M

MMaan gespleten; teeken van den jongsten dag,LIV,1, n.Maan, hare verblijfplaatsen,XXXVI,39.Maanden der Arabieren, Aantal daarvan,IX,36, n.Madian, eene stad in Hejâz, Madianieten,VII,83;IX,71;XI85,98;XV,78;XXII,43;XXVI,176;XXVIII,21en volg.;XXIX,35;XXXVIII,12;L,13.Madianieten, zieMadian.Magiërs (De),XXII,17.Magog, zieMajoej.Mahomedanen, hunne gewoonte bij het bidden,XLVIII,29.Mahomedanisme,IV,49, n.;XVI,111, n.Mahomet of Mahomed,IV,80en volg.;LIII,1–9.—XLVII, bl.530,n.—Hij bekent een zondaar te zijn, 21.XXXII,2.—Hij is een ongeletterd profeet,VII,156,158.—Hij is in de Schriften aangeduid,VII,156.—Hij is door Mozes voorspeld,XLVI,2.—Hij is door Jezus voorspeldLXI,6.—Hij is het zegel der profeten,XXXIII,40.—Hij ontvangt de openbaring door de bemiddeling van den engel Gabriël,LIII,4en volg.—Hij heeft den engel Gabriël duidelijk gezien,LIII,7;LXXXI,23.—Hij is het voorwerp van laster en spotternijen,IX,61;XVI,105;XXV,5.—Hij is noch een dichter, noch een bezetene, noch een waarzegger,VII,183–188;XXI,3en volg.;LXIX,40en volg.;LXXXI,22.—Hij heeft droombeelden,XVI,100, n.—Hij wordt bestraft,LXXX,1–11.—Zijne godsdienstigheid,LXXIII,20.—Openbaringen die hem persoonlijk zijn gedaan.XXXIII,37;LXVII,1. n.—Eenige gebeurtenissen gedurende zijn apostelschap,XLVIII,24–27.—ZieBedr,Honein,Taboek,Aïsha. Zijne nachtelijke reis.XVII,1.—Eerbied dien men hem verschuldigd is,XLIX,2–7;LVIII,9–13.—Bekent de ware meening van eene plaats niet te begrijpen,LIV,45, n.—Beklaagt zich bij God, omtrent het lange uitblijven der hemelsche openbaringen,XCIII,3, n.—Zijn hart geopend in zijne kindsheid, of toen hij naar den hemel reisde,XCIV,1. n.—Beklimt den berg Jafa,XXVI,214, n.—Hij bezoekt heimelijk de huizen zijner volgelingen, 219, n.—Bij den dood van zijn zoon Abtar (kinderloos) genoemd.CVIII,3, n.—Diens voorval met een blinde.LXXX,2.—Draagt verschillende namen bij de Muzelmannen,LXI,6, n.—Dwingt de Koreïshieten, zich aan hem te onderwerpen,CX,2, n.—En zijne volgelingen,XXXIX,34, n.—Gods gezant,VI,20, n.;VII,157;XLVIII,29.—Hij verdeelt den buit onder de Mohajerin,LIX,8, n.—Laat een gracht graven,XXXIII,9, n.—Maakt den bewoners van Mekka bekend dat hij vredelievende bedoelingen omtrent hen heeft,XLVIII,18, n.—Hij schenkt genade aan tachtig ongeloovigen,24, n.—Zijne bedoeling bij de expeditie van Al Hodeibeiya,25, n.—Zijn droom te Medina,27, n.—Neemt Jezus passie niet aan,XIX,34, n.—Ontslaat verscheiden zijner manschappen,IX,43, n.—Verdedigt zich tegen zijne vijanden,XXII,41, n.—Verwacht de vergelding voor zijne prediking alleen van God,XXXIV,46, n.—Wordt bevolen niet ongeduldig te zijn,XX,113, n.—ZieProfeet.—Zijn aangenomen zoon, zieZeid.—Zijne vrouw, zieAïsha.—Zijn groot aantal vrouwen verweten,XIII,38, n.—Spreekt eene godslastering uit,XVI,100, n.—Diens voorouders, zieKosai.Mahomets bevel bij de droefheid van zijn gezin,XX,132, n.—Beweldadigden,I,6.—Edelmoedigheid omtrent gevangenen,IX,27.—Familie, goede daad door deze verricht,LXXVI,7, n.—Gebed,XVII,82en volg.—Gevoelen, omtrent het dooden van den Egyptenaar door Mozes,XXVIII,14, n.—Gezegde omtrent de voortbrenging van een mirakel,VI,109, n.—Keuzen zijner vrouwen,XXXIII,6.—Lezing van den Koran,XXII,51.—Lijfwacht,V,71, n.—Manschappen roepen Gods ondersteuning in,VIII,9.—Macht,VI,57, n.—Offer,XXII,33, n.—Oom Hamza gedood,XVI,127, n.—Ouderdom toen hij de zending van profeet aannamX,17.—Reis naar den hemel,XVII,1, n.,57.—Terugkeer van de expeditie van Al Hodeibya,XLVIII,1, n.—Verblijf te Medina,IX,75, n.—Verbond met de lieden van den stam Koreidha,XXXIII,26, n.—Zijne vrouwen vragen om rijkere kleeding,28, n.—Vloek,XVII,12, n.—Voorrechten omtrent vrouwen,XXXIII,51.—Aantal vrouwen dat hij mocht nemen,52, n.—Vroegste metgezellen,II,12, n.—Vijanden,VI,123, n.—Vijand, zieAboe Jahl.—Godsdienst, zieArmen.Majoej,XVIII,93.Makkers van de spelonk,XVIII,8.MalekEbn Dhor, vermoedelijk de persoon die Jozef uit de put trok,XII,19.Malek, engel die bij de folteringen voorzit,XLIII,77.—Volgens de Mahomedanen, engel die met het opzicht der hel is belast,XLIII,77, n.Maliënkolders, zieDavid.Manna (De) en de kwakels,II,54;VII,160;XX,82.—ZieGod.Manslag (De)IV,94.Marracci, zieAl Beidâwi.Maria of Mirjam, moeder van Jezus,III,31, n.,37–42;IV,169;V,79;XIX, bl.336, n.;16en volg.;XXI,91.—Zij wordt door de Israëlieten belasterd,IV,155, n.—Maakte nooit aanspraak moeder Gods te zijn,V,79, n.—En haar zoon zijn aan dezelfde behoeften en gebreken als de overige menschen onderworpen,V,79, n.—ZieGod.—ZieTwist, ZieZacharias.Marias vlucht naar een palmboom,XIX,23, n.—BroederXIX,29.Maroet, booze engel,II,96, zieHaroet.Martelaren,XXXIII,23, n., zieZielen.Maten en gewichten (Valsche) verboden,XI,69, n.Medina,VIII, bl.211, n.—XXXIII,13.—XLVII, bl.530, n.—LVIII, bl.565, n.—ZieMekka.—Zievlucht.—ZieVluchtelingen.—ZieYathreb.Meester der trappen, waar langs de engelen ten hemel stijgen,LXX3, n.