Chapter 15

1Dit hoofdstuk werd met dien naam bestempeld, omdat het hoofdzakelijk over zaken handelt met vrouwen in verband staande, zooals huwelijken, echtscheidingen, enz.2De Arabieren hadden namelijk de gewoonte, bij het vragen van iets, te zeggen: “In Gods naam, doe of zeg mij iets.”3Letterlijk vertaald, zou dit moeten zijn: de ingewanden.4Dat wil zeggen: neem niet wat gij van waarde onder hunne goederen vindt, voor uw gebruik, door daarvoor iets van mindere waarde in de plaats te geven.5De uitleggers vatten deze plaats verschillend op. De ware beteekenis schijnt de hier opgegevene te zijn.6Oorspronkelijk staat hier:Wat uwe rechterhanden hebben verworven, zijnde de bepaalde uitdrukking, om een slaaf, die men voor geld heeft gekocht, of een door den krijg verworvene aan te duiden. Uit dit vers blijkt voorts, dat slavinnen geen zoo grooten bruidschat, of zooveel van onderhoud als vrije vrouwen kostten, waardoor de man onderscheidene der eerste, even gemakkelijk als eene der laatste kon bezitten.7Het is noodig hier te doen opmerken (en deze opmerking geldt voor alle gelijkluidende plaatsen in den Koran), dat het woordsadoeka, dat gewoonlijk metbruidschatwordt vertaald, het geld is, of de voorwerpen van waarde, die de man aan de ouders der vrouw schenkt welke hij huwt. Het is dus niet de vrouw die haren man iets aanbrengt, maar de man geeft haar een bruidschat.8Met dit woord worden de minderjarige weezen bedoeld, die in staat zouden zijn een slecht gebruik van hunne erfenis te maken en haar te verspillen.9Dat is: onderzoekt of zij goed bekend zijn met de grondbeginselen van den godsdienst, en draagt voldoende zorg voor het waarnemen hunner zaken. Onder deze uitdrukking is tevens de plicht van den voogd begrepen, om zijne pupillen te onderrichten.10Of den ouderdom van rijpheid, die algemeen op vijftien jaren is bepaald; eene beslissing die door eene overlevering vanMahometwordt gestaafd.Aboe Hanofahhoudt echter den achttienjarigen ouderdom voor den geschikten (AlBeidâwi).11Zoodat zij spoedig den ouderdom zullen bereikt hebben, om alles te ontvangen wat hun toekomt.12Dat is: niet meer dan eene voldoende belooning voor de moeite, door hunne opvoeding veroorzaakt.13Dit voorschrift werd gegeven, om eene bij de afgodendienende Arabieren bestaande gewoonte af te schaffen, volgens welke vrouwen noch kinderen eenig deel van de erfenis van hunnen echtgenoot of vader mochten ontvangen, op grond dat alleen zij mochten erven, die in staat waren ten oorlog te gaan (AlBeidâwi).14Zijnde: Houdt immer het lot uwer eigene kinderen voor oogen, terwijl gij u met kinderen bezighoudt, die door anderen zijn achtergelaten; en handelt zooals gij zoudt willen dat men met de uwen handelde.15Dit is de algemeene regel, welke bij de verdeeling der nalatenschap van den overledene moet worden gevolgd, gelijk men uit de daarna opgegevene gevallen zal zien.16Of: indien er twee en niet meer zijn zullen zij hetzelfde deel ontvangen.17En het overblijvende derde gedeelte, of de overblijvende helft der nalatenschap, waarover hier niet uitdrukkelijk wordt beschikt, of wel, indien de overledene vader noch zoon achterlaat, vervalt aan de openbare schatkist. Sommigen over deze plaats van den Koran sprekende, zeggen verkeerdelijk, dat, indien er een zoon en eene eenige dochter achterblijft, ieder hunner de helft ontvangt. Wel kan de dochter de eene helft ontvangen, doch alleen in het geval dat er geen zoon achterblijft; want in gevolge van bovenstaand voorschrift, kan zij slechts een derde ontvangen, indien er een zoon achterblijft.18En zijn vader bijgevolg de twee anderen derden (AlBeidâwi).19Op deze en volgende plaatsen worden hoofdzakelijk met het woord legaten, diegene bedoeld, welke tot vrome doeleinden zijn bestemd, daar het geene gewoonte bij de Mahomedanen is, dat een persoon aan niemand anders dan aan zijn gezin en naaste betrekkingen zijn vermogen achterlaat.20Dit dient bij contract, of op eene andere, bijzondere wijze bepaald te zijn.21Hier, en in het volgende geval, ontvangen de broeder en de zuster gelijke deelen, hetgeen eene uitzondering op den algemeenen regel is, volgens welken de mannelijke erfgenaam het dubbele van de vrouwelijke ontvangt. Hiervoor wordt als reden opgegeven, de kleinheid der deelen die zulk een nauwkeurigheid in de verdeeling niet toelaat. In andere gevallen echter wordt de regel, zoowel omtrent broeder en zuster als nopens andere betrekkingen, volgehouden.22Hiermede wordt zoowel hoereeren als overspel bedoeld. Het woordnica, vrouwen, heeft hier niet strikt de beteekenis van echtgenooten: het woord, dat men gewoonlijk gebruikt om overspel aan te duiden, iszina. In het begin der invoering van het Islamismus, werd de schuldige vrouw ingemetseld; eene straf, die echter niet bij den Koran was bepaald. Men heeft dit later, voor eene ongehuwde vrouw, door zweepslagen en verbanning vervangen. Wat het overspel betreft, zoo is de overlevering, die de steeniging vorderde, door de bepalingen van den Koran (Soera XXIV, vers 2–10) vernietigd.23Men gelooft dat hiermede sodomie of pederastie wordt bedoeld. Oorspronkelijk zegt de Koran: Doe hun kwaad of schade, waaruit eenigen opmaken, dat men hen alleen in het openbaar berispen (Jallalo’ddin,Yahya,Aboe’l,Kasem Heba Tallah,Al Beidâwi), of hen met de pantoffels om het hoofd slaan moet(Jallalo’ddin,AlBeidâwi), hetgeen in het Oosten als eene groote beleediging geldt, terwijl anderen (AlBeidâwi) zeggen, dat zij gegeeseld moeten worden.24Zooals ongehoorzaamheid, ongemanierdheid en dergelijke (AlBeidâwi.)25Dat is: indien gij van een vrouw scheidt om eene andere vrouwte huwen, ontneem dan der vrouw, welke gij verlaat, de huwelijksgift van honderd dinars niet, welke zij van u heeft ontvangen.26ZieSoera II, v. 229,231,238,242.27Woordelijk: uwe moeders die u hebben gezoogd. Een der uitleggers zegt bij deze plaats: God heeft het zogen zoo zeer met het moederschap vereenzelvigd, dat hij de min moeder noemde.28Men mocht niet raken aan hetgeen reeds was geschied, en zoodoende der wet eene terugwerkende kracht geven.29Volgens deze plaats is het niet geoorloofd, eene vrije vrouw te huwen, die reeds gehuwd is, hetzij zij al of niet tot den Mahomedaanschen godsdienst behoort, behalve wanneer zij door echtscheiding wettig van haren man mocht zijn gescheiden; maar het is wettig degene te huwen, die slavinnen of in den oorlog genomen zijn, nadat zij de bijzondere zuiveringen zullen hebben ondergaan, niettegenstaande hare echtgenooten mochten leven. Volgens de beslissing vanAboe Hanifahis het nog onwettig, zulke vrouwen te huwen, wier echtgenooten gevangen genomen zijn, of, op dat tijdstip, zich tegelijk met haar in slavernij bevinden.30Dat is: Bepaal haar heuren bruidschat.31Het Arabische woordmonsanatbeteekent eigenlijk bewaardevrouwen; zijnde de vrouwen die onder de macht van een man staan en zeer ingetogen in hare manieren zijn; vrouwen van goeden huize, vrije vrouwen (Al Beidâwi).32Volgens sommigen beteekent dit: Wees tevreden met de verklaring van haar welke gij huwt, zonder heure overtuiging geweld aan te willen doen.33Zijnde alle uitAdamen hetzelfde geloof voortgekomen. (Al Beidâwi).34De reden hiervan is, dat zij verondersteld worden, geene zoo goede opvoeding te hebben genoten. Daarom ontvangt eene slavin in zulk een geval vijftig slagen en wordt zij voor een half jaar gebannen; zij wordt echter niet gesteenigd, daar dit eene straf is, die niet voor de helft kan worden opgelegd. (Al Beidâwi).35Dat is: gebruikt het niet voor dingen door God verboden, zoo als woeker, enz. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin); maar gij moogt het goed van anderen door arbeid, handel, enz. wettig bezitten.36Letterlijk; Doodt uwe zielen niet, dat is, zegtJallalo’ddin: door doodelijke zonden, of zulke misdaden te bedrijven, waardoor zij eeuwig zullen vernietigd worden. Anderen zijn echter van meening, dat zelfmoord, gelijk de ongeloovige Indianen deden en nog doen, ter eere hunner afgodsbeelden, of ook eenigen waren geloovigen het leven te benemen, door deze plaats wordt verboden (Al Beidâwi). Intusschen schijnt het begin van het vers aan te duiden, dat hier niet alleen van zelfmoord sprake kan zijn.37Al Beidâwiberekent, op grond eener overlevering vanMahomet, dat deze zonden zeven in getal zijn, en wel: afgodendienst, moord, valsche beschuldiging van eerbare vrouwen van overspel, het vermogen van weezen verspillen, woeker, desertie bij een godsdienstigen tocht en ongehoorzaamheid jegens ouders.38Dit voorschrift is overeenkomstig een oude gewoonte der Arabieren, volgens welke, indien twee personen innige vriendschap of een bondgenootschap hebben aangegaan, die overlevende vriend een zesde deel van des overledenen nalatenschap ontvangt. Dit werd echter volgensJallalo’ddinenZamakhshari, afgeschaft, ten minste wat de ongeloovigen betreft. Ook kan deze plaats zóó worden opgevat, als ware daar slechts sprake van een bijzondere verbintenis, volgens welke de overlevende een zeker deel der bezittingen van den eerst stervende ontvangt. (AlBeidâwi).39Zoowel door de bezittingen harer echtgenooten voor verlies en verwoesting te behouden, als zich zelve voor alle onkuischheid. (AlBeidâwi,Jallalo’ddin).40Dat is: Bant haar van uw bed.41Op deze plaats wordt het den Mahomedanen duidelijk geboden, hunne vrouwen te tuchtigen, in geval van halsstarrige ongehoorzaamheid, maar op geene hevige of gevaarlijke wijze (AlBeidâwi.)42Dat is: Laat de magistraten eerst twee scheidsrechters zenden: een van iedere zijde, om het verschil uit te maken, en zoo mogelijk de kwade gevolgen eener openlijke breuk te voorkomen.43Afgoden.44Die tot uw eigen volk, of uw eigen geloof behoort.45Dit heeft zoowel betrekking op de belooning, welke men wegens goede daden heeft verdiend, als op de strenge straf voor begane zonden. Integendeel zal hij eerstgenoemden in het toekomstige leven ver boven hunne verdiensten beloonen. Het Arabische woordaharra, hetwelk eigenlijk eene soort van kleine mieren is, doch hier door het woord atoom werd vertaald, wordt gebruikt om iets aan te duiden dat bijzonder klein is.46Deze wijze van reiniging wordtteimemoemgenoemd.47Ra’ina. Zie omtrent dit woordsoera II. vers 98.48Dit is: dat er slechts een zeer klein getal Joden zijn, die het Mahomedanisme hebben omhelsd.49Ziesoera II, vers 61.50Dit is de letterlijke vertaling van den tekst. Deze plaats wordt echter op twee wijzen verklaard: den verdoemden zal den hals worden omgedraaid, zoodat wat van voren was van achteren zal komen; of wel de gelaatstrekken, de mond, de neus zullen uitgewischt en geëffend worden, zooals het achtergedeelte van het hoofd is.51Woordelijk: Hij zal vergeven wat dezerzijds is. Dat is: de zonde der afgodendienst is de grootste der zeven hoofdzonden.52Dat is: De Joden en Christenen, die zich zelven de kinderen Gods en zijn bemind volk noemen. (AlBeidâwi,Jallalo’ddin).53Hier staat oorspronkelijk: inJibt(ofDjibt) enThagut. Eerstgenoemd woord wordt verondersteld de eigennaam van een afgod te zijn geweest; het schijnt echter veeleer de meer algemeene naam van een of andere valsche godheid te zijn. Van laatstgenoemd woord gaven wij reeds eene uitlegging. Ziesoera II vers 259.54Dat is: Raadpleegt den Koran, die Gods woord is.55Dat is: Voor de rechtbanken van ongeloovigen. Deze plaats is haar ontstaan aan de volgende opmerkenswaardige gebeurtenis verschuldigd. Zekere Jood had twist met een goddeloozen Mahomedaan, welke laatste de beslissing vanCoab abn el Ashraf, een voornaam Jood, en de eerste die van Mahomet inriep. Ten laatste kwamen zij echter overeen, de zaak alleen aan den profeet te onderwerpen, die haar ter gunste van den Jood uitwees: de Mahomedaan weigerde in deze beslissing te berusten, en achtte het noodig de zaak doorOmar, later Kalif, op nieuw te doen onderzoeken. Toen zij tot hem kwamen, verhaalde de jood hem, datMahometde zaak reeds te zijner gunste had beslist, maar dat de Mahomedaan zich niet aan die uitspraak wilde onderwerpen. Toen nu de Mahomedaan bekende, dat dit de waarheid was, verzochtOmarhun, even te wachten, en nadat hij zijn zwaard had