GGabriël, zieEngel.Gadeslaan, Ra’ina,IV,49, n.Gebed (Het)X,89.—II,109,136en volg.239;IV,46;V. 8;VII,204;XI,116;XVII,80en volg.;XXIX,44;L,39.—In den oorlog,IV,102–104.—Verzen, die daartoe kunnen dienen,II,286;III,181–192.—Der Mahomedanen,IV,103, n.—Der Joden, 286, n.—zieNamiddag.Gebod aan de vrouwen,XXIV,31.—Hare kleeding, ald.Geboorte van eene dochter door de Arabieren als een ongeval beschouwd.XVI,59, n.Gedachte aan God,IV,141.Gedeelte der hel, zieAl Hotama.Gedrag der vrouwen tijdens de afwezigheid harer mannen,IV,38.—Omtrent de vrouwen van den profeet,XXXIII,53.Geest (De) is op Gods bevel geschapen, door het woord Kun,XVII,87.—God bracht dien met zijn woord in Maria over,IV,169.—Heiligheid of de Heilige Geest,II,81.—Wat hij is, volgens den Koran,II,254;XVI,104.—ZieHeilige.Geldstukken, zieTwist.Geld terugnemen van vrouwen,IV,24.Geleide,IX,6, n.Geloof,XLIX,14, n.—Aan afgoden,IV,54.—Aan den jongsten dag,IX,29.—Aan Gods teekens.VI,118.—En goede werken,XIV,28;XVI,99;XVIII,29.—En loochening van het boek den geloovigen gezonden,III,65.Geloofsgeschillen, zieTwisten.Geloovigen, zieMozes.—ZieOorlogskamp.Geloovigen,II,269en volg.III,106.—V,73, n.—XI,31.—IX,72;XXXII,15en volg.;XXXIII,21,36;XLIX,14.—Bevrijden,IV,94.—Dooden,IV,94.—Moeten slechts voor de hunnen vriendschap koesteren,III,124.Geluk der ongeloovigen, zieBedriegelijk.Gelukspel, Al Meizer.II,216.Gelukzaligen (De),III,103en volg.;VII,40–42;X,26,27;XI,110;XV,45en volg.;XVIII,107,103;XXI,101en volg.XXII,23,24;XXV,27;XXXI,7,8;XXXII,15,16;XXXV,29en volg.;XXXVI,54en volg.;XXXIX,70,73en volg.;XLIV,51en volg.;XLVII,8,13,16en volg.;LII,17en volg.;LV,46en volg.;LXIX,19en volg.;LXXVI,5en volg.;LXXVII,41en volg.;LXXVIII,31en volg.;LXXXIII,21en volg.;LXXXVIII,8en volg.Gelukzaligheid, zieThojeba.Gelijkenissen, vergelijkingen, die men in den Koran ontmoet,II,16,18en volg.166,263,266–268;III,113;VII,38;X,25;XI,26;XIII,18;XIV,20en volg.;29en volg.;XVI,76en volg.;94;XVIII(die der beide tuinen),31–42;XXII,72;XXIV,34(die van Gods licht),35,39en volg.;XXX,27;XXXIX,30;LVII,19;LIX,21;LXIII,4;LXVII,22;LXVIII,17en volg.Gember, zieZendjebil.Gemengde huwelijken,V,7, n.Geniussen (De),VI,100,128,130;XVIII,48;XLI,24,29;—Zij zijn van vuur geschapen,XV,27;LV,14.—Zij zijn aandebevelen van Salomo onderworpen,XXVII,39;XXXVIII,36.—Zij luisteren naar den Koran en bewonderen dien,XLVI,28en volg.LXXII,1en volg.—Zij luisteren naar hetgeen in den hemel voorvalt,XV,17en 18;XXVI,212. Zie verderDuivels.Genius, zieIfrit.Genoegens genieten,V70.Genot, zieIJdel.Gepaste taalvoering,IV,10, n.Geschenken aan het volk van Mozes,V,23.Geschiedenis,XXVIII, bl.419, n.Geschillen beslechten,V,46. n.Geschil voor God brengen,IV,62.Gesprek met de afgodendienaars,XVII,56.Getrouwheid aan de overeenkomsten,IX,5.Getuigenis,II,282;IV,134:V,11.—V,105.—LXXXV,3.—Afleggen,VI,19.—Van een lid van Potiphars gezinXII,26.Getuigen tegen Joden en Christenen op den dag der opstandingIV,157.Gevangenen te Bedr,VIII,69.Gezanten,VI,61.—X,75.—XI,72.Gezichtseinder, zieZon.Gierigaards (De), hunne straffen in de hel,IX,34,35;LVII,24.—God bemint hen niet,IV,40,41.Gierigheid (De) veroordeeld,XLVII,40.God met een groote G, beteekenis daarvan,XX,7, n.—Straft hen, die niet naar Noachs prediking hebben geluisterd,LXXI,11, n.—Heeft eene rustplaats voor u geschapen.VI,98.—Eenig Allah,II,256;XX,7,14.—Zijne namen, 99 in getal,VII,179.—Hij heeft de schoonste namen,XVII,110.—Eenige zijner namen,LIX,23,24.—Zijne alwetendheid,VI,38,59;LVIII,2,4,7,8,12,14.—SchepperVI,95en volg.—Heeft alles geschapen, zonder de minste vermoeienis te gevoelen,L,37.—Zijne macht,II,111,159;VI,95en volg.;XVI,10,39en volg:XXII,62–65;XXIV,43,44;XXV,47–53,55en volg.;XXVII,61–66,89,XXVIII,70–75;XXX,18en volg;XXXI,9;XXXV,10–14;XXXVI,33–44.XXXIX,21,22;L,6en volg.;LI,47–60;LIII,41en volg;LIV,49en volg.;LVI,57en volg.;LVII,1–6;LVIII,6en volg.;LIX,21;LXVII, geheel;LXXIX,27en volg.;LXXXV,12en volg.;LXXXVI,1–8.—Hij is het licht,XXIV,25.—Alles tracht hem te verheerlijken,XIII,14–16:XVII,46;XXIV,41.—Hij is volmaakt in zijne werken,LXVII. 3.—Hij zorgt voor iedereen,XXIX,60en volg.—Hij heeft in alles voorzien,XV,19en volg.—Hij schenkt zijne gaven aan wien Hij wil,XVII,21–32.—Zijne woorden falen niet,XVIII,109.—Zijne werken ten nutte van den mensch zijn ontelbaar,XXXI,28en volg.—Hij kan zich wreken,III,3;V,96;XIV,48.—Hij heeft geene kinderen; dit te denken, zou eene godslastering zijn.II,110;IV,169;VI,100,101;XIX,36;XXI,26;XXXVII,149;XXXIX,6;LXXII,3.—Hij is onveranderlijk in zijne geboden.XLVIII,23.—Hij heeft alle wezens geschapen, opdatzij hem zullen aanbidden,LI,56.—Hij vertoont zich aan niemand, wie het ook zij.VII,139.—Hoe Hij tot den mensch spreekt, en zich aan hem openbaart,XLII,50,51.—Hij doet dwalen en richt ook wien hij wilXXXV,9,XIV4;XVI,95.—Hij zelf doet de boozen dwalen,XIII,30.—Zijne besluiten,XIV,4,32.—Hij had alle menschen denzelfden godsdienst kunnen doen belijden,V,53;XVI,95.—Hij zelf duldt de ongeloovigheid en de ongeloovigen,VI,35.—Hij heeft een groot aantal geniussen en menschen voor de hel geschapen,VII,178.—Hij zelf bewerkt, dat de grooten en de rijken van Mekka de meest schuldigen zijn,VI,123, n.—Hij zelf heeft het verschil van stand en de dienstbaarheid onder de menschen gevestigd,XLIII,31.—Het goede komt van Hem: het kwade komt van den menschIV,81.—Hij is de schepper van goede en slechte daden,XCI,8.—Hij houdt den mensch door den mensch binnen de grenzen,II,252;XXII,41. ZiemenschenTheodicea.—De barmhartige,VI,103.—Heeft koningen gegeven.V,23.—Is eenig,IV,169.—Is een voldoende beschermer,IV,169.—Komen de schoonste namen toe,VII,179.—Is alwetend,VI,80.—Diens dagen,XLV,13.—Gebiedt niet engelen of profeten als meesters te nemen,III,74.—Zweert bij de vijg en den olijf,XCV,1.—Neemt Maria met welgevallen aan,III,32.—Brengt het leven uit den dood voort,III,26;VI,95.—Op bepaalde dagen gedenken,II,199.—Zendt den slaapIII,148.—Kan, als het hem behaagt, de openbaringen uit Mahomets hart wisschen,XLII,23, n.—Heeft nimmer tot een mensch het woord gericht,XLII,50, n.—Behoeft den dienst van een schepsel niet,IV,131.—Deelt niemand zijne geheimen mede, behalve den gezant, in wien hij behagen schept,LXXII,27.—Zal den man eene vrouw doen vinden,IV,129, n.—Op zichtbare wijze zien,IV,152.—Vreezen.V,4;VI,68.—Aankleven,III,98.—Wacht berouw af,II,157, n.—Laat het oorlogsvuur blusschen,V,69.—Zendt wind en regen,VII,55.—Bemint de zondagen met.VII,53.—Zendt manna en kwakkels neder,II,54,VII,160.—Zendt tegenspoed,VII,128.—Kent uw geloof,IV,22.—Maakt zijne geheimen niet bekend,III,174.