Het einde van den Napoleontischen tijd kwam in 1815. Wat zou de nieuwe aera voor Turkije brengen? Er is in de negentiende eeuw in de verhouding van het overige Europa tot dePorte dit verschil op te merken, dat meerdere mogendheden in de lotgevallen van het Turksche rijk belang gingen stellen. Was het in de zeventiende eeuw vooral Oostenrijk, in de achttiende Oostenrijk en Rusland, waarmede Turkije te maken had, nu had ook Engeland zijne aandacht leeren wijden aan wat er op politiek gebied in Zuid-Oost-Europa voorviel en natuurlijk bleef Frankrijk er naar streven zijn invloed te Constantinopel uit te oefenen, zooals het reeds zoo dikwijls gedaan had. Met die belangstelling van alle groote mogendheden—alleen Pruisen bekommerde zich om die aangelegenheden toen weinig; het liep als trouw bondgenoot van Oostenrijk geheel aan den leiband van den Oostenrijkschen kanselier Von Metternich—kreeg de Turksche kwestie een geheel ander aanzien. Een kwestie noemde men het nu en met recht, want, al waren allen het er over eens, dat gegeven de innerlijke zwakheid van de Sultansregeering, de toestand op het Balkan-schiereiland op den duur niet zóó kon blijven als hij was, over de wijze, waarop veranderingen waren aan te brengen, bestond grootelijks verschil van opinie. Iedere stap, die één der mogendheden tegenover de Porte deed, werd door de anderen met de grootste opmerkzaamheid en argwaan gevolgd. Vooral Rusland voer daar slecht bij. Het was duidelijk, dat het slechts op een geschikte gelegenheid wachtte, om een grooten slag te slaan, maar dit werd nu veel moeilijker dan in de achttiende eeuw, want Engeland, dat in Azië de groote tegenstander van het Czarenrijk geworden was, zou dit niet meer dulden. Zóó teer was de zaak reeds, dat men haar op het Weener Congres, waar Napoleon’s politieke erfenis geregeld werd, onaangeroerd liet.Maar er is nog een ander groot verschil tusschen de achttiende en de negentiende eeuw ten opzichte van Turkije. Hadden Rusland of Oostenrijk of beide mogendheden samen in de achttiende eeuw in één hunner oorlogen tegenover de Turken kunnen doortasten, waren ze niet steeds door min of meer toevallige omstandigheden daarvan afgeleid geworden, zij zouden waarschijnlijk zonder veel moeite hunne heerschappij over de in het Balkan-schiereiland wonende Christelijke volken voor de Turksche in de plaats hebben kunnen stellen. Nu het echter zoo lang duurde en toch de zwakheid der Turken aanhoudend duidelijker werd, kregen die volken gelegenheid de vraag van geheele onafhankelijkheid voor zich te overwegen en het bewustzijn, dat geheel vrij te worden voor hen in de toekomst lag, kwam vooral op, toen door de Fransche revolutie overal het woord vrijheid weerklank vond. Ook Rusland had die neiging aangewakkerd, met een bijbedoeling: het zou het protectoraat over de “vrije volken” krijgen, maar—het zou weldra blijken—die volken bedoelden het anders.We vermeldden reeds, dat het optreden der Russen tegenover Turkije in de achttiende eeuw enkele nationale bewegingendeed ontstaan: zoo vooral onder de Roemenen, wier toestand echter ten slotte in hoofdzaak dezelfde was gebleven; alleen had Rusland bij een afzonderlijk verdrag van 1802 gedaan weten te krijgen, dat de hospodars voor den vasten tijd van zeven jaar zouden worden benoemd en dat niet ieder oogenblik nieuwe zouden optreden, terwijl Rusland een zeker toezicht op het bestuur kreeg. Een eerste opstand, die voorloopig succes had, kwam voor onder de Boelgaren (1798), merkwaardig genoeg onder leiding van een Slavischen Muzelman Pashvan-Oghloe, dapper krijgsman en uitstekend aanvoerder, dien de Porte niet heeft kunnen overwinnen. Maar na zijn dood in 1807 werden de Boelgaren onderworpen; voor hen was de tijd nog niet gekomen.Ernstiger was de opstand van de Serviërs in 1804, want deze was zuiver nationaal. Vooral de geweldenarijen der Janitsaren te Belgrado waren de aanleiding. Zelfs vele Turken deden eerst uit weerzin tegen die aanmatigende krijgslieden aan den opstand mede. Maar, toen de Janitsaren uit Belgrado verjaagd waren en de Serviërs bemerkten, wat ze vermochten, toen keerden ze zich tegen alle Turken en vormden zich een eigen regeering. Eén hunner leiders, Kara Georges—evenals de andere leiders behoorende tot een soort Servischen landadel, iets aanzienlijker van stand dan de meeste Servische landbouwers—kwam aan het hoofd; een skoeptchina, volksvergadering, stond hem ter zijde. Servië dacht zich al vrij, maar toen Alexander I, onder wiens bescherming het zich geplaatst had, na den vrede van Boekarest, waarbij hij voor Servië amnestie en eigen bestuur had bedongen, zijne troepen uit het Balkanschiereiland teruggetrokken had, kwam het Turksche leger onder Koerchid-pacha. Kara-Georges moest vluchten, Servië zich onderwerpen (1813). De Serviërs echter, die nu eenmaal de vrijheid gevoeld hadden, kwamen reeds het volgende jaar opnieuw in verzet. Nu werd Miloch Obrenovitch, een ander landedelman, de leider en de strijd eindigde met eenig succes: in 1814 stond de Porte aan de Serviërs eenige voorrechten toe, waardoor ze in geringe mate invloed op het bestuur van hun land kregen. Maar de toezegging, door den sultan bij den vrede van Boekarest gedaan, was nog lang niet vervuld.Roemenen, Boelgaren, Serviërs begonnen—was het wonder, dat het ook onder de Grieken gistte? Min of meer in het geheim werkende genootschappen, als de hetairie der “philikoi”, onder bescherming van Alexander I in Rusland gevestigd, als de Philomuzen, die in de studie der Grieksche oudheid een uitnemend agitatie-middel vonden, bewerkten hen sedert lang. De opstand begon in 1821. De laatste stoot er toe werd gegeven door de in 1820 en 1821 in alle Zuid-Europeesche landen uitbrekende revolutiën, gericht tegen de na Napoleon’s val ingetreden reactie op staatkundig gebied. Die beweging liep in Spanje en de Italiaansche staten op niets uit, want de heiligealliantie, een werktuig in Metternich’s hand, kwam voor het behoud der bestaande regeeringen op. Hoe zou het in Griekenland gaan? Het was een veeg teeken, dat Alexander I, die den Grieken vroeger vele bewijzen van sympathie gegeven had, juist in dezen tijd geheel onder Metternich’s invloed geraakte en de liberale gezindheid, die hij wel eens placht te toonen, geheel had afgelegd. De schadelijke gevolgen daarvan ondervond AlexanderYpsilanti, zoon van een vroegeren Griekschen hospodar van Walachije, die uit Turkije had moeten vluchten en aan het Russische hof opgenomen was, evenals verschillende andere Grieksche ballingen. Hij was het hoofd der hetairie en hij begon den opstand door van uit Rusland met een kleine schaar een inval te doen in de Donauvorstendommen. Maar hij kreeg er niet den minsten steun, want de Roemenen waren verbitterd op de Russen èn om het wegnemen van Bessarabië èn om den zwaren druk, tijdens de Russische bezetting in de Donauvorstendommen uitgeoefend.Ypsilantimoest vluchten, werd in Hongarije gevangen genomen en in Oostenrijk als oproerling opgesloten, zonder dat Alexander I een vinger voor hem uitstak.Toch hebben zijn inval en een door hem uitgevaardigde proclamatie den opstand in Griekenland zelf doen uitbreken en eerst met groot succes. De Turken werden juist elders beziggehouden: een handig man, pacha Ali van Janina of ook wel Ali van Tebelen genoemd naar zijne geboorteplaats, had zich in Albanië een zeer groote autoriteit weten te verschaffen en gedroeg zich zoo goed als onafhankelijk van den sultan en juist, toen deze daaraan een einde wilde maken en Turksche troepen in Albanië vochten, begonnen de Grieken hun opstand. Reeds in 1822 kon te Epidauros een nationale vergadering bijeenkomen, waar de Grieken hun land vrij verklaarden en een republikeinschen staatsvorm aannamen. Daarna begonnen echter de moeilijkheden pas: hevige twisten, burgeroorlog zelfs tusschen de door hun handel meer met Europa in betrekking staande en daardoor meer geciviliseerde kooplieden, die vooral op de eilanden en in enkele steden op het vasteland woonden, geleid door Mavrocordato, en het ruwe landvolk, de klephten, die uit den band sloegen en weinig wilden weten van een geregelden toestand op Europeeschen voet. En onmiddellijk na het onderwerpen van Ali van Janina kwam het Turksche leger onder Koerchid-pacha. Wel mislukte diens eerste aanval om den opstand te dempen (1823), maar toen daagde een ernstiger vijand op: Mehemet-Ali. Deze avonturier, geboortig uit een plaatsje in de buurt van Saloniki, had het vertrouwen van den sultan gewonnen en was door dezen erkend als onderkoning van Egypte (1805), waar hij, vooral na het vernietigen van de Mamelukken (1811), een groote macht kreeg en spoedig de allures aannam van een geheel zelfstandig vorst te zijn. Hij had een degelijke krijgsmacht gevormd, naar Fransch voorbeeldingericht, en hij trachtte langs allerlei wegen Egypte tot bloei te brengen. Tot hem nu wendde Mahmoed II zich om steun tegen de Grieken, evenals hij vroeger gedaan had bij een opstand van een godsdienstige secte, de Ouahabiten in Arabië, die ook werkelijk door Mehemet’s zoon Ibrahim bedwongen was. Tegen belofte van afstand van Creta, terwijl zijn zoon gouverneur van den Peloponesus zou moeten worden, voldeed Mehemet aan het verzoek van zijn suzerein. Hij zelf onderwierp Creta, waar de Grieksche bevolking ook de Turksche heerschappij afgeworpen had, en Ibrahim trok naar den Peloponesus, waar hij weldra aan den opstand zoo goed als geheel een einde maakte (1825). Vereenigd met Rechid-pacha, den nieuwen bevelhebber van het Turksche leger, die in het Noorden den opstand grooten deels gedempt had, ondernam hij het beroemde beleg van Missolonghi, dat na een heldhaftige verdediging in 1826 viel en op een gruwelijke wijze uitgemoord werd. Ook Athene werd ingenomen....de Turken schenen geheel Griekenland weêr te zullen overmeesteren.Nu trad echter een verandering in de politiek der Europeesche mogendheden in, die voor de Porte noodlottig werd. Tot nog toe had Metternich, ofschoon niemand lust voelde de opstandelingen te helpen bestrijden, officieele ondersteuning van hen weten te voorkomen. Maar in 1825 stierf Alexander I en zijn opvolger Nicolaas I stond volstrekt niet onder de betoovering van de heilige alliantie. Onmiddellijk dwong hij Turkije bij het verdrag van Akkerman (1826) tot bevestiging van den vrede van Boekarest, die in enkele opzichten, b.v. in de bepaling aangaande Servië, onuitgevoerd gebleven was. Weldra trad hij ook ten gunste van de Grieken op, daarbij gesteund door Engeland, waar zeer veel sympathie voor het Hellenisme was en waar de regeering onder leiding van Canning de voordeelen inzag, politiek en commercieel, die Engeland zich door partij te kiezen voor de Grieken zou kunnen verwerven, en ook door Frankrijk. Het was vooral een gevolg van de philhellenistische beweging (die door alle landen van Europa ging, een dichter als Byron naar het oorlogsveld dreef en die in Frankrijk buitengewoon sterk was), dat de reactionnaire regeering van koning Karel X een opstand ging begunstigen; de ergerlijke wreedheden, door de Turken in de opwelling van hun fanatisme bedreven, zooals het ophangen van den patriarch te Constantinopel zonder vorm van proces en de uitmoording van de bevolking van het eiland Chios en van Missolonghi hebben die beweging zeer in de hand gewerkt. De drie mogendheden dan verbonden zich (1827), om Turkije tot een wapenstilstand te brengen. De Porte was niet van zins hiernaar te luisteren. Een geallieerde vloot trad toen met geweld op in de baai van Navarino en vernietigde daar zonder veel moeite de Turksch-Egyptische zeemacht. Toen was het pleit spoedig geheel ten gunste van de Grieken beslist. Ofschoon in Engeland naCanning’s dood een meer reactionnair ministerie optrad, dat het optreden van den Engelschen admiraal bij Navarino feitelijk desavoueerde, tastten Rusland en Frankrijk door en de Porte kreeg van geen kant steun; ook niet van Oostenrijk, dat haar daarop had doen hopen. Fransche troepen verdreven de Turken uit den Peloponesus, vanwaar Ibrahim zich teruggetrokken had; een Russisch leger onder Diebitsj trok over den Balkan en bezette Adrianopel (1829). Dit had een ontzettenden invloed te Constantinopel: Hannibal ante portas! en, al verkeerde het leger van Diebitsj in buitengewoon slechten staat, de sultan gaf zich onmiddellijk gewonnen. De vrede van Adrianopel bracht Griekenland zijne vrijheid op den grondslag van een door de mogendheden te Londen opgesteld protocol. De grenzen werden in het Noord-Oosten de golf van Volo, in het Noord-Westen de Aspropotamo; de Cycladen en Euboea behoorden er bij. Niet geheel oud-Griekenland werd dus vrij; vooral het ontbreken van Thessalië en het eiland Creta wekte veel teleurstelling. Door toedoen van de mogendheden werd Griekenland in 1832 een koninkrijk onder Otto, zoon van koning Lodewijk van Beieren; de grens werd toen in het Noord-Westen uitgebreid tot de golf van Arta. De binnenlandsche toestand liet er van den beginne af veel te wenschen over; de verwachtingen op een renaissance van het geestelijk leven werden deerlijk teleurgesteld. Kon het anders na een geschiedenis, als die het oude van het nieuwe Hellas scheidde?Voor Turkije had het einde van dezen oorlog meerdere onaangename gevolgen. Rusland eischte bij den vrede van Adrianopel een belangrijke schadeloosstelling in geld en afstand van de eilanden in de Donau-monding plus verschillende plaatsen in Azië, waaronder Anapa en Poti in Trans-Kaukasië. De vervulling van de belofte ten opzichte van Servië kon nu onmogelijk langer worden uitgesteld en in 1830 kreeg dit land zijne autonomie en zijn eigen leger; Turkije hield alleen suzereine rechten en kreeg een jaarlijksche schatting, Turksche troepen bleven in Belgrado. Miloch Obrenovitch, na den opstand van 1814 steeds het hoofd der Serviërs, werd hun eerste vorst. Verder werden de Donauvorstendommen meer onafhankelijk van Turkije. Uit eigen beweging had de Porte hun als belooning voor het niet opstaan tijdens den inval vanYpsilantilandgenooten tot hospodars gegeven (1822). Bij het verdrag van Akkerman eischte Nicolaas I ontruiming der beide landen door de Turksche troepen, zooals de Porte dit vroeger beloofd had, en bevestiging van zijn officieelen invloed. Te Adrianopel bedong hij geheele autonomie; voortaan zouden ook de Donauvorstendommen alleen schatting aan den sultan betalen, maar—ze bleven voorloopig door Russische troepen bezet en die maakten het er even bont als vroeger de Turksche. Krachtig diplomatiek optreden van Oostenrijk en Engeland was noodig om de Russen in 1834 te noodzaken hunne troepen terug te trekken. Toen pas konden de Roemenen vanhunne autonomie genieten en weldra ontstond hun streven naar geheele onafhankelijkheid zoowel van Turkije als van Rusland. En nog een deel van Turkije rukte zich los: het eiland Samos, dat aan den Griekschen opstand meegedaan had, maar weêr onderworpen was, werd door toedoen van de mogendheden ook een autonoom staatje met dergelijke verplichtingen als Servië en de Donauvorstendommen (1832).Daarbij kwam weldra de twist met Mehemet-Ali, ook al een indirect gevolg van den Griekschen vrijheidsoorlog. De onderkoning van Egypte eischte, nu de Peloponesus voor hem verloren gegaan was, Syrië als schadeloosstelling. Mahmoed II weigerde. Ibrahim rukte op met het Egyptische leger, nam Syrië in bezit, trok naar Klein-Azië en versloeg Rechid-pacha bij Konieh. Weêr naderde een vijand de poorten der Turksche hoofdstad, maar ook de Russen kwamen weer, nu als vrienden van den sultan, wien Nicolaas zijn steun aangeboden had, niet geheel belangeloos natuurlijk, maar uit vrees, dat Mehemet heerscher te Stamboel worden zou. Wat zou er met een frissche kracht aan het hoofd van het Turkenrijk niet kunnen gebeuren! Russische troepen bezetten Constantinopel en Skoetari en daarvoor deinsde Ibrahim terug. Toch kreeg Mehemet bij het verdrag van Koetajeh Syrië (1832); de mogendheden, vooral Frankrijk, hadden dit te zijnen gunste bewerkt. En Rusland? Bij het verdrag van Oenkiar-Skelessi sloot het met de Porte een of- en defensief verbond: Rusland zou den sultan, als ’t noodig was, altijd te hulp moeten komen; Turkije zou, ingeval Rusland aangevallen werd, alleen maar de Dardanellen behoeven te sluiten; deze zonderlinge overeenkomst werd aangegaan voor den tijd van acht jaar. Het behoeft geen betoog, dat Turkije hiermede feitelijk geheel van Rusland afhankelijk werd, maar evenmin, dat de andere mogendheden er zich niet bij neerlegden.De gelegenheid om het verdrag op de proef te stellen, deed zich spoedig voor. De sultan en zijn Egyptische vasal kregen in 1839 opnieuw ruzie. De aanleiding was nu, dat Mehemet, die bovenal sympathie voor Frankrijk had, weigerde een handelsverdrag tusschen Turkije en Engeland met voor dit land zeer gunstige voorwaarden ten uitvoer te leggen. Opnieuw overwon Ibrahim, nu bij Nezib, in Syrië, waar de Turken onder Hafiz een zeer ernstige nederlaag leden. Wat nu? Zou Rusland opnieuw den sultan te hulp komen? Ja, maar niet alleen; dat duldden de andere mogendheden, vooral Engeland, niet. Allen gingen zich met de zaak bemoeien en wel ten gunste van de Porte; het Fransche volk alleen toonde groote sympathie voor Mehemet-Ali, maar de regeering weigerde de wapenen voor hem op te nemen. Verbonden stelden de vier mogendheden: Rusland, Engeland, Oostenrijk en Pruisen—Frankrijk was met opzet buiten deze quadruple-alliantie gelaten—aan Mehemet-Ali den eisch Syrië te ontruimen, om hem te straffen voor zijn optredentegen den sultan; Egypte zou hij dan als erfelijk leen mogen behouden. Mehemet aarzelde, wat hem nog het bezit van Acre en omstreken, die hem eerst gelaten zouden worden, kostte. Toen, bevreesd voor het behoud van Egypte, dat Engeland hem liefst meteen ook ontnomen zou hebben, gaf hij toe (1841) en daarmede was zijn verdere rol uitgespeeld. Voor Rusland was de afloop niet zoo voordeelig als in 1832. Het verdrag van Oenkiar-Skelessi, waarvan de termijn in 1840 verstreken was, werd niet hernieuwd en verviel dus. Daarentegen moest het toestemmen in een overeenkomst met de andere groote mogendheden, het verdrag der Dardanellen geheeten, waarbij deze doorvaart tot neutraal gebied verklaard werd. Dit was een eerste stap tot een officieele garantie van de integriteit van het Turksche rijk, een keerzijde van het verdrag van Oenkiar-Skelessi. Voor Nicolaas I een groote teleurstelling, hem berokkend vooral door den Engelschen minister Palmerston.Welk een droevig figuur maakte onder dit alles de Porte! Zij leefde alleen nog bij de gratie der mogendheden of liever ten gevolge van dier onderlinge verdeeldheid. Toch was eindelijk de lang begeerde hervorming op militair gebied doorgevoerd geworden. Sultan Mahmoed II was er in 1826 in geslaagd het Janitsaren-corps te vernietigen; dit was wel een oorzaak van zwakheid te meer geweest in het laatste deel van den Griekschen oorlog, maar op den duur kon nu toch het leger een nieuwe inrichting krijgen. Andere bezwaren maakten, dat dit voor den algemeen toestand weinig hielp. Hoe zou men een flink leger kunnen onderhouden, waar de noodige gelden om het te betalen en van het noodige te voorzien ontbraken? De financiën waren door lang wanbeheer geheel in verwarring. Er was niet de minste contrôle, er ontbrak een budget. Belastingpachters en gouverneurs der provinciën zorgden er wel voor, dat er van de opbrengsten heel weinig in de schatkist kwam. Geldgebrek begon het chronische euvel te worden van de eens zoo rijke sultans. En ondertusschen nam in alle deelen van het rijk, vooral waar Christenen woonden, de ontevredenheid met den dag toe. Slechte rechtsbedeeling, afpersingen en andere geweldenarijen werden te onverdraaglijker, nu er ook voor de nog onderworpenen kans op bevrijding bestond. Toch zag het gros der eigenlijke Turken de teekenen des tijds niet. Een onbegrijpelijk phlegmatiek volk! Het rijk barstte aan alle kanten om hen heen en toch bewogen zij zich niet om op verandering van koers aan te dringen. Wel grooter woede tegen de Christenen, die ze als hun doodvijanden gingen beschouwen en waartegen ze zich steeds meer onmenschelijkheden veroorloofden, natuurlijk met het gevolg, dat hun reputatie in Europa heel slecht werd, een bedenkelijk feit, nu juist meer en meer belangstellenden den gang van zaken in hun rijk volgden.Enkelen slechts waren er, die begrepen, dat grondige hervormingen in de geheele regeering alleen baat zouden kunnenbrengen. Onder die enkelen was Rechid-pacha, groot-vizier van sultan Abdoel-Medjid, zoon van Mahmoed II (deze was vlak na den slag bij Nezib gestorven). Hij wist zijn heer tot een besluit over te halen, dat bekend is onder den naam van Tanzimat7en inderdaad groote verbeteringen in zich sloot: een rechtvaardig bestuur voor en bescherming van alle onderdanen; betere regeling van belastingheffing en militaire verplichtingen; openbaarheid van de rechtspraak. Een reeks van schoone beloften, maar de uitvoering bleef grootendeels achterwege, want de tegenstand van de belanghebbenden bij het behoud van den ouden toestand was zóó krachtig; dat de zwakke Abdoel-Medjid in 1841 een anderen groot-vizier nam, Riza-pacha, die van harte met de oud-Turken, zooals de conservatieven op den duur genoemd worden, sympathiseerde. Eerst in latere jaren heeft Rechid-pacha, toen hij nogmaals groot-vizier werd (1846–1852), ten minste in enkele opzichten eenige verbetering aangebracht. Voor het leger kwam conscriptie in plaats van gedwongen dienstneming. Aan het onderwijs werd meer zorg besteed. Op belastinggebied werd aan de willekeur der pachters paal en perk gesteld. Maar wat zal een enkeling, met hoe goeden geest bezield, tegen een algemeen slechten geest?Toch waren de partiëele hervormingen van Rechid-pacha voldoende om de onrust op te wekken van keizer Nicolaas I, die evenmin een opleving van Turkije wenschte als vroeger Catharina II die van Polen. Bovendien bleek het Turksche leger werkelijk betere hoedanigheden te verkrijgen en in staat om verdere opstanden te bedwingen. Zoo reeds in 1848, toen als gevolg van de Februari-revolutie in Frankrijk een oproer in de Donauvorstendommen uitbrak, die zich geheel onafhankelijk wilden maken; dit oproer werd door Rusland en Turkije samen gedempt: de Donauvorstendommen verloren toen weer hun in 1829 verkregen recht om zelf hospodars te kiezen; Rusland en Turkije zouden dit voortaan samen voor hen doen. Maar vooral duidelijk werd de hoogere vechtwaarde der Turksche troepen, toen ze in 1849 en 1851 gebruikt werden onder leiding van een energiek aanvoerder Omer-pacha om opstanden in Bosnië en Boelgarije, waarschijnlijk door aanstoken van Rusland uitgebroken, te dempen, wat uitstekend en zonder vele wreedheden gelukte. Ook in deze streken scheen daarna de invoering van enkele hervormingen overeenkomstig de Tanzimat een betere toekomst te voorspellen. Het plan van Nicolaas I om de Turken uit Europa te verdrijven, reeds lang bestaande en waarvoor hij, om de Engelsche regeering te winnen, in 1844 een vruchtelooze reis naar Engeland ondernomen had, heeft ongetwijfeld ten gevolge daarvan een vasteren vorm aangenomen. Nogmaals had hij in 1853 de Engelsche regeering doen polsen over een oplossing van het Turksche vraagstuk, maar weer haddeze geweigerd hem te helpen den “zieken man” uit den weg te ruimen.Daarop tastte Nicolaas, die na de gebeurtenissen van 1848, toen hij den Oostenrijkschen keizer had geholpen bij het bedwingen van een opstand in Hongarije, van Oostenrijk en dus ook van Pruisen niets te vreezen meende te hebben, alleen door. Hij zocht een voorwendsel tot oorlog en daartoe diende de zending van een buitengewoon gezant Mentsjikoff. Er hing sedert 1851 te Constantinopel een kwestie over de bescherming en het bezit der Heilige Plaatsen teJeruzalem: kwam deze toe aan de Roomsch-Katholieken, beschermd door Frankrijk, of aan de Grieksch-Katholieken, beschermd door Rusland? Napoleon III, toen nog president, weldra keizer van Frankrijk, had de kwestie opgerakeld om het aloude aanzien van de Fransche natie in het Oosten te herstellen, waar sedert het midden der achttiende eeuw enkele, sedert het begin der negentiende bijna alle heiligdommen door Grieksch-Katholieken bezet waren, wat tot herhaaldelijke moeilijkheden, tot gevechten zelfs, leidde. Hierdoor kwamen Rusland en Frankrijk, Nicolaas I en Napoleon III, toch geen beste vrienden, omdat de eerste den laatsten als een product der revolutie lang niet welgezind was, te Constantinopel in een scherp conflict. Mentsjikoff zette aan de Russische eischen kracht bij en vroeg tevens—dit laatste in het geheim—de bescherming over alle Grieksche Christenen in het Turksche rijk door Rusland. En nu volgde een ingewikkeld diplomatiek spel, waarin Stratford Canning, ambassadeur van Engeland bij de Porte en een man van grooten invloed, Mentsjikoff op uiterst handige wijze noodzaakte er voor uit te komen, waarom het hem vooral te doen was. De Turksche regeering, zich sterk wetende door den steun van Frankrijk en Engeland, wees den eisch aangaande het beschermingsrecht van de Grieksch-Katholieken onverbiddelijk af en Mentsjikoff, voor wien juist deze eisch, waardoor Rusland ten allen tijde een recht van inmenging in de Turksche zaken zou krijgen, de hoofdzaak was, wilde zich met niets minder dan volledige inwilliging al zijner eischen tevreden stellen. Hij nam na korten tijd afscheid en onmiddellijk daarna bezetten Russische troepen voor de zooveelste maal de Donauvorstendommen. Toen sloten Engeland en Frankrijk te Constantinopel een verbond met de Porte, waarbij zij beiden de integriteit van het Turksche rijk waarborgden, belovende het desnoods met de wapenen te zullen verdedigen, terwijl de sultan zich verplichtte tot het aanbrengen van afdoende hervormingen om den toestand der Christenen te verbeteren. Nog waren de onderhandelingen om een oorlog te voorkomen niet geheel afgebroken, toen een uitbarsting van fanatisme te Constantinopel den sultan dwong een oorlogsverklaring tegen Rusland uit te vaardigen (October 1853). Engeland en Frankrijk deden hun verbond gestand: ook zij verklaarden den oorlog en verplichtten zich tegenover elkander om geenvrede te sluiten dan gezamenlijk. Oostenrijk en Pruisen bleven buiten den oorlog, maar kozen om begrijpelijke redenen toch partij voor Engeland en Frankrijk: bij een overeenkomst te Weenen verklaarden zij zich solidair met de voorwaarden, door Engeland en Frankrijk met de Porte opgesteld. Actief nam later het kleine koninkrijk Sardinië deel aan den oorlog met de nevenbedoeling zich Napoleon’s gunst te verwerven.De oorlogsoperatiën begonnen in 1854, toen de Russen, bedreigd door de aanrukkende Turksche, Engelsche en Fransche troepen en bevreesd voor de inmenging van een op de grenzen samengetrokken Oostenrijksch leger, de Donauvorstendommen ontruimden; de Oostenrijkers bezetten die voorloopig als zoogenoemd neutrale partij. Gevochten was er zoo goed als in het geheel niet. Dit gebeurde eerst, toen de verbondenen besloten hun aanval te doen in de Zwarte Zee, beter geschikt voor oorlogsdoeleinden dan de Oostzee. In de Krim—de oorlog heet daarom de Krimoorlog—werd de groote tragedie uit dezen strijd afgespeeld. Het ligt buiten het bestek van dit overzicht om te vertellen van de heldhaftige verdediging van Sebastopol door de Russen of van het gruwzame lijden van de troepen der bondgenooten; eerst na een beleg van een jaar moest de stad zich overgeven en toen waren alle partijen vrijwel uitgevochten (1855). De inneming van Kars door de Russen vergemakkelijkte het sluiten van den vrede, waarover reeds lang onderhandeld werd. Dit gebeurde op een congres te Parijs (1856). Alle daar vertegenwoordigde mogendheden, d.w.z. de vijf groote en Sardinië, garandeerden de integriteit van het Turksche rijk: “elke handeling, die deze onschendbaarheid in gevaar zou brengen, zou beschouwd worden als een kwestie van Europeesch belang”; moeilijkheden tusschen één der mogendheden en de Porte zouden, alvorens men naar de wapenen greep, onderworpen worden aan de bemiddeling der andere. De Dardanellenovereenkomst werd bevestigd en daarbij de bepaling gemaakt, dat Rusland noch Turkije oorlogsschepen of arsenalen in de Zwarte Zee zouden mogen onderhouden. Deze beide artikelen waren de belangrijkste; zij bevatten de volkomen overwinning van de Engelsche politiek in Zuid-Oost-Europa op de Russische. Verandering van grondgebied kwam er weinig: in Azië gaf Rusland zijne veroveringen terug; een deel van Bessarabië, ten Noorden van den Donaumond, werd bij Moldavië gevoegd. Dit en Walachije werden ontslagen van Russisch-Turksche inmenging; zij kregen opnieuw geheele autonomie met erkenning van de suzereiniteit van de Porte.De “zieke man” was gered van den éénen hardvochtigen dokter, die er een eind aan had willen maken. De andere doktoren, die zijn dood niet wenschten, gaven hem tevens heel welwillend de middelen aan de hand om den weg der beterschap op te gaan. Die middelen waren vervat in een door de Turksche regeering op aandrang der mogendheden uitgevaardigd besluitvan Februari 1856. Het ging veel verder dan de Tanzimat van 1832. Volkomen staatsrechtelijke gelijkstelling van Christenen en Mohammedanen: genen kregen dus toegang tot alle ambten en de afzonderlijke belasting voor hen werd afgeschaft. Daarnaast een reeks hervormingen. Was het besluit uitgevoerd, een geheel andere toestand zou in het Turkenrijk ontstaan zijn, maar de afwijking van een sedert eeuwen gevolgde binnenlandsche staatkunde, berustende op den Koran, die de Mohammedanen tot een bevoorrechte klasse maakte, ging te ver. De Turken wilden er niet van weten, de Christenen, in het geheel niet belust op het dienen in een leger van den sultan, evenmin. Hoe zouden ook die twee klassen van bevolking, die altijd van elkander afgezonderd geleefd hadden, nu in eens burgers van een zelfden staat kunnen worden! Zoo bleef feitelijk de afscheiding voortduren en de Christenen bleven hun hoofdgeld betalen, hoewel onder een anderen naam en in een anderen vorm, n.l. als afkoopsprijs van militaire verplichtingen. Ook van de andere toegezegde hervormingen kwam weinig in. De beide mannen, die er hun best voor hebben gedaan, Fuad-pacha en Ali-pacha, die beide de Porte vertegenwoordigd hadden op het congres van Parijs, vonden weinig steun bij den sultan Abdoel-Asiz, die in 1861 zijn broeder Abdoel-Medjid opvolgde. Het was meest lapwerk, wat er gebeurde. Op financieel gebied gelukte het Fuad-pacha een grootboek van de nationale schuld te doen instellen en een Ottomansche bank op te richten. Maar het crediet van Turkije was zóó laag, dat het 8 à 12% moest betalen om geld te leenen! Ali-pacha bracht eenige Christenen in den staatsraad, zorgde voor een betere opleiding van ambtenaren, maar o! het gaf alles zoo bitter weinig. Hoe kon het anders met een padishah, die in een oogenblik van zelfinkeer besloot zijn geheelen harem op te heffen, wat een ontzettende bezuiniging gaf, maar wat later er weer een had van negen honderd vrouwen en drie duizend bedienden! En toen Fuad-pacha (1869) en Ali-pacha (1871) gestorven waren, toen triumfeerden de Oud-Turken over de heele linie. Hoe zonderling het moge schijnen, de mogendheden bleven toezien, zelfs toen een door hen ingestelde enquête van 1867 volop bewees, dat 1856 grootendeels vergeten was.Maar wat moesten ze doen? De Turken er gezamenlijk uitjagen, maar wie dan in Contantinopel? Ze zaten in een impasse even goed als de Turken en de Christenen in hunne onderlinge verhouding. De eenig mogelijke verdere afwikkeling van het Balkan-vraagstuk lag in het steeds meer emancipeeren van de Christelijke bevolking. In die richting wilde Rusland werken, toen het na de enquête van 1867 den raad gaf de verschillende volkeren zooveel mogelijk autonoom te maken. Ofschoon de mogendheden een dergelijken leiddraad voor een algemeene politiek niet hebben aangenomen, is het Turksche rijk in Europa toch werkelijk in de tweede helft der negentiende eeuw in diengeest meer en meer verzwakt geworden. Rusland, natuurlijk met de bedoeling zich op deze wijze den meesten invloed te verzekeren, is daarbij min of meer openlijk de groote drijfkracht geweest en voorloopig ondersteunde ook Napeleon III, voor wien het nationaliteitsbegrip een magische aantrekkelijkheid had, na den Krimoorlog deze politiek.Montenegro heeft daarvan het eerst de goede gevolgen ondervonden. Het was voor de Porte, gegeven de roerigheid onder de Christenen van Bosnië en Herzegowina, die ook onafhankelijkheidsneigingen vertoonden, van het grootste belang dit land meer te onderwerpen dan tot nog toe het geval geweest was. Het bedwingen van den opstand der Bosniërs in 1851, die van uit Montenegro gesteund geworden was, gaf hiertoe een eerste aanleiding. De verandering van het in den vorm theocratisch bestuur, dat door een vorst-bisschop, vladika geheeten, werd uitgeoefend, in een wereldlijke regeering zonder toestemming van den sultan, die zich wel degelijk als suzerein beschouwde, deed de maat overloopen (1852). Met groote overmacht viel Omer-pacha het vorstendom aan, maar hij slaagde niet en Oostenrijksche pressie bewoog den sultan weldra de vijandelijkheden te staken, zonder dat zijn doel bereikt was. Na den Krimoorlog deden de Turken een nieuwe poging, maar nu leden zij een ernstige nederlaag bij Grahovo (1858), hun toegebracht door Mirko, broeder van den vorst Danilo. Het gevolg was, dat op aandrang van Napoleon III een Europeesche commissie werd aangewezen, om de grenzen tusschen Montenegro en Turkije vast te stellen; daarmede werd dus feitelijk het kleine vorstendom geheel onafhankelijk. Nieuwe moeilijkheden kwamen, toen in 1861 Herzegowina, aangemoedigd door het succes der Montenegrijnen, in opstand geraakte. Weer konden de Montenegrijnen, ofschoon Mirko—Danilo was in 1860 vermoord—, die voor zijn zoon Nicolaas het regentschap voerde, de neutraliteit wilde bewaren, het niet nalaten de stamgenooten te ondersteunen. Nu was de uitslag bedenkelijk: Omer-pacha trok het vorstendom binnen en Mirko werd overwonnen; Montenegro moest toestemmen in enkele voorwaarden, waardoor de Turken het land voor militaire operatiën tot hunne beschikking kregen. Het was te danken aan het optreden van Frankrijk en Rusland, dat de sultan deze voorwaarden spoedig introk (1863). Herzegowina werd weer geheel onderworpen.Werd Herzegowina geheel bedwongen, Servië ontwikkelde zich rustig en verwierf ongemerkt een steeds grootere mate van vrijheid, vooral, nadat een eerste tijdvak van binnenlandsche onrust, gevolg van het autocratisch optreden van Miloch en van naijver tusschen zijn geslacht en dat van Kara-Georges, voorbij was. Miloch, van 1839–1858 verdreven, kwam na de afzetting van Alexander, den kleinzoon van Kara-Georges, als vorst in Servië terug. Zijn zoon Michaël volgde hem in 1860 op volgens het erfelijkheidsbeginsel, dat het vorige jaarzonder toestemming van den sultan door de skoeptchina aangenomen was. Hij bewerkte, ook weer gesteund door Rusland en Frankrijk, de ontruiming van de citadellen in Servië, die nog door Turksche troepen bezet waren. Na Michaëls vermoording in 1869 en zijne opvolging door zijn neef Milan erkende de Porte de erfelijkheid van het koningschap in het huis Obrenovitch. Een Servische constitutie (1869) werd opgesteld, zonder dat men zich om des sultans toestemming bekommerde. Feitelijk was Servië dus onafhankelijk en zoo was het ook met de Donauvorstendommen, waartusschen bovendien een samensmelting tot stand gebracht werd. Sedert 1859 hadden ze één hospodar, sedert 1862 was Boekarest de hoofdstad. Het was ook Fransche en Russische invloed, die dezen gang van zaken in de hand werkte. Binnenlandsche moeilijkheden, die er tusschen de aanzienlijke geslachten meermalen ontstonden, trachtte men te bezweren door van Roemenië—zoo heette de nieuwe staat—een koninkrijk te maken met een buitenlander, Karel van Hohenzollern, lid van de Katholieke tak van dit vorstenhuis, aan het hoofd (1866), die, gebonden aan een constitutie, de regeering zou voeren.De rustige rust, die van 1862–1875 uiterlijk in het Turksche rijk heerschte—onderbroken alleen door een opstand op Kreta in 1866, dat aansluiting bij Griekenland wenschte, maar zijn wensch niet vervuld zag—, werd in 1875 op een heftige wijze verstoord. Het scheen, of de nog onderworpen Christenen nu allen tegelijk besloten hadden zich vrij te maken. Bosnië en Herzegowina begonnen: hun bedoeling was aansluiting te bewerken bij de Serviërs, immers hunne stamgenooten. Boelgarije werd toen ook onrustig. Onmiddellijk bemoeiden de mogendheden zich met de zaak; vooral deden dit de drie keizers, die van Rusland, Oostenrijk en Duitschland, sedert 1871 door een entente met elkander verbonden. Frankrijk was nog niet hersteld van de hevige slagen, die het in den Fransch-Duitschen oorlog8gekregen had, en kon daarom weinig invloed doen gelden; Engeland nam eerst een afwachtende houding aan. De drie keizers stuurden aan op hervormingen; zij wilden den opstand daardoor beëindigen, bepaaldelijk, Oostenrijk, dat zeer ongaarne een groot Servisch rijk op zijne Zuidgrens zag ontstaan. De sultan gaf vele goede woorden; er werd onderhandeld over de beste middelen. Toen veranderde plotseling de toestand door de vermoording van den Duitschen en den Franschen consul te Saloniki, een uiting van fanatisme van de Turksche bevolking, en tegelijkertijd hadden ongehoordewreedheden plaats in Boelgarije. Dit was het werk van Aziatische onderdanen van den sultan, door dezen losgelaten om aan het verzet onder de Boelgaren een einde te maken. “In enkele dagen gingen negen en zeventig dorpen in de vlammen op, vijftienduizend menschenminstenswerden gedood, tachtigduizend waren dakloos” (1876).Het geduld van de Serviërs en de Montenegrijnen, van den beginne af brandend van verlangen om de opstandelingen in Bosnië en Herzegowina te hulp te komen, maar nog tegengehouden door de mogendheden, was uitgeput; zij begonnen den oorlog tegen Turkije (1876). Te meer werden zij daartoe aangespoord, omdat te Constantinopel de Oud-Turksche partij geheel de overhand kreeg: Abdoel-Asiz, beschuldigd van teveel deferentie aan de opstandelingen, werd afgezet; Moerad V, een zoon van Abdoel-Medjid, in zijne plaats gesteld en, toen deze nog niet genoeg reactionnair gezind bleek, moest ook hij na twee maanden plaats maken voor zijn broeder Abdoel-Hamid II, van wien de hervormingspartij niets te verwachten had. De Oud-Turken durfden te beter, omdat de Serviërs niet bestand bleken tegen het Turksche leger onder Osman-pacha, die geheel Servië dreigde te veroveren. Van de mogendheden, meenden zij, was toch niets te vreezen, maar nu hadden zij buiten den waard gerekend. Ook in Europa hadden de tijdingen van de moorden in Boelgarije haren invloed niet gemist. De Russische keizer Alexander II was van dat oogenblik af besloten de zaak krachtig aan te vatten, maar hij verliet niet onmiddellijk den weg der diplomatie: zijn leger was niet gereed en liefst wilde hij zich van de welwillendheid der andere mogendheden verzekeren om een herhaling van den Krimoorlog te voorkomen. Daarom stelde hij het samenroepen van een conferentie te Constantinopel voor. Te Londen bestond niet zoo veel eensgezindheid om de Porte tegen Rusland in bescherming te nemen als vroeger: Gladstone, de leider der Whigs, gunde “den grooten moordenaar” te Stamboel niets goeds, maar Disraëli, toen aan het bewind, was fel Russophoob en had zich daarom onthouden van onderteekening van een door de andere mogendheden te Berlijn opgesteld memorandum aan de Porte, waarin op krachtige wijze op hervormingen aangedrongen werd. Alleen onder invloed van de publieke opinie in Engeland had hij ten slotte in de conferentie van Constantinopel toegestemd, waar in de eerste plaats een wapenstilstand in den oorlog met Servië zou worden geëischt en verder natuurlijk hervormingen. Onnoodig te zeggen, dat Ridhat-pacha, de leider der Oud-Turken, van die eischen niet gediend was en dat de conferentie mislukte, maar tegelijk speelde de Turksche regeering een prachtig comediespel; een zeer vrijzinnige constitutie werd uitgevaardigd, op denzelfden grondslag gebouwd als het hervormingsbesluit van 1856—uit eigen beweging hervormingen dus!