getrokken, sloeg hij den halsstarrigen Mahomedaan het hoofd af, uitroepende: Dit is de belooning voor hem, die weigert zich aan de uitspraak van God en zijnen gezant te onderwerpen. Door deze daad verkreegOmarden bijnaam vanAlFarûk, hetgeen niet alleen doelt op descheidingvan des schelms hoofd van zijn lichaam, maar ook daarop dat hij leugen en waarheid van elkander wist teonderscheiden. (Jallalo’ddin,AlBeidâwi,d’Herbelot.Bibl. Orient, p. 688 enOckley,Hist. of the Sarac., p. 365.) Daarom schijnt dan ook de naam vanThaguthier aanCoab abn el Ashrafte zijn gegeven. Ziesoera II, vers 259.56Dit was namelijk de verontschuldiging der vrienden van den Mahomedaan, dienOmarhad gedood, toen zij voldoening voor diens bloed kwamen vragen. (Al Beidâwi).57Door goddeloos te handelen, en de uitspraak van ongeloovigen in te roepen.58Dat is: Weest waakzaam, en voorziet u zelven van wapenen en benoodigdheden.59Daar geen mensch het slagveld mocht verlaten, dan nadat hij als martelaar was gevallen, of eenig voordeel voor de zaak had behaald (Al Beidâwi).60Woordelijk trekt uwe handen terug, d.i. raakt geenerlei arbeid aan.61Dat is: Den natuurlijken dood.62Op deze wijze werd door velen, die niet totMahometsvolgelingen behoorden, aan hem de duurte der levensmiddelen toegeschreven, toen hij naarMedinaging, hetgeen gemakkelijk kan worden uitgelegd, door de talrijkheid der personen, die tot zijn gevolg behoorden.63Men moet deze woorden niet opvatten, als waren zij in tegenspraak met de voorafgaande: dat alles van God komt; daar het kwaad dat over de menschen komt, hoewel door God bevolen, nochtans het gevolg van hunne eigene slechte daden is.64Dat is: indien God zijnen gezant niet met den Koran had gezonden, om u in uwen tongval te onderrichten, zoudt gij in uwe afgodendienst zijn voortgegaan, en tot verderf gedoemd zijn; diegenen alleen uitgezonderd, welke door Gods gunst en hun buitengewoon begrip, ware denkbeelden der godheid zouden hebben, zooals bij voorbeeld:Zaid Ebn Amroe Ebn Nofail(zieMillium,de Mohammedanismo ante Moh.h. 311), enWaraka Ebn Nawfal, die, vóór de zending vanMahomet, de afgoden verlieten en slechts één God erkenden (AlBeidâwi).65Dit heeft betrekking op hen, dieMahometverlof vroegen, vanMedinanaar elders te gaan wonen, en die dagelijks voortgingen, tot zij afgodendienaars ontmoetten. Het oordeel der Muzelmannen was verdeeld, daar zij niet wisten, of zij die menschen als huichelaars en ongeloovigen moesten aanzien, dan wel als geloovigen, die het toeval te midden der ongeloovigen had geworpen.66Dit zijn, naar men zegt, de leden van den stam Modlaj, die totMahomettoetraden, maar niet gedwongen wilden zijn, hem in den oorlogbijte staan.67Dat is: bij ongeluk en zonder opzet. Deze plaats werd geopenbaard om het geval vanAyash Ebn Abi Rabiate beslissen, de broeder van moeders zijde vanAboe Jahl, die eensHareth Ebn Zeïddoodde, toen hij hem op den weg ontmoette, niet wetende, dat hij het Mahomedanisme, had omhelsd (AlBeidâwi).68Deze bloedprijs moet verdeeld worden ingevolge de wet der erfenissen, in het begin van dit hoofdstuk voorkomende (AlBeidâwi).69En er zal geen bloedprijs worden betaald; omdat in dit geval zijne bloedverwanten, als ongeloovigen en in verklaarden krijg met de Moslems zijnde, geen recht hebben om te erven wat hij heeft nagelaten.70Dat is: tot hij berouw gevoelt. Anderen echter meenen dat hier van geen eeuwige verdoemenis sprake is (daar, volgens de algemeene leer der Mahomedanen, niemand die tot dat geloof behoort, eeuwig in de hel zal blijven), maar alleen gedurende langen tijd (AlBeidâwi).71Het gebeurde zeer dikwijls, dat de Mahomedanen, op hunne tochten, menschen ontmoetten, die zij niet kenden, en welke zij doodden. De aanvallers zeiden, om zich te verdedigen, dat het ongeloovigen waren; terwijl zij hen slechts als ongeloovigen behandelden, om hen te berooven.72Hiermede worden de Arabieren bedoeld, die, na den Islam teMekkate hebben omhelsd, niet uittrokken, uithoofde dit moest geschieden om de betrekkingen met de afgodendienaars af te breken, maar deze betrekkingen veeleer onderhielden. Volgens anderen zijn zij de zwakken, omdat zij niet in staat zouden zijn te vluchten, en gedwongen zijn de ongeloovigen in den oorlog te volgen. De engelen, waarvan hier wordt gesproken, zijn de twee engelen, die de dooden in hunne graven bezoeken.73Zoo als zij deden, die naarEthiopiëenMedinavluchtten.74VolgensAl Beidâwiwerd deze plaats geopenbaard tengevolge van het gebeurde metJondob Ebn Dampa. Deze persoon werd op zijne vlucht ziek, en dientengevolge door zijne zonen op een rustbed gedragen; maar voor hij teMedinaaankwam, voelde hij zijn einde naderen. Hij sloeg met zijn rechterhand op zijne linker en stierf, na vooraf plechtig zijn geloof aan God en diens gezant te hebben betuigd.75Het Mahomedaansche gebed bestaat in kniebuigingen,rikaen aanbiddingen,soedjoed, die daarin gelegen zijn, dat men het aangezicht ter aarde buigt.76Tima Abn Obeirak, een zoon vanDhafar, en een vanMahometsmakkers, stal een maliënkolder van zijnen buurmanKitâda Ebn al Noman, verborg dien in eene mand met meel en verkocht dit bij een jood,Zeid Ebn al Samingenaamd. Daar menTimaverdacht hield, vroeg men hem om den maliënkolder, maar hij ontkende er iets van te weten, men volgde echter het spoor van het meel, dat door eene opening der mand was gevallen, welk spoor naar het huis vanZeidleidde: daar vond men het gestolene en beschuldigde hem van den diefstal:Zeidbracht echter onderscheidene getuigen, die verklaarden dat hij den kolder vanTimahad gekocht; de zonen vanDhafarkwamen daarop totMahomet, en verlangden, dat hij zijn makker tegen de beschuldiging verdedigen enZeidveroordeelen zou. Daar hij nu eenigszins gedwongen was daaraan toe te geven, werd deze plaats geopenbaard, waarin zijn onbezonnen voornemen gelaakt en hem geboden werd, niet te diens nadeele en volgens zijne neiging, maar volgens den aard der zaak te oordeelen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Yahya).77Al Beidâwivoegt er, als een voorbeeld van de goddelijke rechtvaardigheid, bij, datTimana het bovenvermelde feit, naarMekkavlood, weder den afgodendienst omhelsde, en daar onder den muur van een huis doorgroef, met het doel om te stelen. De muur stortte echter in en doodde hem.78Dat is: als zij in het geheim middelen aanwenden, door valsche getuigenis, of op andere wijze, om hunne misdaden op onschuldige personen te werpen.79Hier wordt op de zonen vanDhafargedoeld.80Door u te onderrichten in de kennis van het goed en het kwaad en de lessen der rechtvaardigheid.81De Arabieren aanbadenAllat,al UzzaenMenat, die zij voor dochters van God hielden.82Of, zoo als het letterlijk luidt: een gedeelte, bestemd of voorbestemd om door mij verleid te worden.83Hetwelk door de oude afgodendienende Arabieren uit bijgeloof werd gedaan. De noten der vijfde Soera vermelden meer omtrent deze gewoonte.84Hetzij door die te verlammen, of tot doeleinden aan te wenden, waartoe zij niet door God bestemd is.Al Beidâwiveronderstelt, dat de tekst hier niet alleen doelt op de bijgeloovige gewoonte van de ooren en andere gedeelten van het vee af te snijden, maar ook op de castratie van slaven, het merken hunner lichamen met figuren, die geprikt en daarna met weede of indigo werden ingewreven, gelijk de Arabieren deden en nog doen, het scherpen hunner tanden, door die af te vijlen, zoo ook sodomie en de onnatuurlijke driften tusschen vrouwen, het aanbidden der zon, maan en andere natuurlichamen enz.85Dat is: door Gods dienst te verlaten en de werken des duivels te verrichten.86Deze woorden kunnen ook in toestemmenden zin worden opgevat, daar de zin van den tekst hier zeer twijfelachtig is door het woordjean, dat vooral in den Koran, zoowel in toestemmenden als ontkennenden zin wordt gebezigd. Men kan dus hier even goed zeggen, wie gij niet geeft... en die gij weigert te huwen, als: aan wie gij niet geeft... en die gij wilt huwen.87Door der vrouw een deel van haren bruidschat te geven, of andere verplichtingen omtrent haar te voldoen.88Dit beteekent: daar gij van haar niet even als van eene gehuwde vrouw kunt genieten, moet gij sommige maatregelen van rechtvaardigheid omtrent haar in acht nemen; want indien een man niet geheel in staat is aan zijne plichten te voldoen, moet hij die echter daarom niet geheel verwaarloozen (Al Beidâwi.)89Of gelijk een, die nooit een echtgenoot had, noch gescheiden is, en de vrijheid heeft een ander te huwen.90Dat is: hij zal den man en vrouw doen vinden, die hem beter behaagt, en aan de vrouw een’ anderen man, die het verlies zal vergoeden van hem, die haar heeft verstooten.91Daar hij den dienst van geen schepsel behoeft.92Zie dezesde Soera.93Dat is: hebben wij u niet bijgestaan? Geef ons dus een deel van den buit (Al Beidâwi).94Dat wil zeggen: met de tong en niet met het hart.95Hinkende tusschen twee gedachten, en noch van de Moslems, noch van de ongeloovigen standvastige vrienden zijnde.96Dit verhaal schijnt een toevoegsel te zijn tot hetgeenMozesvan de zeventig oudsten zegt, die met hem,Aäron,NadabenAbihuden berg bestegen en den God van Israël zagen. Exodus XXIV : 9, 10, 11.97Zie de2e Soera, vers 48.98Zie ibid, v. 51.99Zie ibid, v. 60.100Zie ibid, v. 55.101Jallalo’ddinleidt uit dit woord af, dat aan het einde van dezen volzin de woorden: daarom hebben wij hen gevloekt, of iets dergelijks ontbreekt.102Door haar van ontucht te beschuldigen.103Zie de3e Soeravers 48 en de bijgevoegde noten.104Sommigen houden namelijk vol, dat hij inderdaad en te recht werd gekruisigd: anderen beweren, dat hij nietJezuswas, maar een ander, wiens aangezicht op het zijne geleek, terwijl de overige deelen van zijn lichaam zoo zeer verschilden, dat zij het bedrog volkomen bewezen. Sommigen zeggen, dat hij in den hemel werd opgenomen, en anderen, dat zijn menschelijk gedeelte alleen heeft geleden en zijne goddelijkheid naar den hemel opsteeg. (Al Beidâwi).105Volgens een overlevering vanHejâj, strijken de engelen, als een Jood sterft, hem over den rug en het aangezicht, terwijl zij tot hem zeggen: o, gij vijand van God!Jezuswas als een profeet tot u gezonden, en gij geloofdet niet in hem, waarop hij zou antwoorden: Thans geloof ik van hem dat hij de man Gods is; en tot den stervenden Christen zeggen zij:Jezuswas als een profeet tot u gezonden, en gij hebt hem toegedicht God, of de zoon van God te zijn: waarna hij gelooven zal, dat die slechts de dienaar van God en zijn apostel is, en dat derhalve de onderstelling, datJezuseen zoon van God of zelf een God zij, zonde tegen den eenigen God is, terwijl ieder voor zijn dood aanMahometzal gelooven.106Dat is: tegen de Joden, die hem geheel verwerpen, en tegen de Christenen, die hem God en den zoon van God noemen (Al Beidâwi).107In geschenken, tot het omkoopen der rechters of andere slechte gebruiken.108Zoo alsAbdallah Ebn Salâmen zijne makkers (Al Beidâwi).109Hetzij doorJezusgeheel te verwerpen en te loochenen, zooals de Joden doen, hetzij door hem tot de gelijkheid met God te verheffen, zooals de Christenen (Al Beidâwi.)110Namelijk God,JezusenMaria(Al Beidâwi,Jallalo’ddinYahya). De Oostersche schrijvers maken melding van eene Christelijke secte, die gelooft, dat de drieëenheid uit deze is samengesteld (Elmacim, p. 227,Eutych, p. 120), maar men meent, dat deze ketterij reeds sedert lang is verdwenen (Ahmed Ebn Abd’al Halim). Deze plaats is echter eveneens tegen de drieëenheid gemunt, zooals die volgens de leer der orthodoxe Christenen bestaat, welke, zooalsAl Beidâwizegt, er aan gelooven, dat de Godheid uit drie personen bestaat; de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Door den Vader verstaat men namelijk Gods wezen, door den Zoon, zijne kennis en door den Heiligen Geest, zijn leven.111VolgensSavaryaldus: Wel verre van een’ zoon te hebben, regeert hij alleen den hemel en de aarde. Hij is zichzelven toereikend.112Dat isMahometen zijn’ Koran.113Zijnde tot den Islamitischen godsdienst in deze wereld, en tot het het paradijs in de toekomstige.114De andere helft wordt in de openbare schatkist gestort.115Dat is: hij zal hare geheele bezetting erven.