—Is de eeuwige, de verhevene, de machtige,II,256.—Wil Jezus doen sterven,III,48.—Zendt kleederenVII,25.—Schenkt de roeden om de wonderen in Egypte en de woestijn te verrichten,VII,83, n.—Spreekt met Mozes van aangezicht tot aangezicht,VII,139.Goddeloozen, het oordeel omtrent hen verdeeld,IV,90.Goddelijke gunst,III,148, n.—Openbaring, zieGabriël.—Rechtvaardigheid,II,286;IV,107, n.;VI,110,111,112,115,132,161;VII,28,178,179;XVI,38,39;XVIII,64en volg.;XXI,36;XXIV21,23en volg;XXXIII,71en volg.;XXXV,19;XXXIX,12;XLVI,17;LIII,33,41en volg.—Verlof,XXXIV,22, n.Godheden der afgodendienaars, men moet die niet beschimpen,VI,108.—Zij zullen zelf de afgodendienaars verloochenen,XXV,18en volg. ZieAfgoden.Afgoderij.Gods aangezicht te zien,II,274.—Afgezanten.VI,130, n.—Alwetendheid,L,17, n. Antwoord aan Abraham,II,262. ZieAbrahams vraag.—Besluiten,XXXII,4, n.—Bestraffing,XVI,28.—Bevel om zich bij het gebed met de schoonste kleederen te tooien,VIII,29.—Boek,XXX56, zieBewakers.Godsdienst,X,20;XXXVIII,6, n.Godsdienst (De) kent geen dwang,II,257.Godsdienstgrenzen,V,81.—Overschrijden,IV,169.Godsdienstoefening, bijna gestoord door eene aankomende karavaan,LXII,11, n.Godsdienstplichten, zieDavid.Godsdienstvolmaking,V,5.Gods dochters,XVI,59, zieAanbidding.—Gebod,II,103.—Genade in ongetrouwheid veranderd,XIV,33.—GeschenkenVII,48.—Gezant,VII,157;X,2, n.—Giften aan David,II,252.—Gunsten.XIV,5.—Eenheid,XXI,25;XXIII,73, n.;XXX,34;XLIII,86;CXII, blz. 631. n.; zieTwist.—Handeling met trotsche en ondankbare menschen,VII,97, n.—Handelwijze,VI,131.—Hoede over de dieren,VI,38, n.—Makkers,VI,94. ZieValsche goden.—Naam herdenken,V,6.—Naam bij eten herdacht,VI,118.—Onderricht,IV,113.—Ondersteuning,III,148;XIV,18.—Oog overal,II,109.—Schepping veranderen,IV,118.—Straf,VI,47.—Teekens, zieGeloof.—Troon,II,256.—Verbod,VI,152.—Vereering,III,57.—Verontwaardiging zal over de aanbidders van het kalf komen,VII,151.—Vloek over de leugenaars ingeroepen,III,54.—Vonnissen, zieDag.—Voorbeschikkingen, volzinnen, die billijken daaraan te gelooven,III,148;VI,35;XVI,38,39;XXXII,13;XXXIII,38;XXXV,9;XXXVI,6en volg.;LIII,33en volg.;LVII,22.—Voorschriften, zieAfdwaling.—Weg,II,149.—Wet,XXXIII,72, n.—WoordIV,169.—Woord veranderd,XLVIII,15.—Woorden kunnen door geen sterveling veranderd worden,VI,115.—Zendelingen,VI,124.Godvreezendheid,II,179.Godvruchtige mannen, vijf in getal, die vóór Noach hebben bestaan,LXXI,22en 23, n.Goede daden gaan niet verloren,III,193.Goede dingen,V,6.Goede (Het) doen, bij het leven verdienstelijker dan bij den dood of uitersten wil,LXXIII,20n.Goede handelingen,VI,159.Goederen (In bewaring gegeven),IV,61;LXX,32,35.Gog en Magog, volk zonder kleedingen of woningen,XIX,89. ZieYajoejenMajoej.Goliath, zieJalut.Gouden (Het) kalf,II,48,51,86,87;IV,152;VII,146;XX,90.Gouden kalf, zieAanleiding.Gouden versierselen,XLIII, bl.515n.32,34.Goudstukken teruggeven,III,68.Grensscheiding, zieLotusboom.Grenzen door God gesteldII,183.Grieken (De),XXX, bl.435n.—Zij worden door de Perzen overwonnen,1.—Land waar die overwinning plaats vond,2.Groet, begroetingen, beleefdheid,IV,88.—Bij het binnentreden der huizen,XXIV,61.Grondige kennis bezitten,IV,160.Grondgebied,XC,1en volg.—Der zekerheid,XCV,3.Grondslag, zieRawasiya.Grondzuilen des boeks,III,5.
GGabriël, zieEngel.Gadeslaan, Ra’ina,IV,49, n.Gebed (Het)X,89.—II,109,136en volg.239;IV,46;V. 8;VII,204;XI,116;XVII,80en volg.;XXIX,44;L,39.—In den oorlog,IV,102–104.—Verzen, die daartoe kunnen dienen,II,286;III,181–192.—Der Mahomedanen,IV,103, n.—Der Joden, 286, n.—zieNamiddag.Gebod aan de vrouwen,XXIV,31.—Hare kleeding, ald.Geboorte van eene dochter door de Arabieren als een ongeval beschouwd.XVI,59, n.Gedachte aan God,IV,141.Gedeelte der hel, zieAl Hotama.Gedrag der vrouwen tijdens de afwezigheid harer mannen,IV,38.—Omtrent de vrouwen van den profeet,XXXIII,53.Geest (De) is op Gods bevel geschapen, door het woord Kun,XVII,87.—God bracht dien met zijn woord in Maria over,IV,169.—Heiligheid of de Heilige Geest,II,81.—Wat hij is, volgens den Koran,II,254;XVI,104.—ZieHeilige.Geldstukken, zieTwist.Geld terugnemen van vrouwen,IV,24.Geleide,IX,6, n.Geloof,XLIX,14, n.—Aan afgoden,IV,54.—Aan den jongsten dag,IX,29.—Aan Gods teekens.VI,118.—En goede werken,XIV,28;XVI,99;XVIII,29.—En loochening van het boek den geloovigen gezonden,III,65.Geloofsgeschillen, zieTwisten.Geloovigen, zieMozes.—ZieOorlogskamp.Geloovigen,II,269en volg.III,106.—V,73, n.—XI,31.—IX,72;XXXII,15en volg.;XXXIII,21,36;XLIX,14.—Bevrijden,IV,94.—Dooden,IV,94.—Moeten slechts voor de hunnen vriendschap koesteren,III,124.Geluk der ongeloovigen, zieBedriegelijk.Gelukspel, Al Meizer.II,216.Gelukzaligen (De),III,103en volg.;VII,40–42;X,26,27;XI,110;XV,45en volg.;XVIII,107,103;XXI,101en volg.XXII,23,24;XXV,27;XXXI,7,8;XXXII,15,16;XXXV,29en volg.;XXXVI,54en volg.;XXXIX,70,73en volg.;XLIV,51en volg.;XLVII,8,13,16en volg.;LII,17en volg.;LV,46en volg.;LXIX,19en volg.;LXXVI,5en volg.;LXXVII,41en volg.;LXXVIII,31en volg.;LXXXIII,21en volg.;LXXXVIII,8en volg.Gelukzaligheid, zieThojeba.Gelijkenissen, vergelijkingen, die men in den Koran ontmoet,II,16,18en volg.166,263,266–268;III,113;VII,38;X,25;XI,26;XIII,18;XIV,20en volg.;29en volg.;XVI,76en volg.;94;XVIII(die der beide tuinen),31–42;XXII,72;XXIV,34(die van Gods licht),35,39en volg.;XXX,27;XXXIX,30;LVII,19;LIX,21;LXIII,4;LXVII,22;LXVIII,17en volg.Gember, zieZendjebil.Gemengde huwelijken,V,7, n.Geniussen (De),VI,100,128,130;XVIII,48;XLI,24,29;—Zij zijn van vuur geschapen,XV,27;LV,14.—Zij zijn aandebevelen van Salomo onderworpen,XXVII,39;XXXVIII,36.—Zij luisteren naar den Koran en bewonderen dien,XLVI,28en volg.LXXII,1en volg.—Zij luisteren naar hetgeen in den hemel voorvalt,XV,17en 18;XXVI,212. Zie verderDuivels.Genius, zieIfrit.Genoegens genieten,V70.Genot, zieIJdel.Gepaste taalvoering,IV,10, n.Geschenken aan het volk van Mozes,V,23.Geschiedenis,XXVIII, bl.419, n.Geschillen beslechten,V,46. n.Geschil voor God brengen,IV,62.Gesprek met de afgodendienaars,XVII,56.Getrouwheid aan de overeenkomsten,IX,5.Getuigenis,II,282;IV,134:V,11.—V,105.—LXXXV,3.—Afleggen,VI,19.—Van een lid van Potiphars gezinXII,26.Getuigen tegen Joden en Christenen op den dag der opstandingIV,157.Gevangenen te Bedr,VIII,69.Gezanten,VI,61.—X,75.—XI,72.Gezichtseinder, zieZon.Gierigaards (De), hunne straffen in de hel,IX,34,35;LVII,24.—God bemint hen niet,IV,40,41.Gierigheid (De) veroordeeld,XLVII,40.God met een groote G, beteekenis daarvan,XX,7, n.—Straft hen, die niet naar Noachs prediking hebben geluisterd,LXXI,11, n.