VI.

VI.Kort Overzicht van de Geschiedenis der Turken, voornamelijk in hunne verhouding tot het overige Europa.11Dit overzicht is een omwerking van het voor den tweeden druk van deze Nederlandsche uitgave van den koran bewerkte overzicht door Mr. F. A. de Graaff, oud-leeraar in de geschiedenis aan de H.B. School te Haarlem. Het is samengesteld, niet naar de bronnen zelf, maar met gebruikmaking der belangrijkste algemeene werken over de Turksche geschiedenis. Daaronder zijn vooral te noemen:J. von Hammer,Geschichte des Osmanischen Reiches(Pest, 1827–1835, 10 deelen).J. W. Zinkeisen,Geschichte des Osmanischen Reiches in Europa, (in de Geschichte der europäischen Staaten, herausgegeben von A. H. L. Heeren und F. A. Ukert, Hamburg, Perthes 1840–1863, 7 deelen).N. Jorga,Geschichte des osmanischen Reiches(Gotha, Perthes, 1911; 4 deelen).Voor een beknopt overzicht zijn aan te bevelen:H. de la Jonquière,Histoire de l’Empire ottoman (collection Duruy), 1881.Stanley Lane-Poole,Turkey (in: the Story of the Nations, T. Fisher Unwin, London, G. P. Putnam’s sons, New-York, 1888).Voor de 16e en 17e eeuw is van groot belang:Leopold von Ranke,die Osmanen und die Spanische monarchie im 16 und 17 Jahrhundert (in: sämmtliche Werke, band 35 en 36, Leipzig, 1877).I. Inleiding.Toen Mohammed in 632 stierf, was zijn geboorteland voor zijn godsdienst gewonnen. Juist honderd jaar later streden de Arabieren bij Poitiers in Frankrijk; daar werd de uitbreiding van den Islam in West-Europa tot staan gebracht. Het rijk, waarover de kaliefen, opvolgers van Mohammed, regeerden en waarvan Bagdad in het midden der achtste eeuw de hoofdstad werd, strekte zich toen uit van den Indus tot den Atlantischen Oceaan en omvatte Arabië, Syrië, Armenië tot den Kaukasus, Perzië, een deel van Turkestan, Egypte, de Noordkust van Afrika, Spanje en het eiland Cyprus. Dit kalifaat met zijn zonderlingen vorm, met de zoo verschillende natiën, die er toe behoorden, bleef niet lang één staatkundig geheel.Binnenlandsche twisten leidden tot verbrokkeling: in de tiende eeuw staan zelfstandig naast de kaliefen van Bagdad die van Cairo en Cordova. Geen van drieën kon toen meer op groote, inwendige kracht bogen.In het kalifaat van Bagdad maken we kennis met de Turken. Deze worden gerekend tot een groep van volkeren, die men gezamenlijk het oeralo-altaïsche (tusschen Oeral en Altaï wonende) ras noemt en waaronder misschien evenals onder de Indo-Europeërs verwantschap bestaan heeft, zonder dat dit tot nog toe even duidelijk als bij de Indo-Europeërs is aangetoond geworden. Hebben de zoogenaamde oeralo-altaïsche volkeren een zelfden oorsprong, dan is in elk geval het onderling verschil nog veel grooter geworden dan bij de Indo-Europeërs: wie zou nu tusschen Tataren, Mongolen, Kirgiezen, Mantsjoe’s, Jakoeten, Toengoezen aan den éénen kant, Hongaren, Finnen, Lappen aan den anderen kant verwantschap gaan zoeken, zonder de oudere geschiedenis dier volkeren te kennen?De oudste ons bekende woonplaats der Turken is Turkestan, zoowel het nu tot Russisch-Azie behoorende land van dien naam als het tot China behoorende Oost-Turkestan. Daar signaleerden hen in de vijfde eeuw na Christus de Chineezen als Tou-kioue, terwijl in het Byzantijnsche of Grieksche rijk in dezelfde eeuw de naam Tourkoi genoemd wordt. Het militaire gevoel was bij hen zeer sterk ontwikkeld. Zij waren in de eerste plaats soldaten, trekkende, waarheen de fortuin hen voerde, levende, als het mogelijk was, op vaste plaatsen, maar die ook gemakkelijk verlatende, als een sterkere kwam, die hen er uitdreef. Het soldatenleven ontwikkelde bij hen een buitengewoon sterk plichtsgevoel met een levendigen zin voor discipline en hiërarchie. “Een Turk te paard kent zijn vader niet,” “Als men ’t huis uws vaders aanvalt, valt mede aan”, zijn bekende Turksche gezegden uit dien ouden tijd.Voor een dergelijk volk moest de Islam met zijne martiale eigenschappen veel aantrekkelijks hebben. Met overpeinzingen over de waarde van een of ander godsdienstig stelsel hebben de Turken, weinig bespiegelend aangelegd als zij zijn, zich nooit druk gemaakt. Evenals het vroeger tot hen gekomen Boeddhisme en het Nestoriaansch Christendom aanhang onder hen gevonden hadden, zoo ook de Islam, toen die hun land in de zevende eeuw bereikte.De Islam opende hun nieuwe wegen om zich uit te breiden. Tot nog toe hadden zij zich meest naar het Westen verplaatst. Nu stond voor hen ook de weg naar het Zuidwesten, naar Iran, open, waar het Nieuw-Perziche rijk der Sassaniden, begunstigd door de natuurlijke grensgesteldheid tot hen, aan de komst van den Islam had kunnen tegenhouden. In grooten getale maakten zij daarna weldra hunne opwachting in het Kalifaat van Bagdad en traden in dienst der Abassiden, het toenmalige kaliefengeslacht. Met hun optreden in Voor-Azië beginnen nieuwe veroveringender Mohammedanen; het laatste overblijfsel van het Byzantijnsche rijk in Azië, Klein-Azië of Roem (= land der Romeinen), werd door de Turken veroverd. Maar door hen begint ook de verbrokkeling van het Kalifaat van Bagdad in een aantal kleine staatjes onder verschillende dynastieën, die den kalief slechts in naam als hun meester erkennen. Meer direct wordt de kalief bedreigd door de ook al uit Turken bestaande lijfwacht, wier hoofd, de emir-al-omra, hem op den duur gaat overheerschen. Het culminatiepunt in die ontwikkeling wordt bereikt, wanneer kalief Kalem in het midden der elfde eeuw den wegens zijn godsdienstijver bekenden Togroel-Beg, het hoofd der Seldsjoeksche1Turken, naar Bagdad roept en proclameert tot sultan van het Oosten en Westen: deze krijgt dus de wereldlijke macht, de kalief behoudt alleen de geestelijke.De sultan of, zooals men hem meestal noemde, de atabêk, die te Mosoel resideerde, kon op den duur evenmin als de kalief een krachtig centraal gezag handhaven. Onder hem waren verschillende sultans, leenvorsten eigenlijk, die zich van den atabêk feitelijk losmaakten, zoodat de verbrokkeling, reeds onder de kaliefen ontstaan, bleef voortduren. Het belangrijkste der zoo ontstaande rijkjes vond men in Klein-Azie, met Iconium en later Nicaea, dus vlak in de buurt van Constantinopel, als hoofdstad. In denzelfden tijd kregen andere Turksche stammen veel invloed in het kalifaat van Caïro, waartoe een groot deel van Syrië behoorde, en ook hier begon nu een dergelijke verbrokkeling.Zoo was de toestand, toen vooral in de twaalfde eeuw de kruistochten plaats hadden. Die merkwaardige beweging, voortgekomen uit een hooggespannen godsdienstig gevoel bij de volken van West-Europa, dat die volken heeft doen samenwerken tot één doel, zooals later zelden meer voorgekomen is, scheen voor een oogenblik in den toestand in het Oosten groote veranderingen te zullen aanbrengen. Het Byzantijnsche rijk werd tijdelijk ontlast van de bedreiging uit het Oosten; het kreeg zelfs een deel van Klein-Azië, door de kruisvaarders veroverd, terug. Langs de Oostkust der Middellandsche Zee, in het oude land van Phoeniciërs en Israëlieten, werden de Mohammedanen teruggedreven en verschillende kleine Christelijke staten vormden zich daar, in naam vereenigd onder het koninkrijkJeruzalem. Maar het was voor de Christenen een blijdschap van korten duur. De Turken, onderling verdeeld, toen de Christenen kwamen, vereenigden zich en vonden verschillende voortreffelijke leiders, waaronder een eerste plaats inneemt Salah-ed-Din, uit den stam der Koerden, wiens vader groote macht had weten te verkrijgen in Egypte en die zelf aan het kalifaat van Caïro feitelijk een einde gemaakt had en behalve heerscher over Egypte ook heerscherover geheel Syrië en Mesopotamië geworden was. Tegenover die eenheid aan de zijde der Mohammedanen stond weldra een verdeelde Christenwereld in het Oosten, die tegen de aanvallen van Salah-ed-Din en zijne voorgangers niet bestand bleek. De ééne Christelijke staat vóór, de andere na verdween, de meeste reeds in de tweede helft der twaalfde eeuw. Onder moeilijke omstandigheden bleven enkele plaatsen tot het einde der dertiende eeuw in handen van een naam-koning vanJeruzalem; het eiland Cyprus, ook door de kruisvaarders veroverd, zelfs tot 1489, toen het aan Venetië kwam.Reeds lang vóór het einde der dertiende eeuw had het groote rijk van Salah-ed-Din zijne voornaamste rol uitgespeeld. Zijne opvolgers behielden op den duur alleen Egypte en een deel van Syrië. In het Oosten hadden ook zij te lijden gehad van de beweging der Mongolen. Als afzonderlijke natie beginnen dezen van zich te doen spreken in de elfde en twaalfde eeuw. Onder hun grooten aanvoerder Temoedsjin, die den titel van Dzjengis-Khan aannam, hadden zij China veroverd en zich daarop naar het Westen gekeerd, ook daar alles neerwerpende, wat hun tegenstand wilde bieden. Na Temoedsjin’s dood drongen ze door in Europa, kwamen door Rusland in Hongarije, Polen, Boheme, Silezië, Moravië, Illyrië, maar keerden toen terug, onoverwonnen. Alleen Rusland bleef langen tijd onderworpen aan het rijk van Kiptschak, ook wel het rijk der Gouden Horde genoemd, één der Mongoolsche rijken, die sedert de dertiende eeuw in Azië bestonden. Voor-Azië heeft den minsten last van hen gehad. Wel werd Perzië veroverd, wel maakte Hoelagoe, broeder van den keizer van China, een einde aan het kalifaat van Bagdad door deze stad in te nemen en den laatsten kalief te vermoorden (1258), maar noch in het Westen van Syrië noch in Klein-Azie vestigden zij hunne macht.Door al de veranderingen, die in de twaalfde en dertiende eeuw plaats vonden, was het rijk der Seldsjoeksche Turken verdwenen behalve in een deel van Klein-Azie. Daar vinden we in het begin der veertiende eeuw nog een Seldsjoeksch rijk, verdeeld in tien emiraten, die sedert 1307 allen geheel zelfstandig waren. Eén van die tien vereischt in het bijzonder onze aandacht, want daar heerschte toen Osman, naar wien de door hem geregeerde stam de Osmanli of Osmanen heet. Zijn grootvader Suleïman, zoo luidt de overlevering, kwam uit Khorassan met een groot aantal Turken naar het Westen getogen, maar verdronk in de Eufraat. Zijn dood deed zijne volgelingen uiteengaan. Twee zoons met een vierhonderd families trokken naar Klein-Azie. Daar dichtbij komende, aanschouwden ze in de verte een veldslag. Zij besloten de zwakste partij te hulp te komen en bezorgden daardoor dezen de overwinning. De verslagenen waren Mongolen, de overwinnaars Seldsjoeken. Dier sultan Ala-ed-Din gaf uit dankbaarheid aan Erthogroel, den zoon van Suleïman, en de zijnen woonplaatsenin het Noorden van Klein-Azië. Erthogroel’s zoon was Osman, die, evenals de andere emirs, in 1307 zelfstandig vorst werd van zijn rijkje, Sultan-Oeni geheeten. Hij was de eerste der Osmanen, die tot den Islam overging; zijne onderdanen volgden hem hierin even trouw als in den krijg.Het bescheiden gebied van het Osmanische rijk werd spoedig vergroot, want de Osmanen waren strijdvaardig en in hunne buurt lagen de overblijfselen van de Grieksche macht in Klein-Azië, voornamelijk enkele steden als Nicaea, Broessa, Nicomedia, Philadelphia en verschillende sterke kasteelen. De Seldsjoeken, sedert lang sedentair, hadden hunne krijgersgewoonten afgelegd; hun Islam verdroeg zich met het Grieksche Christendom. Met den Islam der Osmanen was dit niet het geval. Spoedig begonnen hunne aanvallen eerst op de Grieksche bezittingen in Klein-Azië, toen op het Grieksche rijk in Europa zelf.Hoe was toen de toestand hiervan? Het is noodig ons dien duidelijk voor te stellen om te kunnen begrijpen, hoe de aanvallen der Turken betrekkelijk zonder veel moeite slaagden. Er is geen rijk, dat na de groote volksverhuizing in West-Europa meer te lijden gehad heeft van allerlei volkeren dan het Grieksche, dat letterlijk van alle kanten bestormd geworden is: door de Mohammedanen in Azië en Afrika, door verschillende Slavische en Oeralo-Altaïsche volkeren in Europa. In Azië en Afrika verloor het, zooals we reeds opmerkten, bijna alle grondgebied. Enkele van de invallen doende volkeren vestigden zich in het Noorden van het rijk in Europa: zoo de Boelgaren, van Oeralo-Altaïschen oorsprong, maar op den duur geslavoniseerd, ten Zuid-Oosten van de Donau, in het Noorden van Macedonië en Thracië, vanwaar ze soms zelfs Constantinopel bedreigden; zoo verschillende Slavische stammen. Dezen verspreidden zich, soms met, soms tegen den wil des keizers, zoo wat door alle deelen van het Balkan-schiereiland; men vindt ze in Thracië, Macedonië, Epirus, Thessalië en zelfs hier en daar in Midden-Griekenland en in den Peloponnesus, maar in compacte massa vooral in het Noord-Westen. De Slaven daar vormden een uitlooper van de Slavische opmarsch naar de Elbe, die een gevolg van de groote verhuizing van Germaansche stammen naar het Westen was. Verschillende streken, sedert door Slavische volksstammen bewoond, als Kroatië, Slavonië, Karinthië, de Krain, Stiermarken, werden van het Grieksche rijk losgerukt en maakten later deel uit van Oostenrijk of Hongarije, het laatste bewoond door een volk van Oeralo-Altaïschen oorsprong, dat zich in de negende eeuw in de Donau-vlakte had neergezet. Zuidelijker, waar zich vooral Serviërs vestigden in ’t tegenwoordige Bosnië, Herzegowina, Montenegro, Servië, bleef de Grieksche heerschappij eenigermate bestaan, wanneer ten minste de keizers krachtig waren. Zoo was het ook bij de Boelgaren, die in de tiende eeuw geheel zelfstandig waren, totdat ze in het begin der elfde ten tijde van de krachtige keizersuit het Macedonische geslacht weêr werden bedwongen.Al die nieuwe volkeren in het Balkan-schiereiland werden weldra Christenen en wel meest allen bekeerd van Constantinopel uit. Zij behoorden dus na de scheiding van de Katholieke kerk in een Grieksche en een Roomsche tot de eerste, evenals hunne Slavische stamgenooten in Oost-Europa, de Russen, terwijl daarentegen andere Slaven als de Polen, de Czechen, de in Hongarije en Oostenrijk wonende Slaven en ook een minderheid van Serviërs tot de Roomsch-Katholieke kerk behoorden. Grieksch-Katholiek was ook een volk van twijfelachtige afkomst, de Walachen, die zich tegenwoordig meestal Roemenen noemen. Het is onnoodig hier in te gaan op de vraag, of de Roemenen werkelijk afstammen van in de dagen van keizer Trajanus in de Romeinsche provincie Dacië (Oostelijk Hongarije) geplante Romeinsche kolonisten dan wel of zij een volk van Slavischen oorsprong zijn, dat een in hoofdzaak Romaansche taal aangenomen heeft. Dit volk vinden we in de twaalfde eeuw behalve op hunne oude woonplaatsen, namelijk vooral in Zevenburgen, ook in de zoogenoemde Donauvorstendommen Moldavië en Walachije (het tegenwoordige koninkrijk Roemenië) en verder verspreid door bijna het geheele Grieksche rijk: van Boelgarije tot in den Peloponnesus komen hunne nederzettingen voor evenals die der Slaven.Het laat zich alleen denken, welk een schrikbarende veranderingen al deze vestigingen van vreemde volken in het Balkanschiereiland onder de daar wonende bevolking van Hellenen en gehelleniseerden hebben teweeggebracht. Toch blijft het Grieksche rijk te midden dezer stormen in zijn kern, d.w.z. het oude Griekenland met Albanië, Macedonië en Thracië, bestaan. Dit is niet een gevolg van krachtige keizersregeeringen, want die waren te tellen, maar van het feit, dat er in den kern van het rijk een beschaving was, het Hellenisme genoemd, sterk genoeg om vele schokken te verdragen en ook om de zich verspreid vestigende Slaven en Roemenen in zich op te nemen. Daarentegen behielden de volkeren, die zich in het Noorden in compacte massa vestigden, hunne nationaliteit, al waren ze niet altijd staatkundig van de Grieksche keizers onafhankelijk.De doodsteek voor het Grieksche rijk kwam niet uit het Oosten en ook niet uit het Noorden, vanwaar het steeds het meest bedreigd geworden was, maar uit het Westen. Zuid- Oost- en West-Europa stonden sedert lang op staatkundig en op godsdienstig gebied tegenover elkander: de Duitsche keizers maakten, als de gelegenheid zich voordeed, aanspraak op het vroegere Oost-Romeinsche rijk en de Grieksche keizers hadden hunne aanspraken op het Westen niet geheel vergeten; de pausen te Rome wilden niets liever dan hereeniging der Grieksche met de Roomsche kerk. Dit waren de oorzaken, dat de zoogenaamde Latijnsche kruistocht zich tegen Constantinopel richtte; de aanleiding was, dat de handelsbelangen van Venetië, toen degroote handelsmogendheid in het Oostelijk bekken der Middellandsche Zee, bij een revolutie te Constantinopel, op een schromelijke wijze benadeeld waren. In 1204 namen kruisvaarders Constantinopel in en het Grieksche rijk maakte plaats voor een Latijnsch keizerrijk.Dit nieuwe rijk is voortdurend krachteloos geweest. Vooral Venetië had er veel invloed: het bewerkte een verdeeling van het Zuidelijk Balkanschiereiland in een aantal leenstaatjes, in naam afhankelijk van den Latijnschen keizer, in werkelijkheid veelal van de stad van St. Marcus. Zelf annexeerde deze een deel van de kuststreek aan Adriatische en Ionische Zee, de Ionische eilanden, Creta en verschillende eilanden in de Aegeïsche Zee. Zoo werd Venetië ook een politieke macht van groote beteekenis in het Oosten. De verdeeldheid werd te grooter, omdat hier en daar een overblijfsel van Grieksche macht bleef bestaan; zoo handhaafde zich in Epirus een bastaard uit het laatste keizersgeslacht der Angeli; in Trebizonde, aan de Zuidkust der Zwarte Zee, hield zich een lid van het voorlaatste keizersgeslacht, dat der Comnenen, staande, met den weidschen titel van keizer, terwijl in Nicaea Theodorus Lascaris zich ook een miniatuur-keizerrijk stichtte.De lijdensgeschiedenis van het Latijnsche rijk, vol van inwendige twisten over godsdienstige en politieke vraagstukken, vol van strijd tegen Walachen en Boelgaren, tegen het keizerrijk Nicaea en den despoot van Epirus, eindigde in 1261. Theodorus Lascaris en zijne opvolgers in Nicaea hadden door een handige diplomatie en een flinke krijgvoering hunne positie veel weten te versterken: zij hadden een goede verstandhouding onderhouden met de Seldsjoeksche Turken—de Osmanen waren er toen nog niet—en zich aan die zijde rust verschaft; stap voor stap verwierven ze eenige steunpunten voor hunne macht in Europa, en nadat een paleisrevolutie in 1259 het geslacht van Lascaris vervangen had door dat der Paleologen, wist één der veldheeren van Michaël VIII, den eersten keizer uit het nieuwe geslacht, twee jaar later Constantinopel bij verrassing te heroveren.Er was weêr een Grieksch rijk, maar de kracht bleef er uit. De verdeeldheid in den ouden kern kon niet meer worden opgeheven. De heerschappij der Paleologen heeft zich nooit verder uitgestrekt dan over het vroegere keizerrijk Nicaea, over Constantinopel, Thracië, Macedonië, een deel van Thessalië en van den Peloponnesus, enkele eilanden in de Aegeïsche en de Ionische Zee. Verder was er een wanhopig groot aantal kleine staatjes: Epirus, waartoe ook het Westelijk deel van Midden-Griekenland behoorde, onder de Angeli, en sedert het begin der 14e eeuw onder vorsten uit andere geslachten; een hertogdom Athene, overblijfsel uit den tijd van het Latijnsche rijk, omvattende het Oostelijk deel van Midden-Griekenland; een hertogdom Achaie, omvattende een groot deel van den Peloponnesus; deVenetiaansche bezittingen, waarvan verschillende als leenstaten door aanzienlijke Venetiaansche geslachten geregeerd werden; enkele geheel autonome steden als Pellena en Tritaea in den Peloponnesus; de bezittingen van de Johanniter ridderorde, bepaaldelijk het eiland Rhodus. In het Noorden waren de daar wonende volken nu geheel onafhankelijk: Montenegro reeds sedert het midden der elfde eeuw; Servië sedert de tweede helft der twaalfde, terwijl toen ook in Bosnië zelfstandige vorsten voorkwamen; evenzoo de Boelgaren en Walachen, in het begin der dertiende eeuw een tijdlang vereenigd onder den bekenden czaar Johannitza, maar na diens dood elk op zich zelf staande: Walachije en Moldavië vormden toen afzonderlijke vorstendommen onder voïvodes, maar Moldavië was dikwijls afhankelijk van Hongarije en had veel te lijden van zijn Noordelijke buren, de Polen. Aan de kust van de Adriatische Zee vinden we behalve het Venetiaansche gebied nog enkele zelfstandige steden als Ragusa, terwijl de koningen van Napels regeeren over Durazzo en het eiland Corfu. Herinneren we ons verder het nog steeds voortbestaande keizerrijk Trebizonde, vermelden we het in Zuid-Oostelijk Klein-Azië sedert het optreden der Muzelmannen ontstane Christelijke koninkrijk Armenië en de bezittingen van Genua, de groote mededingster van Venetië op handelsgebied, vooral aan de zee van Azof, dan hebben we een overzicht van den politieken toestand der streken, waarin de Osmanen gaan optreden.Zuid-Oost-Europa in ±1350Zuid-Oost-Europa in ±1350In het Balkan-schiereiland heerschte dus een zeldzame anarchie. Wie zou aan het land zijn staatkundige eenheid teruggeven? In het midden der veertiende eeuw kon men dit in Europa zelf verwachten van Serviërs en Boelgaren, toen nauw verbonden tijdens den Servischen koning Stephanus Doughan, die zijne heerschappij zelfs over het grootste deel van Macedonië uitgebreid had, daardoor het Grieksche keizerrijk als met een wig in twee deelen scheidend, en tevens over bijna alle westelijke provinciën van het keizerrijk behalve over den Peloponnesus,2die ook stellig gestreefd heeft naar een Servisch rijk over heel den Balkan. Maar hij stierf in 1355, en met hem viel zijn rijk in stukken uiteen. En in dienzelfden tijd verschenen de Osmanen in Europa.1Aldus genoemd naar een vroegeren aanvoerder Seldsjoek; zij woonden in de buurt van Bokhara.2Opkaart no. 1, Zuid-Oost-Europa in ± 1350, vindt men dit rijk aangegeven. Men lette er op, dat dit kaartje den toestand geeft in ± 1350; in het jaar 1350 zelf was de toestand op papier anders, omdat toen juist een vrede gesloten werd, waarbij Doughan een groot deel van zijne veroveringen aan den keizer moest afstaan, maar die vrede is door Doughan niet erkend en niet ten uitvoer gelegd.II. De Opkomst en Bloei der Turksche macht in Europa.Van Sultan-Oeni uit breidde zich de macht der Osmanen langzaam, maar zeker uit over het Grieksche deel van Klein-Azië. Langzaam, want hun aantal, hoewel spoedig vergroot door verschillende vechtlievende elementen uit de Seldsjoeken, uit de Mongolen en zelfs uit de Grieken, bleef voorloopig gering. Toch volgden de veroveringen elkander regelmatig op: na een aantal kleinere Grieksche kasteelen werd in 1317 Broessa genomen door Osman’s zoon Ourkhan; toen kwamen Nicomedia (1326), Nicaea (1330) aan de beurt onder de regeering van Ourkhan zelf, die tevens Broessa tot zijn hoofdstad maakte. Groote gematigdheid kenteekende het optreden der Osmanen in den beginne: de Grieksche bevolking van de veroverde steden kreeg vrijen aftocht met haar hebben en houden; velen maakten van deze vergunning geen gebruik, maar namen den Islam aan.Chalcedon (Skoetari) en Philadelphia bleven nu de eenige bezittingen der Grieken in Klein-Azië. Vóórdat deze genomen werden, staken de Osmanen reeds naar Europa over. Dit werd te beter mogelijk, doordat onder hen een staand leger georganiseerd was door Ala-ed-Din, den eersten Turkschen vizier, den broeder van Ourkhan. Het was een leger gedeeltelijk bestaande uit wat men zou kunnen noemen leensoldaten, zij namelijk, die tegen verplichting van militairen dienst land ten gebruike kregen, en gedeeltelijk uit huurlingen. Onder de infanterie was spoedig het meest beroemde corps dat der Janitsaren (Yeni-Cheri, nieuwe troepen), gevormd uit van onderworpen Christenen afgenomen jonge kinderen, jaarlijks ongeveer duizend, die in den Islam opgevoed werden en van hun jeugd af op de wijze der Spartanen geheel voor den krijgsdienst gehard; de inrichting, eigenlijk een schepping van Kara-Khalil-Tcherendeli, een oom van Ourkhan, berustte op de uitspraak van den Koran, dat alle kinderen bij hunne geboorte neiging tot den Islam vertoonen; het corps kreeg groote privileges, hooge soldij, terwijl dapperheid in hooge mate beloond werd. Onder de ruiterij namen de Sipahi een eerste plaats in. Naast deze en andere geregelde troepen stonden verschillende ongeregelde, lichtbewapende, met wie een gevecht gewoonlijk begonnen werd. Dit vaste, geoefende leger gaf den Turken een grooten voorsprong boven de legers van welk land van Europa dan ook, waarmede ze eerst te kampen zouden krijgen; nergens vond men in het midden der veertiende eeuw een dergelijke instelling.De Turksche geschiedschrijvers verklaren het oversteken van de Osmanen over den Bosporus uit een droom van Suleïman, gouverneur van Nicaea, één der zonen van Ourkhan. Een ander verhaal zegt, dat keizer Johannes VI Suleïman te hulp riep in binnenlandsche moeilijkheden, zooals die in den laatsten tijdvan het bestaan van het Grieksche rijk meermalen voorkwamen. Suleïman bezette op zijn tocht naar Europa in 1353 het kasteel Tsympe bij Gallipoli en drie jaar later Gallipoli zelf, toen de muren van die stad ten gevolge van een aardbeving ingestort waren: dit was goddelijke voorbeschikking, verklaarden de Osmanen aan den protesteerenden Johannes VI, en zij behielden de stad. Nu volgden de veroveringen in Thracië elkander snel op. Moerad I, zoon en opvolger van Ourkhan († 1359), nam de belangrijke stad Adrianopel (1361) en vestigde daar den hoofdzetel van zijne macht in Europa (1365).De machtsontwikkeling der Osmanen wekte naijver zoowel bij de Oostelijke als bij de Noordelijke naburen. De eersten, de Seldsjoeken, waren het minst te duchten; Moerad heeft in een eersten oorlog tegen hen een paar der Seldsjoeksche rijkjes veroverd (1388). Gevaarlijker was het verzet, dat uit het Noorden kwam, vooral van de Serviërs en Bulgaren, die zich bedreigd achtten. Verder reeds werkte de Turkenvrees: de pausen, uit wier politiek het hervatten van de kruistochtbeweging nooit geheel geschrapt was, gingen trachten een kruistocht tegen de Muzelmannen in Europa te organiseeren. Het eerst deed dit paus Urbanus V, maar in het Westen bestond voor de zaak nog geen genoegzame belangstelling. Het waren voorloopig alleen de onmiddellijk bedreigden, die zich ernstig inspanden de Turken uit Europa te verjagen. Verbindingen werden daartoe aangeknoopt door de Hongaren onder hun koning Lodewijk den Grooten, de Serviërs onder Voukachine en Ougliecha, twee broeders, die regeerden in het onder Stephanus Doughan veroverde deel van Macedonië, de Bosniërs onder hun ban Tvertko, de Boelgaren onder hun czaar Sischman, de Walachen onder hun voïvode Mircea. Nog vóórdat alle bondgenooten hunne troepen gezonden hadden, overviel een bevelhebber van Moerad I een voornamelijk uit Serviërs bestaand leger bij Tschirmen1aan de rivier de Maritza en behaalde een glansrijke overwinning. Macedonië werd leenplichtig aan de Turken; de zoon van Voukachine, Marko Kralievitch, een nationale held der Serviërs, werd vasal van den sultan.Daarmede was de oorlog niet uit. Dan weer op grootere, dan weer op kleinere schaal werd het vechten eigenlijk steeds voortgezet. De Turken veroverden in 1382 Sofia in Boelgarije, dat toen schatplichtig werd, Monastir en andere plaatsen in Macedonië. En toen Moerad I moest oorlogen tegen de Seldsjoeken (zie boven), toen verbonden zich opnieuw de Serviërs, nu vooral die uit het eigenlijke Servië onder hun czaar Lazarus, met Boelgaren en Bosniërs en Walachen en Hongaren en Polen. In haast kwam Moerad I uit Klein-Azië terug en ontmoette een leger der verbondenen bij Kossowo (1389). Miloch, een Serviër van hooge geboorte, doodde Moerad I na den slag, maar de overwinningbleef aan de Turken. Een groot aantal gevangenen, waaronder Lazarus, werden onthoofd: hij en Miloch en Kossowo bleven nationale herinneringen voor de Serviërs.Het begon er voor Constantinopel bedenkelijk uit te zien. Keizer Johannes V betaalde sedert 1372, nadat hij een vruchtelooze reis naar Rome ondernomen had om daar steun te zoeken, schatting aan de Turken; spoedig daarna werd hij verplicht hun militairen steun te verleenen en één van zijne zoons als gijzelaar te stellen. Daardoor kreeg reeds Moerad I grooten invloed op de regeering te Constantinopel en, toen Johannes V in twist geraakte met zijn oudsten zoon Andronicus, hing het van het partij kiezen van Moerad af, wie de baas was. Na Kossowo kwam Bayezid I, bijgenaamd de Bliksem, en van hem had Constantinopel niet minder te vreezen dan van zijn vader.Het is ondoenlijk al de Turksche sultans, die tot nog toe de revue hebben gepasseerd, scherp in beeld te brengen. Allen maken den indruk van groote krijgslieden met zin voor militaire organisatie. Hoe meer vijanden overwonnen en gedood werden, hoe grooter lof. Daarnaast hebben zij een zekeren ijver voor den Islam, zonder dat dit hen tot fanatisme voert; soms komt een treffende, edelmoedige trek te voorschijn, een medelijdende opwelling van den sterkere als overwinnaar tegenover den overwonnene, soms treft daartegenover een groote wreedheid. De laatste zien ze het eerst duidelijk bij Bayezid I, die na den slag van Kossowo een aantal dappere vijanden liet afmaken,—en tegelijkertijd zijn jongeren broeder Jacoeb, niet, omdat Jacoeb hem tegengewerkt had, maar alleen, omdat er kans op zou kunnen zijn, dat hij een mededinger naar den troon werd. Het was de eerste broedermoord in het huis van Osman, later meermalen toegepast, verdedigd zelfs met een beroep op den Koran, die zegt, dat de opstand erger zou zijn dan de terdoodbrenging.Bayezid I, hoewel wreed en in het bezit van andere bij despoten zoo dikwijls voorkomende eigenschappen als grilligheid, laatdunkendheid, verslaafdheid aan de ergste ondeugden, was een dapper krijgsman en een uitstekend aanvoerder als zijne voorgangers. Hij was de machtigste heerscher op het Balkan-schiereiland. Na Kossowo was Servië evenals Walachije schatplichtig; Boelgarije, waar Sischman een dubbelzinnige rol gespeeld had, werd geheel onderworpen en onder Turksch bestuur gebracht. Te Constantinopel nam Bayezid’s invloed toe: Manuel, de tweede zoon van Johannes V, gijzelaar in Turksche handen, moest voor Bayezid Philadelphia innemen en hij deed het! Aan Johannes V werd verboden Constantinopel te versterken. En toen Manuel II in 1391 zijn vader opgevolgd was, begon Bayezid er ernstig over te denken Constantinopel te veroveren; reeds in 1391 viel Chalcedon en daarmede de laatste bezitting der Grieken in Klein-Azië.De omstandigheden hebben hem niet veroorloofd zijn plan te voltooien. De Turkenvrees was nu verder ingeslagen dan alleenbij de onmiddellijk bedreigden. Reeds hadden de Turken een inval gedaan in Bosnië, reeds hadden ze, voorloopig zonder succes, Hongarije aangevallen (1391). Dit laatste land had zich, tot zijne schade, tot nog toe weinig om de Turken bekommerd. De koning uit het huis van Anjou, Lodewijk de Groote, die tegelijk over Napels en Polen regeerde, had zich meer met de Italiaansche zaken ingelaten.Zijn schoonzoon en opvolger in Hongarije, Sigismund, later (sedert 1410) tevens keizer van Duitschland, wendde zich na den inval der Turken in 1391 met een gezantschap en brieven tot de vorsten in West-Europa om hulp. Zijn bede werd door den paus, die opnieuw tot een kruistocht aanspoorde, gesteund. Er rustte nu zegen op deze vereende pogingen. Uit Frankrijk, de Bourgondische landen, Duitschland, Engeland en Italië kwamen groote scharen ridders en huurlingen opdagen. Bijna heel het Westen hielp mede; alleen de koningen, te veel bezig gehouden in eigen land, bleven thuis. Ook Polen, Walachen, ridders van Rhodus boden steun. Jan Zonder Vrees, zoon van den Bourgondischen hertog, leidde de Westerlingen; koning Sigismund die van Oost- en Midden-Europa. Coalitie-legers als dit heeft Europa in lateren tijd, vooral tegen Lodewijk XIV en tegen Napoleon, meermalen in het veld gebracht en altijd waren het dezelfde gebreken, die hen aankleefden; gemis aan eenheid van leiding, slechte samenwerking van heterogene bestanddeelen. Bij de kruisvaarders van 1396 bestaan die gebreken in de hoogste mate: een eenigszins voldoende organisatie ontbrak hun. Het kruisleger trok langs den Donau naar Nicopolis in het Noorden van Boelgarije; Bayezid, die bezig was met het beleg van Constantinopel, hief dit op en trok Noordwaarts. De beide legers schijnen ongeveer even groot geweest te zijn, maar de Turken, gesteund door een Servisch hulpleger onder Stephanus, den zoon van Lazarus, stonden onder één leiding. Bij de Christenen kon men ’t zelfs over de te vormen slagorde niet dan met veel moeite eens worden. De Westersche ridders openden den slag van Nicopolis (Sept. 1396) met een charge tegen het Turksche leger; de groote doodsverachting, waarmede deze uitgevoerd werd, kon de voortreffelijke opstelling der Turksche troepen niet breken. Van alle kanten ingesloten, terwijl de rest van het kruisleger voor een groot deel op de vlucht sloeg en de Hongaren onder Sigismund door Stephanus’ Serviërs werden verslagen, moesten de ridders, voorzoover niet omgekomen, zich overgeven. Alleen de zeer aanzienlijken werden gespaard, zooals Jan Zonder Vrees, voor wien een hoog losgeld betaald werd. Tienduizend gevangenen zouden gedood zijn, de Turken ook niet minder dan twintigduizend man verloren hebben.Weêr kwam nu Constantinopel aan de beurt, terwijl de Turken plundertochten ondernamen tot in Hongarije en zich voor het eerst ook bewogen naar Zuid-Griekenland, waar geen derkleinere potentaten hen kon tegenhouden. Vóórdat Bayezid hier zijn doel geheel bereikt had, kwam opnieuw eene afleiding, nu niet uit het Westen, waar keizer Manuel II weer tevergeefs hulp was gaan zoeken, maar, ongevraagd door den keizer, uit het Oosten. Bayezid had in Klein-Azië een einde gemaakt aan al de Seldsjoeksche rijkjes, het laatst aan dat van Kastamoeni (in de buurt van Sinope) in 1393. Daardoor kreeg hij in het Oosten de Mongolen tot naburen en onder dezen was juist in de veertiende eeuw nieuwe veroveringslust gebracht door Timoer.Het onmetelijk rijk van Temoedsjin (zie hiervóór, blz.689) was spoedig na zijn dood verbrokkeld. Wel was de keizer van China nog in naam de suzerein van de khans van het rijk van Kiptschak, van Perzië en van een Midden-Aziatisch rijk, bekend als Transoxiane, feitelijk waren deze zelfstandig en de kloof was te grooter, omdat de keizers Boeddhisten, de khans en de meeste hunner onderdanen Muzelmannen geworden waren. Timoer2, geboortig uit een aanzienlijk Turksch geslacht van Transoxiane, vond met zijne schitterende talenten als staats- en krijgsman volop gelegenheid zich te doen gelden in de velerlei twisten tusschen den khan en de naar onafhankelijkheid strevende Mongoolsche aanzienlijken. De khan, die in het Noorden van zijn rijk, in Siberië, resideerde, benoemde Timoer weldra tot gouverneur van het eigenlijke Transoxiane, het land ten oosten van het Aral-meer. Strijd tusschen een zelfstandig man als Timoer en den khan bleef niet uit en na het overwinnen van groote moeilijkheden werd Timoer onafhankelijk vorst van Transoxiane, daarbij vooral steunende op de Muzelmansche geestelijke orden, makende van zijn rijk een soort theocratie. Dan beginnen de veroveringen naar het Westen. Timoer voert zijne heerscharen van zijne hoofdstad Samarkand uit naar het rijk van Kiptschak en vernietigt dit, een feit van beteekenis, omdat daardoor Rusland’s opkomst mogelijk wordt; het rijk leefde voort in brokstukken, waarvan het Tataren-rijk in en om de Krim het meest bekend werd. Ook in Perzië tot Bagdad toe, in Voor-Indië zelfs, deed Timoer zijne macht gevoelen. Evenmin als andere groote Aziatische veroveraars was hij een organisator: zijn rijk hing heel losjes samen, het was voorbestemd na zijn dood uiteen te vallen. Had Timoer de kaliefwaardigheid verkregen, die de Muzelmansche priesters hem zeker toegedacht hebben, misschien zou er meer vastheid in zijn rijk gekomen zijn. Of Timoer zelf het kalifaat heeft willen herstellen? In elk geval heeft hij getracht zijne macht te vestigen in Syrië, de toegangspoort tot Arabië. Dit bracht hem in botsing met Bayezid, dien anderen Islam-verbreider. Grensmoeilijkheden leidden tot deuitbarsting. In 1402 drong Timoer in Klein-Azië door. Met een overmacht, die moeilijk te taxeeren valt, behaalde hij een overwinning op Bayezid bij Angora; deze werd gevangen genomen, goed behandeld3, maar hij stierf spoedig in zijne vernedering. Gelukkig voor het Osmanische rijk overleefde Timoer hem niet lang; na zijne overwinning bij Angora naar Samarkand teruggekeerd, raakte hij in oorlog met China en tijdens dien krijg vond hij zijn einde (1405). Geen even machtige persoonlijkheid verving hem. Zijn rijk bleef na hem niet bestaan, en wat belangrijker is, sedert dient schijnt het groote expansievermogen, dat de Aziatische volkeren tot nog toe meermalen getoond hadden, uitgeput.De Uitbreiding van het Turksche Rijk (1353 1671)De Uitbreiding van het Turksche Rijk (1353 1671)Het Osmanische rijk doorleefde na Angora een crisis4. In Klein-Azië herstelden zich verschillende der Seldsjoeksche emirs; op het Balkan-schiereiland verslapte overal de Turksche invloed: de leenplichtige staten maakten zich geheel vrij. Het ergste was de oneenigheid onder Bayezid’s zoons, die zich beiden de heerschappij wilden verzekeren en zich tegen elkander lieten gebruiken door keizer Manuel II, die door de omstandigheden krachtiger scheen. Toch werd de Osmanische macht niet reddeloos geslagen. Geen der Balkan-machten wist op een afdoende wijze van de gelegenheid te profiteeren; allen zorgden alleen voor zich. Toen nu Mohammed I, één der zoons van Bayezid I, zijn broeder ter zijde had geschoven en alleen sultan geworden was, toen kon hij onmiddellijk opnieuw gaan opbouwen. En zijn zoon Moerad II, die hem reeds in 1421 opvolgde, had slechts dit opbouwingswerk voort te zetten en te voltooien. Hij deed het op voortreffelijke wijze, want hij was een even krachtig heerscher als de meeste zijner voorouders; hij was tevens één der sympathiekste sultans, die het huis van Osman heeft voortgebracht: zonder den in dit huis bijna hereditairen trek van wreedheid bezat hij een eenigszins wijsgeerigen, mystieken aanleg.Reeds twee jaren na de regeeringsaanvaarding voelde hij zich sterk genoeg, om Constantinopel te gaan belegeren. Volgens een Christelijke voorstelling bracht de verschijning van een vrouw op de muren, die op de Moeder Gods geleek, de Turken zóó in verwarring, dat zij het beleg opbraken. De meer prozaïsche oorzaak zoekt het aftrekken van Moerad II in een opstand in Klein-Azië. In elk geval was de druk der Turken te Constantinopel spoedig zóó groot, dat keizer Johannes VIII, zoon en opvolger van Manuel II, een zeer zwak man, er weer in moest toestemmen schatting te betalen, en toen Johannes VIII in 1448 stierf, bewerkte Moerad de opvolging van Constantijn IX Dragazes, broeder van den vorigen keizer.Zoo was de Turksche macht spoedig hersteld, want ook overal in het Balkan-schiereiland deed haar invloed zich reeds weêrgevoelen, toen in het Noorden een vorst optrad, die het Turkengevaar ernstig wilde bekampen. Dit was in Hongarije, waar koning Sigismund, die van de ongelegenheid der Turken ook geen profijt had weten te trekken, in 1437 gestorven was. Na een korte regeering van Sigismund’s schoonzoon Albrecht II kozen de Magyaren Wladislaus V, tevens koning van Polen, tot hun vorst. Onder hem was Johannes Hunyadi, afkomstig uit Zevenburgen, de eigenlijke Hongaarsche rijksbestuurder. Hij bleek tegen de Turken opgewassen, versloeg hen in 1442 en 1443 eenige malen, bracht Moerad II zelf een nederlaag toe aan de Morawa, dicht bij Nisj, in Servië, trok daarop in den winter den Balkan over en dwong de Turken bij een wapenstilstand voor tien jaar, gesloten te Szegedin in Hongarije, Servië en Walachije geheel vrij te verklaren. Moerad besloot daarna de regeering over te dragen aan zijn veertienjarigen zoon en Mohammed II en trok zich terug in een klooster in Klein-Azië. Lang bleef hij hier niet, want Hunyadi, geraden door een pauselijk legaat in zijn legerplaats om ook Boelgarije te bevrijden, verbrak den wapenstilstand. Moerad toog weêr op het strijdpad en nu won hij. Bij Warna leed Hunyadi een geduchte nederlaag, waarin de legaat en vele aanzienlijken omkwamen (1444). Geen beter fortuin bekroonde een nieuwe poging van Hunyadi, vier jaar later; weêr drong hij in Servië door, maar Moerad II versloeg hem opnieuw bij Kossowo op den Turken reeds bekend vechtterrein. Het gevolg van die nederlagen was de herstelling van de Turksche suzereiniteit in Servië, waar toen Brankowitsch, zoon van Stephanus Lazarewitsch regeerde. Aan de Serviërs was dit niet geheel onwelgevallig; de Hongaren, die Walachije tot vazalstaat gemaakt hadden, bedreigden evengoed hunne onafhankelijkheid als de Turken en ze bedreigden bovendien hun Grieksch-Katholicisme, willende hen onder Rome terugbrengen, terwijl de Turken hun godsdienst ongemoeid lieten.Overigens was Moerad II geen veroveraar. Na Warna ging hij onmiddellijk naar zijn klooster terug, maar in 1445 kwam hij nogmaals in de wereld te voorschijn, opnieuw de regeering aanvaardende om een opstand der Janitsaren, de toen reeds machtige soldateska, die meer soldij wilden, maar nu nog bedwongen konden worden. Nu bleef Moerad de regeering voeren tot zijn dood in 1451 toe. De laatste jaren waren vol van een hevigen strijd met een nieuwen, geduchten vijand: de Albaneezen. Zij waren ten tijde van Moerad I onderworpen geweest, maar na de débâcle van Angora vrijgeworden en ze hadden een aanvoerder van buitengewone bekwaamheden gevonden inScander-beg, zoon van een vroegeren hoofdman Johan Castriotes. Begunstigd door de voor een defensieve strijdvoering prachtige natuurlijke gesteldheid van Albanië, kon Scander-beg, die, omdat hij in Turkschen dienst geweest was, de Turksche vechtwijze kende, zich in zijne bergen verdedigen, zelfs, toen Moerad II hem in eigen persoon kwam bestrijden.Moerad’s opvolger was de reeds genoemde Mohammed II, een heel ander man dan zijn vader, meer gelijkende op grootvader Bayezid, zeer wreed, van zeer slechte zeden, maar ook al weêr in het bezit van uitstekende veldheers- en staatsmans-eigenschappen. Met hem begint een nieuw tijdperk van uitbreiding voor het Turksche rijk. Onmiddellijk viel hij Constantinopel aan. De stad kreeg van geen enkele zijde hulp. Onderlinge haat van Grieksch- en Roomsch-Katholieken was de voornaamste oorzaak, dat het Westen neutraal bleef. Meermalen, we zagen het reeds, hadden Grieksche keizers hulp in het Westen gezocht, maar de eisch van fusie der beide kerken was een onoverkomelijke hinderpaal gebleven. En om andere dan godsdienstige belangen stelde geen der Europeesche mogendheden genoeg belang in het Balkan-schiereiland, om voor het bedreigde Byzantium in de bres te springen. Alleen Venetië en Genua verleenden eenigen steun. Al was Constantinopel dan ook een groote stad—het telde bijna 200.000 inwoners, voor dien tijd een zeer groot aantal—al was het zeer sterk gelegen, aan zich zelf overgelaten moest het verloren gaan. Het verdedigingsleger telde niet meer dan 8000 man, menschen uit allerlei natiën; Mohammed II zou niet minder dan 200.000 man voor het beleg hebben aangevoerd en bovendien bracht hij een groote vloot bijeen om de Dardanellen en den Bosporus af te sluiten. Het beleg duurde van 6 April—29 Mei 1453. Op dezen dag had een algemeene bestorming plaats, die de verdedigers, hoe dapper ook strijdende, hoe zeer ook aangespoord door den flinken keizer Constantijn, niet konden doorstaan. De stad werd verdoopt tot Stamboel, eigenlijk Islamboel, d.i. hoofdstad van den Islam. DeAya Sophia, de beroemde basiliek van Justinianus, werd direct tot moskee gewijd. Tegenover de overwonnenen handelde Mohammed hard: een aantal der Christenen werden gedood, de stad zelf geplunderd en bij die gelegenheid heel wat verwoest van oude monumenten, voorzoover deze de plundering door de kruisvaarders van 1204 hadden overleefd.Zoo kregen de Turken een hoofdstad, door haar ligging tusschen Azië en Europa aangewezen om het middelpunt te zijn van een rijk, dat zich over een deel van die beide werelddeelen uitstrekte. Voortaan waren de Turken de heerschende klasse in Constantinopel, maar na de plundering en de wanorde der eerste dagen konden de Christenen er ongemolesteerd blijven wonen met behoud van hunnen godsdienst. De geheele organisatie van de Grieksche kerk bleef onveranderd bestaan, De eerste patriarch na de verovering werd door Mohammed met veel onderscheiding behandeld en met dezelfde ceremoniën gewijd als in den vroegeren tijd gewoonte geweest was. Toch is de Grieksche kerk in verval geraakt, toen latere sultans de patriarchen met minder eerbied behandelden, het patriarchaat gingen verkoopen aan den meestbiedende zonder op geschiktheid te letten. Toen hield het patriarchaat op een band te zijn voor de Grieksch-Katholieken op het Balkanschiereiland.Mohammed rustte niet lang op zijn eerste lauweren. Hij onderwierp Servië geheel en de bevolking schikte zich nog al gemakkelijk in haar lot, vooral, nadat Brankowitsch gestorven was (1456). Alleen Belgrado, verdedigd door Hunyadi, die hier den smaad van zijn vorige nederlagen uitwischte, en den Franciscaner monnik Johannis Capistrano, die met een handjevol kruisvaarders toonde, wat echte geloofsijver vermag, kon niet genomen worden. Wel werden niet lang daarna Bosnië (1464) en Herzegowina (1467) tot Turksche provinciën gemaakt en ook maakte Mohammed voorgoed een einde aan het bestaan der Zuidelijke staatjes zooals het hertogdom Athene, waardoor nu ook in Midden-Griekenland en Morea de Turksche heerschappij gevestigd werd (1456–1460). Slechts Venetië behield enkele steden als Koron, Pylos en Nauplia. Ernstige tegenstand werd hier niet ondervonden. In Albanië kreeg Mohammed II eerst eenigen invloed na den dood van Scander-beg in 1467. Aan de Noord-Oost grens herstelde hij de oude verhouding: Walachije betaalde sedert 1462 opnieuw schatting. Daarentegen bleven Hongarije en evenzoo Moldavië nog buiten de Turksche machtsfeer. Aan de verovering van Hongarije kon onder de regeering van koning Matthias Corvinus, zoon van Hunyadi, niet gedacht worden. Matthias was de laatste krachtige vorst, die over Hongarije alleen geregeerd heeft; hij hield de Turken buiten zijn grondgebied, maar aanvallend tegen hen optreden, steun verleenen aan Grieksch-Katholieken deed hij nooit.De beide Italiaansche zeemogendheden bleken ook niet bestand tegen de compacte Turkenmacht. Genua verloor zijne bezittingen aan de Zee van Azof en Mohammed II dwong de Tataren in die buurt zijne suzereiniteit te erkennen. Venetië werd van een krachtigen beschermer beroofd door den dood van Skander-beg, waarna het meer bloot stond aan een inval in het aan de stad zelf grenzend gebied. Toen in 1470 een Turksch leger zich aan de Oostkust van de Adriatische Zee vertoonde, sloot de lagunenstad vrede, waarbij het enkele eilanden in de Aegeïsche Zee, o.a. Lemnos en Euboea (Negropont), benevens enkele plaatsen in Albanië, o.a. Croïa, moest afstaan; dan betaalde het een oorlogsvergoeding en voortaan een jaarlijksche schatting; dat was een dure prijs voor enkele handelsvoordeelen, die het wist te bedingen5. Ook in de Ionische Zee drong de Turksche macht door: het eiland Zante werd door Mohammed bezet en aan den anderen kant der Adriatische Zee de stad Otranto (1480). Rome zelfs moest zich nu bedreigd achten. Slechts ééne macht in het Oostelijk deel der Middellandsche Zee weerstond Mohammed’s aanval: dat waren de ridders derorde van St. Jan, die in 1480opschitterende wijze hun eiland Rhodus tegen de Turken verdedigden.Zoo was één der laatste ondernemingen van Mohammed II een mislukking, want in het volgende jaar stierf hij. Geen sultan had den Turkschen naam zóó gevreesd gemaakt als hij, die bij zijn dood één der machtigste, zoo niet de machtigste vorst van Europa was. Op buitengewone wijze hadden de omstandigheden hem begunstigd; noch in Europa noch in Azië een macht, die hem ernstig in zijne plannen had kunnen dwarsboomen. Persoonlijke dapperheid alleen had Belgrado en Rhodus als twee Christelijke bolwerken in het Oosten doen blijven bestaan. In Klein-Azië waren de Seldsjoeksche emiraten opnieuw en nu voorgoed verdwenen, het laatst dat van Karamanië, éénmaal het machtigste (1471). De Eufraat was aan zijn bovenloop een Turksche grensrivier geworden.Weer was Bayezid II, zoon en opvolger van Mohammed II, van andere geaardheid dan zijn vader; ook hij deed meer aan zijn grootvader denken. Beoefening van kunst en wetenschap was zijn geliefkoosde bezigheid. Aan veroveringen maken dacht hij niet. Daarom is zijne regeering over het algemeen een tijd van rust. Alleen de vrede met Venetië werd voor korten tijd verbroken en de meeste bezittingen, die deze stad op het Balkanschiereiland nog over had, gingen nu verloren. Het steunpunt voor een verdere uitbreiding in Italië, Otranto, daarentegen werd niet lang na den dood van Mohammed II ontruimd. Viel Bayezid II niet aan, hij behoefde evenmin af te weren, want Europa liet hem met rust. Er zijn in het einde der vijftiende eeuw nog wel steeds plannen in overweging, vooral bij de Fransche koningen, om de Turken uit Europa te verdrijven, maar de veleverwikkelingen, waarmede de meeste Westersche vorsten in eigen land en onderling, vooral in hun strijd om de heerschappij in Italië, te kampen hadden, deden die plannen altijd verschuiven. Hadden de Franschen zich kunnen vestigen in Zuid-Italië, zooals men tijdens koning Karel VIII een tijdlang kon denken, misschien was er dan iets van gekomen. Nu liet men een schoone gelegenheid ongebruikt voorbijgaan: een gelukkig toeval had een broeder van Bayezid II, gewoonlijk prins Djem genoemd, die in het begin van Bayezid’s regeering tegen dezen in opstand gekomen was, in handen van paus Alexander VI gespeeld; hem had men kunnen uitspelen tegen Bayezid, maar ook dit werd door de onderlinge oneenigheid verhinderd en prins Djem vond op ongelukkige wijze den dood onder voor denpauszeer bezwarende omstandigheden.Het is begrijpelijk, dat Bayezid II geen man naar het hart der door veel oorlog en door veel buit verwende soldaten was. Vooral de Janitsaren, steeds meer aanmatigend, toonden hunne ontevredenheid en nu wilde het ongeluk, dat Bayezid tevens in onmin raakte met zijne eigen zoons, vooral met den derden, Selim. De Janitsaren kozen onmiddellijk voor dezen partij,drongen in 1512 het paleis van den sultan binnen en dwongen hem af te treden. Zoo stelden zij een antecedent voor een bedenkelijke inmenging der militaire macht in de aangelegenheden van het Turkenrijk.Selim I, een buitengewoon wreed mensch, regeerde slechts acht jaar (1512–1520), maar dit korte tijdperk is zeer rijk aan aanwinsten in grondgebied, echter buiten Europa. De beide Mohammedaansche rijken, die in Azië aan Selim’s rijk grensden, hadden het meest van hem te lijden. Perzië, na Timoer weer zelfstandig, eerst onder Turcomansche dynastieën, sedert het begin der zestiende eeuw onder een nieuwe dynastie, afstammende van een Sheikh-familie, die behoorde tot de orde der Çoufi en daarom meest de Çoufi-dynastie genoemd, raakte met Selim in oorlog wegens grensmoeilijkheden en wegens steun, door den shah Ismaël aan Turksche opstandelingen bewezen. Het was tevens een godsdienstoorlog, want de Perzen waren sjiïtische Muzelmannen, de Turken Soenitische. Perzië werd niet geheel onderworpen, maar verloor in het Noord-Westen Azerbaïdjan en in het Westen een deel van Mesopotamië met o.a. de stad Mosoel. In denzelfden tijd onderwierp Selim ook het onafhankelijke Georgië en Koerdistan, waardoor de Kaukasus de Noordgrens van zijn rijk werd. Het zal in het vervolg van dit korte overzicht onmogelijk zijn telkens terug te komen op de veelvuldige oorlogen van Perzië en Turkije. Het moet genoeg zijn er de aandacht op te vestigen, dat de grens in het Noord-Westen op den duur bleef, zooals zij vóór Selim was, d.w.z. Azerbaïdjan kwam aan Perzië terug, terwijl Georgië en Koerdistan altijd heel losjes met het Turksche rijk verbonden bleven, evenals b.v. Albanië in de zestiende eeuw nog was. Alleen Mesopotamië bleef Turksch. Suleïman, Selim’s opvolger, nam daar nog Bagdad, dat alleen in het begin der zeventiende eeuw bij een krachtige herleving van Perzië onder shah Abbas den Grooten voor een korten tijd weêr in Perzische handen geweest is.Het andere Mohammedaansche grensrijk was Egypte, waarmede Syrië vereenigd was; hier heerschten sedert het einde der dertiende eeuw de Mamelukken6, vroeger in dienst genomen door Egyptische sultans, maar die dezen op den duur overvleugeld hadden. Ook de oorlog met dit land kwam voort uit grensmoeilijkheden. Zonder veel moeite veroverde Selim Syrië, maar in Egypte bood sultan Touman-Baï een heftigen tegenstand (1517), die niet dan met groote moeite overwonnen werd. En nu gebeurde er in Cairo iets zeer opmerkelijks: daar leefde nog verborgen, in armoede, een man, die den naam van kalief droeg en die heette af te stammen van de Abassiden; van hem kocht Selim de waardigheid van kalief en daarbij den standaard en den mantel van Mohammed, symbolen van het kalifaat. Nukonden Selim en zijne opvolgers, die van khan (vorst van een stam in Azië) tot emir (een tot den Islam bekeerde vorst, hoofd der geloovigen), sultan (koning), padishah (koning der koningen, keizer) geklommen waren, zich nu ook als opvolgers van Mohammed beschouwen en zich een soort geestelijke oppermacht over alle Mohammedanen aanmatigen. De kaliefwaardigheid bracht natuurlijk aanspraken mede op Arabië, in de eerste plaats op Mekka en Medina, waarover Selim I dan ook reeds zijne heerschappij uitgebreid heeft. De Arabische kustplaatsen, als b.v. Aden en Mascate, werden pas door Suleïman onderworpen; Yemen eerst na Suleïman, onder diens opvolger Selim II. Daarmede was de uiterste grens van de macht der Turken in Azië bereikt. Afgezien van de kleine veroveringen van Suleïman en Selim II, heeft dus Selim I in Azië en Afrika ongeveer alles veroverd, wat in vroegere dagen tot het Oost-Romeinsche rijk van Justinianus behoord had; alleen de Noord-kust van Afrika ontbrak er nog aan.In Europa hadden de veroveringen na Mohammed II zoo goed als stilgestaan. Maar nu kwam na Selim I alweêr een sultan van groote kracht, Suleïman I, dien zijne onderdanen den Wetgever hebben genoemd en de Westerlingen den Prachtlievende. Suleïman is een krijgs- en staatsman van buitengewone bekwaamheden, nog hooger ontwikkeld op dit gebied dan velen zijner voorgangers waren; wreedheid heeft hij niet getoond, op enkele uitzonderingen na. Dat ze in hem was, heeft hij bewezen, toen hij zijn zeer begaafden zoon Moestafa liet worgen (1553), om te voldoen aan een wensch van zijn lievelingsvrouw Roxelane, en toen hij, om diezelfde vrouw te plezieren, zijn grootvizier Ibrahim, die eerst veel invloed had, uit den weg liet ruimen (1536). Die invloed van Roxelane, misschien een Russische, toont, dat er onder Suleïman een verandering intreedt, die op den duur zeer slechte gevolgen gehad heeft: de harem van den sultan blijft niet meer buiten het politieke leven.Voor het uitwendige is Suleïman’s lange regeering (1520–1566) de schitterendste onder die van alle Turksche sultans, vooral om den invloed, dien hij uitoefende tot in West-Europeesche aangelegenheden toe. De verhouding van de Turken tot Europa wordt onder hem van anderen aard. Er is geen sprake meer van hunne uitdrijving uit Europa. Terwijl alle krachten van de aangrenzende landen noodig en nog niet eens voldoende zijn om verdere uitbreiding van het Turksche rijk te voorkomen, verandert één der Europeesche staten geheel van politiek ten opzichte van Turkije: Frankrijk, nog pas dreigende om als bestrijder op te treden, gaat met den sultan verbindingen aanknoopen. Dit was een gevolg van den grooten strijd tusschen de beide in de eerste helft der zestiende eeuw in West-Europa bestaande en elkander bekampende grootmachten: Karel V, regeerende over Spanje, groote stukken van Italië, de Oostenrijksche erflanden, de Nederlandsche gewesten, tevens keizervan Duitschland, en Frans I, koning van Frankrijk, beiden strevende naar de opperheerschappij in Europa. Karel V beschikte over de grootste hulpbronnen, overtrof Frans in bekwaamheid. Het einde van den strijd was niet twijfelachtig en begrijpelijk de reden, waarom Frans de derde grootmacht in Europa voor zich trachtte te winnen.Suleïman begon zijne vele ondernemingen met de beide plaatsen, waarvoor Mohamed II het hoofd gestooten had. Belgrado werd reeds in 1521 genomen. Hongarije, na den dood van Matthias Corvinus door binnenlandsche twisten verscheurd, kon dit niet verhinderen. Een jaar later viel Rhodus. De expeditie tegen dit eiland, in den laatsten regeeringstijd van Selim I met groote zorg voorbereid, kostte meer inspanning. Het beleg van de ridders, die in hun sterke vesting zich heldhaftig verdedigden, duurde ruim een half jaar. Op voorwaarde van vrijen aftocht gaven de grootmeester en de zijnen zich in December 1522 over. Een paar jaar later kregen zij Malta van Karel V en vormden daar een nieuw bolwerk tegen Turksche uitbreiding naar het Westen.Deze beide veroveringen waren slechts voorpostengevechten. Een grootsche onderneming kwam in 15267: een inval in Hongarije. Het was het jaar na den slag van Pavia, waar Frans I door Karel V een geduchte nederlaag was toegebracht; de Fransche koning was gevangen genomen en te Madrid tot een zeer nadeeligen vrede gedwongen. Haast onnoodig is het te zeggen, dat hij dien vrede onmiddellijk na zijne invrijheidstelling verbrak. Op zijn aansporen nu, heet het, heeft Suleïman den oorlog tegen het huis Habsburg aangebonden. Maar zou die oorlog anders zijn uitgebleven? Nu Belgrado ingenomen was, lokte de vruchtbare Hongaarsche laagvlakte als van zelf tot verovering uit, en te meer moest Suleïman de verovering wenschen, omdat de macht van de Habsburgers dreigde zich ook hier te vestigen.In Hongarije regeerde de jonge koning Lodewijk II. Zijn vader, een zoon van een Poolsch koning uit het geslacht der Jagellonen, was na Corvinus’ dood tot koning van Hongarije gekozen, en regeerde eveneens over Bohemen, Moravië en Silezie. De slimme politiek van keizer Maximilaan I, grootvader van Karel V, had dezen tak der Jagellonen-dynastie op dubbele wijze aan de Habsburgers vermaagschapt: Lodewijk II was gehuwd met Maximiliaan’s kleindochter, Lodewijk’s zuster met Maximiliaan’s tweeden kleinzoon Ferdinand, den lateren keizer. Habsburgsche invloed was dus in Hongarije zoo goed als gewaarborgd.Hiertegen nu trad Suleïman op, hetzij dan geheel uit eigen beweging, hetzij op vreemde aansporing. Het Hongaarsche legerbleek volstrekt niet tegen hem opgewassen. Peterwardein was de eerste belangrijke verovering der Turken op Hongaarsch grondgebied. De beslissende slag had plaats bij Mohacz, waar Lodewijk II sneuvelde en de Hongaren totaal verslagen werden. Nadat de “Hongaarsche natie” hier haar “graf” gevonden had, viel de hoofdstad van het rijk, Boeda, zonder slag of stoot in handen der Turken en spoedig daarna ook het aan de overzijde van den Donau gelegen Pest. Inwendige verdeeldheid onder de moeilijk te beheerschen Magyaarsche magnaten had de verovering gemakkelijk gemaakt—en vergemakkelijkte eveneens de verdere beheersching van het land. Twee pretendenten dongen naar de kroon, beiden vonden aanhang: Johan Zapolya, voïvode van Zevenburgen, werd door de bevolking als koning erkend in Zevenburgen en Oostelijk Hongarije; Ferdinand, deHabsburger, door den rijksdag, vergaderd te Presburg, de hoofdstad van dat deel van Hongarije, dat nu Oostenrijksch werd. Beide partijen trachtten door Suleïman erkend te worden: Zapolya won het; hij werd vorst onder Turksche suzereiniteit.De gezanten van Ferdinand kregen van Suleïman tot antwoord, dat hun meester zich op zijn bezoek moest voorbereiden. Inderdaad zette de sultan den oorlog voort en in 1529 rukte hij op tot voor Weenen. Zouden de Turken zich vestigen in Midden-Europa? Terwijl Weenen deerlijk in het nauw raakte, verbreidde zich in de Westelijke wereld een groote onrust. Eén oogenblik kon men onderlinge vijandschap vergeten: Luther spoorde zijne geloofsgenooten aan nu de Katholieken te hulp te snellen; Frans I, stellig ook onder invloed van den Turkschen intocht in Oostenrijk, sloot te Kamerijk vrede met Karel V en verbrak dus zijne verbindingen met Suleïman. Deze vond voor de poorten van Weenen een hardnekkigen tegenstand: alle beschietingen waren vruchteloos, alle bestormingen werden afgeslagen door een klein garnizoen onder den graaf van Salm, dapper gesteund door de burgers Toen de winter begon te naderen, toen de Janitsaren ongeduldig begonnen te worden, besloot Suleïman het beleg op te breken (Oct. 1529); misschien is ook het vooruitzicht geheel West-Europa tegenover zich te zullen zien van invloed op dit besluit geweest. De oorlog werd nog gedurende vier jaar voortgezet zonder belangrijke krijgsverrichtingen. Op een tweeden tocht in Hongarije (1532) werden weinig resultaten behaald. In 1533 sloten Ferdinand en Suleïman voor het eerst een verdrag. Ferdinand behield het Westelijk deel van Hongarije, maar moest een jaarlijksche schatting betalen aan Turkije. Karel V, steeds volop beziggehouden in het Westen, legde zich hierbij neer.Lang duurde echter de rust niet. De Turken trachtten in dezen tijd ook hunne macht te vestigen aan de Noordkust van Afrika, daardoor het Westelijk bekken van de Middellandsche zee aanhoudend bedreigende. Dit was vooral het werk van Chair-ed-Din, Barbarossa bijgenaamd. Hij behoorde tot een familie van zeeroovers, in dien tijd een welig tierend ras. Zijn broederhad Algiers veroverd en dit was na diens dood door Barbarossa zelf onder de souvereiniteit van den sultan geplaatst. Chair-ed-Din werd weldra opperbevelhebber der Turksche vloot en hij veroverde in 1534 Tunis. Hiertegen nu ondernam Karel V zijn eersten tocht naar de Noordkust van Afrika; Tunis werd door hem heroverd (1535). Daardoor werd de oorlog algemeen. Frans I slooteen offensieveen defensieve alliantie met Suleïman, die toen te Bagdad was, gewikkeld in een oorlog tegen Perzië. Deze alliantie is ook van beteekenis wegens de aan Frankrijk verleende voorrechten in het Turksche rijk; overal zouden de Franschen tegen een minimum invoerrecht handel mogen drijven; bovendien kregen zij de bescherming van de heilige plaatsen in Palestina. Dit zijn de zoogenoemde capitulatiën, dikwijls hernieuwd en op den duur een bron van moeilijkheden.De oorlog, die in 1536 opnieuw begon, werd vooral ter zee gevoerd. Reeds sedert de dagen van Mohammed II hadden de Turken een vloot bezeten, waarmede achtereenvolgens verschillende eilanden in de Aegeïsche Zee genomen waren. Nu, onder Chair-ed-Din, werd die vloot geducht, werd ze meer dan bestand tegen de Venetiaansche, zelfs met een admiraal als Andreas Doria aan het hoofd. Venetië was verbonden met Karel V en het is vooral deze stad geweest, die verloor. Toen het in 1539 onder bemiddeling van Frankrijk vrede sloot met Suleïman, moest het weêr eenige plaatsen aan de Adriatische Zee en al de bezittingen, die het nog had in den Peloponesus en in de Aegeïsche Zee, op een paar na, afstaan. Frans I zelf had reeds eerder den oorlog gestaakt en den wapenstilstand van Nizza gesloten (1538): hij behandelde dus zijn bondgenoot niet al te nauwgezet. Deze toonde er niet den minsten wrok over. Toen in 1541 de wapenstilstand verbroken werd, kwam het tusschen de bondgenooten tot directe samenwerking. Een Fransch en een Turksch eskader vereenigden zich om verschillende steden van Savoye te veroveren, waarvan de hertog met Karel V verbonden was: onder meer hebben zij de stad Nizza in bezit genomen. Voor noodige herstellingen werden haven en stad van Toulon door den Franschen koning ter beschikking van de Turksche vloot gesteld.Ondertusschen oorloogde men ook opnieuw in Hongarije. Zapolya was in 1539 gestorven. Zijne verhouding tot Ferdinand van Oostenrijk was goed geweest; Zapolya had aan Ferdinand de opvolging in zijn deel van Hongarije toegezegd. Daarvan was echter Suleïman niet gediend. In 1541 ondernam hij opnieuw een tocht naar Hongarije en nu bezette hij Boeda en Pest voor zichzelf: hij maakte er Turksche steden van en een groot deel van Hongarije werd een Turksche provincie. Zevenburgen en een klein deel van Hongarije, het banaat van Temesvar, kwamen aan Zapolya’s zoon Sigismund, toen nog minderjarig. Van het deel, dat Ferdinand had, werden enkele steden veroverd: Gran en Stuhlweissenburg (1543), Visegrad (1544). De algemeene oorlog eindigde in dit laatste jaar, zonderdat ergens groote resultaten waren behaald. Frans I, die behalve Turkije nog verschillende andere Europeesche machten tegen Karel V in beweging gebracht had, moest opnieuw het onderspit delven bij den vrede van Crépy. Drie jaar later sloot Suleïman een nieuw verdrag met het huis Habsburg, in hoofdzaak een bevestiging van het vroegere. Bovendien was nu ook Moldavië schatplichtig aan Turkije geworden (sedert 1546)8.In de oorlogen van Karel V en diens opvolger Philips II met Hendrik II, den opvolger van Frans I, die steeds om dezelfde reden voortgezet werden, isSuleïmanweêr de bondgenoot van den Franschen koning. Maar groote veroveringen heeft hij niet meer kunnen maken. Tegen de wereldmacht der Habsburgers, die onder Karel V steeds versterkt was, kon hij op den duur niet op. Het kostte moeite het veroverde te behouden, want de Hongaren verdroegen niet dan zeer onwillig het Turksche gezag. Zevenburgen zelfs kwam ten gunste van Ferdinand in opstand. Die beweging werd bedwongen, het Turksche gezag overal in Hongarije hersteld, maar daarbij bleef het. Evenmin werkte het gezamenlijk optreden van de Turksche en Fransche vloten veel meer uit. Alleen nam de Turksche vloot onder Dragut, den broeder en opvolger van Chair-ed-Din, in 1551 Tripoli9. Nadat Hendrik II buiten Turkije om den wapenstilstand van Vaucelles sloot (1556), toonde Suleïman voor het eerst zijn ongenoegen aan Frankrijk. Beider samenwerking was minder hartelijk, toen Hendrik II weldra den oorlog tegen Philips II hervatte, die in 1559 met den vrede van Câteau-Cambrésis eindigde. Daarmede werd de goede verstandhouding tusschen den “zeer Christelijken” koning en het hoofd der Mohammedaansche wereld afgebroken. Frankrijk ging een halve eeuw van godsdienstoorlogen tegemoet; de strijd in het groot tegen het huis Habsburg rustte in dien tijd. Echter bleven de Franschen in het bezit hunner capitulatiën, waarmede ze een bevoorrechte plaats in den Oosterschen handel innamen tot in de zeventiende eeuw toe. Die handel was echter (het is misschien niet overbodig dit op te merken) niet meer van zulk een beteekenis voor de geheele wereld als vóór de ontdekking van den zeeweg naar Indië in het einde der vijftiende eeuw.Suleïman zette na 1559 den oorlog voort, maar noch in Hongarije noch in de Middellandsche Zee met het vroegere animo. Met Ferdinand I, nu keizer, sloot hij in 1562 voor de derde maal een overeenkomst op de oude voorwaarden. Met KarelV als koning van Spanje had Suleïman nooit vrede gesloten. Evenmin deed hij dit met Philips II, die evenals zijn vader gold als de verdediger bij uitstek van het Katholicisme, de onverzoenlijke tegenstander van den Islam. De meest bekende gebeurtenis uit het laatste deel van dien oorlog is het beleg van Malta (1565), dat Suleïman aan de orde van St. Jan, gesteund door Spanje, wilde ontnemen. De poging mislukte en evenzoo was Suleïman’s laatste expeditie in Hongarije vruchteloos. De vrede hier was reeds na vier jaar om aanhoudende grensmoeilijkheden verbroken. Suleïman viel opnieuw in Hongarije, sloeg het beleg voor Sziget, dat dapper verdedigd werd door Zriny, bij wien Hongaarsch patriottisme den noodigen invloed oefende. Tijdens het beleg stierf Suleïman, een en zeventig jaar oud (1566).Onder hem heeft het Turksche rijk het toppunt van zijne macht bereikt. Enkele kleinere veroveringen, die later genoemd zullen worden, zijn daarna nog gemaakt, maar vergeleken bij de vroegere komen ze haast niet in aanmerking. Vanwaar die stilstand, hier gelijkstaande met achteruitgang? Niet om de meerdere kracht der andere Europeesche staten alleen, want, ofschoon die werkelijk op den duur zich deed gelden, was er toch bij de vele onderlinge oorlogen, vooral in de zeventiende eeuw, gelegenheid genoeg geweest daarvan gebruik te maken. De achteruitgang hangt nauw samen met inwendige veranderingen in het Turksche rijk zelf en is daarom eerst voor den buitenstaander onzichtbaar. Die veranderingen dienen we in de eerste plaats kort na te gaan.1Sedert heet die plaats Sirf-Sindughi, d.i. nederlaag der Serviërs.2In West-Europeesche talen verbasterd tot Tamerlan, van het Perzische Timoer-Lenk, d.i. de hinkende Timoer; hij hinkte vanwege een wonde, die hij in zijn jeugd door een pijl gekregen had.3De opsluiting in een ijzeren kooi en dergelijke verhalen zijn legenden.4Opkaart n°. 2, de uitbreiding van het Turksche rijk (1353–1671), is het verschil tusschen vóór en na 1402 duidelijk gemaakt.5De verschillende phasen van den strijd tusschen Turkije en Venetië zijn om het overzicht van het geheel niet te belemmeren opkaart no. 2niet aangegeven, voorzoover de kust van Dalmatië en Albanië betreft.6Het woord beteekent: slaven; het zijn menschen uit den Kaukasus afkomstig.7In hetzelfde jaar erkende de republiekRagusade souvereiniteit van den Turkschen sultan.8In dit jaar stierf het oude Moldavische vorstenhuis uit. Sedert dien deed zich de invloed van Turkije er op dezelfde wijze gelden als in Walachije: de boïaren kozen telkens een nieuwen vorst (hospodar), dien de sultan bevestigde. Schatplichtig was Moldavië reeds sedert 1513 en in 1538 had Suleïman in het kustgebied een Turksche provincie gesticht.9Tunis is in 1569 door de Turken op de Spanjaarden heroverd; het kasteel bij Tunis eerst in 1573.