—Des heelals,I1, n.Meesters van de kuil,LXXXV,4.Meisjes kunnen geen priesterlijken dienst verrichten,III,31, n.Mekka of Bekka,III,90;VI, bl.171, n.;VII, bl.189, n.;XII, bl.260, n.;XIII. bl.276, n.;XVI, bl.294;XVII, bl.309, n.;XIX, bl.336, n.;XXII, bl.365, n.;XXVI, bl.400, n.;XXVIII419, n.;XXIX, bl.429, n.;XXXIX, bl.491, n.;XLII, bl.510, n.;XLIII, bl.515, n.;XLIV, bl.520, n.;XLVIII,24;LVbl.555, n.;LVII, bl.562, n.;LXI, bl.574, n.;LXIV, bl.578, n.;LXXIII, bl.596, n.;LXXVI, bl.601, n.;LXXXIV, bl.612, n.;LXXXIX, bl.617, n.;XCVI, bl.622, n.;CVIII, bl.622, n.;CVIII, bl.629, n.—ZieMedina.Mekka’s bewoners willen een engel zien,VI,111, n.Menat, zieEl-Lat.Mensch (De), zijne schepping,II,28, n.;VI,98;XXII,5;XXIII,12en volg.;XXXII,6en volg.;XXXVI,77,78;XL,69;LXXX,18en volg.;LXXXVI,6en volg.—Zijn natuur,XVII,12:XXI,38;LXX,19.—Hij is zwak geschapen.IV,32.—Hij is geschapen van klei,X,23en volg.;XV,26.—Hij is onstandvastig,XXII,11.—Hij is ondankbaar,II,28, n.;XVII,69,85;XXIX,65;XXX35;LVI,61en volg.—Hij is haastig van aard,XVII,12.Menschen (De) zijn allen uit een eenling gesproten,IV,I.—Zij belasten zich met de bewaring van het geloof,XXXIII,72.—In het begin baden zij slechts één God aan,X,20.—Zij vormden slechts een enkel volk,II,209.—In verzoeking brengenVI,128, n.Menschelijk geslacht (Het) heeft reeds vóór de schepping God leeren gehoorzamen,VII,171.Merwa, berg bij Mekka,II,153, zieSafa.Messias (De)IV,156,170;V,76en volg.—God zou hem kunnen vernietigen als het diens wil was,V,20.Mestab, neef van Aboe Bekr,XXIV,22, n.Met den mantel bedekte,LXXIV, bl.598, n.Michaël (De engel),II,92.Middengebed,II,239.Midian, zieMadian.Midianieten of Aleikaieten; straffen op hen nedergezonden,XXVI,175en volg.Mier (De),XXVII, bl.410, n.,18.Mieren, zieVallei.Min (De),II,233.Min Douni-’illahi, beteekenis daarvan,II,21, n.Mina, een vallei,II,199.Minister van Pharao, zieHaman.Minnelijke schikking tusschen een man en eene vrouw,IV,127.Mirakel, zieMahomet.Mirakelen,XIII,30, n.Miriam, zieMaria.Misdaad,V,35—In het openbaarIV,23.—Van twee personen, Sodomie of Pederastie,IV,20, n.—Van vrouwen; overspel,IV,19, n.Misdaden, bestraffing daarvan,V,37.Moawiyah wil iemand in de spelonk zenden,XVIII,17, n.Moeder Gods, zieMaria.Moedverlies van twee der heerscharen,III,118.Mohajerin (De),IX,101; buitverdeeling,LIX,8.Mohammed, zieMahomet.Mohsinat, vrouwen van onberispelijk gedrag; straf van hare beschuldigers,XXIV,4.Monotheïsme, zieIslam.Moord,IV,95;V,35en volg.Moordaanslag op Mahomet,V,14, n.Moordenaar, zieOntdekking.Moslem,VI,163, n.—Aantal vrouwen, die hij wettelijk kan huwen,XXXIII,49. ZieSaad.Moslems moeten in de openbare vergaderingen plaats maken voor den profeet en de meer aanzienlijken hunner makkers,LVIII,12.—Woorden gericht tot hen, die zich bij den slag van Ohod omkeerden,LXI,2, n.—ZieSaad, zieZingende.Motofikat. ZiePentapolis.Mozes,II,48–58,81,86,249;IV,152;V,23en volg.;VI,84,91,155;X,76en volg.,83;XI,99;XVII,103;XIX,5;XXI,49;XXII,43;XXIII,47;XXV,37;XXIX,38;XXXII,23;XXXIII,69;XXXVII,114;XL,24en volg.;XLI,45;LI,38;LIII; 37;LXI,5;LXXXVII,19.—Hij verkrijgt water uit de rots,VII,160.—Zijn onderhoud met Pharao,VII,101; met God,139;XXVI,9en volg.;XXVIII,30en volg.;—Hij verschijnt voor Pharao,XX,60en volg.;XXVII,12.—Zijne geschiedenis,XX,8en volg.;39en volg.—Zijne opvoeding en avonturen,XXVIII,2en volg.—Hij gaat tot de samenvloeiing der beide zeeën,XVIII,59,60.—Zijne reis met zijn dienaar,XVIII,60en volg.—Zijne berisping van Aäron,XX,94; zieIsraëlieten, Gouden kalf.—Hij is gezant en profeet,XIX,52.—Door Pharao beschuldigd,XXVIII,38.—Aan Mahomet als voorbeeld getoond,XX,8, n.—Diens wedervaren met een brandend bosch,10, n.—Zijnestafin eene slang veranderd,18en volg. Hij vat de slang bij de kinnebakken,22, n.—Zijn spraakgebrek, ontstaan daarvan,29, n.—Hij wordt door zijne moeder te vondeling gelegd,39, n.—Zijne moeder wordt zijne zoogster,41, n.—Hij doodt een Egyptenaar,41, n.—Zijn broeder,44. n.—Verdeeling der zee,79.—Volk aanbidt den waren God gedurende de eerste twintig dagen van zijne afwezigheid,87.—Hij keert bedroefd tot zijn volk terug,88.—Belasterd,XXXIII,69.—Beveelt de Joden ’s vrijdags God te aanbidden,XVI,25, n.—Deeerste der ware geloovigen,VII,140.—Drenkt schapen voor vrouwen,XXVIII,24.—Zijn staf,30en volg.—En Mahomet, door de ongeloovigen, bedriegers genoemd,XXVIII,48.—En Pharao,II,47, n.—Licht bij zijne geboorte tusschen zijne oogen verschenen,XXVIII,6, n.—Zijne schoonheid,8.—Macht om teekens te toonen,XVII,103.—Met zeventig mannen bestijgen den berg,VII,154.—Ontvangt het bericht dat men omtrent zijn doodvonnis beraadslaagt,XXVIII,19.—Prediking,XVIII,59, n.—Verblijf in Egypte, voor hij zijne zending openbaarde,X,89, n.—Verblijf onder de Egyptenaren,XXVI,17.—Zijn behuwdvader, zieShoaïb.—Zijn broeder, zieAäron.—Zijn dood,XL,27.Muurbouw,XVIII,96, n.Muzelman,II,122, n.Muzelmannen (De), lofrede op hen,III,106;XLVIII,29.Mysteriën,II,2.

