Acht en Twintigste Hoofdstuk.

Acht en Twintigste Hoofdstuk.De Geschiedenis (of de Lotgevallen)1.Geopenbaard te Mekka2.—88 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.T. S. M. Dit zijn de teekens van het duidelijke boek.2.Wij willen u, oMahomet! sommige gedeelten van de geschiedenis vanMozesenPharao, met waarheid opzeggen, ten behoeve van hen, die gelooven.3.Pharaoverhief zich in het landEgypte, en hij deed zijn volk in afdeelingen splitsen3: hij verdrukte één gedeelte van hen4, door hunne kinderen te dooden en hunne vrouwelijke kinderen te laten leven; want hij was een verdrukker.4.En het behaagde ons genadig te zijn nopens de zwakken van het land, en hen tot toonbeelden van godsdienst te maken, en tot erfgenamen van de welvaart vanPharaoen zijn volk5;5.En om eene plaats voor hen op de aarde te vestigen, enPharaoenHaman6en hunne strijdkrachten de vernietiging van hun koninkrijk en van hun volk te vertoonen, welke zij trachtten te vermijden.6.En wij leidden de moedervanMozesdoor openbaring, zeggende: Zoog hem, en indien gij voor hem vreest werp hem in de rivier; vrees dan niet meer en wees niet bedroefd; want wij zullen hem u teruggeven en zullen hem tot een onzer gezanten aanwijzen7.7.En toen zij het kind in het korfje gelegd en het in de rivier geworpen had, nam het gezin vanPharaohem op, terwijl de Voorzienigheid wilde, dat hij een vijand en eene droefheid voor hen zou worden. WaarlijkPharaoenHamanen hunne krijgers waren zondaren.8.En de vrouw vanPharaozeide: Dit kind is een vermaak voor het oog, zoowel voor u als voor mij8: dood hem niet; misschien kan het gebeuren, dat hij ons van dienst zij; of laten wij hem tot onzen zoon aannemen. En zij voorzagen de gevolgen niet van hetgeen zij deden.9.En het hart der moeder vanMozeswerd met vrees vervuld, en zij zou bijkans zijne afkomst hebben ontdekt, hadden wij haar hart niet met standvastigheid gewapend, opdat zij een van hen zou wezen, die Gods beloften gelooven.10.En zij zeide tot zijne zuster: Volghem. En zij bespiedde hem op een afstand en de anderen bemerkten het niet.11.Wij stonden hem niet toe, de borsten der minnen te nemen, welke verschaft waren, alvorens zijne zuster kwam9en zeide: Zal ik u tot eene min brengen die hem voor u zoogen en zorg voor hem dragen zal? En, op hunne begeerte bracht zij zijne moeder tot hen.12.Zoo gaven wij hem aan zijne moeder terug, opdat zij zich weder zou troosten en opdat zij niet bedroefd zou worden, en opdat zij weten zou, dat de belofte van God waar was; maar het grootste deel der menschen kent de waarheid niet.13.En toenMozeszijn ouderdom van rijpheid had bereikt en tot een volwassen mensch was geworden, schonken wij hem wijsheid en kennis; zoo beloonen wij den deugdzame.14.En hij ging in de stad op een tijdstip, dat de bewoners daarvan niet opletten, wat er in de straat gebeurt10, en hij vond daar twee mannen, die met elkandervochten: de een behoorde tot zijne vijanden11. En hij die tot zijn volk behoorde, riep zijne hulp in tegen hem, die tot de tegenpartij behoorde, enMozessloeg hem met de vuist en doodde hem; maar daar hij bedroefd was om hetgeen er geschied was, zeide hij: Dit is het werk van den duivel12; want, hij is een verleider en een openbare vijand.15.En hij zeide: O Heer! waarlijk, ik heb mijne eigene ziel mishandeld; vergeef mij dus. Zoo vergaf God hem: want hij is vergevensgezind en barmhartig.16.Hij zeide: O Heer! bij de gunsten waarmede gij mij hebt begiftigd, ik zal in het vervolg de zondaren niet ondersteunen.17.En den volgenden ochtend was hij bevreesd in de stad, en toen zag hij om zich heen, als vreesde hij gevaar; en ziet, hij dien hij den vorigen dag had bijgestaan, riep hem toe hem ten tweeden male te helpen.MaarMozeszeide tot hem: Gij zijt een krakeelzuchtige.18.En toen hij hem, die een vijand van hen beide was, trachtte te grijpen, zeide hij: OMozes! wilt gij mij dooden, zooals gij gisteren een man hebt gedood?13Gij tracht slechts een verdrukker op aarde te wezen, en zoekt niet een bijlegger van twisten te zijn.19.Een zeker man14kwam uit een ander deel der stad haastig aanloopen en zeide: OMozes! waarlijk, de overheden beraadslagen nopens u, om u ter dood te brengen. Vertrek dus: waarlijk, ik raad u wel.20.Daarom verliet hij de stad in groote vrees, dan eens naar dezen, dan weder naar genen weg ziende, of men hem ook vervolgde. En hij zeide: O Heer! verlos mij van de onrechtvaardigen.21.En toen hij naarMadianreisde, zeide hij: Misschien wil mijn Heer mij op den rechten weg leiden.22.Toen hij aan den bron vanMadianwas aangekomen, vond hij, nabij haar, een gezelschap van mannen, die bezig waren hunne kudden te drenken.23.Bij hen vond hij twee vrouwen, die hare schapen op eenigen afstand hielden. En hij zeide tot haar: Wat doet gij hier? Zij antwoordden: Wij zullen onze kudden niet drenken, dan nadat de schaapherders de hunne zullen hebben weggedreven; want onze vader is een achtingswaardig man van hoogen ouderdom.24.Daarop drenkteMozeshare schapen voor haar15en leidde die daarna in de schaduw, zeggende: O Heer! waarlijk, mij ontbreekt het goede, dat gij mij hebt doen ontmoeten.25.Een der meisjes kwam tot hem, beschaamd aantredende en zeide: Mijn vader roept u, opdat hij u zou mogen beloonen voor de moeite welke gij hebt genomen, door onze schapen voor ons te drenken. En toen hij totShoaibgekomen was en hem de geschiedenis zijner lotgevallen had verteld, zeide hij tot hem: Vrees niet, gij zijt den onrechtvaardige ontkomen.26.En een der meisjes zeide: Mijn vader, neem dien man, tegen bepaald loon in dienst; de beste dienaar dien gij kunt huren is een geschikt en trouw persoon16.27.EnShoaibzeide totMozes: Waarlijk, ik wil u eene van deze mijne twee dochters ten huwelijk geven, op voorwaarde, dat gij mij gedurende acht jaren zult dienen, en het ligt geheel aan u, mij tien jaren te dienen; want ik wil u geen onrecht opleggen, en zoo het Gode behaagt, zult gij bevinden, dat ik een eerlijk man ben.28.Mozesantwoordde: Aldus zij het verbond tusschen mij en u, en op welk der beide tijdstippen ik vertrek, zal er geene misdaad in wezen indien ik dan uw dienst verlaat. God is getuige van datgene, wat wij zeggen.29.En toenMozesden bepaalden tijd had bereikt17, en met zijn gezin naarEgyptereisde, zag hij vuur aan de zijde van den bergSinaï. En hij zeide tot zijn gezin: Blijft gij hier; want ik zie vuur: misschien kan ik eenige tijding van den weg brengen18, of wel een stuk brandend hout van het vuur, opdat gij verwarmd zoudt mogen worden.30.En toen hij daar kwam, riep een stem hem van de rechterzijde der vallei, op den geheiligden bodem, uit den boom aan, zeggende: OMozes! waarlijk, ik ben God, de Heer van alle schepselen.31.Werp uwen staf neder. En toen hij zag, dat de staf zich bewoog als ware het eene slang, trok hij terugen vluchtte, zonder zich om te keeren. En God zeide tot hem: OMozes! nader en vrees niet; want gij zijt in zekerheid.32.Steek uwe hand in uwen boezem en zij zal wit weder daaruit komen, zonder eenig ongemak: trek uw hand tot u terug19, welke gij uit vrees hebt uitgestoken. Dit zullen twee duidelijke teekens van uwen Heer wezen voorPharaoen zijn vorsten; want zij zijn zondaren.33.Mozeszeide: O Heer! waarlijk, ik heb een van hen gedood en ik vrees, dat zij mij ter dood zullen brengen.34.Maar mijn broederAäronheeft eene welsprekender tong dan ik; zend hem met mij, als een helper, opdat hij mij geloof doe vinden; want ik vrees dat zij mij van bedrog zullen beschuldigen.35.God zeide: Wij zullen door uwen broeder uwen arm sterken, en wij zullen ieder van u buitengewone macht geven, zoodat zij nimmer in onze teekenen tegen u zullen opmogen. Gij beiden en zij, die u zullen volgen, zullen de overwinnaars zijn.36.En toenMozesmet onze duidelijke teekenen tot hen kwam, zeiden zij: Dit is niets dan een bedriegelijk goochelstuk; nimmer hebben wij onder onze voorvaderen van iets dergelijks gehoord.37.EnMozeszeide: Mijn Heer weet het beste, wie met eene leiding van hem komt, en wie in dit, even als in het volgende leven, met een goeden uitslag zal worden bekroond; maar de onrechtvaardigen zullen geen voorspoed genieten.38.EnPharaozeide: O Vorsten! ik wist niet, dat gij een anderen god buiten mij bezat20. Daarom oHamanbrand mij klei tot steenen en bouw mij een hoogen toren21, opdat ik tot den God vanMozesmoge opstijgen: want waarlijk, ik houd hem voor een leugenaar.39.En hij, zoowel als zijn leger, gedroegen zich onbeschaamd en onrechtvaardig op de aarde, en verbeeldden zich, dat zij niet voor ons zouden worden gebracht, om gericht te worden.40.Daarom grepen wij hem en zijn heir en wierpen hem in zee. Onthoudt dus wat het einde der onrechtvaardigen was.41.En wij gaven hun bedriegelijke goden, die hunne volgers tot de hel uitnoodigden, en op den dag des oordeels zullen zij tegen de straf niet beschut worden.42.Wij vervolgenhen met een vloek in dit leven en, op den dag der opstanding zullen zij met schande worden verworpen.43.En wij gaven aanMozeshet boek der wet, nadat wij de vroegere geslachten hadden verdelgd, om de harten der menschen te waarschuwen, en tot eene leiding en tot eene genade, opdat zij wellicht zouden nadenken.44.Gij, o profeet, waart niet in de westerzijde van den bergSinaï, toen wijMozeszijnen last overgaven; ook waart gij geen van hen, die tegenwoordig waren toen hij haar ontving.45.Maar wij deden vele geslachten naMozes’ opstaan en hun leven werd verlengd. Gij hebt niet onder de bewoners vanMadiangewoond, om hen onze teekenen te herinneren; maar wij hebben u in ieder opzicht volkomen onderricht.46.Ook waart gij niet aan de zijde van den berg tegenwoordig, toen wijMozesriepen: maar gij zijt gezonden uit genade van uwen Heer opdat gij zoudt prediken voor een volk, tot hetwelk voor u nog geen prediker was gekomen22, opdat zij gewaarschuwd zouden worden.47.En opdat, indien een ramp over hen zou zijn gekomen, om hetgeen hunne handen voor bedachtelijk hebben bedreven, zij niet zouden zeggen: O Heer! is het ons niet te vergeven, nu gij geen gezant tot ons hebt gezonden, opdat wij uwe teekenen zouden volgen en ware geloovigen worden?48.Maar indien de waarheid van ons tot hen komt, zeggen zij: Indien hij niet dezelfde macht alsMozesontvangt om wonderen te bewerken, zullen wij niet gelooven. Hebben zij niet evenzoo de openbaring verworpen, die vroeger aanMozeswerd gegeven? Zij zeggen: Twee listige bedriegerijen23hebben elkander wederkeerig ondersteund: en zij zeggen: Waarlijk wij verwerpen die beide.49.Zeg: Toon dan een boek van God, dat beter is dan deze twee, opdat ik het volge, indien gij de waarheid spreekt,50.Maar indien zij u geen antwoord geven, weet dan, dat zij slechts hunne eigene begeerten volgen, en wie dwaalt sterker van de waarheid af dan hij, die zonder eene leiding van God zijne eigene begeerte volgt? Waarlijk, God leidt de onrechtvaardigen niet.51.En thans hebben wij ons woord tot hen doen komen, opdat zij gewaarschuwd zouden zijn.52.Zij aan wie wij de schriften hebben gegeven, welke voor hen werden geopenbaard, gelooven daarin.53.En als deze hun worden voorgelezen, zeggen zij: Wij gelooven daarin: het is zekerlijk de waarheid van onzen Heer; waarlijk wij waren Moslems voor zij tot ons kwamen.54.Dezen zullen hunne belooning tweemaal ontvangen24, omdat zij hebben volhard en het kwaad door het goede afwenden en aalmoezen uitdeelen van datgene wat wijhun hebben geschonken.55.En die, op het hooren van ijdele gesprekken, deze ontwijken en zeggen: Wij hebben onze werken en gij hebt uwe werken. Vrede zij over u25! wij zoeken niet naar betrekkingen met den onwetende.56.Waarlijk, gij kunt niet leiden wien gij wilt; maar God leidt wien hem behaagt, en hij weet het beste, wie zich onderwerpen wil om geleid te worden.57.De bewoners vanMekkazeggen: Indien wij dezelfde richting als gij volgen, zullen wij gewelddadig uit ons land gedreven worden26. Hebben wij geene zekere wijkplaats voor hen opgericht27, waarheen vruchten van allerlei soort heenvloeien, als een bewijs onzer goedheid. Maar het grootste deel hunner begrijpt het niet.58.Hoe vele steden hebben wij verwoest, wier bewoners in gemak en overvloed leefden? en hunne woningen zijn na hen niet bewoond, uitgenomen voor een korten tijd28, en wij waren de erfgenamen hunner welvaart29.59.Maar uw Heer verwoestte deze steden niet, dan nadat hij een profeet naar de hoofdstad had gezonden, om hun onze teekenen te herinneren. Ook verwoestten wij die steden niet, dan nadat de inwoners hunnen profeet hadden mishandeld.60.De dingen, die u gegeven zijn, zijn de genietingen van het tegenwoordige leven en zijne pracht; maar datgene, wat met God is, is beter en duurzamer. Wilt gij dit niet begrijpen.61.Zal hij dus, aan wien wij eene uitnemende belofte van toekomstig geluk hebben gedaan, en die deze zal ontvangen, gelijk staan met hem, wien wij de genietingen van dit leven hebben geschonken, doch die, op den dag der opstanding, een van hen zal wezen, die aan de eeuwige straf zullen worden overgeleverd?62.Op dien dag zal God tot hen komen en zeggen: Waar zijn mijne deelgenooten die, naar uwe gedachten met mij zijn?63.En zij, over wie het vonnis der verdoemenis rechtvaardig zal geveld zijn, zullen zeggen: Deze, o Heer, zijn het, welke wij hebbenverleid; wij verleidden hen, zoo als wij werden verleid, maar nu verlaten wij hen geheel en wenden ons tot u. Zij aanbaden niet ons maar hunne eigene hartstochten30.64.En tot de afgodendienaars zal gezegd worden: Roept hen thans aan, welke gij met God vereenigt; en zij zullen hen aanroepen; maar deze zullen hun niet antwoorden; en zij zullen de voor hen gereed gemaakte straf zien, zij zullen wenschen, dat zij zich hadden onderworpen om geleid te worden.65.Op dien dag zal God tot hen komen en zeggen: Welk antwoord hebt gij aan onze gezanten gegeven?66.Maar zij zullen niet in staat zijn daarvan op dien dag rekenschap te geven31. Ook zullen zij geen ander om verlichting vragen.67.Zij echter die berouw gevoelen, gelooven en doen zullen wat recht is, mogen verwachten gelukkig te zijn.68.Uw Heer schept naar zijn welbehagen en kiest vrijelijk; maar zij (de valsche goden) hebben geene vrije keuze. Geloofd zij God, en verre zij hij verwijderd van de afgoden welke zij met hem vereenigen.69.Uw Heer kent zoowel de geheime boosaardigheid welke zij in hunne borst verbergen, als den openbaren haat dien zij ontdekken.70.Hij is God; er is geen God buiten hem. Hem zij de lof, zoowel in dit leven als in het volgende. Hem behoort het oordeel, en voor hem zult gij op den jongsten dag worden verzameld.71.Zeg: denkt gij? Indien God u met eeuwigen nacht wilde bedekken tot op den dag der opstanding welke god, buiten God zou u dan licht brengen? Wilt gij dus niet luisteren.72.Zeg: Wat denkt gij? Indien God u aanhoudend dag gaf, tot den dag der opstanding, welke god, buiten God, zou u dan nacht brengen, opdat gij daarin zoudt kunnen rusten? Wilt gij dus niet overwegen?73.In zijne genade heeft hij den nacht voor u gemaakt, opdat gij daarin zoudt rusten, en den dag, opdat gij gedurende dezen zoudt trachten door uwen arbeid, voorraad voor u zelven van zijn overvloed te verkrijgen, en dat gij dankbaar zoudt zijn.74.Op een zekeren dag zal God hen oproepen en zal zeggen: Waar zijn mijne deelgenooten, van welke gij u verbeeldt, dat zij de goddelijke macht met mij deelen?75.En wij zullen een getuige uit ieder volk nemen32en zeggen: Brengt hier uw bewijs voor hetgeen gij hebt gezegd. En zij zullen weten, dat de waarheid bij God alleen is; en de godheden welke zij uitgedacht hebben, zullen hen verlaten.76.Karoenbehoorde tot het volk vanMozes33, maarhij gedroeg zich onbeschaamd omtrent zijne stamgenooten, want wij hadden hem zoo veel schats gegeven, dat het dragen zijner sleutels onderscheidene sterke mannen vorderde34. Toen zijn volk tot hem zeide: Praal niet buitensporig; want God bemint dengene niet, die overmatig op hunne rijkdommen bogen.77.Maar tracht door dewelvaart, welke God u gegeven heeft, de toekomstige verblijfplaats van het paradijs te verkrijgen35. Vergeet uw aandeel niet in deze wereld, maar wees goed omtrent anderen zoo als God goed omtrent u was, en tracht niet snood op aarde te handelen; want God bemint de snoodaards niet.78.Hij antwoordde: Ik heb deze rijkdommen slechts ontvangen, om de kennis, die met mij is. Wist hij niet, dat God vóór hem reeds onderscheiden geslachten had vernietigd, die machtiger dan hij in sterkte waren en grooteren overvloed van rijkdommen hadden verzameld? En den zondaren zal niet gevraagd worden, hunne misdaden te ontdekken.79.EnKaroenging met zijne pracht onder zijn volk voort36. En zij die het tegenwoordig leven beminden, zeiden: O! hadden wij denzelfden rijkdom, als die aanKaroenwerd gegeven. Waarlijk, hij is meester van groote schatten.80.Maar zij, aan welke verstand werd geschonken,antwoordden: Ongelukkigen die gij zijt! de belooning van God in het volgende leven zal beter wezen voor hem, die gelooven en goede werken doen zal; maar niemand zal die erlangen dan zij, die met vastberadenheid volharden.81.Wij spleten den grond, om hem en zijn paleis te verzwelgen, en zijne knechten konden hem niet redden en hij werd van de straf niet verlost.82.Den volgenden ochtend zeiden zij, die den vorigen dag zijnen toestand hadden benijd: Ja! waarlijk, God schenkt eene overvloedige belooning aan dengeen die hem behaagt; en hij is spaarzaam naar zijn welbehagen. Indien God niet genadig omtrent ons ware geweest, waarlijk, de aarde zoude ons mede hebben verzwolgen. Ja! de ongeloovigen zullen geen voorspoed hebben.83.Wat het toekomstige verblijf van het paradijs betreft, wij zullen het hun geven, die trachten, zich op aarde niet te buiten te gaan, of slecht te handelen; want eene gelukkige ontknooping wacht alleen den godvruchtige.84.Wie goed doet, zal eene belooning ontvangen, die de verdienste daarvan zal overtreffen; maar wat hen betreft, die snood handelen, deze zullen slechts vergolden worden, overeenkomstig datgene wat zij zullen hebben verricht.85.Waarlijk, hij die u den Koran heeft gegeven, als een gids voor het geloof en het leven, zal u zeker naarMekkaterugbrengen37. Zeg: Mijn Heer weet het beste, wie met een ware leiding komt en wie in eene duidelijke dwaling verkeert.86.Gij hebt niet verwacht, dat u het boek van den Koran zou worden geschonken; maar gij hebt het door de genade van uwen Heer ontvangen. Ondersteunt de ongeloovigen dus niet.87.Laten zij u ook niet afwenden van Gods teekenen, nadat die u zijn nedergezonden, en noodig de menschen tot uwen Heer uit, en wees geen afgodendienaar.88.Roep nimmer een anderen god te zamen met den waren God aan; er is geen god buiten hem. Ieder ding zal vergaan, behalve hijzelf. Hem behoort het oordeel, en voor hem zult gij op den jongsten dag worden verzameld.1De titel van dit hoofdstuk is ontleend aanvers 26, waarMozesgezegd wordt degeschiedenisvan zijne lotgevallen aanShoaibte hebben verhaald. Voor de aanvangletters zieHoofdstuk XXVI, vers 1, noot.2Sommigen zonderen hiervanvers 25uit.3Zijnde: òf in gedeelten, opdat zij beter zijne bevelen zouden kunnen vernemen en de diensten verrichten, welke hij van hen eischte, òf in tegenover elkander staande partijen, teneinde te voorkomen, dat zij iets tegen hem zouden ondernemen, om zich van zijne tirannie te verlossen.4Namelijk de Israëlieten.5ZieHoofdstuk XXVI, vers 59.6Deze naam is aanPharaoseersten minister gegeven, van waar algemeen de gevolgtrekking wordt gemaakt, datMahomethierHamanop het oog heeft den gunsteling vanAhasveros, koning vanPerzië, en die onbetwistbaar vele jaren naMozesleefde, in plaats van een tijdgenoot diens profeet te zijn. Maar hoe klaarblijkelijk deze dwaling ons moge schijnen, zou het toch zeer moeielijk, zoo niet onmogelijk zijn, een Mahomedaan daarvan te overtuigen, daar twee personen denzelfden naam kunnen dragen (ZieReland,de Rel. Moham.p. 217.).7Men verhaalt dat de vroedvrouw, die de Hebreeuwsche vrouw verloste, verschrikt werd door een licht, dat bijMozes’geboorte tusschen zijne oogen verscheen. Zij kreeg eene buitengewone gehechtheid voor het kind, en ontdekte het niet aan de beambten, zoodat zijne moeder hem in haar huis hield en hem drie maanden voedde, waarna het haar onmogelijk was, hem langer te bewaren, daar de koning toen bevelen gaf, de opsporingen nauwkeuriger te doen plaats hebben (Al Beidâwi, zie de noten opHoofdstuk XX, vers 39).8Deze plotselinge gehechtheid of bewondering werd in hen veroorzaakt òf door zijne ongewone schoonheid, òf door licht dat op zijn voorhoofd scheen, òf omdat, toen zij den korf openden, zij bevonden, dat hij op zijn duim zoog, die hem van melk voorzag. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).9ZieHoofdstuk XX, vers 41.10Zijnde: Des middags; tegen welken tijd het in die streken de gewoonte is, dat men een slaapje doet, of, zooals anderen veronderstellen, meer tegen den avond.11Zijnde de een, een Israëliet, van zijn eigen godsdienst en zijn eigen volk, en de andere een afgodendienende Egyptenaar.12Mahometneemt aan, datMozesden Egyptenaar onrechtvaardig doodde, maar om het te verontschuldigen, vooronderstelt hij dat hij hem sloeg zonder de bedoeling te hebben hem te dooden.13Sommigen veronderstellen dat deze woorden door den Israëliet werden gezegd, die omdatMozeshem had berispt, zich verbeeldde, dat hij gekomen was om hem te slaan; en anderen door den Egyptenaar, die wist of verdenking had, datMozesden vorigen dag zijn landgenoot had doen omkomen.14Deze persoon, zegt de overlevering, was een Egyptenaar en de zoon vanPharaosoom, maar een waar geloovige, die, wetende dat de koning onderricht was van hetgeenMozeshad bedreven, en bepaald had, dat hij ter dood zou gebracht worden, hem onmiddellijk daarvan kennis gaf, om zich door de vlucht te kunnen redden.15Door een steen van een bijzonder groot gewicht weg te rollen, die door de schaapherders op den mond der bron was gelegd, en niet minder dan zeven (anderen noemen een nog grooter getal) mannen, vereischte om verplaatst te worden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Interd.Yahya).16Toen de vader aan het meisje vroeg, hoe zijMozesdie getuigenis kon geven, verhaalde zij hem, dat hij den bovenvermelden grooten steen zonder eenige hulp had verplaatst, en dat hij haar niet aangezien, maar zijn hoofd nedergebogen had gehouden, tot hij hare boodschap had gehoord, en dat hij had verlangd, dat zij achter hem zou loopen, daar de wind hare kleederen eenigszins in wanorde bracht, waardoor een gedeelte harer beenen werd ontbloot, (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Interd.Yahya).17Zijnde den langsten termijn, van tien jaren. De Mahomedanen zeggen, datMozesvanShoaibden staf der profeten ontving (die in een myrtentak uit het paradijs bestond, en vanAdamtot op hem was gekomen), ten einde de wilde dieren van zijne schapen af te houden, en dat dit de staf was, waarmede hij al de wonderen inEgyptevolvoerde.18ZieHoofdstuk XX, vers 8.19Letterlijk: uw vleugel: deze uitdrukking zinspeelt op de beweging der vogelen die hunne vleugels uitslaan om weg te vliegen, wanneer zij verschrikt zijn, en die weder samenvouwen, al zij zich zeker achten.20ZieHoofdstuk XXVI, vers 28.21Men zegt datHaman, na de steenen en andere materialen te hebben gereed gemaakt, niet minder dan vijftig duizend man, behalve de arbeiders, voor het gebouw gebruikte, dat zij tot zulk eene reusachtige hoogte optrokken, dat de werkman er niet langer op kon staan.Pharaobeklom daarop dien toren en wierp eene speer naar den hemel, die met bloed bevlekt terugviel, waarop hij godlasterend snoefde, dat hij den God vanMozeshad gedood. Maar bij zonsondergang zond God den engelGabriël, die met eene streek van zijn vleugel den toren omverwierp, waarvan een gedeelte op het leger des konings viel en een millioen menschen doodde (Al Zamakhshari.)22Dat is tot de Arabieren; tot welke nog geen profeet gezonden was; ten minste niet naIsmaël.23Zijnde de Pentateuchus en de Koran. Sommige afschriften lezen hier: twee bedriegers:MozesenMahomet, bedoelende.24Omdat zij niet alleen in hunne eigene schriften, maar ook aan den Koran hebben geloofd.25ZieHoofdstuk XXV, vers 64, noot.26Deze tegenwerping werd dooral Hareth Ebn Othman Ebn Nawfal Ebn Abd Menafgemaakt, die totMahometkwam en hem vertelde, dat de Koreïshieten geloofden, dat hij de waarheid predikte, maar vreesden, dat indien zij de Arabieren tot hunne vijanden maakten, door hunnen godsdienst te verlaten, zij ook genoodzaakt zouden zijnMekkate verlaten, daar zij slechts een handvol personen uitmaakten in vergelijking van de geheele natie (Al Beidâwi).27Door hun het geheiligde grondgebied vanMekkatot woonplaats te geven; eene plaats door God beschermd en door den mensch vereerd.28Dat is: voor een dag of slechts eenige uren, terwijl de reizigers zich daar ophouden, om uit te rusten en zich te verfrisschen, of, zoo als het oorspronkelijke mede kan beteekenen:tenzij door eenige inwoners, daar eenige dier oude steden en woonplaatsen zeer vervallen en andere schaars bewoond zijn.29Daar niemand werd overgelaten om daarvan na hen te genieten.30ZieHoofdstuk X, vers 29.31Letterlijk: De rekenschap daarvan zal duister voor hen wezen; want de verwarring, waaraan zij dan onderhevig zijn, zal hen verstompt en ongeschikt maken om antwoord te geven.32Zijnde de profeet, die aan ieder volk zal zijn gezonden.33De uitleggers zeggen, datKaroende zoon vanYeshar(ofIzhar) was, de oom vanMozes, en maken hem tot denzelfden als denKorahder schriften. Deze persoon wordt door hen voorgesteld, als de schoonste der Israëlieten, die hen zoozeer in rijkdom overtrof, dat derijkdom overtrof, dat de rijkdommen vanKaroentot een spreekwoord werden. De Mahomedanen verhalen, dat hij een groot paleis bouwde met goud bedekt, welks deuren van massief goud waren. Zij voegen er bij, dat hij door zijne reusachtige rijkdommen zoo onbeschaamd werd, dat hij een opstand tegenMozesberaamde. Sommigen beweren echter, dat de aanleiding zijner weerspannigheid in zijne onwilligheid lag om aalmoezen te geven, gelijkMozeshad bevolen. Eens toenMozestot het volk predikte en, onder andere wetten welke hij openbaarde, ook zeide, dat overspeligen zouden worden gesteenigd, vroegKaroenhem, wat er zou gebeuren, indien hij aan dezelfde misdaad werd schuldig bevonden?Mozesantwoordde, dat hij dan dezelfde straf zou ondergaan. Daarop brachtKaroeneene ontuchtige vrouw voor den dag, welke hij gehuurd had om te zweren, datMozeshaar had beslapen, waarvan hij hem in het openbaar beschuldigde.Mozesbezwoer daarop de vrouw de waarheid te zeggen, waardoor zij van haar voornemen terugkwam en beleed, dat zij doorKaroenwas omgekocht om hem valsch te beschuldigen. Daarop deed God aanMozesweten, die zich bij hem over het gebeurde had beklaagd, dat hij van de aarde zou vragen wat hem behaagde, en dat die hem zou gehoorzamen, waarop hij zeide: O aarde! verzwelg hem! De aarde opende zich nu onmiddellijk onderKaroenen zijne bondgenooten, en verzwolg hen met zijn paleis en al zijnerijkdommen(Abu’lfeda,Jallalo’ddin,Al Beidâwi, enz.).34Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk een getal personen van tien tot veertig. Sommigen beweren, dat deze sleutels zeventig man vereischten.Abu’lfedazegt dat men veertig muilezels gebruikte, om die te vervoeren.35Deze plaats komt overeen met Luc. XVI : 9.36Men zegt, dat hij op een witten muilezel reed, die met gouden tuig was versierd; dat hij in purper was gekleed, en door vier duizend wel gewapende en rijk gekleede mannen gevolgd werd.37Sommigen zeggen, dat dit vers aanMahometwerd geopenbaard, toen hij op zijne vlucht vanMekkanaarMedinateJohfaaankwam, ten einde hem gerust te stellen en zijne klachten te stillen.Negen en Twintigste Hoofdstuk.De Spin1.Geopenbaard teMekka2.—69 verzen.In den naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.A. L. M.3Verbeelden zich de menschen, dat het toereikend voor hen is, te zeggen: Wij gelooven, zonder dat zij beproefd zijn4.2.Wij beproefden vroeger degenen, die hun voorafgingen; want God kent zekerlijk hen die oprecht zijn, en hij zal voorzeker de leugenaars kennen.3.Denken zij, die kwaad bedrijven, dat zij ons zullen verhinderen, wraak op hen te nemen? Zij oordeelen slecht.4.Voor hen, die hopen God te ontmoeten, zal Gods bepaalde tijd zekerlijk komen, en hij hoort en weet alles.5.Wie er naar streeft, den waren godsdienst voort te planten, streeft naar het voordeel van zijne eigene ziel; want God heeft geen zijner schepselen noodig.6.En wat degene betreft, die gelooven en rechtvaardig handelen, wij zullen hunne slechte daden uitwisschen, en wij zullen hun eene belooning geven, overeenkomstig de grootste verdiensten hunner daden.7.Wij hebben den mensch bevolen, eerbiedig omtrent zijne ouders te zijn, maar indien zij trachten u over te halen, om datgene met mij te vereenigen, waarvan gij geene kennis hebt, gehoorzaam hen niet. Tot mij zult gij terugkeeren, en ik zal u verklaren wat gij gedaan hebt.8.Hen, die gelooven en rechtvaardig handelen, zullen wij zekerlijk onder de godvruchtigen het paradijs binnenleiden.9.Er zijn sommige menschen die zeggen: Wij gelooven in God; maar als zulk een voor Gods zaak wordt beproefd, schat hij de vervolging der menschen even smartelijk, als de straf van God. Als u God eenig voordeelschenkt, zeggen zij: Waarlijk wij zijn met u. Weet God dan niet wat in de borst zijner schepselen schuilt?10.Waarlijk God kent de ware geloovigen wel en hij kent de huichelaars.11.De ongeloovigen zeggen tot hen die gelooven: Volg onzen weg, en wij zullen uwe zonden dragen. Zij zullen echter geenerlei deel hunner zonden dragen; want zij zijn leugenaars.12.Maar zij zullen zekerlijk hunne eigene lasten dragen, en andere lasten buiten hunne eigene5; en zij zullen op den dag der opstanding nopens datgene onderzocht worden, wat zij valschelijk hebben uitgedacht.13.Wij zonden vroegerNoachtot zijn volk, en hij bleef duizend jaren min vijftig jaren onder hen6, en de zondvloed nam hen weg, omdat zij onrechtvaardig handelden.14.Maar wij bevrijden hen en degenen, welke met hem in de ark waren, en wij maakten die7tot een teeken voor alle schepselen.15.Wij zonden ookAbraham. Hij zeide tot zijn volk: Dient God en vreest hem; dat zal beter voor u zijn, indien gij het begrijpt. Gij aanbidt slechts afgoden naast God en denkt leugens uit.16.Waarlijk, zij welke gij naast God vereert, zijn niet in staat u het noodige te geven. Zoekt dus het noodige bij God, dient hem, en weest dankbaar; tot hem zult gij terugkeeren.17.Indien gij mij van bedrog beschuldigt, waarlijk vele volkeren vóór u hebben hunne profeten eveneens van bedrog beschuldigd, maar alleen het openbaar prediken, is den gezant als plicht opgelegd.18.Zien zij niet hoe God alle schepselen voortbrengt en die later doet herleven? Waarlijk dit is voor God gemakkelijk.19.Zeg: Ga over de aarde en zie hoe hij oorspronkelijk schepselen voortbrengt, daarna zal God hen door een nieuwe schepping doen herleven; want God is almachtig.20.Hij zal straffen naar zijn welbehagen, en hij zal genadehen voor dengeen die hem behaagt. Op den dag des oordeels zult gij voor hem worden gebracht.21.En gij zult zijn bereik niet ontkomen: noch op aarde, noch in den hemel8. Nimmer zult gij eenigen schuts of verdediger buiten God hebben.22.Wat hen betreft, die niet in Gods teekenen gelooven, of daaraan, dat zij hem bij de opstanding zullen ontmoeten, deze zullen aan mijne genade wanhopen, en voor hen is eene pijnlijke straf gereed gemaakt.23.En het antwoord van zijn volk was slechts dat zij zeiden: Doodt of verbrandt hem. Maar God redde hem van het vuur9. Waarlijk, hierin waren teekenen voor hen die geloofden.24.EnAbrahamzeide: Gij hebt afgoden naast God gekozen, uit gehechtheid aan dit leven, welke bij u bestaat: maar op den dag der opstanding zal de een uwer den ander verloochenen, en de een van u zal den ander vloeken; het hellevuur zal uw verblijf wezen, en er zal niemand zijn om u te bevrijden.25.Lotgeloofde in hem. EnAbrahamzeide: Waarlijk, ik vlucht van mijn volk naar de plaats welke mijn Heer mij heeft bevolen; want hij is de Machtige, de Wijze.26.En wij gaven hemIzaäkenJacob, en wij plaatsten onder zijne nakomelingen het geschenk der profetie en de schriften; wij gaven hem zijne belooning in deze wereld, en in de volgende zal hij een der rechtvaardigen wezen.27.Wij zonden ookLot, toen hij tot zijn volk zeide: Bedrijft gij eene zonde, welke nog geen volk voor u heeft bedreven?28.Nadert gij vol lusten de mannen; valt gij hen op de groote wegen aan10en begaat gij zonde in uwe vergaderingen11? En het antwoord van zijn volk was geen ander, dan dat zij zeiden: Doe de wraak Gods op ons nederkomen, indien gij de waarheid spreekt.29.Lotzeide: O Heer! verdedig mij tegen dit bedorven volk.30.En toen onze gezanten met goede tijdingen totAbrahamkwamen12, zeidenzij: Wij zullen zekerlijk de inwoners van deze stad verdelgen; want hare bewoners zijn zondaren.31.Abrahamantwoordde: Waarlijk,Lotwoont daar. Zij hernamen: Wij weten wel wie daarin woont; wij zullen hem en zijn gezin zekerlijk bevrijden behalve zijne vrouw: zij zal eene van degenen zijn, die achterblijven.32.En toen onze gezanten totLotkwamen, was hij bedroefd om hen, en zijn arm was onmachtig om hen te verdedigen13. Maar zij zeiden: Vrees niet en wees niet treurig; want wij zullen u en uw gezin bevrijden, behalve uwe vrouw; want zij zal eene wezen van hen, die achterblijven.33.Wij zullenzekerlijk de wraak des hemels over de bewoners dezer stad brengen, omdat zij zondaren waren34.En wij hebben daarvan een duidelijk teeken gelaten14voor hen die begrijpen willen.35.En tot de bewoners vanMadianzonden wij hunnen broederShoaib, en hij zeide tot hen: O mijn volk? dient God, verwacht den laatsten dag en zondigt niet, door snood op aarde te handelen.36.Maar zij beschuldigden hem van bedrog, waardoor een storm van den hemel15hen overviel; en des ochtends werden zij in hunne woningen dood en voorover liggende gevonden.37.En wij verdelgden ook de stammen vanAdenThamoed; en gij weet wel wat er nog van hunne woningen is overgebleven. En Satan deed hen hunne werken goed vinden en wendde hen zijwaarts van den weg der waarheid, hoewel zij doorzicht hadden.38.Ook verdelgden wijKaroen, enPharaoenHaman.Mozeskwam tot hem met duidelijke wonderen. Zij gedroegen zich echter onbeschaamd op de aarde; maar zij konden onze wraak niet ontkomen.39.Hen allen verdelgden wij in hunne zonden. Tegen sommigen hunner zonden wij een hevigen wind16, sommigen werden door een vreeselijken orkaan van den hemel verdelgd17, sommigen deden wij door de aarde verzwelgen18en sommigen van hen verdronken wij19. Nimmer was God geneigd hen onrechtvaardig te behandelen, maar zij handelden onrechtvaardig met hunne eigene zielen.40.Degenen, die andere beschermers naast God nemen, gelijken op de spinnekop, die zelve zich eene woning vervaardigt: maar het zwakste van alle huizen is zekerlijk dat van een spinnekop, indien zij dit wisten.41.God kent echter de dingen, welke zij buiten hem aanroepen, en hij is deMachtige, de Wijze.42.Deze vergelijking stellen wij den menschen voor; maar niemand verstaat die; behalve de denkende.43.God heeft de hemelen en de aarde in waarheid geschapen; waarlijk, hierin is een teeken voor de ware geloovigen.44.Herdenkt wat u van het boek des Korans werd geopenbaard, en weest standvastig in het gebed; want het gebed behoedt den mensch voor vele misdaden en voor hetgeen laakbaar is, en deherdenkingen van God is zeker een der belangrijkste plichten: God weet wat gij doet.45.Twist niet met hen die de schriften hebben ontvangen dan op de zachtste wijze20, behalve met diegene van hen, welke zich slecht tegenover u gedragen, en zeg: Wij gelooven in de openbaring, welke ons werd nedergezonden en ook in hetgeen u werd nedergezonden. Onze God en uw God is één, en hem zijn wij onderworpen.46.Zoo hebben wij u het boek van den Koran nedergezonden, en zij aan wie wij de vroegere schriften hebben gegeven, gelooven daarin; en onder deze Arabieren zijn er ook die daarin gelooven, en niemand verwerpt onze teekenen, behalve de hardnekkige ongeloovigen.47.Gij kondt geen (goddelijk) boek voor dit lezen, noch kondt gij het met uwe rechterhand schrijven. Toen zouden de tegensprekers terecht aan den goddelijken oorsprong daarvan hebben getwijfeld.48.Maar het geeft duidelijke teekens in de borst dergenen die verstand hebben ontvangen; want niemand verwerpt onze teekenen; behalve de onrechtvaardigen.49.Zij zeggen: Zoolang geen teeken van zijn Heer wordt nedergezonden, zullen wij niet gelooven. Antwoord: Teekenen zijn alleen in de macht van God, en ik ben slechts een openbaar prediker.50.Is het niet toereikend voor hen, dat wij u het boek van den Koran hebben nedergezonden om hun voorgelezen te worden? Waarlijk, hierin is eene genade en eene vermaning voor hen die gelooven.51.Zeg: God is een toereikende getuige tusschen mij en u.52.Hij kent alles wat in den hemel en op aarde is, en zij die in ijdele afgoden gelooven en God loochenen, zullen gestraft worden.53.Zij zullen van u eischen, dat gij de straf verhaast, welke zij u tarten op hen te doen nederkomen21. Indien er echter geen bepaalde tijd voor hun uitstel ware geweest, zou de straf reeds op hen zijn nedergekomen; maar zij zal hen zekerlijk plotseling overvallen, en zij zullen het niet voorzien.54.Zij eischen van u, dat gij spoedig een wraak op hen zult doen nederkomen; maar de hel zal de ongeloovigen zekerlijk omringen.55.Op een zekeren dag zal hunne straf hen plotseling overvallen; zoowel van boven hen als van onder hunne voeten zal God hun toeroepen: Proef de vergelding van hetgeen gij hebt bedreven.56.O mijne dienaren, die geloofd hebt; waarlijk, mijne aarde is ruim; dient mij dus22.57.Iedere ziel zal den dood ondergaan; daarna zult gijtot ons terug keeren.58.En wat hen betreft die geloofd en rechtvaardigheid uitgeoefend zullen hebben, wij zullen hen zekerlijk in de hoogere gedeelten van het paradijs huisvesten; rivieren zullen onder hen stroomen, en eeuwig zullen zij daar verblijven. Hoe heerlijk zal de belooning zijn van hen, die rechtvaardigheid hebben uitgeoefend!59.Die met geduld volharden en hun vertrouwen in den Heer stellen.60.Hoe vele dieren zijn er niet die voor hun voedsel niet zorgen? God is het die hen en u voorziet, en hij hoort en kent alles.61.Waarlijk, indien gij de bewoners vanMekkavraagt: Wie heeft de hemelen en de aarde geschapen, en de zon en de maan gedwongen hunnen loop te volgen? zullen zij antwoorden: God. Waarom liegen zij dan in de erkenning van andere goden?62.God voorziet diegenen zijner dienaren met overvloed welke hem behagen, en is karig omtrent hen indien het hem behaagt; want God is alwetend23.63.Waarlijk, indien gij hun vraagt: Wie zendt den regen van den hemel en verkwikt daardoor de aarde, nadat die reeds dood was? zullen zij antwoorden: God. Zeg: God zij geloofd! Maar het grootste deel hunner begrijpen niet.64.Het tegenwoordige leven is slechts een tijdverdrijf en een spel; maar het toekomstige verblijf in het paradijs is het werkelijke leven. Indien zij dit wisten, zouden zij het eerste niet boven het laatste verkiezen.65.Als zij in een schip zeilen, roepen zij God aan, en belijden hem oprechtelijk den waren godsdienst; maar als hij hen veilig aan land brengt, keeren zij tot hunnen afgodendienst terug;66.Om zich ondankbaar te betoonen voor datgene wat wij hun hebben geschonken, en opdat zij de vermaken van dit leven zouden mogen genieten; maar hierna zullen zij de ontknooping kennen.67.Zien zij niet dat wij het grondgebied vanMekkatot eene onschendbare en zekere wijkplaats hebben gemaakt, terwijl de menschen in den omtrek worden geplunderd? Gelooven zij daarom in datgene wat ijdel is, en erkennen niet Gods goedheid?68.Maar wie is onrechtvaardiger dan hij die eene logen tegen God uitdenkt, of de waarheid loochent, nadat die tot hem is gekomen? Is de hel niet het verblijf voor de ongeloovigen?69.Wie zijne uiterste pogingen aanwendt om onzen waren godsdienst voort te planten, dien zullen wij op onze wegen leiden; want God is met den rechtvaardige.1Invers 40wordt van dit insect melding gemaakt.2Sommigen beweren, dat de verzen 1–10 teMedinawerden geopenbaard en het overige gedeelte van het Hoofdstuk teMekka; anderen weder gelooven het tegenovergestelde.3ZieHoofdstuk II, vers 1, noot.4Deze plaats gispt het ongeduld van sommige der volgelingen van den profeet, veroorzaakt door de ongemakken, welke zij doorstonden in de verdediging van hunnen godsdienst en de verliezen die zij van de ongeloovigen leden, door hun aan te toonen, dat zulke rampen noodzakelijk waren om den oprechten persoon van den huichelaar, den standvastige van den twijfelende te onderscheiden. Sommigen veronderstellen, dat deze plaats werd veroorzaakt door den dood vanMahja, den slaaf vanOmar, welke in den slag vanBedrdoor een pijl gedood, en door zijne vrouw en nabestaanden diepbetreurdwerd (Al Beidâwi).5Zijnde: de schuld aan de verleiding van anderen, die gevoegd zal worden bij de schuld hunner eigene weerspannigheid, zonder de schuld dergenen te verminderen, die door hen zijn verleid.6Dit is waar, indien men het geheele leven vanNoachrekent; en volgens het beweren vanAbu’lfeda, werd hij in zijntweehonderdvijftigstejaar gezonden om te prediken en leefde hij in het geheel negenhonderdvijftig jaren: de tekst schijnt echter alleen te spreken van de jaren, welke hij doorbracht met vóór den zondvloed te prediken, daar de uitleggers veronderstellen, dat hij veel langer heeft geleefd. Sommigen zeggen, dat de geheele lengte van zijn leven duizend en vijftig jaren was; dat hem op veertigjarigen ouderdom zijne zending werd opgedragen, en dat hij zestig jaren na den zondvloed leefde (Al Beidâwi,Al Zamakshari). Anderen geven verschillende getallen op, en één vooral beweert, datNoachbijna zestienhonderd jaren leefde (Caab, opYahya).Al Beidâwizegt, dat deze omstandigheid werd vermeld, omMahomette verzekeren dat God, dieNoachzoovele jaren tegen weerspannigheid en de aanslagen der antidiluviaansche ongeloovigen had ondersteund, niet zou nalaten, hem tegen alle pogingen van de afgodendienende bewoners vanMekkaen hunne partijgangers te verdedigen.7De ark.8Zie Psalm CXXXIX : 7, enz.9ZieHoofdstuk XXI, vers 71.10Sommigen veronderstellen, dat de bewoners vanSodomde voorbijgangers plunderden en doodden; anderen dat zij hunne lichamen misbruikten.11Daar hunne bijeenkomsten tooneelen van onkuischheid en ongebondenheid waren.12ZieHoofdstuk XI, vers 72.13Zie ibid, vers 77.14Zijnde het verhaal harer vernietiging, door de gewone overlevering gemeld, of wel hare bouwvallen, of andere sporen van dit vonnis. Er wordt beweerd, dat verscheidene der steenen die op deze steden uit den hemel nedervielen, nog te zien zijn, en dat de grond waar zij stonden, verbrand en zwartachtig schijnt.15ZieHoofdstuk VII, vers 89.16Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk een wind, die het zand en de kleine steentjes voor zich uitdrijft, en waarmede de storm, of de regenbui van steenen, schijnt te worden bedoeld, dieSodomenGomorrahvernielde.17Hetgeen het einde vanAdenThamoedwas.18Zooals metKaroengeschiedde.19Zooals de ongeloovigen ten tijde vanNoachenPharaomet zijn leger.20Zijnde: zonder hevige taal en drift. Dit vers wordt algemeen verondersteld, door dat van het zwaard te zijn afgeschaft; maar sommigen denken, dat het alleen betrekking heeft op degenen, die met de Moslems in bondgenootschap zijn.21ZieHoofdstuk VI, vers 57.22Dat is: Indien gij mij niet in de eene stad of op de eene plaats kunt aanbidden, vlucht dan naar eene andere, waar gij den waren godsdienst in zekerheid kunt belijden; want de aarde is ruim genoeg, en gij zult gemakkelijk toevluchtsoorden vinden. Men zegt datMahometheeft verklaard,dat, wie om de zaak van den godsdienst vlucht al zij het ook, dat hij ééne span aflegt, het paradijs verdient, en de makker vanAbrahamen de zijnen zal wezen (Al Beidâwi).23En weet dus wie een goed en wie een slecht gebruik zijner rijkdommen zal maken.