VI.Kort Overzicht van de Geschiedenis der Turken, voornamelijk in hunne verhouding tot het overige Europa.11Dit overzicht is een omwerking van het voor den tweeden druk van deze Nederlandsche uitgave van den koran bewerkte overzicht door Mr. F. A. de Graaff, oud-leeraar in de geschiedenis aan de H.B. School te Haarlem. Het is samengesteld, niet naar de bronnen zelf, maar met gebruikmaking der belangrijkste algemeene werken over de Turksche geschiedenis. Daaronder zijn vooral te noemen:J. von Hammer,Geschichte des Osmanischen Reiches(Pest, 1827–1835, 10 deelen).J. W. Zinkeisen,Geschichte des Osmanischen Reiches in Europa, (in de Geschichte der europäischen Staaten, herausgegeben von A. H. L. Heeren und F. A. Ukert, Hamburg, Perthes 1840–1863, 7 deelen).N. Jorga,Geschichte des osmanischen Reiches(Gotha, Perthes, 1911; 4 deelen).Voor een beknopt overzicht zijn aan te bevelen:H. de la Jonquière,Histoire de l’Empire ottoman (collection Duruy), 1881.Stanley Lane-Poole,Turkey (in: the Story of the Nations, T. Fisher Unwin, London, G. P. Putnam’s sons, New-York, 1888).Voor de 16e en 17e eeuw is van groot belang:Leopold von Ranke,die Osmanen und die Spanische monarchie im 16 und 17 Jahrhundert (in: sämmtliche Werke, band 35 en 36, Leipzig, 1877).I. Inleiding.Toen Mohammed in 632 stierf, was zijn geboorteland voor zijn godsdienst gewonnen. Juist honderd jaar later streden de Arabieren bij Poitiers in Frankrijk; daar werd de uitbreiding van den Islam in West-Europa tot staan gebracht. Het rijk, waarover de kaliefen, opvolgers van Mohammed, regeerden en waarvan Bagdad in het midden der achtste eeuw de hoofdstad werd, strekte zich toen uit van den Indus tot den Atlantischen Oceaan en omvatte Arabië, Syrië, Armenië tot den Kaukasus, Perzië, een deel van Turkestan, Egypte, de Noordkust van Afrika, Spanje en het eiland Cyprus. Dit kalifaat met zijn zonderlingen vorm, met de zoo verschillende natiën, die er toe behoorden, bleef niet lang één staatkundig geheel.Binnenlandsche twisten leidden tot verbrokkeling: in de tiende eeuw staan zelfstandig naast de kaliefen van Bagdad die van Cairo en Cordova. Geen van drieën kon toen meer op groote, inwendige kracht bogen.In het kalifaat van Bagdad maken we kennis met de Turken. Deze worden gerekend tot een groep van volkeren, die men gezamenlijk het oeralo-altaïsche (tusschen Oeral en Altaï wonende) ras noemt en waaronder misschien evenals onder de Indo-Europeërs verwantschap bestaan heeft, zonder dat dit tot nog toe even duidelijk als bij de Indo-Europeërs is aangetoond geworden. Hebben de zoogenaamde oeralo-altaïsche volkeren een zelfden oorsprong, dan is in elk geval het onderling verschil nog veel grooter geworden dan bij de Indo-Europeërs: wie zou nu tusschen Tataren, Mongolen, Kirgiezen, Mantsjoe’s, Jakoeten, Toengoezen aan den éénen kant, Hongaren, Finnen, Lappen aan den anderen kant verwantschap gaan zoeken, zonder de oudere geschiedenis dier volkeren te kennen?De oudste ons bekende woonplaats der Turken is Turkestan, zoowel het nu tot Russisch-Azie behoorende land van dien naam als het tot China behoorende Oost-Turkestan. Daar signaleerden hen in de vijfde eeuw na Christus de Chineezen als Tou-kioue, terwijl in het Byzantijnsche of Grieksche rijk in dezelfde eeuw de naam Tourkoi genoemd wordt. Het militaire gevoel was bij hen zeer sterk ontwikkeld. Zij waren in de eerste plaats soldaten, trekkende, waarheen de fortuin hen voerde, levende, als het mogelijk was, op vaste plaatsen, maar die ook gemakkelijk verlatende, als een sterkere kwam, die hen er uitdreef. Het soldatenleven ontwikkelde bij hen een buitengewoon sterk plichtsgevoel met een levendigen zin voor discipline en hiërarchie. “Een Turk te paard kent zijn vader niet,” “Als men ’t huis uws vaders aanvalt, valt mede aan”, zijn bekende Turksche gezegden uit dien ouden tijd.Voor een dergelijk volk moest de Islam met zijne martiale eigenschappen veel aantrekkelijks hebben. Met overpeinzingen over de waarde van een of ander godsdienstig stelsel hebben de Turken, weinig bespiegelend aangelegd als zij zijn, zich nooit druk gemaakt. Evenals het vroeger tot hen gekomen Boeddhisme en het Nestoriaansch Christendom aanhang onder hen gevonden hadden, zoo ook de Islam, toen die hun land in de zevende eeuw bereikte.De Islam opende hun nieuwe wegen om zich uit te breiden. Tot nog toe hadden zij zich meest naar het Westen verplaatst. Nu stond voor hen ook de weg naar het Zuidwesten, naar Iran, open, waar het Nieuw-Perziche rijk der Sassaniden, begunstigd door de natuurlijke grensgesteldheid tot hen, aan de komst van den Islam had kunnen tegenhouden. In grooten getale maakten zij daarna weldra hunne opwachting in het Kalifaat van Bagdad en traden in dienst der Abassiden, het toenmalige kaliefengeslacht. Met hun optreden in Voor-Azië beginnen nieuwe veroveringender Mohammedanen; het laatste overblijfsel van het Byzantijnsche rijk in Azië, Klein-Azië of Roem (= land der Romeinen), werd door de Turken veroverd. Maar door hen begint ook de verbrokkeling van het Kalifaat van Bagdad in een aantal kleine staatjes onder verschillende dynastieën, die den kalief slechts in naam als hun meester erkennen. Meer direct wordt de kalief bedreigd door de ook al uit Turken bestaande lijfwacht, wier hoofd, de emir-al-omra, hem op den duur gaat overheerschen. Het culminatiepunt in die ontwikkeling wordt bereikt, wanneer kalief Kalem in het midden der elfde eeuw den wegens zijn godsdienstijver bekenden Togroel-Beg, het hoofd der Seldsjoeksche1Turken, naar Bagdad roept en proclameert tot sultan van het Oosten en Westen: deze krijgt dus de wereldlijke macht, de kalief behoudt alleen de geestelijke.De sultan of, zooals men hem meestal noemde, de atabêk, die te Mosoel resideerde, kon op den duur evenmin als de kalief een krachtig centraal gezag handhaven. Onder hem waren verschillende sultans, leenvorsten eigenlijk, die zich van den atabêk feitelijk losmaakten, zoodat de verbrokkeling, reeds onder de kaliefen ontstaan, bleef voortduren. Het belangrijkste der zoo ontstaande rijkjes vond men in Klein-Azie, met Iconium en later Nicaea, dus vlak in de buurt van Constantinopel, als hoofdstad. In denzelfden tijd kregen andere Turksche stammen veel invloed in het kalifaat van Caïro, waartoe een groot deel van Syrië behoorde, en ook hier begon nu een dergelijke verbrokkeling.Zoo was de toestand, toen vooral in de twaalfde eeuw de kruistochten plaats hadden. Die merkwaardige beweging, voortgekomen uit een hooggespannen godsdienstig gevoel bij de volken van West-Europa, dat die volken heeft doen samenwerken tot één doel, zooals later zelden meer voorgekomen is, scheen voor een oogenblik in den toestand in het Oosten groote veranderingen te zullen aanbrengen. Het Byzantijnsche rijk werd tijdelijk ontlast van de bedreiging uit het Oosten; het kreeg zelfs een deel van Klein-Azië, door de kruisvaarders veroverd, terug. Langs de Oostkust der Middellandsche Zee, in het oude land van Phoeniciërs en Israëlieten, werden de Mohammedanen teruggedreven en verschillende kleine Christelijke staten vormden zich daar, in naam vereenigd onder het koninkrijkJeruzalem. Maar het was voor de Christenen een blijdschap van korten duur. De Turken, onderling verdeeld, toen de Christenen kwamen, vereenigden zich en vonden verschillende voortreffelijke leiders, waaronder een eerste plaats inneemt Salah-ed-Din, uit den stam der Koerden, wiens vader groote macht had weten te verkrijgen in Egypte en die zelf aan het kalifaat van Caïro feitelijk een einde gemaakt had en behalve heerscher over Egypte ook heerscherover geheel Syrië en Mesopotamië geworden was. Tegenover die eenheid aan de zijde der Mohammedanen stond weldra een verdeelde Christenwereld in het Oosten, die tegen de aanvallen van Salah-ed-Din en zijne voorgangers niet bestand bleek. De ééne Christelijke staat vóór, de andere na verdween, de meeste reeds in de tweede helft der twaalfde eeuw. Onder moeilijke omstandigheden bleven enkele plaatsen tot het einde der dertiende eeuw in handen van een naam-koning vanJeruzalem; het eiland Cyprus, ook door de kruisvaarders veroverd, zelfs tot 1489, toen het aan Venetië kwam.Reeds lang vóór het einde der dertiende eeuw had het groote rijk van Salah-ed-Din zijne voornaamste rol uitgespeeld. Zijne opvolgers behielden op den duur alleen Egypte en een deel van Syrië. In het Oosten hadden ook zij te lijden gehad van de beweging der Mongolen. Als afzonderlijke natie beginnen dezen van zich te doen spreken in de elfde en twaalfde eeuw. Onder hun grooten aanvoerder Temoedsjin, die den titel van Dzjengis-Khan aannam, hadden zij China veroverd en zich daarop naar het Westen gekeerd, ook daar alles neerwerpende, wat hun tegenstand wilde bieden. Na Temoedsjin’s dood drongen ze door in Europa, kwamen door Rusland in Hongarije, Polen, Boheme, Silezië, Moravië, Illyrië, maar keerden toen terug, onoverwonnen. Alleen Rusland bleef langen tijd onderworpen aan het rijk van Kiptschak, ook wel het rijk der Gouden Horde genoemd, één der Mongoolsche rijken, die sedert de dertiende eeuw in Azië bestonden. Voor-Azië heeft den minsten last van hen gehad. Wel werd Perzië veroverd, wel maakte Hoelagoe, broeder van den keizer van China, een einde aan het kalifaat van Bagdad door deze stad in te nemen en den laatsten kalief te vermoorden (1258), maar noch in het Westen van Syrië noch in Klein-Azie vestigden zij hunne macht.Door al de veranderingen, die in de twaalfde en dertiende eeuw plaats vonden, was het rijk der Seldsjoeksche Turken verdwenen behalve in een deel van Klein-Azie. Daar vinden we in het begin der veertiende eeuw nog een Seldsjoeksch rijk, verdeeld in tien emiraten, die sedert 1307 allen geheel zelfstandig waren. Eén van die tien vereischt in het bijzonder onze aandacht, want daar heerschte toen Osman, naar wien de door hem geregeerde stam de Osmanli of Osmanen heet. Zijn grootvader Suleïman, zoo luidt de overlevering, kwam uit Khorassan met een groot aantal Turken naar het Westen getogen, maar verdronk in de Eufraat. Zijn dood deed zijne volgelingen uiteengaan. Twee zoons met een vierhonderd families trokken naar Klein-Azie. Daar dichtbij komende, aanschouwden ze in de verte een veldslag. Zij besloten de zwakste partij te hulp te komen en bezorgden daardoor dezen de overwinning. De verslagenen waren Mongolen, de overwinnaars Seldsjoeken. Dier sultan Ala-ed-Din gaf uit dankbaarheid aan Erthogroel, den zoon van Suleïman, en de zijnen woonplaatsenin het Noorden van Klein-Azië. Erthogroel’s zoon was Osman, die, evenals de andere emirs, in 1307 zelfstandig vorst werd van zijn rijkje, Sultan-Oeni geheeten. Hij was de eerste der Osmanen, die tot den Islam overging; zijne onderdanen volgden hem hierin even trouw als in den krijg.Het bescheiden gebied van het Osmanische rijk werd spoedig vergroot, want de Osmanen waren strijdvaardig en in hunne buurt lagen de overblijfselen van de Grieksche macht in Klein-Azië, voornamelijk enkele steden als Nicaea, Broessa, Nicomedia, Philadelphia en verschillende sterke kasteelen. De Seldsjoeken, sedert lang sedentair, hadden hunne krijgersgewoonten afgelegd; hun Islam verdroeg zich met het Grieksche Christendom. Met den Islam der Osmanen was dit niet het geval. Spoedig begonnen hunne aanvallen eerst op de Grieksche bezittingen in Klein-Azië, toen op het Grieksche rijk in Europa zelf.Hoe was toen de toestand hiervan? Het is noodig ons dien duidelijk voor te stellen om te kunnen begrijpen, hoe de aanvallen der Turken betrekkelijk zonder veel moeite slaagden. Er is geen rijk, dat na de groote volksverhuizing in West-Europa meer te lijden gehad heeft van allerlei volkeren dan het Grieksche, dat letterlijk van alle kanten bestormd geworden is: door de Mohammedanen in Azië en Afrika, door verschillende Slavische en Oeralo-Altaïsche volkeren in Europa. In Azië en Afrika verloor het, zooals we reeds opmerkten, bijna alle grondgebied. Enkele van de invallen doende volkeren vestigden zich in het Noorden van het rijk in Europa: zoo de Boelgaren, van Oeralo-Altaïschen oorsprong, maar op den duur geslavoniseerd, ten Zuid-Oosten van de Donau, in het Noorden van Macedonië en Thracië, vanwaar ze soms zelfs Constantinopel bedreigden; zoo verschillende Slavische stammen. Dezen verspreidden zich, soms met, soms tegen den wil des keizers, zoo wat door alle deelen van het Balkan-schiereiland; men vindt ze in Thracië, Macedonië, Epirus, Thessalië en zelfs hier en daar in Midden-Griekenland en in den Peloponnesus, maar in compacte massa vooral in het Noord-Westen. De Slaven daar vormden een uitlooper van de Slavische opmarsch naar de Elbe, die een gevolg van de groote verhuizing van Germaansche stammen naar het Westen was. Verschillende streken, sedert door Slavische volksstammen bewoond, als Kroatië, Slavonië, Karinthië, de Krain, Stiermarken, werden van het Grieksche rijk losgerukt en maakten later deel uit van Oostenrijk of Hongarije, het laatste bewoond door een volk van Oeralo-Altaïschen oorsprong, dat zich in de negende eeuw in de Donau-vlakte had neergezet. Zuidelijker, waar zich vooral Serviërs vestigden in ’t tegenwoordige Bosnië, Herzegowina, Montenegro, Servië, bleef de Grieksche heerschappij eenigermate bestaan, wanneer ten minste de keizers krachtig waren. Zoo was het ook bij de Boelgaren, die in de tiende eeuw geheel zelfstandig waren, totdat ze in het begin der elfde ten tijde van de krachtige keizersuit het Macedonische geslacht weêr werden bedwongen.Al die nieuwe volkeren in het Balkan-schiereiland werden weldra Christenen en wel meest allen bekeerd van Constantinopel uit. Zij behoorden dus na de scheiding van de Katholieke kerk in een Grieksche en een Roomsche tot de eerste, evenals hunne Slavische stamgenooten in Oost-Europa, de Russen, terwijl daarentegen andere Slaven als de Polen, de Czechen, de in Hongarije en Oostenrijk wonende Slaven en ook een minderheid van Serviërs tot de Roomsch-Katholieke kerk behoorden. Grieksch-Katholiek was ook een volk van twijfelachtige afkomst, de Walachen, die zich tegenwoordig meestal Roemenen noemen. Het is onnoodig hier in te gaan op de vraag, of de Roemenen werkelijk afstammen van in de dagen van keizer Trajanus in de Romeinsche provincie Dacië (Oostelijk Hongarije) geplante Romeinsche kolonisten dan wel of zij een volk van Slavischen oorsprong zijn, dat een in hoofdzaak Romaansche taal aangenomen heeft. Dit volk vinden we in de twaalfde eeuw behalve op hunne oude woonplaatsen, namelijk vooral in Zevenburgen, ook in de zoogenoemde Donauvorstendommen Moldavië en Walachije (het tegenwoordige koninkrijk Roemenië) en verder verspreid door bijna het geheele Grieksche rijk: van Boelgarije tot in den Peloponnesus komen hunne nederzettingen voor evenals die der Slaven.Het laat zich alleen denken, welk een schrikbarende veranderingen al deze vestigingen van vreemde volken in het Balkanschiereiland onder de daar wonende bevolking van Hellenen en gehelleniseerden hebben teweeggebracht. Toch blijft het Grieksche rijk te midden dezer stormen in zijn kern, d.w.z. het oude Griekenland met Albanië, Macedonië en Thracië, bestaan. Dit is niet een gevolg van krachtige keizersregeeringen, want die waren te tellen, maar van het feit, dat er in den kern van het rijk een beschaving was, het Hellenisme genoemd, sterk genoeg om vele schokken te verdragen en ook om de zich verspreid vestigende Slaven en Roemenen in zich op te nemen. Daarentegen behielden de volkeren, die zich in het Noorden in compacte massa vestigden, hunne nationaliteit, al waren ze niet altijd staatkundig van de Grieksche keizers onafhankelijk.De doodsteek voor het Grieksche rijk kwam niet uit het Oosten en ook niet uit het Noorden, vanwaar het steeds het meest bedreigd geworden was, maar uit het Westen. Zuid- Oost- en West-Europa stonden sedert lang op staatkundig en op godsdienstig gebied tegenover elkander: de Duitsche keizers maakten, als de gelegenheid zich voordeed, aanspraak op het vroegere Oost-Romeinsche rijk en de Grieksche keizers hadden hunne aanspraken op het Westen niet geheel vergeten; de pausen te Rome wilden niets liever dan hereeniging der Grieksche met de Roomsche kerk. Dit waren de oorzaken, dat de zoogenaamde Latijnsche kruistocht zich tegen Constantinopel richtte; de aanleiding was, dat de handelsbelangen van Venetië, toen degroote handelsmogendheid in het Oostelijk bekken der Middellandsche Zee, bij een revolutie te Constantinopel, op een schromelijke wijze benadeeld waren. In 1204 namen kruisvaarders Constantinopel in en het Grieksche rijk maakte plaats voor een Latijnsch keizerrijk.Dit nieuwe rijk is voortdurend krachteloos geweest. Vooral Venetië had er veel invloed: het bewerkte een verdeeling van het Zuidelijk Balkanschiereiland in een aantal leenstaatjes, in naam afhankelijk van den Latijnschen keizer, in werkelijkheid veelal van de stad van St. Marcus. Zelf annexeerde deze een deel van de kuststreek aan Adriatische en Ionische Zee, de Ionische eilanden, Creta en verschillende eilanden in de Aegeïsche Zee. Zoo werd Venetië ook een politieke macht van groote beteekenis in het Oosten. De verdeeldheid werd te grooter, omdat hier en daar een overblijfsel van Grieksche macht bleef bestaan; zoo handhaafde zich in Epirus een bastaard uit het laatste keizersgeslacht der Angeli; in Trebizonde, aan de Zuidkust der Zwarte Zee, hield zich een lid van het voorlaatste keizersgeslacht, dat der Comnenen, staande, met den weidschen titel van keizer, terwijl in Nicaea Theodorus Lascaris zich ook een miniatuur-keizerrijk stichtte.De lijdensgeschiedenis van het Latijnsche rijk, vol van inwendige twisten over godsdienstige en politieke vraagstukken, vol van strijd tegen Walachen en Boelgaren, tegen het keizerrijk Nicaea en den despoot van Epirus, eindigde in 1261. Theodorus Lascaris en zijne opvolgers in Nicaea hadden door een handige diplomatie en een flinke krijgvoering hunne positie veel weten te versterken: zij hadden een goede verstandhouding onderhouden met de Seldsjoeksche Turken—de Osmanen waren er toen nog niet—en zich aan die zijde rust verschaft; stap voor stap verwierven ze eenige steunpunten voor hunne macht in Europa, en nadat een paleisrevolutie in 1259 het geslacht van Lascaris vervangen had door dat der Paleologen, wist één der veldheeren van Michaël VIII, den eersten keizer uit het nieuwe geslacht, twee jaar later Constantinopel bij verrassing te heroveren.Er was weêr een Grieksch rijk, maar de kracht bleef er uit. De verdeeldheid in den ouden kern kon niet meer worden opgeheven. De heerschappij der Paleologen heeft zich nooit verder uitgestrekt dan over het vroegere keizerrijk Nicaea, over Constantinopel, Thracië, Macedonië, een deel van Thessalië en van den Peloponnesus, enkele eilanden in de Aegeïsche en de Ionische Zee. Verder was er een wanhopig groot aantal kleine staatjes: Epirus, waartoe ook het Westelijk deel van Midden-Griekenland behoorde, onder de Angeli, en sedert het begin der 14e eeuw onder vorsten uit andere geslachten; een hertogdom Athene, overblijfsel uit den tijd van het Latijnsche rijk, omvattende het Oostelijk deel van Midden-Griekenland; een hertogdom Achaie, omvattende een groot deel van den Peloponnesus; deVenetiaansche bezittingen, waarvan verschillende als leenstaten door aanzienlijke Venetiaansche geslachten geregeerd werden; enkele geheel autonome steden als Pellena en Tritaea in den Peloponnesus; de bezittingen van de Johanniter ridderorde, bepaaldelijk het eiland Rhodus. In het Noorden waren de daar wonende volken nu geheel onafhankelijk: Montenegro reeds sedert het midden der elfde eeuw; Servië sedert de tweede helft der twaalfde, terwijl toen ook in Bosnië zelfstandige vorsten voorkwamen; evenzoo de Boelgaren en Walachen, in het begin der dertiende eeuw een tijdlang vereenigd onder den bekenden czaar Johannitza, maar na diens dood elk op zich zelf staande: Walachije en Moldavië vormden toen afzonderlijke vorstendommen onder voïvodes, maar Moldavië was dikwijls afhankelijk van Hongarije en had veel te lijden van zijn Noordelijke buren, de Polen. Aan de kust van de Adriatische Zee vinden we behalve het Venetiaansche gebied nog enkele zelfstandige steden als Ragusa, terwijl de koningen van Napels regeeren over Durazzo en het eiland Corfu. Herinneren we ons verder het nog steeds voortbestaande keizerrijk Trebizonde, vermelden we het in Zuid-Oostelijk Klein-Azië sedert het optreden der Muzelmannen ontstane Christelijke koninkrijk Armenië en de bezittingen van Genua, de groote mededingster van Venetië op handelsgebied, vooral aan de zee van Azof, dan hebben we een overzicht van den politieken toestand der streken, waarin de Osmanen gaan optreden.Zuid-Oost-Europa in ±1350Zuid-Oost-Europa in ±1350In het Balkan-schiereiland heerschte dus een zeldzame anarchie. Wie zou aan het land zijn staatkundige eenheid teruggeven? In het midden der veertiende eeuw kon men dit in Europa zelf verwachten van Serviërs en Boelgaren, toen nauw verbonden tijdens den Servischen koning Stephanus Doughan, die zijne heerschappij zelfs over het grootste deel van Macedonië uitgebreid had, daardoor het Grieksche keizerrijk als met een wig in twee deelen scheidend, en tevens over bijna alle westelijke provinciën van het keizerrijk behalve over den Peloponnesus,2die ook stellig gestreefd heeft naar een Servisch rijk over heel den Balkan. Maar hij stierf in 1355, en met hem viel zijn rijk in stukken uiteen. En in dienzelfden tijd verschenen de Osmanen in Europa.1Aldus genoemd naar een vroegeren aanvoerder Seldsjoek; zij woonden in de buurt van Bokhara.2Opkaart no. 1, Zuid-Oost-Europa in ± 1350, vindt men dit rijk aangegeven. Men lette er op, dat dit kaartje den toestand geeft in ± 1350; in het jaar 1350 zelf was de toestand op papier anders, omdat toen juist een vrede gesloten werd, waarbij Doughan een groot deel van zijne veroveringen aan den keizer moest afstaan, maar die vrede is door Doughan niet erkend en niet ten uitvoer gelegd.II. De Opkomst en Bloei der Turksche macht in Europa.Van Sultan-Oeni uit breidde zich de macht der Osmanen langzaam, maar zeker uit over het Grieksche deel van Klein-Azië. Langzaam, want hun aantal, hoewel spoedig vergroot door verschillende vechtlievende elementen uit de Seldsjoeken, uit de Mongolen en zelfs uit de Grieken, bleef voorloopig gering. Toch volgden de veroveringen elkander regelmatig op: na een aantal kleinere Grieksche kasteelen werd in 1317 Broessa genomen door Osman’s zoon Ourkhan; toen kwamen Nicomedia (1326), Nicaea (1330) aan de beurt onder de regeering van Ourkhan zelf, die tevens Broessa tot zijn hoofdstad maakte. Groote gematigdheid kenteekende het optreden der Osmanen in den beginne: de Grieksche bevolking van de veroverde steden kreeg vrijen aftocht met haar hebben en houden; velen maakten van deze vergunning geen gebruik, maar namen den Islam aan.Chalcedon (Skoetari) en Philadelphia bleven nu de eenige bezittingen der Grieken in Klein-Azië. Vóórdat deze genomen werden, staken de Osmanen reeds naar Europa over. Dit werd te beter mogelijk, doordat onder hen een staand leger georganiseerd was door Ala-ed-Din, den eersten Turkschen vizier, den broeder van Ourkhan. Het was een leger gedeeltelijk bestaande uit wat men zou kunnen noemen leensoldaten, zij namelijk, die tegen verplichting van militairen dienst land ten gebruike kregen, en gedeeltelijk uit huurlingen. Onder de infanterie was spoedig het meest beroemde corps dat der Janitsaren (Yeni-Cheri, nieuwe troepen), gevormd uit van onderworpen Christenen afgenomen jonge kinderen, jaarlijks ongeveer duizend, die in den Islam opgevoed werden en van hun jeugd af op de wijze der Spartanen geheel voor den krijgsdienst gehard; de inrichting, eigenlijk een schepping van Kara-Khalil-Tcherendeli, een oom van Ourkhan, berustte op de uitspraak van den Koran, dat alle kinderen bij hunne geboorte neiging tot den Islam vertoonen; het corps kreeg groote privileges, hooge soldij, terwijl dapperheid in hooge mate beloond werd. Onder de ruiterij namen de Sipahi een eerste plaats in. Naast deze en andere geregelde troepen stonden verschillende ongeregelde, lichtbewapende, met wie een gevecht gewoonlijk begonnen werd. Dit vaste, geoefende leger gaf den Turken een grooten voorsprong boven de legers van welk land van Europa dan ook, waarmede ze eerst te kampen zouden krijgen; nergens vond men in het midden der veertiende eeuw een dergelijke instelling.De Turksche geschiedschrijvers verklaren het oversteken van de Osmanen over den Bosporus uit een droom van Suleïman, gouverneur van Nicaea, één der zonen van Ourkhan. Een ander verhaal zegt, dat keizer Johannes VI Suleïman te hulp riep in binnenlandsche moeilijkheden, zooals die in den laatsten tijdvan het bestaan van het Grieksche rijk meermalen voorkwamen. Suleïman bezette op zijn tocht naar Europa in 1353 het kasteel Tsympe bij Gallipoli en drie jaar later Gallipoli zelf, toen de muren van die stad ten gevolge van een aardbeving ingestort waren: dit was goddelijke voorbeschikking, verklaarden de Osmanen aan den protesteerenden Johannes VI, en zij behielden de stad. Nu volgden de veroveringen in Thracië elkander snel op. Moerad I, zoon en opvolger van Ourkhan († 1359), nam de belangrijke stad Adrianopel (1361) en vestigde daar den hoofdzetel van zijne macht in Europa (1365).De machtsontwikkeling der Osmanen wekte naijver zoowel bij de Oostelijke als bij de Noordelijke naburen. De eersten, de Seldsjoeken, waren het minst te duchten; Moerad heeft in een eersten oorlog tegen hen een paar der Seldsjoeksche rijkjes veroverd (1388). Gevaarlijker was het verzet, dat uit het Noorden kwam, vooral van de Serviërs en Bulgaren, die zich bedreigd achtten. Verder reeds werkte de Turkenvrees: de pausen, uit wier politiek het hervatten van de kruistochtbeweging nooit geheel geschrapt was, gingen trachten een kruistocht tegen de Muzelmannen in Europa te organiseeren. Het eerst deed dit paus Urbanus V, maar in het Westen bestond voor de zaak nog geen genoegzame belangstelling. Het waren voorloopig alleen de onmiddellijk bedreigden, die zich ernstig inspanden de Turken uit Europa te verjagen. Verbindingen werden daartoe aangeknoopt door de Hongaren onder hun koning Lodewijk den Grooten, de Serviërs onder Voukachine en Ougliecha, twee broeders, die regeerden in het onder Stephanus Doughan veroverde deel van Macedonië, de Bosniërs onder hun ban Tvertko, de Boelgaren onder hun czaar Sischman, de Walachen onder hun voïvode Mircea. Nog vóórdat alle bondgenooten hunne troepen gezonden hadden, overviel een bevelhebber van Moerad I een voornamelijk uit Serviërs bestaand leger bij Tschirmen1aan de rivier de Maritza en behaalde een glansrijke overwinning. Macedonië werd leenplichtig aan de Turken; de zoon van Voukachine, Marko Kralievitch, een nationale held der Serviërs, werd vasal van den sultan.Daarmede was de oorlog niet uit. Dan weer op grootere, dan weer op kleinere schaal werd het vechten eigenlijk steeds voortgezet. De Turken veroverden in 1382 Sofia in Boelgarije, dat toen schatplichtig werd, Monastir en andere plaatsen in Macedonië. En toen Moerad I moest oorlogen tegen de Seldsjoeken (zie boven), toen verbonden zich opnieuw de Serviërs, nu vooral die uit het eigenlijke Servië onder hun czaar Lazarus, met Boelgaren en Bosniërs en Walachen en Hongaren en Polen. In haast kwam Moerad I uit Klein-Azië terug en ontmoette een leger der verbondenen bij Kossowo (1389). Miloch, een Serviër van hooge geboorte, doodde Moerad I na den slag, maar de overwinningbleef aan de Turken. Een groot aantal gevangenen, waaronder Lazarus, werden onthoofd: hij en Miloch en Kossowo bleven nationale herinneringen voor de Serviërs.Het begon er voor Constantinopel bedenkelijk uit te zien. Keizer Johannes V betaalde sedert 1372, nadat hij een vruchtelooze reis naar Rome ondernomen had om daar steun te zoeken, schatting aan de Turken; spoedig daarna werd hij verplicht hun militairen steun te verleenen en één van zijne zoons als gijzelaar te stellen. Daardoor kreeg reeds Moerad I grooten invloed op de regeering te Constantinopel en, toen Johannes V in twist geraakte met zijn oudsten zoon Andronicus, hing het van het partij kiezen van Moerad af, wie de baas was. Na Kossowo kwam Bayezid I, bijgenaamd de Bliksem, en van hem had Constantinopel niet minder te vreezen dan van zijn vader.Het is ondoenlijk al de Turksche sultans, die tot nog toe de revue hebben gepasseerd, scherp in beeld te brengen. Allen maken den indruk van groote krijgslieden met zin voor militaire organisatie. Hoe meer vijanden overwonnen en gedood werden, hoe grooter lof. Daarnaast hebben zij een zekeren ijver voor den Islam, zonder dat dit hen tot fanatisme voert; soms komt een treffende, edelmoedige trek te voorschijn, een medelijdende opwelling van den sterkere als overwinnaar tegenover den overwonnene, soms treft daartegenover een groote wreedheid. De laatste zien ze het eerst duidelijk bij Bayezid I, die na den slag van Kossowo een aantal dappere vijanden liet afmaken,—en tegelijkertijd zijn jongeren broeder Jacoeb, niet, omdat Jacoeb hem tegengewerkt had, maar alleen, omdat er kans op zou kunnen zijn, dat hij een mededinger naar den troon werd. Het was de eerste broedermoord in het huis van Osman, later meermalen toegepast, verdedigd zelfs met een beroep op den Koran, die zegt, dat de opstand erger zou zijn dan de terdoodbrenging.Bayezid I, hoewel wreed en in het bezit van andere bij despoten zoo dikwijls voorkomende eigenschappen als grilligheid, laatdunkendheid, verslaafdheid aan de ergste ondeugden, was een dapper krijgsman en een uitstekend aanvoerder als zijne voorgangers. Hij was de machtigste heerscher op het Balkan-schiereiland. Na Kossowo was Servië evenals Walachije schatplichtig; Boelgarije, waar Sischman een dubbelzinnige rol gespeeld had, werd geheel onderworpen en onder Turksch bestuur gebracht. Te Constantinopel nam Bayezid’s invloed toe: Manuel, de tweede zoon van Johannes V, gijzelaar in Turksche handen, moest voor Bayezid Philadelphia innemen en hij deed het! Aan Johannes V werd verboden Constantinopel te versterken. En toen Manuel II in 1391 zijn vader opgevolgd was, begon Bayezid er ernstig over te denken Constantinopel te veroveren; reeds in 1391 viel Chalcedon en daarmede de laatste bezitting der Grieken in Klein-Azië.De omstandigheden hebben hem niet veroorloofd zijn plan te voltooien. De Turkenvrees was nu verder ingeslagen dan alleenbij de onmiddellijk bedreigden. Reeds hadden de Turken een inval gedaan in Bosnië, reeds hadden ze, voorloopig zonder succes, Hongarije aangevallen (1391). Dit laatste land had zich, tot zijne schade, tot nog toe weinig om de Turken bekommerd. De koning uit het huis van Anjou, Lodewijk de Groote, die tegelijk over Napels en Polen regeerde, had zich meer met de Italiaansche zaken ingelaten.Zijn schoonzoon en opvolger in Hongarije, Sigismund, later (sedert 1410) tevens keizer van Duitschland, wendde zich na den inval der Turken in 1391 met een gezantschap en brieven tot de vorsten in West-Europa om hulp. Zijn bede werd door den paus, die opnieuw tot een kruistocht aanspoorde, gesteund. Er rustte nu zegen op deze vereende pogingen. Uit Frankrijk, de Bourgondische landen, Duitschland, Engeland en Italië kwamen groote scharen ridders en huurlingen opdagen. Bijna heel het Westen hielp mede; alleen de koningen, te veel bezig gehouden in eigen land, bleven thuis. Ook Polen, Walachen, ridders van Rhodus boden steun. Jan Zonder Vrees, zoon van den Bourgondischen hertog, leidde de Westerlingen; koning Sigismund die van Oost- en Midden-Europa. Coalitie-legers als dit heeft Europa in lateren tijd, vooral tegen Lodewijk XIV en tegen Napoleon, meermalen in het veld gebracht en altijd waren het dezelfde gebreken, die hen aankleefden; gemis aan eenheid van leiding, slechte samenwerking van heterogene bestanddeelen. Bij de kruisvaarders van 1396 bestaan die gebreken in de hoogste mate: een eenigszins voldoende organisatie ontbrak hun. Het kruisleger trok langs den Donau naar Nicopolis in het Noorden van Boelgarije; Bayezid, die bezig was met het beleg van Constantinopel, hief dit op en trok Noordwaarts. De beide legers schijnen ongeveer even groot geweest te zijn, maar de Turken, gesteund door een Servisch hulpleger onder Stephanus, den zoon van Lazarus, stonden onder één leiding. Bij de Christenen kon men ’t zelfs over de te vormen slagorde niet dan met veel moeite eens worden. De Westersche ridders openden den slag van Nicopolis (Sept. 1396) met een charge tegen het Turksche leger; de groote doodsverachting, waarmede deze uitgevoerd werd, kon de voortreffelijke opstelling der Turksche troepen niet breken. Van alle kanten ingesloten, terwijl de rest van het kruisleger voor een groot deel op de vlucht sloeg en de Hongaren onder Sigismund door Stephanus’ Serviërs werden verslagen, moesten de ridders, voorzoover niet omgekomen, zich overgeven. Alleen de zeer aanzienlijken werden gespaard, zooals Jan Zonder Vrees, voor wien een hoog losgeld betaald werd. Tienduizend gevangenen zouden gedood zijn, de Turken ook niet minder dan twintigduizend man verloren hebben.Weêr kwam nu Constantinopel aan de beurt, terwijl de Turken plundertochten ondernamen tot in Hongarije en zich voor het eerst ook bewogen naar Zuid-Griekenland, waar geen derkleinere potentaten hen kon tegenhouden. Vóórdat Bayezid hier zijn doel geheel bereikt had, kwam opnieuw eene afleiding, nu niet uit het Westen, waar keizer Manuel II weer tevergeefs hulp was gaan zoeken, maar, ongevraagd door den keizer, uit het Oosten. Bayezid had in Klein-Azië een einde gemaakt aan al de Seldsjoeksche rijkjes, het laatst aan dat van Kastamoeni (in de buurt van Sinope) in 1393. Daardoor kreeg hij in het Oosten de Mongolen tot naburen en onder dezen was juist in de veertiende eeuw nieuwe veroveringslust gebracht door Timoer.Het onmetelijk rijk van Temoedsjin (zie hiervóór, blz.689) was spoedig na zijn dood verbrokkeld. Wel was de keizer van China nog in naam de suzerein van de khans van het rijk van Kiptschak, van Perzië en van een Midden-Aziatisch rijk, bekend als Transoxiane, feitelijk waren deze zelfstandig en de kloof was te grooter, omdat de keizers Boeddhisten, de khans en de meeste hunner onderdanen Muzelmannen geworden waren. Timoer2, geboortig uit een aanzienlijk Turksch geslacht van Transoxiane, vond met zijne schitterende talenten als staats- en krijgsman volop gelegenheid zich te doen gelden in de velerlei twisten tusschen den khan en de naar onafhankelijkheid strevende Mongoolsche aanzienlijken. De khan, die in het Noorden van zijn rijk, in Siberië, resideerde, benoemde Timoer weldra tot gouverneur van het eigenlijke Transoxiane, het land ten oosten van het Aral-meer. Strijd tusschen een zelfstandig man als Timoer en den khan bleef niet uit en na het overwinnen van groote moeilijkheden werd Timoer onafhankelijk vorst van Transoxiane, daarbij vooral steunende op de Muzelmansche geestelijke orden, makende van zijn rijk een soort theocratie. Dan beginnen de veroveringen naar het Westen. Timoer voert zijne heerscharen van zijne hoofdstad Samarkand uit naar het rijk van Kiptschak en vernietigt dit, een feit van beteekenis, omdat daardoor Rusland’s opkomst mogelijk wordt; het rijk leefde voort in brokstukken, waarvan het Tataren-rijk in en om de Krim het meest bekend werd. Ook in Perzië tot Bagdad toe, in Voor-Indië zelfs, deed Timoer zijne macht gevoelen. Evenmin als andere groote Aziatische veroveraars was hij een organisator: zijn rijk hing heel losjes samen, het was voorbestemd na zijn dood uiteen te vallen. Had Timoer de kaliefwaardigheid verkregen, die de Muzelmansche priesters hem zeker toegedacht hebben, misschien zou er meer vastheid in zijn rijk gekomen zijn. Of Timoer zelf het kalifaat heeft willen herstellen? In elk geval heeft hij getracht zijne macht te vestigen in Syrië, de toegangspoort tot Arabië. Dit bracht hem in botsing met Bayezid, dien anderen Islam-verbreider. Grensmoeilijkheden leidden tot deuitbarsting. In 1402 drong Timoer in Klein-Azië door. Met een overmacht, die moeilijk te taxeeren valt, behaalde hij een overwinning op Bayezid bij Angora; deze werd gevangen genomen, goed behandeld3, maar hij stierf spoedig in zijne vernedering. Gelukkig voor het Osmanische rijk overleefde Timoer hem niet lang; na zijne overwinning bij Angora naar Samarkand teruggekeerd, raakte hij in oorlog met China en tijdens dien krijg vond hij zijn einde (1405). Geen even machtige persoonlijkheid verving hem. Zijn rijk bleef na hem niet bestaan, en wat belangrijker is, sedert dient schijnt het groote expansievermogen, dat de Aziatische volkeren tot nog toe meermalen getoond hadden, uitgeput.De Uitbreiding van het Turksche Rijk (1353 1671)De Uitbreiding van het Turksche Rijk (1353 1671)Het Osmanische rijk doorleefde na Angora een crisis4. In Klein-Azië herstelden zich verschillende der Seldsjoeksche emirs; op het Balkan-schiereiland verslapte overal de Turksche invloed: de leenplichtige staten maakten zich geheel vrij. Het ergste was de oneenigheid onder Bayezid’s zoons, die zich beiden de heerschappij wilden verzekeren en zich tegen elkander lieten gebruiken door keizer Manuel II, die door de omstandigheden krachtiger scheen. Toch werd de Osmanische macht niet reddeloos geslagen. Geen der Balkan-machten wist op een afdoende wijze van de gelegenheid te profiteeren; allen zorgden alleen voor zich. Toen nu Mohammed I, één der zoons van Bayezid I, zijn broeder ter zijde had geschoven en alleen sultan geworden was, toen kon hij onmiddellijk opnieuw gaan opbouwen. En zijn zoon Moerad II, die hem reeds in 1421 opvolgde, had slechts dit opbouwingswerk voort te zetten en te voltooien. Hij deed het op voortreffelijke wijze, want hij was een even krachtig heerscher als de meeste zijner voorouders; hij was tevens één der sympathiekste sultans, die het huis van Osman heeft voortgebracht: zonder den in dit huis bijna hereditairen trek van wreedheid bezat hij een eenigszins wijsgeerigen, mystieken aanleg.Reeds twee jaren na de regeeringsaanvaarding voelde hij zich sterk genoeg, om Constantinopel te gaan belegeren. Volgens een Christelijke voorstelling bracht de verschijning van een vrouw op de muren, die op de Moeder Gods geleek, de Turken zóó in verwarring, dat zij het beleg opbraken. De meer prozaïsche oorzaak zoekt het aftrekken van Moerad II in een opstand in Klein-Azië. In elk geval was de druk der Turken te Constantinopel spoedig zóó groot, dat keizer Johannes VIII, zoon en opvolger van Manuel II, een zeer zwak man, er weer in moest toestemmen schatting te betalen, en toen Johannes VIII in 1448 stierf, bewerkte Moerad de opvolging van Constantijn IX Dragazes, broeder van den vorigen keizer.Zoo was de Turksche macht spoedig hersteld, want ook overal in het Balkan-schiereiland deed haar invloed zich reeds weêrgevoelen, toen in het Noorden een vorst optrad, die het Turkengevaar ernstig wilde bekampen. Dit was in Hongarije, waar koning Sigismund, die van de ongelegenheid der Turken ook geen profijt had weten te trekken, in 1437 gestorven was. Na een korte regeering van Sigismund’s schoonzoon Albrecht II kozen de Magyaren Wladislaus V, tevens koning van Polen, tot hun vorst. Onder hem was Johannes Hunyadi, afkomstig uit Zevenburgen, de eigenlijke Hongaarsche rijksbestuurder. Hij bleek tegen de Turken opgewassen, versloeg hen in 1442 en 1443 eenige malen, bracht Moerad II zelf een nederlaag toe aan de Morawa, dicht bij Nisj, in Servië, trok daarop in den winter den Balkan over en dwong de Turken bij een wapenstilstand voor tien jaar, gesloten te Szegedin in Hongarije, Servië en Walachije geheel vrij te verklaren. Moerad besloot daarna de regeering over te dragen aan zijn veertienjarigen zoon en Mohammed II en trok zich terug in een klooster in Klein-Azië. Lang bleef hij hier niet, want Hunyadi, geraden door een pauselijk legaat in zijn legerplaats om ook Boelgarije te bevrijden, verbrak den wapenstilstand. Moerad toog weêr op het strijdpad en nu won hij. Bij Warna leed Hunyadi een geduchte nederlaag, waarin de legaat en vele aanzienlijken omkwamen (1444). Geen beter fortuin bekroonde een nieuwe poging van Hunyadi, vier jaar later; weêr drong hij in Servië door, maar Moerad II versloeg hem opnieuw bij Kossowo op den Turken reeds bekend vechtterrein. Het gevolg van die nederlagen was de herstelling van de Turksche suzereiniteit in Servië, waar toen Brankowitsch, zoon van Stephanus Lazarewitsch regeerde. Aan de Serviërs was dit niet geheel onwelgevallig; de Hongaren, die Walachije tot vazalstaat gemaakt hadden, bedreigden evengoed hunne onafhankelijkheid als de Turken en ze bedreigden bovendien hun Grieksch-Katholicisme, willende hen onder Rome terugbrengen, terwijl de Turken hun godsdienst ongemoeid lieten.Overigens was Moerad II geen veroveraar. Na Warna ging hij onmiddellijk naar zijn klooster terug, maar in 1445 kwam hij nogmaals in de wereld te voorschijn, opnieuw de regeering aanvaardende om een opstand der Janitsaren, de toen reeds machtige soldateska, die meer soldij wilden, maar nu nog bedwongen konden worden. Nu bleef Moerad de regeering voeren tot zijn dood in 1451 toe. De laatste jaren waren vol van een hevigen strijd met een nieuwen, geduchten vijand: de Albaneezen. Zij waren ten tijde van Moerad I onderworpen geweest, maar na de débâcle van Angora vrijgeworden en ze hadden een aanvoerder van buitengewone bekwaamheden gevonden inScander-beg, zoon van een vroegeren hoofdman Johan Castriotes. Begunstigd door de voor een defensieve strijdvoering prachtige natuurlijke gesteldheid van Albanië, kon Scander-beg, die, omdat hij in Turkschen dienst geweest was, de Turksche vechtwijze kende, zich in zijne bergen verdedigen, zelfs, toen Moerad II hem in eigen persoon kwam bestrijden.Moerad’s opvolger was de reeds genoemde Mohammed II, een heel ander man dan zijn vader, meer gelijkende op grootvader Bayezid, zeer wreed, van zeer slechte zeden, maar ook al weêr in het bezit van uitstekende veldheers- en staatsmans-eigenschappen. Met hem begint een nieuw tijdperk van uitbreiding voor het Turksche rijk. Onmiddellijk viel hij Constantinopel aan. De stad kreeg van geen enkele zijde hulp. Onderlinge haat van Grieksch- en Roomsch-Katholieken was de voornaamste oorzaak, dat het Westen neutraal bleef. Meermalen, we zagen het reeds, hadden Grieksche keizers hulp in het Westen gezocht, maar de eisch van fusie der beide kerken was een onoverkomelijke hinderpaal gebleven. En om andere dan godsdienstige belangen stelde geen der Europeesche mogendheden genoeg belang in het Balkan-schiereiland, om voor het bedreigde Byzantium in de bres te springen. Alleen Venetië en Genua verleenden eenigen steun. Al was Constantinopel dan ook een groote stad—het telde bijna 200.000 inwoners, voor dien tijd een zeer groot aantal—al was het zeer sterk gelegen, aan zich zelf overgelaten moest het verloren gaan. Het verdedigingsleger telde niet meer dan 8000 man, menschen uit allerlei natiën; Mohammed II zou niet minder dan 200.000 man voor het beleg hebben aangevoerd en bovendien bracht hij een groote vloot bijeen om de Dardanellen en den Bosporus af te sluiten. Het beleg duurde van 6 April—29 Mei 1453. Op dezen dag had een algemeene bestorming plaats, die de verdedigers, hoe dapper ook strijdende, hoe zeer ook aangespoord door den flinken keizer Constantijn, niet konden doorstaan. De stad werd verdoopt tot Stamboel, eigenlijk Islamboel, d.i. hoofdstad van den Islam. DeAya Sophia, de beroemde basiliek van Justinianus, werd direct tot moskee gewijd. Tegenover de overwonnenen handelde Mohammed hard: een aantal der Christenen werden gedood, de stad zelf geplunderd en bij die gelegenheid heel wat verwoest van oude monumenten, voorzoover deze de plundering door de kruisvaarders van 1204 hadden overleefd.Zoo kregen de Turken een hoofdstad, door haar ligging tusschen Azië en Europa aangewezen om het middelpunt te zijn van een rijk, dat zich over een deel van die beide werelddeelen uitstrekte. Voortaan waren de Turken de heerschende klasse in Constantinopel, maar na de plundering en de wanorde der eerste dagen konden de Christenen er ongemolesteerd blijven wonen met behoud van hunnen godsdienst. De geheele organisatie van de Grieksche kerk bleef onveranderd bestaan, De eerste patriarch na de verovering werd door Mohammed met veel onderscheiding behandeld en met dezelfde ceremoniën gewijd als in den vroegeren tijd gewoonte geweest was. Toch is de Grieksche kerk in verval geraakt, toen latere sultans de patriarchen met minder eerbied behandelden, het patriarchaat gingen verkoopen aan den meestbiedende zonder op geschiktheid te letten. Toen hield het patriarchaat op een band te zijn voor de Grieksch-Katholieken op het Balkanschiereiland.Mohammed rustte niet lang op zijn eerste lauweren. Hij onderwierp Servië geheel en de bevolking schikte zich nog al gemakkelijk in haar lot, vooral, nadat Brankowitsch gestorven was (1456). Alleen Belgrado, verdedigd door Hunyadi, die hier den smaad van zijn vorige nederlagen uitwischte, en den Franciscaner monnik Johannis Capistrano, die met een handjevol kruisvaarders toonde, wat echte geloofsijver vermag, kon niet genomen worden. Wel werden niet lang daarna Bosnië (1464) en Herzegowina (1467) tot Turksche provinciën gemaakt en ook maakte Mohammed voorgoed een einde aan het bestaan der Zuidelijke staatjes zooals het hertogdom Athene, waardoor nu ook in Midden-Griekenland en Morea de Turksche heerschappij gevestigd werd (1456–1460). Slechts Venetië behield enkele steden als Koron, Pylos en Nauplia. Ernstige tegenstand werd hier niet ondervonden. In Albanië kreeg Mohammed II eerst eenigen invloed na den dood van Scander-beg in 1467. Aan de Noord-Oost grens herstelde hij de oude verhouding: Walachije betaalde sedert 1462 opnieuw schatting. Daarentegen bleven Hongarije en evenzoo Moldavië nog buiten de Turksche machtsfeer. Aan de verovering van Hongarije kon onder de regeering van koning Matthias Corvinus, zoon van Hunyadi, niet gedacht worden. Matthias was de laatste krachtige vorst, die over Hongarije alleen geregeerd heeft; hij hield de Turken buiten zijn grondgebied, maar aanvallend tegen hen optreden, steun verleenen aan Grieksch-Katholieken deed hij nooit.De beide Italiaansche zeemogendheden bleken ook niet bestand tegen de compacte Turkenmacht. Genua verloor zijne bezittingen aan de Zee van Azof en Mohammed II dwong de Tataren in die buurt zijne suzereiniteit te erkennen. Venetië werd van een krachtigen beschermer beroofd door den dood van Skander-beg, waarna het meer bloot stond aan een inval in het aan de stad zelf grenzend gebied. Toen in 1470 een Turksch leger zich aan de Oostkust van de Adriatische Zee vertoonde, sloot de lagunenstad vrede, waarbij het enkele eilanden in de Aegeïsche Zee, o.a. Lemnos en Euboea (Negropont), benevens enkele plaatsen in Albanië, o.a. Croïa, moest afstaan; dan betaalde het een oorlogsvergoeding en voortaan een jaarlijksche schatting; dat was een dure prijs voor enkele handelsvoordeelen, die het wist te bedingen5. Ook in de Ionische Zee drong de Turksche macht door: het eiland Zante werd door Mohammed bezet en aan den anderen kant der Adriatische Zee de stad Otranto (1480). Rome zelfs moest zich nu bedreigd achten. Slechts ééne macht in het Oostelijk deel der Middellandsche Zee weerstond Mohammed’s aanval: dat waren de ridders derorde van St. Jan, die in 1480opschitterende wijze hun eiland Rhodus tegen de Turken verdedigden.Zoo was één der laatste ondernemingen van Mohammed II een mislukking, want in het volgende jaar stierf hij. Geen sultan had den Turkschen naam zóó gevreesd gemaakt als hij, die bij zijn dood één der machtigste, zoo niet de machtigste vorst van Europa was. Op buitengewone wijze hadden de omstandigheden hem begunstigd; noch in Europa noch in Azië een macht, die hem ernstig in zijne plannen had kunnen dwarsboomen. Persoonlijke dapperheid alleen had Belgrado en Rhodus als twee Christelijke bolwerken in het Oosten doen blijven bestaan. In Klein-Azië waren de Seldsjoeksche emiraten opnieuw en nu voorgoed verdwenen, het laatst dat van Karamanië, éénmaal het machtigste (1471). De Eufraat was aan zijn bovenloop een Turksche grensrivier geworden.Weer was Bayezid II, zoon en opvolger van Mohammed II, van andere geaardheid dan zijn vader; ook hij deed meer aan zijn grootvader denken. Beoefening van kunst en wetenschap was zijn geliefkoosde bezigheid. Aan veroveringen maken dacht hij niet. Daarom is zijne regeering over het algemeen een tijd van rust. Alleen de vrede met Venetië werd voor korten tijd verbroken en de meeste bezittingen, die deze stad op het Balkanschiereiland nog over had, gingen nu verloren. Het steunpunt voor een verdere uitbreiding in Italië, Otranto, daarentegen werd niet lang na den dood van Mohammed II ontruimd. Viel Bayezid II niet aan, hij behoefde evenmin af te weren, want Europa liet hem met rust. Er zijn in het einde der vijftiende eeuw nog wel steeds plannen in overweging, vooral bij de Fransche koningen, om de Turken uit Europa te verdrijven, maar de veleverwikkelingen, waarmede de meeste Westersche vorsten in eigen land en onderling, vooral in hun strijd om de heerschappij in Italië, te kampen hadden, deden die plannen altijd verschuiven. Hadden de Franschen zich kunnen vestigen in Zuid-Italië, zooals men tijdens koning Karel VIII een tijdlang kon denken, misschien was er dan iets van gekomen. Nu liet men een schoone gelegenheid ongebruikt voorbijgaan: een gelukkig toeval had een broeder van Bayezid II, gewoonlijk prins Djem genoemd, die in het begin van Bayezid’s regeering tegen dezen in opstand gekomen was, in handen van paus Alexander VI gespeeld; hem had men kunnen uitspelen tegen Bayezid, maar ook dit werd door de onderlinge oneenigheid verhinderd en prins Djem vond op ongelukkige wijze den dood onder voor denpauszeer bezwarende omstandigheden.Het is begrijpelijk, dat Bayezid II geen man naar het hart der door veel oorlog en door veel buit verwende soldaten was. Vooral de Janitsaren, steeds meer aanmatigend, toonden hunne ontevredenheid en nu wilde het ongeluk, dat Bayezid tevens in onmin raakte met zijne eigen zoons, vooral met den derden, Selim. De Janitsaren kozen onmiddellijk voor dezen partij,drongen in 1512 het paleis van den sultan binnen en dwongen hem af te treden. Zoo stelden zij een antecedent voor een bedenkelijke inmenging der militaire macht in de aangelegenheden van het Turkenrijk.Selim I, een buitengewoon wreed mensch, regeerde slechts acht jaar (1512–1520), maar dit korte tijdperk is zeer rijk aan aanwinsten in grondgebied, echter buiten Europa. De beide Mohammedaansche rijken, die in Azië aan Selim’s rijk grensden, hadden het meest van hem te lijden. Perzië, na Timoer weer zelfstandig, eerst onder Turcomansche dynastieën, sedert het begin der zestiende eeuw onder een nieuwe dynastie, afstammende van een Sheikh-familie, die behoorde tot de orde der Çoufi en daarom meest de Çoufi-dynastie genoemd, raakte met Selim in oorlog wegens grensmoeilijkheden en wegens steun, door den shah Ismaël aan Turksche opstandelingen bewezen. Het was tevens een godsdienstoorlog, want de Perzen waren sjiïtische Muzelmannen, de Turken Soenitische. Perzië werd niet geheel onderworpen, maar verloor in het Noord-Westen Azerbaïdjan en in het Westen een deel van Mesopotamië met o.a. de stad Mosoel. In denzelfden tijd onderwierp Selim ook het onafhankelijke Georgië en Koerdistan, waardoor de Kaukasus de Noordgrens van zijn rijk werd. Het zal in het vervolg van dit korte overzicht onmogelijk zijn telkens terug te komen op de veelvuldige oorlogen van Perzië en Turkije. Het moet genoeg zijn er de aandacht op te vestigen, dat de grens in het Noord-Westen op den duur bleef, zooals zij vóór Selim was, d.w.z. Azerbaïdjan kwam aan Perzië terug, terwijl Georgië en Koerdistan altijd heel losjes met het Turksche rijk verbonden bleven, evenals b.v. Albanië in de zestiende eeuw nog was. Alleen Mesopotamië bleef Turksch. Suleïman, Selim’s opvolger, nam daar nog Bagdad, dat alleen in het begin der zeventiende eeuw bij een krachtige herleving van Perzië onder shah Abbas den Grooten voor een korten tijd weêr in Perzische handen geweest is.Het andere Mohammedaansche grensrijk was Egypte, waarmede Syrië vereenigd was; hier heerschten sedert het einde der dertiende eeuw de Mamelukken6, vroeger in dienst genomen door Egyptische sultans, maar die dezen op den duur overvleugeld hadden. Ook de oorlog met dit land kwam voort uit grensmoeilijkheden. Zonder veel moeite veroverde Selim Syrië, maar in Egypte bood sultan Touman-Baï een heftigen tegenstand (1517), die niet dan met groote moeite overwonnen werd. En nu gebeurde er in Cairo iets zeer opmerkelijks: daar leefde nog verborgen, in armoede, een man, die den naam van kalief droeg en die heette af te stammen van de Abassiden; van hem kocht Selim de waardigheid van kalief en daarbij den standaard en den mantel van Mohammed, symbolen van het kalifaat. Nukonden Selim en zijne opvolgers, die van khan (vorst van een stam in Azië) tot emir (een tot den Islam bekeerde vorst, hoofd der geloovigen), sultan (koning), padishah (koning der koningen, keizer) geklommen waren, zich nu ook als opvolgers van Mohammed beschouwen en zich een soort geestelijke oppermacht over alle Mohammedanen aanmatigen. De kaliefwaardigheid bracht natuurlijk aanspraken mede op Arabië, in de eerste plaats op Mekka en Medina, waarover Selim I dan ook reeds zijne heerschappij uitgebreid heeft. De Arabische kustplaatsen, als b.v. Aden en Mascate, werden pas door Suleïman onderworpen; Yemen eerst na Suleïman, onder diens opvolger Selim II. Daarmede was de uiterste grens van de macht der Turken in Azië bereikt. Afgezien van de kleine veroveringen van Suleïman en Selim II, heeft dus Selim I in Azië en Afrika ongeveer alles veroverd, wat in vroegere dagen tot het Oost-Romeinsche rijk van Justinianus behoord had; alleen de Noord-kust van Afrika ontbrak er nog aan.In Europa hadden de veroveringen na Mohammed II zoo goed als stilgestaan. Maar nu kwam na Selim I alweêr een sultan van groote kracht, Suleïman I, dien zijne onderdanen den Wetgever hebben genoemd en de Westerlingen den Prachtlievende. Suleïman is een krijgs- en staatsman van buitengewone bekwaamheden, nog hooger ontwikkeld op dit gebied dan velen zijner voorgangers waren; wreedheid heeft hij niet getoond, op enkele uitzonderingen na. Dat ze in hem was, heeft hij bewezen, toen hij zijn zeer begaafden zoon Moestafa liet worgen (1553), om te voldoen aan een wensch van zijn lievelingsvrouw Roxelane, en toen hij, om diezelfde vrouw te plezieren, zijn grootvizier Ibrahim, die eerst veel invloed had, uit den weg liet ruimen (1536). Die invloed van Roxelane, misschien een Russische, toont, dat er onder Suleïman een verandering intreedt, die op den duur zeer slechte gevolgen gehad heeft: de harem van den sultan blijft niet meer buiten het politieke leven.Voor het uitwendige is Suleïman’s lange regeering (1520–1566) de schitterendste onder die van alle Turksche sultans, vooral om den invloed, dien hij uitoefende tot in West-Europeesche aangelegenheden toe. De verhouding van de Turken tot Europa wordt onder hem van anderen aard. Er is geen sprake meer van hunne uitdrijving uit Europa. Terwijl alle krachten van de aangrenzende landen noodig en nog niet eens voldoende zijn om verdere uitbreiding van het Turksche rijk te voorkomen, verandert één der Europeesche staten geheel van politiek ten opzichte van Turkije: Frankrijk, nog pas dreigende om als bestrijder op te treden, gaat met den sultan verbindingen aanknoopen. Dit was een gevolg van den grooten strijd tusschen de beide in de eerste helft der zestiende eeuw in West-Europa bestaande en elkander bekampende grootmachten: Karel V, regeerende over Spanje, groote stukken van Italië, de Oostenrijksche erflanden, de Nederlandsche gewesten, tevens keizervan Duitschland, en Frans I, koning van Frankrijk, beiden strevende naar de opperheerschappij in Europa. Karel V beschikte over de grootste hulpbronnen, overtrof Frans in bekwaamheid. Het einde van den strijd was niet twijfelachtig en begrijpelijk de reden, waarom Frans de derde grootmacht in Europa voor zich trachtte te winnen.Suleïman begon zijne vele ondernemingen met de beide plaatsen, waarvoor Mohamed II het hoofd gestooten had. Belgrado werd reeds in 1521 genomen. Hongarije, na den dood van Matthias Corvinus door binnenlandsche twisten verscheurd, kon dit niet verhinderen. Een jaar later viel Rhodus. De expeditie tegen dit eiland, in den laatsten regeeringstijd van Selim I met groote zorg voorbereid, kostte meer inspanning. Het beleg van de ridders, die in hun sterke vesting zich heldhaftig verdedigden, duurde ruim een half jaar. Op voorwaarde van vrijen aftocht gaven de grootmeester en de zijnen zich in December 1522 over. Een paar jaar later kregen zij Malta van Karel V en vormden daar een nieuw bolwerk tegen Turksche uitbreiding naar het Westen.Deze beide veroveringen waren slechts voorpostengevechten. Een grootsche onderneming kwam in 15267: een inval in Hongarije. Het was het jaar na den slag van Pavia, waar Frans I door Karel V een geduchte nederlaag was toegebracht; de Fransche koning was gevangen genomen en te Madrid tot een zeer nadeeligen vrede gedwongen. Haast onnoodig is het te zeggen, dat hij dien vrede onmiddellijk na zijne invrijheidstelling verbrak. Op zijn aansporen nu, heet het, heeft Suleïman den oorlog tegen het huis Habsburg aangebonden. Maar zou die oorlog anders zijn uitgebleven? Nu Belgrado ingenomen was, lokte de vruchtbare Hongaarsche laagvlakte als van zelf tot verovering uit, en te meer moest Suleïman de verovering wenschen, omdat de macht van de Habsburgers dreigde zich ook hier te vestigen.In Hongarije regeerde de jonge koning Lodewijk II. Zijn vader, een zoon van een Poolsch koning uit het geslacht der Jagellonen, was na Corvinus’ dood tot koning van Hongarije gekozen, en regeerde eveneens over Bohemen, Moravië en Silezie. De slimme politiek van keizer Maximilaan I, grootvader van Karel V, had dezen tak der Jagellonen-dynastie op dubbele wijze aan de Habsburgers vermaagschapt: Lodewijk II was gehuwd met Maximiliaan’s kleindochter, Lodewijk’s zuster met Maximiliaan’s tweeden kleinzoon Ferdinand, den lateren keizer. Habsburgsche invloed was dus in Hongarije zoo goed als gewaarborgd.Hiertegen nu trad Suleïman op, hetzij dan geheel uit eigen beweging, hetzij op vreemde aansporing. Het Hongaarsche legerbleek volstrekt niet tegen hem opgewassen. Peterwardein was de eerste belangrijke verovering der Turken op Hongaarsch grondgebied. De beslissende slag had plaats bij Mohacz, waar Lodewijk II sneuvelde en de Hongaren totaal verslagen werden. Nadat de “Hongaarsche natie” hier haar “graf” gevonden had, viel de hoofdstad van het rijk, Boeda, zonder slag of stoot in handen der Turken en spoedig daarna ook het aan de overzijde van den Donau gelegen Pest. Inwendige verdeeldheid onder de moeilijk te beheerschen Magyaarsche magnaten had de verovering gemakkelijk gemaakt—en vergemakkelijkte eveneens de verdere beheersching van het land. Twee pretendenten dongen naar de kroon, beiden vonden aanhang: Johan Zapolya, voïvode van Zevenburgen, werd door de bevolking als koning erkend in Zevenburgen en Oostelijk Hongarije; Ferdinand, deHabsburger, door den rijksdag, vergaderd te Presburg, de hoofdstad van dat deel van Hongarije, dat nu Oostenrijksch werd. Beide partijen trachtten door Suleïman erkend te worden: Zapolya won het; hij werd vorst onder Turksche suzereiniteit.De gezanten van Ferdinand kregen van Suleïman tot antwoord, dat hun meester zich op zijn bezoek moest voorbereiden. Inderdaad zette de sultan den oorlog voort en in 1529 rukte hij op tot voor Weenen. Zouden de Turken zich vestigen in Midden-Europa? Terwijl Weenen deerlijk in het nauw raakte, verbreidde zich in de Westelijke wereld een groote onrust. Eén oogenblik kon men onderlinge vijandschap vergeten: Luther spoorde zijne geloofsgenooten aan nu de Katholieken te hulp te snellen; Frans I, stellig ook onder invloed van den Turkschen intocht in Oostenrijk, sloot te Kamerijk vrede met Karel V en verbrak dus zijne verbindingen met Suleïman. Deze vond voor de poorten van Weenen een hardnekkigen tegenstand: alle beschietingen waren vruchteloos, alle bestormingen werden afgeslagen door een klein garnizoen onder den graaf van Salm, dapper gesteund door de burgers Toen de winter begon te naderen, toen de Janitsaren ongeduldig begonnen te worden, besloot Suleïman het beleg op te breken (Oct. 1529); misschien is ook het vooruitzicht geheel West-Europa tegenover zich te zullen zien van invloed op dit besluit geweest. De oorlog werd nog gedurende vier jaar voortgezet zonder belangrijke krijgsverrichtingen. Op een tweeden tocht in Hongarije (1532) werden weinig resultaten behaald. In 1533 sloten Ferdinand en Suleïman voor het eerst een verdrag. Ferdinand behield het Westelijk deel van Hongarije, maar moest een jaarlijksche schatting betalen aan Turkije. Karel V, steeds volop beziggehouden in het Westen, legde zich hierbij neer.Lang duurde echter de rust niet. De Turken trachtten in dezen tijd ook hunne macht te vestigen aan de Noordkust van Afrika, daardoor het Westelijk bekken van de Middellandsche zee aanhoudend bedreigende. Dit was vooral het werk van Chair-ed-Din, Barbarossa bijgenaamd. Hij behoorde tot een familie van zeeroovers, in dien tijd een welig tierend ras. Zijn broederhad Algiers veroverd en dit was na diens dood door Barbarossa zelf onder de souvereiniteit van den sultan geplaatst. Chair-ed-Din werd weldra opperbevelhebber der Turksche vloot en hij veroverde in 1534 Tunis. Hiertegen nu ondernam Karel V zijn eersten tocht naar de Noordkust van Afrika; Tunis werd door hem heroverd (1535). Daardoor werd de oorlog algemeen. Frans I slooteen offensieveen defensieve alliantie met Suleïman, die toen te Bagdad was, gewikkeld in een oorlog tegen Perzië. Deze alliantie is ook van beteekenis wegens de aan Frankrijk verleende voorrechten in het Turksche rijk; overal zouden de Franschen tegen een minimum invoerrecht handel mogen drijven; bovendien kregen zij de bescherming van de heilige plaatsen in Palestina. Dit zijn de zoogenoemde capitulatiën, dikwijls hernieuwd en op den duur een bron van moeilijkheden.De oorlog, die in 1536 opnieuw begon, werd vooral ter zee gevoerd. Reeds sedert de dagen van Mohammed II hadden de Turken een vloot bezeten, waarmede achtereenvolgens verschillende eilanden in de Aegeïsche Zee genomen waren. Nu, onder Chair-ed-Din, werd die vloot geducht, werd ze meer dan bestand tegen de Venetiaansche, zelfs met een admiraal als Andreas Doria aan het hoofd. Venetië was verbonden met Karel V en het is vooral deze stad geweest, die verloor. Toen het in 1539 onder bemiddeling van Frankrijk vrede sloot met Suleïman, moest het weêr eenige plaatsen aan de Adriatische Zee en al de bezittingen, die het nog had in den Peloponesus en in de Aegeïsche Zee, op een paar na, afstaan. Frans I zelf had reeds eerder den oorlog gestaakt en den wapenstilstand van Nizza gesloten (1538): hij behandelde dus zijn bondgenoot niet al te nauwgezet. Deze toonde er niet den minsten wrok over. Toen in 1541 de wapenstilstand verbroken werd, kwam het tusschen de bondgenooten tot directe samenwerking. Een Fransch en een Turksch eskader vereenigden zich om verschillende steden van Savoye te veroveren, waarvan de hertog met Karel V verbonden was: onder meer hebben zij de stad Nizza in bezit genomen. Voor noodige herstellingen werden haven en stad van Toulon door den Franschen koning ter beschikking van de Turksche vloot gesteld.Ondertusschen oorloogde men ook opnieuw in Hongarije. Zapolya was in 1539 gestorven. Zijne verhouding tot Ferdinand van Oostenrijk was goed geweest; Zapolya had aan Ferdinand de opvolging in zijn deel van Hongarije toegezegd. Daarvan was echter Suleïman niet gediend. In 1541 ondernam hij opnieuw een tocht naar Hongarije en nu bezette hij Boeda en Pest voor zichzelf: hij maakte er Turksche steden van en een groot deel van Hongarije werd een Turksche provincie. Zevenburgen en een klein deel van Hongarije, het banaat van Temesvar, kwamen aan Zapolya’s zoon Sigismund, toen nog minderjarig. Van het deel, dat Ferdinand had, werden enkele steden veroverd: Gran en Stuhlweissenburg (1543), Visegrad (1544). De algemeene oorlog eindigde in dit laatste jaar, zonderdat ergens groote resultaten waren behaald. Frans I, die behalve Turkije nog verschillende andere Europeesche machten tegen Karel V in beweging gebracht had, moest opnieuw het onderspit delven bij den vrede van Crépy. Drie jaar later sloot Suleïman een nieuw verdrag met het huis Habsburg, in hoofdzaak een bevestiging van het vroegere. Bovendien was nu ook Moldavië schatplichtig aan Turkije geworden (sedert 1546)8.In de oorlogen van Karel V en diens opvolger Philips II met Hendrik II, den opvolger van Frans I, die steeds om dezelfde reden voortgezet werden, isSuleïmanweêr de bondgenoot van den Franschen koning. Maar groote veroveringen heeft hij niet meer kunnen maken. Tegen de wereldmacht der Habsburgers, die onder Karel V steeds versterkt was, kon hij op den duur niet op. Het kostte moeite het veroverde te behouden, want de Hongaren verdroegen niet dan zeer onwillig het Turksche gezag. Zevenburgen zelfs kwam ten gunste van Ferdinand in opstand. Die beweging werd bedwongen, het Turksche gezag overal in Hongarije hersteld, maar daarbij bleef het. Evenmin werkte het gezamenlijk optreden van de Turksche en Fransche vloten veel meer uit. Alleen nam de Turksche vloot onder Dragut, den broeder en opvolger van Chair-ed-Din, in 1551 Tripoli9. Nadat Hendrik II buiten Turkije om den wapenstilstand van Vaucelles sloot (1556), toonde Suleïman voor het eerst zijn ongenoegen aan Frankrijk. Beider samenwerking was minder hartelijk, toen Hendrik II weldra den oorlog tegen Philips II hervatte, die in 1559 met den vrede van Câteau-Cambrésis eindigde. Daarmede werd de goede verstandhouding tusschen den “zeer Christelijken” koning en het hoofd der Mohammedaansche wereld afgebroken. Frankrijk ging een halve eeuw van godsdienstoorlogen tegemoet; de strijd in het groot tegen het huis Habsburg rustte in dien tijd. Echter bleven de Franschen in het bezit hunner capitulatiën, waarmede ze een bevoorrechte plaats in den Oosterschen handel innamen tot in de zeventiende eeuw toe. Die handel was echter (het is misschien niet overbodig dit op te merken) niet meer van zulk een beteekenis voor de geheele wereld als vóór de ontdekking van den zeeweg naar Indië in het einde der vijftiende eeuw.Suleïman zette na 1559 den oorlog voort, maar noch in Hongarije noch in de Middellandsche Zee met het vroegere animo. Met Ferdinand I, nu keizer, sloot hij in 1562 voor de derde maal een overeenkomst op de oude voorwaarden. Met KarelV als koning van Spanje had Suleïman nooit vrede gesloten. Evenmin deed hij dit met Philips II, die evenals zijn vader gold als de verdediger bij uitstek van het Katholicisme, de onverzoenlijke tegenstander van den Islam. De meest bekende gebeurtenis uit het laatste deel van dien oorlog is het beleg van Malta (1565), dat Suleïman aan de orde van St. Jan, gesteund door Spanje, wilde ontnemen. De poging mislukte en evenzoo was Suleïman’s laatste expeditie in Hongarije vruchteloos. De vrede hier was reeds na vier jaar om aanhoudende grensmoeilijkheden verbroken. Suleïman viel opnieuw in Hongarije, sloeg het beleg voor Sziget, dat dapper verdedigd werd door Zriny, bij wien Hongaarsch patriottisme den noodigen invloed oefende. Tijdens het beleg stierf Suleïman, een en zeventig jaar oud (1566).Onder hem heeft het Turksche rijk het toppunt van zijne macht bereikt. Enkele kleinere veroveringen, die later genoemd zullen worden, zijn daarna nog gemaakt, maar vergeleken bij de vroegere komen ze haast niet in aanmerking. Vanwaar die stilstand, hier gelijkstaande met achteruitgang? Niet om de meerdere kracht der andere Europeesche staten alleen, want, ofschoon die werkelijk op den duur zich deed gelden, was er toch bij de vele onderlinge oorlogen, vooral in de zeventiende eeuw, gelegenheid genoeg geweest daarvan gebruik te maken. De achteruitgang hangt nauw samen met inwendige veranderingen in het Turksche rijk zelf en is daarom eerst voor den buitenstaander onzichtbaar. Die veranderingen dienen we in de eerste plaats kort na te gaan.1Sedert heet die plaats Sirf-Sindughi, d.i. nederlaag der Serviërs.2In West-Europeesche talen verbasterd tot Tamerlan, van het Perzische Timoer-Lenk, d.i. de hinkende Timoer; hij hinkte vanwege een wonde, die hij in zijn jeugd door een pijl gekregen had.3De opsluiting in een ijzeren kooi en dergelijke verhalen zijn legenden.4Opkaart n°. 2, de uitbreiding van het Turksche rijk (1353–1671), is het verschil tusschen vóór en na 1402 duidelijk gemaakt.5De verschillende phasen van den strijd tusschen Turkije en Venetië zijn om het overzicht van het geheel niet te belemmeren opkaart no. 2niet aangegeven, voorzoover de kust van Dalmatië en Albanië betreft.6Het woord beteekent: slaven; het zijn menschen uit den Kaukasus afkomstig.7In hetzelfde jaar erkende de republiekRagusade souvereiniteit van den Turkschen sultan.8In dit jaar stierf het oude Moldavische vorstenhuis uit. Sedert dien deed zich de invloed van Turkije er op dezelfde wijze gelden als in Walachije: de boïaren kozen telkens een nieuwen vorst (hospodar), dien de sultan bevestigde. Schatplichtig was Moldavië reeds sedert 1513 en in 1538 had Suleïman in het kustgebied een Turksche provincie gesticht.9Tunis is in 1569 door de Turken op de Spanjaarden heroverd; het kasteel bij Tunis eerst in 1573.