MMaan gespleten; teeken van den jongsten dag,LIV,1, n.Maan, hare verblijfplaatsen,XXXVI,39.Maanden der Arabieren, Aantal daarvan,IX,36, n.Madian, eene stad in Hejâz, Madianieten,VII,83;IX,71;XI85,98;XV,78;XXII,43;XXVI,176;XXVIII,21en volg.;XXIX,35;XXXVIII,12;L,13.Madianieten, zieMadian.Magiërs (De),XXII,17.Magog, zieMajoej.Mahomedanen, hunne gewoonte bij het bidden,XLVIII,29.Mahomedanisme,IV,49, n.;XVI,111, n.Mahomet of Mahomed,IV,80en volg.;LIII,1–9.—XLVII, bl.530,n.—Hij bekent een zondaar te zijn, 21.XXXII,2.—Hij is een ongeletterd profeet,VII,156,158.—Hij is in de Schriften aangeduid,VII,156.—Hij is door Mozes voorspeld,XLVI,2.—Hij is door Jezus voorspeldLXI,6.—Hij is het zegel der profeten,XXXIII,40.—Hij ontvangt de openbaring door de bemiddeling van den engel Gabriël,LIII,4en volg.—Hij heeft den engel Gabriël duidelijk gezien,LIII,7;LXXXI,23.—Hij is het voorwerp van laster en spotternijen,IX,61;XVI,105;XXV,5.—Hij is noch een dichter, noch een bezetene, noch een waarzegger,VII,183–188;XXI,3en volg.;LXIX,40en volg.;LXXXI,22.—Hij heeft droombeelden,XVI,100, n.—Hij wordt bestraft,LXXX,1–11.—Zijne godsdienstigheid,LXXIII,20.—Openbaringen die hem persoonlijk zijn gedaan.XXXIII,37;LXVII,1. n.—Eenige gebeurtenissen gedurende zijn apostelschap,XLVIII,24–27.—ZieBedr,Honein,Taboek,Aïsha. Zijne nachtelijke reis.XVII,1.—Eerbied dien men hem verschuldigd is,XLIX,2–7;LVIII,9–13.—Bekent de ware meening van eene plaats niet te begrijpen,LIV,45, n.—Beklaagt zich bij God, omtrent het lange uitblijven der hemelsche openbaringen,XCIII,3, n.—Zijn hart geopend in zijne kindsheid, of toen hij naar den hemel reisde,XCIV,1. n.—Beklimt den berg Jafa,XXVI,214, n.—Hij bezoekt heimelijk de huizen zijner volgelingen, 219, n.—Bij den dood van zijn zoon Abtar (kinderloos) genoemd.CVIII,3, n.—Diens voorval met een blinde.LXXX,2.—Draagt verschillende namen bij de Muzelmannen,LXI,6, n.—Dwingt de Koreïshieten, zich aan hem te onderwerpen,CX,2, n.—En zijne volgelingen,XXXIX,34, n.—Gods gezant,VI,20, n.;VII,157;XLVIII,29.—Hij verdeelt den buit onder de Mohajerin,LIX,8, n.—Laat een gracht graven,XXXIII,9, n.—Maakt den bewoners van Mekka bekend dat hij vredelievende bedoelingen omtrent hen heeft,XLVIII,18, n.—Hij schenkt genade aan tachtig ongeloovigen,24, n.—Zijne bedoeling bij de expeditie van Al Hodeibeiya,25, n.—Zijn droom te Medina,27, n.—Neemt Jezus passie niet aan,XIX,34, n.—Ontslaat verscheiden zijner manschappen,IX,43, n.—Verdedigt zich tegen zijne vijanden,XXII,41, n.—Verwacht de vergelding voor zijne prediking alleen van God,XXXIV,46, n.—Wordt bevolen niet ongeduldig te zijn,XX,113, n.—ZieProfeet.—Zijn aangenomen zoon, zieZeid.—Zijne vrouw, zieAïsha.—Zijn groot aantal vrouwen verweten,XIII,38, n.—Spreekt eene godslastering uit,XVI,100, n.—Diens voorouders, zieKosai.Mahomets bevel bij de droefheid van zijn gezin,XX,132, n.—Beweldadigden,I,6.—Edelmoedigheid omtrent gevangenen,IX,27.—Familie, goede daad door deze verricht,LXXVI,7, n.—Gebed,XVII,82en volg.—Gevoelen, omtrent het dooden van den Egyptenaar door Mozes,XXVIII,14, n.—Gezegde omtrent de voortbrenging van een mirakel,VI,109, n.—Keuzen zijner vrouwen,XXXIII,6.—Lezing van den Koran,XXII,51.—Lijfwacht,V,71, n.—Manschappen roepen Gods ondersteuning in,VIII,9.—Macht,VI,57, n.—Offer,XXII,33, n.—Oom Hamza gedood,XVI,127, n.—Ouderdom toen hij de zending van profeet aannamX,17.—Reis naar den hemel,XVII,1, n.,57.—Terugkeer van de expeditie van Al Hodeibya,XLVIII,1, n.—Verblijf te Medina,IX,75, n.—Verbond met de lieden van den stam Koreidha,XXXIII,26, n.—Zijne vrouwen vragen om rijkere kleeding,28, n.—Vloek,XVII,12, n.—Voorrechten omtrent vrouwen,XXXIII,51.—Aantal vrouwen dat hij mocht nemen,52, n.—Vroegste metgezellen,II,12, n.—Vijanden,VI,123, n.—Vijand, zieAboe Jahl.—Godsdienst, zieArmen.Majoej,XVIII,93.Makkers van de spelonk,XVIII,8.MalekEbn Dhor, vermoedelijk de persoon die Jozef uit de put trok,XII,19.Malek, engel die bij de folteringen voorzit,XLIII,77.—Volgens de Mahomedanen, engel die met het opzicht der hel is belast,XLIII,77, n.Maliënkolders, zieDavid.Manna (De) en de kwakels,II,54;VII,160;XX,82.—ZieGod.Manslag (De)IV,94.Marracci, zieAl Beidâwi.Maria of Mirjam, moeder van Jezus,III,31, n.,37–42;IV,169;V,79;XIX, bl.336, n.;16en volg.;XXI,91.—Zij wordt door de Israëlieten belasterd,IV,155, n.—Maakte nooit aanspraak moeder Gods te zijn,V,79, n.—En haar zoon zijn aan dezelfde behoeften en gebreken als de overige menschen onderworpen,V,79, n.—ZieGod.—ZieTwist, ZieZacharias.Marias vlucht naar een palmboom,XIX,23, n.—BroederXIX,29.Maroet, booze engel,II,96, zieHaroet.Martelaren,XXXIII,23, n., zieZielen.Maten en gewichten (Valsche) verboden,XI,69, n.Medina,VIII, bl.211, n.—XXXIII,13.—XLVII, bl.530, n.—LVIII, bl.565, n.—ZieMekka.—Zievlucht.—ZieVluchtelingen.—ZieYathreb.Meester der trappen, waar langs de engelen ten hemel stijgen,LXX3, n.—Des heelals,I1, n.Meesters van de kuil,LXXXV,4.Meisjes kunnen geen priesterlijken dienst verrichten,III,31, n.Mekka of Bekka,III,90;VI, bl.171, n.;VII, bl.189, n.;XII, bl.260, n.;XIII. bl.276, n.;XVI, bl.294;XVII, bl.309, n.;XIX, bl.336, n.;XXII, bl.365, n.;XXVI, bl.400, n.;XXVIII419, n.;XXIX, bl.429, n.;XXXIX, bl.491, n.;XLII, bl.510, n.;XLIII, bl.515, n.;XLIV, bl.520, n.;XLVIII,24;LVbl.555, n.;LVII, bl.562, n.;LXI, bl.574, n.;LXIV, bl.578, n.;LXXIII, bl.596, n.;LXXVI, bl.601, n.;LXXXIV, bl.612, n.;LXXXIX, bl.617, n.;XCVI, bl.622, n.;CVIII, bl.622, n.;CVIII, bl.629, n.—ZieMedina.Mekka’s bewoners willen een engel zien,VI,111, n.Menat, zieEl-Lat.Mensch (De), zijne schepping,II,28, n.;VI,98;XXII,5;XXIII,12en volg.;XXXII,6en volg.;XXXVI,77,78;XL,69;LXXX,18en volg.;LXXXVI,6en volg.—Zijn natuur,XVII,12:XXI,38;LXX,19.—Hij is zwak geschapen.IV,32.—Hij is geschapen van klei,X,23en volg.;XV,26.—Hij is onstandvastig,XXII,11.—Hij is ondankbaar,II,28, n.;XVII,69,85;XXIX,65;XXX35;LVI,61en volg.—Hij is haastig van aard,XVII,12.Menschen (De) zijn allen uit een eenling gesproten,IV,I.—Zij belasten zich met de bewaring van het geloof,XXXIII,72.—In het begin baden zij slechts één God aan,X,20.—Zij vormden slechts een enkel volk,II,209.—In verzoeking brengenVI,128, n.Menschelijk geslacht (Het) heeft reeds vóór de schepping God leeren gehoorzamen,VII,171.Merwa, berg bij Mekka,II,153, zieSafa.Messias (De)IV,156,170;V,76en volg.—God zou hem kunnen vernietigen als het diens wil was,V,20.Mestab, neef van Aboe Bekr,XXIV,22, n.Met den mantel bedekte,LXXIV, bl.598, n.Michaël (De engel),II,92.Middengebed,II,239.Midian, zieMadian.Midianieten of Aleikaieten; straffen op hen nedergezonden,XXVI,175en volg.Mier (De),XXVII, bl.410, n.,18.Mieren, zieVallei.Min (De),II,233.Min Douni-’illahi, beteekenis daarvan,II,21, n.Mina, een vallei,II,199.Minister van Pharao, zieHaman.Minnelijke schikking tusschen een man en eene vrouw,IV,127.Mirakel, zieMahomet.Mirakelen,XIII,30, n.Miriam, zieMaria.Misdaad,V,35—In het openbaarIV,23.—Van twee personen, Sodomie of Pederastie,IV,20, n.—Van vrouwen; overspel,IV,19, n.Misdaden, bestraffing daarvan,V,37.Moawiyah wil iemand in de spelonk zenden,XVIII,17, n.Moeder Gods, zieMaria.Moedverlies van twee der heerscharen,III,118.Mohajerin (De),IX,101; buitverdeeling,LIX,8.Mohammed, zieMahomet.Mohsinat, vrouwen van onberispelijk gedrag; straf van hare beschuldigers,XXIV,4.Monotheïsme, zieIslam.Moord,IV,95;V,35en volg.Moordaanslag op Mahomet,V,14, n.Moordenaar, zieOntdekking.Moslem,VI,163, n.—Aantal vrouwen, die hij wettelijk kan huwen,XXXIII,49. ZieSaad.Moslems moeten in de openbare vergaderingen plaats maken voor den profeet en de meer aanzienlijken hunner makkers,LVIII,12.—Woorden gericht tot hen, die zich bij den slag van Ohod omkeerden,LXI,2, n.—ZieSaad, zieZingende.Motofikat. ZiePentapolis.Mozes,II,48–58,81,86,249;IV,152;V,23en volg.;VI,84,91,155;X,76en volg.,83;XI,99;XVII,103;XIX,5;XXI,49;XXII,43;XXIII,47;XXV,37;XXIX,38;XXXII,23;XXXIII,69;XXXVII,114;XL,24en volg.;XLI,45;LI,38;LIII; 37;LXI,5;LXXXVII,19.—Hij verkrijgt water uit de rots,VII,160.—Zijn onderhoud met Pharao,VII,101; met God,139;XXVI,9en volg.;XXVIII,30en volg.;—Hij verschijnt voor Pharao,XX,60en volg.;XXVII,12.—Zijne geschiedenis,XX,8en volg.;39en volg.—Zijne opvoeding en avonturen,XXVIII,2en volg.—Hij gaat tot de samenvloeiing der beide zeeën,XVIII,59,60.—Zijne reis met zijn dienaar,XVIII,60en volg.—Zijne berisping van Aäron,XX,94; zieIsraëlieten, Gouden kalf.—Hij is gezant en profeet,XIX,52.—Door Pharao beschuldigd,XXVIII,38.—Aan Mahomet als voorbeeld getoond,XX,8, n.—Diens wedervaren met een brandend bosch,10, n.—Zijnestafin eene slang veranderd,18en volg. Hij vat de slang bij de kinnebakken,22, n.—Zijn spraakgebrek, ontstaan daarvan,29, n.—Hij wordt door zijne moeder te vondeling gelegd,39, n.—Zijne moeder wordt zijne zoogster,41, n.—Hij doodt een Egyptenaar,41, n.—Zijn broeder,44. n.—Verdeeling der zee,79.—Volk aanbidt den waren God gedurende de eerste twintig dagen van zijne afwezigheid,87.—Hij keert bedroefd tot zijn volk terug,88.—Belasterd,XXXIII,69.—Beveelt de Joden ’s vrijdags God te aanbidden,XVI,25, n.—Deeerste der ware geloovigen,VII,140.—Drenkt schapen voor vrouwen,XXVIII,24.—Zijn staf,30en volg.—En Mahomet, door de ongeloovigen, bedriegers genoemd,XXVIII,48.—En Pharao,II,47, n.—Licht bij zijne geboorte tusschen zijne oogen verschenen,XXVIII,6, n.—Zijne schoonheid,8.—Macht om teekens te toonen,XVII,103.—Met zeventig mannen bestijgen den berg,VII,154.—Ontvangt het bericht dat men omtrent zijn doodvonnis beraadslaagt,XXVIII,19.—Prediking,XVIII,59, n.—Verblijf in Egypte, voor hij zijne zending openbaarde,X,89, n.—Verblijf onder de Egyptenaren,XXVI,17.—Zijn behuwdvader, zieShoaïb.—Zijn broeder, zieAäron.—Zijn dood,XL,27.Muurbouw,XVIII,96, n.Muzelman,II,122, n.Muzelmannen (De), lofrede op hen,III,106;XLVIII,29.Mysteriën,II,2.