Acht en Twintigste Hoofdstuk.De Geschiedenis (of de Lotgevallen)1.Geopenbaard te Mekka2.—88 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.T. S. M. Dit zijn de teekens van het duidelijke boek.2.Wij willen u, oMahomet! sommige gedeelten van de geschiedenis vanMozesenPharao, met waarheid opzeggen, ten behoeve van hen, die gelooven.3.Pharaoverhief zich in het landEgypte, en hij deed zijn volk in afdeelingen splitsen3: hij verdrukte één gedeelte van hen4, door hunne kinderen te dooden en hunne vrouwelijke kinderen te laten leven; want hij was een verdrukker.4.En het behaagde ons genadig te zijn nopens de zwakken van het land, en hen tot toonbeelden van godsdienst te maken, en tot erfgenamen van de welvaart vanPharaoen zijn volk5;5.En om eene plaats voor hen op de aarde te vestigen, enPharaoenHaman6en hunne strijdkrachten de vernietiging van hun koninkrijk en van hun volk te vertoonen, welke zij trachtten te vermijden.6.En wij leidden de moedervanMozesdoor openbaring, zeggende: Zoog hem, en indien gij voor hem vreest werp hem in de rivier; vrees dan niet meer en wees niet bedroefd; want wij zullen hem u teruggeven en zullen hem tot een onzer gezanten aanwijzen7.7.En toen zij het kind in het korfje gelegd en het in de rivier geworpen had, nam het gezin vanPharaohem op, terwijl de Voorzienigheid wilde, dat hij een vijand en eene droefheid voor hen zou worden. WaarlijkPharaoenHamanen hunne krijgers waren zondaren.8.En de vrouw vanPharaozeide: Dit kind is een vermaak voor het oog, zoowel voor u als voor mij8: dood hem niet; misschien kan het gebeuren, dat hij ons van dienst zij; of laten wij hem tot onzen zoon aannemen. En zij voorzagen de gevolgen niet van hetgeen zij deden.9.En het hart der moeder vanMozeswerd met vrees vervuld, en zij zou bijkans zijne afkomst hebben ontdekt, hadden wij haar hart niet met standvastigheid gewapend, opdat zij een van hen zou wezen, die Gods beloften gelooven.10.En zij zeide tot zijne zuster: Volghem. En zij bespiedde hem op een afstand en de anderen bemerkten het niet.11.Wij stonden hem niet toe, de borsten der minnen te nemen, welke verschaft waren, alvorens zijne zuster kwam9en zeide: Zal ik u tot eene min brengen die hem voor u zoogen en zorg voor hem dragen zal? En, op hunne begeerte bracht zij zijne moeder tot hen.12.Zoo gaven wij hem aan zijne moeder terug, opdat zij zich weder zou troosten en opdat zij niet bedroefd zou worden, en opdat zij weten zou, dat de belofte van God waar was; maar het grootste deel der menschen kent de waarheid niet.13.En toenMozeszijn ouderdom van rijpheid had bereikt en tot een volwassen mensch was geworden, schonken wij hem wijsheid en kennis; zoo beloonen wij den deugdzame.14.En hij ging in de stad op een tijdstip, dat de bewoners daarvan niet opletten, wat er in de straat gebeurt10, en hij vond daar twee mannen, die met elkandervochten: de een behoorde tot zijne vijanden11. En hij die tot zijn volk behoorde, riep zijne hulp in tegen hem, die tot de tegenpartij behoorde, enMozessloeg hem met de vuist en doodde hem; maar daar hij bedroefd was om hetgeen er geschied was, zeide hij: Dit is het werk van den duivel12; want, hij is een verleider en een openbare vijand.15.En hij zeide: O Heer! waarlijk, ik heb mijne eigene ziel mishandeld; vergeef mij dus. Zoo vergaf God hem: want hij is vergevensgezind en barmhartig.16.Hij zeide: O Heer! bij de gunsten waarmede gij mij hebt begiftigd, ik zal in het vervolg de zondaren niet ondersteunen.17.En den volgenden ochtend was hij bevreesd in de stad, en toen zag hij om zich heen, als vreesde hij gevaar; en ziet, hij dien hij den vorigen dag had bijgestaan, riep hem toe hem ten tweeden male te helpen.MaarMozeszeide tot hem: Gij zijt een krakeelzuchtige.18.En toen hij hem, die een vijand van hen beide was, trachtte te grijpen, zeide hij: OMozes! wilt gij mij dooden, zooals gij gisteren een man hebt gedood?13Gij tracht slechts een verdrukker op aarde te wezen, en zoekt niet een bijlegger van twisten te zijn.19.Een zeker man14kwam uit een ander deel der stad haastig aanloopen en zeide: OMozes! waarlijk, de overheden beraadslagen nopens u, om u ter dood te brengen. Vertrek dus: waarlijk, ik raad u wel.20.Daarom verliet hij de stad in groote vrees, dan eens naar dezen, dan weder naar genen weg ziende, of men hem ook vervolgde. En hij zeide: O Heer! verlos mij van de onrechtvaardigen.21.En toen hij naarMadianreisde, zeide hij: Misschien wil mijn Heer mij op den rechten weg leiden.22.Toen hij aan den bron vanMadianwas aangekomen, vond hij, nabij haar, een gezelschap van mannen, die bezig waren hunne kudden te drenken.23.Bij hen vond hij twee vrouwen, die hare schapen op eenigen afstand hielden. En hij zeide tot haar: Wat doet gij hier? Zij antwoordden: Wij zullen onze kudden niet drenken, dan nadat de schaapherders de hunne zullen hebben weggedreven; want onze vader is een achtingswaardig man van hoogen ouderdom.24.Daarop drenkteMozeshare schapen voor haar15en leidde die daarna in de schaduw, zeggende: O Heer! waarlijk, mij ontbreekt het goede, dat gij mij hebt doen ontmoeten.25.Een der meisjes kwam tot hem, beschaamd aantredende en zeide: Mijn vader roept u, opdat hij u zou mogen beloonen voor de moeite welke gij hebt genomen, door onze schapen voor ons te drenken. En toen hij totShoaibgekomen was en hem de geschiedenis zijner lotgevallen had verteld, zeide hij tot hem: Vrees niet, gij zijt den onrechtvaardige ontkomen.26.En een der meisjes zeide: Mijn vader, neem dien man, tegen bepaald loon in dienst; de beste dienaar dien gij kunt huren is een geschikt en trouw persoon16.27.EnShoaibzeide totMozes: Waarlijk, ik wil u eene van deze mijne twee dochters ten huwelijk geven, op voorwaarde, dat gij mij gedurende acht jaren zult dienen, en het ligt geheel aan u, mij tien jaren te dienen; want ik wil u geen onrecht opleggen, en zoo het Gode behaagt, zult gij bevinden, dat ik een eerlijk man ben.28.Mozesantwoordde: Aldus zij het verbond tusschen mij en u, en op welk der beide tijdstippen ik vertrek, zal er geene misdaad in wezen indien ik dan uw dienst verlaat. God is getuige van datgene, wat wij zeggen.29.En toenMozesden bepaalden tijd had bereikt17, en met zijn gezin naarEgyptereisde, zag hij vuur aan de zijde van den bergSinaï. En hij zeide tot zijn gezin: Blijft gij hier; want ik zie vuur: misschien kan ik eenige tijding van den weg brengen18, of wel een stuk brandend hout van het vuur, opdat gij verwarmd zoudt mogen worden.30.En toen hij daar kwam, riep een stem hem van de rechterzijde der vallei, op den geheiligden bodem, uit den boom aan, zeggende: OMozes! waarlijk, ik ben God, de Heer van alle schepselen.31.Werp uwen staf neder. En toen hij zag, dat de staf zich bewoog als ware het eene slang, trok hij terugen vluchtte, zonder zich om te keeren. En God zeide tot hem: OMozes! nader en vrees niet; want gij zijt in zekerheid.32.Steek uwe hand in uwen boezem en zij zal wit weder daaruit komen, zonder eenig ongemak: trek uw hand tot u terug19, welke gij uit vrees hebt uitgestoken. Dit zullen twee duidelijke teekens van uwen Heer wezen voorPharaoen zijn vorsten; want zij zijn zondaren.33.Mozeszeide: O Heer! waarlijk, ik heb een van hen gedood en ik vrees, dat zij mij ter dood zullen brengen.34.Maar mijn broederAäronheeft eene welsprekender tong dan ik; zend hem met mij, als een helper, opdat hij mij geloof doe vinden; want ik vrees dat zij mij van bedrog zullen beschuldigen.35.God zeide: Wij zullen door uwen broeder uwen arm sterken, en wij zullen ieder van u buitengewone macht geven, zoodat zij nimmer in onze teekenen tegen u zullen opmogen. Gij beiden en zij, die u zullen volgen, zullen de overwinnaars zijn.36.En toenMozesmet onze duidelijke teekenen tot hen kwam, zeiden zij: Dit is niets dan een bedriegelijk goochelstuk; nimmer hebben wij onder onze voorvaderen van iets dergelijks gehoord.37.EnMozeszeide: Mijn Heer weet het beste, wie met eene leiding van hem komt, en wie in dit, even als in het volgende leven, met een goeden uitslag zal worden bekroond; maar de onrechtvaardigen zullen geen voorspoed genieten.38.EnPharaozeide: O Vorsten! ik wist niet, dat gij een anderen god buiten mij bezat20. Daarom oHamanbrand mij klei tot steenen en bouw mij een hoogen toren21, opdat ik tot den God vanMozesmoge opstijgen: want waarlijk, ik houd hem voor een leugenaar.39.En hij, zoowel als zijn leger, gedroegen zich onbeschaamd en onrechtvaardig op de aarde, en verbeeldden zich, dat zij niet voor ons zouden worden gebracht, om gericht te worden.40.Daarom grepen wij hem en zijn heir en wierpen hem in zee. Onthoudt dus wat het einde der onrechtvaardigen was.41.En wij gaven hun bedriegelijke goden, die hunne volgers tot de hel uitnoodigden, en op den dag des oordeels zullen zij tegen de straf niet beschut worden.42.Wij vervolgenhen met een vloek in dit leven en, op den dag der opstanding zullen zij met schande worden verworpen.43.En wij gaven aanMozeshet boek der wet, nadat wij de vroegere geslachten hadden verdelgd, om de harten der menschen te waarschuwen, en tot eene leiding en tot eene genade, opdat zij wellicht zouden nadenken.44.Gij, o profeet, waart niet in de westerzijde van den bergSinaï, toen wijMozeszijnen last overgaven; ook waart gij geen van hen, die tegenwoordig waren toen hij haar ontving.45.Maar wij deden vele geslachten naMozes’ opstaan en hun leven werd verlengd. Gij hebt niet onder de bewoners vanMadiangewoond, om hen onze teekenen te herinneren; maar wij hebben u in ieder opzicht volkomen onderricht.46.Ook waart gij niet aan de zijde van den berg tegenwoordig, toen wijMozesriepen: maar gij zijt gezonden uit genade van uwen Heer opdat gij zoudt prediken voor een volk, tot hetwelk voor u nog geen prediker was gekomen22, opdat zij gewaarschuwd zouden worden.47.En opdat, indien een ramp over hen zou zijn gekomen, om hetgeen hunne handen voor bedachtelijk hebben bedreven, zij niet zouden zeggen: O Heer! is het ons niet te vergeven, nu gij geen gezant tot ons hebt gezonden, opdat wij uwe teekenen zouden volgen en ware geloovigen worden?48.Maar indien de waarheid van ons tot hen komt, zeggen zij: Indien hij niet dezelfde macht alsMozesontvangt om wonderen te bewerken, zullen wij niet gelooven. Hebben zij niet evenzoo de openbaring verworpen, die vroeger aanMozeswerd gegeven? Zij zeggen: Twee listige bedriegerijen23hebben elkander wederkeerig ondersteund: en zij zeggen: Waarlijk wij verwerpen die beide.49.Zeg: Toon dan een boek van God, dat beter is dan deze twee, opdat ik het volge, indien gij de waarheid spreekt,50.Maar indien zij u geen antwoord geven, weet dan, dat zij slechts hunne eigene begeerten volgen, en wie dwaalt sterker van de waarheid af dan hij, die zonder eene leiding van God zijne eigene begeerte volgt? Waarlijk, God leidt de onrechtvaardigen niet.51.En thans hebben wij ons woord tot hen doen komen, opdat zij gewaarschuwd zouden zijn.52.Zij aan wie wij de schriften hebben gegeven, welke voor hen werden geopenbaard, gelooven daarin.53.En als deze hun worden voorgelezen, zeggen zij: Wij gelooven daarin: het is zekerlijk de waarheid van onzen Heer; waarlijk wij waren Moslems voor zij tot ons kwamen.54.Dezen zullen hunne belooning tweemaal ontvangen24, omdat zij hebben volhard en het kwaad door het goede afwenden en aalmoezen uitdeelen van datgene wat wijhun hebben geschonken.55.En die, op het hooren van ijdele gesprekken, deze ontwijken en zeggen: Wij hebben onze werken en gij hebt uwe werken. Vrede zij over u25! wij zoeken niet naar betrekkingen met den onwetende.56.Waarlijk, gij kunt niet leiden wien gij wilt; maar God leidt wien hem behaagt, en hij weet het beste, wie zich onderwerpen wil om geleid te worden.57.De bewoners vanMekkazeggen: Indien wij dezelfde richting als gij volgen, zullen wij gewelddadig uit ons land gedreven worden26. Hebben wij geene zekere wijkplaats voor hen opgericht27, waarheen vruchten van allerlei soort heenvloeien, als een bewijs onzer goedheid. Maar het grootste deel hunner begrijpt het niet.58.Hoe vele steden hebben wij verwoest, wier bewoners in gemak en overvloed leefden? en hunne woningen zijn na hen niet bewoond, uitgenomen voor een korten tijd28, en wij waren de erfgenamen hunner welvaart29.59.Maar uw Heer verwoestte deze steden niet, dan nadat hij een profeet naar de hoofdstad had gezonden, om hun onze teekenen te herinneren. Ook verwoestten wij die steden niet, dan nadat de inwoners hunnen profeet hadden mishandeld.60.De dingen, die u gegeven zijn, zijn de genietingen van het tegenwoordige leven en zijne pracht; maar datgene, wat met God is, is beter en duurzamer. Wilt gij dit niet begrijpen.61.Zal hij dus, aan wien wij eene uitnemende belofte van toekomstig geluk hebben gedaan, en die deze zal ontvangen, gelijk staan met hem, wien wij de genietingen van dit leven hebben geschonken, doch die, op den dag der opstanding, een van hen zal wezen, die aan de eeuwige straf zullen worden overgeleverd?62.Op dien dag zal God tot hen komen en zeggen: Waar zijn mijne deelgenooten die, naar uwe gedachten met mij zijn?63.En zij, over wie het vonnis der verdoemenis rechtvaardig zal geveld zijn, zullen zeggen: Deze, o Heer, zijn het, welke wij hebbenverleid; wij verleidden hen, zoo als wij werden verleid, maar nu verlaten wij hen geheel en wenden ons tot u. Zij aanbaden niet ons maar hunne eigene hartstochten30.64.En tot de afgodendienaars zal gezegd worden: Roept hen thans aan, welke gij met God vereenigt; en zij zullen hen aanroepen; maar deze zullen hun niet antwoorden; en zij zullen de voor hen gereed gemaakte straf zien, zij zullen wenschen, dat zij zich hadden onderworpen om geleid te worden.65.Op dien dag zal God tot hen komen en zeggen: Welk antwoord hebt gij aan onze gezanten gegeven?66.Maar zij zullen niet in staat zijn daarvan op dien dag rekenschap te geven31. Ook zullen zij geen ander om verlichting vragen.67.Zij echter die berouw gevoelen, gelooven en doen zullen wat recht is, mogen verwachten gelukkig te zijn.68.Uw Heer schept naar zijn welbehagen en kiest vrijelijk; maar zij (de valsche goden) hebben geene vrije keuze. Geloofd zij God, en verre zij hij verwijderd van de afgoden welke zij met hem vereenigen.69.Uw Heer kent zoowel de geheime boosaardigheid welke zij in hunne borst verbergen, als den openbaren haat dien zij ontdekken.70.Hij is God; er is geen God buiten hem. Hem zij de lof, zoowel in dit leven als in het volgende. Hem behoort het oordeel, en voor hem zult gij op den jongsten dag worden verzameld.71.Zeg: denkt gij? Indien God u met eeuwigen nacht wilde bedekken tot op den dag der opstanding welke god, buiten God zou u dan licht brengen? Wilt gij dus niet luisteren.72.Zeg: Wat denkt gij? Indien God u aanhoudend dag gaf, tot den dag der opstanding, welke god, buiten God, zou u dan nacht brengen, opdat gij daarin zoudt kunnen rusten? Wilt gij dus niet overwegen?73.In zijne genade heeft hij den nacht voor u gemaakt, opdat gij daarin zoudt rusten, en den dag, opdat gij gedurende dezen zoudt trachten door uwen arbeid, voorraad voor u zelven van zijn overvloed te verkrijgen, en dat gij dankbaar zoudt zijn.74.Op een zekeren dag zal God hen oproepen en zal zeggen: Waar zijn mijne deelgenooten, van welke gij u verbeeldt, dat zij de goddelijke macht met mij deelen?75.En wij zullen een getuige uit ieder volk nemen32en zeggen: Brengt hier uw bewijs voor hetgeen gij hebt gezegd. En zij zullen weten, dat de waarheid bij God alleen is; en de godheden welke zij uitgedacht hebben, zullen hen verlaten.76.Karoenbehoorde tot het volk vanMozes33, maarhij gedroeg zich onbeschaamd omtrent zijne stamgenooten, want wij hadden hem zoo veel schats gegeven, dat het dragen zijner sleutels onderscheidene sterke mannen vorderde34. Toen zijn volk tot hem zeide: Praal niet buitensporig; want God bemint dengene niet, die overmatig op hunne rijkdommen bogen.77.Maar tracht door dewelvaart, welke God u gegeven heeft, de toekomstige verblijfplaats van het paradijs te verkrijgen35. Vergeet uw aandeel niet in deze wereld, maar wees goed omtrent anderen zoo als God goed omtrent u was, en tracht niet snood op aarde te handelen; want God bemint de snoodaards niet.78.Hij antwoordde: Ik heb deze rijkdommen slechts ontvangen, om de kennis, die met mij is. Wist hij niet, dat God vóór hem reeds onderscheiden geslachten had vernietigd, die machtiger dan hij in sterkte waren en grooteren overvloed van rijkdommen hadden verzameld? En den zondaren zal niet gevraagd worden, hunne misdaden te ontdekken.79.EnKaroenging met zijne pracht onder zijn volk voort36. En zij die het tegenwoordig leven beminden, zeiden: O! hadden wij denzelfden rijkdom, als die aanKaroenwerd gegeven. Waarlijk, hij is meester van groote schatten.80.Maar zij, aan welke verstand werd geschonken,antwoordden: Ongelukkigen die gij zijt! de belooning van God in het volgende leven zal beter wezen voor hem, die gelooven en goede werken doen zal; maar niemand zal die erlangen dan zij, die met vastberadenheid volharden.81.Wij spleten den grond, om hem en zijn paleis te verzwelgen, en zijne knechten konden hem niet redden en hij werd van de straf niet verlost.82.Den volgenden ochtend zeiden zij, die den vorigen dag zijnen toestand hadden benijd: Ja! waarlijk, God schenkt eene overvloedige belooning aan dengeen die hem behaagt; en hij is spaarzaam naar zijn welbehagen. Indien God niet genadig omtrent ons ware geweest, waarlijk, de aarde zoude ons mede hebben verzwolgen. Ja! de ongeloovigen zullen geen voorspoed hebben.83.Wat het toekomstige verblijf van het paradijs betreft, wij zullen het hun geven, die trachten, zich op aarde niet te buiten te gaan, of slecht te handelen; want eene gelukkige ontknooping wacht alleen den godvruchtige.84.Wie goed doet, zal eene belooning ontvangen, die de verdienste daarvan zal overtreffen; maar wat hen betreft, die snood handelen, deze zullen slechts vergolden worden, overeenkomstig datgene wat zij zullen hebben verricht.85.Waarlijk, hij die u den Koran heeft gegeven, als een gids voor het geloof en het leven, zal u zeker naarMekkaterugbrengen37. Zeg: Mijn Heer weet het beste, wie met een ware leiding komt en wie in eene duidelijke dwaling verkeert.86.Gij hebt niet verwacht, dat u het boek van den Koran zou worden geschonken; maar gij hebt het door de genade van uwen Heer ontvangen. Ondersteunt de ongeloovigen dus niet.87.Laten zij u ook niet afwenden van Gods teekenen, nadat die u zijn nedergezonden, en noodig de menschen tot uwen Heer uit, en wees geen afgodendienaar.88.Roep nimmer een anderen god te zamen met den waren God aan; er is geen god buiten hem. Ieder ding zal vergaan, behalve hijzelf. Hem behoort het oordeel, en voor hem zult gij op den jongsten dag worden verzameld.1De titel van dit hoofdstuk is ontleend aanvers 26, waarMozesgezegd wordt degeschiedenisvan zijne lotgevallen aanShoaibte hebben verhaald. Voor de aanvangletters zieHoofdstuk XXVI, vers 1, noot.2Sommigen zonderen hiervanvers 25uit.3Zijnde: òf in gedeelten, opdat zij beter zijne bevelen zouden kunnen vernemen en de diensten verrichten, welke hij van hen eischte, òf in tegenover elkander staande partijen, teneinde te voorkomen, dat zij iets tegen hem zouden ondernemen, om zich van zijne tirannie te verlossen.4Namelijk de Israëlieten.5ZieHoofdstuk XXVI, vers 59.6Deze naam is aanPharaoseersten minister gegeven, van waar algemeen de gevolgtrekking wordt gemaakt, datMahomethierHamanop het oog heeft den gunsteling vanAhasveros, koning vanPerzië, en die onbetwistbaar vele jaren naMozesleefde, in plaats van een tijdgenoot diens profeet te zijn. Maar hoe klaarblijkelijk deze dwaling ons moge schijnen, zou het toch zeer moeielijk, zoo niet onmogelijk zijn, een Mahomedaan daarvan te overtuigen, daar twee personen denzelfden naam kunnen dragen (ZieReland,de Rel. Moham.p. 217.).7Men verhaalt dat de vroedvrouw, die de Hebreeuwsche vrouw verloste, verschrikt werd door een licht, dat bijMozes’geboorte tusschen zijne oogen verscheen. Zij kreeg eene buitengewone gehechtheid voor het kind, en ontdekte het niet aan de beambten, zoodat zijne moeder hem in haar huis hield en hem drie maanden voedde, waarna het haar onmogelijk was, hem langer te bewaren, daar de koning toen bevelen gaf, de opsporingen nauwkeuriger te doen plaats hebben (Al Beidâwi, zie de noten opHoofdstuk XX, vers 39).8Deze plotselinge gehechtheid of bewondering werd in hen veroorzaakt òf door zijne ongewone schoonheid, òf door licht dat op zijn voorhoofd scheen, òf omdat, toen zij den korf openden, zij bevonden, dat hij op zijn duim zoog, die hem van melk voorzag. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).9ZieHoofdstuk XX, vers 41.10Zijnde: Des middags; tegen welken tijd het in die streken de gewoonte is, dat men een slaapje doet, of, zooals anderen veronderstellen, meer tegen den avond.11Zijnde de een, een Israëliet, van zijn eigen godsdienst en zijn eigen volk, en de andere een afgodendienende Egyptenaar.12Mahometneemt aan, datMozesden Egyptenaar onrechtvaardig doodde, maar om het te verontschuldigen, vooronderstelt hij dat hij hem sloeg zonder de bedoeling te hebben hem te dooden.13Sommigen veronderstellen dat deze woorden door den Israëliet werden gezegd, die omdatMozeshem had berispt, zich verbeeldde, dat hij gekomen was om hem te slaan; en anderen door den Egyptenaar, die wist of verdenking had, datMozesden vorigen dag zijn landgenoot had doen omkomen.14Deze persoon, zegt de overlevering, was een Egyptenaar en de zoon vanPharaosoom, maar een waar geloovige, die, wetende dat de koning onderricht was van hetgeenMozeshad bedreven, en bepaald had, dat hij ter dood zou gebracht worden, hem onmiddellijk daarvan kennis gaf, om zich door de vlucht te kunnen redden.15Door een steen van een bijzonder groot gewicht weg te rollen, die door de schaapherders op den mond der bron was gelegd, en niet minder dan zeven (anderen noemen een nog grooter getal) mannen, vereischte om verplaatst te worden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Interd.Yahya).16Toen de vader aan het meisje vroeg, hoe zijMozesdie getuigenis kon geven, verhaalde zij hem, dat hij den bovenvermelden grooten steen zonder eenige hulp had verplaatst, en dat hij haar niet aangezien, maar zijn hoofd nedergebogen had gehouden, tot hij hare boodschap had gehoord, en dat hij had verlangd, dat zij achter hem zou loopen, daar de wind hare kleederen eenigszins in wanorde bracht, waardoor een gedeelte harer beenen werd ontbloot, (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Interd.Yahya).17Zijnde den langsten termijn, van tien jaren. De Mahomedanen zeggen, datMozesvanShoaibden staf der profeten ontving (die in een myrtentak uit het paradijs bestond, en vanAdamtot op hem was gekomen), ten einde de wilde dieren van zijne schapen af te houden, en dat dit de staf was, waarmede hij al de wonderen inEgyptevolvoerde.18ZieHoofdstuk XX, vers 8.19Letterlijk: uw vleugel: deze uitdrukking zinspeelt op de beweging der vogelen die hunne vleugels uitslaan om weg te vliegen, wanneer zij verschrikt zijn, en die weder samenvouwen, al zij zich zeker achten.20ZieHoofdstuk XXVI, vers 28.21Men zegt datHaman, na de steenen en andere materialen te hebben gereed gemaakt, niet minder dan vijftig duizend man, behalve de arbeiders, voor het gebouw gebruikte, dat zij tot zulk eene reusachtige hoogte optrokken, dat de werkman er niet langer op kon staan.Pharaobeklom daarop dien toren en wierp eene speer naar den hemel, die met bloed bevlekt terugviel, waarop hij godlasterend snoefde, dat hij den God vanMozeshad gedood. Maar bij zonsondergang zond God den engelGabriël, die met eene streek van zijn vleugel den toren omverwierp, waarvan een gedeelte op het leger des konings viel en een millioen menschen doodde (Al Zamakhshari.)22Dat is tot de Arabieren; tot welke nog geen profeet gezonden was; ten minste niet naIsmaël.23Zijnde de Pentateuchus en de Koran. Sommige afschriften lezen hier: twee bedriegers:MozesenMahomet, bedoelende.24Omdat zij niet alleen in hunne eigene schriften, maar ook aan den Koran hebben geloofd.25ZieHoofdstuk XXV, vers 64, noot.26Deze tegenwerping werd dooral Hareth Ebn Othman Ebn Nawfal Ebn Abd Menafgemaakt, die totMahometkwam en hem vertelde, dat de Koreïshieten geloofden, dat hij de waarheid predikte, maar vreesden, dat indien zij de Arabieren tot hunne vijanden maakten, door hunnen godsdienst te verlaten, zij ook genoodzaakt zouden zijnMekkate verlaten, daar zij slechts een handvol personen uitmaakten in vergelijking van de geheele natie (Al Beidâwi).27Door hun het geheiligde grondgebied vanMekkatot woonplaats te geven; eene plaats door God beschermd en door den mensch vereerd.28Dat is: voor een dag of slechts eenige uren, terwijl de reizigers zich daar ophouden, om uit te rusten en zich te verfrisschen, of, zoo als het oorspronkelijke mede kan beteekenen:tenzij door eenige inwoners, daar eenige dier oude steden en woonplaatsen zeer vervallen en andere schaars bewoond zijn.29Daar niemand werd overgelaten om daarvan na hen te genieten.30ZieHoofdstuk X, vers 29.31Letterlijk: De rekenschap daarvan zal duister voor hen wezen; want de verwarring, waaraan zij dan onderhevig zijn, zal hen verstompt en ongeschikt maken om antwoord te geven.32Zijnde de profeet, die aan ieder volk zal zijn gezonden.33De uitleggers zeggen, datKaroende zoon vanYeshar(ofIzhar) was, de oom vanMozes, en maken hem tot denzelfden als denKorahder schriften. Deze persoon wordt door hen voorgesteld, als de schoonste der Israëlieten, die hen zoozeer in rijkdom overtrof, dat derijkdom overtrof, dat de rijkdommen vanKaroentot een spreekwoord werden. De Mahomedanen verhalen, dat hij een groot paleis bouwde met goud bedekt, welks deuren van massief goud waren. Zij voegen er bij, dat hij door zijne reusachtige rijkdommen zoo onbeschaamd werd, dat hij een opstand tegenMozesberaamde. Sommigen beweren echter, dat de aanleiding zijner weerspannigheid in zijne onwilligheid lag om aalmoezen te geven, gelijkMozeshad bevolen. Eens toenMozestot het volk predikte en, onder andere wetten welke hij openbaarde, ook zeide, dat overspeligen zouden worden gesteenigd, vroegKaroenhem, wat er zou gebeuren, indien hij aan dezelfde misdaad werd schuldig bevonden?Mozesantwoordde, dat hij dan dezelfde straf zou ondergaan. Daarop brachtKaroeneene ontuchtige vrouw voor den dag, welke hij gehuurd had om te zweren, datMozeshaar had beslapen, waarvan hij hem in het openbaar beschuldigde.Mozesbezwoer daarop de vrouw de waarheid te zeggen, waardoor zij van haar voornemen terugkwam en beleed, dat zij doorKaroenwas omgekocht om hem valsch te beschuldigen. Daarop deed God aanMozesweten, die zich bij hem over het gebeurde had beklaagd, dat hij van de aarde zou vragen wat hem behaagde, en dat die hem zou gehoorzamen, waarop hij zeide: O aarde! verzwelg hem! De aarde opende zich nu onmiddellijk onderKaroenen zijne bondgenooten, en verzwolg hen met zijn paleis en al zijnerijkdommen(Abu’lfeda,Jallalo’ddin,Al Beidâwi, enz.).34Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk een getal personen van tien tot veertig. Sommigen beweren, dat deze sleutels zeventig man vereischten.Abu’lfedazegt dat men veertig muilezels gebruikte, om die te vervoeren.35Deze plaats komt overeen met Luc. XVI : 9.36Men zegt, dat hij op een witten muilezel reed, die met gouden tuig was versierd; dat hij in purper was gekleed, en door vier duizend wel gewapende en rijk gekleede mannen gevolgd werd.37Sommigen zeggen, dat dit vers aanMahometwerd geopenbaard, toen hij op zijne vlucht vanMekkanaarMedinateJohfaaankwam, ten einde hem gerust te stellen en zijne klachten te stillen.Negen en Twintigste Hoofdstuk.De Spin1.Geopenbaard teMekka2.—69 verzen.In den naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.A. L. M.3Verbeelden zich de menschen, dat het toereikend voor hen is, te zeggen: Wij gelooven, zonder dat zij beproefd zijn4.2.Wij beproefden vroeger degenen, die hun voorafgingen; want God kent zekerlijk hen die oprecht zijn, en hij zal voorzeker de leugenaars kennen.3.Denken zij, die kwaad bedrijven, dat zij ons zullen verhinderen, wraak op hen te nemen? Zij oordeelen slecht.4.Voor hen, die hopen God te ontmoeten, zal Gods bepaalde tijd zekerlijk komen, en hij hoort en weet alles.5.Wie er naar streeft, den waren godsdienst voort te planten, streeft naar het voordeel van zijne eigene ziel; want God heeft geen zijner schepselen noodig.6.En wat degene betreft, die gelooven en rechtvaardig handelen, wij zullen hunne slechte daden uitwisschen, en wij zullen hun eene belooning geven, overeenkomstig de grootste verdiensten hunner daden.7.Wij hebben den mensch bevolen, eerbiedig omtrent zijne ouders te zijn, maar indien zij trachten u over te halen, om datgene met mij te vereenigen, waarvan gij geene kennis hebt, gehoorzaam hen niet. Tot mij zult gij terugkeeren, en ik zal u verklaren wat gij gedaan hebt.8.Hen, die gelooven en rechtvaardig handelen, zullen wij zekerlijk onder de godvruchtigen het paradijs binnenleiden.9.Er zijn sommige menschen die zeggen: Wij gelooven in God; maar als zulk een voor Gods zaak wordt beproefd, schat hij de vervolging der menschen even smartelijk, als de straf van God. Als u God eenig voordeelschenkt, zeggen zij: Waarlijk wij zijn met u. Weet God dan niet wat in de borst zijner schepselen schuilt?10.Waarlijk God kent de ware geloovigen wel en hij kent de huichelaars.11.De ongeloovigen zeggen tot hen die gelooven: Volg onzen weg, en wij zullen uwe zonden dragen. Zij zullen echter geenerlei deel hunner zonden dragen; want zij zijn leugenaars.12.Maar zij zullen zekerlijk hunne eigene lasten dragen, en andere lasten buiten hunne eigene5; en zij zullen op den dag der opstanding nopens datgene onderzocht worden, wat zij valschelijk hebben uitgedacht.13.Wij zonden vroegerNoachtot zijn volk, en hij bleef duizend jaren min vijftig jaren onder hen6, en de zondvloed nam hen weg, omdat zij onrechtvaardig handelden.14.Maar wij bevrijden hen en degenen, welke met hem in de ark waren, en wij maakten die7tot een teeken voor alle schepselen.15.Wij zonden ookAbraham. Hij zeide tot zijn volk: Dient God en vreest hem; dat zal beter voor u zijn, indien gij het begrijpt. Gij aanbidt slechts afgoden naast God en denkt leugens uit.16.Waarlijk, zij welke gij naast God vereert, zijn niet in staat u het noodige te geven. Zoekt dus het noodige bij God, dient hem, en weest dankbaar; tot hem zult gij terugkeeren.17.Indien gij mij van bedrog beschuldigt, waarlijk vele volkeren vóór u hebben hunne profeten eveneens van bedrog beschuldigd, maar alleen het openbaar prediken, is den gezant als plicht opgelegd.18.Zien zij niet hoe God alle schepselen voortbrengt en die later doet herleven? Waarlijk dit is voor God gemakkelijk.19.Zeg: Ga over de aarde en zie hoe hij oorspronkelijk schepselen voortbrengt, daarna zal God hen door een nieuwe schepping doen herleven; want God is almachtig.20.Hij zal straffen naar zijn welbehagen, en hij zal genadehen voor dengeen die hem behaagt. Op den dag des oordeels zult gij voor hem worden gebracht.21.En gij zult zijn bereik niet ontkomen: noch op aarde, noch in den hemel8. Nimmer zult gij eenigen schuts of verdediger buiten God hebben.22.Wat hen betreft, die niet in Gods teekenen gelooven, of daaraan, dat zij hem bij de opstanding zullen ontmoeten, deze zullen aan mijne genade wanhopen, en voor hen is eene pijnlijke straf gereed gemaakt.23.En het antwoord van zijn volk was slechts dat zij zeiden: Doodt of verbrandt hem. Maar God redde hem van het vuur9. Waarlijk, hierin waren teekenen voor hen die geloofden.24.EnAbrahamzeide: Gij hebt afgoden naast God gekozen, uit gehechtheid aan dit leven, welke bij u bestaat: maar op den dag der opstanding zal de een uwer den ander verloochenen, en de een van u zal den ander vloeken; het hellevuur zal uw verblijf wezen, en er zal niemand zijn om u te bevrijden.25.Lotgeloofde in hem. EnAbrahamzeide: Waarlijk, ik vlucht van mijn volk naar de plaats welke mijn Heer mij heeft bevolen; want hij is de Machtige, de Wijze.26.En wij gaven hemIzaäkenJacob, en wij plaatsten onder zijne nakomelingen het geschenk der profetie en de schriften; wij gaven hem zijne belooning in deze wereld, en in de volgende zal hij een der rechtvaardigen wezen.27.Wij zonden ookLot, toen hij tot zijn volk zeide: Bedrijft gij eene zonde, welke nog geen volk voor u heeft bedreven?28.Nadert gij vol lusten de mannen; valt gij hen op de groote wegen aan10en begaat gij zonde in uwe vergaderingen11? En het antwoord van zijn volk was geen ander, dan dat zij zeiden: Doe de wraak Gods op ons nederkomen, indien gij de waarheid spreekt.29.Lotzeide: O Heer! verdedig mij tegen dit bedorven volk.30.En toen onze gezanten met goede tijdingen totAbrahamkwamen12, zeidenzij: Wij zullen zekerlijk de inwoners van deze stad verdelgen; want hare bewoners zijn zondaren.31.Abrahamantwoordde: Waarlijk,Lotwoont daar. Zij hernamen: Wij weten wel wie daarin woont; wij zullen hem en zijn gezin zekerlijk bevrijden behalve zijne vrouw: zij zal eene van degenen zijn, die achterblijven.32.En toen onze gezanten totLotkwamen, was hij bedroefd om hen, en zijn arm was onmachtig om hen te verdedigen13. Maar zij zeiden: Vrees niet en wees niet treurig; want wij zullen u en uw gezin bevrijden, behalve uwe vrouw; want zij zal eene wezen van hen, die achterblijven.33.Wij zullenzekerlijk de wraak des hemels over de bewoners dezer stad brengen, omdat zij zondaren waren34.En wij hebben daarvan een duidelijk teeken gelaten14voor hen die begrijpen willen.35.En tot de bewoners vanMadianzonden wij hunnen broederShoaib, en hij zeide tot hen: O mijn volk? dient God, verwacht den laatsten dag en zondigt niet, door snood op aarde te handelen.36.Maar zij beschuldigden hem van bedrog, waardoor een storm van den hemel15hen overviel; en des ochtends werden zij in hunne woningen dood en voorover liggende gevonden.37.En wij verdelgden ook de stammen vanAdenThamoed; en gij weet wel wat er nog van hunne woningen is overgebleven. En Satan deed hen hunne werken goed vinden en wendde hen zijwaarts van den weg der waarheid, hoewel zij doorzicht hadden.38.Ook verdelgden wijKaroen, enPharaoenHaman.Mozeskwam tot hem met duidelijke wonderen. Zij gedroegen zich echter onbeschaamd op de aarde; maar zij konden onze wraak niet ontkomen.39.Hen allen verdelgden wij in hunne zonden. Tegen sommigen hunner zonden wij een hevigen wind16, sommigen werden door een vreeselijken orkaan van den hemel verdelgd17, sommigen deden wij door de aarde verzwelgen18en sommigen van hen verdronken wij19. Nimmer was God geneigd hen onrechtvaardig te behandelen, maar zij handelden onrechtvaardig met hunne eigene zielen.40.Degenen, die andere beschermers naast God nemen, gelijken op de spinnekop, die zelve zich eene woning vervaardigt: maar het zwakste van alle huizen is zekerlijk dat van een spinnekop, indien zij dit wisten.41.God kent echter de dingen, welke zij buiten hem aanroepen, en hij is deMachtige, de Wijze.42.Deze vergelijking stellen wij den menschen voor; maar niemand verstaat die; behalve de denkende.43.God heeft de hemelen en de aarde in waarheid geschapen; waarlijk, hierin is een teeken voor de ware geloovigen.44.Herdenkt wat u van het boek des Korans werd geopenbaard, en weest standvastig in het gebed; want het gebed behoedt den mensch voor vele misdaden en voor hetgeen laakbaar is, en deherdenkingen van God is zeker een der belangrijkste plichten: God weet wat gij doet.45.Twist niet met hen die de schriften hebben ontvangen dan op de zachtste wijze20, behalve met diegene van hen, welke zich slecht tegenover u gedragen, en zeg: Wij gelooven in de openbaring, welke ons werd nedergezonden en ook in hetgeen u werd nedergezonden. Onze God en uw God is één, en hem zijn wij onderworpen.46.Zoo hebben wij u het boek van den Koran nedergezonden, en zij aan wie wij de vroegere schriften hebben gegeven, gelooven daarin; en onder deze Arabieren zijn er ook die daarin gelooven, en niemand verwerpt onze teekenen, behalve de hardnekkige ongeloovigen.47.Gij kondt geen (goddelijk) boek voor dit lezen, noch kondt gij het met uwe rechterhand schrijven. Toen zouden de tegensprekers terecht aan den goddelijken oorsprong daarvan hebben getwijfeld.48.Maar het geeft duidelijke teekens in de borst dergenen die verstand hebben ontvangen; want niemand verwerpt onze teekenen; behalve de onrechtvaardigen.49.Zij zeggen: Zoolang geen teeken van zijn Heer wordt nedergezonden, zullen wij niet gelooven. Antwoord: Teekenen zijn alleen in de macht van God, en ik ben slechts een openbaar prediker.50.Is het niet toereikend voor hen, dat wij u het boek van den Koran hebben nedergezonden om hun voorgelezen te worden? Waarlijk, hierin is eene genade en eene vermaning voor hen die gelooven.51.Zeg: God is een toereikende getuige tusschen mij en u.52.Hij kent alles wat in den hemel en op aarde is, en zij die in ijdele afgoden gelooven en God loochenen, zullen gestraft worden.53.Zij zullen van u eischen, dat gij de straf verhaast, welke zij u tarten op hen te doen nederkomen21. Indien er echter geen bepaalde tijd voor hun uitstel ware geweest, zou de straf reeds op hen zijn nedergekomen; maar zij zal hen zekerlijk plotseling overvallen, en zij zullen het niet voorzien.54.Zij eischen van u, dat gij spoedig een wraak op hen zult doen nederkomen; maar de hel zal de ongeloovigen zekerlijk omringen.55.Op een zekeren dag zal hunne straf hen plotseling overvallen; zoowel van boven hen als van onder hunne voeten zal God hun toeroepen: Proef de vergelding van hetgeen gij hebt bedreven.56.O mijne dienaren, die geloofd hebt; waarlijk, mijne aarde is ruim; dient mij dus22.57.Iedere ziel zal den dood ondergaan; daarna zult gijtot ons terug keeren.58.En wat hen betreft die geloofd en rechtvaardigheid uitgeoefend zullen hebben, wij zullen hen zekerlijk in de hoogere gedeelten van het paradijs huisvesten; rivieren zullen onder hen stroomen, en eeuwig zullen zij daar verblijven. Hoe heerlijk zal de belooning zijn van hen, die rechtvaardigheid hebben uitgeoefend!59.Die met geduld volharden en hun vertrouwen in den Heer stellen.60.Hoe vele dieren zijn er niet die voor hun voedsel niet zorgen? God is het die hen en u voorziet, en hij hoort en kent alles.61.Waarlijk, indien gij de bewoners vanMekkavraagt: Wie heeft de hemelen en de aarde geschapen, en de zon en de maan gedwongen hunnen loop te volgen? zullen zij antwoorden: God. Waarom liegen zij dan in de erkenning van andere goden?62.God voorziet diegenen zijner dienaren met overvloed welke hem behagen, en is karig omtrent hen indien het hem behaagt; want God is alwetend23.63.Waarlijk, indien gij hun vraagt: Wie zendt den regen van den hemel en verkwikt daardoor de aarde, nadat die reeds dood was? zullen zij antwoorden: God. Zeg: God zij geloofd! Maar het grootste deel hunner begrijpen niet.64.Het tegenwoordige leven is slechts een tijdverdrijf en een spel; maar het toekomstige verblijf in het paradijs is het werkelijke leven. Indien zij dit wisten, zouden zij het eerste niet boven het laatste verkiezen.65.Als zij in een schip zeilen, roepen zij God aan, en belijden hem oprechtelijk den waren godsdienst; maar als hij hen veilig aan land brengt, keeren zij tot hunnen afgodendienst terug;66.Om zich ondankbaar te betoonen voor datgene wat wij hun hebben geschonken, en opdat zij de vermaken van dit leven zouden mogen genieten; maar hierna zullen zij de ontknooping kennen.67.Zien zij niet dat wij het grondgebied vanMekkatot eene onschendbare en zekere wijkplaats hebben gemaakt, terwijl de menschen in den omtrek worden geplunderd? Gelooven zij daarom in datgene wat ijdel is, en erkennen niet Gods goedheid?68.Maar wie is onrechtvaardiger dan hij die eene logen tegen God uitdenkt, of de waarheid loochent, nadat die tot hem is gekomen? Is de hel niet het verblijf voor de ongeloovigen?69.Wie zijne uiterste pogingen aanwendt om onzen waren godsdienst voort te planten, dien zullen wij op onze wegen leiden; want God is met den rechtvaardige.1Invers 40wordt van dit insect melding gemaakt.2Sommigen beweren, dat de verzen 1–10 teMedinawerden geopenbaard en het overige gedeelte van het Hoofdstuk teMekka; anderen weder gelooven het tegenovergestelde.3ZieHoofdstuk II, vers 1, noot.4Deze plaats gispt het ongeduld van sommige der volgelingen van den profeet, veroorzaakt door de ongemakken, welke zij doorstonden in de verdediging van hunnen godsdienst en de verliezen die zij van de ongeloovigen leden, door hun aan te toonen, dat zulke rampen noodzakelijk waren om den oprechten persoon van den huichelaar, den standvastige van den twijfelende te onderscheiden. Sommigen veronderstellen, dat deze plaats werd veroorzaakt door den dood vanMahja, den slaaf vanOmar, welke in den slag vanBedrdoor een pijl gedood, en door zijne vrouw en nabestaanden diepbetreurdwerd (Al Beidâwi).5Zijnde: de schuld aan de verleiding van anderen, die gevoegd zal worden bij de schuld hunner eigene weerspannigheid, zonder de schuld dergenen te verminderen, die door hen zijn verleid.6Dit is waar, indien men het geheele leven vanNoachrekent; en volgens het beweren vanAbu’lfeda, werd hij in zijntweehonderdvijftigstejaar gezonden om te prediken en leefde hij in het geheel negenhonderdvijftig jaren: de tekst schijnt echter alleen te spreken van de jaren, welke hij doorbracht met vóór den zondvloed te prediken, daar de uitleggers veronderstellen, dat hij veel langer heeft geleefd. Sommigen zeggen, dat de geheele lengte van zijn leven duizend en vijftig jaren was; dat hem op veertigjarigen ouderdom zijne zending werd opgedragen, en dat hij zestig jaren na den zondvloed leefde (Al Beidâwi,Al Zamakshari). Anderen geven verschillende getallen op, en één vooral beweert, datNoachbijna zestienhonderd jaren leefde (Caab, opYahya).Al Beidâwizegt, dat deze omstandigheid werd vermeld, omMahomette verzekeren dat God, dieNoachzoovele jaren tegen weerspannigheid en de aanslagen der antidiluviaansche ongeloovigen had ondersteund, niet zou nalaten, hem tegen alle pogingen van de afgodendienende bewoners vanMekkaen hunne partijgangers te verdedigen.7De ark.8Zie Psalm CXXXIX : 7, enz.9ZieHoofdstuk XXI, vers 71.10Sommigen veronderstellen, dat de bewoners vanSodomde voorbijgangers plunderden en doodden; anderen dat zij hunne lichamen misbruikten.11Daar hunne bijeenkomsten tooneelen van onkuischheid en ongebondenheid waren.12ZieHoofdstuk XI, vers 72.13Zie ibid, vers 77.14Zijnde het verhaal harer vernietiging, door de gewone overlevering gemeld, of wel hare bouwvallen, of andere sporen van dit vonnis. Er wordt beweerd, dat verscheidene der steenen die op deze steden uit den hemel nedervielen, nog te zien zijn, en dat de grond waar zij stonden, verbrand en zwartachtig schijnt.15ZieHoofdstuk VII, vers 89.16Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk een wind, die het zand en de kleine steentjes voor zich uitdrijft, en waarmede de storm, of de regenbui van steenen, schijnt te worden bedoeld, dieSodomenGomorrahvernielde.17Hetgeen het einde vanAdenThamoedwas.18Zooals metKaroengeschiedde.19Zooals de ongeloovigen ten tijde vanNoachenPharaomet zijn leger.20Zijnde: zonder hevige taal en drift. Dit vers wordt algemeen verondersteld, door dat van het zwaard te zijn afgeschaft; maar sommigen denken, dat het alleen betrekking heeft op degenen, die met de Moslems in bondgenootschap zijn.21ZieHoofdstuk VI, vers 57.22Dat is: Indien gij mij niet in de eene stad of op de eene plaats kunt aanbidden, vlucht dan naar eene andere, waar gij den waren godsdienst in zekerheid kunt belijden; want de aarde is ruim genoeg, en gij zult gemakkelijk toevluchtsoorden vinden. Men zegt datMahometheeft verklaard,dat, wie om de zaak van den godsdienst vlucht al zij het ook, dat hij ééne span aflegt, het paradijs verdient, en de makker vanAbrahamen de zijnen zal wezen (Al Beidâwi).23En weet dus wie een goed en wie een slecht gebruik zijner rijkdommen zal maken.