—en tegelijk kwam een vergadering van 240 ambtenaren bijeen, die éénparig de voorstellender mogendheden verwierpen, een sanctie dus van het Turksche volk op het besluit van den sultan! Het ergerlijkste was, dat er onder de mogendheden waren, die de nieuwe beloften van den sultan voor goede munt wilden aannemen. Engeland vooral bleef nog weerbarstig om Rusland zijn gang te laten gaan. Maar toen een voortzetting der onderhandelingen de Porte, natuurlijk aangemoedigd door Engeland’s handelwijze, tot geen toegeeflijkheid in eenig opzicht vermocht te bewegen, toen een bijeengeroepen Turksche volksvertegenwoordiging tot de voortzetting van den oorlog met Montenegro—Servië had reeds vrede moeten sluiten—besloot, tastte Rusland door en verklaarde in het voorjaar van 1877 den oorlog. Het was verzekerd van de goede gezindheid van Oostenrijk, waarmede het was overeengekomen, dat het Oostenrijksche leger Bosnië en Herzegowina zou bezetten. Ook van Duitschland was niets te vreezen: Bismarck, die overigens wegens een langzaam opkomende toenadering van Frankrijk en Rusland dit land gaarne in Zuid-Oost-Europa in moeilijkheden wilde zien, had zijne bekende verklaring over de waarde van de beenderen van een Pruisischen grenadier juist afgelegd; naar zijne meening had Duitschland nog geen onmiddellijke belangen in het Turksche rijk.Met geestdrift begon het Russische volk den oorlog: het was immers een bevrijdingsoorlog van de Slavische broeders van het Turksche juk; reeds lang hadden de opstandelingen steun uit Rusland ontvangen door middel van een daar bestaand genootschap, dat ten doel had alle Slaven in het Balkanschiereiland vrij te maken. Roemenië sloot zich bij Rusland aan, niet geheel uit vrijen wil, want men wist bij ondervinding, wat het doortrekken van een Russisch leger beteekende, maar omdat het niet anders kon. Zonder groote inspanning kwamen de Russen, aangevoerd door groothertog Nicolaas, over den Donau en weldra bezette Gourko, één der onderbevelhebbers, den Sjibka-pas in den Balkan. Toen werd hun voortgang gestuit. Osman-pacha, opperbevelhebber der Turksche troepen, één der weinige beroemde aanvoerders uit de Turksche geschiedenis van de laatste eeuwen, bezette door een gewaagde, maar uitstekend geleide beweging Plewna in den rug den Russen. Tevergeefs bestormden dezen zijne zeer sterke positie; zij moesten overgaan tot een formeele belegering en even dapper als de Russen te Sebastopol gedaan hadden, gedroegen zich de Turken, nu zij de belegerden waren. Eerst nadat groote Russische versterkingen aangekomen en een reeks van zware gevechten rondom Plewna geleverd waren, nadat een Turksch ontzettingsleger teruggeslagen was en Osman, die aan alles gebrek kreeg, tevergeefs een wanhopige poging gedaan had om zich door de Russen heen te slaan, moesten de Turksche troepen capituleeren (Dec. 1877), maar de eer van het Turksch leger was gered, voor het eerst sedert heel langen tijd. Nu trokken de Russen den Balkan over, namen Sofia,Adrianopel (Januari 1878), terwijl een ander leger onder Melikoff verschillende veroveringen in Armenië gemaakt had. De Porte, nu ook weêr in oorlog met Servië, dat opnieuw naar de wapenen gegrepen had, en bedreigd door Montenegro, haastte zich onderhandelingen aan te knoopen, die den laatsten Januari leidden tot de preliminairen en ruim een maand later tot den vrede van San Stefano: geheele onafhankelijkheid van Servië, Montenegro en Roemenië; uitbreiding van gebied voor de beide eersten; ruil van een deel van Bessarabië, dat aan Rusland terugkwam, tegen de Dobroedsja voor Roemenië; autonomie van Boelgarije, d.w.z. ’t eigenlijke Boelgarije met Oost-Roemelië en een deel van Macedonië, met behoud van de suzereiniteit van den sultan, en autonomie van Bosnië en Herzegowina; hervormingen voor de nog Turksch blijvende Christelijke bevolking; een oorlogsschatting en afstand van eilanden in de Donaumonding met grondgebied in Azië, o.a. de stad Kars, voor Rusland. Zoo waren de zeer zware voorwaarden, die aan Turkije opgelegd werden; zoo was de groote triumf, die Alexander II behaalde.Maar de andere mogendheden, vooral Engeland en Oostenrijk, zagen dit schouwspel met grooten tegenzin aan. De gebeurtenissen waren na Plewna zoo gauw afgeloopen, dat zij, vóór het tot onderhandelingen gekomen was, geen gelegenheid hadden gekregen er zich mede te bemoeien. Zoodra de preliminairen hun bekend waren, zond Engeland, brutaal, zijn vloot tot in de onmiddellijke nabijheid van Constantinopel en na het sluiten van den vrede eischte het herziening der voorwaarden. Het werd gesteund door Oostenrijk, dat nu van Engeland de belofte wist te verkrijgen van Bosnië en Herzegowina te mogen bezetten. Rusland vond nergens steun, was door den zwaren oorlog uitgeput en durfde dus een worsteling tegen Engeland en Oostenrijk niet aan. Daarom stemde Alexander II toe in een congres te Berlijn, waar Duitschland zijne “goede diensten” aanbood om de partijen tot elkander te brengen. In hoofdzaak waren Engeland en Rusland het reeds eens geworden vóór de opening van het congres, dat daardoor precies in één maand kon afloopen. Groot-Boelgarije verdween: alleen het eigenlijke Boelgarije ten Noorden van den Balkan werd geheel autonoom onder een door de Boelgaren te verkiezen vorst; de provincie Oost-Roemelië kreeg eigen administratie, maar de gouverneur zou door de Porte benoemd worden; Macedonië bleef geheel Turksch; Montenegro en Servië kregen minder uitbreiding dan hun eerst was toegestaan; Montenegro kreeg Antivari met de kuststreek, daarbij behoorende; Servië alleen het district van Nisj en Pirot. Het lot van Bosnië en Herzegowina werd geheel veranderd: zij bleven in naam Turksch, maar Oostenrijk zou ze “occupeeren” en besturen; om ze te beter te kunnen beheerschen, kreeg Oostenrijk bovendien het recht van militaire bezetting in het district Novi-Bazar, waardoor het Servië en Montenegro van elkander zou scheiden, Bosnië en Herzegowinaook aan den Oostkant insluiten en een positie innemen, vanwaar het vooral in den Balkan zeer gemakkelijk zich kon doen gelden. Voor Roemenie werd de bittere pil van den afstand van het deel van Bessarabië eenigszins verzacht, doordat het de eilanden in de Donaumonding kreeg, die dus niet aan Rusland kwamen, terwijl de Russische aanwinst in Azië besnoeid werd. Engeland kreeg voor zijne hulp aan Turkije het eiland Cyprus en dus een bevestiging van zijn invloed in de Middellandsche Zee, van te meer beteekenis wegens het Suez-kanaal. Die invloed was het ook vooral geweest, die Engeland zoo krachtig had doen protesteeren tegen een groot-Boelgarije, dat naar alle berekening aan Rusland zeer vriendschappelijk gezind geweest zou zijn. Onnoodig te zeggen, dat de sultan opnieuw tot verbeteringen aangespoord werd!Het verdrag van Berlijn is één van de zonderlingste producten, die de diplomatie heeft voortgebracht, en alleen te verklaren als compromis van velerlei belangen in de buitengewone omstandigheden, waarin het gesloten werd. Alle mogendheden, die iets hadden in te brengen, waren tegen Rusland; ook Bismarck had zich meer anti- dan pro-Russisch getoond en Frankrijk had geen gewicht in de schaal gelegd. Zoo kon het gebeuren, dat mogendheden, die niet aan den oorlog deelgenomen hadden, met groote voordeelen gingen strijken, terwijl Rusland er tamelijk bekaaid afkwam. Ook voor de toekomst was dit van beteekenis: Oostenrijk, dat tusschen 1859 en 1866 zijn invloed in Italië en Duitschland verloren had kreeg een bevoorrechte positie in het Balkan-schiereiland en kon hopen daar op den duur nog meer schadeloosstelling te verwerven voor de verliezen in het Westen. Rusland daarentegen, dat Roemenië diep gegriefd had, dat groot-Boelgarije had opgeofferd, zag zijn invloed weinig toenemen. Het was de verwezenlijking van zijn ideaal: een uitgang naar het Zuiden, weinig dichterbij gekomen. De Turksche kwestie was nog lang niet opgelost, al was men weer eenige schreden nader aan de geheele verbrokkeling van het rijk in zelfstandige staten. Ook na 1878 is de ontwikkeling die richting blijven volgen. De moeilijkheden bewogen zich vooral om Boelgarije, Griekenland en Macedonië.Met het laatste land hebben we ons na zijne vrijwording niet behoeven bezig te houden; ten gevolge van inwendige zwakheid, gevolg van voortdurende partijtwisten, deed het zich bij de herhaalde crises in het Balkan-vraagstuk ternauwernood gelden. Koning Otto werd in 1862 gedwongen afstand van den troon te doen en in het volgende jaar werd George, een Deensche prins, broeder van de gemalin van den Engelschen koning Eduard VII, zijn opvolger; bij die gelegenheid stond Engeland aan het koninkrijk de Jonische eilanden af, waarover het sedert den Napoleontischen tijd het protectoraat uitoefende. Daarna werd de toestand langzamerhand eenigszins verbeterd. Ofschoon Griekenland uit gebrek aan geld en een behoorlijk leger ook in den oorlog van 1877geen rol had kunnen spelen, wist het toch van de verwikkelingen gebruik te maken, om van de mogendheden gedaan te krijgen, dat deze in het Berlijnsche verdrag een bepaling opnamen, om de Porte aan te sporen zich met Griekenland te verstaan over een verbetering der grenzen, waartoe zij tevens hunne goede diensten aanboden. Toen Turkije weinig lust vertoonde, aan Griekenland’s wenschen tegemoet te komen, begon hier een sterk patriottische agitatie en een oorlog dreigde. Op aansporen van de mogendheden, vooral van Frankrijk en Engeland, gaf Turkije toe en Griekenland kreeg iets, hoewel niet alles, wat het wilde: de grens werd in het Noord-Oosten van Thessalië tot aan de Zuidelijke helling van den Pindus en den Olympus verlegd; Griekenland werd bovendien verrijkt met een deel van Epirus (1881). Daarna werd vooral Kreta de inzet van nieuwe verwikkelingen met de Porte. Dit eiland had herhaaldelijk getracht zich van de Turksche heerschappij te ontslaan; het mislukte steeds, maar de altijd beloofde hervormingen van de Porte bleven ook na 1878 grootendeels onvervuld. Het was ten gevolge van de twisten van Christenen en Mohammedanen voortdurend onrustig op het eiland,niettegenstaandeook de mogendheden zich meermalen met de zaak bemoeiden en in 1896 den sultan zelfs dwongen er in toe te stemmen, dat hunne consuls te Kanea toezicht op de regeering zouden uitoefenen. Griekenland had dit spel met het grootste ongeduld gevolgd en werd alleen onder pressie van de mogendheden in den band gehouden. Eindelijk, in 1897, barstte de bom, doordat de Grieksche regeering, gedwongen door de publieke opinie in het eigen land, een troepenafdeeling naar Kreta zond, om het eiland te annexeeren. Maar in den toen volgenden oorlog bleek het Grieksche leger volstrekt niet in staat tegen de Turken te vechten. Natuurlijk hielden de mogendheden ook nu hare diplomatieke handen niet thuis en daaraan had Griekenland het te danken, dat het bij den nog in 1897 te Constantinopel gesloten vrede er afkwam met den afstand van slechts een klein deel van het in 1881 in Thessalië verkregen gebied en het betalen van een oorlogschatting. Bovendien—dit eischten de mogendheden voor zich—zou een internationale commissie te Athene contrôle krijgen op de Grieksche financiën. Kreta kreeg ten slotte toch zijne bevrijding: in 1898 bewerkten de mogendheden (behalve Oostenrijk en Duitschland, die zich er buiten hielden), dat ook dit eiland autonoom zou worden onder het bestuur van prins George, zoon van den Griekschen koning, als hooge-commissaris namens de mogendheden. Ook hier bleef alleen de Turksche suzereiniteit bestaan. De pogingen van Grieksche zijde, om deze te doen opheffen, bleven eerst zonder resultaat. Wel droeg het bestuur van prins George, dat de orde wist te herstellen, voor het eiland goede vruchten.Boelgarije, het tweede land, dat na 1878 aan de mogendheden en aan de Porte moeilijkheden te over bezorgd heeft, kreeg in1879 den door het Sobranje gekozen Alexander van Battenberg, een neef van de Russische keizerin, tot vorst. Hij was de candidaat van Rusland geweest, dat door hem den grooten invloed, dien het zich door de gebeurtenissen van 1877 verworven had, hoopte te behouden. Maar het tegendeel was het geval. Er ontstond een streven, om zich van Rusland’s overwicht vrij te maken, en Alexander van Battenberg bevorderde dit streven, waarom hij Rusland’s gunst verloor. Dit ondervond hij, toen in 1885 de Oost-Roemeliërs, natuurlijk niet tevreden met den hun vanwege de Porte gezonden gouverneur, in opstand geraakten te Philippopel en Alexander als vorst erkenden, waardoor feitelijk toch de vereeniging van Boelgarije en Oost-Roemenië tot stand kwam. Hiertegen verzette zich in de eerste plaats koning Milan van Servië9, die door de uitbreiding van Boelgarije het Balkan-evenwicht verstoord achtte. Servië en Boelgarije begonnen een oorlog, waarin Alexander van Battenberg glansrijk overwon. Het tusschenbeiden komen van Oostenrijk, dat Servië hulp dreigde te verleenen, redde dit laatste land. Echter baatte zijne overwinning vorst Alexander niet: ofschoon de andere mogendheden en ook de sultan geen overwegend bezwaar tegen Alexander’s regeering over Oost-Roemelië, hoewel dan in kwaliteit van gouverneur, maakten, weigerde Rusland hardnekkig er in toe te stemmen; het wilde zich houden aan het verdrag van Berlijn! Die houding van Rusland had zijn terugslag in de binnenlandsche aangelegenheden van het vorstendom. Een militaire samenzwering werd gesmeed en vorst Alexander buiten zijn vorstendom gevoerd, maar hij keerde terug en vond bij de niet-Russische partij aanhang genoeg om zich staande te houden. Toen trachtte hij zich met keizer Alexander III te verzoenen, maar deze was onvermurwbaar; hij verklaarde zich van elke bemoeiïng met Boelgarije te zullen onthouden, zoolang Battenberg er vorst bleef. Deze deed daarna vrijwillig afstand van den troon (1886). Maar Rusland profiteerde er niet bij, want de anti-Russische partij kwam aan het roer met Stamboelow als president van een regentschap en deze helderziende, maar heerschzuchtige staatsman was een verklaard vijand van den Russischen invloed: hij wilde Boelgarije geheel zelfstandig maken. Een nieuwen vorst vond men na eenig zoeken in den Duitschen prins Ferdinand van Saksen-Coburg (1887). Dit was geschied geheel buiten de mogendheden en den sultan om. De meesten dezer verzetten zich niet tegen het fait accompli; de sultan liet een zwak protest hooren. Rusland alleen begon een dreigende houding aan te nemen, maar de voor vorst Ferdinand en de Boelgaarsche regeering zeer gunstige houding van Oostenrijk, dat altijd den Russischen invloed op den Balkan tegenging, weerhield Alexander III van feitelijke inmenging. Het heeft echter nog jaren geduurd, vóórdat Ruslandden nieuwen staat van zaken erkend heeft. Dit is eerst mogelijk geworden na de vermoording van Stamboelow, die in 1895 als slachtoffer van zijne heerschzucht viel. De toenadering had plaats onder keizer Nicolaas II, die in 1896 als peet van Ferdinand’s zoon Boris, opgevoed in de Grieksch-Katholieke kerk, optrad. Dat was de officieele verzoening en spoedig daarna werd Ferdinand in zijne dubbele kwaliteit als vorst van Boelgarije en gouverneur-generaal van Roemelië door de Porte en door alle mogendheden erkend.Nu Oost-Roemelië feitelijk met Boelgarije vereenigd was, sprak het van zelf, dat ook bij de Macedoniërs de wensch naar bevrijding te sterker werd. Het uitblijven van de noodige hervormingen heeft ook hun een gereede aanleiding verschaft om op te staan, maar de kwestie werd hier bijzonder moeilijk. Macedonië heeft een zeer gemengde bevolking; er is geen sprake van één volk, dat naar vrijheid streeft, men heeft hier rekening te houden met verscheidene nationaliteiten: Boelgaren, Grieken en Serviërs, waarbij dan nog een groot aantal Turken komen. Wat moest er met Macedonië gebeuren, als het van het Turksche gezag bevrijd werd? Moest het een zelfstandige staat vormen? Maar daarvóór was het niet genoeg één natie. Moest het Boelgaarsch worden? Maar dit wilden de Grieken en de Serviërs niet. Macedonië werd het terrein, waar de rivaliteit der Balkan-staten onderling, die alle groote begeerten hadden in herinnering aan vroegere idealen, zich openbaarde. De Porte maakte er van gebruik hen tegen elkander uit te spelen door er dan de één en dan de ander voordeelen, bep. op kerkelijk gebied, te verleenen. De Macedoniërs trachtten tevergeefs een eigen bestaan als staat te verwerven. Hunne organisatie hiertoe werd door Turkije vernietigd. Toen kwam het tot meerdere opstanden en veel strijd, waarin tevens de Balkanvolkeren feitelijk elkander bevochten. In 1903 werd de crisis zeer acuut. De steun, dien de opstandelingen ontvingen uit Boelgarije, scheen een oorlog tusschen dit land en Turkije ten gevolge te zullen hebben. Toen kon men hooren, dat Griekenland neiging toonde Turkije te gaan ondersteunen tegen de Bulgaren, natuurlijk niet uit pure liefde voor de Porte! Het kwam echter niet tot openlijken oorlog. De mogendheden gaven duidelijk genoeg te kennen, dat zij niet van zins waren zich met geweld in dit wespennest te steken. Zij, bep. Oostenrijk en Rusland, ditmaal broederlijk samengaand, sloegen den reeds zoo vaak gebruikten weg in en boden den sultan een programma van hervormingen aan, welke stap ondersteund werd door de andere mogendheden. De Porte nam dit programma aan, Boelgarije stelde er zich voorloopig tevreden mede en ging afzonderlijk met den sultan een overeenkomst aan over het terugbrengen van groote aantallen Macedonische vluchtelingen uit Boelgarije naar hun land. Er werd o.a. een gendarmerie onder een Europeesch officier en onder toezicht der mogendheden ingesteld tot handhaving der orde. Men hoopte op een dergelijken toestandals op Kreta, maar kwam hier bedrogen uit. De onderlinge bestrijding der Balkan-volkeren in Macedonië duurde voort, werd eigenlijk al erger. En de mogendheden lieten het verder begaan evenals Turkije. Men zou zoo denken, dat deze zaak Turkije buitengewoon ter harte moest gaan, want, verloor het op de een of andere manier Macedonië, dan bleef van het gebied in Europa maar heel weinig over en bovendien werd dit gebied dan in twee niet aan elkander grenzende helften verdeeld! De gelijkenis werd al grooter met den omvang, dien het Grieksche rijk in den laatsten tijd van zijn bestaan had. Een bedenkelijk verschijnsel, maar dat de regeering van Abdoel-Hamid niet tot flink ingrijpen bracht. Het is uiterst merkwaardig, hoe lijdelijk deze sultan zag gebeuren, wat er om hem heen voorviel. Zeker, hij was, zegt men, een meester in de kunst der diplomatie, hij wist van de oneenigheden der groote mogendheden en der Balkanstaten een handig gebruik te maken. Maar hiermede redde hij zijn land niet. Hij hield zich krampachtig vast aan het absolutistisch régime, dat hij van meet af had begunstigd. Onder zijne regeering had de hervormingspartij niets te verwachten. De geest, die een oogenblik gevaren was in het bestuur ten tijde van Fuad-pacha en Ali-pacha, vervloog geheel. De op hervormingen beluste partij deed zich wel eenigszins krachtiger gelden, maar werd op de geniepigste wijze vervuld. Meer en meer deed Abdoel-Hamid zich kennen als een argwanend en listig despoot, die van zijne onderdanen sterk vervreemdde. Het is voor ons, Westerlingen, haast onbegrijpelijk, dat men den man zoo lang heeft laten begaan. Het Turksche volk is wel zeer apatisch en het stelt de persoon van zijn heerscher wel bizonder hoog!De teekenen der tijden waren overigens zoo duidelijk. Niet alleen in Europa, ook daar buiten brokkelde het rijk af of dreigde dit te doen. Van het gebied in Afrika en Azië was in den loop der negentiende eeuw heel wat afgevallen. Algiers werd een Fransche kolonie (1838), Tunis nam een Fransch protectoraat aan (1881). Dit verlies is wel zoo heel groot niet, omdat die beide landen evenals Tripoli zich nooit veel om het gezag van den sultan bekommerd hadden. Maar anders was éénmaal het geval in Egypte en ook dit land, dat reeds onder Mehemet-Ali een groote mate van zelfstandigheid gekregen had, ontsnapte, sedert Engeland in binnenlandsche ongeregeldheden een aanleiding vond het te bezetten (1822), geheel aan de Turksche heerschappij. De Engelsche “occupatie” heette tijdelijk, een Europeesche commissie kreeg toezicht op het financieel beheer, maar niemand heeft verwacht, dat Engeland met zijn voortdurend aanwassende belangen in Egypte en in geheel Afrika het Nijldal ooit weêr zou ontruimen. In Azië heeft Rusland de Turken in het Kaukasusgebied en in Armenië een heel eind teruggedreven, maar elders staat de Turksche heerschappij in Azië nog uiterlijk ongeschonden. Zal dit nog lang duren? Er is ééne kwestie, de Armenische, die in Klein-Azië voortdurend de rust bedreigt.Op schandelijke wijze zijn de Roomsch-Katholieke Armeniërs meermalen, v.n. in 1894–1896, door de Turken mishandeld; de tooneelen, die in Boelgarije zoo sterk de aandacht van geheel Europa trokken, werden hier herhaaldelijk vertoond; duizenden Armeniërs werden door Circassiërs en Koerden vermoord. Herhaaldelijk werd de Porte aangespoord deze gruwzame vervolging te staken. Te Berlijn was in 1878 ook deze kwestie ter sprake gebracht en Turkije legde heel gewillig beloften tot verbetering af. Het bleek echter spoedig, dat, wilde men iets bereiken, ook hier een andere weg zou moeten worden ingeslagen. De groote moeilijkheid was: welke? Van hun naasten beschermer, Rusland, waren de Armeniërs, als Roomsch-Katholieken, bitter weinig gediend; de ondervinding, door die Armeniërs opgedaan, die onderdanen zijn geworden van den Russischen keizer, schijnt weinig bemoedigend. Dan maar Amerikaansch, denken de Armeniërs, die, ook bewerkt door Amerikaansche zendelingen, eenige jaren geleden werkelijk neiging vertoonden de Amerikaansche nationaliteit aan te nemen. Het sprak van zelf, dat de Porte dit trachtte tegen te werken, en dien ten gevolge ontstonden zelfs enkele malen kleine verwikkelingen tusschen de groote Republiek aan de overzijde van den Oceaan en Turkije; in 1904 vertoonde een Amerikaansch eskader, in naam om een schuldeischerskwestie, zooals verschillende mogendheden die bij de slecht van geld voorziene Porte meermalen hebben, de vlag van de Republiek in de haven van Smyrna. Verdere gevolgen heeft dit echter niet gehad. Maar evenmin hebben de Europeesche mogendheden deze aangelegenheid definitief kunnen regelen.In het begin der 20ste eeuw wordt het beeld van den “zieken man” al meer geaccentueerd. Overal verval, overal ontbinding. In den Balkan zelf lieten zich enkele stemmen hooren, dat de Balkan-staten van Christelijken huize zich moesten aaneensluiten, om aan het lijden een einde te maken. Rusland begon zich na de zware nederlaag, die het in den oorlog met Japan van 1904–1905 in Oost-Azië geleden had, ten gevolge waarvan het zich wat uit de Aziatische Zaken terugtrok, opnieuw, in sterkere mate dan het na 1878 gedaan had, met den Balkan te bemoeien, natuurlijk niet in voor Turkije gunstigen zin. Op een beschermen bij een ernstige crisis kon de sultan niet meer zooals vroeger hopen. Dit was een gevolg van de veranderde Europeesche politieke verhoudingen. Deze hadden na het uiteenvallen van den driekeizersbond, gevolg van de anti-Russische houding van Duitschland en Oostenrijk beide op het congres van Berlijn, geleid tot de vorming van een drievoudig verbond van de twee laatstgenoemde landen en Italië eenerzijds en het tweevoudig verbond van Rusland en Frankrijk anderzijds, terwijl Engeland zich, uit vrees voor het vooral in economisch opzicht steeds sterker wordende Duitschland, bij de twee laatste mogendheden aansloot (de entente). Het haast noodzakelijk gevolg van dezeEngelsch-Fransch-Russische entente was, dat verwacht mocht worden, dat Turkije door Engeland niet meer beschermd zou worden. Wel bleef voor Oostenrijk-Hongarije alle reden bestaan voor het behoud van den status quo te ijveren, terwijl Duitschland, niet alleen als bondgenoot van dit land, maar ook om de belangen, die het zelf in het Oosten begon te krijgen, neiging vertoonde den Sultan de hand boven het hoofd te houden. Keizer Wilhelm II wijdde door zijne reis naar Zuid-Oost-Europa en Syrië in 1900, een op zich zelf eenig verschijnsel, deze politiek als het ware in. De concessie voor den belangrijken spoorweg door Klein-Azië naar Bagdad aan een Duitsch syndicaat werd er stellig door bevorderd. Deze en andere economische voordeelen, aan Duitschers in Klein-Azië verleend, werkten ook weêr de zich overal openbarende tegenstelling van Duitschland en Engeland in de hand. Toch mocht niet met zekerheid verwacht worden, dat Turkije aan Oostenrijk en Duitschland zoo goede helpers zou hebben, als het in den Krimoorlog aan Engeland en Frankrijk gehad had. Het blijkt volstrekt niet, dat Abdoel-Hamid II zich van de veranderde omstandigheden iets aantrok en daarnaar zijne maatregelen nam. Trouwens, ten opzichte van den Balkan deden de geschillen tusschen de beide groepen van Europeesche mogendheden zich eerst niet zoo heel sterk gevoelen. In Macedonië, op Kreta werkten ze zelfs taliter qualiter samen.Evenmin als ten opzichte van Turkije manifesteerde zich in den aanvang der 20ste eeuw duidelijk een verschillende politiek der beide groepen van mogendheden ten opzichte van de overige Balkan-staten. Wel waren Oostenrijk en Servië op den duur van elkander vervreemd, v.n. onder de regeering van koning Peter uit het geslacht der Karageorges, dat ná den moord op den laatsten der Obrenowitch, koning Alexander, en diens gemalin, koningin Draga (1903), opnieuw aan de regeering gekomen was. Servië en Rusland, dat van ouds in Montenegro een trouwen bondgenoot had, naderden daarentegen tot elkander. In het eerste land ontstond de hoop, dat de Serviërs in Bosnië en Herzegowina nog eenmaal van Oostenrijk bevrijd zouden worden; een groot-Servisch rijk zou misschien met Russische hulp kunnen ontstaan. Voor Oostenrijk beteekende dit een groot gevaar, want een groot-Servisch rijk, dat zich wellicht tot de Adriatische Zee zou gaan uitbreiden, zou het in het Zuiden op zeer ernstige wijze bedreigen. Roemenië was na 1878 vrij sterk tegen Rusland ingenomen en had met Oostenrijk een verbond gesloten. Van Bulgarije mocht men, nu Servië den Russischen kant opging, verwachten, dat het zich eer bij Oostenrijk zou aansluiten. Ook dit alles ging buiten de Turksche regeering om, die—om Macedonië—Bulgarije misschien het allerslechtst gezind was, zonder dat het daarom op vriendschappelijken voet met de andere staten stond.“Drijvend” mag men het Turksche rijk in Europa, als een schip zonder zeilen of riemen en roer noemen. Eén duw, één groote crisis—en het ware gedaan geweest. Maar daarvóór kwameen revolutie in het rijk zelf, waarvan men ook nu nog niet kan zeggen, of zij het dreigend gevaar voor ondergang heeft voorkomen. Hebben de Jong-Turken—want hun opstand van 1908 bedoelen wij—de kracht gevonden het verval te beëindigen? De zeer gecompliceerde geschiedenis na 1908 tot nu geeft nog geen recht deze vraag ontkennend of bevestigend te beantwoorden. Wij vertellen deze geschiedenis, blijvend binnen ons korte bestek, het best is een aanhangsel, het aan de toekomst overlatend te beslissen, of dit aanhangsel nog moet worden ingelascht bij ons lange hoofdstuk over het verval van het Turksche rijk dan wel of het het begin moet worden van een nieuw hoofdstuk, waaraan pas later een titel gegeven kan worden.
Het einde van den Napoleontischen tijd kwam in 1815. Wat zou de nieuwe aera voor Turkije brengen? Er is in de negentiende eeuw in de verhouding van het overige Europa tot dePorte dit verschil op te merken, dat meerdere mogendheden in de lotgevallen van het Turksche rijk belang gingen stellen. Was het in de zeventiende eeuw vooral Oostenrijk, in de achttiende Oostenrijk en Rusland, waarmede Turkije te maken had, nu had ook Engeland zijne aandacht leeren wijden aan wat er op politiek gebied in Zuid-Oost-Europa voorviel en natuurlijk bleef Frankrijk er naar streven zijn invloed te Constantinopel uit te oefenen, zooals het reeds zoo dikwijls gedaan had. Met die belangstelling van alle groote mogendheden—alleen Pruisen bekommerde zich om die aangelegenheden toen weinig; het liep als trouw bondgenoot van Oostenrijk geheel aan den leiband van den Oostenrijkschen kanselier Von Metternich—kreeg de Turksche kwestie een geheel ander aanzien. Een kwestie noemde men het nu en met recht, want, al waren allen het er over eens, dat gegeven de innerlijke zwakheid van de Sultansregeering, de toestand op het Balkan-schiereiland op den duur niet zóó kon blijven als hij was, over de wijze, waarop veranderingen waren aan te brengen, bestond grootelijks verschil van opinie. Iedere stap, die één der mogendheden tegenover de Porte deed, werd door de anderen met de grootste opmerkzaamheid en argwaan gevolgd. Vooral Rusland voer daar slecht bij. Het was duidelijk, dat het slechts op een geschikte gelegenheid wachtte, om een grooten slag te slaan, maar dit werd nu veel moeilijker dan in de achttiende eeuw, want Engeland, dat in Azië de groote tegenstander van het Czarenrijk geworden was, zou dit niet meer dulden. Zóó teer was de zaak reeds, dat men haar op het Weener Congres, waar Napoleon’s politieke erfenis geregeld werd, onaangeroerd liet.Maar er is nog een ander groot verschil tusschen de achttiende en de negentiende eeuw ten opzichte van Turkije. Hadden Rusland of Oostenrijk of beide mogendheden samen in de achttiende eeuw in één hunner oorlogen tegenover de Turken kunnen doortasten, waren ze niet steeds door min of meer toevallige omstandigheden daarvan afgeleid geworden, zij zouden waarschijnlijk zonder veel moeite hunne heerschappij over de in het Balkan-schiereiland wonende Christelijke volken voor de Turksche in de plaats hebben kunnen stellen. Nu het echter zoo lang duurde en toch de zwakheid der Turken aanhoudend duidelijker werd, kregen die volken gelegenheid de vraag van geheele onafhankelijkheid voor zich te overwegen en het bewustzijn, dat geheel vrij te worden voor hen in de toekomst lag, kwam vooral op, toen door de Fransche revolutie overal het woord vrijheid weerklank vond. Ook Rusland had die neiging aangewakkerd, met een bijbedoeling: het zou het protectoraat over de “vrije volken” krijgen, maar—het zou weldra blijken—die volken bedoelden het anders.We vermeldden reeds, dat het optreden der Russen tegenover Turkije in de achttiende eeuw enkele nationale bewegingendeed ontstaan: zoo vooral onder de Roemenen, wier toestand echter ten slotte in hoofdzaak dezelfde was gebleven; alleen had Rusland bij een afzonderlijk verdrag van 1802 gedaan weten te krijgen, dat de hospodars voor den vasten tijd van zeven jaar zouden worden benoemd en dat niet ieder oogenblik nieuwe zouden optreden, terwijl Rusland een zeker toezicht op het bestuur kreeg. Een eerste opstand, die voorloopig succes had, kwam voor onder de Boelgaren (1798), merkwaardig genoeg onder leiding van een Slavischen Muzelman Pashvan-Oghloe, dapper krijgsman en uitstekend aanvoerder, dien de Porte niet heeft kunnen overwinnen. Maar na zijn dood in 1807 werden de Boelgaren onderworpen; voor hen was de tijd nog niet gekomen.Ernstiger was de opstand van de Serviërs in 1804, want deze was zuiver nationaal. Vooral de geweldenarijen der Janitsaren te Belgrado waren de aanleiding. Zelfs vele Turken deden eerst uit weerzin tegen die aanmatigende krijgslieden aan den opstand mede. Maar, toen de Janitsaren uit Belgrado verjaagd waren en de Serviërs bemerkten, wat ze vermochten, toen keerden ze zich tegen alle Turken en vormden zich een eigen regeering. Eén hunner leiders, Kara Georges—evenals de andere leiders behoorende tot een soort Servischen landadel, iets aanzienlijker van stand dan de meeste Servische landbouwers—kwam aan het hoofd; een skoeptchina, volksvergadering, stond hem ter zijde. Servië dacht zich al vrij, maar toen Alexander I, onder wiens bescherming het zich geplaatst had, na den vrede van Boekarest, waarbij hij voor Servië amnestie en eigen bestuur had bedongen, zijne troepen uit het Balkanschiereiland teruggetrokken had, kwam het Turksche leger onder Koerchid-pacha. Kara-Georges moest vluchten, Servië zich onderwerpen (1813). De Serviërs echter, die nu eenmaal de vrijheid gevoeld hadden, kwamen reeds het volgende jaar opnieuw in verzet. Nu werd Miloch Obrenovitch, een ander landedelman, de leider en de strijd eindigde met eenig succes: in 1814 stond de Porte aan de Serviërs eenige voorrechten toe, waardoor ze in geringe mate invloed op het bestuur van hun land kregen. Maar de toezegging, door den sultan bij den vrede van Boekarest gedaan, was nog lang niet vervuld.Roemenen, Boelgaren, Serviërs begonnen—was het wonder, dat het ook onder de Grieken gistte? Min of meer in het geheim werkende genootschappen, als de hetairie der “philikoi”, onder bescherming van Alexander I in Rusland gevestigd, als de Philomuzen, die in de studie der Grieksche oudheid een uitnemend agitatie-middel vonden, bewerkten hen sedert lang. De opstand begon in 1821. De laatste stoot er toe werd gegeven door de in 1820 en 1821 in alle Zuid-Europeesche landen uitbrekende revolutiën, gericht tegen de na Napoleon’s val ingetreden reactie op staatkundig gebied. Die beweging liep in Spanje en de Italiaansche staten op niets uit, want de heiligealliantie, een werktuig in Metternich’s hand, kwam voor het behoud der bestaande regeeringen op. Hoe zou het in Griekenland gaan? Het was een veeg teeken, dat Alexander I, die den Grieken vroeger vele bewijzen van sympathie gegeven had, juist in dezen tijd geheel onder Metternich’s invloed geraakte en de liberale gezindheid, die hij wel eens placht te toonen, geheel had afgelegd. De schadelijke gevolgen daarvan ondervond AlexanderYpsilanti, zoon van een vroegeren Griekschen hospodar van Walachije, die uit Turkije had moeten vluchten en aan het Russische hof opgenomen was, evenals verschillende andere Grieksche ballingen. Hij was het hoofd der hetairie en hij begon den opstand door van uit Rusland met een kleine schaar een inval te doen in de Donauvorstendommen. Maar hij kreeg er niet den minsten steun, want de Roemenen waren verbitterd op de Russen èn om het wegnemen van Bessarabië èn om den zwaren druk, tijdens de Russische bezetting in de Donauvorstendommen uitgeoefend.Ypsilantimoest vluchten, werd in Hongarije gevangen genomen en in Oostenrijk als oproerling opgesloten, zonder dat Alexander I een vinger voor hem uitstak.Toch hebben zijn inval en een door hem uitgevaardigde proclamatie den opstand in Griekenland zelf doen uitbreken en eerst met groot succes. De Turken werden juist elders beziggehouden: een handig man, pacha Ali van Janina of ook wel Ali van Tebelen genoemd naar zijne geboorteplaats, had zich in Albanië een zeer groote autoriteit weten te verschaffen en gedroeg zich zoo goed als onafhankelijk van den sultan en juist, toen deze daaraan een einde wilde maken en Turksche troepen in Albanië vochten, begonnen de Grieken hun opstand. Reeds in 1822 kon te Epidauros een nationale vergadering bijeenkomen, waar de Grieken hun land vrij verklaarden en een republikeinschen staatsvorm aannamen. Daarna begonnen echter de moeilijkheden pas: hevige twisten, burgeroorlog zelfs tusschen de door hun handel meer met Europa in betrekking staande en daardoor meer geciviliseerde kooplieden, die vooral op de eilanden en in enkele steden op het vasteland woonden, geleid door Mavrocordato, en het ruwe landvolk, de klephten, die uit den band sloegen en weinig wilden weten van een geregelden toestand op Europeeschen voet. En onmiddellijk na het onderwerpen van Ali van Janina kwam het Turksche leger onder Koerchid-pacha. Wel mislukte diens eerste aanval om den opstand te dempen (1823), maar toen daagde een ernstiger vijand op: Mehemet-Ali. Deze avonturier, geboortig uit een plaatsje in de buurt van Saloniki, had het vertrouwen van den sultan gewonnen en was door dezen erkend als onderkoning van Egypte (1805), waar hij, vooral na het vernietigen van de Mamelukken (1811), een groote macht kreeg en spoedig de allures aannam van een geheel zelfstandig vorst te zijn. Hij had een degelijke krijgsmacht gevormd, naar Fransch voorbeeldingericht, en hij trachtte langs allerlei wegen Egypte tot bloei te brengen. Tot hem nu wendde Mahmoed II zich om steun tegen de Grieken, evenals hij vroeger gedaan had bij een opstand van een godsdienstige secte, de Ouahabiten in Arabië, die ook werkelijk door Mehemet’s zoon Ibrahim bedwongen was. Tegen belofte van afstand van Creta, terwijl zijn zoon gouverneur van den Peloponesus zou moeten worden, voldeed Mehemet aan het verzoek van zijn suzerein. Hij zelf onderwierp Creta, waar de Grieksche bevolking ook de Turksche heerschappij afgeworpen had, en Ibrahim trok naar den Peloponesus, waar hij weldra aan den opstand zoo goed als geheel een einde maakte (1825). Vereenigd met Rechid-pacha, den nieuwen bevelhebber van het Turksche leger, die in het Noorden den opstand grooten deels gedempt had, ondernam hij het beroemde beleg van Missolonghi, dat na een heldhaftige verdediging in 1826 viel en op een gruwelijke wijze uitgemoord werd. Ook Athene werd ingenomen....de Turken schenen geheel Griekenland weêr te zullen overmeesteren.Nu trad echter een verandering in de politiek der Europeesche mogendheden in, die voor de Porte noodlottig werd. Tot nog toe had Metternich, ofschoon niemand lust voelde de opstandelingen te helpen bestrijden, officieele ondersteuning van hen weten te voorkomen. Maar in 1825 stierf Alexander I en zijn opvolger Nicolaas I stond volstrekt niet onder de betoovering van de heilige alliantie. Onmiddellijk dwong hij Turkije bij het verdrag van Akkerman (1826) tot bevestiging van den vrede van Boekarest, die in enkele opzichten, b.v. in de bepaling aangaande Servië, onuitgevoerd gebleven was. Weldra trad hij ook ten gunste van de Grieken op, daarbij gesteund door Engeland, waar zeer veel sympathie voor het Hellenisme was en waar de regeering onder leiding van Canning de voordeelen inzag, politiek en commercieel, die Engeland zich door partij te kiezen voor de Grieken zou kunnen verwerven, en ook door Frankrijk. Het was vooral een gevolg van de philhellenistische beweging (die door alle landen van Europa ging, een dichter als Byron naar het oorlogsveld dreef en die in Frankrijk buitengewoon sterk was), dat de reactionnaire regeering van koning Karel X een opstand ging begunstigen; de ergerlijke wreedheden, door de Turken in de opwelling van hun fanatisme bedreven, zooals het ophangen van den patriarch te Constantinopel zonder vorm van proces en de uitmoording van de bevolking van het eiland Chios en van Missolonghi hebben die beweging zeer in de hand gewerkt. De drie mogendheden dan verbonden zich (1827), om Turkije tot een wapenstilstand te brengen. De Porte was niet van zins hiernaar te luisteren. Een geallieerde vloot trad toen met geweld op in de baai van Navarino en vernietigde daar zonder veel moeite de Turksch-Egyptische zeemacht. Toen was het pleit spoedig geheel ten gunste van de Grieken beslist. Ofschoon in Engeland naCanning’s dood een meer reactionnair ministerie optrad, dat het optreden van den Engelschen admiraal bij Navarino feitelijk desavoueerde, tastten Rusland en Frankrijk door en de Porte kreeg van geen kant steun; ook niet van Oostenrijk, dat haar daarop had doen hopen. Fransche troepen verdreven de Turken uit den Peloponesus, vanwaar Ibrahim zich teruggetrokken had; een Russisch leger onder Diebitsj trok over den Balkan en bezette Adrianopel (1829). Dit had een ontzettenden invloed te Constantinopel: Hannibal ante portas! en, al verkeerde het leger van Diebitsj in buitengewoon slechten staat, de sultan gaf zich onmiddellijk gewonnen. De vrede van Adrianopel bracht Griekenland zijne vrijheid op den grondslag van een door de mogendheden te Londen opgesteld protocol. De grenzen werden in het Noord-Oosten de golf van Volo, in het Noord-Westen de Aspropotamo; de Cycladen en Euboea behoorden er bij. Niet geheel oud-Griekenland werd dus vrij; vooral het ontbreken van Thessalië en het eiland Creta wekte veel teleurstelling. Door toedoen van de mogendheden werd Griekenland in 1832 een koninkrijk onder Otto, zoon van koning Lodewijk van Beieren; de grens werd toen in het Noord-Westen uitgebreid tot de golf van Arta. De binnenlandsche toestand liet er van den beginne af veel te wenschen over; de verwachtingen op een renaissance van het geestelijk leven werden deerlijk teleurgesteld. Kon het anders na een geschiedenis, als die het oude van het nieuwe Hellas scheidde?Voor Turkije had het einde van dezen oorlog meerdere onaangename gevolgen. Rusland eischte bij den vrede van Adrianopel een belangrijke schadeloosstelling in geld en afstand van de eilanden in de Donau-monding plus verschillende plaatsen in Azië, waaronder Anapa en Poti in Trans-Kaukasië. De vervulling van de belofte ten opzichte van Servië kon nu onmogelijk langer worden uitgesteld en in 1830 kreeg dit land zijne autonomie en zijn eigen leger; Turkije hield alleen suzereine rechten en kreeg een jaarlijksche schatting, Turksche troepen bleven in Belgrado. Miloch Obrenovitch, na den opstand van 1814 steeds het hoofd der Serviërs, werd hun eerste vorst. Verder werden de Donauvorstendommen meer onafhankelijk van Turkije. Uit eigen beweging had de Porte hun als belooning voor het niet opstaan tijdens den inval vanYpsilantilandgenooten tot hospodars gegeven (1822). Bij het verdrag van Akkerman eischte Nicolaas I ontruiming der beide landen door de Turksche troepen, zooals de Porte dit vroeger beloofd had, en bevestiging van zijn officieelen invloed. Te Adrianopel bedong hij geheele autonomie; voortaan zouden ook de Donauvorstendommen alleen schatting aan den sultan betalen, maar—ze bleven voorloopig door Russische troepen bezet en die maakten het er even bont als vroeger de Turksche. Krachtig diplomatiek optreden van Oostenrijk en Engeland was noodig om de Russen in 1834 te noodzaken hunne troepen terug te trekken. Toen pas konden de Roemenen vanhunne autonomie genieten en weldra ontstond hun streven naar geheele onafhankelijkheid zoowel van Turkije als van Rusland. En nog een deel van Turkije rukte zich los: het eiland Samos, dat aan den Griekschen opstand meegedaan had, maar weêr onderworpen was, werd door toedoen van de mogendheden ook een autonoom staatje met dergelijke verplichtingen als Servië en de Donauvorstendommen (1832).Daarbij kwam weldra de twist met Mehemet-Ali, ook al een indirect gevolg van den Griekschen vrijheidsoorlog. De onderkoning van Egypte eischte, nu de Peloponesus voor hem verloren gegaan was, Syrië als schadeloosstelling. Mahmoed II weigerde. Ibrahim rukte op met het Egyptische leger, nam Syrië in bezit, trok naar Klein-Azië en versloeg Rechid-pacha bij Konieh. Weêr naderde een vijand de poorten der Turksche hoofdstad, maar ook de Russen kwamen weer, nu als vrienden van den sultan, wien Nicolaas zijn steun aangeboden had, niet geheel belangeloos natuurlijk, maar uit vrees, dat Mehemet heerscher te Stamboel worden zou. Wat zou er met een frissche kracht aan het hoofd van het Turkenrijk niet kunnen gebeuren! Russische troepen bezetten Constantinopel en Skoetari en daarvoor deinsde Ibrahim terug. Toch kreeg Mehemet bij het verdrag van Koetajeh Syrië (1832); de mogendheden, vooral Frankrijk, hadden dit te zijnen gunste bewerkt. En Rusland? Bij het verdrag van Oenkiar-Skelessi sloot het met de Porte een of- en defensief verbond: Rusland zou den sultan, als ’t noodig was, altijd te hulp moeten komen; Turkije zou, ingeval Rusland aangevallen werd, alleen maar de Dardanellen behoeven te sluiten; deze zonderlinge overeenkomst werd aangegaan voor den tijd van acht jaar. Het behoeft geen betoog, dat Turkije hiermede feitelijk geheel van Rusland afhankelijk werd, maar evenmin, dat de andere mogendheden er zich niet bij neerlegden.De gelegenheid om het verdrag op de proef te stellen, deed zich spoedig voor. De sultan en zijn Egyptische vasal kregen in 1839 opnieuw ruzie. De aanleiding was nu, dat Mehemet, die bovenal sympathie voor Frankrijk had, weigerde een handelsverdrag tusschen Turkije en Engeland met voor dit land zeer gunstige voorwaarden ten uitvoer te leggen. Opnieuw overwon Ibrahim, nu bij Nezib, in Syrië, waar de Turken onder Hafiz een zeer ernstige nederlaag leden. Wat nu? Zou Rusland opnieuw den sultan te hulp komen? Ja, maar niet alleen; dat duldden de andere mogendheden, vooral Engeland, niet. Allen gingen zich met de zaak bemoeien en wel ten gunste van de Porte; het Fransche volk alleen toonde groote sympathie voor Mehemet-Ali, maar de regeering weigerde de wapenen voor hem op te nemen. Verbonden stelden de vier mogendheden: Rusland, Engeland, Oostenrijk en Pruisen—Frankrijk was met opzet buiten deze quadruple-alliantie gelaten—aan Mehemet-Ali den eisch Syrië te ontruimen, om hem te straffen voor zijn optredentegen den sultan; Egypte zou hij dan als erfelijk leen mogen behouden. Mehemet aarzelde, wat hem nog het bezit van Acre en omstreken, die hem eerst gelaten zouden worden, kostte. Toen, bevreesd voor het behoud van Egypte, dat Engeland hem liefst meteen ook ontnomen zou hebben, gaf hij toe (1841) en daarmede was zijn verdere rol uitgespeeld. Voor Rusland was de afloop niet zoo voordeelig als in 1832. Het verdrag van Oenkiar-Skelessi, waarvan de termijn in 1840 verstreken was, werd niet hernieuwd en verviel dus. Daarentegen moest het toestemmen in een overeenkomst met de andere groote mogendheden, het verdrag der Dardanellen geheeten, waarbij deze doorvaart tot neutraal gebied verklaard werd. Dit was een eerste stap tot een officieele garantie van de integriteit van het Turksche rijk, een keerzijde van het verdrag van Oenkiar-Skelessi. Voor Nicolaas I een groote teleurstelling, hem berokkend vooral door den Engelschen minister Palmerston.Welk een droevig figuur maakte onder dit alles de Porte! Zij leefde alleen nog bij de gratie der mogendheden of liever ten gevolge van dier onderlinge verdeeldheid. Toch was eindelijk de lang begeerde hervorming op militair gebied doorgevoerd geworden. Sultan Mahmoed II was er in 1826 in geslaagd het Janitsaren-corps te vernietigen; dit was wel een oorzaak van zwakheid te meer geweest in het laatste deel van den Griekschen oorlog, maar op den duur kon nu toch het leger een nieuwe inrichting krijgen. Andere bezwaren maakten, dat dit voor den algemeen toestand weinig hielp. Hoe zou men een flink leger kunnen onderhouden, waar de noodige gelden om het te betalen en van het noodige te voorzien ontbraken? De financiën waren door lang wanbeheer geheel in verwarring. Er was niet de minste contrôle, er ontbrak een budget. Belastingpachters en gouverneurs der provinciën zorgden er wel voor, dat er van de opbrengsten heel weinig in de schatkist kwam. Geldgebrek begon het chronische euvel te worden van de eens zoo rijke sultans. En ondertusschen nam in alle deelen van het rijk, vooral waar Christenen woonden, de ontevredenheid met den dag toe. Slechte rechtsbedeeling, afpersingen en andere geweldenarijen werden te onverdraaglijker, nu er ook voor de nog onderworpenen kans op bevrijding bestond. Toch zag het gros der eigenlijke Turken de teekenen des tijds niet. Een onbegrijpelijk phlegmatiek volk! Het rijk barstte aan alle kanten om hen heen en toch bewogen zij zich niet om op verandering van koers aan te dringen. Wel grooter woede tegen de Christenen, die ze als hun doodvijanden gingen beschouwen en waartegen ze zich steeds meer onmenschelijkheden veroorloofden, natuurlijk met het gevolg, dat hun reputatie in Europa heel slecht werd, een bedenkelijk feit, nu juist meer en meer belangstellenden den gang van zaken in hun rijk volgden.Enkelen slechts waren er, die begrepen, dat grondige hervormingen in de geheele regeering alleen baat zouden kunnenbrengen. Onder die enkelen was Rechid-pacha, groot-vizier van sultan Abdoel-Medjid, zoon van Mahmoed II (deze was vlak na den slag bij Nezib gestorven). Hij wist zijn heer tot een besluit over te halen, dat bekend is onder den naam van Tanzimat7en inderdaad groote verbeteringen in zich sloot: een rechtvaardig bestuur voor en bescherming van alle onderdanen; betere regeling van belastingheffing en militaire verplichtingen; openbaarheid van de rechtspraak. Een reeks van schoone beloften, maar de uitvoering bleef grootendeels achterwege, want de tegenstand van de belanghebbenden bij het behoud van den ouden toestand was zóó krachtig; dat de zwakke Abdoel-Medjid in 1841 een anderen groot-vizier nam, Riza-pacha, die van harte met de oud-Turken, zooals de conservatieven op den duur genoemd worden, sympathiseerde. Eerst in latere jaren heeft Rechid-pacha, toen hij nogmaals groot-vizier werd (1846–1852), ten minste in enkele opzichten eenige verbetering aangebracht. Voor het leger kwam conscriptie in plaats van gedwongen dienstneming. Aan het onderwijs werd meer zorg besteed. Op belastinggebied werd aan de willekeur der pachters paal en perk gesteld. Maar wat zal een enkeling, met hoe goeden geest bezield, tegen een algemeen slechten geest?Toch waren de partiëele hervormingen van Rechid-pacha voldoende om de onrust op te wekken van keizer Nicolaas I, die evenmin een opleving van Turkije wenschte als vroeger Catharina II die van Polen. Bovendien bleek het Turksche leger werkelijk betere hoedanigheden te verkrijgen en in staat om verdere opstanden te bedwingen. Zoo reeds in 1848, toen als gevolg van de Februari-revolutie in Frankrijk een oproer in de Donauvorstendommen uitbrak, die zich geheel onafhankelijk wilden maken; dit oproer werd door Rusland en Turkije samen gedempt: de Donauvorstendommen verloren toen weer hun in 1829 verkregen recht om zelf hospodars te kiezen; Rusland en Turkije zouden dit voortaan samen voor hen doen. Maar vooral duidelijk werd de hoogere vechtwaarde der Turksche troepen, toen ze in 1849 en 1851 gebruikt werden onder leiding van een