Vijf en Twintigste Hoofdstuk.

Vijf en Twintigste Hoofdstuk.Al Forkan1.Geopenbaard teMekka.—77 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Gezegend zij hij die den Forkan aan zijn dienaar heeft geopenbaard, opdat deze een prediker voor alle schepselen zou zijn;2.Aan wien het koninkrijk des hemels en der aarde behoort; die geene nakomelingschap heeft geteeld, en geen deelgenoot in zijn koninkrijk heeft; die alle dingen heeft geschapen en daarover naar zijn bepaalden wil beschikt.3.Zij hebben buiten hem andere goden gekozen, die niets hebben geschapen, maar zelven geschapen zijn2.4.En die noch in staat zijn het kwaad van zich af te weren, noch zich het goede te verschaffen, en die noch over den dood, noch over het leven bevelen, noch de kracht bezitten, waardoor de dooden weder worden opgewekt.5.En de ongeloovigen zeggen: Deze Koran is niets anders dan eene door hem uitgedachte leugen, en anderen hebben hem daarin bijgestaan3; maar zij spraken eene onrechtvaardige zaak en eene leugen uit.6.Zij zeggen ook: Dit zijn fabelen der ouden, welke hij heeft doen nederschrijven, en zij worden hem des ochtends en des avonds voorgezegd.7.Zeg: Het is geopenbaard door hem, die de geheimen van hemel en aarde kent. Waarlijk, hij is barmhartig en genadig.8.En zij zeggen: Welk soort gezant is deze? Hij nuttigt voedsel en wandelt in de straten4.zooals wij doen. Tot hem een engel zal worden nedergezonden om met hem te prediken;9.Of tot hem een schat worde nedergezonden, of hij een tuin bezitte, van welks vruchten hij mag eten, zullen wij niet gelooven. De goddeloozen zeggen ook: Gij volgt slechts een betooverd man.10.Zie wat zij nopens u denken; maar zij zijn verdwaald, en zullen nimmer, eene juiste gelegenheid hebben, om het licht te vinden,11.Gezegend zij hij, die, wanneer het hem behaagt, eene betere belooning voor u zal bereiden, dan diegene waarvan zij spreken; namelijk tuinen, door welke rivieren stroomen, en hij zal u paleizen schenken.12.Maar zij verwerpen het geloof aan het uur des oordeels als eene leugen.13.En wij hebben voor hen, die het geloof aan dat uur verwerpen, een brandend vuur gereed gemaakt; als het hen van verre zal zien, zal het vreeselijk brullen en woeden.14.En als zij, te zamen gebonden, in een enge plaats daarvan zullen worden geworpen, zullen zij daar om den dood roepen,15.Maar men zal hun antwoorden: Roep heden niet om één dood, maar roep om verscheiden dooden.16.Zeg: Is dit beter, of een tuin van eeuwigen duur, die den vrome is beloofd? Deze zal hun als een belooning en een verblijf worden gegeven.17.Daarin zullen zij alles hebben wat hun behaagt, terwijl zij daarin eeuwig zullen verblijven. Dit is eene belofte, welke zij uit de handen van hunnen heer kunnen vorderen.18.Op een zekeren dag zal hij hen verzamelen, en alles wat zij naast God aanbidden, en hij zal tot de aangebedenen zeggen: Hebt gij deze mijne dienaren verleid, of dwaalden zij uit eigen beweging van den rechten weg af?19.Zij zullen antwoorden: God verhoede! Het was ons onmogelijk, andere beschermers buiten u te kiezen, maar gij veroorloofdet hun en hunnen vaderen overvloed te genieten, waardoor zij uwe vermaning vergaten, en verloren gingen.20.En God zal tot hunne aanbidders zeggen: Thans hebben deze u van leugen overtuigd in hetgeen gij zegt. Zij kunnen noch uwe straf afwenden, noch u eenige ondersteuning schenken.21.En dengenen van u die aan onrechtvaardigheid schuldig zal zijn zullen wij eene gestrenge pijniging doen ondergaan.22.Wij hebben geene gezanten, vóór u gezonden dan die, als de andere menschen, voedsel nuttigden en door de straten wandelden, en wij maakten sommigen uwer tot een middel ter beproeving voor anderen5. Wilt gij met geduld volharden, nu uw Heer uwe volharding gadeslaat.23.Zij die niet hopen ons bij de opstanding te ontmoeten, zeggen: Zoolang de engelen niet tot ons worden nedergezonden, of wij zelven onzen Heer niet zien, zullen wij niet gelooven. Waarlijk, zij gedragen zich overmoedigen hebben op vreeselijke wijze gezondigd.24.Op den dag waarop zij de engelen zullen zien komen6, zullen er geene blijde tijdingen voor de zondaren zijn, en zij zullen zeggen: Dit zij verre van ons verwijderd.25.Dan zullen wij komen tot de werken, welke zij gewrocht hebben, en wij zullen die tot stof maken, dat naar alle zijden wordt heenverspreid.26.Op dien dag zullen zij, welke voor het paradijs zijn bestemd, gelukzalig in hun verblijf wezen, en des middags eene heerlijke rustplaats hebben7.27.Op dien dag zal de hemel door de wolken gekliefd en de engelen zullen nedergezonden worden en zichtbaar nederdalen8;28.Op dien dag zal het ware koninkrijk geheel aan den Barmhartige toebehooren, en die dag zal moeielijk zijn voor de ongeloovige.29.Op dien dag zal de onrechtvaardige9uit angst en wanhoop, in zijne handen bijten, en zeggen: Ach! had ik slechts den weg der waarheid met den gezant gekozen.30.Wee over mij! Ach! had ik niet zulk een10tot mijn vriend gekozen.31.Hij lokte mij van Gods vermaning af, nadat die tot mij was gekomen; want de duivel is de verrader van den mensch.32.En de gezant zal zeggen: O Heer! mijn volk acht dezen Koran als een ijdel samenstelsel.33.Op dezelfde wijzehebben wij iederen profeet de zondaren tot vijanden gegeven. Maar uw Heer is een voldoend leider en verdediger.34.De ongeloovigen zeggen: Zoolang de Koran hem niet in zijn geheel en op eens worde nedergezonden11, zullen wij niet gelooven. Maar wij hebben dien op deze wijze geopenbaard, opdat wij daardoor uw hart zouden mogen bevestigen12, en wij hebben die allengs, bij onderscheiden gedeelten voorgezegd.35.Zij zullen nimmer met een vreemde vraag tot u komen, of wij zullen u de waarheid tot antwoord en eene uitmuntende uitlegging brengen.36.Zij die op hunne aangezichten in de hel zullen worden geworpen, zullen in den ellendigsten toestand verkeeren en het verst van den weg des heils verwijderd zijn.37.Wij gaven vroeger aanMozeshet boek der wet, en wij wezen hemAäron, zijn broeder, tot raadgever aan.38.En wij zeiden tot hen: Gaat tot het volk dat onze teekenen van valschheid beschuldigt. En wij verdelgen hem met eene volslagen vernietiging.39.En herdenk het volk vanNoach, toen zij onze gezanten van bedrog beschuldigden; wij verdronken hen en maakten hen tot een teeken onder de menschen. En wij hebben voor den onrechtvaardige een pijnlijke straf gereed gemaakt.40.Gedenk ookAdenThamoed, en zij die teal Rasswoonden13, en vele andere geslachten in dat tijdperk.41.Aan ieder hunner stelden wij voorbeelden ter zijner vermaning, en ieder hunner verdelgden wij door eene geheele vernietiging.42.De Koreïshieten zijn de stad dikwijls voorbij getrokken,waarop wij een vreeselijke regen hebben doen nedervallen14. Hebben zij niet gezien waar die eens stond? Maar zij hopen niet te worden opgewekt.43.Als zij u zien, zullen zij u slechts met spot ontvangen, zeggende: Is hij dat, dien God als zijn gezant heeft gezonden?44.Waarlijk, hij had ons bijna van de aanbidding van onze goden afgetrokken, indien wij niet gestreng waren blijven volharden in onze onderwerping aan hen. Maar als zij de straf zullen zien, welke voor hen is gereed gemaakt, zullen zij ’t hierna weten, wie meer van het rechte pad is afgedwaald.45.Wat denkt gij? Zult gij de beschermer wezen van hem, die zijn hartstocht tot zijn God heeft genomen15?46.Verbeeldt gij u dat het grootste gedeelte hunner hoort of begrijpt? Zij zijn slechts gelijk aan het redelooze vee, ja, zij dwalen meer van het ware pad af.47.Beschouwt gij de werken van uwen Heer niet, hoe hij de schaduw vóór het opgaan der zon uitdrijft? Indien het hem had behaagd, zou hij deze voor eeuwig onbewegelijk hebben gemaakt. Daarna doen wij de zon oprijzen en tot gids strekken.48.En daarna verminderen wij die gemakkelijk.49.Hij is het, die den nacht bevolen heeft, u als een kleed te dekken, en de slaap om u rust geven, en hij heeft den dag voor het waken ingesteld.50.Hijishet, die de winden zendt, door welke de waterwolken voortdrijven, als de voorboden zijner genade16; en wij zenden zuiver water17van den hemel neder.51.Opdat wij daardoor eene doode streek zouden doen herleven, en om daarmede te drenken hetgeen wij hebben geschapen, zoowel vee als menschen, in grootengetale18.52.En wij verdeelen het onder hen op verschillende tijden, opdat zij zouden mogen overdenken; maar het grootste deel der menschen weigert, alleen uit ondankbaarheid, te overwegen19.53.Indien het ons zou hebben behaagd, hadden wij een spreker naar iedere stad gezonden.54.Gehoorzaam dus den ongeloovigen niet, maar bied hun met dit boek een hevigen weerstand.55.Hij is het die de twee zeeën heeft vereenigd: deze zoet en verfrisschend, gene, zout en bitter, en hij heeft eene afscheiding tusschen haar geplaatst20, en eene grens die niet overschreden kan worden.56.Hij is het die den mensch van water heeft geschapen21en de banden des bloeds en der verwantschap tusschen hen heeft doen ontstaan; want uw Heer is machtig.57.Zij aanbidden naast God datgene wat hen deren noch bevoordeelen kan, en de ongeloovige is een medestander van de duivel tegen zijn Heer22.58.Wij hebben u slechts gezonden om een boodschapper van goede tijdingen te zijn en tot bedreiging.59.Zeg: ik vraag van u geene belooning voor deze mijne prediking, behalve de bekeering van hem, die begeeren zal, den weg van zijn Heer te kiezen23.60.En stel uw vertrouwen in hem die leeft en niet sterft, en verkondig zijn lof (hij is voldoende bekend met de zonden zijner dienaren). Die in zes dagen de hemelen en de aarde heeft geschapen en alles wat daartusschen is, en daarna zijn troon besteeg. De Barmhartige: vraag den wijze nopens hem.61.Als den ongeloovige wordt gezegd: Aanbidt den Genadige! hernemen zij: En wie is de Genadige24? Zullen wij aanbidden wat gij ons beveelt? En dit voorschrift doet hen het geloof nog meer ontvluchten.62.Gezegend zij hij die de twaalf teekenen in de hemelenheeft gesteld, en daarin des daags eene lamp25plaatste en de maan die des nachts schijnt.63.Hij is het die den nacht en dag bevolen heeft elkander op volgen, voor hem die overwegen wil, of zijne dankbaarheid verlangt te betoonen.64.De dienaren van den Barmhartige zijn zij, die zedig op de aarde wandelen, en die, als de onwetende tot hen spreekt, antwoorden: Vrede.65.En die de nacht doorbrengen in de aanbidding van hunnen Heer, opstaande om tot hem te bidden.66.En die zeggen: O Heer! leid ons van de pijniging der hel af; want de marteling daarvan duurt eeuwig. Waarlijk, het is een ellendig verblijf en eene slechte rustplaats.67.Die, wanneer zij giften doen, ruim noch karig zijn; maar den juisten middenweg daartusschen in acht nemen26.68.En die geen anderen god naast den waren God aanroepen, noch de ziel dooden welke God verboden heeft te dooden, behalve voor eene rechtvaardige zaak, of die zich niet aan ontucht schuldig maken. Maar hij die dit doet, zal de vergelding zijner zonde ontmoeten.69.Zijne straf zal op den dag der opstanding verdubbeld worden, en hij zal, met schande bedekt, die eeuwig verduren.70.Behalve zij die berouw betoonen en gelooven, en rechtvaardige werken doen zullen: voor hen zal God hunne vroegere zonden in goede werken veranderen27; want God is vergevingsgezind en barmhartig.71.En wie berouw betoont en doet wat rechtvaardig is, waarlijk, hij keert zich tot God met eene aannemelijke bekeering.72.En zij die geene valsche getuigenis afleggen, en welke, als zij bij een ijdel gesprek tegenwoordig zijn, dit op betamelijke wijze ontduiken,73.En die, als zij door de teekens van hunnen Heer worden vermaand, niet nedervallen alsof zij doof en blind waren, maar opstaan, en daaraan een aandachtig oor leenen.74.En die zeggen: O Heer! verleen ons, in onze vrouwen en in onze kinderen, dezulken, die de voldoening onzer oogen zijn, en maak ons tot toonbeelden onder hen die u vreezen.75.Deze zullen beloond worden met de hoogste afdeeling in het paradijs, opdat zij met standvastigheid hebben volhard, en zij zullen daar het heil en den vrede vinden.76.Eeuwig zullen zij daarin verblijven. Het zal een uitmuntend verblijf, en eene heerlijke rustplaats wezen.77.Zeg: God bekreunt zich niet om u, of gij hem al dan niet aanroept: gij hebt zijn gezant reeds van bedrog beschuldigd; maar hierna, zal u eene voortdurende straf worden opgelegd.1Al Forkan, of de onderscheiding, is een der namen van den Koran.2Zijnde de hemelsche lichamen, of de afgodsbeelden en de werken van des menschen handen.3ZieHoofdstuk XVI, vers 105.4Zijnde aan dezelfde natuurlijke behoeften en gebreken onderworpen. De bewoners vanMekkawaren metMahomet, zijne omstandigheden en levenswijze te goed bekend, om hunne oude vertrouwelijkheid in den eerbied te veranderen, dien zij aan den gezant van God schuldig waren; want geen profeet wordt in zijn land geëerd. Sommigen lezen hier: op de markt.5Door gelegenheid te geven tot afgunst, nijd en kwaadaardigheid: zooals, bij voorbeeld, de armen, geringen en zieken, als zij hunnen eigenen toestand vergelijken met dien van den rijke, edele en welvarende en door het volk aan hetwelke profeten waren gezonden, door die profeten te beproeven (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).6Zijnde bij hunnen dood of bij de opstanding.7Want op den dag der opstanding zullen de zaken op dat tijdstip zijn afgeloopen, en de gelukzaligen zullen hunnen middag in het paradijs en de verdoemden in de hel doorbrengen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).8Zijnde: Zij zullen vaneen scheiden en ruimte maken voor de wolken, die met de engelen zullen nederdalen, de boeken dragen, waarin de daden van ieder mensch zijn vermeld.9Door sommigen wordt verondersteld, dat deze woorden bijzonder betrekking hebben opOkba Ebn Abi Moait, die gewoon was veelal inMahometsgezelschap te zijn. Eens noodigde hij hem tot een bezoek uit: de profeet weigerde van zijn vleesch te proeven, tenzij hij den Islam omhelsde, hetgeen hij dientengevolge deed. Spoedig daarna ontmoetteOkbazijn vertrouwden vriendObba Ebn Khalf. Deze berispte hem, omdat hij van godsdienst was veranderd, dochOkbaverzekerde dat dit niet zoo was, maar dat hij alleen de belijdenis van het Islamismus had afgelegd omMahometer toe te brengen, met hem te eten, daar hij zich schaamde hem zonder eten uit zijn huis te laten gaan.Obbazeide echter dat hij niet voldaan zou wezen, zoo lang hijMahometniet had opgezocht, hem zijn voet op den nek gezet en hem in het gezicht gespuwd zou hebben, hetgeenOkba, om zijn vriend niet te verliezen, op de openbare vergaderplaats deed, waar hijMahometvond zitten. De profeet zeide hem daarop, dat hij hem het hoofd zou afsnijden, zoodra hij hem buitenMekkamocht ontmoeten. En hij hield zijn woord; want toenOkbalater in den veldslag vanBedrwerd gevangen genomen, werd zijn hoofd, opMahometsbevel, doorAliafgeslagen. WatObbabetreft, hij ontving eene wonde van des profeten eigen hand in den slag vanOpod, tengevolge waarvan hij bij zijn terugkeer teMekkaoverleed (Al Beidâwi. ZieGagnier,Vie de Moham.vol. I. p. 362).10Overeenkomstig de voorafgaande noot was ditObba Ebn Khalf.11Zooals, volgens de meening der Mahomedanen, de Pentateuchus, de psalmen en het Evangelie, terwijl het drieëntwintig jaren duurde alvorens de Koran in zijn geheel werd geopenbaard.12Zoowel om u moed en standvastigheid in te boezemen, als om uw geheugen en uw verstand te versterken. Want, zeggen de uitleggers, de profeet ontving van tijd tot tijd de goddelijke leidingen hoe hij zich gedragen en bij een of andere dringende gelegenheid spreken moest, waarbij de herhaalde bezoeken van den engelGabriëlhem grootelijks in al die moeielijkheden aanmoedigden en ondersteunden. Bovendien was de openbaring van den Koran bij gedeelten eene groote en voor hem een noodzakelijke hulp, om dien te begrijpen en te onthouden, hetgeen voor hem geheel onmogelijk ware geweest, het met eenige nauwkeurigheid te doen, indien die in eens ware geopenbaard. Zij voegen er bij, dat het geval vanMahometgeheel verschillend was van dat vanMozes,DavidenJezus, die allen lezen en schrijven konden, terwijl hij geheel ongeletterd, was (Al Beidâwi, enz.)13De uitleggers zijn er mede verlegen, waar zijal Rasszullen plaatsen. Volgens een hunner was het de naam van eenen bron (hetgeen ook de beteekenis van het woord is) nabijMidian, waar sommige afgodendienaars hunne woningen hadden gevestigd en waarheen de profeetShoaibwerd gezonden, om voor hen te prediken; doch daar zij niet in hem geloofden, viel de bron in en zij en hunne huizen werden verzwolgen. Een ander veronderstelt, dat het eene stad inYamamawas, waar eenige overgeblevenen van de Thamoediten woonden, aan welken mede een profeet werd gezonden; doch zij dooddenhem en werden daarop geheel verdelgd. Een ander meent, dat het eene bron nabijAntiochiëwas, waarHabib al Najjar, wiens graf daar nog te zien is en dikwijls door de Mahomedanen wordt bezocht [ZieHoofdstuk XXXVI] werd gemarteld (ZieAbul’f,Geog. Vit. Saladinep. 