1Dit hoofdstuk werd met dien naam bestempeld, omdat het hoofdzakelijk over zaken handelt met vrouwen in verband staande, zooals huwelijken, echtscheidingen, enz.2De Arabieren hadden namelijk de gewoonte, bij het vragen van iets, te zeggen: “In Gods naam, doe of zeg mij iets.”3Letterlijk vertaald, zou dit moeten zijn: de ingewanden.4Dat wil zeggen: neem niet wat gij van waarde onder hunne goederen vindt, voor uw gebruik, door daarvoor iets van mindere waarde in de plaats te geven.5De uitleggers vatten deze plaats verschillend op. De ware beteekenis schijnt de hier opgegevene te zijn.6Oorspronkelijk staat hier:Wat uwe rechterhanden hebben verworven, zijnde de bepaalde uitdrukking, om een slaaf, die men voor geld heeft gekocht, of een door den krijg verworvene aan te duiden. Uit dit vers blijkt voorts, dat slavinnen geen zoo grooten bruidschat, of zooveel van onderhoud als vrije vrouwen kostten, waardoor de man onderscheidene der eerste, even gemakkelijk als eene der laatste kon bezitten.7Het is noodig hier te doen opmerken (en deze opmerking geldt voor alle gelijkluidende plaatsen in den Koran), dat het woordsadoeka, dat gewoonlijk metbruidschatwordt vertaald, het geld is, of de voorwerpen van waarde, die de man aan de ouders der vrouw schenkt welke hij huwt. Het is dus niet de vrouw die haren man iets aanbrengt, maar de man geeft haar een bruidschat.8Met dit woord worden de minderjarige weezen bedoeld, die in staat zouden zijn een slecht gebruik van hunne erfenis te maken en haar te verspillen.9Dat is: onderzoekt of zij goed bekend zijn met de grondbeginselen van den godsdienst, en draagt voldoende zorg voor het waarnemen hunner zaken. Onder deze uitdrukking is tevens de plicht van den voogd begrepen, om zijne pupillen te onderrichten.10Of den ouderdom van rijpheid, die algemeen op vijftien jaren is bepaald; eene beslissing die door eene overlevering vanMahometwordt gestaafd.Aboe Hanofahhoudt echter den achttienjarigen ouderdom voor den geschikten (AlBeidâwi).11Zoodat zij spoedig den ouderdom zullen bereikt hebben, om alles te ontvangen wat hun toekomt.12Dat is: niet meer dan eene voldoende belooning voor de moeite, door hunne opvoeding veroorzaakt.13Dit voorschrift werd gegeven, om eene bij de afgodendienende Arabieren bestaande gewoonte af te schaffen, volgens welke vrouwen noch kinderen eenig deel van de erfenis van hunnen echtgenoot of vader mochten ontvangen, op grond dat alleen zij mochten erven, die in staat waren ten oorlog te gaan (AlBeidâwi).14Zijnde: Houdt immer het lot uwer eigene kinderen voor oogen, terwijl gij u met kinderen bezighoudt, die door anderen zijn achtergelaten; en handelt zooals gij zoudt willen dat men met de uwen handelde.15Dit is de algemeene regel, welke bij de verdeeling der nalatenschap van den overledene moet worden gevolgd, gelijk men uit de daarna opgegevene gevallen zal zien.16Of: indien er twee en niet meer zijn zullen zij hetzelfde deel ontvangen.17En het overblijvende derde gedeelte, of de overblijvende helft der nalatenschap, waarover hier niet uitdrukkelijk wordt beschikt, of wel, indien de overledene vader noch zoon achterlaat, vervalt aan de openbare schatkist. Sommigen over deze plaats van den Koran sprekende, zeggen verkeerdelijk, dat, indien er een zoon en eene eenige dochter achterblijft, ieder hunner de helft ontvangt. Wel kan de dochter de eene helft ontvangen, doch alleen in het geval dat er geen zoon achterblijft; want in gevolge van bovenstaand voorschrift, kan zij slechts een derde ontvangen, indien er een zoon achterblijft.18En zijn vader bijgevolg de twee anderen derden (AlBeidâwi).19Op deze en volgende plaatsen worden hoofdzakelijk met het woord legaten, diegene bedoeld, welke tot vrome doeleinden zijn bestemd, daar het geene gewoonte bij de Mahomedanen is, dat een persoon aan niemand anders dan aan zijn gezin en naaste betrekkingen zijn vermogen achterlaat.20Dit dient bij contract, of op eene andere, bijzondere wijze bepaald te zijn.21Hier, en in het volgende geval, ontvangen de broeder en de zuster gelijke deelen, hetgeen eene uitzondering op den algemeenen regel is, volgens welken de mannelijke erfgenaam het dubbele van de vrouwelijke ontvangt. Hiervoor wordt als reden opgegeven, de kleinheid der deelen die zulk een nauwkeurigheid in de verdeeling niet toelaat. In andere gevallen echter wordt de regel, zoowel omtrent broeder en zuster als nopens andere betrekkingen, volgehouden.22Hiermede wordt zoowel hoereeren als overspel bedoeld. Het woordnica, vrouwen, heeft hier niet strikt de beteekenis van echtgenooten: het woord, dat men gewoonlijk gebruikt om overspel aan te duiden, iszina. In het begin der invoering van het Islamismus, werd de schuldige vrouw ingemetseld; eene straf, die echter niet bij den Koran was bepaald. Men heeft dit later, voor eene ongehuwde vrouw, door zweepslagen en verbanning vervangen. Wat het overspel betreft, zoo is de overlevering, die de steeniging vorderde, door de bepalingen van den Koran (Soera XXIV, vers 2–10) vernietigd.23Men gelooft dat hiermede sodomie of pederastie wordt bedoeld. Oorspronkelijk zegt de Koran: Doe hun kwaad of schade, waaruit eenigen opmaken, dat men hen alleen in het openbaar berispen (Jallalo’ddin,Yahya,Aboe’l,Kasem Heba Tallah,Al Beidâwi), of hen met de pantoffels om het hoofd slaan moet(Jallalo’ddin,AlBeidâwi), hetgeen in het Oosten als eene groote beleediging geldt, terwijl anderen (AlBeidâwi) zeggen, dat zij gegeeseld moeten worden.24Zooals ongehoorzaamheid, ongemanierdheid en dergelijke (AlBeidâwi.)25Dat is: indien gij van een vrouw scheidt om eene andere vrouwte huwen, ontneem dan der vrouw, welke gij verlaat, de huwelijksgift van honderd dinars niet, welke zij van u heeft ontvangen.26ZieSoera II, v. 229,231,238,242.27Woordelijk: uwe moeders die u hebben gezoogd. Een der uitleggers zegt bij deze plaats: God heeft het zogen zoo zeer met het moederschap vereenzelvigd, dat hij de min moeder noemde.28Men mocht niet raken aan hetgeen reeds was geschied, en zoodoende der wet eene terugwerkende kracht geven.29Volgens deze plaats is het niet geoorloofd, eene vrije vrouw te huwen, die reeds gehuwd is, hetzij zij al of niet tot den Mahomedaanschen godsdienst behoort, behalve wanneer zij door echtscheiding wettig van haren man mocht zijn gescheiden; maar het is wettig degene te huwen, die slavinnen of in den oorlog genomen zijn, nadat zij de bijzondere zuiveringen zullen hebben ondergaan, niettegenstaande hare echtgenooten mochten leven. Volgens de beslissing vanAboe Hanifahis het nog onwettig, zulke vrouwen te huwen, wier echtgenooten gevangen genomen zijn, of, op dat tijdstip, zich tegelijk met haar in slavernij bevinden.30Dat is: Bepaal haar heuren bruidschat.31Het Arabische woordmonsanatbeteekent eigenlijk bewaardevrouwen; zijnde de vrouwen die onder de macht van een man staan en zeer ingetogen in hare manieren zijn; vrouwen van goeden huize, vrije vrouwen (Al Beidâwi).32Volgens sommigen beteekent dit: Wees tevreden met de verklaring van haar welke gij huwt, zonder heure overtuiging geweld aan te willen doen.33Zijnde alle uitAdamen hetzelfde geloof voortgekomen. (Al Beidâwi).34De reden hiervan is, dat zij verondersteld worden, geene zoo goede opvoeding te hebben genoten. Daarom ontvangt eene slavin in zulk een geval vijftig slagen en wordt zij voor een half jaar gebannen; zij wordt echter niet gesteenigd, daar dit eene straf is, die niet voor de helft kan worden opgelegd. (Al Beidâwi).35Dat is: gebruikt het niet voor dingen door God verboden, zoo als woeker, enz. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin); maar gij moogt het goed van anderen door arbeid, handel, enz. wettig bezitten.36Letterlijk; Doodt uwe zielen niet, dat is, zegtJallalo’ddin: door doodelijke zonden, of zulke misdaden te bedrijven, waardoor zij eeuwig zullen vernietigd worden. Anderen zijn echter van meening, dat zelfmoord, gelijk de ongeloovige Indianen deden en nog doen, ter eere hunner afgodsbeelden, of ook eenigen waren geloovigen het leven te benemen, door deze plaats wordt verboden (Al Beidâwi). Intusschen schijnt het begin van het vers aan te duiden, dat hier niet alleen van zelfmoord sprake kan zijn.37Al Beidâwiberekent, op grond eener overlevering vanMahomet, dat deze zonden zeven in getal zijn, en wel: afgodendienst, moord, valsche beschuldiging van eerbare vrouwen van overspel, het vermogen van weezen verspillen, woeker, desertie bij een godsdienstigen tocht en ongehoorzaamheid jegens ouders.38Dit voorschrift is overeenkomstig een oude gewoonte der Arabieren, volgens welke, indien twee personen innige vriendschap of een bondgenootschap hebben aangegaan, die overlevende vriend een zesde deel van des overledenen nalatenschap ontvangt. Dit werd echter volgensJallalo’ddinenZamakhshari, afgeschaft, ten minste wat de ongeloovigen betreft. Ook kan deze plaats zóó worden opgevat, als ware daar slechts sprake van een bijzondere verbintenis, volgens welke de overlevende een zeker deel der bezittingen van den eerst stervende ontvangt. (AlBeidâwi).39Zoowel door de bezittingen harer echtgenooten voor verlies en verwoesting te behouden, als zich zelve voor alle onkuischheid. (AlBeidâwi,Jallalo’ddin).40Dat is: Bant haar van uw bed.41Op deze plaats wordt het den Mahomedanen duidelijk geboden, hunne vrouwen te tuchtigen, in geval van halsstarrige ongehoorzaamheid, maar op geene hevige of gevaarlijke wijze (AlBeidâwi.)42Dat is: Laat de magistraten eerst twee scheidsrechters zenden: een van iedere zijde, om het verschil uit te maken, en zoo mogelijk de kwade gevolgen eener openlijke breuk te voorkomen.43Afgoden.44Die tot uw eigen volk, of uw eigen geloof behoort.45Dit heeft zoowel betrekking op de belooning, welke men wegens goede daden heeft verdiend, als op de strenge straf voor begane zonden. Integendeel zal hij eerstgenoemden in het toekomstige leven ver boven hunne verdiensten beloonen. Het Arabische woordaharra, hetwelk eigenlijk eene soort van kleine mieren is, doch hier door het woord atoom werd vertaald, wordt gebruikt om iets aan te duiden dat bijzonder klein is.46Deze wijze van reiniging wordtteimemoemgenoemd.47Ra’ina. Zie omtrent dit woordsoera II. vers 98.48Dit is: dat er slechts een zeer klein getal Joden zijn, die het Mahomedanisme hebben omhelsd.49Ziesoera II, vers 61.50Dit is de letterlijke vertaling van den tekst. Deze plaats wordt echter op twee wijzen verklaard: den verdoemden zal den hals worden omgedraaid, zoodat wat van voren was van achteren zal komen; of wel de gelaatstrekken, de mond, de neus zullen uitgewischt en geëffend worden, zooals het achtergedeelte van het hoofd is.51Woordelijk: Hij zal vergeven wat dezerzijds is. Dat is: de zonde der afgodendienst is de grootste der zeven hoofdzonden.52Dat is: De Joden en Christenen, die zich zelven de kinderen Gods en zijn bemind volk noemen. (AlBeidâwi,Jallalo’ddin).53Hier staat oorspronkelijk: inJibt(ofDjibt) enThagut. Eerstgenoemd woord wordt verondersteld de eigennaam van een afgod te zijn geweest; het schijnt echter veeleer de meer algemeene naam van een of andere valsche godheid te zijn. Van laatstgenoemd woord gaven wij reeds eene uitlegging. Ziesoera II vers 259.54Dat is: Raadpleegt den Koran, die Gods woord is.55Dat is: Voor de rechtbanken van ongeloovigen. Deze plaats is haar ontstaan aan de volgende opmerkenswaardige gebeurtenis verschuldigd. Zekere Jood had twist met een goddeloozen Mahomedaan, welke laatste de beslissing vanCoab abn el Ashraf, een voornaam Jood, en de eerste die van Mahomet inriep. Ten laatste kwamen zij echter overeen, de zaak alleen aan den profeet te onderwerpen, die haar ter gunste van den Jood uitwees: de Mahomedaan weigerde in deze beslissing te berusten, en achtte het noodig de zaak doorOmar, later Kalif, op nieuw te doen onderzoeken. Toen zij tot hem kwamen, verhaalde de jood hem, datMahometde zaak reeds te zijner gunste had beslist, maar dat de Mahomedaan zich niet aan die uitspraak wilde onderwerpen. Toen nu de Mahomedaan bekende, dat dit de waarheid was, verzochtOmarhun, even te wachten, en nadat hij zijn zwaard had getrokken, sloeg hij den halsstarrigen Mahomedaan het hoofd af, uitroepende: Dit is de belooning voor hem, die weigert zich aan de uitspraak van God en zijnen gezant te onderwerpen. Door deze daad verkreegOmarden bijnaam vanAlFarûk, hetgeen niet alleen doelt op descheidingvan des schelms hoofd van zijn lichaam, maar ook daarop dat hij leugen en waarheid van elkander wist teonderscheiden. (Jallalo’ddin,AlBeidâwi,d’Herbelot.Bibl. Orient, p. 688 enOckley,Hist. of the Sarac., p. 365.) Daarom schijnt dan ook de naam vanThaguthier aanCoab abn el Ashrafte zijn gegeven. Ziesoera II, vers 259.56Dit was namelijk de verontschuldiging der vrienden van den Mahomedaan, dienOmarhad gedood, toen zij voldoening voor diens bloed kwamen vragen. (Al Beidâwi).57Door goddeloos te handelen, en de uitspraak van ongeloovigen in te roepen.58Dat is: Weest waakzaam, en voorziet u zelven van wapenen en benoodigdheden.59Daar geen mensch het slagveld mocht verlaten, dan nadat hij als martelaar was gevallen, of eenig voordeel voor de zaak had behaald (Al Beidâwi).60Woordelijk trekt uwe handen terug, d.i. raakt geenerlei arbeid aan.61Dat is: Den natuurlijken dood.62Op deze wijze werd door velen, die niet totMahometsvolgelingen behoorden, aan hem de duurte der levensmiddelen toegeschreven, toen hij naarMedinaging, hetgeen gemakkelijk kan worden uitgelegd, door de talrijkheid der personen, die tot zijn gevolg behoorden.63Men moet deze woorden niet opvatten, als waren zij in tegenspraak met de voorafgaande: dat alles van God komt; daar het kwaad dat over de menschen komt, hoewel door God bevolen, nochtans het gevolg van hunne eigene slechte daden is.64Dat is: indien God zijnen gezant niet met den Koran had gezonden, om u in uwen tongval te onderrichten, zoudt gij in uwe afgodendienst zijn voortgegaan, en tot verderf gedoemd zijn; diegenen alleen uitgezonderd, welke door Gods gunst en hun buitengewoon begrip, ware denkbeelden der godheid zouden hebben, zooals bij voorbeeld:Zaid Ebn Amroe Ebn Nofail(zieMillium,de Mohammedanismo ante Moh.h. 311), enWaraka Ebn Nawfal, die, vóór de zending vanMahomet, de afgoden verlieten en slechts één God erkenden (AlBeidâwi).65Dit heeft betrekking op hen, dieMahometverlof vroegen, vanMedinanaar elders te gaan wonen, en die dagelijks voortgingen, tot zij afgodendienaars ontmoetten. Het oordeel der Muzelmannen was verdeeld, daar zij niet wisten, of zij die menschen als huichelaars en ongeloovigen moesten aanzien, dan wel als geloovigen, die het toeval te midden der ongeloovigen had geworpen.66Dit zijn, naar men zegt, de leden van den stam Modlaj, die totMahomettoetraden, maar niet gedwongen wilden zijn, hem in den oorlogbijte staan.67Dat is: bij ongeluk en zonder opzet. Deze plaats werd geopenbaard om het geval vanAyash Ebn Abi Rabiate beslissen, de broeder van moeders zijde vanAboe Jahl, die eensHareth Ebn Zeïddoodde, toen hij hem op den weg ontmoette, niet wetende, dat hij het Mahomedanisme, had omhelsd (AlBeidâwi).68Deze bloedprijs moet verdeeld worden ingevolge de wet der erfenissen, in het begin van dit hoofdstuk voorkomende (AlBeidâwi).69En er zal geen bloedprijs worden betaald; omdat in dit geval zijne bloedverwanten, als ongeloovigen en in verklaarden krijg met de Moslems zijnde, geen recht hebben om te erven wat hij heeft nagelaten.70Dat is: tot hij berouw gevoelt. Anderen echter meenen dat hier van geen eeuwige verdoemenis sprake is (daar, volgens de algemeene leer der Mahomedanen, niemand die tot dat geloof behoort, eeuwig in de hel zal blijven), maar alleen gedurende langen tijd (AlBeidâwi).71Het gebeurde zeer dikwijls, dat de Mahomedanen, op hunne tochten, menschen ontmoetten, die zij niet kenden, en welke zij doodden. De aanvallers zeiden, om zich te verdedigen, dat het ongeloovigen waren; terwijl zij hen slechts als ongeloovigen behandelden, om hen te berooven.72Hiermede worden de Arabieren bedoeld, die, na den Islam teMekkate hebben omhelsd, niet uittrokken, uithoofde dit moest geschieden om de betrekkingen met de afgodendienaars af te breken, maar deze betrekkingen veeleer onderhielden. Volgens anderen zijn zij de zwakken, omdat zij niet in staat zouden zijn te vluchten, en gedwongen zijn de ongeloovigen in den oorlog te volgen. De engelen, waarvan hier wordt gesproken, zijn de twee engelen, die de dooden in hunne graven bezoeken.73Zoo als zij deden, die naarEthiopiëenMedinavluchtten.74VolgensAl Beidâwiwerd deze plaats geopenbaard tengevolge van het gebeurde metJondob Ebn Dampa. Deze persoon werd op zijne vlucht ziek, en dientengevolge door zijne zonen op een rustbed gedragen; maar voor hij teMedinaaankwam, voelde hij zijn einde naderen. Hij sloeg met zijn rechterhand op zijne linker en stierf, na vooraf plechtig zijn geloof aan God en diens gezant te hebben betuigd.75Het Mahomedaansche gebed bestaat in kniebuigingen,rikaen aanbiddingen,soedjoed, die daarin gelegen zijn, dat men het aangezicht ter aarde buigt.76Tima Abn Obeirak, een zoon vanDhafar, en een vanMahometsmakkers, stal een maliënkolder van zijnen buurmanKitâda Ebn al Noman, verborg dien in eene mand met meel en verkocht dit bij een jood,Zeid Ebn al Samingenaamd. Daar menTimaverdacht hield, vroeg men hem om den maliënkolder, maar hij ontkende er iets van te weten, men volgde echter het spoor van het meel, dat door eene opening der mand was gevallen, welk spoor naar het huis vanZeidleidde: daar vond men het gestolene en beschuldigde hem van den diefstal:Zeidbracht echter onderscheidene getuigen, die verklaarden dat hij den kolder vanTimahad gekocht; de zonen vanDhafarkwamen daarop totMahomet, en verlangden, dat hij zijn makker tegen de beschuldiging verdedigen enZeidveroordeelen zou. Daar hij nu eenigszins gedwongen was daaraan toe te geven, werd deze plaats geopenbaard, waarin zijn onbezonnen voornemen gelaakt en hem geboden werd, niet te diens nadeele en volgens zijne neiging, maar volgens den aard der zaak te oordeelen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Yahya).77Al Beidâwivoegt er, als een voorbeeld van de goddelijke rechtvaardigheid, bij, datTimana het bovenvermelde feit, naarMekkavlood, weder den afgodendienst omhelsde, en daar onder den muur van een huis doorgroef, met het doel om te stelen. De muur stortte echter in en doodde hem.78Dat is: als zij in het geheim middelen aanwenden, door valsche getuigenis, of op andere wijze, om hunne misdaden op onschuldige personen te werpen.79Hier wordt op de zonen vanDhafargedoeld.80Door u te onderrichten in de kennis van het goed en het kwaad en de lessen der rechtvaardigheid.81De Arabieren aanbadenAllat,al UzzaenMenat, die zij voor dochters van God hielden.82Of, zoo als het letterlijk luidt: een gedeelte, bestemd of voorbestemd om door mij verleid te worden.83Hetwelk door de oude afgodendienende Arabieren uit bijgeloof werd gedaan. De noten der vijfde Soera vermelden meer omtrent deze gewoonte.84Hetzij door die te verlammen, of tot doeleinden aan te wenden, waartoe zij niet door God bestemd is.Al Beidâwiveronderstelt, dat de tekst hier niet alleen doelt op de bijgeloovige gewoonte van de ooren en andere gedeelten van het vee af te snijden, maar ook op de castratie van slaven, het merken hunner lichamen met figuren, die geprikt en daarna met weede of indigo werden ingewreven, gelijk de Arabieren deden en nog doen, het scherpen hunner tanden, door die af te vijlen, zoo ook sodomie en de onnatuurlijke driften tusschen vrouwen, het aanbidden der zon, maan en andere natuurlichamen enz.85Dat is: door Gods dienst te verlaten en de werken des duivels te verrichten.86Deze woorden kunnen ook in toestemmenden zin worden opgevat, daar de zin van den tekst hier zeer twijfelachtig is door het woordjean, dat vooral in den Koran, zoowel in toestemmenden als ontkennenden zin wordt gebezigd. Men kan dus hier even goed zeggen, wie gij niet geeft... en die gij weigert te huwen, als: aan wie gij niet geeft... en die gij wilt huwen.87Door der vrouw een deel van haren bruidschat te geven, of andere verplichtingen omtrent haar te voldoen.88Dit beteekent: daar gij van haar niet even als van eene gehuwde vrouw kunt genieten, moet gij sommige maatregelen van rechtvaardigheid omtrent haar in acht nemen; want indien een man niet geheel in staat is aan zijne plichten te voldoen, moet hij die echter daarom niet geheel verwaarloozen (Al Beidâwi.)89Of gelijk een, die nooit een echtgenoot had, noch gescheiden is, en de vrijheid heeft een ander te huwen.90Dat is: hij zal den man en vrouw doen vinden, die hem beter behaagt, en aan de vrouw een’ anderen man, die het verlies zal vergoeden van hem, die haar heeft verstooten.91Daar hij den dienst van geen schepsel behoeft.92Zie dezesde Soera.93Dat is: hebben wij u niet bijgestaan? Geef ons dus een deel van den buit (Al Beidâwi).94Dat wil zeggen: met de tong en niet met het hart.95Hinkende tusschen twee gedachten, en noch van de Moslems, noch van de ongeloovigen standvastige vrienden zijnde.96Dit verhaal schijnt een toevoegsel te zijn tot hetgeenMozesvan de zeventig oudsten zegt, die met hem,Aäron,NadabenAbihuden berg bestegen en den God van Israël zagen. Exodus XXIV : 9, 10, 11.97Zie de2e Soera, vers 48.98Zie ibid, v. 51.99Zie ibid, v. 60.100Zie ibid, v. 55.101Jallalo’ddinleidt uit dit woord af, dat aan het einde van dezen volzin de woorden: daarom hebben wij hen gevloekt, of iets dergelijks ontbreekt.102Door haar van ontucht te beschuldigen.103Zie de3e Soeravers 48 en de bijgevoegde noten.104Sommigen houden namelijk vol, dat hij inderdaad en te recht werd gekruisigd: anderen beweren, dat hij nietJezuswas, maar een ander, wiens aangezicht op het zijne geleek, terwijl de overige deelen van zijn lichaam zoo zeer verschilden, dat zij het bedrog volkomen bewezen. Sommigen zeggen, dat hij in den hemel werd opgenomen, en anderen, dat zijn menschelijk gedeelte alleen heeft geleden en zijne goddelijkheid naar den hemel opsteeg. (Al Beidâwi).105Volgens een overlevering vanHejâj, strijken de engelen, als een Jood sterft, hem over den rug en het aangezicht, terwijl zij tot hem zeggen: o, gij vijand van God!Jezuswas als een profeet tot u gezonden, en gij geloofdet niet in hem, waarop hij zou antwoorden: Thans geloof ik van hem dat hij de man Gods is; en tot den stervenden Christen zeggen zij:Jezuswas als een profeet tot u gezonden, en gij hebt hem toegedicht God, of de zoon van God te zijn: waarna hij gelooven zal, dat die slechts de dienaar van God en zijn apostel is, en dat derhalve de onderstelling, datJezuseen zoon van God of zelf een God zij, zonde tegen den eenigen God is, terwijl ieder voor zijn dood aanMahometzal gelooven.106Dat is: tegen de Joden, die hem geheel verwerpen, en tegen de Christenen, die hem God en den zoon van God noemen (Al Beidâwi).107In geschenken, tot het omkoopen der rechters of andere slechte gebruiken.108Zoo alsAbdallah Ebn Salâmen zijne makkers (Al Beidâwi).109Hetzij doorJezusgeheel te verwerpen en te loochenen, zooals de Joden doen, hetzij door hem tot de gelijkheid met God te verheffen, zooals de Christenen (Al Beidâwi.)110Namelijk God,JezusenMaria(Al Beidâwi,Jallalo’ddinYahya). De Oostersche schrijvers maken melding van eene Christelijke secte, die gelooft, dat de drieëenheid uit deze is samengesteld (Elmacim, p. 227,Eutych, p. 120), maar men meent, dat deze ketterij reeds sedert lang is verdwenen (Ahmed Ebn Abd’al Halim). Deze plaats is echter eveneens tegen de drieëenheid gemunt, zooals die volgens de leer der orthodoxe Christenen bestaat, welke, zooalsAl Beidâwizegt, er aan gelooven, dat de Godheid uit drie personen bestaat; de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Door den Vader verstaat men namelijk Gods wezen, door den Zoon, zijne kennis en door den Heiligen Geest, zijn leven.111VolgensSavaryaldus: Wel verre van een’ zoon te hebben, regeert hij alleen den hemel en de aarde. Hij is zichzelven toereikend.112Dat isMahometen zijn’ Koran.113Zijnde tot den Islamitischen godsdienst in deze wereld, en tot het het paradijs in de toekomstige.114De andere helft wordt in de openbare schatkist gestort.115Dat is: hij zal hare geheele bezetting erven.