energiek aanvoerder Omer-pacha om opstanden in Bosnië en Boelgarije, waarschijnlijk door aanstoken van Rusland uitgebroken, te dempen, wat uitstekend en zonder vele wreedheden gelukte. Ook in deze streken scheen daarna de invoering van enkele hervormingen overeenkomstig de Tanzimat een betere toekomst te voorspellen. Het plan van Nicolaas I om de Turken uit Europa te verdrijven, reeds lang bestaande en waarvoor hij, om de Engelsche regeering te winnen, in 1844 een vruchtelooze reis naar Engeland ondernomen had, heeft ongetwijfeld ten gevolge daarvan een vasteren vorm aangenomen. Nogmaals had hij in 1853 de Engelsche regeering doen polsen over een oplossing van het Turksche vraagstuk, maar weer haddeze geweigerd hem te helpen den “zieken man” uit den weg te ruimen.Daarop tastte Nicolaas, die na de gebeurtenissen van 1848, toen hij den Oostenrijkschen keizer had geholpen bij het bedwingen van een opstand in Hongarije, van Oostenrijk en dus ook van Pruisen niets te vreezen meende te hebben, alleen door. Hij zocht een voorwendsel tot oorlog en daartoe diende de zending van een buitengewoon gezant Mentsjikoff. Er hing sedert 1851 te Constantinopel een kwestie over de bescherming en het bezit der Heilige Plaatsen teJeruzalem: kwam deze toe aan de Roomsch-Katholieken, beschermd door Frankrijk, of aan de Grieksch-Katholieken, beschermd door Rusland? Napoleon III, toen nog president, weldra keizer van Frankrijk, had de kwestie opgerakeld om het aloude aanzien van de Fransche natie in het Oosten te herstellen, waar sedert het midden der achttiende eeuw enkele, sedert het begin der negentiende bijna alle heiligdommen door Grieksch-Katholieken bezet waren, wat tot herhaaldelijke moeilijkheden, tot gevechten zelfs, leidde. Hierdoor kwamen Rusland en Frankrijk, Nicolaas I en Napoleon III, toch geen beste vrienden, omdat de eerste den laatsten als een product der revolutie lang niet welgezind was, te Constantinopel in een scherp conflict. Mentsjikoff zette aan de Russische eischen kracht bij en vroeg tevens—dit laatste in het geheim—de bescherming over alle Grieksche Christenen in het Turksche rijk door Rusland. En nu volgde een ingewikkeld diplomatiek spel, waarin Stratford Canning, ambassadeur van Engeland bij de Porte en een man van grooten invloed, Mentsjikoff op uiterst handige wijze noodzaakte er voor uit te komen, waarom het hem vooral te doen was. De Turksche regeering, zich sterk wetende door den steun van Frankrijk en Engeland, wees den eisch aangaande het beschermingsrecht van de Grieksch-Katholieken onverbiddelijk af en Mentsjikoff, voor wien juist deze eisch, waardoor Rusland ten allen tijde een recht van inmenging in de Turksche zaken zou krijgen, de hoofdzaak was, wilde zich met niets minder dan volledige inwilliging al zijner eischen tevreden stellen. Hij nam na korten tijd afscheid en onmiddellijk daarna bezetten Russische troepen voor de zooveelste maal de Donauvorstendommen. Toen sloten Engeland en Frankrijk te Constantinopel een verbond met de Porte, waarbij zij beiden de integriteit van het Turksche rijk waarborgden, belovende het desnoods met de wapenen te zullen verdedigen, terwijl de sultan zich verplichtte tot het aanbrengen van afdoende hervormingen om den toestand der Christenen te verbeteren. Nog waren de onderhandelingen om een oorlog te voorkomen niet geheel afgebroken, toen een uitbarsting van fanatisme te Constantinopel den sultan dwong een oorlogsverklaring tegen Rusland uit te vaardigen (October 1853). Engeland en Frankrijk deden hun verbond gestand: ook zij verklaarden den oorlog en verplichtten zich tegenover elkander om geenvrede te sluiten dan gezamenlijk. Oostenrijk en Pruisen bleven buiten den oorlog, maar kozen om begrijpelijke redenen toch partij voor Engeland en Frankrijk: bij een overeenkomst te Weenen verklaarden zij zich solidair met de voorwaarden, door Engeland en Frankrijk met de Porte opgesteld. Actief nam later het kleine koninkrijk Sardinië deel aan den oorlog met de nevenbedoeling zich Napoleon’s gunst te verwerven.De oorlogsoperatiën begonnen in 1854, toen de Russen, bedreigd door de aanrukkende Turksche, Engelsche en Fransche troepen en bevreesd voor de inmenging van een op de grenzen samengetrokken Oostenrijksch leger, de Donauvorstendommen ontruimden; de Oostenrijkers bezetten die voorloopig als zoogenoemd neutrale partij. Gevochten was er zoo goed als in het geheel niet. Dit gebeurde eerst, toen de verbondenen besloten hun aanval te doen in de Zwarte Zee, beter geschikt voor oorlogsdoeleinden dan de Oostzee. In de Krim—de oorlog heet daarom de Krimoorlog—werd de groote tragedie uit dezen strijd afgespeeld. Het ligt buiten het bestek van dit overzicht om te vertellen van de heldhaftige verdediging van Sebastopol door de Russen of van het gruwzame lijden van de troepen der bondgenooten; eerst na een beleg van een jaar moest de stad zich overgeven en toen waren alle partijen vrijwel uitgevochten (1855). De inneming van Kars door de Russen vergemakkelijkte het sluiten van den vrede, waarover reeds lang onderhandeld werd. Dit gebeurde op een congres te Parijs (1856). Alle daar vertegenwoordigde mogendheden, d.w.z. de vijf groote en Sardinië, garandeerden de integriteit van het Turksche rijk: “elke handeling, die deze onschendbaarheid in gevaar zou brengen, zou beschouwd worden als een kwestie van Europeesch belang”; moeilijkheden tusschen één der mogendheden en de Porte zouden, alvorens men naar de wapenen greep, onderworpen worden aan de bemiddeling der andere. De Dardanellenovereenkomst werd bevestigd en daarbij de bepaling gemaakt, dat Rusland noch Turkije oorlogsschepen of arsenalen in de Zwarte Zee zouden mogen onderhouden. Deze beide artikelen waren de belangrijkste; zij bevatten de volkomen overwinning van de Engelsche politiek in Zuid-Oost-Europa op de Russische. Verandering van grondgebied kwam er weinig: in Azië gaf Rusland zijne veroveringen terug; een deel van Bessarabië, ten Noorden van den Donaumond, werd bij Moldavië gevoegd. Dit en Walachije werden ontslagen van Russisch-Turksche inmenging; zij kregen opnieuw geheele autonomie met erkenning van de suzereiniteit van de Porte.De “zieke man” was gered van den éénen hardvochtigen dokter, die er een eind aan had willen maken. De andere doktoren, die zijn dood niet wenschten, gaven hem tevens heel welwillend de middelen aan de hand om den weg der beterschap op te gaan. Die middelen waren vervat in een door de Turksche regeering op aandrang der mogendheden uitgevaardigd besluitvan Februari 1856. Het ging veel verder dan de Tanzimat van 1832. Volkomen staatsrechtelijke gelijkstelling van Christenen en Mohammedanen: genen kregen dus toegang tot alle ambten en de afzonderlijke belasting voor hen werd afgeschaft. Daarnaast een reeks hervormingen. Was het besluit uitgevoerd, een geheel andere toestand zou in het Turkenrijk ontstaan zijn, maar de afwijking van een sedert eeuwen gevolgde binnenlandsche staatkunde, berustende op den Koran, die de Mohammedanen tot een bevoorrechte klasse maakte, ging te ver. De Turken wilden er niet van weten, de Christenen, in het geheel niet belust op het dienen in een leger van den sultan, evenmin. Hoe zouden ook die twee klassen van bevolking, die altijd van elkander afgezonderd geleefd hadden, nu in eens burgers van een zelfden staat kunnen worden! Zoo bleef feitelijk de afscheiding voortduren en de Christenen bleven hun hoofdgeld betalen, hoewel onder een anderen naam en in een anderen vorm, n.l. als afkoopsprijs van militaire verplichtingen. Ook van de andere toegezegde hervormingen kwam weinig in. De beide mannen, die er hun best voor hebben gedaan, Fuad-pacha en Ali-pacha, die beide de Porte vertegenwoordigd hadden op het congres van Parijs, vonden weinig steun bij den sultan Abdoel-Asiz, die in 1861 zijn broeder Abdoel-Medjid opvolgde. Het was meest lapwerk, wat er gebeurde. Op financieel gebied gelukte het Fuad-pacha een grootboek van de nationale schuld te doen instellen en een Ottomansche bank op te richten. Maar het crediet van Turkije was zóó laag, dat het 8 à 12% moest betalen om geld te leenen! Ali-pacha bracht eenige Christenen in den staatsraad, zorgde voor een betere opleiding van ambtenaren, maar o! het gaf alles zoo bitter weinig. Hoe kon het anders met een padishah, die in een oogenblik van zelfinkeer besloot zijn geheelen harem op te heffen, wat een ontzettende bezuiniging gaf, maar wat later er weer een had van negen honderd vrouwen en drie duizend bedienden! En toen Fuad-pacha (1869) en Ali-pacha (1871) gestorven waren, toen triumfeerden de Oud-Turken over de heele linie. Hoe zonderling het moge schijnen, de mogendheden bleven toezien, zelfs toen een door hen ingestelde enquête van 1867 volop bewees, dat 1856 grootendeels vergeten was.Maar wat moesten ze doen? De Turken er gezamenlijk uitjagen, maar wie dan in Contantinopel? Ze zaten in een impasse even goed als de Turken en de Christenen in hunne onderlinge verhouding. De eenig mogelijke verdere afwikkeling van het Balkan-vraagstuk lag in het steeds meer emancipeeren van de Christelijke bevolking. In die richting wilde Rusland werken, toen het na de enquête van 1867 den raad gaf de verschillende volkeren zooveel mogelijk autonoom te maken. Ofschoon de mogendheden een dergelijken leiddraad voor een algemeene politiek niet hebben aangenomen, is het Turksche rijk in Europa toch werkelijk in de tweede helft der negentiende eeuw in diengeest meer en meer verzwakt geworden. Rusland, natuurlijk met de bedoeling zich op deze wijze den meesten invloed te verzekeren, is daarbij min of meer openlijk de groote drijfkracht geweest en voorloopig ondersteunde ook Napeleon III, voor wien het nationaliteitsbegrip een magische aantrekkelijkheid had, na den Krimoorlog deze politiek.Montenegro heeft daarvan het eerst de goede gevolgen ondervonden. Het was voor de Porte, gegeven de roerigheid onder de Christenen van Bosnië en Herzegowina, die ook onafhankelijkheidsneigingen vertoonden, van het grootste belang dit land meer te onderwerpen dan tot nog toe het geval geweest was. Het bedwingen van den opstand der Bosniërs in 1851, die van uit Montenegro gesteund geworden was, gaf hiertoe een eerste aanleiding. De verandering van het in den vorm theocratisch bestuur, dat door een vorst-bisschop, vladika geheeten, werd uitgeoefend, in een wereldlijke regeering zonder toestemming van den sultan, die zich wel degelijk als suzerein beschouwde, deed de maat overloopen (1852). Met groote overmacht viel Omer-pacha het vorstendom aan, maar hij slaagde niet en Oostenrijksche pressie bewoog den sultan weldra de vijandelijkheden te staken, zonder dat zijn doel bereikt was. Na den Krimoorlog deden de Turken een nieuwe poging, maar nu leden zij een ernstige nederlaag bij Grahovo (1858), hun toegebracht door Mirko, broeder van den vorst Danilo. Het gevolg was, dat op aandrang van Napoleon III een Europeesche commissie werd aangewezen, om de grenzen tusschen Montenegro en Turkije vast te stellen; daarmede werd dus feitelijk het kleine vorstendom geheel onafhankelijk. Nieuwe moeilijkheden kwamen, toen in 1861 Herzegowina, aangemoedigd door het succes der Montenegrijnen, in opstand geraakte. Weer konden de Montenegrijnen, ofschoon Mirko—Danilo was in 1860 vermoord—, die voor zijn zoon Nicolaas het regentschap voerde, de neutraliteit wilde bewaren, het niet nalaten de stamgenooten te ondersteunen. Nu was de uitslag bedenkelijk: Omer-pacha trok het vorstendom binnen en Mirko werd overwonnen; Montenegro moest toestemmen in enkele voorwaarden, waardoor de Turken het land voor militaire operatiën tot hunne beschikking kregen. Het was te danken aan het optreden van Frankrijk en Rusland, dat de sultan deze voorwaarden spoedig introk (1863). Herzegowina werd weer geheel onderworpen.Werd Herzegowina geheel bedwongen, Servië ontwikkelde zich rustig en verwierf ongemerkt een steeds grootere mate van vrijheid, vooral, nadat een eerste tijdvak van binnenlandsche onrust, gevolg van het autocratisch optreden van Miloch en van naijver tusschen zijn geslacht en dat van Kara-Georges, voorbij was. Miloch, van 1839–1858 verdreven, kwam na de afzetting van Alexander, den kleinzoon van Kara-Georges, als vorst in Servië terug. Zijn zoon Michaël volgde hem in 1860 op volgens het erfelijkheidsbeginsel, dat het vorige jaarzonder toestemming van den sultan door de skoeptchina aangenomen was. Hij bewerkte, ook weer gesteund door Rusland en Frankrijk, de ontruiming van de citadellen in Servië, die nog door Turksche troepen bezet waren. Na Michaëls vermoording in 1869 en zijne opvolging door zijn neef Milan erkende de Porte de erfelijkheid van het koningschap in het huis Obrenovitch. Een Servische constitutie (1869) werd opgesteld, zonder dat men zich om des sultans toestemming bekommerde. Feitelijk was Servië dus onafhankelijk en zoo was het ook met de Donauvorstendommen, waartusschen bovendien een samensmelting tot stand gebracht werd. Sedert 1859 hadden ze één hospodar, sedert 1862 was Boekarest de hoofdstad. Het was ook Fransche en Russische invloed, die dezen gang van zaken in de hand werkte. Binnenlandsche moeilijkheden, die er tusschen de aanzienlijke geslachten meermalen ontstonden, trachtte men te bezweren door van Roemenië—zoo heette de nieuwe staat—een koninkrijk te maken met een buitenlander, Karel van Hohenzollern, lid van de Katholieke tak van dit vorstenhuis, aan het hoofd (1866), die, gebonden aan een constitutie, de regeering zou voeren.De rustige rust, die van 1862–1875 uiterlijk in het Turksche rijk heerschte—onderbroken alleen door een opstand op Kreta in 1866, dat aansluiting bij Griekenland wenschte, maar zijn wensch niet vervuld zag—, werd in 1875 op een heftige wijze verstoord. Het scheen, of de nog onderworpen Christenen nu allen tegelijk besloten hadden zich vrij te maken. Bosnië en Herzegowina begonnen: hun bedoeling was aansluiting te bewerken bij de Serviërs, immers hunne stamgenooten. Boelgarije werd toen ook onrustig. Onmiddellijk bemoeiden de mogendheden zich met de zaak; vooral deden dit de drie keizers, die van Rusland, Oostenrijk en Duitschland, sedert 1871 door een entente met elkander verbonden. Frankrijk was nog niet hersteld van de hevige slagen, die het in den Fransch-Duitschen oorlog8gekregen had, en kon daarom weinig invloed doen gelden; Engeland nam eerst een afwachtende houding aan. De drie keizers stuurden aan op hervormingen; zij wilden den opstand daardoor beëindigen, bepaaldelijk, Oostenrijk, dat zeer ongaarne een groot Servisch rijk op zijne Zuidgrens zag ontstaan. De sultan gaf vele goede woorden; er werd onderhandeld over de beste middelen. Toen veranderde plotseling de toestand door de vermoording van den Duitschen en den Franschen consul te Saloniki, een uiting van fanatisme van de Turksche bevolking, en tegelijkertijd hadden ongehoordewreedheden plaats in Boelgarije. Dit was het werk van Aziatische onderdanen van den sultan, door dezen losgelaten om aan het verzet onder de Boelgaren een einde te maken. “In enkele dagen gingen negen en zeventig dorpen in de vlammen op, vijftienduizend menschenminstenswerden gedood, tachtigduizend waren dakloos” (1876).Het geduld van de Serviërs en de Montenegrijnen, van den beginne af brandend van verlangen om de opstandelingen in Bosnië en Herzegowina te hulp te komen, maar nog tegengehouden door de mogendheden, was uitgeput; zij begonnen den oorlog tegen Turkije (1876). Te meer werden zij daartoe aangespoord, omdat te Constantinopel de Oud-Turksche partij geheel de overhand kreeg: Abdoel-Asiz, beschuldigd van teveel deferentie aan de opstandelingen, werd afgezet; Moerad V, een zoon van Abdoel-Medjid, in zijne plaats gesteld en, toen deze nog niet genoeg reactionnair gezind bleek, moest ook hij na twee maanden plaats maken voor zijn broeder Abdoel-Hamid II, van wien de hervormingspartij niets te verwachten had. De Oud-Turken durfden te beter, omdat de Serviërs niet bestand bleken tegen het Turksche leger onder Osman-pacha, die geheel Servië dreigde te veroveren. Van de mogendheden, meenden zij, was toch niets te vreezen, maar nu hadden zij buiten den waard gerekend. Ook in Europa hadden de tijdingen van de moorden in Boelgarije haren invloed niet gemist. De Russische keizer Alexander II was van dat oogenblik af besloten de zaak krachtig aan te vatten, maar hij verliet niet onmiddellijk den weg der diplomatie: zijn leger was niet gereed en liefst wilde hij zich van de welwillendheid der andere mogendheden verzekeren om een herhaling van den Krimoorlog te voorkomen. Daarom stelde hij het samenroepen van een conferentie te Constantinopel voor. Te Londen bestond niet zoo veel eensgezindheid om de Porte tegen Rusland in bescherming te nemen als vroeger: Gladstone, de leider der Whigs, gunde “den grooten moordenaar” te Stamboel niets goeds, maar Disraëli, toen aan het bewind, was fel Russophoob en had zich daarom onthouden van onderteekening van een door de andere mogendheden te Berlijn opgesteld memorandum aan de Porte, waarin op krachtige wijze op hervormingen aangedrongen werd. Alleen onder invloed van de publieke opinie in Engeland had hij ten slotte in de conferentie van Constantinopel toegestemd, waar in de eerste plaats een wapenstilstand in den oorlog met Servië zou worden geëischt en verder natuurlijk hervormingen. Onnoodig te zeggen, dat Ridhat-pacha, de leider der Oud-Turken, van die eischen niet gediend was en dat de conferentie mislukte, maar tegelijk speelde de Turksche regeering een prachtig comediespel; een zeer vrijzinnige constitutie werd uitgevaardigd, op denzelfden grondslag gebouwd als het hervormingsbesluit van 1856—uit eigen beweging hervormingen dus!—en tegelijk kwam een vergadering van 240 ambtenaren bijeen, die éénparig de voorstellender mogendheden verwierpen, een sanctie dus van het Turksche volk op het besluit van den sultan! Het ergerlijkste was, dat er onder de mogendheden waren, die de nieuwe beloften van den sultan voor goede munt wilden aannemen. Engeland vooral bleef nog weerbarstig om Rusland zijn gang te laten gaan. Maar toen een voortzetting der onderhandelingen de Porte, natuurlijk aangemoedigd door Engeland’s handelwijze, tot geen toegeeflijkheid in eenig opzicht vermocht te bewegen, toen een bijeengeroepen Turksche volksvertegenwoordiging tot de voortzetting van den oorlog met Montenegro—Servië had reeds vrede moeten sluiten—besloot, tastte Rusland door en verklaarde in het voorjaar van 1877 den oorlog. Het was verzekerd van de goede gezindheid van Oostenrijk, waarmede het was overeengekomen, dat het Oostenrijksche leger Bosnië en Herzegowina zou bezetten. Ook van Duitschland was niets te vreezen: Bismarck, die overigens wegens een langzaam opkomende toenadering van Frankrijk en Rusland dit land gaarne in Zuid-Oost-Europa in moeilijkheden wilde zien, had zijne bekende verklaring over de waarde van de beenderen van een Pruisischen grenadier juist afgelegd; naar zijne meening had Duitschland nog geen onmiddellijke belangen in het Turksche rijk.Met geestdrift begon het Russische volk den oorlog: het was immers een bevrijdingsoorlog van de Slavische broeders van het Turksche juk; reeds lang hadden de opstandelingen steun uit Rusland ontvangen door middel van een daar bestaand genootschap, dat ten doel had alle Slaven in het Balkanschiereiland vrij te maken. Roemenië sloot zich bij Rusland aan, niet geheel uit vrijen wil, want men wist bij ondervinding, wat het doortrekken van een Russisch leger beteekende, maar omdat het niet anders kon. Zonder groote inspanning kwamen de Russen, aangevoerd door groothertog Nicolaas, over den Donau en weldra bezette Gourko, één der onderbevelhebbers, den Sjibka-pas in den Balkan. Toen werd hun voortgang gestuit. Osman-pacha, opperbevelhebber der Turksche troepen, één der weinige beroemde aanvoerders uit de Turksche geschiedenis van de laatste eeuwen, bezette door een gewaagde, maar uitstekend geleide beweging Plewna in den rug den Russen. Tevergeefs bestormden dezen zijne zeer sterke positie; zij moesten overgaan tot een formeele belegering en even dapper als de Russen te Sebastopol gedaan hadden, gedroegen zich de Turken, nu zij de belegerden waren. Eerst nadat groote Russische versterkingen aangekomen en een reeks van zware gevechten rondom Plewna geleverd waren, nadat een Turksch ontzettingsleger teruggeslagen was en Osman, die aan alles gebrek kreeg, tevergeefs een wanhopige poging gedaan had om zich door de Russen heen te slaan, moesten de Turksche troepen capituleeren (Dec. 1877), maar de eer van het Turksch leger was gered, voor het eerst sedert heel langen tijd. Nu trokken de Russen den Balkan over, namen Sofia,Adrianopel (Januari 1878), terwijl een ander leger onder Melikoff verschillende veroveringen in Armenië gemaakt had. De Porte, nu ook weêr in oorlog met Servië, dat opnieuw naar de wapenen gegrepen had, en bedreigd door Montenegro, haastte zich onderhandelingen aan te knoopen, die den laatsten Januari leidden tot de preliminairen en ruim een maand later tot den vrede van San Stefano: geheele onafhankelijkheid van Servië, Montenegro en Roemenië; uitbreiding van gebied voor de beide eersten; ruil van een deel van Bessarabië, dat aan Rusland terugkwam, tegen de Dobroedsja voor Roemenië; autonomie van Boelgarije, d.w.z. ’t eigenlijke Boelgarije met Oost-Roemelië en een deel van Macedonië, met behoud van de suzereiniteit van den sultan, en autonomie van Bosnië en Herzegowina; hervormingen voor de nog Turksch blijvende Christelijke bevolking; een oorlogsschatting en afstand van eilanden in de Donaumonding met grondgebied in Azië, o.a. de stad Kars, voor Rusland. Zoo waren de zeer zware voorwaarden, die aan Turkije opgelegd werden; zoo was de groote triumf, die Alexander II behaalde.Maar de andere mogendheden, vooral Engeland en Oostenrijk, zagen dit schouwspel met grooten tegenzin aan. De gebeurtenissen waren na Plewna zoo gauw afgeloopen, dat zij, vóór het tot onderhandelingen gekomen was, geen gelegenheid hadden gekregen er zich mede te bemoeien. Zoodra de preliminairen hun bekend waren, zond Engeland, brutaal, zijn vloot tot in de onmiddellijke nabijheid van Constantinopel en na het sluiten van den vrede eischte het herziening der voorwaarden. Het werd gesteund door Oostenrijk, dat nu van Engeland de belofte wist te verkrijgen van Bosnië en Herzegowina te mogen bezetten. Rusland vond nergens steun, was door den zwaren oorlog uitgeput en durfde dus een worsteling tegen Engeland en Oostenrijk niet aan. Daarom stemde Alexander II toe in een congres te Berlijn, waar Duitschland zijne “goede diensten” aanbood om de partijen tot elkander te brengen. In hoofdzaak waren Engeland en Rusland het reeds eens geworden vóór de opening van het congres, dat daardoor precies in één maand kon afloopen. Groot-Boelgarije verdween: alleen het eigenlijke Boelgarije ten Noorden van den Balkan werd geheel autonoom onder een door de Boelgaren te verkiezen vorst; de provincie Oost-Roemelië kreeg eigen administratie, maar de gouverneur zou door de Porte benoemd worden; Macedonië bleef geheel Turksch; Montenegro en Servië kregen minder uitbreiding dan hun eerst was toegestaan; Montenegro kreeg Antivari met de kuststreek, daarbij behoorende; Servië alleen het district van Nisj en Pirot. Het lot van Bosnië en Herzegowina werd geheel veranderd: zij bleven in naam Turksch, maar Oostenrijk zou ze “occupeeren” en besturen; om ze te beter te kunnen beheerschen, kreeg Oostenrijk bovendien het recht van militaire bezetting in het district Novi-Bazar, waardoor het Servië en Montenegro van elkander zou scheiden, Bosnië en Herzegowinaook aan den Oostkant insluiten en een positie innemen, vanwaar het vooral in den Balkan zeer gemakkelijk zich kon doen gelden. Voor Roemenie werd de bittere pil van den afstand van het deel van Bessarabië eenigszins verzacht, doordat het de eilanden in de Donaumonding kreeg, die dus niet aan Rusland kwamen, terwijl de Russische aanwinst in Azië besnoeid werd. Engeland kreeg voor zijne hulp aan Turkije het eiland Cyprus en dus een bevestiging van zijn invloed in de Middellandsche Zee, van te meer beteekenis wegens het Suez-kanaal. Die invloed was het ook vooral geweest, die Engeland zoo krachtig had doen protesteeren tegen een groot-Boelgarije, dat naar alle berekening aan Rusland zeer vriendschappelijk gezind geweest zou zijn. Onnoodig te zeggen, dat de sultan opnieuw tot verbeteringen aangespoord werd!Het verdrag van Berlijn is één van de zonderlingste producten, die de diplomatie heeft voortgebracht, en alleen te verklaren als compromis van velerlei belangen in de buitengewone omstandigheden, waarin het gesloten werd. Alle mogendheden, die iets hadden in te brengen, waren tegen Rusland; ook Bismarck had zich meer anti- dan pro-Russisch getoond en Frankrijk had geen gewicht in de schaal gelegd. Zoo kon het gebeuren, dat mogendheden, die niet aan den oorlog deelgenomen hadden, met groote voordeelen gingen strijken, terwijl Rusland er tamelijk bekaaid afkwam. Ook voor de toekomst was dit van beteekenis: Oostenrijk, dat tusschen 1859 en 1866 zijn invloed in Italië en Duitschland verloren had kreeg een bevoorrechte positie in het Balkan-schiereiland en kon hopen daar op den duur nog meer schadeloosstelling te verwerven voor de verliezen in het Westen. Rusland daarentegen, dat Roemenië diep gegriefd had, dat groot-Boelgarije had opgeofferd, zag zijn invloed weinig toenemen. Het was de verwezenlijking van zijn ideaal: een uitgang naar het Zuiden, weinig dichterbij gekomen. De Turksche kwestie was nog lang niet opgelost, al was men weer eenige schreden nader aan de geheele verbrokkeling van het rijk in zelfstandige staten. Ook na 1878 is de ontwikkeling die richting blijven volgen. De moeilijkheden bewogen zich vooral om Boelgarije, Griekenland en Macedonië.Met het laatste land hebben we ons na zijne vrijwording niet behoeven bezig te houden; ten gevolge van inwendige zwakheid, gevolg van voortdurende partijtwisten, deed het zich bij de herhaalde crises in het Balkan-vraagstuk ternauwernood gelden. Koning Otto werd in 1862 gedwongen afstand van den troon te doen en in het volgende jaar werd George, een Deensche prins, broeder van de gemalin van den Engelschen koning Eduard VII, zijn opvolger; bij die gelegenheid stond Engeland aan het koninkrijk de Jonische eilanden af, waarover het sedert den Napoleontischen tijd het protectoraat uitoefende. Daarna werd de toestand langzamerhand eenigszins verbeterd. Ofschoon Griekenland uit gebrek aan geld en een behoorlijk leger ook in den oorlog van 1877geen rol had kunnen spelen, wist het toch van de verwikkelingen gebruik te maken, om van de mogendheden gedaan te krijgen, dat deze in het Berlijnsche verdrag een bepaling opnamen, om de Porte aan te sporen zich met Griekenland te verstaan over een verbetering der grenzen, waartoe zij tevens hunne goede diensten aanboden. Toen Turkije weinig lust vertoonde, aan Griekenland’s wenschen tegemoet te komen, begon hier een sterk patriottische agitatie en een oorlog dreigde. Op aansporen van de mogendheden, vooral van Frankrijk en Engeland, gaf Turkije toe en Griekenland kreeg iets, hoewel niet alles, wat het wilde: de grens werd in het Noord-Oosten van Thessalië tot aan de Zuidelijke helling van den Pindus en den Olympus verlegd; Griekenland werd bovendien verrijkt met een deel van Epirus (1881). Daarna werd vooral Kreta de inzet van nieuwe verwikkelingen met de Porte. Dit eiland had herhaaldelijk getracht zich van de Turksche heerschappij te ontslaan; het mislukte steeds, maar de altijd beloofde hervormingen van de Porte bleven ook na 1878 grootendeels onvervuld. Het was ten gevolge van de twisten van Christenen en Mohammedanen voortdurend onrustig op het eiland,niettegenstaandeook de mogendheden zich meermalen met de zaak bemoeiden en in 1896 den sultan zelfs dwongen er in toe te stemmen, dat hunne consuls te Kanea toezicht op de regeering zouden uitoefenen. Griekenland had dit spel met het grootste ongeduld gevolgd en werd alleen onder pressie van de mogendheden in den band gehouden. Eindelijk, in 1897, barstte de bom, doordat de Grieksche regeering, gedwongen door de publieke opinie in het eigen land, een troepenafdeeling naar Kreta zond, om het eiland te annexeeren. Maar in den toen volgenden oorlog bleek het Grieksche leger volstrekt niet in staat tegen de Turken te vechten. Natuurlijk hielden de mogendheden ook nu hare diplomatieke handen niet thuis en daaraan had Griekenland het te danken, dat het bij den nog in 1897 te Constantinopel gesloten vrede er afkwam met den afstand van slechts een klein deel van het in 1881 in Thessalië verkregen gebied en het betalen van een oorlogschatting. Bovendien—dit eischten de mogendheden voor zich—zou een internationale commissie te Athene contrôle krijgen op de Grieksche financiën. Kreta kreeg ten slotte toch zijne bevrijding: in 1898 bewerkten de mogendheden (behalve Oostenrijk en Duitschland, die zich er buiten hielden), dat ook dit eiland autonoom zou worden onder het bestuur van prins George, zoon van den Griekschen koning, als hooge-commissaris namens de mogendheden. Ook hier bleef alleen de Turksche suzereiniteit bestaan. De pogingen van Grieksche zijde, om deze te doen opheffen, bleven eerst zonder resultaat. Wel droeg het bestuur van prins George, dat de orde wist te herstellen, voor het eiland goede vruchten.Boelgarije, het tweede land, dat na 1878 aan de mogendheden en aan de Porte moeilijkheden te over bezorgd heeft, kreeg in1879 den door het Sobranje gekozen Alexander van Battenberg, een neef van de Russische keizerin, tot vorst. Hij was de candidaat van Rusland geweest, dat door hem den grooten invloed, dien het zich door de gebeurtenissen van 1877 verworven had, hoopte te behouden. Maar het tegendeel was het geval. Er ontstond een streven, om zich van Rusland’s overwicht vrij te maken, en Alexander van Battenberg bevorderde dit streven, waarom hij Rusland’s gunst verloor. Dit ondervond hij, toen in 1885 de Oost-Roemeliërs, natuurlijk niet tevreden met den hun vanwege de Porte gezonden gouverneur, in opstand geraakten te Philippopel en Alexander als vorst erkenden, waardoor feitelijk toch de vereeniging van Boelgarije en Oost-Roemenië tot stand kwam. Hiertegen verzette zich in de eerste plaats koning Milan van Servië9, die door de uitbreiding van Boelgarije het Balkan-evenwicht verstoord achtte. Servië en Boelgarije begonnen een oorlog, waarin Alexander van Battenberg glansrijk overwon. Het tusschenbeiden komen van Oostenrijk, dat Servië hulp dreigde te verleenen, redde dit laatste land. Echter baatte zijne overwinning vorst Alexander niet: ofschoon de andere mogendheden en ook de sultan geen overwegend bezwaar tegen Alexander’s regeering over Oost-Roemelië, hoewel dan in kwaliteit van gouverneur, maakten, weigerde Rusland hardnekkig er in toe te stemmen; het wilde zich houden aan het verdrag van Berlijn! Die houding van Rusland had zijn terugslag in de binnenlandsche aangelegenheden van het vorstendom. Een militaire samenzwering werd gesmeed en vorst Alexander buiten zijn vorstendom gevoerd, maar hij keerde terug en vond bij de niet-Russische partij aanhang genoeg om zich staande te houden. Toen trachtte hij zich met keizer Alexander III te verzoenen, maar deze was onvermurwbaar; hij verklaarde zich van elke bemoeiïng met Boelgarije te zullen onthouden, zoolang Battenberg er vorst bleef. Deze deed daarna vrijwillig afstand van den troon (1886). Maar Rusland profiteerde er niet bij, want de anti-Russische partij kwam aan het roer met Stamboelow als president van een regentschap en deze helderziende, maar heerschzuchtige staatsman was een verklaard vijand van den Russischen invloed: hij wilde Boelgarije geheel zelfstandig maken. Een nieuwen vorst vond men na eenig zoeken in den Duitschen prins Ferdinand van Saksen-Coburg (1887). Dit was geschied geheel buiten de mogendheden en den sultan om. De meesten dezer verzetten zich niet tegen het fait accompli; de sultan liet een zwak protest hooren. Rusland alleen begon een dreigende houding aan te nemen, maar de voor vorst Ferdinand en de Boelgaarsche regeering zeer gunstige houding van Oostenrijk, dat altijd den Russischen invloed op den Balkan tegenging, weerhield Alexander III van feitelijke inmenging. Het heeft echter nog jaren geduurd, vóórdat Ruslandden nieuwen staat van zaken erkend heeft. Dit is eerst mogelijk geworden na de vermoording van Stamboelow, die in 1895 als slachtoffer van zijne heerschzucht viel. De toenadering had plaats onder keizer Nicolaas II, die in 1896 als peet van Ferdinand’s zoon Boris, opgevoed in de Grieksch-Katholieke kerk, optrad. Dat was de officieele verzoening en spoedig daarna werd Ferdinand in zijne dubbele kwaliteit als vorst van Boelgarije en gouverneur-generaal van Roemelië door de Porte en door alle mogendheden erkend.Nu Oost-Roemelië feitelijk met Boelgarije vereenigd was, sprak het van zelf, dat ook bij de Macedoniërs de wensch naar bevrijding te sterker werd. Het uitblijven van de noodige hervormingen heeft ook hun een gereede aanleiding verschaft om op te staan, maar de kwestie werd hier bijzonder moeilijk. Macedonië heeft een zeer gemengde bevolking; er is geen sprake van één volk, dat naar vrijheid streeft, men heeft hier rekening te houden met verscheidene nationaliteiten: Boelgaren, Grieken en Serviërs, waarbij dan nog een groot aantal Turken komen. Wat moest er met Macedonië gebeuren, als het van het Turksche gezag bevrijd werd? Moest het een zelfstandige staat vormen? Maar daarvóór was het niet genoeg één natie. Moest het Boelgaarsch worden? Maar dit wilden de Grieken en de Serviërs niet. Macedonië werd het terrein, waar de rivaliteit der Balkan-staten onderling, die alle groote begeerten hadden in herinnering aan vroegere idealen, zich openbaarde. De Porte maakte er van gebruik hen tegen elkander uit te spelen door er dan de één en dan de ander voordeelen, bep. op kerkelijk gebied, te verleenen. De Macedoniërs trachtten tevergeefs een eigen bestaan als staat te verwerven. Hunne organisatie hiertoe werd door Turkije vernietigd. Toen kwam het tot meerdere opstanden en veel strijd, waarin tevens de Balkanvolkeren feitelijk elkander bevochten. In 1903 werd de crisis zeer acuut. De steun, dien de opstandelingen ontvingen uit Boelgarije, scheen een oorlog tusschen dit land en Turkije ten gevolge te zullen hebben. Toen kon men hooren, dat Griekenland neiging toonde Turkije te gaan ondersteunen tegen de Bulgaren, natuurlijk niet uit pure liefde voor de Porte! Het kwam echter niet tot openlijken oorlog. De mogendheden gaven duidelijk genoeg te kennen, dat zij niet van zins waren zich met geweld in dit wespennest te steken. Zij, bep. Oostenrijk en Rusland, ditmaal broederlijk samengaand, sloegen den reeds zoo vaak gebruikten weg in en boden den sultan een programma van hervormingen aan, welke stap ondersteund werd door de andere mogendheden. De Porte nam dit programma aan, Boelgarije stelde er zich voorloopig tevreden mede en ging afzonderlijk met den sultan een overeenkomst aan over het terugbrengen van groote aantallen Macedonische vluchtelingen uit Boelgarije naar hun land. Er werd o.a. een gendarmerie onder een Europeesch officier en onder toezicht der mogendheden ingesteld tot handhaving der orde. Men hoopte op een dergelijken toestandals op Kreta, maar kwam hier bedrogen uit. De onderlinge bestrijding der Balkan-volkeren in Macedonië duurde voort, werd eigenlijk al erger. En de mogendheden lieten het verder begaan evenals Turkije. Men zou zoo denken, dat deze zaak Turkije buitengewoon ter harte moest gaan, want, verloor het op de een of andere manier Macedonië, dan bleef van het gebied in Europa maar heel weinig over en bovendien werd dit gebied dan in twee niet aan elkander grenzende helften verdeeld! De gelijkenis werd al grooter met den omvang, dien het Grieksche rijk in den laatsten tijd van zijn bestaan had. Een bedenkelijk verschijnsel, maar dat de regeering van Abdoel-Hamid niet tot flink ingrijpen bracht. Het is uiterst merkwaardig, hoe lijdelijk deze sultan zag gebeuren, wat er om hem heen voorviel. Zeker, hij was, zegt men, een meester in de kunst der diplomatie, hij wist van de oneenigheden der groote mogendheden en der Balkanstaten een handig gebruik te maken. Maar hiermede redde hij zijn land niet. Hij hield zich krampachtig vast aan het absolutistisch régime, dat hij van meet af had begunstigd. Onder zijne regeering had de hervormingspartij niets te verwachten. De geest, die een oogenblik gevaren was in het bestuur ten tijde van Fuad-pacha en Ali-pacha, vervloog geheel. De op hervormingen beluste partij deed zich wel eenigszins krachtiger gelden, maar werd op de geniepigste wijze vervuld. Meer en meer deed Abdoel-Hamid zich kennen als een argwanend en listig despoot, die van zijne onderdanen sterk vervreemdde. Het is voor ons, Westerlingen, haast onbegrijpelijk, dat men den man zoo lang heeft laten begaan. Het Turksche volk is wel zeer apatisch en het stelt de persoon van zijn heerscher wel bizonder hoog!De teekenen der tijden waren overigens zoo duidelijk. Niet alleen in Europa, ook daar buiten brokkelde het rijk af of dreigde dit te doen. Van het gebied in Afrika en Azië was in den loop der negentiende eeuw heel wat afgevallen. Algiers werd een Fransche kolonie (1838), Tunis nam een Fransch protectoraat aan (1881). Dit verlies is wel zoo heel groot niet, omdat die beide landen evenals Tripoli zich nooit veel om het gezag van den sultan bekommerd hadden. Maar anders was éénmaal het geval in Egypte en ook dit land, dat reeds onder Mehemet-Ali een groote mate van zelfstandigheid gekregen had, ontsnapte, sedert Engeland in binnenlandsche ongeregeldheden een aanleiding vond het te bezetten (1822), geheel aan de Turksche heerschappij. De Engelsche “occupatie” heette tijdelijk, een Europeesche commissie kreeg toezicht op het financieel beheer, maar niemand heeft verwacht, dat Engeland met zijn voortdurend aanwassende belangen in Egypte en in geheel Afrika het Nijldal ooit weêr zou ontruimen. In Azië heeft Rusland de Turken in het Kaukasusgebied en in Armenië een heel eind teruggedreven, maar elders staat de Turksche heerschappij in Azië nog uiterlijk ongeschonden. Zal dit nog lang duren? Er is ééne kwestie, de Armenische, die in Klein-Azië voortdurend de rust bedreigt.Op schandelijke wijze zijn de Roomsch-Katholieke Armeniërs meermalen, v.n. in 1894–1896, door de Turken mishandeld; de tooneelen, die in Boelgarije zoo sterk de aandacht van geheel Europa trokken, werden hier herhaaldelijk vertoond; duizenden Armeniërs werden door Circassiërs en Koerden vermoord. Herhaaldelijk werd de Porte aangespoord deze gruwzame vervolging te staken. Te Berlijn was in 1878 ook deze kwestie ter sprake gebracht en Turkije legde heel gewillig beloften tot verbetering af. Het bleek echter spoedig, dat, wilde men iets bereiken, ook hier een andere weg zou moeten worden ingeslagen. De groote moeilijkheid was: welke? Van hun naasten beschermer, Rusland, waren de Armeniërs, als Roomsch-Katholieken, bitter weinig gediend; de ondervinding, door die Armeniërs opgedaan, die onderdanen zijn geworden van den Russischen keizer, schijnt weinig bemoedigend. Dan maar Amerikaansch, denken de Armeniërs, die, ook bewerkt door Amerikaansche zendelingen, eenige jaren geleden werkelijk neiging vertoonden de Amerikaansche nationaliteit aan te nemen. Het sprak van zelf, dat de Porte dit trachtte tegen te werken, en dien ten gevolge ontstonden zelfs enkele malen kleine verwikkelingen tusschen de groote Republiek aan de overzijde van den Oceaan en Turkije; in 1904 vertoonde een Amerikaansch eskader, in naam om een schuldeischerskwestie, zooals verschillende mogendheden die bij de slecht van geld voorziene Porte meermalen hebben, de vlag van de Republiek in de haven van Smyrna. Verdere gevolgen heeft dit echter niet gehad. Maar evenmin hebben de Europeesche mogendheden deze aangelegenheid definitief kunnen regelen.In het begin der 20ste eeuw wordt het beeld van den “zieken man” al meer geaccentueerd. Overal verval, overal ontbinding. In den Balkan zelf lieten zich enkele stemmen hooren, dat de Balkan-staten van Christelijken huize zich moesten aaneensluiten, om aan het lijden een einde te maken. Rusland begon zich na de zware nederlaag, die het in den oorlog met Japan van 1904–1905 in Oost-Azië geleden had, ten gevolge waarvan het zich wat uit de Aziatische Zaken terugtrok, opnieuw, in sterkere mate dan het na 1878 gedaan had, met den Balkan te bemoeien, natuurlijk niet in voor Turkije gunstigen zin. Op een beschermen bij een ernstige crisis kon de sultan niet meer zooals vroeger hopen. Dit was een gevolg van de veranderde Europeesche politieke verhoudingen. Deze hadden na het uiteenvallen van den driekeizersbond, gevolg van de anti-Russische houding van Duitschland en Oostenrijk beide op het congres van Berlijn, geleid tot de vorming van een drievoudig verbond van de twee laatstgenoemde landen en Italië eenerzijds en het tweevoudig verbond van Rusland en Frankrijk anderzijds, terwijl Engeland zich, uit vrees voor het vooral in economisch opzicht steeds sterker wordende Duitschland, bij de twee laatste mogendheden aansloot (de entente). Het haast noodzakelijk gevolg van dezeEngelsch-Fransch-Russische entente was, dat verwacht mocht worden, dat Turkije door Engeland niet meer beschermd zou worden. Wel bleef voor Oostenrijk-Hongarije alle reden bestaan voor het behoud van den status quo te ijveren, terwijl Duitschland, niet alleen als bondgenoot van dit land, maar ook om de belangen, die het zelf in het Oosten begon te krijgen, neiging vertoonde den Sultan de hand boven het hoofd te houden. Keizer Wilhelm II wijdde door zijne reis naar Zuid-Oost-Europa en Syrië in 1900, een op zich zelf eenig verschijnsel, deze politiek als het ware in. De concessie voor den belangrijken spoorweg door Klein-Azië naar Bagdad aan een Duitsch syndicaat werd er stellig door bevorderd. Deze en andere economische voordeelen, aan Duitschers in Klein-Azië verleend, werkten ook weêr de zich overal openbarende tegenstelling van Duitschland en Engeland in de hand. Toch mocht niet met zekerheid verwacht worden, dat Turkije aan Oostenrijk en Duitschland zoo goede helpers zou hebben, als het in den Krimoorlog aan Engeland en Frankrijk gehad had. Het blijkt volstrekt niet, dat Abdoel-Hamid II zich van de veranderde omstandigheden iets aantrok en daarnaar zijne maatregelen nam. Trouwens, ten opzichte van den Balkan deden de geschillen tusschen de beide groepen van Europeesche mogendheden zich eerst niet zoo heel sterk gevoelen. In Macedonië, op Kreta werkten ze zelfs taliter qualiter samen.Evenmin als ten opzichte van Turkije manifesteerde zich in den aanvang der 20ste eeuw duidelijk een verschillende politiek der beide groepen van mogendheden ten opzichte van de overige Balkan-staten. Wel waren Oostenrijk en Servië op den duur van elkander vervreemd, v.n. onder de regeering van koning Peter uit het geslacht der Karageorges, dat ná den moord op den laatsten der Obrenowitch, koning Alexander, en diens gemalin, koningin Draga (1903), opnieuw aan de regeering gekomen was. Servië en Rusland, dat van ouds in Montenegro een trouwen bondgenoot had, naderden daarentegen tot elkander. In het eerste land ontstond de hoop, dat de Serviërs in Bosnië en Herzegowina nog eenmaal van Oostenrijk bevrijd zouden worden; een groot-Servisch rijk zou misschien met Russische hulp kunnen ontstaan. Voor Oostenrijk beteekende dit een groot gevaar, want een groot-Servisch rijk, dat zich wellicht tot de Adriatische Zee zou gaan uitbreiden, zou het in het Zuiden op zeer ernstige wijze bedreigen. Roemenië was na 1878 vrij sterk tegen Rusland ingenomen en had met Oostenrijk een verbond gesloten. Van Bulgarije mocht men, nu Servië den Russischen kant opging, verwachten, dat het zich eer bij Oostenrijk zou aansluiten. Ook dit alles ging buiten de Turksche regeering om, die—om Macedonië—Bulgarije misschien het allerslechtst gezind was, zonder dat het daarom op vriendschappelijken voet met de andere staten stond.“Drijvend” mag men het Turksche rijk in Europa, als een schip zonder zeilen of riemen en roer noemen. Eén duw, één groote crisis—en het ware gedaan geweest. Maar daarvóór kwameen revolutie in het rijk zelf, waarvan men ook nu nog niet kan zeggen, of zij het dreigend gevaar voor ondergang heeft voorkomen. Hebben de Jong-Turken—want hun opstand van 1908 bedoelen wij—de kracht gevonden het verval te beëindigen? De zeer gecompliceerde geschiedenis na 1908 tot nu geeft nog geen recht deze vraag ontkennend of bevestigend te beantwoorden. Wij vertellen deze geschiedenis, blijvend binnen ons korte bestek, het best is een aanhangsel, het aan de toekomst overlatend te beslissen, of dit aanhangsel nog moet worden ingelascht bij ons lange hoofdstuk over het verval van het Turksche rijk dan wel of het het begin moet worden van een nieuw hoofdstuk, waaraan pas later een titel gegeven kan worden.