86). Een vierde ziet inal Rasseene bron inHadramaut, in welker nabijheid eenige afgodendienende Thamoediten woonden, wier profeetHandhaofKhantala Ebn Safwanwas. Dit volk werd het eerst verontrust door zekere reusachtige vogelsAnkagenaamd, die in den berg boven hen waren genesteld en hunne kinderen wegvoerden, als zij een prooi begeerden; maar zij bekreunden zich zoo weinig over deze ramp, dat, toen de profeet een oordeel over die dieren afsmeekte, zij hem doodden, waarna zij allen verdelgd werden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).14Zijnde Sodom. De Koreïshieten trokken namelijk gedurende de reizen welke zij, voor handelszaken, naarSyriëdeden, dikwijls de plaats voorbij, waar die stad eens had gestaan.15Zijnde: Verwacht gij zulk een van afgoderij en ongeloof te zullen kunnen terughouden?16ZieHoofdstuk VII, vers 55.17Eigenlijkzuiverendwater, welke bijnaam waarschijnlijk betrekking heeft op de reinigende eigenschap dier vloeistof, welke van zulk uitgebreid gebruik is, zoowel in het godsdienstige als in het gewone leven.18Dat is aan de zulken, die in de dorre woestijnen leven, en verplicht zijn regenwater te drinken, hetgeen de bewoners van steden, en van plaatsen, welke van bronwater zijn voorzien, niet noodig hebben.19Of uit ongeloof. De oude Arabieren waren namelijk gewoon te denken, dat zij den regen niet aan God maar aan een invloed van sommige bijzondere sterren te danken hadden.20Om hen afzonderlijk te houden en te voorkomen dat zij zich met elkander vermengen. Het oorspronkelijke woord isparzakh, hetgeen reeds vroegerHoofdstuk XXIIInoot van vers 102 werd uitgelegd.21Waarmede de oorspronkelijke klei werd vermengd, of van zaad. (ZieHoofdstuk XXIV, vers 44.).22Door zich met hem, in zijne weerspannigheid, in zijn ongeloof te vereenigen. Sommigen meenen dat op deze plaats vooralAboe Jahlwordt bedoeld. De woorden kunnen ook aldus worden vertaald: De ongeloovige is verachtelijk voor de oogen van zijn Heer.23Trachtende hem te naderen, door den godsdienst te omhelzen, welke door mij, zijn profeet, wordt geleerd, hetgeen de beste belooning is, welke ik van u voor mijn arbeid verwacht (Al Beidâwi). Deze plaats kan echter nog anders worden opgevat, en wel aldus: DatMahometniemand iets zal geven dan aan hem, die vrijwillig en volgaarne zal bijdragen tot den vooruitgang van Gods waren eeredienst.24ZieHoofdstuk XVII, vers 110.25Zijnde de zon.26ZieHoofdstuk XVII, vers 28.27Hunne vroegere weerspannigheid uitwisschende, door hun berouw en hun geloof, en hunne gehoorzaamheid bevestigende en uitbreidende (Al Beidâwi).Zes en Twintigste Hoofdstuk.De Dichters1.Geopenbaard teMekka2.—228 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.T. S. M.3. Dit zijn de teekens van het duidelijke boek.2.Misschien bedroeft gij u doodelijk, omdat de bewoners vanMekkaniet geloovig willen worden.3.Indien het ons behaagde, zouden wij hun een overtuigend teeken uit den hemel kunnen nederzenden, waarvoor zij hunne nekken nederig zouden krommen.4.Maar er komt van den Barmhartige, geene nieuwe vermaning tot hen welke naar de omstandigheden dit vereischen, wordt geopenbaard, waarvan zij zich niet afwenden.5.En zij hebben deze van valschheid beschuldigd; maar er zal een boodschap tot hen komen, waarmede zij niet zullen spotten.6.Hebben zij de aarde niet beschouwd, en gezien hoe veel verschillende planten, van allerlei edele soorten wij daaraan doen ontspruiten?7.Waarlijk, hierin is een teeken; maar het grootste deel hunner zijn ongeloovigen.8.Waarlijk, uw Heer is de machtige, de barmhartige God.9.Herdenk, toen uw HeerMozesriep, zeggende: Ga tot het onrechtvaardige volk:10.Het volk vanPharao. Zullen zij mij niet vreezen?11.Mozesantwoordde: O Heer! waarlijk, ik vrees, dat zij mij van logen zullen beschuldigen.12.En dat mijne borst vernauwd worde en dat mijn tong niet gereed zij tot spreken4; wijsAärondus aan om mijn helper te wezen.13.Ook kunnen zij mij eene misdaad tegenwerpen5, en ik vrees dat zij mij zullen dooden.14.God zeide: Zij zullen u volstrekt niet dooden: gaat dus met uwe teekenen; want wij zullen met u zijn, en wij willen hooren wat er tusschen u en hen geschiedt.15.Gaat dus totPharaoen zeg: Waarlijk, wij zijn de gezant6van den Heer van alle schepselen.16.Zend de kinderen Israëls met ons weg.17.En toen zij hunne boodschap hadden overgebracht, antwoorddePharao: Hebben wij u niet onder ons opgevoed, toen gij nog een kind waart, en hebt gij niet gedurende verscheidene jaren van uw leven onder ons gewoond7?18.Gij hebt de daad bedreven, welke gij bedreven hebt; en gij zijt een ondankbare.19.Mozeshernam: Inderdaad, ik deed het, en ik was een van hen die dwaalden8.20.Daarom ontvluchtte ik u, dewijl ik u vreesde; maar mijn Heer heeft mij wijsheid geschonken en mij tot een zijner gezanten aangewezen.21.En is de gunst, welke gij mij hebt geschonken, dat gij de kinderenIsraëlstot slaven maaktet?22.Pharaozeide: En wie is dan de Heer van alle schepselen?23.Mozesantwoordde: de Heer van alle hemel en aarde en van alles wat daartusschen is; indien gij lieden van verstand zijt.24.Pharaozeide tot degenen, die in zijne nabijheid waren: Hoort gij niet?25.Mozeszeide: Uw Heer en de Heer uwer voorvaderen.26.Pharaozeide tot hen die tegenwoordig waren: Uw gezant, die tot u werd gezonden is zeker bezeten9.27.Mozeszeide: de Heer van het Oosten en van het Westen en van alles wat daartusschen is; indien gij lieden van verstand zijt.28.Pharaozeide tot hem: Waarlijk, indien gij een anderen God naast mij kiest10, zal ik u gelijk doen wezen aan hen die gevangen zijn11.29.Mozesantwoordde: Wat! niettegenstaande ik met een overtuigend wonder tot u kom?30.Pharaohernam: Toon het dan, indien gij de waarheid spreekt.31.En hij wierp zijn staf neder, en ziet deze werd eene zichtbare slang.32.En hij trok zijne hand uit zijne borst en, ziet, zij was wit voor de toeschouwers,33.Pharaozeide tot de vorsten, die in zijne nabijheid waren: Waarlijk, deze man is een behendige toovenaar.34.Hij trachtu door zijne tooverij het bezit van u land te ontrooven: wat denkt gij dus te doen?35.Zij antwoordden: Stel hem en zijn broeder door goede woorden voor eenigen tijd uit, en zend mannen in de steden, die verzamelen.36.En tot u brengen alle behendige toovenaren.37.Zoo werden de toovenaren op een bepaalden tijd, op een plechtigen dag bijeenvergaderd.38.En tot het volk werd gezegd: Zijt gij bijeenvergaderd?39.Ja, antwoordde het volk onder zich, en wij zullen de toovenaren volgen, indien zij de overwinning behalen.40.Toen de toovenaars gekomen waren, zeiden zij totPharao: zullen wij zekerlijk eene belooning ontvangen, indien wij de overwinning behalen?41.Hij antwoordde: Ja, en gij zult mijn persoon mogen naderen.42.Mozeszeide tot hen: Werpt neder wat gij neder te werpen hebt.43.Daarop wierpen zij hunne koorden en hunne staven neer, en zeiden: Waarlijk, door de macht vanPharaozullen wij de overwinnaars zijn.44.EnMozeswierp zijn staf neder, en ziet, de staf verzwolg wat zij valschelijk hadden uitgedacht.45.Daarop wierpen zich de toovenaars biddend neder46.En zeiden: Wij gelooven in den Heer van alle schepselen.47.De Heer vanMozesenAäron.48.Pharaozeide tot hen: Hebt gij in hem geloofd, voor ik u verlof heb gegeven? Waarlijk hij is uw hoofd, die u de tooverij heeft geleerd12; maar later zult gij zeker mijne kracht kennen.49.Ik zal uwe handen en uwe voeten aan de tegenovergestelde zijden afsnijden, en ik zal u allen doen kruisigen.50.Zij antwoorden: Dit zal geen nadeel voor ons zijn; want wij zullen tot onzen Heer terugkeeren.51.Wij hopen dat onze Heer ons onze zonden zal vergeven, ons die de eersten waren welke geoorloofd hebben13.52.En wij spraken door openbaring totMozes, zeggende: Trek voort met mijne dienaren, des nachts; want gij zult vervolgd worden.53.EnPharaozond beambten in de steden om strijdkrachten te verzamelen54.Zeggende: Waarlijk de Israëlieten maken slechts eene kleine hoop volk uit.55.En zij zijn verwoed op ons.56.Maar wij vormen eene welvoorziene menigte.57.Zoo deden wij hun hunne tuinen, hunne fonteinen,58.hunne schatten en heerlijke woningen verlaten.59.Zoo deden wij, en wij deden die den kinderen Israëls erven14.60.En zij vervolgden henbij het opgaan der zon.61.En toen de beide legers in elkanders gezicht waren gekomen, zeiden de makkers vanMozes: Wij zullen zekerlijk worden overwonnen.62.Mozesantwoordde: Volstrekt niet: want mijn Heer is met mij; hij zal mij zekerlijk leiden.63.En wij bevalenMozesdoor openbaring, zeggende: Sla de zee met uwen staf. En toen hij haar had geslagen werd zij in twaalf afdeelingen verdeeld; ieder deel, dat een pad was, scheen een groote berg.64.En wij lieten de anderen naderen.65.En wij bevrijddenMozesen allen die met hem waren.66.Daarna verdronken wij de anderen.67.Waarlijk daarin was een teeken; maar het grootste aantal hunner geloofden niet.68.Waarlijk, uw Heer is de machtige en de barmhartige.69.En herinner hun de geschiedenis vanAbraham.70.Toen hij tot zijnen vader en zijn volk zeide: Wat aanbidt gij?71.Zij antwoordden: Wij aanbidden afgoden, en wij dienen deze alle dagen met standvastigheid.72.Abrahamzeide: Hooren zij u als gij hen aanroept?73.Of bevoordeelen, noch deren zij u?74.Zij antwoordden: Neen; maar wij zagen dat onze vaderen hetzelfde deden.75.Hij zeide: Wat denkt gij: De goden die gij aanbidt.76.En welke door uwe voorvaderen werden aangebeden.77.Zijn mijne vijanden, behalve slechts de Heer van alle schepselen.78.Die mij heeft geschapen en mij op den rechten weg leidt.79.En die mij geeft te eten en te drinken;80.En die mij geneest als ik ziek ben;81.En die mij zal doen sterven en mij daarna tot het leven zal terugbrengen.82.En die, naar ik hoop, mij mijne zonden op den dag des oordeels zal vergeven.83.O Heer! verleen mij wijsheid en vereenig mij met de rechtvaardigen.84.En geef, dat nog de laatste nakomelingschap met eer van mij spreke15;85.En maak mij tot een erfgenaam van den tuin der heerlijkheid;86.En vergeef mijn vader die tot de afdwalenden heeft behoord16.87.En bedek mij niet met schande op den dag der opstanding;88.Op den dag, waarop noch rijkdommen, noch kinderen van eenig voordeel zullen kunnen zijn.89.Behalve voor hem, die met een oprecht hart tot God zal komen;90.Als het paradijs voor het gezicht der vromen gebracht zal worden.91.En de hel geheel zal verschijnen voor hen die gedwaald zullen hebben;92.En tot hen zal gezegd worden: Waar zijn uwe godheden,93.welke gij naast God dient? Zullen zij u van straf bevrijden, of zullen zij zich zelven bevrijden?94.En zij zullen in de hel geworpenworden; zoowel zij17, als diegenen, welke tot hunne aanbidding werden verleid,95.En het geheele heir vanEblis.96.De verleiden zullen daar met hunne valsche goden twisten, zeggende:97.Bij God, wij verkeerden in eene duidelijke dwaling.98.Toen wij u met den Heer van alle schepselen gelijk stelden.99.De zondaren alleen hebben ons verleid.100.Thans hebben wij geene tusschentreders.101.Noch eenigen vriend die voor ons zorgt.102.Indien het ons veroorloofd ware, nog slechts eenmaal in de wereld terug te keeren, zouden wij zekerlijk ware geloovigen worden.103.Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste gedeelte hunner gelooven niet.104.Uw Heer is de machtige, de barmhartige.105.Het volk vanNoachbeschuldigde Gods zendingen van bedrog.106.Toen hun broederNoachtot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?107.Waarlijk, ik ben een geloofbare boodschapper voor u.108.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.109.Ik vraag geene belooning van u voor mijne prediking tot u; ik verwacht mijne belooning slechts van den Heer van alle schepselen.110.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.111.Zij antwoorden: Zullen wij u gelooven, die alleen door de laagsten uit het volk gevolgd wordt?112.Noachzeide: Ik heb geene kennis van hetgeen zij deden18.113.Zij zijn mijn Heer alleen rekenschap verschuldigd; begreept gij dit slechts!114.Daarom zal ik de geloovigen niet verdrijven19.115.Ik ben slechts een openbaar prediker.116.Zij hernamen: Zekerlijk, oNoach! indien gij niet ophoudt op deze wijze te handelen zult gij gesteenigd worden.117.Hij zeide: O Heer! waarlijk, mijn volk houdt mij voor een leugenaar.118.Richt dus in het openbaar tusschen mij en hen, en bevrijd mij en de ware geloovigen, die met mij zijn,119.Daarom bevrijdden wij hem, en degenen, die met hem waren in de ark, met menschen en dieren gevuld.120.En daarom verdronken wijde overigen.121.Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.122.Uw Heer is de machtige, de barmhartige,123.De stam vanAdbeschuldigde Gods boodschapper van logen.124.Toen hun broederHudtot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?125.Waarlijk, ik ben een geloofbaar boodschapper tot u.126.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.127.[ik vraag van u geenerlei belooning voor mijne prediking tot u; ik verwacht mijne belooning slechts van den Heer van alle schepselen.128.Bouwt gij een scheidspaal op iedere hoog gelegen plaats, om u te vermaken20?129.En richt gij prachtige werken op,in de hoop die eeuwig te bezitten?130.En als gij uwe macht uitoefent, oefent gij die met onbarmhartigheid en gestrengheid uit21.131.Vreest God, door deze dingen te verlaten en gelooft mij]22.132.En vreest hem, die u datgene heeft geschonken, wat gij kent.133.Hij heeft u vee geschonken en kinderen;134.En tuinen en fonteinen.135.Waarlijk, ik vrees voor u de straf van een gestrengen dag.136.Zij antwoordden: Het is ons gelijk, of gij ons al dan niet vermaant.137.Wat gij ons predikt is slechts een verzinsel der ouden.138.Nimmer zullen wij gestraft worden voor hetgeen wij hebben gedaan.139.En zij beschuldigden hem van bedrog, en daarom verdelgden wij hen. Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.140.Uw Heer is de machtige, de barmhartige.141.De stam vanThamoedbeschuldigde Gods gezanten eveneens van leugen.142.Toen hun broederSalehtot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?143.Waarlijk, ik ben een geloovig boodschapper voor u.144.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.145.Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking tot u: ik verwacht mijne belooning van niemand anders dan van den Heer van alle schepselen.146.Zult gij altijd in het zekere bezit blijven van de dingen die hier zijn,147.Waaronder tuinen en fonteinen.148.En korenvelden en palmboomen, wier takken met bloemen zijn beladen?149.En wilt gij voortgaan, u woningen uit de bergen te houwen, terwijl gij u onbeschaamd gedraagt23?150.Vreest God en gehoorzaamt mij.151.En gehoorzaamt niet het bevel der zondaren.152.Die snood op aarde handelen, en die zich niet verbeteren.153.Zij antwoordden: Waarlijk, gij zijt bezeten.154.Gij zijt slechts een mensch gelijk wij; toon ons een teeken indien gij de waarheid spreekt.155.Salehzeide: Deze wijfjes-kameel zal u een teeken zijn, zij zal haar deel water hebben en gij zult beurtelings uw deel water hebben op een zekeren, voor u bepaalden dag24.156.En deer haar niet, opdat u de straf van een vreeselijken dag niet worde opgelegd.157.Maar zij doodden haar en berouwden hunne boosheid.158.Want de straf, waarmede zij bedreigd waren geworden, overviel hen. Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel van hen geloofde niet.159.Uw Heer is de machtige, de genadige.160.Het volk vanLotbeschuldigdeGods boodschappers eveneens van bedrog.161.Toen hun broederLottot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?162.Waarlijk, ik ben een geloofbaar boodschapper tot u.163.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.164.Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking: Ik verwacht mijne belooning van geen ander dan van den Heer van alle schepselen.165.Nadert gij de mannelijke wezens onder de menschen.166.en verlaat gij uwe vrouwen, die uw Heer voor u heeft geschapen. Waarlijk, gij zijt zondaren.167.Zij zeiden: Indien gij zoo voortgaat, oLot! zult gij zekerlijk uit onze stad worden verdreven.168.Hij zeide: Waarlijk, ik behoor tot hen, die uwe daden verfoeien.169.O Heer! bevrijd mij en mijn gezin van hetgeen zij bedrijven.170.Daarom bevrijdden wij hem en zijn geheel gezin.171.Behalve eene oude vrouw, zijnde zijne vrouw, die omkwam met hen die achtergebleven waren.172.Daarna verdelgden wij de overigen.173.En wij deden eene bui van steenen op hen nederregenen, en vreeselijk was de regenbui die op degenen nederviel, welke te vergeefs waren gewaarschuwd.174.Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.175.Uw Heer is de machtige, de genadige.176.Ook de bewoners van het woud25beschuldigden Gods gezanten van bedrog.177.ToenShoaibtot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?178.Waarlijk ik ben een geloovig boodschapper voor u.179.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.180.Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking; ik verwacht mijne belooning van niemand anders dan van den Heer van alle schepselen.181.Geeft juist gewicht en weest geene bedriegers.182.En weegt met een gelijke weegschaal.183.En vermindert niet wat den menschen toekomt; bedrijft geen geweld op aarde; en handelt niet slecht.184.En vreest hem die u en de vroegere geslachten heeft geschapen.185.Zij antwoordden: Waarlijk gij zijt bezeten.186.Gij zijt niets meer dan een mensch gelijk wij en waarlijk, wij houden u voor een leugenaar.187.Doe thans een deel van den hemel op ons nedervallen, indien gij de Waarheid spreekt.188.Shoaibzeide. Mijn Heer weet het beste wat gij doet.189.En zij beschuldigden hen van bedrog; daarom overviel hen de straf van den dag der schaduwgevende wolk26,en dit was de straf van den vreeselijken dag.190.Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.191.Uw Heer is de machtige, de barmhartige.192.Dit boek is zekerlijk eene openbaring van den Heer van alle schepselen.193.Welke de getrouwe geest27op uw hart heeft doen nederdalen.194.Opdat gij een prediker voor uw volk zoudt zijn,195.In de duidelijke Arabische taal.196.Waarvan de getuigenis door de schriften van vroegere tijden wordt geleverd.197.Was het geen teeken voor hen, dat de wijze mannen onder de kinderen Israëls die kenden?198.Hadden wij het aan een der vreemdelingen geopenbaard.199.En hij zou het hun hebben voorgelezen, dan zouden zij daaraan niet hebben willen gelooven.200.Zoo deden wij hardnekkig ongeloof in de harten der zondaren binnentreden.201.Zij zullen daarin niet gelooven, dan nadat zij eene pijnlijke straf hebben gezien.202.Deze zal plotseling over hen komen, en zij zullen deze niet voorzien.203.En zij zullen zeggen: zal ons uitstel worden verleend?204.Verlangen zij dus dat onze straf zal worden verhaast28?205.Wat denkt gij? Indien wij hun toestaan het voordeel van dit leven voor vele jaren te genieten.206.En datgene, waarmede zij bedreigd werden, later over hen komt.207.Wat zal het hen van voordeel zijn, wat zij hebben genoten?208.Wij hebben geene stad verwoest, dan nadat er vooraf gezanten waren heengezonden.209.Ten einde de bewoners daarvan te waarschuwen, ook behandelden wij hen niet onrechtvaardig.210.De duivelen daalden niet neder met den Koran, zooals de ongeloovigen voorgeven;211.Dat komt niet overeen met hun doel; ook zijn zij niet in staat zulk een boek voort te brengen.212.Want zij zijn er ver van verwijderd, het gesprek der engelen in den hemel te hooren29.213.Roep geen anderen god met den waren God aan, opdat gij niet tot een van hen wordet, die ter straffe zijn gedoemd.214.En vermaan uwe naaste betrekkingen30.215.En gedraag u met zachtmoedigheid omtrent de waregeloovigen die u volgen.216.En indien zij ongehoorzaam omtrent u zijn, zeg dan: Waarlijk ik ben zuiver van hetgeen gij doet.217.En vertrouw in den machtigsten, den barmhartigsten God.218.Die u ziet als gij opstaat,219.En uw gedrag onder hen die aanbidden31;220.Want hij ziet en hoort alles.221.Zal ik u verklaren op wie de duivelen nederdalen?222.Zij dalen neder op iederen leugenachtigen en zondigen persoon32.223.Zij leeren wat gehoord is geworden33, maar het grootste deel hunner zijn leugenaars.224.En zij die dwalen, volgen de stappen der dichters.225.Ziet gij niet dat zij, als van hunne zinnen beroofd, door iedere vallei wandelen34?226.En dat zijzeggen, wat zij niet doen35?227.Behalve zij die gelooven en goede werken doen en God dikwijls herdenken36.228.En die zich zelven verdedigen, nadat zij onrechtvaardig zijn behandeld geworden; terwijl zij die onrechtvaardig handelen, hierna zullen weten, welke handeling zij te wachten hebben.1Dit hoofdstuk draagt dezen naam, omdat aan het einde daarvan de Arabische dichters scherp worden gegispt.2Sommigen zonderen hiervan de laatste verzen uit, en zeggen dat die teMedinawerden geopenbaard.3Ta. Sin. Mim. ZieHoofdstuk II, vers 1, in de noot.4ZieHoofdstuk XX, vers 26, volg.5Namelijk dat hij een Egyptenaar had gedood (ZieHoofdstuk XXVIII, vers 14en 15).6Dit woord staat in het oorspronkelijke in het enkelvoudig, waarvoor de uitleggers verschillende redenen opgeven.7Men zegt datMozesdertig jaren onder de Egyptenaren woonde en zich vervolgens naarMidianbegaf, waar hij zes jaren bleef. Daarna keerde hij naarEgypteterug en besteedde dertig jaren in pogingen hen te bekeeren: na het verdrinken vanPharaozou hij nog vijftig jaren hebben geleefd (Al Beidâwi.).8Door den Egyptenaar zonder voordracht te dooden.9Het schijnt datPharaoveronderstelde datMozesslechts onbedachte antwoorden op zijne vraag had gegeven omtrent hetgeen hij wenschte nopens den persoon en den waren aard van God te kennen, wiens boodschapperMozesvoorgaf te zijn, terwijl hij slechts van zijn werken sprak. En aangezien dit antwoord den Koning zoo weinig voldeed, wordt hij door sommigen verondersteld een Dhariet te zijn geweest, of iemand die in de eeuwigheid van het voortbestaan der wereld gelooft (Al Beidâwi.).10Van deze en eene gelijksoortige uitdrukking in hetXXVIIIe Hoofdstuk (vers 38)wordt afgeleid, datPharaovan zijne onderdanen eischte, dat zij hem zouden aanbidden, als een hulde aan zijne oppermacht verbonden.11Al Beidâwizegt, dat dit eene vreeselijker bedreiging was dan indien hij zou gezegd hebben: Ik zal u gevangen nemen; daaruit toch moest hetMozesblijken, dat hij in gezelschap zou wezen metde boosdoeners, die door den tyran, volgens zijn gewoonte, in een diepe onderaardsche gevangenis werden geworpen, waar zij bleven tot zij stierven.12Maar hij heeft de diepste geheimen voor zich behouden. (Al Beidâwi).13ZieHoofdstuk VII, vers 117–23, enz.14Van hier wordt door sommigen verondersteld, dat de Israëlieten, na de vernietiging vanPharaoen zijne heerscharen naarEgypteterugkeerden, en van de rijkdommen van dat land bezit namen (Jallalo’ddin,Yahya.). Anderen zijn echter van oordeel, dat de bedoeling slechts deze is, dat God hun dezelfde bezittingen en woningen in eene andere plaats gaf, (Al Zamakshari. Zie voortsHoofdstuk VII, vers 133).15Letterlijk: Schenk mij eene taal van waarheid; dat is een hooge lof. InHoofdstuk XIX, vers 51wordt dezelfde uitdrukking gebruikt.16Door hem tot berouw te neigen en hem het ware geloof te doen ontvangen. Sommigen veronderstellen, datAbrahamdit gebed na den dood van zijn vader uitsprak, denkende dat hij misschien inwendig een waar geloovige kon zijn geweest, die echter zijne bekeering uit vrees voorNimrodverborg, en dat het hem verboden was vroeger voor hem te bidden (ZieHoofdstuk IX, vers 115enHoofdstuk XIV, vers 42).17ZieHoofdstuk XXI, vers 98.18Zijnde: Hetzij dat zij het geloof door mij gepredikt, uit de oprechtheid huns harten, hetzij met het oog op eenig wereldlijk voordeel hebben omhelsd.19ZieHoofdstuk XI, vers 29en 31.20Of om de voorbijgangers te bespotten, die zich naar de sterren richten, en geene behoefte aan dergelijke gebouwen hebben? (Al Beidâwi).21Zonder genade doodende en andere lichamelijke straffen opleggende, en veel meer tot de voldoening uwer drift, dan tot boete voor hen die daaraan worden onderworpen (Al Beidâwi).22De woorden hier tusschen [ ] geplaatst zijn in de vertolking vanSavaryweggelaten.23Of, zooals het oorspronkelijke woord mede kan worden vertaald: kunst en vindingrijkheid in uw werk toonende.24Dat is: zij waren gewoon het water beurtelings te gebruiken. De kameel dronk een dag, en de Thamoediten wachtten tot den anderen; want als die kameel dronk, waren de bronnen of beken voor dien dag geledigd (ZieHoofdstuk VII, vers 71).25ZieHoofdstuk XV, vers 78. DaarShoaibniet de broeder van die volken wordt genoemd, hetgeen de gelijkvormigheid van deze plaats met de vorige zou hebben bewaard, wordt door sommigen gemeend, dat zij geene Midianieten maar van een anderen stam waren. Wij zien echter dat de profeet hen van dezelfde misdaden beschuldigt als die vanMidian(ZieHoofdstuk VII vers 83, volg).Savaryvertaalt de woorden: “De bewoners van het woud” met “de bewoners vanAleika”.26God bezocht hen eerst gedurende zeven dagen met zulk eene ondragelijke hitte, dat al hunne wateren opdroogden: daarna bracht hij eene wolk over hen, onder welker schaduw zij toevlucht zochten,waarna zij allen door vuur en een brandenden wind werden verdelgd, die daaruit nederkwamen. (Al Beidâwi).27ZijndeGabriël, die met de goddelijke geheimen en openbaringen bekend is.28De ongeloovigen tarttenMahometaanhoudend, eene duidelijke en wonderbaarlijke verdelging over hen te brengen; zooals een regenbui van steenen, enz.29ZieHoofdstuk XV, vers 16en 17.30De uitleggers veronderstellen dat hetzelfde bevel eigenlijk reeds inhoofdstuk LXXIVis vervat, dat, wat den tijd betreft, aan dit voorafging. Men zegt datMahometop het ontvangen der voor ons liggende plaats, onmiddellijk den bergJafabeklom, en daarna verscheiden gezinnen, een voor een, bij zich riep. Toen zij allen verzameld waren, vroeg hij hun, of, indien hij hun vertelde dat de berg een kleineren berg zou voortbrengen, zij hem zouden gelooven, waarop zij bevestigend antwoordden. Daarop zeide hij: Waarlijk, ik ben tot ugezonden, om u voor eene ernstige kastijding te waarschuwen (Al Beidâwi).31Zijnde: Die u ziet, wanneer gij opstaat om te waken, en den nacht in godsdienstige verrichtingen doorbrengt, en die uwe angstige zorg gadeslaat, voor de juiste vervulling der plichten van de Moslems. Men zegt dat in den nacht, waarin het voorschrift van het waken werd afgeschaft,Mahometheimelijk van het eene huis naar het andere ging, om te zien hoe zijne volgelingen hunnen tijd doorbrachten, en dat hij hen zoo zeer met het lezen van den Koran en met het herhalen hunner gebeden bezig vond, dat hunne huizen, door het brommende geluid dat zij veroorzaakten, even zoo vele horsel- of paardenvliegennesten schenen te zijn (Al Beidâwi). Sommige uitleggers veronderstellen echter, dat door hetgedragvan den profeet, op deze plaats de verschillende houdingen worden bedoeld, welke hij gewoon was aan te nemen, terwijl hij aan het hoofd zijner volgelingen trad zooals: staan, buigen, nederknielen en zitten (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).32Na zich verdedigd te hebben tegen de beschuldiging, dat hij met de duivels in verband zou zijn, door de tegenstrijdigheid tusschen zijne leer en hunne plannen en hunne overmacht, een zooveel omvattend boek, als den Koran, samen te stellen, gaat de profeet over tot het aantoonen, dat de personen die het meest geneigd zijn tot het onderhouden van betrekkingen met deze booze geesten, leugenaars en lasteraars zijn; namelijk zijne vijanden en tegenstanders.33Zijnde: zij worden geleerd door de geheime ingeving van den duivel, en ontvangen hunne ijdele en onsamenhangende ingevingen als waarheid.34Ten allen tijde hebben de Arabieren hunne taal met veel zorg gekweekt, de poëzie bemind en de dichters geëerd. TeOkadh, had ieder jaar, buiten de wekelijksche kermissen eene jaarmarkt plaats, die eene maand duurde. Daar, te midden der handelszaken, kwamen de dichters van alle punten vanArabiëbij elkander. Zij zeiden hunne gedichten (Karidah) op, bezongen hunne daden en lotgevallen, en wedijverden in het behandelen van zulke onderwerpen. Dat was eene poëtisch tournooi, waarbij de talrijke toehoorders, zoowel stedelingen als Beduinen, de rechters waren. Aan den waardigste werd de belooning toegekend, zijne gedichten in den hooggeschatten tempel—den Caaba—in gulden letteren opgehangen te zien. Van daar worden de zeven gedichten, die voorMahometin zwang waren,modhahhabat(verguld) enmoallakat(opgehangen) genoemd. Vooral muntten de Arabieren der woestijn in de poëzie uit; onder de tenten bleef de taal immer zuiverder en correcter bewaard. Dikwijls legde eene Beduïnschemoeder eene pijnlijke straf op aan haar kind, dat zich aan eene fout tegen de taalkunde had schuldig gemaakt.Mahometwas aan de stoutheid zijner dichterlijke taal een groot deel van den bijval schuldig, waarmede zijn streven werd bekroond. Hij heeft zelfs zijne volgelingen aangeraden, de werken der Arabische dichters te raadplegen, en daarin de uitlegging der duistere uitdrukkingen of woorden van den Koran op te zoeken. Waaraan is het dan toe te schrijven, dat de profeet die befaamde jaarmarkt vanOkadhopgeheven, en het anathema over de dichters uitgesproken heeft? Ziehier de reden. De Arabieren der woestijn in het algemeen, en daaronder de dichters, hadden weinig neiging voor den nieuwen eeredienst: zij waren aan de genoegens van het nomadenleven gehecht en aan de moeielijkheden daarvan gewoon; zij waren onafhankelijk, onwillig een juk, welk dan ook, te dragen; dapper, edelmoedig, maar trotsch en wraakzuchtig, altijd een vijand nazettende, om eene beleediging te wreken; of op de hielen eener schoonheid van de woestijn; gestreng en wild alsSchanfara, de vermaken van het vroolijke leven beminnende alsAmrolkaïs; zorgeloos omtrent het toekomstige leven, twijfelaars en Epicuristen, en behoorden dus niet tot de eersten die den nieuwen profeet volgden. De dichters trachtten die gewoonten van het nomadenleven te bestendigen.Mahometzag in dat negatieve en vernietigende instinct een grooten hinderpaal voor de vestiging zijner zedelijke en godsdienstige leer, en hij veroordeelt hen daarom. Voegt men hierbij, dat de satirieke geest van eenige hunne pijlen op den nieuwen profeet had doen richten, dan zal men zich niet verwonderen over het oordeel dat hij over hen uitbrengt. Eenige geschiedschrijvers beschuldigenAmrolkaïs, satyren tegenMahomette hebben geschreven, welke laatste, op zijne beurt, een dichterLebid, een nieuwen bekeerling, zou opgedragen hebben, daarop te antwoorden. De heerde Slane, die de gedichten vanAmrolkaïsheeft uitgegeven, bestrijdt deze meening; datAmrolkaïsenLebidbetreft, is het echter niettemin waar, datMahometeenige gedienstige dichters te zijner beschikking had, en de verzen 227 en 228 zinspelen daarop. De dichters warenLebid Ebn Rabia,Abda’llah Ebn Rawaha,HassanEbn Thabeten de tweeCaabs. Eens zeide hij totCaab Ebn Malec: Bestrijd hen (de dichters) met uwe satyren; want ik bezweer het u bij hem die mijne ziel in zijne handen houdt, de satyren verwonden meer dan de pijlen.35Daar hunne werken zoo onverdacht zijn als de daden van een bezeten mensch. Het meerendeel der oude dichtstukken was namelijk vol ijdele voorstellingen, zooals fabelachtige verhalen en beschrijvingen, minnedichten, vleierijen, buitensporige aanprijzingen hunner beschermers, evenzeer als buitensporige verwijtingen aan hunne vijanden, uitdagingen tot slechte daden, ijdele snorkerijen, en dergelijken (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).36Deze uitzondering betreft de dichters in de voorlaatste noot opgenoemd, en welke den Islam omhelsden.