1Dit overzicht is een omwerking van het voor den tweeden druk van deze Nederlandsche uitgave van den koran bewerkte overzicht door Mr. F. A. de Graaff, oud-leeraar in de geschiedenis aan de H.B. School te Haarlem. Het is samengesteld, niet naar de bronnen zelf, maar met gebruikmaking der belangrijkste algemeene werken over de Turksche geschiedenis. Daaronder zijn vooral te noemen:J. von Hammer,Geschichte des Osmanischen Reiches(Pest, 1827–1835, 10 deelen).J. W. Zinkeisen,Geschichte des Osmanischen Reiches in Europa, (in de Geschichte der europäischen Staaten, herausgegeben von A. H. L. Heeren und F. A. Ukert, Hamburg, Perthes 1840–1863, 7 deelen).N. Jorga,Geschichte des osmanischen Reiches(Gotha, Perthes, 1911; 4 deelen).Voor een beknopt overzicht zijn aan te bevelen:H. de la Jonquière,Histoire de l’Empire ottoman (collection Duruy), 1881.Stanley Lane-Poole,Turkey (in: the Story of the Nations, T. Fisher Unwin, London, G. P. Putnam’s sons, New-York, 1888).Voor de 16e en 17e eeuw is van groot belang:Leopold von Ranke,die Osmanen und die Spanische monarchie im 16 und 17 Jahrhundert (in: sämmtliche Werke, band 35 en 36, Leipzig, 1877).