Het einde van den Napoleontischen tijd kwam in 1815. Wat zou de nieuwe aera voor Turkije brengen? Er is in de negentiende eeuw in de verhouding van het overige Europa tot dePorte dit verschil op te merken, dat meerdere mogendheden in de lotgevallen van het Turksche rijk belang gingen stellen. Was het in de zeventiende eeuw vooral Oostenrijk, in de achttiende Oostenrijk en Rusland, waarmede Turkije te maken had, nu had ook Engeland zijne aandacht leeren wijden aan wat er op politiek gebied in Zuid-Oost-Europa voorviel en natuurlijk bleef Frankrijk er naar streven zijn invloed te Constantinopel uit te oefenen, zooals het reeds zoo dikwijls gedaan had. Met die belangstelling van alle groote mogendheden—alleen Pruisen bekommerde zich om die aangelegenheden toen weinig; het liep als trouw bondgenoot van Oostenrijk geheel aan den leiband van den Oostenrijkschen kanselier Von Metternich—kreeg de Turksche kwestie een geheel ander aanzien. Een kwestie noemde men het nu en met recht, want, al waren allen het er over eens, dat gegeven de innerlijke zwakheid van de Sultansregeering, de toestand op het Balkan-schiereiland op den duur niet zóó kon blijven als hij was, over de wijze, waarop veranderingen waren aan te brengen, bestond grootelijks verschil van opinie. Iedere stap, die één der mogendheden tegenover de Porte deed, werd door de anderen met de grootste opmerkzaamheid en argwaan gevolgd. Vooral Rusland voer daar slecht bij. Het was duidelijk, dat het slechts op een geschikte gelegenheid wachtte, om een grooten slag te slaan, maar dit werd nu veel moeilijker dan in de achttiende eeuw, want Engeland, dat in Azië de groote tegenstander van het Czarenrijk geworden was, zou dit niet meer dulden. Zóó teer was de zaak reeds, dat men haar op het Weener Congres, waar Napoleon’s politieke erfenis geregeld werd, onaangeroerd liet.Maar er is nog een ander groot verschil tusschen de achttiende en de negentiende eeuw ten opzichte van Turkije. Hadden Rusland of Oostenrijk of beide mogendheden samen in de achttiende eeuw in één hunner oorlogen tegenover de Turken kunnen doortasten, waren ze niet steeds door min of meer toevallige omstandigheden daarvan afgeleid geworden, zij zouden waarschijnlijk zonder veel moeite hunne heerschappij over de in het Balkan-schiereiland wonende Christelijke volken voor de Turksche in de plaats hebben kunnen stellen. Nu het echter zoo lang duurde en toch de zwakheid der Turken aanhoudend duidelijker werd, kregen die volken gelegenheid de vraag van geheele onafhankelijkheid voor zich te overwegen en het bewustzijn, dat geheel vrij te worden voor hen in de toekomst lag, kwam vooral op, toen door de Fransche revolutie overal het woord vrijheid weerklank vond. Ook Rusland had die neiging aangewakkerd, met een bijbedoeling: het zou het protectoraat over de “vrije volken” krijgen, maar—het zou weldra blijken—die volken bedoelden het anders.We vermeldden reeds, dat het optreden der Russen tegenover Turkije in de achttiende eeuw enkele nationale bewegingendeed ontstaan: zoo vooral onder de Roemenen, wier toestand echter ten slotte in hoofdzaak dezelfde was gebleven; alleen had Rusland bij een afzonderlijk verdrag van 1802 gedaan weten te krijgen, dat de hospodars voor den vasten tijd van zeven jaar zouden worden benoemd en dat niet ieder oogenblik nieuwe zouden optreden, terwijl Rusland een zeker toezicht op het bestuur kreeg. Een eerste opstand, die voorloopig succes had, kwam voor onder de Boelgaren (1798), merkwaardig genoeg onder leiding van een Slavischen Muzelman Pashvan-Oghloe, dapper krijgsman en uitstekend aanvoerder, dien de Porte niet heeft kunnen overwinnen. Maar na zijn dood in 1807 werden de Boelgaren onderworpen; voor hen was de tijd nog niet gekomen.Ernstiger was de opstand van de Serviërs in 1804, want deze was zuiver nationaal. Vooral de geweldenarijen der Janitsaren te Belgrado waren de aanleiding. Zelfs vele Turken deden eerst uit weerzin tegen die aanmatigende krijgslieden aan den opstand mede. Maar, toen de Janitsaren uit Belgrado verjaagd waren en de Serviërs bemerkten, wat ze vermochten, toen keerden ze zich tegen alle Turken en vormden zich een eigen regeering. Eén hunner leiders, Kara Georges—evenals de andere leiders behoorende tot een soort Servischen landadel, iets aanzienlijker van stand dan de meeste Servische landbouwers—kwam aan het hoofd; een skoeptchina, volksvergadering, stond hem ter zijde. Servië dacht zich al vrij, maar toen Alexander I, onder wiens bescherming het zich geplaatst had, na den vrede van Boekarest, waarbij hij voor Servië amnestie en eigen bestuur had bedongen, zijne troepen uit het Balkanschiereiland teruggetrokken had, kwam het Turksche leger onder Koerchid-pacha. Kara-Georges moest vluchten, Servië zich onderwerpen (1813). De Serviërs echter, die nu eenmaal de vrijheid gevoeld hadden, kwamen reeds het volgende jaar opnieuw in verzet. Nu werd Miloch Obrenovitch, een ander landedelman, de leider en de strijd eindigde met eenig succes: in 1814 stond de Porte aan de Serviërs eenige voorrechten toe, waardoor ze in geringe mate invloed op het bestuur van hun land kregen. Maar de toezegging, door den sultan bij den vrede van Boekarest gedaan, was nog lang niet vervuld.Roemenen, Boelgaren, Serviërs begonnen—was het wonder, dat het ook onder de Grieken gistte? Min of meer in het geheim werkende genootschappen, als de hetairie der “philikoi”, onder bescherming van Alexander I in Rusland gevestigd, als de Philomuzen, die in de studie der Grieksche oudheid een uitnemend agitatie-middel vonden, bewerkten hen sedert lang. De opstand begon in 1821. De laatste stoot er toe werd gegeven door de in 1820 en 1821 in alle Zuid-Europeesche landen uitbrekende revolutiën, gericht tegen de na Napoleon’s val ingetreden reactie op staatkundig gebied. Die beweging liep in Spanje en de Italiaansche staten op niets uit, want de heiligealliantie, een werktuig in Metternich’s hand, kwam voor het behoud der bestaande regeeringen op. Hoe zou het in Griekenland gaan? Het was een veeg teeken, dat Alexander I, die den Grieken vroeger vele bewijzen van sympathie gegeven had, juist in dezen tijd geheel onder Metternich’s invloed geraakte en de liberale gezindheid, die hij wel eens placht te toonen, geheel had afgelegd. De schadelijke gevolgen daarvan ondervond AlexanderYpsilanti, zoon van een vroegeren Griekschen hospodar van Walachije, die uit Turkije had moeten vluchten en aan het Russische hof opgenomen was, evenals verschillende andere Grieksche ballingen. Hij was het hoofd der hetairie en hij begon den opstand door van uit Rusland met een kleine schaar een inval te doen in de Donauvorstendommen. Maar hij kreeg er niet den minsten steun, want de Roemenen waren verbitterd op de Russen èn om het wegnemen van Bessarabië èn om den zwaren druk, tijdens de Russische bezetting in de Donauvorstendommen uitgeoefend.Ypsilantimoest vluchten, werd in Hongarije gevangen genomen en in Oostenrijk als oproerling opgesloten, zonder dat Alexander I een vinger voor hem uitstak.Toch hebben zijn inval en een door hem uitgevaardigde proclamatie den opstand in Griekenland zelf doen uitbreken en eerst met groot succes. De Turken werden juist elders beziggehouden: een handig man, pacha Ali van Janina of ook wel Ali van Tebelen genoemd naar zijne geboorteplaats, had zich in Albanië een zeer groote autoriteit weten te verschaffen en gedroeg zich zoo goed als onafhankelijk van den sultan en juist, toen deze daaraan een einde wilde maken en Turksche troepen in Albanië vochten, begonnen de Grieken hun opstand. Reeds in 1822 kon te Epidauros een nationale vergadering bijeenkomen, waar de Grieken hun land vrij verklaarden en een republikeinschen staatsvorm aannamen. Daarna begonnen echter de moeilijkheden pas: hevige twisten, burgeroorlog zelfs tusschen de door hun handel meer met Europa in betrekking staande en daardoor meer geciviliseerde kooplieden, die vooral op de eilanden en in enkele steden op het vasteland woonden, geleid door Mavrocordato, en het ruwe landvolk, de klephten, die uit den band sloegen en weinig wilden weten van een geregelden toestand op Europeeschen voet. En onmiddellijk na het onderwerpen van Ali van Janina kwam het Turksche leger onder Koerchid-pacha. Wel mislukte diens eerste aanval om den opstand te dempen (1823), maar toen daagde een ernstiger vijand op: Mehemet-Ali. Deze avonturier, geboortig uit een plaatsje in de buurt van Saloniki, had het vertrouwen van den sultan gewonnen en was door dezen erkend als onderkoning van Egypte (1805), waar hij, vooral na het vernietigen van de Mamelukken (1811), een groote macht kreeg en spoedig de allures aannam van een geheel zelfstandig vorst te zijn. Hij had een degelijke krijgsmacht gevormd, naar Fransch voorbeeldingericht, en hij trachtte langs allerlei wegen Egypte tot bloei te brengen. Tot hem nu wendde Mahmoed II zich om steun tegen de Grieken, evenals hij vroeger gedaan had bij een opstand van een godsdienstige secte, de Ouahabiten in Arabië, die ook werkelijk door Mehemet’s zoon Ibrahim bedwongen was. Tegen belofte van afstand van Creta, terwijl zijn zoon gouverneur van den Peloponesus zou moeten worden, voldeed Mehemet aan het verzoek van zijn suzerein. Hij zelf onderwierp Creta, waar de Grieksche bevolking ook de Turksche heerschappij afgeworpen had, en Ibrahim trok naar den Peloponesus, waar hij weldra aan den opstand zoo goed als geheel een einde maakte (1825). Vereenigd met Rechid-pacha, den nieuwen bevelhebber van het Turksche leger, die in het Noorden den opstand grooten deels gedempt had, ondernam hij het beroemde beleg van Missolonghi, dat na een heldhaftige verdediging in 1826 viel en op een gruwelijke wijze uitgemoord werd. Ook Athene werd ingenomen....de Turken schenen geheel Griekenland weêr te zullen overmeesteren.Nu trad echter een verandering in de politiek der Europeesche mogendheden in, die voor de Porte noodlottig werd. Tot nog toe had Metternich, ofschoon niemand lust voelde de opstandelingen te helpen bestrijden, officieele ondersteuning van hen weten te voorkomen. Maar in 1825 stierf Alexander I en zijn opvolger Nicolaas I stond volstrekt niet onder de betoovering van de heilige alliantie. Onmiddellijk dwong hij Turkije bij het verdrag van Akkerman (1826) tot bevestiging van den vrede van Boekarest, die in enkele opzichten, b.v. in de bepaling aangaande Servië, onuitgevoerd gebleven was. Weldra trad hij ook ten gunste van de Grieken op, daarbij gesteund door Engeland, waar zeer veel sympathie voor het Hellenisme was en waar de regeering onder leiding van Canning de voordeelen inzag, politiek en commercieel, die Engeland zich door partij te kiezen voor de Grieken zou kunnen verwerven, en ook door Frankrijk. Het was vooral een gevolg van de philhellenistische beweging (die door alle landen van Europa ging, een dichter als Byron naar het oorlogsveld dreef en die in Frankrijk buitengewoon sterk was), dat de reactionnaire regeering van koning Karel X een opstand ging begunstigen; de ergerlijke wreedheden, door de Turken in de opwelling van hun fanatisme bedreven, zooals het ophangen van den patriarch te Constantinopel zonder vorm van proces en de uitmoording van de bevolking van het eiland Chios en van Missolonghi hebben die beweging zeer in de hand gewerkt. De drie mogendheden dan verbonden zich (1827), om Turkije tot een wapenstilstand te brengen. De Porte was niet van zins hiernaar te luisteren. Een geallieerde vloot trad toen met geweld op in de baai van Navarino en vernietigde daar zonder veel moeite de Turksch-Egyptische zeemacht. Toen was het pleit spoedig geheel ten gunste van de Grieken beslist. Ofschoon in Engeland naCanning’s dood een meer reactionnair ministerie optrad, dat het optreden van den Engelschen admiraal bij Navarino feitelijk desavoueerde, tastten Rusland en Frankrijk door en de Porte kreeg van geen kant steun; ook niet van Oostenrijk, dat haar daarop had doen hopen. Fransche troepen verdreven de Turken uit den Peloponesus, vanwaar Ibrahim zich teruggetrokken had; een Russisch leger onder Diebitsj trok over den Balkan en bezette Adrianopel (1829). Dit had een ontzettenden invloed te Constantinopel: Hannibal ante portas! en, al verkeerde het leger van Diebitsj in buitengewoon slechten staat, de sultan gaf zich onmiddellijk gewonnen. De vrede van Adrianopel bracht Griekenland zijne vrijheid op den grondslag van een door de mogendheden te Londen opgesteld protocol. De grenzen werden in het Noord-Oosten de golf van Volo, in het Noord-Westen de Aspropotamo; de Cycladen en Euboea behoorden er bij. Niet geheel oud-Griekenland werd dus vrij; vooral het ontbreken van Thessalië en het eiland Creta wekte veel teleurstelling. Door toedoen van de mogendheden werd Griekenland in 1832 een koninkrijk onder Otto, zoon van koning Lodewijk van Beieren; de grens werd toen in het Noord-Westen uitgebreid tot de golf van Arta. De binnenlandsche toestand liet er van den beginne af veel te wenschen over; de verwachtingen op een renaissance van het geestelijk leven werden deerlijk teleurgesteld. Kon het anders na een geschiedenis, als die het oude van het nieuwe Hellas scheidde?Voor Turkije had het einde van dezen oorlog meerdere onaangename gevolgen. Rusland eischte bij den vrede van Adrianopel een belangrijke schadeloosstelling in geld en afstand van de eilanden in de Donau-monding plus verschillende plaatsen in Azië, waaronder Anapa en Poti in Trans-Kaukasië. De vervulling van de belofte ten opzichte van Servië kon nu onmogelijk langer worden uitgesteld en in 1830 kreeg dit land zijne autonomie en zijn eigen leger; Turkije hield alleen suzereine rechten en kreeg een jaarlijksche schatting, Turksche troepen bleven in Belgrado. Miloch Obrenovitch, na den opstand van 1814 steeds het hoofd der Serviërs, werd hun eerste vorst. Verder werden de Donauvorstendommen meer onafhankelijk van Turkije. Uit eigen beweging had de Porte hun als belooning voor het niet opstaan tijdens den inval vanYpsilantilandgenooten tot hospodars gegeven (1822). Bij het verdrag van Akkerman eischte Nicolaas I ontruiming der beide landen door de Turksche troepen, zooals de Porte dit vroeger beloofd had, en bevestiging van zijn officieelen invloed. Te Adrianopel bedong hij geheele autonomie; voortaan zouden ook de Donauvorstendommen alleen schatting aan den sultan betalen, maar—ze bleven voorloopig door Russische troepen bezet en die maakten het er even bont als vroeger de Turksche. Krachtig diplomatiek optreden van Oostenrijk en Engeland was noodig om de Russen in 1834 te noodzaken hunne troepen terug te trekken. Toen pas konden de Roemenen vanhunne autonomie genieten en weldra ontstond hun streven naar geheele onafhankelijkheid zoowel van Turkije als van Rusland. En nog een deel van Turkije rukte zich los: het eiland Samos, dat aan den Griekschen opstand meegedaan had, maar weêr onderworpen was, werd door toedoen van de mogendheden ook een autonoom staatje met dergelijke verplichtingen als Servië en de Donauvorstendommen (1832).Daarbij kwam weldra de twist met Mehemet-Ali, ook al een indirect gevolg van den Griekschen vrijheidsoorlog. De onderkoning van Egypte eischte, nu de Peloponesus voor hem verloren gegaan was, Syrië als schadeloosstelling. Mahmoed II weigerde. Ibrahim rukte op met het Egyptische leger, nam Syrië in bezit, trok naar Klein-Azië en versloeg Rechid-pacha bij Konieh. Weêr naderde een vijand de poorten der Turksche hoofdstad, maar ook de Russen kwamen weer, nu als vrienden van den sultan, wien Nicolaas zijn steun aangeboden had, niet geheel belangeloos natuurlijk, maar uit vrees, dat Mehemet heerscher te Stamboel worden zou. Wat zou er met een frissche kracht aan het hoofd van het Turkenrijk niet kunnen gebeuren! Russische troepen bezetten Constantinopel en Skoetari en daarvoor deinsde Ibrahim terug. Toch kreeg Mehemet bij het verdrag van Koetajeh Syrië (1832); de mogendheden, vooral Frankrijk, hadden dit te zijnen gunste bewerkt. En Rusland? Bij het verdrag van Oenkiar-Skelessi sloot het met de Porte een of- en defensief verbond: Rusland zou den sultan, als ’t noodig was, altijd te hulp moeten komen; Turkije zou, ingeval Rusland aangevallen werd, alleen maar de Dardanellen behoeven te sluiten; deze zonderlinge overeenkomst werd aangegaan voor den tijd van acht jaar. Het behoeft geen betoog, dat Turkije hiermede feitelijk geheel van Rusland afhankelijk werd, maar evenmin, dat de andere mogendheden er zich niet bij neerlegden.De gelegenheid om het verdrag op de proef te stellen, deed zich spoedig voor. De sultan en zijn Egyptische vasal kregen in 1839 opnieuw ruzie. De aanleiding was nu, dat Mehemet, die bovenal sympathie voor Frankrijk had, weigerde een handelsverdrag tusschen Turkije en Engeland met voor dit land zeer gunstige voorwaarden ten uitvoer te leggen. Opnieuw overwon Ibrahim, nu bij Nezib, in Syrië, waar de Turken onder Hafiz een zeer ernstige nederlaag leden. Wat nu? Zou Rusland opnieuw den sultan te hulp komen? Ja, maar niet alleen; dat duldden de andere mogendheden, vooral Engeland, niet. Allen gingen zich met de zaak bemoeien en wel ten gunste van de Porte; het Fransche volk alleen toonde groote sympathie voor Mehemet-Ali, maar de regeering weigerde de wapenen voor hem op te nemen. Verbonden stelden de vier mogendheden: Rusland, Engeland, Oostenrijk en Pruisen—Frankrijk was met opzet buiten deze quadruple-alliantie gelaten—aan Mehemet-Ali den eisch Syrië te ontruimen, om hem te straffen voor zijn optredentegen den sultan; Egypte zou hij dan als erfelijk leen mogen behouden. Mehemet aarzelde, wat hem nog het bezit van Acre en omstreken, die hem eerst gelaten zouden worden, kostte. Toen, bevreesd voor het behoud van Egypte, dat Engeland hem liefst meteen ook ontnomen zou hebben, gaf hij toe (1841) en daarmede was zijn verdere rol uitgespeeld. Voor Rusland was de afloop niet zoo voordeelig als in 1832. Het verdrag van Oenkiar-Skelessi, waarvan de termijn in 1840 verstreken was, werd niet hernieuwd en verviel dus. Daarentegen moest het toestemmen in een overeenkomst met de andere groote mogendheden, het verdrag der Dardanellen geheeten, waarbij deze doorvaart tot neutraal gebied verklaard werd. Dit was een eerste stap tot een officieele garantie van de integriteit van het Turksche rijk, een keerzijde van het verdrag van Oenkiar-Skelessi. Voor Nicolaas I een groote teleurstelling, hem berokkend vooral door den Engelschen minister Palmerston.Welk een droevig figuur maakte onder dit alles de Porte! Zij leefde alleen nog bij de gratie der mogendheden of liever ten gevolge van dier onderlinge verdeeldheid. Toch was eindelijk de lang begeerde hervorming op militair gebied doorgevoerd geworden. Sultan Mahmoed II was er in 1826 in geslaagd het Janitsaren-corps te vernietigen; dit was wel een oorzaak van zwakheid te meer geweest in het laatste deel van den Griekschen oorlog, maar op den duur kon nu toch het leger een nieuwe inrichting krijgen. Andere bezwaren maakten, dat dit voor den algemeen toestand weinig hielp. Hoe zou men een flink leger kunnen onderhouden, waar de noodige gelden om het te betalen en van het noodige te voorzien ontbraken? De financiën waren door lang wanbeheer geheel in verwarring. Er was niet de minste contrôle, er ontbrak een budget. Belastingpachters en gouverneurs der provinciën zorgden er wel voor, dat er van de opbrengsten heel weinig in de schatkist kwam. Geldgebrek begon het chronische euvel te worden van de eens zoo rijke sultans. En ondertusschen nam in alle deelen van het rijk, vooral waar Christenen woonden, de ontevredenheid met den dag toe. Slechte rechtsbedeeling, afpersingen en andere geweldenarijen werden te onverdraaglijker, nu er ook voor de nog onderworpenen kans op bevrijding bestond. Toch zag het gros der eigenlijke Turken de teekenen des tijds niet. Een onbegrijpelijk phlegmatiek volk! Het rijk barstte aan alle kanten om hen heen en toch bewogen zij zich niet om op verandering van koers aan te dringen. Wel grooter woede tegen de Christenen, die ze als hun doodvijanden gingen beschouwen en waartegen ze zich steeds meer onmenschelijkheden veroorloofden, natuurlijk met het gevolg, dat hun reputatie in Europa heel slecht werd, een bedenkelijk feit, nu juist meer en meer belangstellenden den gang van zaken in hun rijk volgden.Enkelen slechts waren er, die begrepen, dat grondige hervormingen in de geheele regeering alleen baat zouden kunnenbrengen. Onder die enkelen was Rechid-pacha, groot-vizier van sultan Abdoel-Medjid, zoon van Mahmoed II (deze was vlak na den slag bij Nezib gestorven). Hij wist zijn heer tot een besluit over te halen, dat bekend is onder den naam van Tanzimat7en inderdaad groote verbeteringen in zich sloot: een rechtvaardig bestuur voor en bescherming van alle onderdanen; betere regeling van belastingheffing en militaire verplichtingen; openbaarheid van de rechtspraak. Een reeks van schoone beloften, maar de uitvoering bleef grootendeels achterwege, want de tegenstand van de belanghebbenden bij het behoud van den ouden toestand was zóó krachtig; dat de zwakke Abdoel-Medjid in 1841 een anderen groot-vizier nam, Riza-pacha, die van harte met de oud-Turken, zooals de conservatieven op den duur genoemd worden, sympathiseerde. Eerst in latere jaren heeft Rechid-pacha, toen hij nogmaals groot-vizier werd (1846–1852), ten minste in enkele opzichten eenige verbetering aangebracht. Voor het leger kwam conscriptie in plaats van gedwongen dienstneming. Aan het onderwijs werd meer zorg besteed. Op belastinggebied werd aan de willekeur der pachters paal en perk gesteld. Maar wat zal een enkeling, met hoe goeden geest bezield, tegen een algemeen slechten geest?Toch waren de partiëele hervormingen van Rechid-pacha voldoende om de onrust op te wekken van keizer Nicolaas I, die evenmin een opleving van Turkije wenschte als vroeger Catharina II die van Polen. Bovendien bleek het Turksche leger werkelijk betere hoedanigheden te verkrijgen en in staat om verdere opstanden te bedwingen. Zoo reeds in 1848, toen als gevolg van de Februari-revolutie in Frankrijk een oproer in de Donauvorstendommen uitbrak, die zich geheel onafhankelijk wilden maken; dit oproer werd door Rusland en Turkije samen gedempt: de Donauvorstendommen verloren toen weer hun in 1829 verkregen recht om zelf hospodars te kiezen; Rusland en Turkije zouden dit voortaan samen voor hen doen. Maar vooral duidelijk werd de hoogere vechtwaarde der Turksche troepen, toen ze in 1849 en 1851 gebruikt werden onder leiding van een energiek aanvoerder Omer-pacha om opstanden in Bosnië en Boelgarije, waarschijnlijk door aanstoken van Rusland uitgebroken, te dempen, wat uitstekend en zonder vele wreedheden gelukte. Ook in deze streken scheen daarna de invoering van enkele hervormingen overeenkomstig de Tanzimat een betere toekomst te voorspellen. Het plan van Nicolaas I om de Turken uit Europa te verdrijven, reeds lang bestaande en waarvoor hij, om de Engelsche regeering te winnen, in 1844 een vruchtelooze reis naar Engeland ondernomen had, heeft ongetwijfeld ten gevolge daarvan een vasteren vorm aangenomen. Nogmaals had hij in 1853 de Engelsche regeering doen polsen over een oplossing van het Turksche vraagstuk, maar weer haddeze geweigerd hem te helpen den “zieken man” uit den weg te ruimen.Daarop tastte Nicolaas, die na de gebeurtenissen van 1848, toen hij den Oostenrijkschen keizer had geholpen bij het bedwingen van een opstand in Hongarije, van Oostenrijk en dus ook van Pruisen niets te vreezen meende te hebben, alleen door. Hij zocht een voorwendsel tot oorlog en daartoe diende de zending van een buitengewoon gezant Mentsjikoff. Er hing sedert 1851 te Constantinopel een kwestie over de bescherming en het bezit der Heilige Plaatsen teJeruzalem: kwam deze toe aan de Roomsch-Katholieken, beschermd door Frankrijk, of aan de Grieksch-Katholieken, beschermd door Rusland? Napoleon III, toen nog president, weldra keizer van Frankrijk, had de kwestie opgerakeld om het aloude aanzien van de Fransche natie in het Oosten te herstellen, waar sedert het midden der achttiende eeuw enkele, sedert het begin der negentiende bijna alle heiligdommen door Grieksch-Katholieken bezet waren, wat tot herhaaldelijke moeilijkheden, tot gevechten zelfs, leidde. Hierdoor kwamen Rusland en Frankrijk, Nicolaas I en Napoleon III, toch geen beste vrienden, omdat de eerste den laatsten als een product der revolutie lang niet welgezind was, te Constantinopel in een scherp conflict. Mentsjikoff zette aan de Russische eischen kracht bij en vroeg tevens—dit laatste in het geheim—de bescherming over alle Grieksche Christenen in het Turksche rijk door Rusland. En nu volgde een ingewikkeld diplomatiek spel, waarin Stratford Canning, ambassadeur van Engeland bij de Porte en een man van grooten invloed, Mentsjikoff op uiterst handige wijze noodzaakte er voor uit te komen, waarom het hem vooral te doen was. De Turksche regeering, zich sterk wetende door den steun van Frankrijk en Engeland, wees den eisch aangaande het beschermingsrecht van de Grieksch-Katholieken onverbiddelijk af en Mentsjikoff, voor wien juist deze eisch, waardoor Rusland ten allen tijde een recht van inmenging in de Turksche zaken zou krijgen, de hoofdzaak was, wilde zich met niets minder dan volledige inwilliging al zijner eischen tevreden stellen. Hij nam na korten tijd afscheid en onmiddellijk daarna bezetten Russische troepen voor de zooveelste maal de Donauvorstendommen. Toen sloten Engeland en Frankrijk te Constantinopel een verbond met de Porte, waarbij zij beiden de integriteit van het Turksche rijk waarborgden, belovende het desnoods met de wapenen te zullen verdedigen, terwijl de sultan zich verplichtte tot het aanbrengen van afdoende hervormingen om den toestand der Christenen te verbeteren. Nog waren de onderhandelingen om een oorlog te voorkomen niet geheel afgebroken, toen een uitbarsting van fanatisme te Constantinopel den sultan dwong een oorlogsverklaring tegen Rusland uit te vaardigen (October 1853). Engeland en Frankrijk deden hun verbond gestand: ook zij verklaarden den oorlog en verplichtten zich tegenover elkander om geenvrede te sluiten dan gezamenlijk. Oostenrijk en Pruisen bleven buiten den oorlog, maar kozen om begrijpelijke redenen toch partij voor Engeland en Frankrijk: bij een overeenkomst te Weenen verklaarden zij zich solidair met de voorwaarden, door Engeland en Frankrijk met de Porte opgesteld. Actief nam later het kleine koninkrijk Sardinië deel aan den oorlog met de nevenbedoeling zich Napoleon’s gunst te verwerven.De oorlogsoperatiën begonnen in 1854, toen de Russen, bedreigd door de aanrukkende Turksche, Engelsche en Fransche troepen en bevreesd voor de inmenging van een op de grenzen samengetrokken Oostenrijksch leger, de Donauvorstendommen ontruimden; de Oostenrijkers bezetten die voorloopig als zoogenoemd neutrale partij. Gevochten was er zoo goed als in het geheel niet. Dit gebeurde eerst, toen de verbondenen besloten hun aanval te doen in de Zwarte Zee, beter geschikt voor oorlogsdoeleinden dan de Oostzee. In de Krim—de oorlog heet daarom de Krimoorlog—werd de groote tragedie uit dezen strijd afgespeeld. Het ligt buiten het bestek van dit overzicht om te vertellen van de heldhaftige verdediging van Sebastopol door de Russen of van het gruwzame lijden van de troepen der bondgenooten; eerst na een beleg van een jaar moest de stad zich overgeven en toen waren alle partijen vrijwel uitgevochten (1855). De inneming van Kars door de Russen vergemakkelijkte het sluiten van den vrede, waarover reeds lang onderhandeld werd. Dit gebeurde op een congres te Parijs (1856). Alle daar vertegenwoordigde mogendheden, d.w.z. de vijf groote en Sardinië, garandeerden de integriteit van het Turksche rijk: “elke handeling, die deze onschendbaarheid in gevaar zou brengen, zou beschouwd worden als een kwestie van Europeesch belang”; moeilijkheden tusschen één der mogendheden en de Porte zouden, alvorens men naar de wapenen greep, onderworpen worden aan de bemiddeling der andere. De Dardanellenovereenkomst werd bevestigd en daarbij de bepaling gemaakt, dat Rusland noch Turkije oorlogsschepen of arsenalen in de Zwarte Zee zouden mogen onderhouden. Deze beide artikelen waren de belangrijkste; zij bevatten de volkomen overwinning van de Engelsche politiek in Zuid-Oost-Europa op de Russische. Verandering van grondgebied kwam er weinig: in Azië gaf Rusland zijne veroveringen terug; een deel van Bessarabië, ten Noorden van den Donaumond, werd bij Moldavië gevoegd. Dit en Walachije werden ontslagen van Russisch-Turksche inmenging; zij kregen opnieuw geheele autonomie met erkenning van de suzereiniteit van de Porte.De “zieke man” was gered van den éénen hardvochtigen dokter, die er een eind aan had willen maken. De andere doktoren, die zijn dood niet wenschten, gaven hem tevens heel welwillend de middelen aan de hand om den weg der beterschap op te gaan. Die middelen waren vervat in een door de Turksche regeering op aandrang der mogendheden uitgevaardigd besluitvan Februari 1856. Het ging veel verder dan de Tanzimat van 1832. Volkomen staatsrechtelijke gelijkstelling van Christenen en Mohammedanen: genen kregen dus toegang tot alle ambten en de afzonderlijke belasting voor hen werd afgeschaft. Daarnaast een reeks hervormingen. Was het besluit uitgevoerd, een geheel andere toestand zou in het Turkenrijk ontstaan zijn, maar de afwijking van een sedert eeuwen gevolgde binnenlandsche staatkunde, berustende op den Koran, die de Mohammedanen tot een bevoorrechte klasse maakte, ging te ver. De Turken wilden er niet van weten, de Christenen, in het geheel niet belust op het dienen in een leger van den sultan, evenmin. Hoe zouden ook die twee klassen van bevolking, die altijd van elkander afgezonderd geleefd hadden, nu in eens burgers van een zelfden staat kunnen worden! Zoo bleef feitelijk de afscheiding voortduren en de Christenen bleven hun hoofdgeld betalen, hoewel onder een anderen naam en in een anderen vorm, n.l. als afkoopsprijs van militaire verplichtingen. Ook van de andere toegezegde hervormingen kwam weinig in. De beide mannen, die er hun best voor hebben gedaan, Fuad-pacha en Ali-pacha, die beide de Porte vertegenwoordigd hadden op het congres van Parijs, vonden weinig steun bij den sultan Abdoel-Asiz, die in 1861 zijn broeder Abdoel-Medjid opvolgde. Het was meest lapwerk, wat er gebeurde. Op financieel gebied gelukte het Fuad-pacha een grootboek van de nationale schuld te doen instellen en een Ottomansche bank op te richten. Maar het crediet van Turkije was zóó laag, dat het 8 à 12% moest betalen om geld te leenen! Ali-pacha bracht eenige Christenen in den staatsraad, zorgde voor een betere opleiding van ambtenaren, maar o! het gaf alles zoo bitter weinig. Hoe kon het anders met een padishah, die in een oogenblik van zelfinkeer besloot zijn geheelen harem op te heffen, wat een ontzettende bezuiniging gaf, maar wat later er weer een had van negen honderd vrouwen en drie duizend bedienden! En toen Fuad-pacha (1869) en Ali-pacha (1871) gestorven waren, toen triumfeerden de Oud-Turken over de heele linie. Hoe zonderling het moge schijnen, de mogendheden bleven toezien, zelfs toen een door hen ingestelde enquête van 1867 volop bewees, dat 1856 grootendeels vergeten was.Maar wat moesten ze doen? De Turken er gezamenlijk uitjagen, maar wie dan in Contantinopel? Ze zaten in een impasse even goed als de Turken en de Christenen in hunne onderlinge verhouding. De eenig mogelijke verdere afwikkeling van het Balkan-vraagstuk lag in het steeds meer emancipeeren van de Christelijke bevolking. In die richting wilde Rusland werken, toen het na de enquête van 1867 den raad gaf de verschillende volkeren zooveel mogelijk autonoom te maken. Ofschoon de mogendheden een dergelijken leiddraad voor een algemeene politiek niet hebben aangenomen, is het Turksche rijk in Europa toch werkelijk in de tweede helft der negentiende eeuw in diengeest meer en meer verzwakt geworden. Rusland, natuurlijk met de bedoeling zich op deze wijze den meesten invloed te verzekeren, is daarbij min of meer openlijk de groote drijfkracht geweest en voorloopig ondersteunde ook Napeleon III, voor wien het nationaliteitsbegrip een magische aantrekkelijkheid had, na den Krimoorlog deze politiek.Montenegro heeft daarvan het eerst de goede gevolgen ondervonden. Het was voor de Porte, gegeven de roerigheid onder de Christenen van Bosnië en Herzegowina, die ook onafhankelijkheidsneigingen vertoonden, van het grootste belang dit land meer te onderwerpen dan tot nog toe het geval geweest was. Het bedwingen van den opstand der Bosniërs in 1851, die van uit Montenegro gesteund geworden was, gaf hiertoe een eerste aanleiding. De verandering van het in den vorm theocratisch bestuur, dat door een vorst-bisschop, vladika geheeten, werd uitgeoefend, in een wereldlijke regeering zonder toestemming van den sultan, die zich wel degelijk als suzerein beschouwde, deed de maat overloopen (1852). Met groote overmacht viel Omer-pacha het vorstendom aan, maar hij slaagde niet en Oostenrijksche pressie bewoog den sultan weldra de vijandelijkheden te staken, zonder dat zijn doel bereikt was. Na den Krimoorlog deden de Turken een nieuwe poging, maar nu leden zij een ernstige nederlaag bij Grahovo (1858), hun toegebracht door Mirko, broeder van den vorst Danilo. Het gevolg was, dat op aandrang van Napoleon III een Europeesche commissie werd aangewezen, om de grenzen tusschen Montenegro en Turkije vast te stellen; daarmede werd dus feitelijk het kleine vorstendom geheel onafhankelijk. Nieuwe moeilijkheden kwamen, toen in 1861 Herzegowina, aangemoedigd door het succes der Montenegrijnen, in opstand geraakte. Weer konden de Montenegrijnen, ofschoon Mirko—Danilo