MMaan gespleten; teeken van den jongsten dag,LIV,1, n.Maan, hare verblijfplaatsen,XXXVI,39.Maanden der Arabieren, Aantal daarvan,IX,36, n.Madian, eene stad in Hejâz, Madianieten,VII,83;IX,71;XI85,98;XV,78;XXII,43;XXVI,176;XXVIII,21en volg.;XXIX,35;XXXVIII,12;L,13.Madianieten, zieMadian.Magiërs (De),XXII,17.Magog, zieMajoej.Mahomedanen, hunne gewoonte bij het bidden,XLVIII,29.Mahomedanisme,IV,49, n.;XVI,111, n.Mahomet of Mahomed,IV,80en volg.;LIII,1–9.—XLVII, bl.530,n.—Hij bekent een zondaar te zijn, 21.XXXII,2.—Hij is een ongeletterd profeet,VII,156,158.—Hij is in de Schriften aangeduid,VII,156.—Hij is door Mozes voorspeld,XLVI,2.—Hij is door Jezus voorspeldLXI,6.—Hij is het zegel der profeten,XXXIII,40.—Hij ontvangt de openbaring door de bemiddeling van den engel Gabriël,LIII,4en volg.—Hij heeft den engel Gabriël duidelijk gezien,LIII,7;LXXXI,23.—Hij is het voorwerp van laster en spotternijen,IX,61;XVI,105;XXV,5.—Hij is noch een dichter, noch een bezetene, noch een waarzegger,VII,183–188;XXI,3en volg.;LXIX,40en volg.;LXXXI,22.—Hij heeft droombeelden,XVI,100, n.—Hij wordt bestraft,LXXX,1–11.—Zijne godsdienstigheid,LXXIII,20.—Openbaringen die hem persoonlijk zijn gedaan.XXXIII,37;LXVII,1. n.—Eenige gebeurtenissen gedurende zijn apostelschap,XLVIII,24–27.—ZieBedr,Honein,Taboek,Aïsha. Zijne nachtelijke reis.XVII,1.—Eerbied dien men hem verschuldigd is,XLIX,2–7;LVIII,9–13.—Bekent de ware meening van eene plaats niet te begrijpen,LIV,45, n.—Beklaagt zich bij God, omtrent het lange uitblijven der hemelsche openbaringen,XCIII,3, n.—Zijn hart geopend in zijne kindsheid, of toen hij naar den hemel reisde,XCIV,1. n.—Beklimt den berg Jafa,XXVI,214, n.—Hij bezoekt heimelijk de huizen zijner volgelingen, 219, n.—Bij den dood van zijn zoon Abtar (kinderloos) genoemd.CVIII,3, n.—Diens voorval met een blinde.LXXX,2.—Draagt verschillende namen bij de Muzelmannen,LXI,6, n.—Dwingt de Koreïshieten, zich aan hem te onderwerpen,CX,2, n.—En zijne volgelingen,XXXIX,34, n.—Gods gezant,VI,20, n.;VII,157;XLVIII,29.—Hij verdeelt den buit onder de Mohajerin,LIX,8, n.—Laat een gracht graven,XXXIII,9, n.—Maakt den bewoners van Mekka bekend dat hij vredelievende bedoelingen omtrent hen heeft,XLVIII,18, n.—Hij schenkt genade aan tachtig ongeloovigen,24, n.—Zijne bedoeling bij de expeditie van Al Hodeibeiya,25, n.—Zijn droom te Medina,27, n.—Neemt Jezus passie niet aan,XIX,34, n.—Ontslaat verscheiden zijner manschappen,IX,43, n.—Verdedigt zich tegen zijne vijanden,XXII,41, n.—Verwacht de vergelding voor zijne prediking alleen van God,XXXIV,46, n.—Wordt bevolen niet ongeduldig te zijn,XX,113, n.—ZieProfeet.—Zijn aangenomen zoon, zieZeid.—Zijne vrouw, zieAïsha.—Zijn groot aantal vrouwen verweten,XIII,38, n.—Spreekt eene godslastering uit,XVI,100, n.—Diens voorouders, zieKosai.Mahomets bevel bij de droefheid van zijn gezin,XX,132, n.—Beweldadigden,I,6.—Edelmoedigheid omtrent gevangenen,IX,27.—Familie, goede daad door deze verricht,LXXVI,7, n.—Gebed,XVII,82en volg.—Gevoelen, omtrent het dooden van den Egyptenaar door Mozes,XXVIII,14, n.—Gezegde omtrent de voortbrenging van een mirakel,VI,109, n.—Keuzen zijner vrouwen,XXXIII,6.—Lezing van den Koran,XXII,51.—Lijfwacht,V,71, n.—Manschappen roepen Gods ondersteuning in,VIII,9.—Macht,VI,57, n.—Offer,XXII,33, n.—Oom Hamza gedood,XVI,127, n.—Ouderdom toen hij de zending van profeet aannamX,17.—Reis naar den hemel,XVII,1, n.,57.—Terugkeer van de expeditie van Al Hodeibya,XLVIII,1, n.—Verblijf te Medina,IX,75, n.—Verbond met de lieden van den stam Koreidha,XXXIII,26, n.—Zijne vrouwen vragen om rijkere kleeding,28, n.—Vloek,XVII,12, n.—Voorrechten omtrent vrouwen,XXXIII,51.—Aantal vrouwen dat hij mocht nemen,52, n.—Vroegste metgezellen,II,12, n.—Vijanden,VI,123, n.—Vijand, zieAboe Jahl.—Godsdienst, zieArmen.Majoej,XVIII,93.Makkers van de spelonk,XVIII,8.MalekEbn Dhor, vermoedelijk de persoon die Jozef uit de put trok,XII,19.Malek, engel die bij de folteringen voorzit,XLIII,77.—Volgens de Mahomedanen, engel die met het opzicht der hel is belast,XLIII,77, n.Maliënkolders, zieDavid.Manna (De) en de kwakels,II,54;VII,160;XX,82.—ZieGod.Manslag (De)IV,94.Marracci, zieAl Beidâwi.Maria of Mirjam, moeder van Jezus,III,31, n.,37–42;IV,169;V,79;XIX, bl.336, n.;16en volg.;XXI,91.—Zij wordt door de Israëlieten belasterd,IV,155, n.—Maakte nooit aanspraak moeder Gods te zijn,V,79, n.—En haar zoon zijn aan dezelfde behoeften en gebreken als de overige menschen onderworpen,V,79, n.—ZieGod.—ZieTwist, ZieZacharias.Marias vlucht naar een palmboom,XIX,23, n.—BroederXIX,29.Maroet, booze engel,II,96, zieHaroet.Martelaren,XXXIII,23, n., zieZielen.Maten en gewichten (Valsche) verboden,XI,69, n.Medina,VIII, bl.211, n.—XXXIII,13.—XLVII, bl.530, n.—LVIII, bl.565, n.—ZieMekka.—Zievlucht.—ZieVluchtelingen.—ZieYathreb.Meester der trappen, waar langs de engelen ten hemel stijgen,LXX3, n.—Des heelals,I1, n.Meesters van de kuil,LXXXV,4.Meisjes kunnen geen priesterlijken dienst verrichten,III,31, n.Mekka of Bekka,III,90;VI, bl.171, n.;VII, bl.189, n.;XII, bl.260, n.;XIII. bl.276, n.;XVI, bl.294;XVII, bl.309, n.;XIX, bl.336, n.;XXII, bl.365, n.;XXVI, bl.400, n.;XXVIII419, n.;XXIX, bl.429, n.;XXXIX, bl.491, n.;XLII, bl.510, n.;XLIII, bl.515, n.;XLIV, bl.520, n.;XLVIII,24;LVbl.555, n.;LVII, bl.562, n.;LXI, bl.574, n.;LXIV, bl.578, n.;LXXIII, bl.596, n.;LXXVI, bl.601, n.;LXXXIV, bl.612, n.;LXXXIX, bl.617, n.;XCVI, bl.622, n.;CVIII, bl.622, n.;CVIII, bl.629, n.—ZieMedina.Mekka’s bewoners willen een engel zien,VI,111, n.Menat, zieEl-Lat.Mensch (De), zijne schepping,II,28, n.;VI,98;XXII,5;XXIII,12en volg.;XXXII,6en volg.;XXXVI,77,78;XL,69;LXXX,18en volg.;LXXXVI,6en volg.—Zijn natuur,XVII,12:XXI,38;LXX,19.—Hij is zwak geschapen.IV,32.—Hij is geschapen van klei,X,23en volg.;XV,26.—Hij is onstandvastig,XXII,11.—Hij is ondankbaar,II,28, n.;XVII,69,85;XXIX,65;XXX35;LVI,61en volg.—Hij is haastig van aard,XVII,12.Menschen (De) zijn allen uit een eenling gesproten,IV,I.—Zij belasten zich met de bewaring van het geloof,XXXIII,72.—In het begin baden zij slechts één God aan,X,20.—Zij vormden slechts een enkel volk,II,209.—In verzoeking brengenVI,128, n.Menschelijk geslacht (Het) heeft reeds vóór de schepping God leeren gehoorzamen,VII,171.Merwa, berg bij Mekka,II,153, zieSafa.Messias (De)IV,156,170;V,76en volg.—God zou hem kunnen vernietigen als het diens wil was,V,20.Mestab, neef van Aboe Bekr,XXIV,22, n.Met den mantel bedekte,LXXIV, bl.598, n.Michaël (De engel),II,92.Middengebed,II,239.Midian, zieMadian.Midianieten of Aleikaieten; straffen op hen nedergezonden,XXVI,175en volg.Mier (De),XXVII, bl.410, n.,18.Mieren, zieVallei.Min (De),II,233.Min Douni-’illahi, beteekenis daarvan,II,21, n.Mina, een vallei,II,199.Minister van Pharao, zieHaman.Minnelijke schikking tusschen een man en eene vrouw,IV,127.Mirakel, zieMahomet.Mirakelen,XIII,30, n.Miriam, zieMaria.Misdaad,V,35—In het openbaarIV,23.—Van twee personen, Sodomie of Pederastie,IV,20, n.—Van vrouwen; overspel,IV,19, n.Misdaden, bestraffing daarvan,V,37.Moawiyah wil iemand in de spelonk zenden,XVIII,17, n.Moeder Gods, zieMaria.Moedverlies van twee der heerscharen,III,118.Mohajerin (De),IX,101; buitverdeeling,LIX,8.Mohammed, zieMahomet.Mohsinat, vrouwen van onberispelijk gedrag; straf van hare beschuldigers,XXIV,4.Monotheïsme, zieIslam.Moord,IV,95;V,35en volg.Moordaanslag op Mahomet,V,14, n.Moordenaar, zieOntdekking.Moslem,VI,163, n.—Aantal vrouwen, die hij wettelijk kan huwen,XXXIII,49. ZieSaad.Moslems moeten in de openbare vergaderingen plaats maken voor den profeet en de meer aanzienlijken hunner makkers,LVIII,12.—Woorden gericht tot hen, die zich bij den slag van Ohod omkeerden,LXI,2, n.—ZieSaad, zieZingende.Motofikat. ZiePentapolis.Mozes,II,48–58,81,86,249;IV,152;V,23en volg.;VI,84,91,155;X,76en volg.,83;XI,99;XVII,103;XIX,5;XXI,49;XXII,43;XXIII,47;XXV,37;XXIX,38;XXXII,23;XXXIII,69;XXXVII,114;XL,24en volg.;XLI,45;LI,38;LIII; 37;LXI,5;LXXXVII,19.—Hij verkrijgt water uit de rots,VII,160.—Zijn onderhoud met Pharao,VII,101; met God,139;XXVI,9en volg.;XXVIII,30en volg.;—Hij verschijnt voor Pharao,XX,60en volg.;XXVII,12.—Zijne geschiedenis,XX,8en volg.;39en volg.—Zijne opvoeding en avonturen,XXVIII,2en volg.—Hij gaat tot de samenvloeiing der beide zeeën,XVIII,59,60.—Zijne reis met zijn dienaar,XVIII,60en volg.—Zijne berisping van Aäron,XX,94; zieIsraëlieten, Gouden kalf.—Hij is gezant en profeet,XIX,52.—Door Pharao beschuldigd,XXVIII,38.—Aan Mahomet als voorbeeld getoond,XX,8, n.—Diens wedervaren met een brandend bosch,10, n.—Zijnestafin eene slang veranderd,18en volg. Hij vat de slang bij de kinnebakken,22, n.—Zijn spraakgebrek, ontstaan daarvan,29, n.—Hij wordt door zijne moeder te vondeling gelegd,39, n.—Zijne moeder wordt zijne zoogster,41, n.—Hij doodt een Egyptenaar,41, n.—Zijn broeder,44. n.—Verdeeling der zee,79.—Volk aanbidt den waren God gedurende de eerste twintig dagen van zijne afwezigheid,87.—Hij keert bedroefd tot zijn volk terug,88.—Belasterd,XXXIII,69.—Beveelt de Joden ’s vrijdags God te aanbidden,XVI,25, n.—Deeerste der ware geloovigen,VII,140.—Drenkt schapen voor vrouwen,XXVIII,24.—Zijn staf,30en volg.—En Mahomet, door de ongeloovigen, bedriegers genoemd,XXVIII,48.—En Pharao,II,47, n.—Licht bij zijne geboorte tusschen zijne oogen verschenen,XXVIII,6, n.—Zijne schoonheid,8.—Macht om teekens te toonen,XVII,103.—Met zeventig mannen bestijgen den berg,VII,154.—Ontvangt het bericht dat men omtrent zijn doodvonnis beraadslaagt,XXVIII,19.—Prediking,XVIII,59, n.—Verblijf in Egypte, voor hij zijne zending openbaarde,X,89, n.—Verblijf onder de Egyptenaren,XXVI,17.—Zijn behuwdvader, zieShoaïb.—Zijn broeder, zieAäron.—Zijn dood,XL,27.Muurbouw,XVIII,96, n.Muzelman,II,122, n.Muzelmannen (De), lofrede op hen,III,106;XLVIII,29.Mysteriën,II,2.