1Dit overzicht is een omwerking van het voor den tweeden druk van deze Nederlandsche uitgave van den koran bewerkte overzicht door Mr. F. A. de Graaff, oud-leeraar in de geschiedenis aan de H.B. School te Haarlem. Het is samengesteld, niet naar de bronnen zelf, maar met gebruikmaking der belangrijkste algemeene werken over de Turksche geschiedenis. Daaronder zijn vooral te noemen:

J. von Hammer,Geschichte des Osmanischen Reiches(Pest, 1827–1835, 10 deelen).

J. W. Zinkeisen,Geschichte des Osmanischen Reiches in Europa, (in de Geschichte der europäischen Staaten, herausgegeben von A. H. L. Heeren und F. A. Ukert, Hamburg, Perthes 1840–1863, 7 deelen).

N. Jorga,Geschichte des osmanischen Reiches(Gotha, Perthes, 1911; 4 deelen).

Voor een beknopt overzicht zijn aan te bevelen:

H. de la Jonquière,Histoire de l’Empire ottoman (collection Duruy), 1881.

Stanley Lane-Poole,Turkey (in: the Story of the Nations, T. Fisher Unwin, London, G. P. Putnam’s sons, New-York, 1888).

Voor de 16e en 17e eeuw is van groot belang:

Leopold von Ranke,die Osmanen und die Spanische monarchie im 16 und 17 Jahrhundert (in: sämmtliche Werke, band 35 en 36, Leipzig, 1877).

I. Inleiding.Toen Mohammed in 632 stierf, was zijn geboorteland voor zijn godsdienst gewonnen. Juist honderd jaar later streden de Arabieren bij Poitiers in Frankrijk; daar werd de uitbreiding van den Islam in West-Europa tot staan gebracht. Het rijk, waarover de kaliefen, opvolgers van Mohammed, regeerden en waarvan Bagdad in het midden der achtste eeuw de hoofdstad werd, strekte zich toen uit van den Indus tot den Atlantischen Oceaan en omvatte Arabië, Syrië, Armenië tot den Kaukasus, Perzië, een deel van Turkestan, Egypte, de Noordkust van Afrika, Spanje en het eiland Cyprus. Dit kalifaat met zijn zonderlingen vorm, met de zoo verschillende natiën, die er toe behoorden, bleef niet lang één staatkundig geheel.Binnenlandsche twisten leidden tot verbrokkeling: in de tiende eeuw staan zelfstandig naast de kaliefen van Bagdad die van Cairo en Cordova. Geen van drieën kon toen meer op groote, inwendige kracht bogen.In het kalifaat van Bagdad maken we kennis met de Turken. Deze worden gerekend tot een groep van volkeren, die men gezamenlijk het oeralo-altaïsche (tusschen Oeral en Altaï wonende) ras noemt en waaronder misschien evenals onder de Indo-Europeërs verwantschap bestaan heeft, zonder dat dit tot nog toe even duidelijk als bij de Indo-Europeërs is aangetoond geworden. Hebben de zoogenaamde oeralo-altaïsche volkeren een zelfden oorsprong, dan is in elk geval het onderling verschil nog veel grooter geworden dan bij de Indo-Europeërs: wie zou nu tusschen Tataren, Mongolen, Kirgiezen, Mantsjoe’s, Jakoeten, Toengoezen aan den éénen kant, Hongaren, Finnen, Lappen aan den anderen kant verwantschap gaan zoeken, zonder de oudere geschiedenis dier volkeren te kennen?De oudste ons bekende woonplaats der Turken is Turkestan, zoowel het nu tot Russisch-Azie behoorende land van dien naam als het tot China behoorende Oost-Turkestan. Daar signaleerden hen in de vijfde eeuw na Christus de Chineezen als Tou-kioue, terwijl in het Byzantijnsche of Grieksche rijk in dezelfde eeuw de naam Tourkoi genoemd wordt. Het militaire gevoel was bij hen zeer sterk ontwikkeld. Zij waren in de eerste plaats soldaten, trekkende, waarheen de fortuin hen voerde, levende, als het mogelijk was, op vaste plaatsen, maar die ook gemakkelijk verlatende, als een sterkere kwam, die hen er uitdreef. Het soldatenleven ontwikkelde bij hen een buitengewoon sterk plichtsgevoel met een levendigen zin voor discipline en hiërarchie. “Een Turk te paard kent zijn vader niet,” “Als men ’t huis uws vaders aanvalt, valt mede aan”, zijn bekende Turksche gezegden uit dien ouden tijd.Voor een dergelijk volk moest de Islam met zijne martiale eigenschappen veel aantrekkelijks hebben. Met overpeinzingen over de waarde van een of ander godsdienstig stelsel hebben de Turken, weinig bespiegelend aangelegd als zij zijn, zich nooit druk gemaakt. Evenals het vroeger tot hen gekomen Boeddhisme en het Nestoriaansch Christendom aanhang onder hen gevonden hadden, zoo ook de Islam, toen die hun land in de zevende eeuw bereikte.De Islam opende hun nieuwe wegen om zich uit te breiden. Tot nog toe hadden zij zich meest naar het Westen verplaatst. Nu stond voor hen ook de weg naar het Zuidwesten, naar Iran, open, waar het Nieuw-Perziche rijk der Sassaniden, begunstigd door de natuurlijke grensgesteldheid tot hen, aan de komst van den Islam had kunnen tegenhouden. In grooten getale maakten zij daarna weldra hunne opwachting in het Kalifaat van Bagdad en traden in dienst der Abassiden, het toenmalige kaliefengeslacht. Met hun optreden in Voor-Azië beginnen nieuwe veroveringender Mohammedanen; het laatste overblijfsel van het Byzantijnsche rijk in Azië, Klein-Azië of Roem (= land der Romeinen), werd door de Turken veroverd. Maar door hen begint ook de verbrokkeling van het Kalifaat van Bagdad in een aantal kleine staatjes onder verschillende dynastieën, die den kalief slechts in naam als hun meester erkennen. Meer direct wordt de kalief bedreigd door de ook al uit Turken bestaande lijfwacht, wier hoofd, de emir-al-omra, hem op den duur gaat overheerschen. Het culminatiepunt in die ontwikkeling wordt bereikt, wanneer kalief Kalem in het midden der elfde eeuw den wegens zijn godsdienstijver bekenden Togroel-Beg, het hoofd der Seldsjoeksche1Turken, naar Bagdad roept en proclameert tot sultan van het Oosten en Westen: deze krijgt dus de wereldlijke macht, de kalief behoudt alleen de geestelijke.De sultan of, zooals men hem meestal noemde, de atabêk, die te Mosoel resideerde, kon op den duur evenmin als de kalief een krachtig centraal gezag handhaven. Onder hem waren verschillende sultans, leenvorsten eigenlijk, die zich van den atabêk feitelijk losmaakten, zoodat de verbrokkeling, reeds onder de kaliefen ontstaan, bleef voortduren. Het belangrijkste der zoo ontstaande rijkjes vond men in Klein-Azie, met Iconium en later Nicaea, dus vlak in de buurt van Constantinopel, als hoofdstad. In denzelfden tijd kregen andere Turksche stammen veel invloed in het kalifaat van Caïro, waartoe een groot deel van Syrië behoorde, en ook hier begon nu een dergelijke verbrokkeling.Zoo was de toestand, toen vooral in de twaalfde eeuw de kruistochten plaats hadden. Die merkwaardige beweging, voortgekomen uit een hooggespannen godsdienstig gevoel bij de volken van West-Europa, dat die volken heeft doen samenwerken tot één doel, zooals later zelden meer voorgekomen is, scheen voor een oogenblik in den toestand in het Oosten groote veranderingen te zullen aanbrengen. Het Byzantijnsche rijk werd tijdelijk ontlast van de bedreiging uit het Oosten; het kreeg zelfs een deel van Klein-Azië, door de kruisvaarders veroverd, terug. Langs de Oostkust der Middellandsche Zee, in het oude land van Phoeniciërs en Israëlieten, werden de Mohammedanen teruggedreven en verschillende kleine Christelijke staten vormden zich daar, in naam vereenigd onder het koninkrijkJeruzalem. Maar het was voor de Christenen een blijdschap van korten duur. De Turken, onderling verdeeld, toen de Christenen kwamen, vereenigden zich en vonden verschillende voortreffelijke leiders, waaronder een eerste plaats inneemt Salah-ed-Din, uit den stam der Koerden, wiens vader groote macht had weten te verkrijgen in Egypte en die zelf aan het kalifaat van Caïro feitelijk een einde gemaakt had en behalve heerscher over Egypte ook heerscherover geheel Syrië en Mesopotamië geworden was. Tegenover die eenheid aan de zijde der Mohammedanen stond weldra een verdeelde Christenwereld in het Oosten, die tegen de aanvallen van Salah-ed-Din en zijne voorgangers niet bestand bleek. De ééne Christelijke staat vóór, de andere na verdween, de meeste reeds in de tweede helft der twaalfde eeuw. Onder moeilijke omstandigheden bleven enkele plaatsen tot het einde der dertiende eeuw in handen van een naam-koning vanJeruzalem; het eiland Cyprus, ook door de kruisvaarders veroverd, zelfs tot 1489, toen het aan Venetië kwam.Reeds lang vóór het einde der dertiende eeuw had het groote rijk van Salah-ed-Din zijne voornaamste rol uitgespeeld. Zijne opvolgers behielden op den duur alleen Egypte en een deel van Syrië. In het Oosten hadden ook zij te lijden gehad van de beweging der Mongolen. Als afzonderlijke natie beginnen dezen van zich te doen spreken in de elfde en twaalfde eeuw. Onder hun grooten aanvoerder Temoedsjin, die den titel van Dzjengis-Khan aannam, hadden zij China veroverd en zich daarop naar het Westen gekeerd, ook daar alles neerwerpende, wat hun tegenstand wilde bieden. Na Temoedsjin’s dood drongen ze door in Europa, kwamen door Rusland in Hongarije, Polen, Boheme, Silezië, Moravië, Illyrië, maar keerden toen terug, onoverwonnen. Alleen Rusland bleef langen tijd onderworpen aan het rijk van Kiptschak, ook wel het rijk der Gouden Horde genoemd, één der Mongoolsche rijken, die sedert de dertiende eeuw in Azië bestonden. Voor-Azië heeft den minsten last van hen gehad. Wel werd Perzië veroverd, wel maakte Hoelagoe, broeder van den keizer van China, een einde aan het kalifaat van Bagdad door deze stad in te nemen en den laatsten kalief te vermoorden (1258), maar noch in het Westen van Syrië noch in Klein-Azie vestigden zij hunne macht.Door al de veranderingen, die in de twaalfde en dertiende eeuw plaats vonden, was het rijk der Seldsjoeksche Turken verdwenen behalve in een deel van Klein-Azie. Daar vinden we in het begin der veertiende eeuw nog een Seldsjoeksch rijk, verdeeld in tien emiraten, die sedert 1307 allen geheel zelfstandig waren. Eén van die tien vereischt in het bijzonder onze aandacht, want daar heerschte toen Osman, naar wien de door hem geregeerde stam de Osmanli of Osmanen heet. Zijn grootvader Suleïman, zoo luidt de overlevering, kwam uit Khorassan met een groot aantal Turken naar het Westen getogen, maar verdronk in de Eufraat. Zijn dood deed zijne volgelingen uiteengaan. Twee zoons met een vierhonderd families trokken naar Klein-Azie. Daar dichtbij komende, aanschouwden ze in de verte een veldslag. Zij besloten de zwakste partij te hulp te komen en bezorgden daardoor dezen de overwinning. De verslagenen waren Mongolen, de overwinnaars Seldsjoeken. Dier sultan Ala-ed-Din gaf uit dankbaarheid aan Erthogroel, den zoon van Suleïman, en de zijnen woonplaatsenin het Noorden van Klein-Azië. Erthogroel’s zoon was Osman, die, evenals de andere emirs, in 1307 zelfstandig vorst werd van zijn rijkje, Sultan-Oeni geheeten. Hij was de eerste der Osmanen, die tot den Islam overging; zijne onderdanen volgden hem hierin even trouw als in den krijg.Het bescheiden gebied van het Osmanische rijk werd spoedig vergroot, want de Osmanen waren strijdvaardig en in hunne buurt lagen de overblijfselen van de Grieksche macht in Klein-Azië, voornamelijk enkele steden als Nicaea, Broessa, Nicomedia, Philadelphia en verschillende sterke kasteelen. De Seldsjoeken, sedert lang sedentair, hadden hunne krijgersgewoonten afgelegd; hun Islam verdroeg zich met het Grieksche Christendom. Met den Islam der Osmanen was dit niet het geval. Spoedig begonnen hunne aanvallen eerst op de Grieksche bezittingen in Klein-Azië, toen op het Grieksche rijk in Europa zelf.Hoe was toen de toestand hiervan? Het is noodig ons dien duidelijk voor te stellen om te kunnen begrijpen, hoe de aanvallen der Turken betrekkelijk zonder veel moeite slaagden. Er is geen rijk, dat na de groote volksverhuizing in West-Europa meer te lijden gehad heeft van allerlei volkeren dan het Grieksche, dat letterlijk van alle kanten bestormd geworden is: door de Mohammedanen in Azië en Afrika, door verschillende Slavische en Oeralo-Altaïsche volkeren in Europa. In Azië en Afrika verloor het, zooals we reeds opmerkten, bijna alle grondgebied. Enkele van de invallen doende volkeren vestigden zich in het Noorden van het rijk in Europa: zoo de Boelgaren, van Oeralo-Altaïschen oorsprong, maar op den duur geslavoniseerd, ten Zuid-Oosten van de Donau, in het Noorden van Macedonië en Thracië, vanwaar ze soms zelfs Constantinopel bedreigden; zoo verschillende Slavische stammen. Dezen verspreidden zich, soms met, soms tegen den wil des keizers, zoo wat door alle deelen van het Balkan-schiereiland; men vindt ze in Thracië, Macedonië, Epirus, Thessalië en zelfs hier en daar in Midden-Griekenland en in den Peloponnesus, maar in compacte massa vooral in het Noord-Westen. De Slaven daar vormden een uitlooper van de Slavische opmarsch naar de Elbe, die een gevolg van de groote verhuizing van Germaansche stammen naar het Westen was. Verschillende streken, sedert door Slavische volksstammen bewoond, als Kroatië, Slavonië, Karinthië, de Krain, Stiermarken, werden van het Grieksche rijk losgerukt en maakten later deel uit van Oostenrijk of Hongarije, het laatste bewoond door een volk van Oeralo-Altaïschen oorsprong, dat zich in de negende eeuw in de Donau-vlakte had neergezet. Zuidelijker, waar zich vooral Serviërs vestigden in ’t tegenwoordige Bosnië, Herzegowina, Montenegro, Servië, bleef de Grieksche heerschappij eenigermate bestaan, wanneer ten minste de keizers krachtig waren. Zoo was het ook bij de Boelgaren, die in de tiende eeuw geheel zelfstandig waren, totdat ze in het begin der elfde ten tijde van de krachtige keizersuit het Macedonische geslacht weêr werden bedwongen.Al die nieuwe volkeren in het Balkan-schiereiland werden weldra Christenen en wel meest allen bekeerd van Constantinopel uit. Zij behoorden dus na de scheiding van de Katholieke kerk in een Grieksche en een Roomsche tot de eerste, evenals hunne Slavische stamgenooten in Oost-Europa, de Russen, terwijl daarentegen andere Slaven als de Polen, de Czechen, de in Hongarije en Oostenrijk wonende Slaven en ook een minderheid van Serviërs tot de Roomsch-Katholieke kerk behoorden. Grieksch-Katholiek was ook een volk van twijfelachtige afkomst, de Walachen, die zich tegenwoordig meestal Roemenen noemen. Het is onnoodig hier in te gaan op de vraag, of de Roemenen werkelijk afstammen van in de dagen van keizer Trajanus in de Romeinsche provincie Dacië (Oostelijk Hongarije) geplante Romeinsche kolonisten dan wel of zij een volk van Slavischen oorsprong zijn, dat een in hoofdzaak Romaansche taal aangenomen heeft. Dit volk vinden we in de twaalfde eeuw behalve op hunne oude woonplaatsen, namelijk vooral in Zevenburgen, ook in de zoogenoemde Donauvorstendommen Moldavië en Walachije (het tegenwoordige koninkrijk Roemenië) en verder verspreid door bijna het geheele Grieksche rijk: van Boelgarije tot in den Peloponnesus komen hunne nederzettingen voor evenals die der Slaven.Het laat zich alleen denken, welk een schrikbarende veranderingen al deze vestigingen van vreemde volken in het Balkanschiereiland onder de daar wonende bevolking van Hellenen en gehelleniseerden hebben teweeggebracht. Toch blijft het Grieksche rijk te midden dezer stormen in zijn kern, d.w.z. het oude Griekenland met Albanië, Macedonië en Thracië, bestaan. Dit is niet een gevolg van krachtige keizersregeeringen, want die waren te tellen, maar van het feit, dat er in den kern van het rijk een beschaving was, het Hellenisme genoemd, sterk genoeg om vele schokken te verdragen en ook om de zich verspreid vestigende Slaven en Roemenen in zich op te nemen. Daarentegen behielden de volkeren, die zich in het Noorden in compacte massa vestigden, hunne nationaliteit, al waren ze niet altijd staatkundig van de Grieksche keizers onafhankelijk.De doodsteek voor het Grieksche rijk kwam niet uit het Oosten en ook niet uit het Noorden, vanwaar het steeds het meest bedreigd geworden was, maar uit het Westen. Zuid- Oost- en West-Europa stonden sedert lang op staatkundig en op godsdienstig gebied tegenover elkander: de Duitsche keizers maakten, als de gelegenheid zich voordeed, aanspraak op het vroegere Oost-Romeinsche rijk en de Grieksche keizers hadden hunne aanspraken op het Westen niet geheel vergeten; de pausen te Rome wilden niets liever dan hereeniging der Grieksche met de Roomsche kerk. Dit waren de oorzaken, dat de zoogenaamde Latijnsche kruistocht zich tegen Constantinopel richtte; de aanleiding was, dat de handelsbelangen van Venetië, toen degroote handelsmogendheid in het Oostelijk bekken der Middellandsche Zee, bij een revolutie te Constantinopel, op een schromelijke wijze benadeeld waren. In 1204 namen kruisvaarders Constantinopel in en het Grieksche rijk maakte plaats voor een Latijnsch keizerrijk.Dit nieuwe rijk is voortdurend krachteloos geweest. Vooral Venetië had er veel invloed: het bewerkte een verdeeling van het Zuidelijk Balkanschiereiland in een aantal leenstaatjes, in naam afhankelijk van den Latijnschen keizer, in werkelijkheid veelal van de stad van St. Marcus. Zelf annexeerde deze een deel van de kuststreek aan Adriatische en Ionische Zee, de Ionische eilanden, Creta en verschillende eilanden in de Aegeïsche Zee. Zoo werd Venetië ook een politieke macht van groote beteekenis in het Oosten. De verdeeldheid werd te grooter, omdat hier en daar een overblijfsel van Grieksche macht bleef bestaan; zoo handhaafde zich in Epirus een bastaard uit het laatste keizersgeslacht der Angeli; in Trebizonde, aan de Zuidkust der Zwarte Zee, hield zich een lid van het voorlaatste keizersgeslacht, dat der Comnenen, staande, met den weidschen titel van keizer, terwijl in Nicaea Theodorus Lascaris zich ook een miniatuur-keizerrijk stichtte.De lijdensgeschiedenis van het Latijnsche rijk, vol van inwendige twisten over godsdienstige en politieke vraagstukken, vol van strijd tegen Walachen en Boelgaren, tegen het keizerrijk Nicaea en den despoot van Epirus, eindigde in 1261. Theodorus Lascaris en zijne opvolgers in Nicaea hadden door een handige diplomatie en een flinke krijgvoering hunne positie veel weten te versterken: zij hadden een goede verstandhouding onderhouden met de Seldsjoeksche Turken—de Osmanen waren er toen nog niet—en zich aan die zijde rust verschaft; stap voor stap verwierven ze eenige steunpunten voor hunne macht in Europa, en nadat een paleisrevolutie in 1259 het geslacht van Lascaris vervangen had door dat der Paleologen, wist één der veldheeren van Michaël VIII, den eersten keizer uit het nieuwe geslacht, twee jaar later Constantinopel bij verrassing te heroveren.Er was weêr een Grieksch rijk, maar de kracht bleef er uit. De verdeeldheid in den ouden kern kon niet meer worden opgeheven. De heerschappij der Paleologen heeft zich nooit verder uitgestrekt dan over het vroegere keizerrijk Nicaea, over Constantinopel, Thracië, Macedonië, een deel van Thessalië en van den Peloponnesus, enkele eilanden in de Aegeïsche en de Ionische Zee. Verder was er een wanhopig groot aantal kleine staatjes: Epirus, waartoe ook het Westelijk deel van Midden-Griekenland behoorde, onder de Angeli, en sedert het begin der 14e eeuw onder vorsten uit andere geslachten; een hertogdom Athene, overblijfsel uit den tijd van het Latijnsche rijk, omvattende het Oostelijk deel van Midden-Griekenland; een hertogdom Achaie, omvattende een groot deel van den Peloponnesus; deVenetiaansche bezittingen, waarvan verschillende als leenstaten door aanzienlijke Venetiaansche geslachten geregeerd werden; enkele geheel autonome steden als Pellena en Tritaea in den Peloponnesus; de bezittingen van de Johanniter ridderorde, bepaaldelijk het eiland Rhodus. In het Noorden waren de daar wonende volken nu geheel onafhankelijk: Montenegro reeds sedert het midden der elfde eeuw; Servië sedert de tweede helft der twaalfde, terwijl toen ook in Bosnië zelfstandige vorsten voorkwamen; evenzoo de Boelgaren en Walachen, in het begin der dertiende eeuw een tijdlang vereenigd onder den bekenden czaar Johannitza, maar na diens dood elk op zich zelf staande: Walachije en Moldavië vormden toen afzonderlijke vorstendommen onder voïvodes, maar Moldavië was dikwijls afhankelijk van Hongarije en had veel te lijden van zijn Noordelijke buren, de Polen. Aan de kust van de Adriatische Zee vinden we behalve het Venetiaansche gebied nog enkele zelfstandige steden als Ragusa, terwijl de koningen van Napels regeeren over Durazzo en het eiland Corfu. Herinneren we ons verder het nog steeds voortbestaande keizerrijk Trebizonde, vermelden we het in Zuid-Oostelijk Klein-Azië sedert het optreden der Muzelmannen ontstane Christelijke koninkrijk Armenië en de bezittingen van Genua, de groote mededingster van Venetië op handelsgebied, vooral aan de zee van Azof, dan hebben we een overzicht van den politieken toestand der streken, waarin de Osmanen gaan optreden.Zuid-Oost-Europa in ±1350Zuid-Oost-Europa in ±1350In het Balkan-schiereiland heerschte dus een zeldzame anarchie. Wie zou aan het land zijn staatkundige eenheid teruggeven? In het midden der veertiende eeuw kon men dit in Europa zelf verwachten van Serviërs en Boelgaren, toen nauw verbonden tijdens den Servischen koning Stephanus Doughan, die zijne heerschappij zelfs over het grootste deel van Macedonië uitgebreid had, daardoor het Grieksche keizerrijk als met een wig in twee deelen scheidend, en tevens over bijna alle westelijke provinciën van het keizerrijk behalve over den Peloponnesus,2die ook stellig gestreefd heeft naar een Servisch rijk over heel den Balkan. Maar hij stierf in 1355, en met hem viel zijn rijk in stukken uiteen. En in dienzelfden tijd verschenen de Osmanen in Europa.1Aldus genoemd naar een vroegeren aanvoerder Seldsjoek; zij woonden in de buurt van Bokhara.2Opkaart no. 1, Zuid-Oost-Europa in ± 1350, vindt men dit rijk aangegeven. Men lette er op, dat dit kaartje den toestand geeft in ± 1350; in het jaar 1350 zelf was de toestand op papier anders, omdat toen juist een vrede gesloten werd, waarbij Doughan een groot deel van zijne veroveringen aan den keizer moest afstaan, maar die vrede is door Doughan niet erkend en niet ten uitvoer gelegd.

I. Inleiding.

Toen Mohammed in 632 stierf, was zijn geboorteland voor zijn godsdienst gewonnen. Juist honderd jaar later streden de Arabieren bij Poitiers in Frankrijk; daar werd de uitbreiding van den Islam in West-Europa tot staan gebracht. Het rijk, waarover de kaliefen, opvolgers van Mohammed, regeerden en waarvan Bagdad in het midden der achtste eeuw de hoofdstad werd, strekte zich toen uit van den Indus tot den Atlantischen Oceaan en omvatte Arabië, Syrië, Armenië tot den Kaukasus, Perzië, een deel van Turkestan, Egypte, de Noordkust van Afrika, Spanje en het eiland Cyprus. Dit kalifaat met zijn zonderlingen vorm, met de zoo verschillende natiën, die er toe behoorden, bleef niet lang één staatkundig geheel.Binnenlandsche twisten leidden tot verbrokkeling: in de tiende eeuw staan zelfstandig naast de kaliefen van Bagdad die van Cairo en Cordova. Geen van drieën kon toen meer op groote, inwendige kracht bogen.In het kalifaat van Bagdad maken we kennis met de Turken. Deze worden gerekend tot een groep van volkeren, die men gezamenlijk het oeralo-altaïsche (tusschen Oeral en Altaï wonende) ras noemt en waaronder misschien evenals onder de Indo-Europeërs verwantschap bestaan heeft, zonder dat dit tot nog toe even duidelijk als bij de Indo-Europeërs is aangetoond geworden. Hebben de zoogenaamde oeralo-altaïsche volkeren een zelfden oorsprong, dan is in elk geval het onderling verschil nog veel grooter geworden dan bij de Indo-Europeërs: wie zou nu tusschen Tataren, Mongolen, Kirgiezen, Mantsjoe’s, Jakoeten, Toengoezen aan den éénen kant, Hongaren, Finnen, Lappen aan den anderen kant verwantschap gaan zoeken, zonder de oudere geschiedenis dier volkeren te kennen?De oudste ons bekende woonplaats der Turken is Turkestan, zoowel het nu tot Russisch-Azie behoorende land van dien naam als het tot China behoorende Oost-Turkestan. Daar signaleerden hen in de vijfde eeuw na Christus de Chineezen als Tou-kioue, terwijl in het Byzantijnsche of Grieksche rijk in dezelfde eeuw de naam Tourkoi genoemd wordt. Het militaire gevoel was bij hen zeer sterk ontwikkeld. Zij waren in de eerste plaats soldaten, trekkende, waarheen de fortuin hen voerde, levende, als het mogelijk was, op vaste plaatsen, maar die ook gemakkelijk verlatende, als een sterkere kwam, die hen er uitdreef. Het soldatenleven ontwikkelde bij hen een buitengewoon sterk plichtsgevoel met een levendigen zin voor discipline en hiërarchie. “Een Turk te paard kent zijn vader niet,” “Als men ’t huis uws vaders aanvalt, valt mede aan”, zijn bekende Turksche gezegden uit dien ouden tijd.Voor een dergelijk volk moest de Islam met zijne martiale eigenschappen veel aantrekkelijks hebben. Met overpeinzingen over de waarde van een of ander godsdienstig stelsel hebben de Turken, weinig bespiegelend aangelegd als zij zijn, zich nooit druk gemaakt. Evenals het vroeger tot hen gekomen Boeddhisme en het Nestoriaansch Christendom aanhang onder hen gevonden hadden, zoo ook de Islam, toen die hun land in de zevende eeuw bereikte.De Islam opende hun nieuwe wegen om zich uit te breiden. Tot nog toe hadden zij zich meest naar het Westen verplaatst. Nu stond voor hen ook de weg naar het Zuidwesten, naar Iran, open, waar het Nieuw-Perziche rijk der Sassaniden, begunstigd door de natuurlijke grensgesteldheid tot hen, aan de komst van den Islam had kunnen tegenhouden. In grooten getale maakten zij daarna weldra hunne opwachting in het Kalifaat van Bagdad en traden in dienst der Abassiden, het toenmalige kaliefengeslacht. Met hun optreden in Voor-Azië beginnen nieuwe veroveringender Mohammedanen; het laatste overblijfsel van het Byzantijnsche rijk in Azië, Klein-Azië of Roem (= land der Romeinen), werd door de Turken veroverd. Maar door hen begint ook de verbrokkeling van het Kalifaat van Bagdad in een aantal kleine staatjes onder verschillende dynastieën, die den kalief slechts in naam als hun meester erkennen. Meer direct wordt de kalief bedreigd door de ook al uit Turken bestaande lijfwacht, wier hoofd, de emir-al-omra, hem op den duur gaat overheerschen. Het culminatiepunt in die ontwikkeling wordt bereikt, wanneer kalief Kalem in het midden der elfde eeuw den wegens zijn godsdienstijver bekenden Togroel-Beg, het hoofd der Seldsjoeksche1Turken, naar Bagdad roept en proclameert tot sultan van het Oosten en Westen: deze krijgt dus de wereldlijke macht, de kalief behoudt alleen de geestelijke.De sultan of, zooals men hem meestal noemde, de atabêk, die te Mosoel resideerde, kon op den duur evenmin als de kalief een krachtig centraal gezag handhaven. Onder hem waren verschillende sultans, leenvorsten eigenlijk, die zich van den atabêk feitelijk losmaakten, zoodat de verbrokkeling, reeds onder de kaliefen ontstaan, bleef voortduren. Het belangrijkste der zoo ontstaande rijkjes vond men in Klein-Azie, met Iconium en later Nicaea, dus vlak in de buurt van Constantinopel, als hoofdstad. In denzelfden tijd kregen andere Turksche stammen veel invloed in het kalifaat van Caïro, waartoe een groot deel van Syrië behoorde, en ook hier begon nu een dergelijke verbrokkeling.Zoo was de toestand, toen vooral in de twaalfde eeuw de kruistochten plaats hadden. Die merkwaardige beweging, voortgekomen uit een hooggespannen godsdienstig gevoel bij de volken van West-Europa, dat die volken heeft doen samenwerken tot één doel, zooals later zelden meer voorgekomen is, scheen voor een oogenblik in den toestand in het Oosten groote veranderingen te zullen aanbrengen. Het Byzantijnsche rijk werd tijdelijk ontlast van de bedreiging uit het Oosten; het kreeg zelfs een deel van Klein-Azië, door de kruisvaarders veroverd, terug. Langs de Oostkust der Middellandsche Zee, in het oude land van Phoeniciërs en Israëlieten, werden de Mohammedanen teruggedreven en verschillende kleine Christelijke staten vormden zich daar, in naam vereenigd onder het koninkrijkJeruzalem. Maar het was voor de Christenen een blijdschap van korten duur. De Turken, onderling verdeeld, toen de Christenen kwamen, vereenigden zich en vonden verschillende voortreffelijke leiders, waaronder een eerste plaats inneemt Salah-ed-Din, uit den stam der Koerden, wiens vader groote macht had weten te verkrijgen in Egypte en die zelf aan het kalifaat van Caïro feitelijk een einde gemaakt had en behalve heerscher over Egypte ook heerscherover geheel Syrië en Mesopotamië geworden was. Tegenover die eenheid aan de zijde der Mohammedanen stond weldra een verdeelde Christenwereld in het Oosten, die tegen de aanvallen van Salah-ed-Din en zijne voorgangers niet bestand bleek. De ééne Christelijke staat vóór, de andere na verdween, de meeste reeds in de tweede helft der twaalfde eeuw. Onder moeilijke omstandigheden bleven enkele plaatsen tot het einde der dertiende eeuw in handen van een naam-koning vanJeruzalem; het eiland Cyprus, ook door de kruisvaarders veroverd, zelfs tot 1489, toen het aan Venetië kwam.Reeds lang vóór het einde der dertiende eeuw had het groote rijk van Salah-ed-Din zijne voornaamste rol uitgespeeld. Zijne opvolgers behielden op den duur alleen Egypte en een deel van Syrië. In het Oosten hadden ook zij te lijden gehad van de beweging der Mongolen. Als afzonderlijke natie beginnen dezen van zich te doen spreken in de elfde en twaalfde eeuw. Onder hun grooten aanvoerder Temoedsjin, die den titel van Dzjengis-Khan aannam, hadden zij China veroverd en zich daarop naar het Westen gekeerd, ook daar alles neerwerpende, wat hun tegenstand wilde bieden. Na Temoedsjin’s dood drongen ze door in Europa, kwamen door Rusland in Hongarije, Polen, Boheme, Silezië, Moravië, Illyrië, maar keerden toen terug, onoverwonnen. Alleen Rusland bleef langen tijd onderworpen aan het rijk van Kiptschak, ook wel het rijk der Gouden Horde genoemd, één der Mongoolsche rijken, die sedert de dertiende eeuw in Azië bestonden. Voor-Azië heeft den minsten last van hen gehad. Wel werd Perzië veroverd, wel maakte Hoelagoe, broeder van den keizer van China, een einde aan het kalifaat van Bagdad door deze stad in te nemen en den laatsten kalief te vermoorden (1258), maar noch in het Westen van Syrië noch in Klein-Azie vestigden zij hunne macht.Door al de veranderingen, die in de twaalfde en dertiende eeuw plaats vonden, was het rijk der Seldsjoeksche Turken verdwenen behalve in een deel van Klein-Azie. Daar vinden we in het begin der veertiende eeuw nog een Seldsjoeksch rijk, verdeeld in tien emiraten, die sedert 1307 allen geheel zelfstandig waren. Eén van die tien vereischt in het bijzonder onze aandacht, want daar heerschte toen Osman, naar wien de door hem geregeerde stam de Osmanli of Osmanen heet. Zijn grootvader Suleïman, zoo luidt de overlevering, kwam uit Khorassan met een groot aantal Turken naar het Westen getogen, maar verdronk in de Eufraat. Zijn dood deed zijne volgelingen uiteengaan. Twee zoons met een vierhonderd families trokken naar Klein-Azie. Daar dichtbij komende, aanschouwden ze in de verte een veldslag. Zij besloten de zwakste partij te hulp te komen en bezorgden daardoor dezen de overwinning. De verslagenen waren Mongolen, de overwinnaars Seldsjoeken. Dier sultan Ala-ed-Din gaf uit dankbaarheid aan Erthogroel, den zoon van Suleïman, en de zijnen woonplaatsenin het Noorden van Klein-Azië. Erthogroel’s zoon was Osman, die, evenals de andere emirs, in 1307 zelfstandig vorst werd van zijn rijkje, Sultan-Oeni geheeten. Hij was de eerste der Osmanen, die tot den Islam overging; zijne onderdanen volgden hem hierin even trouw als in den krijg.Het bescheiden gebied van het Osmanische rijk werd spoedig vergroot, want de Osmanen waren strijdvaardig en in hunne buurt lagen de overblijfselen van de Grieksche macht in Klein-Azië, voornamelijk enkele steden als Nicaea, Broessa, Nicomedia, Philadelphia en verschillende sterke kasteelen. De Seldsjoeken, sedert lang sedentair, hadden hunne krijgersgewoonten afgelegd; hun Islam verdroeg zich met het Grieksche Christendom. Met den Islam der Osmanen was dit niet het geval. Spoedig begonnen hunne aanvallen eerst op de Grieksche bezittingen in Klein-Azië, toen op het Grieksche rijk in Europa zelf.Hoe was toen de toestand hiervan? Het is noodig ons dien duidelijk voor te stellen om te kunnen begrijpen, hoe de aanvallen der Turken betrekkelijk zonder veel moeite slaagden. Er is geen rijk, dat na de groote volksverhuizing in West-Europa meer te lijden gehad heeft van allerlei volkeren dan het Grieksche, dat letterlijk van alle kanten bestormd geworden is: door de Mohammedanen in Azië en Afrika, door verschillende Slavische en Oeralo-Altaïsche volkeren in Europa. In Azië en Afrika verloor het, zooals we reeds opmerkten, bijna alle grondgebied. Enkele van de invallen doende volkeren vestigden zich in het Noorden van het rijk in Europa: zoo de Boelgaren, van Oeralo-Altaïschen oorsprong, maar op den duur geslavoniseerd, ten Zuid-Oosten van de Donau, in het Noorden van Macedonië en Thracië, vanwaar ze soms zelfs Constantinopel bedreigden; zoo verschillende Slavische stammen. Dezen verspreidden zich, soms met, soms tegen den wil des keizers, zoo wat door alle deelen van het Balkan-schiereiland; men vindt ze in Thracië, Macedonië, Epirus, Thessalië en zelfs hier en daar in Midden-Griekenland en in den Peloponnesus, maar in compacte massa vooral in het Noord-Westen. De Slaven daar vormden een uitlooper van de Slavische opmarsch naar de Elbe, die een gevolg van de groote verhuizing van Germaansche stammen naar het Westen was. Verschillende streken, sedert door Slavische volksstammen bewoond, als Kroatië, Slavonië, Karinthië, de Krain, Stiermarken, werden van het Grieksche rijk losgerukt en maakten later deel uit van Oostenrijk of Hongarije, het laatste bewoond door een volk van Oeralo-Altaïschen oorsprong, dat zich in de negende eeuw in de Donau-vlakte had neergezet. Zuidelijker, waar zich vooral Serviërs vestigden in ’t tegenwoordige Bosnië, Herzegowina, Montenegro, Servië, bleef de Grieksche heerschappij eenigermate bestaan, wanneer ten minste de keizers krachtig waren. Zoo was het ook bij de Boelgaren, die in de tiende eeuw geheel zelfstandig waren, totdat ze in het begin der elfde ten tijde van de krachtige keizersuit het Macedonische geslacht weêr werden bedwongen.Al die nieuwe volkeren in het Balkan-schiereiland werden weldra Christenen en wel meest allen bekeerd van Constantinopel uit. Zij behoorden dus na de scheiding van de Katholieke kerk in een Grieksche en een Roomsche tot de eerste, evenals hunne Slavische stamgenooten in Oost-Europa, de Russen, terwijl daarentegen andere Slaven als de Polen, de Czechen, de in Hongarije en Oostenrijk wonende Slaven en ook een minderheid van Serviërs tot de Roomsch-Katholieke kerk behoorden. Grieksch-Katholiek was ook een volk van twijfelachtige afkomst, de Walachen, die zich tegenwoordig meestal Roemenen noemen. Het is onnoodig hier in te gaan op de vraag, of de Roemenen werkelijk afstammen van in de dagen van keizer Trajanus in de Romeinsche provincie Dacië (Oostelijk Hongarije) geplante Romeinsche kolonisten dan wel of zij een volk van Slavischen oorsprong zijn, dat een in hoofdzaak Romaansche taal aangenomen heeft. Dit volk vinden we in de twaalfde eeuw behalve op hunne oude woonplaatsen, namelijk vooral in Zevenburgen, ook in de zoogenoemde Donauvorstendommen Moldavië en Walachije (het tegenwoordige koninkrijk Roemenië) en verder verspreid door bijna het geheele Grieksche rijk: van Boelgarije tot in den Peloponnesus komen hunne nederzettingen voor evenals die der Slaven.Het laat zich alleen denken, welk een schrikbarende veranderingen al deze vestigingen van vreemde volken in het Balkanschiereiland onder de daar wonende bevolking van Hellenen en gehelleniseerden hebben teweeggebracht. Toch blijft het Grieksche rijk te midden dezer stormen in zijn kern, d.w.z. het oude Griekenland met Albanië, Macedonië en Thracië, bestaan. Dit is niet een gevolg van krachtige keizersregeeringen, want die waren te tellen, maar van het feit, dat er in den kern van het rijk een beschaving was, het Hellenisme genoemd, sterk genoeg om vele schokken te verdragen en ook om de zich verspreid vestigende Slaven en Roemenen in zich op te nemen. Daarentegen behielden de volkeren, die zich in het Noorden in compacte massa vestigden, hunne nationaliteit, al waren ze niet altijd staatkundig van de Grieksche keizers onafhankelijk.De doodsteek voor het Grieksche rijk kwam niet uit het Oosten en ook niet uit het Noorden, vanwaar het steeds het meest bedreigd geworden was, maar uit het Westen. Zuid- Oost- en West-Europa stonden sedert lang op staatkundig en op godsdienstig gebied tegenover elkander: de Duitsche keizers maakten, als de gelegenheid zich voordeed, aanspraak op het vroegere Oost-Romeinsche rijk en de Grieksche keizers hadden hunne aanspraken op het Westen niet geheel vergeten; de pausen te Rome wilden niets liever dan hereeniging der Grieksche met de Roomsche kerk. Dit waren de oorzaken, dat de zoogenaamde Latijnsche kruistocht zich tegen Constantinopel richtte; de aanleiding was, dat de handelsbelangen van Venetië, toen degroote handelsmogendheid in het Oostelijk bekken der Middellandsche Zee, bij een revolutie te Constantinopel, op een schromelijke wijze benadeeld waren. In 1204 namen kruisvaarders Constantinopel in en het Grieksche rijk maakte plaats voor een Latijnsch keizerrijk.Dit nieuwe rijk is voortdurend krachteloos geweest. Vooral Venetië had er veel invloed: het bewerkte een verdeeling van het Zuidelijk Balkanschiereiland in een aantal leenstaatjes, in naam afhankelijk van den Latijnschen keizer, in werkelijkheid veelal van de stad van St. Marcus. Zelf annexeerde deze een deel van de kuststreek aan Adriatische en Ionische Zee, de Ionische eilanden, Creta en verschillende eilanden in de Aegeïsche Zee. Zoo werd Venetië ook een politieke macht van groote beteekenis in het Oosten. De verdeeldheid werd te grooter, omdat hier en daar een overblijfsel van Grieksche macht bleef bestaan; zoo handhaafde zich in Epirus een bastaard uit het laatste keizersgeslacht der Angeli; in Trebizonde, aan de Zuidkust der Zwarte Zee, hield zich een lid van het voorlaatste keizersgeslacht, dat der Comnenen, staande, met den weidschen titel van keizer, terwijl in Nicaea Theodorus Lascaris zich ook een miniatuur-keizerrijk stichtte.De lijdensgeschiedenis van het Latijnsche rijk, vol van inwendige twisten over godsdienstige en politieke vraagstukken, vol van strijd tegen Walachen en Boelgaren, tegen het keizerrijk Nicaea en den despoot van Epirus, eindigde in 1261. Theodorus Lascaris en zijne opvolgers in Nicaea hadden door een handige diplomatie en een flinke krijgvoering hunne positie veel weten te versterken: zij hadden een goede verstandhouding onderhouden met de Seldsjoeksche Turken—de Osmanen waren er toen nog niet—en zich aan die zijde rust verschaft; stap voor stap verwierven ze eenige steunpunten voor hunne macht in Europa, en nadat een paleisrevolutie in 1259 het geslacht van Lascaris vervangen had door dat der Paleologen, wist één der veldheeren van Michaël VIII, den eersten keizer uit het nieuwe geslacht, twee jaar later Constantinopel bij verrassing te heroveren.Er was weêr een Grieksch rijk, maar de kracht bleef er uit. De verdeeldheid in den ouden kern kon niet meer worden opgeheven. De heerschappij der Paleologen heeft zich nooit verder uitgestrekt dan over het vroegere keizerrijk Nicaea, over Constantinopel, Thracië, Macedonië, een deel van Thessalië en van den Peloponnesus, enkele eilanden in de Aegeïsche en de Ionische Zee. Verder was er een wanhopig groot aantal kleine staatjes: Epirus, waartoe ook het Westelijk deel van Midden-Griekenland behoorde, onder de Angeli, en sedert het begin der 14e eeuw onder vorsten uit andere geslachten; een hertogdom Athene, overblijfsel uit den tijd van het Latijnsche rijk, omvattende het Oostelijk deel van Midden-Griekenland; een hertogdom Achaie, omvattende een groot deel van den Peloponnesus; deVenetiaansche bezittingen, waarvan verschillende als leenstaten door aanzienlijke Venetiaansche geslachten geregeerd werden; enkele geheel autonome steden als Pellena en Tritaea in den Peloponnesus; de bezittingen van de Johanniter ridderorde, bepaaldelijk het eiland Rhodus. In het Noorden waren de daar wonende volken nu geheel onafhankelijk: Montenegro reeds sedert het midden der elfde eeuw; Servië sedert de tweede helft der twaalfde, terwijl toen ook in Bosnië zelfstandige vorsten voorkwamen; evenzoo de Boelgaren en Walachen, in het begin der dertiende eeuw een tijdlang vereenigd onder den bekenden czaar Johannitza, maar na diens dood elk op zich zelf staande: Walachije en Moldavië vormden toen afzonderlijke vorstendommen onder voïvodes, maar Moldavië was dikwijls afhankelijk van Hongarije en had veel te lijden van zijn Noordelijke buren, de Polen. Aan de kust van de Adriatische Zee vinden we behalve het Venetiaansche gebied nog enkele zelfstandige steden als Ragusa, terwijl de koningen van Napels regeeren over Durazzo en het eiland Corfu. Herinneren we ons verder het nog steeds voortbestaande keizerrijk Trebizonde, vermelden we het in Zuid-Oostelijk Klein-Azië sedert het optreden der Muzelmannen ontstane Christelijke koninkrijk Armenië en de bezittingen van Genua, de groote mededingster van Venetië op handelsgebied, vooral aan de zee van Azof, dan hebben we een overzicht van den politieken toestand der streken, waarin de Osmanen gaan optreden.Zuid-Oost-Europa in ±1350Zuid-Oost-Europa in ±1350In het Balkan-schiereiland heerschte dus een zeldzame anarchie. Wie zou aan het land zijn staatkundige eenheid teruggeven? In het midden der veertiende eeuw kon men dit in Europa zelf verwachten van Serviërs en Boelgaren, toen nauw verbonden tijdens den Servischen koning Stephanus Doughan, die zijne heerschappij zelfs over het grootste deel van Macedonië uitgebreid had, daardoor het Grieksche keizerrijk als met een wig in twee deelen scheidend, en tevens over bijna alle westelijke provinciën van het keizerrijk behalve over den Peloponnesus,2die ook stellig gestreefd heeft naar een Servisch rijk over heel den Balkan. Maar hij stierf in 1355, en met hem viel zijn rijk in stukken uiteen. En in dienzelfden tijd verschenen de Osmanen in Europa.