Acht en Twintigste Hoofdstuk.De Geschiedenis (of de Lotgevallen)1.Geopenbaard te Mekka2.—88 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.T. S. M. Dit zijn de teekens van het duidelijke boek.2.Wij willen u, oMahomet! sommige gedeelten van de geschiedenis vanMozesenPharao, met waarheid opzeggen, ten behoeve van hen, die gelooven.3.Pharaoverhief zich in het landEgypte, en hij deed zijn volk in afdeelingen splitsen3: hij verdrukte één gedeelte van hen4, door hunne kinderen te dooden en hunne vrouwelijke kinderen te laten leven; want hij was een verdrukker.4.En het behaagde ons genadig te zijn nopens de zwakken van het land, en hen tot toonbeelden van godsdienst te maken, en tot erfgenamen van de welvaart vanPharaoen zijn volk5;5.En om eene plaats voor hen op de aarde te vestigen, enPharaoenHaman6en hunne strijdkrachten de vernietiging van hun koninkrijk en van hun volk te vertoonen, welke zij trachtten te vermijden.6.En wij leidden de moedervanMozesdoor openbaring, zeggende: Zoog hem, en indien gij voor hem vreest werp hem in de rivier; vrees dan niet meer en wees niet bedroefd; want wij zullen hem u teruggeven en zullen hem tot een onzer gezanten aanwijzen7.7.En toen zij het kind in het korfje gelegd en het in de rivier geworpen had, nam het gezin vanPharaohem op, terwijl de Voorzienigheid wilde, dat hij een vijand en eene droefheid voor hen zou worden. WaarlijkPharaoenHamanen hunne krijgers waren zondaren.8.En de vrouw vanPharaozeide: Dit kind is een vermaak voor het oog, zoowel voor u als voor mij8: dood hem niet; misschien kan het gebeuren, dat hij ons van dienst zij; of laten wij hem tot onzen zoon aannemen. En zij voorzagen de gevolgen niet van hetgeen zij deden.9.En het hart der moeder vanMozeswerd met vrees vervuld, en zij zou bijkans zijne afkomst hebben ontdekt, hadden wij haar hart niet met standvastigheid gewapend, opdat zij een van hen zou wezen, die Gods beloften gelooven.10.En zij zeide tot zijne zuster: Volghem. En zij bespiedde hem op een afstand en de anderen bemerkten het niet.11.Wij stonden hem niet toe, de borsten der minnen te nemen, welke verschaft waren, alvorens zijne zuster kwam9en zeide: Zal ik u tot eene min brengen die hem voor u zoogen en zorg voor hem dragen zal? En, op hunne begeerte bracht zij zijne moeder tot hen.12.Zoo gaven wij hem aan zijne moeder terug, opdat zij zich weder zou troosten en opdat zij niet bedroefd zou worden, en opdat zij weten zou, dat de belofte van God waar was; maar het grootste deel der menschen kent de waarheid niet.13.En toenMozeszijn ouderdom van rijpheid had bereikt en tot een volwassen mensch was geworden, schonken wij hem wijsheid en kennis; zoo beloonen wij den deugdzame.14.En hij ging in de stad op een tijdstip, dat de bewoners daarvan niet opletten, wat er in de straat gebeurt10, en hij vond daar twee mannen, die met elkandervochten: de een behoorde tot zijne vijanden11. En hij die tot zijn volk behoorde, riep zijne hulp in tegen hem, die tot de tegenpartij behoorde, enMozessloeg hem met de vuist en doodde hem; maar daar hij bedroefd was om hetgeen er geschied was, zeide hij: Dit is het werk van den duivel12; want, hij is een verleider en een openbare vijand.15.En hij zeide: O Heer! waarlijk, ik heb mijne eigene ziel mishandeld; vergeef mij dus. Zoo vergaf God hem: want hij is vergevensgezind en barmhartig.16.Hij zeide: O Heer! bij de gunsten waarmede gij mij hebt begiftigd, ik zal in het vervolg de zondaren niet ondersteunen.17.En den volgenden ochtend was hij bevreesd in de stad, en toen zag hij om zich heen, als vreesde hij gevaar; en ziet, hij dien hij den vorigen dag had bijgestaan, riep hem toe hem ten tweeden male te helpen.MaarMozeszeide tot hem: Gij zijt een krakeelzuchtige.18.En toen hij hem, die een vijand van hen beide was, trachtte te grijpen, zeide hij: OMozes! wilt gij mij dooden, zooals gij gisteren een man hebt gedood?13Gij tracht slechts een verdrukker op aarde te wezen, en zoekt niet een bijlegger van twisten te zijn.19.Een zeker man14kwam uit een ander deel der stad haastig aanloopen en zeide: OMozes! waarlijk, de overheden beraadslagen nopens u, om u ter dood te brengen. Vertrek dus: waarlijk, ik raad u wel.20.Daarom verliet hij de stad in groote vrees, dan eens naar dezen, dan weder naar genen weg ziende, of men hem ook vervolgde. En hij zeide: O Heer! verlos mij van de onrechtvaardigen.21.En toen hij naarMadianreisde, zeide hij: Misschien wil mijn Heer mij op den rechten weg leiden.22.Toen hij aan den bron vanMadianwas aangekomen, vond hij, nabij haar, een gezelschap van mannen, die bezig waren hunne kudden te drenken.23.Bij hen vond hij twee vrouwen, die hare schapen op eenigen afstand hielden. En hij zeide tot haar: Wat doet gij hier? Zij antwoordden: Wij zullen onze kudden niet drenken, dan nadat de schaapherders de hunne zullen hebben weggedreven; want onze vader is een achtingswaardig man van hoogen ouderdom.24.Daarop drenkteMozeshare schapen voor haar15en leidde die daarna in de schaduw, zeggende: O Heer! waarlijk, mij ontbreekt het goede, dat gij mij hebt doen ontmoeten.25.Een der meisjes kwam tot hem, beschaamd aantredende en zeide: Mijn vader roept u, opdat hij u zou mogen beloonen voor de moeite welke gij hebt genomen, door onze schapen voor ons te drenken. En toen hij totShoaibgekomen was en hem de geschiedenis zijner lotgevallen had verteld, zeide hij tot hem: Vrees niet, gij zijt den onrechtvaardige ontkomen.26.En een der meisjes zeide: Mijn vader, neem dien man, tegen bepaald loon in dienst; de beste dienaar dien gij kunt huren is een geschikt en trouw persoon16.27.EnShoaibzeide totMozes: Waarlijk, ik wil u eene van deze mijne twee dochters ten huwelijk geven, op voorwaarde, dat gij mij gedurende acht jaren zult dienen, en het ligt geheel aan u, mij tien jaren te dienen; want ik wil u geen onrecht opleggen, en zoo het Gode behaagt, zult gij bevinden, dat ik een eerlijk man ben.28.Mozesantwoordde: Aldus zij het verbond tusschen mij en u, en op welk der beide tijdstippen ik vertrek, zal er geene misdaad in wezen indien ik dan uw dienst verlaat. God is getuige van datgene, wat wij zeggen.29.En toenMozesden bepaalden tijd had bereikt17, en met zijn gezin naarEgyptereisde, zag hij vuur aan de zijde van den bergSinaï. En hij zeide tot zijn gezin: Blijft gij hier; want ik zie vuur: misschien kan ik eenige tijding van den weg brengen18, of wel een stuk brandend hout van het vuur, opdat gij verwarmd zoudt mogen worden.30.En toen hij daar kwam, riep een stem hem van de rechterzijde der vallei, op den geheiligden bodem, uit den boom aan, zeggende: OMozes! waarlijk, ik ben God, de Heer van alle schepselen.31.Werp uwen staf neder. En toen hij zag, dat de staf zich bewoog als ware het eene slang, trok hij terugen vluchtte, zonder zich om te keeren. En God zeide tot hem: OMozes! nader en vrees niet; want gij zijt in zekerheid.32.Steek uwe hand in uwen boezem en zij zal wit weder daaruit komen, zonder eenig ongemak: trek uw hand tot u terug19, welke gij uit vrees hebt uitgestoken. Dit zullen twee duidelijke teekens van uwen Heer wezen voorPharaoen zijn vorsten; want zij zijn zondaren.33.Mozeszeide: O Heer! waarlijk, ik heb een van hen gedood en ik vrees, dat zij mij ter dood zullen brengen.34.Maar mijn broederAäronheeft eene welsprekender tong dan ik; zend hem met mij, als een helper, opdat hij mij geloof doe vinden; want ik vrees dat zij mij van bedrog zullen beschuldigen.35.God zeide: Wij zullen door uwen broeder uwen arm sterken, en wij zullen ieder van u buitengewone macht geven, zoodat zij nimmer in onze teekenen tegen u zullen opmogen. Gij beiden en zij, die u zullen volgen, zullen de overwinnaars zijn.36.En toenMozesmet onze duidelijke teekenen tot hen kwam, zeiden zij: Dit is niets dan een bedriegelijk goochelstuk; nimmer hebben wij onder onze voorvaderen van iets dergelijks gehoord.37.EnMozeszeide: Mijn Heer weet het beste, wie met eene leiding van hem komt, en wie in dit, even als in het volgende leven, met een goeden uitslag zal worden bekroond; maar de onrechtvaardigen zullen geen voorspoed genieten.38.EnPharaozeide: O Vorsten! ik wist niet, dat gij een anderen god buiten mij bezat20. Daarom oHamanbrand mij klei tot steenen en bouw mij een hoogen toren21, opdat ik tot den God vanMozesmoge opstijgen: want waarlijk, ik houd hem voor een leugenaar.39.En hij, zoowel als zijn leger, gedroegen zich onbeschaamd en onrechtvaardig op de aarde, en verbeeldden zich, dat zij niet voor ons zouden worden gebracht, om gericht te worden.40.Daarom grepen wij hem en zijn heir en wierpen hem in zee. Onthoudt dus wat het einde der onrechtvaardigen was.41.En wij gaven hun bedriegelijke goden, die hunne volgers tot de hel uitnoodigden, en op den dag des oordeels zullen zij tegen de straf niet beschut worden.42.Wij vervolgenhen met een vloek in dit leven en, op den dag der opstanding zullen zij met schande worden verworpen.43.En wij gaven aanMozeshet boek der wet, nadat wij de vroegere geslachten hadden verdelgd, om de harten der menschen te waarschuwen, en tot eene leiding en tot eene genade, opdat zij wellicht zouden nadenken.44.Gij, o profeet, waart niet in de westerzijde van den bergSinaï, toen wijMozeszijnen last overgaven; ook waart gij geen van hen, die tegenwoordig waren toen hij haar ontving.45.Maar wij deden vele geslachten naMozes’ opstaan en hun leven werd verlengd. Gij hebt niet onder de bewoners vanMadiangewoond, om hen onze teekenen te herinneren; maar wij hebben u in ieder opzicht volkomen onderricht.46.Ook waart gij niet aan de zijde van den berg tegenwoordig, toen wijMozesriepen: maar gij zijt gezonden uit genade van uwen Heer opdat gij zoudt prediken voor een volk, tot hetwelk voor u nog geen prediker was gekomen22, opdat zij gewaarschuwd zouden worden.47.En opdat, indien een ramp over hen zou zijn gekomen, om hetgeen hunne handen voor bedachtelijk hebben bedreven, zij niet zouden zeggen: O Heer! is het ons niet te vergeven, nu gij geen gezant tot ons hebt gezonden, opdat wij uwe teekenen zouden volgen en ware geloovigen worden?48.Maar indien de waarheid van ons tot hen komt, zeggen zij: Indien hij niet dezelfde macht alsMozesontvangt om wonderen te bewerken, zullen wij niet gelooven. Hebben zij niet evenzoo de openbaring verworpen, die vroeger aanMozeswerd gegeven? Zij zeggen: Twee listige bedriegerijen23hebben elkander wederkeerig ondersteund: en zij zeggen: Waarlijk wij verwerpen die beide.49.Zeg: Toon dan een boek van God, dat beter is dan deze twee, opdat ik het volge, indien gij de waarheid spreekt,50.Maar indien zij u geen antwoord geven, weet dan, dat zij slechts hunne eigene begeerten volgen, en wie dwaalt sterker van de waarheid af dan hij, die zonder eene leiding van God zijne eigene begeerte volgt? Waarlijk, God leidt de onrechtvaardigen niet.51.En thans hebben wij ons woord tot hen doen komen, opdat zij gewaarschuwd zouden zijn.52.Zij aan wie wij de schriften hebben gegeven, welke voor hen werden geopenbaard, gelooven daarin.53.En als deze hun worden voorgelezen, zeggen zij: Wij gelooven daarin: het is zekerlijk de waarheid van onzen Heer; waarlijk wij waren Moslems voor zij tot ons kwamen.54.Dezen zullen hunne belooning tweemaal ontvangen24, omdat zij hebben volhard en het kwaad door het goede afwenden en aalmoezen uitdeelen van datgene wat wijhun hebben geschonken.55.En die, op het hooren van ijdele gesprekken, deze ontwijken en zeggen: Wij hebben onze werken en gij hebt uwe werken. Vrede zij over u25! wij zoeken niet naar betrekkingen met den onwetende.56.Waarlijk, gij kunt niet leiden wien gij wilt; maar God leidt wien hem behaagt, en hij weet het beste, wie zich onderwerpen wil om geleid te worden.57.De bewoners vanMekkazeggen: Indien wij dezelfde richting als gij volgen, zullen wij gewelddadig uit ons land gedreven worden26. Hebben wij geene zekere wijkplaats voor hen opgericht27, waarheen vruchten van allerlei soort heenvloeien, als een bewijs onzer goedheid. Maar het grootste deel hunner begrijpt het niet.58.Hoe vele steden hebben wij verwoest, wier bewoners in gemak en overvloed leefden? en hunne woningen zijn na hen niet bewoond, uitgenomen voor een korten tijd28, en wij waren de erfgenamen hunner welvaart29.59.Maar uw Heer verwoestte deze steden niet, dan nadat hij een profeet naar de hoofdstad had gezonden, om hun onze teekenen te herinneren. Ook verwoestten wij die steden niet, dan nadat de inwoners hunnen profeet hadden mishandeld.60.De dingen, die u gegeven zijn, zijn de genietingen van het tegenwoordige leven en zijne pracht; maar datgene, wat met God is, is beter en duurzamer. Wilt gij dit niet begrijpen.61.Zal hij dus, aan wien wij eene uitnemende belofte van toekomstig geluk hebben gedaan, en die deze zal ontvangen, gelijk staan met hem, wien wij de genietingen van dit leven hebben geschonken, doch die, op den dag der opstanding, een van hen zal wezen, die aan de eeuwige straf zullen worden overgeleverd?62.Op dien dag zal God tot hen komen en zeggen: Waar zijn mijne deelgenooten die, naar uwe gedachten met mij zijn?63.En zij, over wie het vonnis der verdoemenis rechtvaardig zal geveld zijn, zullen zeggen: Deze, o Heer, zijn het, welke wij hebbenverleid; wij verleidden hen, zoo als wij werden verleid, maar nu verlaten wij hen geheel en wenden ons tot u. Zij aanbaden niet ons maar hunne eigene hartstochten30.64.En tot de afgodendienaars zal gezegd worden: Roept hen thans aan, welke gij met God vereenigt; en zij zullen hen aanroepen; maar deze zullen hun niet antwoorden; en zij zullen de voor hen gereed gemaakte straf zien, zij zullen wenschen, dat zij zich hadden onderworpen om geleid te worden.65.Op dien dag zal God tot hen komen en zeggen: Welk antwoord hebt gij aan onze gezanten gegeven?66.Maar zij zullen niet in staat zijn daarvan op dien dag rekenschap te geven31. Ook zullen zij geen ander om verlichting vragen.67.Zij echter die berouw gevoelen, gelooven en doen zullen wat recht is, mogen verwachten gelukkig te zijn.68.Uw Heer schept naar zijn welbehagen en kiest vrijelijk; maar zij (de valsche goden) hebben geene vrije keuze. Geloofd zij God, en verre zij hij verwijderd van de afgoden welke zij met hem vereenigen.69.Uw Heer kent zoowel de geheime boosaardigheid welke zij in hunne borst verbergen, als den openbaren haat dien zij ontdekken.70.Hij is God; er is geen God buiten hem. Hem zij de lof, zoowel in dit leven als in het volgende. Hem behoort het oordeel, en voor hem zult gij op den jongsten dag worden verzameld.71.Zeg: denkt gij? Indien God u met eeuwigen nacht wilde bedekken tot op den dag der opstanding welke god, buiten God zou u dan licht brengen? Wilt gij dus niet luisteren.72.Zeg: Wat denkt gij? Indien God u aanhoudend dag gaf, tot den dag der opstanding, welke god, buiten God, zou u dan nacht brengen, opdat gij daarin zoudt kunnen rusten? Wilt gij dus niet overwegen?73.In zijne genade heeft hij den nacht voor u gemaakt, opdat gij daarin zoudt rusten, en den dag, opdat gij gedurende dezen zoudt trachten door uwen arbeid, voorraad voor u zelven van zijn overvloed te verkrijgen, en dat gij dankbaar zoudt zijn.74.Op een zekeren dag zal God hen oproepen en zal zeggen: Waar zijn mijne deelgenooten, van welke gij u verbeeldt, dat zij de goddelijke macht met mij deelen?75.En wij zullen een getuige uit ieder volk nemen32en zeggen: Brengt hier uw bewijs voor hetgeen gij hebt gezegd. En zij zullen weten, dat de waarheid bij God alleen is; en de godheden welke zij uitgedacht hebben, zullen hen verlaten.76.Karoenbehoorde tot het volk vanMozes33, maarhij gedroeg zich onbeschaamd omtrent zijne stamgenooten, want wij hadden hem zoo veel schats gegeven, dat het dragen zijner sleutels onderscheidene sterke mannen vorderde34. Toen zijn volk tot hem zeide: Praal niet buitensporig; want God bemint dengene niet, die overmatig op hunne rijkdommen bogen.77.Maar tracht door dewelvaart, welke God u gegeven heeft, de toekomstige verblijfplaats van het paradijs te verkrijgen35. Vergeet uw aandeel niet in deze wereld, maar wees goed omtrent anderen zoo als God goed omtrent u was, en tracht niet snood op aarde te handelen; want God bemint de snoodaards niet.78.Hij antwoordde: Ik heb deze rijkdommen slechts ontvangen, om de kennis, die met mij is. Wist hij niet, dat God vóór hem reeds onderscheiden geslachten had vernietigd, die machtiger dan hij in sterkte waren en grooteren overvloed van rijkdommen hadden verzameld? En den zondaren zal niet gevraagd worden, hunne misdaden te ontdekken.79.EnKaroenging met zijne pracht onder zijn volk voort36. En zij die het tegenwoordig leven beminden, zeiden: O! hadden wij denzelfden rijkdom, als die aanKaroenwerd gegeven. Waarlijk, hij is meester van groote schatten.80.Maar zij, aan welke verstand werd geschonken,antwoordden: Ongelukkigen die gij zijt! de belooning van God in het volgende leven zal beter wezen voor hem, die gelooven en goede werken doen zal; maar niemand zal die erlangen dan zij, die met vastberadenheid volharden.81.Wij spleten den grond, om hem en zijn paleis te verzwelgen, en zijne knechten konden hem niet redden en hij werd van de straf niet verlost.82.Den volgenden ochtend zeiden zij, die den vorigen dag zijnen toestand hadden benijd: Ja! waarlijk, God schenkt eene overvloedige belooning aan dengeen die hem behaagt; en hij is spaarzaam naar zijn welbehagen. Indien God niet genadig omtrent ons ware geweest, waarlijk, de aarde zoude ons mede hebben verzwolgen. Ja! de ongeloovigen zullen geen voorspoed hebben.83.Wat het toekomstige verblijf van het paradijs betreft, wij zullen het hun geven, die trachten, zich op aarde niet te buiten te gaan, of slecht te handelen; want eene gelukkige ontknooping wacht alleen den godvruchtige.84.Wie goed doet, zal eene belooning ontvangen, die de verdienste daarvan zal overtreffen; maar wat hen betreft, die snood handelen, deze zullen slechts vergolden worden, overeenkomstig datgene wat zij zullen hebben verricht.85.Waarlijk, hij die u den Koran heeft gegeven, als een gids voor het geloof en het leven, zal u zeker naarMekkaterugbrengen37. Zeg: Mijn Heer weet het beste, wie met een ware leiding komt en wie in eene duidelijke dwaling verkeert.86.Gij hebt niet verwacht, dat u het boek van den Koran zou worden geschonken; maar gij hebt het door de genade van uwen Heer ontvangen. Ondersteunt de ongeloovigen dus niet.87.Laten zij u ook niet afwenden van Gods teekenen, nadat die u zijn nedergezonden, en noodig de menschen tot uwen Heer uit, en wees geen afgodendienaar.88.Roep nimmer een anderen god te zamen met den waren God aan; er is geen god buiten hem. Ieder ding zal vergaan, behalve hijzelf. Hem behoort het oordeel, en voor hem zult gij op den jongsten dag worden verzameld.1De titel van dit hoofdstuk is ontleend aanvers 26, waarMozesgezegd wordt degeschiedenisvan zijne lotgevallen aanShoaibte hebben verhaald. Voor de aanvangletters zieHoofdstuk XXVI, vers 1, noot.2Sommigen zonderen hiervanvers 25uit.3Zijnde: òf in gedeelten, opdat zij beter zijne bevelen zouden kunnen vernemen en de diensten verrichten, welke hij van hen eischte, òf in tegenover elkander staande partijen, teneinde te voorkomen, dat zij iets tegen hem zouden ondernemen, om zich van zijne tirannie te verlossen.4Namelijk de Israëlieten.5ZieHoofdstuk XXVI, vers 59.6Deze naam is aanPharaoseersten minister gegeven, van waar algemeen de gevolgtrekking wordt gemaakt, datMahomethierHamanop het oog heeft den gunsteling vanAhasveros, koning vanPerzië, en die onbetwistbaar vele jaren naMozesleefde, in plaats van een tijdgenoot diens profeet te zijn. Maar hoe klaarblijkelijk deze dwaling ons moge schijnen, zou het toch zeer moeielijk, zoo niet onmogelijk zijn, een Mahomedaan daarvan te overtuigen, daar twee personen denzelfden naam kunnen dragen (ZieReland,de Rel. Moham.p. 217.).7Men verhaalt dat de vroedvrouw, die de Hebreeuwsche vrouw verloste, verschrikt werd door een licht, dat bijMozes’geboorte tusschen zijne oogen verscheen. Zij kreeg eene buitengewone gehechtheid voor het kind, en ontdekte het niet aan de beambten, zoodat zijne moeder hem in haar huis hield en hem drie maanden voedde, waarna het haar onmogelijk was, hem langer te bewaren, daar de koning toen bevelen gaf, de opsporingen nauwkeuriger te doen plaats hebben (Al Beidâwi, zie de noten opHoofdstuk XX, vers 39).8Deze plotselinge gehechtheid of bewondering werd in hen veroorzaakt òf door zijne ongewone schoonheid, òf door licht dat op zijn voorhoofd scheen, òf omdat, toen zij den korf openden, zij bevonden, dat hij op zijn duim zoog, die hem van melk voorzag. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).9ZieHoofdstuk XX, vers 41.10Zijnde: Des middags; tegen welken tijd het in die streken de gewoonte is, dat men een slaapje doet, of, zooals anderen veronderstellen, meer tegen den avond.11Zijnde de een, een Israëliet, van zijn eigen godsdienst en zijn eigen volk, en de andere een afgodendienende Egyptenaar.12Mahometneemt aan, datMozesden Egyptenaar onrechtvaardig doodde, maar om het te verontschuldigen, vooronderstelt hij dat hij hem sloeg zonder de bedoeling te hebben hem te dooden.13Sommigen veronderstellen dat deze woorden door den Israëliet werden gezegd, die omdatMozeshem had berispt, zich verbeeldde, dat hij gekomen was om hem te slaan; en anderen door den Egyptenaar, die wist of verdenking had, datMozesden vorigen dag zijn landgenoot had doen omkomen.14Deze persoon, zegt de overlevering, was een Egyptenaar en de zoon vanPharaosoom, maar een waar geloovige, die, wetende dat de koning onderricht was van hetgeenMozeshad bedreven, en bepaald had, dat hij ter dood zou gebracht worden, hem onmiddellijk daarvan kennis gaf, om zich door de vlucht te kunnen redden.15Door een steen van een bijzonder groot gewicht weg te rollen, die door de schaapherders op den mond der bron was gelegd, en niet minder dan zeven (anderen noemen een nog grooter getal) mannen, vereischte om verplaatst te worden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Interd.Yahya).16Toen de vader aan het meisje vroeg, hoe zijMozesdie getuigenis kon geven, verhaalde zij hem, dat hij den bovenvermelden grooten steen zonder eenige hulp had verplaatst, en dat hij haar niet aangezien, maar zijn hoofd nedergebogen had gehouden, tot hij hare boodschap had gehoord, en dat hij had verlangd, dat zij achter hem zou loopen, daar de wind hare kleederen eenigszins in wanorde bracht, waardoor een gedeelte harer beenen werd ontbloot, (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Interd.Yahya).17Zijnde den langsten termijn, van tien jaren. De Mahomedanen zeggen, datMozesvanShoaibden staf der profeten ontving (die in een myrtentak uit het paradijs bestond, en vanAdamtot op hem was gekomen), ten einde de wilde dieren van zijne schapen af te houden, en dat dit de staf was, waarmede hij al de wonderen inEgyptevolvoerde.18ZieHoofdstuk XX, vers 8.19Letterlijk: uw vleugel: deze uitdrukking zinspeelt op de beweging der vogelen die hunne vleugels uitslaan om weg te vliegen, wanneer zij verschrikt zijn, en die weder samenvouwen, al zij zich zeker achten.20ZieHoofdstuk XXVI, vers 28.21Men zegt datHaman, na de steenen en andere materialen te hebben gereed gemaakt, niet minder dan vijftig duizend man, behalve de arbeiders, voor het gebouw gebruikte, dat zij tot zulk eene reusachtige hoogte optrokken, dat de werkman er niet langer op kon staan.Pharaobeklom daarop dien toren en wierp eene speer naar den hemel, die met bloed bevlekt terugviel, waarop hij godlasterend snoefde, dat hij den God vanMozeshad gedood. Maar bij zonsondergang zond God den engelGabriël, die met eene streek van zijn vleugel den toren omverwierp, waarvan een gedeelte op het leger des konings viel en een millioen menschen doodde (Al Zamakhshari.)22Dat is tot de Arabieren; tot welke nog geen profeet gezonden was; ten minste niet naIsmaël.23Zijnde de Pentateuchus en de Koran. Sommige afschriften lezen hier: twee bedriegers:MozesenMahomet, bedoelende.24Omdat zij niet alleen in hunne eigene schriften, maar ook aan den Koran hebben geloofd.25ZieHoofdstuk XXV, vers 64, noot.26Deze tegenwerping werd dooral Hareth Ebn Othman Ebn Nawfal Ebn Abd Menafgemaakt, die totMahometkwam en hem vertelde, dat de Koreïshieten geloofden, dat hij de waarheid predikte, maar vreesden, dat indien zij de Arabieren tot hunne vijanden maakten, door hunnen godsdienst te verlaten, zij ook genoodzaakt zouden zijnMekkate verlaten, daar zij slechts een handvol personen uitmaakten in vergelijking van de geheele natie (Al Beidâwi).27Door hun het geheiligde grondgebied vanMekkatot woonplaats te geven; eene plaats door God beschermd en door den mensch vereerd.28Dat is: voor een dag of slechts eenige uren, terwijl de reizigers zich daar ophouden, om uit te rusten en zich te verfrisschen, of, zoo als het oorspronkelijke mede kan beteekenen:tenzij door eenige inwoners, daar eenige dier oude steden en woonplaatsen zeer vervallen en andere schaars bewoond zijn.29Daar niemand werd overgelaten om daarvan na hen te genieten.30ZieHoofdstuk X, vers 29.31Letterlijk: De rekenschap daarvan zal duister voor hen wezen; want de verwarring, waaraan zij dan onderhevig zijn, zal hen verstompt en ongeschikt maken om antwoord te geven.32Zijnde de profeet, die aan ieder volk zal zijn gezonden.33De uitleggers zeggen, datKaroende zoon vanYeshar(ofIzhar) was, de oom vanMozes, en maken hem tot denzelfden als denKorahder schriften. Deze persoon wordt door hen voorgesteld, als de schoonste der Israëlieten, die hen zoozeer in rijkdom overtrof, dat derijkdom overtrof, dat de rijkdommen vanKaroentot een spreekwoord werden. De Mahomedanen verhalen, dat hij een groot paleis bouwde met goud bedekt, welks deuren van massief goud waren. Zij voegen er bij, dat hij door zijne reusachtige rijkdommen zoo onbeschaamd werd, dat hij een opstand tegenMozesberaamde. Sommigen beweren echter, dat de aanleiding zijner weerspannigheid in zijne onwilligheid lag om aalmoezen te geven, gelijkMozeshad bevolen. Eens toenMozestot het volk predikte en, onder andere wetten welke hij openbaarde, ook zeide, dat overspeligen zouden worden gesteenigd, vroegKaroenhem, wat er zou gebeuren, indien hij aan dezelfde misdaad werd schuldig bevonden?Mozesantwoordde, dat hij dan dezelfde straf zou ondergaan. Daarop brachtKaroeneene ontuchtige vrouw voor den dag, welke hij gehuurd had om te zweren, datMozeshaar had beslapen, waarvan hij hem in het openbaar beschuldigde.Mozesbezwoer daarop de vrouw de waarheid te zeggen, waardoor zij van haar voornemen terugkwam en beleed, dat zij doorKaroenwas omgekocht om hem valsch te beschuldigen. Daarop deed God aanMozesweten, die zich bij hem over het gebeurde had beklaagd, dat hij van de aarde zou vragen wat hem behaagde, en dat die hem zou gehoorzamen, waarop hij zeide: O aarde! verzwelg hem! De aarde opende zich nu onmiddellijk onderKaroenen zijne bondgenooten, en verzwolg hen met zijn paleis en al zijnerijkdommen(Abu’lfeda,Jallalo’ddin,Al Beidâwi, enz.).34Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk een getal personen van tien tot veertig. Sommigen beweren, dat deze sleutels zeventig man vereischten.Abu’lfedazegt dat men veertig muilezels gebruikte, om die te vervoeren.35Deze plaats komt overeen met Luc. XVI : 9.36Men zegt, dat hij op een witten muilezel reed, die met gouden tuig was versierd; dat hij in purper was gekleed, en door vier duizend wel gewapende en rijk gekleede mannen gevolgd werd.37Sommigen zeggen, dat dit vers aanMahometwerd geopenbaard, toen hij op zijne vlucht vanMekkanaarMedinateJohfaaankwam, ten einde hem gerust te stellen en zijne klachten te stillen.