was in 1860 vermoord—, die voor zijn zoon Nicolaas het regentschap voerde, de neutraliteit wilde bewaren, het niet nalaten de stamgenooten te ondersteunen. Nu was de uitslag bedenkelijk: Omer-pacha trok het vorstendom binnen en Mirko werd overwonnen; Montenegro moest toestemmen in enkele voorwaarden, waardoor de Turken het land voor militaire operatiën tot hunne beschikking kregen. Het was te danken aan het optreden van Frankrijk en Rusland, dat de sultan deze voorwaarden spoedig introk (1863). Herzegowina werd weer geheel onderworpen.Werd Herzegowina geheel bedwongen, Servië ontwikkelde zich rustig en verwierf ongemerkt een steeds grootere mate van vrijheid, vooral, nadat een eerste tijdvak van binnenlandsche onrust, gevolg van het autocratisch optreden van Miloch en van naijver tusschen zijn geslacht en dat van Kara-Georges, voorbij was. Miloch, van 1839–1858 verdreven, kwam na de afzetting van Alexander, den kleinzoon van Kara-Georges, als vorst in Servië terug. Zijn zoon Michaël volgde hem in 1860 op volgens het erfelijkheidsbeginsel, dat het vorige jaarzonder toestemming van den sultan door de skoeptchina aangenomen was. Hij bewerkte, ook weer gesteund door Rusland en Frankrijk, de ontruiming van de citadellen in Servië, die nog door Turksche troepen bezet waren. Na Michaëls vermoording in 1869 en zijne opvolging door zijn neef Milan erkende de Porte de erfelijkheid van het koningschap in het huis Obrenovitch. Een Servische constitutie (1869) werd opgesteld, zonder dat men zich om des sultans toestemming bekommerde. Feitelijk was Servië dus onafhankelijk en zoo was het ook met de Donauvorstendommen, waartusschen bovendien een samensmelting tot stand gebracht werd. Sedert 1859 hadden ze één hospodar, sedert 1862 was Boekarest de hoofdstad. Het was ook Fransche en Russische invloed, die dezen gang van zaken in de hand werkte. Binnenlandsche moeilijkheden, die er tusschen de aanzienlijke geslachten meermalen ontstonden, trachtte men te bezweren door van Roemenië—zoo heette de nieuwe staat—een koninkrijk te maken met een buitenlander, Karel van Hohenzollern, lid van de Katholieke tak van dit vorstenhuis, aan het hoofd (1866), die, gebonden aan een constitutie, de regeering zou voeren.De rustige rust, die van 1862–1875 uiterlijk in het Turksche rijk heerschte—onderbroken alleen door een opstand op Kreta in 1866, dat aansluiting bij Griekenland wenschte, maar zijn wensch niet vervuld zag—, werd in 1875 op een heftige wijze verstoord. Het scheen, of de nog onderworpen Christenen nu allen tegelijk besloten hadden zich vrij te maken. Bosnië en Herzegowina begonnen: hun bedoeling was aansluiting te bewerken bij de Serviërs, immers hunne stamgenooten. Boelgarije werd toen ook onrustig. Onmiddellijk bemoeiden de mogendheden zich met de zaak; vooral deden dit de drie keizers, die van Rusland, Oostenrijk en Duitschland, sedert 1871 door een entente met elkander verbonden. Frankrijk was nog niet hersteld van de hevige slagen, die het in den Fransch-Duitschen oorlog8gekregen had, en kon daarom weinig invloed doen gelden; Engeland nam eerst een afwachtende houding aan. De drie keizers stuurden aan op hervormingen; zij wilden den opstand daardoor beëindigen, bepaaldelijk, Oostenrijk, dat zeer ongaarne een groot Servisch rijk op zijne Zuidgrens zag ontstaan. De sultan gaf vele goede woorden; er werd onderhandeld over de beste middelen. Toen veranderde plotseling de toestand door de vermoording van den Duitschen en den Franschen consul te Saloniki, een uiting van fanatisme van de Turksche bevolking, en tegelijkertijd hadden ongehoordewreedheden plaats in Boelgarije. Dit was het werk van Aziatische onderdanen van den sultan, door dezen losgelaten om aan het verzet onder de Boelgaren een einde te maken. “In enkele dagen gingen negen en zeventig dorpen in de vlammen op, vijftienduizend menschenminstenswerden gedood, tachtigduizend waren dakloos” (1876).Het geduld van de Serviërs en de Montenegrijnen, van den beginne af brandend van verlangen om de opstandelingen in Bosnië en Herzegowina te hulp te komen, maar nog tegengehouden door de mogendheden, was uitgeput; zij begonnen den oorlog tegen Turkije (1876). Te meer werden zij daartoe aangespoord, omdat te Constantinopel de Oud-Turksche partij geheel de overhand kreeg: Abdoel-Asiz, beschuldigd van teveel deferentie aan de opstandelingen, werd afgezet; Moerad V, een zoon van Abdoel-Medjid, in zijne plaats gesteld en, toen deze nog niet genoeg reactionnair gezind bleek, moest ook hij na twee maanden plaats maken voor zijn broeder Abdoel-Hamid II, van wien de hervormingspartij niets te verwachten had. De Oud-Turken durfden te beter, omdat de Serviërs niet bestand bleken tegen het Turksche leger onder Osman-pacha, die geheel Servië dreigde te veroveren. Van de mogendheden, meenden zij, was toch niets te vreezen, maar nu hadden zij buiten den waard gerekend. Ook in Europa hadden de tijdingen van de moorden in Boelgarije haren invloed niet gemist. De Russische keizer Alexander II was van dat oogenblik af besloten de zaak krachtig aan te vatten, maar hij verliet niet onmiddellijk den weg der diplomatie: zijn leger was niet gereed en liefst wilde hij zich van de welwillendheid der andere mogendheden verzekeren om een herhaling van den Krimoorlog te voorkomen. Daarom stelde hij het samenroepen van een conferentie te Constantinopel voor. Te Londen bestond niet zoo veel eensgezindheid om de Porte tegen Rusland in bescherming te nemen als vroeger: Gladstone, de leider der Whigs, gunde “den grooten moordenaar” te Stamboel niets goeds, maar Disraëli, toen aan het bewind, was fel Russophoob en had zich daarom onthouden van onderteekening van een door de andere mogendheden te Berlijn opgesteld memorandum aan de Porte, waarin op krachtige wijze op hervormingen aangedrongen werd. Alleen onder invloed van de publieke opinie in Engeland had hij ten slotte in de conferentie van Constantinopel toegestemd, waar in de eerste plaats een wapenstilstand in den oorlog met Servië zou worden geëischt en verder natuurlijk hervormingen. Onnoodig te zeggen, dat Ridhat-pacha, de leider der Oud-Turken, van die eischen niet gediend was en dat de conferentie mislukte, maar tegelijk speelde de Turksche regeering een prachtig comediespel; een zeer vrijzinnige constitutie werd uitgevaardigd, op denzelfden grondslag gebouwd als het hervormingsbesluit van 1856—uit eigen beweging hervormingen dus!—en tegelijk kwam een vergadering van 240 ambtenaren bijeen, die éénparig de voorstellender mogendheden verwierpen, een sanctie dus van het Turksche volk op het besluit van den sultan! Het ergerlijkste was, dat er onder de mogendheden waren, die de nieuwe beloften van den sultan voor goede munt wilden aannemen. Engeland vooral bleef nog weerbarstig om Rusland zijn gang te laten gaan. Maar toen een voortzetting der onderhandelingen de Porte, natuurlijk aangemoedigd door Engeland’s handelwijze, tot geen toegeeflijkheid in eenig opzicht vermocht te bewegen, toen een bijeengeroepen Turksche volksvertegenwoordiging tot de voortzetting van den oorlog met Montenegro—Servië had reeds vrede moeten sluiten—besloot, tastte Rusland door en verklaarde in het voorjaar van 1877 den oorlog. Het was verzekerd van de goede gezindheid van Oostenrijk, waarmede het was overeengekomen, dat het Oostenrijksche leger Bosnië en Herzegowina zou bezetten. Ook van Duitschland was niets te vreezen: Bismarck, die overigens wegens een langzaam opkomende toenadering van Frankrijk en Rusland dit land gaarne in Zuid-Oost-Europa in moeilijkheden wilde zien, had zijne bekende verklaring over de waarde van de beenderen van een Pruisischen grenadier juist afgelegd; naar zijne meening had Duitschland nog geen onmiddellijke belangen in het Turksche rijk.Met geestdrift begon het Russische volk den oorlog: het was immers een bevrijdingsoorlog van de Slavische broeders van het Turksche juk; reeds lang hadden de opstandelingen steun uit Rusland ontvangen door middel van een daar bestaand genootschap, dat ten doel had alle Slaven in het Balkanschiereiland vrij te maken. Roemenië sloot zich bij Rusland aan, niet geheel uit vrijen wil, want men wist bij ondervinding, wat het doortrekken van een Russisch leger beteekende, maar omdat het niet anders kon. Zonder groote inspanning kwamen de Russen, aangevoerd door groothertog Nicolaas, over den Donau en weldra bezette Gourko, één der onderbevelhebbers, den Sjibka-pas in den Balkan. Toen werd hun voortgang gestuit. Osman-pacha, opperbevelhebber der Turksche troepen, één der weinige beroemde aanvoerders uit de Turksche geschiedenis van de laatste eeuwen, bezette door een gewaagde, maar uitstekend geleide beweging Plewna in den rug den Russen. Tevergeefs bestormden dezen zijne zeer sterke positie; zij moesten overgaan tot een formeele belegering en even dapper als de Russen te Sebastopol gedaan hadden, gedroegen zich de Turken, nu zij de belegerden waren. Eerst nadat groote Russische versterkingen aangekomen en een reeks van zware gevechten rondom Plewna geleverd waren, nadat een Turksch ontzettingsleger teruggeslagen was en Osman, die aan alles gebrek kreeg, tevergeefs een wanhopige poging gedaan had om zich door de Russen heen te slaan, moesten de Turksche troepen capituleeren (Dec. 1877), maar de eer van het Turksch leger was gered, voor het eerst sedert heel langen tijd. Nu trokken de Russen den Balkan over, namen Sofia,Adrianopel (Januari 1878), terwijl een ander leger onder Melikoff verschillende veroveringen in Armenië gemaakt had. De Porte, nu ook weêr in oorlog met Servië, dat opnieuw naar de wapenen gegrepen had, en bedreigd door Montenegro, haastte zich onderhandelingen aan te knoopen, die den laatsten Januari leidden tot de preliminairen en ruim een maand later tot den vrede van San Stefano: geheele onafhankelijkheid van Servië, Montenegro en Roemenië; uitbreiding van gebied voor de beide eersten; ruil van een deel van Bessarabië, dat aan Rusland terugkwam, tegen de Dobroedsja voor Roemenië; autonomie van Boelgarije, d.w.z. ’t eigenlijke Boelgarije met Oost-Roemelië en een deel van Macedonië, met behoud van de suzereiniteit van den sultan, en autonomie van Bosnië en Herzegowina; hervormingen voor de nog Turksch blijvende Christelijke bevolking; een oorlogsschatting en afstand van eilanden in de Donaumonding met grondgebied in Azië, o.a. de stad Kars, voor Rusland. Zoo waren de zeer zware voorwaarden, die aan Turkije opgelegd werden; zoo was de groote triumf, die Alexander II behaalde.Maar de andere mogendheden, vooral Engeland en Oostenrijk, zagen dit schouwspel met grooten tegenzin aan. De gebeurtenissen waren na Plewna zoo gauw afgeloopen, dat zij, vóór het tot onderhandelingen gekomen was, geen gelegenheid hadden gekregen er zich mede te bemoeien. Zoodra de preliminairen hun bekend waren, zond Engeland, brutaal, zijn vloot tot in de onmiddellijke nabijheid van Constantinopel en na het sluiten van den vrede eischte het herziening der voorwaarden. Het werd gesteund door Oostenrijk, dat nu van Engeland de belofte wist te verkrijgen van Bosnië en Herzegowina te mogen bezetten. Rusland vond nergens steun, was door den zwaren oorlog uitgeput en durfde dus een worsteling tegen Engeland en Oostenrijk niet aan. Daarom stemde Alexander II toe in een congres te Berlijn, waar Duitschland zijne “goede diensten” aanbood om de partijen tot elkander te brengen. In hoofdzaak waren Engeland en Rusland het reeds eens geworden vóór de opening van het congres, dat daardoor precies in één maand kon afloopen. Groot-Boelgarije verdween: alleen het eigenlijke Boelgarije ten Noorden van den Balkan werd geheel autonoom onder een door de Boelgaren te verkiezen vorst; de provincie Oost-Roemelië kreeg eigen administratie, maar de gouverneur zou door de Porte benoemd worden; Macedonië bleef geheel Turksch; Montenegro en Servië kregen minder uitbreiding dan hun eerst was toegestaan; Montenegro kreeg Antivari met de kuststreek, daarbij behoorende; Servië alleen het district van Nisj en Pirot. Het lot van Bosnië en Herzegowina werd geheel veranderd: zij bleven in naam Turksch, maar Oostenrijk zou ze “occupeeren” en besturen; om ze te beter te kunnen beheerschen, kreeg Oostenrijk bovendien het recht van militaire bezetting in het district Novi-Bazar, waardoor het Servië en Montenegro van elkander zou scheiden, Bosnië en Herzegowinaook aan den Oostkant insluiten en een positie innemen, vanwaar het vooral in den Balkan zeer gemakkelijk zich kon doen gelden. Voor Roemenie werd de bittere pil van den afstand van het deel van Bessarabië eenigszins verzacht, doordat het de eilanden in de Donaumonding kreeg, die dus niet aan Rusland kwamen, terwijl de Russische aanwinst in Azië besnoeid werd. Engeland kreeg voor zijne hulp aan Turkije het eiland Cyprus en dus een bevestiging van zijn invloed in de Middellandsche Zee, van te meer beteekenis wegens het Suez-kanaal. Die invloed was het ook vooral geweest, die Engeland zoo krachtig had doen protesteeren tegen een groot-Boelgarije, dat naar alle berekening aan Rusland zeer vriendschappelijk gezind geweest zou zijn. Onnoodig te zeggen, dat de sultan opnieuw tot verbeteringen aangespoord werd!Het verdrag van Berlijn is één van de zonderlingste producten, die de diplomatie heeft voortgebracht, en alleen te verklaren als compromis van velerlei belangen in de buitengewone omstandigheden, waarin het gesloten werd. Alle mogendheden, die iets hadden in te brengen, waren tegen Rusland; ook Bismarck had zich meer anti- dan pro-Russisch getoond en Frankrijk had geen gewicht in de schaal gelegd. Zoo kon het gebeuren, dat mogendheden, die niet aan den oorlog deelgenomen hadden, met groote voordeelen gingen strijken, terwijl Rusland er tamelijk bekaaid afkwam. Ook voor de toekomst was dit van beteekenis: Oostenrijk, dat tusschen 1859 en 1866 zijn invloed in Italië en Duitschland verloren had kreeg een bevoorrechte positie in het Balkan-schiereiland en kon hopen daar op den duur nog meer schadeloosstelling te verwerven voor de verliezen in het Westen. Rusland daarentegen, dat Roemenië diep gegriefd had, dat groot-Boelgarije had opgeofferd, zag zijn invloed weinig toenemen. Het was de verwezenlijking van zijn ideaal: een uitgang naar het Zuiden, weinig dichterbij gekomen. De Turksche kwestie was nog lang niet opgelost, al was men weer eenige schreden nader aan de geheele verbrokkeling van het rijk in zelfstandige staten. Ook na 1878 is de ontwikkeling die richting blijven volgen. De moeilijkheden bewogen zich vooral om Boelgarije, Griekenland en Macedonië.Met het laatste land hebben we ons na zijne vrijwording niet behoeven bezig te houden; ten gevolge van inwendige zwakheid, gevolg van voortdurende partijtwisten, deed het zich bij de herhaalde crises in het Balkan-vraagstuk ternauwernood gelden. Koning Otto werd in 1862 gedwongen afstand van den troon te doen en in het volgende jaar werd George, een Deensche prins, broeder van de gemalin van den Engelschen koning Eduard VII, zijn opvolger; bij die gelegenheid stond Engeland aan het koninkrijk de Jonische eilanden af, waarover het sedert den Napoleontischen tijd het protectoraat uitoefende. Daarna werd de toestand langzamerhand eenigszins verbeterd. Ofschoon Griekenland uit gebrek aan geld en een behoorlijk leger ook in den oorlog van 1877geen rol had kunnen spelen, wist het toch van de verwikkelingen gebruik te maken, om van de mogendheden gedaan te krijgen, dat deze in het Berlijnsche verdrag een bepaling opnamen, om de Porte aan te sporen zich met Griekenland te verstaan over een verbetering der grenzen, waartoe zij tevens hunne goede diensten aanboden. Toen Turkije weinig lust vertoonde, aan Griekenland’s wenschen tegemoet te komen, begon hier een sterk patriottische agitatie en een oorlog dreigde. Op aansporen van de mogendheden, vooral van Frankrijk en Engeland, gaf Turkije toe en Griekenland kreeg iets, hoewel niet alles, wat het wilde: de grens werd in het Noord-Oosten van Thessalië tot aan de Zuidelijke helling van den Pindus en den Olympus verlegd; Griekenland werd bovendien verrijkt met een deel van Epirus (1881). Daarna werd vooral Kreta de inzet van nieuwe verwikkelingen met de Porte. Dit eiland had herhaaldelijk getracht zich van de Turksche heerschappij te ontslaan; het mislukte steeds, maar de altijd beloofde hervormingen van de Porte bleven ook na 1878 grootendeels onvervuld. Het was ten gevolge van de twisten van Christenen en Mohammedanen voortdurend onrustig op het eiland,niettegenstaandeook de mogendheden zich meermalen met de zaak bemoeiden en in 1896 den sultan zelfs dwongen er in toe te stemmen, dat hunne consuls te Kanea toezicht op de regeering zouden uitoefenen. Griekenland had dit spel met het grootste ongeduld gevolgd en werd alleen onder pressie van de mogendheden in den band gehouden. Eindelijk, in 1897, barstte de bom, doordat de Grieksche regeering, gedwongen door de publieke opinie in het eigen land, een troepenafdeeling naar Kreta zond, om het eiland te annexeeren. Maar in den toen volgenden oorlog bleek het Grieksche leger volstrekt niet in staat tegen de Turken te vechten. Natuurlijk hielden de mogendheden ook nu hare diplomatieke handen niet thuis en daaraan had Griekenland het te danken, dat het bij den nog in 1897 te Constantinopel gesloten vrede er afkwam met den afstand van slechts een klein deel van het in 1881 in Thessalië verkregen gebied en het betalen van een oorlogschatting. Bovendien—dit eischten de mogendheden voor zich—zou een internationale commissie te Athene contrôle krijgen op de Grieksche financiën. Kreta kreeg ten slotte toch zijne bevrijding: in 1898 bewerkten de mogendheden (behalve Oostenrijk en Duitschland, die zich er buiten hielden), dat ook dit eiland autonoom zou worden onder het bestuur van prins George, zoon van den Griekschen koning, als hooge-commissaris namens de mogendheden. Ook hier bleef alleen de Turksche suzereiniteit bestaan. De pogingen van Grieksche zijde, om deze te doen opheffen, bleven eerst zonder resultaat. Wel droeg het bestuur van prins George, dat de orde wist te herstellen, voor het eiland goede vruchten.Boelgarije, het tweede land, dat na 1878 aan de mogendheden en aan de Porte moeilijkheden te over bezorgd heeft, kreeg in1879 den door het Sobranje gekozen Alexander van Battenberg, een neef van de Russische keizerin, tot vorst. Hij was de candidaat van Rusland geweest, dat door hem den grooten invloed, dien het zich door de gebeurtenissen van 1877 verworven had, hoopte te behouden. Maar het tegendeel was het geval. Er ontstond een streven, om zich van Rusland’s overwicht vrij te maken, en Alexander van Battenberg bevorderde dit streven, waarom hij Rusland’s gunst verloor. Dit ondervond hij, toen in 1885 de Oost-Roemeliërs, natuurlijk niet tevreden met den hun vanwege de Porte gezonden gouverneur, in opstand geraakten te Philippopel en Alexander als vorst erkenden, waardoor feitelijk toch de vereeniging van Boelgarije en Oost-Roemenië tot stand kwam. Hiertegen verzette zich in de eerste plaats koning Milan van Servië9, die door de uitbreiding van Boelgarije het Balkan-evenwicht verstoord achtte. Servië en Boelgarije begonnen een oorlog, waarin Alexander van Battenberg glansrijk overwon. Het tusschenbeiden komen van Oostenrijk, dat Servië hulp dreigde te verleenen, redde dit laatste land. Echter baatte zijne overwinning vorst Alexander niet: ofschoon de andere mogendheden en ook de sultan geen overwegend bezwaar tegen Alexander’s regeering over Oost-Roemelië, hoewel dan in kwaliteit van gouverneur, maakten, weigerde Rusland hardnekkig er in toe te stemmen; het wilde zich houden aan het verdrag van Berlijn! Die houding van Rusland had zijn terugslag in de binnenlandsche aangelegenheden van het vorstendom. Een militaire samenzwering werd gesmeed en vorst Alexander buiten zijn vorstendom gevoerd, maar hij keerde terug en vond bij de niet-Russische partij aanhang genoeg om zich staande te houden. Toen trachtte hij zich met keizer Alexander III te verzoenen, maar deze was onvermurwbaar; hij verklaarde zich van elke bemoeiïng met Boelgarije te zullen onthouden, zoolang Battenberg er vorst bleef. Deze deed daarna vrijwillig afstand van den troon (1886). Maar Rusland profiteerde er niet bij, want de anti-Russische partij kwam aan het roer met Stamboelow als president van een regentschap en deze helderziende, maar heerschzuchtige staatsman was een verklaard vijand van den Russischen invloed: hij wilde Boelgarije geheel zelfstandig maken. Een nieuwen vorst vond men na eenig zoeken in den Duitschen prins Ferdinand van Saksen-Coburg (1887). Dit was geschied geheel buiten de mogendheden en den sultan om. De meesten dezer verzetten zich niet tegen het fait accompli; de sultan liet een zwak protest hooren. Rusland alleen begon een dreigende houding aan te nemen, maar de voor vorst Ferdinand en de Boelgaarsche regeering zeer gunstige houding van Oostenrijk, dat altijd den Russischen invloed op den Balkan tegenging, weerhield Alexander III van feitelijke inmenging. Het heeft echter nog jaren geduurd, vóórdat Ruslandden nieuwen staat van zaken erkend heeft. Dit is eerst mogelijk geworden na de vermoording van Stamboelow, die in 1895 als slachtoffer van zijne heerschzucht viel. De toenadering had plaats onder keizer Nicolaas II, die in 1896 als peet van Ferdinand’s zoon Boris, opgevoed in de Grieksch-Katholieke kerk, optrad. Dat was de officieele verzoening en spoedig daarna werd Ferdinand in zijne dubbele kwaliteit als vorst van Boelgarije en gouverneur-generaal van Roemelië door de Porte en door alle mogendheden erkend.Nu Oost-Roemelië feitelijk met Boelgarije vereenigd was, sprak het van zelf, dat ook bij de Macedoniërs de wensch naar bevrijding te sterker werd. Het uitblijven van de noodige hervormingen heeft ook hun een gereede aanleiding verschaft om op te staan, maar de kwestie werd hier bijzonder moeilijk. Macedonië heeft een zeer gemengde bevolking; er is geen sprake van één volk, dat naar vrijheid streeft, men heeft hier rekening te houden met verscheidene nationaliteiten: Boelgaren, Grieken en Serviërs, waarbij dan nog een groot aantal Turken komen. Wat moest er met Macedonië gebeuren, als het van het Turksche gezag bevrijd werd? Moest het een zelfstandige staat vormen? Maar daarvóór was het niet genoeg één natie. Moest het Boelgaarsch worden? Maar dit wilden de Grieken en de Serviërs niet. Macedonië werd het terrein, waar de rivaliteit der Balkan-staten onderling, die alle groote begeerten hadden in herinnering aan vroegere idealen, zich openbaarde. De Porte maakte er van gebruik hen tegen elkander uit te spelen door er dan de één en dan de ander voordeelen, bep. op kerkelijk gebied, te verleenen. De Macedoniërs trachtten tevergeefs een eigen bestaan als staat te verwerven. Hunne organisatie hiertoe werd door Turkije vernietigd. Toen kwam het tot meerdere opstanden en veel strijd, waarin tevens de Balkanvolkeren feitelijk elkander bevochten. In 1903 werd de crisis zeer acuut. De steun, dien de opstandelingen ontvingen uit Boelgarije, scheen een oorlog tusschen dit land en Turkije ten gevolge te zullen hebben. Toen kon men hooren, dat Griekenland neiging toonde Turkije te gaan ondersteunen tegen de Bulgaren, natuurlijk niet uit pure liefde voor de Porte! Het kwam echter niet tot openlijken oorlog. De mogendheden gaven duidelijk genoeg te kennen, dat zij niet van zins waren zich met geweld in dit wespennest te steken. Zij, bep. Oostenrijk en Rusland, ditmaal broederlijk samengaand, sloegen den reeds zoo vaak gebruikten weg in en boden den sultan een programma van hervormingen aan, welke stap ondersteund werd door de andere mogendheden. De Porte nam dit programma aan, Boelgarije stelde er zich voorloopig tevreden mede en ging afzonderlijk met den sultan een overeenkomst aan over het terugbrengen van groote aantallen Macedonische vluchtelingen uit Boelgarije naar hun land. Er werd o.a. een gendarmerie onder een Europeesch officier en onder toezicht der mogendheden ingesteld tot handhaving der orde. Men hoopte op een dergelijken toestandals op Kreta, maar kwam hier bedrogen uit. De onderlinge bestrijding der Balkan-volkeren in Macedonië duurde voort, werd eigenlijk al erger. En de mogendheden lieten het verder begaan evenals Turkije. Men zou zoo denken, dat deze zaak Turkije buitengewoon ter harte moest gaan, want, verloor het op de een of andere manier Macedonië, dan bleef van het gebied in Europa maar heel weinig over en bovendien werd dit gebied dan in twee niet aan elkander grenzende helften verdeeld! De gelijkenis werd al grooter met den omvang, dien het Grieksche rijk in den laatsten tijd van zijn bestaan had. Een bedenkelijk verschijnsel, maar dat de regeering van Abdoel-Hamid niet tot flink ingrijpen bracht. Het is uiterst merkwaardig, hoe lijdelijk deze sultan zag gebeuren, wat er om hem heen voorviel. Zeker, hij was, zegt men, een meester in de kunst der diplomatie, hij wist van de oneenigheden der groote mogendheden en der Balkanstaten een handig gebruik te maken. Maar hiermede redde hij zijn land niet. Hij hield zich krampachtig vast aan het absolutistisch régime, dat hij van meet af had begunstigd. Onder zijne regeering had de hervormingspartij niets te verwachten. De geest, die een oogenblik gevaren was in het bestuur ten tijde van Fuad-pacha en Ali-pacha, vervloog geheel. De op hervormingen beluste partij deed zich wel eenigszins krachtiger gelden, maar werd op de geniepigste wijze vervuld. Meer en meer deed Abdoel-Hamid zich kennen als een argwanend en listig despoot, die van zijne onderdanen sterk vervreemdde. Het is voor ons, Westerlingen, haast onbegrijpelijk, dat men den man zoo lang heeft laten begaan. Het Turksche volk is wel zeer apatisch en het stelt de persoon van zijn heerscher wel bizonder hoog!De teekenen der tijden waren overigens zoo duidelijk. Niet alleen in Europa, ook daar buiten brokkelde het rijk af of dreigde dit te doen. Van het gebied in Afrika en Azië was in den loop der negentiende eeuw heel wat afgevallen. Algiers werd een Fransche kolonie (1838), Tunis nam een Fransch protectoraat aan (1881). Dit verlies is wel zoo heel groot niet, omdat die beide landen evenals Tripoli zich nooit veel om het gezag van den sultan bekommerd hadden. Maar anders was éénmaal het geval in Egypte en ook dit land, dat reeds onder Mehemet-Ali een groote mate van zelfstandigheid gekregen had, ontsnapte, sedert Engeland in binnenlandsche ongeregeldheden een aanleiding vond het te bezetten (1822), geheel aan de Turksche heerschappij. De Engelsche “occupatie” heette tijdelijk, een Europeesche commissie kreeg toezicht op het financieel beheer, maar niemand heeft verwacht, dat Engeland met zijn voortdurend aanwassende belangen in Egypte en in geheel Afrika het Nijldal ooit weêr zou ontruimen. In Azië heeft Rusland de Turken in het Kaukasusgebied en in Armenië een heel eind teruggedreven, maar elders staat de Turksche heerschappij in Azië nog uiterlijk ongeschonden. Zal dit nog lang duren? Er is ééne kwestie, de Armenische, die in Klein-Azië voortdurend de rust bedreigt.Op schandelijke wijze zijn de Roomsch-Katholieke Armeniërs meermalen, v.n. in 1894–1896, door de Turken mishandeld; de tooneelen, die in Boelgarije zoo sterk de aandacht van geheel Europa trokken, werden hier herhaaldelijk vertoond; duizenden Armeniërs werden door Circassiërs en Koerden vermoord. Herhaaldelijk werd de Porte aangespoord deze gruwzame vervolging te staken. Te Berlijn was in 1878 ook deze kwestie ter sprake gebracht en Turkije legde heel gewillig beloften tot verbetering af. Het bleek echter spoedig, dat, wilde men iets bereiken, ook hier een andere weg zou moeten worden ingeslagen. De groote moeilijkheid was: welke? Van hun naasten beschermer, Rusland, waren de Armeniërs, als Roomsch-Katholieken, bitter weinig gediend; de ondervinding, door die Armeniërs opgedaan, die onderdanen zijn geworden van den Russischen keizer, schijnt weinig bemoedigend. Dan maar Amerikaansch, denken de Armeniërs, die, ook bewerkt door Amerikaansche zendelingen, eenige jaren geleden werkelijk neiging vertoonden de Amerikaansche nationaliteit aan te nemen. Het sprak van zelf, dat de Porte dit trachtte tegen te werken, en dien ten gevolge ontstonden zelfs enkele malen kleine verwikkelingen tusschen de groote Republiek aan de overzijde van den Oceaan en Turkije; in 1904 vertoonde een Amerikaansch eskader, in naam om een schuldeischerskwestie, zooals verschillende mogendheden die bij de slecht van geld voorziene Porte meermalen hebben, de vlag van de Republiek in de haven van Smyrna. Verdere gevolgen heeft dit echter niet gehad. Maar evenmin hebben de Europeesche mogendheden deze aangelegenheid definitief kunnen regelen.In het begin der 20ste eeuw wordt het beeld van den “zieken man” al meer geaccentueerd. Overal verval, overal ontbinding. In den Balkan zelf lieten zich enkele stemmen hooren, dat de Balkan-staten van Christelijken huize zich moesten aaneensluiten, om aan het lijden een einde te maken. Rusland begon zich na de zware nederlaag, die het in den oorlog met Japan van 1904–1905 in Oost-Azië geleden had, ten gevolge waarvan het zich wat uit de Aziatische Zaken terugtrok, opnieuw, in sterkere mate dan het na 1878 gedaan had, met den Balkan te bemoeien, natuurlijk niet in voor Turkije gunstigen zin. Op een beschermen bij een ernstige crisis kon de sultan niet meer zooals vroeger hopen. Dit was een gevolg van de veranderde Europeesche politieke verhoudingen. Deze hadden na het uiteenvallen van den driekeizersbond, gevolg van de anti-Russische houding van Duitschland en Oostenrijk beide op het congres van Berlijn, geleid tot de vorming van een drievoudig verbond van de twee laatstgenoemde landen en Italië eenerzijds en het tweevoudig verbond van Rusland en Frankrijk anderzijds, terwijl Engeland zich, uit vrees voor het vooral in economisch opzicht steeds sterker wordende Duitschland, bij de twee laatste mogendheden aansloot (de entente). Het haast noodzakelijk gevolg van dezeEngelsch-Fransch-Russische entente was, dat verwacht mocht worden, dat Turkije door Engeland niet meer beschermd zou worden. Wel bleef voor Oostenrijk-Hongarije alle reden bestaan voor het behoud van den status quo te ijveren, terwijl Duitschland, niet alleen als bondgenoot van dit land, maar ook om de belangen, die het zelf in het Oosten begon te krijgen, neiging vertoonde den Sultan de hand boven het hoofd te houden. Keizer Wilhelm II wijdde door zijne reis naar Zuid-Oost-Europa en Syrië in 1900, een op zich zelf eenig verschijnsel, deze politiek als het ware in. De concessie voor den belangrijken spoorweg door Klein-Azië naar Bagdad aan een Duitsch syndicaat werd er stellig door bevorderd. Deze en andere economische voordeelen, aan Duitschers in Klein-Azië verleend, werkten ook weêr de zich overal openbarende tegenstelling van Duitschland en Engeland in de hand. Toch mocht niet met zekerheid verwacht worden, dat Turkije aan Oostenrijk en Duitschland zoo goede helpers zou hebben, als het in den Krimoorlog aan Engeland en Frankrijk gehad had. Het blijkt volstrekt niet, dat Abdoel-Hamid II zich van de veranderde omstandigheden iets aantrok en daarnaar zijne maatregelen nam. Trouwens, ten opzichte van den Balkan deden de geschillen tusschen de beide groepen van Europeesche mogendheden zich eerst niet zoo heel sterk gevoelen. In Macedonië, op Kreta werkten ze zelfs taliter qualiter samen.Evenmin als ten opzichte van Turkije manifesteerde zich in den aanvang der 20ste eeuw duidelijk een verschillende politiek der beide groepen van mogendheden ten opzichte van de overige Balkan-staten. Wel waren Oostenrijk en Servië op den duur van elkander vervreemd, v.n. onder de regeering van koning Peter uit het geslacht der Karageorges, dat ná den moord op den laatsten der Obrenowitch, koning Alexander, en diens gemalin, koningin Draga (1903), opnieuw aan de regeering gekomen was. Servië en Rusland, dat van ouds in Montenegro een trouwen bondgenoot had, naderden daarentegen tot elkander. In het eerste land ontstond de hoop, dat de Serviërs in Bosnië en Herzegowina nog eenmaal van Oostenrijk bevrijd zouden worden; een groot-Servisch rijk zou misschien met Russische hulp kunnen ontstaan. Voor Oostenrijk beteekende dit een groot gevaar, want een groot-Servisch rijk, dat zich wellicht tot de Adriatische Zee zou gaan uitbreiden, zou het in het Zuiden op zeer ernstige wijze bedreigen. Roemenië was na 1878 vrij sterk tegen Rusland ingenomen en had met Oostenrijk een verbond gesloten. Van Bulgarije mocht men, nu Servië den Russischen kant opging, verwachten, dat het zich eer bij Oostenrijk zou aansluiten. Ook dit alles ging buiten de Turksche regeering om, die—om Macedonië—Bulgarije misschien het allerslechtst gezind was, zonder dat het daarom op vriendschappelijken voet met de andere staten stond.“Drijvend” mag men het Turksche rijk in Europa, als een schip zonder zeilen of riemen en roer noemen. Eén duw, één groote crisis—en het ware gedaan geweest. Maar daarvóór kwameen revolutie in het rijk zelf, waarvan men ook nu nog niet kan zeggen, of zij het dreigend gevaar voor ondergang heeft voorkomen. Hebben de Jong-Turken—want hun opstand van 1908 bedoelen wij—de kracht gevonden het verval te beëindigen? De zeer gecompliceerde geschiedenis na 1908 tot nu geeft nog geen recht deze vraag ontkennend of bevestigend te beantwoorden. Wij vertellen deze geschiedenis, blijvend binnen ons korte bestek, het best is een aanhangsel, het aan de toekomst overlatend te beslissen, of dit aanhangsel nog moet worden ingelascht bij ons lange hoofdstuk over het verval van het Turksche rijk dan wel of het het begin moet worden van een nieuw hoofdstuk, waaraan pas later een titel gegeven kan worden.