—Heeft eene rustplaats voor u geschapen.VI,98.—Eenig Allah,II,256;XX,7,14.—Zijne namen, 99 in getal,VII,179.—Hij heeft de schoonste namen,XVII,110.—Eenige zijner namen,LIX,23,24.—Zijne alwetendheid,VI,38,59;LVIII,2,4,7,8,12,14.—SchepperVI,95en volg.—Heeft alles geschapen, zonder de minste vermoeienis te gevoelen,L,37.—Zijne macht,II,111,159;VI,95en volg.;XVI,10,39en volg:XXII,62–65;XXIV,43,44;XXV,47–53,55en volg.;XXVII,61–66,89,XXVIII,70–75;XXX,18en volg;XXXI,9;XXXV,10–14;XXXVI,33–44.XXXIX,21,22;L,6en volg.;LI,47–60;LIII,41en volg;LIV,49en volg.;LVI,57en volg.;LVII,1–6;LVIII,6en volg.;LIX,21;LXVII, geheel;LXXIX,27en volg.;LXXXV,12en volg.;LXXXVI,1–8.—Hij is het licht,XXIV,25.—Alles tracht hem te verheerlijken,XIII,14–16:XVII,46;XXIV,41.—Hij is volmaakt in zijne werken,LXVII. 3.—Hij zorgt voor iedereen,XXIX,60en volg.—Hij heeft in alles voorzien,XV,19en volg.—Hij schenkt zijne gaven aan wien Hij wil,XVII,21–32.—Zijne woorden falen niet,XVIII,109.—Zijne werken ten nutte van den mensch zijn ontelbaar,XXXI,28en volg.—Hij kan zich wreken,III,3;V,96;XIV,48.—Hij heeft geene kinderen; dit te denken, zou eene godslastering zijn.II,110;IV,169;VI,100,101;XIX,36;XXI,26;XXXVII,149;XXXIX,6;LXXII,3.—Hij is onveranderlijk in zijne geboden.XLVIII,23.—Hij heeft alle wezens geschapen, opdatzij hem zullen aanbidden,LI,56.—Hij vertoont zich aan niemand, wie het ook zij.VII,139.—Hoe Hij tot den mensch spreekt, en zich aan hem openbaart,XLII,50,51.—Hij doet dwalen en richt ook wien hij wilXXXV,9,XIV4;XVI,95.—Hij zelf doet de boozen dwalen,XIII,30.—Zijne besluiten,XIV,4,32.—Hij had alle menschen denzelfden godsdienst kunnen doen belijden,V,53;XVI,95.—Hij zelf duldt de ongeloovigheid en de ongeloovigen,VI,35.—Hij heeft een groot aantal geniussen en menschen voor de hel geschapen,VII,178.—Hij zelf bewerkt, dat de grooten en de rijken van Mekka de meest schuldigen zijn,VI,123, n.—Hij zelf heeft het verschil van stand en de dienstbaarheid onder de menschen gevestigd,XLIII,31.—Het goede komt van Hem: het kwade komt van den menschIV,81.—Hij is de schepper van goede en slechte daden,XCI,8.—Hij houdt den mensch door den mensch binnen de grenzen,II,252;XXII,41. ZiemenschenTheodicea.—De barmhartige,VI,103.—Heeft koningen gegeven.V,23.—Is eenig,IV,169.—Is een voldoende beschermer,IV,169.—Komen de schoonste namen toe,VII,179.—Is alwetend,VI,80.—Diens dagen,XLV,13.—Gebiedt niet engelen of profeten als meesters te nemen,III,74.—Zweert bij de vijg en den olijf,XCV,1.—Neemt Maria met welgevallen aan,III,32.—Brengt het leven uit den dood voort,III,26;VI,95.—Op bepaalde dagen gedenken,II,199.—Zendt den slaapIII,148.—Kan, als het hem behaagt, de openbaringen uit Mahomets hart wisschen,XLII,23, n.—Heeft nimmer tot een mensch het woord gericht,XLII,50, n.—Behoeft den dienst van een schepsel niet,IV,131.—Deelt niemand zijne geheimen mede, behalve den gezant, in wien hij behagen schept,LXXII,27.—Zal den man eene vrouw doen vinden,IV,129, n.—Op zichtbare wijze zien,IV,152.—Vreezen.V,4;VI,68.—Aankleven,III,98.—Wacht berouw af,II,157, n.—Laat het oorlogsvuur blusschen,V,69.—Zendt wind en regen,VII,55.—Bemint de zondagen met.VII,53.—Zendt manna en kwakkels neder,II,54,VII,160.—Zendt tegenspoed,VII,128.—Kent uw geloof,IV,22.—Maakt zijne geheimen niet bekend,III,174.—Is de eeuwige, de verhevene, de machtige,II,256.—Wil Jezus doen sterven,III,48.—Zendt kleederenVII,25.—Schenkt de roeden om de wonderen in Egypte en de woestijn te verrichten,VII,83, n.—Spreekt met Mozes van aangezicht tot aangezicht,VII,139.Goddeloozen, het oordeel omtrent hen verdeeld,IV,90.Goddelijke gunst,III,148, n.—Openbaring, zieGabriël.—Rechtvaardigheid,II,286;IV,107, n.;VI,110,111,112,115,132,161;VII,28,178,179;XVI,38,39;XVIII,64en volg.;XXI,36;XXIV21,23en volg;XXXIII,71en volg.;XXXV,19;XXXIX,12;XLVI,17;LIII,33,41en volg.—Verlof,XXXIV,22, n.Godheden der afgodendienaars, men moet die niet beschimpen,VI,108.—Zij zullen zelf de afgodendienaars verloochenen,XXV,18en volg. ZieAfgoden.Afgoderij.Gods aangezicht te zien,II,274.—Afgezanten.VI,130, n.—Alwetendheid,L,17, n. Antwoord aan Abraham,II,262. ZieAbrahams vraag.—Besluiten,XXXII,4, n.—Bestraffing,XVI,28.—Bevel om zich bij het gebed met de schoonste kleederen te tooien,VIII,29.—Boek,XXX56, zieBewakers.Godsdienst,X,20;XXXVIII,6, n.Godsdienst (De) kent geen dwang,II,257.Godsdienstgrenzen,V,81.—Overschrijden,IV,169.Godsdienstoefening, bijna gestoord door eene aankomende karavaan,LXII,11, n.Godsdienstplichten, zieDavid.Godsdienstvolmaking,V,5.Gods dochters,XVI,59, zieAanbidding.—Gebod,II,103.—Genade in ongetrouwheid veranderd,XIV,33.—GeschenkenVII,48.—Gezant,VII,157;X,2, n.—Giften aan David,II,252.—Gunsten.XIV,5.—Eenheid,XXI,25;XXIII,73, n.;XXX,34;XLIII,86;CXII, blz. 631. n.; zieTwist.—Handeling met trotsche en ondankbare menschen,VII,97, n.—Handelwijze,VI,131.—Hoede over de dieren,VI,38, n.—Makkers,VI,94. ZieValsche goden.—Naam herdenken,V,6.—Naam bij eten herdacht,VI,118.—Onderricht,IV,113.—Ondersteuning,III,148;XIV,18.—Oog overal,II,109.—Schepping veranderen,IV,118.—Straf,VI,47.—Teekens, zieGeloof.—Troon,II,256.—Verbod,VI,152.—Vereering,III,57.—Verontwaardiging zal over de aanbidders van het kalf komen,VII,151.—Vloek over de leugenaars ingeroepen,III,54.—Vonnissen, zieDag.—Voorbeschikkingen, volzinnen, die billijken daaraan te gelooven,III,148;VI,35;XVI,38,39;XXXII,13;XXXIII,38;XXXV,9;XXXVI,6en volg.;LIII,33en volg.;LVII,22.—Voorschriften, zieAfdwaling.—Weg,II,149.—Wet,XXXIII,72, n.—WoordIV,169.—Woord veranderd,XLVIII,15.—Woorden kunnen door geen sterveling veranderd worden,VI,115.—Zendelingen,VI,124.Godvreezendheid,II,179.Godvruchtige mannen, vijf in getal, die vóór Noach hebben bestaan,LXXI,22en 23, n.Goede daden gaan niet verloren,III,193.Goede dingen,V,6.Goede (Het) doen, bij het leven verdienstelijker dan bij den dood of uitersten wil,LXXIII,20n.Goede handelingen,VI,159.Goederen (In bewaring gegeven),IV,61;LXX,32,35.Gog en Magog, volk zonder kleedingen of woningen,XIX,89. ZieYajoejenMajoej.Goliath, zieJalut.Gouden (Het) kalf,II,48,51,86,87;IV,152;VII,146;XX,90.Gouden kalf, zieAanleiding.Gouden versierselen,XLIII, bl.515n.32,34.Goudstukken teruggeven,III,68.Grensscheiding, zieLotusboom.Grenzen door God gesteldII,183.Grieken (De),XXX, bl.435n.—Zij worden door de Perzen overwonnen,1.—Land waar die overwinning plaats vond,2.Groet, begroetingen, beleefdheid,IV,88.—Bij het binnentreden der huizen,XXIV,61.Grondige kennis bezitten,IV,160.Grondgebied,XC,1en volg.—Der zekerheid,XCV,3.Grondslag, zieRawasiya.Grondzuilen des boeks,III,5.