Vijf en Twintigste Hoofdstuk.Al Forkan1.Geopenbaard teMekka.—77 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Gezegend zij hij die den Forkan aan zijn dienaar heeft geopenbaard, opdat deze een prediker voor alle schepselen zou zijn;2.Aan wien het koninkrijk des hemels en der aarde behoort; die geene nakomelingschap heeft geteeld, en geen deelgenoot in zijn koninkrijk heeft; die alle dingen heeft geschapen en daarover naar zijn bepaalden wil beschikt.3.Zij hebben buiten hem andere goden gekozen, die niets hebben geschapen, maar zelven geschapen zijn2.4.En die noch in staat zijn het kwaad van zich af te weren, noch zich het goede te verschaffen, en die noch over den dood, noch over het leven bevelen, noch de kracht bezitten, waardoor de dooden weder worden opgewekt.5.En de ongeloovigen zeggen: Deze Koran is niets anders dan eene door hem uitgedachte leugen, en anderen hebben hem daarin bijgestaan3; maar zij spraken eene onrechtvaardige zaak en eene leugen uit.6.Zij zeggen ook: Dit zijn fabelen der ouden, welke hij heeft doen nederschrijven, en zij worden hem des ochtends en des avonds voorgezegd.7.Zeg: Het is geopenbaard door hem, die de geheimen van hemel en aarde kent. Waarlijk, hij is barmhartig en genadig.8.En zij zeggen: Welk soort gezant is deze? Hij nuttigt voedsel en wandelt in de straten4.zooals wij doen. Tot hem een engel zal worden nedergezonden om met hem te prediken;9.Of tot hem een schat worde nedergezonden, of hij een tuin bezitte, van welks vruchten hij mag eten, zullen wij niet gelooven. De goddeloozen zeggen ook: Gij volgt slechts een betooverd man.10.Zie wat zij nopens u denken; maar zij zijn verdwaald, en zullen nimmer, eene juiste gelegenheid hebben, om het licht te vinden,11.Gezegend zij hij, die, wanneer het hem behaagt, eene betere belooning voor u zal bereiden, dan diegene waarvan zij spreken; namelijk tuinen, door welke rivieren stroomen, en hij zal u paleizen schenken.12.Maar zij verwerpen het geloof aan het uur des oordeels als eene leugen.13.En wij hebben voor hen, die het geloof aan dat uur verwerpen, een brandend vuur gereed gemaakt; als het hen van verre zal zien, zal het vreeselijk brullen en woeden.14.En als zij, te zamen gebonden, in een enge plaats daarvan zullen worden geworpen, zullen zij daar om den dood roepen,15.Maar men zal hun antwoorden: Roep heden niet om één dood, maar roep om verscheiden dooden.16.Zeg: Is dit beter, of een tuin van eeuwigen duur, die den vrome is beloofd? Deze zal hun als een belooning en een verblijf worden gegeven.17.Daarin zullen zij alles hebben wat hun behaagt, terwijl zij daarin eeuwig zullen verblijven. Dit is eene belofte, welke zij uit de handen van hunnen heer kunnen vorderen.18.Op een zekeren dag zal hij hen verzamelen, en alles wat zij naast God aanbidden, en hij zal tot de aangebedenen zeggen: Hebt gij deze mijne dienaren verleid, of dwaalden zij uit eigen beweging van den rechten weg af?19.Zij zullen antwoorden: God verhoede! Het was ons onmogelijk, andere beschermers buiten u te kiezen, maar gij veroorloofdet hun en hunnen vaderen overvloed te genieten, waardoor zij uwe vermaning vergaten, en verloren gingen.20.En God zal tot hunne aanbidders zeggen: Thans hebben deze u van leugen overtuigd in hetgeen gij zegt. Zij kunnen noch uwe straf afwenden, noch u eenige ondersteuning schenken.21.En dengenen van u die aan onrechtvaardigheid schuldig zal zijn zullen wij eene gestrenge pijniging doen ondergaan.22.Wij hebben geene gezanten, vóór u gezonden dan die, als de andere menschen, voedsel nuttigden en door de straten wandelden, en wij maakten sommigen uwer tot een middel ter beproeving voor anderen5. Wilt gij met geduld volharden, nu uw Heer uwe volharding gadeslaat.23.Zij die niet hopen ons bij de opstanding te ontmoeten, zeggen: Zoolang de engelen niet tot ons worden nedergezonden, of wij zelven onzen Heer niet zien, zullen wij niet gelooven. Waarlijk, zij gedragen zich overmoedigen hebben op vreeselijke wijze gezondigd.24.Op den dag waarop zij de engelen zullen zien komen6, zullen er geene blijde tijdingen voor de zondaren zijn, en zij zullen zeggen: Dit zij verre van ons verwijderd.25.Dan zullen wij komen tot de werken, welke zij gewrocht hebben, en wij zullen die tot stof maken, dat naar alle zijden wordt heenverspreid.26.Op dien dag zullen zij, welke voor het paradijs zijn bestemd, gelukzalig in hun verblijf wezen, en des middags eene heerlijke rustplaats hebben7.27.Op dien dag zal de hemel door de wolken gekliefd en de engelen zullen nedergezonden worden en zichtbaar nederdalen8;28.Op dien dag zal het ware koninkrijk geheel aan den Barmhartige toebehooren, en die dag zal moeielijk zijn voor de ongeloovige.29.Op dien dag zal de onrechtvaardige9uit angst en wanhoop, in zijne handen bijten, en zeggen: Ach! had ik slechts den weg der waarheid met den gezant gekozen.30.Wee over mij! Ach! had ik niet zulk een10tot mijn vriend gekozen.31.Hij lokte mij van Gods vermaning af, nadat die tot mij was gekomen; want de duivel is de verrader van den mensch.32.En de gezant zal zeggen: O Heer! mijn volk acht dezen Koran als een ijdel samenstelsel.33.Op dezelfde wijzehebben wij iederen profeet de zondaren tot vijanden gegeven. Maar uw Heer is een voldoend leider en verdediger.34.De ongeloovigen zeggen: Zoolang de Koran hem niet in zijn geheel en op eens worde nedergezonden11, zullen wij niet gelooven. Maar wij hebben dien op deze wijze geopenbaard, opdat wij daardoor uw hart zouden mogen bevestigen12, en wij hebben die allengs, bij onderscheiden gedeelten voorgezegd.35.Zij zullen nimmer met een vreemde vraag tot u komen, of wij zullen u de waarheid tot antwoord en eene uitmuntende uitlegging brengen.36.Zij die op hunne aangezichten in de hel zullen worden geworpen, zullen in den ellendigsten toestand verkeeren en het verst van den weg des heils verwijderd zijn.37.Wij gaven vroeger aanMozeshet boek der wet, en wij wezen hemAäron, zijn broeder, tot raadgever aan.38.En wij zeiden tot hen: Gaat tot het volk dat onze teekenen van valschheid beschuldigt. En wij verdelgen hem met eene volslagen vernietiging.39.En herdenk het volk vanNoach, toen zij onze gezanten van bedrog beschuldigden; wij verdronken hen en maakten hen tot een teeken onder de menschen. En wij hebben voor den onrechtvaardige een pijnlijke straf gereed gemaakt.40.Gedenk ookAdenThamoed, en zij die teal Rasswoonden13, en vele andere geslachten in dat tijdperk.41.Aan ieder hunner stelden wij voorbeelden ter zijner vermaning, en ieder hunner verdelgden wij door eene geheele vernietiging.42.De Koreïshieten zijn de stad dikwijls voorbij getrokken,waarop wij een vreeselijke regen hebben doen nedervallen14. Hebben zij niet gezien waar die eens stond? Maar zij hopen niet te worden opgewekt.43.Als zij u zien, zullen zij u slechts met spot ontvangen, zeggende: Is hij dat, dien God als zijn gezant heeft gezonden?44.Waarlijk, hij had ons bijna van de aanbidding van onze goden afgetrokken, indien wij niet gestreng waren blijven volharden in onze onderwerping aan hen. Maar als zij de straf zullen zien, welke voor hen is gereed gemaakt, zullen zij ’t hierna weten, wie meer van het rechte pad is afgedwaald.45.Wat denkt gij? Zult gij de beschermer wezen van hem, die zijn hartstocht tot zijn God heeft genomen15?46.Verbeeldt gij u dat het grootste gedeelte hunner hoort of begrijpt? Zij zijn slechts gelijk aan het redelooze vee, ja, zij dwalen meer van het ware pad af.47.Beschouwt gij de werken van uwen Heer niet, hoe hij de schaduw vóór het opgaan der zon uitdrijft? Indien het hem had behaagd, zou hij deze voor eeuwig onbewegelijk hebben gemaakt. Daarna doen wij de zon oprijzen en tot gids strekken.48.En daarna verminderen wij die gemakkelijk.49.Hij is het, die den nacht bevolen heeft, u als een kleed te dekken, en de slaap om u rust geven, en hij heeft den dag voor het waken ingesteld.50.Hijishet, die de winden zendt, door welke de waterwolken voortdrijven, als de voorboden zijner genade16; en wij zenden zuiver water17van den hemel neder.51.Opdat wij daardoor eene doode streek zouden doen herleven, en om daarmede te drenken hetgeen wij hebben geschapen, zoowel vee als menschen, in grootengetale18.52.En wij verdeelen het onder hen op verschillende tijden, opdat zij zouden mogen overdenken; maar het grootste deel der menschen weigert, alleen uit ondankbaarheid, te overwegen19.53.Indien het ons zou hebben behaagd, hadden wij een spreker naar iedere stad gezonden.54.Gehoorzaam dus den ongeloovigen niet, maar bied hun met dit boek een hevigen weerstand.55.Hij is het die de twee zeeën heeft vereenigd: deze zoet en verfrisschend, gene, zout en bitter, en hij heeft eene afscheiding tusschen haar geplaatst20, en eene grens die niet overschreden kan worden.56.Hij is het die den mensch van water heeft geschapen21en de banden des bloeds en der verwantschap tusschen hen heeft doen ontstaan; want uw Heer is machtig.57.Zij aanbidden naast God datgene wat hen deren noch bevoordeelen kan, en de ongeloovige is een medestander van de duivel tegen zijn Heer22.58.Wij hebben u slechts gezonden om een boodschapper van goede tijdingen te zijn en tot bedreiging.59.Zeg: ik vraag van u geene belooning voor deze mijne prediking, behalve de bekeering van hem, die begeeren zal, den weg van zijn Heer te kiezen23.60.En stel uw vertrouwen in hem die leeft en niet sterft, en verkondig zijn lof (hij is voldoende bekend met de zonden zijner dienaren). Die in zes dagen de hemelen en de aarde heeft geschapen en alles wat daartusschen is, en daarna zijn troon besteeg. De Barmhartige: vraag den wijze nopens hem.61.Als den ongeloovige wordt gezegd: Aanbidt den Genadige! hernemen zij: En wie is de Genadige24? Zullen wij aanbidden wat gij ons beveelt? En dit voorschrift doet hen het geloof nog meer ontvluchten.62.Gezegend zij hij die de twaalf teekenen in de hemelenheeft gesteld, en daarin des daags eene lamp25plaatste en de maan die des nachts schijnt.63.Hij is het die den nacht en dag bevolen heeft elkander op volgen, voor hem die overwegen wil, of zijne dankbaarheid verlangt te betoonen.64.De dienaren van den Barmhartige zijn zij, die zedig op de aarde wandelen, en die, als de onwetende tot hen spreekt, antwoorden: Vrede.65.En die de nacht doorbrengen in de aanbidding van hunnen Heer, opstaande om tot hem te bidden.66.En die zeggen: O Heer! leid ons van de pijniging der hel af; want de marteling daarvan duurt eeuwig. Waarlijk, het is een ellendig verblijf en eene slechte rustplaats.67.Die, wanneer zij giften doen, ruim noch karig zijn; maar den juisten middenweg daartusschen in acht nemen26.68.En die geen anderen god naast den waren God aanroepen, noch de ziel dooden welke God verboden heeft te dooden, behalve voor eene rechtvaardige zaak, of die zich niet aan ontucht schuldig maken. Maar hij die dit doet, zal de vergelding zijner zonde ontmoeten.69.Zijne straf zal op den dag der opstanding verdubbeld worden, en hij zal, met schande bedekt, die eeuwig verduren.70.Behalve zij die berouw betoonen en gelooven, en rechtvaardige werken doen zullen: voor hen zal God hunne vroegere zonden in goede werken veranderen27; want God is vergevingsgezind en barmhartig.71.En wie berouw betoont en doet wat rechtvaardig is, waarlijk, hij keert zich tot God met eene aannemelijke bekeering.72.En zij die geene valsche getuigenis afleggen, en welke, als zij bij een ijdel gesprek tegenwoordig zijn, dit op betamelijke wijze ontduiken,73.En die, als zij door de teekens van hunnen Heer worden vermaand, niet nedervallen alsof zij doof en blind waren, maar opstaan, en daaraan een aandachtig oor leenen.74.En die zeggen: O Heer! verleen ons, in onze vrouwen en in onze kinderen, dezulken, die de voldoening onzer oogen zijn, en maak ons tot toonbeelden onder hen die u vreezen.75.Deze zullen beloond worden met de hoogste afdeeling in het paradijs, opdat zij met standvastigheid hebben volhard, en zij zullen daar het heil en den vrede vinden.76.Eeuwig zullen zij daarin verblijven. Het zal een uitmuntend verblijf, en eene heerlijke rustplaats wezen.77.Zeg: God bekreunt zich niet om u, of gij hem al dan niet aanroept: gij hebt zijn gezant reeds van bedrog beschuldigd; maar hierna, zal u eene voortdurende straf worden opgelegd.1Al Forkan, of de onderscheiding, is een der namen van den Koran.2Zijnde de hemelsche lichamen, of de afgodsbeelden en de werken van des menschen handen.3ZieHoofdstuk XVI, vers 105.4Zijnde aan dezelfde natuurlijke behoeften en gebreken onderworpen. De bewoners vanMekkawaren metMahomet, zijne omstandigheden en levenswijze te goed bekend, om hunne oude vertrouwelijkheid in den eerbied te veranderen, dien zij aan den gezant van God schuldig waren; want geen profeet wordt in zijn land geëerd. Sommigen lezen hier: op de markt.5Door gelegenheid te geven tot afgunst, nijd en kwaadaardigheid: zooals, bij voorbeeld, de armen, geringen en zieken, als zij hunnen eigenen toestand vergelijken met dien van den rijke, edele en welvarende en door het volk aan hetwelke profeten waren gezonden, door die profeten te beproeven (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).6Zijnde bij hunnen dood of bij de opstanding.7Want op den dag der opstanding zullen de zaken op dat tijdstip zijn afgeloopen, en de gelukzaligen zullen hunnen middag in het paradijs en de verdoemden in de hel doorbrengen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).8Zijnde: Zij zullen vaneen scheiden en ruimte maken voor de wolken, die met de engelen zullen nederdalen, de boeken dragen, waarin de daden van ieder mensch zijn vermeld.9Door sommigen wordt verondersteld, dat deze woorden bijzonder betrekking hebben opOkba Ebn Abi Moait, die gewoon was veelal inMahometsgezelschap te zijn. Eens noodigde hij hem tot een bezoek uit: de profeet weigerde van zijn vleesch te proeven, tenzij hij den Islam omhelsde, hetgeen hij dientengevolge deed. Spoedig daarna ontmoetteOkbazijn vertrouwden vriendObba Ebn Khalf. Deze berispte hem, omdat hij van godsdienst was veranderd, dochOkbaverzekerde dat dit niet zoo was, maar dat hij alleen de belijdenis van het Islamismus had afgelegd omMahometer toe te brengen, met hem te eten, daar hij zich schaamde hem zonder eten uit zijn huis te laten gaan.Obbazeide echter dat hij niet voldaan zou wezen, zoo lang hijMahometniet had opgezocht, hem zijn voet op den nek gezet en hem in het gezicht gespuwd zou hebben, hetgeenOkba, om zijn vriend niet te verliezen, op de openbare vergaderplaats deed, waar hijMahometvond zitten. De profeet zeide hem daarop, dat hij hem het hoofd zou afsnijden, zoodra hij hem buitenMekkamocht ontmoeten. En hij hield zijn woord; want toenOkbalater in den veldslag vanBedrwerd gevangen genomen, werd zijn hoofd, opMahometsbevel, doorAliafgeslagen. WatObbabetreft, hij ontving eene wonde van des profeten eigen hand in den slag vanOpod, tengevolge waarvan hij bij zijn terugkeer teMekkaoverleed (Al Beidâwi. ZieGagnier,Vie de Moham.vol. I. p. 362).10Overeenkomstig de voorafgaande noot was ditObba Ebn Khalf.11Zooals, volgens de meening der Mahomedanen, de Pentateuchus, de psalmen en het Evangelie, terwijl het drieëntwintig jaren duurde alvorens de Koran in zijn geheel werd geopenbaard.12Zoowel om u moed en standvastigheid in te boezemen, als om uw geheugen en uw verstand te versterken. Want, zeggen de uitleggers, de profeet ontving van tijd tot tijd de goddelijke leidingen hoe hij zich gedragen en bij een of andere dringende gelegenheid spreken moest, waarbij de herhaalde bezoeken van den engelGabriëlhem grootelijks in al die moeielijkheden aanmoedigden en ondersteunden. Bovendien was de openbaring van den Koran bij gedeelten eene groote en voor hem een noodzakelijke hulp, om dien te begrijpen en te onthouden, hetgeen voor hem geheel onmogelijk ware geweest, het met eenige nauwkeurigheid te doen, indien die in eens ware geopenbaard. Zij voegen er bij, dat het geval vanMahometgeheel verschillend was van dat vanMozes,DavidenJezus, die allen lezen en schrijven konden, terwijl hij geheel ongeletterd, was (Al Beidâwi, enz.)13De uitleggers zijn er mede verlegen, waar zijal Rasszullen plaatsen. Volgens een hunner was het de naam van eenen bron (hetgeen ook de beteekenis van het woord is) nabijMidian, waar sommige afgodendienaars hunne woningen hadden gevestigd en waarheen de profeetShoaibwerd gezonden, om voor hen te prediken; doch daar zij niet in hem geloofden, viel de bron in en zij en hunne huizen werden verzwolgen. Een ander veronderstelt, dat het eene stad inYamamawas, waar eenige overgeblevenen van de Thamoediten woonden, aan welken mede een profeet werd gezonden; doch zij dooddenhem en werden daarop geheel verdelgd. Een ander meent, dat het eene bron nabijAntiochiëwas, waarHabib al Najjar, wiens graf daar nog te zien is en dikwijls door de Mahomedanen wordt bezocht [ZieHoofdstuk XXXVI] werd gemarteld (ZieAbul’f,Geog. Vit. Saladinep. 86). Een vierde ziet inal Rasseene bron inHadramaut, in welker nabijheid eenige afgodendienende Thamoediten woonden, wier profeetHandhaofKhantala Ebn Safwanwas. Dit volk werd het eerst verontrust door zekere reusachtige vogelsAnkagenaamd, die in den berg boven hen waren genesteld en hunne kinderen wegvoerden, als zij een prooi begeerden; maar zij bekreunden zich zoo weinig over deze ramp, dat, toen de profeet een oordeel over die dieren afsmeekte, zij hem doodden, waarna zij allen verdelgd werden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).14Zijnde Sodom. De Koreïshieten trokken namelijk gedurende de reizen welke zij, voor handelszaken, naarSyriëdeden, dikwijls de plaats voorbij, waar die stad eens had gestaan.15Zijnde: Verwacht gij zulk een van afgoderij en ongeloof te zullen kunnen terughouden?16ZieHoofdstuk VII, vers 55.17Eigenlijkzuiverendwater, welke bijnaam waarschijnlijk betrekking heeft op de reinigende eigenschap dier vloeistof, welke van zulk uitgebreid gebruik is, zoowel in het godsdienstige als in het gewone leven.18Dat is aan de zulken, die in de dorre woestijnen leven, en verplicht zijn regenwater te drinken, hetgeen de bewoners van steden, en van plaatsen, welke van bronwater zijn voorzien, niet noodig hebben.19Of uit ongeloof. De oude Arabieren waren namelijk gewoon te denken, dat zij den regen niet aan God maar aan een invloed van sommige bijzondere sterren te danken hadden.20Om hen afzonderlijk te houden en te voorkomen dat zij zich met elkander vermengen. Het oorspronkelijke woord isparzakh, hetgeen reeds vroegerHoofdstuk XXIIInoot van vers 102 werd uitgelegd.21Waarmede de oorspronkelijke klei werd vermengd, of van zaad. (ZieHoofdstuk XXIV, vers 44.).22Door zich met hem, in zijne weerspannigheid, in zijn ongeloof te vereenigen. Sommigen meenen dat op deze plaats vooralAboe Jahlwordt bedoeld. De woorden kunnen ook aldus worden vertaald: De ongeloovige is verachtelijk voor de oogen van zijn Heer.23Trachtende hem te naderen, door den godsdienst te omhelzen, welke door mij, zijn profeet, wordt geleerd, hetgeen de beste belooning is, welke ik van u voor mijn arbeid verwacht (Al Beidâwi). Deze plaats kan echter nog anders worden opgevat, en wel aldus: DatMahometniemand iets zal geven dan aan hem, die vrijwillig en volgaarne zal bijdragen tot den vooruitgang van Gods waren eeredienst.24ZieHoofdstuk XVII, vers 110.25Zijnde de zon.26ZieHoofdstuk XVII, vers 28.27Hunne vroegere weerspannigheid uitwisschende, door hun berouw en hun geloof, en hunne gehoorzaamheid bevestigende en uitbreidende (Al Beidâwi).Zes en Twintigste Hoofdstuk.De Dichters1.Geopenbaard teMekka2.—228 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.T. S. M.3. Dit zijn de teekens van het duidelijke boek.2.Misschien bedroeft gij u doodelijk, omdat de bewoners vanMekkaniet geloovig willen worden.3.Indien het ons behaagde, zouden wij hun een overtuigend teeken uit den hemel kunnen nederzenden, waarvoor zij hunne nekken nederig zouden krommen.4.Maar er komt van den Barmhartige, geene nieuwe vermaning tot hen welke naar de omstandigheden dit vereischen, wordt geopenbaard, waarvan zij zich niet afwenden.5.En zij hebben deze van valschheid beschuldigd; maar er zal een boodschap tot hen komen, waarmede zij niet zullen spotten.6.Hebben zij de aarde niet beschouwd, en gezien hoe veel verschillende planten, van allerlei edele soorten wij daaraan doen ontspruiten?7.Waarlijk, hierin is een teeken; maar het grootste deel hunner zijn ongeloovigen.8.Waarlijk, uw Heer is de machtige, de barmhartige God.9.Herdenk, toen uw HeerMozesriep, zeggende: Ga tot het onrechtvaardige volk:10.Het volk vanPharao. Zullen zij mij niet vreezen?11.Mozesantwoordde: O Heer! waarlijk, ik vrees, dat zij mij van logen zullen beschuldigen.12.En dat mijne borst vernauwd worde en dat mijn tong niet gereed zij tot spreken4; wijsAärondus aan om mijn helper te wezen.13.Ook kunnen zij mij eene misdaad tegenwerpen5, en ik vrees dat zij mij zullen dooden.14.God zeide: Zij zullen u volstrekt niet dooden: gaat dus met uwe teekenen; want wij zullen met u zijn, en wij willen hooren wat er tusschen u en hen geschiedt.15.Gaat dus totPharaoen zeg: Waarlijk, wij zijn de gezant6van den Heer van alle schepselen.16.Zend de kinderen Israëls met ons weg.17.En toen zij hunne boodschap hadden overgebracht, antwoorddePharao: Hebben wij u niet onder ons opgevoed, toen gij nog een kind waart, en hebt gij niet gedurende verscheidene jaren van uw leven onder ons gewoond7?18.Gij hebt de daad bedreven, welke gij bedreven hebt; en gij zijt een ondankbare.19.Mozeshernam: Inderdaad, ik deed het, en ik was een van hen die dwaalden8.20.Daarom ontvluchtte ik u, dewijl ik u vreesde; maar mijn Heer heeft mij wijsheid geschonken en mij tot een zijner gezanten aangewezen.21.En is de gunst, welke gij mij hebt geschonken, dat gij de kinderenIsraëlstot slaven maaktet?22.Pharaozeide: En wie is dan de Heer van alle schepselen?23.Mozesantwoordde: de Heer van alle hemel en aarde en van alles wat daartusschen is; indien gij lieden van verstand zijt.24.Pharaozeide tot degenen, die in zijne nabijheid waren: Hoort gij niet?25.Mozeszeide: Uw Heer en de Heer uwer voorvaderen.26.Pharaozeide tot hen die tegenwoordig waren: Uw gezant, die tot u werd gezonden is zeker bezeten9.27.Mozeszeide: de Heer van het Oosten en van het Westen en van alles wat daartusschen is; indien gij lieden van verstand zijt.28.Pharaozeide tot hem: Waarlijk, indien gij een anderen God naast mij kiest10, zal ik u gelijk doen wezen aan hen die gevangen zijn11.29.Mozesantwoordde: Wat! niettegenstaande ik met een overtuigend wonder tot u kom?30.Pharaohernam: Toon het dan, indien gij de waarheid spreekt.31.En hij wierp zijn staf neder, en ziet deze werd eene zichtbare slang.32.En hij trok zijne hand uit zijne borst en, ziet, zij was wit voor de toeschouwers,33.Pharaozeide tot de vorsten, die in zijne nabijheid waren: Waarlijk, deze man is een behendige toovenaar.34.Hij trachtu door zijne tooverij het bezit van u land te ontrooven: wat denkt gij dus te doen?35.Zij antwoordden: Stel hem en zijn broeder door goede woorden voor eenigen tijd uit, en zend mannen in de steden, die verzamelen.36.En tot u brengen alle behendige toovenaren.37.Zoo werden de toovenaren op een bepaalden tijd, op een plechtigen dag bijeenvergaderd.38.En tot het volk werd gezegd: Zijt gij bijeenvergaderd?39.Ja, antwoordde het volk onder zich, en wij zullen de toovenaren volgen, indien zij de overwinning behalen.40.Toen de toovenaars gekomen waren, zeiden zij totPharao: zullen wij zekerlijk eene belooning ontvangen, indien wij de overwinning behalen?41.Hij antwoordde: Ja, en gij zult mijn persoon mogen naderen.42.Mozeszeide tot hen: Werpt neder wat gij neder te werpen hebt.43.Daarop wierpen zij hunne koorden en hunne staven neer, en zeiden: Waarlijk, door de macht vanPharaozullen wij de overwinnaars zijn.44.EnMozeswierp zijn staf neder, en ziet, de staf verzwolg wat zij valschelijk hadden uitgedacht.45.Daarop wierpen zich de toovenaars biddend neder46.En zeiden: Wij gelooven in den Heer van alle schepselen.47.De Heer vanMozesenAäron.48.Pharaozeide tot hen: Hebt gij in hem geloofd, voor ik u verlof heb gegeven? Waarlijk hij is uw hoofd, die u de tooverij heeft geleerd12; maar later zult gij