Toen Mohammed in 632 stierf, was zijn geboorteland voor zijn godsdienst gewonnen. Juist honderd jaar later streden de Arabieren bij Poitiers in Frankrijk; daar werd de uitbreiding van den Islam in West-Europa tot staan gebracht. Het rijk, waarover de kaliefen, opvolgers van Mohammed, regeerden en waarvan Bagdad in het midden der achtste eeuw de hoofdstad werd, strekte zich toen uit van den Indus tot den Atlantischen Oceaan en omvatte Arabië, Syrië, Armenië tot den Kaukasus, Perzië, een deel van Turkestan, Egypte, de Noordkust van Afrika, Spanje en het eiland Cyprus. Dit kalifaat met zijn zonderlingen vorm, met de zoo verschillende natiën, die er toe behoorden, bleef niet lang één staatkundig geheel.Binnenlandsche twisten leidden tot verbrokkeling: in de tiende eeuw staan zelfstandig naast de kaliefen van Bagdad die van Cairo en Cordova. Geen van drieën kon toen meer op groote, inwendige kracht bogen.

In het kalifaat van Bagdad maken we kennis met de Turken. Deze worden gerekend tot een groep van volkeren, die men gezamenlijk het oeralo-altaïsche (tusschen Oeral en Altaï wonende) ras noemt en waaronder misschien evenals onder de Indo-Europeërs verwantschap bestaan heeft, zonder dat dit tot nog toe even duidelijk als bij de Indo-Europeërs is aangetoond geworden. Hebben de zoogenaamde oeralo-altaïsche volkeren een zelfden oorsprong, dan is in elk geval het onderling verschil nog veel grooter geworden dan bij de Indo-Europeërs: wie zou nu tusschen Tataren, Mongolen, Kirgiezen, Mantsjoe’s, Jakoeten, Toengoezen aan den éénen kant, Hongaren, Finnen, Lappen aan den anderen kant verwantschap gaan zoeken, zonder de oudere geschiedenis dier volkeren te kennen?

De oudste ons bekende woonplaats der Turken is Turkestan, zoowel het nu tot Russisch-Azie behoorende land van dien naam als het tot China behoorende Oost-Turkestan. Daar signaleerden hen in de vijfde eeuw na Christus de Chineezen als Tou-kioue, terwijl in het Byzantijnsche of Grieksche rijk in dezelfde eeuw de naam Tourkoi genoemd wordt. Het militaire gevoel was bij hen zeer sterk ontwikkeld. Zij waren in de eerste plaats soldaten, trekkende, waarheen de fortuin hen voerde, levende, als het mogelijk was, op vaste plaatsen, maar die ook gemakkelijk verlatende, als een sterkere kwam, die hen er uitdreef. Het soldatenleven ontwikkelde bij hen een buitengewoon sterk plichtsgevoel met een levendigen zin voor discipline en hiërarchie. “Een Turk te paard kent zijn vader niet,” “Als men ’t huis uws vaders aanvalt, valt mede aan”, zijn bekende Turksche gezegden uit dien ouden tijd.

Voor een dergelijk volk moest de Islam met zijne martiale eigenschappen veel aantrekkelijks hebben. Met overpeinzingen over de waarde van een of ander godsdienstig stelsel hebben de Turken, weinig bespiegelend aangelegd als zij zijn, zich nooit druk gemaakt. Evenals het vroeger tot hen gekomen Boeddhisme en het Nestoriaansch Christendom aanhang onder hen gevonden hadden, zoo ook de Islam, toen die hun land in de zevende eeuw bereikte.

De Islam opende hun nieuwe wegen om zich uit te breiden. Tot nog toe hadden zij zich meest naar het Westen verplaatst. Nu stond voor hen ook de weg naar het Zuidwesten, naar Iran, open, waar het Nieuw-Perziche rijk der Sassaniden, begunstigd door de natuurlijke grensgesteldheid tot hen, aan de komst van den Islam had kunnen tegenhouden. In grooten getale maakten zij daarna weldra hunne opwachting in het Kalifaat van Bagdad en traden in dienst der Abassiden, het toenmalige kaliefengeslacht. Met hun optreden in Voor-Azië beginnen nieuwe veroveringender Mohammedanen; het laatste overblijfsel van het Byzantijnsche rijk in Azië, Klein-Azië of Roem (= land der Romeinen), werd door de Turken veroverd. Maar door hen begint ook de verbrokkeling van het Kalifaat van Bagdad in een aantal kleine staatjes onder verschillende dynastieën, die den kalief slechts in naam als hun meester erkennen. Meer direct wordt de kalief bedreigd door de ook al uit Turken bestaande lijfwacht, wier hoofd, de emir-al-omra, hem op den duur gaat overheerschen. Het culminatiepunt in die ontwikkeling wordt bereikt, wanneer kalief Kalem in het midden der elfde eeuw den wegens zijn godsdienstijver bekenden Togroel-Beg, het hoofd der Seldsjoeksche1Turken, naar Bagdad roept en proclameert tot sultan van het Oosten en Westen: deze krijgt dus de wereldlijke macht, de kalief behoudt alleen de geestelijke.

De sultan of, zooals men hem meestal noemde, de atabêk, die te Mosoel resideerde, kon op den duur evenmin als de kalief een krachtig centraal gezag handhaven. Onder hem waren verschillende sultans, leenvorsten eigenlijk, die zich van den atabêk feitelijk losmaakten, zoodat de verbrokkeling, reeds onder de kaliefen ontstaan, bleef voortduren. Het belangrijkste der zoo ontstaande rijkjes vond men in Klein-Azie, met Iconium en later Nicaea, dus vlak in de buurt van Constantinopel, als hoofdstad. In denzelfden tijd kregen andere Turksche stammen veel invloed in het kalifaat van Caïro, waartoe een groot deel van Syrië behoorde, en ook hier begon nu een dergelijke verbrokkeling.

Zoo was de toestand, toen vooral in de twaalfde eeuw de kruistochten plaats hadden. Die merkwaardige beweging, voortgekomen uit een hooggespannen godsdienstig gevoel bij de volken van West-Europa, dat die volken heeft doen samenwerken tot één doel, zooals later zelden meer voorgekomen is, scheen voor een oogenblik in den toestand in het Oosten groote veranderingen te zullen aanbrengen. Het Byzantijnsche rijk werd tijdelijk ontlast van de bedreiging uit het Oosten; het kreeg zelfs een deel van Klein-Azië, door de kruisvaarders veroverd, terug. Langs de Oostkust der Middellandsche Zee, in het oude land van Phoeniciërs en Israëlieten, werden de Mohammedanen teruggedreven en verschillende kleine Christelijke staten vormden zich daar, in naam vereenigd onder het koninkrijkJeruzalem. Maar het was voor de Christenen een blijdschap van korten duur. De Turken, onderling verdeeld, toen de Christenen kwamen, vereenigden zich en vonden verschillende voortreffelijke leiders, waaronder een eerste plaats inneemt Salah-ed-Din, uit den stam der Koerden, wiens vader groote macht had weten te verkrijgen in Egypte en die zelf aan het kalifaat van Caïro feitelijk een einde gemaakt had en behalve heerscher over Egypte ook heerscherover geheel Syrië en Mesopotamië geworden was. Tegenover die eenheid aan de zijde der Mohammedanen stond weldra een verdeelde Christenwereld in het Oosten, die tegen de aanvallen van Salah-ed-Din en zijne voorgangers niet bestand bleek. De ééne Christelijke staat vóór, de andere na verdween, de meeste reeds in de tweede helft der twaalfde eeuw. Onder moeilijke omstandigheden bleven enkele plaatsen tot het einde der dertiende eeuw in handen van een naam-koning vanJeruzalem; het eiland Cyprus, ook door de kruisvaarders veroverd, zelfs tot 1489, toen het aan Venetië kwam.

Reeds lang vóór het einde der dertiende eeuw had het groote rijk van Salah-ed-Din zijne voornaamste rol uitgespeeld. Zijne opvolgers behielden op den duur alleen Egypte en een deel van Syrië. In het Oosten hadden ook zij te lijden gehad van de beweging der Mongolen. Als afzonderlijke natie beginnen dezen van zich te doen spreken in de elfde en twaalfde eeuw. Onder hun grooten aanvoerder Temoedsjin, die den titel van Dzjengis-Khan aannam, hadden zij China veroverd en zich daarop naar het Westen gekeerd, ook daar alles neerwerpende, wat hun tegenstand wilde bieden. Na Temoedsjin’s dood drongen ze door in Europa, kwamen door Rusland in Hongarije, Polen, Boheme, Silezië, Moravië, Illyrië, maar keerden toen terug, onoverwonnen. Alleen Rusland bleef langen tijd onderworpen aan het rijk van Kiptschak, ook wel het rijk der Gouden Horde genoemd, één der Mongoolsche rijken, die sedert de dertiende eeuw in Azië bestonden. Voor-Azië heeft den minsten last van hen gehad. Wel werd Perzië veroverd, wel maakte Hoelagoe, broeder van den keizer van China, een einde aan het kalifaat van Bagdad door deze stad in te nemen en den laatsten kalief te vermoorden (1258), maar noch in het Westen van Syrië noch in Klein-Azie vestigden zij hunne macht.

Door al de veranderingen, die in de twaalfde en dertiende eeuw plaats vonden, was het rijk der Seldsjoeksche Turken verdwenen behalve in een deel van Klein-Azie. Daar vinden we in het begin der veertiende eeuw nog een Seldsjoeksch rijk, verdeeld in tien emiraten, die sedert 1307 allen geheel zelfstandig waren. Eén van die tien vereischt in het bijzonder onze aandacht, want daar heerschte toen Osman, naar wien de door hem geregeerde stam de Osmanli of Osmanen heet. Zijn grootvader Suleïman, zoo luidt de overlevering, kwam uit Khorassan met een groot aantal Turken naar het Westen getogen, maar verdronk in de Eufraat. Zijn dood deed zijne volgelingen uiteengaan. Twee zoons met een vierhonderd families trokken naar Klein-Azie. Daar dichtbij komende, aanschouwden ze in de verte een veldslag. Zij besloten de zwakste partij te hulp te komen en bezorgden daardoor dezen de overwinning. De verslagenen waren Mongolen, de overwinnaars Seldsjoeken. Dier sultan Ala-ed-Din gaf uit dankbaarheid aan Erthogroel, den zoon van Suleïman, en de zijnen woonplaatsenin het Noorden van Klein-Azië. Erthogroel’s zoon was Osman, die, evenals de andere emirs, in 1307 zelfstandig vorst werd van zijn rijkje, Sultan-Oeni geheeten. Hij was de eerste der Osmanen, die tot den Islam overging; zijne onderdanen volgden hem hierin even trouw als in den krijg.

Het bescheiden gebied van het Osmanische rijk werd spoedig vergroot, want de Osmanen waren strijdvaardig en in hunne buurt lagen de overblijfselen van de Grieksche macht in Klein-Azië, voornamelijk enkele steden als Nicaea, Broessa, Nicomedia, Philadelphia en verschillende sterke kasteelen. De Seldsjoeken, sedert lang sedentair, hadden hunne krijgersgewoonten afgelegd; hun Islam verdroeg zich met het Grieksche Christendom. Met den Islam der Osmanen was dit niet het geval. Spoedig begonnen hunne aanvallen eerst op de Grieksche bezittingen in Klein-Azië, toen op het Grieksche rijk in Europa zelf.

Hoe was toen de toestand hiervan? Het is noodig ons dien duidelijk voor te stellen om te kunnen begrijpen, hoe de aanvallen der Turken betrekkelijk zonder veel moeite slaagden. Er is geen rijk, dat na de groote volksverhuizing in West-Europa meer te lijden gehad heeft van allerlei volkeren dan het Grieksche, dat letterlijk van alle kanten bestormd geworden is: door de Mohammedanen in Azië en Afrika, door verschillende Slavische en Oeralo-Altaïsche volkeren in Europa. In Azië en Afrika verloor het, zooals we reeds opmerkten, bijna alle grondgebied. Enkele van de invallen doende volkeren vestigden zich in het Noorden van het rijk in Europa: zoo de Boelgaren, van Oeralo-Altaïschen oorsprong, maar op den duur geslavoniseerd, ten Zuid-Oosten van de Donau, in het Noorden van Macedonië en Thracië, vanwaar ze soms zelfs Constantinopel bedreigden; zoo verschillende Slavische stammen. Dezen verspreidden zich, soms met, soms tegen den wil des keizers, zoo wat door alle deelen van het Balkan-schiereiland; men vindt ze in Thracië, Macedonië, Epirus, Thessalië en zelfs hier en daar in Midden-Griekenland en in den Peloponnesus, maar in compacte massa vooral in het Noord-Westen. De Slaven daar vormden een uitlooper van de Slavische opmarsch naar de Elbe, die een gevolg van de groote verhuizing van Germaansche stammen naar het Westen was. Verschillende streken, sedert door Slavische volksstammen bewoond, als Kroatië, Slavonië, Karinthië, de Krain, Stiermarken, werden van het Grieksche rijk losgerukt en maakten later deel uit van Oostenrijk of Hongarije, het laatste bewoond door een volk van Oeralo-Altaïschen oorsprong, dat zich in de negende eeuw in de Donau-vlakte had neergezet. Zuidelijker, waar zich vooral Serviërs vestigden in ’t tegenwoordige Bosnië, Herzegowina, Montenegro, Servië, bleef de Grieksche heerschappij eenigermate bestaan, wanneer ten minste de keizers krachtig waren. Zoo was het ook bij de Boelgaren, die in de tiende eeuw geheel zelfstandig waren, totdat ze in het begin der elfde ten tijde van de krachtige keizersuit het Macedonische geslacht weêr werden bedwongen.

Al die nieuwe volkeren in het Balkan-schiereiland werden weldra Christenen en wel meest allen bekeerd van Constantinopel uit. Zij behoorden dus na de scheiding van de Katholieke kerk in een Grieksche en een Roomsche tot de eerste, evenals hunne Slavische stamgenooten in Oost-Europa, de Russen, terwijl daarentegen andere Slaven als de Polen, de Czechen, de in Hongarije en Oostenrijk wonende Slaven en ook een minderheid van Serviërs tot de Roomsch-Katholieke kerk behoorden. Grieksch-Katholiek was ook een volk van twijfelachtige afkomst, de Walachen, die zich tegenwoordig meestal Roemenen noemen. Het is onnoodig hier in te gaan op de vraag, of de Roemenen werkelijk afstammen van in de dagen van keizer Trajanus in de Romeinsche provincie Dacië (Oostelijk Hongarije) geplante Romeinsche kolonisten dan wel of zij een volk van Slavischen oorsprong zijn, dat een in hoofdzaak Romaansche taal aangenomen heeft. Dit volk vinden we in de twaalfde eeuw behalve op hunne oude woonplaatsen, namelijk vooral in Zevenburgen, ook in de zoogenoemde Donauvorstendommen Moldavië en Walachije (het tegenwoordige koninkrijk Roemenië) en verder verspreid door bijna het geheele Grieksche rijk: van Boelgarije tot in den Peloponnesus komen hunne nederzettingen voor evenals die der Slaven.

Het laat zich alleen denken, welk een schrikbarende veranderingen al deze vestigingen van vreemde volken in het Balkanschiereiland onder de daar wonende bevolking van Hellenen en gehelleniseerden hebben teweeggebracht. Toch blijft het Grieksche rijk te midden dezer stormen in zijn kern, d.w.z. het oude Griekenland met Albanië, Macedonië en Thracië, bestaan. Dit is niet een gevolg van krachtige keizersregeeringen, want die waren te tellen, maar van het feit, dat er in den kern van het rijk een beschaving was, het Hellenisme genoemd, sterk genoeg om vele schokken te verdragen en ook om de zich verspreid vestigende Slaven en Roemenen in zich op te nemen. Daarentegen behielden de volkeren, die zich in het Noorden in compacte massa vestigden, hunne nationaliteit, al waren ze niet altijd staatkundig van de Grieksche keizers onafhankelijk.

De doodsteek voor het Grieksche rijk kwam niet uit het Oosten en ook niet uit het Noorden, vanwaar het steeds het meest bedreigd geworden was, maar uit het Westen. Zuid- Oost- en West-Europa stonden sedert lang op staatkundig en op godsdienstig gebied tegenover elkander: de Duitsche keizers maakten, als de gelegenheid zich voordeed, aanspraak op het vroegere Oost-Romeinsche rijk en de Grieksche keizers hadden hunne aanspraken op het Westen niet geheel vergeten; de pausen te Rome wilden niets liever dan hereeniging der Grieksche met de Roomsche kerk. Dit waren de oorzaken, dat de zoogenaamde Latijnsche kruistocht zich tegen Constantinopel richtte; de aanleiding was, dat de handelsbelangen van Venetië, toen degroote handelsmogendheid in het Oostelijk bekken der Middellandsche Zee, bij een revolutie te Constantinopel, op een schromelijke wijze benadeeld waren. In 1204 namen kruisvaarders Constantinopel in en het Grieksche rijk maakte plaats voor een Latijnsch keizerrijk.

Dit nieuwe rijk is voortdurend krachteloos geweest. Vooral Venetië had er veel invloed: het bewerkte een verdeeling van het Zuidelijk Balkanschiereiland in een aantal leenstaatjes, in naam afhankelijk van den Latijnschen keizer, in werkelijkheid veelal van de stad van St. Marcus. Zelf annexeerde deze een deel van de kuststreek aan Adriatische en Ionische Zee, de Ionische eilanden, Creta en verschillende eilanden in de Aegeïsche Zee. Zoo werd Venetië ook een politieke macht van groote beteekenis in het Oosten. De verdeeldheid werd te grooter, omdat hier en daar een overblijfsel van Grieksche macht bleef bestaan; zoo handhaafde zich in Epirus een bastaard uit het laatste keizersgeslacht der Angeli; in Trebizonde, aan de Zuidkust der Zwarte Zee, hield zich een lid van het voorlaatste keizersgeslacht, dat der Comnenen, staande, met den weidschen titel van keizer, terwijl in Nicaea Theodorus Lascaris zich ook een miniatuur-keizerrijk stichtte.

De lijdensgeschiedenis van het Latijnsche rijk, vol van inwendige twisten over godsdienstige en politieke vraagstukken, vol van strijd tegen Walachen en Boelgaren, tegen het keizerrijk Nicaea en den despoot van Epirus, eindigde in 1261. Theodorus Lascaris en zijne opvolgers in Nicaea hadden door een handige diplomatie en een flinke krijgvoering hunne positie veel weten te versterken: zij hadden een goede verstandhouding onderhouden met de Seldsjoeksche Turken—de Osmanen waren er toen nog niet—en zich aan die zijde rust verschaft; stap voor stap verwierven ze eenige steunpunten voor hunne macht in Europa, en nadat een paleisrevolutie in 1259 het geslacht van Lascaris vervangen had door dat der Paleologen, wist één der veldheeren van Michaël VIII, den eersten keizer uit het nieuwe geslacht, twee jaar later Constantinopel bij verrassing te heroveren.

Er was weêr een Grieksch rijk, maar de kracht bleef er uit. De verdeeldheid in den ouden kern kon niet meer worden opgeheven. De heerschappij der Paleologen heeft zich nooit verder uitgestrekt dan over het vroegere keizerrijk Nicaea, over Constantinopel, Thracië, Macedonië, een deel van Thessalië en van den Peloponnesus, enkele eilanden in de Aegeïsche en de Ionische Zee. Verder was er een wanhopig groot aantal kleine staatjes: Epirus, waartoe ook het Westelijk deel van Midden-Griekenland behoorde, onder de Angeli, en sedert het begin der 14e eeuw onder vorsten uit andere geslachten; een hertogdom Athene, overblijfsel uit den tijd van het Latijnsche rijk, omvattende het Oostelijk deel van Midden-Griekenland; een hertogdom Achaie, omvattende een groot deel van den Peloponnesus; deVenetiaansche bezittingen, waarvan verschillende als leenstaten door aanzienlijke Venetiaansche geslachten geregeerd werden; enkele geheel autonome steden als Pellena en Tritaea in den Peloponnesus; de bezittingen van de Johanniter ridderorde, bepaaldelijk het eiland Rhodus. In het Noorden waren de daar wonende volken nu geheel onafhankelijk: Montenegro reeds sedert het midden der elfde eeuw; Servië sedert de tweede helft der twaalfde, terwijl toen ook in Bosnië zelfstandige vorsten voorkwamen; evenzoo de Boelgaren en Walachen, in het begin der dertiende eeuw een tijdlang vereenigd onder den bekenden czaar Johannitza, maar na diens dood elk op zich zelf staande: Walachije en Moldavië vormden toen afzonderlijke vorstendommen onder voïvodes, maar Moldavië was dikwijls afhankelijk van Hongarije en had veel te lijden van zijn Noordelijke buren, de Polen. Aan de kust van de Adriatische Zee vinden we behalve het Venetiaansche gebied nog enkele zelfstandige steden als Ragusa, terwijl de koningen van Napels regeeren over Durazzo en het eiland Corfu. Herinneren we ons verder het nog steeds voortbestaande keizerrijk Trebizonde, vermelden we het in Zuid-Oostelijk Klein-Azië sedert het optreden der Muzelmannen ontstane Christelijke koninkrijk Armenië en de bezittingen van Genua, de groote mededingster van Venetië op handelsgebied, vooral aan de zee van Azof, dan hebben we een overzicht van den politieken toestand der streken, waarin de Osmanen gaan optreden.

Zuid-Oost-Europa in ±1350Zuid-Oost-Europa in ±1350

Zuid-Oost-Europa in ±1350

In het Balkan-schiereiland heerschte dus een zeldzame anarchie. Wie zou aan het land zijn staatkundige eenheid teruggeven? In het midden der veertiende eeuw kon men dit in Europa zelf verwachten van Serviërs en Boelgaren, toen nauw verbonden tijdens den Servischen koning Stephanus Doughan, die zijne heerschappij zelfs over het grootste deel van Macedonië uitgebreid had, daardoor het Grieksche keizerrijk als met een wig in twee deelen scheidend, en tevens over bijna alle westelijke provinciën van het keizerrijk behalve over den Peloponnesus,2die ook stellig gestreefd heeft naar een Servisch rijk over heel den Balkan. Maar hij stierf in 1355, en met hem viel zijn rijk in stukken uiteen. En in dienzelfden tijd verschenen de Osmanen in Europa.

1Aldus genoemd naar een vroegeren aanvoerder Seldsjoek; zij woonden in de buurt van Bokhara.2Opkaart no. 1, Zuid-Oost-Europa in ± 1350, vindt men dit rijk aangegeven. Men lette er op, dat dit kaartje den toestand geeft in ± 1350; in het jaar 1350 zelf was de toestand op papier anders, omdat toen juist een vrede gesloten werd, waarbij Doughan een groot deel van zijne veroveringen aan den keizer moest afstaan, maar die vrede is door Doughan niet erkend en niet ten uitvoer gelegd.

1Aldus genoemd naar een vroegeren aanvoerder Seldsjoek; zij woonden in de buurt van Bokhara.

2Opkaart no. 1, Zuid-Oost-Europa in ± 1350, vindt men dit rijk aangegeven. Men lette er op, dat dit kaartje den toestand geeft in ± 1350; in het jaar 1350 zelf was de toestand op papier anders, omdat toen juist een vrede gesloten werd, waarbij Doughan een groot deel van zijne veroveringen aan den keizer moest afstaan, maar die vrede is door Doughan niet erkend en niet ten uitvoer gelegd.