M

Maan gespleten; teeken van den jongsten dag,LIV,1, n.Maan, hare verblijfplaatsen,XXXVI,39.Maanden der Arabieren, Aantal daarvan,IX,36, n.Madian, eene stad in Hejâz, Madianieten,VII,83;IX,71;XI85,98;XV,78;XXII,43;XXVI,176;XXVIII,21en volg.;XXIX,35;XXXVIII,12;L,13.Madianieten, zieMadian.Magiërs (De),XXII,17.Magog, zieMajoej.Mahomedanen, hunne gewoonte bij het bidden,XLVIII,29.Mahomedanisme,IV,49, n.;XVI,111, n.Mahomet of Mahomed,IV,80en volg.;LIII,1–9.—XLVII, bl.530,n.—Hij bekent een zondaar te zijn, 21.XXXII,2.—Hij is een ongeletterd profeet,VII,156,158.—Hij is in de Schriften aangeduid,VII,156.—Hij is door Mozes voorspeld,XLVI,2.—Hij is door Jezus voorspeldLXI,6.—Hij is het zegel der profeten,XXXIII,40.—Hij ontvangt de openbaring door de bemiddeling van den engel Gabriël,LIII,4en volg.—Hij heeft den engel Gabriël duidelijk gezien,LIII,7;LXXXI,23.—Hij is het voorwerp van laster en spotternijen,IX,61;XVI,105;XXV,5.—Hij is noch een dichter, noch een bezetene, noch een waarzegger,VII,183–188;XXI,3en volg.;LXIX,40en volg.;LXXXI,22.—Hij heeft droombeelden,XVI,100, n.—Hij wordt bestraft,LXXX,1–11.—Zijne godsdienstigheid,LXXIII,20.—Openbaringen die hem persoonlijk zijn gedaan.XXXIII,37;LXVII,1. n.—Eenige gebeurtenissen gedurende zijn apostelschap,XLVIII,24–27.—ZieBedr,Honein,Taboek,Aïsha. Zijne nachtelijke reis.XVII,1.—Eerbied dien men hem verschuldigd is,XLIX,2–7;LVIII,9–13.—Bekent de ware meening van eene plaats niet te begrijpen,LIV,45, n.—Beklaagt zich bij God, omtrent het lange uitblijven der hemelsche openbaringen,XCIII,3, n.—Zijn hart geopend in zijne kindsheid, of toen hij naar den hemel reisde,XCIV,1. n.—Beklimt den berg Jafa,XXVI,214, n.—Hij bezoekt heimelijk de huizen zijner volgelingen, 219, n.—Bij den dood van zijn zoon Abtar (kinderloos) genoemd.CVIII,3, n.—Diens voorval met een blinde.LXXX,2.—Draagt verschillende namen bij de Muzelmannen,LXI,6, n.—Dwingt de Koreïshieten, zich aan hem te onderwerpen,CX,2, n.—En zijne volgelingen,XXXIX,34, n.—Gods gezant,VI,20, n.;VII,157;XLVIII,29.—Hij verdeelt den buit onder de Mohajerin,LIX,8, n.—Laat een gracht graven,XXXIII,9, n.—Maakt den bewoners van Mekka bekend dat hij vredelievende bedoelingen omtrent hen heeft,XLVIII,18, n.—Hij schenkt genade aan tachtig ongeloovigen,24, n.—Zijne bedoeling bij de expeditie van Al Hodeibeiya,25, n.—Zijn droom te Medina,27, n.—Neemt Jezus passie niet aan,XIX,34, n.—Ontslaat verscheiden zijner manschappen,IX,43, n.—Verdedigt zich tegen zijne vijanden,XXII,41, n.—Verwacht de vergelding voor zijne prediking alleen van God,XXXIV,46, n.—Wordt bevolen niet ongeduldig te zijn,XX,113, n.—ZieProfeet.—Zijn aangenomen zoon, zieZeid.—Zijne vrouw, zieAïsha.—Zijn groot aantal vrouwen verweten,XIII,38, n.—Spreekt eene godslastering uit,XVI,100, n.—Diens voorouders, zieKosai.Mahomets bevel bij de droefheid van zijn gezin,XX,132, n.—Beweldadigden,I,6.—Edelmoedigheid omtrent gevangenen,IX,27.—Familie, goede daad door deze verricht,LXXVI,7, n.—Gebed,XVII,82en volg.—Gevoelen, omtrent het dooden van den Egyptenaar door Mozes,XXVIII,14, n.—Gezegde omtrent de voortbrenging van een mirakel,VI,109, n.—Keuzen zijner vrouwen,XXXIII,6.—Lezing van den Koran,XXII,51.—Lijfwacht,V,71, n.—Manschappen roepen Gods ondersteuning in,VIII,9.—Macht,VI,57, n.—Offer,XXII,33, n.—Oom Hamza gedood,XVI,127, n.—Ouderdom toen hij de zending van profeet aannamX,17.—Reis naar den hemel,XVII,1, n.,57.—Terugkeer van de expeditie van Al Hodeibya,XLVIII,1, n.—Verblijf te Medina,IX,75, n.—Verbond met de lieden van den stam Koreidha,XXXIII,26, n.—Zijne vrouwen vragen om rijkere kleeding,28, n.—Vloek,XVII,12, n.—Voorrechten omtrent vrouwen,XXXIII,51.—Aantal vrouwen dat hij mocht nemen,52, n.—Vroegste metgezellen,II,12, n.—Vijanden,VI,123, n.—Vijand, zieAboe Jahl.—Godsdienst, zieArmen.Majoej,XVIII,93.Makkers van de spelonk,XVIII,8.MalekEbn Dhor, vermoedelijk de persoon die Jozef uit de put trok,XII,19.Malek, engel die bij de folteringen voorzit,XLIII,77.—Volgens de Mahomedanen, engel die met het opzicht der hel is belast,XLIII,77, n.Maliënkolders, zieDavid.Manna (De) en de kwakels,II,54;VII,160;XX,82.—ZieGod.Manslag (De)IV,94.Marracci, zieAl Beidâwi.Maria of Mirjam, moeder van Jezus,III,31, n.,37–42;IV,169;V,79;XIX, bl.336, n.;16en volg.;XXI,91.—Zij wordt door de Israëlieten belasterd,IV,155, n.—Maakte nooit aanspraak moeder Gods te zijn,V,79, n.—En haar zoon zijn aan dezelfde behoeften en gebreken als de overige menschen onderworpen,V,79, n.—ZieGod.—ZieTwist, ZieZacharias.Marias vlucht naar een palmboom,XIX,23, n.—BroederXIX,29.Maroet, booze engel,II,96, zieHaroet.Martelaren,XXXIII,23, n., zieZielen.Maten en gewichten (Valsche) verboden,XI,69, n.Medina,VIII, bl.211, n.—XXXIII,13.—XLVII, bl.530, n.—LVIII, bl.565, n.—ZieMekka.—Zievlucht.—ZieVluchtelingen.—ZieYathreb.Meester der trappen, waar langs de engelen ten hemel stijgen,LXX3, n.