zeker mijne kracht kennen.49.Ik zal uwe handen en uwe voeten aan de tegenovergestelde zijden afsnijden, en ik zal u allen doen kruisigen.50.Zij antwoorden: Dit zal geen nadeel voor ons zijn; want wij zullen tot onzen Heer terugkeeren.51.Wij hopen dat onze Heer ons onze zonden zal vergeven, ons die de eersten waren welke geoorloofd hebben13.52.En wij spraken door openbaring totMozes, zeggende: Trek voort met mijne dienaren, des nachts; want gij zult vervolgd worden.53.EnPharaozond beambten in de steden om strijdkrachten te verzamelen54.Zeggende: Waarlijk de Israëlieten maken slechts eene kleine hoop volk uit.55.En zij zijn verwoed op ons.56.Maar wij vormen eene welvoorziene menigte.57.Zoo deden wij hun hunne tuinen, hunne fonteinen,58.hunne schatten en heerlijke woningen verlaten.59.Zoo deden wij, en wij deden die den kinderen Israëls erven14.60.En zij vervolgden henbij het opgaan der zon.61.En toen de beide legers in elkanders gezicht waren gekomen, zeiden de makkers vanMozes: Wij zullen zekerlijk worden overwonnen.62.Mozesantwoordde: Volstrekt niet: want mijn Heer is met mij; hij zal mij zekerlijk leiden.63.En wij bevalenMozesdoor openbaring, zeggende: Sla de zee met uwen staf. En toen hij haar had geslagen werd zij in twaalf afdeelingen verdeeld; ieder deel, dat een pad was, scheen een groote berg.64.En wij lieten de anderen naderen.65.En wij bevrijddenMozesen allen die met hem waren.66.Daarna verdronken wij de anderen.67.Waarlijk daarin was een teeken; maar het grootste aantal hunner geloofden niet.68.Waarlijk, uw Heer is de machtige en de barmhartige.69.En herinner hun de geschiedenis vanAbraham.70.Toen hij tot zijnen vader en zijn volk zeide: Wat aanbidt gij?71.Zij antwoordden: Wij aanbidden afgoden, en wij dienen deze alle dagen met standvastigheid.72.Abrahamzeide: Hooren zij u als gij hen aanroept?73.Of bevoordeelen, noch deren zij u?74.Zij antwoordden: Neen; maar wij zagen dat onze vaderen hetzelfde deden.75.Hij zeide: Wat denkt gij: De goden die gij aanbidt.76.En welke door uwe voorvaderen werden aangebeden.77.Zijn mijne vijanden, behalve slechts de Heer van alle schepselen.78.Die mij heeft geschapen en mij op den rechten weg leidt.79.En die mij geeft te eten en te drinken;80.En die mij geneest als ik ziek ben;81.En die mij zal doen sterven en mij daarna tot het leven zal terugbrengen.82.En die, naar ik hoop, mij mijne zonden op den dag des oordeels zal vergeven.83.O Heer! verleen mij wijsheid en vereenig mij met de rechtvaardigen.84.En geef, dat nog de laatste nakomelingschap met eer van mij spreke15;85.En maak mij tot een erfgenaam van den tuin der heerlijkheid;86.En vergeef mijn vader die tot de afdwalenden heeft behoord16.87.En bedek mij niet met schande op den dag der opstanding;88.Op den dag, waarop noch rijkdommen, noch kinderen van eenig voordeel zullen kunnen zijn.89.Behalve voor hem, die met een oprecht hart tot God zal komen;90.Als het paradijs voor het gezicht der vromen gebracht zal worden.91.En de hel geheel zal verschijnen voor hen die gedwaald zullen hebben;92.En tot hen zal gezegd worden: Waar zijn uwe godheden,93.welke gij naast God dient? Zullen zij u van straf bevrijden, of zullen zij zich zelven bevrijden?94.En zij zullen in de hel geworpenworden; zoowel zij17, als diegenen, welke tot hunne aanbidding werden verleid,95.En het geheele heir vanEblis.96.De verleiden zullen daar met hunne valsche goden twisten, zeggende:97.Bij God, wij verkeerden in eene duidelijke dwaling.98.Toen wij u met den Heer van alle schepselen gelijk stelden.99.De zondaren alleen hebben ons verleid.100.Thans hebben wij geene tusschentreders.101.Noch eenigen vriend die voor ons zorgt.102.Indien het ons veroorloofd ware, nog slechts eenmaal in de wereld terug te keeren, zouden wij zekerlijk ware geloovigen worden.103.Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste gedeelte hunner gelooven niet.104.Uw Heer is de machtige, de barmhartige.105.Het volk vanNoachbeschuldigde Gods zendingen van bedrog.106.Toen hun broederNoachtot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?107.Waarlijk, ik ben een geloofbare boodschapper voor u.108.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.109.Ik vraag geene belooning van u voor mijne prediking tot u; ik verwacht mijne belooning slechts van den Heer van alle schepselen.110.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.111.Zij antwoorden: Zullen wij u gelooven, die alleen door de laagsten uit het volk gevolgd wordt?112.Noachzeide: Ik heb geene kennis van hetgeen zij deden18.113.Zij zijn mijn Heer alleen rekenschap verschuldigd; begreept gij dit slechts!114.Daarom zal ik de geloovigen niet verdrijven19.115.Ik ben slechts een openbaar prediker.116.Zij hernamen: Zekerlijk, oNoach! indien gij niet ophoudt op deze wijze te handelen zult gij gesteenigd worden.117.Hij zeide: O Heer! waarlijk, mijn volk houdt mij voor een leugenaar.118.Richt dus in het openbaar tusschen mij en hen, en bevrijd mij en de ware geloovigen, die met mij zijn,119.Daarom bevrijdden wij hem, en degenen, die met hem waren in de ark, met menschen en dieren gevuld.120.En daarom verdronken wijde overigen.121.Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.122.Uw Heer is de machtige, de barmhartige,123.De stam vanAdbeschuldigde Gods boodschapper van logen.124.Toen hun broederHudtot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?125.Waarlijk, ik ben een geloofbaar boodschapper tot u.126.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.127.[ik vraag van u geenerlei belooning voor mijne prediking tot u; ik verwacht mijne belooning slechts van den Heer van alle schepselen.128.Bouwt gij een scheidspaal op iedere hoog gelegen plaats, om u te vermaken20?129.En richt gij prachtige werken op,in de hoop die eeuwig te bezitten?130.En als gij uwe macht uitoefent, oefent gij die met onbarmhartigheid en gestrengheid uit21.131.Vreest God, door deze dingen te verlaten en gelooft mij]22.132.En vreest hem, die u datgene heeft geschonken, wat gij kent.133.Hij heeft u vee geschonken en kinderen;134.En tuinen en fonteinen.135.Waarlijk, ik vrees voor u de straf van een gestrengen dag.136.Zij antwoordden: Het is ons gelijk, of gij ons al dan niet vermaant.137.Wat gij ons predikt is slechts een verzinsel der ouden.138.Nimmer zullen wij gestraft worden voor hetgeen wij hebben gedaan.139.En zij beschuldigden hem van bedrog, en daarom verdelgden wij hen. Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.140.Uw Heer is de machtige, de barmhartige.141.De stam vanThamoedbeschuldigde Gods gezanten eveneens van leugen.142.Toen hun broederSalehtot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?143.Waarlijk, ik ben een geloovig boodschapper voor u.144.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.145.Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking tot u: ik verwacht mijne belooning van niemand anders dan van den Heer van alle schepselen.146.Zult gij altijd in het zekere bezit blijven van de dingen die hier zijn,147.Waaronder tuinen en fonteinen.148.En korenvelden en palmboomen, wier takken met bloemen zijn beladen?149.En wilt gij voortgaan, u woningen uit de bergen te houwen, terwijl gij u onbeschaamd gedraagt23?150.Vreest God en gehoorzaamt mij.151.En gehoorzaamt niet het bevel der zondaren.152.Die snood op aarde handelen, en die zich niet verbeteren.153.Zij antwoordden: Waarlijk, gij zijt bezeten.154.Gij zijt slechts een mensch gelijk wij; toon ons een teeken indien gij de waarheid spreekt.155.Salehzeide: Deze wijfjes-kameel zal u een teeken zijn, zij zal haar deel water hebben en gij zult beurtelings uw deel water hebben op een zekeren, voor u bepaalden dag24.156.En deer haar niet, opdat u de straf van een vreeselijken dag niet worde opgelegd.157.Maar zij doodden haar en berouwden hunne boosheid.158.Want de straf, waarmede zij bedreigd waren geworden, overviel hen. Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel van hen geloofde niet.159.Uw Heer is de machtige, de genadige.160.Het volk vanLotbeschuldigdeGods boodschappers eveneens van bedrog.161.Toen hun broederLottot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?162.Waarlijk, ik ben een geloofbaar boodschapper tot u.163.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.164.Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking: Ik verwacht mijne belooning van geen ander dan van den Heer van alle schepselen.165.Nadert gij de mannelijke wezens onder de menschen.166.en verlaat gij uwe vrouwen, die uw Heer voor u heeft geschapen. Waarlijk, gij zijt zondaren.167.Zij zeiden: Indien gij zoo voortgaat, oLot! zult gij zekerlijk uit onze stad worden verdreven.168.Hij zeide: Waarlijk, ik behoor tot hen, die uwe daden verfoeien.169.O Heer! bevrijd mij en mijn gezin van hetgeen zij bedrijven.170.Daarom bevrijdden wij hem en zijn geheel gezin.171.Behalve eene oude vrouw, zijnde zijne vrouw, die omkwam met hen die achtergebleven waren.172.Daarna verdelgden wij de overigen.173.En wij deden eene bui van steenen op hen nederregenen, en vreeselijk was de regenbui die op degenen nederviel, welke te vergeefs waren gewaarschuwd.174.Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.175.Uw Heer is de machtige, de genadige.176.Ook de bewoners van het woud25beschuldigden Gods gezanten van bedrog.177.ToenShoaibtot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?178.Waarlijk ik ben een geloovig boodschapper voor u.179.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.180.Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking; ik verwacht mijne belooning van niemand anders dan van den Heer van alle schepselen.181.Geeft juist gewicht en weest geene bedriegers.182.En weegt met een gelijke weegschaal.183.En vermindert niet wat den menschen toekomt; bedrijft geen geweld op aarde; en handelt niet slecht.184.En vreest hem die u en de vroegere geslachten heeft geschapen.185.Zij antwoordden: Waarlijk gij zijt bezeten.186.Gij zijt niets meer dan een mensch gelijk wij en waarlijk, wij houden u voor een leugenaar.187.Doe thans een deel van den hemel op ons nedervallen, indien gij de Waarheid spreekt.188.Shoaibzeide. Mijn Heer weet het beste wat gij doet.189.En zij beschuldigden hen van bedrog; daarom overviel hen de straf van den dag der schaduwgevende wolk26,en dit was de straf van den vreeselijken dag.190.Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.191.Uw Heer is de machtige, de barmhartige.192.Dit boek is zekerlijk eene openbaring van den Heer van alle schepselen.193.Welke de getrouwe geest27op uw hart heeft doen nederdalen.194.Opdat gij een prediker voor uw volk zoudt zijn,195.In de duidelijke Arabische taal.196.Waarvan de getuigenis door de schriften van vroegere tijden wordt geleverd.197.Was het geen teeken voor hen, dat de wijze mannen onder de kinderen Israëls die kenden?198.Hadden wij het aan een der vreemdelingen geopenbaard.199.En hij zou het hun hebben voorgelezen, dan zouden zij daaraan niet hebben willen gelooven.200.Zoo deden wij hardnekkig ongeloof in de harten der zondaren binnentreden.201.Zij zullen daarin niet gelooven, dan nadat zij eene pijnlijke straf hebben gezien.202.Deze zal plotseling over hen komen, en zij zullen deze niet voorzien.203.En zij zullen zeggen: zal ons uitstel worden verleend?204.Verlangen zij dus dat onze straf zal worden verhaast28?205.Wat denkt gij? Indien wij hun toestaan het voordeel van dit leven voor vele jaren te genieten.206.En datgene, waarmede zij bedreigd werden, later over hen komt.207.Wat zal het hen van voordeel zijn, wat zij hebben genoten?208.Wij hebben geene stad verwoest, dan nadat er vooraf gezanten waren heengezonden.209.Ten einde de bewoners daarvan te waarschuwen, ook behandelden wij hen niet onrechtvaardig.210.De duivelen daalden niet neder met den Koran, zooals de ongeloovigen voorgeven;211.Dat komt niet overeen met hun doel; ook zijn zij niet in staat zulk een boek voort te brengen.212.Want zij zijn er ver van verwijderd, het gesprek der engelen in den hemel te hooren29.213.Roep geen anderen god met den waren God aan, opdat gij niet tot een van hen wordet, die ter straffe zijn gedoemd.214.En vermaan uwe naaste betrekkingen30.215.En gedraag u met zachtmoedigheid omtrent de waregeloovigen die u volgen.216.En indien zij ongehoorzaam omtrent u zijn, zeg dan: Waarlijk ik ben zuiver van hetgeen gij doet.217.En vertrouw in den machtigsten, den barmhartigsten God.218.Die u ziet als gij opstaat,219.En uw gedrag onder hen die aanbidden31;220.Want hij ziet en hoort alles.221.Zal ik u verklaren op wie de duivelen nederdalen?222.Zij dalen neder op iederen leugenachtigen en zondigen persoon32.223.Zij leeren wat gehoord is geworden33, maar het grootste deel hunner zijn leugenaars.224.En zij die dwalen, volgen de stappen der dichters.225.Ziet gij niet dat zij, als van hunne zinnen beroofd, door iedere vallei wandelen34?226.En dat zijzeggen, wat zij niet doen35?227.Behalve zij die gelooven en goede werken doen en God dikwijls herdenken36.228.En die zich zelven verdedigen, nadat zij onrechtvaardig zijn behandeld geworden; terwijl zij die onrechtvaardig handelen, hierna zullen weten, welke handeling zij te wachten hebben.1Dit hoofdstuk draagt dezen naam, omdat aan het einde daarvan de Arabische dichters scherp worden gegispt.2Sommigen zonderen hiervan de laatste verzen uit, en zeggen dat die teMedinawerden geopenbaard.3Ta. Sin. Mim. ZieHoofdstuk II, vers 1, in de noot.4ZieHoofdstuk XX, vers 26, volg.5Namelijk dat hij een Egyptenaar had gedood (ZieHoofdstuk XXVIII, vers 14en 15).6Dit woord staat in het oorspronkelijke in het enkelvoudig, waarvoor de uitleggers verschillende redenen opgeven.7Men zegt datMozesdertig jaren onder de Egyptenaren woonde en zich vervolgens naarMidianbegaf, waar hij zes jaren bleef. Daarna keerde hij naarEgypteterug en besteedde dertig jaren in pogingen hen te bekeeren: na het verdrinken vanPharaozou hij nog vijftig jaren hebben geleefd (Al Beidâwi.).8Door den Egyptenaar zonder voordracht te dooden.9Het schijnt datPharaoveronderstelde datMozesslechts onbedachte antwoorden op zijne vraag had gegeven omtrent hetgeen hij wenschte nopens den persoon en den waren aard van God te kennen, wiens boodschapperMozesvoorgaf te zijn, terwijl hij slechts van zijn werken sprak. En aangezien dit antwoord den Koning zoo weinig voldeed, wordt hij door sommigen verondersteld een Dhariet te zijn geweest, of iemand die in de eeuwigheid van het voortbestaan der wereld gelooft (Al Beidâwi.).10Van deze en eene gelijksoortige uitdrukking in hetXXVIIIe Hoofdstuk (vers 38)wordt afgeleid, datPharaovan zijne onderdanen eischte, dat zij hem zouden aanbidden, als een hulde aan zijne oppermacht verbonden.11Al Beidâwizegt, dat dit eene vreeselijker bedreiging was dan indien hij zou gezegd hebben: Ik zal u gevangen nemen; daaruit toch moest hetMozesblijken, dat hij in gezelschap zou wezen metde boosdoeners, die door den tyran, volgens zijn gewoonte, in een diepe onderaardsche gevangenis werden geworpen, waar zij bleven tot zij stierven.12Maar hij heeft de diepste geheimen voor zich behouden. (Al Beidâwi).13ZieHoofdstuk VII, vers 117–23, enz.14Van hier wordt door sommigen verondersteld, dat de Israëlieten, na de vernietiging vanPharaoen zijne heerscharen naarEgypteterugkeerden, en van de rijkdommen van dat land bezit namen (Jallalo’ddin,Yahya.). Anderen zijn echter van oordeel, dat de bedoeling slechts deze is, dat God hun dezelfde bezittingen en woningen in eene andere plaats gaf, (Al Zamakshari. Zie voortsHoofdstuk VII, vers 133).15Letterlijk: Schenk mij eene taal van waarheid; dat is een hooge lof. InHoofdstuk XIX, vers 51wordt dezelfde uitdrukking gebruikt.16Door hem tot berouw te neigen en hem het ware geloof te doen ontvangen. Sommigen veronderstellen, datAbrahamdit gebed na den dood van zijn vader uitsprak, denkende dat hij misschien inwendig een waar geloovige kon zijn geweest, die echter zijne bekeering uit vrees voorNimrodverborg, en dat het hem verboden was vroeger voor hem te bidden (ZieHoofdstuk IX, vers 115enHoofdstuk XIV, vers 42).17ZieHoofdstuk XXI, vers 98.18Zijnde: Hetzij dat zij het geloof door mij gepredikt, uit de oprechtheid huns harten, hetzij met het oog op eenig wereldlijk voordeel hebben omhelsd.19ZieHoofdstuk XI, vers 29en 31.20Of om de voorbijgangers te bespotten, die zich naar de sterren richten, en geene behoefte aan dergelijke gebouwen hebben? (Al Beidâwi).21Zonder genade doodende en andere lichamelijke straffen opleggende, en veel meer tot de voldoening uwer drift, dan tot boete voor hen die daaraan worden onderworpen (Al Beidâwi).22De woorden hier tusschen [ ] geplaatst zijn in de vertolking vanSavaryweggelaten.23Of, zooals het oorspronkelijke woord mede kan worden vertaald: kunst en vindingrijkheid in uw werk toonende.24Dat is: zij waren gewoon het water beurtelings te gebruiken. De kameel dronk een dag, en de Thamoediten wachtten tot den anderen; want als die kameel dronk, waren de bronnen of beken voor dien dag geledigd (ZieHoofdstuk VII, vers 71).25ZieHoofdstuk XV, vers 78. DaarShoaibniet de broeder van die volken wordt genoemd, hetgeen de gelijkvormigheid van deze plaats met de vorige zou hebben bewaard, wordt door sommigen gemeend, dat zij geene Midianieten maar van een anderen stam waren. Wij zien echter dat de profeet hen van dezelfde misdaden beschuldigt als die vanMidian(ZieHoofdstuk VII vers 83, volg).Savaryvertaalt de woorden: “De bewoners van het woud” met “de bewoners vanAleika”.26God bezocht hen eerst gedurende zeven dagen met zulk eene ondragelijke hitte, dat al hunne wateren opdroogden: daarna bracht hij eene wolk over hen, onder welker schaduw zij toevlucht zochten,waarna zij allen door vuur en een brandenden wind werden verdelgd, die daaruit nederkwamen. (Al Beidâwi).27ZijndeGabriël, die met de goddelijke geheimen en openbaringen bekend is.28De ongeloovigen tarttenMahometaanhoudend, eene duidelijke en wonderbaarlijke verdelging over hen te brengen; zooals een regenbui van steenen, enz.29ZieHoofdstuk XV, vers 16en 17.30De uitleggers veronderstellen dat hetzelfde bevel eigenlijk reeds inhoofdstuk LXXIVis vervat, dat, wat den tijd betreft, aan dit voorafging. Men zegt datMahometop het ontvangen der voor ons liggende plaats, onmiddellijk den bergJafabeklom, en daarna verscheiden gezinnen, een voor een, bij zich riep. Toen zij allen verzameld waren, vroeg hij hun, of, indien hij hun vertelde dat de berg een kleineren berg zou voortbrengen, zij hem zouden gelooven, waarop zij bevestigend antwoordden. Daarop zeide hij: Waarlijk, ik ben tot ugezonden, om u voor eene ernstige kastijding te waarschuwen (Al Beidâwi).31Zijnde: Die u ziet, wanneer gij opstaat om te waken, en den nacht in godsdienstige verrichtingen doorbrengt, en die uwe angstige zorg gadeslaat, voor de juiste vervulling der plichten van de Moslems. Men zegt dat in den nacht, waarin het voorschrift van het waken werd afgeschaft,Mahometheimelijk van het eene huis naar het andere ging, om te zien hoe zijne volgelingen hunnen tijd doorbrachten, en dat hij hen zoo zeer met het lezen van den Koran en met het herhalen hunner gebeden bezig vond, dat hunne huizen, door het brommende geluid dat zij veroorzaakten, even zoo vele horsel- of paardenvliegennesten schenen te zijn (Al Beidâwi). Sommige uitleggers veronderstellen echter, dat door hetgedragvan den profeet, op deze plaats de verschillende houdingen worden bedoeld, welke hij gewoon was aan te nemen, terwijl hij aan het hoofd zijner volgelingen trad zooals: staan, buigen, nederknielen en zitten (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).32Na zich verdedigd te hebben tegen de beschuldiging, dat hij met de duivels in verband zou zijn, door de tegenstrijdigheid tusschen zijne leer en hunne plannen en hunne overmacht, een zooveel omvattend boek, als den Koran, samen te stellen, gaat de profeet over tot het aantoonen, dat de personen die het meest geneigd zijn tot het onderhouden van betrekkingen met deze booze geesten, leugenaars en lasteraars zijn; namelijk zijne vijanden en tegenstanders.33Zijnde: zij worden geleerd door de geheime ingeving van den duivel, en ontvangen hunne ijdele en onsamenhangende ingevingen als waarheid.34Ten allen tijde hebben de Arabieren hunne taal met veel zorg gekweekt, de poëzie bemind en de dichters geëerd. TeOkadh, had ieder jaar, buiten de wekelijksche kermissen eene jaarmarkt plaats, die eene maand duurde. Daar, te midden der handelszaken, kwamen de dichters van alle punten vanArabiëbij elkander. Zij zeiden hunne gedichten (Karidah) op, bezongen hunne daden en lotgevallen, en wedijverden in het behandelen van zulke onderwerpen. Dat was eene poëtisch tournooi, waarbij de talrijke toehoorders, zoowel stedelingen als Beduinen, de rechters waren. Aan den waardigste werd de belooning toegekend, zijne gedichten in den hooggeschatten tempel—den Caaba—in gulden letteren opgehangen te zien. Van daar worden de zeven gedichten, die voorMahometin zwang waren,modhahhabat(verguld) enmoallakat(opgehangen) genoemd. Vooral muntten de Arabieren der woestijn in de poëzie uit; onder de tenten bleef de taal immer zuiverder en correcter bewaard. Dikwijls legde eene Beduïnschemoeder eene pijnlijke straf op aan haar kind, dat zich aan eene fout tegen de taalkunde had schuldig gemaakt.Mahometwas aan de stoutheid zijner dichterlijke taal een groot deel van den bijval schuldig, waarmede zijn streven werd bekroond. Hij heeft zelfs zijne volgelingen aangeraden, de werken der Arabische dichters te raadplegen, en daarin de uitlegging der duistere uitdrukkingen of woorden van den Koran op te zoeken. Waaraan is het dan toe te schrijven, dat de profeet die befaamde jaarmarkt vanOkadhopgeheven, en het anathema over de dichters uitgesproken heeft? Ziehier de reden. De Arabieren der woestijn in het algemeen, en daaronder de dichters, hadden weinig neiging voor den nieuwen eeredienst: zij waren aan de genoegens van het nomadenleven gehecht en aan de moeielijkheden daarvan gewoon; zij waren onafhankelijk, onwillig een juk, welk dan ook, te dragen; dapper, edelmoedig, maar trotsch en wraakzuchtig, altijd een vijand nazettende, om eene beleediging te wreken; of op de hielen eener schoonheid van de woestijn; gestreng en wild alsSchanfara, de vermaken van het vroolijke leven beminnende alsAmrolkaïs; zorgeloos omtrent het toekomstige leven, twijfelaars en Epicuristen, en behoorden dus niet tot de eersten die den nieuwen profeet volgden. De dichters trachtten die gewoonten van het nomadenleven te bestendigen.Mahometzag in dat negatieve en vernietigende instinct een grooten hinderpaal voor de vestiging zijner zedelijke en godsdienstige leer, en hij veroordeelt hen daarom. Voegt men hierbij, dat de satirieke geest van eenige hunne pijlen op den nieuwen profeet had doen richten, dan zal men zich niet verwonderen over het oordeel dat hij over hen uitbrengt. Eenige geschiedschrijvers beschuldigenAmrolkaïs, satyren tegenMahomette hebben geschreven, welke laatste, op zijne beurt, een dichterLebid, een nieuwen bekeerling, zou opgedragen hebben, daarop te antwoorden. De heerde Slane, die de gedichten vanAmrolkaïsheeft uitgegeven, bestrijdt deze meening; datAmrolkaïsenLebidbetreft, is het echter niettemin waar, datMahometeenige gedienstige dichters te zijner beschikking had, en de verzen 227 en 228 zinspelen daarop. De dichters warenLebid Ebn Rabia,Abda’llah Ebn Rawaha,HassanEbn Thabeten de tweeCaabs. Eens zeide hij totCaab Ebn Malec: Bestrijd hen (de dichters) met uwe satyren; want ik bezweer het u bij hem die mijne ziel in zijne handen houdt, de satyren verwonden meer dan de pijlen.35Daar hunne werken zoo onverdacht zijn als de daden van een bezeten mensch. Het meerendeel der oude dichtstukken was namelijk vol ijdele voorstellingen, zooals fabelachtige verhalen en beschrijvingen, minnedichten, vleierijen, buitensporige aanprijzingen hunner beschermers, evenzeer als buitensporige verwijtingen aan hunne vijanden, uitdagingen tot slechte daden, ijdele snorkerijen, en dergelijken (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).36Deze uitzondering betreft de dichters in de voorlaatste noot opgenoemd, en welke den Islam omhelsden.