II. De Opkomst en Bloei der Turksche macht in Europa.Van Sultan-Oeni uit breidde zich de macht der Osmanen langzaam, maar zeker uit over het Grieksche deel van Klein-Azië. Langzaam, want hun aantal, hoewel spoedig vergroot door verschillende vechtlievende elementen uit de Seldsjoeken, uit de Mongolen en zelfs uit de Grieken, bleef voorloopig gering. Toch volgden de veroveringen elkander regelmatig op: na een aantal kleinere Grieksche kasteelen werd in 1317 Broessa genomen door Osman’s zoon Ourkhan; toen kwamen Nicomedia (1326), Nicaea (1330) aan de beurt onder de regeering van Ourkhan zelf, die tevens Broessa tot zijn hoofdstad maakte. Groote gematigdheid kenteekende het optreden der Osmanen in den beginne: de Grieksche bevolking van de veroverde steden kreeg vrijen aftocht met haar hebben en houden; velen maakten van deze vergunning geen gebruik, maar namen den Islam aan.Chalcedon (Skoetari) en Philadelphia bleven nu de eenige bezittingen der Grieken in Klein-Azië. Vóórdat deze genomen werden, staken de Osmanen reeds naar Europa over. Dit werd te beter mogelijk, doordat onder hen een staand leger georganiseerd was door Ala-ed-Din, den eersten Turkschen vizier, den broeder van Ourkhan. Het was een leger gedeeltelijk bestaande uit wat men zou kunnen noemen leensoldaten, zij namelijk, die tegen verplichting van militairen dienst land ten gebruike kregen, en gedeeltelijk uit huurlingen. Onder de infanterie was spoedig het meest beroemde corps dat der Janitsaren (Yeni-Cheri, nieuwe troepen), gevormd uit van onderworpen Christenen afgenomen jonge kinderen, jaarlijks ongeveer duizend, die in den Islam opgevoed werden en van hun jeugd af op de wijze der Spartanen geheel voor den krijgsdienst gehard; de inrichting, eigenlijk een schepping van Kara-Khalil-Tcherendeli, een oom van Ourkhan, berustte op de uitspraak van den Koran, dat alle kinderen bij hunne geboorte neiging tot den Islam vertoonen; het corps kreeg groote privileges, hooge soldij, terwijl dapperheid in hooge mate beloond werd. Onder de ruiterij namen de Sipahi een eerste plaats in. Naast deze en andere geregelde troepen stonden verschillende ongeregelde, lichtbewapende, met wie een gevecht gewoonlijk begonnen werd. Dit vaste, geoefende leger gaf den Turken een grooten voorsprong boven de legers van welk land van Europa dan ook, waarmede ze eerst te kampen zouden krijgen; nergens vond men in het midden der veertiende eeuw een dergelijke instelling.De Turksche geschiedschrijvers verklaren het oversteken van de Osmanen over den Bosporus uit een droom van Suleïman, gouverneur van Nicaea, één der zonen van Ourkhan. Een ander verhaal zegt, dat keizer Johannes VI Suleïman te hulp riep in binnenlandsche moeilijkheden, zooals die in den laatsten tijdvan het bestaan van het Grieksche rijk meermalen voorkwamen. Suleïman bezette op zijn tocht naar Europa in 1353 het kasteel Tsympe bij Gallipoli en drie jaar later Gallipoli zelf, toen de muren van die stad ten gevolge van een aardbeving ingestort waren: dit was goddelijke voorbeschikking, verklaarden de Osmanen aan den protesteerenden Johannes VI, en zij behielden de stad. Nu volgden de veroveringen in Thracië elkander snel op. Moerad I, zoon en opvolger van Ourkhan († 1359), nam de belangrijke stad Adrianopel (1361) en vestigde daar den hoofdzetel van zijne macht in Europa (1365).De machtsontwikkeling der Osmanen wekte naijver zoowel bij de Oostelijke als bij de Noordelijke naburen. De eersten, de Seldsjoeken, waren het minst te duchten; Moerad heeft in een eersten oorlog tegen hen een paar der Seldsjoeksche rijkjes veroverd (1388). Gevaarlijker was het verzet, dat uit het Noorden kwam, vooral van de Serviërs en Bulgaren, die zich bedreigd achtten. Verder reeds werkte de Turkenvrees: de pausen, uit wier politiek het hervatten van de kruistochtbeweging nooit geheel geschrapt was, gingen trachten een kruistocht tegen de Muzelmannen in Europa te organiseeren. Het eerst deed dit paus Urbanus V, maar in het Westen bestond voor de zaak nog geen genoegzame belangstelling. Het waren voorloopig alleen de onmiddellijk bedreigden, die zich ernstig inspanden de Turken uit Europa te verjagen. Verbindingen werden daartoe aangeknoopt door de Hongaren onder hun koning Lodewijk den Grooten, de Serviërs onder Voukachine en Ougliecha, twee broeders, die regeerden in het onder Stephanus Doughan veroverde deel van Macedonië, de Bosniërs onder hun ban Tvertko, de Boelgaren onder hun czaar Sischman, de Walachen onder hun voïvode Mircea. Nog vóórdat alle bondgenooten hunne troepen gezonden hadden, overviel een bevelhebber van Moerad I een voornamelijk uit Serviërs bestaand leger bij Tschirmen1aan de rivier de Maritza en behaalde een glansrijke overwinning. Macedonië werd leenplichtig aan de Turken; de zoon van Voukachine, Marko Kralievitch, een nationale held der Serviërs, werd vasal van den sultan.Daarmede was de oorlog niet uit. Dan weer op grootere, dan weer op kleinere schaal werd het vechten eigenlijk steeds voortgezet. De Turken veroverden in 1382 Sofia in Boelgarije, dat toen schatplichtig werd, Monastir en andere plaatsen in Macedonië. En toen Moerad I moest oorlogen tegen de Seldsjoeken (zie boven), toen verbonden zich opnieuw de Serviërs, nu vooral die uit het eigenlijke Servië onder hun czaar Lazarus, met Boelgaren en Bosniërs en Walachen en Hongaren en Polen. In haast kwam Moerad I uit Klein-Azië terug en ontmoette een leger der verbondenen bij Kossowo (1389). Miloch, een Serviër van hooge geboorte, doodde Moerad I na den slag, maar de overwinningbleef aan de Turken. Een groot aantal gevangenen, waaronder Lazarus, werden onthoofd: hij en Miloch en Kossowo bleven nationale herinneringen voor de Serviërs.Het begon er voor Constantinopel bedenkelijk uit te zien. Keizer Johannes V betaalde sedert 1372, nadat hij een vruchtelooze reis naar Rome ondernomen had om daar steun te zoeken, schatting aan de Turken; spoedig daarna werd hij verplicht hun militairen steun te verleenen en één van zijne zoons als gijzelaar te stellen. Daardoor kreeg reeds Moerad I grooten invloed op de regeering te Constantinopel en, toen Johannes V in twist geraakte met zijn oudsten zoon Andronicus, hing het van het partij kiezen van Moerad af, wie de baas was. Na Kossowo kwam Bayezid I, bijgenaamd de Bliksem, en van hem had Constantinopel niet minder te vreezen dan van zijn vader.Het is ondoenlijk al de Turksche sultans, die tot nog toe de revue hebben gepasseerd, scherp in beeld te brengen. Allen maken den indruk van groote krijgslieden met zin voor militaire organisatie. Hoe meer vijanden overwonnen en gedood werden, hoe grooter lof. Daarnaast hebben zij een zekeren ijver voor den Islam, zonder dat dit hen tot fanatisme voert; soms komt een treffende, edelmoedige trek te voorschijn, een medelijdende opwelling van den sterkere als overwinnaar tegenover den overwonnene, soms treft daartegenover een groote wreedheid. De laatste zien ze het eerst duidelijk bij Bayezid I, die na den slag van Kossowo een aantal dappere vijanden liet afmaken,—en tegelijkertijd zijn jongeren broeder Jacoeb, niet, omdat Jacoeb hem tegengewerkt had, maar alleen, omdat er kans op zou kunnen zijn, dat hij een mededinger naar den troon werd. Het was de eerste broedermoord in het huis van Osman, later meermalen toegepast, verdedigd zelfs met een beroep op den Koran, die zegt, dat de opstand erger zou zijn dan de terdoodbrenging.Bayezid I, hoewel wreed en in het bezit van andere bij despoten zoo dikwijls voorkomende eigenschappen als grilligheid, laatdunkendheid, verslaafdheid aan de ergste ondeugden, was een dapper krijgsman en een uitstekend aanvoerder als zijne voorgangers. Hij was de machtigste heerscher op het Balkan-schiereiland. Na Kossowo was Servië evenals Walachije schatplichtig; Boelgarije, waar Sischman een dubbelzinnige rol gespeeld had, werd geheel onderworpen en onder Turksch bestuur gebracht. Te Constantinopel nam Bayezid’s invloed toe: Manuel, de tweede zoon van Johannes V, gijzelaar in Turksche handen, moest voor Bayezid Philadelphia innemen en hij deed het! Aan Johannes V werd verboden Constantinopel te versterken. En toen Manuel II in 1391 zijn vader opgevolgd was, begon Bayezid er ernstig over te denken Constantinopel te veroveren; reeds in 1391 viel Chalcedon en daarmede de laatste bezitting der Grieken in Klein-Azië.De omstandigheden hebben hem niet veroorloofd zijn plan te voltooien. De Turkenvrees was nu verder ingeslagen dan alleenbij de onmiddellijk bedreigden. Reeds hadden de Turken een inval gedaan in Bosnië, reeds hadden ze, voorloopig zonder succes, Hongarije aangevallen (1391). Dit laatste land had zich, tot zijne schade, tot nog toe weinig om de Turken bekommerd. De koning uit het huis van Anjou, Lodewijk de Groote, die tegelijk over Napels en Polen regeerde, had zich meer met de Italiaansche zaken ingelaten.Zijn schoonzoon en opvolger in Hongarije, Sigismund, later (sedert 1410) tevens keizer van Duitschland, wendde zich na den inval der Turken in 1391 met een gezantschap en brieven tot de vorsten in West-Europa om hulp. Zijn bede werd door den paus, die opnieuw tot een kruistocht aanspoorde, gesteund. Er rustte nu zegen op deze vereende pogingen. Uit Frankrijk, de Bourgondische landen, Duitschland, Engeland en Italië kwamen groote scharen ridders en huurlingen opdagen. Bijna heel het Westen hielp mede; alleen de koningen, te veel bezig gehouden in eigen land, bleven thuis. Ook Polen, Walachen, ridders van Rhodus boden steun. Jan Zonder Vrees, zoon van den Bourgondischen hertog, leidde de Westerlingen; koning Sigismund die van Oost- en Midden-Europa. Coalitie-legers als dit heeft Europa in lateren tijd, vooral tegen Lodewijk XIV en tegen Napoleon, meermalen in het veld gebracht en altijd waren het dezelfde gebreken, die hen aankleefden; gemis aan eenheid van leiding, slechte samenwerking van heterogene bestanddeelen. Bij de kruisvaarders van 1396 bestaan die gebreken in de hoogste mate: een eenigszins voldoende organisatie ontbrak hun. Het kruisleger trok langs den Donau naar Nicopolis in het Noorden van Boelgarije; Bayezid, die bezig was met het beleg van Constantinopel, hief dit op en trok Noordwaarts. De beide legers schijnen ongeveer even groot geweest te zijn, maar de Turken, gesteund door een Servisch hulpleger onder Stephanus, den zoon van Lazarus, stonden onder één leiding. Bij de Christenen kon men ’t zelfs over de te vormen slagorde niet dan met veel moeite eens worden. De Westersche ridders openden den slag van Nicopolis (Sept. 1396) met een charge tegen het Turksche leger; de groote doodsverachting, waarmede deze uitgevoerd werd, kon de voortreffelijke opstelling der Turksche troepen niet breken. Van alle kanten ingesloten, terwijl de rest van het kruisleger voor een groot deel op de vlucht sloeg en de Hongaren onder Sigismund door Stephanus’ Serviërs werden verslagen, moesten de ridders, voorzoover niet omgekomen, zich overgeven. Alleen de zeer aanzienlijken werden gespaard, zooals Jan Zonder Vrees, voor wien een hoog losgeld betaald werd. Tienduizend gevangenen zouden gedood zijn, de Turken ook niet minder dan twintigduizend man verloren hebben.Weêr kwam nu Constantinopel aan de beurt, terwijl de Turken plundertochten ondernamen tot in Hongarije en zich voor het eerst ook bewogen naar Zuid-Griekenland, waar geen derkleinere potentaten hen kon tegenhouden. Vóórdat Bayezid hier zijn doel geheel bereikt had, kwam opnieuw eene afleiding, nu niet uit het Westen, waar keizer Manuel II weer tevergeefs hulp was gaan zoeken, maar, ongevraagd door den keizer, uit het Oosten. Bayezid had in Klein-Azië een einde gemaakt aan al de Seldsjoeksche rijkjes, het laatst aan dat van Kastamoeni (in de buurt van Sinope) in 1393. Daardoor kreeg hij in het Oosten de Mongolen tot naburen en onder dezen was juist in de veertiende eeuw nieuwe veroveringslust gebracht door Timoer.Het onmetelijk rijk van Temoedsjin (zie hiervóór, blz.689) was spoedig na zijn dood verbrokkeld. Wel was de keizer van China nog in naam de suzerein van de khans van het rijk van Kiptschak, van Perzië en van een Midden-Aziatisch rijk, bekend als Transoxiane, feitelijk waren deze zelfstandig en de kloof was te grooter, omdat de keizers Boeddhisten, de khans en de meeste hunner onderdanen Muzelmannen geworden waren. Timoer2, geboortig uit een aanzienlijk Turksch geslacht van Transoxiane, vond met zijne schitterende talenten als staats- en krijgsman volop gelegenheid zich te doen gelden in de velerlei twisten tusschen den khan en de naar onafhankelijkheid strevende Mongoolsche aanzienlijken. De khan, die in het Noorden van zijn rijk, in Siberië, resideerde, benoemde Timoer weldra tot gouverneur van het eigenlijke Transoxiane, het land ten oosten van het Aral-meer. Strijd tusschen een zelfstandig man als Timoer en den khan bleef niet uit en na het overwinnen van groote moeilijkheden werd Timoer onafhankelijk vorst van Transoxiane, daarbij vooral steunende op de Muzelmansche geestelijke orden, makende van zijn rijk een soort theocratie. Dan beginnen de veroveringen naar het Westen. Timoer voert zijne heerscharen van zijne hoofdstad Samarkand uit naar het rijk van Kiptschak en vernietigt dit, een feit van beteekenis, omdat daardoor Rusland’s opkomst mogelijk wordt; het rijk leefde voort in brokstukken, waarvan het Tataren-rijk in en om de Krim het meest bekend werd. Ook in Perzië tot Bagdad toe, in Voor-Indië zelfs, deed Timoer zijne macht gevoelen. Evenmin als andere groote Aziatische veroveraars was hij een organisator: zijn rijk hing heel losjes samen, het was voorbestemd na zijn dood uiteen te vallen. Had Timoer de kaliefwaardigheid verkregen, die de Muzelmansche priesters hem zeker toegedacht hebben, misschien zou er meer vastheid in zijn rijk gekomen zijn. Of Timoer zelf het kalifaat heeft willen herstellen? In elk geval heeft hij getracht zijne macht te vestigen in Syrië, de toegangspoort tot Arabië. Dit bracht hem in botsing met Bayezid, dien anderen Islam-verbreider. Grensmoeilijkheden leidden tot deuitbarsting. In 1402 drong Timoer in Klein-Azië door. Met een overmacht, die moeilijk te taxeeren valt, behaalde hij een overwinning op Bayezid bij Angora; deze werd gevangen genomen, goed behandeld3, maar hij stierf spoedig in zijne vernedering. Gelukkig voor het Osmanische rijk overleefde Timoer hem niet lang; na zijne overwinning bij Angora naar Samarkand teruggekeerd, raakte hij in oorlog met China en tijdens dien krijg vond hij zijn einde (1405). Geen even machtige persoonlijkheid verving hem. Zijn rijk bleef na hem niet bestaan, en wat belangrijker is, sedert dient schijnt het groote expansievermogen, dat de Aziatische volkeren tot nog toe meermalen getoond hadden, uitgeput.De Uitbreiding van het Turksche Rijk (1353 1671)De Uitbreiding van het Turksche Rijk (1353 1671)Het Osmanische rijk doorleefde na Angora een crisis4. In Klein-Azië herstelden zich verschillende der Seldsjoeksche emirs; op het Balkan-schiereiland verslapte overal de Turksche invloed: de leenplichtige staten maakten zich geheel vrij. Het ergste was de oneenigheid onder Bayezid’s zoons, die zich beiden de heerschappij wilden verzekeren en zich tegen elkander lieten gebruiken door keizer Manuel II, die door de omstandigheden krachtiger scheen. Toch werd de Osmanische macht niet reddeloos geslagen. Geen der Balkan-machten wist op een afdoende wijze van de gelegenheid te profiteeren; allen zorgden alleen voor zich. Toen nu Mohammed I, één der zoons van Bayezid I, zijn broeder ter zijde had geschoven en alleen sultan geworden was, toen kon hij onmiddellijk opnieuw gaan opbouwen. En zijn zoon Moerad II, die hem reeds in 1421 opvolgde, had slechts dit opbouwingswerk voort te zetten en te voltooien. Hij deed het op voortreffelijke wijze, want hij was een even krachtig heerscher als de meeste zijner voorouders; hij was tevens één der sympathiekste sultans, die het huis van Osman heeft voortgebracht: zonder den in dit huis bijna hereditairen trek van wreedheid bezat hij een eenigszins wijsgeerigen, mystieken aanleg.Reeds twee jaren na de regeeringsaanvaarding voelde hij zich sterk genoeg, om Constantinopel te gaan belegeren. Volgens een Christelijke voorstelling bracht de verschijning van een vrouw op de muren, die op de Moeder Gods geleek, de Turken zóó in verwarring, dat zij het beleg opbraken. De meer prozaïsche oorzaak zoekt het aftrekken van Moerad II in een opstand in Klein-Azië. In elk geval was de druk der Turken te Constantinopel spoedig zóó groot, dat keizer Johannes VIII, zoon en opvolger van Manuel II, een zeer zwak man, er weer in moest toestemmen schatting te betalen, en toen Johannes VIII in 1448 stierf, bewerkte Moerad de opvolging van Constantijn IX Dragazes, broeder van den vorigen keizer.Zoo was de Turksche macht spoedig hersteld, want ook overal in het Balkan-schiereiland deed haar invloed zich reeds weêrgevoelen, toen in het Noorden een vorst optrad, die het Turkengevaar ernstig wilde bekampen. Dit was in Hongarije, waar koning Sigismund, die van de ongelegenheid der Turken ook geen profijt had weten te trekken, in 1437 gestorven was. Na een korte regeering van Sigismund’s schoonzoon Albrecht II kozen de Magyaren Wladislaus V, tevens koning van Polen, tot hun vorst. Onder hem was Johannes Hunyadi, afkomstig uit Zevenburgen, de eigenlijke Hongaarsche rijksbestuurder. Hij bleek tegen de Turken opgewassen, versloeg hen in 1442 en 1443 eenige malen, bracht Moerad II zelf een nederlaag toe aan de Morawa, dicht bij Nisj, in Servië, trok daarop in den winter den Balkan over en dwong de Turken bij een wapenstilstand voor tien jaar, gesloten te Szegedin in Hongarije, Servië en Walachije geheel vrij te verklaren. Moerad besloot daarna de regeering over te dragen aan zijn veertienjarigen zoon en Mohammed II en trok zich terug in een klooster in Klein-Azië. Lang bleef hij hier niet, want Hunyadi, geraden door een pauselijk legaat in zijn legerplaats om ook Boelgarije te bevrijden, verbrak den wapenstilstand. Moerad toog weêr op het strijdpad en nu won hij. Bij Warna leed Hunyadi een geduchte nederlaag, waarin de legaat en vele aanzienlijken omkwamen (1444). Geen beter fortuin bekroonde een nieuwe poging van Hunyadi, vier jaar later; weêr drong hij in Servië door, maar Moerad II versloeg hem opnieuw bij Kossowo op den Turken reeds bekend vechtterrein. Het gevolg van die nederlagen was de herstelling van de Turksche suzereiniteit in Servië, waar toen Brankowitsch, zoon van Stephanus Lazarewitsch regeerde. Aan de Serviërs was dit niet geheel onwelgevallig; de Hongaren, die Walachije tot vazalstaat gemaakt hadden, bedreigden evengoed hunne onafhankelijkheid als de Turken en ze bedreigden bovendien hun Grieksch-Katholicisme, willende hen onder Rome terugbrengen, terwijl de Turken hun godsdienst ongemoeid lieten.Overigens was Moerad II geen veroveraar. Na Warna ging hij onmiddellijk naar zijn klooster terug, maar in 1445 kwam hij nogmaals in de wereld te voorschijn, opnieuw de regeering aanvaardende om een opstand der Janitsaren, de toen reeds machtige soldateska, die meer soldij wilden, maar nu nog bedwongen konden worden. Nu bleef Moerad de regeering voeren tot zijn dood in 1451 toe. De laatste jaren waren vol van een hevigen strijd met een nieuwen, geduchten vijand: de Albaneezen. Zij waren ten tijde van Moerad I onderworpen geweest, maar na de débâcle van Angora vrijgeworden en ze hadden een aanvoerder van buitengewone bekwaamheden gevonden inScander-beg, zoon van een vroegeren hoofdman Johan Castriotes. Begunstigd door de voor een defensieve strijdvoering prachtige natuurlijke gesteldheid van Albanië, kon Scander-beg, die, omdat hij in Turkschen dienst geweest was, de Turksche vechtwijze kende, zich in zijne bergen verdedigen, zelfs, toen Moerad II hem in eigen persoon kwam bestrijden.Moerad’s opvolger was de reeds genoemde Mohammed II, een heel ander man dan zijn vader, meer gelijkende op grootvader Bayezid, zeer wreed, van zeer slechte zeden, maar ook al weêr in het bezit van uitstekende veldheers- en staatsmans-eigenschappen. Met hem begint een nieuw tijdperk van uitbreiding voor het Turksche rijk. Onmiddellijk viel hij Constantinopel aan. De stad kreeg van geen enkele zijde hulp. Onderlinge haat van Grieksch- en Roomsch-Katholieken was de voornaamste oorzaak, dat het Westen neutraal bleef. Meermalen, we zagen het reeds, hadden Grieksche keizers hulp in het Westen gezocht, maar de eisch van fusie der beide kerken was een onoverkomelijke hinderpaal gebleven. En om andere dan godsdienstige belangen stelde geen der Europeesche mogendheden genoeg belang in het Balkan-schiereiland, om voor het bedreigde Byzantium in de bres te springen. Alleen Venetië en Genua verleenden eenigen steun. Al was Constantinopel dan ook een groote stad—het telde bijna 200.000 inwoners, voor dien tijd een zeer groot aantal—al was het zeer sterk gelegen, aan zich zelf overgelaten moest het verloren gaan. Het verdedigingsleger telde niet meer dan 8000 man, menschen uit allerlei natiën; Mohammed II zou niet minder dan 200.000 man voor het beleg hebben aangevoerd en bovendien bracht hij een groote vloot bijeen om de Dardanellen en den Bosporus af te sluiten. Het beleg duurde van 6 April—29 Mei 1453. Op dezen dag had een algemeene bestorming plaats, die de verdedigers, hoe dapper ook strijdende, hoe zeer ook aangespoord door den flinken keizer Constantijn, niet konden doorstaan. De stad werd verdoopt tot Stamboel, eigenlijk Islamboel, d.i. hoofdstad van den Islam. DeAya Sophia, de beroemde basiliek van Justinianus, werd direct tot moskee gewijd. Tegenover de overwonnenen handelde Mohammed hard: een aantal der Christenen werden gedood, de stad zelf geplunderd en bij die gelegenheid heel wat verwoest van oude monumenten, voorzoover deze de plundering door de kruisvaarders van 1204 hadden overleefd.Zoo kregen de Turken een hoofdstad, door haar ligging tusschen Azië en Europa aangewezen om het middelpunt te zijn van een rijk, dat zich over een deel van die beide werelddeelen uitstrekte. Voortaan waren de Turken de heerschende klasse in Constantinopel, maar na de plundering en de wanorde der eerste dagen konden de Christenen er ongemolesteerd blijven wonen met behoud van hunnen godsdienst. De geheele organisatie van de Grieksche kerk bleef onveranderd bestaan, De eerste patriarch na de verovering werd door Mohammed met veel onderscheiding behandeld en met dezelfde ceremoniën gewijd als in den vroegeren tijd gewoonte geweest was. Toch is de Grieksche kerk in verval geraakt, toen latere sultans de patriarchen met minder eerbied behandelden, het patriarchaat gingen verkoopen aan den meestbiedende zonder op geschiktheid te letten. Toen hield het patriarchaat op een band te zijn voor de Grieksch-Katholieken op het Balkanschiereiland.Mohammed rustte niet lang op zijn eerste lauweren. Hij onderwierp Servië geheel en de bevolking schikte zich nog al gemakkelijk in haar lot, vooral, nadat Brankowitsch gestorven was (1456). Alleen Belgrado, verdedigd door Hunyadi, die hier den smaad van zijn vorige nederlagen uitwischte, en den Franciscaner monnik Johannis Capistrano, die met een handjevol kruisvaarders toonde, wat echte geloofsijver vermag, kon niet genomen worden. Wel werden niet lang daarna Bosnië (1464) en Herzegowina (1467) tot Turksche provinciën gemaakt en ook maakte Mohammed voorgoed een einde aan het bestaan der Zuidelijke staatjes zooals het hertogdom Athene, waardoor nu ook in Midden-Griekenland en Morea de Turksche heerschappij gevestigd werd (1456–1460). Slechts Venetië behield enkele steden als Koron, Pylos en Nauplia. Ernstige tegenstand werd hier niet ondervonden. In Albanië kreeg Mohammed II eerst eenigen invloed na den dood van Scander-beg in 1467. Aan de Noord-Oost grens herstelde hij de oude verhouding: Walachije betaalde sedert 1462 opnieuw schatting. Daarentegen bleven Hongarije en evenzoo Moldavië nog buiten de Turksche machtsfeer. Aan de verovering van Hongarije kon onder de regeering van koning Matthias Corvinus, zoon van Hunyadi, niet gedacht worden. Matthias was de laatste krachtige vorst, die over Hongarije alleen geregeerd heeft; hij hield de Turken buiten zijn grondgebied, maar aanvallend tegen hen optreden, steun verleenen aan Grieksch-Katholieken deed hij nooit.De beide Italiaansche zeemogendheden bleken ook niet bestand tegen de compacte Turkenmacht. Genua verloor zijne bezittingen aan de Zee van Azof en Mohammed II dwong de Tataren in die buurt zijne suzereiniteit te erkennen. Venetië werd van een krachtigen beschermer beroofd door den dood van Skander-beg, waarna het meer bloot stond aan een inval in het aan de stad zelf grenzend gebied. Toen in 1470 een Turksch leger zich aan de Oostkust van de Adriatische Zee vertoonde, sloot de lagunenstad vrede, waarbij het enkele eilanden in de Aegeïsche Zee, o.a. Lemnos en Euboea (Negropont), benevens enkele plaatsen in Albanië, o.a. Croïa, moest afstaan; dan betaalde het een oorlogsvergoeding en voortaan een jaarlijksche schatting; dat was een dure prijs voor enkele handelsvoordeelen, die het wist te bedingen5. Ook in de Ionische Zee drong de Turksche macht door: het eiland Zante werd door Mohammed bezet en aan den anderen kant der Adriatische Zee de stad Otranto (1480). Rome zelfs moest zich nu bedreigd achten. Slechts ééne macht in het Oostelijk deel der Middellandsche Zee weerstond Mohammed’s aanval: dat waren de ridders derorde van St. Jan, die in 1480opschitterende wijze hun eiland Rhodus tegen de Turken verdedigden.Zoo was één der laatste ondernemingen van Mohammed II een mislukking, want in het volgende jaar stierf hij. Geen sultan had den Turkschen naam zóó gevreesd gemaakt als hij, die bij zijn dood één der machtigste, zoo niet de machtigste vorst van Europa was. Op buitengewone wijze hadden de omstandigheden hem begunstigd; noch in Europa noch in Azië een macht, die hem ernstig in zijne plannen had kunnen dwarsboomen. Persoonlijke dapperheid alleen had Belgrado en Rhodus als twee Christelijke bolwerken in het Oosten doen blijven bestaan. In Klein-Azië waren de Seldsjoeksche emiraten opnieuw en nu voorgoed verdwenen, het laatst dat van Karamanië, éénmaal het machtigste (1471). De Eufraat was aan zijn bovenloop een Turksche grensrivier geworden.Weer was Bayezid II, zoon en opvolger van Mohammed II, van andere geaardheid dan zijn vader; ook hij deed meer aan zijn grootvader denken. Beoefening van kunst en wetenschap was zijn geliefkoosde bezigheid. Aan veroveringen maken dacht hij niet. Daarom is zijne regeering over het algemeen een tijd van rust. Alleen de vrede met Venetië werd voor korten tijd verbroken en de meeste bezittingen, die deze stad op het Balkanschiereiland nog over had, gingen nu verloren. Het steunpunt voor een verdere uitbreiding in Italië, Otranto, daarentegen werd niet lang na den dood van Mohammed II ontruimd. Viel Bayezid II niet aan, hij behoefde evenmin af te weren, want Europa liet hem met rust. Er zijn in het einde der vijftiende eeuw nog wel steeds plannen in overweging, vooral bij de Fransche koningen, om de Turken uit Europa te verdrijven, maar de veleverwikkelingen, waarmede de meeste Westersche vorsten in eigen land en onderling, vooral in hun strijd om de heerschappij in Italië, te kampen hadden, deden die plannen altijd verschuiven. Hadden de Franschen zich kunnen vestigen in Zuid-Italië, zooals men tijdens koning Karel VIII een tijdlang kon denken, misschien was er dan iets van gekomen. Nu liet men een schoone gelegenheid ongebruikt voorbijgaan: een gelukkig toeval had een broeder van Bayezid II, gewoonlijk prins Djem genoemd, die in het begin van Bayezid’s regeering tegen dezen in opstand gekomen was, in handen van paus Alexander VI gespeeld; hem had men kunnen uitspelen tegen Bayezid, maar ook dit werd door de onderlinge oneenigheid verhinderd en prins Djem vond op ongelukkige wijze den dood onder voor denpauszeer bezwarende omstandigheden.Het is begrijpelijk, dat Bayezid II geen man naar het hart der door veel oorlog en door veel buit verwende soldaten was. Vooral de Janitsaren, steeds meer aanmatigend, toonden hunne ontevredenheid en nu wilde het ongeluk, dat Bayezid tevens in onmin raakte met zijne eigen zoons, vooral met den derden, Selim. De Janitsaren kozen onmiddellijk voor dezen partij,drongen in 1512 het paleis van den sultan binnen en dwongen hem af te treden. Zoo stelden zij een antecedent voor een bedenkelijke inmenging der militaire macht in de aangelegenheden van het Turkenrijk.Selim I, een buitengewoon wreed mensch, regeerde slechts acht jaar (1512–1520), maar dit korte tijdperk is zeer rijk aan aanwinsten in grondgebied, echter buiten Europa. De beide Mohammedaansche rijken, die in Azië aan Selim’s rijk grensden, hadden het meest van hem te lijden. Perzië, na Timoer weer zelfstandig, eerst onder Turcomansche dynastieën, sedert het begin der zestiende eeuw onder een nieuwe dynastie, afstammende van een Sheikh-familie, die behoorde tot de orde der Çoufi en daarom meest de Çoufi-dynastie genoemd, raakte met Selim in oorlog wegens grensmoeilijkheden en wegens steun, door den shah Ismaël aan Turksche opstandelingen bewezen. Het was tevens een godsdienstoorlog, want de Perzen waren sjiïtische Muzelmannen, de Turken Soenitische. Perzië werd niet geheel onderworpen, maar verloor in het Noord-Westen Azerbaïdjan en in het Westen een deel van Mesopotamië met o.a. de stad Mosoel. In denzelfden tijd onderwierp Selim ook het onafhankelijke Georgië en Koerdistan, waardoor de Kaukasus de Noordgrens van zijn rijk werd. Het zal in het vervolg van dit korte overzicht onmogelijk zijn telkens terug te komen op de veelvuldige oorlogen van Perzië en Turkije. Het moet genoeg zijn er de aandacht op te vestigen, dat de grens in het Noord-Westen op den duur bleef, zooals zij vóór Selim was, d.w.z. Azerbaïdjan kwam aan Perzië terug, terwijl Georgië en Koerdistan altijd heel losjes met het Turksche rijk verbonden bleven, evenals b.v. Albanië in de zestiende eeuw nog was. Alleen Mesopotamië bleef Turksch. Suleïman, Selim’s opvolger, nam daar nog Bagdad, dat alleen in het begin der zeventiende eeuw bij een krachtige herleving van Perzië onder shah Abbas den Grooten voor een korten tijd weêr in Perzische handen geweest is.Het andere Mohammedaansche grensrijk was Egypte, waarmede Syrië vereenigd was; hier heerschten sedert het einde der dertiende eeuw de Mamelukken6, vroeger in dienst genomen door Egyptische sultans, maar die dezen op den duur overvleugeld hadden. Ook de oorlog met dit land kwam voort uit grensmoeilijkheden. Zonder veel moeite veroverde Selim Syrië, maar in Egypte bood sultan Touman-Baï een heftigen tegenstand (1517), die niet dan met groote moeite overwonnen werd. En nu gebeurde er in Cairo iets zeer opmerkelijks: daar leefde nog verborgen, in armoede, een man, die den naam van kalief droeg en die heette af te stammen van de Abassiden; van hem kocht Selim de waardigheid van kalief en daarbij den standaard en den mantel van Mohammed, symbolen van het kalifaat. Nukonden Selim en zijne opvolgers, die van khan (vorst van een stam in Azië) tot emir (een tot den Islam bekeerde vorst, hoofd der geloovigen), sultan (koning), padishah (koning der koningen, keizer) geklommen waren, zich nu ook als opvolgers van Mohammed beschouwen en zich een soort geestelijke oppermacht over alle Mohammedanen aanmatigen. De kaliefwaardigheid bracht natuurlijk aanspraken mede op Arabië, in de eerste plaats op Mekka en Medina, waarover Selim I dan ook reeds zijne heerschappij uitgebreid heeft. De Arabische kustplaatsen, als b.v. Aden en Mascate, werden pas door Suleïman onderworpen; Yemen eerst na Suleïman, onder diens opvolger Selim II. Daarmede was de uiterste grens van de macht der Turken in Azië bereikt. Afgezien van de kleine veroveringen van Suleïman en Selim II, heeft dus Selim I in Azië en Afrika ongeveer alles veroverd, wat in vroegere dagen tot het Oost-Romeinsche rijk van Justinianus behoord had; alleen de Noord-kust van Afrika ontbrak er nog aan.In Europa hadden de veroveringen na Mohammed II zoo goed als stilgestaan. Maar nu kwam na Selim I alweêr een sultan van groote kracht, Suleïman I, dien zijne onderdanen den Wetgever hebben genoemd en de Westerlingen den Prachtlievende. Suleïman is een krijgs- en staatsman van buitengewone bekwaamheden, nog hooger ontwikkeld op dit gebied dan velen zijner voorgangers waren; wreedheid heeft hij niet getoond, op enkele uitzonderingen na. Dat ze in hem was, heeft hij bewezen, toen hij zijn zeer begaafden zoon Moestafa liet worgen (1553), om te voldoen aan een wensch van zijn lievelingsvrouw Roxelane, en toen hij, om diezelfde vrouw te plezieren, zijn grootvizier Ibrahim, die eerst veel invloed had, uit den weg liet ruimen (1536). Die invloed van Roxelane, misschien een Russische, toont, dat er onder Suleïman een verandering intreedt, die op den duur zeer slechte gevolgen gehad heeft: de harem van den sultan blijft niet meer buiten het politieke leven.Voor het uitwendige is Suleïman’s lange regeering (1520–1566) de schitterendste onder die van alle Turksche sultans, vooral om den invloed, dien hij uitoefende tot in West-Europeesche aangelegenheden toe. De verhouding van de Turken tot Europa wordt onder hem van anderen aard. Er is geen sprake meer van hunne uitdrijving uit Europa. Terwijl alle krachten van de aangrenzende landen noodig en nog niet eens voldoende zijn om verdere uitbreiding van het Turksche rijk te voorkomen, verandert één der Europeesche staten geheel van politiek ten opzichte van Turkije: Frankrijk, nog pas dreigende om als bestrijder op te treden, gaat met den sultan verbindingen aanknoopen. Dit was een gevolg van den grooten strijd tusschen de beide in de eerste helft der zestiende eeuw in West-Europa bestaande en elkander bekampende grootmachten: Karel V, regeerende over Spanje, groote stukken van Italië, de Oostenrijksche erflanden, de Nederlandsche gewesten, tevens keizervan Duitschland, en Frans I, koning van Frankrijk, beiden strevende naar de opperheerschappij in Europa. Karel V beschikte over de grootste hulpbronnen, overtrof Frans in bekwaamheid. Het einde van den strijd was niet twijfelachtig en begrijpelijk de reden, waarom Frans de derde grootmacht in Europa voor zich trachtte te winnen.Suleïman begon zijne vele ondernemingen met de beide plaatsen, waarvoor Mohamed II het hoofd gestooten had. Belgrado werd reeds in 1521 genomen. Hongarije, na den dood van Matthias Corvinus door binnenlandsche twisten verscheurd, kon dit niet verhinderen. Een jaar later viel Rhodus. De expeditie tegen dit eiland, in den laatsten regeeringstijd van Selim I met groote zorg voorbereid, kostte meer inspanning. Het beleg van de ridders, die in hun sterke vesting zich heldhaftig verdedigden, duurde ruim een half jaar. Op voorwaarde van vrijen aftocht gaven de grootmeester en de zijnen zich in December 1522 over. Een paar jaar later kregen zij Malta van Karel V en vormden daar een nieuw bolwerk tegen Turksche uitbreiding naar het Westen.Deze beide veroveringen waren slechts voorpostengevechten. Een grootsche onderneming kwam in 15267: een inval in Hongarije. Het was het jaar na den slag van Pavia, waar Frans I door Karel V een geduchte nederlaag was toegebracht; de Fransche koning was gevangen genomen en te Madrid tot een zeer nadeeligen vrede gedwongen. Haast onnoodig is het te zeggen, dat hij dien vrede onmiddellijk na zijne invrijheidstelling verbrak. Op zijn aansporen nu, heet het, heeft Suleïman den oorlog tegen het huis Habsburg aangebonden. Maar zou die oorlog anders zijn uitgebleven? Nu Belgrado ingenomen was, lokte de vruchtbare Hongaarsche laagvlakte als van zelf tot verovering uit, en te meer moest Suleïman de verovering wenschen, omdat de macht van de Habsburgers dreigde zich ook hier te vestigen.In Hongarije regeerde de jonge koning Lodewijk II. Zijn vader, een zoon van een Poolsch koning uit het geslacht der Jagellonen, was na Corvinus’ dood tot koning van Hongarije gekozen, en regeerde eveneens over Bohemen, Moravië en Silezie. De slimme politiek van keizer Maximilaan I, grootvader van Karel V, had dezen tak der Jagellonen-dynastie op dubbele wijze aan de Habsburgers vermaagschapt: Lodewijk II was gehuwd met Maximiliaan’s kleindochter, Lodewijk’s zuster met Maximiliaan’s tweeden kleinzoon Ferdinand, den lateren keizer. Habsburgsche invloed was dus in Hongarije zoo goed als gewaarborgd.Hiertegen nu trad Suleïman op, hetzij dan geheel uit eigen beweging, hetzij op vreemde aansporing. Het Hongaarsche legerbleek volstrekt niet tegen hem opgewassen. Peterwardein was de eerste belangrijke verovering der Turken op Hongaarsch grondgebied. De beslissende slag had plaats bij Mohacz, waar Lodewijk II sneuvelde en de Hongaren totaal verslagen werden. Nadat de “Hongaarsche natie” hier haar “graf” gevonden had, viel de hoofdstad van het rijk, Boeda, zonder slag of stoot in handen der Turken en spoedig daarna ook het aan de overzijde van den Donau gelegen Pest. Inwendige verdeeldheid onder de moeilijk te beheerschen Magyaarsche magnaten had de verovering gemakkelijk gemaakt—en vergemakkelijkte eveneens de verdere beheersching van het land. Twee pretendenten dongen naar de kroon, beiden vonden aanhang: Johan Zapolya, voïvode van Zevenburgen, werd door de bevolking als koning erkend in Zevenburgen en Oostelijk Hongarije; Ferdinand, deHabsburger, door den rijksdag, vergaderd te Presburg, de hoofdstad van dat deel van Hongarije, dat nu Oostenrijksch werd. Beide partijen trachtten door Suleïman erkend te worden: Zapolya won het; hij werd vorst onder Turksche suzereiniteit.De gezanten van Ferdinand kregen van Suleïman tot antwoord, dat hun meester zich op zijn bezoek moest voorbereiden. Inderdaad zette de sultan den oorlog voort en in 1529 rukte hij op tot voor Weenen. Zouden de Turken zich vestigen in Midden-Europa? Terwijl Weenen deerlijk in het nauw raakte, verbreidde zich in de Westelijke wereld een groote onrust. Eén oogenblik kon men onderlinge vijandschap vergeten: Luther spoorde zijne geloofsgenooten aan nu de Katholieken te hulp te snellen; Frans I, stellig ook onder invloed van den Turkschen intocht in Oostenrijk, sloot te Kamerijk vrede met Karel V en verbrak dus zijne verbindingen met Suleïman. Deze vond voor de poorten van Weenen een hardnekkigen tegenstand: alle beschietingen waren vruchteloos, alle bestormingen werden afgeslagen door een klein garnizoen onder den graaf van Salm, dapper gesteund door de burgers Toen de winter begon te naderen, toen de Janitsaren ongeduldig begonnen te worden, besloot Suleïman het beleg op te breken (Oct. 1529); misschien is ook het vooruitzicht geheel West-Europa tegenover zich te zullen zien van invloed op dit besluit geweest. De oorlog werd nog gedurende vier jaar voortgezet zonder belangrijke krijgsverrichtingen. Op een tweeden tocht in Hongarije (1532) werden weinig resultaten behaald. In 1533 sloten Ferdinand en Suleïman voor het eerst een verdrag. Ferdinand behield het Westelijk deel van Hongarije, maar moest een jaarlijksche schatting betalen aan Turkije. Karel V, steeds volop beziggehouden in het Westen, legde zich hierbij neer.Lang duurde echter de rust niet. De Turken trachtten in dezen tijd ook hunne macht te vestigen aan de Noordkust van Afrika, daardoor het Westelijk bekken van de Middellandsche zee aanhoudend bedreigende. Dit was vooral het werk van Chair-ed-Din, Barbarossa bijgenaamd. Hij behoorde tot een familie van zeeroovers, in dien tijd een welig tierend ras. Zijn broederhad Algiers veroverd en dit was na diens dood door Barbarossa zelf onder de souvereiniteit van den sultan geplaatst. Chair-ed-Din werd weldra opperbevelhebber der Turksche vloot en hij veroverde in 1534 Tunis. Hiertegen nu ondernam Karel V zijn eersten tocht naar de Noordkust van Afrika; Tunis werd door hem heroverd (1535). Daardoor werd de oorlog algemeen. Frans I slooteen offensieveen defensieve alliantie met Suleïman, die toen te Bagdad was, gewikkeld in een oorlog tegen Perzië. Deze alliantie is ook van beteekenis wegens de aan Frankrijk verleende voorrechten in het Turksche rijk; overal zouden de Franschen tegen een minimum invoerrecht handel mogen drijven; bovendien kregen zij de bescherming van de heilige plaatsen in Palestina. Dit zijn de zoogenoemde capitulatiën, dikwijls hernieuwd en op den duur een bron van moeilijkheden.De oorlog, die in 1536 opnieuw begon, werd vooral ter zee gevoerd. Reeds sedert de dagen van Mohammed II hadden de Turken een vloot bezeten, waarmede achtereenvolgens verschillende eilanden in de Aegeïsche Zee genomen waren. Nu, onder Chair-ed-Din, werd die vloot geducht, werd ze meer dan bestand tegen de Venetiaansche, zelfs met een admiraal als Andreas Doria aan het hoofd. Venetië was verbonden met Karel V en het is vooral deze stad geweest, die verloor. Toen het in 1539 onder bemiddeling van Frankrijk vrede sloot met Suleïman, moest het weêr eenige plaatsen aan de Adriatische Zee en al de bezittingen, die het nog had in den Peloponesus en in de Aegeïsche Zee, op een paar na, afstaan. Frans I zelf had reeds eerder den oorlog gestaakt en den wapenstilstand van Nizza gesloten (1538): hij behandelde dus zijn bondgenoot niet al te nauwgezet. Deze toonde er niet den minsten wrok over. Toen in 1541 de wapenstilstand verbroken werd, kwam het tusschen de bondgenooten tot directe samenwerking. Een Fransch en een Turksch eskader vereenigden zich om verschillende steden van Savoye te veroveren, waarvan de hertog met Karel V verbonden was: onder meer hebben zij de stad Nizza in bezit genomen. Voor noodige herstellingen werden haven en stad van Toulon door den Franschen koning ter beschikking van de Turksche vloot gesteld.Ondertusschen oorloogde men ook opnieuw in Hongarije. Zapolya was in 1539 gestorven. Zijne verhouding tot Ferdinand van Oostenrijk was goed geweest; Zapolya had aan Ferdinand de opvolging in zijn deel van Hongarije toegezegd. Daarvan was echter Suleïman niet gediend. In 1541 ondernam hij opnieuw een tocht naar Hongarije en nu bezette hij Boeda en Pest voor zichzelf: hij maakte er Turksche steden van en een groot deel van Hongarije werd een Turksche provincie. Zevenburgen en een klein deel van Hongarije, het banaat van Temesvar, kwamen aan Zapolya’s zoon Sigismund, toen nog minderjarig. Van het deel, dat Ferdinand had, werden enkele steden veroverd: Gran en Stuhlweissenburg (1543), Visegrad (1544). De algemeene oorlog eindigde in dit laatste jaar, zonderdat ergens groote resultaten waren behaald. Frans I, die behalve Turkije nog verschillende andere Europeesche machten tegen Karel V in beweging gebracht had, moest opnieuw het onderspit delven bij den vrede van Crépy. Drie jaar later sloot Suleïman een nieuw verdrag met het huis Habsburg, in hoofdzaak een bevestiging van het vroegere. Bovendien was nu ook Moldavië schatplichtig aan Turkije geworden (sedert 1546)8.In de oorlogen van Karel V en diens opvolger Philips II met Hendrik II, den opvolger van Frans I, die steeds om dezelfde reden voortgezet werden, isSuleïmanweêr de bondgenoot van den Franschen koning. Maar groote veroveringen heeft hij niet meer kunnen maken. Tegen de wereldmacht der Habsburgers, die onder Karel V steeds versterkt was, kon hij op den duur niet op. Het kostte moeite het veroverde te behouden, want de Hongaren verdroegen niet dan zeer onwillig het Turksche gezag. Zevenburgen zelfs kwam ten gunste van Ferdinand in opstand. Die beweging werd bedwongen, het Turksche gezag overal in Hongarije hersteld, maar daarbij bleef het. Evenmin werkte het gezamenlijk optreden van de Turksche en Fransche vloten veel meer uit. Alleen nam de Turksche vloot onder Dragut, den broeder en opvolger van Chair-ed-Din, in 1551 Tripoli9. Nadat Hendrik II buiten Turkije om den wapenstilstand van Vaucelles sloot (1556), toonde Suleïman voor het eerst zijn ongenoegen aan Frankrijk. Beider samenwerking was minder hartelijk, toen Hendrik II weldra den oorlog tegen Philips II hervatte, die in 1559 met den vrede van Câteau-Cambrésis eindigde. Daarmede werd de goede verstandhouding tusschen den “zeer Christelijken” koning en het hoofd der Mohammedaansche wereld afgebroken. Frankrijk ging een halve eeuw van godsdienstoorlogen tegemoet; de strijd in het groot tegen het huis Habsburg rustte in dien tijd. Echter bleven de Franschen in het bezit hunner capitulatiën, waarmede ze een bevoorrechte plaats in den Oosterschen handel innamen tot in de zeventiende eeuw toe. Die handel was echter (het is misschien niet overbodig dit op te merken) niet meer van zulk een beteekenis voor de geheele wereld als vóór de ontdekking van den zeeweg naar Indië in het einde der vijftiende eeuw.Suleïman zette na 1559 den oorlog voort, maar noch in Hongarije noch in de Middellandsche Zee met het vroegere animo. Met Ferdinand I, nu keizer, sloot hij in 1562 voor de derde maal een overeenkomst op de oude voorwaarden. Met KarelV als koning van Spanje had Suleïman nooit vrede gesloten. Evenmin deed hij dit met Philips II, die evenals zijn vader gold als de verdediger bij uitstek van het Katholicisme, de onverzoenlijke tegenstander van den Islam. De meest bekende gebeurtenis uit het laatste deel van dien oorlog is het beleg van Malta (1565), dat Suleïman aan de orde van St. Jan, gesteund door Spanje, wilde ontnemen. De poging mislukte en evenzoo was Suleïman’s laatste expeditie in Hongarije vruchteloos. De vrede hier was reeds na vier jaar om aanhoudende grensmoeilijkheden verbroken. Suleïman viel opnieuw in Hongarije, sloeg het beleg voor Sziget, dat dapper verdedigd werd door Zriny, bij wien Hongaarsch patriottisme den noodigen invloed oefende. Tijdens het beleg stierf Suleïman, een en zeventig jaar oud (1566).Onder hem heeft het Turksche rijk het toppunt van zijne macht bereikt. Enkele kleinere veroveringen, die later genoemd zullen worden, zijn daarna nog gemaakt, maar vergeleken bij de vroegere komen ze haast niet in aanmerking. Vanwaar die stilstand, hier gelijkstaande met achteruitgang? Niet om de meerdere kracht der andere Europeesche staten alleen, want, ofschoon die werkelijk op den duur zich deed gelden, was er toch bij de vele onderlinge oorlogen, vooral in de zeventiende eeuw, gelegenheid genoeg geweest daarvan gebruik te maken. De achteruitgang hangt nauw samen met inwendige veranderingen in het Turksche rijk zelf en is daarom eerst voor den buitenstaander onzichtbaar. Die veranderingen dienen we in de eerste plaats kort na te gaan.1Sedert heet die plaats Sirf-Sindughi, d.i. nederlaag der Serviërs.2In West-Europeesche talen verbasterd tot Tamerlan, van het Perzische Timoer-Lenk, d.i. de hinkende Timoer; hij hinkte vanwege een wonde, die hij in zijn jeugd door een pijl gekregen had.3De opsluiting in een ijzeren kooi en dergelijke verhalen zijn legenden.4Opkaart n°. 2, de uitbreiding van het Turksche rijk (1353–1671), is het verschil tusschen vóór en na 1402 duidelijk gemaakt.5De verschillende phasen van den strijd tusschen Turkije en Venetië zijn om het overzicht van het geheel niet te belemmeren opkaart no. 2niet aangegeven, voorzoover de kust van Dalmatië en Albanië betreft.6Het woord beteekent: slaven; het zijn menschen uit den Kaukasus afkomstig.7In hetzelfde jaar erkende de republiekRagusade souvereiniteit van den Turkschen sultan.8In dit jaar stierf het oude Moldavische vorstenhuis uit. Sedert dien deed zich de invloed van Turkije er op dezelfde wijze gelden als in Walachije: de boïaren kozen telkens een nieuwen vorst (hospodar), dien de sultan bevestigde. Schatplichtig was Moldavië reeds sedert 1513 en in 1538 had Suleïman in het kustgebied een Turksche provincie gesticht.9Tunis is in 1569 door de Turken op de Spanjaarden heroverd; het kasteel bij Tunis eerst in 1573.

