grieksch-Boelgaarsch verdrag, gesloten werd en dat iets later ook militaire afspraken tot stand kwamen. De staatkundige toestand, zooals deze er na een eventueele overwinning op de Turken zou moeten uitzien, werd echter volstrekt niet precies vastgesteld. Boelgarije en Servië werden het over de verdeeling van Macedonië vrij wel eens; over een betwist gedeelte zou de keizer van Rusland later uitspraak moeten doen. Maar Boelgarije en Griekenland hadden omtrent het deel van Macedonië, dat aan het laatste land zou komen, niets positiefs omschreven: de groote kwestie, wie hunner Saloniki zou krijgen, bleef open! De verdragen, voor zoover ze bekend geworden zijn, droegen een defensief karakter; maar uit den aard der zaak werd een optreden tegen Turkije er door voorbereid.Een kleine aanleiding was voldoende, om dit uit te lokken. Een nieuwe opstand in Albanië in 1912, nu met meer succes ondernomen dan de vorige—de Albaneezen dwongen de Turksche regeering, een ietwat gematigder regeering, die onder den indruk van den ernst der gebeurtenissen juist opgetreden was, hun een ruimer mate van autonomie toe te staan, die zich zelfs over een deel van Macedonië zou uitstrekken—, deed de spanning op den Balkan zeer toenemen. Toen toonden de groote mogendheden, v.n. Oostenrijk, neiging zich met de zaken te gaan bemoeien, om den dreigenden storm te bezweren. Zij verklaarden geen veranderingen in den status quo te zullen dulden—, zooals ze vroeger meermalen gedaan hadden. Juist één dag later verklaarde Montenegro, als wilde het met deze verklaring openlijk den spot drijven, aan Turkije den oorlog (9 October). Het uitdagend optreden van den kleinsten onder hen sleepte weldra de anderen mede. Deze eischten nu van Turkije autonomie voor alle Europeesche provinciën van het Turksche rijk, waarbij de grenzen naar de ethnographische toestanden zouden getrokken worden. Turkije antwoordde met een oorlogsverklaring aan Servië en Boelgarije, waarna Griekenland onmiddellijk de zijde van dezen koos.Over het algemeen verwachtte men, dat de Turken hunne tegenstanders gemakkelijk zouden overwinnen. Het Jong-Turksche leger had immers in 1908 zulke duidelijk sprekende proeven van bekwaamheid afgelegd! Maar de verwachting werd in geenen deele vervuld. Het leger bleek dapper genoeg, maar volstrekt niet berekend op de sterke krachtsinspanning, die er nu van geëischt werd. Het was niet voorzien van voldoende uitrusting en bij lange na niet voldoende georganiseerd. De Balkan-staten voerden den oorlog ieder voor zich; zij ondernamen geen gemeenschappelijke actie. De Boelgaren, wier hoofdmacht in Thracië viel, kregen met het voornaamste leger der Turken te maken. Zij versloegen dat achtereenvolgens bij Kirk-Kilisse, Loele-Boergas enTsjorloe, maar stieten, zelf door verliezen en ziekte verzwakt, het hoofd voor de linie van Tsjataldza, terwijl ze ook Adrianopel eerst niet konden veroveren. Onderwijl veroverden de Serviërs na hunne overwinningen bij Koemanovo en Monastir een zeer groot deel van Macedonië; zij ondernamen bovendien een expeditie naar het Westen, die zelfs leidde tot de bezetting van Durazzo in Albanië aan de Adriatische Zee. De Grieken stelden zich in het bezit van Epirus en Zuidelijk-Macedonië met Saloniki, waar ook een Bulgaarsch legertje binnentrok. De Montenegrijnen behaalden voordeelen aan de grenzen van hun land, maar het gelukte hun niet Skoetari te nemen, evenmin als de Grieken er in slaagden Janina te bezetten. Ter zee hield de Grieksche vloot de Turksche zonder veel moeite in bedwang; dien ten gevolge kon nu Kreta zich, zonder bezwaar, met Griekenland vereenigen, welk voorbeeld Samos en verschillende andere eilanden in de Aegeïsche Zee volgden. Het standhouden bij Tsjataldzja, te Adrianopel, Skoetari en Janina behoedde de Turken voor geheele verdrijving uit Europa, waarop de Boelgaren, onder den indruk hunner grootsche successen in het begin van den oorlog, stellig gehoopt hadden. Na twee maanden oorlogvoeren stemden Boelgarije, Servië en Montenegro er in toe een wapenstilstand te sluiten; alleen Griekenland weigerde hierin te treden. Vredesonderhandelingen, waaraan dit laatste land wel meedeed, werden aangeknoopt te Londen.Hier had Turkije weinig in te brengen. Het kon er alleen naar streven de zeer zware eischen, door den Balkanbond gesteld, eenigszins te doen matigen. Van de groote mogendheden mocht het op geen steun hoegenaamd rekenen. Zij hadden hare verklaring van vóór den oorlog al spoedig ingetrokken, begrijpende, dat er na den loop, dien de oorlog nam, aan een handhaving van den ouden toestand niet te denken viel. Wel bleek spoedig, dat ze zich zouden laten gelden bij de verdeeling van den buit. Oostenrijk-Hongarije en Italië gaven zonder omwegen te kennen, dat ze niet zouden dulden, dat Servië zich aan de Adriatische Zee nestelde. Het eerste land zag de groote uitbreiding van Servië in Zuidelijke richting ook zeer ongaarne, maar moest zich hierin wel schikken. Evenzoo verzetten de beide, pas genoemde landen er zich tegen, dat Walona in Zuid-Albanië aan Griekenland kwam. Zij stelden voor de stichting van een zelfstandig vorstendom in Albanië en wisten dat met steun der andere groote mogendheden door te zetten. Een gezanten-conferentie te Londen zou de grenzen van het nieuwe vorstendom regelen. Overigens trachtten de mogendheden tusschen de Balkan-partijen te bemiddelen. Zij wisten te bewerken, dat enkele der moeilijkste aangelegenheden, zooals de regeling van de kwestie over de eilanden in de Aegeïsche Zee, voor een later te nemen beslissing uit de onderhandelingen geëcarteerd werden. In Januari 1913 nam toen de Turksche regeering de voorwaarden der tegenpartij in hoofdzaak aan: afstand van al het verloren gebied, met inbegrip vanhet nog niet ingenomen Adrianopel, op den afstand waarvan Boelgarije met alle kracht aangedrongen had.Het aannemen van deze voorwaarden kostte de toenmalige Turksche regeering haar bestaan. De heftige Jong-Turken maakten revolutie te Constantinopel en kwamen opnieuw aan het bewind. Zij verklaarden den pas gesloten vrede niet te willen aanvaarden. Zoo begon de oorlog opnieuw, maar de Jong-Turken brachten geen ommekeer te hunnen gunste teweeg. Zelfs gingen nu Adrianopel, Janina, eindelijk ook Skoetari verloren. De nieuwe regeering mocht van geluk spreken, dat zij ten slotte vrede kon sluiten in hoofdzaak op dezelfde voorwaarden als door hare voorgangster waren goedgekeurd. Bij den in Mei 1913 te Londen gesloten vrede verloor Turkije al zijn Europeesch gebied behalve het deel van Thracië ten Zuiden van de lijn Enos-Midia; dus Constantinopel met het achterland dezer stad, juist genoeg om Bosporus en Dardanellen te blijven beheerschen en daardoor een rol van beteekenis in de Europeesche zaken te kunnen spelen. Het zou een oorlogsschatting hebben te betalen, maar alleen als vergoeding van het aandeel in de Turksche schuld, dat de bondgenooten zouden moeten overnemen; in bizonderheden zou ook deze aangelegenheid eerst later geregeld worden onder toezicht der groote mogendheden. De gezanten-conferentie te Londen had inmiddels de grenzen van Albanië vastgesteld. De Serviërs moesten het zich getroosten Durazzo te ontruimen en de Montenegrijnen trokken zich uit Skoetari terug, dit laatste echter pas na een op aandringen van Oostenrijk ondernomen vlootdemonstratie van de mogendheden in de Adriatische Zee.Hun overigen buit mochten de vier Balkan-Staten behouden. Over de verdeeling werden ze het niet gemakkelijk eens. Zelfs kwam het tot een onderlingen oorlog van Boelgarije met de drie andere ten gevolge van de naar aanleiding hiervanontstanemoeilijkheden. Boelgarije wilde behouden, wat het in Thracië en Macedonië zelf veroverd had, maar bovendien het deel van Macedonië krijgen, dat aan het land volgens het verdrag met Servië toegezegd was. Maar Servië wilde dit laatste niet geheel afstaan, omdat Boelgarije in Thracië zóó uitgebreid werd. Dan wenschte Boelgarije eigenlijk ook nog Saloniki..... Het overvroeg hier stellig; het wilde met de uitkomsten van den oorlog geen rekening houden. En in plaats van te wachten op den afloop van diplomatieke onderhandelingen, in plaats van de door keizer Nicolaas II aangeboden arbitrage te aanvaarden, viel het in Juni zijn vroegeren bondgenooten plotseling op het lijf. Maar nu bleek het zijn krachten verre overschat te hebben, te meer, omdat het met Roemenië ook nog te maken kreeg, dat, optredend voor het vestigen van een evenwicht op den Balkan, zich aan de zijde van Boelgarije’s vijanden schaarde. Binnen twee weken was het aan alle kanten schaakmat gezet. De Grieken verdreven het Boelgaarsche garnizoen uit Saloniki. De Serviërs namen nog meer van Macedonië in bezit. De Roemeniërs steldenzich in het bezit van Silistrië in het Boelgaarsche deel van de Dobroedsja ten zuiden van den Donaumond. Ja, de Turken namen de gelegenheid waar, om Adrianopel met een groot deel van Thracië te hernemen. Tsaar Ferdinand riep de bemiddeling van den Oostenrijkschen keizer in, die hem den raad gaf zich tot den Roemeenschen koning te wenden. Het kwam tot onderhandelingen te Boekarest, waar Boelgarije even weerloos stond als Turkije een jaar vroeger te Londen. Bij den vrede had het de voorwaarden der bondgenooten te aanvaarden. Het verloor aan Roemenië de pas genoemde streken, zoodat dit land nu den geheelen Donau-mond in bezit kreeg. Het moest aan Servië en Griekenland het grootste deel van Macedonië laten; het laatste behield niet alleen Saloniki, maar bovendien nog Kawalla, de tweede havenstad; Bulgarije moest tevreden zijn met Dede-Agatsj. Bovendien stond het bij den afzonderlijken vrede met Turkije nog Adrianopel af; de grens werd een goed stuk in Noordelijke richting verlegd.Een doos van Pandora bleek de Balkankwestie voor de zooveelste maal geweest te zijn. Wat zal zij nog verder voor wonderen baren?De regeling der bij den vrede van Londen aan de groote mogendheden opgedragen kwesties was nog niet afgeloopen, toen in 1914 de groote wereldoorlog uitbarstte. Ieder weet, dat de aanleiding op den Balkan lag: de moord van het Oostenrijksche kroonprinselijk paar te Sarajewo in Juni, door Oostenrijk aan de kuiperijen der groot-Servische propaganda geweten; de zware eischen, toen door Oostenrijk aan Servië gesteld! Maar de oorzaak heeft men te zoeken in de tegengestelde belangen der beide groepen van mogendheden in Europa; anders dan in 1908 werd nu de uitbarsting niet voorkomen. Italië alleen hield er zich eerst buiten, maar schaarde zich ten slotte aan de zijde der entente, zijn oude bondgenooten dus verlatende.De invloed dezer gebeurtenissen liet zich op den Balkan van meet af in sterke mate gevoelen. Turkije koos al spoedig de partij van Duitschland en Oostenrijk, waarvan het voor zijne toekomst het minst te vreezen had en tot welke het sedert jaren meer en meer was genaderd. Het feit, dat Engeland in het begin van den oorlog weigerde twee voor Turkije in Engeland gebouwde en haast voltooide oorlogsschepen uit te leveren—het lijfde ze bij de eigen marine in—, terwijl Duitschland twee zijner kruisers, die uit de Middellandsche Zee naar Constantinopel den wijk genomen hadden, aan de Turksche regeering aanbood, accentueerde direct deze verhouding. Ongeveer een jaar later volgde Boelgarije Turkije’s voorbeeld: het hoopte zoo te herwinnen, wat het in 1913 had moeten opgeven. Dientengevolge werd het Balkan-schiereiland een der belangrijkste onderdeelen van het algemeene oorlogsterrein. De expeditie der entente tegen de Dardanellen en de tijdelijke bezetting van een deel van Gallipoli; de verovering van Servië door de centralen(zoo noemt men de Duitschers en Oostenrijkers vrij algemeen), na de aansluiting van Boelgarije wel te verstaan; de opening dientengevolge van een directen weg van Berlijn naar Constantinopel en verder; het zijn alle gebeurtenissen van wereldhistorisch belang, waarvan de definitieve uitwerking nog altijd niet is te voorspellen.Zullen de Jong-Turken nu in de nieuwe omstandigheden den verderen val der Turksche macht in Europa weten te voorkomen? Aan krachtig verweer met hulp van de Duitschers, die het Turksche leger reeds vroeger ten deele gereorganiseerd hadden, hebben zij het niet laten ontbreken. Behouden de Turken Constantinopel, zij blijven een factor van groote beteekenis in het toekomstige Europa.