Acht en Twintigste Hoofdstuk.De Geschiedenis (of de Lotgevallen)1.Geopenbaard te Mekka2.—88 verzen.

Geopenbaard te Mekka2.—88 verzen.

Geopenbaard te Mekka2.—88 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.T. S. M. Dit zijn de teekens van het duidelijke boek.2.Wij willen u, oMahomet! sommige gedeelten van de geschiedenis vanMozesenPharao, met waarheid opzeggen, ten behoeve van hen, die gelooven.3.Pharaoverhief zich in het landEgypte, en hij deed zijn volk in afdeelingen splitsen3: hij verdrukte één gedeelte van hen4, door hunne kinderen te dooden en hunne vrouwelijke kinderen te laten leven; want hij was een verdrukker.4.En het behaagde ons genadig te zijn nopens de zwakken van het land, en hen tot toonbeelden van godsdienst te maken, en tot erfgenamen van de welvaart vanPharaoen zijn volk5;5.En om eene plaats voor hen op de aarde te vestigen, enPharaoenHaman6en hunne strijdkrachten de vernietiging van hun koninkrijk en van hun volk te vertoonen, welke zij trachtten te vermijden.6.En wij leidden de moedervanMozesdoor openbaring, zeggende: Zoog hem, en indien gij voor hem vreest werp hem in de rivier; vrees dan niet meer en wees niet bedroefd; want wij zullen hem u teruggeven en zullen hem tot een onzer gezanten aanwijzen7.7.En toen zij het kind in het korfje gelegd en het in de rivier geworpen had, nam het gezin vanPharaohem op, terwijl de Voorzienigheid wilde, dat hij een vijand en eene droefheid voor hen zou worden. WaarlijkPharaoenHamanen hunne krijgers waren zondaren.8.En de vrouw vanPharaozeide: Dit kind is een vermaak voor het oog, zoowel voor u als voor mij8: dood hem niet; misschien kan het gebeuren, dat hij ons van dienst zij; of laten wij hem tot onzen zoon aannemen. En zij voorzagen de gevolgen niet van hetgeen zij deden.9.En het hart der moeder vanMozeswerd met vrees vervuld, en zij zou bijkans zijne afkomst hebben ontdekt, hadden wij haar hart niet met standvastigheid gewapend, opdat zij een van hen zou wezen, die Gods beloften gelooven.10.En zij zeide tot zijne zuster: Volghem. En zij bespiedde hem op een afstand en de anderen bemerkten het niet.11.Wij stonden hem niet toe, de borsten der minnen te nemen, welke verschaft waren, alvorens zijne zuster kwam9en zeide: Zal ik u tot eene min brengen die hem voor u zoogen en zorg voor hem dragen zal? En, op hunne begeerte bracht zij zijne moeder tot hen.12.Zoo gaven wij hem aan zijne moeder terug, opdat zij zich weder zou troosten en opdat zij niet bedroefd zou worden, en opdat zij weten zou, dat de belofte van God waar was; maar het grootste deel der menschen kent de waarheid niet.13.En toenMozeszijn ouderdom van rijpheid had bereikt en tot een volwassen mensch was geworden, schonken wij hem wijsheid en kennis; zoo beloonen wij den deugdzame.14.En hij ging in de stad op een tijdstip, dat de bewoners daarvan niet opletten, wat er in de straat gebeurt10, en hij vond daar twee mannen, die met elkandervochten: de een behoorde tot zijne vijanden11. En hij die tot zijn volk behoorde, riep zijne hulp in tegen hem, die tot de tegenpartij behoorde, enMozessloeg hem met de vuist en doodde hem; maar daar hij bedroefd was om hetgeen er geschied was, zeide hij: Dit is het werk van den duivel12; want, hij is een verleider en een openbare vijand.15.En hij zeide: O Heer! waarlijk, ik heb mijne eigene ziel mishandeld; vergeef mij dus. Zoo vergaf God hem: want hij is vergevensgezind en barmhartig.16.Hij zeide: O Heer! bij de gunsten waarmede gij mij hebt begiftigd, ik zal in het vervolg de zondaren niet ondersteunen.17.En den volgenden ochtend was hij bevreesd in de stad, en toen zag hij om zich heen, als vreesde hij gevaar; en ziet, hij dien hij den vorigen dag had bijgestaan, riep hem toe hem ten tweeden male te helpen.MaarMozeszeide tot hem: Gij zijt een krakeelzuchtige.18.En toen hij hem, die een vijand van hen beide was, trachtte te grijpen, zeide hij: OMozes! wilt gij mij dooden, zooals gij gisteren een man hebt gedood?13Gij tracht slechts een verdrukker op aarde te wezen, en zoekt niet een bijlegger van twisten te zijn.19.Een zeker man14kwam uit een ander deel der stad haastig aanloopen en zeide: OMozes! waarlijk, de overheden beraadslagen nopens u, om u ter dood te brengen. Vertrek dus: waarlijk, ik raad u wel.20.Daarom verliet hij de stad in groote vrees, dan eens naar dezen, dan weder naar genen weg ziende, of men hem ook vervolgde. En hij zeide: O Heer! verlos mij van de onrechtvaardigen.21.En toen hij naarMadianreisde, zeide hij: Misschien wil mijn Heer mij op den rechten weg leiden.22.Toen hij aan den bron vanMadianwas aangekomen, vond hij, nabij haar, een gezelschap van mannen, die bezig waren hunne kudden te drenken.23.Bij hen vond hij twee vrouwen, die hare schapen op eenigen afstand hielden. En hij zeide tot haar: Wat doet gij hier? Zij antwoordden: Wij zullen onze kudden niet drenken, dan nadat de schaapherders de hunne zullen hebben weggedreven; want onze vader is een achtingswaardig man van hoogen ouderdom.24.Daarop drenkteMozeshare schapen voor haar15en leidde die daarna in de schaduw, zeggende: O Heer! waarlijk, mij ontbreekt het goede, dat gij mij hebt doen ontmoeten.25.Een der meisjes kwam tot hem, beschaamd aantredende en zeide: Mijn vader roept u, opdat hij u zou mogen beloonen voor de moeite welke gij hebt genomen, door onze schapen voor ons te drenken. En toen hij totShoaibgekomen was en hem de geschiedenis zijner lotgevallen had verteld, zeide hij tot hem: Vrees niet, gij zijt den onrechtvaardige ontkomen.26.En een der meisjes zeide: Mijn vader, neem dien man, tegen bepaald loon in dienst; de beste dienaar dien gij kunt huren is een geschikt en trouw persoon16.27.EnShoaibzeide totMozes: Waarlijk, ik wil u eene van deze mijne twee dochters ten huwelijk geven, op voorwaarde, dat gij mij gedurende acht jaren zult dienen, en het ligt geheel aan u, mij tien jaren te dienen; want ik wil u geen onrecht opleggen, en zoo het Gode behaagt, zult gij bevinden, dat ik een eerlijk man ben.28.Mozesantwoordde: Aldus zij het verbond tusschen mij en u, en op welk der beide tijdstippen ik vertrek, zal er geene misdaad in wezen indien ik dan uw dienst verlaat. God is getuige van datgene, wat wij zeggen.29.En toenMozesden bepaalden tijd had bereikt17, en met zijn gezin naarEgyptereisde, zag hij vuur aan de zijde van den bergSinaï. En hij zeide tot zijn gezin: Blijft gij hier; want ik zie vuur: misschien kan ik eenige tijding van den weg brengen18, of wel een stuk brandend hout van het vuur, opdat gij verwarmd zoudt mogen worden.30.En toen hij daar kwam, riep een stem hem van de rechterzijde der vallei, op den geheiligden bodem, uit den boom aan, zeggende: OMozes! waarlijk, ik ben God, de Heer van alle schepselen.31.Werp uwen staf neder. En toen hij zag, dat de staf zich bewoog als ware het eene slang, trok hij terugen vluchtte, zonder zich om te keeren. En God zeide tot hem: OMozes! nader en vrees niet; want gij zijt in zekerheid.32.Steek uwe hand in uwen boezem en zij zal wit weder daaruit komen, zonder eenig ongemak: trek uw hand tot u terug19, welke gij uit vrees hebt uitgestoken. Dit zullen twee duidelijke teekens van uwen Heer wezen voorPharaoen zijn vorsten; want zij zijn zondaren.33.Mozeszeide: O Heer! waarlijk, ik heb een van hen gedood en ik vrees, dat zij mij ter dood zullen brengen.34.Maar mijn broederAäronheeft eene welsprekender tong dan ik; zend hem met mij, als een helper, opdat hij mij geloof doe vinden; want ik vrees dat zij mij van bedrog zullen beschuldigen.35.God zeide: Wij zullen door uwen broeder uwen arm sterken, en wij zullen ieder van u buitengewone macht geven, zoodat zij nimmer in onze teekenen tegen u zullen opmogen. Gij beiden en zij, die u zullen volgen, zullen de overwinnaars zijn.36.En toenMozesmet onze duidelijke teekenen tot hen kwam, zeiden zij: Dit is niets dan een bedriegelijk goochelstuk; nimmer hebben wij onder onze voorvaderen van iets dergelijks gehoord.37.EnMozeszeide: Mijn Heer weet het beste, wie met eene leiding van hem komt, en wie in dit, even als in het volgende leven, met een goeden uitslag zal worden bekroond; maar de onrechtvaardigen zullen geen voorspoed genieten.38.EnPharaozeide: O Vorsten! ik wist niet, dat gij een anderen god buiten mij bezat20. Daarom oHamanbrand mij klei tot steenen en bouw mij een hoogen toren21, opdat ik tot den God vanMozesmoge opstijgen: want waarlijk, ik houd hem voor een leugenaar.39.En hij, zoowel als zijn leger, gedroegen zich onbeschaamd en onrechtvaardig op de aarde, en verbeeldden zich, dat zij niet voor ons zouden worden gebracht, om gericht te worden.40.Daarom grepen wij hem en zijn heir en wierpen hem in zee. Onthoudt dus wat het einde der onrechtvaardigen was.41.En wij gaven hun bedriegelijke goden, die hunne volgers tot de hel uitnoodigden, en op den dag des oordeels zullen zij tegen de straf niet beschut worden.42.Wij vervolgenhen met een vloek in dit leven en, op den dag der opstanding zullen zij met schande worden verworpen.43.En wij gaven aanMozeshet boek der wet, nadat wij de vroegere geslachten hadden verdelgd, om de harten der menschen te waarschuwen, en tot eene leiding en tot eene genade, opdat zij wellicht zouden nadenken.44.Gij, o profeet, waart niet in de westerzijde van den bergSinaï, toen wijMozeszijnen last overgaven; ook waart gij geen van hen, die tegenwoordig waren toen hij haar ontving.45.Maar wij deden vele geslachten naMozes’ opstaan en hun leven werd verlengd. Gij hebt niet onder de bewoners vanMadiangewoond, om hen onze teekenen te herinneren; maar wij hebben u in ieder opzicht volkomen onderricht.46.Ook waart gij niet aan de zijde van den berg tegenwoordig, toen wijMozesriepen: maar gij zijt gezonden uit genade van uwen Heer opdat gij zoudt prediken voor een volk, tot hetwelk voor u nog geen prediker was gekomen22, opdat zij gewaarschuwd zouden worden.47.En opdat, indien een ramp over hen zou zijn gekomen, om hetgeen hunne handen voor bedachtelijk hebben bedreven, zij niet zouden zeggen: O Heer! is het ons niet te vergeven, nu gij geen gezant tot ons hebt gezonden, opdat wij uwe teekenen zouden volgen en ware geloovigen worden?48.Maar indien de waarheid van ons tot hen komt, zeggen zij: Indien hij niet dezelfde macht alsMozesontvangt om wonderen te bewerken, zullen wij niet gelooven. Hebben zij niet evenzoo de openbaring verworpen, die vroeger aanMozeswerd gegeven? Zij zeggen: Twee listige bedriegerijen23hebben elkander wederkeerig ondersteund: en zij zeggen: Waarlijk wij verwerpen die beide.49.Zeg: Toon dan een boek van God, dat beter is dan deze twee, opdat ik het volge, indien gij de waarheid spreekt,50.Maar indien zij u geen antwoord geven, weet dan, dat zij slechts hunne eigene begeerten volgen, en wie dwaalt sterker van de waarheid af dan hij, die zonder eene leiding van God zijne eigene begeerte volgt? Waarlijk, God leidt de onrechtvaardigen niet.51.En thans hebben wij ons woord tot hen doen komen, opdat zij gewaarschuwd zouden zijn.52.Zij aan wie wij de schriften hebben gegeven, welke voor hen werden geopenbaard, gelooven daarin.53.En als deze hun worden voorgelezen, zeggen zij: Wij gelooven daarin: het is zekerlijk de waarheid van onzen Heer; waarlijk wij waren Moslems voor zij tot ons kwamen.54.Dezen zullen hunne belooning tweemaal ontvangen24, omdat zij hebben volhard en het kwaad door het goede afwenden en aalmoezen uitdeelen van datgene wat wijhun hebben geschonken.55.En die, op het hooren van ijdele gesprekken, deze ontwijken en zeggen: Wij hebben onze werken en gij hebt uwe werken. Vrede zij over u25! wij zoeken niet naar betrekkingen met den onwetende.56.Waarlijk, gij kunt niet leiden wien gij wilt; maar God leidt wien hem behaagt, en hij weet het beste, wie zich onderwerpen wil om geleid te worden.57.De bewoners vanMekkazeggen: Indien wij dezelfde richting als gij volgen, zullen wij gewelddadig uit ons land gedreven worden26. Hebben wij geene zekere wijkplaats voor hen opgericht27, waarheen vruchten van allerlei soort heenvloeien, als een bewijs onzer goedheid. Maar het grootste deel hunner begrijpt het niet.58.Hoe vele steden hebben wij verwoest, wier bewoners in gemak en overvloed leefden? en hunne woningen zijn na hen niet bewoond, uitgenomen voor een korten tijd28, en wij waren de erfgenamen hunner welvaart29.59.Maar uw Heer verwoestte deze steden niet, dan nadat hij een profeet naar de hoofdstad had gezonden, om hun onze teekenen te herinneren. Ook verwoestten wij die steden niet, dan nadat de inwoners hunnen profeet hadden mishandeld.60.De dingen, die u gegeven zijn, zijn de genietingen van het tegenwoordige leven en zijne pracht; maar datgene, wat met God is, is beter en duurzamer. Wilt gij dit niet begrijpen.61.Zal hij dus, aan wien wij eene uitnemende belofte van toekomstig geluk hebben gedaan, en die deze zal ontvangen, gelijk staan met hem, wien wij de genietingen van dit leven hebben geschonken, doch die, op den dag der opstanding, een van hen zal wezen, die aan de eeuwige straf zullen worden overgeleverd?62.Op dien dag zal God tot hen komen en zeggen: Waar zijn mijne deelgenooten die, naar uwe gedachten met mij zijn?63.En zij, over wie het vonnis der verdoemenis rechtvaardig zal geveld zijn, zullen zeggen: Deze, o Heer, zijn het, welke wij hebbenverleid; wij verleidden hen, zoo als wij werden verleid, maar nu verlaten wij hen geheel en wenden ons tot u. Zij aanbaden niet ons maar hunne eigene hartstochten30.64.En tot de afgodendienaars zal gezegd worden: Roept hen thans aan, welke gij met God vereenigt; en zij zullen hen aanroepen; maar deze zullen hun niet antwoorden; en zij zullen de voor hen gereed gemaakte straf zien, zij zullen wenschen, dat zij zich hadden onderworpen om geleid te worden.65.Op dien dag zal God tot hen komen en zeggen: Welk antwoord hebt gij aan onze gezanten gegeven?66.Maar zij zullen niet in staat zijn daarvan op dien dag rekenschap te geven31. Ook zullen zij geen ander om verlichting vragen.67.Zij echter die berouw gevoelen, gelooven en doen zullen wat recht is, mogen verwachten gelukkig te zijn.68.Uw Heer schept naar zijn welbehagen en kiest vrijelijk; maar zij (de valsche goden) hebben geene vrije keuze. Geloofd zij God, en verre zij hij verwijderd van de afgoden welke zij met hem vereenigen.69.Uw Heer kent zoowel de geheime boosaardigheid welke zij in hunne borst verbergen, als den openbaren haat dien zij ontdekken.70.Hij is God; er is geen God buiten hem. Hem zij de lof, zoowel in dit leven als in het volgende. Hem behoort het oordeel, en voor hem zult gij op den jongsten dag worden verzameld.71.Zeg: denkt gij? Indien God u met eeuwigen nacht wilde bedekken tot op den dag der opstanding welke god, buiten God zou u dan licht brengen? Wilt gij dus niet luisteren.72.Zeg: Wat denkt gij? Indien God u aanhoudend dag gaf, tot den dag der opstanding, welke god, buiten God, zou u dan nacht brengen, opdat gij daarin zoudt kunnen rusten? Wilt gij dus niet overwegen?73.In zijne genade heeft hij den nacht voor u gemaakt, opdat gij daarin zoudt rusten, en den dag, opdat gij gedurende dezen zoudt trachten door uwen arbeid, voorraad voor u zelven van zijn overvloed te verkrijgen, en dat gij dankbaar zoudt zijn.74.Op een zekeren dag zal God hen oproepen en zal zeggen: Waar zijn mijne deelgenooten, van welke gij u verbeeldt, dat zij de goddelijke macht met mij deelen?75.En wij zullen een getuige uit ieder volk nemen32en zeggen: Brengt hier uw bewijs voor hetgeen gij hebt gezegd. En zij zullen weten, dat de waarheid bij God alleen is; en de godheden welke zij uitgedacht hebben, zullen hen verlaten.76.Karoenbehoorde tot het volk vanMozes33, maarhij gedroeg zich onbeschaamd omtrent zijne stamgenooten, want wij hadden hem zoo veel schats gegeven, dat het dragen zijner sleutels onderscheidene sterke mannen vorderde34. Toen zijn volk tot hem zeide: Praal niet buitensporig; want God bemint dengene niet, die overmatig op hunne rijkdommen bogen.77.Maar tracht door dewelvaart, welke God u gegeven heeft, de toekomstige verblijfplaats van het paradijs te verkrijgen35. Vergeet uw aandeel niet in deze wereld, maar wees goed omtrent anderen zoo als God goed omtrent u was, en tracht niet snood op aarde te handelen; want God bemint de snoodaards niet.78.Hij antwoordde: Ik heb deze rijkdommen slechts ontvangen, om de kennis, die met mij is. Wist hij niet, dat God vóór hem reeds onderscheiden geslachten had vernietigd, die machtiger dan hij in sterkte waren en grooteren overvloed van rijkdommen hadden verzameld? En den zondaren zal niet gevraagd worden, hunne misdaden te ontdekken.79.EnKaroenging met zijne pracht onder zijn volk voort36. En zij die het tegenwoordig leven beminden, zeiden: O! hadden wij denzelfden rijkdom, als die aanKaroenwerd gegeven. Waarlijk, hij is meester van groote schatten.80.Maar zij, aan welke verstand werd geschonken,antwoordden: Ongelukkigen die gij zijt! de belooning van God in het volgende leven zal beter wezen voor hem, die gelooven en goede werken doen zal; maar niemand zal die erlangen dan zij, die met vastberadenheid volharden.81.Wij spleten den grond, om hem en zijn paleis te verzwelgen, en zijne knechten konden hem niet redden en hij werd van de straf niet verlost.82.Den volgenden ochtend zeiden zij, die den vorigen dag zijnen toestand hadden benijd: Ja! waarlijk, God schenkt eene overvloedige belooning aan dengeen die hem behaagt; en hij is spaarzaam naar zijn welbehagen. Indien God niet genadig omtrent ons ware geweest, waarlijk, de aarde zoude ons mede hebben verzwolgen. Ja! de ongeloovigen zullen geen voorspoed hebben.83.Wat het toekomstige verblijf van het paradijs betreft, wij zullen het hun geven, die trachten, zich op aarde niet te buiten te gaan, of slecht te handelen; want eene gelukkige ontknooping wacht alleen den godvruchtige.84.Wie goed doet, zal eene belooning ontvangen, die de verdienste daarvan zal overtreffen; maar wat hen betreft, die snood handelen, deze zullen slechts vergolden worden, overeenkomstig datgene wat zij zullen hebben verricht.85.Waarlijk, hij die u den Koran heeft gegeven, als een gids voor het geloof en het leven, zal u zeker naarMekkaterugbrengen37. Zeg: Mijn Heer weet het beste, wie met een ware leiding komt en wie in eene duidelijke dwaling verkeert.86.Gij hebt niet verwacht, dat u het boek van den Koran zou worden geschonken; maar gij hebt het door de genade van uwen Heer ontvangen. Ondersteunt de ongeloovigen dus niet.87.Laten zij u ook niet afwenden van Gods teekenen, nadat die u zijn nedergezonden, en noodig de menschen tot uwen Heer uit, en wees geen afgodendienaar.88.Roep nimmer een anderen god te zamen met den waren God aan; er is geen god buiten hem. Ieder ding zal vergaan, behalve hijzelf. Hem behoort het oordeel, en voor hem zult gij op den jongsten dag worden verzameld.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1.T. S. M. Dit zijn de teekens van het duidelijke boek.2.Wij willen u, oMahomet! sommige gedeelten van de geschiedenis vanMozesenPharao, met waarheid opzeggen, ten behoeve van hen, die gelooven.3.Pharaoverhief zich in het landEgypte, en hij deed zijn volk in afdeelingen splitsen3: hij verdrukte één gedeelte van hen4, door hunne kinderen te dooden en hunne vrouwelijke kinderen te laten leven; want hij was een verdrukker.4.En het behaagde ons genadig te zijn nopens de zwakken van het land, en hen tot toonbeelden van godsdienst te maken, en tot erfgenamen van de welvaart vanPharaoen zijn volk5;5.En om eene plaats voor hen op de aarde te vestigen, enPharaoenHaman6en hunne strijdkrachten de vernietiging van hun koninkrijk en van hun volk te vertoonen, welke zij trachtten te vermijden.6.En wij leidden de moedervanMozesdoor openbaring, zeggende: Zoog hem, en indien gij voor hem vreest werp hem in de rivier; vrees dan niet meer en wees niet bedroefd; want wij zullen hem u teruggeven en zullen hem tot een onzer gezanten aanwijzen7.7.En toen zij het kind in het korfje gelegd en het in de rivier geworpen had, nam het gezin vanPharaohem op, terwijl de Voorzienigheid wilde, dat hij een vijand en eene droefheid voor hen zou worden. WaarlijkPharaoenHamanen hunne krijgers waren zondaren.8.En de vrouw vanPharaozeide: Dit kind is een vermaak voor het oog, zoowel voor u als voor mij8: dood hem niet; misschien kan het gebeuren, dat hij ons van dienst zij; of laten wij hem tot onzen zoon aannemen. En zij voorzagen de gevolgen niet van hetgeen zij deden.9.En het hart der moeder vanMozeswerd met vrees vervuld, en zij zou bijkans zijne afkomst hebben ontdekt, hadden wij haar hart niet met standvastigheid gewapend, opdat zij een van hen zou wezen, die Gods beloften gelooven.10.En zij zeide tot zijne zuster: Volghem. En zij bespiedde hem op een afstand en de anderen bemerkten het niet.11.Wij stonden hem niet toe, de borsten der minnen te nemen, welke verschaft waren, alvorens zijne zuster kwam9en zeide: Zal ik u tot eene min brengen die hem voor u zoogen en zorg voor hem dragen zal? En, op hunne begeerte bracht zij zijne moeder tot hen.12.Zoo gaven wij hem aan zijne moeder terug, opdat zij zich weder zou troosten en opdat zij niet bedroefd zou worden, en opdat zij weten zou, dat de belofte van God waar was; maar het grootste deel der menschen kent de waarheid niet.13.En toenMozeszijn ouderdom van rijpheid had bereikt en tot een volwassen mensch was geworden, schonken wij hem wijsheid en kennis; zoo beloonen wij den deugdzame.14.En hij ging in de stad op een tijdstip, dat de bewoners daarvan niet opletten, wat er in de straat gebeurt10, en hij vond daar twee mannen, die met elkandervochten: de een behoorde tot zijne vijanden11. En hij die tot zijn volk behoorde, riep zijne hulp in tegen hem, die tot de tegenpartij behoorde, enMozessloeg hem met de vuist en doodde hem; maar daar hij bedroefd was om hetgeen er geschied was, zeide hij: Dit is het werk van den duivel12; want, hij is een verleider en een openbare vijand.15.En hij zeide: O Heer! waarlijk, ik heb mijne eigene ziel mishandeld; vergeef mij dus. Zoo vergaf God hem: want hij is vergevensgezind en barmhartig.16.Hij zeide: O Heer! bij de gunsten waarmede gij mij hebt begiftigd, ik zal in het vervolg de zondaren niet ondersteunen.17.En den volgenden ochtend was hij bevreesd in de stad, en toen zag hij om zich heen, als vreesde hij gevaar; en ziet, hij dien hij den vorigen dag had bijgestaan, riep hem toe hem ten tweeden male te helpen.MaarMozeszeide tot hem: Gij zijt een krakeelzuchtige.18.En toen hij hem, die een vijand van hen beide was, trachtte te grijpen, zeide hij: OMozes! wilt gij mij dooden, zooals gij gisteren een man hebt gedood?13Gij tracht slechts een verdrukker op aarde te wezen, en zoekt niet een bijlegger van twisten te zijn.19.Een zeker man14kwam uit een ander deel der stad haastig aanloopen en zeide: OMozes! waarlijk, de overheden beraadslagen nopens u, om u ter dood te brengen. Vertrek dus: waarlijk, ik raad u wel.20.Daarom verliet hij de stad in groote vrees, dan eens naar dezen, dan weder naar genen weg ziende, of men hem ook vervolgde. En hij zeide: O Heer! verlos mij van de onrechtvaardigen.21.En toen hij naarMadianreisde, zeide hij: Misschien wil mijn Heer mij op den rechten weg leiden.22.Toen hij aan den bron vanMadianwas aangekomen, vond hij, nabij haar, een gezelschap van mannen, die bezig waren hunne kudden te drenken.23.Bij hen vond hij twee vrouwen, die hare schapen op eenigen afstand hielden. En hij zeide tot haar: Wat doet gij hier? Zij antwoordden: Wij zullen onze kudden niet drenken, dan nadat de schaapherders de hunne zullen hebben weggedreven; want onze vader is een achtingswaardig man van hoogen ouderdom.24.Daarop drenkteMozeshare schapen voor haar15en leidde die daarna in de schaduw, zeggende: O Heer! waarlijk, mij ontbreekt het goede, dat gij mij hebt doen ontmoeten.25.Een der meisjes kwam tot hem, beschaamd aantredende en zeide: Mijn vader roept u, opdat hij u zou mogen beloonen voor de moeite welke gij hebt genomen, door onze schapen voor ons te drenken. En toen hij totShoaibgekomen was en hem de geschiedenis zijner lotgevallen had verteld, zeide hij tot hem: Vrees niet, gij zijt den onrechtvaardige ontkomen.26.En een der meisjes zeide: Mijn vader, neem dien man, tegen bepaald loon in dienst; de beste dienaar dien gij kunt huren is een geschikt en trouw persoon16.27.EnShoaibzeide totMozes: Waarlijk, ik wil u eene van deze mijne twee dochters ten huwelijk geven, op voorwaarde, dat gij mij gedurende acht jaren zult dienen, en het ligt geheel aan u, mij tien jaren te dienen; want ik wil u geen onrecht opleggen, en zoo het Gode behaagt, zult gij bevinden, dat ik een eerlijk man ben.28.Mozesantwoordde: Aldus zij het verbond tusschen mij en u, en op welk der beide tijdstippen ik vertrek, zal er geene misdaad in wezen indien ik dan uw dienst verlaat. God is getuige van datgene, wat wij zeggen.29.En toenMozesden bepaalden tijd had bereikt17, en met zijn gezin naarEgyptereisde, zag hij vuur aan de zijde van den bergSinaï. En hij zeide tot zijn gezin: Blijft gij hier; want ik zie vuur: misschien kan ik eenige tijding van den weg brengen18, of wel een stuk brandend hout van het vuur, opdat gij verwarmd zoudt mogen worden.30.En toen hij daar kwam, riep een stem hem van de rechterzijde der vallei, op den geheiligden bodem, uit den boom aan, zeggende: OMozes! waarlijk, ik ben God, de Heer van alle schepselen.31.Werp uwen staf neder. En toen hij zag, dat de staf zich bewoog als ware het eene slang, trok hij terugen vluchtte, zonder zich om te keeren. En God zeide tot hem: OMozes! nader en vrees niet; want gij zijt in zekerheid.32.Steek uwe hand in uwen boezem en zij zal wit weder daaruit komen, zonder eenig ongemak: trek uw hand tot u terug19, welke gij uit vrees hebt uitgestoken. Dit zullen twee duidelijke teekens van uwen Heer wezen voorPharaoen zijn vorsten; want zij zijn zondaren.33.Mozeszeide: O Heer! waarlijk, ik heb een van hen gedood en ik vrees, dat zij mij ter dood zullen brengen.34.Maar mijn broederAäronheeft eene welsprekender tong dan ik; zend hem met mij, als een helper, opdat hij mij geloof doe vinden; want ik vrees dat zij mij van bedrog zullen beschuldigen.35.God zeide: Wij zullen door uwen broeder uwen arm sterken, en wij zullen ieder van u buitengewone macht geven, zoodat zij nimmer in onze teekenen tegen u zullen opmogen. Gij beiden en zij, die u zullen volgen, zullen de overwinnaars zijn.36.En toenMozesmet onze duidelijke teekenen tot hen kwam, zeiden zij: Dit is niets dan een bedriegelijk goochelstuk; nimmer hebben wij onder onze voorvaderen van iets dergelijks gehoord.37.EnMozeszeide: Mijn Heer weet het beste, wie met eene leiding van hem komt, en wie in dit, even als in het volgende leven, met een goeden uitslag zal worden bekroond; maar de onrechtvaardigen zullen geen voorspoed genieten.38.EnPharaozeide: O Vorsten! ik wist niet, dat gij een anderen god buiten mij bezat20. Daarom oHamanbrand mij klei tot steenen en bouw mij een hoogen toren21, opdat ik tot den God vanMozesmoge opstijgen: want waarlijk, ik houd hem voor een leugenaar.39.En hij, zoowel als zijn leger, gedroegen zich onbeschaamd en onrechtvaardig op de aarde, en verbeeldden zich, dat zij niet voor ons zouden worden gebracht, om gericht te worden.40.Daarom grepen wij hem en zijn heir en wierpen hem in zee. Onthoudt dus wat het einde der onrechtvaardigen was.41.En wij gaven hun bedriegelijke goden, die hunne volgers tot de hel uitnoodigden, en op den dag des oordeels zullen zij tegen de straf niet beschut worden.42.Wij vervolgenhen met een vloek in dit leven en, op den dag der opstanding zullen zij met schande worden verworpen.43.En wij gaven aanMozeshet boek der wet, nadat wij de vroegere geslachten hadden verdelgd, om de harten der menschen te waarschuwen, en tot eene leiding en tot eene genade, opdat zij wellicht zouden nadenken.44.Gij, o profeet, waart niet in de westerzijde van den bergSinaï, toen wijMozeszijnen last overgaven; ook waart gij geen van hen, die tegenwoordig waren toen hij haar ontving.45.Maar wij deden vele geslachten naMozes’ opstaan en hun leven werd verlengd. Gij hebt niet onder de bewoners vanMadiangewoond, om hen onze teekenen te herinneren; maar wij hebben u in ieder opzicht volkomen onderricht.46.Ook waart gij niet aan de zijde van den berg tegenwoordig, toen wijMozesriepen: maar gij zijt gezonden uit genade van uwen Heer opdat gij zoudt prediken voor een volk, tot hetwelk voor u nog geen prediker was gekomen22, opdat zij gewaarschuwd zouden worden.47.En opdat, indien een ramp over hen zou zijn gekomen, om hetgeen hunne handen voor bedachtelijk hebben bedreven, zij niet zouden zeggen: O Heer! is het ons niet te vergeven, nu gij geen gezant tot ons hebt gezonden, opdat wij uwe teekenen zouden volgen en ware geloovigen worden?48.Maar indien de waarheid van ons tot hen komt, zeggen zij: Indien hij niet dezelfde macht alsMozesontvangt om wonderen te bewerken, zullen wij niet gelooven. Hebben zij niet evenzoo de openbaring verworpen, die vroeger aanMozeswerd gegeven? Zij zeggen: Twee listige bedriegerijen23hebben elkander wederkeerig ondersteund: en zij zeggen: Waarlijk wij verwerpen die beide.49.Zeg: Toon dan een boek van God, dat beter is dan deze twee, opdat ik het volge, indien gij de waarheid spreekt,50.Maar indien zij u geen antwoord geven, weet dan, dat zij slechts hunne eigene begeerten volgen, en wie dwaalt sterker van de waarheid af dan hij, die zonder eene leiding van God zijne eigene begeerte volgt? Waarlijk, God leidt de onrechtvaardigen niet.51.En thans hebben wij ons woord tot hen doen komen, opdat zij gewaarschuwd zouden zijn.52.Zij aan wie wij de schriften hebben gegeven, welke voor hen werden geopenbaard, gelooven daarin.53.En als deze hun worden voorgelezen, zeggen zij: Wij gelooven daarin: het is zekerlijk de waarheid van onzen Heer; waarlijk wij waren Moslems voor zij tot ons kwamen.54.Dezen zullen hunne belooning tweemaal ontvangen24, omdat zij hebben volhard en het kwaad door het goede afwenden en aalmoezen uitdeelen van datgene wat wijhun hebben geschonken.55.En die, op het hooren van ijdele gesprekken, deze ontwijken en zeggen: Wij hebben onze werken en gij hebt uwe werken. Vrede zij over u25! wij zoeken niet naar betrekkingen met den onwetende.56.Waarlijk, gij kunt niet leiden wien gij wilt; maar God leidt wien hem behaagt, en hij weet het beste, wie zich onderwerpen wil om geleid te worden.57.De bewoners vanMekkazeggen: Indien wij dezelfde richting als gij volgen, zullen wij gewelddadig uit ons land gedreven worden26. Hebben wij geene zekere wijkplaats voor hen opgericht27, waarheen vruchten van allerlei soort heenvloeien, als een bewijs onzer goedheid. Maar het grootste deel hunner begrijpt het niet.58.Hoe vele steden hebben wij verwoest, wier bewoners in gemak en overvloed leefden? en hunne woningen zijn na hen niet bewoond, uitgenomen voor een korten tijd28, en wij waren de erfgenamen hunner welvaart29.59.Maar uw Heer verwoestte deze steden niet, dan nadat hij een profeet naar de hoofdstad had gezonden, om hun onze teekenen te herinneren. Ook verwoestten wij die steden niet, dan nadat de inwoners hunnen profeet hadden mishandeld.60.De dingen, die u gegeven zijn, zijn de genietingen van het tegenwoordige leven en zijne pracht; maar datgene, wat met God is, is beter en duurzamer. Wilt gij dit niet begrijpen.61.Zal hij dus, aan wien wij eene uitnemende belofte van toekomstig geluk hebben gedaan, en die deze zal ontvangen, gelijk staan met hem, wien wij de genietingen van dit leven hebben geschonken, doch die, op den dag der opstanding, een van hen zal wezen, die aan de eeuwige straf zullen worden overgeleverd?62.Op dien dag zal God tot hen komen en zeggen: Waar zijn mijne deelgenooten die, naar uwe gedachten met mij zijn?63.En zij, over wie het vonnis der verdoemenis rechtvaardig zal geveld zijn, zullen zeggen: Deze, o Heer, zijn het, welke wij hebbenverleid; wij verleidden hen, zoo als wij werden verleid, maar nu verlaten wij hen geheel en wenden ons tot u. Zij aanbaden niet ons maar hunne eigene hartstochten30.64.En tot de afgodendienaars zal gezegd worden: Roept hen thans aan, welke gij met God vereenigt; en zij zullen hen aanroepen; maar deze zullen hun niet antwoorden; en zij zullen de voor hen gereed gemaakte straf zien, zij zullen wenschen, dat zij zich hadden onderworpen om geleid te worden.65.Op dien dag zal God tot hen komen en zeggen: Welk antwoord hebt gij aan onze gezanten gegeven?66.Maar zij zullen niet in staat zijn daarvan op dien dag rekenschap te geven31. Ook zullen zij geen ander om verlichting vragen.67.Zij echter die berouw gevoelen, gelooven en doen zullen wat recht is, mogen verwachten gelukkig te zijn.68.Uw Heer schept naar zijn welbehagen en kiest vrijelijk; maar zij (de valsche goden) hebben geene vrije keuze. Geloofd zij God, en verre zij hij verwijderd van de afgoden welke zij met hem vereenigen.69.Uw Heer kent zoowel de geheime boosaardigheid welke zij in hunne borst verbergen, als den openbaren haat dien zij ontdekken.70.Hij is God; er is geen God buiten hem. Hem zij de lof, zoowel in dit leven als in het volgende. Hem behoort het oordeel, en voor hem zult gij op den jongsten dag worden verzameld.71.Zeg: denkt gij? Indien God u met eeuwigen nacht wilde bedekken tot op den dag der opstanding welke god, buiten God zou u dan licht brengen? Wilt gij dus niet luisteren.72.Zeg: Wat denkt gij? Indien God u aanhoudend dag gaf, tot den dag der opstanding, welke god, buiten God, zou u dan nacht brengen, opdat gij daarin zoudt kunnen rusten? Wilt gij dus niet overwegen?73.In zijne genade heeft hij den nacht voor u gemaakt, opdat gij daarin zoudt rusten, en den dag, opdat gij gedurende dezen zoudt trachten door uwen arbeid, voorraad voor u zelven van zijn overvloed te verkrijgen, en dat gij dankbaar zoudt zijn.74.Op een zekeren dag zal God hen oproepen en zal zeggen: Waar zijn mijne deelgenooten, van welke gij u verbeeldt, dat zij de goddelijke macht met mij deelen?75.En wij zullen een getuige uit ieder volk nemen32en zeggen: Brengt hier uw bewijs voor hetgeen gij hebt gezegd. En zij zullen weten, dat de waarheid bij God alleen is; en de godheden welke zij uitgedacht hebben, zullen hen verlaten.76.Karoenbehoorde tot het volk vanMozes33, maarhij gedroeg zich onbeschaamd omtrent zijne stamgenooten, want wij hadden hem zoo veel schats gegeven, dat het dragen zijner sleutels onderscheidene sterke mannen vorderde34. Toen zijn volk tot hem zeide: Praal niet buitensporig; want God bemint dengene niet, die overmatig op hunne rijkdommen bogen.77.Maar tracht door dewelvaart, welke God u gegeven heeft, de toekomstige verblijfplaats van het paradijs te verkrijgen35. Vergeet uw aandeel niet in deze wereld, maar wees goed omtrent anderen zoo als God goed omtrent u was, en tracht niet snood op aarde te handelen; want God bemint de snoodaards niet.78.Hij antwoordde: Ik heb deze rijkdommen slechts ontvangen, om de kennis, die met mij is. Wist hij niet, dat God vóór hem reeds onderscheiden geslachten had vernietigd, die machtiger dan hij in sterkte waren en grooteren overvloed van rijkdommen hadden verzameld? En den zondaren zal niet gevraagd worden, hunne misdaden te ontdekken.79.EnKaroenging met zijne pracht onder zijn volk voort36. En zij die het tegenwoordig leven beminden, zeiden: O! hadden wij denzelfden rijkdom, als die aanKaroenwerd gegeven. Waarlijk, hij is meester van groote schatten.80.Maar zij, aan welke verstand werd geschonken,antwoordden: Ongelukkigen die gij zijt! de belooning van God in het volgende leven zal beter wezen voor hem, die gelooven en goede werken doen zal; maar niemand zal die erlangen dan zij, die met vastberadenheid volharden.81.Wij spleten den grond, om hem en zijn paleis te verzwelgen, en zijne knechten konden hem niet redden en hij werd van de straf niet verlost.82.Den volgenden ochtend zeiden zij, die den vorigen dag zijnen toestand hadden benijd: Ja! waarlijk, God schenkt eene overvloedige belooning aan dengeen die hem behaagt; en hij is spaarzaam naar zijn welbehagen. Indien God niet genadig omtrent ons ware geweest, waarlijk, de aarde zoude ons mede hebben verzwolgen. Ja! de ongeloovigen zullen geen voorspoed hebben.83.Wat het toekomstige verblijf van het paradijs betreft, wij zullen het hun geven, die trachten, zich op aarde niet te buiten te gaan, of slecht te handelen; want eene gelukkige ontknooping wacht alleen den godvruchtige.84.Wie goed doet, zal eene belooning ontvangen, die de verdienste daarvan zal overtreffen; maar wat hen betreft, die snood handelen, deze zullen slechts vergolden worden, overeenkomstig datgene wat zij zullen hebben verricht.85.Waarlijk, hij die u den Koran heeft gegeven, als een gids voor het geloof en het leven, zal u zeker naarMekkaterugbrengen37. Zeg: Mijn Heer weet het beste, wie met een ware leiding komt en wie in eene duidelijke dwaling verkeert.86.Gij hebt niet verwacht, dat u het boek van den Koran zou worden geschonken; maar gij hebt het door de genade van uwen Heer ontvangen. Ondersteunt de ongeloovigen dus niet.87.Laten zij u ook niet afwenden van Gods teekenen, nadat die u zijn nedergezonden, en noodig de menschen tot uwen Heer uit, en wees geen afgodendienaar.88.Roep nimmer een anderen god te zamen met den waren God aan; er is geen god buiten hem. Ieder ding zal vergaan, behalve hijzelf. Hem behoort het oordeel, en voor hem zult gij op den jongsten dag worden verzameld.