1Dit hoofdstuk werd met dien naam bestempeld, omdat het hoofdzakelijk over zaken handelt met vrouwen in verband staande, zooals huwelijken, echtscheidingen, enz.2De Arabieren hadden namelijk de gewoonte, bij het vragen van iets, te zeggen: “In Gods naam, doe of zeg mij iets.”3Letterlijk vertaald, zou dit moeten zijn: de ingewanden.4Dat wil zeggen: neem niet wat gij van waarde onder hunne goederen vindt, voor uw gebruik, door daarvoor iets van mindere waarde in de plaats te geven.5De uitleggers vatten deze plaats verschillend op. De ware beteekenis schijnt de hier opgegevene te zijn.6Oorspronkelijk staat hier:Wat uwe rechterhanden hebben verworven, zijnde de bepaalde uitdrukking, om een slaaf, die men voor geld heeft gekocht, of een door den krijg verworvene aan te duiden. Uit dit vers blijkt voorts, dat slavinnen geen zoo grooten bruidschat, of zooveel van onderhoud als vrije vrouwen kostten, waardoor de man onderscheidene der eerste, even gemakkelijk als eene der laatste kon bezitten.7Het is noodig hier te doen opmerken (en deze opmerking geldt voor alle gelijkluidende plaatsen in den Koran), dat het woordsadoeka, dat gewoonlijk metbruidschatwordt vertaald, het geld is, of de voorwerpen van waarde, die de man aan de ouders der vrouw schenkt welke hij huwt. Het is dus niet de vrouw die haren man iets aanbrengt, maar de man geeft haar een bruidschat.8Met dit woord worden de minderjarige weezen bedoeld, die in staat zouden zijn een slecht gebruik van hunne erfenis te maken en haar te verspillen.9Dat is: onderzoekt of zij goed bekend zijn met de grondbeginselen van den godsdienst, en draagt voldoende zorg voor het waarnemen hunner zaken. Onder deze uitdrukking is tevens de plicht van den voogd begrepen, om zijne pupillen te onderrichten.10Of den ouderdom van rijpheid, die algemeen op vijftien jaren is bepaald; eene beslissing die door eene overlevering vanMahometwordt gestaafd.Aboe Hanofahhoudt echter den achttienjarigen ouderdom voor den geschikten (AlBeidâwi).11Zoodat zij spoedig den ouderdom zullen bereikt hebben, om alles te ontvangen wat hun toekomt.12Dat is: niet meer dan eene voldoende belooning voor de moeite, door hunne opvoeding veroorzaakt.13Dit voorschrift werd gegeven, om eene bij de afgodendienende Arabieren bestaande gewoonte af te schaffen, volgens welke vrouwen noch kinderen eenig deel van de erfenis van hunnen echtgenoot of vader mochten ontvangen, op grond dat alleen zij mochten erven, die in staat waren ten oorlog te gaan (AlBeidâwi).14Zijnde: Houdt immer het lot uwer eigene kinderen voor oogen, terwijl gij u met kinderen bezighoudt, die door anderen zijn achtergelaten; en handelt zooals gij zoudt willen dat men met de uwen handelde.15Dit is de algemeene regel, welke bij de verdeeling der nalatenschap van den overledene moet worden gevolgd, gelijk men uit de daarna opgegevene gevallen zal zien.16Of: indien er twee en niet meer zijn zullen zij hetzelfde deel ontvangen.17En het overblijvende derde gedeelte, of de overblijvende helft der nalatenschap, waarover hier niet uitdrukkelijk wordt beschikt, of wel, indien de overledene vader noch zoon achterlaat, vervalt aan de openbare schatkist. Sommigen over deze plaats van den Koran sprekende, zeggen verkeerdelijk, dat, indien er een zoon en eene eenige dochter achterblijft, ieder hunner de helft ontvangt. Wel kan de dochter de eene helft ontvangen, doch alleen in het geval dat er geen zoon achterblijft; want in gevolge van bovenstaand voorschrift, kan zij slechts een derde ontvangen, indien er een zoon achterblijft.18En zijn vader bijgevolg de twee anderen derden (AlBeidâwi).19Op deze en volgende plaatsen worden hoofdzakelijk met het woord legaten, diegene bedoeld, welke tot vrome doeleinden zijn bestemd, daar het geene gewoonte bij de Mahomedanen is, dat een persoon aan niemand anders dan aan zijn gezin en naaste betrekkingen zijn vermogen achterlaat.20Dit dient bij contract, of op eene andere, bijzondere wijze bepaald te zijn.21Hier, en in het volgende geval, ontvangen de broeder en de zuster gelijke deelen, hetgeen eene uitzondering op den algemeenen regel is, volgens welken de mannelijke erfgenaam het dubbele van de vrouwelijke ontvangt. Hiervoor wordt als reden opgegeven, de kleinheid der deelen die zulk een nauwkeurigheid in de verdeeling niet toelaat. In andere gevallen echter wordt de regel, zoowel omtrent broeder en zuster als nopens andere betrekkingen, volgehouden.22Hiermede wordt zoowel hoereeren als overspel bedoeld. Het woordnica, vrouwen, heeft hier niet strikt de beteekenis van echtgenooten: het woord, dat men gewoonlijk gebruikt om overspel aan te duiden, iszina. In het begin der invoering van het Islamismus, werd de schuldige vrouw ingemetseld; eene straf, die echter niet bij den Koran was bepaald. Men heeft dit later, voor eene ongehuwde vrouw, door zweepslagen en verbanning vervangen. Wat het overspel betreft, zoo is de overlevering, die de steeniging vorderde, door de bepalingen van den Koran (Soera XXIV, vers 2–10) vernietigd.23Men gelooft dat hiermede sodomie of pederastie wordt bedoeld. Oorspronkelijk zegt de Koran: Doe hun kwaad of schade, waaruit eenigen opmaken, dat men hen alleen in het openbaar berispen (Jallalo’ddin,Yahya,Aboe’l,Kasem Heba Tallah,Al Beidâwi), of hen met de pantoffels om het hoofd slaan moet(Jallalo’ddin,AlBeidâwi), hetgeen in het Oosten als eene groote beleediging geldt, terwijl anderen (AlBeidâwi) zeggen, dat zij gegeeseld moeten worden.24Zooals ongehoorzaamheid, ongemanierdheid en dergelijke (AlBeidâwi.)25Dat is: indien gij van een vrouw scheidt om eene andere vrouwte huwen, ontneem dan der vrouw, welke gij verlaat, de huwelijksgift van honderd dinars niet, welke zij van u heeft ontvangen.26ZieSoera II, v. 229,231,238,242.27Woordelijk: uwe moeders die u hebben gezoogd. Een der uitleggers zegt bij deze plaats: God heeft het zogen zoo zeer met het moederschap vereenzelvigd, dat hij de min moeder noemde.28Men mocht niet raken aan hetgeen reeds was geschied, en zoodoende der wet eene terugwerkende kracht geven.29Volgens deze plaats is het niet geoorloofd, eene vrije vrouw te huwen, die reeds gehuwd is, hetzij zij al of niet tot den Mahomedaanschen godsdienst behoort, behalve wanneer zij door echtscheiding wettig van haren man mocht zijn gescheiden; maar het is wettig degene te huwen, die slavinnen of in den oorlog genomen zijn, nadat zij de bijzondere zuiveringen zullen hebben ondergaan, niettegenstaande hare echtgenooten mochten leven. Volgens de beslissing vanAboe Hanifahis het nog onwettig, zulke vrouwen te huwen, wier echtgenooten gevangen genomen zijn, of, op dat tijdstip, zich tegelijk met haar in slavernij bevinden.30Dat is: Bepaal haar heuren bruidschat.31Het Arabische woordmonsanatbeteekent eigenlijk bewaardevrouwen; zijnde de vrouwen die onder de macht van een man staan en zeer ingetogen in hare manieren zijn; vrouwen van goeden huize, vrije vrouwen (Al Beidâwi).32Volgens sommigen beteekent dit: Wees tevreden met de verklaring van haar welke gij huwt, zonder heure overtuiging geweld aan te willen doen.33Zijnde alle uitAdamen hetzelfde geloof voortgekomen. (Al Beidâwi).34De reden hiervan is, dat zij verondersteld worden, geene zoo goede opvoeding te hebben genoten. Daarom ontvangt eene slavin in zulk een geval vijftig slagen en wordt zij voor een half jaar gebannen; zij wordt echter niet gesteenigd, daar dit eene straf is, die niet voor de helft kan worden opgelegd. (Al Beidâwi).35Dat is: gebruikt het niet voor dingen door God verboden, zoo als woeker, enz. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin); maar gij moogt het goed van anderen door arbeid, handel, enz. wettig bezitten.36Letterlijk; Doodt uwe zielen niet, dat is, zegtJallalo’ddin: door doodelijke zonden, of zulke misdaden te bedrijven, waardoor zij eeuwig zullen vernietigd worden. Anderen zijn echter van meening, dat zelfmoord, gelijk de ongeloovige Indianen deden en nog doen, ter eere hunner afgodsbeelden, of ook eenigen waren geloovigen het leven te benemen, door deze plaats wordt verboden (Al Beidâwi). Intusschen schijnt het begin van het vers aan te duiden, dat hier niet alleen van zelfmoord sprake kan zijn.37Al Beidâwiberekent, op grond eener overlevering vanMahomet, dat deze zonden zeven in getal zijn, en wel: afgodendienst, moord, valsche beschuldiging van eerbare vrouwen van overspel, het vermogen van weezen verspillen, woeker, desertie bij een godsdienstigen tocht en ongehoorzaamheid jegens ouders.38Dit voorschrift is overeenkomstig een oude gewoonte der Arabieren, volgens welke, indien twee personen innige vriendschap of een bondgenootschap hebben aangegaan, die overlevende vriend een zesde deel van des overledenen nalatenschap ontvangt. Dit werd echter volgensJallalo’ddinenZamakhshari, afgeschaft, ten minste wat de ongeloovigen betreft. Ook kan deze plaats zóó worden opgevat, als ware daar slechts sprake van een bijzondere verbintenis, volgens welke de overlevende een zeker deel der bezittingen van den eerst stervende ontvangt. (AlBeidâwi).39Zoowel door de bezittingen harer echtgenooten voor verlies en verwoesting te behouden, als zich zelve voor alle onkuischheid. (AlBeidâwi,Jallalo’ddin).40Dat is: Bant haar van uw bed.41Op deze plaats wordt het den Mahomedanen duidelijk geboden, hunne vrouwen te tuchtigen, in geval van halsstarrige ongehoorzaamheid, maar op geene hevige of gevaarlijke wijze (AlBeidâwi.)42Dat is: Laat de magistraten eerst twee scheidsrechters zenden: een van iedere zijde, om het verschil uit te maken, en zoo mogelijk de kwade gevolgen eener openlijke breuk te voorkomen.43Afgoden.44Die tot uw eigen volk, of uw eigen geloof behoort.45Dit heeft zoowel betrekking op de belooning, welke men wegens goede daden heeft verdiend, als op de strenge straf voor begane zonden. Integendeel zal hij eerstgenoemden in het toekomstige leven ver boven hunne verdiensten beloonen. Het Arabische woordaharra, hetwelk eigenlijk eene soort van kleine mieren is, doch hier door het woord atoom werd vertaald, wordt gebruikt om iets aan te duiden dat bijzonder klein is.46Deze wijze van reiniging wordtteimemoemgenoemd.47Ra’ina. Zie omtrent dit woordsoera II. vers 98.48Dit is: dat er slechts een zeer klein getal Joden zijn, die het Mahomedanisme hebben omhelsd.49Ziesoera II, vers 61.50Dit is de letterlijke vertaling van den tekst. Deze plaats wordt echter op twee wijzen verklaard: den verdoemden zal den hals worden omgedraaid, zoodat wat van voren was van achteren zal komen; of wel de gelaatstrekken, de mond, de neus zullen uitgewischt en geëffend worden, zooals het achtergedeelte van het hoofd is.51Woordelijk: Hij zal vergeven wat dezerzijds is. Dat is: de zonde der afgodendienst is de grootste der zeven hoofdzonden.52Dat is: De Joden en Christenen, die zich zelven de kinderen Gods en zijn bemind volk noemen. (AlBeidâwi,Jallalo’ddin).53Hier staat oorspronkelijk: inJibt(ofDjibt) enThagut. Eerstgenoemd woord wordt verondersteld de eigennaam van een afgod te zijn geweest; het schijnt echter veeleer de meer algemeene naam van een of andere valsche godheid te zijn. Van laatstgenoemd woord gaven wij reeds eene uitlegging. Ziesoera II vers 259.54Dat is: Raadpleegt den Koran, die Gods woord is.55Dat is: Voor de rechtbanken van ongeloovigen. Deze plaats is haar ontstaan aan de volgende opmerkenswaardige gebeurtenis verschuldigd. Zekere Jood had twist met een goddeloozen Mahomedaan, welke laatste de beslissing vanCoab abn el Ashraf, een voornaam Jood, en de eerste die van Mahomet inriep. Ten laatste kwamen zij echter overeen, de zaak alleen aan den profeet te onderwerpen, die haar ter gunste van den Jood uitwees: de Mahomedaan weigerde in deze beslissing te berusten, en achtte het noodig de zaak doorOmar, later Kalif, op nieuw te doen onderzoeken. Toen zij tot hem kwamen, verhaalde de jood hem, datMahometde zaak reeds te zijner gunste had beslist, maar dat de Mahomedaan zich niet aan die uitspraak wilde onderwerpen. Toen nu de Mahomedaan bekende, dat dit de waarheid was, verzochtOmarhun, even te wachten, en nadat hij zijn zwaard had getrokken, sloeg hij den halsstarrigen Mahomedaan het hoofd af, uitroepende: Dit is de belooning voor hem, die weigert zich aan de uitspraak van God en zijnen gezant te onderwerpen. Door deze daad verkreegOmarden bijnaam vanAlFarûk, hetgeen niet alleen doelt op descheidingvan des schelms hoofd van zijn lichaam, maar ook daarop dat hij leugen en waarheid van elkander wist teonderscheiden. (Jallalo’ddin,AlBeidâwi,d’Herbelot.Bibl. Orient, p. 688 enOckley,Hist. of the Sarac., p. 365.) Daarom schijnt dan ook de naam vanThaguthier aanCoab abn el Ashrafte zijn gegeven. Ziesoera II, vers 259.56Dit was namelijk de verontschuldiging der vrienden van den Mahomedaan, dienOmarhad gedood, toen zij voldoening voor diens bloed kwamen vragen. (Al Beidâwi).57Door goddeloos te handelen, en de uitspraak van ongeloovigen in te roepen.58Dat is: Weest waakzaam, en voorziet u zelven van wapenen en benoodigdheden.59Daar geen mensch het slagveld mocht verlaten, dan nadat hij als martelaar was gevallen, of eenig voordeel voor de zaak had behaald (Al Beidâwi).60Woordelijk trekt uwe handen terug, d.i. raakt geenerlei arbeid aan.61Dat is: Den natuurlijken dood.62Op deze wijze werd door velen, die niet totMahometsvolgelingen behoorden, aan hem de duurte der levensmiddelen toegeschreven, toen hij naarMedinaging, hetgeen gemakkelijk kan worden uitgelegd, door de talrijkheid der personen, die tot zijn gevolg behoorden.63Men moet deze woorden niet opvatten, als waren zij in tegenspraak met de voorafgaande: dat alles van God komt; daar het kwaad dat over de menschen komt, hoewel door God bevolen, nochtans het gevolg van hunne eigene slechte daden is.64Dat is: indien God zijnen gezant niet met den Koran had gezonden, om u in uwen tongval te onderrichten, zoudt gij in uwe afgodendienst zijn voortgegaan, en tot verderf gedoemd zijn; diegenen alleen uitgezonderd, welke door Gods gunst en hun buitengewoon begrip, ware denkbeelden der godheid zouden hebben, zooals bij voorbeeld:Zaid Ebn Amroe Ebn Nofail(zieMillium,de Mohammedanismo ante Moh.h. 311), enWaraka Ebn Nawfal, die, vóór de zending vanMahomet, de afgoden verlieten en slechts één God erkenden (AlBeidâwi).65Dit heeft betrekking op hen, dieMahometverlof vroegen, vanMedinanaar elders te gaan wonen, en die dagelijks voortgingen, tot zij afgodendienaars ontmoetten. Het oordeel der Muzelmannen was verdeeld, daar zij niet wisten, of zij die menschen als huichelaars en ongeloovigen moesten aanzien, dan wel als geloovigen, die het toeval te midden der ongeloovigen had geworpen.66Dit zijn, naar men zegt, de leden van den stam Modlaj, die totMahomettoetraden, maar niet gedwongen wilden zijn, hem in den oorlogbijte staan.67Dat is: bij ongeluk en zonder opzet. Deze plaats werd geopenbaard om het geval vanAyash Ebn Abi Rabiate beslissen, de broeder van moeders zijde vanAboe Jahl, die eensHareth Ebn Zeïddoodde, toen hij hem op den weg ontmoette, niet wetende, dat hij het Mahomedanisme, had omhelsd (AlBeidâwi).68Deze bloedprijs moet verdeeld worden ingevolge de wet der erfenissen, in het begin van dit hoofdstuk voorkomende (AlBeidâwi).69En er zal geen bloedprijs worden betaald; omdat in dit geval zijne bloedverwanten, als ongeloovigen en in verklaarden krijg met de Moslems zijnde, geen recht hebben om te erven wat hij heeft nagelaten.70Dat is: tot hij berouw gevoelt. Anderen echter meenen dat hier van geen eeuwige verdoemenis sprake is (daar, volgens de algemeene leer der Mahomedanen, niemand die tot dat geloof behoort, eeuwig in de hel zal blijven), maar alleen gedurende langen tijd (AlBeidâwi).71Het gebeurde zeer dikwijls, dat de Mahomedanen, op hunne tochten, menschen ontmoetten, die zij niet kenden, en welke zij doodden. De aanvallers zeiden, om zich te verdedigen, dat het ongeloovigen waren; terwijl zij hen slechts als ongeloovigen behandelden, om hen te berooven.72Hiermede worden de Arabieren bedoeld, die, na den Islam teMekkate hebben omhelsd, niet uittrokken, uithoofde dit moest geschieden om de betrekkingen met de afgodendienaars af te breken, maar deze betrekkingen veeleer onderhielden. Volgens anderen zijn zij de zwakken, omdat zij niet in staat zouden zijn te vluchten, en gedwongen zijn de ongeloovigen in den oorlog te volgen. De engelen, waarvan hier wordt gesproken, zijn de twee engelen, die de dooden in hunne graven bezoeken.73Zoo als zij deden, die naarEthiopiëenMedinavluchtten.74VolgensAl Beidâwiwerd deze plaats geopenbaard tengevolge van het gebeurde metJondob Ebn Dampa. Deze persoon werd op zijne vlucht ziek, en dientengevolge door zijne zonen op een rustbed gedragen; maar voor hij teMedinaaankwam, voelde hij zijn einde naderen. Hij sloeg met zijn rechterhand op zijne linker en stierf, na vooraf plechtig zijn geloof aan God en diens gezant te hebben betuigd.75Het Mahomedaansche gebed bestaat in kniebuigingen,rikaen aanbiddingen,soedjoed, die daarin gelegen zijn, dat men het aangezicht ter aarde buigt.76Tima Abn Obeirak, een zoon vanDhafar, en een vanMahometsmakkers, stal een maliënkolder van zijnen buurmanKitâda Ebn al Noman, verborg dien in eene mand met meel en verkocht dit bij een jood,Zeid Ebn al Samingenaamd. Daar menTimaverdacht hield, vroeg men hem om den maliënkolder, maar hij ontkende er iets van te weten, men volgde echter het spoor van het meel, dat door eene opening der mand was gevallen, welk spoor naar het huis vanZeidleidde: daar vond men het gestolene en beschuldigde hem van den diefstal:Zeidbracht echter onderscheidene getuigen, die verklaarden dat hij den kolder vanTimahad gekocht; de zonen vanDhafarkwamen daarop totMahomet, en verlangden, dat hij zijn makker tegen de beschuldiging verdedigen enZeidveroordeelen zou. Daar hij nu eenigszins gedwongen was daaraan toe te geven, werd deze plaats geopenbaard, waarin zijn onbezonnen voornemen gelaakt en hem geboden werd, niet te diens nadeele en volgens zijne neiging, maar volgens den aard der zaak te oordeelen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Yahya).77Al Beidâwivoegt er, als een voorbeeld van de goddelijke rechtvaardigheid, bij, datTimana het bovenvermelde feit, naarMekkavlood, weder den afgodendienst omhelsde, en daar onder den muur van een huis doorgroef, met het doel om te stelen. De muur stortte echter in en doodde hem.78Dat is: als zij in het geheim middelen aanwenden, door valsche getuigenis, of op andere wijze, om hunne misdaden op onschuldige personen te werpen.79Hier wordt op de zonen vanDhafargedoeld.80Door u te onderrichten in de kennis van het goed en het kwaad en de lessen der rechtvaardigheid.81De Arabieren aanbadenAllat,al UzzaenMenat, die zij voor dochters van God hielden.82Of, zoo als het letterlijk luidt: een gedeelte, bestemd of voorbestemd om door mij verleid te worden.83Hetwelk door de oude afgodendienende Arabieren uit bijgeloof werd gedaan. De noten der vijfde Soera vermelden meer omtrent deze gewoonte.84Hetzij door die te verlammen, of tot doeleinden aan te wenden, waartoe zij niet door God bestemd is.Al Beidâwiveronderstelt, dat de tekst hier niet alleen doelt op de bijgeloovige gewoonte van de ooren en andere gedeelten van het vee af te snijden, maar ook op de castratie van slaven, het merken hunner lichamen met figuren, die geprikt en daarna met weede of indigo werden ingewreven, gelijk de Arabieren deden en nog doen, het scherpen hunner tanden, door die af te vijlen, zoo ook sodomie en de onnatuurlijke driften tusschen vrouwen, het aanbidden der zon, maan en andere natuurlichamen enz.85Dat is: door Gods dienst te verlaten en de werken des duivels te verrichten.86Deze woorden kunnen ook in toestemmenden zin worden opgevat, daar de zin van den tekst hier zeer twijfelachtig is door het woordjean, dat vooral in den Koran, zoowel in toestemmenden als ontkennenden zin wordt gebezigd. Men kan dus hier even goed zeggen, wie gij niet geeft... en die gij weigert te huwen, als: aan wie gij niet geeft... en die gij wilt huwen.87Door der vrouw een deel van haren bruidschat te geven, of andere verplichtingen omtrent haar te voldoen.88Dit beteekent: daar gij van haar niet even als van eene gehuwde vrouw kunt genieten, moet gij sommige maatregelen van rechtvaardigheid omtrent haar in acht nemen; want indien een man niet geheel in staat is aan zijne plichten te voldoen, moet hij die echter daarom niet geheel verwaarloozen (Al Beidâwi.)89Of gelijk een, die nooit een echtgenoot had, noch gescheiden is, en de vrijheid heeft een ander te huwen.90Dat is: hij zal den man en vrouw doen vinden, die hem beter behaagt, en aan de vrouw een’ anderen man, die het verlies zal vergoeden van hem, die haar heeft verstooten.91Daar hij den dienst van geen schepsel behoeft.92Zie dezesde Soera.93Dat is: hebben wij u niet bijgestaan? Geef ons dus een deel van den buit (Al Beidâwi).94Dat wil zeggen: met de tong en niet met het hart.95Hinkende tusschen twee gedachten, en noch van de Moslems, noch van de ongeloovigen standvastige vrienden zijnde.96Dit verhaal schijnt een toevoegsel te zijn tot hetgeenMozesvan de zeventig oudsten zegt, die met hem,Aäron,NadabenAbihuden berg bestegen en den God van Israël zagen. Exodus XXIV : 9, 10, 11.97Zie de2e Soera, vers 48.98Zie ibid, v. 51.99Zie ibid, v. 60.100Zie ibid, v. 55.101Jallalo’ddinleidt uit dit woord af, dat aan het einde van dezen volzin de woorden: daarom hebben wij hen gevloekt, of iets dergelijks ontbreekt.102Door haar van ontucht te beschuldigen.103Zie de3e Soeravers 48 en de bijgevoegde noten.104Sommigen houden namelijk vol, dat hij inderdaad en te recht werd gekruisigd: anderen beweren, dat hij nietJezuswas, maar een ander, wiens aangezicht op het zijne geleek, terwijl de overige deelen van zijn lichaam zoo zeer verschilden, dat zij het bedrog volkomen bewezen. Sommigen zeggen, dat hij in den hemel werd opgenomen, en anderen, dat zijn menschelijk gedeelte alleen heeft geleden en zijne goddelijkheid naar den hemel opsteeg. (Al Beidâwi).105Volgens een overlevering vanHejâj, strijken de engelen, als een Jood sterft, hem over den rug en het aangezicht, terwijl zij tot hem zeggen: o, gij vijand van God!Jezuswas als een profeet tot u gezonden, en gij geloofdet niet in hem, waarop hij zou antwoorden: Thans geloof ik van hem dat hij de man Gods is; en tot den stervenden Christen zeggen zij:Jezuswas als een profeet tot u gezonden, en gij hebt hem toegedicht God, of de zoon van God te zijn: waarna hij gelooven zal, dat die slechts de dienaar van God en zijn apostel is, en dat derhalve de onderstelling, datJezuseen zoon van God of zelf een God zij, zonde tegen den eenigen God is, terwijl ieder voor zijn dood aanMahometzal gelooven.106Dat is: tegen de Joden, die hem geheel verwerpen, en tegen de Christenen, die hem God en den zoon van God noemen (Al Beidâwi).107In geschenken, tot het omkoopen der rechters of andere slechte gebruiken.108Zoo alsAbdallah Ebn Salâmen zijne makkers (Al Beidâwi).109Hetzij doorJezusgeheel te verwerpen en te loochenen, zooals de Joden doen, hetzij door hem tot de gelijkheid met God te verheffen, zooals de Christenen (Al Beidâwi.)110Namelijk God,JezusenMaria(Al Beidâwi,Jallalo’ddinYahya). De Oostersche schrijvers maken melding van eene Christelijke secte, die gelooft, dat de drieëenheid uit deze is samengesteld (Elmacim, p. 227,Eutych, p. 120), maar men meent, dat deze ketterij reeds sedert lang is verdwenen (Ahmed Ebn Abd’al Halim). Deze plaats is echter eveneens tegen de drieëenheid gemunt, zooals die volgens de leer der orthodoxe Christenen bestaat, welke, zooalsAl Beidâwizegt, er aan gelooven, dat de Godheid uit drie personen bestaat; de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Door den Vader verstaat men namelijk Gods wezen, door den Zoon, zijne kennis en door den Heiligen Geest, zijn leven.111VolgensSavaryaldus: Wel verre van een’ zoon te hebben, regeert hij alleen den hemel en de aarde. Hij is zichzelven toereikend.112Dat isMahometen zijn’ Koran.113Zijnde tot den Islamitischen godsdienst in deze wereld, en tot het het paradijs in de toekomstige.114De andere helft wordt in de openbare schatkist gestort.115Dat is: hij zal hare geheele bezetting erven.