Vijf en Twintigste Hoofdstuk.Al Forkan1.Geopenbaard teMekka.—77 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Gezegend zij hij die den Forkan aan zijn dienaar heeft geopenbaard, opdat deze een prediker voor alle schepselen zou zijn;2.Aan wien het koninkrijk des hemels en der aarde behoort; die geene nakomelingschap heeft geteeld, en geen deelgenoot in zijn koninkrijk heeft; die alle dingen heeft geschapen en daarover naar zijn bepaalden wil beschikt.3.Zij hebben buiten hem andere goden gekozen, die niets hebben geschapen, maar zelven geschapen zijn2.4.En die noch in staat zijn het kwaad van zich af te weren, noch zich het goede te verschaffen, en die noch over den dood, noch over het leven bevelen, noch de kracht bezitten, waardoor de dooden weder worden opgewekt.5.En de ongeloovigen zeggen: Deze Koran is niets anders dan eene door hem uitgedachte leugen, en anderen hebben hem daarin bijgestaan3; maar zij spraken eene onrechtvaardige zaak en eene leugen uit.6.Zij zeggen ook: Dit zijn fabelen der ouden, welke hij heeft doen nederschrijven, en zij worden hem des ochtends en des avonds voorgezegd.7.Zeg: Het is geopenbaard door hem, die de geheimen van hemel en aarde kent. Waarlijk, hij is barmhartig en genadig.8.En zij zeggen: Welk soort gezant is deze? Hij nuttigt voedsel en wandelt in de straten4.zooals wij doen. Tot hem een engel zal worden nedergezonden om met hem te prediken;9.Of tot hem een schat worde nedergezonden, of hij een tuin bezitte, van welks vruchten hij mag eten, zullen wij niet gelooven. De goddeloozen zeggen ook: Gij volgt slechts een betooverd man.10.Zie wat zij nopens u denken; maar zij zijn verdwaald, en zullen nimmer, eene juiste gelegenheid hebben, om het licht te vinden,11.Gezegend zij hij, die, wanneer het hem behaagt, eene betere belooning voor u zal bereiden, dan diegene waarvan zij spreken; namelijk tuinen, door welke rivieren stroomen, en hij zal u paleizen schenken.12.Maar zij verwerpen het geloof aan het uur des oordeels als eene leugen.13.En wij hebben voor hen, die het geloof aan dat uur verwerpen, een brandend vuur gereed gemaakt; als het hen van verre zal zien, zal het vreeselijk brullen en woeden.14.En als zij, te zamen gebonden, in een enge plaats daarvan zullen worden geworpen, zullen zij daar om den dood roepen,15.Maar men zal hun antwoorden: Roep heden niet om één dood, maar roep om verscheiden dooden.16.Zeg: Is dit beter, of een tuin van eeuwigen duur, die den vrome is beloofd? Deze zal hun als een belooning en een verblijf worden gegeven.17.Daarin zullen zij alles hebben wat hun behaagt, terwijl zij daarin eeuwig zullen verblijven. Dit is eene belofte, welke zij uit de handen van hunnen heer kunnen vorderen.18.Op een zekeren dag zal hij hen verzamelen, en alles wat zij naast God aanbidden, en hij zal tot de aangebedenen zeggen: Hebt gij deze mijne dienaren verleid, of dwaalden zij uit eigen beweging van den rechten weg af?19.Zij zullen antwoorden: God verhoede! Het was ons onmogelijk, andere beschermers buiten u te kiezen, maar gij veroorloofdet hun en hunnen vaderen overvloed te genieten, waardoor zij uwe vermaning vergaten, en verloren gingen.20.En God zal tot hunne aanbidders zeggen: Thans hebben deze u van leugen overtuigd in hetgeen gij zegt. Zij kunnen noch uwe straf afwenden, noch u eenige ondersteuning schenken.21.En dengenen van u die aan onrechtvaardigheid schuldig zal zijn zullen wij eene gestrenge pijniging doen ondergaan.22.Wij hebben geene gezanten, vóór u gezonden dan die, als de andere menschen, voedsel nuttigden en door de straten wandelden, en wij maakten sommigen uwer tot een middel ter beproeving voor anderen5. Wilt gij met geduld volharden, nu uw Heer uwe volharding gadeslaat.23.Zij die niet hopen ons bij de opstanding te ontmoeten, zeggen: Zoolang de engelen niet tot ons worden nedergezonden, of wij zelven onzen Heer niet zien, zullen wij niet gelooven. Waarlijk, zij gedragen zich overmoedigen hebben op vreeselijke wijze gezondigd.24.Op den dag waarop zij de engelen zullen zien komen6, zullen er geene blijde tijdingen voor de zondaren zijn, en zij zullen zeggen: Dit zij verre van ons verwijderd.25.Dan zullen wij komen tot de werken, welke zij gewrocht hebben, en wij zullen die tot stof maken, dat naar alle zijden wordt heenverspreid.26.Op dien dag zullen zij, welke voor het paradijs zijn bestemd, gelukzalig in hun verblijf wezen, en des middags eene heerlijke rustplaats hebben7.27.Op dien dag zal de hemel door de wolken gekliefd en de engelen zullen nedergezonden worden en zichtbaar nederdalen8;28.Op dien dag zal het ware koninkrijk geheel aan den Barmhartige toebehooren, en die dag zal moeielijk zijn voor de ongeloovige.29.Op dien dag zal de onrechtvaardige9uit angst en wanhoop, in zijne handen bijten, en zeggen: Ach! had ik slechts den weg der waarheid met den gezant gekozen.30.Wee over mij! Ach! had ik niet zulk een10tot mijn vriend gekozen.31.Hij lokte mij van Gods vermaning af, nadat die tot mij was gekomen; want de duivel is de verrader van den mensch.32.En de gezant zal zeggen: O Heer! mijn volk acht dezen Koran als een ijdel samenstelsel.33.Op dezelfde wijzehebben wij iederen profeet de zondaren tot vijanden gegeven. Maar uw Heer is een voldoend leider en verdediger.34.De ongeloovigen zeggen: Zoolang de Koran hem niet in zijn geheel en op eens worde nedergezonden11, zullen wij niet gelooven. Maar wij hebben dien op deze wijze geopenbaard, opdat wij daardoor uw hart zouden mogen bevestigen12, en wij hebben die allengs, bij onderscheiden gedeelten voorgezegd.35.Zij zullen nimmer met een vreemde vraag tot u komen, of wij zullen u de waarheid tot antwoord en eene uitmuntende uitlegging brengen.36.Zij die op hunne aangezichten in de hel zullen worden geworpen, zullen in den ellendigsten toestand verkeeren en het verst van den weg des heils verwijderd zijn.37.Wij gaven vroeger aanMozeshet boek der wet, en wij wezen hemAäron, zijn broeder, tot raadgever aan.38.En wij zeiden tot hen: Gaat tot het volk dat onze teekenen van valschheid beschuldigt. En wij verdelgen hem met eene volslagen vernietiging.39.En herdenk het volk vanNoach, toen zij onze gezanten van bedrog beschuldigden; wij verdronken hen en maakten hen tot een teeken onder de menschen. En wij hebben voor den onrechtvaardige een pijnlijke straf gereed gemaakt.40.Gedenk ookAdenThamoed, en zij die teal Rasswoonden13, en vele andere geslachten in dat tijdperk.41.Aan ieder hunner stelden wij voorbeelden ter zijner vermaning, en ieder hunner verdelgden wij door eene geheele vernietiging.42.De Koreïshieten zijn de stad dikwijls voorbij getrokken,waarop wij een vreeselijke regen hebben doen nedervallen14. Hebben zij niet gezien waar die eens stond? Maar zij hopen niet te worden opgewekt.43.Als zij u zien, zullen zij u slechts met spot ontvangen, zeggende: Is hij dat, dien God als zijn gezant heeft gezonden?44.Waarlijk, hij had ons bijna van de aanbidding van onze goden afgetrokken, indien wij niet gestreng waren blijven volharden in onze onderwerping aan hen. Maar als zij de straf zullen zien, welke voor hen is gereed gemaakt, zullen zij ’t hierna weten, wie meer van het rechte pad is afgedwaald.45.Wat denkt gij? Zult gij de beschermer wezen van hem, die zijn hartstocht tot zijn God heeft genomen15?46.Verbeeldt gij u dat het grootste gedeelte hunner hoort of begrijpt? Zij zijn slechts gelijk aan het redelooze vee, ja, zij dwalen meer van het ware pad af.47.Beschouwt gij de werken van uwen Heer niet, hoe hij de schaduw vóór het opgaan der zon uitdrijft? Indien het hem had behaagd, zou hij deze voor eeuwig onbewegelijk hebben gemaakt. Daarna doen wij de zon oprijzen en tot gids strekken.48.En daarna verminderen wij die gemakkelijk.49.Hij is het, die den nacht bevolen heeft, u als een kleed te dekken, en de slaap om u rust geven, en hij heeft den dag voor het waken ingesteld.50.Hijishet, die de winden zendt, door welke de waterwolken voortdrijven, als de voorboden zijner genade16; en wij zenden zuiver water17van den hemel neder.51.Opdat wij daardoor eene doode streek zouden doen herleven, en om daarmede te drenken hetgeen wij hebben geschapen, zoowel vee als menschen, in grootengetale18.52.En wij verdeelen het onder hen op verschillende tijden, opdat zij zouden mogen overdenken; maar het grootste deel der menschen weigert, alleen uit ondankbaarheid, te overwegen19.53.Indien het ons zou hebben behaagd, hadden wij een spreker naar iedere stad gezonden.54.Gehoorzaam dus den ongeloovigen niet, maar bied hun met dit boek een hevigen weerstand.55.Hij is het die de twee zeeën heeft vereenigd: deze zoet en verfrisschend, gene, zout en bitter, en hij heeft eene afscheiding tusschen haar geplaatst20, en eene grens die niet overschreden kan worden.56.Hij is het die den mensch van water heeft geschapen21en de banden des bloeds en der verwantschap tusschen hen heeft doen ontstaan; want uw Heer is machtig.57.Zij aanbidden naast God datgene wat hen deren noch bevoordeelen kan, en de ongeloovige is een medestander van de duivel tegen zijn Heer22.58.Wij hebben u slechts gezonden om een boodschapper van goede tijdingen te zijn en tot bedreiging.59.Zeg: ik vraag van u geene belooning voor deze mijne prediking, behalve de bekeering van hem, die begeeren zal, den weg van zijn Heer te kiezen23.60.En stel uw vertrouwen in hem die leeft en niet sterft, en verkondig zijn lof (hij is voldoende bekend met de zonden zijner dienaren). Die in zes dagen de hemelen en de aarde heeft geschapen en alles wat daartusschen is, en daarna zijn troon besteeg. De Barmhartige: vraag den wijze nopens hem.61.Als den ongeloovige wordt gezegd: Aanbidt den Genadige! hernemen zij: En wie is de Genadige24? Zullen wij aanbidden wat gij ons beveelt? En dit voorschrift doet hen het geloof nog meer ontvluchten.62.Gezegend zij hij die de twaalf teekenen in de hemelenheeft gesteld, en daarin des daags eene lamp25plaatste en de maan die des nachts schijnt.63.Hij is het die den nacht en dag bevolen heeft elkander op volgen, voor hem die overwegen wil, of zijne dankbaarheid verlangt te betoonen.64.De dienaren van den Barmhartige zijn zij, die zedig op de aarde wandelen, en die, als de onwetende tot hen spreekt, antwoorden: Vrede.65.En die de nacht doorbrengen in de aanbidding van hunnen Heer, opstaande om tot hem te bidden.66.En die zeggen: O Heer! leid ons van de pijniging der hel af; want de marteling daarvan duurt eeuwig. Waarlijk, het is een ellendig verblijf en eene slechte rustplaats.67.Die, wanneer zij giften doen, ruim noch karig zijn; maar den juisten middenweg daartusschen in acht nemen26.68.En die geen anderen god naast den waren God aanroepen, noch de ziel dooden welke God verboden heeft te dooden, behalve voor eene rechtvaardige zaak, of die zich niet aan ontucht schuldig maken. Maar hij die dit doet, zal de vergelding zijner zonde ontmoeten.69.Zijne straf zal op den dag der opstanding verdubbeld worden, en hij zal, met schande bedekt, die eeuwig verduren.70.Behalve zij die berouw betoonen en gelooven, en rechtvaardige werken doen zullen: voor hen zal God hunne vroegere zonden in goede werken veranderen27; want God is vergevingsgezind en barmhartig.71.En wie berouw betoont en doet wat rechtvaardig is, waarlijk, hij keert zich tot God met eene aannemelijke bekeering.72.En zij die geene valsche getuigenis afleggen, en welke, als zij bij een ijdel gesprek tegenwoordig zijn, dit op betamelijke wijze ontduiken,73.En die, als zij door de teekens van hunnen Heer worden vermaand, niet nedervallen alsof zij doof en blind waren, maar opstaan, en daaraan een aandachtig oor leenen.74.En die zeggen: O Heer! verleen ons, in onze vrouwen en in onze kinderen, dezulken, die de voldoening onzer oogen zijn, en maak ons tot toonbeelden onder hen die u vreezen.75.Deze zullen beloond worden met de hoogste afdeeling in het paradijs, opdat zij met standvastigheid hebben volhard, en zij zullen daar het heil en den vrede vinden.76.Eeuwig zullen zij daarin verblijven. Het zal een uitmuntend verblijf, en eene heerlijke rustplaats wezen.77.Zeg: God bekreunt zich niet om u, of gij hem al dan niet aanroept: gij hebt zijn gezant reeds van bedrog beschuldigd; maar hierna, zal u eene voortdurende straf worden opgelegd.1Al Forkan, of de onderscheiding, is een der namen van den Koran.2Zijnde de hemelsche lichamen, of de afgodsbeelden en de werken van des menschen handen.3ZieHoofdstuk XVI, vers 105.4Zijnde aan dezelfde natuurlijke behoeften en gebreken onderworpen. De bewoners vanMekkawaren metMahomet, zijne omstandigheden en levenswijze te goed bekend, om hunne oude vertrouwelijkheid in den eerbied te veranderen, dien zij aan den gezant van God schuldig waren; want geen profeet wordt in zijn land geëerd. Sommigen lezen hier: op de markt.5Door gelegenheid te geven tot afgunst, nijd en kwaadaardigheid: zooals, bij voorbeeld, de armen, geringen en zieken, als zij hunnen eigenen toestand vergelijken met dien van den rijke, edele en welvarende en door het volk aan hetwelke profeten waren gezonden, door die profeten te beproeven (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).6Zijnde bij hunnen dood of bij de opstanding.7Want op den dag der opstanding zullen de zaken op dat tijdstip zijn afgeloopen, en de gelukzaligen zullen hunnen middag in het paradijs en de verdoemden in de hel doorbrengen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).8Zijnde: Zij zullen vaneen scheiden en ruimte maken voor de wolken, die met de engelen zullen nederdalen, de boeken dragen, waarin de daden van ieder mensch zijn vermeld.9Door sommigen wordt verondersteld, dat deze woorden bijzonder betrekking hebben opOkba Ebn Abi Moait, die gewoon was veelal inMahometsgezelschap te zijn. Eens noodigde hij hem tot een bezoek uit: de profeet weigerde van zijn vleesch te proeven, tenzij hij den Islam omhelsde, hetgeen hij dientengevolge deed. Spoedig daarna ontmoetteOkbazijn vertrouwden vriendObba Ebn Khalf. Deze berispte hem, omdat hij van godsdienst was veranderd, dochOkbaverzekerde dat dit niet zoo was, maar dat hij alleen de belijdenis van het Islamismus had afgelegd omMahometer toe te brengen, met hem te eten, daar hij zich schaamde hem zonder eten uit zijn huis te laten gaan.Obbazeide echter dat hij niet voldaan zou wezen, zoo lang hijMahometniet had opgezocht, hem zijn voet op den nek gezet en hem in het gezicht gespuwd zou hebben, hetgeenOkba, om zijn vriend niet te verliezen, op de openbare vergaderplaats deed, waar hijMahometvond zitten. De profeet zeide hem daarop, dat hij hem het hoofd zou afsnijden, zoodra hij hem buitenMekkamocht ontmoeten. En hij hield zijn woord; want toenOkbalater in den veldslag vanBedrwerd gevangen genomen, werd zijn hoofd, opMahometsbevel, doorAliafgeslagen. WatObbabetreft, hij ontving eene wonde van des profeten eigen hand in den slag vanOpod, tengevolge waarvan hij bij zijn terugkeer teMekkaoverleed (Al Beidâwi. ZieGagnier,Vie de Moham.vol. I. p. 362).10Overeenkomstig de voorafgaande noot was ditObba Ebn Khalf.11Zooals, volgens de meening der Mahomedanen, de Pentateuchus, de psalmen en het Evangelie, terwijl het drieëntwintig jaren duurde alvorens de Koran in zijn geheel werd geopenbaard.12Zoowel om u moed en standvastigheid in te boezemen, als om uw geheugen en uw verstand te versterken. Want, zeggen de uitleggers, de profeet ontving van tijd tot tijd de goddelijke leidingen hoe hij zich gedragen en bij een of andere dringende gelegenheid spreken moest, waarbij de herhaalde bezoeken van den engelGabriëlhem grootelijks in al die moeielijkheden aanmoedigden en ondersteunden. Bovendien was de openbaring van den Koran bij gedeelten eene groote en voor hem een noodzakelijke hulp, om dien te begrijpen en te onthouden, hetgeen voor hem geheel onmogelijk ware geweest, het met eenige nauwkeurigheid te doen, indien die in eens ware geopenbaard. Zij voegen er bij, dat het geval vanMahometgeheel verschillend was van dat vanMozes,DavidenJezus, die allen lezen en schrijven konden, terwijl hij geheel ongeletterd, was (Al Beidâwi, enz.)13De uitleggers zijn er mede verlegen, waar zijal Rasszullen plaatsen. Volgens een hunner was het de naam van eenen bron (hetgeen ook de beteekenis van het woord is) nabijMidian, waar sommige afgodendienaars hunne woningen hadden gevestigd en waarheen de profeetShoaibwerd gezonden, om voor hen te prediken; doch daar zij niet in hem geloofden, viel de bron in en zij en hunne huizen werden verzwolgen. Een ander veronderstelt, dat het eene stad inYamamawas, waar eenige overgeblevenen van de Thamoediten woonden, aan welken mede een profeet werd gezonden; doch zij dooddenhem en werden daarop geheel verdelgd. Een ander meent, dat het eene bron nabijAntiochiëwas, waarHabib al Najjar, wiens graf daar nog te zien is en dikwijls door de Mahomedanen wordt bezocht [ZieHoofdstuk XXXVI] werd gemarteld (ZieAbul’f,Geog. Vit. Saladinep. 86). Een vierde ziet inal Rasseene bron inHadramaut, in welker nabijheid eenige afgodendienende Thamoediten woonden, wier profeetHandhaofKhantala Ebn Safwanwas. Dit volk werd het eerst verontrust door zekere reusachtige vogelsAnkagenaamd, die in den berg boven hen waren genesteld en hunne kinderen wegvoerden, als zij een prooi begeerden; maar zij bekreunden zich zoo weinig over deze ramp, dat, toen de profeet een oordeel over die dieren afsmeekte, zij hem doodden, waarna zij allen verdelgd werden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).14Zijnde Sodom. De Koreïshieten trokken namelijk gedurende de reizen welke zij, voor handelszaken, naarSyriëdeden, dikwijls de plaats voorbij, waar die stad eens had gestaan.15Zijnde: Verwacht gij zulk een van afgoderij en ongeloof te zullen kunnen terughouden?16ZieHoofdstuk VII, vers 55.17Eigenlijkzuiverendwater, welke bijnaam waarschijnlijk betrekking heeft op de reinigende eigenschap dier vloeistof, welke van zulk uitgebreid gebruik is, zoowel in het godsdienstige als in het gewone leven.18Dat is aan de zulken, die in de dorre woestijnen leven, en verplicht zijn regenwater te drinken, hetgeen de bewoners van steden, en van plaatsen, welke van bronwater zijn voorzien, niet noodig hebben.19Of uit ongeloof. De oude Arabieren waren namelijk gewoon te denken, dat zij den regen niet aan God maar aan een invloed van sommige bijzondere sterren te danken hadden.20Om hen afzonderlijk te houden en te voorkomen dat zij zich met elkander vermengen. Het oorspronkelijke woord isparzakh, hetgeen reeds vroegerHoofdstuk XXIIInoot van vers 102 werd uitgelegd.21Waarmede de oorspronkelijke klei werd vermengd, of van zaad. (ZieHoofdstuk XXIV, vers 44.).22Door zich met hem, in zijne weerspannigheid, in zijn ongeloof te vereenigen. Sommigen meenen dat op deze plaats vooralAboe Jahlwordt bedoeld. De woorden kunnen ook aldus worden vertaald: De ongeloovige is verachtelijk voor de oogen van zijn Heer.23Trachtende hem te naderen, door den godsdienst te omhelzen, welke door mij, zijn profeet, wordt geleerd, hetgeen de beste belooning is, welke ik van u voor mijn arbeid verwacht (Al Beidâwi). Deze plaats kan echter nog anders worden opgevat, en wel aldus: DatMahometniemand iets zal geven dan aan hem, die vrijwillig en volgaarne zal bijdragen tot den vooruitgang van Gods waren eeredienst.24ZieHoofdstuk XVII, vers 110.25Zijnde de zon.26ZieHoofdstuk XVII, vers 28.27Hunne vroegere weerspannigheid uitwisschende, door hun berouw en hun geloof, en hunne gehoorzaamheid bevestigende en uitbreidende (Al Beidâwi).