II. De Opkomst en Bloei der Turksche macht in Europa.

Van Sultan-Oeni uit breidde zich de macht der Osmanen langzaam, maar zeker uit over het Grieksche deel van Klein-Azië. Langzaam, want hun aantal, hoewel spoedig vergroot door verschillende vechtlievende elementen uit de Seldsjoeken, uit de Mongolen en zelfs uit de Grieken, bleef voorloopig gering. Toch volgden de veroveringen elkander regelmatig op: na een aantal kleinere Grieksche kasteelen werd in 1317 Broessa genomen door Osman’s zoon Ourkhan; toen kwamen Nicomedia (1326), Nicaea (1330) aan de beurt onder de regeering van Ourkhan zelf, die tevens Broessa tot zijn hoofdstad maakte. Groote gematigdheid kenteekende het optreden der Osmanen in den beginne: de Grieksche bevolking van de veroverde steden kreeg vrijen aftocht met haar hebben en houden; velen maakten van deze vergunning geen gebruik, maar namen den Islam aan.Chalcedon (Skoetari) en Philadelphia bleven nu de eenige bezittingen der Grieken in Klein-Azië. Vóórdat deze genomen werden, staken de Osmanen reeds naar Europa over. Dit werd te beter mogelijk, doordat onder hen een staand leger georganiseerd was door Ala-ed-Din, den eersten Turkschen vizier, den broeder van Ourkhan. Het was een leger gedeeltelijk bestaande uit wat men zou kunnen noemen leensoldaten, zij namelijk, die tegen verplichting van militairen dienst land ten gebruike kregen, en gedeeltelijk uit huurlingen. Onder de infanterie was spoedig het meest beroemde corps dat der Janitsaren (Yeni-Cheri, nieuwe troepen), gevormd uit van onderworpen Christenen afgenomen jonge kinderen, jaarlijks ongeveer duizend, die in den Islam opgevoed werden en van hun jeugd af op de wijze der Spartanen geheel voor den krijgsdienst gehard; de inrichting, eigenlijk een schepping van Kara-Khalil-Tcherendeli, een oom van Ourkhan, berustte op de uitspraak van den Koran, dat alle kinderen bij hunne geboorte neiging tot den Islam vertoonen; het corps kreeg groote privileges, hooge soldij, terwijl dapperheid in hooge mate beloond werd. Onder de ruiterij namen de Sipahi een eerste plaats in. Naast deze en andere geregelde troepen stonden verschillende ongeregelde, lichtbewapende, met wie een gevecht gewoonlijk begonnen werd. Dit vaste, geoefende leger gaf den Turken een grooten voorsprong boven de legers van welk land van Europa dan ook, waarmede ze eerst te kampen zouden krijgen; nergens vond men in het midden der veertiende eeuw een dergelijke instelling.De Turksche geschiedschrijvers verklaren het oversteken van de Osmanen over den Bosporus uit een droom van Suleïman, gouverneur van Nicaea, één der zonen van Ourkhan. Een ander verhaal zegt, dat keizer Johannes VI Suleïman te hulp riep in binnenlandsche moeilijkheden, zooals die in den laatsten tijdvan het bestaan van het Grieksche rijk meermalen voorkwamen. Suleïman bezette op zijn tocht naar Europa in 1353 het kasteel Tsympe bij Gallipoli en drie jaar later Gallipoli zelf, toen de muren van die stad ten gevolge van een aardbeving ingestort waren: dit was goddelijke voorbeschikking, verklaarden de Osmanen aan den protesteerenden Johannes VI, en zij behielden de stad. Nu volgden de veroveringen in Thracië elkander snel op. Moerad I, zoon en opvolger van Ourkhan († 1359), nam de belangrijke stad Adrianopel (1361) en vestigde daar den hoofdzetel van zijne macht in Europa (1365).De machtsontwikkeling der Osmanen wekte naijver zoowel bij de Oostelijke als bij de Noordelijke naburen. De eersten, de Seldsjoeken, waren het minst te duchten; Moerad heeft in een eersten oorlog tegen hen een paar der Seldsjoeksche rijkjes veroverd (1388). Gevaarlijker was het verzet, dat uit het Noorden kwam, vooral van de Serviërs en Bulgaren, die zich bedreigd achtten. Verder reeds werkte de Turkenvrees: de pausen, uit wier politiek het hervatten van de kruistochtbeweging nooit geheel geschrapt was, gingen trachten een kruistocht tegen de Muzelmannen in Europa te organiseeren. Het eerst deed dit paus Urbanus V, maar in het Westen bestond voor de zaak nog geen genoegzame belangstelling. Het waren voorloopig alleen de onmiddellijk bedreigden, die zich ernstig inspanden de Turken uit Europa te verjagen. Verbindingen werden daartoe aangeknoopt door de Hongaren onder hun koning Lodewijk den Grooten, de Serviërs onder Voukachine en Ougliecha, twee broeders, die regeerden in het onder Stephanus Doughan veroverde deel van Macedonië, de Bosniërs onder hun ban Tvertko, de Boelgaren onder hun czaar Sischman, de Walachen onder hun voïvode Mircea. Nog vóórdat alle bondgenooten hunne troepen gezonden hadden, overviel een bevelhebber van Moerad I een voornamelijk uit Serviërs bestaand leger bij Tschirmen1aan de rivier de Maritza en behaalde een glansrijke overwinning. Macedonië werd leenplichtig aan de Turken; de zoon van Voukachine, Marko Kralievitch, een nationale held der Serviërs, werd vasal van den sultan.Daarmede was de oorlog niet uit. Dan weer op grootere, dan weer op kleinere schaal werd het vechten eigenlijk steeds voortgezet. De Turken veroverden in 1382 Sofia in Boelgarije, dat toen schatplichtig werd, Monastir en andere plaatsen in Macedonië. En toen Moerad I moest oorlogen tegen de Seldsjoeken (zie boven), toen verbonden zich opnieuw de Serviërs, nu vooral die uit het eigenlijke Servië onder hun czaar Lazarus, met Boelgaren en Bosniërs en Walachen en Hongaren en Polen. In haast kwam Moerad I uit Klein-Azië terug en ontmoette een leger der verbondenen bij Kossowo (1389). Miloch, een Serviër van hooge geboorte, doodde Moerad I na den slag, maar de overwinningbleef aan de Turken. Een groot aantal gevangenen, waaronder Lazarus, werden onthoofd: hij en Miloch en Kossowo bleven nationale herinneringen voor de Serviërs.Het begon er voor Constantinopel bedenkelijk uit te zien. Keizer Johannes V betaalde sedert 1372, nadat hij een vruchtelooze reis naar Rome ondernomen had om daar steun te zoeken, schatting aan de Turken; spoedig daarna werd hij verplicht hun militairen steun te verleenen en één van zijne zoons als gijzelaar te stellen. Daardoor kreeg reeds Moerad I grooten invloed op de regeering te Constantinopel en, toen Johannes V in twist geraakte met zijn oudsten zoon Andronicus, hing het van het partij kiezen van Moerad af, wie de baas was. Na Kossowo kwam Bayezid I, bijgenaamd de Bliksem, en van hem had Constantinopel niet minder te vreezen dan van zijn vader.Het is ondoenlijk al de Turksche sultans, die tot nog toe de revue hebben gepasseerd, scherp in beeld te brengen. Allen maken den indruk van groote krijgslieden met zin voor militaire organisatie. Hoe meer vijanden overwonnen en gedood werden, hoe grooter lof. Daarnaast hebben zij een zekeren ijver voor den Islam, zonder dat dit hen tot fanatisme voert; soms komt een treffende, edelmoedige trek te voorschijn, een medelijdende opwelling van den sterkere als overwinnaar tegenover den overwonnene, soms treft daartegenover een groote wreedheid. De laatste zien ze het eerst duidelijk bij Bayezid I, die na den slag van Kossowo een aantal dappere vijanden liet afmaken,—en tegelijkertijd zijn jongeren broeder Jacoeb, niet, omdat Jacoeb hem tegengewerkt had, maar alleen, omdat er kans op zou kunnen zijn, dat hij een mededinger naar den troon werd. Het was de eerste broedermoord in het huis van Osman, later meermalen toegepast, verdedigd zelfs met een beroep op den Koran, die zegt, dat de opstand erger zou zijn dan de terdoodbrenging.Bayezid I, hoewel wreed en in het bezit van andere bij despoten zoo dikwijls voorkomende eigenschappen als grilligheid, laatdunkendheid, verslaafdheid aan de ergste ondeugden, was een dapper krijgsman en een uitstekend aanvoerder als zijne voorgangers. Hij was de machtigste heerscher op het Balkan-schiereiland. Na Kossowo was Servië evenals Walachije schatplichtig; Boelgarije, waar Sischman een dubbelzinnige rol gespeeld had, werd geheel onderworpen en onder Turksch bestuur gebracht. Te Constantinopel nam Bayezid’s invloed toe: Manuel, de tweede zoon van Johannes V, gijzelaar in Turksche handen, moest voor Bayezid Philadelphia innemen en hij deed het! Aan Johannes V werd verboden Constantinopel te versterken. En toen Manuel II in 1391 zijn vader opgevolgd was, begon Bayezid er ernstig over te denken Constantinopel te veroveren; reeds in 1391 viel Chalcedon en daarmede de laatste bezitting der Grieken in Klein-Azië.De omstandigheden hebben hem niet veroorloofd zijn plan te voltooien. De Turkenvrees was nu verder ingeslagen dan alleenbij de onmiddellijk bedreigden. Reeds hadden de Turken een inval gedaan in Bosnië, reeds hadden ze, voorloopig zonder succes, Hongarije aangevallen (1391). Dit laatste land had zich, tot zijne schade, tot nog toe weinig om de Turken bekommerd. De koning uit het huis van Anjou, Lodewijk de Groote, die tegelijk over Napels en Polen regeerde, had zich meer met de Italiaansche zaken ingelaten.Zijn schoonzoon en opvolger in Hongarije, Sigismund, later (sedert 1410) tevens keizer van Duitschland, wendde zich na den inval der Turken in 1391 met een gezantschap en brieven tot de vorsten in West-Europa om hulp. Zijn bede werd door den paus, die opnieuw tot een kruistocht aanspoorde, gesteund. Er rustte nu zegen op deze vereende pogingen. Uit Frankrijk, de Bourgondische landen, Duitschland, Engeland en Italië kwamen groote scharen ridders en huurlingen opdagen. Bijna heel het Westen hielp mede; alleen de koningen, te veel bezig gehouden in eigen land, bleven thuis. Ook Polen, Walachen, ridders van Rhodus boden steun. Jan Zonder Vrees, zoon van den Bourgondischen hertog, leidde de Westerlingen; koning Sigismund die van Oost- en Midden-Europa. Coalitie-legers als dit heeft Europa in lateren tijd, vooral tegen Lodewijk XIV en tegen Napoleon, meermalen in het veld gebracht en altijd waren het dezelfde gebreken, die hen aankleefden; gemis aan eenheid van leiding, slechte samenwerking van heterogene bestanddeelen. Bij de kruisvaarders van 1396 bestaan die gebreken in de hoogste mate: een eenigszins voldoende organisatie ontbrak hun. Het kruisleger trok langs den Donau naar Nicopolis in het Noorden van Boelgarije; Bayezid, die bezig was met het beleg van Constantinopel, hief dit op en trok Noordwaarts. De beide legers schijnen ongeveer even groot geweest te zijn, maar de Turken, gesteund door een Servisch hulpleger onder Stephanus, den zoon van Lazarus, stonden onder één leiding. Bij de Christenen kon men ’t zelfs over de te vormen slagorde niet dan met veel moeite eens worden. De Westersche ridders openden den slag van Nicopolis (Sept. 1396) met een charge tegen het Turksche leger; de groote doodsverachting, waarmede deze uitgevoerd werd, kon de voortreffelijke opstelling der Turksche troepen niet breken. Van alle kanten ingesloten, terwijl de rest van het kruisleger voor een groot deel op de vlucht sloeg en de Hongaren onder Sigismund door Stephanus’ Serviërs werden verslagen, moesten de ridders, voorzoover niet omgekomen, zich overgeven. Alleen de zeer aanzienlijken werden gespaard, zooals Jan Zonder Vrees, voor wien een hoog losgeld betaald werd. Tienduizend gevangenen zouden gedood zijn, de Turken ook niet minder dan twintigduizend man verloren hebben.Weêr kwam nu Constantinopel aan de beurt, terwijl de Turken plundertochten ondernamen tot in Hongarije en zich voor het eerst ook bewogen naar Zuid-Griekenland, waar geen derkleinere potentaten hen kon tegenhouden. Vóórdat Bayezid hier zijn doel geheel bereikt had, kwam opnieuw eene afleiding, nu niet uit het Westen, waar keizer Manuel II weer tevergeefs hulp was gaan zoeken, maar, ongevraagd door den keizer, uit het Oosten. Bayezid had in Klein-Azië een einde gemaakt aan al de Seldsjoeksche rijkjes, het laatst aan dat van Kastamoeni (in de buurt van Sinope) in 1393. Daardoor kreeg hij in het Oosten de Mongolen tot naburen en onder dezen was juist in de veertiende eeuw nieuwe veroveringslust gebracht door Timoer.Het onmetelijk rijk van Temoedsjin (zie hiervóór, blz.689) was spoedig na zijn dood verbrokkeld. Wel was de keizer van China nog in naam de suzerein van de khans van het rijk van Kiptschak, van Perzië en van een Midden-Aziatisch rijk, bekend als Transoxiane, feitelijk waren deze zelfstandig en de kloof was te grooter, omdat de keizers Boeddhisten, de khans en de meeste hunner onderdanen Muzelmannen geworden waren. Timoer2, geboortig uit een aanzienlijk Turksch geslacht van Transoxiane, vond met zijne schitterende talenten als staats- en krijgsman volop gelegenheid zich te doen gelden in de velerlei twisten tusschen den khan en de naar onafhankelijkheid strevende Mongoolsche aanzienlijken. De khan, die in het Noorden van zijn rijk, in Siberië, resideerde, benoemde Timoer weldra tot gouverneur van het eigenlijke Transoxiane, het land ten oosten van het Aral-meer. Strijd tusschen een zelfstandig man als Timoer en den khan bleef niet uit en na het overwinnen van groote moeilijkheden werd Timoer onafhankelijk vorst van Transoxiane, daarbij vooral steunende op de Muzelmansche geestelijke orden, makende van zijn rijk een soort theocratie. Dan beginnen de veroveringen naar het Westen. Timoer voert zijne heerscharen van zijne hoofdstad Samarkand uit naar het rijk van Kiptschak en vernietigt dit, een feit van beteekenis, omdat daardoor Rusland’s opkomst mogelijk wordt; het rijk leefde voort in brokstukken, waarvan het Tataren-rijk in en om de Krim het meest bekend werd. Ook in Perzië tot Bagdad toe, in Voor-Indië zelfs, deed Timoer zijne macht gevoelen. Evenmin als andere groote Aziatische veroveraars was hij een organisator: zijn rijk hing heel losjes samen, het was voorbestemd na zijn dood uiteen te vallen. Had Timoer de kaliefwaardigheid verkregen, die de Muzelmansche priesters hem zeker toegedacht hebben, misschien zou er meer vastheid in zijn rijk gekomen zijn. Of Timoer zelf het kalifaat heeft willen herstellen? In elk geval heeft hij getracht zijne macht te vestigen in Syrië, de toegangspoort tot Arabië. Dit bracht hem in botsing met Bayezid, dien anderen Islam-verbreider. Grensmoeilijkheden leidden tot deuitbarsting. In 1402 drong Timoer in Klein-Azië door. Met een overmacht, die moeilijk te taxeeren valt, behaalde hij een overwinning op Bayezid bij Angora; deze werd gevangen genomen, goed behandeld3, maar hij stierf spoedig in zijne vernedering. Gelukkig voor het Osmanische rijk overleefde Timoer hem niet lang; na zijne overwinning bij Angora naar Samarkand teruggekeerd, raakte hij in oorlog met China en tijdens dien krijg vond hij zijn einde (1405). Geen even machtige persoonlijkheid verving hem. Zijn rijk bleef na hem niet bestaan, en wat belangrijker is, sedert dient schijnt het groote expansievermogen, dat de Aziatische volkeren tot nog toe meermalen getoond hadden, uitgeput.De Uitbreiding van het Turksche Rijk (1353 1671)De Uitbreiding van het Turksche Rijk (1353 1671)Het Osmanische rijk doorleefde na Angora een crisis4. In Klein-Azië herstelden zich verschillende der Seldsjoeksche emirs; op het Balkan-schiereiland verslapte overal de Turksche invloed: de leenplichtige staten maakten zich geheel vrij. Het ergste was de oneenigheid onder Bayezid’s zoons, die zich beiden de heerschappij wilden verzekeren en zich tegen elkander lieten gebruiken door keizer Manuel II, die door de omstandigheden krachtiger scheen. Toch werd de Osmanische macht niet reddeloos geslagen. Geen der Balkan-machten wist op een afdoende wijze van de gelegenheid te profiteeren; allen zorgden alleen voor zich. Toen nu Mohammed I, één der zoons van Bayezid I, zijn broeder ter zijde had geschoven en alleen sultan geworden was, toen kon hij onmiddellijk opnieuw gaan opbouwen. En zijn zoon Moerad II, die hem reeds in 1421 opvolgde, had slechts dit opbouwingswerk voort te zetten en te voltooien. Hij deed het op voortreffelijke wijze, want hij was een even krachtig heerscher als de meeste zijner voorouders; hij was tevens één der sympathiekste sultans, die het huis van Osman heeft voortgebracht: zonder den in dit huis bijna hereditairen trek van wreedheid bezat hij een eenigszins wijsgeerigen, mystieken aanleg.Reeds twee jaren na de regeeringsaanvaarding voelde hij zich sterk genoeg, om Constantinopel te gaan belegeren. Volgens een Christelijke voorstelling bracht de verschijning van een vrouw op de muren, die op de Moeder Gods geleek, de Turken zóó in verwarring, dat zij het beleg opbraken. De meer prozaïsche oorzaak zoekt het aftrekken van Moerad II in een opstand in Klein-Azië. In elk geval was de druk der Turken te Constantinopel spoedig zóó groot, dat keizer Johannes VIII, zoon en opvolger van Manuel II, een zeer zwak man, er weer in moest toestemmen schatting te betalen, en toen Johannes VIII in 1448 stierf, bewerkte Moerad de opvolging van Constantijn IX Dragazes, broeder van den vorigen keizer.Zoo was de Turksche macht spoedig hersteld, want ook overal in het Balkan-schiereiland deed haar invloed zich reeds weêrgevoelen, toen in het Noorden een vorst optrad, die het Turkengevaar ernstig wilde bekampen. Dit was in Hongarije, waar koning Sigismund, die van de ongelegenheid der Turken ook geen profijt had weten te trekken, in 1437 gestorven was. Na een korte regeering van Sigismund’s schoonzoon Albrecht II kozen de Magyaren Wladislaus V, tevens koning van Polen, tot hun vorst. Onder hem was Johannes Hunyadi, afkomstig uit Zevenburgen, de eigenlijke Hongaarsche rijksbestuurder. Hij bleek tegen de Turken opgewassen, versloeg hen in 1442 en 1443 eenige malen, bracht Moerad II zelf een nederlaag toe aan de Morawa, dicht bij Nisj, in Servië, trok daarop in den winter den Balkan over en dwong de Turken bij een wapenstilstand voor tien jaar, gesloten te Szegedin in Hongarije, Servië en Walachije geheel vrij te verklaren. Moerad besloot daarna de regeering over te dragen aan zijn veertienjarigen zoon en Mohammed II en trok zich terug in een klooster in Klein-Azië. Lang bleef hij hier niet, want Hunyadi, geraden door een pauselijk legaat in zijn legerplaats om ook Boelgarije te bevrijden, verbrak den wapenstilstand. Moerad toog weêr op het strijdpad en nu won hij. Bij Warna leed Hunyadi een geduchte nederlaag, waarin de legaat en vele aanzienlijken omkwamen (1444). Geen beter fortuin bekroonde een nieuwe poging van Hunyadi, vier jaar later; weêr drong hij in Servië door, maar Moerad II versloeg hem opnieuw bij Kossowo op den Turken reeds bekend vechtterrein. Het gevolg van die nederlagen was de herstelling van de Turksche suzereiniteit in Servië, waar toen Brankowitsch, zoon van Stephanus Lazarewitsch regeerde. Aan de Serviërs was dit niet geheel onwelgevallig; de Hongaren, die Walachije tot vazalstaat gemaakt hadden, bedreigden evengoed hunne onafhankelijkheid als de Turken en ze bedreigden bovendien hun Grieksch-Katholicisme, willende hen onder Rome terugbrengen, terwijl de Turken hun godsdienst ongemoeid lieten.Overigens was Moerad II geen veroveraar. Na Warna ging hij onmiddellijk naar zijn klooster terug, maar in 1445 kwam hij nogmaals in de wereld te voorschijn, opnieuw de regeering aanvaardende om een opstand der Janitsaren, de toen reeds machtige soldateska, die meer soldij wilden, maar nu nog bedwongen konden worden. Nu bleef Moerad de regeering voeren tot zijn dood in 1451 toe. De laatste jaren waren vol van een hevigen strijd met een nieuwen, geduchten vijand: de Albaneezen. Zij waren ten tijde van Moerad I onderworpen geweest, maar na de débâcle van Angora vrijgeworden en ze hadden een aanvoerder van buitengewone bekwaamheden gevonden inScander-beg, zoon van een vroegeren hoofdman Johan Castriotes. Begunstigd door de voor een defensieve strijdvoering prachtige natuurlijke gesteldheid van Albanië, kon Scander-beg, die, omdat hij in Turkschen dienst geweest was, de Turksche vechtwijze kende, zich in zijne bergen verdedigen, zelfs, toen Moerad II hem in eigen persoon kwam bestrijden.Moerad’s opvolger was de reeds genoemde Mohammed II, een heel ander man dan zijn vader, meer gelijkende op grootvader Bayezid, zeer wreed, van zeer slechte zeden, maar ook al weêr in het bezit van uitstekende veldheers- en staatsmans-eigenschappen. Met hem begint een nieuw tijdperk van uitbreiding voor het Turksche rijk. Onmiddellijk viel hij Constantinopel aan. De stad kreeg van geen enkele zijde hulp. Onderlinge haat van Grieksch- en Roomsch-Katholieken was de voornaamste oorzaak, dat het Westen neutraal bleef. Meermalen, we zagen het reeds, hadden Grieksche keizers hulp in het Westen gezocht, maar de eisch van fusie der beide kerken was een onoverkomelijke hinderpaal gebleven. En om andere dan godsdienstige belangen stelde geen der Europeesche mogendheden genoeg belang in het Balkan-schiereiland, om voor het bedreigde Byzantium in de bres te springen. Alleen Venetië en Genua verleenden eenigen steun. Al was Constantinopel dan ook een groote stad—het telde bijna 200.000 inwoners, voor dien tijd een zeer groot aantal—al was het zeer sterk gelegen, aan zich zelf overgelaten moest het verloren gaan. Het verdedigingsleger telde niet meer dan 8000 man, menschen uit allerlei natiën; Mohammed II zou niet minder dan 200.000 man voor het beleg hebben aangevoerd en bovendien bracht hij een groote vloot bijeen om de Dardanellen en den Bosporus af te sluiten. Het beleg duurde van 6 April—29 Mei 1453. Op dezen dag had een algemeene bestorming plaats, die de verdedigers, hoe dapper ook strijdende, hoe zeer ook aangespoord door den flinken keizer Constantijn, niet konden doorstaan. De stad werd verdoopt tot Stamboel, eigenlijk Islamboel, d.i. hoofdstad van den Islam. DeAya Sophia, de beroemde basiliek van Justinianus, werd direct tot moskee gewijd. Tegenover de overwonnenen handelde Mohammed hard: een aantal der Christenen werden gedood, de stad zelf geplunderd en bij die gelegenheid heel wat verwoest van oude monumenten, voorzoover deze de plundering door de kruisvaarders van 1204 hadden overleefd.Zoo kregen de Turken een hoofdstad, door haar ligging tusschen Azië en Europa aangewezen om het middelpunt te zijn van een rijk, dat zich over een deel van die beide werelddeelen uitstrekte. Voortaan waren de Turken de heerschende klasse in Constantinopel, maar na de plundering en de wanorde der eerste dagen konden de Christenen er ongemolesteerd blijven wonen met behoud van hunnen godsdienst. De geheele organisatie van de Grieksche kerk bleef onveranderd bestaan, De eerste patriarch na de verovering werd door Mohammed met veel onderscheiding behandeld en met dezelfde ceremoniën gewijd als in den vroegeren tijd gewoonte geweest was. Toch is de Grieksche kerk in verval geraakt, toen latere sultans de patriarchen met minder eerbied behandelden, het patriarchaat gingen verkoopen aan den meestbiedende zonder op geschiktheid te letten. Toen hield het patriarchaat op een band te zijn voor de Grieksch-Katholieken op het Balkanschiereiland.Mohammed rustte niet lang op zijn eerste lauweren. Hij onderwierp Servië geheel en de bevolking schikte zich nog al gemakkelijk in haar lot, vooral, nadat Brankowitsch gestorven was (1456). Alleen Belgrado, verdedigd door Hunyadi, die hier den smaad van zijn vorige nederlagen uitwischte, en den Franciscaner monnik Johannis Capistrano, die met een handjevol kruisvaarders toonde, wat echte geloofsijver vermag, kon niet genomen worden. Wel werden niet lang daarna Bosnië (1464) en Herzegowina (1467) tot Turksche provinciën gemaakt en ook maakte Mohammed voorgoed een einde aan het bestaan der Zuidelijke staatjes zooals het hertogdom Athene, waardoor nu ook in Midden-Griekenland en Morea de Turksche heerschappij gevestigd werd (1456–1460). Slechts Venetië behield enkele steden als Koron, Pylos en Nauplia. Ernstige tegenstand werd hier niet ondervonden. In Albanië kreeg Mohammed II eerst eenigen invloed na den dood van Scander-beg in 1467. Aan de Noord-Oost grens herstelde hij de oude verhouding: Walachije betaalde sedert 1462 opnieuw schatting. Daarentegen bleven Hongarije en evenzoo Moldavië nog buiten de Turksche machtsfeer. Aan de verovering van Hongarije kon onder de regeering van koning Matthias Corvinus, zoon van Hunyadi, niet gedacht worden. Matthias was de laatste krachtige vorst, die over Hongarije alleen geregeerd heeft; hij hield de Turken buiten zijn grondgebied, maar aanvallend tegen hen optreden, steun verleenen aan Grieksch-Katholieken deed hij nooit.De beide Italiaansche zeemogendheden bleken ook niet bestand tegen de compacte Turkenmacht. Genua verloor zijne bezittingen aan de Zee van Azof en Mohammed II dwong de Tataren in die buurt zijne suzereiniteit te erkennen. Venetië werd van een krachtigen beschermer beroofd door den dood van Skander-beg, waarna het meer bloot stond aan een inval in het aan de stad zelf grenzend gebied. Toen in 1470 een Turksch leger zich aan de Oostkust van de Adriatische Zee vertoonde, sloot de lagunenstad vrede, waarbij het enkele eilanden in de Aegeïsche Zee, o.a. Lemnos en Euboea (Negropont), benevens enkele plaatsen in Albanië, o.a. Croïa, moest afstaan; dan betaalde het een oorlogsvergoeding en voortaan een jaarlijksche schatting; dat was een dure prijs voor enkele handelsvoordeelen, die het wist te bedingen5. Ook in de Ionische Zee drong de Turksche macht door: het eiland Zante werd door Mohammed bezet en aan den anderen kant der Adriatische Zee de stad Otranto (1480). Rome zelfs moest zich nu bedreigd achten. Slechts ééne macht in het Oostelijk deel der Middellandsche Zee weerstond Mohammed’s aanval: dat waren de ridders derorde van St. Jan, die in 1480opschitterende wijze hun eiland Rhodus tegen de Turken verdedigden.Zoo was één der laatste ondernemingen van Mohammed II een mislukking, want in het volgende jaar stierf hij. Geen sultan had den Turkschen naam zóó gevreesd gemaakt als hij, die bij zijn dood één der machtigste, zoo niet de machtigste vorst van Europa was. Op buitengewone wijze hadden de omstandigheden hem begunstigd; noch in Europa noch in Azië een macht, die hem ernstig in zijne plannen had kunnen dwarsboomen. Persoonlijke dapperheid alleen had Belgrado en Rhodus als twee Christelijke bolwerken in het Oosten doen blijven bestaan. In Klein-Azië waren de Seldsjoeksche emiraten opnieuw en nu voorgoed verdwenen, het laatst dat van Karamanië, éénmaal het machtigste (1471). De Eufraat was aan zijn bovenloop een Turksche grensrivier geworden.Weer was Bayezid II, zoon en opvolger van Mohammed II, van andere geaardheid dan zijn vader; ook hij deed meer aan zijn grootvader denken. Beoefening van kunst en wetenschap was zijn geliefkoosde bezigheid. Aan veroveringen maken dacht hij niet. Daarom is zijne regeering over het algemeen een tijd van rust. Alleen de vrede met Venetië werd voor korten tijd verbroken en de meeste bezittingen, die deze stad op het Balkanschiereiland nog over had, gingen nu verloren. Het steunpunt voor een verdere uitbreiding in Italië, Otranto, daarentegen werd niet lang na den dood van Mohammed II ontruimd. Viel Bayezid II niet aan, hij behoefde evenmin af te weren, want Europa liet hem met rust. Er zijn in het einde der vijftiende eeuw nog wel steeds plannen in overweging, vooral bij de Fransche koningen, om de Turken uit Europa te verdrijven, maar de veleverwikkelingen, waarmede de meeste Westersche vorsten in eigen land en onderling, vooral in hun strijd om de heerschappij in Italië, te kampen hadden, deden die plannen altijd verschuiven. Hadden de Franschen zich kunnen vestigen in Zuid-Italië, zooals men tijdens koning Karel VIII een tijdlang kon denken, misschien was er dan iets van gekomen. Nu liet men een schoone gelegenheid ongebruikt voorbijgaan: een gelukkig toeval had een broeder van Bayezid II, gewoonlijk prins Djem genoemd, die in het begin van Bayezid’s regeering tegen dezen in opstand gekomen was, in handen van paus Alexander VI gespeeld; hem had men kunnen uitspelen tegen Bayezid, maar ook dit werd door de onderlinge oneenigheid verhinderd en prins Djem vond op ongelukkige wijze den dood onder voor denpauszeer bezwarende omstandigheden.Het is begrijpelijk, dat Bayezid II geen man naar het hart der door veel oorlog en door veel buit verwende soldaten was. Vooral de Janitsaren, steeds meer aanmatigend, toonden hunne ontevredenheid en nu wilde het ongeluk, dat Bayezid tevens in onmin raakte met zijne eigen zoons, vooral met den derden, Selim. De Janitsaren kozen onmiddellijk voor dezen partij,drongen in 1512 het paleis van den sultan binnen en dwongen hem af te treden. Zoo stelden zij een antecedent voor een bedenkelijke inmenging der militaire macht in de aangelegenheden van het Turkenrijk.Selim I, een buitengewoon wreed mensch, regeerde slechts acht jaar (1512–1520), maar dit korte tijdperk is zeer rijk aan aanwinsten in grondgebied, echter buiten Europa. De beide Mohammedaansche rijken, die in Azië aan Selim’s rijk grensden, hadden het meest van hem te lijden. Perzië, na Timoer weer zelfstandig, eerst onder Turcomansche dynastieën, sedert het begin der zestiende eeuw onder een nieuwe dynastie, afstammende van een Sheikh-familie, die behoorde tot de orde der Çoufi en daarom meest de Çoufi-dynastie genoemd, raakte met Selim in oorlog wegens grensmoeilijkheden en wegens steun, door den shah Ismaël aan Turksche opstandelingen bewezen. Het was tevens een godsdienstoorlog, want de Perzen waren sjiïtische Muzelmannen, de Turken Soenitische. Perzië werd niet geheel onderworpen, maar verloor in het Noord-Westen Azerbaïdjan en in het Westen een deel van Mesopotamië met o.a. de stad Mosoel. In denzelfden tijd onderwierp Selim ook het onafhankelijke Georgië en Koerdistan, waardoor de Kaukasus de Noordgrens van zijn rijk werd. Het zal in het vervolg van dit korte overzicht onmogelijk zijn telkens terug te komen op de veelvuldige oorlogen van Perzië en Turkije. Het moet genoeg zijn er de aandacht op te vestigen, dat de grens in het Noord-Westen op den duur bleef, zooals zij vóór Selim was, d.w.z. Azerbaïdjan kwam aan Perzië terug, terwijl Georgië en Koerdistan altijd heel losjes met het Turksche rijk verbonden bleven, evenals b.v. Albanië in de zestiende eeuw nog was. Alleen Mesopotamië bleef Turksch. Suleïman, Selim’s opvolger, nam daar nog Bagdad, dat alleen in het begin der zeventiende eeuw bij een krachtige herleving van Perzië onder shah Abbas den Grooten voor een korten tijd weêr in Perzische handen geweest is.Het andere Mohammedaansche grensrijk was Egypte, waarmede Syrië vereenigd was; hier heerschten sedert het einde der dertiende eeuw de Mamelukken6, vroeger in dienst genomen door Egyptische sultans, maar die dezen op den duur overvleugeld hadden. Ook de oorlog met dit land kwam voort uit grensmoeilijkheden. Zonder veel moeite veroverde Selim Syrië, maar in Egypte bood sultan Touman-Baï een heftigen tegenstand (1517), die niet dan met groote moeite overwonnen werd. En nu gebeurde er in Cairo iets zeer opmerkelijks: daar leefde nog verborgen, in armoede, een man, die den naam van kalief droeg en die heette af te stammen van de Abassiden; van hem kocht Selim de waardigheid van kalief en daarbij den standaard en den mantel van Mohammed, symbolen van het kalifaat. Nukonden Selim en zijne opvolgers, die van khan (vorst van een stam in Azië) tot emir (een tot den Islam bekeerde vorst, hoofd der geloovigen), sultan (koning), padishah (koning der koningen, keizer) geklommen waren, zich nu ook als opvolgers van Mohammed beschouwen en zich een soort geestelijke oppermacht over alle Mohammedanen aanmatigen. De kaliefwaardigheid bracht natuurlijk aanspraken mede op Arabië, in de eerste plaats op Mekka en Medina, waarover Selim I dan ook reeds zijne heerschappij uitgebreid heeft. De Arabische kustplaatsen, als b.v. Aden en Mascate, werden pas door Suleïman onderworpen; Yemen eerst na Suleïman, onder diens opvolger Selim II. Daarmede was de uiterste grens van de macht der Turken in Azië bereikt. Afgezien van de kleine veroveringen van Suleïman en Selim II, heeft dus Selim I in Azië en Afrika ongeveer alles veroverd, wat in vroegere dagen tot het Oost-Romeinsche rijk van Justinianus behoord had; alleen de Noord-kust van Afrika ontbrak er nog aan.In Europa hadden de veroveringen na Mohammed II zoo goed als stilgestaan. Maar nu kwam na Selim I alweêr een sultan van groote kracht, Suleïman I, dien zijne onderdanen den Wetgever hebben genoemd en de Westerlingen den Prachtlievende. Suleïman is een krijgs- en staatsman van buitengewone bekwaamheden, nog hooger ontwikkeld op dit gebied dan velen zijner voorgangers waren; wreedheid heeft hij niet getoond, op enkele uitzonderingen na. Dat ze in hem was, heeft hij bewezen, toen hij zijn zeer begaafden zoon Moestafa liet worgen (1553), om te voldoen aan een wensch van zijn lievelingsvrouw Roxelane, en toen hij, om diezelfde vrouw te plezieren, zijn grootvizier Ibrahim, die eerst veel invloed had, uit den weg liet ruimen (1536). Die invloed van Roxelane, misschien een Russische, toont, dat er onder Suleïman een verandering intreedt, die op den duur zeer slechte gevolgen gehad heeft: de harem van den sultan blijft niet meer buiten het politieke leven.Voor het uitwendige is Suleïman’s lange regeering (1520–1566) de schitterendste onder die van alle Turksche sultans, vooral om den invloed, dien hij uitoefende tot in West-Europeesche aangelegenheden toe. De verhouding van de Turken tot Europa wordt onder hem van anderen aard. Er is geen sprake meer van hunne uitdrijving uit Europa. Terwijl alle krachten van de aangrenzende landen noodig en nog niet eens voldoende zijn om verdere uitbreiding van het Turksche rijk te voorkomen, verandert één der Europeesche staten geheel van politiek ten opzichte van Turkije: Frankrijk, nog pas dreigende om als bestrijder op te treden, gaat met den sultan verbindingen aanknoopen. Dit was een gevolg van den grooten strijd tusschen de beide in de eerste helft der zestiende eeuw in West-Europa bestaande en elkander bekampende grootmachten: Karel V, regeerende over Spanje, groote stukken van Italië, de Oostenrijksche erflanden, de Nederlandsche gewesten, tevens keizervan Duitschland, en Frans I, koning van Frankrijk, beiden strevende naar de opperheerschappij in Europa. Karel V beschikte over de grootste hulpbronnen, overtrof Frans in bekwaamheid. Het einde van den strijd was niet twijfelachtig en begrijpelijk de reden, waarom Frans de derde grootmacht in Europa voor zich trachtte te winnen.Suleïman begon zijne vele ondernemingen met de beide plaatsen, waarvoor Mohamed II het hoofd gestooten had. Belgrado werd reeds in 1521 genomen. Hongarije, na den dood van Matthias Corvinus door binnenlandsche twisten verscheurd, kon dit niet verhinderen. Een jaar later viel Rhodus. De expeditie tegen dit eiland, in den laatsten regeeringstijd van Selim I met groote zorg voorbereid, kostte meer inspanning. Het beleg van de ridders, die in hun sterke vesting zich heldhaftig verdedigden, duurde ruim een half jaar. Op voorwaarde van vrijen aftocht gaven de grootmeester en de zijnen zich in December 1522 over. Een paar jaar later kregen zij Malta van Karel V en vormden daar een nieuw bolwerk tegen Turksche uitbreiding naar het Westen.Deze beide veroveringen waren slechts voorpostengevechten. Een grootsche onderneming kwam in 15267: een inval in Hongarije. Het was het jaar na den slag van Pavia, waar Frans I door Karel V een geduchte nederlaag was toegebracht; de Fransche koning was gevangen genomen en te Madrid tot een zeer nadeeligen vrede gedwongen. Haast onnoodig is het te zeggen, dat hij dien vrede onmiddellijk na zijne invrijheidstelling verbrak. Op zijn aansporen nu, heet het, heeft Suleïman den oorlog tegen het huis Habsburg aangebonden. Maar zou die oorlog anders zijn uitgebleven? Nu Belgrado ingenomen was, lokte de vruchtbare Hongaarsche laagvlakte als van zelf tot verovering uit, en te meer moest Suleïman de verovering wenschen, omdat de macht van de Habsburgers dreigde zich ook hier te vestigen.In Hongarije regeerde de jonge koning Lodewijk II. Zijn vader, een zoon van een Poolsch koning uit het geslacht der Jagellonen, was na Corvinus’ dood tot koning van Hongarije gekozen, en regeerde eveneens over Bohemen, Moravië en Silezie. De slimme politiek van keizer Maximilaan I, grootvader van Karel V, had dezen tak der Jagellonen-dynastie op dubbele wijze aan de Habsburgers vermaagschapt: Lodewijk II was gehuwd met Maximiliaan’s kleindochter, Lodewijk’s zuster met Maximiliaan’s tweeden kleinzoon Ferdinand, den lateren keizer. Habsburgsche invloed was dus in Hongarije zoo goed als gewaarborgd.Hiertegen nu trad Suleïman op, hetzij dan geheel uit eigen beweging, hetzij op vreemde aansporing. Het Hongaarsche legerbleek volstrekt niet tegen hem opgewassen. Peterwardein was de eerste belangrijke verovering der Turken op Hongaarsch grondgebied. De beslissende slag had plaats bij Mohacz, waar Lodewijk II sneuvelde en de Hongaren totaal verslagen werden. Nadat de “Hongaarsche natie” hier haar “graf” gevonden had, viel de hoofdstad van het rijk, Boeda, zonder slag of stoot in handen der Turken en spoedig daarna ook het aan de overzijde van den Donau gelegen Pest. Inwendige verdeeldheid onder de moeilijk te beheerschen Magyaarsche magnaten had de verovering gemakkelijk gemaakt—en vergemakkelijkte eveneens de verdere beheersching van het land. Twee pretendenten dongen naar de kroon, beiden vonden aanhang: Johan Zapolya, voïvode van Zevenburgen, werd door de bevolking als koning erkend in Zevenburgen en Oostelijk Hongarije; Ferdinand, deHabsburger, door den rijksdag, vergaderd te Presburg, de hoofdstad van dat deel van Hongarije, dat nu Oostenrijksch werd. Beide partijen trachtten door Suleïman erkend te worden: Zapolya won het; hij werd vorst onder Turksche suzereiniteit.De gezanten van Ferdinand kregen van Suleïman tot antwoord, dat hun meester zich op zijn bezoek moest voorbereiden. Inderdaad zette de sultan den oorlog voort en in 1529 rukte hij op tot voor Weenen. Zouden de Turken zich vestigen in Midden-Europa? Terwijl Weenen deerlijk in het nauw raakte, verbreidde zich in de Westelijke wereld een groote onrust. Eén oogenblik kon men onderlinge vijandschap vergeten: Luther spoorde zijne geloofsgenooten aan nu de Katholieken te hulp te snellen; Frans I, stellig ook onder invloed van den Turkschen intocht in Oostenrijk, sloot te Kamerijk vrede met Karel V en verbrak dus zijne verbindingen met Suleïman. Deze vond voor de poorten van Weenen een hardnekkigen tegenstand: alle beschietingen waren vruchteloos, alle bestormingen werden afgeslagen door een klein garnizoen onder den graaf van Salm, dapper gesteund door de burgers Toen de winter begon te naderen, toen de Janitsaren ongeduldig begonnen te worden, besloot Suleïman het beleg op te breken (Oct. 1529); misschien is ook het vooruitzicht geheel West-Europa tegenover zich te zullen zien van invloed op dit besluit geweest. De oorlog werd nog gedurende vier jaar voortgezet zonder belangrijke krijgsverrichtingen. Op een tweeden tocht in Hongarije (1532) werden weinig resultaten behaald. In 1533 sloten Ferdinand en Suleïman voor het eerst een verdrag. Ferdinand behield het Westelijk deel van Hongarije, maar moest een jaarlijksche schatting betalen aan Turkije. Karel V, steeds volop beziggehouden in het Westen, legde zich hierbij neer.Lang duurde echter de rust niet. De Turken trachtten in dezen tijd ook hunne macht te vestigen aan de Noordkust van Afrika, daardoor het Westelijk bekken van de Middellandsche zee aanhoudend bedreigende. Dit was vooral het werk van Chair-ed-Din, Barbarossa bijgenaamd. Hij behoorde tot een familie van zeeroovers, in dien tijd een welig tierend ras. Zijn broederhad Algiers veroverd en dit was na diens dood door Barbarossa zelf onder de souvereiniteit van den sultan geplaatst. Chair-ed-Din werd weldra opperbevelhebber der Turksche vloot en hij veroverde in 1534 Tunis. Hiertegen nu ondernam Karel V zijn eersten tocht naar de Noordkust van Afrika; Tunis werd door hem heroverd (1535). Daardoor werd de oorlog algemeen. Frans I slooteen offensieveen defensieve alliantie met Suleïman, die toen te Bagdad was, gewikkeld in een oorlog tegen Perzië. Deze alliantie is ook van beteekenis wegens de aan Frankrijk verleende voorrechten in het Turksche rijk; overal zouden de Franschen tegen een minimum invoerrecht handel mogen drijven; bovendien kregen zij de bescherming van de heilige plaatsen in Palestina. Dit zijn de zoogenoemde capitulatiën, dikwijls hernieuwd en op den duur een bron van moeilijkheden.De oorlog, die in 1536 opnieuw begon, werd vooral ter zee gevoerd. Reeds sedert de dagen van Mohammed II hadden de Turken een vloot bezeten, waarmede achtereenvolgens verschillende eilanden in de Aegeïsche Zee genomen waren. Nu, onder Chair-ed-Din, werd die vloot geducht, werd ze meer dan bestand tegen de Venetiaansche, zelfs met een admiraal als Andreas Doria aan het hoofd. Venetië was verbonden met Karel V en het is vooral deze stad geweest, die verloor. Toen het in 1539 onder bemiddeling van Frankrijk vrede sloot met Suleïman, moest het weêr eenige plaatsen aan de Adriatische Zee en al de bezittingen, die het nog had in den Peloponesus en in de Aegeïsche Zee, op een paar na, afstaan. Frans I zelf had reeds eerder den oorlog gestaakt en den wapenstilstand van Nizza gesloten (1538): hij behandelde dus zijn bondgenoot niet al te nauwgezet. Deze toonde er niet den minsten wrok over. Toen in 1541 de wapenstilstand verbroken werd, kwam het tusschen de bondgenooten tot directe samenwerking. Een Fransch en een Turksch eskader vereenigden zich om verschillende steden van Savoye te veroveren, waarvan de hertog met Karel V verbonden was: onder meer hebben zij de stad Nizza in bezit genomen. Voor noodige herstellingen werden haven en stad van Toulon door den Franschen koning ter beschikking van de Turksche vloot gesteld.Ondertusschen oorloogde men ook opnieuw in Hongarije. Zapolya was in 1539 gestorven. Zijne verhouding tot Ferdinand van Oostenrijk was goed geweest; Zapolya had aan Ferdinand de opvolging in zijn deel van Hongarije toegezegd. Daarvan was echter Suleïman niet gediend. In 1541 ondernam hij opnieuw een tocht naar Hongarije en nu bezette hij Boeda en Pest voor zichzelf: hij maakte er Turksche steden van en een groot deel van Hongarije werd een Turksche provincie. Zevenburgen en een klein deel van Hongarije, het banaat van Temesvar, kwamen aan Zapolya’s zoon Sigismund, toen nog minderjarig. Van het deel, dat Ferdinand had, werden enkele steden veroverd: Gran en Stuhlweissenburg (1543), Visegrad (1544). De algemeene oorlog eindigde in dit laatste jaar, zonderdat ergens groote resultaten waren behaald. Frans I, die behalve Turkije nog verschillende andere Europeesche machten tegen Karel V in beweging gebracht had, moest opnieuw het onderspit delven bij den vrede van Crépy. Drie jaar later sloot Suleïman een nieuw verdrag met het huis Habsburg, in hoofdzaak een bevestiging van het vroegere. Bovendien was nu ook Moldavië schatplichtig aan Turkije geworden (sedert 1546)8.In de oorlogen van Karel V en diens opvolger Philips II met Hendrik II, den opvolger van Frans I, die steeds om dezelfde reden voortgezet werden, isSuleïmanweêr de bondgenoot van den Franschen koning. Maar groote veroveringen heeft hij niet meer kunnen maken. Tegen de wereldmacht der Habsburgers, die onder Karel V steeds versterkt was, kon hij op den duur niet op. Het kostte moeite het veroverde te behouden, want de Hongaren verdroegen niet dan zeer onwillig het Turksche gezag. Zevenburgen zelfs kwam ten gunste van Ferdinand in opstand. Die beweging werd bedwongen, het Turksche gezag overal in Hongarije hersteld, maar daarbij bleef het. Evenmin werkte het gezamenlijk optreden van de Turksche en Fransche vloten veel meer uit. Alleen nam de Turksche vloot onder Dragut, den broeder en opvolger van Chair-ed-Din, in 1551 Tripoli9. Nadat Hendrik II buiten Turkije om den wapenstilstand van Vaucelles sloot (1556), toonde Suleïman voor het eerst zijn ongenoegen aan Frankrijk. Beider samenwerking was minder hartelijk, toen Hendrik II weldra den oorlog tegen Philips II hervatte, die in 1559 met den vrede van Câteau-Cambrésis eindigde. Daarmede werd de goede verstandhouding tusschen den “zeer Christelijken” koning en het hoofd der Mohammedaansche wereld afgebroken. Frankrijk ging een halve eeuw van godsdienstoorlogen tegemoet; de strijd in het groot tegen het huis Habsburg rustte in dien tijd. Echter bleven de Franschen in het bezit hunner capitulatiën, waarmede ze een bevoorrechte plaats in den Oosterschen handel innamen tot in de zeventiende eeuw toe. Die handel was echter (het is misschien niet overbodig dit op te merken) niet meer van zulk een beteekenis voor de geheele wereld als vóór de ontdekking van den zeeweg naar Indië in het einde der vijftiende eeuw.Suleïman zette na 1559 den oorlog voort, maar noch in Hongarije noch in de Middellandsche Zee met het vroegere animo. Met Ferdinand I, nu keizer, sloot hij in 1562 voor de derde maal een overeenkomst op de oude voorwaarden. Met KarelV als koning van Spanje had Suleïman nooit vrede gesloten. Evenmin deed hij dit met Philips II, die evenals zijn vader gold als de verdediger bij uitstek van het Katholicisme, de onverzoenlijke tegenstander van den Islam. De meest bekende gebeurtenis uit het laatste deel van dien oorlog is het beleg van Malta (1565), dat Suleïman aan de orde van St. Jan, gesteund door Spanje, wilde ontnemen. De poging mislukte en evenzoo was Suleïman’s laatste expeditie in Hongarije vruchteloos. De vrede hier was reeds na vier jaar om aanhoudende grensmoeilijkheden verbroken. Suleïman viel opnieuw in Hongarije, sloeg het beleg voor Sziget, dat dapper verdedigd werd door Zriny, bij wien Hongaarsch patriottisme den noodigen invloed oefende. Tijdens het beleg stierf Suleïman, een en zeventig jaar oud (1566).Onder hem heeft het Turksche rijk het toppunt van zijne macht bereikt. Enkele kleinere veroveringen, die later genoemd zullen worden, zijn daarna nog gemaakt, maar vergeleken bij de vroegere komen ze haast niet in aanmerking. Vanwaar die stilstand, hier gelijkstaande met achteruitgang? Niet om de meerdere kracht der andere Europeesche staten alleen, want, ofschoon die werkelijk op den duur zich deed gelden, was er toch bij de vele onderlinge oorlogen, vooral in de zeventiende eeuw, gelegenheid genoeg geweest daarvan gebruik te maken. De achteruitgang hangt nauw samen met inwendige veranderingen in het Turksche rijk zelf en is daarom eerst voor den buitenstaander onzichtbaar. Die veranderingen dienen we in de eerste plaats kort na te gaan.

Van Sultan-Oeni uit breidde zich de macht der Osmanen langzaam, maar zeker uit over het Grieksche deel van Klein-Azië. Langzaam, want hun aantal, hoewel spoedig vergroot door verschillende vechtlievende elementen uit de Seldsjoeken, uit de Mongolen en zelfs uit de Grieken, bleef voorloopig gering. Toch volgden de veroveringen elkander regelmatig op: na een aantal kleinere Grieksche kasteelen werd in 1317 Broessa genomen door Osman’s zoon Ourkhan; toen kwamen Nicomedia (1326), Nicaea (1330) aan de beurt onder de regeering van Ourkhan zelf, die tevens Broessa tot zijn hoofdstad maakte. Groote gematigdheid kenteekende het optreden der Osmanen in den beginne: de Grieksche bevolking van de veroverde steden kreeg vrijen aftocht met haar hebben en houden; velen maakten van deze vergunning geen gebruik, maar namen den Islam aan.

Chalcedon (Skoetari) en Philadelphia bleven nu de eenige bezittingen der Grieken in Klein-Azië. Vóórdat deze genomen werden, staken de Osmanen reeds naar Europa over. Dit werd te beter mogelijk, doordat onder hen een staand leger georganiseerd was door Ala-ed-Din, den eersten Turkschen vizier, den broeder van Ourkhan. Het was een leger gedeeltelijk bestaande uit wat men zou kunnen noemen leensoldaten, zij namelijk, die tegen verplichting van militairen dienst land ten gebruike kregen, en gedeeltelijk uit huurlingen. Onder de infanterie was spoedig het meest beroemde corps dat der Janitsaren (Yeni-Cheri, nieuwe troepen), gevormd uit van onderworpen Christenen afgenomen jonge kinderen, jaarlijks ongeveer duizend, die in den Islam opgevoed werden en van hun jeugd af op de wijze der Spartanen geheel voor den krijgsdienst gehard; de inrichting, eigenlijk een schepping van Kara-Khalil-Tcherendeli, een oom van Ourkhan, berustte op de uitspraak van den Koran, dat alle kinderen bij hunne geboorte neiging tot den Islam vertoonen; het corps kreeg groote privileges, hooge soldij, terwijl dapperheid in hooge mate beloond werd. Onder de ruiterij namen de Sipahi een eerste plaats in. Naast deze en andere geregelde troepen stonden verschillende ongeregelde, lichtbewapende, met wie een gevecht gewoonlijk begonnen werd. Dit vaste, geoefende leger gaf den Turken een grooten voorsprong boven de legers van welk land van Europa dan ook, waarmede ze eerst te kampen zouden krijgen; nergens vond men in het midden der veertiende eeuw een dergelijke instelling.

De Turksche geschiedschrijvers verklaren het oversteken van de Osmanen over den Bosporus uit een droom van Suleïman, gouverneur van Nicaea, één der zonen van Ourkhan. Een ander verhaal zegt, dat keizer Johannes VI Suleïman te hulp riep in binnenlandsche moeilijkheden, zooals die in den laatsten tijdvan het bestaan van het Grieksche rijk meermalen voorkwamen. Suleïman bezette op zijn tocht naar Europa in 1353 het kasteel Tsympe bij Gallipoli en drie jaar later Gallipoli zelf, toen de muren van die stad ten gevolge van een aardbeving ingestort waren: dit was goddelijke voorbeschikking, verklaarden de Osmanen aan den protesteerenden Johannes VI, en zij behielden de stad. Nu volgden de veroveringen in Thracië elkander snel op. Moerad I, zoon en opvolger van Ourkhan († 1359), nam de belangrijke stad Adrianopel (1361) en vestigde daar den hoofdzetel van zijne macht in Europa (1365).

De machtsontwikkeling der Osmanen wekte naijver zoowel bij de Oostelijke als bij de Noordelijke naburen. De eersten, de Seldsjoeken, waren het minst te duchten; Moerad heeft in een eersten oorlog tegen hen een paar der Seldsjoeksche rijkjes veroverd (1388). Gevaarlijker was het verzet, dat uit het Noorden kwam, vooral van de Serviërs en Bulgaren, die zich bedreigd achtten. Verder reeds werkte de Turkenvrees: de pausen, uit wier politiek het hervatten van de kruistochtbeweging nooit geheel geschrapt was, gingen trachten een kruistocht tegen de Muzelmannen in Europa te organiseeren. Het eerst deed dit paus Urbanus V, maar in het Westen bestond voor de zaak nog geen genoegzame belangstelling. Het waren voorloopig alleen de onmiddellijk bedreigden, die zich ernstig inspanden de Turken uit Europa te verjagen. Verbindingen werden daartoe aangeknoopt door de Hongaren onder hun koning Lodewijk den Grooten, de Serviërs onder Voukachine en Ougliecha, twee broeders, die regeerden in het onder Stephanus Doughan veroverde deel van Macedonië, de Bosniërs onder hun ban Tvertko, de Boelgaren onder hun czaar Sischman, de Walachen onder hun voïvode Mircea. Nog vóórdat alle bondgenooten hunne troepen gezonden hadden, overviel een bevelhebber van Moerad I een voornamelijk uit Serviërs bestaand leger bij Tschirmen1aan de rivier de Maritza en behaalde een glansrijke overwinning. Macedonië werd leenplichtig aan de Turken; de zoon van Voukachine, Marko Kralievitch, een nationale held der Serviërs, werd vasal van den sultan.

Daarmede was de oorlog niet uit. Dan weer op grootere, dan weer op kleinere schaal werd het vechten eigenlijk steeds voortgezet. De Turken veroverden in 1382 Sofia in Boelgarije, dat toen schatplichtig werd, Monastir en andere plaatsen in Macedonië. En toen Moerad I moest oorlogen tegen de Seldsjoeken (zie boven), toen verbonden zich opnieuw de Serviërs, nu vooral die uit het eigenlijke Servië onder hun czaar Lazarus, met Boelgaren en Bosniërs en Walachen en Hongaren en Polen. In haast kwam Moerad I uit Klein-Azië terug en ontmoette een leger der verbondenen bij Kossowo (1389). Miloch, een Serviër van hooge geboorte, doodde Moerad I na den slag, maar de overwinningbleef aan de Turken. Een groot aantal gevangenen, waaronder Lazarus, werden onthoofd: hij en Miloch en Kossowo bleven nationale herinneringen voor de Serviërs.