GGabriël, zieEngel.Gadeslaan, Ra’ina,IV,49, n.Gebed (Het)X,89.—II,109,136en volg.239;IV,46;V. 8;VII,204;XI,116;XVII,80en volg.;XXIX,44;L,39.—In den oorlog,IV,102–104.—Verzen, die daartoe kunnen dienen,II,286;III,181–192.—Der Mahomedanen,IV,103, n.—Der Joden, 286, n.—zieNamiddag.Gebod aan de vrouwen,XXIV,31.—Hare kleeding, ald.Geboorte van eene dochter door de Arabieren als een ongeval beschouwd.XVI,59, n.Gedachte aan God,IV,141.Gedeelte der hel, zieAl Hotama.Gedrag der vrouwen tijdens de afwezigheid harer mannen,IV,38.—Omtrent de vrouwen van den profeet,XXXIII,53.Geest (De) is op Gods bevel geschapen, door het woord Kun,XVII,87.—God bracht dien met zijn woord in Maria over,IV,169.—Heiligheid of de Heilige Geest,II,81.—Wat hij is, volgens den Koran,II,254;XVI,104.—ZieHeilige.Geldstukken, zieTwist.Geld terugnemen van vrouwen,IV,24.Geleide,IX,6, n.Geloof,XLIX,14, n.—Aan afgoden,IV,54.—Aan den jongsten dag,IX,29.—Aan Gods teekens.VI,118.—En goede werken,XIV,28;XVI,99;XVIII,29.—En loochening van het boek den geloovigen gezonden,III,65.Geloofsgeschillen, zieTwisten.Geloovigen, zieMozes.—ZieOorlogskamp.Geloovigen,II,269en volg.III,106.—V,73, n.—XI,31.—IX,72;XXXII,15en volg.;XXXIII,21,36;XLIX,14.—Bevrijden,IV,94.—Dooden,IV,94.—Moeten slechts voor de hunnen vriendschap koesteren,III,124.Geluk der ongeloovigen, zieBedriegelijk.Gelukspel, Al Meizer.II,216.Gelukzaligen (De),III,103en volg.;VII,40–42;X,26,27;XI,110;XV,45en volg.;XVIII,107,103;XXI,101en volg.XXII,23,24;XXV,27;XXXI,7,8;XXXII,15,16;XXXV,29en volg.;XXXVI,54en volg.;XXXIX,70,73en volg.;XLIV,51en volg.;XLVII,8,13,16en volg.;LII,17en volg.;LV,46en volg.;LXIX,19en volg.;LXXVI,5en volg.;LXXVII,41en volg.;LXXVIII,31en volg.;LXXXIII,21en volg.;LXXXVIII,8en volg.Gelukzaligheid, zieThojeba.Gelijkenissen, vergelijkingen, die men in den Koran ontmoet,II,16,18en volg.166,263,266–268;III,113;VII,38;X,25;XI,26;XIII,18;XIV,20en volg.;29en volg.;XVI,76en volg.;94;XVIII(die der beide tuinen),31–42;XXII,72;XXIV,34(die van Gods licht),35,39en volg.;XXX,27;XXXIX,30;LVII,19;LIX,21;LXIII,4;LXVII,22;LXVIII,17en volg.Gember, zieZendjebil.Gemengde huwelijken,V,7, n.Geniussen (De),VI,100,128,130;XVIII,48;XLI,24,29;—Zij zijn van vuur geschapen,XV,27;LV,14.—Zij zijn aandebevelen van Salomo onderworpen,XXVII,39;XXXVIII,36.—Zij luisteren naar den Koran en bewonderen dien,XLVI,28en volg.LXXII,1en volg.—Zij luisteren naar hetgeen in den hemel voorvalt,XV,17en 18;XXVI,212. Zie verderDuivels.Genius, zieIfrit.Genoegens genieten,V70.Genot, zieIJdel.Gepaste taalvoering,IV,10, n.Geschenken aan het volk van Mozes,V,23.Geschiedenis,XXVIII, bl.419, n.Geschillen beslechten,V,46. n.Geschil voor God brengen,IV,62.Gesprek met de afgodendienaars,XVII,56.Getrouwheid aan de overeenkomsten,IX,5.Getuigenis,II,282;IV,134:V,11.—V,105.—LXXXV,3.—Afleggen,VI,19.—Van een lid van Potiphars gezinXII,26.Getuigen tegen Joden en Christenen op den dag der opstandingIV,157.Gevangenen te Bedr,VIII,69.Gezanten,VI,61.—X,75.—XI,72.Gezichtseinder, zieZon.Gierigaards (De), hunne straffen in de hel,IX,34,35;LVII,24.—God bemint hen niet,IV,40,41.Gierigheid (De) veroordeeld,XLVII,40.God met een groote G, beteekenis daarvan,XX,7, n.—Straft hen, die niet naar Noachs prediking hebben geluisterd,LXXI,11, n.—Heeft eene rustplaats voor u geschapen.VI,98.—Eenig Allah,II,256;XX,7,14.—Zijne namen, 99 in getal,VII,179.—Hij heeft de schoonste namen,XVII,110.—Eenige zijner namen,LIX,23,24.—Zijne alwetendheid,VI,38,59;LVIII,2,4,7,8,12,14.—SchepperVI,95en volg.—Heeft alles geschapen, zonder de minste vermoeienis te gevoelen,L,37.—Zijne macht,II,111,159;VI,95en volg.;XVI,10,39en volg:XXII,62–65;XXIV,43,44;XXV,47–53,55en volg.;XXVII,61–66,89,XXVIII,70–75;XXX,18en volg;XXXI,9;XXXV,10–14;XXXVI,33–44.XXXIX,21,22;L,6en volg.;LI,47–60;LIII,41en volg;LIV,49en volg.;LVI,57en volg.;LVII,1–6;LVIII,6en volg.;LIX,21;LXVII, geheel;LXXIX,27en volg.;LXXXV,12en volg.;LXXXVI,1–8.—Hij is het licht,XXIV,25.—Alles tracht hem te verheerlijken,XIII,14–16:XVII,46;XXIV,41.—Hij is volmaakt in zijne werken,LXVII. 3.—Hij zorgt voor iedereen,XXIX,60en volg.—Hij heeft in alles voorzien,XV,19en volg.—Hij schenkt zijne gaven aan wien Hij wil,XVII,21–32.—Zijne woorden falen niet,XVIII,109.—Zijne werken ten nutte van den mensch zijn ontelbaar,XXXI,28en volg.—Hij kan zich wreken,III,3;V,96;XIV,48.—Hij heeft geene kinderen; dit te denken, zou eene godslastering zijn.II,110;IV,169;VI,100,101;XIX,36;XXI,26;XXXVII,149;XXXIX,6;LXXII,3.—Hij is onveranderlijk in zijne geboden.XLVIII,23.—Hij heeft alle wezens geschapen, opdatzij hem zullen aanbidden,LI,56.—Hij vertoont zich aan niemand, wie het ook zij.VII,139.—Hoe Hij tot den mensch spreekt, en zich aan hem openbaart,XLII,50,51.—Hij doet dwalen en richt ook wien hij wilXXXV,9,XIV4;XVI,95.—Hij zelf doet de boozen dwalen,XIII,30.—Zijne besluiten,XIV,4,32.—Hij had alle menschen denzelfden godsdienst kunnen doen belijden,V,53;XVI,95.