Vijf en Twintigste Hoofdstuk.Al Forkan1.Geopenbaard teMekka.—77 verzen.

Geopenbaard teMekka.—77 verzen.

Geopenbaard teMekka.—77 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Gezegend zij hij die den Forkan aan zijn dienaar heeft geopenbaard, opdat deze een prediker voor alle schepselen zou zijn;2.Aan wien het koninkrijk des hemels en der aarde behoort; die geene nakomelingschap heeft geteeld, en geen deelgenoot in zijn koninkrijk heeft; die alle dingen heeft geschapen en daarover naar zijn bepaalden wil beschikt.3.Zij hebben buiten hem andere goden gekozen, die niets hebben geschapen, maar zelven geschapen zijn2.4.En die noch in staat zijn het kwaad van zich af te weren, noch zich het goede te verschaffen, en die noch over den dood, noch over het leven bevelen, noch de kracht bezitten, waardoor de dooden weder worden opgewekt.5.En de ongeloovigen zeggen: Deze Koran is niets anders dan eene door hem uitgedachte leugen, en anderen hebben hem daarin bijgestaan3; maar zij spraken eene onrechtvaardige zaak en eene leugen uit.6.Zij zeggen ook: Dit zijn fabelen der ouden, welke hij heeft doen nederschrijven, en zij worden hem des ochtends en des avonds voorgezegd.7.Zeg: Het is geopenbaard door hem, die de geheimen van hemel en aarde kent. Waarlijk, hij is barmhartig en genadig.8.En zij zeggen: Welk soort gezant is deze? Hij nuttigt voedsel en wandelt in de straten4.zooals wij doen. Tot hem een engel zal worden nedergezonden om met hem te prediken;9.Of tot hem een schat worde nedergezonden, of hij een tuin bezitte, van welks vruchten hij mag eten, zullen wij niet gelooven. De goddeloozen zeggen ook: Gij volgt slechts een betooverd man.10.Zie wat zij nopens u denken; maar zij zijn verdwaald, en zullen nimmer, eene juiste gelegenheid hebben, om het licht te vinden,11.Gezegend zij hij, die, wanneer het hem behaagt, eene betere belooning voor u zal bereiden, dan diegene waarvan zij spreken; namelijk tuinen, door welke rivieren stroomen, en hij zal u paleizen schenken.12.Maar zij verwerpen het geloof aan het uur des oordeels als eene leugen.13.En wij hebben voor hen, die het geloof aan dat uur verwerpen, een brandend vuur gereed gemaakt; als het hen van verre zal zien, zal het vreeselijk brullen en woeden.14.En als zij, te zamen gebonden, in een enge plaats daarvan zullen worden geworpen, zullen zij daar om den dood roepen,15.Maar men zal hun antwoorden: Roep heden niet om één dood, maar roep om verscheiden dooden.16.Zeg: Is dit beter, of een tuin van eeuwigen duur, die den vrome is beloofd? Deze zal hun als een belooning en een verblijf worden gegeven.17.Daarin zullen zij alles hebben wat hun behaagt, terwijl zij daarin eeuwig zullen verblijven. Dit is eene belofte, welke zij uit de handen van hunnen heer kunnen vorderen.18.Op een zekeren dag zal hij hen verzamelen, en alles wat zij naast God aanbidden, en hij zal tot de aangebedenen zeggen: Hebt gij deze mijne dienaren verleid, of dwaalden zij uit eigen beweging van den rechten weg af?19.Zij zullen antwoorden: God verhoede! Het was ons onmogelijk, andere beschermers buiten u te kiezen, maar gij veroorloofdet hun en hunnen vaderen overvloed te genieten, waardoor zij uwe vermaning vergaten, en verloren gingen.20.En God zal tot hunne aanbidders zeggen: Thans hebben deze u van leugen overtuigd in hetgeen gij zegt. Zij kunnen noch uwe straf afwenden, noch u eenige ondersteuning schenken.21.En dengenen van u die aan onrechtvaardigheid schuldig zal zijn zullen wij eene gestrenge pijniging doen ondergaan.22.Wij hebben geene gezanten, vóór u gezonden dan die, als de andere menschen, voedsel nuttigden en door de straten wandelden, en wij maakten sommigen uwer tot een middel ter beproeving voor anderen5. Wilt gij met geduld volharden, nu uw Heer uwe volharding gadeslaat.23.Zij die niet hopen ons bij de opstanding te ontmoeten, zeggen: Zoolang de engelen niet tot ons worden nedergezonden, of wij zelven onzen Heer niet zien, zullen wij niet gelooven. Waarlijk, zij gedragen zich overmoedigen hebben op vreeselijke wijze gezondigd.24.Op den dag waarop zij de engelen zullen zien komen6, zullen er geene blijde tijdingen voor de zondaren zijn, en zij zullen zeggen: Dit zij verre van ons verwijderd.25.Dan zullen wij komen tot de werken, welke zij gewrocht hebben, en wij zullen die tot stof maken, dat naar alle zijden wordt heenverspreid.26.Op dien dag zullen zij, welke voor het paradijs zijn bestemd, gelukzalig in hun verblijf wezen, en des middags eene heerlijke rustplaats hebben7.27.Op dien dag zal de hemel door de wolken gekliefd en de engelen zullen nedergezonden worden en zichtbaar nederdalen8;28.Op dien dag zal het ware koninkrijk geheel aan den Barmhartige toebehooren, en die dag zal moeielijk zijn voor de ongeloovige.29.Op dien dag zal de onrechtvaardige9uit angst en wanhoop, in zijne handen bijten, en zeggen: Ach! had ik slechts den weg der waarheid met den gezant gekozen.30.Wee over mij! Ach! had ik niet zulk een10tot mijn vriend gekozen.31.Hij lokte mij van Gods vermaning af, nadat die tot mij was gekomen; want de duivel is de verrader van den mensch.32.En de gezant zal zeggen: O Heer! mijn volk acht dezen Koran als een ijdel samenstelsel.33.Op dezelfde wijzehebben wij iederen profeet de zondaren tot vijanden gegeven. Maar uw Heer is een voldoend leider en verdediger.34.De ongeloovigen zeggen: Zoolang de Koran hem niet in zijn geheel en op eens worde nedergezonden11, zullen wij niet gelooven. Maar wij hebben dien op deze wijze geopenbaard, opdat wij daardoor uw hart zouden mogen bevestigen12, en wij hebben die allengs, bij onderscheiden gedeelten voorgezegd.35.Zij zullen nimmer met een vreemde vraag tot u komen, of wij zullen u de waarheid tot antwoord en eene uitmuntende uitlegging brengen.36.Zij die op hunne aangezichten in de hel zullen worden geworpen, zullen in den ellendigsten toestand verkeeren en het verst van den weg des heils verwijderd zijn.37.Wij gaven vroeger aanMozeshet boek der wet, en wij wezen hemAäron, zijn broeder, tot raadgever aan.38.En wij zeiden tot hen: Gaat tot het volk dat onze teekenen van valschheid beschuldigt. En wij verdelgen hem met eene volslagen vernietiging.39.En herdenk het volk vanNoach, toen zij onze gezanten van bedrog beschuldigden; wij verdronken hen en maakten hen tot een teeken onder de menschen. En wij hebben voor den onrechtvaardige een pijnlijke straf gereed gemaakt.40.Gedenk ookAdenThamoed, en zij die teal Rasswoonden13, en vele andere geslachten in dat tijdperk.41.Aan ieder hunner stelden wij voorbeelden ter zijner vermaning, en ieder hunner verdelgden wij door eene geheele vernietiging.42.De Koreïshieten zijn de stad dikwijls voorbij getrokken,waarop wij een vreeselijke regen hebben doen nedervallen14. Hebben zij niet gezien waar die eens stond? Maar zij hopen niet te worden opgewekt.43.Als zij u zien, zullen zij u slechts met spot ontvangen, zeggende: Is hij dat, dien God als zijn gezant heeft gezonden?44.Waarlijk, hij had ons bijna van de aanbidding van onze goden afgetrokken, indien wij niet gestreng waren blijven volharden in onze onderwerping aan hen. Maar als zij de straf zullen zien, welke voor hen is gereed gemaakt, zullen zij ’t hierna weten, wie meer van het rechte pad is afgedwaald.45.Wat denkt gij? Zult gij de beschermer wezen van hem, die zijn hartstocht tot zijn God heeft genomen15?46.Verbeeldt gij u dat het grootste gedeelte hunner hoort of begrijpt? Zij zijn slechts gelijk aan het redelooze vee, ja, zij dwalen meer van het ware pad af.47.Beschouwt gij de werken van uwen Heer niet, hoe hij de schaduw vóór het opgaan der zon uitdrijft? Indien het hem had behaagd, zou hij deze voor eeuwig onbewegelijk hebben gemaakt. Daarna doen wij de zon oprijzen en tot gids strekken.48.En daarna verminderen wij die gemakkelijk.49.Hij is het, die den nacht bevolen heeft, u als een kleed te dekken, en de slaap om u rust geven, en hij heeft den dag voor het waken ingesteld.50.Hijishet, die de winden zendt, door welke de waterwolken voortdrijven, als de voorboden zijner genade16; en wij zenden zuiver water17van den hemel neder.51.Opdat wij daardoor eene doode streek zouden doen herleven, en om daarmede te drenken hetgeen wij hebben geschapen, zoowel vee als menschen, in grootengetale18.52.En wij verdeelen het onder hen op verschillende tijden, opdat zij zouden mogen overdenken; maar het grootste deel der menschen weigert, alleen uit ondankbaarheid, te overwegen19.53.Indien het ons zou hebben behaagd, hadden wij een spreker naar iedere stad gezonden.54.Gehoorzaam dus den ongeloovigen niet, maar bied hun met dit boek een hevigen weerstand.55.Hij is het die de twee zeeën heeft vereenigd: deze zoet en verfrisschend, gene, zout en bitter, en hij heeft eene afscheiding tusschen haar geplaatst20, en eene grens die niet overschreden kan worden.56.Hij is het die den mensch van water heeft geschapen21en de banden des bloeds en der verwantschap tusschen hen heeft doen ontstaan; want uw Heer is machtig.57.Zij aanbidden naast God datgene wat hen deren noch bevoordeelen kan, en de ongeloovige is een medestander van de duivel tegen zijn Heer22.58.Wij hebben u slechts gezonden om een boodschapper van goede tijdingen te zijn en tot bedreiging.59.Zeg: ik vraag van u geene belooning voor deze mijne prediking, behalve de bekeering van hem, die begeeren zal, den weg van zijn Heer te kiezen23.60.En stel uw vertrouwen in hem die leeft en niet sterft, en verkondig zijn lof (hij is voldoende bekend met de zonden zijner dienaren). Die in zes dagen de hemelen en de aarde heeft geschapen en alles wat daartusschen is, en daarna zijn troon besteeg. De Barmhartige: vraag den wijze nopens hem.61.Als den ongeloovige wordt gezegd: Aanbidt den Genadige! hernemen zij: En wie is de Genadige24? Zullen wij aanbidden wat gij ons beveelt? En dit voorschrift doet hen het geloof nog meer ontvluchten.62.Gezegend zij hij die de twaalf teekenen in de hemelenheeft gesteld, en daarin des daags eene lamp25plaatste en de maan die des nachts schijnt.63.Hij is het die den nacht en dag bevolen heeft elkander op volgen, voor hem die overwegen wil, of zijne dankbaarheid verlangt te betoonen.64.De dienaren van den Barmhartige zijn zij, die zedig op de aarde wandelen, en die, als de onwetende tot hen spreekt, antwoorden: Vrede.65.En die de nacht doorbrengen in de aanbidding van hunnen Heer, opstaande om tot hem te bidden.66.En die zeggen: O Heer! leid ons van de pijniging der hel af; want de marteling daarvan duurt eeuwig. Waarlijk, het is een ellendig verblijf en eene slechte rustplaats.67.Die, wanneer zij giften doen, ruim noch karig zijn; maar den juisten middenweg daartusschen in acht nemen26.68.En die geen anderen god naast den waren God aanroepen, noch de ziel dooden welke God verboden heeft te dooden, behalve voor eene rechtvaardige zaak, of die zich niet aan ontucht schuldig maken. Maar hij die dit doet, zal de vergelding zijner zonde ontmoeten.69.Zijne straf zal op den dag der opstanding verdubbeld worden, en hij zal, met schande bedekt, die eeuwig verduren.70.Behalve zij die berouw betoonen en gelooven, en rechtvaardige werken doen zullen: voor hen zal God hunne vroegere zonden in goede werken veranderen27; want God is vergevingsgezind en barmhartig.71.En wie berouw betoont en doet wat rechtvaardig is, waarlijk, hij keert zich tot God met eene aannemelijke bekeering.72.En zij die geene valsche getuigenis afleggen, en welke, als zij bij een ijdel gesprek tegenwoordig zijn, dit op betamelijke wijze ontduiken,73.En die, als zij door de teekens van hunnen Heer worden vermaand, niet nedervallen alsof zij doof en blind waren, maar opstaan, en daaraan een aandachtig oor leenen.74.En die zeggen: O Heer! verleen ons, in onze vrouwen en in onze kinderen, dezulken, die de voldoening onzer oogen zijn, en maak ons tot toonbeelden onder hen die u vreezen.75.Deze zullen beloond worden met de hoogste afdeeling in het paradijs, opdat zij met standvastigheid hebben volhard, en zij zullen daar het heil en den vrede vinden.76.Eeuwig zullen zij daarin verblijven. Het zal een uitmuntend verblijf, en eene heerlijke rustplaats wezen.77.Zeg: God bekreunt zich niet om u, of gij hem al dan niet aanroept: gij hebt zijn gezant reeds van bedrog beschuldigd; maar hierna, zal u eene voortdurende straf worden opgelegd.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1.Gezegend zij hij die den Forkan aan zijn dienaar heeft geopenbaard, opdat deze een prediker voor alle schepselen zou zijn;2.Aan wien het koninkrijk des hemels en der aarde behoort; die geene nakomelingschap heeft geteeld, en geen deelgenoot in zijn koninkrijk heeft; die alle dingen heeft geschapen en daarover naar zijn bepaalden wil beschikt.3.Zij hebben buiten hem andere goden gekozen, die niets hebben geschapen, maar zelven geschapen zijn2.4.En die noch in staat zijn het kwaad van zich af te weren, noch zich het goede te verschaffen, en die noch over den dood, noch over het leven bevelen, noch de kracht bezitten, waardoor de dooden weder worden opgewekt.5.En de ongeloovigen zeggen: Deze Koran is niets anders dan eene door hem uitgedachte leugen, en anderen hebben hem daarin bijgestaan3; maar zij spraken eene onrechtvaardige zaak en eene leugen uit.6.Zij zeggen ook: Dit zijn fabelen der ouden, welke hij heeft doen nederschrijven, en zij worden hem des ochtends en des avonds voorgezegd.7.Zeg: Het is geopenbaard door hem, die de geheimen van hemel en aarde kent. Waarlijk, hij is barmhartig en genadig.8.En zij zeggen: Welk soort gezant is deze? Hij nuttigt voedsel en wandelt in de straten4.zooals wij doen. Tot hem een engel zal worden nedergezonden om met hem te prediken;9.Of tot hem een schat worde nedergezonden, of hij een tuin bezitte, van welks vruchten hij mag eten, zullen wij niet gelooven. De goddeloozen zeggen ook: Gij volgt slechts een betooverd man.10.Zie wat zij nopens u denken; maar zij zijn verdwaald, en zullen nimmer, eene juiste gelegenheid hebben, om het licht te vinden,11.Gezegend zij hij, die, wanneer het hem behaagt, eene betere belooning voor u zal bereiden, dan diegene waarvan zij spreken; namelijk tuinen, door welke rivieren stroomen, en hij zal u paleizen schenken.12.Maar zij verwerpen het geloof aan het uur des oordeels als eene leugen.13.En wij hebben voor hen, die het geloof aan dat uur verwerpen, een brandend vuur gereed gemaakt; als het hen van verre zal zien, zal het vreeselijk brullen en woeden.14.En als zij, te zamen gebonden, in een enge plaats daarvan zullen worden geworpen, zullen zij daar om den dood roepen,15.Maar men zal hun antwoorden: Roep heden niet om één dood, maar roep om verscheiden dooden.16.Zeg: Is dit beter, of een tuin van eeuwigen duur, die den vrome is beloofd? Deze zal hun als een belooning en een verblijf worden gegeven.17.Daarin zullen zij alles hebben wat hun behaagt, terwijl zij daarin eeuwig zullen verblijven. Dit is eene belofte, welke zij uit de handen van hunnen heer kunnen vorderen.18.Op een zekeren dag zal hij hen verzamelen, en alles wat zij naast God aanbidden, en hij zal tot de aangebedenen zeggen: Hebt gij deze mijne dienaren verleid, of dwaalden zij uit eigen beweging van den rechten weg af?19.Zij zullen antwoorden: God verhoede! Het was ons onmogelijk, andere beschermers buiten u te kiezen, maar gij veroorloofdet hun en hunnen vaderen overvloed te genieten, waardoor zij uwe vermaning vergaten, en verloren gingen.20.En God zal tot hunne aanbidders zeggen: Thans hebben deze u van leugen overtuigd in hetgeen gij zegt. Zij kunnen noch uwe straf afwenden, noch u eenige ondersteuning schenken.21.En dengenen van u die aan onrechtvaardigheid schuldig zal zijn zullen wij eene gestrenge pijniging doen ondergaan.22.Wij hebben geene gezanten, vóór u gezonden dan die, als de andere menschen, voedsel nuttigden en door de straten wandelden, en wij maakten sommigen uwer tot een middel ter beproeving voor anderen5. Wilt gij met geduld volharden, nu uw Heer uwe volharding gadeslaat.23.Zij die niet hopen ons bij de opstanding te ontmoeten, zeggen: Zoolang de engelen niet tot ons worden nedergezonden, of wij zelven onzen Heer niet zien, zullen wij niet gelooven. Waarlijk, zij gedragen zich overmoedigen hebben op vreeselijke wijze gezondigd.24.Op den dag waarop zij de engelen zullen zien komen6, zullen er geene blijde tijdingen voor de zondaren zijn, en zij zullen zeggen: Dit zij verre van ons verwijderd.25.Dan zullen wij komen tot de werken, welke zij gewrocht hebben, en wij zullen die tot stof maken, dat naar alle zijden wordt heenverspreid.26.Op dien dag zullen zij, welke voor het paradijs zijn bestemd, gelukzalig in hun verblijf wezen, en des middags eene heerlijke rustplaats hebben7.27.Op dien dag zal de hemel door de wolken gekliefd en de engelen zullen nedergezonden worden en zichtbaar nederdalen8;28.Op dien dag zal het ware koninkrijk geheel aan den Barmhartige toebehooren, en die dag zal moeielijk zijn voor de ongeloovige.29.Op dien dag zal de onrechtvaardige9uit angst en wanhoop, in zijne handen bijten, en zeggen: Ach! had ik slechts den weg der waarheid met den gezant gekozen.30.Wee over mij! Ach! had ik niet zulk een10tot mijn vriend gekozen.31.Hij lokte mij van Gods vermaning af, nadat die tot mij was gekomen; want de duivel is de verrader van den mensch.32.En de gezant zal zeggen: O Heer! mijn volk acht dezen Koran als een ijdel samenstelsel.33.Op dezelfde wijzehebben wij iederen profeet de zondaren tot vijanden gegeven. Maar uw Heer is een voldoend leider en verdediger.34.De ongeloovigen zeggen: Zoolang de Koran hem niet in zijn geheel en op eens worde nedergezonden11, zullen wij niet gelooven. Maar wij hebben dien op deze wijze geopenbaard, opdat wij daardoor uw hart zouden mogen bevestigen12, en wij hebben die allengs, bij onderscheiden gedeelten voorgezegd.35.Zij zullen nimmer met een vreemde vraag tot u komen, of wij zullen u de waarheid tot antwoord en eene uitmuntende uitlegging brengen.36.Zij die op hunne aangezichten in de hel zullen worden geworpen, zullen in den ellendigsten toestand verkeeren en het verst van den weg des heils verwijderd zijn.37.Wij gaven vroeger aanMozeshet boek der wet, en wij wezen hemAäron, zijn broeder, tot raadgever aan.38.En wij zeiden tot hen: Gaat tot het volk dat onze teekenen van valschheid beschuldigt. En wij verdelgen hem met eene volslagen vernietiging.39.En herdenk het volk vanNoach, toen zij onze gezanten van bedrog beschuldigden; wij verdronken hen en maakten hen tot een teeken onder de menschen. En wij hebben voor den onrechtvaardige een pijnlijke straf gereed gemaakt.40.Gedenk ookAdenThamoed, en zij die teal Rasswoonden13, en vele andere geslachten in dat tijdperk.41.Aan ieder hunner stelden wij voorbeelden ter zijner vermaning, en ieder hunner verdelgden wij door eene geheele vernietiging.42.De Koreïshieten zijn de stad dikwijls voorbij getrokken,waarop wij een vreeselijke regen hebben doen nedervallen14. Hebben zij niet gezien waar die eens stond? Maar zij hopen niet te worden opgewekt.43.Als zij u zien, zullen zij u slechts met spot ontvangen, zeggende: Is hij dat, dien God als zijn gezant heeft gezonden?44.Waarlijk, hij had ons bijna van de aanbidding van onze goden afgetrokken, indien wij niet gestreng waren blijven volharden in onze onderwerping aan hen. Maar als zij de straf zullen zien, welke voor hen is gereed gemaakt, zullen zij ’t hierna weten, wie meer van het rechte pad is afgedwaald.45.Wat denkt gij? Zult gij de beschermer wezen van hem, die zijn hartstocht tot zijn God heeft genomen15?46.Verbeeldt gij u dat het grootste gedeelte hunner hoort of begrijpt? Zij zijn slechts gelijk aan het redelooze vee, ja, zij dwalen meer van het ware pad af.47.Beschouwt gij de werken van uwen Heer niet, hoe hij de schaduw vóór het opgaan der zon uitdrijft? Indien het hem had behaagd, zou hij deze voor eeuwig onbewegelijk hebben gemaakt. Daarna doen wij de zon oprijzen en tot gids strekken.48.En daarna verminderen wij die gemakkelijk.49.Hij is het, die den nacht bevolen heeft, u als een kleed te dekken, en de slaap om u rust geven, en hij heeft den dag voor het waken ingesteld.50.Hijishet, die de winden zendt, door welke de waterwolken voortdrijven, als de voorboden zijner genade16; en wij zenden zuiver water17van den hemel neder.51.Opdat wij daardoor eene doode streek zouden doen herleven, en om daarmede te drenken hetgeen wij hebben geschapen, zoowel vee als menschen, in grootengetale18.52.En wij verdeelen het onder hen op verschillende tijden, opdat zij zouden mogen overdenken; maar het grootste deel der menschen weigert, alleen uit ondankbaarheid, te overwegen19.53.Indien het ons zou hebben behaagd, hadden wij een spreker naar iedere stad gezonden.54.Gehoorzaam dus den ongeloovigen niet, maar bied hun met dit boek een hevigen weerstand.55.Hij is het die de twee zeeën heeft vereenigd: deze zoet en verfrisschend, gene, zout en bitter, en hij heeft eene afscheiding tusschen haar geplaatst20, en eene grens die niet overschreden kan worden.56.Hij is het die den mensch van water heeft geschapen21en de banden des bloeds en der verwantschap tusschen hen heeft doen ontstaan; want uw Heer is machtig.57.Zij aanbidden naast God datgene wat hen deren noch bevoordeelen kan, en de ongeloovige is een medestander van de duivel tegen zijn Heer22.58.Wij hebben u slechts gezonden om een boodschapper van goede tijdingen te zijn en tot bedreiging.59.Zeg: ik vraag van u geene belooning voor deze mijne prediking, behalve de bekeering van hem, die begeeren zal, den weg van zijn Heer te kiezen23.60.En stel uw vertrouwen in hem die leeft en niet sterft, en verkondig zijn lof (hij is voldoende bekend met de zonden zijner dienaren). Die in zes dagen de hemelen en de aarde heeft geschapen en alles wat daartusschen is, en daarna zijn troon besteeg. De Barmhartige: vraag den wijze nopens hem.61.Als den ongeloovige wordt gezegd: Aanbidt den Genadige! hernemen zij: En wie is de Genadige24? Zullen wij aanbidden wat gij ons beveelt? En dit voorschrift doet hen het geloof nog meer ontvluchten.62.Gezegend zij hij die de twaalf teekenen in de hemelenheeft gesteld, en daarin des daags eene lamp25plaatste en de maan die des nachts schijnt.63.Hij is het die den nacht en dag bevolen heeft elkander op volgen, voor hem die overwegen wil, of zijne dankbaarheid verlangt te betoonen.64.De dienaren van den Barmhartige zijn zij, die zedig op de aarde wandelen, en die, als de onwetende tot hen spreekt, antwoorden: Vrede.65.En die de nacht doorbrengen in de aanbidding van hunnen Heer, opstaande om tot hem te bidden.66.En die zeggen: O Heer! leid ons van de pijniging der hel af; want de marteling daarvan duurt eeuwig. Waarlijk, het is een ellendig verblijf en eene slechte rustplaats.67.Die, wanneer zij giften doen, ruim noch karig zijn; maar den juisten middenweg daartusschen in acht nemen26.68.En die geen anderen god naast den waren God aanroepen, noch de ziel dooden welke God verboden heeft te dooden, behalve voor eene rechtvaardige zaak, of die zich niet aan ontucht schuldig maken. Maar hij die dit doet, zal de vergelding zijner zonde ontmoeten.69.Zijne straf zal op den dag der opstanding verdubbeld worden, en hij zal, met schande bedekt, die eeuwig verduren.70.Behalve zij die berouw betoonen en gelooven, en rechtvaardige werken doen zullen: voor hen zal God hunne vroegere zonden in goede werken veranderen27; want God is vergevingsgezind en barmhartig.71.En wie berouw betoont en doet wat rechtvaardig is, waarlijk, hij keert zich tot God met eene aannemelijke bekeering.72.En zij die geene valsche getuigenis afleggen, en welke, als zij bij een ijdel gesprek tegenwoordig zijn, dit op betamelijke wijze ontduiken,73.En die, als zij door de teekens van hunnen Heer worden vermaand, niet nedervallen alsof zij doof en blind waren, maar opstaan, en daaraan een aandachtig oor leenen.74.En die zeggen: O Heer! verleen ons, in onze vrouwen en in onze kinderen, dezulken, die de voldoening onzer oogen zijn, en maak ons tot toonbeelden onder hen die u vreezen.75.Deze zullen beloond worden met de hoogste afdeeling in het paradijs, opdat zij met standvastigheid hebben volhard, en zij zullen daar het heil en den vrede vinden.76.Eeuwig zullen zij daarin verblijven. Het zal een uitmuntend verblijf, en eene heerlijke rustplaats wezen.77.Zeg: God bekreunt zich niet om u, of gij hem al dan niet aanroept: gij hebt zijn gezant reeds van bedrog beschuldigd; maar hierna, zal u eene voortdurende straf worden opgelegd.