Aanhangsel.Van de Jong-Turken maakten wij in ons verhaal nog slechts terloops melding. Zij vormden vóór 1908 geen kracht van beteekenis in het rijk. Velen der hervormingsgezinden, die vooral vóór 1878 van zich hadden doen hooren, waren onder het régime van Abdoel-Hamid gedwongen het land te verlaten. Zij leefden als ballingen in de Westersche wereld, vooral te Parijs, en maakten in ruime mate kennis met Westersche wetenschap en Westersche cultuur. De denkende koppen onder hen beraamden programma’s van hervormingen. Zij dweepten niet als de vroegere Jong-Turken met het West-Europeesche parlementaire systeem, oordeelende, dat die voor een zeer gecompliceerden staat als den Turkschen minder zou deugen. Zij voelden het meest voor een Republiek, maar aanvaardden de constitutioneele monarchie als overgangssysteem, als eerste stadium voor den nieuwen tijd. Hoofdzaak was: aan de absolute regeering van Abdoel-Hamid een einde te maken. Het duurde vrij lang, voordat het Turksche volk, zoo phlegmathiek van aard, zelfs deze regeering moede werd. De Jong-Turken zochten hun aanhang vooral in het leger en langzamerhand kreeg de propaganda van het door hen gestichte comité voor Unie en Vooruitgang hier invloed, bepaaldelijk onder de troepen, die in Macedonië waren bijeengetrokken. Moeilijkheden van den sultan met de Albaneezen gaven toen in 1908 het sein tot het uitbreken van een militairen opstand onder dezen.In Juli van dit jaar proclameerden het pas genoemde comité en eenige Jong-Turkschen officieren in Macedonië het herstel van de constitutie van 1878. Van Albanië uit werd hierop bij den sultan aangedrongen. Abdoel-Hamid, bevreesd voor een opmarsch der troepen naar Constantinopel, voorkwam het gevaar door toe te geven: Op den 24sten Juli decreteerde hij zelf, dat de constitutie hersteld was. Een volksvertegenwoordiging werd meteen samengeroepen. Nu werd het een uitbundige vreugde in den Balkan, voor zoover nog onder Turksch bewind. Men meende, dat een geheel nieuw vooruitzicht zich opende en dat de Macedonischeen andere kwesties van zelf zouden verdwijnen. Christenen en Mohammedanen waren gelijk. Hun algeheele verbroedering was aanstaande. Het verleden kon vergeten worden....Te midden van den jubel deden zich twee onaangename tonen hooren. In October verklaarde keizer Frans Jozef, dat hij Bosnië en Herzegowina annexeerde en dus de tijdelijke occupatie in een definitieve veranderde, terwijl hij het Sandsjak van Novi-Bazar aan Turkije teruggaf. Ongeveer tegelijkertijd proclameerde vorst Ferdinand van Boelgarije zich tot tsaar van dit land en Oost-Roemelië beide: hij ontdeed zich dus van de Turksche suzereiniteit. Feitelijk veranderde dit niet veel aan den bestaanden toestand. Er was eigenlijk niemand, die nog verwachtte, dat Oostenrijk-Hongarije de geoccupeerde gewesten ooit vrijwillig zou teruggeven of dat vorst Ferdinand Oost-Roemelië zou ontruimen. De nieuwe staatsrechtelijke toestand in Turkije, die ook voor de nog slechts in naam Turksch heetende gebieden gevolgen zou kunnen hebben, had voor Oostenrijk en Boelgarije, die hier niet zonder onderling overleg gehandeld hadden, de gelegenheid geschapen, om den vorm van het bezit te wijzigen. Het meeste verzet tegen deze formeel-rechtelijk niet te billijken handelingen kwam van de zijde der entente-mogendheden, v.n. van Engeland en Rusland, terwijl in Servië een zeer scherpe beweging tegen de annexatie ontstond. Ook Italië, waar de publieke opinie Oostenrijk gemeenlijk weinig goed gezind was, toonde er zich allerminst mede ingenomen; de regeering, ofschoon vasthoudend aan het drievoudig verbond, deed het voor Oostenrijk minder aangename voorstel een Europeesche conferentie samen te roepen, om de zaken op den Balkan opnieuw te regelen. In dezen tegenstand openbaarde zich eigenlijk de Europeesche verhoudingen: de gebeurtenissen op den Balkan gaven er slechts de aanleiding toe, dat de beide Europeesche staten-groepen elkander haast in de haren vlogen. Duitschland schaarde zich zonder voorbehoud aan de zijde van zijn bondgenoot. Een groote Europeesche oorlog heeft toen zeer ernstig gedreigd. Het schijnt, dat vooral Rusland, dat zich militair nog niet voldoende hersteld had, niet met kracht heeft durven doortasten. Tot vermindering van de spanning, die sedert October 1908 in Europa heerschte, droeg veel bij, dat Oostenrijk-Hongarije er in slaagde Turkije te bewegen zich in het fait accompli te schikken. Hier was de beweging tegen de annexatie lang niet zoo heftig geweest als in de landen der entente, en in Servië. De regeering had geprotesteerd en er was een boycotbeweging in enkele Turksche havens ontstaan. Ernstigeren vorm had het conflict niet aangenomen. En Abdoel-Hamid bleek spoedig bereid voor de betrekkelijk aanzienlijke schadeloosstelling van 2–1/2 millioen Turksche ponden zijne souvereine rechten—rechten, die alleen nog in naam bestonden!—af te staan; hij bedong bij de voor hem lang niet onvoordeelige overeenkomst van Februari 1909 nog bovendien, dat zijne geestelijke rechten als khalief over de Mohammedanen in debeide gewesten, ten deele althans, bewaard bleven en dat Oostenrijk de toezegging deed er toe te zullen medewerken, dat de nog altijd bestaande capitulatiën der vreemde mogendheden zouden opgeheven worden. Kort daarna erkende de sultan bij een overeenkomst met Boelgarije ook den nieuwen stand van zaken hier. Zij was mogelijk geworden, doordat Rusland aanbood de 5 millioen Turksche ponden, die het nog van Turkije te eischen had als rest van de oorlogsschatting van 1878, aan dit land kwijt te schelden, terwijl Boelgarije zich verplichtte 3 millioen dergelijke ponden aan Rusland te betalen. Ook hier deed de sultan geen onvoordeelige zaken. Een afzonderlijke regeling werd getroffen over de belangen der Mohammedanen in Boelgarije. Na deze schikkingen luwde de storm in Europa. Het laatst moest Servië zich gewonnen geven. Oostenrijk eischte van dit land toen de uitdrukkelijke belofte, dat het zich bij de annexatie neerlegde. Maar de goede verhouding keerde niet terug; de tegenstellingen waren hier en elders in Europa door deze gebeurtenissen veeleer verscherpt.Deze voor het enthusiasme, door de Jong-Turksche revolutie veroorzaakt, minder aangename, maar niet te veel storende geluiden werden spoedig door erger gevolgd. Abdoel-Hamid maakte van de zwarigheden gebruik, om zich aan den invloed van de Jong-Turken te onttrekken. Spoedig na de overeenkomsten met Oostenrijk en Boelgarije waagde hij een staatsgreep; hij wist zich van den steun der Oud-Turken zeker en hoopte op dien van de Liberale Unie, die zich in hare hervormingsneigingen vrij sterk van het onder de Jong-Turken overheerschende comité van Unie en Vooruitgang onderscheidde. In April 1909 werd het parlementsgebouw te Constantinopel door soldaten bezet en het ministerie, toen grootendeels uit voorstanders van het comité bestaande, geheel gewijzigd. Maar onmiddellijk rukte nu het Macedonische leger, dus het leger van de Jong-Turken, naar Constantinopel op en het deed dit onder opperbevel van Mahmoed-Sjefket-pasja in de beste orde. Straatgevechten in de hoofdstad liepen ten voordeele van dit leger af. Nu kwam een nationale vergadering—als hoedanig zich de volksvertegenwoordiging geconstitueerd had—te Constantinopel bijeen. Zij zette Abdoel-Hamid af en proclameerde een jongeren broeder van dezen als Mohammed V tot diens opvolger. Den gevallen Sultan werd een woonplaats te Saloniki aangewezen; hij behield zijn leven en zijne vrouwen, maar zijn rijkdom werd hem afgenomen. Onder den nieuwen sultan begon de regeering van het comité zelf.Nu mocht men verwachten, dat de in Juli 1908 verkondigde idealen hare verwezenlijking nabij waren. Maar juist het omgekeerde gebeurde. Wel bleef de constitutie gehandhaafd, maar in allen deele uitgevoerd werd zij niet. En tusschen de Christenen en de Jong-Turksche regeering werd de verhouding spoedig heel slecht. Dit is buiten kijf de schuld der laatste. In de praktijktoonde zich deze zeer chauvinistisch-Turksch. Niet om gelijkstelling bleek het haar te doen, maar om gelijkmaking, om assimilatie van de verschillende deelen aan de Turksche norm. Afschaffing van alle bijzondere rechten, den onderdeelen in verschillende mate toegekend, en sterke centralisatie van de regeering werden de leus. Het moge waar zijn, dat de Jong-Turken hiermede de verwezenlijking van zekere moreele idealen hoopten mogelijk te maken, zij lieten zich, om hun doel te bereiken, van geen middelen, hoe slecht en onpractisch ook, afschrikken en toonden daarbij weinig staatkundig talent. Zij deden, zooals dwepers veelal doen, en men is geneigd hen met eenige zachtheid te beoordeelen, juist omdat ze dwepers waren en omdat ze voor zulk een geweldig zware taak stonden: de bereddering van Abdoel-Hamid’s nalatenschap!Wat al plannen hebben zij geëntameerd! Ze wilden de Turken in de niet meer onder Turksch bewind staande landen, in en buiten Europa, naar Turkije overbrengen, daarmede de Turksche bevolking versterken en over de Christelijke den baas worden. Ze wilden de scholen overal naar één model, een Turksch model natuurlijk, inrichten. Tot Ottomanen zouden alle onderdanen van den Turkschen staat gemaakt worden,—naar één uniform model. En dat in een staat, waar juist de grootst mogelijke verscheidenheid van taal, godsdienst, gewoonten bestond! Verzet, dat natuurlijk niet uit kon blijven en ook waarlijk niet uitbleef, zou met geweld worden bedwongen. Ontwapening van de deelen, waar verzet gepleegd werd, was hiertoe een eerste schrede. Nu verdween de geest van verbroedering van 1908 zeer snel. Niet alleen in de Christelijke streken van den Balkan, ook in de door Mohammedanen bewoonde werd het roerig, tot in Syrië toe, waar juist de Arabieren in den beginne den Jong-Turken zeer goed gezind geweest waren, maar—van de centralisatie waren ook zij volstrekt niet gediend. Evenmin als de Albaneezen, ze mochten dan den Islam of het Christendom aanhangen, die juist op hunne groote mate van zelfstandigheid prat waren geweest. Van 1909–1911 kwam het onder hen van opstand tot opstand. In Macedonië begonnen de gevechten opnieuw; de toestand van vóór 1908 keerde terug. De regeering toonde zich ontegenzeggelijk krachtiger dan die van Abdoel-Hamid. In 1911 behaalde ze niet onbelangrijke voordeelen in Albanië en in Macedonië schenen de benden het nu tegen de Turksche troepen te moeten afleggen. De laatsten hadden het misschien nog verder kunnen brengen, ware de kracht van het leger, doordat vele officieren te veel aan politiek deden, waardoor de tucht verslapte, niet ten deele ondermijnd. Ook het opnemen van de Christenen in het leger, gevolg van den nieuwen toestand, had op den samenhang een nadeeligen invloed. Het is moeilijk te zeggen, wat het einde van deze ontwikkeling zou geweest zijn, indien deze in volle vrijheid, zonder belemmering van buiten af, had plaats gegrepen. Maar dit was niet het geval.In September 1911 ondernam Italië een expeditie naar Tripoli. De stad werd vrij gemakkelijk bezet. In het binnenland boden de Arabieren, door een klein aantal Turken versterkt, hevigen tegenstand. Het zou niet anders gegaan zijn, ware Abdoel-Hamid nog aan de regeering geweest. Maar nu kregen de Jong-Turken de schande der nederlaag te dragen en dit verhoogde hun aanzien niet. Men mocht hun met eenig recht verwijten, dat zij zeer weinig gedaan had, om de in diep verval verkeerende marine op te beuren, zij had in drie jaar toch niet genoeg kunnen doen, om Italië ter zee te weerstaan—en dit zou het eenige middel geweest zijn, om Tripoli te behouden. Terwijl de strijd in Libye nog voortduurde, sloot de Turksche regeering met Italië te Lausanne vrede (October 1912): zij stond Tripoli af, waar de sultan dergelijke rechten behield als in Bosnië en Herzegowina; zij verplichtte zich de Turksche troepen uit Libye terug te roepen; tot zoo lang zou Italië eenige eilanden in de Aegeïsche Zee (waaronder Rhodos), die het tijdens den oorlog bezet had, behouden. Zeer onvoordeelig was dit einde; geen geld zelfs was tot afkoop bedongen! Turkije had den afloop verhaast, omdat het wist, dat veel grooter gevaar dreigde.Het optreden der Jong-Turken en het gevaar voor een mogelijke versterking van den Turkschen staat had de Christelijke staten op den Balkan tot elkander gebracht. Het plan tot hunne onderlinge aaneensluiting was reeds lang van enkele zijden bepleit. Het leek ook zoo aannemelijk en zoo eenvoudig: de Christenen samen, om den Turk te verdrijven! In werkelijkheid waren de moeilijkheden even groot als die een aaneensluiting van de groote mogendheden in Europa tot hetzelfde doel sedert de 18e eeuw in den weg hadden gestaan; wat moest er gebeuren met het land, dat men den Turken zou ontnemen? Met Macedonië, waarop Bulgarije, Servië en Griekenland alle drie aasden. Met Albanië, dat Servië, Montenegro en Griekenland al even zeer begeerden. Met Constantinopel! En natuurlijk zouden de groote mogendheden de definitieve regeling niet buiten zich om laten geschieden. Rusland had de hoop op Constantinopel niet definitief opgegeven. Oostenrijk en Italië wenschten geen sterken staat aan de Adriatische Zee. Hierin stemden de belangen dezer beide, anders meer en meer divergeerende landen overeen. In het laatste stadium der Turksche kwestie in Europa zouden al deze belangen stellig tot hun recht trachten te komen. Het was onmogelijk ze alle vooraf met elkander te verzoenen. De aaneensluiting van Bulgarije, Servië, Montenegro en Griekenland in 1912, die men gewoon is den Balkanbond te noemen, was slechts een bescheiden poging, om althans enkele onderlinge geschilpunten uit den weg te ruimen en zoo het gezamenlijk optreden mogelijk te maken.De wijze, waarop, en de omstandigheden, waaronder de zoogenaamde Balkanbond tot stand kwam, zijn niet in alle bijzonderheden bekend. Zeker is, dat de besprekingen tusschen devoornaamste Balkan-staatslieden, vooral op aansporen van den Griekschen minister Venizelos, in den loop van 1910 begonnen en dat eerst in het voorjaar van 1912 een Servisch-Boelgaarschverdrag, weldra gevolgd door een Grieksch-Boelgaarsch verdrag, gesloten werd en dat iets later ook militaire afspraken tot stand kwamen. De staatkundige toestand, zooals deze er na een eventueele overwinning op de Turken zou moeten uitzien, werd echter volstrekt niet precies vastgesteld. Boelgarije en Servië werden het over de verdeeling van Macedonië vrij wel eens; over een betwist gedeelte zou de keizer van Rusland later uitspraak moeten doen. Maar Boelgarije en Griekenland hadden omtrent het deel van Macedonië, dat aan het laatste land zou komen, niets positiefs omschreven: de groote kwestie, wie hunner Saloniki zou krijgen, bleef open! De verdragen, voor zoover ze bekend geworden zijn, droegen een defensief karakter; maar uit den aard der zaak werd een optreden tegen Turkije er door voorbereid.Een kleine aanleiding was voldoende, om dit uit te lokken. Een nieuwe opstand in Albanië in 1912, nu met meer succes ondernomen dan de vorige—de Albaneezen dwongen de Turksche regeering, een ietwat gematigder regeering, die onder den indruk van den ernst der gebeurtenissen juist opgetreden was, hun een ruimer mate van autonomie toe te staan, die zich zelfs over een deel van Macedonië zou uitstrekken—, deed de spanning op den Balkan zeer toenemen. Toen toonden de groote mogendheden, v.n. Oostenrijk, neiging zich met de zaken te gaan bemoeien, om den dreigenden storm te bezweren. Zij verklaarden geen veranderingen in den status quo te zullen dulden—, zooals ze vroeger meermalen gedaan hadden. Juist één dag later verklaarde Montenegro, als wilde het met deze verklaring openlijk den spot drijven, aan Turkije den oorlog (9 October). Het uitdagend optreden van den kleinsten onder hen sleepte weldra de anderen mede. Deze eischten nu van Turkije autonomie voor alle