—Hij zelf duldt de ongeloovigheid en de ongeloovigen,VI,35.—Hij heeft een groot aantal geniussen en menschen voor de hel geschapen,VII,178.—Hij zelf bewerkt, dat de grooten en de rijken van Mekka de meest schuldigen zijn,VI,123, n.—Hij zelf heeft het verschil van stand en de dienstbaarheid onder de menschen gevestigd,XLIII,31.—Het goede komt van Hem: het kwade komt van den menschIV,81.—Hij is de schepper van goede en slechte daden,XCI,8.—Hij houdt den mensch door den mensch binnen de grenzen,II,252;XXII,41. ZiemenschenTheodicea.—De barmhartige,VI,103.—Heeft koningen gegeven.V,23.—Is eenig,IV,169.—Is een voldoende beschermer,IV,169.—Komen de schoonste namen toe,VII,179.—Is alwetend,VI,80.—Diens dagen,XLV,13.—Gebiedt niet engelen of profeten als meesters te nemen,III,74.—Zweert bij de vijg en den olijf,XCV,1.—Neemt Maria met welgevallen aan,III,32.—Brengt het leven uit den dood voort,III,26;VI,95.—Op bepaalde dagen gedenken,II,199.—Zendt den slaapIII,148.—Kan, als het hem behaagt, de openbaringen uit Mahomets hart wisschen,XLII,23, n.—Heeft nimmer tot een mensch het woord gericht,XLII,50, n.—Behoeft den dienst van een schepsel niet,IV,131.—Deelt niemand zijne geheimen mede, behalve den gezant, in wien hij behagen schept,LXXII,27.—Zal den man eene vrouw doen vinden,IV,129, n.—Op zichtbare wijze zien,IV,152.—Vreezen.V,4;VI,68.—Aankleven,III,98.—Wacht berouw af,II,157, n.—Laat het oorlogsvuur blusschen,V,69.—Zendt wind en regen,VII,55.—Bemint de zondagen met.VII,53.—Zendt manna en kwakkels neder,II,54,VII,160.—Zendt tegenspoed,VII,128.—Kent uw geloof,IV,22.—Maakt zijne geheimen niet bekend,III,174.—Is de eeuwige, de verhevene, de machtige,II,256.—Wil Jezus doen sterven,III,48.—Zendt kleederenVII,25.—Schenkt de roeden om de wonderen in Egypte en de woestijn te verrichten,VII,83, n.—Spreekt met Mozes van aangezicht tot aangezicht,VII,139.Goddeloozen, het oordeel omtrent hen verdeeld,IV,90.Goddelijke gunst,III,148, n.—Openbaring, zieGabriël.—Rechtvaardigheid,II,286;IV,107, n.;VI,110,111,112,115,132,161;VII,28,178,179;XVI,38,39;XVIII,64en volg.;XXI,36;XXIV21,23en volg;XXXIII,71en volg.;XXXV,19;XXXIX,12;XLVI,17;LIII,33,41en volg.—Verlof,XXXIV,22, n.Godheden der afgodendienaars, men moet die niet beschimpen,VI,108.—Zij zullen zelf de afgodendienaars verloochenen,XXV,18en volg. ZieAfgoden.Afgoderij.Gods aangezicht te zien,II,274.—Afgezanten.VI,130, n.—Alwetendheid,L,17, n. Antwoord aan Abraham,II,262. ZieAbrahams vraag.—Besluiten,XXXII,4, n.—Bestraffing,XVI,28.—Bevel om zich bij het gebed met de schoonste kleederen te tooien,VIII,29.—Boek,XXX56, zieBewakers.Godsdienst,X,20;XXXVIII,6, n.Godsdienst (De) kent geen dwang,II,257.Godsdienstgrenzen,V,81.—Overschrijden,IV,169.Godsdienstoefening, bijna gestoord door eene aankomende karavaan,LXII,11, n.Godsdienstplichten, zieDavid.Godsdienstvolmaking,V,5.Gods dochters,XVI,59, zieAanbidding.—Gebod,II,103.—Genade in ongetrouwheid veranderd,XIV,33.—GeschenkenVII,48.—Gezant,VII,157;X,2, n.—Giften aan David,II,252.—Gunsten.XIV,5.—Eenheid,XXI,25;XXIII,73, n.;XXX,34;XLIII,86;CXII, blz. 631. n.; zieTwist.—Handeling met trotsche en ondankbare menschen,VII,97, n.—Handelwijze,VI,131.—Hoede over de dieren,VI,38, n.—Makkers,VI,94. ZieValsche goden.—Naam herdenken,V,6.—Naam bij eten herdacht,VI,118.—Onderricht,IV,113.—Ondersteuning,III,148;XIV,18.—Oog overal,II,109.—Schepping veranderen,IV,118.—Straf,VI,47.—Teekens, zieGeloof.—Troon,II,256.—Verbod,VI,152.—Vereering,III,57.—Verontwaardiging zal over de aanbidders van het kalf komen,VII,151.—Vloek over de leugenaars ingeroepen,III,54.—Vonnissen, zieDag.—Voorbeschikkingen, volzinnen, die billijken daaraan te gelooven,III,148;VI,35;XVI,38,39;XXXII,13;XXXIII,38;XXXV,9;XXXVI,6en volg.;LIII,33en volg.;LVII,22.—Voorschriften, zieAfdwaling.—Weg,II,149.—Wet,XXXIII,72, n.—WoordIV,169.—Woord veranderd,XLVIII,15.—Woorden kunnen door geen sterveling veranderd worden,VI,115.—Zendelingen,VI,124.Godvreezendheid,II,179.Godvruchtige mannen, vijf in getal, die vóór Noach hebben bestaan,LXXI,22en 23, n.Goede daden gaan niet verloren,III,193.Goede dingen,V,6.Goede (Het) doen, bij het leven verdienstelijker dan bij den dood of uitersten wil,LXXIII,20n.Goede handelingen,VI,159.Goederen (In bewaring gegeven),IV,61;LXX,32,35.Gog en Magog, volk zonder kleedingen of woningen,XIX,89. ZieYajoejenMajoej.Goliath, zieJalut.Gouden (Het) kalf,II,48,51,86,87;IV,152;VII,146;XX,90.Gouden kalf, zieAanleiding.Gouden versierselen,XLIII, bl.515n.32,34.Goudstukken teruggeven,III,68.Grensscheiding, zieLotusboom.Grenzen door God gesteldII,183.Grieken (De),XXX, bl.435n.—Zij worden door de Perzen overwonnen,1.—Land waar die overwinning plaats vond,2.Groet, begroetingen, beleefdheid,IV,88.—Bij het binnentreden der huizen,XXIV,61.Grondige kennis bezitten,IV,160.Grondgebied,XC,1en volg.—Der zekerheid,XCV,3.Grondslag, zieRawasiya.Grondzuilen des boeks,III,5.