1De titel van dit hoofdstuk is ontleend aanvers 26, waarMozesgezegd wordt degeschiedenisvan zijne lotgevallen aanShoaibte hebben verhaald. Voor de aanvangletters zieHoofdstuk XXVI, vers 1, noot.2Sommigen zonderen hiervanvers 25uit.3Zijnde: òf in gedeelten, opdat zij beter zijne bevelen zouden kunnen vernemen en de diensten verrichten, welke hij van hen eischte, òf in tegenover elkander staande partijen, teneinde te voorkomen, dat zij iets tegen hem zouden ondernemen, om zich van zijne tirannie te verlossen.4Namelijk de Israëlieten.5ZieHoofdstuk XXVI, vers 59.6Deze naam is aanPharaoseersten minister gegeven, van waar algemeen de gevolgtrekking wordt gemaakt, datMahomethierHamanop het oog heeft den gunsteling vanAhasveros, koning vanPerzië, en die onbetwistbaar vele jaren naMozesleefde, in plaats van een tijdgenoot diens profeet te zijn. Maar hoe klaarblijkelijk deze dwaling ons moge schijnen, zou het toch zeer moeielijk, zoo niet onmogelijk zijn, een Mahomedaan daarvan te overtuigen, daar twee personen denzelfden naam kunnen dragen (ZieReland,de Rel. Moham.p. 217.).7Men verhaalt dat de vroedvrouw, die de Hebreeuwsche vrouw verloste, verschrikt werd door een licht, dat bijMozes’geboorte tusschen zijne oogen verscheen. Zij kreeg eene buitengewone gehechtheid voor het kind, en ontdekte het niet aan de beambten, zoodat zijne moeder hem in haar huis hield en hem drie maanden voedde, waarna het haar onmogelijk was, hem langer te bewaren, daar de koning toen bevelen gaf, de opsporingen nauwkeuriger te doen plaats hebben (Al Beidâwi, zie de noten opHoofdstuk XX, vers 39).8Deze plotselinge gehechtheid of bewondering werd in hen veroorzaakt òf door zijne ongewone schoonheid, òf door licht dat op zijn voorhoofd scheen, òf omdat, toen zij den korf openden, zij bevonden, dat hij op zijn duim zoog, die hem van melk voorzag. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).9ZieHoofdstuk XX, vers 41.10Zijnde: Des middags; tegen welken tijd het in die streken de gewoonte is, dat men een slaapje doet, of, zooals anderen veronderstellen, meer tegen den avond.11Zijnde de een, een Israëliet, van zijn eigen godsdienst en zijn eigen volk, en de andere een afgodendienende Egyptenaar.12Mahometneemt aan, datMozesden Egyptenaar onrechtvaardig doodde, maar om het te verontschuldigen, vooronderstelt hij dat hij hem sloeg zonder de bedoeling te hebben hem te dooden.13Sommigen veronderstellen dat deze woorden door den Israëliet werden gezegd, die omdatMozeshem had berispt, zich verbeeldde, dat hij gekomen was om hem te slaan; en anderen door den Egyptenaar, die wist of verdenking had, datMozesden vorigen dag zijn landgenoot had doen omkomen.14Deze persoon, zegt de overlevering, was een Egyptenaar en de zoon vanPharaosoom, maar een waar geloovige, die, wetende dat de koning onderricht was van hetgeenMozeshad bedreven, en bepaald had, dat hij ter dood zou gebracht worden, hem onmiddellijk daarvan kennis gaf, om zich door de vlucht te kunnen redden.15Door een steen van een bijzonder groot gewicht weg te rollen, die door de schaapherders op den mond der bron was gelegd, en niet minder dan zeven (anderen noemen een nog grooter getal) mannen, vereischte om verplaatst te worden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Interd.Yahya).16Toen de vader aan het meisje vroeg, hoe zijMozesdie getuigenis kon geven, verhaalde zij hem, dat hij den bovenvermelden grooten steen zonder eenige hulp had verplaatst, en dat hij haar niet aangezien, maar zijn hoofd nedergebogen had gehouden, tot hij hare boodschap had gehoord, en dat hij had verlangd, dat zij achter hem zou loopen, daar de wind hare kleederen eenigszins in wanorde bracht, waardoor een gedeelte harer beenen werd ontbloot, (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Interd.Yahya).17Zijnde den langsten termijn, van tien jaren. De Mahomedanen zeggen, datMozesvanShoaibden staf der profeten ontving (die in een myrtentak uit het paradijs bestond, en vanAdamtot op hem was gekomen), ten einde de wilde dieren van zijne schapen af te houden, en dat dit de staf was, waarmede hij al de wonderen inEgyptevolvoerde.18ZieHoofdstuk XX, vers 8.19Letterlijk: uw vleugel: deze uitdrukking zinspeelt op de beweging der vogelen die hunne vleugels uitslaan om weg te vliegen, wanneer zij verschrikt zijn, en die weder samenvouwen, al zij zich zeker achten.20ZieHoofdstuk XXVI, vers 28.21Men zegt datHaman, na de steenen en andere materialen te hebben gereed gemaakt, niet minder dan vijftig duizend man, behalve de arbeiders, voor het gebouw gebruikte, dat zij tot zulk eene reusachtige hoogte optrokken, dat de werkman er niet langer op kon staan.Pharaobeklom daarop dien toren en wierp eene speer naar den hemel, die met bloed bevlekt terugviel, waarop hij godlasterend snoefde, dat hij den God vanMozeshad gedood. Maar bij zonsondergang zond God den engelGabriël, die met eene streek van zijn vleugel den toren omverwierp, waarvan een gedeelte op het leger des konings viel en een millioen menschen doodde (Al Zamakhshari.)22Dat is tot de Arabieren; tot welke nog geen profeet gezonden was; ten minste niet naIsmaël.23Zijnde de Pentateuchus en de Koran. Sommige afschriften lezen hier: twee bedriegers:MozesenMahomet, bedoelende.24Omdat zij niet alleen in hunne eigene schriften, maar ook aan den Koran hebben geloofd.25ZieHoofdstuk XXV, vers 64, noot.26Deze tegenwerping werd dooral Hareth Ebn Othman Ebn Nawfal Ebn Abd Menafgemaakt, die totMahometkwam en hem vertelde, dat de Koreïshieten geloofden, dat hij de waarheid predikte, maar vreesden, dat indien zij de Arabieren tot hunne vijanden maakten, door hunnen godsdienst te verlaten, zij ook genoodzaakt zouden zijnMekkate verlaten, daar zij slechts een handvol personen uitmaakten in vergelijking van de geheele natie (Al Beidâwi).27Door hun het geheiligde grondgebied vanMekkatot woonplaats te geven; eene plaats door God beschermd en door den mensch vereerd.28Dat is: voor een dag of slechts eenige uren, terwijl de reizigers zich daar ophouden, om uit te rusten en zich te verfrisschen, of, zoo als het oorspronkelijke mede kan beteekenen:tenzij door eenige inwoners, daar eenige dier oude steden en woonplaatsen zeer vervallen en andere schaars bewoond zijn.29Daar niemand werd overgelaten om daarvan na hen te genieten.30ZieHoofdstuk X, vers 29.31Letterlijk: De rekenschap daarvan zal duister voor hen wezen; want de verwarring, waaraan zij dan onderhevig zijn, zal hen verstompt en ongeschikt maken om antwoord te geven.32Zijnde de profeet, die aan ieder volk zal zijn gezonden.33De uitleggers zeggen, datKaroende zoon vanYeshar(ofIzhar) was, de oom vanMozes, en maken hem tot denzelfden als denKorahder schriften. Deze persoon wordt door hen voorgesteld, als de schoonste der Israëlieten, die hen zoozeer in rijkdom overtrof, dat derijkdom overtrof, dat de rijkdommen vanKaroentot een spreekwoord werden. De Mahomedanen verhalen, dat hij een groot paleis bouwde met goud bedekt, welks deuren van massief goud waren. Zij voegen er bij, dat hij door zijne reusachtige rijkdommen zoo onbeschaamd werd, dat hij een opstand tegenMozesberaamde. Sommigen beweren echter, dat de aanleiding zijner weerspannigheid in zijne onwilligheid lag om aalmoezen te geven, gelijkMozeshad bevolen. Eens toenMozestot het volk predikte en, onder andere wetten welke hij openbaarde, ook zeide, dat overspeligen zouden worden gesteenigd, vroegKaroenhem, wat er zou gebeuren, indien hij aan dezelfde misdaad werd schuldig bevonden?Mozesantwoordde, dat hij dan dezelfde straf zou ondergaan. Daarop brachtKaroeneene ontuchtige vrouw voor den dag, welke hij gehuurd had om te zweren, datMozeshaar had beslapen, waarvan hij hem in het openbaar beschuldigde.Mozesbezwoer daarop de vrouw de waarheid te zeggen, waardoor zij van haar voornemen terugkwam en beleed, dat zij doorKaroenwas omgekocht om hem valsch te beschuldigen. Daarop deed God aanMozesweten, die zich bij hem over het gebeurde had beklaagd, dat hij van de aarde zou vragen wat hem behaagde, en dat die hem zou gehoorzamen, waarop hij zeide: O aarde! verzwelg hem! De aarde opende zich nu onmiddellijk onderKaroenen zijne bondgenooten, en verzwolg hen met zijn paleis en al zijnerijkdommen(Abu’lfeda,Jallalo’ddin,Al Beidâwi, enz.).34Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk een getal personen van tien tot veertig. Sommigen beweren, dat deze sleutels zeventig man vereischten.Abu’lfedazegt dat men veertig muilezels gebruikte, om die te vervoeren.35Deze plaats komt overeen met Luc. XVI : 9.36Men zegt, dat hij op een witten muilezel reed, die met gouden tuig was versierd; dat hij in purper was gekleed, en door vier duizend wel gewapende en rijk gekleede mannen gevolgd werd.37Sommigen zeggen, dat dit vers aanMahometwerd geopenbaard, toen hij op zijne vlucht vanMekkanaarMedinateJohfaaankwam, ten einde hem gerust te stellen en zijne klachten te stillen.

1De titel van dit hoofdstuk is ontleend aanvers 26, waarMozesgezegd wordt degeschiedenisvan zijne lotgevallen aanShoaibte hebben verhaald. Voor de aanvangletters zieHoofdstuk XXVI, vers 1, noot.

2Sommigen zonderen hiervanvers 25uit.

3Zijnde: òf in gedeelten, opdat zij beter zijne bevelen zouden kunnen vernemen en de diensten verrichten, welke hij van hen eischte, òf in tegenover elkander staande partijen, teneinde te voorkomen, dat zij iets tegen hem zouden ondernemen, om zich van zijne tirannie te verlossen.

4Namelijk de Israëlieten.

5ZieHoofdstuk XXVI, vers 59.

6Deze naam is aanPharaoseersten minister gegeven, van waar algemeen de gevolgtrekking wordt gemaakt, datMahomethierHamanop het oog heeft den gunsteling vanAhasveros, koning vanPerzië, en die onbetwistbaar vele jaren naMozesleefde, in plaats van een tijdgenoot diens profeet te zijn. Maar hoe klaarblijkelijk deze dwaling ons moge schijnen, zou het toch zeer moeielijk, zoo niet onmogelijk zijn, een Mahomedaan daarvan te overtuigen, daar twee personen denzelfden naam kunnen dragen (ZieReland,de Rel. Moham.p. 217.).

7Men verhaalt dat de vroedvrouw, die de Hebreeuwsche vrouw verloste, verschrikt werd door een licht, dat bijMozes’geboorte tusschen zijne oogen verscheen. Zij kreeg eene buitengewone gehechtheid voor het kind, en ontdekte het niet aan de beambten, zoodat zijne moeder hem in haar huis hield en hem drie maanden voedde, waarna het haar onmogelijk was, hem langer te bewaren, daar de koning toen bevelen gaf, de opsporingen nauwkeuriger te doen plaats hebben (Al Beidâwi, zie de noten opHoofdstuk XX, vers 39).

8Deze plotselinge gehechtheid of bewondering werd in hen veroorzaakt òf door zijne ongewone schoonheid, òf door licht dat op zijn voorhoofd scheen, òf omdat, toen zij den korf openden, zij bevonden, dat hij op zijn duim zoog, die hem van melk voorzag. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).

9ZieHoofdstuk XX, vers 41.

10Zijnde: Des middags; tegen welken tijd het in die streken de gewoonte is, dat men een slaapje doet, of, zooals anderen veronderstellen, meer tegen den avond.

11Zijnde de een, een Israëliet, van zijn eigen godsdienst en zijn eigen volk, en de andere een afgodendienende Egyptenaar.

12Mahometneemt aan, datMozesden Egyptenaar onrechtvaardig doodde, maar om het te verontschuldigen, vooronderstelt hij dat hij hem sloeg zonder de bedoeling te hebben hem te dooden.

13Sommigen veronderstellen dat deze woorden door den Israëliet werden gezegd, die omdatMozeshem had berispt, zich verbeeldde, dat hij gekomen was om hem te slaan; en anderen door den Egyptenaar, die wist of verdenking had, datMozesden vorigen dag zijn landgenoot had doen omkomen.

14Deze persoon, zegt de overlevering, was een Egyptenaar en de zoon vanPharaosoom, maar een waar geloovige, die, wetende dat de koning onderricht was van hetgeenMozeshad bedreven, en bepaald had, dat hij ter dood zou gebracht worden, hem onmiddellijk daarvan kennis gaf, om zich door de vlucht te kunnen redden.