Europeesche provinciën van het Turksche rijk, waarbij de grenzen naar de ethnographische toestanden zouden getrokken worden. Turkije antwoordde met een oorlogsverklaring aan Servië en Boelgarije, waarna Griekenland onmiddellijk de zijde van dezen koos.Over het algemeen verwachtte men, dat de Turken hunne tegenstanders gemakkelijk zouden overwinnen. Het Jong-Turksche leger had immers in 1908 zulke duidelijk sprekende proeven van bekwaamheid afgelegd! Maar de verwachting werd in geenen deele vervuld. Het leger bleek dapper genoeg, maar volstrekt niet berekend op de sterke krachtsinspanning, die er nu van geëischt werd. Het was niet voorzien van voldoende uitrusting en bij lange na niet voldoende georganiseerd. De Balkan-staten voerden den oorlog ieder voor zich; zij ondernamen geen gemeenschappelijke actie. De Boelgaren, wier hoofdmacht in Thracië viel, kregen met het voornaamste leger der Turken te maken. Zij versloegen dat achtereenvolgens bij Kirk-Kilisse, Loele-Boergas enTsjorloe, maar stieten, zelf door verliezen en ziekte verzwakt, het hoofd voor de linie van Tsjataldza, terwijl ze ook Adrianopel eerst niet konden veroveren. Onderwijl veroverden de Serviërs na hunne overwinningen bij Koemanovo en Monastir een zeer groot deel van Macedonië; zij ondernamen bovendien een expeditie naar het Westen, die zelfs leidde tot de bezetting van Durazzo in Albanië aan de Adriatische Zee. De Grieken stelden zich in het bezit van Epirus en Zuidelijk-Macedonië met Saloniki, waar ook een Bulgaarsch legertje binnentrok. De Montenegrijnen behaalden voordeelen aan de grenzen van hun land, maar het gelukte hun niet Skoetari te nemen, evenmin als de Grieken er in slaagden Janina te bezetten. Ter zee hield de Grieksche vloot de Turksche zonder veel moeite in bedwang; dien ten gevolge kon nu Kreta zich, zonder bezwaar, met Griekenland vereenigen, welk voorbeeld Samos en verschillende andere eilanden in de Aegeïsche Zee volgden. Het standhouden bij Tsjataldzja, te Adrianopel, Skoetari en Janina behoedde de Turken voor geheele verdrijving uit Europa, waarop de Boelgaren, onder den indruk hunner grootsche successen in het begin van den oorlog, stellig gehoopt hadden. Na twee maanden oorlogvoeren stemden Boelgarije, Servië en Montenegro er in toe een wapenstilstand te sluiten; alleen Griekenland weigerde hierin te treden. Vredesonderhandelingen, waaraan dit laatste land wel meedeed, werden aangeknoopt te Londen.Hier had Turkije weinig in te brengen. Het kon er alleen naar streven de zeer zware eischen, door den Balkanbond gesteld, eenigszins te doen matigen. Van de groote mogendheden mocht het op geen steun hoegenaamd rekenen. Zij hadden hare verklaring van vóór den oorlog al spoedig ingetrokken, begrijpende, dat er na den loop, dien de oorlog nam, aan een handhaving van den ouden toestand niet te denken viel. Wel bleek spoedig, dat ze zich zouden laten gelden bij de verdeeling van den buit. Oostenrijk-Hongarije en Italië gaven zonder omwegen te kennen, dat ze niet zouden dulden, dat Servië zich aan de Adriatische Zee nestelde. Het eerste land zag de groote uitbreiding van Servië in Zuidelijke richting ook zeer ongaarne, maar moest zich hierin wel schikken. Evenzoo verzetten de beide, pas genoemde landen er zich tegen, dat Walona in Zuid-Albanië aan Griekenland kwam. Zij stelden voor de stichting van een zelfstandig vorstendom in Albanië en wisten dat met steun der andere groote mogendheden door te zetten. Een gezanten-conferentie te Londen zou de grenzen van het nieuwe vorstendom regelen. Overigens trachtten de mogendheden tusschen de Balkan-partijen te bemiddelen. Zij wisten te bewerken, dat enkele der moeilijkste aangelegenheden, zooals de regeling van de kwestie over de eilanden in de Aegeïsche Zee, voor een later te nemen beslissing uit de onderhandelingen geëcarteerd werden. In Januari 1913 nam toen de Turksche regeering de voorwaarden der tegenpartij in hoofdzaak aan: afstand van al het verloren gebied, met inbegrip vanhet nog niet ingenomen Adrianopel, op den afstand waarvan Boelgarije met alle kracht aangedrongen had.Het aannemen van deze voorwaarden kostte de toenmalige Turksche regeering haar bestaan. De heftige Jong-Turken maakten revolutie te Constantinopel en kwamen opnieuw aan het bewind. Zij verklaarden den pas gesloten vrede niet te willen aanvaarden. Zoo begon de oorlog opnieuw, maar de Jong-Turken brachten geen ommekeer te hunnen gunste teweeg. Zelfs gingen nu Adrianopel, Janina, eindelijk ook Skoetari verloren. De nieuwe regeering mocht van geluk spreken, dat zij ten slotte vrede kon sluiten in hoofdzaak op dezelfde voorwaarden als door hare voorgangster waren goedgekeurd. Bij den in Mei 1913 te Londen gesloten vrede verloor Turkije al zijn Europeesch gebied behalve het deel van Thracië ten Zuiden van de lijn Enos-Midia; dus Constantinopel met het achterland dezer stad, juist genoeg om Bosporus en Dardanellen te blijven beheerschen en daardoor een rol van beteekenis in de Europeesche zaken te kunnen spelen. Het zou een oorlogsschatting hebben te betalen, maar alleen als vergoeding van het aandeel in de Turksche schuld, dat de bondgenooten zouden moeten overnemen; in bizonderheden zou ook deze aangelegenheid eerst later geregeld worden onder toezicht der groote mogendheden. De gezanten-conferentie te Londen had inmiddels de grenzen van Albanië vastgesteld. De Serviërs moesten het zich getroosten Durazzo te ontruimen en de Montenegrijnen trokken zich uit Skoetari terug, dit laatste echter pas na een op aandringen van Oostenrijk ondernomen vlootdemonstratie van de mogendheden in de Adriatische Zee.Hun overigen buit mochten de vier Balkan-Staten behouden. Over de verdeeling werden ze het niet gemakkelijk eens. Zelfs kwam het tot een onderlingen oorlog van Boelgarije met de drie andere ten gevolge van de naar aanleiding hiervanontstanemoeilijkheden. Boelgarije wilde behouden, wat het in Thracië en Macedonië zelf veroverd had, maar bovendien het deel van Macedonië krijgen, dat aan het land volgens het verdrag met Servië toegezegd was. Maar Servië wilde dit laatste niet geheel afstaan, omdat Boelgarije in Thracië zóó uitgebreid werd. Dan wenschte Boelgarije eigenlijk ook nog Saloniki..... Het overvroeg hier stellig; het wilde met de uitkomsten van den oorlog geen rekening houden. En in plaats van te wachten op den afloop van diplomatieke onderhandelingen, in plaats van de door keizer Nicolaas II aangeboden arbitrage te aanvaarden, viel het in Juni zijn vroegeren bondgenooten plotseling op het lijf. Maar nu bleek het zijn krachten verre overschat te hebben, te meer, omdat het met Roemenië ook nog te maken kreeg, dat, optredend voor het vestigen van een evenwicht op den Balkan, zich aan de zijde van Boelgarije’s vijanden schaarde. Binnen twee weken was het aan alle kanten schaakmat gezet. De Grieken verdreven het Boelgaarsche garnizoen uit Saloniki. De Serviërs namen nog meer van Macedonië in bezit. De Roemeniërs steldenzich in het bezit van Silistrië in het Boelgaarsche deel van de Dobroedsja ten zuiden van den Donaumond. Ja, de Turken namen de gelegenheid waar, om Adrianopel met een groot deel van Thracië te hernemen. Tsaar Ferdinand riep de bemiddeling van den Oostenrijkschen keizer in, die hem den raad gaf zich tot den Roemeenschen koning te wenden. Het kwam tot onderhandelingen te Boekarest, waar Boelgarije even weerloos stond als Turkije een jaar vroeger te Londen. Bij den vrede had het de voorwaarden der bondgenooten te aanvaarden. Het verloor aan Roemenië de pas genoemde streken, zoodat dit land nu den geheelen Donau-mond in bezit kreeg. Het moest aan Servië en Griekenland het grootste deel van Macedonië laten; het laatste behield niet alleen Saloniki, maar bovendien nog Kawalla, de tweede havenstad; Bulgarije moest tevreden zijn met Dede-Agatsj. Bovendien stond het bij den afzonderlijken vrede met Turkije nog Adrianopel af; de grens werd een goed stuk in Noordelijke richting verlegd.Een doos van Pandora bleek de Balkankwestie voor de zooveelste maal geweest te zijn. Wat zal zij nog verder voor wonderen baren?De regeling der bij den vrede van Londen aan de groote mogendheden opgedragen kwesties was nog niet afgeloopen, toen in 1914 de groote wereldoorlog uitbarstte. Ieder weet, dat de aanleiding op den Balkan lag: de moord van het Oostenrijksche kroonprinselijk paar te Sarajewo in Juni, door Oostenrijk aan de kuiperijen der groot-Servische propaganda geweten; de zware eischen, toen door Oostenrijk aan Servië gesteld! Maar de oorzaak heeft men te zoeken in de tegengestelde belangen der beide groepen van mogendheden in Europa; anders dan in 1908 werd nu de uitbarsting niet voorkomen. Italië alleen hield er zich eerst buiten, maar schaarde zich ten slotte aan de zijde der entente, zijn oude bondgenooten dus verlatende.De invloed dezer gebeurtenissen liet zich op den Balkan van meet af in sterke mate gevoelen. Turkije koos al spoedig de partij van Duitschland en Oostenrijk, waarvan het voor zijne toekomst het minst te vreezen had en tot welke het sedert jaren meer en meer was genaderd. Het feit, dat Engeland in het begin van den oorlog weigerde twee voor Turkije in Engeland gebouwde en haast voltooide oorlogsschepen uit te leveren—het lijfde ze bij de eigen marine in—, terwijl Duitschland twee zijner kruisers, die uit de Middellandsche Zee naar Constantinopel den wijk genomen hadden, aan de Turksche regeering aanbood, accentueerde direct deze verhouding. Ongeveer een jaar later volgde Boelgarije Turkije’s voorbeeld: het hoopte zoo te herwinnen, wat het in 1913 had moeten opgeven. Dientengevolge werd het Balkan-schiereiland een der belangrijkste onderdeelen van het algemeene oorlogsterrein. De expeditie der entente tegen de Dardanellen en de tijdelijke bezetting van een deel van Gallipoli; de verovering van Servië door de centralen(zoo noemt men de Duitschers en Oostenrijkers vrij algemeen), na de aansluiting van Boelgarije wel te verstaan; de opening dientengevolge van een directen weg van Berlijn naar Constantinopel en verder; het zijn alle gebeurtenissen van wereldhistorisch belang, waarvan de definitieve uitwerking nog altijd niet is te voorspellen.Zullen de Jong-Turken nu in de nieuwe omstandigheden den verderen val der Turksche macht in Europa weten te voorkomen? Aan krachtig verweer met hulp van de Duitschers, die het Turksche leger reeds vroeger ten deele gereorganiseerd hadden, hebben zij het niet laten ontbreken. Behouden de Turken Constantinopel, zij blijven een factor van groote beteekenis in het toekomstige Europa.
Aanhangsel.Van de Jong-Turken maakten wij in ons verhaal nog slechts terloops melding. Zij vormden vóór 1908 geen kracht van beteekenis in het rijk. Velen der hervormingsgezinden, die vooral vóór 1878 van zich hadden doen hooren, waren onder het régime van Abdoel-Hamid gedwongen het land te verlaten. Zij leefden als ballingen in de Westersche wereld, vooral te Parijs, en maakten in ruime mate kennis met Westersche wetenschap en Westersche cultuur. De denkende koppen onder hen beraamden programma’s van hervormingen. Zij dweepten niet als de vroegere Jong-Turken met het West-Europeesche parlementaire systeem, oordeelende, dat die voor een zeer gecompliceerden staat als den Turkschen minder zou deugen. Zij voelden het meest voor een Republiek, maar aanvaardden de constitutioneele monarchie als overgangssysteem, als eerste stadium voor den nieuwen tijd. Hoofdzaak was: aan de absolute regeering van Abdoel-Hamid een einde te maken. Het duurde vrij lang, voordat het Turksche volk, zoo phlegmathiek van aard, zelfs deze regeering moede werd. De Jong-Turken zochten hun aanhang vooral in het leger en langzamerhand kreeg de propaganda van het door hen gestichte comité voor Unie en Vooruitgang hier invloed, bepaaldelijk onder de troepen, die in Macedonië waren bijeengetrokken. Moeilijkheden van den sultan met de Albaneezen gaven toen in 1908 het sein tot het uitbreken van een militairen opstand onder dezen.In Juli van dit jaar proclameerden het pas genoemde comité en eenige Jong-Turkschen officieren in Macedonië het herstel van de constitutie van 1878. Van Albanië uit werd hierop bij den sultan aangedrongen. Abdoel-Hamid, bevreesd voor een opmarsch der troepen naar Constantinopel, voorkwam het gevaar door toe te geven: Op den 24sten Juli decreteerde hij zelf, dat de constitutie hersteld was. Een volksvertegenwoordiging werd meteen samengeroepen. Nu werd het een uitbundige vreugde in den Balkan, voor zoover nog onder Turksch bewind. Men meende, dat een geheel nieuw vooruitzicht zich opende en dat de Macedonischeen andere kwesties van zelf zouden verdwijnen. Christenen en Mohammedanen waren gelijk. Hun algeheele verbroedering was aanstaande. Het verleden kon vergeten worden....Te midden van den jubel deden zich twee onaangename tonen hooren. In October verklaarde keizer Frans Jozef, dat hij Bosnië en Herzegowina annexeerde en dus de tijdelijke occupatie in een definitieve veranderde, terwijl hij het Sandsjak van Novi-Bazar aan Turkije teruggaf. Ongeveer tegelijkertijd proclameerde vorst Ferdinand van Boelgarije zich tot tsaar van dit land en Oost-Roemelië beide: hij ontdeed zich dus van de Turksche suzereiniteit. Feitelijk veranderde dit niet veel aan den bestaanden toestand. Er was eigenlijk niemand, die nog verwachtte, dat Oostenrijk-Hongarije de geoccupeerde gewesten ooit vrijwillig zou teruggeven of dat vorst Ferdinand Oost-Roemelië zou ontruimen. De nieuwe staatsrechtelijke toestand in Turkije, die ook voor de nog slechts in naam Turksch heetende gebieden gevolgen zou kunnen hebben, had voor Oostenrijk en Boelgarije, die hier niet zonder onderling overleg gehandeld hadden, de gelegenheid geschapen, om den vorm van het bezit te wijzigen. Het meeste verzet tegen deze formeel-rechtelijk niet te billijken handelingen kwam van de zijde der entente-mogendheden, v.n. van Engeland en Rusland, terwijl in Servië een zeer scherpe beweging tegen de annexatie ontstond. Ook Italië, waar de publieke opinie Oostenrijk gemeenlijk weinig goed gezind was, toonde er zich allerminst mede ingenomen; de regeering, ofschoon vasthoudend aan het drievoudig verbond, deed het voor Oostenrijk minder aangename voorstel een Europeesche conferentie samen te roepen, om de zaken op den Balkan opnieuw te regelen. In dezen tegenstand openbaarde zich eigenlijk de Europeesche verhoudingen: de gebeurtenissen op den Balkan gaven er slechts de aanleiding toe, dat de beide Europeesche staten-groepen elkander haast in de haren vlogen. Duitschland schaarde zich zonder voorbehoud aan de zijde van zijn bondgenoot. Een groote Europeesche oorlog heeft toen zeer ernstig gedreigd. Het schijnt, dat vooral Rusland, dat zich militair nog niet voldoende hersteld had, niet met kracht heeft durven doortasten. Tot vermindering van de spanning, die sedert October 1908 in Europa heerschte, droeg veel bij, dat Oostenrijk-Hongarije er in slaagde Turkije te bewegen zich in het fait accompli te schikken. Hier was de beweging tegen de annexatie lang niet zoo heftig geweest als in de landen der entente, en in Servië. De regeering had geprotesteerd en er was een boycotbeweging in enkele Turksche havens ontstaan. Ernstigeren vorm had het conflict niet aangenomen. En Abdoel-Hamid bleek spoedig bereid voor de betrekkelijk aanzienlijke schadeloosstelling van 2–1/2 millioen Turksche ponden zijne souvereine rechten—rechten, die alleen nog in naam bestonden!