—Des heelals,I1, n.Meesters van de kuil,LXXXV,4.Meisjes kunnen geen priesterlijken dienst verrichten,III,31, n.Mekka of Bekka,III,90;VI, bl.171, n.;VII, bl.189, n.;XII, bl.260, n.;XIII. bl.276, n.;XVI, bl.294;XVII, bl.309, n.;XIX, bl.336, n.;XXII, bl.365, n.;XXVI, bl.400, n.;XXVIII419, n.;XXIX, bl.429, n.;XXXIX, bl.491, n.;XLII, bl.510, n.;XLIII, bl.515, n.;XLIV, bl.520, n.;XLVIII,24;LVbl.555, n.;LVII, bl.562, n.;LXI, bl.574, n.;LXIV, bl.578, n.;LXXIII, bl.596, n.;LXXVI, bl.601, n.;LXXXIV, bl.612, n.;LXXXIX, bl.617, n.;XCVI, bl.622, n.;CVIII, bl.622, n.;CVIII, bl.629, n.—ZieMedina.Mekka’s bewoners willen een engel zien,VI,111, n.Menat, zieEl-Lat.Mensch (De), zijne schepping,II,28, n.;VI,98;XXII,5;XXIII,12en volg.;XXXII,6en volg.;XXXVI,77,78;XL,69;LXXX,18en volg.;LXXXVI,6en volg.—Zijn natuur,XVII,12:XXI,38;LXX,19.—Hij is zwak geschapen.IV,32.—Hij is geschapen van klei,X,23en volg.;XV,26.—Hij is onstandvastig,XXII,11.—Hij is ondankbaar,II,28, n.;XVII,69,85;XXIX,65;XXX35;LVI,61en volg.—Hij is haastig van aard,XVII,12.Menschen (De) zijn allen uit een eenling gesproten,IV,I.—Zij belasten zich met de bewaring van het geloof,XXXIII,72.—In het begin baden zij slechts één God aan,X,20.—Zij vormden slechts een enkel volk,II,209.—In verzoeking brengenVI,128, n.Menschelijk geslacht (Het) heeft reeds vóór de schepping God leeren gehoorzamen,VII,171.Merwa, berg bij Mekka,II,153, zieSafa.Messias (De)IV,156,170;V,76en volg.—God zou hem kunnen vernietigen als het diens wil was,V,20.Mestab, neef van Aboe Bekr,XXIV,22, n.Met den mantel bedekte,LXXIV, bl.598, n.Michaël (De engel),II,92.Middengebed,II,239.Midian, zieMadian.Midianieten of Aleikaieten; straffen op hen nedergezonden,XXVI,175en volg.Mier (De),XXVII, bl.410, n.,18.Mieren, zieVallei.Min (De),II,233.Min Douni-’illahi, beteekenis daarvan,II,21, n.Mina, een vallei,II,199.Minister van Pharao, zieHaman.Minnelijke schikking tusschen een man en eene vrouw,IV,127.Mirakel, zieMahomet.Mirakelen,XIII,30, n.Miriam, zieMaria.Misdaad,V,35—In het openbaarIV,23.—Van twee personen, Sodomie of Pederastie,IV,20, n.—Van vrouwen; overspel,IV,19, n.Misdaden, bestraffing daarvan,V,37.Moawiyah wil iemand in de spelonk zenden,XVIII,17, n.Moeder Gods, zieMaria.Moedverlies van twee der heerscharen,III,118.Mohajerin (De),IX,101; buitverdeeling,LIX,8.Mohammed, zieMahomet.Mohsinat, vrouwen van onberispelijk gedrag; straf van hare beschuldigers,XXIV,4.Monotheïsme, zieIslam.Moord,IV,95;V,35en volg.Moordaanslag op Mahomet,V,14, n.Moordenaar, zieOntdekking.Moslem,VI,163, n.—Aantal vrouwen, die hij wettelijk kan huwen,XXXIII,49. ZieSaad.Moslems moeten in de openbare vergaderingen plaats maken voor den profeet en de meer aanzienlijken hunner makkers,LVIII,12.—Woorden gericht tot hen, die zich bij den slag van Ohod omkeerden,LXI,2, n.—ZieSaad, zieZingende.Motofikat. ZiePentapolis.Mozes,II,48–58,81,86,249;IV,152;V,23en volg.;VI,84,91,155;X,76en volg.,83;XI,99;XVII,103;XIX,5;XXI,49;XXII,43;XXIII,47;XXV,37;XXIX,38;XXXII,23;XXXIII,69;XXXVII,114;XL,24en volg.;XLI,45;LI,38;LIII; 37;LXI,5;LXXXVII,19.—Hij verkrijgt water uit de rots,VII,160.—Zijn onderhoud met Pharao,VII,101; met God,139;XXVI,9en volg.;XXVIII,30en volg.;—Hij verschijnt voor Pharao,XX,60en volg.;XXVII,12.—Zijne geschiedenis,XX,8en volg.;39en volg.—Zijne opvoeding en avonturen,XXVIII,2en volg.—Hij gaat tot de samenvloeiing der beide zeeën,XVIII,59,60.—Zijne reis met zijn dienaar,XVIII,60en volg.—Zijne berisping van Aäron,XX,94; zieIsraëlieten, Gouden kalf.—Hij is gezant en profeet,XIX,52.—Door Pharao beschuldigd,XXVIII,38.—Aan Mahomet als voorbeeld getoond,XX,8, n.—Diens wedervaren met een brandend bosch,10, n.—Zijnestafin eene slang veranderd,18en volg. Hij vat de slang bij de kinnebakken,22, n.—Zijn spraakgebrek, ontstaan daarvan,29, n.—Hij wordt door zijne moeder te vondeling gelegd,39, n.—Zijne moeder wordt zijne zoogster,41, n.—Hij doodt een Egyptenaar,41, n.—Zijn broeder,44. n.—Verdeeling der zee,79.—Volk aanbidt den waren God gedurende de eerste twintig dagen van zijne afwezigheid,87.—Hij keert bedroefd tot zijn volk terug,88.—Belasterd,XXXIII,69.—Beveelt de Joden ’s vrijdags God te aanbidden,XVI,25, n.—Deeerste der ware geloovigen,VII,140.—Drenkt schapen voor vrouwen,XXVIII,24.—Zijn staf,30en volg.—En Mahomet, door de ongeloovigen, bedriegers genoemd,XXVIII,48.—En Pharao,II,47, n.—Licht bij zijne geboorte tusschen zijne oogen verschenen,XXVIII,6, n.—Zijne schoonheid,8.—Macht om teekens te toonen,XVII,103.—Met zeventig mannen bestijgen den berg,VII,154.—Ontvangt het bericht dat men omtrent zijn doodvonnis beraadslaagt,XXVIII,19.—Prediking,XVIII,59, n.—Verblijf in Egypte, voor hij zijne zending openbaarde,X,89, n.—Verblijf onder de Egyptenaren,XXVI,17.—Zijn behuwdvader, zieShoaïb.—Zijn broeder, zieAäron.—Zijn dood,XL,27.Muurbouw,XVIII,96, n.Muzelman,II,122, n.Muzelmannen (De), lofrede op hen,III,106;XLVIII,29.Mysteriën,II,2.