Het einde van den Napoleontischen tijd kwam in 1815. Wat zou de nieuwe aera voor Turkije brengen? Er is in de negentiende eeuw in de verhouding van het overige Europa tot dePorte dit verschil op te merken, dat meerdere mogendheden in de lotgevallen van het Turksche rijk belang gingen stellen. Was het in de zeventiende eeuw vooral Oostenrijk, in de achttiende Oostenrijk en Rusland, waarmede Turkije te maken had, nu had ook Engeland zijne aandacht leeren wijden aan wat er op politiek gebied in Zuid-Oost-Europa voorviel en natuurlijk bleef Frankrijk er naar streven zijn invloed te Constantinopel uit te oefenen, zooals het reeds zoo dikwijls gedaan had. Met die belangstelling van alle groote mogendheden—alleen Pruisen bekommerde zich om die aangelegenheden toen weinig; het liep als trouw bondgenoot van Oostenrijk geheel aan den leiband van den Oostenrijkschen kanselier Von Metternich—kreeg de Turksche kwestie een geheel ander aanzien. Een kwestie noemde men het nu en met recht, want, al waren allen het er over eens, dat gegeven de innerlijke zwakheid van de Sultansregeering, de toestand op het Balkan-schiereiland op den duur niet zóó kon blijven als hij was, over de wijze, waarop veranderingen waren aan te brengen, bestond grootelijks verschil van opinie. Iedere stap, die één der mogendheden tegenover de Porte deed, werd door de anderen met de grootste opmerkzaamheid en argwaan gevolgd. Vooral Rusland voer daar slecht bij. Het was duidelijk, dat het slechts op een geschikte gelegenheid wachtte, om een grooten slag te slaan, maar dit werd nu veel moeilijker dan in de achttiende eeuw, want Engeland, dat in Azië de groote tegenstander van het Czarenrijk geworden was, zou dit niet meer dulden. Zóó teer was de zaak reeds, dat men haar op het Weener Congres, waar Napoleon’s politieke erfenis geregeld werd, onaangeroerd liet.Maar er is nog een ander groot verschil tusschen de achttiende en de negentiende eeuw ten opzichte van Turkije. Hadden Rusland of Oostenrijk of beide mogendheden samen in de achttiende eeuw in één hunner oorlogen tegenover de Turken kunnen doortasten, waren ze niet steeds door min of meer toevallige omstandigheden daarvan afgeleid geworden, zij zouden waarschijnlijk zonder veel moeite hunne heerschappij over de in het Balkan-schiereiland wonende Christelijke volken voor de Turksche in de plaats hebben kunnen stellen. Nu het echter zoo lang duurde en toch de zwakheid der Turken aanhoudend duidelijker werd, kregen die volken gelegenheid de vraag van geheele onafhankelijkheid voor zich te overwegen en het bewustzijn, dat geheel vrij te worden voor hen in de toekomst lag, kwam vooral op, toen door de Fransche revolutie overal het woord vrijheid weerklank vond. Ook Rusland had die neiging aangewakkerd, met een bijbedoeling: het zou het protectoraat over de “vrije volken” krijgen, maar—het zou weldra blijken—die volken bedoelden het anders.We vermeldden reeds, dat het optreden der Russen tegenover Turkije in de achttiende eeuw enkele nationale bewegingendeed ontstaan: zoo vooral onder de Roemenen, wier toestand echter ten slotte in hoofdzaak dezelfde was gebleven; alleen had Rusland bij een afzonderlijk verdrag van 1802 gedaan weten te krijgen, dat de hospodars voor den vasten tijd van zeven jaar zouden worden benoemd en dat niet ieder oogenblik nieuwe zouden optreden, terwijl Rusland een zeker toezicht op het bestuur kreeg. Een eerste opstand, die voorloopig succes had, kwam voor onder de Boelgaren (1798), merkwaardig genoeg onder leiding van een Slavischen Muzelman Pashvan-Oghloe, dapper krijgsman en uitstekend aanvoerder, dien de Porte niet heeft kunnen overwinnen. Maar na zijn dood in 1807 werden de Boelgaren onderworpen; voor hen was de tijd nog niet gekomen.Ernstiger was de opstand van de Serviërs in 1804, want deze was zuiver nationaal. Vooral de geweldenarijen der Janitsaren te Belgrado waren de aanleiding. Zelfs vele Turken deden eerst uit weerzin tegen die aanmatigende krijgslieden aan den opstand mede. Maar, toen de Janitsaren uit Belgrado verjaagd waren en de Serviërs bemerkten, wat ze vermochten, toen keerden ze zich tegen alle Turken en vormden zich een eigen regeering. Eén hunner leiders, Kara Georges—evenals de andere leiders behoorende tot een soort Servischen landadel, iets aanzienlijker van stand dan de meeste Servische landbouwers—kwam aan het hoofd; een skoeptchina, volksvergadering, stond hem ter zijde. Servië dacht zich al vrij, maar toen Alexander I, onder wiens bescherming het zich geplaatst had, na den vrede van Boekarest, waarbij hij voor Servië amnestie en eigen bestuur had bedongen, zijne troepen uit het Balkanschiereiland teruggetrokken had, kwam het Turksche leger onder Koerchid-pacha. Kara-Georges moest vluchten, Servië zich onderwerpen (1813). De Serviërs echter, die nu eenmaal de vrijheid gevoeld hadden, kwamen reeds het volgende jaar opnieuw in verzet. Nu werd Miloch Obrenovitch, een ander landedelman, de leider en de strijd eindigde met eenig succes: in 1814 stond de Porte aan de Serviërs eenige voorrechten toe, waardoor ze in geringe mate invloed op het bestuur van hun land kregen. Maar de toezegging, door den sultan bij den vrede van Boekarest gedaan, was nog lang niet vervuld.Roemenen, Boelgaren, Serviërs begonnen—was het wonder, dat het ook onder de Grieken gistte? Min of meer in het geheim werkende genootschappen, als de hetairie der “philikoi”, onder bescherming van Alexander I in Rusland gevestigd, als de Philomuzen, die in de studie der Grieksche oudheid een uitnemend agitatie-middel vonden, bewerkten hen sedert lang. De opstand begon in 1821. De laatste stoot er toe werd gegeven door de in 1820 en 1821 in alle Zuid-Europeesche landen uitbrekende revolutiën, gericht tegen de na Napoleon’s val ingetreden reactie op staatkundig gebied. Die beweging liep in Spanje en de Italiaansche staten op niets uit, want de heiligealliantie, een werktuig in Metternich’s hand, kwam voor het behoud der bestaande regeeringen op. Hoe zou het in Griekenland gaan? Het was een veeg teeken, dat Alexander I, die den Grieken vroeger vele bewijzen van sympathie gegeven had, juist in dezen tijd geheel onder Metternich’s invloed geraakte en de liberale gezindheid, die hij wel eens placht te toonen, geheel had afgelegd. De schadelijke gevolgen daarvan ondervond AlexanderYpsilanti, zoon van een vroegeren Griekschen hospodar van Walachije, die uit Turkije had moeten vluchten en aan het Russische hof opgenomen was, evenals verschillende andere Grieksche ballingen. Hij was het hoofd der hetairie en hij begon den opstand door van uit Rusland met een kleine schaar een inval te doen in de Donauvorstendommen. Maar hij kreeg er niet den minsten steun, want de Roemenen waren verbitterd op de Russen èn om het wegnemen van Bessarabië èn om den zwaren druk, tijdens de Russische bezetting in de Donauvorstendommen uitgeoefend.Ypsilantimoest vluchten, werd in Hongarije gevangen genomen en in Oostenrijk als oproerling opgesloten, zonder dat Alexander I een vinger voor hem uitstak.Toch hebben zijn inval en een door hem uitgevaardigde proclamatie den opstand in Griekenland zelf doen uitbreken en eerst met groot succes. De Turken werden juist elders beziggehouden: een handig man, pacha Ali van Janina of ook wel Ali van Tebelen genoemd naar zijne geboorteplaats, had zich in Albanië een zeer groote autoriteit weten te verschaffen en gedroeg zich zoo goed als onafhankelijk van den sultan en juist, toen deze daaraan een einde wilde maken en Turksche troepen in Albanië vochten, begonnen de Grieken hun opstand. Reeds in 1822 kon te Epidauros een nationale vergadering bijeenkomen, waar de Grieken hun land vrij verklaarden en een republikeinschen staatsvorm aannamen. Daarna begonnen echter de moeilijkheden pas: hevige twisten, burgeroorlog zelfs tusschen de door hun handel meer met Europa in betrekking staande en daardoor meer geciviliseerde kooplieden, die vooral op de eilanden en in enkele steden op het vasteland woonden, geleid door Mavrocordato, en het ruwe landvolk, de klephten, die uit den band sloegen en weinig wilden weten van een geregelden toestand op Europeeschen voet. En onmiddellijk na het onderwerpen van Ali van Janina kwam het Turksche leger onder Koerchid-pacha. Wel mislukte diens eerste aanval om den opstand te dempen (1823), maar toen daagde een ernstiger vijand op: Mehemet-Ali. Deze avonturier, geboortig uit een plaatsje in de buurt van Saloniki, had het vertrouwen van den sultan gewonnen en was door dezen erkend als onderkoning van Egypte (1805), waar hij, vooral na het vernietigen van de Mamelukken (1811), een groote macht kreeg en spoedig de allures aannam van een geheel zelfstandig vorst te zijn. Hij had een degelijke krijgsmacht gevormd, naar Fransch voorbeeldingericht, en hij trachtte langs allerlei wegen Egypte tot bloei te brengen. Tot hem nu wendde Mahmoed II zich om steun tegen de Grieken, evenals hij vroeger gedaan had bij een opstand van een godsdienstige secte, de Ouahabiten in Arabië, die ook werkelijk door Mehemet’s zoon Ibrahim bedwongen was. Tegen belofte van afstand van Creta, terwijl zijn zoon gouverneur van den Peloponesus zou moeten worden, voldeed Mehemet aan het verzoek van zijn suzerein. Hij zelf onderwierp Creta, waar de Grieksche bevolking ook de Turksche heerschappij afgeworpen had, en Ibrahim trok naar den Peloponesus, waar hij weldra aan den opstand zoo goed als geheel een einde maakte (1825). Vereenigd met Rechid-pacha, den nieuwen bevelhebber van het Turksche leger, die in het Noorden den opstand grooten deels gedempt had, ondernam hij het beroemde beleg van Missolonghi, dat na een heldhaftige verdediging in 1826 viel en op een gruwelijke wijze uitgemoord werd. Ook Athene werd ingenomen....de Turken schenen geheel Griekenland weêr te zullen overmeesteren.Nu trad echter een verandering in de politiek der Europeesche mogendheden in, die voor de Porte noodlottig werd. Tot nog toe had Metternich, ofschoon niemand lust voelde de opstandelingen te helpen bestrijden, officieele ondersteuning van hen weten te voorkomen. Maar in 1825 stierf Alexander I en zijn opvolger Nicolaas I stond volstrekt niet onder de betoovering van de heilige alliantie. Onmiddellijk dwong hij Turkije bij het verdrag van Akkerman (1826) tot bevestiging van den vrede van Boekarest, die in enkele opzichten, b.v. in de bepaling aangaande Servië, onuitgevoerd gebleven was. Weldra trad hij ook ten gunste van de Grieken op, daarbij gesteund door Engeland, waar zeer veel sympathie voor het Hellenisme was en waar de regeering onder leiding van Canning de voordeelen inzag, politiek en commercieel, die Engeland zich door partij te kiezen voor de Grieken zou kunnen verwerven, en ook door Frankrijk. Het was vooral een gevolg van de philhellenistische beweging (die door alle landen van Europa ging, een dichter als Byron naar het oorlogsveld dreef en die in Frankrijk buitengewoon sterk was), dat de reactionnaire regeering van koning Karel X een opstand ging begunstigen; de ergerlijke wreedheden, door de Turken in de opwelling van hun fanatisme bedreven, zooals het ophangen van den patriarch te Constantinopel zonder vorm van proces en de uitmoording van de bevolking van het eiland Chios en van Missolonghi hebben die beweging zeer in de hand gewerkt. De drie mogendheden dan verbonden zich (1827), om Turkije tot een wapenstilstand te brengen. De Porte was niet van zins hiernaar te luisteren. Een geallieerde vloot trad toen met geweld op in de baai van Navarino en vernietigde daar zonder veel moeite de Turksch-Egyptische zeemacht. Toen was het pleit spoedig geheel ten gunste van de Grieken beslist. Ofschoon in Engeland naCanning’s dood een meer reactionnair ministerie optrad, dat het optreden van den Engelschen admiraal bij Navarino feitelijk desavoueerde, tastten Rusland en Frankrijk door en de Porte kreeg van geen kant steun; ook niet van Oostenrijk, dat haar daarop had doen hopen. Fransche troepen verdreven de Turken uit den Peloponesus, vanwaar Ibrahim zich teruggetrokken had; een Russisch leger onder Diebitsj trok over den Balkan en bezette Adrianopel (1829). Dit had een ontzettenden invloed te Constantinopel: Hannibal ante portas! en, al verkeerde het leger van Diebitsj in buitengewoon slechten staat, de sultan gaf zich onmiddellijk gewonnen. De vrede van Adrianopel bracht Griekenland zijne vrijheid op den grondslag van een door de mogendheden te Londen opgesteld protocol. De grenzen werden in het Noord-Oosten de golf van Volo, in het Noord-Westen de Aspropotamo; de Cycladen en Euboea behoorden er bij. Niet geheel oud-Griekenland werd dus vrij; vooral het ontbreken van Thessalië en het eiland Creta wekte veel teleurstelling. Door toedoen van de mogendheden werd Griekenland in 1832 een koninkrijk onder Otto, zoon van koning Lodewijk van Beieren; de grens werd toen in het Noord-Westen uitgebreid tot de golf van Arta. De binnenlandsche toestand liet er van den beginne af veel te wenschen over; de verwachtingen op een renaissance van het geestelijk leven werden deerlijk teleurgesteld. Kon het anders na een geschiedenis, als die het oude van het nieuwe Hellas scheidde?Voor Turkije had het einde van dezen oorlog meerdere onaangename gevolgen. Rusland eischte bij den vrede van Adrianopel een belangrijke schadeloosstelling in geld en afstand van de eilanden in de Donau-monding plus verschillende plaatsen in Azië, waaronder Anapa en Poti in Trans-Kaukasië. De vervulling van de belofte ten opzichte van Servië kon nu onmogelijk langer worden uitgesteld en in 1830 kreeg dit land zijne autonomie en zijn eigen leger; Turkije hield alleen suzereine rechten en kreeg een jaarlijksche schatting, Turksche troepen bleven in Belgrado. Miloch Obrenovitch, na den opstand van 1814 steeds het hoofd der Serviërs, werd hun eerste vorst. Verder werden de Donauvorstendommen meer onafhankelijk van Turkije. Uit eigen beweging had de Porte hun als belooning voor het niet opstaan tijdens den inval vanYpsilantilandgenooten tot hospodars gegeven (1822). Bij het verdrag van Akkerman eischte Nicolaas I ontruiming der beide landen door de Turksche troepen, zooals de Porte dit vroeger beloofd had, en bevestiging van zijn officieelen invloed. Te Adrianopel bedong hij geheele autonomie; voortaan zouden ook de Donauvorstendommen alleen schatting aan den sultan betalen, maar—ze bleven voorloopig door Russische troepen bezet en die maakten het er even bont als vroeger de Turksche. Krachtig diplomatiek optreden van Oostenrijk en Engeland was noodig om de Russen in 1834 te noodzaken hunne troepen terug te trekken. Toen pas konden de Roemenen vanhunne autonomie genieten en weldra ontstond hun streven naar geheele onafhankelijkheid zoowel van Turkije als van Rusland. En nog een deel van Turkije rukte zich los: het eiland Samos, dat aan den Griekschen opstand meegedaan had, maar weêr onderworpen was, werd door toedoen van de mogendheden ook een autonoom staatje met dergelijke verplichtingen als Servië en de Donauvorstendommen (1832).Daarbij kwam weldra de twist met Mehemet-Ali, ook al een indirect gevolg van den Griekschen vrijheidsoorlog. De onderkoning van Egypte eischte, nu de Peloponesus voor hem verloren gegaan was, Syrië als schadeloosstelling. Mahmoed II weigerde. Ibrahim rukte op met het Egyptische leger, nam Syrië in bezit, trok naar Klein-Azië en versloeg Rechid-pacha bij Konieh. Weêr naderde een vijand de poorten der Turksche hoofdstad, maar ook de Russen kwamen weer, nu als vrienden van den sultan, wien Nicolaas zijn steun aangeboden had, niet geheel belangeloos natuurlijk, maar uit vrees, dat Mehemet heerscher te Stamboel worden zou. Wat zou er met een frissche kracht aan het hoofd van het Turkenrijk niet kunnen gebeuren! Russische troepen bezetten Constantinopel en Skoetari en daarvoor deinsde Ibrahim terug. Toch kreeg Mehemet bij het verdrag van Koetajeh Syrië (1832); de mogendheden, vooral Frankrijk, hadden dit te zijnen gunste bewerkt. En Rusland? Bij het verdrag van Oenkiar-Skelessi sloot het met de Porte een of- en defensief verbond: Rusland zou den sultan, als ’t noodig was, altijd te hulp moeten komen; Turkije zou, ingeval Rusland aangevallen werd, alleen maar de Dardanellen behoeven te sluiten; deze zonderlinge overeenkomst werd aangegaan voor den tijd van acht jaar. Het behoeft geen betoog, dat Turkije hiermede feitelijk geheel van Rusland afhankelijk werd, maar evenmin, dat de andere mogendheden er zich niet bij neerlegden.De gelegenheid om het verdrag op de proef te stellen, deed zich spoedig voor. De sultan en zijn Egyptische vasal kregen in 1839 opnieuw ruzie. De aanleiding was nu, dat Mehemet, die bovenal sympathie voor Frankrijk had, weigerde een handelsverdrag tusschen Turkije en Engeland met voor dit land zeer gunstige voorwaarden ten uitvoer te leggen. Opnieuw overwon Ibrahim, nu bij Nezib, in Syrië, waar de Turken onder Hafiz een zeer ernstige nederlaag leden. Wat nu? Zou Rusland opnieuw den sultan te hulp komen? Ja, maar niet alleen; dat duldden de andere mogendheden, vooral Engeland, niet. Allen gingen zich met de zaak bemoeien en wel ten gunste van de Porte; het Fransche volk alleen toonde groote sympathie voor Mehemet-Ali, maar de regeering weigerde de wapenen voor hem op te nemen. Verbonden stelden de vier mogendheden: Rusland, Engeland, Oostenrijk en Pruisen—Frankrijk was met opzet buiten deze quadruple-alliantie gelaten—aan Mehemet-Ali den eisch Syrië te ontruimen, om hem te straffen voor zijn optredentegen den sultan; Egypte zou hij dan als erfelijk leen mogen behouden. Mehemet aarzelde, wat hem nog het bezit van Acre en omstreken, die hem eerst gelaten zouden worden, kostte. Toen, bevreesd voor het behoud van Egypte, dat Engeland hem liefst meteen ook ontnomen zou hebben, gaf hij toe (1841) en daarmede was zijn verdere rol uitgespeeld. Voor Rusland was de afloop niet zoo voordeelig als in 1832. Het verdrag van Oenkiar-Skelessi, waarvan de termijn in 1840 verstreken was, werd niet hernieuwd en verviel dus. Daarentegen moest het toestemmen in een overeenkomst met de andere groote mogendheden, het verdrag der Dardanellen geheeten, waarbij deze doorvaart tot neutraal gebied verklaard werd. Dit was een eerste stap tot een officieele garantie van de integriteit van het Turksche rijk, een keerzijde van het verdrag van Oenkiar-Skelessi. Voor Nicolaas I een groote teleurstelling, hem berokkend vooral door den Engelschen minister Palmerston.Welk een droevig figuur maakte onder dit alles de Porte! Zij leefde alleen nog bij de gratie der mogendheden of liever ten gevolge van dier onderlinge verdeeldheid. Toch was eindelijk de lang begeerde hervorming op militair gebied doorgevoerd geworden. Sultan Mahmoed II was er in 1826 in geslaagd het Janitsaren-corps te vernietigen; dit was wel een oorzaak van zwakheid te meer geweest in het laatste deel van den Griekschen oorlog, maar op den duur kon nu toch het leger een nieuwe inrichting krijgen. Andere bezwaren maakten, dat dit voor den algemeen toestand weinig hielp. Hoe zou men een flink leger kunnen onderhouden, waar de noodige gelden om het te betalen en van het noodige te voorzien ontbraken? De financiën waren door lang wanbeheer geheel in verwarring. Er was niet de minste contrôle, er ontbrak een budget. Belastingpachters en gouverneurs der provinciën zorgden er wel voor, dat er van de opbrengsten heel weinig in de schatkist kwam. Geldgebrek begon het chronische euvel te worden van de eens zoo rijke sultans. En ondertusschen nam in alle deelen van het rijk, vooral waar Christenen woonden, de ontevredenheid met den dag toe. Slechte rechtsbedeeling, afpersingen en andere geweldenarijen werden te onverdraaglijker, nu er ook voor de nog onderworpenen kans op bevrijding bestond. Toch zag het gros der eigenlijke Turken de teekenen des tijds niet. Een onbegrijpelijk phlegmatiek volk! Het rijk barstte aan alle kanten om hen heen en toch bewogen zij zich niet om op verandering van koers aan te dringen. Wel grooter woede tegen de Christenen, die ze als hun doodvijanden gingen beschouwen en waartegen ze zich steeds meer onmenschelijkheden veroorloofden, natuurlijk met het gevolg, dat hun reputatie in Europa heel slecht werd, een bedenkelijk feit, nu juist meer en meer belangstellenden den gang van zaken in hun rijk volgden.Enkelen slechts waren er, die begrepen, dat grondige hervormingen in de geheele regeering alleen baat zouden kunnenbrengen. Onder die enkelen was Rechid-pacha, groot-vizier van sultan Abdoel-Medjid, zoon van Mahmoed II (deze was vlak na den slag bij Nezib gestorven). Hij wist zijn heer tot een besluit over te halen, dat bekend is onder den naam van Tanzimat7en inderdaad groote verbeteringen in zich sloot: een rechtvaardig bestuur voor en bescherming van alle onderdanen; betere regeling van belastingheffing en militaire verplichtingen; openbaarheid van de rechtspraak. Een reeks van schoone beloften, maar de uitvoering bleef grootendeels achterwege, want de tegenstand van de belanghebbenden bij het behoud van den ouden toestand was zóó krachtig; dat de zwakke Abdoel-Medjid in 1841 een anderen groot-vizier nam, Riza-pacha, die van harte met de oud-Turken, zooals de conservatieven op den duur genoemd worden, sympathiseerde. Eerst in latere jaren heeft Rechid-pacha, toen hij nogmaals groot-vizier werd (1846–1852), ten minste in enkele opzichten eenige verbetering aangebracht. Voor het leger kwam conscriptie in plaats van gedwongen dienstneming. Aan het onderwijs werd meer zorg besteed. Op belastinggebied werd aan de willekeur der pachters paal en perk gesteld. Maar wat zal een enkeling, met hoe goeden geest bezield, tegen een algemeen slechten geest?Toch waren de partiëele hervormingen van Rechid-pacha voldoende om de onrust op te wekken van keizer Nicolaas I, die evenmin een opleving van Turkije wenschte als vroeger Catharina II die van Polen. Bovendien bleek het Turksche leger werkelijk betere hoedanigheden te verkrijgen en in staat om verdere opstanden te bedwingen. Zoo reeds in 1848, toen als gevolg van de Februari-revolutie in Frankrijk een oproer in de Donauvorstendommen uitbrak, die zich geheel onafhankelijk wilden maken; dit oproer werd door Rusland en Turkije samen gedempt: de Donauvorstendommen verloren toen weer hun in 1829 verkregen recht om zelf hospodars te kiezen; Rusland en Turkije zouden dit voortaan samen voor hen doen. Maar vooral duidelijk werd de hoogere vechtwaarde der Turksche troepen, toen ze in 1849 en 1851 gebruikt werden onder leiding van een energiek aanvoerder Omer-pacha om opstanden in Bosnië en Boelgarije, waarschijnlijk door aanstoken van Rusland uitgebroken, te dempen, wat uitstekend en zonder vele wreedheden gelukte. Ook in deze streken scheen daarna de invoering van enkele hervormingen overeenkomstig de Tanzimat een betere toekomst te voorspellen. Het plan van Nicolaas I om de Turken uit Europa te verdrijven, reeds lang bestaande en waarvoor hij, om de Engelsche regeering te winnen, in 1844 een vruchtelooze reis naar Engeland ondernomen had, heeft ongetwijfeld ten gevolge daarvan een vasteren vorm aangenomen. Nogmaals had hij in 1853 de Engelsche regeering doen polsen over een oplossing van het Turksche vraagstuk, maar weer haddeze geweigerd hem te helpen den “zieken man” uit den weg te ruimen.Daarop tastte Nicolaas, die na de gebeurtenissen van 1848, toen hij den Oostenrijkschen keizer had geholpen bij het bedwingen van een opstand in Hongarije, van Oostenrijk en dus ook van Pruisen niets te vreezen meende te hebben, alleen door. Hij zocht een voorwendsel tot oorlog en daartoe diende de zending van een buitengewoon gezant Mentsjikoff. Er hing sedert 1851 te Constantinopel een kwestie over de bescherming en het bezit der Heilige Plaatsen teJeruzalem: kwam deze toe aan de Roomsch-Katholieken, beschermd door Frankrijk, of aan de Grieksch-Katholieken, beschermd door Rusland? Napoleon III, toen nog president, weldra keizer van Frankrijk, had de kwestie opgerakeld om het aloude aanzien van de Fransche natie in het Oosten te herstellen, waar sedert het midden der achttiende eeuw enkele, sedert het begin der negentiende bijna alle heiligdommen door Grieksch-Katholieken bezet waren, wat tot herhaaldelijke moeilijkheden, tot gevechten zelfs, leidde. Hierdoor kwamen Rusland en Frankrijk, Nicolaas I en Napoleon III, toch geen beste vrienden, omdat de eerste den laatsten als een product der revolutie lang niet welgezind was, te Constantinopel in een scherp conflict. Mentsjikoff zette aan de Russische eischen kracht bij en vroeg tevens—dit laatste in het geheim—de bescherming over alle Grieksche Christenen in het Turksche rijk door Rusland. En nu volgde een ingewikkeld diplomatiek spel, waarin Stratford Canning, ambassadeur van Engeland bij de Porte en een man van grooten invloed, Mentsjikoff op uiterst handige wijze noodzaakte er voor uit te komen, waarom het hem vooral te doen was. De Turksche regeering, zich sterk wetende door den steun van Frankrijk en Engeland, wees den eisch aangaande het beschermingsrecht van de Grieksch-Katholieken onverbiddelijk af en Mentsjikoff, voor wien juist deze eisch, waardoor Rusland ten allen tijde een recht van inmenging in de Turksche zaken zou krijgen, de hoofdzaak was, wilde zich met niets minder dan volledige inwilliging al zijner eischen tevreden stellen. Hij nam na korten tijd afscheid en onmiddellijk daarna bezetten Russische troepen voor de zooveelste maal de Donauvorstendommen. Toen sloten Engeland en Frankrijk te Constantinopel een verbond met de Porte, waarbij zij beiden de integriteit van het Turksche rijk waarborgden, belovende het desnoods met de wapenen te zullen verdedigen, terwijl de sultan zich verplichtte tot het aanbrengen van afdoende hervormingen om den toestand der Christenen te verbeteren. Nog waren de onderhandelingen om een oorlog te voorkomen niet geheel afgebroken, toen een uitbarsting van fanatisme te Constantinopel den sultan dwong een oorlogsverklaring tegen Rusland uit te vaardigen (October 1853). Engeland en Frankrijk deden hun verbond gestand: ook zij verklaarden den oorlog en verplichtten zich tegenover elkander om geenvrede te sluiten dan gezamenlijk. Oostenrijk en Pruisen bleven buiten den oorlog, maar kozen om begrijpelijke redenen toch partij voor Engeland en Frankrijk: bij een overeenkomst te Weenen verklaarden zij zich solidair met de voorwaarden, door Engeland en Frankrijk met de Porte opgesteld. Actief nam later het kleine koninkrijk Sardinië deel aan den oorlog met de nevenbedoeling zich Napoleon’s gunst te verwerven.De oorlogsoperatiën begonnen in 1854, toen de Russen, bedreigd door de aanrukkende Turksche, Engelsche en Fransche troepen en bevreesd voor de inmenging van een op de grenzen samengetrokken Oostenrijksch leger, de Donauvorstendommen ontruimden; de Oostenrijkers bezetten die voorloopig als zoogenoemd neutrale partij. Gevochten was er zoo goed als in het geheel niet. Dit gebeurde eerst, toen de verbondenen besloten hun aanval te doen in de Zwarte Zee, beter geschikt voor oorlogsdoeleinden dan de Oostzee. In de Krim—de oorlog heet daarom de Krimoorlog—werd de groote tragedie uit dezen strijd afgespeeld. Het ligt buiten het bestek van dit overzicht om te vertellen van de heldhaftige verdediging van Sebastopol door de Russen of van het gruwzame lijden van de troepen der bondgenooten; eerst na een beleg van een jaar moest de stad zich overgeven en toen waren alle partijen vrijwel uitgevochten (1855). De inneming van Kars door de Russen vergemakkelijkte het sluiten van den vrede, waarover reeds lang onderhandeld werd. Dit gebeurde op een congres te Parijs (1856). Alle daar vertegenwoordigde mogendheden, d.w.z. de vijf groote en Sardinië, garandeerden de integriteit van het Turksche rijk: “elke handeling, die deze onschendbaarheid in gevaar zou brengen, zou beschouwd worden als een kwestie van Europeesch belang”; moeilijkheden tusschen één der mogendheden en de Porte zouden, alvorens men naar de wapenen greep, onderworpen worden aan de bemiddeling der andere. De Dardanellenovereenkomst werd bevestigd en daarbij de bepaling gemaakt, dat Rusland noch Turkije oorlogsschepen of arsenalen in de Zwarte Zee zouden mogen onderhouden. Deze beide artikelen waren de belangrijkste; zij bevatten de volkomen overwinning van de Engelsche politiek in Zuid-Oost-Europa op de Russische. Verandering van grondgebied kwam er weinig: in Azië gaf Rusland zijne veroveringen terug; een deel van Bessarabië, ten Noorden van den Donaumond, werd bij Moldavië gevoegd. Dit en Walachije werden ontslagen van Russisch-Turksche inmenging; zij kregen opnieuw geheele autonomie met erkenning van de suzereiniteit van de Porte.De “zieke man” was gered van den éénen hardvochtigen dokter, die er een eind aan had willen maken. De andere doktoren, die zijn dood niet wenschten, gaven hem tevens heel welwillend de middelen aan de hand om den weg der beterschap op te gaan. Die middelen waren vervat in een door de Turksche regeering op aandrang der mogendheden uitgevaardigd besluitvan Februari 1856. Het ging veel verder dan de Tanzimat van 1832. Volkomen staatsrechtelijke gelijkstelling van Christenen en Mohammedanen: genen kregen dus toegang tot alle ambten en de afzonderlijke belasting voor hen werd afgeschaft. Daarnaast een reeks hervormingen. Was het besluit uitgevoerd, een geheel andere toestand zou in het Turkenrijk ontstaan zijn, maar de afwijking van een sedert eeuwen gevolgde binnenlandsche staatkunde, berustende op den Koran, die de Mohammedanen tot een bevoorrechte klasse maakte, ging te ver. De Turken wilden er niet van weten, de Christenen, in het geheel niet belust op het dienen in een leger van den sultan, evenmin. Hoe zouden ook die twee klassen van bevolking, die altijd van elkander afgezonderd geleefd hadden, nu in eens burgers van een zelfden staat kunnen worden! Zoo bleef feitelijk de afscheiding voortduren en de Christenen bleven hun hoofdgeld betalen, hoewel onder een anderen naam en in een anderen vorm, n.l. als afkoopsprijs van militaire verplichtingen. Ook van de andere toegezegde hervormingen kwam weinig in. De beide mannen, die er hun best voor hebben gedaan, Fuad-pacha en Ali-pacha, die beide de Porte vertegenwoordigd hadden op het congres van Parijs, vonden weinig steun bij den sultan Abdoel-Asiz, die in 1861 zijn broeder Abdoel-Medjid opvolgde. Het was meest lapwerk, wat er gebeurde. Op financieel gebied gelukte het Fuad-pacha een grootboek van de nationale schuld te doen instellen en een Ottomansche bank op te richten. Maar het crediet van Turkije was zóó laag, dat het 8 à 12% moest betalen om geld te leenen! Ali-pacha bracht eenige Christenen in den staatsraad, zorgde voor een betere opleiding van ambtenaren, maar o! het gaf alles zoo bitter weinig. Hoe kon het anders met een padishah, die in een oogenblik van zelfinkeer besloot zijn geheelen harem op te heffen, wat een ontzettende bezuiniging gaf, maar wat later er weer een had van negen honderd vrouwen en drie duizend bedienden! En toen Fuad-pacha (1869) en Ali-pacha (1871) gestorven waren, toen triumfeerden de Oud-Turken over de heele linie. Hoe zonderling het moge schijnen, de mogendheden bleven toezien, zelfs toen een door hen ingestelde enquête van 1867 volop bewees, dat 1856 grootendeels vergeten was.Maar wat moesten ze doen? De Turken er gezamenlijk uitjagen, maar wie dan in Contantinopel? Ze zaten in een impasse even goed als de Turken en de Christenen in hunne onderlinge verhouding. De eenig mogelijke verdere afwikkeling van het Balkan-vraagstuk lag in het steeds meer emancipeeren van de Christelijke bevolking. In die richting wilde Rusland werken, toen het na de enquête van 1867 den raad gaf de verschillende volkeren zooveel mogelijk autonoom te maken. Ofschoon de mogendheden een dergelijken leiddraad voor een algemeene politiek niet hebben aangenomen, is het Turksche rijk in Europa toch werkelijk in de tweede helft der negentiende eeuw in diengeest meer en meer verzwakt geworden. Rusland, natuurlijk met de bedoeling zich op deze wijze den meesten invloed te verzekeren, is daarbij min of meer openlijk de groote drijfkracht geweest en voorloopig ondersteunde ook Napeleon III, voor wien het nationaliteitsbegrip een magische aantrekkelijkheid had, na den Krimoorlog deze politiek.Montenegro heeft daarvan het eerst de goede gevolgen ondervonden. Het was voor de Porte, gegeven de roerigheid onder de Christenen van Bosnië en Herzegowina, die ook onafhankelijkheidsneigingen vertoonden, van het grootste belang dit land meer te onderwerpen dan tot nog toe het geval geweest was. Het bedwingen van den opstand der Bosniërs in 1851, die van uit Montenegro gesteund geworden was, gaf hiertoe een eerste aanleiding. De verandering van het in den vorm theocratisch bestuur, dat door een vorst-bisschop, vladika geheeten, werd uitgeoefend, in een wereldlijke regeering zonder toestemming van den sultan, die zich wel degelijk als suzerein beschouwde, deed de maat overloopen (1852). Met groote overmacht viel Omer-pacha het vorstendom aan, maar hij slaagde niet en Oostenrijksche pressie bewoog den sultan weldra de vijandelijkheden te staken, zonder dat zijn doel bereikt was. Na den Krimoorlog deden de Turken een nieuwe poging, maar nu leden zij een ernstige nederlaag bij Grahovo (1858), hun toegebracht door Mirko, broeder van den vorst Danilo. Het gevolg was, dat op aandrang van Napoleon III een Europeesche commissie werd aangewezen, om de grenzen tusschen Montenegro en Turkije vast te stellen; daarmede werd dus feitelijk het kleine vorstendom geheel onafhankelijk. Nieuwe moeilijkheden kwamen, toen in 1861 Herzegowina, aangemoedigd door het succes der Montenegrijnen, in opstand geraakte. Weer konden de Montenegrijnen, ofschoon Mirko—Danilo was in 1860 vermoord—, die voor zijn zoon Nicolaas het regentschap voerde, de neutraliteit wilde bewaren, het niet nalaten de stamgenooten te ondersteunen. Nu was de uitslag bedenkelijk: Omer-pacha trok het vorstendom binnen en Mirko werd overwonnen; Montenegro moest toestemmen in enkele voorwaarden, waardoor de Turken het land voor militaire operatiën tot hunne beschikking kregen. Het was te danken aan het optreden van Frankrijk en Rusland, dat de sultan deze voorwaarden spoedig introk (1863). Herzegowina werd weer geheel onderworpen.Werd Herzegowina geheel bedwongen, Servië ontwikkelde zich rustig en verwierf ongemerkt een steeds grootere mate van vrijheid, vooral, nadat een eerste tijdvak van binnenlandsche onrust, gevolg van het autocratisch optreden van Miloch en van naijver tusschen zijn geslacht en dat van Kara-Georges, voorbij was. Miloch, van 1839–1858 verdreven, kwam na de afzetting van Alexander, den kleinzoon van Kara-Georges, als vorst in Servië terug. Zijn zoon Michaël volgde hem in 1860 op volgens het erfelijkheidsbeginsel, dat het vorige jaarzonder toestemming van den sultan door de skoeptchina aangenomen was. Hij bewerkte, ook weer gesteund door Rusland en Frankrijk, de ontruiming van de citadellen in Servië, die nog door Turksche troepen bezet waren. Na Michaëls vermoording in 1869 en zijne opvolging door zijn neef Milan erkende de Porte de erfelijkheid van het koningschap in het huis Obrenovitch. Een Servische constitutie (1869) werd opgesteld, zonder dat men zich om des sultans toestemming bekommerde. Feitelijk was Servië dus onafhankelijk en zoo was het ook met de Donauvorstendommen, waartusschen bovendien een samensmelting tot stand gebracht werd. Sedert 1859 hadden ze één hospodar, sedert 1862 was Boekarest de hoofdstad. Het was ook Fransche en Russische invloed, die dezen gang van zaken in de hand werkte. Binnenlandsche moeilijkheden, die er tusschen de aanzienlijke geslachten meermalen ontstonden, trachtte men te bezweren door van Roemenië—zoo heette de nieuwe staat—een koninkrijk te maken met een buitenlander, Karel van Hohenzollern, lid van de Katholieke tak van dit vorstenhuis, aan het hoofd (1866), die, gebonden aan een constitutie, de regeering zou voeren.De rustige rust, die van 1862–1875 uiterlijk in het Turksche rijk heerschte—onderbroken alleen door een opstand op Kreta in 1866, dat aansluiting bij Griekenland wenschte, maar zijn wensch niet vervuld zag—, werd in 1875 op een heftige wijze verstoord. Het scheen, of de nog onderworpen Christenen nu allen tegelijk besloten hadden zich vrij te maken. Bosnië en Herzegowina begonnen: hun bedoeling was aansluiting te bewerken bij de Serviërs, immers hunne stamgenooten. Boelgarije werd toen ook onrustig. Onmiddellijk bemoeiden de mogendheden zich met de zaak; vooral deden dit de drie keizers, die van Rusland, Oostenrijk en Duitschland, sedert 1871 door een entente met elkander verbonden. Frankrijk was nog niet hersteld van de hevige slagen, die het in den Fransch-Duitschen oorlog8gekregen had, en kon daarom weinig invloed doen gelden; Engeland nam eerst een afwachtende houding aan. De drie keizers stuurden aan op hervormingen; zij wilden den opstand daardoor beëindigen, bepaaldelijk, Oostenrijk, dat zeer ongaarne een groot Servisch rijk op zijne Zuidgrens zag ontstaan. De sultan gaf vele goede woorden; er werd onderhandeld over de beste middelen. Toen veranderde plotseling de toestand door de vermoording van den Duitschen en den Franschen consul te Saloniki, een uiting van fanatisme van de Turksche bevolking, en tegelijkertijd hadden ongehoordewreedheden plaats in Boelgarije. Dit was het werk van Aziatische onderdanen van den sultan, door dezen losgelaten om aan het verzet onder de Boelgaren een einde te maken. “In enkele dagen gingen negen en zeventig dorpen in de vlammen op, vijftienduizend menschenminstenswerden gedood, tachtigduizend waren dakloos” (1876).Het geduld van de Serviërs en de Montenegrijnen, van den beginne af brandend van verlangen om de opstandelingen in Bosnië en Herzegowina te hulp te komen, maar nog tegengehouden door de mogendheden, was uitgeput; zij begonnen den oorlog tegen Turkije (1876). Te meer werden zij daartoe aangespoord, omdat te Constantinopel de Oud-Turksche partij geheel de overhand kreeg: Abdoel-Asiz, beschuldigd van teveel deferentie aan de opstandelingen, werd afgezet; Moerad V, een zoon van Abdoel-Medjid, in zijne plaats gesteld en, toen deze nog niet genoeg reactionnair gezind bleek, moest ook hij na twee maanden plaats maken voor zijn broeder Abdoel-Hamid II, van wien de hervormingspartij niets te verwachten had. De Oud-Turken durfden te beter, omdat de Serviërs niet bestand bleken tegen het Turksche leger onder Osman-pacha, die geheel Servië dreigde te veroveren. Van de mogendheden, meenden zij, was toch niets te vreezen, maar nu hadden zij buiten den waard gerekend. Ook in Europa hadden de tijdingen van de moorden in Boelgarije haren invloed niet gemist. De Russische keizer Alexander II was van dat oogenblik af besloten de zaak krachtig aan te vatten, maar hij verliet niet onmiddellijk den weg der diplomatie: zijn leger was niet gereed en liefst wilde hij zich van de welwillendheid der andere mogendheden verzekeren om een herhaling van den Krimoorlog te voorkomen. Daarom stelde hij het samenroepen van een conferentie te Constantinopel voor. Te Londen bestond niet zoo veel eensgezindheid om de Porte tegen Rusland in bescherming te nemen als vroeger: Gladstone, de leider der Whigs, gunde “den grooten moordenaar” te Stamboel niets goeds, maar Disraëli, toen aan het bewind, was fel Russophoob en had zich daarom onthouden van onderteekening van een door de andere mogendheden te Berlijn opgesteld memorandum aan de Porte, waarin op krachtige wijze op hervormingen aangedrongen werd. Alleen onder invloed van de publieke opinie in Engeland had hij ten slotte in de conferentie van Constantinopel toegestemd, waar in de eerste plaats een wapenstilstand in den oorlog met Servië zou worden geëischt en verder natuurlijk hervormingen. Onnoodig te zeggen, dat Ridhat-pacha, de leider der Oud-Turken, van die eischen niet gediend was en dat de conferentie mislukte, maar tegelijk speelde de Turksche regeering een prachtig comediespel; een zeer vrijzinnige constitutie werd uitgevaardigd, op denzelfden grondslag gebouwd als het hervormingsbesluit van 1856—uit eigen beweging hervormingen dus!