—af te staan; hij bedong bij de voor hem lang niet onvoordeelige overeenkomst van Februari 1909 nog bovendien, dat zijne geestelijke rechten als khalief over de Mohammedanen in debeide gewesten, ten deele althans, bewaard bleven en dat Oostenrijk de toezegging deed er toe te zullen medewerken, dat de nog altijd bestaande capitulatiën der vreemde mogendheden zouden opgeheven worden. Kort daarna erkende de sultan bij een overeenkomst met Boelgarije ook den nieuwen stand van zaken hier. Zij was mogelijk geworden, doordat Rusland aanbood de 5 millioen Turksche ponden, die het nog van Turkije te eischen had als rest van de oorlogsschatting van 1878, aan dit land kwijt te schelden, terwijl Boelgarije zich verplichtte 3 millioen dergelijke ponden aan Rusland te betalen. Ook hier deed de sultan geen onvoordeelige zaken. Een afzonderlijke regeling werd getroffen over de belangen der Mohammedanen in Boelgarije. Na deze schikkingen luwde de storm in Europa. Het laatst moest Servië zich gewonnen geven. Oostenrijk eischte van dit land toen de uitdrukkelijke belofte, dat het zich bij de annexatie neerlegde. Maar de goede verhouding keerde niet terug; de tegenstellingen waren hier en elders in Europa door deze gebeurtenissen veeleer verscherpt.Deze voor het enthusiasme, door de Jong-Turksche revolutie veroorzaakt, minder aangename, maar niet te veel storende geluiden werden spoedig door erger gevolgd. Abdoel-Hamid maakte van de zwarigheden gebruik, om zich aan den invloed van de Jong-Turken te onttrekken. Spoedig na de overeenkomsten met Oostenrijk en Boelgarije waagde hij een staatsgreep; hij wist zich van den steun der Oud-Turken zeker en hoopte op dien van de Liberale Unie, die zich in hare hervormingsneigingen vrij sterk van het onder de Jong-Turken overheerschende comité van Unie en Vooruitgang onderscheidde. In April 1909 werd het parlementsgebouw te Constantinopel door soldaten bezet en het ministerie, toen grootendeels uit voorstanders van het comité bestaande, geheel gewijzigd. Maar onmiddellijk rukte nu het Macedonische leger, dus het leger van de Jong-Turken, naar Constantinopel op en het deed dit onder opperbevel van Mahmoed-Sjefket-pasja in de beste orde. Straatgevechten in de hoofdstad liepen ten voordeele van dit leger af. Nu kwam een nationale vergadering—als hoedanig zich de volksvertegenwoordiging geconstitueerd had—te Constantinopel bijeen. Zij zette Abdoel-Hamid af en proclameerde een jongeren broeder van dezen als Mohammed V tot diens opvolger. Den gevallen Sultan werd een woonplaats te Saloniki aangewezen; hij behield zijn leven en zijne vrouwen, maar zijn rijkdom werd hem afgenomen. Onder den nieuwen sultan begon de regeering van het comité zelf.Nu mocht men verwachten, dat de in Juli 1908 verkondigde idealen hare verwezenlijking nabij waren. Maar juist het omgekeerde gebeurde. Wel bleef de constitutie gehandhaafd, maar in allen deele uitgevoerd werd zij niet. En tusschen de Christenen en de Jong-Turksche regeering werd de verhouding spoedig heel slecht. Dit is buiten kijf de schuld der laatste. In de praktijktoonde zich deze zeer chauvinistisch-Turksch. Niet om gelijkstelling bleek het haar te doen, maar om gelijkmaking, om assimilatie van de verschillende deelen aan de Turksche norm. Afschaffing van alle bijzondere rechten, den onderdeelen in verschillende mate toegekend, en sterke centralisatie van de regeering werden de leus. Het moge waar zijn, dat de Jong-Turken hiermede de verwezenlijking van zekere moreele idealen hoopten mogelijk te maken, zij lieten zich, om hun doel te bereiken, van geen middelen, hoe slecht en onpractisch ook, afschrikken en toonden daarbij weinig staatkundig talent. Zij deden, zooals dwepers veelal doen, en men is geneigd hen met eenige zachtheid te beoordeelen, juist omdat ze dwepers waren en omdat ze voor zulk een geweldig zware taak stonden: de bereddering van Abdoel-Hamid’s nalatenschap!Wat al plannen hebben zij geëntameerd! Ze wilden de Turken in de niet meer onder Turksch bewind staande landen, in en buiten Europa, naar Turkije overbrengen, daarmede de Turksche bevolking versterken en over de Christelijke den baas worden. Ze wilden de scholen overal naar één model, een Turksch model natuurlijk, inrichten. Tot Ottomanen zouden alle onderdanen van den Turkschen staat gemaakt worden,—naar één uniform model. En dat in een staat, waar juist de grootst mogelijke verscheidenheid van taal, godsdienst, gewoonten bestond! Verzet, dat natuurlijk niet uit kon blijven en ook waarlijk niet uitbleef, zou met geweld worden bedwongen. Ontwapening van de deelen, waar verzet gepleegd werd, was hiertoe een eerste schrede. Nu verdween de geest van verbroedering van 1908 zeer snel. Niet alleen in de Christelijke streken van den Balkan, ook in de door Mohammedanen bewoonde werd het roerig, tot in Syrië toe, waar juist de Arabieren in den beginne den Jong-Turken zeer goed gezind geweest waren, maar—van de centralisatie waren ook zij volstrekt niet gediend. Evenmin als de Albaneezen, ze mochten dan den Islam of het Christendom aanhangen, die juist op hunne groote mate van zelfstandigheid prat waren geweest. Van 1909–1911 kwam het onder hen van opstand tot opstand. In Macedonië begonnen de gevechten opnieuw; de toestand van vóór 1908 keerde terug. De regeering toonde zich ontegenzeggelijk krachtiger dan die van Abdoel-Hamid. In 1911 behaalde ze niet onbelangrijke voordeelen in Albanië en in Macedonië schenen de benden het nu tegen de Turksche troepen te moeten afleggen. De laatsten hadden het misschien nog verder kunnen brengen, ware de kracht van het leger, doordat vele officieren te veel aan politiek deden, waardoor de tucht verslapte, niet ten deele ondermijnd. Ook het opnemen van de Christenen in het leger, gevolg van den nieuwen toestand, had op den samenhang een nadeeligen invloed. Het is moeilijk te zeggen, wat het einde van deze ontwikkeling zou geweest zijn, indien deze in volle vrijheid, zonder belemmering van buiten af, had plaats gegrepen. Maar dit was niet het geval.In September 1911 ondernam Italië een expeditie naar Tripoli. De stad werd vrij gemakkelijk bezet. In het binnenland boden de Arabieren, door een klein aantal Turken versterkt, hevigen tegenstand. Het zou niet anders gegaan zijn, ware Abdoel-Hamid nog aan de regeering geweest. Maar nu kregen de Jong-Turken de schande der nederlaag te dragen en dit verhoogde hun aanzien niet. Men mocht hun met eenig recht verwijten, dat zij zeer weinig gedaan had, om de in diep verval verkeerende marine op te beuren, zij had in drie jaar toch niet genoeg kunnen doen, om Italië ter zee te weerstaan—en dit zou het eenige middel geweest zijn, om Tripoli te behouden. Terwijl de strijd in Libye nog voortduurde, sloot de Turksche regeering met Italië te Lausanne vrede (October 1912): zij stond Tripoli af, waar de sultan dergelijke rechten behield als in Bosnië en Herzegowina; zij verplichtte zich de Turksche troepen uit Libye terug te roepen; tot zoo lang zou Italië eenige eilanden in de Aegeïsche Zee (waaronder Rhodos), die het tijdens den oorlog bezet had, behouden. Zeer onvoordeelig was dit einde; geen geld zelfs was tot afkoop bedongen! Turkije had den afloop verhaast, omdat het wist, dat veel grooter gevaar dreigde.Het optreden der Jong-Turken en het gevaar voor een mogelijke versterking van den Turkschen staat had de Christelijke staten op den Balkan tot elkander gebracht. Het plan tot hunne onderlinge aaneensluiting was reeds lang van enkele zijden bepleit. Het leek ook zoo aannemelijk en zoo eenvoudig: de Christenen samen, om den Turk te verdrijven! In werkelijkheid waren de moeilijkheden even groot als die een aaneensluiting van de groote mogendheden in Europa tot hetzelfde doel sedert de 18e eeuw in den weg hadden gestaan; wat moest er gebeuren met het land, dat men den Turken zou ontnemen? Met Macedonië, waarop Bulgarije, Servië en Griekenland alle drie aasden. Met Albanië, dat Servië, Montenegro en Griekenland al even zeer begeerden. Met Constantinopel! En natuurlijk zouden de groote mogendheden de definitieve regeling niet buiten zich om laten geschieden. Rusland had de hoop op Constantinopel niet definitief opgegeven. Oostenrijk en Italië wenschten geen sterken staat aan de Adriatische Zee. Hierin stemden de belangen dezer beide, anders meer en meer divergeerende landen overeen. In het laatste stadium der Turksche kwestie in Europa zouden al deze belangen stellig tot hun recht trachten te komen. Het was onmogelijk ze alle vooraf met elkander te verzoenen. De aaneensluiting van Bulgarije, Servië, Montenegro en Griekenland in 1912, die men gewoon is den Balkanbond te noemen, was slechts een bescheiden poging, om althans enkele onderlinge geschilpunten uit den weg te ruimen en zoo het gezamenlijk optreden mogelijk te maken.De wijze, waarop, en de omstandigheden, waaronder de zoogenaamde Balkanbond tot stand kwam, zijn niet in alle bijzonderheden bekend. Zeker is, dat de besprekingen tusschen devoornaamste Balkan-staatslieden, vooral op aansporen van den Griekschen minister Venizelos, in den loop van 1910 begonnen en dat eerst in het voorjaar van 1912 een Servisch-Boelgaarschverdrag, weldra gevolgd door een Grieksch-Boelgaarsch verdrag, gesloten werd en dat iets later ook militaire afspraken tot stand kwamen. De staatkundige toestand, zooals deze er na een eventueele overwinning op de Turken zou moeten uitzien, werd echter volstrekt niet precies vastgesteld. Boelgarije en Servië werden het over de verdeeling van Macedonië vrij wel eens; over een betwist gedeelte zou de keizer van Rusland later uitspraak moeten doen. Maar Boelgarije en Griekenland hadden omtrent het deel van Macedonië, dat aan het laatste land zou komen, niets positiefs omschreven: de groote kwestie, wie hunner Saloniki zou krijgen, bleef open! De verdragen, voor zoover ze bekend geworden zijn, droegen een defensief karakter; maar uit den aard der zaak werd een optreden tegen Turkije er door voorbereid.Een kleine aanleiding was voldoende, om dit uit te lokken. Een nieuwe opstand in Albanië in 1912, nu met meer succes ondernomen dan de vorige—de Albaneezen dwongen de Turksche regeering, een ietwat gematigder regeering, die onder den indruk van den ernst der gebeurtenissen juist opgetreden was, hun een ruimer mate van autonomie toe te staan, die zich zelfs over een deel van Macedonië zou uitstrekken—, deed de spanning op den Balkan zeer toenemen. Toen toonden de groote mogendheden, v.n. Oostenrijk, neiging zich met de zaken te gaan bemoeien, om den dreigenden storm te bezweren. Zij verklaarden geen veranderingen in den status quo te zullen dulden—, zooals ze vroeger meermalen gedaan hadden. Juist één dag later verklaarde Montenegro, als wilde het met deze verklaring openlijk den spot drijven, aan Turkije den oorlog (9 October). Het uitdagend optreden van den kleinsten onder hen sleepte weldra de anderen mede. Deze eischten nu van Turkije autonomie voor alle Europeesche provinciën van het Turksche rijk, waarbij de grenzen naar de ethnographische toestanden zouden getrokken worden. Turkije antwoordde met een oorlogsverklaring aan Servië en Boelgarije, waarna Griekenland onmiddellijk de zijde van dezen koos.Over het algemeen verwachtte men, dat de Turken hunne tegenstanders gemakkelijk zouden overwinnen. Het Jong-Turksche leger had immers in 1908 zulke duidelijk sprekende proeven van bekwaamheid afgelegd! Maar de verwachting werd in geenen deele vervuld. Het leger bleek dapper genoeg, maar volstrekt niet berekend op de sterke krachtsinspanning, die er nu van geëischt werd. Het was niet voorzien van voldoende uitrusting en bij lange na niet voldoende georganiseerd. De Balkan-staten voerden den oorlog ieder voor zich; zij ondernamen geen gemeenschappelijke actie. De Boelgaren, wier hoofdmacht in Thracië viel, kregen met het voornaamste leger der Turken te maken. Zij versloegen dat achtereenvolgens bij Kirk-Kilisse, Loele-Boergas enTsjorloe, maar stieten, zelf door verliezen en ziekte verzwakt, het hoofd voor de linie van Tsjataldza, terwijl ze ook Adrianopel eerst niet konden veroveren. Onderwijl veroverden de Serviërs na hunne overwinningen bij Koemanovo en Monastir een zeer groot deel van Macedonië; zij ondernamen bovendien een expeditie naar het Westen, die zelfs leidde tot de bezetting van Durazzo in Albanië aan de Adriatische Zee. De Grieken stelden zich in het bezit van Epirus en Zuidelijk-Macedonië met Saloniki, waar ook een Bulgaarsch legertje binnentrok. De Montenegrijnen behaalden voordeelen aan de grenzen van hun land, maar het gelukte hun niet Skoetari te nemen, evenmin als de Grieken er in slaagden Janina te bezetten. Ter zee hield de Grieksche vloot de Turksche zonder veel moeite in bedwang; dien ten gevolge kon nu Kreta zich, zonder bezwaar, met Griekenland vereenigen, welk voorbeeld Samos en verschillende andere eilanden in de Aegeïsche Zee volgden. Het standhouden bij Tsjataldzja, te Adrianopel, Skoetari en Janina behoedde de Turken voor geheele verdrijving uit Europa, waarop de Boelgaren, onder den indruk hunner grootsche successen in het begin van den oorlog, stellig gehoopt hadden. Na twee maanden oorlogvoeren stemden Boelgarije, Servië en Montenegro er in toe een wapenstilstand te sluiten; alleen Griekenland weigerde hierin te treden. Vredesonderhandelingen, waaraan dit laatste land wel meedeed, werden aangeknoopt te Londen.Hier had Turkije weinig in te brengen. Het kon er alleen naar streven de zeer zware eischen, door den Balkanbond gesteld, eenigszins te doen matigen. Van de groote mogendheden mocht het op geen steun hoegenaamd rekenen. Zij hadden hare verklaring van vóór den oorlog al spoedig ingetrokken, begrijpende, dat er na den loop, dien de oorlog nam, aan een handhaving van den ouden toestand niet te denken viel. Wel bleek spoedig, dat ze zich zouden laten gelden bij de verdeeling van den buit. Oostenrijk-Hongarije en Italië gaven zonder omwegen te kennen, dat ze niet zouden dulden, dat Servië zich aan de Adriatische Zee nestelde. Het eerste land zag de groote uitbreiding van Servië in Zuidelijke richting ook zeer ongaarne, maar moest zich hierin wel schikken. Evenzoo verzetten de beide, pas genoemde landen er zich tegen, dat Walona in Zuid-Albanië aan Griekenland kwam. Zij stelden voor de stichting van een zelfstandig vorstendom in Albanië en wisten dat met steun der andere groote mogendheden door te zetten. Een gezanten-conferentie te Londen zou de grenzen van het nieuwe vorstendom regelen. Overigens trachtten de mogendheden tusschen de Balkan-partijen te bemiddelen. Zij wisten te bewerken, dat enkele der moeilijkste aangelegenheden, zooals de regeling van de kwestie over de eilanden in de Aegeïsche Zee, voor een later te nemen beslissing uit de onderhandelingen geëcarteerd werden. In Januari 1913 nam toen de Turksche regeering de voorwaarden der tegenpartij in hoofdzaak aan: afstand van al het verloren gebied, met inbegrip vanhet nog niet ingenomen Adrianopel, op den afstand waarvan Boelgarije met alle kracht aangedrongen had.Het aannemen van deze voorwaarden kostte de toenmalige Turksche regeering haar bestaan. De heftige Jong-Turken maakten revolutie te Constantinopel en kwamen opnieuw aan het bewind. Zij verklaarden den pas gesloten vrede niet te willen aanvaarden. Zoo begon de oorlog opnieuw, maar de Jong-Turken brachten geen ommekeer te hunnen gunste teweeg. Zelfs gingen nu Adrianopel, Janina, eindelijk ook Skoetari verloren. De nieuwe regeering mocht van geluk spreken, dat zij ten slotte vrede kon sluiten in hoofdzaak op dezelfde voorwaarden als door hare voorgangster waren goedgekeurd. Bij den in Mei 1913 te Londen gesloten vrede verloor Turkije al zijn Europeesch gebied behalve het deel van Thracië ten Zuiden van de lijn Enos-Midia; dus Constantinopel met het achterland dezer stad, juist genoeg om Bosporus en Dardanellen te blijven beheerschen en daardoor een rol van beteekenis in de Europeesche zaken te kunnen spelen. Het zou een oorlogsschatting hebben te betalen, maar alleen als vergoeding van het aandeel in de Turksche schuld, dat de bondgenooten zouden moeten overnemen; in bizonderheden zou ook deze aangelegenheid eerst later geregeld worden onder toezicht der groote