1Dit hoofdstuk werd met dien naam bestempeld, omdat het hoofdzakelijk over zaken handelt met vrouwen in verband staande, zooals huwelijken, echtscheidingen, enz.2De Arabieren hadden namelijk de gewoonte, bij het vragen van iets, te zeggen: “In Gods naam, doe of zeg mij iets.”3Letterlijk vertaald, zou dit moeten zijn: de ingewanden.4Dat wil zeggen: neem niet wat gij van waarde onder hunne goederen vindt, voor uw gebruik, door daarvoor iets van mindere waarde in de plaats te geven.5De uitleggers vatten deze plaats verschillend op. De ware beteekenis schijnt de hier opgegevene te zijn.6Oorspronkelijk staat hier:Wat uwe rechterhanden hebben verworven, zijnde de bepaalde uitdrukking, om een slaaf, die men voor geld heeft gekocht, of een door den krijg verworvene aan te duiden. Uit dit vers blijkt voorts, dat slavinnen geen zoo grooten bruidschat, of zooveel van onderhoud als vrije vrouwen kostten, waardoor de man onderscheidene der eerste, even gemakkelijk als eene der laatste kon bezitten.7Het is noodig hier te doen opmerken (en deze opmerking geldt voor alle gelijkluidende plaatsen in den Koran), dat het woordsadoeka, dat gewoonlijk metbruidschatwordt vertaald, het geld is, of de voorwerpen van waarde, die de man aan de ouders der vrouw schenkt welke hij huwt. Het is dus niet de vrouw die haren man iets aanbrengt, maar de man geeft haar een bruidschat.8Met dit woord worden de minderjarige weezen bedoeld, die in staat zouden zijn een slecht gebruik van hunne erfenis te maken en haar te verspillen.9Dat is: onderzoekt of zij goed bekend zijn met de grondbeginselen van den godsdienst, en draagt voldoende zorg voor het waarnemen hunner zaken. Onder deze uitdrukking is tevens de plicht van den voogd begrepen, om zijne pupillen te onderrichten.10Of den ouderdom van rijpheid, die algemeen op vijftien jaren is bepaald; eene beslissing die door eene overlevering vanMahometwordt gestaafd.Aboe Hanofahhoudt echter den achttienjarigen ouderdom voor den geschikten (AlBeidâwi).11Zoodat zij spoedig den ouderdom zullen bereikt hebben, om alles te ontvangen wat hun toekomt.12Dat is: niet meer dan eene voldoende belooning voor de moeite, door hunne opvoeding veroorzaakt.13Dit voorschrift werd gegeven, om eene bij de afgodendienende Arabieren bestaande gewoonte af te schaffen, volgens welke vrouwen noch kinderen eenig deel van de erfenis van hunnen echtgenoot of vader mochten ontvangen, op grond dat alleen zij mochten erven, die in staat waren ten oorlog te gaan (AlBeidâwi).14Zijnde: Houdt immer het lot uwer eigene kinderen voor oogen, terwijl gij u met kinderen bezighoudt, die door anderen zijn achtergelaten; en handelt zooals gij zoudt willen dat men met de uwen handelde.15Dit is de algemeene regel, welke bij de verdeeling der nalatenschap van den overledene moet worden gevolgd, gelijk men uit de daarna opgegevene gevallen zal zien.16Of: indien er twee en niet meer zijn zullen zij hetzelfde deel ontvangen.17En het overblijvende derde gedeelte, of de overblijvende helft der nalatenschap, waarover hier niet uitdrukkelijk wordt beschikt, of wel, indien de overledene vader noch zoon achterlaat, vervalt aan de openbare schatkist. Sommigen over deze plaats van den Koran sprekende, zeggen verkeerdelijk, dat, indien er een zoon en eene eenige dochter achterblijft, ieder hunner de helft ontvangt. Wel kan de dochter de eene helft ontvangen, doch alleen in het geval dat er geen zoon achterblijft; want in gevolge van bovenstaand voorschrift, kan zij slechts een derde ontvangen, indien er een zoon achterblijft.18En zijn vader bijgevolg de twee anderen derden (AlBeidâwi).19Op deze en volgende plaatsen worden hoofdzakelijk met het woord legaten, diegene bedoeld, welke tot vrome doeleinden zijn bestemd, daar het geene gewoonte bij de Mahomedanen is, dat een persoon aan niemand anders dan aan zijn gezin en naaste betrekkingen zijn vermogen achterlaat.20Dit dient bij contract, of op eene andere, bijzondere wijze bepaald te zijn.21Hier, en in het volgende geval, ontvangen de broeder en de zuster gelijke deelen, hetgeen eene uitzondering op den algemeenen regel is, volgens welken de mannelijke erfgenaam het dubbele van de vrouwelijke ontvangt. Hiervoor wordt als reden opgegeven, de kleinheid der deelen die zulk een nauwkeurigheid in de verdeeling niet toelaat. In andere gevallen echter wordt de regel, zoowel omtrent broeder en zuster als nopens andere betrekkingen, volgehouden.22Hiermede wordt zoowel hoereeren als overspel bedoeld. Het woordnica, vrouwen, heeft hier niet strikt de beteekenis van echtgenooten: het woord, dat men gewoonlijk gebruikt om overspel aan te duiden, iszina. In het begin der invoering van het Islamismus, werd de schuldige vrouw ingemetseld; eene straf, die echter niet bij den Koran was bepaald. Men heeft dit later, voor eene ongehuwde vrouw, door zweepslagen en verbanning vervangen. Wat het overspel betreft, zoo is de overlevering, die de steeniging vorderde, door de bepalingen van den Koran (Soera XXIV, vers 2–10) vernietigd.23Men gelooft dat hiermede sodomie of pederastie wordt bedoeld. Oorspronkelijk zegt de Koran: Doe hun kwaad of schade, waaruit eenigen opmaken, dat men hen alleen in het openbaar berispen (Jallalo’ddin,Yahya,Aboe’l,Kasem Heba Tallah,Al Beidâwi), of hen met de pantoffels om het hoofd slaan moet(Jallalo’ddin,AlBeidâwi), hetgeen in het Oosten als eene groote beleediging geldt, terwijl anderen (AlBeidâwi) zeggen, dat zij gegeeseld moeten worden.24Zooals ongehoorzaamheid, ongemanierdheid en dergelijke (AlBeidâwi.)25Dat is: indien gij van een vrouw scheidt om eene andere vrouwte huwen, ontneem dan der vrouw, welke gij verlaat, de huwelijksgift van honderd dinars niet, welke zij van u heeft ontvangen.26ZieSoera II, v. 229,231,238,242.27Woordelijk: uwe moeders die u hebben gezoogd. Een der uitleggers zegt bij deze plaats: God heeft het zogen zoo zeer met het moederschap vereenzelvigd, dat hij de min moeder noemde.28Men mocht niet raken aan hetgeen reeds was geschied, en zoodoende der wet eene terugwerkende kracht geven.29Volgens deze plaats is het niet geoorloofd, eene vrije vrouw te huwen, die reeds gehuwd is, hetzij zij al of niet tot den Mahomedaanschen godsdienst behoort, behalve wanneer zij door echtscheiding wettig van haren man mocht zijn gescheiden; maar het is wettig degene te huwen, die slavinnen of in den oorlog genomen zijn, nadat zij de bijzondere zuiveringen zullen hebben ondergaan, niettegenstaande hare echtgenooten mochten leven. Volgens de beslissing vanAboe Hanifahis het nog onwettig, zulke vrouwen te huwen, wier echtgenooten gevangen genomen zijn, of, op dat tijdstip, zich tegelijk met haar in slavernij bevinden.30Dat is: Bepaal haar heuren bruidschat.31Het Arabische woordmonsanatbeteekent eigenlijk bewaardevrouwen; zijnde de vrouwen die onder de macht van een man staan en zeer ingetogen in hare manieren zijn; vrouwen van goeden huize, vrije vrouwen (Al Beidâwi).32Volgens sommigen beteekent dit: Wees tevreden met de verklaring van haar welke gij huwt, zonder heure overtuiging geweld aan te willen doen.33Zijnde alle uitAdamen hetzelfde geloof voortgekomen. (Al Beidâwi).34De reden hiervan is, dat zij verondersteld worden, geene zoo goede opvoeding te hebben genoten. Daarom ontvangt eene slavin in zulk een geval vijftig slagen en wordt zij voor een half jaar gebannen; zij wordt echter niet gesteenigd, daar dit eene straf is, die niet voor de helft kan worden opgelegd. (Al Beidâwi).35Dat is: gebruikt het niet voor dingen door God verboden, zoo als woeker, enz. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin); maar gij moogt het goed van anderen door arbeid, handel, enz. wettig bezitten.36Letterlijk; Doodt uwe zielen niet, dat is, zegtJallalo’ddin: door doodelijke zonden, of zulke misdaden te bedrijven, waardoor zij eeuwig zullen vernietigd worden. Anderen zijn echter van meening, dat zelfmoord, gelijk de ongeloovige Indianen deden en nog doen, ter eere hunner afgodsbeelden, of ook eenigen waren geloovigen het leven te benemen, door deze plaats wordt verboden (Al Beidâwi). Intusschen schijnt het begin van het vers aan te duiden, dat hier niet alleen van zelfmoord sprake kan zijn.37Al Beidâwiberekent, op grond eener overlevering vanMahomet, dat deze zonden zeven in getal zijn, en wel: afgodendienst, moord, valsche beschuldiging van eerbare vrouwen van overspel, het vermogen van weezen verspillen, woeker, desertie bij een godsdienstigen tocht en ongehoorzaamheid jegens ouders.38Dit voorschrift is overeenkomstig een oude gewoonte der Arabieren, volgens welke, indien twee personen innige vriendschap of een bondgenootschap hebben aangegaan, die overlevende vriend een zesde deel van des overledenen nalatenschap ontvangt. Dit werd echter volgensJallalo’ddinenZamakhshari, afgeschaft, ten minste wat de ongeloovigen betreft. Ook kan deze plaats zóó worden opgevat, als ware daar slechts sprake van een bijzondere verbintenis, volgens welke de overlevende een zeker deel der bezittingen van den eerst stervende ontvangt. (AlBeidâwi).39Zoowel door de bezittingen harer echtgenooten voor verlies en verwoesting te behouden, als zich zelve voor alle onkuischheid. (AlBeidâwi,Jallalo’ddin).40Dat is: Bant haar van uw bed.41Op deze plaats wordt het den Mahomedanen duidelijk geboden, hunne vrouwen te tuchtigen, in geval van halsstarrige ongehoorzaamheid, maar op geene hevige of gevaarlijke wijze (AlBeidâwi.)42Dat is: Laat de magistraten eerst twee scheidsrechters zenden: een van iedere zijde, om het verschil uit te maken, en zoo mogelijk de kwade gevolgen eener openlijke breuk te voorkomen.43Afgoden.44Die tot uw eigen volk, of uw eigen geloof behoort.45Dit heeft zoowel betrekking op de belooning, welke men wegens goede daden heeft verdiend, als op de strenge straf voor begane zonden. Integendeel zal hij eerstgenoemden in het toekomstige leven ver boven hunne verdiensten beloonen. Het Arabische woordaharra, hetwelk eigenlijk eene soort van kleine mieren is, doch hier door het woord atoom werd vertaald, wordt gebruikt om iets aan te duiden dat bijzonder klein is.46Deze wijze van reiniging wordtteimemoemgenoemd.47Ra’ina. Zie omtrent dit woordsoera II. vers 98.48Dit is: dat er slechts een zeer klein getal Joden zijn, die het Mahomedanisme hebben omhelsd.49Ziesoera II, vers 61.50Dit is de letterlijke vertaling van den tekst. Deze plaats wordt echter op twee wijzen verklaard: den verdoemden zal den hals worden omgedraaid, zoodat wat van voren was van achteren zal komen; of wel de gelaatstrekken, de mond, de neus zullen uitgewischt en geëffend worden, zooals het achtergedeelte van het hoofd is.51Woordelijk: Hij zal vergeven wat dezerzijds is. Dat is: de zonde der afgodendienst is de grootste der zeven hoofdzonden.52Dat is: De Joden en Christenen, die zich zelven de kinderen Gods en zijn bemind volk noemen. (AlBeidâwi,Jallalo’ddin).53Hier staat oorspronkelijk: inJibt(ofDjibt) enThagut. Eerstgenoemd woord wordt verondersteld de eigennaam van een afgod te zijn geweest; het schijnt echter veeleer de meer algemeene naam van een of andere valsche godheid te zijn. Van laatstgenoemd woord gaven wij reeds eene uitlegging. Ziesoera II vers 259.54Dat is: Raadpleegt den Koran, die Gods woord is.55Dat is: Voor de rechtbanken van ongeloovigen. Deze plaats is haar ontstaan aan de volgende opmerkenswaardige gebeurtenis verschuldigd. Zekere Jood had twist met een goddeloozen Mahomedaan, welke laatste de beslissing vanCoab abn el Ashraf, een voornaam Jood, en de eerste die van Mahomet inriep. Ten laatste kwamen zij echter overeen, de zaak alleen aan den profeet te onderwerpen, die haar ter gunste van den Jood uitwees: de Mahomedaan weigerde in deze beslissing te berusten, en achtte het noodig de zaak doorOmar, later Kalif, op nieuw te doen onderzoeken. Toen zij tot hem kwamen, verhaalde de jood hem, datMahometde zaak reeds te zijner gunste had beslist, maar dat de Mahomedaan zich niet aan die uitspraak wilde onderwerpen. Toen nu de Mahomedaan bekende, dat dit de waarheid was, verzochtOmarhun, even te wachten, en nadat hij zijn zwaard had