G
Gabriël, zieEngel.Gadeslaan, Ra’ina,IV,49, n.Gebed (Het)X,89.—II,109,136en volg.239;IV,46;V. 8;VII,204;XI,116;XVII,80en volg.;XXIX,44;L,39.—In den oorlog,IV,102–104.—Verzen, die daartoe kunnen dienen,II,286;III,181–192.—Der Mahomedanen,IV,103, n.—Der Joden, 286, n.—zieNamiddag.Gebod aan de vrouwen,XXIV,31.—Hare kleeding, ald.Geboorte van eene dochter door de Arabieren als een ongeval beschouwd.XVI,59, n.Gedachte aan God,IV,141.Gedeelte der hel, zieAl Hotama.Gedrag der vrouwen tijdens de afwezigheid harer mannen,IV,38.—Omtrent de vrouwen van den profeet,XXXIII,53.Geest (De) is op Gods bevel geschapen, door het woord Kun,XVII,87.—God bracht dien met zijn woord in Maria over,IV,169.—Heiligheid of de Heilige Geest,II,81.—Wat hij is, volgens den Koran,II,254;XVI,104.—ZieHeilige.Geldstukken, zieTwist.Geld terugnemen van vrouwen,IV,24.Geleide,IX,6, n.Geloof,XLIX,14, n.—Aan afgoden,IV,54.—Aan den jongsten dag,IX,29.—Aan Gods teekens.VI,118.—En goede werken,XIV,28;XVI,99;XVIII,29.—En loochening van het boek den geloovigen gezonden,III,65.Geloofsgeschillen, zieTwisten.Geloovigen, zieMozes.—ZieOorlogskamp.Geloovigen,II,269en volg.III,106.—V,73, n.—XI,31.—IX,72;XXXII,15en volg.;XXXIII,21,36;XLIX,14.—Bevrijden,IV,94.—Dooden,IV,94.—Moeten slechts voor de hunnen vriendschap koesteren,III,124.Geluk der ongeloovigen, zieBedriegelijk.Gelukspel, Al Meizer.II,216.Gelukzaligen (De),III,103en volg.;VII,40–42;X,26,27;XI,110;XV,45en volg.;XVIII,107,103;XXI,101en volg.XXII,23,24;XXV,27;XXXI,7,8;XXXII,15,16;XXXV,29en volg.;XXXVI,54en volg.;XXXIX,70,73en volg.;XLIV,51en volg.;XLVII,8,13,16en volg.;LII,17en volg.;LV,46en volg.;LXIX,19en volg.;LXXVI,5en volg.;LXXVII,41en volg.;LXXVIII,31en volg.;LXXXIII,21en volg.;LXXXVIII,8en volg.Gelukzaligheid, zieThojeba.Gelijkenissen, vergelijkingen, die men in den Koran ontmoet,II,16,18en volg.166,263,266–268;III,113;VII,38;X,25;XI,26;XIII,18;XIV,20en volg.;29en volg.;XVI,76en volg.;94;XVIII(die der beide tuinen),31–42;XXII,72;XXIV,34(die van Gods licht),35,39en volg.;XXX,27;XXXIX,30;LVII,19;LIX,21;LXIII,4;LXVII,22;LXVIII,17en volg.Gember, zieZendjebil.Gemengde huwelijken,V,7, n.Geniussen (De),VI,100,128,130;XVIII,48;XLI,24,29;—Zij zijn van vuur geschapen,XV,27;LV,14.—Zij zijn aandebevelen van Salomo onderworpen,XXVII,39;XXXVIII,36.—Zij luisteren naar den Koran en bewonderen dien,XLVI,28en volg.LXXII,1en volg.—Zij luisteren naar hetgeen in den hemel voorvalt,XV,17en 18;XXVI,212. Zie verderDuivels.Genius, zieIfrit.Genoegens genieten,V70.Genot, zieIJdel.Gepaste taalvoering,IV,10, n.Geschenken aan het volk van Mozes,V,23.Geschiedenis,XXVIII, bl.419, n.Geschillen beslechten,V,46. n.Geschil voor God brengen,IV,62.Gesprek met de afgodendienaars,XVII,56.Getrouwheid aan de overeenkomsten,IX,5.Getuigenis,II,282;IV,134:V,11.—V,105.—LXXXV,3.—Afleggen,VI,19.—Van een lid van Potiphars gezinXII,26.Getuigen tegen Joden en Christenen op den dag der opstandingIV,157.Gevangenen te Bedr,VIII,69.Gezanten,VI,61.—X,75.—XI,72.Gezichtseinder, zieZon.Gierigaards (De), hunne straffen in de hel,IX,34,35;LVII,24.—God bemint hen niet,IV,40,41.Gierigheid (De) veroordeeld,XLVII,40.God met een groote G, beteekenis daarvan,XX,7, n.—Straft hen, die niet naar Noachs prediking hebben geluisterd,LXXI,11, n.—Heeft eene rustplaats voor u geschapen.VI,98.—Eenig Allah,II,256;XX,7,14.—Zijne namen, 99 in getal,VII,179.—Hij heeft de schoonste namen,XVII,110.—Eenige zijner namen,LIX,23,24.—Zijne alwetendheid,VI,38,59;LVIII,2,4,7,8,12,14.—SchepperVI,95en volg.—Heeft alles geschapen, zonder de minste vermoeienis te gevoelen,L,37.—Zijne macht,II,111,159;VI,95en volg.;XVI,10,39en volg:XXII,62–65;XXIV,43,44;XXV,47–53,55en volg.;XXVII,61–66,89,XXVIII,70–75;XXX,18en volg;XXXI,9;XXXV,10–14;XXXVI,33–44.XXXIX,21,22;L,6en volg.;LI,47–60;LIII,41en volg;LIV,49en volg.;LVI,57en volg.;LVII,1–6;LVIII,6en volg.;LIX,21;LXVII, geheel;LXXIX,27en volg.;LXXXV,12en volg.;LXXXVI,1–8.—Hij is het licht,XXIV,25.—Alles tracht hem te verheerlijken,XIII,14–16:XVII,46;XXIV,41.—Hij is volmaakt in zijne werken,LXVII. 3.—Hij zorgt voor iedereen,XXIX,60en volg.—Hij heeft in alles voorzien,XV,19en volg.—Hij schenkt zijne gaven aan wien Hij wil,XVII,21–32.—Zijne woorden falen niet,XVIII,109.—Zijne werken ten nutte van den mensch zijn ontelbaar,XXXI,28en volg.—Hij kan zich wreken,III,3;V,96;XIV,48.—Hij heeft geene kinderen; dit te denken, zou eene godslastering zijn.II,110;IV,169;VI,100,101;XIX,36;XXI,26;XXXVII,149;XXXIX,6;LXXII,3.—Hij is onveranderlijk in zijne geboden.XLVIII,23.—Hij heeft alle wezens geschapen, opdatzij hem zullen aanbidden,LI,56.—Hij vertoont zich aan niemand, wie het ook zij.VII,139.—Hoe Hij tot den mensch spreekt, en zich aan hem openbaart,XLII,50,51.—Hij doet dwalen en richt ook wien hij wilXXXV,9,XIV4;XVI,95.—Hij zelf doet de boozen dwalen,XIII,30.—Zijne besluiten,XIV,4,32.—Hij had alle menschen denzelfden godsdienst kunnen doen belijden,V,53;XVI,95.—Hij zelf duldt de ongeloovigheid en de ongeloovigen,VI,35.—Hij heeft een groot aantal geniussen en menschen voor de hel geschapen,VII,178.—Hij zelf bewerkt, dat de grooten en de rijken van Mekka de meest schuldigen zijn,VI,123, n.—Hij zelf heeft het verschil van stand en de dienstbaarheid onder de menschen gevestigd,XLIII,31.—Het goede komt van Hem: het kwade komt van den menschIV,81.—Hij is de schepper van goede en slechte daden,XCI,8.—Hij houdt den mensch door den mensch binnen de grenzen,II,252;XXII,41. ZiemenschenTheodicea.—De barmhartige,VI,103.—Heeft koningen gegeven.V,23.—Is eenig,IV,169.—Is een voldoende beschermer,IV,169.—Komen de schoonste namen toe,VII,179.—Is alwetend,VI,80.—Diens dagen,XLV,13.—Gebiedt niet engelen of profeten als meesters te nemen,III,74.—Zweert bij de vijg en den olijf,XCV,1.—Neemt Maria met welgevallen aan,III,32.—Brengt het leven uit den dood voort,III,26;VI,95.—Op bepaalde dagen gedenken,II,199.—Zendt den slaapIII,148.—Kan, als het hem behaagt, de openbaringen uit Mahomets hart wisschen,XLII,23, n.—Heeft nimmer tot een mensch het woord gericht,XLII,50, n.—Behoeft den dienst van een schepsel niet,IV,131.—Deelt niemand zijne geheimen mede, behalve den gezant, in wien hij behagen schept,LXXII,27.—Zal den man eene vrouw doen vinden,IV,129, n.—Op zichtbare wijze zien,IV,152.—Vreezen.V,4;VI,68.—Aankleven,III,98.—Wacht berouw af,II,157, n.—Laat het oorlogsvuur blusschen,V,69.—Zendt wind en regen,VII,55.—Bemint de zondagen met.VII,53.—Zendt manna en kwakkels neder,II,54,VII,160.—Zendt tegenspoed,VII,128.