mogendheden. De gezanten-conferentie te Londen had inmiddels de grenzen van Albanië vastgesteld. De Serviërs moesten het zich getroosten Durazzo te ontruimen en de Montenegrijnen trokken zich uit Skoetari terug, dit laatste echter pas na een op aandringen van Oostenrijk ondernomen vlootdemonstratie van de mogendheden in de Adriatische Zee.Hun overigen buit mochten de vier Balkan-Staten behouden. Over de verdeeling werden ze het niet gemakkelijk eens. Zelfs kwam het tot een onderlingen oorlog van Boelgarije met de drie andere ten gevolge van de naar aanleiding hiervanontstanemoeilijkheden. Boelgarije wilde behouden, wat het in Thracië en Macedonië zelf veroverd had, maar bovendien het deel van Macedonië krijgen, dat aan het land volgens het verdrag met Servië toegezegd was. Maar Servië wilde dit laatste niet geheel afstaan, omdat Boelgarije in Thracië zóó uitgebreid werd. Dan wenschte Boelgarije eigenlijk ook nog Saloniki..... Het overvroeg hier stellig; het wilde met de uitkomsten van den oorlog geen rekening houden. En in plaats van te wachten op den afloop van diplomatieke onderhandelingen, in plaats van de door keizer Nicolaas II aangeboden arbitrage te aanvaarden, viel het in Juni zijn vroegeren bondgenooten plotseling op het lijf. Maar nu bleek het zijn krachten verre overschat te hebben, te meer, omdat het met Roemenië ook nog te maken kreeg, dat, optredend voor het vestigen van een evenwicht op den Balkan, zich aan de zijde van Boelgarije’s vijanden schaarde. Binnen twee weken was het aan alle kanten schaakmat gezet. De Grieken verdreven het Boelgaarsche garnizoen uit Saloniki. De Serviërs namen nog meer van Macedonië in bezit. De Roemeniërs steldenzich in het bezit van Silistrië in het Boelgaarsche deel van de Dobroedsja ten zuiden van den Donaumond. Ja, de Turken namen de gelegenheid waar, om Adrianopel met een groot deel van Thracië te hernemen. Tsaar Ferdinand riep de bemiddeling van den Oostenrijkschen keizer in, die hem den raad gaf zich tot den Roemeenschen koning te wenden. Het kwam tot onderhandelingen te Boekarest, waar Boelgarije even weerloos stond als Turkije een jaar vroeger te Londen. Bij den vrede had het de voorwaarden der bondgenooten te aanvaarden. Het verloor aan Roemenië de pas genoemde streken, zoodat dit land nu den geheelen Donau-mond in bezit kreeg. Het moest aan Servië en Griekenland het grootste deel van Macedonië laten; het laatste behield niet alleen Saloniki, maar bovendien nog Kawalla, de tweede havenstad; Bulgarije moest tevreden zijn met Dede-Agatsj. Bovendien stond het bij den afzonderlijken vrede met Turkije nog Adrianopel af; de grens werd een goed stuk in Noordelijke richting verlegd.Een doos van Pandora bleek de Balkankwestie voor de zooveelste maal geweest te zijn. Wat zal zij nog verder voor wonderen baren?De regeling der bij den vrede van Londen aan de groote mogendheden opgedragen kwesties was nog niet afgeloopen, toen in 1914 de groote wereldoorlog uitbarstte. Ieder weet, dat de aanleiding op den Balkan lag: de moord van het Oostenrijksche kroonprinselijk paar te Sarajewo in Juni, door Oostenrijk aan de kuiperijen der groot-Servische propaganda geweten; de zware eischen, toen door Oostenrijk aan Servië gesteld! Maar de oorzaak heeft men te zoeken in de tegengestelde belangen der beide groepen van mogendheden in Europa; anders dan in 1908 werd nu de uitbarsting niet voorkomen. Italië alleen hield er zich eerst buiten, maar schaarde zich ten slotte aan de zijde der entente, zijn oude bondgenooten dus verlatende.De invloed dezer gebeurtenissen liet zich op den Balkan van meet af in sterke mate gevoelen. Turkije koos al spoedig de partij van Duitschland en Oostenrijk, waarvan het voor zijne toekomst het minst te vreezen had en tot welke het sedert jaren meer en meer was genaderd. Het feit, dat Engeland in het begin van den oorlog weigerde twee voor Turkije in Engeland gebouwde en haast voltooide oorlogsschepen uit te leveren—het lijfde ze bij de eigen marine in—, terwijl Duitschland twee zijner kruisers, die uit de Middellandsche Zee naar Constantinopel den wijk genomen hadden, aan de Turksche regeering aanbood, accentueerde direct deze verhouding. Ongeveer een jaar later volgde Boelgarije Turkije’s voorbeeld: het hoopte zoo te herwinnen, wat het in 1913 had moeten opgeven. Dientengevolge werd het Balkan-schiereiland een der belangrijkste onderdeelen van het algemeene oorlogsterrein. De expeditie der entente tegen de Dardanellen en de tijdelijke bezetting van een deel van Gallipoli; de verovering van Servië door de centralen(zoo noemt men de Duitschers en Oostenrijkers vrij algemeen), na de aansluiting van Boelgarije wel te verstaan; de opening dientengevolge van een directen weg van Berlijn naar Constantinopel en verder; het zijn alle gebeurtenissen van wereldhistorisch belang, waarvan de definitieve uitwerking nog altijd niet is te voorspellen.Zullen de Jong-Turken nu in de nieuwe omstandigheden den verderen val der Turksche macht in Europa weten te voorkomen? Aan krachtig verweer met hulp van de Duitschers, die het Turksche leger reeds vroeger ten deele gereorganiseerd hadden, hebben zij het niet laten ontbreken. Behouden de Turken Constantinopel, zij blijven een factor van groote beteekenis in het toekomstige Europa.
Aanhangsel.
Van de Jong-Turken maakten wij in ons verhaal nog slechts terloops melding. Zij vormden vóór 1908 geen kracht van beteekenis in het rijk. Velen der hervormingsgezinden, die vooral vóór 1878 van zich hadden doen hooren, waren onder het régime van Abdoel-Hamid gedwongen het land te verlaten. Zij leefden als ballingen in de Westersche wereld, vooral te Parijs, en maakten in ruime mate kennis met Westersche wetenschap en Westersche cultuur. De denkende koppen onder hen beraamden programma’s van hervormingen. Zij dweepten niet als de vroegere Jong-Turken met het West-Europeesche parlementaire systeem, oordeelende, dat die voor een zeer gecompliceerden staat als den Turkschen minder zou deugen. Zij voelden het meest voor een Republiek, maar aanvaardden de constitutioneele monarchie als overgangssysteem, als eerste stadium voor den nieuwen tijd. Hoofdzaak was: aan de absolute regeering van Abdoel-Hamid een einde te maken. Het duurde vrij lang, voordat het Turksche volk, zoo phlegmathiek van aard, zelfs deze regeering moede werd. De Jong-Turken zochten hun aanhang vooral in het leger en langzamerhand kreeg de propaganda van het door hen gestichte comité voor Unie en Vooruitgang hier invloed, bepaaldelijk onder de troepen, die in Macedonië waren bijeengetrokken. Moeilijkheden van den sultan met de Albaneezen gaven toen in 1908 het sein tot het uitbreken van een militairen opstand onder dezen.In Juli van dit jaar proclameerden het pas genoemde comité en eenige Jong-Turkschen officieren in Macedonië het herstel van de constitutie van 1878. Van Albanië uit werd hierop bij den sultan aangedrongen. Abdoel-Hamid, bevreesd voor een opmarsch der troepen naar Constantinopel, voorkwam het gevaar door toe te geven: Op den 24sten Juli decreteerde hij zelf, dat de constitutie hersteld was. Een volksvertegenwoordiging werd meteen samengeroepen. Nu werd het een uitbundige vreugde in den Balkan, voor zoover nog onder Turksch bewind. Men meende, dat een geheel nieuw vooruitzicht zich opende en dat de Macedonischeen andere kwesties van zelf zouden verdwijnen. Christenen en Mohammedanen waren gelijk. Hun algeheele verbroedering was aanstaande. Het verleden kon vergeten worden....Te midden van den jubel deden zich twee onaangename tonen hooren. In October verklaarde keizer Frans Jozef, dat hij Bosnië en Herzegowina annexeerde en dus de tijdelijke occupatie in een definitieve veranderde, terwijl hij het Sandsjak van Novi-Bazar aan Turkije teruggaf. Ongeveer tegelijkertijd proclameerde vorst Ferdinand van Boelgarije zich tot tsaar van dit land en Oost-Roemelië beide: hij ontdeed zich dus van de Turksche suzereiniteit. Feitelijk veranderde dit niet veel aan den bestaanden toestand. Er was eigenlijk niemand, die nog verwachtte, dat Oostenrijk-Hongarije de geoccupeerde gewesten ooit vrijwillig zou teruggeven of dat vorst Ferdinand Oost-Roemelië zou ontruimen. De nieuwe staatsrechtelijke toestand in Turkije, die ook voor de nog slechts in naam Turksch heetende gebieden gevolgen zou kunnen hebben, had voor Oostenrijk en Boelgarije, die hier niet zonder onderling overleg gehandeld hadden, de gelegenheid geschapen, om den vorm van het bezit te wijzigen. Het meeste verzet tegen deze formeel-rechtelijk niet te billijken handelingen kwam van de zijde der entente-mogendheden, v.n. van Engeland en Rusland, terwijl in Servië een zeer scherpe beweging tegen de annexatie ontstond. Ook Italië, waar de publieke opinie Oostenrijk gemeenlijk weinig goed gezind was, toonde er zich allerminst mede ingenomen; de regeering, ofschoon vasthoudend aan het drievoudig verbond, deed het voor Oostenrijk minder aangename voorstel een Europeesche conferentie samen te roepen, om de zaken op den Balkan opnieuw te regelen. In dezen tegenstand openbaarde zich eigenlijk de Europeesche verhoudingen: de gebeurtenissen op den Balkan gaven er slechts de aanleiding toe, dat de beide Europeesche staten-groepen elkander haast in de haren vlogen. Duitschland schaarde zich zonder voorbehoud aan de zijde van zijn bondgenoot. Een groote Europeesche oorlog heeft toen zeer ernstig gedreigd. Het schijnt, dat vooral Rusland, dat zich militair nog niet voldoende hersteld had, niet met kracht heeft durven doortasten. Tot vermindering van de spanning, die sedert October 1908 in Europa heerschte, droeg veel bij, dat Oostenrijk-Hongarije er in slaagde Turkije te bewegen zich in het fait accompli te schikken. Hier was de beweging tegen de annexatie lang niet zoo heftig geweest als in de landen der entente, en in Servië. De regeering had geprotesteerd en er was een boycotbeweging in enkele Turksche havens ontstaan. Ernstigeren vorm had het conflict niet aangenomen. En Abdoel-Hamid bleek spoedig bereid voor de betrekkelijk aanzienlijke schadeloosstelling van 2–1/2 millioen Turksche ponden zijne souvereine rechten—rechten, die alleen nog in naam bestonden!—af te staan; hij bedong bij de voor hem lang niet onvoordeelige overeenkomst van Februari 1909 nog bovendien, dat zijne geestelijke rechten als khalief over de Mohammedanen in debeide gewesten, ten deele althans, bewaard bleven en dat Oostenrijk de toezegging deed er toe te zullen medewerken, dat de nog altijd bestaande capitulatiën der vreemde mogendheden zouden opgeheven worden. Kort daarna erkende de sultan bij een overeenkomst met Boelgarije ook den nieuwen stand van zaken hier. Zij was mogelijk geworden, doordat Rusland aanbood de 5 millioen Turksche ponden, die het nog van Turkije te eischen had als rest van de oorlogsschatting van 1878, aan dit land kwijt te schelden, terwijl Boelgarije zich verplichtte 3 millioen dergelijke ponden aan Rusland te betalen. Ook hier deed de sultan geen onvoordeelige zaken. Een afzonderlijke regeling werd getroffen over de belangen der Mohammedanen in Boelgarije. Na deze schikkingen luwde de storm in Europa. Het laatst moest Servië zich gewonnen geven. Oostenrijk eischte van dit land toen de uitdrukkelijke belofte, dat het zich bij de annexatie neerlegde. Maar de goede verhouding keerde niet terug; de tegenstellingen waren hier en elders in Europa door deze gebeurtenissen veeleer verscherpt.Deze voor het enthusiasme, door de Jong-Turksche revolutie veroorzaakt, minder aangename, maar niet te veel storende geluiden werden spoedig door erger gevolgd. Abdoel-Hamid maakte van de zwarigheden gebruik, om zich aan den invloed van de Jong-Turken te onttrekken. Spoedig na de overeenkomsten met Oostenrijk en Boelgarije waagde hij een staatsgreep; hij wist zich van den steun der Oud-Turken zeker en hoopte op dien van de Liberale Unie, die zich in hare hervormingsneigingen vrij sterk van het onder de Jong-Turken overheerschende comité van Unie en Vooruitgang onderscheidde. In April 1909 werd het parlementsgebouw te Constantinopel door soldaten bezet en het ministerie, toen grootendeels uit voorstanders van het comité bestaande, geheel gewijzigd. Maar onmiddellijk rukte nu het Macedonische leger, dus het leger van de Jong-Turken, naar Constantinopel op en het deed dit onder opperbevel van Mahmoed-Sjefket-pasja in de beste orde. Straatgevechten in de hoofdstad liepen ten voordeele van dit leger af. Nu kwam een nationale vergadering—als hoedanig zich de volksvertegenwoordiging geconstitueerd had—te Constantinopel bijeen. Zij zette Abdoel-Hamid af en proclameerde een jongeren broeder van dezen als Mohammed V tot diens opvolger. Den gevallen Sultan werd een woonplaats te Saloniki aangewezen; hij behield zijn leven en zijne vrouwen, maar zijn rijkdom werd hem afgenomen. Onder den nieuwen sultan begon de regeering van het comité zelf.Nu mocht men verwachten, dat de in Juli 1908 verkondigde idealen hare verwezenlijking nabij waren. Maar juist het omgekeerde gebeurde. Wel bleef de constitutie gehandhaafd, maar in allen deele uitgevoerd werd zij niet. En tusschen de Christenen en de Jong-Turksche regeering werd de verhouding spoedig heel slecht. Dit is buiten kijf de schuld der laatste. In de praktijktoonde zich deze zeer chauvinistisch-Turksch. Niet om gelijkstelling bleek het haar te doen, maar om gelijkmaking, om assimilatie van de verschillende deelen aan de Turksche norm. Afschaffing van alle bijzondere rechten, den onderdeelen in verschillende mate toegekend, en sterke centralisatie van de regeering werden de leus. Het moge waar zijn, dat de Jong-Turken hiermede de verwezenlijking van zekere moreele idealen hoopten mogelijk te maken, zij lieten zich, om hun doel te bereiken, van geen middelen, hoe slecht en onpractisch ook, afschrikken en toonden daarbij weinig staatkundig talent. Zij deden, zooals dwepers veelal doen, en men is geneigd hen met eenige zachtheid te beoordeelen, juist omdat ze dwepers waren en omdat ze voor zulk een geweldig zware taak stonden: de bereddering van Abdoel-Hamid’s nalatenschap!Wat al plannen hebben zij geëntameerd! Ze wilden de Turken in de niet meer onder Turksch bewind staande landen, in en buiten Europa, naar Turkije overbrengen, daarmede de Turksche bevolking versterken en over de Christelijke den baas worden. Ze wilden de scholen overal naar één model, een Turksch model natuurlijk, inrichten. Tot Ottomanen zouden alle onderdanen van den Turkschen staat gemaakt worden,—naar één uniform model. En dat in een staat, waar juist de grootst mogelijke verscheidenheid van taal, godsdienst, gewoonten bestond! Verzet, dat natuurlijk niet uit kon blijven en ook waarlijk niet uitbleef, zou met geweld worden bedwongen. Ontwapening van de deelen, waar verzet gepleegd werd, was hiertoe een eerste schrede. Nu verdween de geest van verbroedering van 1908 zeer snel. Niet alleen in de Christelijke streken van den Balkan, ook in de door Mohammedanen bewoonde werd het roerig, tot in Syrië toe, waar juist de Arabieren in den beginne den Jong-Turken zeer goed gezind geweest waren, maar—van de centralisatie waren ook zij volstrekt niet gediend. Evenmin als de Albaneezen, ze mochten dan den Islam of het Christendom aanhangen, die juist op hunne groote mate van zelfstandigheid prat waren geweest. Van 1909–1911 kwam het onder hen van opstand tot opstand. In Macedonië begonnen de gevechten opnieuw; de toestand van vóór 1908 keerde terug. De regeering toonde zich ontegenzeggelijk krachtiger dan die van Abdoel-Hamid. In 1911 behaalde ze niet onbelangrijke voordeelen in Albanië en in Macedonië schenen de benden het nu tegen de Turksche troepen te moeten afleggen. De laatsten hadden het misschien nog verder kunnen brengen, ware de kracht van het leger, doordat vele officieren te veel aan politiek deden, waardoor de tucht