getrokken, sloeg hij den halsstarrigen Mahomedaan het hoofd af, uitroepende: Dit is de belooning voor hem, die weigert zich aan de uitspraak van God en zijnen gezant te onderwerpen. Door deze daad verkreegOmarden bijnaam vanAlFarûk, hetgeen niet alleen doelt op descheidingvan des schelms hoofd van zijn lichaam, maar ook daarop dat hij leugen en waarheid van elkander wist teonderscheiden. (Jallalo’ddin,AlBeidâwi,d’Herbelot.Bibl. Orient, p. 688 enOckley,Hist. of the Sarac., p. 365.) Daarom schijnt dan ook de naam vanThaguthier aanCoab abn el Ashrafte zijn gegeven. Ziesoera II, vers 259.56Dit was namelijk de verontschuldiging der vrienden van den Mahomedaan, dienOmarhad gedood, toen zij voldoening voor diens bloed kwamen vragen. (Al Beidâwi).57Door goddeloos te handelen, en de uitspraak van ongeloovigen in te roepen.58Dat is: Weest waakzaam, en voorziet u zelven van wapenen en benoodigdheden.59Daar geen mensch het slagveld mocht verlaten, dan nadat hij als martelaar was gevallen, of eenig voordeel voor de zaak had behaald (Al Beidâwi).60Woordelijk trekt uwe handen terug, d.i. raakt geenerlei arbeid aan.61Dat is: Den natuurlijken dood.62Op deze wijze werd door velen, die niet totMahometsvolgelingen behoorden, aan hem de duurte der levensmiddelen toegeschreven, toen hij naarMedinaging, hetgeen gemakkelijk kan worden uitgelegd, door de talrijkheid der personen, die tot zijn gevolg behoorden.63Men moet deze woorden niet opvatten, als waren zij in tegenspraak met de voorafgaande: dat alles van God komt; daar het kwaad dat over de menschen komt, hoewel door God bevolen, nochtans het gevolg van hunne eigene slechte daden is.64Dat is: indien God zijnen gezant niet met den Koran had gezonden, om u in uwen tongval te onderrichten, zoudt gij in uwe afgodendienst zijn voortgegaan, en tot verderf gedoemd zijn; diegenen alleen uitgezonderd, welke door Gods gunst en hun buitengewoon begrip, ware denkbeelden der godheid zouden hebben, zooals bij voorbeeld:Zaid Ebn Amroe Ebn Nofail(zieMillium,de Mohammedanismo ante Moh.h. 311), enWaraka Ebn Nawfal, die, vóór de zending vanMahomet, de afgoden verlieten en slechts één God erkenden (AlBeidâwi).65Dit heeft betrekking op hen, dieMahometverlof vroegen, vanMedinanaar elders te gaan wonen, en die dagelijks voortgingen, tot zij afgodendienaars ontmoetten. Het oordeel der Muzelmannen was verdeeld, daar zij niet wisten, of zij die menschen als huichelaars en ongeloovigen moesten aanzien, dan wel als geloovigen, die het toeval te midden der ongeloovigen had geworpen.66Dit zijn, naar men zegt, de leden van den stam Modlaj, die totMahomettoetraden, maar niet gedwongen wilden zijn, hem in den oorlogbijte staan.67Dat is: bij ongeluk en zonder opzet. Deze plaats werd geopenbaard om het geval vanAyash Ebn Abi Rabiate beslissen, de broeder van moeders zijde vanAboe Jahl, die eensHareth Ebn Zeïddoodde, toen hij hem op den weg ontmoette, niet wetende, dat hij het Mahomedanisme, had omhelsd (AlBeidâwi).68Deze bloedprijs moet verdeeld worden ingevolge de wet der erfenissen, in het begin van dit hoofdstuk voorkomende (AlBeidâwi).69En er zal geen bloedprijs worden betaald; omdat in dit geval zijne bloedverwanten, als ongeloovigen en in verklaarden krijg met de Moslems zijnde, geen recht hebben om te erven wat hij heeft nagelaten.70Dat is: tot hij berouw gevoelt. Anderen echter meenen dat hier van geen eeuwige verdoemenis sprake is (daar, volgens de algemeene leer der Mahomedanen, niemand die tot dat geloof behoort, eeuwig in de hel zal blijven), maar alleen gedurende langen tijd (AlBeidâwi).71Het gebeurde zeer dikwijls, dat de Mahomedanen, op hunne tochten, menschen ontmoetten, die zij niet kenden, en welke zij doodden. De aanvallers zeiden, om zich te verdedigen, dat het ongeloovigen waren; terwijl zij hen slechts als ongeloovigen behandelden, om hen te berooven.72Hiermede worden de Arabieren bedoeld, die, na den Islam teMekkate hebben omhelsd, niet uittrokken, uithoofde dit moest geschieden om de betrekkingen met de afgodendienaars af te breken, maar deze betrekkingen veeleer onderhielden. Volgens anderen zijn zij de zwakken, omdat zij niet in staat zouden zijn te vluchten, en gedwongen zijn de ongeloovigen in den oorlog te volgen. De engelen, waarvan hier wordt gesproken, zijn de twee engelen, die de dooden in hunne graven bezoeken.73Zoo als zij deden, die naarEthiopiëenMedinavluchtten.74VolgensAl Beidâwiwerd deze plaats geopenbaard tengevolge van het gebeurde metJondob Ebn Dampa. Deze persoon werd op zijne vlucht ziek, en dientengevolge door zijne zonen op een rustbed gedragen; maar voor hij teMedinaaankwam, voelde hij zijn einde naderen. Hij sloeg met zijn rechterhand op zijne linker en stierf, na vooraf plechtig zijn geloof aan God en diens gezant te hebben betuigd.75Het Mahomedaansche gebed bestaat in kniebuigingen,rikaen aanbiddingen,soedjoed, die daarin gelegen zijn, dat men het aangezicht ter aarde buigt.76Tima Abn Obeirak, een zoon vanDhafar, en een vanMahometsmakkers, stal een maliënkolder van zijnen buurmanKitâda Ebn al Noman, verborg dien in eene mand met meel en verkocht dit bij een jood,Zeid Ebn al Samingenaamd. Daar menTimaverdacht hield, vroeg men hem om den maliënkolder, maar hij ontkende er iets van te weten, men volgde echter het spoor van het meel, dat door eene opening der mand was gevallen, welk spoor naar het huis vanZeidleidde: daar vond men het gestolene en beschuldigde hem van den diefstal:Zeidbracht echter onderscheidene getuigen, die verklaarden dat hij den kolder vanTimahad gekocht; de zonen vanDhafarkwamen daarop totMahomet, en verlangden, dat hij zijn makker tegen de beschuldiging verdedigen enZeidveroordeelen zou. Daar hij nu eenigszins gedwongen was daaraan toe te geven, werd deze plaats geopenbaard, waarin zijn onbezonnen voornemen gelaakt en hem geboden werd, niet te diens nadeele en volgens zijne neiging, maar volgens den aard der zaak te oordeelen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Yahya).77Al Beidâwivoegt er, als een voorbeeld van de goddelijke rechtvaardigheid, bij, datTimana het bovenvermelde feit, naarMekkavlood, weder den afgodendienst omhelsde, en daar onder den muur van een huis doorgroef, met het doel om te stelen. De muur stortte echter in en doodde hem.78Dat is: als zij in het geheim middelen aanwenden, door valsche getuigenis, of op andere wijze, om hunne misdaden op onschuldige personen te werpen.79Hier wordt op de zonen vanDhafargedoeld.80Door u te onderrichten in de kennis van het goed en het kwaad en de lessen der rechtvaardigheid.81De Arabieren aanbadenAllat,al UzzaenMenat, die zij voor dochters van God hielden.82Of, zoo als het letterlijk luidt: een gedeelte, bestemd of voorbestemd om door mij verleid te worden.83Hetwelk door de oude afgodendienende Arabieren uit bijgeloof werd gedaan. De noten der vijfde Soera vermelden meer omtrent deze gewoonte.84Hetzij door die te verlammen, of tot doeleinden aan te wenden, waartoe zij niet door God bestemd is.Al Beidâwiveronderstelt, dat de tekst hier niet alleen doelt op de bijgeloovige gewoonte van de ooren en andere gedeelten van het vee af te snijden, maar ook op de castratie van slaven, het merken hunner lichamen met figuren, die geprikt en daarna met weede of indigo werden ingewreven, gelijk de Arabieren deden en nog doen, het scherpen hunner tanden, door die af te vijlen, zoo ook sodomie en de onnatuurlijke driften tusschen vrouwen, het aanbidden der zon, maan en andere natuurlichamen enz.85Dat is: door Gods dienst te verlaten en de werken des duivels te verrichten.86Deze woorden kunnen ook in toestemmenden zin worden opgevat, daar de zin van den tekst hier zeer twijfelachtig is door het woordjean, dat vooral in den Koran, zoowel in toestemmenden als ontkennenden zin wordt gebezigd. Men kan dus hier even goed zeggen, wie gij niet geeft... en die gij weigert te huwen, als: aan wie gij niet geeft... en die gij wilt huwen.87Door der vrouw een deel van haren bruidschat te geven, of andere verplichtingen omtrent haar te voldoen.88Dit beteekent: daar gij van haar niet even als van eene gehuwde vrouw kunt genieten, moet gij sommige maatregelen van rechtvaardigheid omtrent haar in acht nemen; want indien een man niet geheel in staat is aan zijne plichten te voldoen, moet hij die echter daarom niet geheel verwaarloozen (Al Beidâwi.)89Of gelijk een, die nooit een echtgenoot had, noch gescheiden is, en de vrijheid heeft een ander te huwen.90Dat is: hij zal den man en vrouw doen vinden, die hem beter behaagt, en aan de vrouw een’ anderen man, die het verlies zal vergoeden van hem, die haar heeft verstooten.91Daar hij den dienst van geen schepsel behoeft.92Zie dezesde Soera.93Dat is: hebben wij u niet bijgestaan? Geef ons dus een deel van den buit (Al Beidâwi).94Dat wil zeggen: met de tong en niet met het hart.95Hinkende tusschen twee gedachten, en noch van de Moslems, noch van de ongeloovigen standvastige vrienden zijnde.96Dit verhaal schijnt een toevoegsel te zijn tot hetgeenMozesvan de zeventig oudsten zegt, die met hem,Aäron,NadabenAbihuden berg bestegen en den God van Israël zagen. Exodus XXIV : 9, 10, 11.97Zie de2e Soera, vers 48.98Zie ibid, v. 51.99Zie ibid, v. 60.100Zie ibid, v. 55.101Jallalo’ddinleidt uit dit woord af, dat aan het einde van dezen volzin de woorden: daarom hebben wij hen gevloekt, of iets dergelijks ontbreekt.102Door haar van ontucht te beschuldigen.103Zie de3e Soeravers 48 en de bijgevoegde noten.104Sommigen houden namelijk vol, dat hij inderdaad en te recht werd gekruisigd: anderen beweren, dat hij nietJezuswas, maar een ander, wiens aangezicht op het zijne geleek, terwijl de overige deelen van zijn lichaam zoo zeer verschilden, dat zij het bedrog volkomen bewezen. Sommigen zeggen, dat hij in den hemel werd opgenomen, en anderen, dat zijn menschelijk gedeelte alleen heeft geleden en zijne goddelijkheid naar den hemel opsteeg. (Al Beidâwi).105Volgens een overlevering vanHejâj, strijken de engelen, als een Jood sterft, hem over den rug en het aangezicht, terwijl zij tot hem zeggen: o, gij vijand van God!Jezuswas als een profeet tot u gezonden, en gij geloofdet niet in hem, waarop hij zou antwoorden: Thans geloof ik van hem dat hij de man Gods is; en tot den stervenden Christen zeggen zij:Jezuswas als een profeet tot u gezonden, en gij hebt hem toegedicht God, of de zoon van God te zijn: waarna hij gelooven zal, dat die slechts de dienaar van God en zijn apostel is, en dat derhalve de onderstelling, datJezuseen zoon van God of zelf een God zij, zonde tegen den eenigen God is, terwijl ieder voor zijn dood aanMahometzal gelooven.106Dat is: tegen de Joden, die hem geheel verwerpen, en tegen de Christenen, die hem God en den zoon van God noemen (Al Beidâwi).107In geschenken, tot het omkoopen der rechters of andere slechte gebruiken.108Zoo alsAbdallah Ebn Salâmen zijne makkers (Al Beidâwi).109Hetzij doorJezusgeheel te verwerpen en te loochenen, zooals de Joden doen, hetzij door hem tot de gelijkheid met God te verheffen, zooals de Christenen (Al Beidâwi.)110Namelijk God,JezusenMaria(Al Beidâwi,Jallalo’ddinYahya). De Oostersche schrijvers maken melding van eene Christelijke secte, die gelooft, dat de drieëenheid uit deze is samengesteld (Elmacim, p. 227,Eutych, p. 120), maar men meent, dat deze ketterij reeds sedert lang is verdwenen (Ahmed Ebn Abd’al Halim). Deze plaats is echter eveneens tegen de drieëenheid gemunt, zooals die volgens de leer der orthodoxe Christenen bestaat, welke, zooalsAl Beidâwizegt, er aan gelooven, dat de Godheid uit drie personen bestaat; de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Door den Vader verstaat men namelijk Gods wezen, door den Zoon, zijne kennis en door den Heiligen Geest, zijn leven.111VolgensSavaryaldus: Wel verre van een’ zoon te hebben, regeert hij alleen den hemel en de aarde. Hij is zichzelven toereikend.112Dat isMahometen zijn’ Koran.113Zijnde tot den Islamitischen godsdienst in deze wereld, en tot het het paradijs in de toekomstige.114De andere helft wordt in de openbare schatkist gestort.115Dat is: hij zal hare geheele bezetting erven.