Het begon er voor Constantinopel bedenkelijk uit te zien. Keizer Johannes V betaalde sedert 1372, nadat hij een vruchtelooze reis naar Rome ondernomen had om daar steun te zoeken, schatting aan de Turken; spoedig daarna werd hij verplicht hun militairen steun te verleenen en één van zijne zoons als gijzelaar te stellen. Daardoor kreeg reeds Moerad I grooten invloed op de regeering te Constantinopel en, toen Johannes V in twist geraakte met zijn oudsten zoon Andronicus, hing het van het partij kiezen van Moerad af, wie de baas was. Na Kossowo kwam Bayezid I, bijgenaamd de Bliksem, en van hem had Constantinopel niet minder te vreezen dan van zijn vader.

Het is ondoenlijk al de Turksche sultans, die tot nog toe de revue hebben gepasseerd, scherp in beeld te brengen. Allen maken den indruk van groote krijgslieden met zin voor militaire organisatie. Hoe meer vijanden overwonnen en gedood werden, hoe grooter lof. Daarnaast hebben zij een zekeren ijver voor den Islam, zonder dat dit hen tot fanatisme voert; soms komt een treffende, edelmoedige trek te voorschijn, een medelijdende opwelling van den sterkere als overwinnaar tegenover den overwonnene, soms treft daartegenover een groote wreedheid. De laatste zien ze het eerst duidelijk bij Bayezid I, die na den slag van Kossowo een aantal dappere vijanden liet afmaken,—en tegelijkertijd zijn jongeren broeder Jacoeb, niet, omdat Jacoeb hem tegengewerkt had, maar alleen, omdat er kans op zou kunnen zijn, dat hij een mededinger naar den troon werd. Het was de eerste broedermoord in het huis van Osman, later meermalen toegepast, verdedigd zelfs met een beroep op den Koran, die zegt, dat de opstand erger zou zijn dan de terdoodbrenging.

Bayezid I, hoewel wreed en in het bezit van andere bij despoten zoo dikwijls voorkomende eigenschappen als grilligheid, laatdunkendheid, verslaafdheid aan de ergste ondeugden, was een dapper krijgsman en een uitstekend aanvoerder als zijne voorgangers. Hij was de machtigste heerscher op het Balkan-schiereiland. Na Kossowo was Servië evenals Walachije schatplichtig; Boelgarije, waar Sischman een dubbelzinnige rol gespeeld had, werd geheel onderworpen en onder Turksch bestuur gebracht. Te Constantinopel nam Bayezid’s invloed toe: Manuel, de tweede zoon van Johannes V, gijzelaar in Turksche handen, moest voor Bayezid Philadelphia innemen en hij deed het! Aan Johannes V werd verboden Constantinopel te versterken. En toen Manuel II in 1391 zijn vader opgevolgd was, begon Bayezid er ernstig over te denken Constantinopel te veroveren; reeds in 1391 viel Chalcedon en daarmede de laatste bezitting der Grieken in Klein-Azië.

De omstandigheden hebben hem niet veroorloofd zijn plan te voltooien. De Turkenvrees was nu verder ingeslagen dan alleenbij de onmiddellijk bedreigden. Reeds hadden de Turken een inval gedaan in Bosnië, reeds hadden ze, voorloopig zonder succes, Hongarije aangevallen (1391). Dit laatste land had zich, tot zijne schade, tot nog toe weinig om de Turken bekommerd. De koning uit het huis van Anjou, Lodewijk de Groote, die tegelijk over Napels en Polen regeerde, had zich meer met de Italiaansche zaken ingelaten.

Zijn schoonzoon en opvolger in Hongarije, Sigismund, later (sedert 1410) tevens keizer van Duitschland, wendde zich na den inval der Turken in 1391 met een gezantschap en brieven tot de vorsten in West-Europa om hulp. Zijn bede werd door den paus, die opnieuw tot een kruistocht aanspoorde, gesteund. Er rustte nu zegen op deze vereende pogingen. Uit Frankrijk, de Bourgondische landen, Duitschland, Engeland en Italië kwamen groote scharen ridders en huurlingen opdagen. Bijna heel het Westen hielp mede; alleen de koningen, te veel bezig gehouden in eigen land, bleven thuis. Ook Polen, Walachen, ridders van Rhodus boden steun. Jan Zonder Vrees, zoon van den Bourgondischen hertog, leidde de Westerlingen; koning Sigismund die van Oost- en Midden-Europa. Coalitie-legers als dit heeft Europa in lateren tijd, vooral tegen Lodewijk XIV en tegen Napoleon, meermalen in het veld gebracht en altijd waren het dezelfde gebreken, die hen aankleefden; gemis aan eenheid van leiding, slechte samenwerking van heterogene bestanddeelen. Bij de kruisvaarders van 1396 bestaan die gebreken in de hoogste mate: een eenigszins voldoende organisatie ontbrak hun. Het kruisleger trok langs den Donau naar Nicopolis in het Noorden van Boelgarije; Bayezid, die bezig was met het beleg van Constantinopel, hief dit op en trok Noordwaarts. De beide legers schijnen ongeveer even groot geweest te zijn, maar de Turken, gesteund door een Servisch hulpleger onder Stephanus, den zoon van Lazarus, stonden onder één leiding. Bij de Christenen kon men ’t zelfs over de te vormen slagorde niet dan met veel moeite eens worden. De Westersche ridders openden den slag van Nicopolis (Sept. 1396) met een charge tegen het Turksche leger; de groote doodsverachting, waarmede deze uitgevoerd werd, kon de voortreffelijke opstelling der Turksche troepen niet breken. Van alle kanten ingesloten, terwijl de rest van het kruisleger voor een groot deel op de vlucht sloeg en de Hongaren onder Sigismund door Stephanus’ Serviërs werden verslagen, moesten de ridders, voorzoover niet omgekomen, zich overgeven. Alleen de zeer aanzienlijken werden gespaard, zooals Jan Zonder Vrees, voor wien een hoog losgeld betaald werd. Tienduizend gevangenen zouden gedood zijn, de Turken ook niet minder dan twintigduizend man verloren hebben.

Weêr kwam nu Constantinopel aan de beurt, terwijl de Turken plundertochten ondernamen tot in Hongarije en zich voor het eerst ook bewogen naar Zuid-Griekenland, waar geen derkleinere potentaten hen kon tegenhouden. Vóórdat Bayezid hier zijn doel geheel bereikt had, kwam opnieuw eene afleiding, nu niet uit het Westen, waar keizer Manuel II weer tevergeefs hulp was gaan zoeken, maar, ongevraagd door den keizer, uit het Oosten. Bayezid had in Klein-Azië een einde gemaakt aan al de Seldsjoeksche rijkjes, het laatst aan dat van Kastamoeni (in de buurt van Sinope) in 1393. Daardoor kreeg hij in het Oosten de Mongolen tot naburen en onder dezen was juist in de veertiende eeuw nieuwe veroveringslust gebracht door Timoer.

Het onmetelijk rijk van Temoedsjin (zie hiervóór, blz.689) was spoedig na zijn dood verbrokkeld. Wel was de keizer van China nog in naam de suzerein van de khans van het rijk van Kiptschak, van Perzië en van een Midden-Aziatisch rijk, bekend als Transoxiane, feitelijk waren deze zelfstandig en de kloof was te grooter, omdat de keizers Boeddhisten, de khans en de meeste hunner onderdanen Muzelmannen geworden waren. Timoer2, geboortig uit een aanzienlijk Turksch geslacht van Transoxiane, vond met zijne schitterende talenten als staats- en krijgsman volop gelegenheid zich te doen gelden in de velerlei twisten tusschen den khan en de naar onafhankelijkheid strevende Mongoolsche aanzienlijken. De khan, die in het Noorden van zijn rijk, in Siberië, resideerde, benoemde Timoer weldra tot gouverneur van het eigenlijke Transoxiane, het land ten oosten van het Aral-meer. Strijd tusschen een zelfstandig man als Timoer en den khan bleef niet uit en na het overwinnen van groote moeilijkheden werd Timoer onafhankelijk vorst van Transoxiane, daarbij vooral steunende op de Muzelmansche geestelijke orden, makende van zijn rijk een soort theocratie. Dan beginnen de veroveringen naar het Westen. Timoer voert zijne heerscharen van zijne hoofdstad Samarkand uit naar het rijk van Kiptschak en vernietigt dit, een feit van beteekenis, omdat daardoor Rusland’s opkomst mogelijk wordt; het rijk leefde voort in brokstukken, waarvan het Tataren-rijk in en om de Krim het meest bekend werd. Ook in Perzië tot Bagdad toe, in Voor-Indië zelfs, deed Timoer zijne macht gevoelen. Evenmin als andere groote Aziatische veroveraars was hij een organisator: zijn rijk hing heel losjes samen, het was voorbestemd na zijn dood uiteen te vallen. Had Timoer de kaliefwaardigheid verkregen, die de Muzelmansche priesters hem zeker toegedacht hebben, misschien zou er meer vastheid in zijn rijk gekomen zijn. Of Timoer zelf het kalifaat heeft willen herstellen? In elk geval heeft hij getracht zijne macht te vestigen in Syrië, de toegangspoort tot Arabië. Dit bracht hem in botsing met Bayezid, dien anderen Islam-verbreider. Grensmoeilijkheden leidden tot deuitbarsting. In 1402 drong Timoer in Klein-Azië door. Met een overmacht, die moeilijk te taxeeren valt, behaalde hij een overwinning op Bayezid bij Angora; deze werd gevangen genomen, goed behandeld3, maar hij stierf spoedig in zijne vernedering. Gelukkig voor het Osmanische rijk overleefde Timoer hem niet lang; na zijne overwinning bij Angora naar Samarkand teruggekeerd, raakte hij in oorlog met China en tijdens dien krijg vond hij zijn einde (1405). Geen even machtige persoonlijkheid verving hem. Zijn rijk bleef na hem niet bestaan, en wat belangrijker is, sedert dient schijnt het groote expansievermogen, dat de Aziatische volkeren tot nog toe meermalen getoond hadden, uitgeput.

De Uitbreiding van het Turksche Rijk (1353 1671)De Uitbreiding van het Turksche Rijk (1353 1671)

De Uitbreiding van het Turksche Rijk (1353 1671)

Het Osmanische rijk doorleefde na Angora een crisis4. In Klein-Azië herstelden zich verschillende der Seldsjoeksche emirs; op het Balkan-schiereiland verslapte overal de Turksche invloed: de leenplichtige staten maakten zich geheel vrij. Het ergste was de oneenigheid onder Bayezid’s zoons, die zich beiden de heerschappij wilden verzekeren en zich tegen elkander lieten gebruiken door keizer Manuel II, die door de omstandigheden krachtiger scheen. Toch werd de Osmanische macht niet reddeloos geslagen. Geen der Balkan-machten wist op een afdoende wijze van de gelegenheid te profiteeren; allen zorgden alleen voor zich. Toen nu Mohammed I, één der zoons van Bayezid I, zijn broeder ter zijde had geschoven en alleen sultan geworden was, toen kon hij onmiddellijk opnieuw gaan opbouwen. En zijn zoon Moerad II, die hem reeds in 1421 opvolgde, had slechts dit opbouwingswerk voort te zetten en te voltooien. Hij deed het op voortreffelijke wijze, want hij was een even krachtig heerscher als de meeste zijner voorouders; hij was tevens één der sympathiekste sultans, die het huis van Osman heeft voortgebracht: zonder den in dit huis bijna hereditairen trek van wreedheid bezat hij een eenigszins wijsgeerigen, mystieken aanleg.

Reeds twee jaren na de regeeringsaanvaarding voelde hij zich sterk genoeg, om Constantinopel te gaan belegeren. Volgens een Christelijke voorstelling bracht de verschijning van een vrouw op de muren, die op de Moeder Gods geleek, de Turken zóó in verwarring, dat zij het beleg opbraken. De meer prozaïsche oorzaak zoekt het aftrekken van Moerad II in een opstand in Klein-Azië. In elk geval was de druk der Turken te Constantinopel spoedig zóó groot, dat keizer Johannes VIII, zoon en opvolger van Manuel II, een zeer zwak man, er weer in moest toestemmen schatting te betalen, en toen Johannes VIII in 1448 stierf, bewerkte Moerad de opvolging van Constantijn IX Dragazes, broeder van den vorigen keizer.

Zoo was de Turksche macht spoedig hersteld, want ook overal in het Balkan-schiereiland deed haar invloed zich reeds weêrgevoelen, toen in het Noorden een vorst optrad, die het Turkengevaar ernstig wilde bekampen. Dit was in Hongarije, waar koning Sigismund, die van de ongelegenheid der Turken ook geen profijt had weten te trekken, in 1437 gestorven was. Na een korte regeering van Sigismund’s schoonzoon Albrecht II kozen de Magyaren Wladislaus V, tevens koning van Polen, tot hun vorst. Onder hem was Johannes Hunyadi, afkomstig uit Zevenburgen, de eigenlijke Hongaarsche rijksbestuurder. Hij bleek tegen de Turken opgewassen, versloeg hen in 1442 en 1443 eenige malen, bracht Moerad II zelf een nederlaag toe aan de Morawa, dicht bij Nisj, in Servië, trok daarop in den winter den Balkan over en dwong de Turken bij een wapenstilstand voor tien jaar, gesloten te Szegedin in Hongarije, Servië en Walachije geheel vrij te verklaren. Moerad besloot daarna de regeering over te dragen aan zijn veertienjarigen zoon en Mohammed II en trok zich terug in een klooster in Klein-Azië. Lang bleef hij hier niet, want Hunyadi, geraden door een pauselijk legaat in zijn legerplaats om ook Boelgarije te bevrijden, verbrak den wapenstilstand. Moerad toog weêr op het strijdpad en nu won hij. Bij Warna leed Hunyadi een geduchte nederlaag, waarin de legaat en vele aanzienlijken omkwamen (1444). Geen beter fortuin bekroonde een nieuwe poging van Hunyadi, vier jaar later; weêr drong hij in Servië door, maar Moerad II versloeg hem opnieuw bij Kossowo op den Turken reeds bekend vechtterrein. Het gevolg van die nederlagen was de herstelling van de Turksche suzereiniteit in Servië, waar toen Brankowitsch, zoon van Stephanus Lazarewitsch regeerde. Aan de Serviërs was dit niet geheel onwelgevallig; de Hongaren, die Walachije tot vazalstaat gemaakt hadden, bedreigden evengoed hunne onafhankelijkheid als de Turken en ze bedreigden bovendien hun Grieksch-Katholicisme, willende hen onder Rome terugbrengen, terwijl de Turken hun godsdienst ongemoeid lieten.

Overigens was Moerad II geen veroveraar. Na Warna ging hij onmiddellijk naar zijn klooster terug, maar in 1445 kwam hij nogmaals in de wereld te voorschijn, opnieuw de regeering aanvaardende om een opstand der Janitsaren, de toen reeds machtige soldateska, die meer soldij wilden, maar nu nog bedwongen konden worden. Nu bleef Moerad de regeering voeren tot zijn dood in 1451 toe. De laatste jaren waren vol van een hevigen strijd met een nieuwen, geduchten vijand: de Albaneezen. Zij waren ten tijde van Moerad I onderworpen geweest, maar na de débâcle van Angora vrijgeworden en ze hadden een aanvoerder van buitengewone bekwaamheden gevonden inScander-beg, zoon van een vroegeren hoofdman Johan Castriotes. Begunstigd door de voor een defensieve strijdvoering prachtige natuurlijke gesteldheid van Albanië, kon Scander-beg, die, omdat hij in Turkschen dienst geweest was, de Turksche vechtwijze kende, zich in zijne bergen verdedigen, zelfs, toen Moerad II hem in eigen persoon kwam bestrijden.

Moerad’s opvolger was de reeds genoemde Mohammed II, een heel ander man dan zijn vader, meer gelijkende op grootvader Bayezid, zeer wreed, van zeer slechte zeden, maar ook al weêr in het bezit van uitstekende veldheers- en staatsmans-eigenschappen. Met hem begint een nieuw tijdperk van uitbreiding voor het Turksche rijk. Onmiddellijk viel hij Constantinopel aan. De stad kreeg van geen enkele zijde hulp. Onderlinge haat van Grieksch- en Roomsch-Katholieken was de voornaamste oorzaak, dat het Westen neutraal bleef. Meermalen, we zagen het reeds, hadden Grieksche keizers hulp in het Westen gezocht, maar de eisch van fusie der beide kerken was een onoverkomelijke hinderpaal gebleven. En om andere dan godsdienstige belangen stelde geen der Europeesche mogendheden genoeg belang in het Balkan-schiereiland, om voor het bedreigde Byzantium in de bres te springen. Alleen Venetië en Genua verleenden eenigen steun. Al was Constantinopel dan ook een groote stad—het telde bijna 200.000 inwoners, voor dien tijd een zeer groot aantal—al was het zeer sterk gelegen, aan zich zelf overgelaten moest het verloren gaan. Het verdedigingsleger telde niet meer dan 8000 man, menschen uit allerlei natiën; Mohammed II zou niet minder dan 200.000 man voor het beleg hebben aangevoerd en bovendien bracht hij een groote vloot bijeen om de Dardanellen en den Bosporus af te sluiten. Het beleg duurde van 6 April—29 Mei 1453. Op dezen dag had een algemeene bestorming plaats, die de verdedigers, hoe dapper ook strijdende, hoe zeer ook aangespoord door den flinken keizer Constantijn, niet konden doorstaan. De stad werd verdoopt tot Stamboel, eigenlijk Islamboel, d.i. hoofdstad van den Islam. DeAya Sophia, de beroemde basiliek van Justinianus, werd direct tot moskee gewijd. Tegenover de overwonnenen handelde Mohammed hard: een aantal der Christenen werden gedood, de stad zelf geplunderd en bij die gelegenheid heel wat verwoest van oude monumenten, voorzoover deze de plundering door de kruisvaarders van 1204 hadden overleefd.

Zoo kregen de Turken een hoofdstad, door haar ligging tusschen Azië en Europa aangewezen om het middelpunt te zijn van een rijk, dat zich over een deel van die beide werelddeelen uitstrekte. Voortaan waren de Turken de heerschende klasse in Constantinopel, maar na de plundering en de wanorde der eerste dagen konden de Christenen er ongemolesteerd blijven wonen met behoud van hunnen godsdienst. De geheele organisatie van de Grieksche kerk bleef onveranderd bestaan, De eerste patriarch na de verovering werd door Mohammed met veel onderscheiding behandeld en met dezelfde ceremoniën gewijd als in den vroegeren tijd gewoonte geweest was. Toch is de Grieksche kerk in verval geraakt, toen latere sultans de patriarchen met minder eerbied behandelden, het patriarchaat gingen verkoopen aan den meestbiedende zonder op geschiktheid te letten. Toen hield het patriarchaat op een band te zijn voor de Grieksch-Katholieken op het Balkanschiereiland.

Mohammed rustte niet lang op zijn eerste lauweren. Hij onderwierp Servië geheel en de bevolking schikte zich nog al gemakkelijk in haar lot, vooral, nadat Brankowitsch gestorven was (1456). Alleen Belgrado, verdedigd door Hunyadi, die hier den smaad van zijn vorige nederlagen uitwischte, en den Franciscaner monnik Johannis Capistrano, die met een handjevol kruisvaarders toonde, wat echte geloofsijver vermag, kon niet genomen worden. Wel werden niet lang daarna Bosnië (1464) en Herzegowina (1467) tot Turksche provinciën gemaakt en ook maakte Mohammed voorgoed een einde aan het bestaan der Zuidelijke staatjes zooals het hertogdom Athene, waardoor nu ook in Midden-Griekenland en Morea de Turksche heerschappij gevestigd werd (1456–1460). Slechts Venetië behield enkele steden als Koron, Pylos en Nauplia. Ernstige tegenstand werd hier niet ondervonden. In Albanië kreeg Mohammed II eerst eenigen invloed na den dood van Scander-beg in 1467. Aan de Noord-Oost grens herstelde hij de oude verhouding: Walachije betaalde sedert 1462 opnieuw schatting. Daarentegen bleven Hongarije en evenzoo Moldavië nog buiten de Turksche machtsfeer. Aan de verovering van Hongarije kon onder de regeering van koning Matthias Corvinus, zoon van Hunyadi, niet gedacht worden. Matthias was de laatste krachtige vorst, die over Hongarije alleen geregeerd heeft; hij hield de Turken buiten zijn grondgebied, maar aanvallend tegen hen optreden, steun verleenen aan Grieksch-Katholieken deed hij nooit.

De beide Italiaansche zeemogendheden bleken ook niet bestand tegen de compacte Turkenmacht. Genua verloor zijne bezittingen aan de Zee van Azof en Mohammed II dwong de Tataren in die buurt zijne suzereiniteit te erkennen. Venetië werd van een krachtigen beschermer beroofd door den dood van Skander-beg, waarna het meer bloot stond aan een inval in het aan de stad zelf grenzend gebied. Toen in 1470 een Turksch leger zich aan de Oostkust van de Adriatische Zee vertoonde, sloot de lagunenstad vrede, waarbij het enkele eilanden in de Aegeïsche Zee, o.a. Lemnos en Euboea (Negropont), benevens enkele plaatsen in Albanië, o.a. Croïa, moest afstaan; dan betaalde het een oorlogsvergoeding en voortaan een jaarlijksche schatting; dat was een dure prijs voor enkele handelsvoordeelen, die het wist te bedingen5. Ook in de Ionische Zee drong de Turksche macht door: het eiland Zante werd door Mohammed bezet en aan den anderen kant der Adriatische Zee de stad Otranto (1480). Rome zelfs moest zich nu bedreigd achten. Slechts ééne macht in het Oostelijk deel der Middellandsche Zee weerstond Mohammed’s aanval: dat waren de ridders derorde van St. Jan, die in 1480opschitterende wijze hun eiland Rhodus tegen de Turken verdedigden.

Zoo was één der laatste ondernemingen van Mohammed II een mislukking, want in het volgende jaar stierf hij. Geen sultan had den Turkschen naam zóó gevreesd gemaakt als hij, die bij zijn dood één der machtigste, zoo niet de machtigste vorst van Europa was. Op buitengewone wijze hadden de omstandigheden hem begunstigd; noch in Europa noch in Azië een macht, die hem ernstig in zijne plannen had kunnen dwarsboomen. Persoonlijke dapperheid alleen had Belgrado en Rhodus als twee Christelijke bolwerken in het Oosten doen blijven bestaan. In Klein-Azië waren de Seldsjoeksche emiraten opnieuw en nu voorgoed verdwenen, het laatst dat van Karamanië, éénmaal het machtigste (1471). De Eufraat was aan zijn bovenloop een Turksche grensrivier geworden.

Weer was Bayezid II, zoon en opvolger van Mohammed II, van andere geaardheid dan zijn vader; ook hij deed meer aan zijn grootvader denken. Beoefening van kunst en wetenschap was zijn geliefkoosde bezigheid. Aan veroveringen maken dacht hij niet. Daarom is zijne regeering over het algemeen een tijd van rust. Alleen de vrede met Venetië werd voor korten tijd verbroken en de meeste bezittingen, die deze stad op het Balkanschiereiland nog over had, gingen nu verloren. Het steunpunt voor een verdere uitbreiding in Italië, Otranto, daarentegen werd niet lang na den dood van Mohammed II ontruimd. Viel Bayezid II niet aan, hij behoefde evenmin af te weren, want Europa liet hem met rust. Er zijn in het einde der vijftiende eeuw nog wel steeds plannen in overweging, vooral bij de Fransche koningen, om de Turken uit Europa te verdrijven, maar de veleverwikkelingen, waarmede de meeste Westersche vorsten in eigen land en onderling, vooral in hun strijd om de heerschappij in Italië, te kampen hadden, deden die plannen altijd verschuiven. Hadden de Franschen zich kunnen vestigen in Zuid-Italië, zooals men tijdens koning Karel VIII een tijdlang kon denken, misschien was er dan iets van gekomen. Nu liet men een schoone gelegenheid ongebruikt voorbijgaan: een gelukkig toeval had een broeder van Bayezid II, gewoonlijk prins Djem genoemd, die in het begin van Bayezid’s regeering tegen dezen in opstand gekomen was, in handen van paus Alexander VI gespeeld; hem had men kunnen uitspelen tegen Bayezid, maar ook dit werd door de onderlinge oneenigheid verhinderd en prins Djem vond op ongelukkige wijze den dood onder voor denpauszeer bezwarende omstandigheden.

Het is begrijpelijk, dat Bayezid II geen man naar het hart der door veel oorlog en door veel buit verwende soldaten was. Vooral de Janitsaren, steeds meer aanmatigend, toonden hunne ontevredenheid en nu wilde het ongeluk, dat Bayezid tevens in onmin raakte met zijne eigen zoons, vooral met den derden, Selim. De Janitsaren kozen onmiddellijk voor dezen partij,drongen in 1512 het paleis van den sultan binnen en dwongen hem af te treden. Zoo stelden zij een antecedent voor een bedenkelijke inmenging der militaire macht in de aangelegenheden van het Turkenrijk.

Selim I, een buitengewoon wreed mensch, regeerde slechts acht jaar (1512–1520), maar dit korte tijdperk is zeer rijk aan aanwinsten in grondgebied, echter buiten Europa. De beide Mohammedaansche rijken, die in Azië aan Selim’s rijk grensden, hadden het meest van hem te lijden. Perzië, na Timoer weer zelfstandig, eerst onder Turcomansche dynastieën, sedert het begin der zestiende eeuw onder een nieuwe dynastie, afstammende van een Sheikh-familie, die behoorde tot de orde der Çoufi en daarom meest de Çoufi-dynastie genoemd, raakte met Selim in oorlog wegens grensmoeilijkheden en wegens steun, door den shah Ismaël aan Turksche opstandelingen bewezen. Het was tevens een godsdienstoorlog, want de Perzen waren sjiïtische Muzelmannen, de Turken Soenitische. Perzië werd niet geheel onderworpen, maar verloor in het Noord-Westen Azerbaïdjan en in het Westen een deel van Mesopotamië met o.a. de stad Mosoel. In denzelfden tijd onderwierp Selim ook het onafhankelijke Georgië en Koerdistan, waardoor de Kaukasus de Noordgrens van zijn rijk werd. Het zal in het vervolg van dit korte overzicht onmogelijk zijn telkens terug te komen op de veelvuldige oorlogen van Perzië en Turkije. Het moet genoeg zijn er de aandacht op te vestigen, dat de grens in het Noord-Westen op den duur bleef, zooals zij vóór Selim was, d.w.z. Azerbaïdjan kwam aan Perzië terug, terwijl Georgië en Koerdistan altijd heel losjes met het Turksche rijk verbonden bleven, evenals b.v. Albanië in de zestiende eeuw nog was. Alleen Mesopotamië bleef Turksch. Suleïman, Selim’s opvolger, nam daar nog Bagdad, dat alleen in het begin der zeventiende eeuw bij een krachtige herleving van Perzië onder shah Abbas den Grooten voor een korten tijd weêr in Perzische handen geweest is.

Het andere Mohammedaansche grensrijk was Egypte, waarmede Syrië vereenigd was; hier heerschten sedert het einde der dertiende eeuw de Mamelukken6, vroeger in dienst genomen door Egyptische sultans, maar die dezen op den duur overvleugeld hadden. Ook de oorlog met dit land kwam voort uit grensmoeilijkheden. Zonder veel moeite veroverde Selim Syrië, maar in Egypte bood sultan Touman-Baï een heftigen tegenstand (1517), die niet dan met groote moeite overwonnen werd. En nu gebeurde er in Cairo iets zeer opmerkelijks: daar leefde nog verborgen, in armoede, een man, die den naam van kalief droeg en die heette af te stammen van de Abassiden; van hem kocht Selim de waardigheid van kalief en daarbij den standaard en den mantel van Mohammed, symbolen van het kalifaat. Nukonden Selim en zijne opvolgers, die van khan (vorst van een stam in Azië) tot emir (een tot den Islam bekeerde vorst, hoofd der geloovigen), sultan (koning), padishah (koning der koningen, keizer) geklommen waren, zich nu ook als opvolgers van Mohammed beschouwen en zich een soort geestelijke oppermacht over alle Mohammedanen aanmatigen. De kaliefwaardigheid bracht natuurlijk aanspraken mede op Arabië, in de eerste plaats op Mekka en Medina, waarover Selim I dan ook reeds zijne heerschappij uitgebreid heeft. De Arabische kustplaatsen, als b.v. Aden en Mascate, werden pas door Suleïman onderworpen; Yemen eerst na Suleïman, onder diens opvolger Selim II. Daarmede was de uiterste grens van de macht der Turken in Azië bereikt. Afgezien van de kleine veroveringen van Suleïman en Selim II, heeft dus Selim I in Azië en Afrika ongeveer alles veroverd, wat in vroegere dagen tot het Oost-Romeinsche rijk van Justinianus behoord had; alleen de Noord-kust van Afrika ontbrak er nog aan.

In Europa hadden de veroveringen na Mohammed II zoo goed als stilgestaan. Maar nu kwam na Selim I alweêr een sultan van groote kracht, Suleïman I, dien zijne onderdanen den Wetgever hebben genoemd en de Westerlingen den Prachtlievende. Suleïman is een krijgs- en staatsman van buitengewone bekwaamheden, nog hooger ontwikkeld op dit gebied dan velen zijner voorgangers waren; wreedheid heeft hij niet getoond, op enkele uitzonderingen na. Dat ze in hem was, heeft hij bewezen, toen hij zijn zeer begaafden zoon Moestafa liet worgen (1553), om te voldoen aan een wensch van zijn lievelingsvrouw Roxelane, en toen hij, om diezelfde vrouw te plezieren, zijn grootvizier Ibrahim, die eerst veel invloed had, uit den weg liet ruimen (1536). Die invloed van Roxelane, misschien een Russische, toont, dat er onder Suleïman een verandering intreedt, die op den duur zeer slechte gevolgen gehad heeft: de harem van den sultan blijft niet meer buiten het politieke leven.

Voor het uitwendige is Suleïman’s lange regeering (1520–1566) de schitterendste onder die van alle Turksche sultans, vooral om den invloed, dien hij uitoefende tot in West-Europeesche aangelegenheden toe. De verhouding van de Turken tot Europa wordt onder hem van anderen aard. Er is geen sprake meer van hunne uitdrijving uit Europa. Terwijl alle krachten van de aangrenzende landen noodig en nog niet eens voldoende zijn om verdere uitbreiding van het Turksche rijk te voorkomen, verandert één der Europeesche staten geheel van politiek ten opzichte van Turkije: Frankrijk, nog pas dreigende om als bestrijder op te treden, gaat met den sultan verbindingen aanknoopen. Dit was een gevolg van den grooten strijd tusschen de beide in de eerste helft der zestiende eeuw in West-Europa bestaande en elkander bekampende grootmachten: Karel V, regeerende over Spanje, groote stukken van Italië, de Oostenrijksche erflanden, de Nederlandsche gewesten, tevens keizervan Duitschland, en Frans I, koning van Frankrijk, beiden strevende naar de opperheerschappij in Europa. Karel V beschikte over de grootste hulpbronnen, overtrof Frans in bekwaamheid. Het einde van den strijd was niet twijfelachtig en begrijpelijk de reden, waarom Frans de derde grootmacht in Europa voor zich trachtte te winnen.

Suleïman begon zijne vele ondernemingen met de beide plaatsen, waarvoor Mohamed II het hoofd gestooten had. Belgrado werd reeds in 1521 genomen. Hongarije, na den dood van Matthias Corvinus door binnenlandsche twisten verscheurd, kon dit niet verhinderen. Een jaar later viel Rhodus. De expeditie tegen dit eiland, in den laatsten regeeringstijd van Selim I met groote zorg voorbereid, kostte meer inspanning. Het beleg van de ridders, die in hun sterke vesting zich heldhaftig verdedigden, duurde ruim een half jaar. Op voorwaarde van vrijen aftocht gaven de grootmeester en de zijnen zich in December 1522 over. Een paar jaar later kregen zij Malta van Karel V en vormden daar een nieuw bolwerk tegen Turksche uitbreiding naar het Westen.

Deze beide veroveringen waren slechts voorpostengevechten. Een grootsche onderneming kwam in 15267: een inval in Hongarije. Het was het jaar na den slag van Pavia, waar Frans I door Karel V een geduchte nederlaag was toegebracht; de Fransche koning was gevangen genomen en te Madrid tot een zeer nadeeligen vrede gedwongen. Haast onnoodig is het te zeggen, dat hij dien vrede onmiddellijk na zijne invrijheidstelling verbrak. Op zijn aansporen nu, heet het, heeft Suleïman den oorlog tegen het huis Habsburg aangebonden. Maar zou die oorlog anders zijn uitgebleven? Nu Belgrado ingenomen was, lokte de vruchtbare Hongaarsche laagvlakte als van zelf tot verovering uit, en te meer moest Suleïman de verovering wenschen, omdat de macht van de Habsburgers dreigde zich ook hier te vestigen.

In Hongarije regeerde de jonge koning Lodewijk II. Zijn vader, een zoon van een Poolsch koning uit het geslacht der Jagellonen, was na Corvinus’ dood tot koning van Hongarije gekozen, en regeerde eveneens over Bohemen, Moravië en Silezie. De slimme politiek van keizer Maximilaan I, grootvader van Karel V, had dezen tak der Jagellonen-dynastie op dubbele wijze aan de Habsburgers vermaagschapt: Lodewijk II was gehuwd met Maximiliaan’s kleindochter, Lodewijk’s zuster met Maximiliaan’s tweeden kleinzoon Ferdinand, den lateren keizer. Habsburgsche invloed was dus in Hongarije zoo goed als gewaarborgd.

Hiertegen nu trad Suleïman op, hetzij dan geheel uit eigen beweging, hetzij op vreemde aansporing. Het Hongaarsche legerbleek volstrekt niet tegen hem opgewassen. Peterwardein was de eerste belangrijke verovering der Turken op Hongaarsch grondgebied. De beslissende slag had plaats bij Mohacz, waar Lodewijk II sneuvelde en de Hongaren totaal verslagen werden. Nadat de “Hongaarsche natie” hier haar “graf” gevonden had, viel de hoofdstad van het rijk, Boeda, zonder slag of stoot in handen der Turken en spoedig daarna ook het aan de overzijde van den Donau gelegen Pest. Inwendige verdeeldheid onder de moeilijk te beheerschen Magyaarsche magnaten had de verovering gemakkelijk gemaakt—en vergemakkelijkte eveneens de verdere beheersching van het land. Twee pretendenten dongen naar de kroon, beiden vonden aanhang: Johan Zapolya, voïvode van Zevenburgen, werd door de bevolking als koning erkend in Zevenburgen en Oostelijk Hongarije; Ferdinand, deHabsburger, door den rijksdag, vergaderd te Presburg, de hoofdstad van dat deel van Hongarije, dat nu Oostenrijksch werd. Beide partijen trachtten door Suleïman erkend te worden: Zapolya won het; hij werd vorst onder Turksche suzereiniteit.

De gezanten van Ferdinand kregen van Suleïman tot antwoord, dat hun meester zich op zijn bezoek moest voorbereiden. Inderdaad zette de sultan den oorlog voort en in 1529 rukte hij op tot voor Weenen. Zouden de Turken zich vestigen in Midden-Europa? Terwijl Weenen deerlijk in het nauw raakte, verbreidde zich in de Westelijke wereld een groote onrust. Eén oogenblik kon men onderlinge vijandschap vergeten: Luther spoorde zijne geloofsgenooten aan nu de Katholieken te hulp te snellen; Frans I, stellig ook onder invloed van den Turkschen intocht in Oostenrijk, sloot te Kamerijk vrede met Karel V en verbrak dus zijne verbindingen met Suleïman. Deze vond voor de poorten van Weenen een hardnekkigen tegenstand: alle beschietingen waren vruchteloos, alle bestormingen werden afgeslagen door een klein garnizoen onder den graaf van Salm, dapper gesteund door de burgers Toen de winter begon te naderen, toen de Janitsaren ongeduldig begonnen te worden, besloot Suleïman het beleg op te breken (Oct. 1529); misschien is ook het vooruitzicht geheel West-Europa tegenover zich te zullen zien van invloed op dit besluit geweest. De oorlog werd nog gedurende vier jaar voortgezet zonder belangrijke krijgsverrichtingen. Op een tweeden tocht in Hongarije (1532) werden weinig resultaten behaald. In 1533 sloten Ferdinand en Suleïman voor het eerst een verdrag. Ferdinand behield het Westelijk deel van Hongarije, maar moest een jaarlijksche schatting betalen aan Turkije. Karel V, steeds volop beziggehouden in het Westen, legde zich hierbij neer.

Lang duurde echter de rust niet. De Turken trachtten in dezen tijd ook hunne macht te vestigen aan de Noordkust van Afrika, daardoor het Westelijk bekken van de Middellandsche zee aanhoudend bedreigende. Dit was vooral het werk van Chair-ed-Din, Barbarossa bijgenaamd. Hij behoorde tot een familie van zeeroovers, in dien tijd een welig tierend ras. Zijn broederhad Algiers veroverd en dit was na diens dood door Barbarossa zelf onder de souvereiniteit van den sultan geplaatst. Chair-ed-Din werd weldra opperbevelhebber der Turksche vloot en hij veroverde in 1534 Tunis. Hiertegen nu ondernam Karel V zijn eersten tocht naar de Noordkust van Afrika; Tunis werd door hem heroverd (1535). Daardoor werd de oorlog algemeen. Frans I slooteen offensieveen defensieve alliantie met Suleïman, die toen te Bagdad was, gewikkeld in een oorlog tegen Perzië. Deze alliantie is ook van beteekenis wegens de aan Frankrijk verleende voorrechten in het Turksche rijk; overal zouden de Franschen tegen een minimum invoerrecht handel mogen drijven; bovendien kregen zij de bescherming van de heilige plaatsen in Palestina. Dit zijn de zoogenoemde capitulatiën, dikwijls hernieuwd en op den duur een bron van moeilijkheden.

De oorlog, die in 1536 opnieuw begon, werd vooral ter zee gevoerd. Reeds sedert de dagen van Mohammed II hadden de Turken een vloot bezeten, waarmede achtereenvolgens verschillende eilanden in de Aegeïsche Zee genomen waren. Nu, onder Chair-ed-Din, werd die vloot geducht, werd ze meer dan bestand tegen de Venetiaansche, zelfs met een admiraal als Andreas Doria aan het hoofd. Venetië was verbonden met Karel V en het is vooral deze stad geweest, die verloor. Toen het in 1539 onder bemiddeling van Frankrijk vrede sloot met Suleïman, moest het weêr eenige plaatsen aan de Adriatische Zee en al de bezittingen, die het nog had in den Peloponesus en in de Aegeïsche Zee, op een paar na, afstaan. Frans I zelf had reeds eerder den oorlog gestaakt en den wapenstilstand van Nizza gesloten (1538): hij behandelde dus zijn bondgenoot niet al te nauwgezet. Deze toonde er niet den minsten wrok over. Toen in 1541 de wapenstilstand verbroken werd, kwam het tusschen de bondgenooten tot directe samenwerking. Een Fransch en een Turksch eskader vereenigden zich om verschillende steden van Savoye te veroveren, waarvan de hertog met Karel V verbonden was: onder meer hebben zij de stad Nizza in bezit genomen. Voor noodige herstellingen werden haven en stad van Toulon door den Franschen koning ter beschikking van de Turksche vloot gesteld.

Ondertusschen oorloogde men ook opnieuw in Hongarije. Zapolya was in 1539 gestorven. Zijne verhouding tot Ferdinand van Oostenrijk was goed geweest; Zapolya had aan Ferdinand de opvolging in zijn deel van Hongarije toegezegd. Daarvan was echter Suleïman niet gediend. In 1541 ondernam hij opnieuw een tocht naar Hongarije en nu bezette hij Boeda en Pest voor zichzelf: hij maakte er Turksche steden van en een groot deel van Hongarije werd een Turksche provincie. Zevenburgen en een klein deel van Hongarije, het banaat van Temesvar, kwamen aan Zapolya’s zoon Sigismund, toen nog minderjarig. Van het deel, dat Ferdinand had, werden enkele steden veroverd: Gran en Stuhlweissenburg (1543), Visegrad (1544). De algemeene oorlog eindigde in dit laatste jaar, zonderdat ergens groote resultaten waren behaald. Frans I, die behalve Turkije nog verschillende andere Europeesche machten tegen Karel V in beweging gebracht had, moest opnieuw het onderspit delven bij den vrede van Crépy. Drie jaar later sloot Suleïman een nieuw verdrag met het huis Habsburg, in hoofdzaak een bevestiging van het vroegere. Bovendien was nu ook Moldavië schatplichtig aan Turkije geworden (sedert 1546)8.

In de oorlogen van Karel V en diens opvolger Philips II met Hendrik II, den opvolger van Frans I, die steeds om dezelfde reden voortgezet werden, isSuleïmanweêr de bondgenoot van den Franschen koning. Maar groote veroveringen heeft hij niet meer kunnen maken. Tegen de wereldmacht der Habsburgers, die onder Karel V steeds versterkt was, kon hij op den duur niet op. Het kostte moeite het veroverde te behouden, want de Hongaren verdroegen niet dan zeer onwillig het Turksche gezag. Zevenburgen zelfs kwam ten gunste van Ferdinand in opstand. Die beweging werd bedwongen, het Turksche gezag overal in Hongarije hersteld, maar daarbij bleef het. Evenmin werkte het gezamenlijk optreden van de Turksche en Fransche vloten veel meer uit. Alleen nam de Turksche vloot onder Dragut, den broeder en opvolger van Chair-ed-Din, in 1551 Tripoli9. Nadat Hendrik II buiten Turkije om den wapenstilstand van Vaucelles sloot (1556), toonde Suleïman voor het eerst zijn ongenoegen aan Frankrijk. Beider samenwerking was minder hartelijk, toen Hendrik II weldra den oorlog tegen Philips II hervatte, die in 1559 met den vrede van Câteau-Cambrésis eindigde. Daarmede werd de goede verstandhouding tusschen den “zeer Christelijken” koning en het hoofd der Mohammedaansche wereld afgebroken. Frankrijk ging een halve eeuw van godsdienstoorlogen tegemoet; de strijd in het groot tegen het huis Habsburg rustte in dien tijd. Echter bleven de Franschen in het bezit hunner capitulatiën, waarmede ze een bevoorrechte plaats in den Oosterschen handel innamen tot in de zeventiende eeuw toe. Die handel was echter (het is misschien niet overbodig dit op te merken) niet meer van zulk een beteekenis voor de geheele wereld als vóór de ontdekking van den zeeweg naar Indië in het einde der vijftiende eeuw.

Suleïman zette na 1559 den oorlog voort, maar noch in Hongarije noch in de Middellandsche Zee met het vroegere animo. Met Ferdinand I, nu keizer, sloot hij in 1562 voor de derde maal een overeenkomst op de oude voorwaarden. Met KarelV als koning van Spanje had Suleïman nooit vrede gesloten. Evenmin deed hij dit met Philips II, die evenals zijn vader gold als de verdediger bij uitstek van het Katholicisme, de onverzoenlijke tegenstander van den Islam. De meest bekende gebeurtenis uit het laatste deel van dien oorlog is het beleg van Malta (1565), dat Suleïman aan de orde van St. Jan, gesteund door Spanje, wilde ontnemen. De poging mislukte en evenzoo was Suleïman’s laatste expeditie in Hongarije vruchteloos. De vrede hier was reeds na vier jaar om aanhoudende grensmoeilijkheden verbroken. Suleïman viel opnieuw in Hongarije, sloeg het beleg voor Sziget, dat dapper verdedigd werd door Zriny, bij wien Hongaarsch patriottisme den noodigen invloed oefende. Tijdens het beleg stierf Suleïman, een en zeventig jaar oud (1566).

Onder hem heeft het Turksche rijk het toppunt van zijne macht bereikt. Enkele kleinere veroveringen, die later genoemd zullen worden, zijn daarna nog gemaakt, maar vergeleken bij de vroegere komen ze haast niet in aanmerking. Vanwaar die stilstand, hier gelijkstaande met achteruitgang? Niet om de meerdere kracht der andere Europeesche staten alleen, want, ofschoon die werkelijk op den duur zich deed gelden, was er toch bij de vele onderlinge oorlogen, vooral in de zeventiende eeuw, gelegenheid genoeg geweest daarvan gebruik te maken. De achteruitgang hangt nauw samen met inwendige veranderingen in het Turksche rijk zelf en is daarom eerst voor den buitenstaander onzichtbaar. Die veranderingen dienen we in de eerste plaats kort na te gaan.

1Sedert heet die plaats Sirf-Sindughi, d.i. nederlaag der Serviërs.2In West-Europeesche talen verbasterd tot Tamerlan, van het Perzische Timoer-Lenk, d.i. de hinkende Timoer; hij hinkte vanwege een wonde, die hij in zijn jeugd door een pijl gekregen had.3De opsluiting in een ijzeren kooi en dergelijke verhalen zijn legenden.4Opkaart n°. 2, de uitbreiding van het Turksche rijk (1353–1671), is het verschil tusschen vóór en na 1402 duidelijk gemaakt.5De verschillende phasen van den strijd tusschen Turkije en Venetië zijn om het overzicht van het geheel niet te belemmeren opkaart no. 2niet aangegeven, voorzoover de kust van Dalmatië en Albanië betreft.6Het woord beteekent: slaven; het zijn menschen uit den Kaukasus afkomstig.7In hetzelfde jaar erkende de republiekRagusade souvereiniteit van den Turkschen sultan.8In dit jaar stierf het oude Moldavische vorstenhuis uit. Sedert dien deed zich de invloed van Turkije er op dezelfde wijze gelden als in Walachije: de boïaren kozen telkens een nieuwen vorst (hospodar), dien de sultan bevestigde. Schatplichtig was Moldavië reeds sedert 1513 en in 1538 had Suleïman in het kustgebied een Turksche provincie gesticht.9Tunis is in 1569 door de Turken op de Spanjaarden heroverd; het kasteel bij Tunis eerst in 1573.

1Sedert heet die plaats Sirf-Sindughi, d.i. nederlaag der Serviërs.

2In West-Europeesche talen verbasterd tot Tamerlan, van het Perzische Timoer-Lenk, d.i. de hinkende Timoer; hij hinkte vanwege een wonde, die hij in zijn jeugd door een pijl gekregen had.

3De opsluiting in een ijzeren kooi en dergelijke verhalen zijn legenden.

4Opkaart n°. 2, de uitbreiding van het Turksche rijk (1353–1671), is het verschil tusschen vóór en na 1402 duidelijk gemaakt.

5De verschillende phasen van den strijd tusschen Turkije en Venetië zijn om het overzicht van het geheel niet te belemmeren opkaart no. 2niet aangegeven, voorzoover de kust van Dalmatië en Albanië betreft.

6Het woord beteekent: slaven; het zijn menschen uit den Kaukasus afkomstig.

7In hetzelfde jaar erkende de republiekRagusade souvereiniteit van den Turkschen sultan.

8In dit jaar stierf het oude Moldavische vorstenhuis uit. Sedert dien deed zich de invloed van Turkije er op dezelfde wijze gelden als in Walachije: de boïaren kozen telkens een nieuwen vorst (hospodar), dien de sultan bevestigde. Schatplichtig was Moldavië reeds sedert 1513 en in 1538 had Suleïman in het kustgebied een Turksche provincie gesticht.

9Tunis is in 1569 door de Turken op de Spanjaarden heroverd; het kasteel bij Tunis eerst in 1573.


Back to IndexNext