—en tegelijk kwam een vergadering van 240 ambtenaren bijeen, die éénparig de voorstellender mogendheden verwierpen, een sanctie dus van het Turksche volk op het besluit van den sultan! Het ergerlijkste was, dat er onder de mogendheden waren, die de nieuwe beloften van den sultan voor goede munt wilden aannemen. Engeland vooral bleef nog weerbarstig om Rusland zijn gang te laten gaan. Maar toen een voortzetting der onderhandelingen de Porte, natuurlijk aangemoedigd door Engeland’s handelwijze, tot geen toegeeflijkheid in eenig opzicht vermocht te bewegen, toen een bijeengeroepen Turksche volksvertegenwoordiging tot de voortzetting van den oorlog met Montenegro—Servië had reeds vrede moeten sluiten—besloot, tastte Rusland door en verklaarde in het voorjaar van 1877 den oorlog. Het was verzekerd van de goede gezindheid van Oostenrijk, waarmede het was overeengekomen, dat het Oostenrijksche leger Bosnië en Herzegowina zou bezetten. Ook van Duitschland was niets te vreezen: Bismarck, die overigens wegens een langzaam opkomende toenadering van Frankrijk en Rusland dit land gaarne in Zuid-Oost-Europa in moeilijkheden wilde zien, had zijne bekende verklaring over de waarde van de beenderen van een Pruisischen grenadier juist afgelegd; naar zijne meening had Duitschland nog geen onmiddellijke belangen in het Turksche rijk.Met geestdrift begon het Russische volk den oorlog: het was immers een bevrijdingsoorlog van de Slavische broeders van het Turksche juk; reeds lang hadden de opstandelingen steun uit Rusland ontvangen door middel van een daar bestaand genootschap, dat ten doel had alle Slaven in het Balkanschiereiland vrij te maken. Roemenië sloot zich bij Rusland aan, niet geheel uit vrijen wil, want men wist bij ondervinding, wat het doortrekken van een Russisch leger beteekende, maar omdat het niet anders kon. Zonder groote inspanning kwamen de Russen, aangevoerd door groothertog Nicolaas, over den Donau en weldra bezette Gourko, één der onderbevelhebbers, den Sjibka-pas in den Balkan. Toen werd hun voortgang gestuit. Osman-pacha, opperbevelhebber der Turksche troepen, één der weinige beroemde aanvoerders uit de Turksche geschiedenis van de laatste eeuwen, bezette door een gewaagde, maar uitstekend geleide beweging Plewna in den rug den Russen. Tevergeefs bestormden dezen zijne zeer sterke positie; zij moesten overgaan tot een formeele belegering en even dapper als de Russen te Sebastopol gedaan hadden, gedroegen zich de Turken, nu zij de belegerden waren. Eerst nadat groote Russische versterkingen aangekomen en een reeks van zware gevechten rondom Plewna geleverd waren, nadat een Turksch ontzettingsleger teruggeslagen was en Osman, die aan alles gebrek kreeg, tevergeefs een wanhopige poging gedaan had om zich door de Russen heen te slaan, moesten de Turksche troepen capituleeren (Dec. 1877), maar de eer van het Turksch leger was gered, voor het eerst sedert heel langen tijd. Nu trokken de Russen den Balkan over, namen Sofia,Adrianopel (Januari 1878), terwijl een ander leger onder Melikoff verschillende veroveringen in Armenië gemaakt had. De Porte, nu ook weêr in oorlog met Servië, dat opnieuw naar de wapenen gegrepen had, en bedreigd door Montenegro, haastte zich onderhandelingen aan te knoopen, die den laatsten Januari leidden tot de preliminairen en ruim een maand later tot den vrede van San Stefano: geheele onafhankelijkheid van Servië, Montenegro en Roemenië; uitbreiding van gebied voor de beide eersten; ruil van een deel van Bessarabië, dat aan Rusland terugkwam, tegen de Dobroedsja voor Roemenië; autonomie van Boelgarije, d.w.z. ’t eigenlijke Boelgarije met Oost-Roemelië en een deel van Macedonië, met behoud van de suzereiniteit van den sultan, en autonomie van Bosnië en Herzegowina; hervormingen voor de nog Turksch blijvende Christelijke bevolking; een oorlogsschatting en afstand van eilanden in de Donaumonding met grondgebied in Azië, o.a. de stad Kars, voor Rusland. Zoo waren de zeer zware voorwaarden, die aan Turkije opgelegd werden; zoo was de groote triumf, die Alexander II behaalde.Maar de andere mogendheden, vooral Engeland en Oostenrijk, zagen dit schouwspel met grooten tegenzin aan. De gebeurtenissen waren na Plewna zoo gauw afgeloopen, dat zij, vóór het tot onderhandelingen gekomen was, geen gelegenheid hadden gekregen er zich mede te bemoeien. Zoodra de preliminairen hun bekend waren, zond Engeland, brutaal, zijn vloot tot in de onmiddellijke nabijheid van Constantinopel en na het sluiten van den vrede eischte het herziening der voorwaarden. Het werd gesteund door Oostenrijk, dat nu van Engeland de belofte wist te verkrijgen van Bosnië en Herzegowina te mogen bezetten. Rusland vond nergens steun, was door den zwaren oorlog uitgeput en durfde dus een worsteling tegen Engeland en Oostenrijk niet aan. Daarom stemde Alexander II toe in een congres te Berlijn, waar Duitschland zijne “goede diensten” aanbood om de partijen tot elkander te brengen. In hoofdzaak waren Engeland en Rusland het reeds eens geworden vóór de opening van het congres, dat daardoor precies in één maand kon afloopen. Groot-Boelgarije verdween: alleen het eigenlijke Boelgarije ten Noorden van den Balkan werd geheel autonoom onder een door de Boelgaren te verkiezen vorst; de provincie Oost-Roemelië kreeg eigen administratie, maar de gouverneur zou door de Porte benoemd worden; Macedonië bleef geheel Turksch; Montenegro en Servië kregen minder uitbreiding dan hun eerst was toegestaan; Montenegro kreeg Antivari met de kuststreek, daarbij behoorende; Servië alleen het district van Nisj en Pirot. Het lot van Bosnië en Herzegowina werd geheel veranderd: zij bleven in naam Turksch, maar Oostenrijk zou ze “occupeeren” en besturen; om ze te beter te kunnen beheerschen, kreeg Oostenrijk bovendien het recht van militaire bezetting in het district Novi-Bazar, waardoor het Servië en Montenegro van elkander zou scheiden, Bosnië en Herzegowinaook aan den Oostkant insluiten en een positie innemen, vanwaar het vooral in den Balkan zeer gemakkelijk zich kon doen gelden. Voor Roemenie werd de bittere pil van den afstand van het deel van Bessarabië eenigszins verzacht, doordat het de eilanden in de Donaumonding kreeg, die dus niet aan Rusland kwamen, terwijl de Russische aanwinst in Azië besnoeid werd. Engeland kreeg voor zijne hulp aan Turkije het eiland Cyprus en dus een bevestiging van zijn invloed in de Middellandsche Zee, van te meer beteekenis wegens het Suez-kanaal. Die invloed was het ook vooral geweest, die Engeland zoo krachtig had doen protesteeren tegen een groot-Boelgarije, dat naar alle berekening aan Rusland zeer vriendschappelijk gezind geweest zou zijn. Onnoodig te zeggen, dat de sultan opnieuw tot verbeteringen aangespoord werd!Het verdrag van Berlijn is één van de zonderlingste producten, die de diplomatie heeft voortgebracht, en alleen te verklaren als compromis van velerlei belangen in de buitengewone omstandigheden, waarin het gesloten werd. Alle mogendheden, die iets hadden in te brengen, waren tegen Rusland; ook Bismarck had zich meer anti- dan pro-Russisch getoond en Frankrijk had geen gewicht in de schaal gelegd. Zoo kon het gebeuren, dat mogendheden, die niet aan den oorlog deelgenomen hadden, met groote voordeelen gingen strijken, terwijl Rusland er tamelijk bekaaid afkwam. Ook voor de toekomst was dit van beteekenis: Oostenrijk, dat tusschen 1859 en 1866 zijn invloed in Italië en Duitschland verloren had kreeg een bevoorrechte positie in het Balkan-schiereiland en kon hopen daar op den duur nog meer schadeloosstelling te verwerven voor de verliezen in het Westen. Rusland daarentegen, dat Roemenië diep gegriefd had, dat groot-Boelgarije had opgeofferd, zag zijn invloed weinig toenemen. Het was de verwezenlijking van zijn ideaal: een uitgang naar het Zuiden, weinig dichterbij gekomen. De Turksche kwestie was nog lang niet opgelost, al was men weer eenige schreden nader aan de geheele verbrokkeling van het rijk in zelfstandige staten. Ook na 1878 is de ontwikkeling die richting blijven volgen. De moeilijkheden bewogen zich vooral om Boelgarije, Griekenland en Macedonië.Met het laatste land hebben we ons na zijne vrijwording niet behoeven bezig te houden; ten gevolge van inwendige zwakheid, gevolg van voortdurende partijtwisten, deed het zich bij de herhaalde crises in het Balkan-vraagstuk ternauwernood gelden. Koning Otto werd in 1862 gedwongen afstand van den troon te doen en in het volgende jaar werd George, een Deensche prins, broeder van de gemalin van den Engelschen koning Eduard VII, zijn opvolger; bij die gelegenheid stond Engeland aan het koninkrijk de Jonische eilanden af, waarover het sedert den Napoleontischen tijd het protectoraat uitoefende. Daarna werd de toestand langzamerhand eenigszins verbeterd. Ofschoon Griekenland uit gebrek aan geld en een behoorlijk leger ook in den oorlog van 1877geen rol had kunnen spelen, wist het toch van de verwikkelingen gebruik te maken, om van de mogendheden gedaan te krijgen, dat deze in het Berlijnsche verdrag een bepaling opnamen, om de Porte aan te sporen zich met Griekenland te verstaan over een verbetering der grenzen, waartoe zij tevens hunne goede diensten aanboden. Toen Turkije weinig lust vertoonde, aan Griekenland’s wenschen tegemoet te komen, begon hier een sterk patriottische agitatie en een oorlog dreigde. Op aansporen van de mogendheden, vooral van Frankrijk en Engeland, gaf Turkije toe en Griekenland kreeg iets, hoewel niet alles, wat het wilde: de grens werd in het Noord-Oosten van Thessalië tot aan de Zuidelijke helling van den Pindus en den Olympus verlegd; Griekenland werd bovendien verrijkt met een deel van Epirus (1881). Daarna werd vooral Kreta de inzet van nieuwe verwikkelingen met de Porte. Dit eiland had herhaaldelijk getracht zich van de Turksche heerschappij te ontslaan; het mislukte steeds, maar de altijd beloofde hervormingen van de Porte bleven ook na 1878 grootendeels onvervuld. Het was ten gevolge van de twisten van Christenen en Mohammedanen voortdurend onrustig op het eiland,niettegenstaandeook de mogendheden zich meermalen met de zaak bemoeiden en in 1896 den sultan zelfs dwongen er in toe te stemmen, dat hunne consuls te Kanea toezicht op de regeering zouden uitoefenen. Griekenland had dit spel met het grootste ongeduld gevolgd en werd alleen onder pressie van de mogendheden in den band gehouden. Eindelijk, in 1897, barstte de bom, doordat de Grieksche regeering, gedwongen door de publieke opinie in het eigen land, een troepenafdeeling naar Kreta zond, om het eiland te annexeeren. Maar in den toen volgenden oorlog bleek het Grieksche leger volstrekt niet in staat tegen de Turken te vechten. Natuurlijk hielden de mogendheden ook nu hare diplomatieke handen niet thuis en daaraan had Griekenland het te danken, dat het bij den nog in 1897 te Constantinopel gesloten vrede er afkwam met den afstand van slechts een klein deel van het in 1881 in Thessalië verkregen gebied en het betalen van een oorlogschatting. Bovendien—dit eischten de mogendheden voor zich—zou een internationale commissie te Athene contrôle krijgen op de Grieksche financiën. Kreta kreeg ten slotte toch zijne bevrijding: in 1898 bewerkten de mogendheden (behalve Oostenrijk en Duitschland, die zich er buiten hielden), dat ook dit eiland autonoom zou worden onder het bestuur van prins George, zoon van den Griekschen koning, als hooge-commissaris namens de mogendheden. Ook hier bleef alleen de Turksche suzereiniteit bestaan. De pogingen van Grieksche zijde, om deze te doen opheffen, bleven eerst zonder resultaat. Wel droeg het bestuur van prins George, dat de orde wist te herstellen, voor het eiland goede vruchten.Boelgarije, het tweede land, dat na 1878 aan de mogendheden en aan de Porte moeilijkheden te over bezorgd heeft, kreeg in1879 den door het Sobranje gekozen Alexander van Battenberg, een neef van de Russische keizerin, tot vorst. Hij was de candidaat van Rusland geweest, dat door hem den grooten invloed, dien het zich door de gebeurtenissen van 1877 verworven had, hoopte te behouden. Maar het tegendeel was het geval. Er ontstond een streven, om zich van Rusland’s overwicht vrij te maken, en Alexander van Battenberg bevorderde dit streven, waarom hij Rusland’s gunst verloor. Dit ondervond hij, toen in 1885 de Oost-Roemeliërs, natuurlijk niet tevreden met den hun vanwege de Porte gezonden gouverneur, in opstand geraakten te Philippopel en Alexander als vorst erkenden, waardoor feitelijk toch de vereeniging van Boelgarije en Oost-Roemenië tot stand kwam. Hiertegen verzette zich in de eerste plaats koning Milan van Servië9, die door de uitbreiding van Boelgarije het Balkan-evenwicht verstoord achtte. Servië en Boelgarije begonnen een oorlog, waarin Alexander van Battenberg glansrijk overwon. Het tusschenbeiden komen van Oostenrijk, dat Servië hulp dreigde te verleenen, redde dit laatste land. Echter baatte zijne overwinning vorst Alexander niet: ofschoon de andere mogendheden en ook de sultan geen overwegend bezwaar tegen Alexander’s regeering over Oost-Roemelië, hoewel dan in kwaliteit van gouverneur, maakten, weigerde Rusland hardnekkig er in toe te stemmen; het wilde zich houden aan het verdrag van Berlijn! Die houding van Rusland had zijn terugslag in de binnenlandsche aangelegenheden van het vorstendom. Een militaire samenzwering werd gesmeed en vorst Alexander buiten zijn vorstendom gevoerd, maar hij keerde terug en vond bij de niet-Russische partij aanhang genoeg om zich staande te houden. Toen trachtte hij zich met keizer Alexander III te verzoenen, maar deze was onvermurwbaar; hij verklaarde zich van elke bemoeiïng met Boelgarije te zullen onthouden, zoolang Battenberg er vorst bleef. Deze deed daarna vrijwillig afstand van den troon (1886). Maar Rusland profiteerde er niet bij, want de anti-Russische partij kwam aan het roer met Stamboelow als president van een regentschap en deze helderziende, maar heerschzuchtige staatsman was een verklaard vijand van den Russischen invloed: hij wilde Boelgarije geheel zelfstandig maken. Een nieuwen vorst vond men na eenig zoeken in den Duitschen prins Ferdinand van Saksen-Coburg (1887). Dit was geschied geheel buiten de mogendheden en den sultan om. De meesten dezer verzetten zich niet tegen het fait accompli; de sultan liet een zwak protest hooren. Rusland alleen begon een dreigende houding aan te nemen, maar de voor vorst Ferdinand en de Boelgaarsche regeering zeer gunstige houding van Oostenrijk, dat altijd den Russischen invloed op den Balkan tegenging, weerhield Alexander III van feitelijke inmenging. Het heeft echter nog jaren geduurd, vóórdat Ruslandden nieuwen staat van zaken erkend heeft. Dit is eerst mogelijk geworden na de vermoording van Stamboelow, die in 1895 als slachtoffer van zijne heerschzucht viel. De toenadering had plaats onder keizer Nicolaas II, die in 1896 als peet van Ferdinand’s zoon Boris, opgevoed in de Grieksch-Katholieke kerk, optrad. Dat was de officieele verzoening en spoedig daarna werd Ferdinand in zijne dubbele kwaliteit als vorst van Boelgarije en gouverneur-generaal van Roemelië door de Porte en door alle mogendheden erkend.Nu Oost-Roemelië feitelijk met Boelgarije vereenigd was, sprak het van zelf, dat ook bij de Macedoniërs de wensch naar bevrijding te sterker werd. Het uitblijven van de noodige hervormingen heeft ook hun een gereede aanleiding verschaft om op te staan, maar de kwestie werd hier bijzonder moeilijk. Macedonië heeft een zeer gemengde bevolking; er is geen sprake van één volk, dat naar vrijheid streeft, men heeft hier rekening te houden met verscheidene nationaliteiten: Boelgaren, Grieken en Serviërs, waarbij dan nog een groot aantal Turken komen. Wat moest er met Macedonië gebeuren, als het van het Turksche gezag bevrijd werd? Moest het een zelfstandige staat vormen? Maar daarvóór was het niet genoeg één natie. Moest het Boelgaarsch worden? Maar dit wilden de Grieken en de Serviërs niet. Macedonië werd het terrein, waar de rivaliteit der Balkan-staten onderling, die alle groote begeerten hadden in herinnering aan vroegere idealen, zich openbaarde. De Porte maakte er van gebruik hen tegen elkander uit te spelen door er dan de één en dan de ander voordeelen, bep. op kerkelijk gebied, te verleenen. De Macedoniërs trachtten tevergeefs een eigen bestaan als staat te verwerven. Hunne organisatie hiertoe werd door Turkije vernietigd. Toen kwam het tot meerdere opstanden en veel strijd, waarin tevens de Balkanvolkeren feitelijk elkander bevochten. In 1903 werd de crisis zeer acuut. De steun, dien de opstandelingen ontvingen uit Boelgarije, scheen een oorlog tusschen dit land en Turkije ten gevolge te zullen hebben. Toen kon men hooren, dat Griekenland neiging toonde Turkije te gaan ondersteunen tegen de Bulgaren, natuurlijk niet uit pure liefde voor de Porte! Het kwam echter niet tot openlijken oorlog. De mogendheden gaven duidelijk genoeg te kennen, dat zij niet van zins waren zich met geweld in dit wespennest te steken. Zij, bep. Oostenrijk en Rusland, ditmaal broederlijk samengaand, sloegen den reeds zoo vaak gebruikten weg in en boden den sultan een programma van hervormingen aan, welke stap ondersteund werd door de andere mogendheden. De Porte nam dit programma aan, Boelgarije stelde er zich voorloopig tevreden mede en ging afzonderlijk met den sultan een overeenkomst aan over het terugbrengen van groote aantallen Macedonische vluchtelingen uit Boelgarije naar hun land. Er werd o.a. een gendarmerie onder een Europeesch officier en onder toezicht der mogendheden ingesteld tot handhaving der orde. Men hoopte op een dergelijken toestandals op Kreta, maar kwam hier bedrogen uit. De onderlinge bestrijding der Balkan-volkeren in Macedonië duurde voort, werd eigenlijk al erger. En de mogendheden lieten het verder begaan evenals Turkije. Men zou zoo denken, dat deze zaak Turkije buitengewoon ter harte moest gaan, want, verloor het op de een of andere manier Macedonië, dan bleef van het gebied in Europa maar heel weinig over en bovendien werd dit gebied dan in twee niet aan elkander grenzende helften verdeeld! De gelijkenis werd al grooter met den omvang, dien het Grieksche rijk in den laatsten tijd van zijn bestaan had. Een bedenkelijk verschijnsel, maar dat de regeering van Abdoel-Hamid niet tot flink ingrijpen bracht. Het is uiterst merkwaardig, hoe lijdelijk deze sultan zag gebeuren, wat er om hem heen voorviel. Zeker, hij was, zegt men, een meester in de kunst der diplomatie, hij wist van de oneenigheden der groote mogendheden en der Balkanstaten een handig gebruik te maken. Maar hiermede redde hij zijn land niet. Hij hield zich krampachtig vast aan het absolutistisch régime, dat hij van meet af had begunstigd. Onder zijne regeering had de hervormingspartij niets te verwachten. De geest, die een oogenblik gevaren was in het bestuur ten tijde van Fuad-pacha en Ali-pacha, vervloog geheel. De op hervormingen beluste partij deed zich wel eenigszins krachtiger gelden, maar werd op de geniepigste wijze vervuld. Meer en meer deed Abdoel-Hamid zich kennen als een argwanend en listig despoot, die van zijne onderdanen sterk vervreemdde. Het is voor ons, Westerlingen, haast onbegrijpelijk, dat men den man zoo lang heeft laten begaan. Het Turksche volk is wel zeer apatisch en het stelt de persoon van zijn heerscher wel bizonder hoog!De teekenen der tijden waren overigens zoo duidelijk. Niet alleen in Europa, ook daar buiten brokkelde het rijk af of dreigde dit te doen. Van het gebied in Afrika en Azië was in den loop der negentiende eeuw heel wat afgevallen. Algiers werd een Fransche kolonie (1838), Tunis nam een Fransch protectoraat aan (1881). Dit verlies is wel zoo heel groot niet, omdat die beide landen evenals Tripoli zich nooit veel om het gezag van den sultan bekommerd hadden. Maar anders was éénmaal het geval in Egypte en ook dit land, dat reeds onder Mehemet-Ali een groote mate van zelfstandigheid gekregen had, ontsnapte, sedert Engeland in binnenlandsche ongeregeldheden een aanleiding vond het te bezetten (1822), geheel aan de Turksche heerschappij. De Engelsche “occupatie” heette tijdelijk, een Europeesche commissie kreeg toezicht op het financieel beheer, maar niemand heeft verwacht, dat Engeland met zijn voortdurend aanwassende belangen in Egypte en in geheel Afrika het Nijldal ooit weêr zou ontruimen. In Azië heeft Rusland de Turken in het Kaukasusgebied en in Armenië een heel eind teruggedreven, maar elders staat de Turksche heerschappij in Azië nog uiterlijk ongeschonden. Zal dit nog lang duren? Er is ééne kwestie, de Armenische, die in Klein-Azië voortdurend de rust bedreigt.Op schandelijke wijze zijn de Roomsch-Katholieke Armeniërs meermalen, v.n. in 1894–1896, door de Turken mishandeld; de tooneelen, die in Boelgarije zoo sterk de aandacht van geheel Europa trokken, werden hier herhaaldelijk vertoond; duizenden Armeniërs werden door Circassiërs en Koerden vermoord. Herhaaldelijk werd de Porte aangespoord deze gruwzame vervolging te staken. Te Berlijn was in 1878 ook deze kwestie ter sprake gebracht en Turkije legde heel gewillig beloften tot verbetering af. Het bleek echter spoedig, dat, wilde men iets bereiken, ook hier een andere weg zou moeten worden ingeslagen. De groote moeilijkheid was: welke? Van hun naasten beschermer, Rusland, waren de Armeniërs, als Roomsch-Katholieken, bitter weinig gediend; de ondervinding, door die Armeniërs opgedaan, die onderdanen zijn geworden van den Russischen keizer, schijnt weinig bemoedigend. Dan maar Amerikaansch, denken de Armeniërs, die, ook bewerkt door Amerikaansche zendelingen, eenige jaren geleden werkelijk neiging vertoonden de Amerikaansche nationaliteit aan te nemen. Het sprak van zelf, dat de Porte dit trachtte tegen te werken, en dien ten gevolge ontstonden zelfs enkele malen kleine verwikkelingen tusschen de groote Republiek aan de overzijde van den Oceaan en Turkije; in 1904 vertoonde een Amerikaansch eskader, in naam om een schuldeischerskwestie, zooals verschillende mogendheden die bij de slecht van geld voorziene Porte meermalen hebben, de vlag van de Republiek in de haven van Smyrna. Verdere gevolgen heeft dit echter niet gehad. Maar evenmin hebben de Europeesche mogendheden deze aangelegenheid definitief kunnen regelen.In het begin der 20ste eeuw wordt het beeld van den “zieken man” al meer geaccentueerd. Overal verval, overal ontbinding. In den Balkan zelf lieten zich enkele stemmen hooren, dat de Balkan-staten van Christelijken huize zich moesten aaneensluiten, om aan het lijden een einde te maken. Rusland begon zich na de zware nederlaag, die het in den oorlog met Japan van 1904–1905 in Oost-Azië geleden had, ten gevolge waarvan het zich wat uit de Aziatische Zaken terugtrok, opnieuw, in sterkere mate dan het na 1878 gedaan had, met den Balkan te bemoeien, natuurlijk niet in voor Turkije gunstigen zin. Op een beschermen bij een ernstige crisis kon de sultan niet meer zooals vroeger hopen. Dit was een gevolg van de veranderde Europeesche politieke verhoudingen. Deze hadden na het uiteenvallen van den driekeizersbond, gevolg van de anti-Russische houding van Duitschland en Oostenrijk beide op het congres van Berlijn, geleid tot de vorming van een drievoudig verbond van de twee laatstgenoemde landen en Italië eenerzijds en het tweevoudig verbond van Rusland en Frankrijk anderzijds, terwijl Engeland zich, uit vrees voor het vooral in economisch opzicht steeds sterker wordende Duitschland, bij de twee laatste mogendheden aansloot (de entente). Het haast noodzakelijk gevolg van dezeEngelsch-Fransch-Russische entente was, dat verwacht mocht worden, dat Turkije door Engeland niet meer beschermd zou worden. Wel bleef voor Oostenrijk-Hongarije alle reden bestaan voor het behoud van den status quo te ijveren, terwijl Duitschland, niet alleen als bondgenoot van dit land, maar ook om de belangen, die het zelf in het Oosten begon te krijgen, neiging vertoonde den Sultan de hand boven het hoofd te houden. Keizer Wilhelm II wijdde door zijne reis naar Zuid-Oost-Europa en Syrië in 1900, een op zich zelf eenig verschijnsel, deze politiek als het ware in. De concessie voor den belangrijken spoorweg door Klein-Azië naar Bagdad aan een Duitsch syndicaat werd er stellig door bevorderd. Deze en andere economische voordeelen, aan Duitschers in Klein-Azië verleend, werkten ook weêr de zich overal openbarende tegenstelling van Duitschland en Engeland in de hand. Toch mocht niet met zekerheid verwacht worden, dat Turkije aan Oostenrijk en Duitschland zoo goede helpers zou hebben, als het in den Krimoorlog aan Engeland en Frankrijk gehad had. Het blijkt volstrekt niet, dat Abdoel-Hamid II zich van de veranderde omstandigheden iets aantrok en daarnaar zijne maatregelen nam. Trouwens, ten opzichte van den Balkan deden de geschillen tusschen de beide groepen van Europeesche mogendheden zich eerst niet zoo heel sterk gevoelen. In Macedonië, op Kreta werkten ze zelfs taliter qualiter samen.Evenmin als ten opzichte van Turkije manifesteerde zich in den aanvang der 20ste eeuw duidelijk een verschillende politiek der beide groepen van mogendheden ten opzichte van de overige Balkan-staten. Wel waren Oostenrijk en Servië op den duur van elkander vervreemd, v.n. onder de regeering van koning Peter uit het geslacht der Karageorges, dat ná den moord op den laatsten der Obrenowitch, koning Alexander, en diens gemalin, koningin Draga (1903), opnieuw aan de regeering gekomen was. Servië en Rusland, dat van ouds in Montenegro een trouwen bondgenoot had, naderden daarentegen tot elkander. In het eerste land ontstond de hoop, dat de Serviërs in Bosnië en Herzegowina nog eenmaal van Oostenrijk bevrijd zouden worden; een groot-Servisch rijk zou misschien met Russische hulp kunnen ontstaan. Voor Oostenrijk beteekende dit een groot gevaar, want een groot-Servisch rijk, dat zich wellicht tot de Adriatische Zee zou gaan uitbreiden, zou het in het Zuiden op zeer ernstige wijze bedreigen. Roemenië was na 1878 vrij sterk tegen Rusland ingenomen en had met Oostenrijk een verbond gesloten. Van Bulgarije mocht men, nu Servië den Russischen kant opging, verwachten, dat het zich eer bij Oostenrijk zou aansluiten. Ook dit alles ging buiten de Turksche regeering om, die—om Macedonië—Bulgarije misschien het allerslechtst gezind was, zonder dat het daarom op vriendschappelijken voet met de andere staten stond.“Drijvend” mag men het Turksche rijk in Europa, als een schip zonder zeilen of riemen en roer noemen. Eén duw, één groote crisis—en het ware gedaan geweest. Maar daarvóór kwameen revolutie in het rijk zelf, waarvan men ook nu nog niet kan zeggen, of zij het dreigend gevaar voor ondergang heeft voorkomen. Hebben de Jong-Turken—want hun opstand van 1908 bedoelen wij—de kracht gevonden het verval te beëindigen? De zeer gecompliceerde geschiedenis na 1908 tot nu geeft nog geen recht deze vraag ontkennend of bevestigend te beantwoorden. Wij vertellen deze geschiedenis, blijvend binnen ons korte bestek, het best is een aanhangsel, het aan de toekomst overlatend te beslissen, of dit aanhangsel nog moet worden ingelascht bij ons lange hoofdstuk over het verval van het Turksche rijk dan wel of het het begin moet worden van een nieuw hoofdstuk, waaraan pas later een titel gegeven kan worden.
Het einde van den Napoleontischen tijd kwam in 1815. Wat zou de nieuwe aera voor Turkije brengen? Er is in de negentiende eeuw in de verhouding van het overige Europa tot dePorte dit verschil op te merken, dat meerdere mogendheden in de lotgevallen van het Turksche rijk belang gingen stellen. Was het in de zeventiende eeuw vooral Oostenrijk, in de achttiende Oostenrijk en Rusland, waarmede Turkije te maken had, nu had ook Engeland zijne aandacht leeren wijden aan wat er op politiek gebied in Zuid-Oost-Europa voorviel en natuurlijk bleef Frankrijk er naar streven zijn invloed te Constantinopel uit te oefenen, zooals het reeds zoo dikwijls gedaan had. Met die belangstelling van alle groote mogendheden—alleen Pruisen bekommerde zich om die aangelegenheden toen weinig; het liep als trouw bondgenoot van Oostenrijk geheel aan den leiband van den Oostenrijkschen kanselier Von Metternich—kreeg de Turksche kwestie een geheel ander aanzien. Een kwestie noemde men het nu en met recht, want, al waren allen het er over eens, dat gegeven de innerlijke zwakheid van de Sultansregeering, de toestand op het Balkan-schiereiland op den duur niet zóó kon blijven als hij was, over de wijze, waarop veranderingen waren aan te brengen, bestond grootelijks verschil van opinie. Iedere stap, die één der mogendheden tegenover de Porte deed, werd door de anderen met de grootste opmerkzaamheid en argwaan gevolgd. Vooral Rusland voer daar slecht bij. Het was duidelijk, dat het slechts op een geschikte gelegenheid wachtte, om een grooten slag te slaan, maar dit werd nu veel moeilijker dan in de achttiende eeuw, want Engeland, dat in Azië de groote tegenstander van het Czarenrijk geworden was, zou dit niet meer dulden. Zóó teer was de zaak reeds, dat men haar op het Weener Congres, waar Napoleon’s politieke erfenis geregeld werd, onaangeroerd liet.
Maar er is nog een ander groot verschil tusschen de achttiende en de negentiende eeuw ten opzichte van Turkije. Hadden Rusland of Oostenrijk of beide mogendheden samen in de achttiende eeuw in één hunner oorlogen tegenover de Turken kunnen doortasten, waren ze niet steeds door min of meer toevallige omstandigheden daarvan afgeleid geworden, zij zouden waarschijnlijk zonder veel moeite hunne heerschappij over de in het Balkan-schiereiland wonende Christelijke volken voor de Turksche in de plaats hebben kunnen stellen. Nu het echter zoo lang duurde en toch de zwakheid der Turken aanhoudend duidelijker werd, kregen die volken gelegenheid de vraag van geheele onafhankelijkheid voor zich te overwegen en het bewustzijn, dat geheel vrij te worden voor hen in de toekomst lag, kwam vooral op, toen door de Fransche revolutie overal het woord vrijheid weerklank vond. Ook Rusland had die neiging aangewakkerd, met een bijbedoeling: het zou het protectoraat over de “vrije volken” krijgen, maar—het zou weldra blijken—die volken bedoelden het anders.
We vermeldden reeds, dat het optreden der Russen tegenover Turkije in de achttiende eeuw enkele nationale bewegingendeed ontstaan: zoo vooral onder de Roemenen, wier toestand echter ten slotte in hoofdzaak dezelfde was gebleven; alleen had Rusland bij een afzonderlijk verdrag van 1802 gedaan weten te krijgen, dat de hospodars voor den vasten tijd van zeven jaar zouden worden benoemd en dat niet ieder oogenblik nieuwe zouden optreden, terwijl Rusland een zeker toezicht op het bestuur kreeg. Een eerste opstand, die voorloopig succes had, kwam voor onder de Boelgaren (1798), merkwaardig genoeg onder leiding van een Slavischen Muzelman Pashvan-Oghloe, dapper krijgsman en uitstekend aanvoerder, dien de Porte niet heeft kunnen overwinnen. Maar na zijn dood in 1807 werden de Boelgaren onderworpen; voor hen was de tijd nog niet gekomen.
Ernstiger was de opstand van de Serviërs in 1804, want deze was zuiver nationaal. Vooral de geweldenarijen der Janitsaren te Belgrado waren de aanleiding. Zelfs vele Turken deden eerst uit weerzin tegen die aanmatigende krijgslieden aan den opstand mede. Maar, toen de Janitsaren uit Belgrado verjaagd waren en de Serviërs bemerkten, wat ze vermochten, toen keerden ze zich tegen alle Turken en vormden zich een eigen regeering. Eén hunner leiders, Kara Georges—evenals de andere leiders behoorende tot een soort Servischen landadel, iets aanzienlijker van stand dan de meeste Servische landbouwers—kwam aan het hoofd; een skoeptchina, volksvergadering, stond hem ter zijde. Servië dacht zich al vrij, maar toen Alexander I, onder wiens bescherming het zich geplaatst had, na den vrede van Boekarest, waarbij hij voor Servië amnestie en eigen bestuur had bedongen, zijne troepen uit het Balkanschiereiland teruggetrokken had, kwam het Turksche leger onder Koerchid-pacha. Kara-Georges moest vluchten, Servië zich onderwerpen (1813). De Serviërs echter, die nu eenmaal de vrijheid gevoeld hadden, kwamen reeds het volgende jaar opnieuw in verzet. Nu werd Miloch Obrenovitch, een ander landedelman, de leider en de strijd eindigde met eenig succes: in 1814 stond de Porte aan de Serviërs eenige voorrechten toe, waardoor ze in geringe mate invloed op het bestuur van hun land kregen. Maar de toezegging, door den sultan bij den vrede van Boekarest gedaan, was nog lang niet vervuld.
Roemenen, Boelgaren, Serviërs begonnen—was het wonder, dat het ook onder de Grieken gistte? Min of meer in het geheim werkende genootschappen, als de hetairie der “philikoi”, onder bescherming van Alexander I in Rusland gevestigd, als de Philomuzen, die in de studie der Grieksche oudheid een uitnemend agitatie-middel vonden, bewerkten hen sedert lang. De opstand begon in 1821. De laatste stoot er toe werd gegeven door de in 1820 en 1821 in alle Zuid-Europeesche landen uitbrekende revolutiën, gericht tegen de na Napoleon’s val ingetreden reactie op staatkundig gebied. Die beweging liep in Spanje en de Italiaansche staten op niets uit, want de heiligealliantie, een werktuig in Metternich’s hand, kwam voor het behoud der bestaande regeeringen op. Hoe zou het in Griekenland gaan? Het was een veeg teeken, dat Alexander I, die den Grieken vroeger vele bewijzen van sympathie gegeven had, juist in dezen tijd geheel onder Metternich’s invloed geraakte en de liberale gezindheid, die hij wel eens placht te toonen, geheel had afgelegd. De schadelijke gevolgen daarvan ondervond AlexanderYpsilanti, zoon van een vroegeren Griekschen hospodar van Walachije, die uit Turkije had moeten vluchten en aan het Russische hof opgenomen was, evenals verschillende andere Grieksche ballingen. Hij was het hoofd der hetairie en hij begon den opstand door van uit Rusland met een kleine schaar een inval te doen in de Donauvorstendommen. Maar hij kreeg er niet den minsten steun, want de Roemenen waren verbitterd op de Russen èn om het wegnemen van Bessarabië èn om den zwaren druk, tijdens de Russische bezetting in de Donauvorstendommen uitgeoefend.Ypsilantimoest vluchten, werd in Hongarije gevangen genomen en in Oostenrijk als oproerling opgesloten, zonder dat Alexander I een vinger voor hem uitstak.
Toch hebben zijn inval en een door hem uitgevaardigde proclamatie den opstand in Griekenland zelf doen uitbreken en eerst met groot succes. De Turken werden juist elders beziggehouden: een handig man, pacha Ali van Janina of ook wel Ali van Tebelen genoemd naar zijne geboorteplaats, had zich in Albanië een zeer groote autoriteit weten te verschaffen en gedroeg zich zoo goed als onafhankelijk van den sultan en juist, toen deze daaraan een einde wilde maken en Turksche troepen in Albanië vochten, begonnen de Grieken hun opstand. Reeds in 1822 kon te Epidauros een nationale vergadering bijeenkomen, waar de Grieken hun land vrij verklaarden en een republikeinschen staatsvorm aannamen. Daarna begonnen echter de moeilijkheden pas: hevige twisten, burgeroorlog zelfs tusschen de door hun handel meer met Europa in betrekking staande en daardoor meer geciviliseerde kooplieden, die vooral op de eilanden en in enkele steden op het vasteland woonden, geleid door Mavrocordato, en het ruwe landvolk, de klephten, die uit den band sloegen en weinig wilden weten van een geregelden toestand op Europeeschen voet. En onmiddellijk na het onderwerpen van Ali van Janina kwam het Turksche leger onder Koerchid-pacha. Wel mislukte diens eerste aanval om den opstand te dempen (1823), maar toen daagde een ernstiger vijand op: Mehemet-Ali. Deze avonturier, geboortig uit een plaatsje in de buurt van Saloniki, had het vertrouwen van den sultan gewonnen en was door dezen erkend als onderkoning van Egypte (1805), waar hij, vooral na het vernietigen van de Mamelukken (1811), een groote macht kreeg en spoedig de allures aannam van een geheel zelfstandig vorst te zijn. Hij had een degelijke krijgsmacht gevormd, naar Fransch voorbeeldingericht, en hij trachtte langs allerlei wegen Egypte tot bloei te brengen. Tot hem nu wendde Mahmoed II zich om steun tegen de Grieken, evenals hij vroeger gedaan had bij een opstand van een godsdienstige secte, de Ouahabiten in Arabië, die ook werkelijk door Mehemet’s zoon Ibrahim bedwongen was. Tegen belofte van afstand van Creta, terwijl zijn zoon gouverneur van den Peloponesus zou moeten worden, voldeed Mehemet aan het verzoek van zijn suzerein. Hij zelf onderwierp Creta, waar de Grieksche bevolking ook de Turksche heerschappij afgeworpen had, en Ibrahim trok naar den Peloponesus, waar hij weldra aan den opstand zoo goed als geheel een einde maakte (1825). Vereenigd met Rechid-pacha, den nieuwen bevelhebber van het Turksche leger, die in het Noorden den opstand grooten deels gedempt had, ondernam hij het beroemde beleg van Missolonghi, dat na een heldhaftige verdediging in 1826 viel en op een gruwelijke wijze uitgemoord werd. Ook Athene werd ingenomen....de Turken schenen geheel Griekenland weêr te zullen overmeesteren.
Nu trad echter een verandering in de politiek der Europeesche mogendheden in, die voor de Porte noodlottig werd. Tot nog toe had Metternich, ofschoon niemand lust voelde de opstandelingen te helpen bestrijden, officieele ondersteuning van hen weten te voorkomen. Maar in 1825 stierf Alexander I en zijn opvolger Nicolaas I stond volstrekt niet onder de betoovering van de heilige alliantie. Onmiddellijk dwong hij Turkije bij het verdrag van Akkerman (1826) tot bevestiging van den vrede van Boekarest, die in enkele opzichten, b.v. in de bepaling aangaande Servië, onuitgevoerd gebleven was. Weldra trad hij ook ten gunste van de Grieken op, daarbij gesteund door Engeland, waar zeer veel sympathie voor het Hellenisme was en waar de regeering onder leiding van Canning de voordeelen inzag, politiek en commercieel, die Engeland zich door partij te kiezen voor de Grieken zou kunnen verwerven, en ook door Frankrijk. Het was vooral een gevolg van de philhellenistische beweging (die door alle landen van Europa ging, een dichter als Byron naar het oorlogsveld dreef en die in Frankrijk buitengewoon sterk was), dat de reactionnaire regeering van koning Karel X een opstand ging begunstigen; de ergerlijke wreedheden, door de Turken in de opwelling van hun fanatisme bedreven, zooals het ophangen van den patriarch te Constantinopel zonder vorm van proces en de uitmoording van de bevolking van het eiland Chios en van Missolonghi hebben die beweging zeer in de hand gewerkt. De drie mogendheden dan verbonden zich (1827), om Turkije tot een wapenstilstand te brengen. De Porte was niet van zins hiernaar te luisteren. Een geallieerde vloot trad toen met geweld op in de baai van Navarino en vernietigde daar zonder veel moeite de Turksch-Egyptische zeemacht. Toen was het pleit spoedig geheel ten gunste van de Grieken beslist. Ofschoon in Engeland naCanning’s dood een meer reactionnair ministerie optrad, dat het optreden van den Engelschen admiraal bij Navarino feitelijk desavoueerde, tastten Rusland en Frankrijk door en de Porte kreeg van geen kant steun; ook niet van Oostenrijk, dat haar daarop had doen hopen. Fransche troepen verdreven de Turken uit den Peloponesus, vanwaar Ibrahim zich teruggetrokken had; een Russisch leger onder Diebitsj trok over den Balkan en bezette Adrianopel (1829). Dit had een ontzettenden invloed te Constantinopel: Hannibal ante portas! en, al verkeerde het leger van Diebitsj in buitengewoon slechten staat, de sultan gaf zich onmiddellijk gewonnen. De vrede van Adrianopel bracht Griekenland zijne vrijheid op den grondslag van een door de mogendheden te Londen opgesteld protocol. De grenzen werden in het Noord-Oosten de golf van Volo, in het Noord-Westen de Aspropotamo; de Cycladen en Euboea behoorden er bij. Niet geheel oud-Griekenland werd dus vrij; vooral het ontbreken van Thessalië en het eiland Creta wekte veel teleurstelling. Door toedoen van de mogendheden werd Griekenland in 1832 een koninkrijk onder Otto, zoon van koning Lodewijk van Beieren; de grens werd toen in het Noord-Westen uitgebreid tot de golf van Arta. De binnenlandsche toestand liet er van den beginne af veel te wenschen over; de verwachtingen op een renaissance van het geestelijk leven werden deerlijk teleurgesteld. Kon het anders na een geschiedenis, als die het oude van het nieuwe Hellas scheidde?
Voor Turkije had het einde van dezen oorlog meerdere onaangename gevolgen. Rusland eischte bij den vrede van Adrianopel een belangrijke schadeloosstelling in geld en afstand van de eilanden in de Donau-monding plus verschillende plaatsen in Azië, waaronder Anapa en Poti in Trans-Kaukasië. De vervulling van de belofte ten opzichte van Servië kon nu onmogelijk langer worden uitgesteld en in 1830 kreeg dit land zijne autonomie en zijn eigen leger; Turkije hield alleen suzereine rechten en kreeg een jaarlijksche schatting, Turksche troepen bleven in Belgrado. Miloch Obrenovitch, na den opstand van 1814 steeds het hoofd der Serviërs, werd hun eerste vorst. Verder werden de Donauvorstendommen meer onafhankelijk van Turkije. Uit eigen beweging had de Porte hun als belooning voor het niet opstaan tijdens den inval vanYpsilantilandgenooten tot hospodars gegeven (1822). Bij het verdrag van Akkerman eischte Nicolaas I ontruiming der beide landen door de Turksche troepen, zooals de Porte dit vroeger beloofd had, en bevestiging van zijn officieelen invloed. Te Adrianopel bedong hij geheele autonomie; voortaan zouden ook de Donauvorstendommen alleen schatting aan den sultan betalen, maar—ze bleven voorloopig door Russische troepen bezet en die maakten het er even bont als vroeger de Turksche. Krachtig diplomatiek optreden van Oostenrijk en Engeland was noodig om de Russen in 1834 te noodzaken hunne troepen terug te trekken. Toen pas konden de Roemenen vanhunne autonomie genieten en weldra ontstond hun streven naar geheele onafhankelijkheid zoowel van Turkije als van Rusland. En nog een deel van Turkije rukte zich los: het eiland Samos, dat aan den Griekschen opstand meegedaan had, maar weêr onderworpen was, werd door toedoen van de mogendheden ook een autonoom staatje met dergelijke verplichtingen als Servië en de Donauvorstendommen (1832).
Daarbij kwam weldra de twist met Mehemet-Ali, ook al een indirect gevolg van den Griekschen vrijheidsoorlog. De onderkoning van Egypte eischte, nu de Peloponesus voor hem verloren gegaan was, Syrië als schadeloosstelling. Mahmoed II weigerde. Ibrahim rukte op met het Egyptische leger, nam Syrië in bezit, trok naar Klein-Azië en versloeg Rechid-pacha bij Konieh. Weêr naderde een vijand de poorten der Turksche hoofdstad, maar ook de Russen kwamen weer, nu als vrienden van den sultan, wien Nicolaas zijn steun aangeboden had, niet geheel belangeloos natuurlijk, maar uit vrees, dat Mehemet heerscher te Stamboel worden zou. Wat zou er met een frissche kracht aan het hoofd van het Turkenrijk niet kunnen gebeuren! Russische troepen bezetten Constantinopel en Skoetari en daarvoor deinsde Ibrahim terug. Toch kreeg Mehemet bij het verdrag van Koetajeh Syrië (1832); de mogendheden, vooral Frankrijk, hadden dit te zijnen gunste bewerkt. En Rusland? Bij het verdrag van Oenkiar-Skelessi sloot het met de Porte een of- en defensief verbond: Rusland zou den sultan, als ’t noodig was, altijd te hulp moeten komen; Turkije zou, ingeval Rusland aangevallen werd, alleen maar de Dardanellen behoeven te sluiten; deze zonderlinge overeenkomst werd aangegaan voor den tijd van acht jaar. Het behoeft geen betoog, dat Turkije hiermede feitelijk geheel van Rusland afhankelijk werd, maar evenmin, dat de andere mogendheden er zich niet bij neerlegden.
De gelegenheid om het verdrag op de proef te stellen, deed zich spoedig voor. De sultan en zijn Egyptische vasal kregen in 1839 opnieuw ruzie. De aanleiding was nu, dat Mehemet, die bovenal sympathie voor Frankrijk had, weigerde een handelsverdrag tusschen Turkije en Engeland met voor dit land zeer gunstige voorwaarden ten uitvoer te leggen. Opnieuw overwon Ibrahim, nu bij Nezib, in Syrië, waar de Turken onder Hafiz een zeer ernstige nederlaag leden. Wat nu? Zou Rusland opnieuw den sultan te hulp komen? Ja, maar niet alleen; dat duldden de andere mogendheden, vooral Engeland, niet. Allen gingen zich met de zaak bemoeien en wel ten gunste van de Porte; het Fransche volk alleen toonde groote sympathie voor Mehemet-Ali, maar de regeering weigerde de wapenen voor hem op te nemen. Verbonden stelden de vier mogendheden: Rusland, Engeland, Oostenrijk en Pruisen—Frankrijk was met opzet buiten deze quadruple-alliantie gelaten—aan Mehemet-Ali den eisch Syrië te ontruimen, om hem te straffen voor zijn optredentegen den sultan; Egypte zou hij dan als erfelijk leen mogen behouden. Mehemet aarzelde, wat hem nog het bezit van Acre en omstreken, die hem eerst gelaten zouden worden, kostte. Toen, bevreesd voor het behoud van Egypte, dat Engeland hem liefst meteen ook ontnomen zou hebben, gaf hij toe (1841) en daarmede was zijn verdere rol uitgespeeld. Voor Rusland was de afloop niet zoo voordeelig als in 1832. Het verdrag van Oenkiar-Skelessi, waarvan de termijn in 1840 verstreken was, werd niet hernieuwd en verviel dus. Daarentegen moest het toestemmen in een overeenkomst met de andere groote mogendheden, het verdrag der Dardanellen geheeten, waarbij deze doorvaart tot neutraal gebied verklaard werd. Dit was een eerste stap tot een officieele garantie van de integriteit van het Turksche rijk, een keerzijde van het verdrag van Oenkiar-Skelessi. Voor Nicolaas I een groote teleurstelling, hem berokkend vooral door den Engelschen minister Palmerston.
Welk een droevig figuur maakte onder dit alles de Porte! Zij leefde alleen nog bij de gratie der mogendheden of liever ten gevolge van dier onderlinge verdeeldheid. Toch was eindelijk de lang begeerde hervorming op militair gebied doorgevoerd geworden. Sultan Mahmoed II was er in 1826 in geslaagd het Janitsaren-corps te vernietigen; dit was wel een oorzaak van zwakheid te meer geweest in het laatste deel van den Griekschen oorlog, maar op den duur kon nu toch het leger een nieuwe inrichting krijgen. Andere bezwaren maakten, dat dit voor den algemeen toestand weinig hielp. Hoe zou men een flink leger kunnen onderhouden, waar de noodige gelden om het te betalen en van het noodige te voorzien ontbraken? De financiën waren door lang wanbeheer geheel in verwarring. Er was niet de minste contrôle, er ontbrak een budget. Belastingpachters en gouverneurs der provinciën zorgden er wel voor, dat er van de opbrengsten heel weinig in de schatkist kwam. Geldgebrek begon het chronische euvel te worden van de eens zoo rijke sultans. En ondertusschen nam in alle deelen van het rijk, vooral waar Christenen woonden, de ontevredenheid met den dag toe. Slechte rechtsbedeeling, afpersingen en andere geweldenarijen werden te onverdraaglijker, nu er ook voor de nog onderworpenen kans op bevrijding bestond. Toch zag het gros der eigenlijke Turken de teekenen des tijds niet. Een onbegrijpelijk phlegmatiek volk! Het rijk barstte aan alle kanten om hen heen en toch bewogen zij zich niet om op verandering van koers aan te dringen. Wel grooter woede tegen de Christenen, die ze als hun doodvijanden gingen beschouwen en waartegen ze zich steeds meer onmenschelijkheden veroorloofden, natuurlijk met het gevolg, dat hun reputatie in Europa heel slecht werd, een bedenkelijk feit, nu juist meer en meer belangstellenden den gang van zaken in hun rijk volgden.
Enkelen slechts waren er, die begrepen, dat grondige hervormingen in de geheele regeering alleen baat zouden kunnenbrengen. Onder die enkelen was Rechid-pacha, groot-vizier van sultan Abdoel-Medjid, zoon van Mahmoed II (deze was vlak na den slag bij Nezib gestorven). Hij wist zijn heer tot een besluit over te halen, dat bekend is onder den naam van Tanzimat7en inderdaad groote verbeteringen in zich sloot: een rechtvaardig bestuur voor en bescherming van alle onderdanen; betere regeling van belastingheffing en militaire verplichtingen; openbaarheid van de rechtspraak. Een reeks van schoone beloften, maar de uitvoering bleef grootendeels achterwege, want de tegenstand van de belanghebbenden bij het behoud van den ouden toestand was zóó krachtig; dat de zwakke Abdoel-Medjid in 1841 een anderen groot-vizier nam, Riza-pacha, die van harte met de oud-Turken, zooals de conservatieven op den duur genoemd worden, sympathiseerde. Eerst in latere jaren heeft Rechid-pacha, toen hij nogmaals groot-vizier werd (1846–1852), ten minste in enkele opzichten eenige verbetering aangebracht. Voor het leger kwam conscriptie in plaats van gedwongen dienstneming. Aan het onderwijs werd meer zorg besteed. Op belastinggebied werd aan de willekeur der pachters paal en perk gesteld. Maar wat zal een enkeling, met hoe goeden geest bezield, tegen een algemeen slechten geest?
Toch waren de partiëele hervormingen van Rechid-pacha voldoende om de onrust op te wekken van keizer Nicolaas I, die evenmin een opleving van Turkije wenschte als vroeger Catharina II die van Polen. Bovendien bleek het Turksche leger werkelijk betere hoedanigheden te verkrijgen en in staat om verdere opstanden te bedwingen. Zoo reeds in 1848, toen als gevolg van de Februari-revolutie in Frankrijk een oproer in de Donauvorstendommen uitbrak, die zich geheel onafhankelijk wilden maken; dit oproer werd door Rusland en Turkije samen gedempt: de Donauvorstendommen verloren toen weer hun in 1829 verkregen recht om zelf hospodars te kiezen; Rusland en Turkije zouden dit voortaan samen voor hen doen. Maar vooral duidelijk werd de hoogere vechtwaarde der Turksche troepen, toen ze in 1849 en 1851 gebruikt werden onder leiding van een energiek aanvoerder Omer-pacha om opstanden in Bosnië en Boelgarije, waarschijnlijk door aanstoken van Rusland uitgebroken, te dempen, wat uitstekend en zonder vele wreedheden gelukte. Ook in deze streken scheen daarna de invoering van enkele hervormingen overeenkomstig de Tanzimat een betere toekomst te voorspellen. Het plan van Nicolaas I om de Turken uit Europa te verdrijven, reeds lang bestaande en waarvoor hij, om de Engelsche regeering te winnen, in 1844 een vruchtelooze reis naar Engeland ondernomen had, heeft ongetwijfeld ten gevolge daarvan een vasteren vorm aangenomen. Nogmaals had hij in 1853 de Engelsche regeering doen polsen over een oplossing van het Turksche vraagstuk, maar weer haddeze geweigerd hem te helpen den “zieken man” uit den weg te ruimen.
Daarop tastte Nicolaas, die na de gebeurtenissen van 1848, toen hij den Oostenrijkschen keizer had geholpen bij het bedwingen van een opstand in Hongarije, van Oostenrijk en dus ook van Pruisen niets te vreezen meende te hebben, alleen door. Hij zocht een voorwendsel tot oorlog en daartoe diende de zending van een buitengewoon gezant Mentsjikoff. Er hing sedert 1851 te Constantinopel een kwestie over de bescherming en het bezit der Heilige Plaatsen teJeruzalem: kwam deze toe aan de Roomsch-Katholieken, beschermd door Frankrijk, of aan de Grieksch-Katholieken, beschermd door Rusland? Napoleon III, toen nog president, weldra keizer van Frankrijk, had de kwestie opgerakeld om het aloude aanzien van de Fransche natie in het Oosten te herstellen, waar sedert het midden der achttiende eeuw enkele, sedert het begin der negentiende bijna alle heiligdommen door Grieksch-Katholieken bezet waren, wat tot herhaaldelijke moeilijkheden, tot gevechten zelfs, leidde. Hierdoor kwamen Rusland en Frankrijk, Nicolaas I en Napoleon III, toch geen beste vrienden, omdat de eerste den laatsten als een product der revolutie lang niet welgezind was, te Constantinopel in een scherp conflict. Mentsjikoff zette aan de Russische eischen kracht bij en vroeg tevens—dit laatste in het geheim—de bescherming over alle Grieksche Christenen in het Turksche rijk door Rusland. En nu volgde een ingewikkeld diplomatiek spel, waarin Stratford Canning, ambassadeur van Engeland bij de Porte en een man van grooten invloed, Mentsjikoff op uiterst handige wijze noodzaakte er voor uit te komen, waarom het hem vooral te doen was. De Turksche regeering, zich sterk wetende door den steun van Frankrijk en Engeland, wees den eisch aangaande het beschermingsrecht van de Grieksch-Katholieken onverbiddelijk af en Mentsjikoff, voor wien juist deze eisch, waardoor Rusland ten allen tijde een recht van inmenging in de Turksche zaken zou krijgen, de hoofdzaak was, wilde zich met niets minder dan volledige inwilliging al zijner eischen tevreden stellen. Hij nam na korten tijd afscheid en onmiddellijk daarna bezetten Russische troepen voor de zooveelste maal de Donauvorstendommen. Toen sloten Engeland en Frankrijk te Constantinopel een verbond met de Porte, waarbij zij beiden de integriteit van het Turksche rijk waarborgden, belovende het desnoods met de wapenen te zullen verdedigen, terwijl de sultan zich verplichtte tot het aanbrengen van afdoende hervormingen om den toestand der Christenen te verbeteren. Nog waren de onderhandelingen om een oorlog te voorkomen niet geheel afgebroken, toen een uitbarsting van fanatisme te Constantinopel den sultan dwong een oorlogsverklaring tegen Rusland uit te vaardigen (October 1853). Engeland en Frankrijk deden hun verbond gestand: ook zij verklaarden den oorlog en verplichtten zich tegenover elkander om geenvrede te sluiten dan gezamenlijk. Oostenrijk en Pruisen bleven buiten den oorlog, maar kozen om begrijpelijke redenen toch partij voor Engeland en Frankrijk: bij een overeenkomst te Weenen verklaarden zij zich solidair met de voorwaarden, door Engeland en Frankrijk met de Porte opgesteld. Actief nam later het kleine koninkrijk Sardinië deel aan den oorlog met de nevenbedoeling zich Napoleon’s gunst te verwerven.