Maan gespleten; teeken van den jongsten dag,LIV,1, n.

Maan, hare verblijfplaatsen,XXXVI,39.

Maanden der Arabieren, Aantal daarvan,IX,36, n.

Madian, eene stad in Hejâz, Madianieten,VII,83;IX,71;XI85,98;XV,78;XXII,43;XXVI,176;XXVIII,21en volg.;XXIX,35;XXXVIII,12;L,13.

Madianieten, zieMadian.

Magiërs (De),XXII,17.

Magog, zieMajoej.

Mahomedanen, hunne gewoonte bij het bidden,XLVIII,29.

Mahomedanisme,IV,49, n.;XVI,111, n.

Mahomet of Mahomed,IV,80en volg.;LIII,1–9.—XLVII, bl.530,n.—Hij bekent een zondaar te zijn, 21.XXXII,2.—Hij is een ongeletterd profeet,VII,156,158.—Hij is in de Schriften aangeduid,VII,156.—Hij is door Mozes voorspeld,XLVI,2.—Hij is door Jezus voorspeldLXI,6.—Hij is het zegel der profeten,XXXIII,40.—Hij ontvangt de openbaring door de bemiddeling van den engel Gabriël,LIII,4en volg.—Hij heeft den engel Gabriël duidelijk gezien,LIII,7;LXXXI,23.—Hij is het voorwerp van laster en spotternijen,IX,61;XVI,105;XXV,5.—Hij is noch een dichter, noch een bezetene, noch een waarzegger,VII,183–188;XXI,3en volg.;LXIX,40en volg.;LXXXI,22.—Hij heeft droombeelden,XVI,100, n.—Hij wordt bestraft,LXXX,1–11.—Zijne godsdienstigheid,LXXIII,20.—Openbaringen die hem persoonlijk zijn gedaan.XXXIII,37;LXVII,1. n.—Eenige gebeurtenissen gedurende zijn apostelschap,XLVIII,24–27.—ZieBedr,Honein,Taboek,Aïsha. Zijne nachtelijke reis.XVII,1.—Eerbied dien men hem verschuldigd is,XLIX,2–7;LVIII,9–13.—Bekent de ware meening van eene plaats niet te begrijpen,LIV,45, n.—Beklaagt zich bij God, omtrent het lange uitblijven der hemelsche openbaringen,XCIII,3, n.—Zijn hart geopend in zijne kindsheid, of toen hij naar den hemel reisde,XCIV,1. n.—Beklimt den berg Jafa,XXVI,214, n.—Hij bezoekt heimelijk de huizen zijner volgelingen, 219, n.—Bij den dood van zijn zoon Abtar (kinderloos) genoemd.CVIII,3, n.—Diens voorval met een blinde.LXXX,2.—Draagt verschillende namen bij de Muzelmannen,LXI,6, n.—Dwingt de Koreïshieten, zich aan hem te onderwerpen,CX,2, n.—En zijne volgelingen,XXXIX,34, n.—Gods gezant,VI,20, n.;VII,157;XLVIII,29.—Hij verdeelt den buit onder de Mohajerin,LIX,8, n.—Laat een gracht graven,XXXIII,9, n.—Maakt den bewoners van Mekka bekend dat hij vredelievende bedoelingen omtrent hen heeft,XLVIII,18, n.—Hij schenkt genade aan tachtig ongeloovigen,24, n.—Zijne bedoeling bij de expeditie van Al Hodeibeiya,25, n.—Zijn droom te Medina,27, n.—Neemt Jezus passie niet aan,XIX,34, n.—Ontslaat verscheiden zijner manschappen,IX,43, n.—Verdedigt zich tegen zijne vijanden,XXII,41, n.—Verwacht de vergelding voor zijne prediking alleen van God,XXXIV,46, n.—Wordt bevolen niet ongeduldig te zijn,XX,113, n.—ZieProfeet.—Zijn aangenomen zoon, zieZeid.—Zijne vrouw, zieAïsha.—Zijn groot aantal vrouwen verweten,XIII,38, n.—Spreekt eene godslastering uit,XVI,100, n.—Diens voorouders, zieKosai.

Mahomets bevel bij de droefheid van zijn gezin,XX,132, n.—Beweldadigden,I,6.—Edelmoedigheid omtrent gevangenen,IX,27.—Familie, goede daad door deze verricht,LXXVI,7, n.—Gebed,XVII,82en volg.—Gevoelen, omtrent het dooden van den Egyptenaar door Mozes,XXVIII,14, n.—Gezegde omtrent de voortbrenging van een mirakel,VI,109, n.—Keuzen zijner vrouwen,XXXIII,6.—Lezing van den Koran,XXII,51.—Lijfwacht,V,71, n.—Manschappen roepen Gods ondersteuning in,VIII,9.—Macht,VI,57, n.—Offer,XXII,33, n.—Oom Hamza gedood,XVI,127, n.—Ouderdom toen hij de zending van profeet aannamX,17.—Reis naar den hemel,XVII,1, n.,57.—Terugkeer van de expeditie van Al Hodeibya,XLVIII,1, n.—Verblijf te Medina,IX,75, n.—Verbond met de lieden van den stam Koreidha,XXXIII,26, n.—Zijne vrouwen vragen om rijkere kleeding,28, n.—Vloek,XVII,12, n.—Voorrechten omtrent vrouwen,XXXIII,51.—Aantal vrouwen dat hij mocht nemen,52, n.—Vroegste metgezellen,II,12, n.—Vijanden,VI,123, n.—Vijand, zieAboe Jahl.—Godsdienst, zieArmen.