15Door een steen van een bijzonder groot gewicht weg te rollen, die door de schaapherders op den mond der bron was gelegd, en niet minder dan zeven (anderen noemen een nog grooter getal) mannen, vereischte om verplaatst te worden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Interd.Yahya).

16Toen de vader aan het meisje vroeg, hoe zijMozesdie getuigenis kon geven, verhaalde zij hem, dat hij den bovenvermelden grooten steen zonder eenige hulp had verplaatst, en dat hij haar niet aangezien, maar zijn hoofd nedergebogen had gehouden, tot hij hare boodschap had gehoord, en dat hij had verlangd, dat zij achter hem zou loopen, daar de wind hare kleederen eenigszins in wanorde bracht, waardoor een gedeelte harer beenen werd ontbloot, (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Interd.Yahya).

17Zijnde den langsten termijn, van tien jaren. De Mahomedanen zeggen, datMozesvanShoaibden staf der profeten ontving (die in een myrtentak uit het paradijs bestond, en vanAdamtot op hem was gekomen), ten einde de wilde dieren van zijne schapen af te houden, en dat dit de staf was, waarmede hij al de wonderen inEgyptevolvoerde.

18ZieHoofdstuk XX, vers 8.

19Letterlijk: uw vleugel: deze uitdrukking zinspeelt op de beweging der vogelen die hunne vleugels uitslaan om weg te vliegen, wanneer zij verschrikt zijn, en die weder samenvouwen, al zij zich zeker achten.

20ZieHoofdstuk XXVI, vers 28.

21Men zegt datHaman, na de steenen en andere materialen te hebben gereed gemaakt, niet minder dan vijftig duizend man, behalve de arbeiders, voor het gebouw gebruikte, dat zij tot zulk eene reusachtige hoogte optrokken, dat de werkman er niet langer op kon staan.Pharaobeklom daarop dien toren en wierp eene speer naar den hemel, die met bloed bevlekt terugviel, waarop hij godlasterend snoefde, dat hij den God vanMozeshad gedood. Maar bij zonsondergang zond God den engelGabriël, die met eene streek van zijn vleugel den toren omverwierp, waarvan een gedeelte op het leger des konings viel en een millioen menschen doodde (Al Zamakhshari.)

22Dat is tot de Arabieren; tot welke nog geen profeet gezonden was; ten minste niet naIsmaël.

23Zijnde de Pentateuchus en de Koran. Sommige afschriften lezen hier: twee bedriegers:MozesenMahomet, bedoelende.

24Omdat zij niet alleen in hunne eigene schriften, maar ook aan den Koran hebben geloofd.

25ZieHoofdstuk XXV, vers 64, noot.

26Deze tegenwerping werd dooral Hareth Ebn Othman Ebn Nawfal Ebn Abd Menafgemaakt, die totMahometkwam en hem vertelde, dat de Koreïshieten geloofden, dat hij de waarheid predikte, maar vreesden, dat indien zij de Arabieren tot hunne vijanden maakten, door hunnen godsdienst te verlaten, zij ook genoodzaakt zouden zijnMekkate verlaten, daar zij slechts een handvol personen uitmaakten in vergelijking van de geheele natie (Al Beidâwi).

27Door hun het geheiligde grondgebied vanMekkatot woonplaats te geven; eene plaats door God beschermd en door den mensch vereerd.

28Dat is: voor een dag of slechts eenige uren, terwijl de reizigers zich daar ophouden, om uit te rusten en zich te verfrisschen, of, zoo als het oorspronkelijke mede kan beteekenen:tenzij door eenige inwoners, daar eenige dier oude steden en woonplaatsen zeer vervallen en andere schaars bewoond zijn.

29Daar niemand werd overgelaten om daarvan na hen te genieten.

30ZieHoofdstuk X, vers 29.

31Letterlijk: De rekenschap daarvan zal duister voor hen wezen; want de verwarring, waaraan zij dan onderhevig zijn, zal hen verstompt en ongeschikt maken om antwoord te geven.

32Zijnde de profeet, die aan ieder volk zal zijn gezonden.

33De uitleggers zeggen, datKaroende zoon vanYeshar(ofIzhar) was, de oom vanMozes, en maken hem tot denzelfden als denKorahder schriften. Deze persoon wordt door hen voorgesteld, als de schoonste der Israëlieten, die hen zoozeer in rijkdom overtrof, dat derijkdom overtrof, dat de rijkdommen vanKaroentot een spreekwoord werden. De Mahomedanen verhalen, dat hij een groot paleis bouwde met goud bedekt, welks deuren van massief goud waren. Zij voegen er bij, dat hij door zijne reusachtige rijkdommen zoo onbeschaamd werd, dat hij een opstand tegenMozesberaamde. Sommigen beweren echter, dat de aanleiding zijner weerspannigheid in zijne onwilligheid lag om aalmoezen te geven, gelijkMozeshad bevolen. Eens toenMozestot het volk predikte en, onder andere wetten welke hij openbaarde, ook zeide, dat overspeligen zouden worden gesteenigd, vroegKaroenhem, wat er zou gebeuren, indien hij aan dezelfde misdaad werd schuldig bevonden?Mozesantwoordde, dat hij dan dezelfde straf zou ondergaan. Daarop brachtKaroeneene ontuchtige vrouw voor den dag, welke hij gehuurd had om te zweren, datMozeshaar had beslapen, waarvan hij hem in het openbaar beschuldigde.Mozesbezwoer daarop de vrouw de waarheid te zeggen, waardoor zij van haar voornemen terugkwam en beleed, dat zij doorKaroenwas omgekocht om hem valsch te beschuldigen. Daarop deed God aanMozesweten, die zich bij hem over het gebeurde had beklaagd, dat hij van de aarde zou vragen wat hem behaagde, en dat die hem zou gehoorzamen, waarop hij zeide: O aarde! verzwelg hem! De aarde opende zich nu onmiddellijk onderKaroenen zijne bondgenooten, en verzwolg hen met zijn paleis en al zijnerijkdommen(Abu’lfeda,Jallalo’ddin,Al Beidâwi, enz.).

34Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk een getal personen van tien tot veertig. Sommigen beweren, dat deze sleutels zeventig man vereischten.Abu’lfedazegt dat men veertig muilezels gebruikte, om die te vervoeren.

35Deze plaats komt overeen met Luc. XVI : 9.

36Men zegt, dat hij op een witten muilezel reed, die met gouden tuig was versierd; dat hij in purper was gekleed, en door vier duizend wel gewapende en rijk gekleede mannen gevolgd werd.

37Sommigen zeggen, dat dit vers aanMahometwerd geopenbaard, toen hij op zijne vlucht vanMekkanaarMedinateJohfaaankwam, ten einde hem gerust te stellen en zijne klachten te stillen.

Negen en Twintigste Hoofdstuk.De Spin1.Geopenbaard teMekka2.—69 verzen.In den naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.A. L. M.3Verbeelden zich de menschen, dat het toereikend voor hen is, te zeggen: Wij gelooven, zonder dat zij beproefd zijn4.2.Wij beproefden vroeger degenen, die hun voorafgingen; want God kent zekerlijk hen die oprecht zijn, en hij zal voorzeker de leugenaars kennen.3.Denken zij, die kwaad bedrijven, dat zij ons zullen verhinderen, wraak op hen te nemen? Zij oordeelen slecht.4.Voor hen, die hopen God te ontmoeten, zal Gods bepaalde tijd zekerlijk komen, en hij hoort en weet alles.5.Wie er naar streeft, den waren godsdienst voort te planten, streeft naar het voordeel van zijne eigene ziel; want God heeft geen zijner schepselen noodig.6.En wat degene betreft, die gelooven en rechtvaardig handelen, wij zullen hunne slechte daden uitwisschen, en wij zullen hun eene belooning geven, overeenkomstig de grootste verdiensten hunner daden.7.Wij hebben den mensch bevolen, eerbiedig omtrent zijne ouders te zijn, maar indien zij trachten u over te halen, om datgene met mij te vereenigen, waarvan gij geene kennis hebt, gehoorzaam hen niet. Tot mij zult gij terugkeeren, en ik zal u verklaren wat gij gedaan hebt.8.Hen, die gelooven en rechtvaardig handelen, zullen wij zekerlijk onder de godvruchtigen het paradijs binnenleiden.9.Er zijn sommige menschen die zeggen: Wij gelooven in God; maar als zulk een voor Gods zaak wordt beproefd, schat hij de vervolging der menschen even smartelijk, als de straf van God. Als u God eenig voordeelschenkt, zeggen zij: Waarlijk wij zijn met u. Weet God dan niet wat in de borst zijner schepselen schuilt?10.Waarlijk God kent de ware geloovigen wel en hij kent de huichelaars.11.De ongeloovigen zeggen tot hen die gelooven: Volg onzen weg, en wij zullen uwe zonden dragen. Zij zullen echter geenerlei deel hunner zonden dragen; want zij zijn leugenaars.12.Maar zij zullen zekerlijk hunne eigene lasten dragen, en andere lasten buiten hunne eigene5; en zij zullen op den dag der opstanding nopens datgene onderzocht worden, wat zij valschelijk hebben uitgedacht.13.Wij zonden vroegerNoachtot zijn volk, en hij bleef duizend jaren min vijftig jaren onder hen6, en de zondvloed nam hen weg, omdat zij onrechtvaardig handelden.14.Maar wij bevrijden hen en degenen, welke met hem in de ark waren, en wij maakten die7tot een teeken voor alle schepselen.15.Wij zonden ookAbraham. Hij zeide tot zijn volk: Dient God en vreest hem; dat zal beter voor u zijn, indien gij het begrijpt. Gij aanbidt slechts afgoden naast God en denkt leugens uit.16.Waarlijk, zij welke gij naast God vereert, zijn niet in staat u het noodige te geven. Zoekt dus het noodige bij God, dient hem, en weest dankbaar; tot hem zult gij terugkeeren.17.Indien gij mij van bedrog beschuldigt, waarlijk vele volkeren vóór u hebben hunne profeten eveneens van bedrog beschuldigd, maar alleen het openbaar prediken, is den gezant als plicht opgelegd.18.Zien zij niet hoe God alle schepselen voortbrengt en die later doet herleven? Waarlijk dit is voor God gemakkelijk.19.Zeg: Ga over de aarde en zie hoe hij oorspronkelijk schepselen voortbrengt, daarna zal God hen door een nieuwe schepping doen herleven; want God is almachtig.20.Hij zal straffen naar zijn welbehagen, en hij zal genadehen voor dengeen die hem behaagt. Op den dag des oordeels zult gij voor hem worden gebracht.21.En gij zult zijn bereik niet ontkomen: noch op aarde, noch in den hemel8. Nimmer zult gij eenigen schuts of verdediger buiten God hebben.22.Wat hen betreft, die niet in Gods teekenen gelooven, of daaraan, dat zij hem bij de opstanding zullen ontmoeten, deze zullen aan mijne genade wanhopen, en voor hen is eene pijnlijke straf gereed gemaakt.23.En het antwoord van zijn volk was slechts dat zij zeiden: Doodt of verbrandt hem. Maar God redde hem van het vuur9. Waarlijk, hierin waren teekenen voor hen die geloofden.24.EnAbrahamzeide: Gij hebt afgoden naast God gekozen, uit gehechtheid aan dit leven, welke bij u bestaat: maar op den dag der opstanding zal de een uwer den ander verloochenen, en de een van u zal den ander vloeken; het hellevuur zal uw verblijf wezen, en er zal niemand zijn om u te bevrijden.25.Lotgeloofde in hem. EnAbrahamzeide: Waarlijk, ik vlucht van mijn volk naar de plaats welke mijn Heer mij heeft bevolen; want hij is de Machtige, de Wijze.26.En wij gaven hemIzaäkenJacob, en wij plaatsten onder zijne nakomelingen het geschenk der profetie en de schriften; wij gaven hem zijne belooning in deze wereld, en in de volgende zal hij een der rechtvaardigen wezen.27.Wij zonden ookLot, toen hij tot zijn volk zeide: Bedrijft gij eene zonde, welke nog geen volk voor u heeft bedreven?28.Nadert gij vol lusten de mannen; valt gij hen op de groote wegen aan10en begaat gij zonde in uwe vergaderingen11? En het antwoord van zijn volk was geen ander, dan dat zij zeiden: Doe de wraak Gods op ons nederkomen, indien gij de waarheid spreekt.29.Lotzeide: O Heer! verdedig mij tegen dit bedorven volk.30.En toen onze gezanten met goede tijdingen totAbrahamkwamen12, zeidenzij: Wij zullen zekerlijk de inwoners van deze stad verdelgen; want hare bewoners zijn zondaren.31.Abrahamantwoordde: Waarlijk,Lotwoont daar. Zij hernamen: Wij weten wel wie daarin woont; wij zullen hem en zijn gezin zekerlijk bevrijden behalve zijne vrouw: zij zal eene van degenen zijn, die achterblijven.32.En toen onze gezanten totLotkwamen, was hij bedroefd om hen, en zijn arm was onmachtig om hen te verdedigen13. Maar zij zeiden: Vrees niet en wees niet treurig; want wij zullen u en uw gezin bevrijden, behalve uwe vrouw; want zij zal eene wezen van hen, die achterblijven.33.Wij zullenzekerlijk de wraak des hemels over de bewoners dezer stad brengen, omdat zij zondaren waren34.En wij hebben daarvan een duidelijk teeken gelaten14voor hen die begrijpen willen.35.En tot de bewoners vanMadianzonden wij hunnen broederShoaib, en hij zeide tot hen: O mijn volk? dient God, verwacht den laatsten dag en zondigt niet, door snood op aarde te handelen.36.Maar zij beschuldigden hem van bedrog, waardoor een storm van den hemel15hen overviel; en des ochtends werden zij in hunne woningen dood en voorover liggende gevonden.37.En wij verdelgden ook de stammen vanAdenThamoed; en gij weet wel wat er nog van hunne woningen is overgebleven. En Satan deed hen hunne werken goed vinden en wendde hen zijwaarts van den weg der waarheid, hoewel zij doorzicht hadden.38.Ook verdelgden wijKaroen, enPharaoenHaman.Mozeskwam tot hem met duidelijke wonderen. Zij gedroegen zich echter onbeschaamd op de aarde; maar zij konden onze wraak niet ontkomen.39.Hen allen verdelgden wij in hunne zonden. Tegen sommigen hunner zonden wij een hevigen wind16, sommigen werden door een vreeselijken orkaan van den hemel verdelgd17, sommigen deden wij door de aarde verzwelgen18en sommigen van hen verdronken wij19. Nimmer was God geneigd hen onrechtvaardig te behandelen, maar zij handelden onrechtvaardig met hunne eigene zielen.40.Degenen, die andere beschermers naast God nemen, gelijken op de spinnekop, die zelve zich eene woning vervaardigt: maar het zwakste van alle huizen is zekerlijk dat van een spinnekop, indien zij dit wisten.41.God kent echter de dingen, welke zij buiten hem aanroepen, en hij is deMachtige, de Wijze.42.Deze vergelijking stellen wij den menschen voor; maar niemand verstaat die; behalve de denkende.43.God heeft de hemelen en de aarde in waarheid geschapen; waarlijk, hierin is een teeken voor de ware geloovigen.44.Herdenkt wat u van het boek des Korans werd geopenbaard, en weest standvastig in het gebed; want het gebed behoedt den mensch voor vele misdaden en voor hetgeen laakbaar is, en deherdenkingen van God is zeker een der belangrijkste plichten: God weet wat gij doet.45.Twist niet met hen die de schriften hebben ontvangen dan op de zachtste wijze20, behalve met diegene van hen, welke zich slecht tegenover u gedragen, en zeg: Wij gelooven in de openbaring, welke ons werd nedergezonden en ook in hetgeen u werd nedergezonden. Onze God en uw God is één, en hem zijn wij onderworpen.46.Zoo hebben wij u het boek van den Koran nedergezonden, en zij aan wie wij de vroegere schriften hebben gegeven, gelooven daarin; en onder deze Arabieren zijn er ook die daarin gelooven, en niemand verwerpt onze teekenen, behalve de hardnekkige ongeloovigen.47.Gij kondt geen (goddelijk) boek voor dit lezen, noch kondt gij het met uwe rechterhand schrijven. Toen zouden de tegensprekers terecht aan den goddelijken oorsprong daarvan hebben getwijfeld.48.Maar het geeft duidelijke teekens in de borst dergenen die verstand hebben ontvangen; want niemand verwerpt onze teekenen; behalve de onrechtvaardigen.49.Zij zeggen: Zoolang geen teeken van zijn Heer wordt nedergezonden, zullen wij niet gelooven. Antwoord: Teekenen zijn alleen in de macht van God, en ik ben slechts een openbaar prediker.50.Is het niet toereikend voor hen, dat wij u het boek van den Koran hebben nedergezonden om hun voorgelezen te worden? Waarlijk, hierin is eene genade en eene vermaning voor hen die gelooven.51.Zeg: God is een toereikende getuige tusschen mij en u.52.Hij kent alles wat in den hemel en op aarde is, en zij die in ijdele afgoden gelooven en God loochenen, zullen gestraft worden.53.Zij zullen van u eischen, dat gij de straf verhaast, welke zij u tarten op hen te doen nederkomen21. Indien er echter geen bepaalde tijd voor hun uitstel ware geweest, zou de straf reeds op hen zijn nedergekomen; maar zij zal hen zekerlijk plotseling overvallen, en zij zullen het niet voorzien.54.Zij eischen van u, dat gij spoedig een wraak op hen zult doen nederkomen; maar de hel zal de ongeloovigen zekerlijk omringen.55.Op een zekeren dag zal hunne straf hen plotseling overvallen; zoowel van boven hen als van onder hunne voeten zal God hun toeroepen: Proef de vergelding van hetgeen gij hebt bedreven.56.O mijne dienaren, die geloofd hebt; waarlijk, mijne aarde is ruim; dient mij dus22.57.Iedere ziel zal den dood ondergaan; daarna zult gijtot ons terug keeren.58.En wat hen betreft die geloofd en rechtvaardigheid uitgeoefend zullen hebben, wij zullen hen zekerlijk in de hoogere gedeelten van het paradijs huisvesten; rivieren zullen onder hen stroomen, en eeuwig zullen zij daar verblijven. Hoe heerlijk zal de belooning zijn van hen, die rechtvaardigheid hebben uitgeoefend!59.Die met geduld volharden en hun vertrouwen in den Heer stellen.60.Hoe vele dieren zijn er niet die voor hun voedsel niet zorgen? God is het die hen en u voorziet, en hij hoort en kent alles.61.Waarlijk, indien gij de bewoners vanMekkavraagt: Wie heeft de hemelen en de aarde geschapen, en de zon en de maan gedwongen hunnen loop te volgen? zullen zij antwoorden: God. Waarom liegen zij dan in de erkenning van andere goden?62.God voorziet diegenen zijner dienaren met overvloed welke hem behagen, en is karig omtrent hen indien het hem behaagt; want God is alwetend23.63.Waarlijk, indien gij hun vraagt: Wie zendt den regen van den hemel en verkwikt daardoor de aarde, nadat die reeds dood was? zullen zij antwoorden: God. Zeg: God zij geloofd! Maar het grootste deel hunner begrijpen niet.64.Het tegenwoordige leven is slechts een tijdverdrijf en een spel; maar het toekomstige verblijf in het paradijs is het werkelijke leven. Indien zij dit wisten, zouden zij het eerste niet boven het laatste verkiezen.65.Als zij in een schip zeilen, roepen zij God aan, en belijden hem oprechtelijk den waren godsdienst; maar als hij hen veilig aan land brengt, keeren zij tot hunnen afgodendienst terug;66.Om zich ondankbaar te betoonen voor datgene wat wij hun hebben geschonken, en opdat zij de vermaken van dit leven zouden mogen genieten; maar hierna zullen zij de ontknooping kennen.67.Zien zij niet dat wij het grondgebied vanMekkatot eene onschendbare en zekere wijkplaats hebben gemaakt, terwijl de menschen in den omtrek worden geplunderd? Gelooven zij daarom in datgene wat ijdel is, en erkennen niet Gods goedheid?68.Maar wie is onrechtvaardiger dan hij die eene logen tegen God uitdenkt, of de waarheid loochent, nadat die tot hem is gekomen? Is de hel niet het verblijf voor de ongeloovigen?69.Wie zijne uiterste pogingen aanwendt om onzen waren godsdienst voort te planten, dien zullen wij op onze wegen leiden; want God is met den rechtvaardige.1Invers 40wordt van dit insect melding gemaakt.2Sommigen beweren, dat de verzen 1–10 teMedinawerden geopenbaard en het overige gedeelte van het Hoofdstuk teMekka; anderen weder gelooven het tegenovergestelde.3ZieHoofdstuk II, vers 1, noot.4Deze plaats gispt het ongeduld van sommige der volgelingen van den profeet, veroorzaakt door de ongemakken, welke zij doorstonden in de verdediging van hunnen godsdienst en de verliezen die zij van de ongeloovigen leden, door hun aan te toonen, dat zulke rampen noodzakelijk waren om den oprechten persoon van den huichelaar, den standvastige van den twijfelende te onderscheiden. Sommigen veronderstellen, dat deze plaats werd veroorzaakt door den dood vanMahja, den slaaf vanOmar, welke in den slag vanBedrdoor een pijl gedood, en door zijne vrouw en nabestaanden diepbetreurdwerd (Al Beidâwi).5Zijnde: de schuld aan de verleiding van anderen, die gevoegd zal worden bij de schuld hunner eigene weerspannigheid, zonder de schuld dergenen te verminderen, die door hen zijn verleid.6Dit is waar, indien men het geheele leven vanNoachrekent; en volgens het beweren vanAbu’lfeda, werd hij in zijntweehonderdvijftigstejaar gezonden om te prediken en leefde hij in het geheel negenhonderdvijftig jaren: de tekst schijnt echter alleen te spreken van de jaren, welke hij doorbracht met vóór den zondvloed te prediken, daar de uitleggers veronderstellen, dat hij veel langer heeft geleefd. Sommigen zeggen, dat de geheele lengte van zijn leven duizend en vijftig jaren was; dat hem op veertigjarigen ouderdom zijne zending werd opgedragen, en dat hij zestig jaren na den zondvloed leefde (Al Beidâwi,Al Zamakshari). Anderen geven verschillende getallen op, en één vooral beweert, datNoachbijna zestienhonderd jaren leefde (Caab, opYahya).Al Beidâwizegt, dat deze omstandigheid werd vermeld, omMahomette verzekeren dat God, dieNoachzoovele jaren tegen weerspannigheid en de aanslagen der antidiluviaansche ongeloovigen had ondersteund, niet zou nalaten, hem tegen alle pogingen van de afgodendienende bewoners vanMekkaen hunne partijgangers te verdedigen.7De ark.8Zie Psalm CXXXIX : 7, enz.9ZieHoofdstuk XXI, vers 71.10Sommigen veronderstellen, dat de bewoners vanSodomde voorbijgangers plunderden en doodden; anderen dat zij hunne lichamen misbruikten.11Daar hunne bijeenkomsten tooneelen van onkuischheid en ongebondenheid waren.12ZieHoofdstuk XI, vers 72.13Zie ibid, vers 77.14Zijnde het verhaal harer vernietiging, door de gewone overlevering gemeld, of wel hare bouwvallen, of andere sporen van dit vonnis. Er wordt beweerd, dat verscheidene der steenen die op deze steden uit den hemel nedervielen, nog te zien zijn, en dat de grond waar zij stonden, verbrand en zwartachtig schijnt.15ZieHoofdstuk VII, vers 89.16Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk een wind, die het zand en de kleine steentjes voor zich uitdrijft, en waarmede de storm, of de regenbui van steenen, schijnt te worden bedoeld, dieSodomenGomorrahvernielde.17Hetgeen het einde vanAdenThamoedwas.18Zooals metKaroengeschiedde.19Zooals de ongeloovigen ten tijde vanNoachenPharaomet zijn leger.20Zijnde: zonder hevige taal en drift. Dit vers wordt algemeen verondersteld, door dat van het zwaard te zijn afgeschaft; maar sommigen denken, dat het alleen betrekking heeft op degenen, die met de Moslems in bondgenootschap zijn.21ZieHoofdstuk VI, vers 57.22Dat is: Indien gij mij niet in de eene stad of op de eene plaats kunt aanbidden, vlucht dan naar eene andere, waar gij den waren godsdienst in zekerheid kunt belijden; want de aarde is ruim genoeg, en gij zult gemakkelijk toevluchtsoorden vinden. Men zegt datMahometheeft verklaard,dat, wie om de zaak van den godsdienst vlucht al zij het ook, dat hij ééne span aflegt, het paradijs verdient, en de makker vanAbrahamen de zijnen zal wezen (Al Beidâwi).23En weet dus wie een goed en wie een slecht gebruik zijner rijkdommen zal maken.

Negen en Twintigste Hoofdstuk.De Spin1.Geopenbaard teMekka2.—69 verzen.

Geopenbaard teMekka2.—69 verzen.

Geopenbaard teMekka2.—69 verzen.