verslapte, niet ten deele ondermijnd. Ook het opnemen van de Christenen in het leger, gevolg van den nieuwen toestand, had op den samenhang een nadeeligen invloed. Het is moeilijk te zeggen, wat het einde van deze ontwikkeling zou geweest zijn, indien deze in volle vrijheid, zonder belemmering van buiten af, had plaats gegrepen. Maar dit was niet het geval.In September 1911 ondernam Italië een expeditie naar Tripoli. De stad werd vrij gemakkelijk bezet. In het binnenland boden de Arabieren, door een klein aantal Turken versterkt, hevigen tegenstand. Het zou niet anders gegaan zijn, ware Abdoel-Hamid nog aan de regeering geweest. Maar nu kregen de Jong-Turken de schande der nederlaag te dragen en dit verhoogde hun aanzien niet. Men mocht hun met eenig recht verwijten, dat zij zeer weinig gedaan had, om de in diep verval verkeerende marine op te beuren, zij had in drie jaar toch niet genoeg kunnen doen, om Italië ter zee te weerstaan—en dit zou het eenige middel geweest zijn, om Tripoli te behouden. Terwijl de strijd in Libye nog voortduurde, sloot de Turksche regeering met Italië te Lausanne vrede (October 1912): zij stond Tripoli af, waar de sultan dergelijke rechten behield als in Bosnië en Herzegowina; zij verplichtte zich de Turksche troepen uit Libye terug te roepen; tot zoo lang zou Italië eenige eilanden in de Aegeïsche Zee (waaronder Rhodos), die het tijdens den oorlog bezet had, behouden. Zeer onvoordeelig was dit einde; geen geld zelfs was tot afkoop bedongen! Turkije had den afloop verhaast, omdat het wist, dat veel grooter gevaar dreigde.Het optreden der Jong-Turken en het gevaar voor een mogelijke versterking van den Turkschen staat had de Christelijke staten op den Balkan tot elkander gebracht. Het plan tot hunne onderlinge aaneensluiting was reeds lang van enkele zijden bepleit. Het leek ook zoo aannemelijk en zoo eenvoudig: de Christenen samen, om den Turk te verdrijven! In werkelijkheid waren de moeilijkheden even groot als die een aaneensluiting van de groote mogendheden in Europa tot hetzelfde doel sedert de 18e eeuw in den weg hadden gestaan; wat moest er gebeuren met het land, dat men den Turken zou ontnemen? Met Macedonië, waarop Bulgarije, Servië en Griekenland alle drie aasden. Met Albanië, dat Servië, Montenegro en Griekenland al even zeer begeerden. Met Constantinopel! En natuurlijk zouden de groote mogendheden de definitieve regeling niet buiten zich om laten geschieden. Rusland had de hoop op Constantinopel niet definitief opgegeven. Oostenrijk en Italië wenschten geen sterken staat aan de Adriatische Zee. Hierin stemden de belangen dezer beide, anders meer en meer divergeerende landen overeen. In het laatste stadium der Turksche kwestie in Europa zouden al deze belangen stellig tot hun recht trachten te komen. Het was onmogelijk ze alle vooraf met elkander te verzoenen. De aaneensluiting van Bulgarije, Servië, Montenegro en Griekenland in 1912, die men gewoon is den Balkanbond te noemen, was slechts een bescheiden poging, om althans enkele onderlinge geschilpunten uit den weg te ruimen en zoo het gezamenlijk optreden mogelijk te maken.De wijze, waarop, en de omstandigheden, waaronder de zoogenaamde Balkanbond tot stand kwam, zijn niet in alle bijzonderheden bekend. Zeker is, dat de besprekingen tusschen devoornaamste Balkan-staatslieden, vooral op aansporen van den Griekschen minister Venizelos, in den loop van 1910 begonnen en dat eerst in het voorjaar van 1912 een Servisch-Boelgaarschverdrag, weldra gevolgd door een Grieksch-Boelgaarsch verdrag, gesloten werd en dat iets later ook militaire afspraken tot stand kwamen. De staatkundige toestand, zooals deze er na een eventueele overwinning op de Turken zou moeten uitzien, werd echter volstrekt niet precies vastgesteld. Boelgarije en Servië werden het over de verdeeling van Macedonië vrij wel eens; over een betwist gedeelte zou de keizer van Rusland later uitspraak moeten doen. Maar Boelgarije en Griekenland hadden omtrent het deel van Macedonië, dat aan het laatste land zou komen, niets positiefs omschreven: de groote kwestie, wie hunner Saloniki zou krijgen, bleef open! De verdragen, voor zoover ze bekend geworden zijn, droegen een defensief karakter; maar uit den aard der zaak werd een optreden tegen Turkije er door voorbereid.Een kleine aanleiding was voldoende, om dit uit te lokken. Een nieuwe opstand in Albanië in 1912, nu met meer succes ondernomen dan de vorige—de Albaneezen dwongen de Turksche regeering, een ietwat gematigder regeering, die onder den indruk van den ernst der gebeurtenissen juist opgetreden was, hun een ruimer mate van autonomie toe te staan, die zich zelfs over een deel van Macedonië zou uitstrekken—, deed de spanning op den Balkan zeer toenemen. Toen toonden de groote mogendheden, v.n. Oostenrijk, neiging zich met de zaken te gaan bemoeien, om den dreigenden storm te bezweren. Zij verklaarden geen veranderingen in den status quo te zullen dulden—, zooals ze vroeger meermalen gedaan hadden. Juist één dag later verklaarde Montenegro, als wilde het met deze verklaring openlijk den spot drijven, aan Turkije den oorlog (9 October). Het uitdagend optreden van den kleinsten onder hen sleepte weldra de anderen mede. Deze eischten nu van Turkije autonomie voor alle Europeesche provinciën van het Turksche rijk, waarbij de grenzen naar de ethnographische toestanden zouden getrokken worden. Turkije antwoordde met een oorlogsverklaring aan Servië en Boelgarije, waarna Griekenland onmiddellijk de zijde van dezen koos.Over het algemeen verwachtte men, dat de Turken hunne tegenstanders gemakkelijk zouden overwinnen. Het Jong-Turksche leger had immers in 1908 zulke duidelijk sprekende proeven van bekwaamheid afgelegd! Maar de verwachting werd in geenen deele vervuld. Het leger bleek dapper genoeg, maar volstrekt niet berekend op de sterke krachtsinspanning, die er nu van geëischt werd. Het was niet voorzien van voldoende uitrusting en bij lange na niet voldoende georganiseerd. De Balkan-staten voerden den oorlog ieder voor zich; zij ondernamen geen gemeenschappelijke actie. De Boelgaren, wier hoofdmacht in Thracië viel, kregen met het voornaamste leger der Turken te maken. Zij versloegen dat achtereenvolgens bij Kirk-Kilisse, Loele-Boergas enTsjorloe, maar stieten, zelf door verliezen en ziekte verzwakt, het hoofd voor de linie van Tsjataldza, terwijl ze ook Adrianopel eerst niet konden veroveren. Onderwijl veroverden de Serviërs na hunne overwinningen bij Koemanovo en Monastir een zeer groot deel van Macedonië; zij ondernamen bovendien een expeditie naar het Westen, die zelfs leidde tot de bezetting van Durazzo in Albanië aan de Adriatische Zee. De Grieken stelden zich in het bezit van Epirus en Zuidelijk-Macedonië met Saloniki, waar ook een Bulgaarsch legertje binnentrok. De Montenegrijnen behaalden voordeelen aan de grenzen van hun land, maar het gelukte hun niet Skoetari te nemen, evenmin als de Grieken er in slaagden Janina te bezetten. Ter zee hield de Grieksche vloot de Turksche zonder veel moeite in bedwang; dien ten gevolge kon nu Kreta zich, zonder bezwaar, met Griekenland vereenigen, welk voorbeeld Samos en verschillende andere eilanden in de Aegeïsche Zee volgden. Het standhouden bij Tsjataldzja, te Adrianopel, Skoetari en Janina behoedde de Turken voor geheele verdrijving uit Europa, waarop de Boelgaren, onder den indruk hunner grootsche successen in het begin van den oorlog, stellig gehoopt hadden. Na twee maanden oorlogvoeren stemden Boelgarije, Servië en Montenegro er in toe een wapenstilstand te sluiten; alleen Griekenland weigerde hierin te treden. Vredesonderhandelingen, waaraan dit laatste land wel meedeed, werden aangeknoopt te Londen.Hier had Turkije weinig in te brengen. Het kon er alleen naar streven de zeer zware eischen, door den Balkanbond gesteld, eenigszins te doen matigen. Van de groote mogendheden mocht het op geen steun hoegenaamd rekenen. Zij hadden hare verklaring van vóór den oorlog al spoedig ingetrokken, begrijpende, dat er na den loop, dien de oorlog nam, aan een handhaving van den ouden toestand niet te denken viel. Wel bleek spoedig, dat ze zich zouden laten gelden bij de verdeeling van den buit. Oostenrijk-Hongarije en Italië gaven zonder omwegen te kennen, dat ze niet zouden dulden, dat Servië zich aan de Adriatische Zee nestelde. Het eerste land zag de groote uitbreiding van Servië in Zuidelijke richting ook zeer ongaarne, maar moest zich hierin wel schikken. Evenzoo verzetten de beide, pas genoemde landen er zich tegen, dat Walona in Zuid-Albanië aan Griekenland kwam. Zij stelden voor de stichting van een zelfstandig vorstendom in Albanië en wisten dat met steun der andere groote mogendheden door te zetten. Een gezanten-conferentie te Londen zou de grenzen van het nieuwe vorstendom regelen. Overigens trachtten de mogendheden tusschen de Balkan-partijen te bemiddelen. Zij wisten te bewerken, dat enkele der moeilijkste aangelegenheden, zooals de regeling van de kwestie over de eilanden in de Aegeïsche Zee, voor een later te nemen beslissing uit de onderhandelingen geëcarteerd werden. In Januari 1913 nam toen de Turksche regeering de voorwaarden der tegenpartij in hoofdzaak aan: afstand van al het verloren gebied, met inbegrip vanhet nog niet ingenomen Adrianopel, op den afstand waarvan Boelgarije met alle kracht aangedrongen had.Het aannemen van deze voorwaarden kostte de toenmalige Turksche regeering haar bestaan. De heftige Jong-Turken maakten revolutie te Constantinopel en kwamen opnieuw aan het bewind. Zij verklaarden den pas gesloten vrede niet te willen aanvaarden. Zoo begon de oorlog opnieuw, maar de Jong-Turken brachten geen ommekeer te hunnen gunste teweeg. Zelfs gingen nu Adrianopel, Janina, eindelijk ook Skoetari verloren. De nieuwe regeering mocht van geluk spreken, dat zij ten slotte vrede kon sluiten in hoofdzaak op dezelfde voorwaarden als door hare voorgangster waren goedgekeurd. Bij den in Mei 1913 te Londen gesloten vrede verloor Turkije al zijn Europeesch gebied behalve het deel van Thracië ten Zuiden van de lijn Enos-Midia; dus Constantinopel met het achterland dezer stad, juist genoeg om Bosporus en Dardanellen te blijven beheerschen en daardoor een rol van beteekenis in de Europeesche zaken te kunnen spelen. Het zou een oorlogsschatting hebben te betalen, maar alleen als vergoeding van het aandeel in de Turksche schuld, dat de bondgenooten zouden moeten overnemen; in bizonderheden zou ook deze aangelegenheid eerst later geregeld worden onder toezicht der groote mogendheden. De gezanten-conferentie te Londen had inmiddels de grenzen van Albanië vastgesteld. De Serviërs moesten het zich getroosten Durazzo te ontruimen en de Montenegrijnen trokken zich uit Skoetari terug, dit laatste echter pas na een op aandringen van Oostenrijk ondernomen vlootdemonstratie van de mogendheden in de Adriatische Zee.Hun overigen buit mochten de vier Balkan-Staten behouden. Over de verdeeling werden ze het niet gemakkelijk eens. Zelfs kwam het tot een onderlingen oorlog van Boelgarije met de drie andere ten gevolge van de naar aanleiding hiervanontstanemoeilijkheden. Boelgarije wilde behouden, wat het in Thracië en Macedonië zelf veroverd had, maar bovendien het deel van Macedonië krijgen, dat aan het land volgens het verdrag met Servië toegezegd was. Maar Servië wilde dit laatste niet geheel afstaan, omdat Boelgarije in Thracië zóó uitgebreid werd. Dan wenschte Boelgarije eigenlijk ook nog Saloniki..... Het overvroeg hier stellig; het wilde met de uitkomsten van den oorlog geen rekening houden. En in plaats van te wachten op den afloop van diplomatieke onderhandelingen, in plaats van de door keizer Nicolaas II aangeboden arbitrage te aanvaarden, viel het in Juni zijn vroegeren bondgenooten plotseling op het lijf. Maar nu bleek het zijn krachten verre overschat te hebben, te meer, omdat het met Roemenië ook nog te maken kreeg, dat, optredend voor het vestigen van een evenwicht op den Balkan, zich aan de zijde van Boelgarije’s vijanden schaarde. Binnen twee weken was het aan alle kanten schaakmat gezet. De Grieken verdreven het Boelgaarsche garnizoen uit Saloniki. De Serviërs namen nog meer van Macedonië in bezit. De Roemeniërs steldenzich in het bezit van Silistrië in het Boelgaarsche deel van de Dobroedsja ten zuiden van den Donaumond. Ja, de Turken namen de gelegenheid waar, om Adrianopel met een groot deel van Thracië te hernemen. Tsaar Ferdinand riep de bemiddeling van den Oostenrijkschen keizer in, die hem den raad gaf zich tot den Roemeenschen koning te wenden. Het kwam tot onderhandelingen te Boekarest, waar Boelgarije even weerloos stond als Turkije een jaar vroeger te Londen. Bij den vrede had het de voorwaarden der bondgenooten te aanvaarden. Het verloor aan Roemenië de pas genoemde streken, zoodat dit land nu den geheelen Donau-mond in bezit kreeg. Het moest aan Servië en Griekenland het grootste deel van Macedonië laten; het laatste behield niet alleen Saloniki, maar bovendien nog Kawalla, de tweede havenstad; Bulgarije moest tevreden zijn met Dede-Agatsj. Bovendien stond het bij den afzonderlijken vrede met Turkije nog Adrianopel af; de grens werd een goed stuk in Noordelijke richting verlegd.Een doos van Pandora bleek de Balkankwestie voor de zooveelste maal geweest te zijn. Wat zal zij nog verder voor wonderen baren?De regeling der bij den vrede van Londen aan de groote mogendheden opgedragen kwesties was nog niet afgeloopen, toen in 1914 de groote wereldoorlog uitbarstte. Ieder weet, dat de aanleiding op den Balkan lag: de moord van het Oostenrijksche kroonprinselijk paar te Sarajewo in Juni, door Oostenrijk aan de kuiperijen der groot-Servische propaganda geweten; de zware eischen, toen door Oostenrijk aan Servië gesteld! Maar de oorzaak heeft men te zoeken in de tegengestelde belangen der beide groepen van mogendheden in Europa; anders dan in 1908 werd nu de uitbarsting niet voorkomen. Italië alleen hield er zich eerst buiten, maar schaarde zich ten slotte aan de zijde der entente, zijn oude bondgenooten dus verlatende.De invloed dezer gebeurtenissen liet zich op den Balkan van meet af in sterke mate gevoelen. Turkije koos al spoedig de partij van Duitschland en Oostenrijk, waarvan het voor zijne toekomst het minst te vreezen had en tot welke het sedert jaren meer en meer was genaderd. Het feit, dat Engeland in het begin van den oorlog weigerde twee voor Turkije in Engeland gebouwde en haast voltooide oorlogsschepen uit te leveren—het lijfde ze bij de eigen marine in—, terwijl Duitschland twee zijner kruisers, die uit de Middellandsche Zee naar Constantinopel den wijk genomen hadden, aan de Turksche regeering aanbood, accentueerde direct deze verhouding. Ongeveer een jaar later volgde Boelgarije Turkije’s voorbeeld: het hoopte zoo te herwinnen, wat het in 1913 had moeten opgeven. Dientengevolge werd het Balkan-schiereiland een der belangrijkste onderdeelen van het algemeene oorlogsterrein. De expeditie der entente tegen de Dardanellen en de tijdelijke bezetting van een deel van Gallipoli; de verovering van Servië door de centralen(zoo noemt men de Duitschers en Oostenrijkers vrij algemeen), na de aansluiting van Boelgarije wel te verstaan; de opening dientengevolge van een directen weg van Berlijn naar Constantinopel en verder; het zijn alle gebeurtenissen van wereldhistorisch belang, waarvan de definitieve uitwerking nog altijd niet is te voorspellen.Zullen de Jong-Turken nu in de nieuwe omstandigheden den verderen val der Turksche macht in Europa weten te voorkomen? Aan krachtig verweer met hulp van de Duitschers, die het Turksche leger reeds vroeger ten deele gereorganiseerd hadden, hebben zij het niet laten ontbreken. Behouden de Turken Constantinopel, zij blijven een factor van groote beteekenis in het toekomstige Europa.