—Kent uw geloof,IV,22.—Maakt zijne geheimen niet bekend,III,174.—Is de eeuwige, de verhevene, de machtige,II,256.—Wil Jezus doen sterven,III,48.—Zendt kleederenVII,25.—Schenkt de roeden om de wonderen in Egypte en de woestijn te verrichten,VII,83, n.—Spreekt met Mozes van aangezicht tot aangezicht,VII,139.Goddeloozen, het oordeel omtrent hen verdeeld,IV,90.Goddelijke gunst,III,148, n.—Openbaring, zieGabriël.—Rechtvaardigheid,II,286;IV,107, n.;VI,110,111,112,115,132,161;VII,28,178,179;XVI,38,39;XVIII,64en volg.;XXI,36;XXIV21,23en volg;XXXIII,71en volg.;XXXV,19;XXXIX,12;XLVI,17;LIII,33,41en volg.—Verlof,XXXIV,22, n.Godheden der afgodendienaars, men moet die niet beschimpen,VI,108.—Zij zullen zelf de afgodendienaars verloochenen,XXV,18en volg. ZieAfgoden.Afgoderij.Gods aangezicht te zien,II,274.—Afgezanten.VI,130, n.—Alwetendheid,L,17, n. Antwoord aan Abraham,II,262. ZieAbrahams vraag.—Besluiten,XXXII,4, n.—Bestraffing,XVI,28.—Bevel om zich bij het gebed met de schoonste kleederen te tooien,VIII,29.—Boek,XXX56, zieBewakers.Godsdienst,X,20;XXXVIII,6, n.Godsdienst (De) kent geen dwang,II,257.Godsdienstgrenzen,V,81.—Overschrijden,IV,169.Godsdienstoefening, bijna gestoord door eene aankomende karavaan,LXII,11, n.Godsdienstplichten, zieDavid.Godsdienstvolmaking,V,5.Gods dochters,XVI,59, zieAanbidding.—Gebod,II,103.—Genade in ongetrouwheid veranderd,XIV,33.—GeschenkenVII,48.—Gezant,VII,157;X,2, n.—Giften aan David,II,252.—Gunsten.XIV,5.—Eenheid,XXI,25;XXIII,73, n.;XXX,34;XLIII,86;CXII, blz. 631. n.; zieTwist.—Handeling met trotsche en ondankbare menschen,VII,97, n.—Handelwijze,VI,131.—Hoede over de dieren,VI,38, n.—Makkers,VI,94. ZieValsche goden.—Naam herdenken,V,6.—Naam bij eten herdacht,VI,118.—Onderricht,IV,113.—Ondersteuning,III,148;XIV,18.—Oog overal,II,109.—Schepping veranderen,IV,118.—Straf,VI,47.—Teekens, zieGeloof.—Troon,II,256.—Verbod,VI,152.—Vereering,III,57.—Verontwaardiging zal over de aanbidders van het kalf komen,VII,151.—Vloek over de leugenaars ingeroepen,III,54.—Vonnissen, zieDag.—Voorbeschikkingen, volzinnen, die billijken daaraan te gelooven,III,148;VI,35;XVI,38,39;XXXII,13;XXXIII,38;XXXV,9;XXXVI,6en volg.;LIII,33en volg.;LVII,22.—Voorschriften, zieAfdwaling.—Weg,II,149.—Wet,XXXIII,72, n.—WoordIV,169.—Woord veranderd,XLVIII,15.—Woorden kunnen door geen sterveling veranderd worden,VI,115.—Zendelingen,VI,124.Godvreezendheid,II,179.Godvruchtige mannen, vijf in getal, die vóór Noach hebben bestaan,LXXI,22en 23, n.Goede daden gaan niet verloren,III,193.Goede dingen,V,6.Goede (Het) doen, bij het leven verdienstelijker dan bij den dood of uitersten wil,LXXIII,20n.Goede handelingen,VI,159.Goederen (In bewaring gegeven),IV,61;LXX,32,35.Gog en Magog, volk zonder kleedingen of woningen,XIX,89. ZieYajoejenMajoej.Goliath, zieJalut.Gouden (Het) kalf,II,48,51,86,87;IV,152;VII,146;XX,90.Gouden kalf, zieAanleiding.Gouden versierselen,XLIII, bl.515n.32,34.Goudstukken teruggeven,III,68.Grensscheiding, zieLotusboom.Grenzen door God gesteldII,183.Grieken (De),XXX, bl.435n.—Zij worden door de Perzen overwonnen,1.—Land waar die overwinning plaats vond,2.Groet, begroetingen, beleefdheid,IV,88.—Bij het binnentreden der huizen,XXIV,61.Grondige kennis bezitten,IV,160.Grondgebied,XC,1en volg.—Der zekerheid,XCV,3.Grondslag, zieRawasiya.Grondzuilen des boeks,III,5.
Gabriël, zieEngel.
Gadeslaan, Ra’ina,IV,49, n.
Gebed (Het)X,89.—II,109,136en volg.239;IV,46;V. 8;VII,204;XI,116;XVII,80en volg.;XXIX,44;L,39.—In den oorlog,IV,102–104.—Verzen, die daartoe kunnen dienen,II,286;III,181–192.—Der Mahomedanen,IV,103, n.—Der Joden, 286, n.—zieNamiddag.
Gebod aan de vrouwen,XXIV,31.—Hare kleeding, ald.
Geboorte van eene dochter door de Arabieren als een ongeval beschouwd.XVI,59, n.
Gedachte aan God,IV,141.
Gedeelte der hel, zieAl Hotama.
Gedrag der vrouwen tijdens de afwezigheid harer mannen,IV,38.—Omtrent de vrouwen van den profeet,XXXIII,53.
Geest (De) is op Gods bevel geschapen, door het woord Kun,XVII,87.—God bracht dien met zijn woord in Maria over,IV,169.—Heiligheid of de Heilige Geest,II,81.—Wat hij is, volgens den Koran,II,254;XVI,104.—ZieHeilige.
Geldstukken, zieTwist.
Geld terugnemen van vrouwen,IV,24.
Geleide,IX,6, n.
Geloof,XLIX,14, n.—Aan afgoden,IV,54.—Aan den jongsten dag,IX,29.—Aan Gods teekens.VI,118.—En goede werken,XIV,28;XVI,99;XVIII,29.—En loochening van het boek den geloovigen gezonden,III,65.
Geloofsgeschillen, zieTwisten.
Geloovigen, zieMozes.—ZieOorlogskamp.
Geloovigen,II,269en volg.III,106.—V,73, n.—XI,31.—IX,72;XXXII,15en volg.;XXXIII,21,36;XLIX,14.—Bevrijden,IV,94.—Dooden,IV,94.—Moeten slechts voor de hunnen vriendschap koesteren,III,124.
Geluk der ongeloovigen, zieBedriegelijk.
Gelukspel, Al Meizer.II,216.
Gelukzaligen (De),III,103en volg.;VII,40–42;X,26,27;XI,110;XV,45en volg.;XVIII,107,103;XXI,101en volg.XXII,23,24;XXV,27;XXXI,7,8;XXXII,15,16;XXXV,29en volg.;XXXVI,54en volg.;XXXIX,70,73en volg.;XLIV,51en volg.;XLVII,8,13,16en volg.;LII,17en volg.;LV,46en volg.;LXIX,19en volg.;LXXVI,5en volg.;LXXVII,41en volg.;LXXVIII,31en volg.;LXXXIII,21en volg.;LXXXVIII,8en volg.
Gelukzaligheid, zieThojeba.
Gelijkenissen, vergelijkingen, die men in den Koran ontmoet,II,16,18en volg.166,263,266–268;III,113;VII,38;X,25;XI,26;XIII,18;XIV,20en volg.;29en volg.;XVI,76en volg.;94;XVIII(die der beide tuinen),31–42;XXII,72;XXIV,34(die van Gods licht),35,39en volg.;XXX,27;XXXIX,30;LVII,19;LIX,21;LXIII,4;LXVII,22;LXVIII,17en volg.
Gember, zieZendjebil.
Gemengde huwelijken,V,7, n.
Geniussen (De),VI,100,128,130;XVIII,48;XLI,24,29;—Zij zijn van vuur geschapen,XV,27;LV,14.—Zij zijn aandebevelen van Salomo onderworpen,XXVII,39;XXXVIII,36.—Zij luisteren naar den Koran en bewonderen dien,XLVI,28en volg.LXXII,1en volg.—Zij luisteren naar hetgeen in den hemel voorvalt,XV,17en 18;XXVI,212. Zie verderDuivels.
Genius, zieIfrit.
Genoegens genieten,V70.
Genot, zieIJdel.
Gepaste taalvoering,IV,10, n.
Geschenken aan het volk van Mozes,V,23.
Geschiedenis,XXVIII, bl.419, n.
Geschillen beslechten,V,46. n.
Geschil voor God brengen,IV,62.
Gesprek met de afgodendienaars,XVII,56.
Getrouwheid aan de overeenkomsten,IX,5.
Getuigenis,II,282;IV,134:V,11.—V,105.—LXXXV,3.—Afleggen,VI,19.—Van een lid van Potiphars gezinXII,26.
Getuigen tegen Joden en Christenen op den dag der opstandingIV,157.
Gevangenen te Bedr,VIII,69.
Gezanten,VI,61.—X,75.—XI,72.
Gezichtseinder, zieZon.
Gierigaards (De), hunne straffen in de hel,IX,34,35;LVII,24.—God bemint hen niet,IV,40,41.
Gierigheid (De) veroordeeld,XLVII,40.