De oorlogsoperatiën begonnen in 1854, toen de Russen, bedreigd door de aanrukkende Turksche, Engelsche en Fransche troepen en bevreesd voor de inmenging van een op de grenzen samengetrokken Oostenrijksch leger, de Donauvorstendommen ontruimden; de Oostenrijkers bezetten die voorloopig als zoogenoemd neutrale partij. Gevochten was er zoo goed als in het geheel niet. Dit gebeurde eerst, toen de verbondenen besloten hun aanval te doen in de Zwarte Zee, beter geschikt voor oorlogsdoeleinden dan de Oostzee. In de Krim—de oorlog heet daarom de Krimoorlog—werd de groote tragedie uit dezen strijd afgespeeld. Het ligt buiten het bestek van dit overzicht om te vertellen van de heldhaftige verdediging van Sebastopol door de Russen of van het gruwzame lijden van de troepen der bondgenooten; eerst na een beleg van een jaar moest de stad zich overgeven en toen waren alle partijen vrijwel uitgevochten (1855). De inneming van Kars door de Russen vergemakkelijkte het sluiten van den vrede, waarover reeds lang onderhandeld werd. Dit gebeurde op een congres te Parijs (1856). Alle daar vertegenwoordigde mogendheden, d.w.z. de vijf groote en Sardinië, garandeerden de integriteit van het Turksche rijk: “elke handeling, die deze onschendbaarheid in gevaar zou brengen, zou beschouwd worden als een kwestie van Europeesch belang”; moeilijkheden tusschen één der mogendheden en de Porte zouden, alvorens men naar de wapenen greep, onderworpen worden aan de bemiddeling der andere. De Dardanellenovereenkomst werd bevestigd en daarbij de bepaling gemaakt, dat Rusland noch Turkije oorlogsschepen of arsenalen in de Zwarte Zee zouden mogen onderhouden. Deze beide artikelen waren de belangrijkste; zij bevatten de volkomen overwinning van de Engelsche politiek in Zuid-Oost-Europa op de Russische. Verandering van grondgebied kwam er weinig: in Azië gaf Rusland zijne veroveringen terug; een deel van Bessarabië, ten Noorden van den Donaumond, werd bij Moldavië gevoegd. Dit en Walachije werden ontslagen van Russisch-Turksche inmenging; zij kregen opnieuw geheele autonomie met erkenning van de suzereiniteit van de Porte.
De “zieke man” was gered van den éénen hardvochtigen dokter, die er een eind aan had willen maken. De andere doktoren, die zijn dood niet wenschten, gaven hem tevens heel welwillend de middelen aan de hand om den weg der beterschap op te gaan. Die middelen waren vervat in een door de Turksche regeering op aandrang der mogendheden uitgevaardigd besluitvan Februari 1856. Het ging veel verder dan de Tanzimat van 1832. Volkomen staatsrechtelijke gelijkstelling van Christenen en Mohammedanen: genen kregen dus toegang tot alle ambten en de afzonderlijke belasting voor hen werd afgeschaft. Daarnaast een reeks hervormingen. Was het besluit uitgevoerd, een geheel andere toestand zou in het Turkenrijk ontstaan zijn, maar de afwijking van een sedert eeuwen gevolgde binnenlandsche staatkunde, berustende op den Koran, die de Mohammedanen tot een bevoorrechte klasse maakte, ging te ver. De Turken wilden er niet van weten, de Christenen, in het geheel niet belust op het dienen in een leger van den sultan, evenmin. Hoe zouden ook die twee klassen van bevolking, die altijd van elkander afgezonderd geleefd hadden, nu in eens burgers van een zelfden staat kunnen worden! Zoo bleef feitelijk de afscheiding voortduren en de Christenen bleven hun hoofdgeld betalen, hoewel onder een anderen naam en in een anderen vorm, n.l. als afkoopsprijs van militaire verplichtingen. Ook van de andere toegezegde hervormingen kwam weinig in. De beide mannen, die er hun best voor hebben gedaan, Fuad-pacha en Ali-pacha, die beide de Porte vertegenwoordigd hadden op het congres van Parijs, vonden weinig steun bij den sultan Abdoel-Asiz, die in 1861 zijn broeder Abdoel-Medjid opvolgde. Het was meest lapwerk, wat er gebeurde. Op financieel gebied gelukte het Fuad-pacha een grootboek van de nationale schuld te doen instellen en een Ottomansche bank op te richten. Maar het crediet van Turkije was zóó laag, dat het 8 à 12% moest betalen om geld te leenen! Ali-pacha bracht eenige Christenen in den staatsraad, zorgde voor een betere opleiding van ambtenaren, maar o! het gaf alles zoo bitter weinig. Hoe kon het anders met een padishah, die in een oogenblik van zelfinkeer besloot zijn geheelen harem op te heffen, wat een ontzettende bezuiniging gaf, maar wat later er weer een had van negen honderd vrouwen en drie duizend bedienden! En toen Fuad-pacha (1869) en Ali-pacha (1871) gestorven waren, toen triumfeerden de Oud-Turken over de heele linie. Hoe zonderling het moge schijnen, de mogendheden bleven toezien, zelfs toen een door hen ingestelde enquête van 1867 volop bewees, dat 1856 grootendeels vergeten was.
Maar wat moesten ze doen? De Turken er gezamenlijk uitjagen, maar wie dan in Contantinopel? Ze zaten in een impasse even goed als de Turken en de Christenen in hunne onderlinge verhouding. De eenig mogelijke verdere afwikkeling van het Balkan-vraagstuk lag in het steeds meer emancipeeren van de Christelijke bevolking. In die richting wilde Rusland werken, toen het na de enquête van 1867 den raad gaf de verschillende volkeren zooveel mogelijk autonoom te maken. Ofschoon de mogendheden een dergelijken leiddraad voor een algemeene politiek niet hebben aangenomen, is het Turksche rijk in Europa toch werkelijk in de tweede helft der negentiende eeuw in diengeest meer en meer verzwakt geworden. Rusland, natuurlijk met de bedoeling zich op deze wijze den meesten invloed te verzekeren, is daarbij min of meer openlijk de groote drijfkracht geweest en voorloopig ondersteunde ook Napeleon III, voor wien het nationaliteitsbegrip een magische aantrekkelijkheid had, na den Krimoorlog deze politiek.
Montenegro heeft daarvan het eerst de goede gevolgen ondervonden. Het was voor de Porte, gegeven de roerigheid onder de Christenen van Bosnië en Herzegowina, die ook onafhankelijkheidsneigingen vertoonden, van het grootste belang dit land meer te onderwerpen dan tot nog toe het geval geweest was. Het bedwingen van den opstand der Bosniërs in 1851, die van uit Montenegro gesteund geworden was, gaf hiertoe een eerste aanleiding. De verandering van het in den vorm theocratisch bestuur, dat door een vorst-bisschop, vladika geheeten, werd uitgeoefend, in een wereldlijke regeering zonder toestemming van den sultan, die zich wel degelijk als suzerein beschouwde, deed de maat overloopen (1852). Met groote overmacht viel Omer-pacha het vorstendom aan, maar hij slaagde niet en Oostenrijksche pressie bewoog den sultan weldra de vijandelijkheden te staken, zonder dat zijn doel bereikt was. Na den Krimoorlog deden de Turken een nieuwe poging, maar nu leden zij een ernstige nederlaag bij Grahovo (1858), hun toegebracht door Mirko, broeder van den vorst Danilo. Het gevolg was, dat op aandrang van Napoleon III een Europeesche commissie werd aangewezen, om de grenzen tusschen Montenegro en Turkije vast te stellen; daarmede werd dus feitelijk het kleine vorstendom geheel onafhankelijk. Nieuwe moeilijkheden kwamen, toen in 1861 Herzegowina, aangemoedigd door het succes der Montenegrijnen, in opstand geraakte. Weer konden de Montenegrijnen, ofschoon Mirko—Danilo was in 1860 vermoord—, die voor zijn zoon Nicolaas het regentschap voerde, de neutraliteit wilde bewaren, het niet nalaten de stamgenooten te ondersteunen. Nu was de uitslag bedenkelijk: Omer-pacha trok het vorstendom binnen en Mirko werd overwonnen; Montenegro moest toestemmen in enkele voorwaarden, waardoor de Turken het land voor militaire operatiën tot hunne beschikking kregen. Het was te danken aan het optreden van Frankrijk en Rusland, dat de sultan deze voorwaarden spoedig introk (1863). Herzegowina werd weer geheel onderworpen.
Werd Herzegowina geheel bedwongen, Servië ontwikkelde zich rustig en verwierf ongemerkt een steeds grootere mate van vrijheid, vooral, nadat een eerste tijdvak van binnenlandsche onrust, gevolg van het autocratisch optreden van Miloch en van naijver tusschen zijn geslacht en dat van Kara-Georges, voorbij was. Miloch, van 1839–1858 verdreven, kwam na de afzetting van Alexander, den kleinzoon van Kara-Georges, als vorst in Servië terug. Zijn zoon Michaël volgde hem in 1860 op volgens het erfelijkheidsbeginsel, dat het vorige jaarzonder toestemming van den sultan door de skoeptchina aangenomen was. Hij bewerkte, ook weer gesteund door Rusland en Frankrijk, de ontruiming van de citadellen in Servië, die nog door Turksche troepen bezet waren. Na Michaëls vermoording in 1869 en zijne opvolging door zijn neef Milan erkende de Porte de erfelijkheid van het koningschap in het huis Obrenovitch. Een Servische constitutie (1869) werd opgesteld, zonder dat men zich om des sultans toestemming bekommerde. Feitelijk was Servië dus onafhankelijk en zoo was het ook met de Donauvorstendommen, waartusschen bovendien een samensmelting tot stand gebracht werd. Sedert 1859 hadden ze één hospodar, sedert 1862 was Boekarest de hoofdstad. Het was ook Fransche en Russische invloed, die dezen gang van zaken in de hand werkte. Binnenlandsche moeilijkheden, die er tusschen de aanzienlijke geslachten meermalen ontstonden, trachtte men te bezweren door van Roemenië—zoo heette de nieuwe staat—een koninkrijk te maken met een buitenlander, Karel van Hohenzollern, lid van de Katholieke tak van dit vorstenhuis, aan het hoofd (1866), die, gebonden aan een constitutie, de regeering zou voeren.
De rustige rust, die van 1862–1875 uiterlijk in het Turksche rijk heerschte—onderbroken alleen door een opstand op Kreta in 1866, dat aansluiting bij Griekenland wenschte, maar zijn wensch niet vervuld zag—, werd in 1875 op een heftige wijze verstoord. Het scheen, of de nog onderworpen Christenen nu allen tegelijk besloten hadden zich vrij te maken. Bosnië en Herzegowina begonnen: hun bedoeling was aansluiting te bewerken bij de Serviërs, immers hunne stamgenooten. Boelgarije werd toen ook onrustig. Onmiddellijk bemoeiden de mogendheden zich met de zaak; vooral deden dit de drie keizers, die van Rusland, Oostenrijk en Duitschland, sedert 1871 door een entente met elkander verbonden. Frankrijk was nog niet hersteld van de hevige slagen, die het in den Fransch-Duitschen oorlog8gekregen had, en kon daarom weinig invloed doen gelden; Engeland nam eerst een afwachtende houding aan. De drie keizers stuurden aan op hervormingen; zij wilden den opstand daardoor beëindigen, bepaaldelijk, Oostenrijk, dat zeer ongaarne een groot Servisch rijk op zijne Zuidgrens zag ontstaan. De sultan gaf vele goede woorden; er werd onderhandeld over de beste middelen. Toen veranderde plotseling de toestand door de vermoording van den Duitschen en den Franschen consul te Saloniki, een uiting van fanatisme van de Turksche bevolking, en tegelijkertijd hadden ongehoordewreedheden plaats in Boelgarije. Dit was het werk van Aziatische onderdanen van den sultan, door dezen losgelaten om aan het verzet onder de Boelgaren een einde te maken. “In enkele dagen gingen negen en zeventig dorpen in de vlammen op, vijftienduizend menschenminstenswerden gedood, tachtigduizend waren dakloos” (1876).
Het geduld van de Serviërs en de Montenegrijnen, van den beginne af brandend van verlangen om de opstandelingen in Bosnië en Herzegowina te hulp te komen, maar nog tegengehouden door de mogendheden, was uitgeput; zij begonnen den oorlog tegen Turkije (1876). Te meer werden zij daartoe aangespoord, omdat te Constantinopel de Oud-Turksche partij geheel de overhand kreeg: Abdoel-Asiz, beschuldigd van teveel deferentie aan de opstandelingen, werd afgezet; Moerad V, een zoon van Abdoel-Medjid, in zijne plaats gesteld en, toen deze nog niet genoeg reactionnair gezind bleek, moest ook hij na twee maanden plaats maken voor zijn broeder Abdoel-Hamid II, van wien de hervormingspartij niets te verwachten had. De Oud-Turken durfden te beter, omdat de Serviërs niet bestand bleken tegen het Turksche leger onder Osman-pacha, die geheel Servië dreigde te veroveren. Van de mogendheden, meenden zij, was toch niets te vreezen, maar nu hadden zij buiten den waard gerekend. Ook in Europa hadden de tijdingen van de moorden in Boelgarije haren invloed niet gemist. De Russische keizer Alexander II was van dat oogenblik af besloten de zaak krachtig aan te vatten, maar hij verliet niet onmiddellijk den weg der diplomatie: zijn leger was niet gereed en liefst wilde hij zich van de welwillendheid der andere mogendheden verzekeren om een herhaling van den Krimoorlog te voorkomen. Daarom stelde hij het samenroepen van een conferentie te Constantinopel voor. Te Londen bestond niet zoo veel eensgezindheid om de Porte tegen Rusland in bescherming te nemen als vroeger: Gladstone, de leider der Whigs, gunde “den grooten moordenaar” te Stamboel niets goeds, maar Disraëli, toen aan het bewind, was fel Russophoob en had zich daarom onthouden van onderteekening van een door de andere mogendheden te Berlijn opgesteld memorandum aan de Porte, waarin op krachtige wijze op hervormingen aangedrongen werd. Alleen onder invloed van de publieke opinie in Engeland had hij ten slotte in de conferentie van Constantinopel toegestemd, waar in de eerste plaats een wapenstilstand in den oorlog met Servië zou worden geëischt en verder natuurlijk hervormingen. Onnoodig te zeggen, dat Ridhat-pacha, de leider der Oud-Turken, van die eischen niet gediend was en dat de conferentie mislukte, maar tegelijk speelde de Turksche regeering een prachtig comediespel; een zeer vrijzinnige constitutie werd uitgevaardigd, op denzelfden grondslag gebouwd als het hervormingsbesluit van 1856—uit eigen beweging hervormingen dus!—en tegelijk kwam een vergadering van 240 ambtenaren bijeen, die éénparig de voorstellender mogendheden verwierpen, een sanctie dus van het Turksche volk op het besluit van den sultan! Het ergerlijkste was, dat er onder de mogendheden waren, die de nieuwe beloften van den sultan voor goede munt wilden aannemen. Engeland vooral bleef nog weerbarstig om Rusland zijn gang te laten gaan. Maar toen een voortzetting der onderhandelingen de Porte, natuurlijk aangemoedigd door Engeland’s handelwijze, tot geen toegeeflijkheid in eenig opzicht vermocht te bewegen, toen een bijeengeroepen Turksche volksvertegenwoordiging tot de voortzetting van den oorlog met Montenegro—Servië had reeds vrede moeten sluiten—besloot, tastte Rusland door en verklaarde in het voorjaar van 1877 den oorlog. Het was verzekerd van de goede gezindheid van Oostenrijk, waarmede het was overeengekomen, dat het Oostenrijksche leger Bosnië en Herzegowina zou bezetten. Ook van Duitschland was niets te vreezen: Bismarck, die overigens wegens een langzaam opkomende toenadering van Frankrijk en Rusland dit land gaarne in Zuid-Oost-Europa in moeilijkheden wilde zien, had zijne bekende verklaring over de waarde van de beenderen van een Pruisischen grenadier juist afgelegd; naar zijne meening had Duitschland nog geen onmiddellijke belangen in het Turksche rijk.
Met geestdrift begon het Russische volk den oorlog: het was immers een bevrijdingsoorlog van de Slavische broeders van het Turksche juk; reeds lang hadden de opstandelingen steun uit Rusland ontvangen door middel van een daar bestaand genootschap, dat ten doel had alle Slaven in het Balkanschiereiland vrij te maken. Roemenië sloot zich bij Rusland aan, niet geheel uit vrijen wil, want men wist bij ondervinding, wat het doortrekken van een Russisch leger beteekende, maar omdat het niet anders kon. Zonder groote inspanning kwamen de Russen, aangevoerd door groothertog Nicolaas, over den Donau en weldra bezette Gourko, één der onderbevelhebbers, den Sjibka-pas in den Balkan. Toen werd hun voortgang gestuit. Osman-pacha, opperbevelhebber der Turksche troepen, één der weinige beroemde aanvoerders uit de Turksche geschiedenis van de laatste eeuwen, bezette door een gewaagde, maar uitstekend geleide beweging Plewna in den rug den Russen. Tevergeefs bestormden dezen zijne zeer sterke positie; zij moesten overgaan tot een formeele belegering en even dapper als de Russen te Sebastopol gedaan hadden, gedroegen zich de Turken, nu zij de belegerden waren. Eerst nadat groote Russische versterkingen aangekomen en een reeks van zware gevechten rondom Plewna geleverd waren, nadat een Turksch ontzettingsleger teruggeslagen was en Osman, die aan alles gebrek kreeg, tevergeefs een wanhopige poging gedaan had om zich door de Russen heen te slaan, moesten de Turksche troepen capituleeren (Dec. 1877), maar de eer van het Turksch leger was gered, voor het eerst sedert heel langen tijd. Nu trokken de Russen den Balkan over, namen Sofia,Adrianopel (Januari 1878), terwijl een ander leger onder Melikoff verschillende veroveringen in Armenië gemaakt had. De Porte, nu ook weêr in oorlog met Servië, dat opnieuw naar de wapenen gegrepen had, en bedreigd door Montenegro, haastte zich onderhandelingen aan te knoopen, die den laatsten Januari leidden tot de preliminairen en ruim een maand later tot den vrede van San Stefano: geheele onafhankelijkheid van Servië, Montenegro en Roemenië; uitbreiding van gebied voor de beide eersten; ruil van een deel van Bessarabië, dat aan Rusland terugkwam, tegen de Dobroedsja voor Roemenië; autonomie van Boelgarije, d.w.z. ’t eigenlijke Boelgarije met Oost-Roemelië en een deel van Macedonië, met behoud van de suzereiniteit van den sultan, en autonomie van Bosnië en Herzegowina; hervormingen voor de nog Turksch blijvende Christelijke bevolking; een oorlogsschatting en afstand van eilanden in de Donaumonding met grondgebied in Azië, o.a. de stad Kars, voor Rusland. Zoo waren de zeer zware voorwaarden, die aan Turkije opgelegd werden; zoo was de groote triumf, die Alexander II behaalde.
Maar de andere mogendheden, vooral Engeland en Oostenrijk, zagen dit schouwspel met grooten tegenzin aan. De gebeurtenissen waren na Plewna zoo gauw afgeloopen, dat zij, vóór het tot onderhandelingen gekomen was, geen gelegenheid hadden gekregen er zich mede te bemoeien. Zoodra de preliminairen hun bekend waren, zond Engeland, brutaal, zijn vloot tot in de onmiddellijke nabijheid van Constantinopel en na het sluiten van den vrede eischte het herziening der voorwaarden. Het werd gesteund door Oostenrijk, dat nu van Engeland de belofte wist te verkrijgen van Bosnië en Herzegowina te mogen bezetten. Rusland vond nergens steun, was door den zwaren oorlog uitgeput en durfde dus een worsteling tegen Engeland en Oostenrijk niet aan. Daarom stemde Alexander II toe in een congres te Berlijn, waar Duitschland zijne “goede diensten” aanbood om de partijen tot elkander te brengen. In hoofdzaak waren Engeland en Rusland het reeds eens geworden vóór de opening van het congres, dat daardoor precies in één maand kon afloopen. Groot-Boelgarije verdween: alleen het eigenlijke Boelgarije ten Noorden van den Balkan werd geheel autonoom onder een door de Boelgaren te verkiezen vorst; de provincie Oost-Roemelië kreeg eigen administratie, maar de gouverneur zou door de Porte benoemd worden; Macedonië bleef geheel Turksch; Montenegro en Servië kregen minder uitbreiding dan hun eerst was toegestaan; Montenegro kreeg Antivari met de kuststreek, daarbij behoorende; Servië alleen het district van Nisj en Pirot. Het lot van Bosnië en Herzegowina werd geheel veranderd: zij bleven in naam Turksch, maar Oostenrijk zou ze “occupeeren” en besturen; om ze te beter te kunnen beheerschen, kreeg Oostenrijk bovendien het recht van militaire bezetting in het district Novi-Bazar, waardoor het Servië en Montenegro van elkander zou scheiden, Bosnië en Herzegowinaook aan den Oostkant insluiten en een positie innemen, vanwaar het vooral in den Balkan zeer gemakkelijk zich kon doen gelden. Voor Roemenie werd de bittere pil van den afstand van het deel van Bessarabië eenigszins verzacht, doordat het de eilanden in de Donaumonding kreeg, die dus niet aan Rusland kwamen, terwijl de Russische aanwinst in Azië besnoeid werd. Engeland kreeg voor zijne hulp aan Turkije het eiland Cyprus en dus een bevestiging van zijn invloed in de Middellandsche Zee, van te meer beteekenis wegens het Suez-kanaal. Die invloed was het ook vooral geweest, die Engeland zoo krachtig had doen protesteeren tegen een groot-Boelgarije, dat naar alle berekening aan Rusland zeer vriendschappelijk gezind geweest zou zijn. Onnoodig te zeggen, dat de sultan opnieuw tot verbeteringen aangespoord werd!
Het verdrag van Berlijn is één van de zonderlingste producten, die de diplomatie heeft voortgebracht, en alleen te verklaren als compromis van velerlei belangen in de buitengewone omstandigheden, waarin het gesloten werd. Alle mogendheden, die iets hadden in te brengen, waren tegen Rusland; ook Bismarck had zich meer anti- dan pro-Russisch getoond en Frankrijk had geen gewicht in de schaal gelegd. Zoo kon het gebeuren, dat mogendheden, die niet aan den oorlog deelgenomen hadden, met groote voordeelen gingen strijken, terwijl Rusland er tamelijk bekaaid afkwam. Ook voor de toekomst was dit van beteekenis: Oostenrijk, dat tusschen 1859 en 1866 zijn invloed in Italië en Duitschland verloren had kreeg een bevoorrechte positie in het Balkan-schiereiland en kon hopen daar op den duur nog meer schadeloosstelling te verwerven voor de verliezen in het Westen. Rusland daarentegen, dat Roemenië diep gegriefd had, dat groot-Boelgarije had opgeofferd, zag zijn invloed weinig toenemen. Het was de verwezenlijking van zijn ideaal: een uitgang naar het Zuiden, weinig dichterbij gekomen. De Turksche kwestie was nog lang niet opgelost, al was men weer eenige schreden nader aan de geheele verbrokkeling van het rijk in zelfstandige staten. Ook na 1878 is de ontwikkeling die richting blijven volgen. De moeilijkheden bewogen zich vooral om Boelgarije, Griekenland en Macedonië.
Met het laatste land hebben we ons na zijne vrijwording niet behoeven bezig te houden; ten gevolge van inwendige zwakheid, gevolg van voortdurende partijtwisten, deed het zich bij de herhaalde crises in het Balkan-vraagstuk ternauwernood gelden. Koning Otto werd in 1862 gedwongen afstand van den troon te doen en in het volgende jaar werd George, een Deensche prins, broeder van de gemalin van den Engelschen koning Eduard VII, zijn opvolger; bij die gelegenheid stond Engeland aan het koninkrijk de Jonische eilanden af, waarover het sedert den Napoleontischen tijd het protectoraat uitoefende. Daarna werd de toestand langzamerhand eenigszins verbeterd. Ofschoon Griekenland uit gebrek aan geld en een behoorlijk leger ook in den oorlog van 1877geen rol had kunnen spelen, wist het toch van de verwikkelingen gebruik te maken, om van de mogendheden gedaan te krijgen, dat deze in het Berlijnsche verdrag een bepaling opnamen, om de Porte aan te sporen zich met Griekenland te verstaan over een verbetering der grenzen, waartoe zij tevens hunne goede diensten aanboden. Toen Turkije weinig lust vertoonde, aan Griekenland’s wenschen tegemoet te komen, begon hier een sterk patriottische agitatie en een oorlog dreigde. Op aansporen van de mogendheden, vooral van Frankrijk en Engeland, gaf Turkije toe en Griekenland kreeg iets, hoewel niet alles, wat het wilde: de grens werd in het Noord-Oosten van Thessalië tot aan de Zuidelijke helling van den Pindus en den Olympus verlegd; Griekenland werd bovendien verrijkt met een deel van Epirus (1881). Daarna werd vooral Kreta de inzet van nieuwe verwikkelingen met de Porte. Dit eiland had herhaaldelijk getracht zich van de Turksche heerschappij te ontslaan; het mislukte steeds, maar de altijd beloofde hervormingen van de Porte bleven ook na 1878 grootendeels onvervuld. Het was ten gevolge van de twisten van Christenen en Mohammedanen voortdurend onrustig op het eiland,niettegenstaandeook de mogendheden zich meermalen met de zaak bemoeiden en in 1896 den sultan zelfs dwongen er in toe te stemmen, dat hunne consuls te Kanea toezicht op de regeering zouden uitoefenen. Griekenland had dit spel met het grootste ongeduld gevolgd en werd alleen onder pressie van de mogendheden in den band gehouden. Eindelijk, in 1897, barstte de bom, doordat de Grieksche regeering, gedwongen door de publieke opinie in het eigen land, een troepenafdeeling naar Kreta zond, om het eiland te annexeeren. Maar in den toen volgenden oorlog bleek het Grieksche leger volstrekt niet in staat tegen de Turken te vechten. Natuurlijk hielden de mogendheden ook nu hare diplomatieke handen niet thuis en daaraan had Griekenland het te danken, dat het bij den nog in 1897 te Constantinopel gesloten vrede er afkwam met den afstand van slechts een klein deel van het in 1881 in Thessalië verkregen gebied en het betalen van een oorlogschatting. Bovendien—dit eischten de mogendheden voor zich—zou een internationale commissie te Athene contrôle krijgen op de Grieksche financiën. Kreta kreeg ten slotte toch zijne bevrijding: in 1898 bewerkten de mogendheden (behalve Oostenrijk en Duitschland, die zich er buiten hielden), dat ook dit eiland autonoom zou worden onder het bestuur van prins George, zoon van den Griekschen koning, als hooge-commissaris namens de mogendheden. Ook hier bleef alleen de Turksche suzereiniteit bestaan. De pogingen van Grieksche zijde, om deze te doen opheffen, bleven eerst zonder resultaat. Wel droeg het bestuur van prins George, dat de orde wist te herstellen, voor het eiland goede vruchten.
Boelgarije, het tweede land, dat na 1878 aan de mogendheden en aan de Porte moeilijkheden te over bezorgd heeft, kreeg in1879 den door het Sobranje gekozen Alexander van Battenberg, een neef van de Russische keizerin, tot vorst. Hij was de candidaat van Rusland geweest, dat door hem den grooten invloed, dien het zich door de gebeurtenissen van 1877 verworven had, hoopte te behouden. Maar het tegendeel was het geval. Er ontstond een streven, om zich van Rusland’s overwicht vrij te maken, en Alexander van Battenberg bevorderde dit streven, waarom hij Rusland’s gunst verloor. Dit ondervond hij, toen in 1885 de Oost-Roemeliërs, natuurlijk niet tevreden met den hun vanwege de Porte gezonden gouverneur, in opstand geraakten te Philippopel en Alexander als vorst erkenden, waardoor feitelijk toch de vereeniging van Boelgarije en Oost-Roemenië tot stand kwam. Hiertegen verzette zich in de eerste plaats koning Milan van Servië9, die door de uitbreiding van Boelgarije het Balkan-evenwicht verstoord achtte. Servië en Boelgarije begonnen een oorlog, waarin Alexander van Battenberg glansrijk overwon. Het tusschenbeiden komen van Oostenrijk, dat Servië hulp dreigde te verleenen, redde dit laatste land. Echter baatte zijne overwinning vorst Alexander niet: ofschoon de andere mogendheden en ook de sultan geen overwegend bezwaar tegen Alexander’s regeering over Oost-Roemelië, hoewel dan in kwaliteit van gouverneur, maakten, weigerde Rusland hardnekkig er in toe te stemmen; het wilde zich houden aan het verdrag van Berlijn! Die houding van Rusland had zijn terugslag in de binnenlandsche aangelegenheden van het vorstendom. Een militaire samenzwering werd gesmeed en vorst Alexander buiten zijn vorstendom gevoerd, maar hij keerde terug en vond bij de niet-Russische partij aanhang genoeg om zich staande te houden. Toen trachtte hij zich met keizer Alexander III te verzoenen, maar deze was onvermurwbaar; hij verklaarde zich van elke bemoeiïng met Boelgarije te zullen onthouden, zoolang Battenberg er vorst bleef. Deze deed daarna vrijwillig afstand van den troon (1886). Maar Rusland profiteerde er niet bij, want de anti-Russische partij kwam aan het roer met Stamboelow als president van een regentschap en deze helderziende, maar heerschzuchtige staatsman was een verklaard vijand van den Russischen invloed: hij wilde Boelgarije geheel zelfstandig maken. Een nieuwen vorst vond men na eenig zoeken in den Duitschen prins Ferdinand van Saksen-Coburg (1887). Dit was geschied geheel buiten de mogendheden en den sultan om. De meesten dezer verzetten zich niet tegen het fait accompli; de sultan liet een zwak protest hooren. Rusland alleen begon een dreigende houding aan te nemen, maar de voor vorst Ferdinand en de Boelgaarsche regeering zeer gunstige houding van Oostenrijk, dat altijd den Russischen invloed op den Balkan tegenging, weerhield Alexander III van feitelijke inmenging. Het heeft echter nog jaren geduurd, vóórdat Ruslandden nieuwen staat van zaken erkend heeft. Dit is eerst mogelijk geworden na de vermoording van Stamboelow, die in 1895 als slachtoffer van zijne heerschzucht viel. De toenadering had plaats onder keizer Nicolaas II, die in 1896 als peet van Ferdinand’s zoon Boris, opgevoed in de Grieksch-Katholieke kerk, optrad. Dat was de officieele verzoening en spoedig daarna werd Ferdinand in zijne dubbele kwaliteit als vorst van Boelgarije en gouverneur-generaal van Roemelië door de Porte en door alle mogendheden erkend.
Nu Oost-Roemelië feitelijk met Boelgarije vereenigd was, sprak het van zelf, dat ook bij de Macedoniërs de wensch naar bevrijding te sterker werd. Het uitblijven van de noodige hervormingen heeft ook hun een gereede aanleiding verschaft om op te staan, maar de kwestie werd hier bijzonder moeilijk. Macedonië heeft een zeer gemengde bevolking; er is geen sprake van één volk, dat naar vrijheid streeft, men heeft hier rekening te houden met verscheidene nationaliteiten: Boelgaren, Grieken en Serviërs, waarbij dan nog een groot aantal Turken komen. Wat moest er met Macedonië gebeuren, als het van het Turksche gezag bevrijd werd? Moest het een zelfstandige staat vormen? Maar daarvóór was het niet genoeg één natie. Moest het Boelgaarsch worden? Maar dit wilden de Grieken en de Serviërs niet. Macedonië werd het terrein, waar de rivaliteit der Balkan-staten onderling, die alle groote begeerten hadden in herinnering aan vroegere idealen, zich openbaarde. De Porte maakte er van gebruik hen tegen elkander uit te spelen door er dan de één en dan de ander voordeelen, bep. op kerkelijk gebied, te verleenen. De Macedoniërs trachtten tevergeefs een eigen bestaan als staat te verwerven. Hunne organisatie hiertoe werd door Turkije vernietigd. Toen kwam het tot meerdere opstanden en veel strijd, waarin tevens de Balkanvolkeren feitelijk elkander bevochten. In 1903 werd de crisis zeer acuut. De steun, dien de opstandelingen ontvingen uit Boelgarije, scheen een oorlog tusschen dit land en Turkije ten gevolge te zullen hebben. Toen kon men hooren, dat Griekenland neiging toonde Turkije te gaan ondersteunen tegen de Bulgaren, natuurlijk niet uit pure liefde voor de Porte! Het kwam echter niet tot openlijken oorlog. De mogendheden gaven duidelijk genoeg te kennen, dat zij niet van zins waren zich met geweld in dit wespennest te steken. Zij, bep. Oostenrijk en Rusland, ditmaal broederlijk samengaand, sloegen den reeds zoo vaak gebruikten weg in en boden den sultan een programma van hervormingen aan, welke stap ondersteund werd door de andere mogendheden. De Porte nam dit programma aan, Boelgarije stelde er zich voorloopig tevreden mede en ging afzonderlijk met den sultan een overeenkomst aan over het terugbrengen van groote aantallen Macedonische vluchtelingen uit Boelgarije naar hun land. Er werd o.a. een gendarmerie onder een Europeesch officier en onder toezicht der mogendheden ingesteld tot handhaving der orde. Men hoopte op een dergelijken toestandals op Kreta, maar kwam hier bedrogen uit. De onderlinge bestrijding der Balkan-volkeren in Macedonië duurde voort, werd eigenlijk al erger. En de mogendheden lieten het verder begaan evenals Turkije. Men zou zoo denken, dat deze zaak Turkije buitengewoon ter harte moest gaan, want, verloor het op de een of andere manier Macedonië, dan bleef van het gebied in Europa maar heel weinig over en bovendien werd dit gebied dan in twee niet aan elkander grenzende helften verdeeld! De gelijkenis werd al grooter met den omvang, dien het Grieksche rijk in den laatsten tijd van zijn bestaan had. Een bedenkelijk verschijnsel, maar dat de regeering van Abdoel-Hamid niet tot flink ingrijpen bracht. Het is uiterst merkwaardig, hoe lijdelijk deze sultan zag gebeuren, wat er om hem heen voorviel. Zeker, hij was, zegt men, een meester in de kunst der diplomatie, hij wist van de oneenigheden der groote mogendheden en der Balkanstaten een handig gebruik te maken. Maar hiermede redde hij zijn land niet. Hij hield zich krampachtig vast aan het absolutistisch régime, dat hij van meet af had begunstigd. Onder zijne regeering had de hervormingspartij niets te verwachten. De geest, die een oogenblik gevaren was in het bestuur ten tijde van Fuad-pacha en Ali-pacha, vervloog geheel. De op hervormingen beluste partij deed zich wel eenigszins krachtiger gelden, maar werd op de geniepigste wijze vervuld. Meer en meer deed Abdoel-Hamid zich kennen als een argwanend en listig despoot, die van zijne onderdanen sterk vervreemdde. Het is voor ons, Westerlingen, haast onbegrijpelijk, dat men den man zoo lang heeft laten begaan. Het Turksche volk is wel zeer apatisch en het stelt de persoon van zijn heerscher wel bizonder hoog!
De teekenen der tijden waren overigens zoo duidelijk. Niet alleen in Europa, ook daar buiten brokkelde het rijk af of dreigde dit te doen. Van het gebied in Afrika en Azië was in den loop der negentiende eeuw heel wat afgevallen. Algiers werd een Fransche kolonie (1838), Tunis nam een Fransch protectoraat aan (1881). Dit verlies is wel zoo heel groot niet, omdat die beide landen evenals Tripoli zich nooit veel om het gezag van den sultan bekommerd hadden. Maar anders was éénmaal het geval in Egypte en ook dit land, dat reeds onder Mehemet-Ali een groote mate van zelfstandigheid gekregen had, ontsnapte, sedert Engeland in binnenlandsche ongeregeldheden een aanleiding vond het te bezetten (1822), geheel aan de Turksche heerschappij. De Engelsche “occupatie” heette tijdelijk, een Europeesche commissie kreeg toezicht op het financieel beheer, maar niemand heeft verwacht, dat Engeland met zijn voortdurend aanwassende belangen in Egypte en in geheel Afrika het Nijldal ooit weêr zou ontruimen. In Azië heeft Rusland de Turken in het Kaukasusgebied en in Armenië een heel eind teruggedreven, maar elders staat de Turksche heerschappij in Azië nog uiterlijk ongeschonden. Zal dit nog lang duren? Er is ééne kwestie, de Armenische, die in Klein-Azië voortdurend de rust bedreigt.Op schandelijke wijze zijn de Roomsch-Katholieke Armeniërs meermalen, v.n. in 1894–1896, door de Turken mishandeld; de tooneelen, die in Boelgarije zoo sterk de aandacht van geheel Europa trokken, werden hier herhaaldelijk vertoond; duizenden Armeniërs werden door Circassiërs en Koerden vermoord. Herhaaldelijk werd de Porte aangespoord deze gruwzame vervolging te staken. Te Berlijn was in 1878 ook deze kwestie ter sprake gebracht en Turkije legde heel gewillig beloften tot verbetering af. Het bleek echter spoedig, dat, wilde men iets bereiken, ook hier een andere weg zou moeten worden ingeslagen. De groote moeilijkheid was: welke? Van hun naasten beschermer, Rusland, waren de Armeniërs, als Roomsch-Katholieken, bitter weinig gediend; de ondervinding, door die Armeniërs opgedaan, die onderdanen zijn geworden van den Russischen keizer, schijnt weinig bemoedigend. Dan maar Amerikaansch, denken de Armeniërs, die, ook bewerkt door Amerikaansche zendelingen, eenige jaren geleden werkelijk neiging vertoonden de Amerikaansche nationaliteit aan te nemen. Het sprak van zelf, dat de Porte dit trachtte tegen te werken, en dien ten gevolge ontstonden zelfs enkele malen kleine verwikkelingen tusschen de groote Republiek aan de overzijde van den Oceaan en Turkije; in 1904 vertoonde een Amerikaansch eskader, in naam om een schuldeischerskwestie, zooals verschillende mogendheden die bij de slecht van geld voorziene Porte meermalen hebben, de vlag van de Republiek in de haven van Smyrna. Verdere gevolgen heeft dit echter niet gehad. Maar evenmin hebben de Europeesche mogendheden deze aangelegenheid definitief kunnen regelen.
In het begin der 20ste eeuw wordt het beeld van den “zieken man” al meer geaccentueerd. Overal verval, overal ontbinding. In den Balkan zelf lieten zich enkele stemmen hooren, dat de Balkan-staten van Christelijken huize zich moesten aaneensluiten, om aan het lijden een einde te maken. Rusland begon zich na de zware nederlaag, die het in den oorlog met Japan van 1904–1905 in Oost-Azië geleden had, ten gevolge waarvan het zich wat uit de Aziatische Zaken terugtrok, opnieuw, in sterkere mate dan het na 1878 gedaan had, met den Balkan te bemoeien, natuurlijk niet in voor Turkije gunstigen zin. Op een beschermen bij een ernstige crisis kon de sultan niet meer zooals vroeger hopen. Dit was een gevolg van de veranderde Europeesche politieke verhoudingen. Deze hadden na het uiteenvallen van den driekeizersbond, gevolg van de anti-Russische houding van Duitschland en Oostenrijk beide op het congres van Berlijn, geleid tot de vorming van een drievoudig verbond van de twee laatstgenoemde landen en Italië eenerzijds en het tweevoudig verbond van Rusland en Frankrijk anderzijds, terwijl Engeland zich, uit vrees voor het vooral in economisch opzicht steeds sterker wordende Duitschland, bij de twee laatste mogendheden aansloot (de entente). Het haast noodzakelijk gevolg van dezeEngelsch-Fransch-Russische entente was, dat verwacht mocht worden, dat Turkije door Engeland niet meer beschermd zou worden. Wel bleef voor Oostenrijk-Hongarije alle reden bestaan voor het behoud van den status quo te ijveren, terwijl Duitschland, niet alleen als bondgenoot van dit land, maar ook om de belangen, die het zelf in het Oosten begon te krijgen, neiging vertoonde den Sultan de hand boven het hoofd te houden. Keizer Wilhelm II wijdde door zijne reis naar Zuid-Oost-Europa en Syrië in 1900, een op zich zelf eenig verschijnsel, deze politiek als het ware in. De concessie voor den belangrijken spoorweg door Klein-Azië naar Bagdad aan een Duitsch syndicaat werd er stellig door bevorderd. Deze en andere economische voordeelen, aan Duitschers in Klein-Azië verleend, werkten ook weêr de zich overal openbarende tegenstelling van Duitschland en Engeland in de hand. Toch mocht niet met zekerheid verwacht worden, dat Turkije aan Oostenrijk en Duitschland zoo goede helpers zou hebben, als het in den Krimoorlog aan Engeland en Frankrijk gehad had. Het blijkt volstrekt niet, dat Abdoel-Hamid II zich van de veranderde omstandigheden iets aantrok en daarnaar zijne maatregelen nam. Trouwens, ten opzichte van den Balkan deden de geschillen tusschen de beide groepen van Europeesche mogendheden zich eerst niet zoo heel sterk gevoelen. In Macedonië, op Kreta werkten ze zelfs taliter qualiter samen.
Evenmin als ten opzichte van Turkije manifesteerde zich in den aanvang der 20ste eeuw duidelijk een verschillende politiek der beide groepen van mogendheden ten opzichte van de overige Balkan-staten. Wel waren Oostenrijk en Servië op den duur van elkander vervreemd, v.n. onder de regeering van koning Peter uit het geslacht der Karageorges, dat ná den moord op den laatsten der Obrenowitch, koning Alexander, en diens gemalin, koningin Draga (1903), opnieuw aan de regeering gekomen was. Servië en Rusland, dat van ouds in Montenegro een trouwen bondgenoot had, naderden daarentegen tot elkander. In het eerste land ontstond de hoop, dat de Serviërs in Bosnië en Herzegowina nog eenmaal van Oostenrijk bevrijd zouden worden; een groot-Servisch rijk zou misschien met Russische hulp kunnen ontstaan. Voor Oostenrijk beteekende dit een groot gevaar, want een groot-Servisch rijk, dat zich wellicht tot de Adriatische Zee zou gaan uitbreiden, zou het in het Zuiden op zeer ernstige wijze bedreigen. Roemenië was na 1878 vrij sterk tegen Rusland ingenomen en had met Oostenrijk een verbond gesloten. Van Bulgarije mocht men, nu Servië den Russischen kant opging, verwachten, dat het zich eer bij Oostenrijk zou aansluiten. Ook dit alles ging buiten de Turksche regeering om, die—om Macedonië—Bulgarije misschien het allerslechtst gezind was, zonder dat het daarom op vriendschappelijken voet met de andere staten stond.
“Drijvend” mag men het Turksche rijk in Europa, als een schip zonder zeilen of riemen en roer noemen. Eén duw, één groote crisis—en het ware gedaan geweest. Maar daarvóór kwameen revolutie in het rijk zelf, waarvan men ook nu nog niet kan zeggen, of zij het dreigend gevaar voor ondergang heeft voorkomen. Hebben de Jong-Turken—want hun opstand van 1908 bedoelen wij—de kracht gevonden het verval te beëindigen? De zeer gecompliceerde geschiedenis na 1908 tot nu geeft nog geen recht deze vraag ontkennend of bevestigend te beantwoorden. Wij vertellen deze geschiedenis, blijvend binnen ons korte bestek, het best is een aanhangsel, het aan de toekomst overlatend te beslissen, of dit aanhangsel nog moet worden ingelascht bij ons lange hoofdstuk over het verval van het Turksche rijk dan wel of het het begin moet worden van een nieuw hoofdstuk, waaraan pas later een titel gegeven kan worden.