Van de Jong-Turken maakten wij in ons verhaal nog slechts terloops melding. Zij vormden vóór 1908 geen kracht van beteekenis in het rijk. Velen der hervormingsgezinden, die vooral vóór 1878 van zich hadden doen hooren, waren onder het régime van Abdoel-Hamid gedwongen het land te verlaten. Zij leefden als ballingen in de Westersche wereld, vooral te Parijs, en maakten in ruime mate kennis met Westersche wetenschap en Westersche cultuur. De denkende koppen onder hen beraamden programma’s van hervormingen. Zij dweepten niet als de vroegere Jong-Turken met het West-Europeesche parlementaire systeem, oordeelende, dat die voor een zeer gecompliceerden staat als den Turkschen minder zou deugen. Zij voelden het meest voor een Republiek, maar aanvaardden de constitutioneele monarchie als overgangssysteem, als eerste stadium voor den nieuwen tijd. Hoofdzaak was: aan de absolute regeering van Abdoel-Hamid een einde te maken. Het duurde vrij lang, voordat het Turksche volk, zoo phlegmathiek van aard, zelfs deze regeering moede werd. De Jong-Turken zochten hun aanhang vooral in het leger en langzamerhand kreeg de propaganda van het door hen gestichte comité voor Unie en Vooruitgang hier invloed, bepaaldelijk onder de troepen, die in Macedonië waren bijeengetrokken. Moeilijkheden van den sultan met de Albaneezen gaven toen in 1908 het sein tot het uitbreken van een militairen opstand onder dezen.
In Juli van dit jaar proclameerden het pas genoemde comité en eenige Jong-Turkschen officieren in Macedonië het herstel van de constitutie van 1878. Van Albanië uit werd hierop bij den sultan aangedrongen. Abdoel-Hamid, bevreesd voor een opmarsch der troepen naar Constantinopel, voorkwam het gevaar door toe te geven: Op den 24sten Juli decreteerde hij zelf, dat de constitutie hersteld was. Een volksvertegenwoordiging werd meteen samengeroepen. Nu werd het een uitbundige vreugde in den Balkan, voor zoover nog onder Turksch bewind. Men meende, dat een geheel nieuw vooruitzicht zich opende en dat de Macedonischeen andere kwesties van zelf zouden verdwijnen. Christenen en Mohammedanen waren gelijk. Hun algeheele verbroedering was aanstaande. Het verleden kon vergeten worden....
Te midden van den jubel deden zich twee onaangename tonen hooren. In October verklaarde keizer Frans Jozef, dat hij Bosnië en Herzegowina annexeerde en dus de tijdelijke occupatie in een definitieve veranderde, terwijl hij het Sandsjak van Novi-Bazar aan Turkije teruggaf. Ongeveer tegelijkertijd proclameerde vorst Ferdinand van Boelgarije zich tot tsaar van dit land en Oost-Roemelië beide: hij ontdeed zich dus van de Turksche suzereiniteit. Feitelijk veranderde dit niet veel aan den bestaanden toestand. Er was eigenlijk niemand, die nog verwachtte, dat Oostenrijk-Hongarije de geoccupeerde gewesten ooit vrijwillig zou teruggeven of dat vorst Ferdinand Oost-Roemelië zou ontruimen. De nieuwe staatsrechtelijke toestand in Turkije, die ook voor de nog slechts in naam Turksch heetende gebieden gevolgen zou kunnen hebben, had voor Oostenrijk en Boelgarije, die hier niet zonder onderling overleg gehandeld hadden, de gelegenheid geschapen, om den vorm van het bezit te wijzigen. Het meeste verzet tegen deze formeel-rechtelijk niet te billijken handelingen kwam van de zijde der entente-mogendheden, v.n. van Engeland en Rusland, terwijl in Servië een zeer scherpe beweging tegen de annexatie ontstond. Ook Italië, waar de publieke opinie Oostenrijk gemeenlijk weinig goed gezind was, toonde er zich allerminst mede ingenomen; de regeering, ofschoon vasthoudend aan het drievoudig verbond, deed het voor Oostenrijk minder aangename voorstel een Europeesche conferentie samen te roepen, om de zaken op den Balkan opnieuw te regelen. In dezen tegenstand openbaarde zich eigenlijk de Europeesche verhoudingen: de gebeurtenissen op den Balkan gaven er slechts de aanleiding toe, dat de beide Europeesche staten-groepen elkander haast in de haren vlogen. Duitschland schaarde zich zonder voorbehoud aan de zijde van zijn bondgenoot. Een groote Europeesche oorlog heeft toen zeer ernstig gedreigd. Het schijnt, dat vooral Rusland, dat zich militair nog niet voldoende hersteld had, niet met kracht heeft durven doortasten. Tot vermindering van de spanning, die sedert October 1908 in Europa heerschte, droeg veel bij, dat Oostenrijk-Hongarije er in slaagde Turkije te bewegen zich in het fait accompli te schikken. Hier was de beweging tegen de annexatie lang niet zoo heftig geweest als in de landen der entente, en in Servië. De regeering had geprotesteerd en er was een boycotbeweging in enkele Turksche havens ontstaan. Ernstigeren vorm had het conflict niet aangenomen. En Abdoel-Hamid bleek spoedig bereid voor de betrekkelijk aanzienlijke schadeloosstelling van 2–1/2 millioen Turksche ponden zijne souvereine rechten—rechten, die alleen nog in naam bestonden!—af te staan; hij bedong bij de voor hem lang niet onvoordeelige overeenkomst van Februari 1909 nog bovendien, dat zijne geestelijke rechten als khalief over de Mohammedanen in debeide gewesten, ten deele althans, bewaard bleven en dat Oostenrijk de toezegging deed er toe te zullen medewerken, dat de nog altijd bestaande capitulatiën der vreemde mogendheden zouden opgeheven worden. Kort daarna erkende de sultan bij een overeenkomst met Boelgarije ook den nieuwen stand van zaken hier. Zij was mogelijk geworden, doordat Rusland aanbood de 5 millioen Turksche ponden, die het nog van Turkije te eischen had als rest van de oorlogsschatting van 1878, aan dit land kwijt te schelden, terwijl Boelgarije zich verplichtte 3 millioen dergelijke ponden aan Rusland te betalen. Ook hier deed de sultan geen onvoordeelige zaken. Een afzonderlijke regeling werd getroffen over de belangen der Mohammedanen in Boelgarije. Na deze schikkingen luwde de storm in Europa. Het laatst moest Servië zich gewonnen geven. Oostenrijk eischte van dit land toen de uitdrukkelijke belofte, dat het zich bij de annexatie neerlegde. Maar de goede verhouding keerde niet terug; de tegenstellingen waren hier en elders in Europa door deze gebeurtenissen veeleer verscherpt.
Deze voor het enthusiasme, door de Jong-Turksche revolutie veroorzaakt, minder aangename, maar niet te veel storende geluiden werden spoedig door erger gevolgd. Abdoel-Hamid maakte van de zwarigheden gebruik, om zich aan den invloed van de Jong-Turken te onttrekken. Spoedig na de overeenkomsten met Oostenrijk en Boelgarije waagde hij een staatsgreep; hij wist zich van den steun der Oud-Turken zeker en hoopte op dien van de Liberale Unie, die zich in hare hervormingsneigingen vrij sterk van het onder de Jong-Turken overheerschende comité van Unie en Vooruitgang onderscheidde. In April 1909 werd het parlementsgebouw te Constantinopel door soldaten bezet en het ministerie, toen grootendeels uit voorstanders van het comité bestaande, geheel gewijzigd. Maar onmiddellijk rukte nu het Macedonische leger, dus het leger van de Jong-Turken, naar Constantinopel op en het deed dit onder opperbevel van Mahmoed-Sjefket-pasja in de beste orde. Straatgevechten in de hoofdstad liepen ten voordeele van dit leger af. Nu kwam een nationale vergadering—als hoedanig zich de volksvertegenwoordiging geconstitueerd had—te Constantinopel bijeen. Zij zette Abdoel-Hamid af en proclameerde een jongeren broeder van dezen als Mohammed V tot diens opvolger. Den gevallen Sultan werd een woonplaats te Saloniki aangewezen; hij behield zijn leven en zijne vrouwen, maar zijn rijkdom werd hem afgenomen. Onder den nieuwen sultan begon de regeering van het comité zelf.
Nu mocht men verwachten, dat de in Juli 1908 verkondigde idealen hare verwezenlijking nabij waren. Maar juist het omgekeerde gebeurde. Wel bleef de constitutie gehandhaafd, maar in allen deele uitgevoerd werd zij niet. En tusschen de Christenen en de Jong-Turksche regeering werd de verhouding spoedig heel slecht. Dit is buiten kijf de schuld der laatste. In de praktijktoonde zich deze zeer chauvinistisch-Turksch. Niet om gelijkstelling bleek het haar te doen, maar om gelijkmaking, om assimilatie van de verschillende deelen aan de Turksche norm. Afschaffing van alle bijzondere rechten, den onderdeelen in verschillende mate toegekend, en sterke centralisatie van de regeering werden de leus. Het moge waar zijn, dat de Jong-Turken hiermede de verwezenlijking van zekere moreele idealen hoopten mogelijk te maken, zij lieten zich, om hun doel te bereiken, van geen middelen, hoe slecht en onpractisch ook, afschrikken en toonden daarbij weinig staatkundig talent. Zij deden, zooals dwepers veelal doen, en men is geneigd hen met eenige zachtheid te beoordeelen, juist omdat ze dwepers waren en omdat ze voor zulk een geweldig zware taak stonden: de bereddering van Abdoel-Hamid’s nalatenschap!
Wat al plannen hebben zij geëntameerd! Ze wilden de Turken in de niet meer onder Turksch bewind staande landen, in en buiten Europa, naar Turkije overbrengen, daarmede de Turksche bevolking versterken en over de Christelijke den baas worden. Ze wilden de scholen overal naar één model, een Turksch model natuurlijk, inrichten. Tot Ottomanen zouden alle onderdanen van den Turkschen staat gemaakt worden,—naar één uniform model. En dat in een staat, waar juist de grootst mogelijke verscheidenheid van taal, godsdienst, gewoonten bestond! Verzet, dat natuurlijk niet uit kon blijven en ook waarlijk niet uitbleef, zou met geweld worden bedwongen. Ontwapening van de deelen, waar verzet gepleegd werd, was hiertoe een eerste schrede. Nu verdween de geest van verbroedering van 1908 zeer snel. Niet alleen in de Christelijke streken van den Balkan, ook in de door Mohammedanen bewoonde werd het roerig, tot in Syrië toe, waar juist de Arabieren in den beginne den Jong-Turken zeer goed gezind geweest waren, maar—van de centralisatie waren ook zij volstrekt niet gediend. Evenmin als de Albaneezen, ze mochten dan den Islam of het Christendom aanhangen, die juist op hunne groote mate van zelfstandigheid prat waren geweest. Van 1909–1911 kwam het onder hen van opstand tot opstand. In Macedonië begonnen de gevechten opnieuw; de toestand van vóór 1908 keerde terug. De regeering toonde zich ontegenzeggelijk krachtiger dan die van Abdoel-Hamid. In 1911 behaalde ze niet onbelangrijke voordeelen in Albanië en in Macedonië schenen de benden het nu tegen de Turksche troepen te moeten afleggen. De laatsten hadden het misschien nog verder kunnen brengen, ware de kracht van het leger, doordat vele officieren te veel aan politiek deden, waardoor de tucht verslapte, niet ten deele ondermijnd. Ook het opnemen van de Christenen in het leger, gevolg van den nieuwen toestand, had op den samenhang een nadeeligen invloed. Het is moeilijk te zeggen, wat het einde van deze ontwikkeling zou geweest zijn, indien deze in volle vrijheid, zonder belemmering van buiten af, had plaats gegrepen. Maar dit was niet het geval.
In September 1911 ondernam Italië een expeditie naar Tripoli. De stad werd vrij gemakkelijk bezet. In het binnenland boden de Arabieren, door een klein aantal Turken versterkt, hevigen tegenstand. Het zou niet anders gegaan zijn, ware Abdoel-Hamid nog aan de regeering geweest. Maar nu kregen de Jong-Turken de schande der nederlaag te dragen en dit verhoogde hun aanzien niet. Men mocht hun met eenig recht verwijten, dat zij zeer weinig gedaan had, om de in diep verval verkeerende marine op te beuren, zij had in drie jaar toch niet genoeg kunnen doen, om Italië ter zee te weerstaan—en dit zou het eenige middel geweest zijn, om Tripoli te behouden. Terwijl de strijd in Libye nog voortduurde, sloot de Turksche regeering met Italië te Lausanne vrede (October 1912): zij stond Tripoli af, waar de sultan dergelijke rechten behield als in Bosnië en Herzegowina; zij verplichtte zich de Turksche troepen uit Libye terug te roepen; tot zoo lang zou Italië eenige eilanden in de Aegeïsche Zee (waaronder Rhodos), die het tijdens den oorlog bezet had, behouden. Zeer onvoordeelig was dit einde; geen geld zelfs was tot afkoop bedongen! Turkije had den afloop verhaast, omdat het wist, dat veel grooter gevaar dreigde.