God met een groote G, beteekenis daarvan,XX,7, n.—Straft hen, die niet naar Noachs prediking hebben geluisterd,LXXI,11, n.—Heeft eene rustplaats voor u geschapen.VI,98.—Eenig Allah,II,256;XX,7,14.—Zijne namen, 99 in getal,VII,179.—Hij heeft de schoonste namen,XVII,110.—Eenige zijner namen,LIX,23,24.—Zijne alwetendheid,VI,38,59;LVIII,2,4,7,8,12,14.—SchepperVI,95en volg.—Heeft alles geschapen, zonder de minste vermoeienis te gevoelen,L,37.—Zijne macht,II,111,159;VI,95en volg.;XVI,10,39en volg:XXII,62–65;XXIV,43,44;XXV,47–53,55en volg.;XXVII,61–66,89,XXVIII,70–75;XXX,18en volg;XXXI,9;XXXV,10–14;XXXVI,33–44.XXXIX,21,22;L,6en volg.;LI,47–60;LIII,41en volg;LIV,49en volg.;LVI,57en volg.;LVII,1–6;LVIII,6en volg.;LIX,21;LXVII, geheel;LXXIX,27en volg.;LXXXV,12en volg.;LXXXVI,1–8.—Hij is het licht,XXIV,25.—Alles tracht hem te verheerlijken,XIII,14–16:XVII,46;XXIV,41.—Hij is volmaakt in zijne werken,LXVII. 3.—Hij zorgt voor iedereen,XXIX,60en volg.—Hij heeft in alles voorzien,XV,19en volg.—Hij schenkt zijne gaven aan wien Hij wil,XVII,21–32.—Zijne woorden falen niet,XVIII,109.—Zijne werken ten nutte van den mensch zijn ontelbaar,XXXI,28en volg.—Hij kan zich wreken,III,3;V,96;XIV,48.—Hij heeft geene kinderen; dit te denken, zou eene godslastering zijn.II,110;IV,169;VI,100,101;XIX,36;XXI,26;XXXVII,149;XXXIX,6;LXXII,3.—Hij is onveranderlijk in zijne geboden.XLVIII,23.—Hij heeft alle wezens geschapen, opdatzij hem zullen aanbidden,LI,56.—Hij vertoont zich aan niemand, wie het ook zij.VII,139.—Hoe Hij tot den mensch spreekt, en zich aan hem openbaart,XLII,50,51.—Hij doet dwalen en richt ook wien hij wilXXXV,9,XIV4;XVI,95.—Hij zelf doet de boozen dwalen,XIII,30.—Zijne besluiten,XIV,4,32.—Hij had alle menschen denzelfden godsdienst kunnen doen belijden,V,53;XVI,95.—Hij zelf duldt de ongeloovigheid en de ongeloovigen,VI,35.—Hij heeft een groot aantal geniussen en menschen voor de hel geschapen,VII,178.—Hij zelf bewerkt, dat de grooten en de rijken van Mekka de meest schuldigen zijn,VI,123, n.—Hij zelf heeft het verschil van stand en de dienstbaarheid onder de menschen gevestigd,XLIII,31.—Het goede komt van Hem: het kwade komt van den menschIV,81.—Hij is de schepper van goede en slechte daden,XCI,8.—Hij houdt den mensch door den mensch binnen de grenzen,II,252;XXII,41. ZiemenschenTheodicea.—De barmhartige,VI,103.—Heeft koningen gegeven.V,23.—Is eenig,IV,169.—Is een voldoende beschermer,IV,169.—Komen de schoonste namen toe,VII,179.—Is alwetend,VI,80.—Diens dagen,XLV,13.—Gebiedt niet engelen of profeten als meesters te nemen,III,74.—Zweert bij de vijg en den olijf,XCV,1.—Neemt Maria met welgevallen aan,III,32.—Brengt het leven uit den dood voort,III,26;VI,95.—Op bepaalde dagen gedenken,II,199.—Zendt den slaapIII,148.—Kan, als het hem behaagt, de openbaringen uit Mahomets hart wisschen,XLII,23, n.—Heeft nimmer tot een mensch het woord gericht,XLII,50, n.—Behoeft den dienst van een schepsel niet,IV,131.—Deelt niemand zijne geheimen mede, behalve den gezant, in wien hij behagen schept,LXXII,27.—Zal den man eene vrouw doen vinden,IV,129, n.—Op zichtbare wijze zien,IV,152.—Vreezen.V,4;VI,68.—Aankleven,III,98.—Wacht berouw af,II,157, n.—Laat het oorlogsvuur blusschen,V,69.—Zendt wind en regen,VII,55.—Bemint de zondagen met.VII,53.—Zendt manna en kwakkels neder,II,54,VII,160.—Zendt tegenspoed,VII,128.—Kent uw geloof,IV,22.—Maakt zijne geheimen niet bekend,III,174.—Is de eeuwige, de verhevene, de machtige,II,256.—Wil Jezus doen sterven,III,48.—Zendt kleederenVII,25.—Schenkt de roeden om de wonderen in Egypte en de woestijn te verrichten,VII,83, n.—Spreekt met Mozes van aangezicht tot aangezicht,VII,139.
Goddeloozen, het oordeel omtrent hen verdeeld,IV,90.
Goddelijke gunst,III,148, n.—Openbaring, zieGabriël.—Rechtvaardigheid,II,286;IV,107, n.;VI,110,111,112,115,132,161;VII,28,178,179;XVI,38,39;XVIII,64en volg.;XXI,36;XXIV21,23en volg;XXXIII,71en volg.;XXXV,19;XXXIX,12;XLVI,17;LIII,33,41en volg.—Verlof,XXXIV,22, n.
Godheden der afgodendienaars, men moet die niet beschimpen,VI,108.—Zij zullen zelf de afgodendienaars verloochenen,XXV,18en volg. ZieAfgoden.Afgoderij.
Gods aangezicht te zien,II,274.—Afgezanten.VI,130, n.—Alwetendheid,L,17, n. Antwoord aan Abraham,II,262. ZieAbrahams vraag.—Besluiten,XXXII,4, n.—Bestraffing,XVI,28.—Bevel om zich bij het gebed met de schoonste kleederen te tooien,VIII,29.—Boek,XXX56, zieBewakers.
Godsdienst,X,20;XXXVIII,6, n.
Godsdienst (De) kent geen dwang,II,257.
Godsdienstgrenzen,V,81.—Overschrijden,IV,169.
Godsdienstoefening, bijna gestoord door eene aankomende karavaan,LXII,11, n.
Godsdienstplichten, zieDavid.
Godsdienstvolmaking,V,5.
Gods dochters,XVI,59, zieAanbidding.—Gebod,II,103.—Genade in ongetrouwheid veranderd,XIV,33.—GeschenkenVII,48.—Gezant,VII,157;X,2, n.—Giften aan David,II,252.—Gunsten.XIV,5.—Eenheid,XXI,25;XXIII,73, n.;XXX,34;XLIII,86;CXII, blz. 631. n.; zieTwist.—Handeling met trotsche en ondankbare menschen,VII,97, n.—Handelwijze,VI,131.—Hoede over de dieren,VI,38, n.—Makkers,VI,94. ZieValsche goden.—Naam herdenken,V,6.—Naam bij eten herdacht,VI,118.—Onderricht,IV,113.—Ondersteuning,III,148;XIV,18.—Oog overal,II,109.—Schepping veranderen,IV,118.—Straf,VI,47.—Teekens, zieGeloof.—Troon,II,256.—Verbod,VI,152.—Vereering,III,57.—Verontwaardiging zal over de aanbidders van het kalf komen,VII,151.—Vloek over de leugenaars ingeroepen,III,54.—Vonnissen, zieDag.—Voorbeschikkingen, volzinnen, die billijken daaraan te gelooven,III,148;VI,35;XVI,38,39;XXXII,13;XXXIII,38;XXXV,9;XXXVI,6en volg.;LIII,33en volg.;LVII,22.—Voorschriften, zieAfdwaling.—Weg,II,149.—Wet,XXXIII,72, n.—WoordIV,169.—Woord veranderd,XLVIII,15.—Woorden kunnen door geen sterveling veranderd worden,VI,115.—Zendelingen,VI,124.
Godvreezendheid,II,179.
Godvruchtige mannen, vijf in getal, die vóór Noach hebben bestaan,LXXI,22en 23, n.
Goede daden gaan niet verloren,III,193.
Goede dingen,V,6.
Goede (Het) doen, bij het leven verdienstelijker dan bij den dood of uitersten wil,LXXIII,20n.
Goede handelingen,VI,159.
Goederen (In bewaring gegeven),IV,61;LXX,32,35.
Gog en Magog, volk zonder kleedingen of woningen,XIX,89. ZieYajoejenMajoej.
Goliath, zieJalut.
Gouden (Het) kalf,II,48,51,86,87;IV,152;VII,146;XX,90.
Gouden kalf, zieAanleiding.
Gouden versierselen,XLIII, bl.515n.32,34.
Goudstukken teruggeven,III,68.
Grensscheiding, zieLotusboom.
Grenzen door God gesteldII,183.
Grieken (De),XXX, bl.435n.—Zij worden door de Perzen overwonnen,1.—Land waar die overwinning plaats vond,2.
Groet, begroetingen, beleefdheid,IV,88.—Bij het binnentreden der huizen,XXIV,61.
Grondige kennis bezitten,IV,160.
Grondgebied,XC,1en volg.—Der zekerheid,XCV,3.
Grondslag, zieRawasiya.
Grondzuilen des boeks,III,5.