1Dit hoofdstuk werd met dien naam bestempeld, omdat het hoofdzakelijk over zaken handelt met vrouwen in verband staande, zooals huwelijken, echtscheidingen, enz.

2De Arabieren hadden namelijk de gewoonte, bij het vragen van iets, te zeggen: “In Gods naam, doe of zeg mij iets.”

3Letterlijk vertaald, zou dit moeten zijn: de ingewanden.

4Dat wil zeggen: neem niet wat gij van waarde onder hunne goederen vindt, voor uw gebruik, door daarvoor iets van mindere waarde in de plaats te geven.

5De uitleggers vatten deze plaats verschillend op. De ware beteekenis schijnt de hier opgegevene te zijn.

6Oorspronkelijk staat hier:Wat uwe rechterhanden hebben verworven, zijnde de bepaalde uitdrukking, om een slaaf, die men voor geld heeft gekocht, of een door den krijg verworvene aan te duiden. Uit dit vers blijkt voorts, dat slavinnen geen zoo grooten bruidschat, of zooveel van onderhoud als vrije vrouwen kostten, waardoor de man onderscheidene der eerste, even gemakkelijk als eene der laatste kon bezitten.

7Het is noodig hier te doen opmerken (en deze opmerking geldt voor alle gelijkluidende plaatsen in den Koran), dat het woordsadoeka, dat gewoonlijk metbruidschatwordt vertaald, het geld is, of de voorwerpen van waarde, die de man aan de ouders der vrouw schenkt welke hij huwt. Het is dus niet de vrouw die haren man iets aanbrengt, maar de man geeft haar een bruidschat.

8Met dit woord worden de minderjarige weezen bedoeld, die in staat zouden zijn een slecht gebruik van hunne erfenis te maken en haar te verspillen.

9Dat is: onderzoekt of zij goed bekend zijn met de grondbeginselen van den godsdienst, en draagt voldoende zorg voor het waarnemen hunner zaken. Onder deze uitdrukking is tevens de plicht van den voogd begrepen, om zijne pupillen te onderrichten.

10Of den ouderdom van rijpheid, die algemeen op vijftien jaren is bepaald; eene beslissing die door eene overlevering vanMahometwordt gestaafd.Aboe Hanofahhoudt echter den achttienjarigen ouderdom voor den geschikten (AlBeidâwi).

11Zoodat zij spoedig den ouderdom zullen bereikt hebben, om alles te ontvangen wat hun toekomt.

12Dat is: niet meer dan eene voldoende belooning voor de moeite, door hunne opvoeding veroorzaakt.

13Dit voorschrift werd gegeven, om eene bij de afgodendienende Arabieren bestaande gewoonte af te schaffen, volgens welke vrouwen noch kinderen eenig deel van de erfenis van hunnen echtgenoot of vader mochten ontvangen, op grond dat alleen zij mochten erven, die in staat waren ten oorlog te gaan (AlBeidâwi).

14Zijnde: Houdt immer het lot uwer eigene kinderen voor oogen, terwijl gij u met kinderen bezighoudt, die door anderen zijn achtergelaten; en handelt zooals gij zoudt willen dat men met de uwen handelde.

15Dit is de algemeene regel, welke bij de verdeeling der nalatenschap van den overledene moet worden gevolgd, gelijk men uit de daarna opgegevene gevallen zal zien.

16Of: indien er twee en niet meer zijn zullen zij hetzelfde deel ontvangen.

17En het overblijvende derde gedeelte, of de overblijvende helft der nalatenschap, waarover hier niet uitdrukkelijk wordt beschikt, of wel, indien de overledene vader noch zoon achterlaat, vervalt aan de openbare schatkist. Sommigen over deze plaats van den Koran sprekende, zeggen verkeerdelijk, dat, indien er een zoon en eene eenige dochter achterblijft, ieder hunner de helft ontvangt. Wel kan de dochter de eene helft ontvangen, doch alleen in het geval dat er geen zoon achterblijft; want in gevolge van bovenstaand voorschrift, kan zij slechts een derde ontvangen, indien er een zoon achterblijft.

18En zijn vader bijgevolg de twee anderen derden (AlBeidâwi).

19Op deze en volgende plaatsen worden hoofdzakelijk met het woord legaten, diegene bedoeld, welke tot vrome doeleinden zijn bestemd, daar het geene gewoonte bij de Mahomedanen is, dat een persoon aan niemand anders dan aan zijn gezin en naaste betrekkingen zijn vermogen achterlaat.

20Dit dient bij contract, of op eene andere, bijzondere wijze bepaald te zijn.

21Hier, en in het volgende geval, ontvangen de broeder en de zuster gelijke deelen, hetgeen eene uitzondering op den algemeenen regel is, volgens welken de mannelijke erfgenaam het dubbele van de vrouwelijke ontvangt. Hiervoor wordt als reden opgegeven, de kleinheid der deelen die zulk een nauwkeurigheid in de verdeeling niet toelaat. In andere gevallen echter wordt de regel, zoowel omtrent broeder en zuster als nopens andere betrekkingen, volgehouden.

22Hiermede wordt zoowel hoereeren als overspel bedoeld. Het woordnica, vrouwen, heeft hier niet strikt de beteekenis van echtgenooten: het woord, dat men gewoonlijk gebruikt om overspel aan te duiden, iszina. In het begin der invoering van het Islamismus, werd de schuldige vrouw ingemetseld; eene straf, die echter niet bij den Koran was bepaald. Men heeft dit later, voor eene ongehuwde vrouw, door zweepslagen en verbanning vervangen. Wat het overspel betreft, zoo is de overlevering, die de steeniging vorderde, door de bepalingen van den Koran (Soera XXIV, vers 2–10) vernietigd.

23Men gelooft dat hiermede sodomie of pederastie wordt bedoeld. Oorspronkelijk zegt de Koran: Doe hun kwaad of schade, waaruit eenigen opmaken, dat men hen alleen in het openbaar berispen (Jallalo’ddin,Yahya,Aboe’l,Kasem Heba Tallah,Al Beidâwi), of hen met de pantoffels om het hoofd slaan moet(Jallalo’ddin,AlBeidâwi), hetgeen in het Oosten als eene groote beleediging geldt, terwijl anderen (AlBeidâwi) zeggen, dat zij gegeeseld moeten worden.

24Zooals ongehoorzaamheid, ongemanierdheid en dergelijke (AlBeidâwi.)

25Dat is: indien gij van een vrouw scheidt om eene andere vrouwte huwen, ontneem dan der vrouw, welke gij verlaat, de huwelijksgift van honderd dinars niet, welke zij van u heeft ontvangen.

26ZieSoera II, v. 229,231,238,242.

27Woordelijk: uwe moeders die u hebben gezoogd. Een der uitleggers zegt bij deze plaats: God heeft het zogen zoo zeer met het moederschap vereenzelvigd, dat hij de min moeder noemde.

28Men mocht niet raken aan hetgeen reeds was geschied, en zoodoende der wet eene terugwerkende kracht geven.

29Volgens deze plaats is het niet geoorloofd, eene vrije vrouw te huwen, die reeds gehuwd is, hetzij zij al of niet tot den Mahomedaanschen godsdienst behoort, behalve wanneer zij door echtscheiding wettig van haren man mocht zijn gescheiden; maar het is wettig degene te huwen, die slavinnen of in den oorlog genomen zijn, nadat zij de bijzondere zuiveringen zullen hebben ondergaan, niettegenstaande hare echtgenooten mochten leven. Volgens de beslissing vanAboe Hanifahis het nog onwettig, zulke vrouwen te huwen, wier echtgenooten gevangen genomen zijn, of, op dat tijdstip, zich tegelijk met haar in slavernij bevinden.

30Dat is: Bepaal haar heuren bruidschat.

31Het Arabische woordmonsanatbeteekent eigenlijk bewaardevrouwen; zijnde de vrouwen die onder de macht van een man staan en zeer ingetogen in hare manieren zijn; vrouwen van goeden huize, vrije vrouwen (Al Beidâwi).

32Volgens sommigen beteekent dit: Wees tevreden met de verklaring van haar welke gij huwt, zonder heure overtuiging geweld aan te willen doen.

33Zijnde alle uitAdamen hetzelfde geloof voortgekomen. (Al Beidâwi).

34De reden hiervan is, dat zij verondersteld worden, geene zoo goede opvoeding te hebben genoten. Daarom ontvangt eene slavin in zulk een geval vijftig slagen en wordt zij voor een half jaar gebannen; zij wordt echter niet gesteenigd, daar dit eene straf is, die niet voor de helft kan worden opgelegd. (Al Beidâwi).

35Dat is: gebruikt het niet voor dingen door God verboden, zoo als woeker, enz. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin); maar gij moogt het goed van anderen door arbeid, handel, enz. wettig bezitten.

36Letterlijk; Doodt uwe zielen niet, dat is, zegtJallalo’ddin: door doodelijke zonden, of zulke misdaden te bedrijven, waardoor zij eeuwig zullen vernietigd worden. Anderen zijn echter van meening, dat zelfmoord, gelijk de ongeloovige Indianen deden en nog doen, ter eere hunner afgodsbeelden, of ook eenigen waren geloovigen het leven te benemen, door deze plaats wordt verboden (Al Beidâwi). Intusschen schijnt het begin van het vers aan te duiden, dat hier niet alleen van zelfmoord sprake kan zijn.

37Al Beidâwiberekent, op grond eener overlevering vanMahomet, dat deze zonden zeven in getal zijn, en wel: afgodendienst, moord, valsche beschuldiging van eerbare vrouwen van overspel, het vermogen van weezen verspillen, woeker, desertie bij een godsdienstigen tocht en ongehoorzaamheid jegens ouders.

38Dit voorschrift is overeenkomstig een oude gewoonte der Arabieren, volgens welke, indien twee personen innige vriendschap of een bondgenootschap hebben aangegaan, die overlevende vriend een zesde deel van des overledenen nalatenschap ontvangt. Dit werd echter volgensJallalo’ddinenZamakhshari, afgeschaft, ten minste wat de ongeloovigen betreft. Ook kan deze plaats zóó worden opgevat, als ware daar slechts sprake van een bijzondere verbintenis, volgens welke de overlevende een zeker deel der bezittingen van den eerst stervende ontvangt. (AlBeidâwi).

39Zoowel door de bezittingen harer echtgenooten voor verlies en verwoesting te behouden, als zich zelve voor alle onkuischheid. (AlBeidâwi,Jallalo’ddin).

40Dat is: Bant haar van uw bed.