Het optreden der Jong-Turken en het gevaar voor een mogelijke versterking van den Turkschen staat had de Christelijke staten op den Balkan tot elkander gebracht. Het plan tot hunne onderlinge aaneensluiting was reeds lang van enkele zijden bepleit. Het leek ook zoo aannemelijk en zoo eenvoudig: de Christenen samen, om den Turk te verdrijven! In werkelijkheid waren de moeilijkheden even groot als die een aaneensluiting van de groote mogendheden in Europa tot hetzelfde doel sedert de 18e eeuw in den weg hadden gestaan; wat moest er gebeuren met het land, dat men den Turken zou ontnemen? Met Macedonië, waarop Bulgarije, Servië en Griekenland alle drie aasden. Met Albanië, dat Servië, Montenegro en Griekenland al even zeer begeerden. Met Constantinopel! En natuurlijk zouden de groote mogendheden de definitieve regeling niet buiten zich om laten geschieden. Rusland had de hoop op Constantinopel niet definitief opgegeven. Oostenrijk en Italië wenschten geen sterken staat aan de Adriatische Zee. Hierin stemden de belangen dezer beide, anders meer en meer divergeerende landen overeen. In het laatste stadium der Turksche kwestie in Europa zouden al deze belangen stellig tot hun recht trachten te komen. Het was onmogelijk ze alle vooraf met elkander te verzoenen. De aaneensluiting van Bulgarije, Servië, Montenegro en Griekenland in 1912, die men gewoon is den Balkanbond te noemen, was slechts een bescheiden poging, om althans enkele onderlinge geschilpunten uit den weg te ruimen en zoo het gezamenlijk optreden mogelijk te maken.
De wijze, waarop, en de omstandigheden, waaronder de zoogenaamde Balkanbond tot stand kwam, zijn niet in alle bijzonderheden bekend. Zeker is, dat de besprekingen tusschen devoornaamste Balkan-staatslieden, vooral op aansporen van den Griekschen minister Venizelos, in den loop van 1910 begonnen en dat eerst in het voorjaar van 1912 een Servisch-Boelgaarschverdrag, weldra gevolgd door een Grieksch-Boelgaarsch verdrag, gesloten werd en dat iets later ook militaire afspraken tot stand kwamen. De staatkundige toestand, zooals deze er na een eventueele overwinning op de Turken zou moeten uitzien, werd echter volstrekt niet precies vastgesteld. Boelgarije en Servië werden het over de verdeeling van Macedonië vrij wel eens; over een betwist gedeelte zou de keizer van Rusland later uitspraak moeten doen. Maar Boelgarije en Griekenland hadden omtrent het deel van Macedonië, dat aan het laatste land zou komen, niets positiefs omschreven: de groote kwestie, wie hunner Saloniki zou krijgen, bleef open! De verdragen, voor zoover ze bekend geworden zijn, droegen een defensief karakter; maar uit den aard der zaak werd een optreden tegen Turkije er door voorbereid.
Een kleine aanleiding was voldoende, om dit uit te lokken. Een nieuwe opstand in Albanië in 1912, nu met meer succes ondernomen dan de vorige—de Albaneezen dwongen de Turksche regeering, een ietwat gematigder regeering, die onder den indruk van den ernst der gebeurtenissen juist opgetreden was, hun een ruimer mate van autonomie toe te staan, die zich zelfs over een deel van Macedonië zou uitstrekken—, deed de spanning op den Balkan zeer toenemen. Toen toonden de groote mogendheden, v.n. Oostenrijk, neiging zich met de zaken te gaan bemoeien, om den dreigenden storm te bezweren. Zij verklaarden geen veranderingen in den status quo te zullen dulden—, zooals ze vroeger meermalen gedaan hadden. Juist één dag later verklaarde Montenegro, als wilde het met deze verklaring openlijk den spot drijven, aan Turkije den oorlog (9 October). Het uitdagend optreden van den kleinsten onder hen sleepte weldra de anderen mede. Deze eischten nu van Turkije autonomie voor alle Europeesche provinciën van het Turksche rijk, waarbij de grenzen naar de ethnographische toestanden zouden getrokken worden. Turkije antwoordde met een oorlogsverklaring aan Servië en Boelgarije, waarna Griekenland onmiddellijk de zijde van dezen koos.
Over het algemeen verwachtte men, dat de Turken hunne tegenstanders gemakkelijk zouden overwinnen. Het Jong-Turksche leger had immers in 1908 zulke duidelijk sprekende proeven van bekwaamheid afgelegd! Maar de verwachting werd in geenen deele vervuld. Het leger bleek dapper genoeg, maar volstrekt niet berekend op de sterke krachtsinspanning, die er nu van geëischt werd. Het was niet voorzien van voldoende uitrusting en bij lange na niet voldoende georganiseerd. De Balkan-staten voerden den oorlog ieder voor zich; zij ondernamen geen gemeenschappelijke actie. De Boelgaren, wier hoofdmacht in Thracië viel, kregen met het voornaamste leger der Turken te maken. Zij versloegen dat achtereenvolgens bij Kirk-Kilisse, Loele-Boergas enTsjorloe, maar stieten, zelf door verliezen en ziekte verzwakt, het hoofd voor de linie van Tsjataldza, terwijl ze ook Adrianopel eerst niet konden veroveren. Onderwijl veroverden de Serviërs na hunne overwinningen bij Koemanovo en Monastir een zeer groot deel van Macedonië; zij ondernamen bovendien een expeditie naar het Westen, die zelfs leidde tot de bezetting van Durazzo in Albanië aan de Adriatische Zee. De Grieken stelden zich in het bezit van Epirus en Zuidelijk-Macedonië met Saloniki, waar ook een Bulgaarsch legertje binnentrok. De Montenegrijnen behaalden voordeelen aan de grenzen van hun land, maar het gelukte hun niet Skoetari te nemen, evenmin als de Grieken er in slaagden Janina te bezetten. Ter zee hield de Grieksche vloot de Turksche zonder veel moeite in bedwang; dien ten gevolge kon nu Kreta zich, zonder bezwaar, met Griekenland vereenigen, welk voorbeeld Samos en verschillende andere eilanden in de Aegeïsche Zee volgden. Het standhouden bij Tsjataldzja, te Adrianopel, Skoetari en Janina behoedde de Turken voor geheele verdrijving uit Europa, waarop de Boelgaren, onder den indruk hunner grootsche successen in het begin van den oorlog, stellig gehoopt hadden. Na twee maanden oorlogvoeren stemden Boelgarije, Servië en Montenegro er in toe een wapenstilstand te sluiten; alleen Griekenland weigerde hierin te treden. Vredesonderhandelingen, waaraan dit laatste land wel meedeed, werden aangeknoopt te Londen.
Hier had Turkije weinig in te brengen. Het kon er alleen naar streven de zeer zware eischen, door den Balkanbond gesteld, eenigszins te doen matigen. Van de groote mogendheden mocht het op geen steun hoegenaamd rekenen. Zij hadden hare verklaring van vóór den oorlog al spoedig ingetrokken, begrijpende, dat er na den loop, dien de oorlog nam, aan een handhaving van den ouden toestand niet te denken viel. Wel bleek spoedig, dat ze zich zouden laten gelden bij de verdeeling van den buit. Oostenrijk-Hongarije en Italië gaven zonder omwegen te kennen, dat ze niet zouden dulden, dat Servië zich aan de Adriatische Zee nestelde. Het eerste land zag de groote uitbreiding van Servië in Zuidelijke richting ook zeer ongaarne, maar moest zich hierin wel schikken. Evenzoo verzetten de beide, pas genoemde landen er zich tegen, dat Walona in Zuid-Albanië aan Griekenland kwam. Zij stelden voor de stichting van een zelfstandig vorstendom in Albanië en wisten dat met steun der andere groote mogendheden door te zetten. Een gezanten-conferentie te Londen zou de grenzen van het nieuwe vorstendom regelen. Overigens trachtten de mogendheden tusschen de Balkan-partijen te bemiddelen. Zij wisten te bewerken, dat enkele der moeilijkste aangelegenheden, zooals de regeling van de kwestie over de eilanden in de Aegeïsche Zee, voor een later te nemen beslissing uit de onderhandelingen geëcarteerd werden. In Januari 1913 nam toen de Turksche regeering de voorwaarden der tegenpartij in hoofdzaak aan: afstand van al het verloren gebied, met inbegrip vanhet nog niet ingenomen Adrianopel, op den afstand waarvan Boelgarije met alle kracht aangedrongen had.
Het aannemen van deze voorwaarden kostte de toenmalige Turksche regeering haar bestaan. De heftige Jong-Turken maakten revolutie te Constantinopel en kwamen opnieuw aan het bewind. Zij verklaarden den pas gesloten vrede niet te willen aanvaarden. Zoo begon de oorlog opnieuw, maar de Jong-Turken brachten geen ommekeer te hunnen gunste teweeg. Zelfs gingen nu Adrianopel, Janina, eindelijk ook Skoetari verloren. De nieuwe regeering mocht van geluk spreken, dat zij ten slotte vrede kon sluiten in hoofdzaak op dezelfde voorwaarden als door hare voorgangster waren goedgekeurd. Bij den in Mei 1913 te Londen gesloten vrede verloor Turkije al zijn Europeesch gebied behalve het deel van Thracië ten Zuiden van de lijn Enos-Midia; dus Constantinopel met het achterland dezer stad, juist genoeg om Bosporus en Dardanellen te blijven beheerschen en daardoor een rol van beteekenis in de Europeesche zaken te kunnen spelen. Het zou een oorlogsschatting hebben te betalen, maar alleen als vergoeding van het aandeel in de Turksche schuld, dat de bondgenooten zouden moeten overnemen; in bizonderheden zou ook deze aangelegenheid eerst later geregeld worden onder toezicht der groote mogendheden. De gezanten-conferentie te Londen had inmiddels de grenzen van Albanië vastgesteld. De Serviërs moesten het zich getroosten Durazzo te ontruimen en de Montenegrijnen trokken zich uit Skoetari terug, dit laatste echter pas na een op aandringen van Oostenrijk ondernomen vlootdemonstratie van de mogendheden in de Adriatische Zee.
Hun overigen buit mochten de vier Balkan-Staten behouden. Over de verdeeling werden ze het niet gemakkelijk eens. Zelfs kwam het tot een onderlingen oorlog van Boelgarije met de drie andere ten gevolge van de naar aanleiding hiervanontstanemoeilijkheden. Boelgarije wilde behouden, wat het in Thracië en Macedonië zelf veroverd had, maar bovendien het deel van Macedonië krijgen, dat aan het land volgens het verdrag met Servië toegezegd was. Maar Servië wilde dit laatste niet geheel afstaan, omdat Boelgarije in Thracië zóó uitgebreid werd. Dan wenschte Boelgarije eigenlijk ook nog Saloniki..... Het overvroeg hier stellig; het wilde met de uitkomsten van den oorlog geen rekening houden. En in plaats van te wachten op den afloop van diplomatieke onderhandelingen, in plaats van de door keizer Nicolaas II aangeboden arbitrage te aanvaarden, viel het in Juni zijn vroegeren bondgenooten plotseling op het lijf. Maar nu bleek het zijn krachten verre overschat te hebben, te meer, omdat het met Roemenië ook nog te maken kreeg, dat, optredend voor het vestigen van een evenwicht op den Balkan, zich aan de zijde van Boelgarije’s vijanden schaarde. Binnen twee weken was het aan alle kanten schaakmat gezet. De Grieken verdreven het Boelgaarsche garnizoen uit Saloniki. De Serviërs namen nog meer van Macedonië in bezit. De Roemeniërs steldenzich in het bezit van Silistrië in het Boelgaarsche deel van de Dobroedsja ten zuiden van den Donaumond. Ja, de Turken namen de gelegenheid waar, om Adrianopel met een groot deel van Thracië te hernemen. Tsaar Ferdinand riep de bemiddeling van den Oostenrijkschen keizer in, die hem den raad gaf zich tot den Roemeenschen koning te wenden. Het kwam tot onderhandelingen te Boekarest, waar Boelgarije even weerloos stond als Turkije een jaar vroeger te Londen. Bij den vrede had het de voorwaarden der bondgenooten te aanvaarden. Het verloor aan Roemenië de pas genoemde streken, zoodat dit land nu den geheelen Donau-mond in bezit kreeg. Het moest aan Servië en Griekenland het grootste deel van Macedonië laten; het laatste behield niet alleen Saloniki, maar bovendien nog Kawalla, de tweede havenstad; Bulgarije moest tevreden zijn met Dede-Agatsj. Bovendien stond het bij den afzonderlijken vrede met Turkije nog Adrianopel af; de grens werd een goed stuk in Noordelijke richting verlegd.
Een doos van Pandora bleek de Balkankwestie voor de zooveelste maal geweest te zijn. Wat zal zij nog verder voor wonderen baren?
De regeling der bij den vrede van Londen aan de groote mogendheden opgedragen kwesties was nog niet afgeloopen, toen in 1914 de groote wereldoorlog uitbarstte. Ieder weet, dat de aanleiding op den Balkan lag: de moord van het Oostenrijksche kroonprinselijk paar te Sarajewo in Juni, door Oostenrijk aan de kuiperijen der groot-Servische propaganda geweten; de zware eischen, toen door Oostenrijk aan Servië gesteld! Maar de oorzaak heeft men te zoeken in de tegengestelde belangen der beide groepen van mogendheden in Europa; anders dan in 1908 werd nu de uitbarsting niet voorkomen. Italië alleen hield er zich eerst buiten, maar schaarde zich ten slotte aan de zijde der entente, zijn oude bondgenooten dus verlatende.
De invloed dezer gebeurtenissen liet zich op den Balkan van meet af in sterke mate gevoelen. Turkije koos al spoedig de partij van Duitschland en Oostenrijk, waarvan het voor zijne toekomst het minst te vreezen had en tot welke het sedert jaren meer en meer was genaderd. Het feit, dat Engeland in het begin van den oorlog weigerde twee voor Turkije in Engeland gebouwde en haast voltooide oorlogsschepen uit te leveren—het lijfde ze bij de eigen marine in—, terwijl Duitschland twee zijner kruisers, die uit de Middellandsche Zee naar Constantinopel den wijk genomen hadden, aan de Turksche regeering aanbood, accentueerde direct deze verhouding. Ongeveer een jaar later volgde Boelgarije Turkije’s voorbeeld: het hoopte zoo te herwinnen, wat het in 1913 had moeten opgeven. Dientengevolge werd het Balkan-schiereiland een der belangrijkste onderdeelen van het algemeene oorlogsterrein. De expeditie der entente tegen de Dardanellen en de tijdelijke bezetting van een deel van Gallipoli; de verovering van Servië door de centralen(zoo noemt men de Duitschers en Oostenrijkers vrij algemeen), na de aansluiting van Boelgarije wel te verstaan; de opening dientengevolge van een directen weg van Berlijn naar Constantinopel en verder; het zijn alle gebeurtenissen van wereldhistorisch belang, waarvan de definitieve uitwerking nog altijd niet is te voorspellen.
Zullen de Jong-Turken nu in de nieuwe omstandigheden den verderen val der Turksche macht in Europa weten te voorkomen? Aan krachtig verweer met hulp van de Duitschers, die het Turksche leger reeds vroeger ten deele gereorganiseerd hadden, hebben zij het niet laten ontbreken. Behouden de Turken Constantinopel, zij blijven een factor van groote beteekenis in het toekomstige Europa.