In den naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.A. L. M.3Verbeelden zich de menschen, dat het toereikend voor hen is, te zeggen: Wij gelooven, zonder dat zij beproefd zijn4.2.Wij beproefden vroeger degenen, die hun voorafgingen; want God kent zekerlijk hen die oprecht zijn, en hij zal voorzeker de leugenaars kennen.3.Denken zij, die kwaad bedrijven, dat zij ons zullen verhinderen, wraak op hen te nemen? Zij oordeelen slecht.4.Voor hen, die hopen God te ontmoeten, zal Gods bepaalde tijd zekerlijk komen, en hij hoort en weet alles.5.Wie er naar streeft, den waren godsdienst voort te planten, streeft naar het voordeel van zijne eigene ziel; want God heeft geen zijner schepselen noodig.6.En wat degene betreft, die gelooven en rechtvaardig handelen, wij zullen hunne slechte daden uitwisschen, en wij zullen hun eene belooning geven, overeenkomstig de grootste verdiensten hunner daden.7.Wij hebben den mensch bevolen, eerbiedig omtrent zijne ouders te zijn, maar indien zij trachten u over te halen, om datgene met mij te vereenigen, waarvan gij geene kennis hebt, gehoorzaam hen niet. Tot mij zult gij terugkeeren, en ik zal u verklaren wat gij gedaan hebt.8.Hen, die gelooven en rechtvaardig handelen, zullen wij zekerlijk onder de godvruchtigen het paradijs binnenleiden.9.Er zijn sommige menschen die zeggen: Wij gelooven in God; maar als zulk een voor Gods zaak wordt beproefd, schat hij de vervolging der menschen even smartelijk, als de straf van God. Als u God eenig voordeelschenkt, zeggen zij: Waarlijk wij zijn met u. Weet God dan niet wat in de borst zijner schepselen schuilt?10.Waarlijk God kent de ware geloovigen wel en hij kent de huichelaars.11.De ongeloovigen zeggen tot hen die gelooven: Volg onzen weg, en wij zullen uwe zonden dragen. Zij zullen echter geenerlei deel hunner zonden dragen; want zij zijn leugenaars.12.Maar zij zullen zekerlijk hunne eigene lasten dragen, en andere lasten buiten hunne eigene5; en zij zullen op den dag der opstanding nopens datgene onderzocht worden, wat zij valschelijk hebben uitgedacht.13.Wij zonden vroegerNoachtot zijn volk, en hij bleef duizend jaren min vijftig jaren onder hen6, en de zondvloed nam hen weg, omdat zij onrechtvaardig handelden.14.Maar wij bevrijden hen en degenen, welke met hem in de ark waren, en wij maakten die7tot een teeken voor alle schepselen.15.Wij zonden ookAbraham. Hij zeide tot zijn volk: Dient God en vreest hem; dat zal beter voor u zijn, indien gij het begrijpt. Gij aanbidt slechts afgoden naast God en denkt leugens uit.16.Waarlijk, zij welke gij naast God vereert, zijn niet in staat u het noodige te geven. Zoekt dus het noodige bij God, dient hem, en weest dankbaar; tot hem zult gij terugkeeren.17.Indien gij mij van bedrog beschuldigt, waarlijk vele volkeren vóór u hebben hunne profeten eveneens van bedrog beschuldigd, maar alleen het openbaar prediken, is den gezant als plicht opgelegd.18.Zien zij niet hoe God alle schepselen voortbrengt en die later doet herleven? Waarlijk dit is voor God gemakkelijk.19.Zeg: Ga over de aarde en zie hoe hij oorspronkelijk schepselen voortbrengt, daarna zal God hen door een nieuwe schepping doen herleven; want God is almachtig.20.Hij zal straffen naar zijn welbehagen, en hij zal genadehen voor dengeen die hem behaagt. Op den dag des oordeels zult gij voor hem worden gebracht.21.En gij zult zijn bereik niet ontkomen: noch op aarde, noch in den hemel8. Nimmer zult gij eenigen schuts of verdediger buiten God hebben.22.Wat hen betreft, die niet in Gods teekenen gelooven, of daaraan, dat zij hem bij de opstanding zullen ontmoeten, deze zullen aan mijne genade wanhopen, en voor hen is eene pijnlijke straf gereed gemaakt.23.En het antwoord van zijn volk was slechts dat zij zeiden: Doodt of verbrandt hem. Maar God redde hem van het vuur9. Waarlijk, hierin waren teekenen voor hen die geloofden.24.EnAbrahamzeide: Gij hebt afgoden naast God gekozen, uit gehechtheid aan dit leven, welke bij u bestaat: maar op den dag der opstanding zal de een uwer den ander verloochenen, en de een van u zal den ander vloeken; het hellevuur zal uw verblijf wezen, en er zal niemand zijn om u te bevrijden.25.Lotgeloofde in hem. EnAbrahamzeide: Waarlijk, ik vlucht van mijn volk naar de plaats welke mijn Heer mij heeft bevolen; want hij is de Machtige, de Wijze.26.En wij gaven hemIzaäkenJacob, en wij plaatsten onder zijne nakomelingen het geschenk der profetie en de schriften; wij gaven hem zijne belooning in deze wereld, en in de volgende zal hij een der rechtvaardigen wezen.27.Wij zonden ookLot, toen hij tot zijn volk zeide: Bedrijft gij eene zonde, welke nog geen volk voor u heeft bedreven?28.Nadert gij vol lusten de mannen; valt gij hen op de groote wegen aan10en begaat gij zonde in uwe vergaderingen11? En het antwoord van zijn volk was geen ander, dan dat zij zeiden: Doe de wraak Gods op ons nederkomen, indien gij de waarheid spreekt.29.Lotzeide: O Heer! verdedig mij tegen dit bedorven volk.30.En toen onze gezanten met goede tijdingen totAbrahamkwamen12, zeidenzij: Wij zullen zekerlijk de inwoners van deze stad verdelgen; want hare bewoners zijn zondaren.31.Abrahamantwoordde: Waarlijk,Lotwoont daar. Zij hernamen: Wij weten wel wie daarin woont; wij zullen hem en zijn gezin zekerlijk bevrijden behalve zijne vrouw: zij zal eene van degenen zijn, die achterblijven.32.En toen onze gezanten totLotkwamen, was hij bedroefd om hen, en zijn arm was onmachtig om hen te verdedigen13. Maar zij zeiden: Vrees niet en wees niet treurig; want wij zullen u en uw gezin bevrijden, behalve uwe vrouw; want zij zal eene wezen van hen, die achterblijven.33.Wij zullenzekerlijk de wraak des hemels over de bewoners dezer stad brengen, omdat zij zondaren waren34.En wij hebben daarvan een duidelijk teeken gelaten14voor hen die begrijpen willen.35.En tot de bewoners vanMadianzonden wij hunnen broederShoaib, en hij zeide tot hen: O mijn volk? dient God, verwacht den laatsten dag en zondigt niet, door snood op aarde te handelen.36.Maar zij beschuldigden hem van bedrog, waardoor een storm van den hemel15hen overviel; en des ochtends werden zij in hunne woningen dood en voorover liggende gevonden.37.En wij verdelgden ook de stammen vanAdenThamoed; en gij weet wel wat er nog van hunne woningen is overgebleven. En Satan deed hen hunne werken goed vinden en wendde hen zijwaarts van den weg der waarheid, hoewel zij doorzicht hadden.38.Ook verdelgden wijKaroen, enPharaoenHaman.Mozeskwam tot hem met duidelijke wonderen. Zij gedroegen zich echter onbeschaamd op de aarde; maar zij konden onze wraak niet ontkomen.39.Hen allen verdelgden wij in hunne zonden. Tegen sommigen hunner zonden wij een hevigen wind16, sommigen werden door een vreeselijken orkaan van den hemel verdelgd17, sommigen deden wij door de aarde verzwelgen18en sommigen van hen verdronken wij19. Nimmer was God geneigd hen onrechtvaardig te behandelen, maar zij handelden onrechtvaardig met hunne eigene zielen.40.Degenen, die andere beschermers naast God nemen, gelijken op de spinnekop, die zelve zich eene woning vervaardigt: maar het zwakste van alle huizen is zekerlijk dat van een spinnekop, indien zij dit wisten.41.God kent echter de dingen, welke zij buiten hem aanroepen, en hij is deMachtige, de Wijze.42.Deze vergelijking stellen wij den menschen voor; maar niemand verstaat die; behalve de denkende.43.God heeft de hemelen en de aarde in waarheid geschapen; waarlijk, hierin is een teeken voor de ware geloovigen.44.Herdenkt wat u van het boek des Korans werd geopenbaard, en weest standvastig in het gebed; want het gebed behoedt den mensch voor vele misdaden en voor hetgeen laakbaar is, en deherdenkingen van God is zeker een der belangrijkste plichten: God weet wat gij doet.45.Twist niet met hen die de schriften hebben ontvangen dan op de zachtste wijze20, behalve met diegene van hen, welke zich slecht tegenover u gedragen, en zeg: Wij gelooven in de openbaring, welke ons werd nedergezonden en ook in hetgeen u werd nedergezonden. Onze God en uw God is één, en hem zijn wij onderworpen.46.Zoo hebben wij u het boek van den Koran nedergezonden, en zij aan wie wij de vroegere schriften hebben gegeven, gelooven daarin; en onder deze Arabieren zijn er ook die daarin gelooven, en niemand verwerpt onze teekenen, behalve de hardnekkige ongeloovigen.47.Gij kondt geen (goddelijk) boek voor dit lezen, noch kondt gij het met uwe rechterhand schrijven. Toen zouden de tegensprekers terecht aan den goddelijken oorsprong daarvan hebben getwijfeld.48.Maar het geeft duidelijke teekens in de borst dergenen die verstand hebben ontvangen; want niemand verwerpt onze teekenen; behalve de onrechtvaardigen.49.Zij zeggen: Zoolang geen teeken van zijn Heer wordt nedergezonden, zullen wij niet gelooven. Antwoord: Teekenen zijn alleen in de macht van God, en ik ben slechts een openbaar prediker.50.Is het niet toereikend voor hen, dat wij u het boek van den Koran hebben nedergezonden om hun voorgelezen te worden? Waarlijk, hierin is eene genade en eene vermaning voor hen die gelooven.51.Zeg: God is een toereikende getuige tusschen mij en u.52.Hij kent alles wat in den hemel en op aarde is, en zij die in ijdele afgoden gelooven en God loochenen, zullen gestraft worden.53.Zij zullen van u eischen, dat gij de straf verhaast, welke zij u tarten op hen te doen nederkomen21. Indien er echter geen bepaalde tijd voor hun uitstel ware geweest, zou de straf reeds op hen zijn nedergekomen; maar zij zal hen zekerlijk plotseling overvallen, en zij zullen het niet voorzien.54.Zij eischen van u, dat gij spoedig een wraak op hen zult doen nederkomen; maar de hel zal de ongeloovigen zekerlijk omringen.55.Op een zekeren dag zal hunne straf hen plotseling overvallen; zoowel van boven hen als van onder hunne voeten zal God hun toeroepen: Proef de vergelding van hetgeen gij hebt bedreven.56.O mijne dienaren, die geloofd hebt; waarlijk, mijne aarde is ruim; dient mij dus22.57.Iedere ziel zal den dood ondergaan; daarna zult gijtot ons terug keeren.58.En wat hen betreft die geloofd en rechtvaardigheid uitgeoefend zullen hebben, wij zullen hen zekerlijk in de hoogere gedeelten van het paradijs huisvesten; rivieren zullen onder hen stroomen, en eeuwig zullen zij daar verblijven. Hoe heerlijk zal de belooning zijn van hen, die rechtvaardigheid hebben uitgeoefend!59.Die met geduld volharden en hun vertrouwen in den Heer stellen.60.Hoe vele dieren zijn er niet die voor hun voedsel niet zorgen? God is het die hen en u voorziet, en hij hoort en kent alles.61.Waarlijk, indien gij de bewoners vanMekkavraagt: Wie heeft de hemelen en de aarde geschapen, en de zon en de maan gedwongen hunnen loop te volgen? zullen zij antwoorden: God. Waarom liegen zij dan in de erkenning van andere goden?62.God voorziet diegenen zijner dienaren met overvloed welke hem behagen, en is karig omtrent hen indien het hem behaagt; want God is alwetend23.63.Waarlijk, indien gij hun vraagt: Wie zendt den regen van den hemel en verkwikt daardoor de aarde, nadat die reeds dood was? zullen zij antwoorden: God. Zeg: God zij geloofd! Maar het grootste deel hunner begrijpen niet.64.Het tegenwoordige leven is slechts een tijdverdrijf en een spel; maar het toekomstige verblijf in het paradijs is het werkelijke leven. Indien zij dit wisten, zouden zij het eerste niet boven het laatste verkiezen.65.Als zij in een schip zeilen, roepen zij God aan, en belijden hem oprechtelijk den waren godsdienst; maar als hij hen veilig aan land brengt, keeren zij tot hunnen afgodendienst terug;66.Om zich ondankbaar te betoonen voor datgene wat wij hun hebben geschonken, en opdat zij de vermaken van dit leven zouden mogen genieten; maar hierna zullen zij de ontknooping kennen.67.Zien zij niet dat wij het grondgebied vanMekkatot eene onschendbare en zekere wijkplaats hebben gemaakt, terwijl de menschen in den omtrek worden geplunderd? Gelooven zij daarom in datgene wat ijdel is, en erkennen niet Gods goedheid?68.Maar wie is onrechtvaardiger dan hij die eene logen tegen God uitdenkt, of de waarheid loochent, nadat die tot hem is gekomen? Is de hel niet het verblijf voor de ongeloovigen?69.Wie zijne uiterste pogingen aanwendt om onzen waren godsdienst voort te planten, dien zullen wij op onze wegen leiden; want God is met den rechtvaardige.

In den naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1.A. L. M.3Verbeelden zich de menschen, dat het toereikend voor hen is, te zeggen: Wij gelooven, zonder dat zij beproefd zijn4.2.Wij beproefden vroeger degenen, die hun voorafgingen; want God kent zekerlijk hen die oprecht zijn, en hij zal voorzeker de leugenaars kennen.3.Denken zij, die kwaad bedrijven, dat zij ons zullen verhinderen, wraak op hen te nemen? Zij oordeelen slecht.4.Voor hen, die hopen God te ontmoeten, zal Gods bepaalde tijd zekerlijk komen, en hij hoort en weet alles.5.Wie er naar streeft, den waren godsdienst voort te planten, streeft naar het voordeel van zijne eigene ziel; want God heeft geen zijner schepselen noodig.6.En wat degene betreft, die gelooven en rechtvaardig handelen, wij zullen hunne slechte daden uitwisschen, en wij zullen hun eene belooning geven, overeenkomstig de grootste verdiensten hunner daden.7.Wij hebben den mensch bevolen, eerbiedig omtrent zijne ouders te zijn, maar indien zij trachten u over te halen, om datgene met mij te vereenigen, waarvan gij geene kennis hebt, gehoorzaam hen niet. Tot mij zult gij terugkeeren, en ik zal u verklaren wat gij gedaan hebt.8.Hen, die gelooven en rechtvaardig handelen, zullen wij zekerlijk onder de godvruchtigen het paradijs binnenleiden.9.Er zijn sommige menschen die zeggen: Wij gelooven in God; maar als zulk een voor Gods zaak wordt beproefd, schat hij de vervolging der menschen even smartelijk, als de straf van God. Als u God eenig voordeelschenkt, zeggen zij: Waarlijk wij zijn met u. Weet God dan niet wat in de borst zijner schepselen schuilt?10.Waarlijk God kent de ware geloovigen wel en hij kent de huichelaars.11.De ongeloovigen zeggen tot hen die gelooven: Volg onzen weg, en wij zullen uwe zonden dragen. Zij zullen echter geenerlei deel hunner zonden dragen; want zij zijn leugenaars.12.Maar zij zullen zekerlijk hunne eigene lasten dragen, en andere lasten buiten hunne eigene5; en zij zullen op den dag der opstanding nopens datgene onderzocht worden, wat zij valschelijk hebben uitgedacht.13.Wij zonden vroegerNoachtot zijn volk, en hij bleef duizend jaren min vijftig jaren onder hen6, en de zondvloed nam hen weg, omdat zij onrechtvaardig handelden.14.Maar wij bevrijden hen en degenen, welke met hem in de ark waren, en wij maakten die7tot een teeken voor alle schepselen.15.Wij zonden ookAbraham. Hij zeide tot zijn volk: Dient God en vreest hem; dat zal beter voor u zijn, indien gij het begrijpt. Gij aanbidt slechts afgoden naast God en denkt leugens uit.16.Waarlijk, zij welke gij naast God vereert, zijn niet in staat u het noodige te geven. Zoekt dus het noodige bij God, dient hem, en weest dankbaar; tot hem zult gij terugkeeren.17.Indien gij mij van bedrog beschuldigt, waarlijk vele volkeren vóór u hebben hunne profeten eveneens van bedrog beschuldigd, maar alleen het openbaar prediken, is den gezant als plicht opgelegd.18.Zien zij niet hoe God alle schepselen voortbrengt en die later doet herleven? Waarlijk dit is voor God gemakkelijk.19.Zeg: Ga over de aarde en zie hoe hij oorspronkelijk schepselen voortbrengt, daarna zal God hen door een nieuwe schepping doen herleven; want God is almachtig.20.Hij zal straffen naar zijn welbehagen, en hij zal genadehen voor dengeen die hem behaagt. Op den dag des oordeels zult gij voor hem worden gebracht.21.En gij zult zijn bereik niet ontkomen: noch op aarde, noch in den hemel8. Nimmer zult gij eenigen schuts of verdediger buiten God hebben.22.Wat hen betreft, die niet in Gods teekenen gelooven, of daaraan, dat zij hem bij de opstanding zullen ontmoeten, deze zullen aan mijne genade wanhopen, en voor hen is eene pijnlijke straf gereed gemaakt.23.En het antwoord van zijn volk was slechts dat zij zeiden: Doodt of verbrandt hem. Maar God redde hem van het vuur9. Waarlijk, hierin waren teekenen voor hen die geloofden.24.EnAbrahamzeide: Gij hebt afgoden naast God gekozen, uit gehechtheid aan dit leven, welke bij u bestaat: maar op den dag der opstanding zal de een uwer den ander verloochenen, en de een van u zal den ander vloeken; het hellevuur zal uw verblijf wezen, en er zal niemand zijn om u te bevrijden.25.Lotgeloofde in hem. EnAbrahamzeide: Waarlijk, ik vlucht van mijn volk naar de plaats welke mijn Heer mij heeft bevolen; want hij is de Machtige, de Wijze.26.En wij gaven hemIzaäkenJacob, en wij plaatsten onder zijne nakomelingen het geschenk der profetie en de schriften; wij gaven hem zijne belooning in deze wereld, en in de volgende zal hij een der rechtvaardigen wezen.27.Wij zonden ookLot, toen hij tot zijn volk zeide: Bedrijft gij eene zonde, welke nog geen volk voor u heeft bedreven?28.Nadert gij vol lusten de mannen; valt gij hen op de groote wegen aan10en begaat gij zonde in uwe vergaderingen11? En het antwoord van zijn volk was geen ander, dan dat zij zeiden: Doe de wraak Gods op ons nederkomen, indien gij de waarheid spreekt.29.Lotzeide: O Heer! verdedig mij tegen dit bedorven volk.30.En toen onze gezanten met goede tijdingen totAbrahamkwamen12, zeidenzij: Wij zullen zekerlijk de inwoners van deze stad verdelgen; want hare bewoners zijn zondaren.31.Abrahamantwoordde: Waarlijk,Lotwoont daar. Zij hernamen: Wij weten wel wie daarin woont; wij zullen hem en zijn gezin zekerlijk bevrijden behalve zijne vrouw: zij zal eene van degenen zijn, die achterblijven.32.En toen onze gezanten totLotkwamen, was hij bedroefd om hen, en zijn arm was onmachtig om hen te verdedigen13. Maar zij zeiden: Vrees niet en wees niet treurig; want wij zullen u en uw gezin bevrijden, behalve uwe vrouw; want zij zal eene wezen van hen, die achterblijven.33.Wij zullenzekerlijk de wraak des hemels over de bewoners dezer stad brengen, omdat zij zondaren waren34.En wij hebben daarvan een duidelijk teeken gelaten14voor hen die begrijpen willen.35.En tot de bewoners vanMadianzonden wij hunnen broederShoaib, en hij zeide tot hen: O mijn volk? dient God, verwacht den laatsten dag en zondigt niet, door snood op aarde te handelen.36.Maar zij beschuldigden hem van bedrog, waardoor een storm van den hemel15hen overviel; en des ochtends werden zij in hunne woningen dood en voorover liggende gevonden.37.En wij verdelgden ook de stammen vanAdenThamoed; en gij weet wel wat er nog van hunne woningen is overgebleven. En Satan deed hen hunne werken goed vinden en wendde hen zijwaarts van den weg der waarheid, hoewel zij doorzicht hadden.38.Ook verdelgden wijKaroen, enPharaoenHaman.Mozeskwam tot hem met duidelijke wonderen. Zij gedroegen zich echter onbeschaamd op de aarde; maar zij konden onze wraak niet ontkomen.39.Hen allen verdelgden wij in hunne zonden. Tegen sommigen hunner zonden wij een hevigen wind16, sommigen werden door een vreeselijken orkaan van den hemel verdelgd17, sommigen deden wij door de aarde verzwelgen18en sommigen van hen verdronken wij19. Nimmer was God geneigd hen onrechtvaardig te behandelen, maar zij handelden onrechtvaardig met hunne eigene zielen.40.Degenen, die andere beschermers naast God nemen, gelijken op de spinnekop, die zelve zich eene woning vervaardigt: maar het zwakste van alle huizen is zekerlijk dat van een spinnekop, indien zij dit wisten.41.God kent echter de dingen, welke zij buiten hem aanroepen, en hij is deMachtige, de Wijze.42.Deze vergelijking stellen wij den menschen voor; maar niemand verstaat die; behalve de denkende.43.God heeft de hemelen en de aarde in waarheid geschapen; waarlijk, hierin is een teeken voor de ware geloovigen.44.Herdenkt wat u van het boek des Korans werd geopenbaard, en weest standvastig in het gebed; want het gebed behoedt den mensch voor vele misdaden en voor hetgeen laakbaar is, en deherdenkingen van God is zeker een der belangrijkste plichten: God weet wat gij doet.45.Twist niet met hen die de schriften hebben ontvangen dan op de zachtste wijze20, behalve met diegene van hen, welke zich slecht tegenover u gedragen, en zeg: Wij gelooven in de openbaring, welke ons werd nedergezonden en ook in hetgeen u werd nedergezonden. Onze God en uw God is één, en hem zijn wij onderworpen.46.Zoo hebben wij u het boek van den Koran nedergezonden, en zij aan wie wij de vroegere schriften hebben gegeven, gelooven daarin; en onder deze Arabieren zijn er ook die daarin gelooven, en niemand verwerpt onze teekenen, behalve de hardnekkige ongeloovigen.47.Gij kondt geen (goddelijk) boek voor dit lezen, noch kondt gij het met uwe rechterhand schrijven. Toen zouden de tegensprekers terecht aan den goddelijken oorsprong daarvan hebben getwijfeld.48.Maar het geeft duidelijke teekens in de borst dergenen die verstand hebben ontvangen; want niemand verwerpt onze teekenen; behalve de onrechtvaardigen.49.Zij zeggen: Zoolang geen teeken van zijn Heer wordt nedergezonden, zullen wij niet gelooven. Antwoord: Teekenen zijn alleen in de macht van God, en ik ben slechts een openbaar prediker.50.Is het niet toereikend voor hen, dat wij u het boek van den Koran hebben nedergezonden om hun voorgelezen te worden? Waarlijk, hierin is eene genade en eene vermaning voor hen die gelooven.51.Zeg: God is een toereikende getuige tusschen mij en u.52.Hij kent alles wat in den hemel en op aarde is, en zij die in ijdele afgoden gelooven en God loochenen, zullen gestraft worden.53.Zij zullen van u eischen, dat gij de straf verhaast, welke zij u tarten op hen te doen nederkomen21. Indien er echter geen bepaalde tijd voor hun uitstel ware geweest, zou de straf reeds op hen zijn nedergekomen; maar zij zal hen zekerlijk plotseling overvallen, en zij zullen het niet voorzien.54.Zij eischen van u, dat gij spoedig een wraak op hen zult doen nederkomen; maar de hel zal de ongeloovigen zekerlijk omringen.55.Op een zekeren dag zal hunne straf hen plotseling overvallen; zoowel van boven hen als van onder hunne voeten zal God hun toeroepen: Proef de vergelding van hetgeen gij hebt bedreven.56.O mijne dienaren, die geloofd hebt; waarlijk, mijne aarde is ruim; dient mij dus22.57.Iedere ziel zal den dood ondergaan; daarna zult gijtot ons terug keeren.58.En wat hen betreft die geloofd en rechtvaardigheid uitgeoefend zullen hebben, wij zullen hen zekerlijk in de hoogere gedeelten van het paradijs huisvesten; rivieren zullen onder hen stroomen, en eeuwig zullen zij daar verblijven. Hoe heerlijk zal de belooning zijn van hen, die rechtvaardigheid hebben uitgeoefend!59.Die met geduld volharden en hun vertrouwen in den Heer stellen.60.Hoe vele dieren zijn er niet die voor hun voedsel niet zorgen? God is het die hen en u voorziet, en hij hoort en kent alles.61.Waarlijk, indien gij de bewoners vanMekkavraagt: Wie heeft de hemelen en de aarde geschapen, en de zon en de maan gedwongen hunnen loop te volgen? zullen zij antwoorden: God. Waarom liegen zij dan in de erkenning van andere goden?62.God voorziet diegenen zijner dienaren met overvloed welke hem behagen, en is karig omtrent hen indien het hem behaagt; want God is alwetend23.63.Waarlijk, indien gij hun vraagt: Wie zendt den regen van den hemel en verkwikt daardoor de aarde, nadat die reeds dood was? zullen zij antwoorden: God. Zeg: God zij geloofd! Maar het grootste deel hunner begrijpen niet.64.Het tegenwoordige leven is slechts een tijdverdrijf en een spel; maar het toekomstige verblijf in het paradijs is het werkelijke leven. Indien zij dit wisten, zouden zij het eerste niet boven het laatste verkiezen.65.Als zij in een schip zeilen, roepen zij God aan, en belijden hem oprechtelijk den waren godsdienst; maar als hij hen veilig aan land brengt, keeren zij tot hunnen afgodendienst terug;66.Om zich ondankbaar te betoonen voor datgene wat wij hun hebben geschonken, en opdat zij de vermaken van dit leven zouden mogen genieten; maar hierna zullen zij de ontknooping kennen.67.Zien zij niet dat wij het grondgebied vanMekkatot eene onschendbare en zekere wijkplaats hebben gemaakt, terwijl de menschen in den omtrek worden geplunderd? Gelooven zij daarom in datgene wat ijdel is, en erkennen niet Gods goedheid?68.Maar wie is onrechtvaardiger dan hij die eene logen tegen God uitdenkt, of de waarheid loochent, nadat die tot hem is gekomen? Is de hel niet het verblijf voor de ongeloovigen?69.Wie zijne uiterste pogingen aanwendt om onzen waren godsdienst voort te planten, dien zullen wij op onze wegen leiden; want God is met den rechtvaardige.

1Invers 40wordt van dit insect melding gemaakt.2Sommigen beweren, dat de verzen 1–10 teMedinawerden geopenbaard en het overige gedeelte van het Hoofdstuk teMekka; anderen weder gelooven het tegenovergestelde.3ZieHoofdstuk II, vers 1, noot.4Deze plaats gispt het ongeduld van sommige der volgelingen van den profeet, veroorzaakt door de ongemakken, welke zij doorstonden in de verdediging van hunnen godsdienst en de verliezen die zij van de ongeloovigen leden, door hun aan te toonen, dat zulke rampen noodzakelijk waren om den oprechten persoon van den huichelaar, den standvastige van den twijfelende te onderscheiden. Sommigen veronderstellen, dat deze plaats werd veroorzaakt door den dood vanMahja, den slaaf vanOmar, welke in den slag vanBedrdoor een pijl gedood, en door zijne vrouw en nabestaanden diepbetreurdwerd (Al Beidâwi).5Zijnde: de schuld aan de verleiding van anderen, die gevoegd zal worden bij de schuld hunner eigene weerspannigheid, zonder de schuld dergenen te verminderen, die door hen zijn verleid.6Dit is waar, indien men het geheele leven vanNoachrekent; en volgens het beweren vanAbu’lfeda, werd hij in zijntweehonderdvijftigstejaar gezonden om te prediken en leefde hij in het geheel negenhonderdvijftig jaren: de tekst schijnt echter alleen te spreken van de jaren, welke hij doorbracht met vóór den zondvloed te prediken, daar de uitleggers veronderstellen, dat hij veel langer heeft geleefd. Sommigen zeggen, dat de geheele lengte van zijn leven duizend en vijftig jaren was; dat hem op veertigjarigen ouderdom zijne zending werd opgedragen, en dat hij zestig jaren na den zondvloed leefde (Al Beidâwi,Al Zamakshari). Anderen geven verschillende getallen op, en één vooral beweert, datNoachbijna zestienhonderd jaren leefde (Caab, opYahya).Al Beidâwizegt, dat deze omstandigheid werd vermeld, omMahomette verzekeren dat God, dieNoachzoovele jaren tegen weerspannigheid en de aanslagen der antidiluviaansche ongeloovigen had ondersteund, niet zou nalaten, hem tegen alle pogingen van de afgodendienende bewoners vanMekkaen hunne partijgangers te verdedigen.7De ark.8Zie Psalm CXXXIX : 7, enz.9ZieHoofdstuk XXI, vers 71.10Sommigen veronderstellen, dat de bewoners vanSodomde voorbijgangers plunderden en doodden; anderen dat zij hunne lichamen misbruikten.11Daar hunne bijeenkomsten tooneelen van onkuischheid en ongebondenheid waren.12ZieHoofdstuk XI, vers 72.13Zie ibid, vers 77.14Zijnde het verhaal harer vernietiging, door de gewone overlevering gemeld, of wel hare bouwvallen, of andere sporen van dit vonnis. Er wordt beweerd, dat verscheidene der steenen die op deze steden uit den hemel nedervielen, nog te zien zijn, en dat de grond waar zij stonden, verbrand en zwartachtig schijnt.15ZieHoofdstuk VII, vers 89.16Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk een wind, die het zand en de kleine steentjes voor zich uitdrijft, en waarmede de storm, of de regenbui van steenen, schijnt te worden bedoeld, dieSodomenGomorrahvernielde.17Hetgeen het einde vanAdenThamoedwas.18Zooals metKaroengeschiedde.19Zooals de ongeloovigen ten tijde vanNoachenPharaomet zijn leger.20Zijnde: zonder hevige taal en drift. Dit vers wordt algemeen verondersteld, door dat van het zwaard te zijn afgeschaft; maar sommigen denken, dat het alleen betrekking heeft op degenen, die met de Moslems in bondgenootschap zijn.21ZieHoofdstuk VI, vers 57.22Dat is: Indien gij mij niet in de eene stad of op de eene plaats kunt aanbidden, vlucht dan naar eene andere, waar gij den waren godsdienst in zekerheid kunt belijden; want de aarde is ruim genoeg, en gij zult gemakkelijk toevluchtsoorden vinden. Men zegt datMahometheeft verklaard,dat, wie om de zaak van den godsdienst vlucht al zij het ook, dat hij ééne span aflegt, het paradijs verdient, en de makker vanAbrahamen de zijnen zal wezen (Al Beidâwi).23En weet dus wie een goed en wie een slecht gebruik zijner rijkdommen zal maken.

1Invers 40wordt van dit insect melding gemaakt.

2Sommigen beweren, dat de verzen 1–10 teMedinawerden geopenbaard en het overige gedeelte van het Hoofdstuk teMekka; anderen weder gelooven het tegenovergestelde.

3ZieHoofdstuk II, vers 1, noot.

4Deze plaats gispt het ongeduld van sommige der volgelingen van den profeet, veroorzaakt door de ongemakken, welke zij doorstonden in de verdediging van hunnen godsdienst en de verliezen die zij van de ongeloovigen leden, door hun aan te toonen, dat zulke rampen noodzakelijk waren om den oprechten persoon van den huichelaar, den standvastige van den twijfelende te onderscheiden. Sommigen veronderstellen, dat deze plaats werd veroorzaakt door den dood vanMahja, den slaaf vanOmar, welke in den slag vanBedrdoor een pijl gedood, en door zijne vrouw en nabestaanden diepbetreurdwerd (Al Beidâwi).

5Zijnde: de schuld aan de verleiding van anderen, die gevoegd zal worden bij de schuld hunner eigene weerspannigheid, zonder de schuld dergenen te verminderen, die door hen zijn verleid.

6Dit is waar, indien men het geheele leven vanNoachrekent; en volgens het beweren vanAbu’lfeda, werd hij in zijntweehonderdvijftigstejaar gezonden om te prediken en leefde hij in het geheel negenhonderdvijftig jaren: de tekst schijnt echter alleen te spreken van de jaren, welke hij doorbracht met vóór den zondvloed te prediken, daar de uitleggers veronderstellen, dat hij veel langer heeft geleefd. Sommigen zeggen, dat de geheele lengte van zijn leven duizend en vijftig jaren was; dat hem op veertigjarigen ouderdom zijne zending werd opgedragen, en dat hij zestig jaren na den zondvloed leefde (Al Beidâwi,Al Zamakshari). Anderen geven verschillende getallen op, en één vooral beweert, datNoachbijna zestienhonderd jaren leefde (Caab, opYahya).Al Beidâwizegt, dat deze omstandigheid werd vermeld, omMahomette verzekeren dat God, dieNoachzoovele jaren tegen weerspannigheid en de aanslagen der antidiluviaansche ongeloovigen had ondersteund, niet zou nalaten, hem tegen alle pogingen van de afgodendienende bewoners vanMekkaen hunne partijgangers te verdedigen.

7De ark.

8Zie Psalm CXXXIX : 7, enz.

9ZieHoofdstuk XXI, vers 71.

10Sommigen veronderstellen, dat de bewoners vanSodomde voorbijgangers plunderden en doodden; anderen dat zij hunne lichamen misbruikten.

11Daar hunne bijeenkomsten tooneelen van onkuischheid en ongebondenheid waren.

12ZieHoofdstuk XI, vers 72.

13Zie ibid, vers 77.

14Zijnde het verhaal harer vernietiging, door de gewone overlevering gemeld, of wel hare bouwvallen, of andere sporen van dit vonnis. Er wordt beweerd, dat verscheidene der steenen die op deze steden uit den hemel nedervielen, nog te zien zijn, en dat de grond waar zij stonden, verbrand en zwartachtig schijnt.

15ZieHoofdstuk VII, vers 89.

16Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk een wind, die het zand en de kleine steentjes voor zich uitdrijft, en waarmede de storm, of de regenbui van steenen, schijnt te worden bedoeld, dieSodomenGomorrahvernielde.

17Hetgeen het einde vanAdenThamoedwas.

18Zooals metKaroengeschiedde.

19Zooals de ongeloovigen ten tijde vanNoachenPharaomet zijn leger.

20Zijnde: zonder hevige taal en drift. Dit vers wordt algemeen verondersteld, door dat van het zwaard te zijn afgeschaft; maar sommigen denken, dat het alleen betrekking heeft op degenen, die met de Moslems in bondgenootschap zijn.

21ZieHoofdstuk VI, vers 57.

22Dat is: Indien gij mij niet in de eene stad of op de eene plaats kunt aanbidden, vlucht dan naar eene andere, waar gij den waren godsdienst in zekerheid kunt belijden; want de aarde is ruim genoeg, en gij zult gemakkelijk toevluchtsoorden vinden. Men zegt datMahometheeft verklaard,dat, wie om de zaak van den godsdienst vlucht al zij het ook, dat hij ééne span aflegt, het paradijs verdient, en de makker vanAbrahamen de zijnen zal wezen (Al Beidâwi).

23En weet dus wie een goed en wie een slecht gebruik zijner rijkdommen zal maken.


Back to IndexNext