41Op deze plaats wordt het den Mahomedanen duidelijk geboden, hunne vrouwen te tuchtigen, in geval van halsstarrige ongehoorzaamheid, maar op geene hevige of gevaarlijke wijze (AlBeidâwi.)

42Dat is: Laat de magistraten eerst twee scheidsrechters zenden: een van iedere zijde, om het verschil uit te maken, en zoo mogelijk de kwade gevolgen eener openlijke breuk te voorkomen.

43Afgoden.

44Die tot uw eigen volk, of uw eigen geloof behoort.

45Dit heeft zoowel betrekking op de belooning, welke men wegens goede daden heeft verdiend, als op de strenge straf voor begane zonden. Integendeel zal hij eerstgenoemden in het toekomstige leven ver boven hunne verdiensten beloonen. Het Arabische woordaharra, hetwelk eigenlijk eene soort van kleine mieren is, doch hier door het woord atoom werd vertaald, wordt gebruikt om iets aan te duiden dat bijzonder klein is.

46Deze wijze van reiniging wordtteimemoemgenoemd.

47Ra’ina. Zie omtrent dit woordsoera II. vers 98.

48Dit is: dat er slechts een zeer klein getal Joden zijn, die het Mahomedanisme hebben omhelsd.

49Ziesoera II, vers 61.

50Dit is de letterlijke vertaling van den tekst. Deze plaats wordt echter op twee wijzen verklaard: den verdoemden zal den hals worden omgedraaid, zoodat wat van voren was van achteren zal komen; of wel de gelaatstrekken, de mond, de neus zullen uitgewischt en geëffend worden, zooals het achtergedeelte van het hoofd is.

51Woordelijk: Hij zal vergeven wat dezerzijds is. Dat is: de zonde der afgodendienst is de grootste der zeven hoofdzonden.

52Dat is: De Joden en Christenen, die zich zelven de kinderen Gods en zijn bemind volk noemen. (AlBeidâwi,Jallalo’ddin).

53Hier staat oorspronkelijk: inJibt(ofDjibt) enThagut. Eerstgenoemd woord wordt verondersteld de eigennaam van een afgod te zijn geweest; het schijnt echter veeleer de meer algemeene naam van een of andere valsche godheid te zijn. Van laatstgenoemd woord gaven wij reeds eene uitlegging. Ziesoera II vers 259.

54Dat is: Raadpleegt den Koran, die Gods woord is.

55Dat is: Voor de rechtbanken van ongeloovigen. Deze plaats is haar ontstaan aan de volgende opmerkenswaardige gebeurtenis verschuldigd. Zekere Jood had twist met een goddeloozen Mahomedaan, welke laatste de beslissing vanCoab abn el Ashraf, een voornaam Jood, en de eerste die van Mahomet inriep. Ten laatste kwamen zij echter overeen, de zaak alleen aan den profeet te onderwerpen, die haar ter gunste van den Jood uitwees: de Mahomedaan weigerde in deze beslissing te berusten, en achtte het noodig de zaak doorOmar, later Kalif, op nieuw te doen onderzoeken. Toen zij tot hem kwamen, verhaalde de jood hem, datMahometde zaak reeds te zijner gunste had beslist, maar dat de Mahomedaan zich niet aan die uitspraak wilde onderwerpen. Toen nu de Mahomedaan bekende, dat dit de waarheid was, verzochtOmarhun, even te wachten, en nadat hij zijn zwaard had getrokken, sloeg hij den halsstarrigen Mahomedaan het hoofd af, uitroepende: Dit is de belooning voor hem, die weigert zich aan de uitspraak van God en zijnen gezant te onderwerpen. Door deze daad verkreegOmarden bijnaam vanAlFarûk, hetgeen niet alleen doelt op descheidingvan des schelms hoofd van zijn lichaam, maar ook daarop dat hij leugen en waarheid van elkander wist teonderscheiden. (Jallalo’ddin,AlBeidâwi,d’Herbelot.Bibl. Orient, p. 688 enOckley,Hist. of the Sarac., p. 365.) Daarom schijnt dan ook de naam vanThaguthier aanCoab abn el Ashrafte zijn gegeven. Ziesoera II, vers 259.

56Dit was namelijk de verontschuldiging der vrienden van den Mahomedaan, dienOmarhad gedood, toen zij voldoening voor diens bloed kwamen vragen. (Al Beidâwi).

57Door goddeloos te handelen, en de uitspraak van ongeloovigen in te roepen.

58Dat is: Weest waakzaam, en voorziet u zelven van wapenen en benoodigdheden.

59Daar geen mensch het slagveld mocht verlaten, dan nadat hij als martelaar was gevallen, of eenig voordeel voor de zaak had behaald (Al Beidâwi).

60Woordelijk trekt uwe handen terug, d.i. raakt geenerlei arbeid aan.

61Dat is: Den natuurlijken dood.

62Op deze wijze werd door velen, die niet totMahometsvolgelingen behoorden, aan hem de duurte der levensmiddelen toegeschreven, toen hij naarMedinaging, hetgeen gemakkelijk kan worden uitgelegd, door de talrijkheid der personen, die tot zijn gevolg behoorden.

63Men moet deze woorden niet opvatten, als waren zij in tegenspraak met de voorafgaande: dat alles van God komt; daar het kwaad dat over de menschen komt, hoewel door God bevolen, nochtans het gevolg van hunne eigene slechte daden is.

64Dat is: indien God zijnen gezant niet met den Koran had gezonden, om u in uwen tongval te onderrichten, zoudt gij in uwe afgodendienst zijn voortgegaan, en tot verderf gedoemd zijn; diegenen alleen uitgezonderd, welke door Gods gunst en hun buitengewoon begrip, ware denkbeelden der godheid zouden hebben, zooals bij voorbeeld:Zaid Ebn Amroe Ebn Nofail(zieMillium,de Mohammedanismo ante Moh.h. 311), enWaraka Ebn Nawfal, die, vóór de zending vanMahomet, de afgoden verlieten en slechts één God erkenden (AlBeidâwi).

65Dit heeft betrekking op hen, dieMahometverlof vroegen, vanMedinanaar elders te gaan wonen, en die dagelijks voortgingen, tot zij afgodendienaars ontmoetten. Het oordeel der Muzelmannen was verdeeld, daar zij niet wisten, of zij die menschen als huichelaars en ongeloovigen moesten aanzien, dan wel als geloovigen, die het toeval te midden der ongeloovigen had geworpen.

66Dit zijn, naar men zegt, de leden van den stam Modlaj, die totMahomettoetraden, maar niet gedwongen wilden zijn, hem in den oorlogbijte staan.

67Dat is: bij ongeluk en zonder opzet. Deze plaats werd geopenbaard om het geval vanAyash Ebn Abi Rabiate beslissen, de broeder van moeders zijde vanAboe Jahl, die eensHareth Ebn Zeïddoodde, toen hij hem op den weg ontmoette, niet wetende, dat hij het Mahomedanisme, had omhelsd (AlBeidâwi).

68Deze bloedprijs moet verdeeld worden ingevolge de wet der erfenissen, in het begin van dit hoofdstuk voorkomende (AlBeidâwi).

69En er zal geen bloedprijs worden betaald; omdat in dit geval zijne bloedverwanten, als ongeloovigen en in verklaarden krijg met de Moslems zijnde, geen recht hebben om te erven wat hij heeft nagelaten.

70Dat is: tot hij berouw gevoelt. Anderen echter meenen dat hier van geen eeuwige verdoemenis sprake is (daar, volgens de algemeene leer der Mahomedanen, niemand die tot dat geloof behoort, eeuwig in de hel zal blijven), maar alleen gedurende langen tijd (AlBeidâwi).

71Het gebeurde zeer dikwijls, dat de Mahomedanen, op hunne tochten, menschen ontmoetten, die zij niet kenden, en welke zij doodden. De aanvallers zeiden, om zich te verdedigen, dat het ongeloovigen waren; terwijl zij hen slechts als ongeloovigen behandelden, om hen te berooven.

72Hiermede worden de Arabieren bedoeld, die, na den Islam teMekkate hebben omhelsd, niet uittrokken, uithoofde dit moest geschieden om de betrekkingen met de afgodendienaars af te breken, maar deze betrekkingen veeleer onderhielden. Volgens anderen zijn zij de zwakken, omdat zij niet in staat zouden zijn te vluchten, en gedwongen zijn de ongeloovigen in den oorlog te volgen. De engelen, waarvan hier wordt gesproken, zijn de twee engelen, die de dooden in hunne graven bezoeken.

73Zoo als zij deden, die naarEthiopiëenMedinavluchtten.

74VolgensAl Beidâwiwerd deze plaats geopenbaard tengevolge van het gebeurde metJondob Ebn Dampa. Deze persoon werd op zijne vlucht ziek, en dientengevolge door zijne zonen op een rustbed gedragen; maar voor hij teMedinaaankwam, voelde hij zijn einde naderen. Hij sloeg met zijn rechterhand op zijne linker en stierf, na vooraf plechtig zijn geloof aan God en diens gezant te hebben betuigd.

75Het Mahomedaansche gebed bestaat in kniebuigingen,rikaen aanbiddingen,soedjoed, die daarin gelegen zijn, dat men het aangezicht ter aarde buigt.

76Tima Abn Obeirak, een zoon vanDhafar, en een vanMahometsmakkers, stal een maliënkolder van zijnen buurmanKitâda Ebn al Noman, verborg dien in eene mand met meel en verkocht dit bij een jood,Zeid Ebn al Samingenaamd. Daar menTimaverdacht hield, vroeg men hem om den maliënkolder, maar hij ontkende er iets van te weten, men volgde echter het spoor van het meel, dat door eene opening der mand was gevallen, welk spoor naar het huis vanZeidleidde: daar vond men het gestolene en beschuldigde hem van den diefstal:Zeidbracht echter onderscheidene getuigen, die verklaarden dat hij den kolder vanTimahad gekocht; de zonen vanDhafarkwamen daarop totMahomet, en verlangden, dat hij zijn makker tegen de beschuldiging verdedigen enZeidveroordeelen zou. Daar hij nu eenigszins gedwongen was daaraan toe te geven, werd deze plaats geopenbaard, waarin zijn onbezonnen voornemen gelaakt en hem geboden werd, niet te diens nadeele en volgens zijne neiging, maar volgens den aard der zaak te oordeelen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Yahya).

77Al Beidâwivoegt er, als een voorbeeld van de goddelijke rechtvaardigheid, bij, datTimana het bovenvermelde feit, naarMekkavlood, weder den afgodendienst omhelsde, en daar onder den muur van een huis doorgroef, met het doel om te stelen. De muur stortte echter in en doodde hem.

78Dat is: als zij in het geheim middelen aanwenden, door valsche getuigenis, of op andere wijze, om hunne misdaden op onschuldige personen te werpen.

79Hier wordt op de zonen vanDhafargedoeld.

80Door u te onderrichten in de kennis van het goed en het kwaad en de lessen der rechtvaardigheid.

81De Arabieren aanbadenAllat,al UzzaenMenat, die zij voor dochters van God hielden.

82Of, zoo als het letterlijk luidt: een gedeelte, bestemd of voorbestemd om door mij verleid te worden.

83Hetwelk door de oude afgodendienende Arabieren uit bijgeloof werd gedaan. De noten der vijfde Soera vermelden meer omtrent deze gewoonte.

84Hetzij door die te verlammen, of tot doeleinden aan te wenden, waartoe zij niet door God bestemd is.Al Beidâwiveronderstelt, dat de tekst hier niet alleen doelt op de bijgeloovige gewoonte van de ooren en andere gedeelten van het vee af te snijden, maar ook op de castratie van slaven, het merken hunner lichamen met figuren, die geprikt en daarna met weede of indigo werden ingewreven, gelijk de Arabieren deden en nog doen, het scherpen hunner tanden, door die af te vijlen, zoo ook sodomie en de onnatuurlijke driften tusschen vrouwen, het aanbidden der zon, maan en andere natuurlichamen enz.

85Dat is: door Gods dienst te verlaten en de werken des duivels te verrichten.

86Deze woorden kunnen ook in toestemmenden zin worden opgevat, daar de zin van den tekst hier zeer twijfelachtig is door het woordjean, dat vooral in den Koran, zoowel in toestemmenden als ontkennenden zin wordt gebezigd. Men kan dus hier even goed zeggen, wie gij niet geeft... en die gij weigert te huwen, als: aan wie gij niet geeft... en die gij wilt huwen.

87Door der vrouw een deel van haren bruidschat te geven, of andere verplichtingen omtrent haar te voldoen.

88Dit beteekent: daar gij van haar niet even als van eene gehuwde vrouw kunt genieten, moet gij sommige maatregelen van rechtvaardigheid omtrent haar in acht nemen; want indien een man niet geheel in staat is aan zijne plichten te voldoen, moet hij die echter daarom niet geheel verwaarloozen (Al Beidâwi.)

89Of gelijk een, die nooit een echtgenoot had, noch gescheiden is, en de vrijheid heeft een ander te huwen.

90Dat is: hij zal den man en vrouw doen vinden, die hem beter behaagt, en aan de vrouw een’ anderen man, die het verlies zal vergoeden van hem, die haar heeft verstooten.

91Daar hij den dienst van geen schepsel behoeft.

92Zie dezesde Soera.

93Dat is: hebben wij u niet bijgestaan? Geef ons dus een deel van den buit (Al Beidâwi).

94Dat wil zeggen: met de tong en niet met het hart.

95Hinkende tusschen twee gedachten, en noch van de Moslems, noch van de ongeloovigen standvastige vrienden zijnde.

96Dit verhaal schijnt een toevoegsel te zijn tot hetgeenMozesvan de zeventig oudsten zegt, die met hem,Aäron,NadabenAbihuden berg bestegen en den God van Israël zagen. Exodus XXIV : 9, 10, 11.

97Zie de2e Soera, vers 48.

98Zie ibid, v. 51.

99Zie ibid, v. 60.

100Zie ibid, v. 55.

101Jallalo’ddinleidt uit dit woord af, dat aan het einde van dezen volzin de woorden: daarom hebben wij hen gevloekt, of iets dergelijks ontbreekt.

102Door haar van ontucht te beschuldigen.

103Zie de3e Soeravers 48 en de bijgevoegde noten.

104Sommigen houden namelijk vol, dat hij inderdaad en te recht werd gekruisigd: anderen beweren, dat hij nietJezuswas, maar een ander, wiens aangezicht op het zijne geleek, terwijl de overige deelen van zijn lichaam zoo zeer verschilden, dat zij het bedrog volkomen bewezen. Sommigen zeggen, dat hij in den hemel werd opgenomen, en anderen, dat zijn menschelijk gedeelte alleen heeft geleden en zijne goddelijkheid naar den hemel opsteeg. (Al Beidâwi).

105Volgens een overlevering vanHejâj, strijken de engelen, als een Jood sterft, hem over den rug en het aangezicht, terwijl zij tot hem zeggen: o, gij vijand van God!Jezuswas als een profeet tot u gezonden, en gij geloofdet niet in hem, waarop hij zou antwoorden: Thans geloof ik van hem dat hij de man Gods is; en tot den stervenden Christen zeggen zij:Jezuswas als een profeet tot u gezonden, en gij hebt hem toegedicht God, of de zoon van God te zijn: waarna hij gelooven zal, dat die slechts de dienaar van God en zijn apostel is, en dat derhalve de onderstelling, datJezuseen zoon van God of zelf een God zij, zonde tegen den eenigen God is, terwijl ieder voor zijn dood aanMahometzal gelooven.

106Dat is: tegen de Joden, die hem geheel verwerpen, en tegen de Christenen, die hem God en den zoon van God noemen (Al Beidâwi).

107In geschenken, tot het omkoopen der rechters of andere slechte gebruiken.

108Zoo alsAbdallah Ebn Salâmen zijne makkers (Al Beidâwi).

109Hetzij doorJezusgeheel te verwerpen en te loochenen, zooals de Joden doen, hetzij door hem tot de gelijkheid met God te verheffen, zooals de Christenen (Al Beidâwi.)

110Namelijk God,JezusenMaria(Al Beidâwi,Jallalo’ddinYahya). De Oostersche schrijvers maken melding van eene Christelijke secte, die gelooft, dat de drieëenheid uit deze is samengesteld (Elmacim, p. 227,Eutych, p. 120), maar men meent, dat deze ketterij reeds sedert lang is verdwenen (Ahmed Ebn Abd’al Halim). Deze plaats is echter eveneens tegen de drieëenheid gemunt, zooals die volgens de leer der orthodoxe Christenen bestaat, welke, zooalsAl Beidâwizegt, er aan gelooven, dat de Godheid uit drie personen bestaat; de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Door den Vader verstaat men namelijk Gods wezen, door den Zoon, zijne kennis en door den Heiligen Geest, zijn leven.

111VolgensSavaryaldus: Wel verre van een’ zoon te hebben, regeert hij alleen den hemel en de aarde. Hij is zichzelven toereikend.

112Dat isMahometen zijn’ Koran.

113Zijnde tot den Islamitischen godsdienst in deze wereld, en tot het het paradijs in de toekomstige.

114De andere helft wordt in de openbare schatkist gestort.

115Dat is: hij zal hare geheele bezetting erven.


Back to IndexNext