Majoej,XVIII,93.

Makkers van de spelonk,XVIII,8.

MalekEbn Dhor, vermoedelijk de persoon die Jozef uit de put trok,XII,19.

Malek, engel die bij de folteringen voorzit,XLIII,77.—Volgens de Mahomedanen, engel die met het opzicht der hel is belast,XLIII,77, n.

Maliënkolders, zieDavid.

Manna (De) en de kwakels,II,54;VII,160;XX,82.—ZieGod.

Manslag (De)IV,94.

Marracci, zieAl Beidâwi.

Maria of Mirjam, moeder van Jezus,III,31, n.,37–42;IV,169;V,79;XIX, bl.336, n.;16en volg.;XXI,91.—Zij wordt door de Israëlieten belasterd,IV,155, n.—Maakte nooit aanspraak moeder Gods te zijn,V,79, n.—En haar zoon zijn aan dezelfde behoeften en gebreken als de overige menschen onderworpen,V,79, n.—ZieGod.—ZieTwist, ZieZacharias.

Marias vlucht naar een palmboom,XIX,23, n.—BroederXIX,29.

Maroet, booze engel,II,96, zieHaroet.

Martelaren,XXXIII,23, n., zieZielen.

Maten en gewichten (Valsche) verboden,XI,69, n.

Medina,VIII, bl.211, n.—XXXIII,13.—XLVII, bl.530, n.—LVIII, bl.565, n.—ZieMekka.—Zievlucht.—ZieVluchtelingen.—ZieYathreb.

Meester der trappen, waar langs de engelen ten hemel stijgen,LXX3, n.—Des heelals,I1, n.

Meesters van de kuil,LXXXV,4.

Meisjes kunnen geen priesterlijken dienst verrichten,III,31, n.

Mekka of Bekka,III,90;VI, bl.171, n.;VII, bl.189, n.;XII, bl.260, n.;XIII. bl.276, n.;XVI, bl.294;XVII, bl.309, n.;XIX, bl.336, n.;XXII, bl.365, n.;XXVI, bl.400, n.;XXVIII419, n.;XXIX, bl.429, n.;XXXIX, bl.491, n.;XLII, bl.510, n.;XLIII, bl.515, n.;XLIV, bl.520, n.;XLVIII,24;LVbl.555, n.;LVII, bl.562, n.;LXI, bl.574, n.;LXIV, bl.578, n.;LXXIII, bl.596, n.;LXXVI, bl.601, n.;LXXXIV, bl.612, n.;LXXXIX, bl.617, n.;XCVI, bl.622, n.;CVIII, bl.622, n.;CVIII, bl.629, n.—ZieMedina.

Mekka’s bewoners willen een engel zien,VI,111, n.

Menat, zieEl-Lat.

Mensch (De), zijne schepping,II,28, n.;VI,98;XXII,5;XXIII,12en volg.;XXXII,6en volg.;XXXVI,77,78;XL,69;LXXX,18en volg.;LXXXVI,6en volg.—Zijn natuur,XVII,12:XXI,38;LXX,19.—Hij is zwak geschapen.IV,32.—Hij is geschapen van klei,X,23en volg.;XV,26.—Hij is onstandvastig,XXII,11.—Hij is ondankbaar,II,28, n.;XVII,69,85;XXIX,65;XXX35;LVI,61en volg.—Hij is haastig van aard,XVII,12.

Menschen (De) zijn allen uit een eenling gesproten,IV,I.—Zij belasten zich met de bewaring van het geloof,XXXIII,72.—In het begin baden zij slechts één God aan,X,20.—Zij vormden slechts een enkel volk,II,209.—In verzoeking brengenVI,128, n.

Menschelijk geslacht (Het) heeft reeds vóór de schepping God leeren gehoorzamen,VII,171.

Merwa, berg bij Mekka,II,153, zieSafa.

Messias (De)IV,156,170;V,76en volg.—God zou hem kunnen vernietigen als het diens wil was,V,20.

Mestab, neef van Aboe Bekr,XXIV,22, n.

Met den mantel bedekte,LXXIV, bl.598, n.

Michaël (De engel),II,92.

Middengebed,II,239.

Midian, zieMadian.

Midianieten of Aleikaieten; straffen op hen nedergezonden,XXVI,175en volg.

Mier (De),XXVII, bl.410, n.,18.

Mieren, zieVallei.

Min (De),II,233.

Min Douni-’illahi, beteekenis daarvan,II,21, n.

Mina, een vallei,II,199.

Minister van Pharao, zieHaman.

Minnelijke schikking tusschen een man en eene vrouw,IV,127.

Mirakel, zieMahomet.

Mirakelen,XIII,30, n.

Miriam, zieMaria.

Misdaad,V,35—In het openbaarIV,23.—Van twee personen, Sodomie of Pederastie,IV,20, n.—Van vrouwen; overspel,IV,19, n.

Misdaden, bestraffing daarvan,V,37.

Moawiyah wil iemand in de spelonk zenden,XVIII,17, n.

Moeder Gods, zieMaria.

Moedverlies van twee der heerscharen,III,118.

Mohajerin (De),IX,101; buitverdeeling,LIX,8.

Mohammed, zieMahomet.

Mohsinat, vrouwen van onberispelijk gedrag; straf van hare beschuldigers,XXIV,4.

Monotheïsme, zieIslam.

Moord,IV,95;V,35en volg.

Moordaanslag op Mahomet,V,14, n.

Moordenaar, zieOntdekking.

Moslem,VI,163, n.—Aantal vrouwen, die hij wettelijk kan huwen,XXXIII,49. ZieSaad.

Moslems moeten in de openbare vergaderingen plaats maken voor den profeet en de meer aanzienlijken hunner makkers,LVIII,12.—Woorden gericht tot hen, die zich bij den slag van Ohod omkeerden,LXI,2, n.—ZieSaad, zieZingende.

Motofikat. ZiePentapolis.

Mozes,II,48–58,81,86,249;IV,152;V,23en volg.;VI,84,91,155;X,76en volg.,83;XI,99;XVII,103;XIX,5;XXI,49;XXII,43;XXIII,47;XXV,37;XXIX,38;XXXII,23;XXXIII,69;XXXVII,114;XL,24en volg.;XLI,45;LI,38;LIII; 37;LXI,5;LXXXVII,19.—Hij verkrijgt water uit de rots,VII,160.—Zijn onderhoud met Pharao,VII,101; met God,139;XXVI,9en volg.;XXVIII,30en volg.;—Hij verschijnt voor Pharao,XX,60en volg.;XXVII,12.—Zijne geschiedenis,XX,8en volg.;39en volg.—Zijne opvoeding en avonturen,XXVIII,2en volg.—Hij gaat tot de samenvloeiing der beide zeeën,XVIII,59,60.—Zijne reis met zijn dienaar,XVIII,60en volg.—Zijne berisping van Aäron,XX,94; zieIsraëlieten, Gouden kalf.—Hij is gezant en profeet,XIX,52.—Door Pharao beschuldigd,XXVIII,38.—Aan Mahomet als voorbeeld getoond,XX,8, n.—Diens wedervaren met een brandend bosch,10, n.—Zijnestafin eene slang veranderd,18en volg. Hij vat de slang bij de kinnebakken,22, n.—Zijn spraakgebrek, ontstaan daarvan,29, n.—Hij wordt door zijne moeder te vondeling gelegd,39, n.—Zijne moeder wordt zijne zoogster,41, n.—Hij doodt een Egyptenaar,41, n.—Zijn broeder,44. n.—Verdeeling der zee,79.—Volk aanbidt den waren God gedurende de eerste twintig dagen van zijne afwezigheid,87.—Hij keert bedroefd tot zijn volk terug,88.—Belasterd,XXXIII,69.—Beveelt de Joden ’s vrijdags God te aanbidden,XVI,25, n.—Deeerste der ware geloovigen,VII,140.—Drenkt schapen voor vrouwen,XXVIII,24.—Zijn staf,30en volg.—En Mahomet, door de ongeloovigen, bedriegers genoemd,XXVIII,48.—En Pharao,II,47, n.—Licht bij zijne geboorte tusschen zijne oogen verschenen,XXVIII,6, n.—Zijne schoonheid,8.—Macht om teekens te toonen,XVII,103.—Met zeventig mannen bestijgen den berg,VII,154.—Ontvangt het bericht dat men omtrent zijn doodvonnis beraadslaagt,XXVIII,19.—Prediking,XVIII,59, n.—Verblijf in Egypte, voor hij zijne zending openbaarde,X,89, n.—Verblijf onder de Egyptenaren,XXVI,17.—Zijn behuwdvader, zieShoaïb.—Zijn broeder, zieAäron.—Zijn dood,XL,27.

Muurbouw,XVIII,96, n.

Muzelman,II,122, n.

Muzelmannen (De), lofrede op hen,III,106;XLVIII,29.

Mysteriën,II,2.


Back to IndexNext