1Al Forkan, of de onderscheiding, is een der namen van den Koran.2Zijnde de hemelsche lichamen, of de afgodsbeelden en de werken van des menschen handen.3ZieHoofdstuk XVI, vers 105.4Zijnde aan dezelfde natuurlijke behoeften en gebreken onderworpen. De bewoners vanMekkawaren metMahomet, zijne omstandigheden en levenswijze te goed bekend, om hunne oude vertrouwelijkheid in den eerbied te veranderen, dien zij aan den gezant van God schuldig waren; want geen profeet wordt in zijn land geëerd. Sommigen lezen hier: op de markt.5Door gelegenheid te geven tot afgunst, nijd en kwaadaardigheid: zooals, bij voorbeeld, de armen, geringen en zieken, als zij hunnen eigenen toestand vergelijken met dien van den rijke, edele en welvarende en door het volk aan hetwelke profeten waren gezonden, door die profeten te beproeven (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).6Zijnde bij hunnen dood of bij de opstanding.7Want op den dag der opstanding zullen de zaken op dat tijdstip zijn afgeloopen, en de gelukzaligen zullen hunnen middag in het paradijs en de verdoemden in de hel doorbrengen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).8Zijnde: Zij zullen vaneen scheiden en ruimte maken voor de wolken, die met de engelen zullen nederdalen, de boeken dragen, waarin de daden van ieder mensch zijn vermeld.9Door sommigen wordt verondersteld, dat deze woorden bijzonder betrekking hebben opOkba Ebn Abi Moait, die gewoon was veelal inMahometsgezelschap te zijn. Eens noodigde hij hem tot een bezoek uit: de profeet weigerde van zijn vleesch te proeven, tenzij hij den Islam omhelsde, hetgeen hij dientengevolge deed. Spoedig daarna ontmoetteOkbazijn vertrouwden vriendObba Ebn Khalf. Deze berispte hem, omdat hij van godsdienst was veranderd, dochOkbaverzekerde dat dit niet zoo was, maar dat hij alleen de belijdenis van het Islamismus had afgelegd omMahometer toe te brengen, met hem te eten, daar hij zich schaamde hem zonder eten uit zijn huis te laten gaan.Obbazeide echter dat hij niet voldaan zou wezen, zoo lang hijMahometniet had opgezocht, hem zijn voet op den nek gezet en hem in het gezicht gespuwd zou hebben, hetgeenOkba, om zijn vriend niet te verliezen, op de openbare vergaderplaats deed, waar hijMahometvond zitten. De profeet zeide hem daarop, dat hij hem het hoofd zou afsnijden, zoodra hij hem buitenMekkamocht ontmoeten. En hij hield zijn woord; want toenOkbalater in den veldslag vanBedrwerd gevangen genomen, werd zijn hoofd, opMahometsbevel, doorAliafgeslagen. WatObbabetreft, hij ontving eene wonde van des profeten eigen hand in den slag vanOpod, tengevolge waarvan hij bij zijn terugkeer teMekkaoverleed (Al Beidâwi. ZieGagnier,Vie de Moham.vol. I. p. 362).10Overeenkomstig de voorafgaande noot was ditObba Ebn Khalf.11Zooals, volgens de meening der Mahomedanen, de Pentateuchus, de psalmen en het Evangelie, terwijl het drieëntwintig jaren duurde alvorens de Koran in zijn geheel werd geopenbaard.12Zoowel om u moed en standvastigheid in te boezemen, als om uw geheugen en uw verstand te versterken. Want, zeggen de uitleggers, de profeet ontving van tijd tot tijd de goddelijke leidingen hoe hij zich gedragen en bij een of andere dringende gelegenheid spreken moest, waarbij de herhaalde bezoeken van den engelGabriëlhem grootelijks in al die moeielijkheden aanmoedigden en ondersteunden. Bovendien was de openbaring van den Koran bij gedeelten eene groote en voor hem een noodzakelijke hulp, om dien te begrijpen en te onthouden, hetgeen voor hem geheel onmogelijk ware geweest, het met eenige nauwkeurigheid te doen, indien die in eens ware geopenbaard. Zij voegen er bij, dat het geval vanMahometgeheel verschillend was van dat vanMozes,DavidenJezus, die allen lezen en schrijven konden, terwijl hij geheel ongeletterd, was (Al Beidâwi, enz.)13De uitleggers zijn er mede verlegen, waar zijal Rasszullen plaatsen. Volgens een hunner was het de naam van eenen bron (hetgeen ook de beteekenis van het woord is) nabijMidian, waar sommige afgodendienaars hunne woningen hadden gevestigd en waarheen de profeetShoaibwerd gezonden, om voor hen te prediken; doch daar zij niet in hem geloofden, viel de bron in en zij en hunne huizen werden verzwolgen. Een ander veronderstelt, dat het eene stad inYamamawas, waar eenige overgeblevenen van de Thamoediten woonden, aan welken mede een profeet werd gezonden; doch zij dooddenhem en werden daarop geheel verdelgd. Een ander meent, dat het eene bron nabijAntiochiëwas, waarHabib al Najjar, wiens graf daar nog te zien is en dikwijls door de Mahomedanen wordt bezocht [ZieHoofdstuk XXXVI] werd gemarteld (ZieAbul’f,Geog. Vit. Saladinep. 86). Een vierde ziet inal Rasseene bron inHadramaut, in welker nabijheid eenige afgodendienende Thamoediten woonden, wier profeetHandhaofKhantala Ebn Safwanwas. Dit volk werd het eerst verontrust door zekere reusachtige vogelsAnkagenaamd, die in den berg boven hen waren genesteld en hunne kinderen wegvoerden, als zij een prooi begeerden; maar zij bekreunden zich zoo weinig over deze ramp, dat, toen de profeet een oordeel over die dieren afsmeekte, zij hem doodden, waarna zij allen verdelgd werden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).14Zijnde Sodom. De Koreïshieten trokken namelijk gedurende de reizen welke zij, voor handelszaken, naarSyriëdeden, dikwijls de plaats voorbij, waar die stad eens had gestaan.15Zijnde: Verwacht gij zulk een van afgoderij en ongeloof te zullen kunnen terughouden?16ZieHoofdstuk VII, vers 55.17Eigenlijkzuiverendwater, welke bijnaam waarschijnlijk betrekking heeft op de reinigende eigenschap dier vloeistof, welke van zulk uitgebreid gebruik is, zoowel in het godsdienstige als in het gewone leven.18Dat is aan de zulken, die in de dorre woestijnen leven, en verplicht zijn regenwater te drinken, hetgeen de bewoners van steden, en van plaatsen, welke van bronwater zijn voorzien, niet noodig hebben.19Of uit ongeloof. De oude Arabieren waren namelijk gewoon te denken, dat zij den regen niet aan God maar aan een invloed van sommige bijzondere sterren te danken hadden.20Om hen afzonderlijk te houden en te voorkomen dat zij zich met elkander vermengen. Het oorspronkelijke woord isparzakh, hetgeen reeds vroegerHoofdstuk XXIIInoot van vers 102 werd uitgelegd.21Waarmede de oorspronkelijke klei werd vermengd, of van zaad. (ZieHoofdstuk XXIV, vers 44.).22Door zich met hem, in zijne weerspannigheid, in zijn ongeloof te vereenigen. Sommigen meenen dat op deze plaats vooralAboe Jahlwordt bedoeld. De woorden kunnen ook aldus worden vertaald: De ongeloovige is verachtelijk voor de oogen van zijn Heer.23Trachtende hem te naderen, door den godsdienst te omhelzen, welke door mij, zijn profeet, wordt geleerd, hetgeen de beste belooning is, welke ik van u voor mijn arbeid verwacht (Al Beidâwi). Deze plaats kan echter nog anders worden opgevat, en wel aldus: DatMahometniemand iets zal geven dan aan hem, die vrijwillig en volgaarne zal bijdragen tot den vooruitgang van Gods waren eeredienst.24ZieHoofdstuk XVII, vers 110.25Zijnde de zon.26ZieHoofdstuk XVII, vers 28.27Hunne vroegere weerspannigheid uitwisschende, door hun berouw en hun geloof, en hunne gehoorzaamheid bevestigende en uitbreidende (Al Beidâwi).

1Al Forkan, of de onderscheiding, is een der namen van den Koran.

2Zijnde de hemelsche lichamen, of de afgodsbeelden en de werken van des menschen handen.

3ZieHoofdstuk XVI, vers 105.

4Zijnde aan dezelfde natuurlijke behoeften en gebreken onderworpen. De bewoners vanMekkawaren metMahomet, zijne omstandigheden en levenswijze te goed bekend, om hunne oude vertrouwelijkheid in den eerbied te veranderen, dien zij aan den gezant van God schuldig waren; want geen profeet wordt in zijn land geëerd. Sommigen lezen hier: op de markt.

5Door gelegenheid te geven tot afgunst, nijd en kwaadaardigheid: zooals, bij voorbeeld, de armen, geringen en zieken, als zij hunnen eigenen toestand vergelijken met dien van den rijke, edele en welvarende en door het volk aan hetwelke profeten waren gezonden, door die profeten te beproeven (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).

6Zijnde bij hunnen dood of bij de opstanding.

7Want op den dag der opstanding zullen de zaken op dat tijdstip zijn afgeloopen, en de gelukzaligen zullen hunnen middag in het paradijs en de verdoemden in de hel doorbrengen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).

8Zijnde: Zij zullen vaneen scheiden en ruimte maken voor de wolken, die met de engelen zullen nederdalen, de boeken dragen, waarin de daden van ieder mensch zijn vermeld.

9Door sommigen wordt verondersteld, dat deze woorden bijzonder betrekking hebben opOkba Ebn Abi Moait, die gewoon was veelal inMahometsgezelschap te zijn. Eens noodigde hij hem tot een bezoek uit: de profeet weigerde van zijn vleesch te proeven, tenzij hij den Islam omhelsde, hetgeen hij dientengevolge deed. Spoedig daarna ontmoetteOkbazijn vertrouwden vriendObba Ebn Khalf. Deze berispte hem, omdat hij van godsdienst was veranderd, dochOkbaverzekerde dat dit niet zoo was, maar dat hij alleen de belijdenis van het Islamismus had afgelegd omMahometer toe te brengen, met hem te eten, daar hij zich schaamde hem zonder eten uit zijn huis te laten gaan.Obbazeide echter dat hij niet voldaan zou wezen, zoo lang hijMahometniet had opgezocht, hem zijn voet op den nek gezet en hem in het gezicht gespuwd zou hebben, hetgeenOkba, om zijn vriend niet te verliezen, op de openbare vergaderplaats deed, waar hijMahometvond zitten. De profeet zeide hem daarop, dat hij hem het hoofd zou afsnijden, zoodra hij hem buitenMekkamocht ontmoeten. En hij hield zijn woord; want toenOkbalater in den veldslag vanBedrwerd gevangen genomen, werd zijn hoofd, opMahometsbevel, doorAliafgeslagen. WatObbabetreft, hij ontving eene wonde van des profeten eigen hand in den slag vanOpod, tengevolge waarvan hij bij zijn terugkeer teMekkaoverleed (Al Beidâwi. ZieGagnier,Vie de Moham.vol. I. p. 362).

10Overeenkomstig de voorafgaande noot was ditObba Ebn Khalf.

11Zooals, volgens de meening der Mahomedanen, de Pentateuchus, de psalmen en het Evangelie, terwijl het drieëntwintig jaren duurde alvorens de Koran in zijn geheel werd geopenbaard.

12Zoowel om u moed en standvastigheid in te boezemen, als om uw geheugen en uw verstand te versterken. Want, zeggen de uitleggers, de profeet ontving van tijd tot tijd de goddelijke leidingen hoe hij zich gedragen en bij een of andere dringende gelegenheid spreken moest, waarbij de herhaalde bezoeken van den engelGabriëlhem grootelijks in al die moeielijkheden aanmoedigden en ondersteunden. Bovendien was de openbaring van den Koran bij gedeelten eene groote en voor hem een noodzakelijke hulp, om dien te begrijpen en te onthouden, hetgeen voor hem geheel onmogelijk ware geweest, het met eenige nauwkeurigheid te doen, indien die in eens ware geopenbaard. Zij voegen er bij, dat het geval vanMahometgeheel verschillend was van dat vanMozes,DavidenJezus, die allen lezen en schrijven konden, terwijl hij geheel ongeletterd, was (Al Beidâwi, enz.)

13De uitleggers zijn er mede verlegen, waar zijal Rasszullen plaatsen. Volgens een hunner was het de naam van eenen bron (hetgeen ook de beteekenis van het woord is) nabijMidian, waar sommige afgodendienaars hunne woningen hadden gevestigd en waarheen de profeetShoaibwerd gezonden, om voor hen te prediken; doch daar zij niet in hem geloofden, viel de bron in en zij en hunne huizen werden verzwolgen. Een ander veronderstelt, dat het eene stad inYamamawas, waar eenige overgeblevenen van de Thamoediten woonden, aan welken mede een profeet werd gezonden; doch zij dooddenhem en werden daarop geheel verdelgd. Een ander meent, dat het eene bron nabijAntiochiëwas, waarHabib al Najjar, wiens graf daar nog te zien is en dikwijls door de Mahomedanen wordt bezocht [ZieHoofdstuk XXXVI] werd gemarteld (ZieAbul’f,Geog. Vit. Saladinep. 86). Een vierde ziet inal Rasseene bron inHadramaut, in welker nabijheid eenige afgodendienende Thamoediten woonden, wier profeetHandhaofKhantala Ebn Safwanwas. Dit volk werd het eerst verontrust door zekere reusachtige vogelsAnkagenaamd, die in den berg boven hen waren genesteld en hunne kinderen wegvoerden, als zij een prooi begeerden; maar zij bekreunden zich zoo weinig over deze ramp, dat, toen de profeet een oordeel over die dieren afsmeekte, zij hem doodden, waarna zij allen verdelgd werden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).

14Zijnde Sodom. De Koreïshieten trokken namelijk gedurende de reizen welke zij, voor handelszaken, naarSyriëdeden, dikwijls de plaats voorbij, waar die stad eens had gestaan.

15Zijnde: Verwacht gij zulk een van afgoderij en ongeloof te zullen kunnen terughouden?

16ZieHoofdstuk VII, vers 55.

17Eigenlijkzuiverendwater, welke bijnaam waarschijnlijk betrekking heeft op de reinigende eigenschap dier vloeistof, welke van zulk uitgebreid gebruik is, zoowel in het godsdienstige als in het gewone leven.

18Dat is aan de zulken, die in de dorre woestijnen leven, en verplicht zijn regenwater te drinken, hetgeen de bewoners van steden, en van plaatsen, welke van bronwater zijn voorzien, niet noodig hebben.

19Of uit ongeloof. De oude Arabieren waren namelijk gewoon te denken, dat zij den regen niet aan God maar aan een invloed van sommige bijzondere sterren te danken hadden.

20Om hen afzonderlijk te houden en te voorkomen dat zij zich met elkander vermengen. Het oorspronkelijke woord isparzakh, hetgeen reeds vroegerHoofdstuk XXIIInoot van vers 102 werd uitgelegd.

21Waarmede de oorspronkelijke klei werd vermengd, of van zaad. (ZieHoofdstuk XXIV, vers 44.).

22Door zich met hem, in zijne weerspannigheid, in zijn ongeloof te vereenigen. Sommigen meenen dat op deze plaats vooralAboe Jahlwordt bedoeld. De woorden kunnen ook aldus worden vertaald: De ongeloovige is verachtelijk voor de oogen van zijn Heer.

23Trachtende hem te naderen, door den godsdienst te omhelzen, welke door mij, zijn profeet, wordt geleerd, hetgeen de beste belooning is, welke ik van u voor mijn arbeid verwacht (Al Beidâwi). Deze plaats kan echter nog anders worden opgevat, en wel aldus: DatMahometniemand iets zal geven dan aan hem, die vrijwillig en volgaarne zal bijdragen tot den vooruitgang van Gods waren eeredienst.

24ZieHoofdstuk XVII, vers 110.

25Zijnde de zon.

26ZieHoofdstuk XVII, vers 28.

27Hunne vroegere weerspannigheid uitwisschende, door hun berouw en hun geloof, en hunne gehoorzaamheid bevestigende en uitbreidende (Al Beidâwi).

Zes en Twintigste Hoofdstuk.De Dichters1.Geopenbaard teMekka2.—228 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.T. S. M.3. Dit zijn de teekens van het duidelijke boek.2.Misschien bedroeft gij u doodelijk, omdat de bewoners vanMekkaniet geloovig willen worden.3.Indien het ons behaagde, zouden wij hun een overtuigend teeken uit den hemel kunnen nederzenden, waarvoor zij hunne nekken nederig zouden krommen.4.Maar er komt van den Barmhartige, geene nieuwe vermaning tot hen welke naar de omstandigheden dit vereischen, wordt geopenbaard, waarvan zij zich niet afwenden.5.En zij hebben deze van valschheid beschuldigd; maar er zal een boodschap tot hen komen, waarmede zij niet zullen spotten.6.Hebben zij de aarde niet beschouwd, en gezien hoe veel verschillende planten, van allerlei edele soorten wij daaraan doen ontspruiten?7.Waarlijk, hierin is een teeken; maar het grootste deel hunner zijn ongeloovigen.8.Waarlijk, uw Heer is de machtige, de barmhartige God.9.Herdenk, toen uw HeerMozesriep, zeggende: Ga tot het onrechtvaardige volk:10.Het volk vanPharao. Zullen zij mij niet vreezen?11.Mozesantwoordde: O Heer! waarlijk, ik vrees, dat zij mij van logen zullen beschuldigen.12.En dat mijne borst vernauwd worde en dat mijn tong niet gereed zij tot spreken4; wijsAärondus aan om mijn helper te wezen.13.Ook kunnen zij mij eene misdaad tegenwerpen5, en ik vrees dat zij mij zullen dooden.14.God zeide: Zij zullen u volstrekt niet dooden: gaat dus met uwe teekenen; want wij zullen met u zijn, en wij willen hooren wat er tusschen u en hen geschiedt.15.Gaat dus totPharaoen zeg: Waarlijk, wij zijn de gezant6van den Heer van alle schepselen.16.Zend de kinderen Israëls met ons weg.17.En toen zij hunne boodschap hadden overgebracht, antwoorddePharao: Hebben wij u niet onder ons opgevoed, toen gij nog een kind waart, en hebt gij niet gedurende verscheidene jaren van uw leven onder ons gewoond7?18.Gij hebt de daad bedreven, welke gij bedreven hebt; en gij zijt een ondankbare.19.Mozeshernam: Inderdaad, ik deed het, en ik was een van hen die dwaalden8.20.Daarom ontvluchtte ik u, dewijl ik u vreesde; maar mijn Heer heeft mij wijsheid geschonken en mij tot een zijner gezanten aangewezen.21.En is de gunst, welke gij mij hebt geschonken, dat gij de kinderenIsraëlstot slaven maaktet?22.Pharaozeide: En wie is dan de Heer van alle schepselen?23.Mozesantwoordde: de Heer van alle hemel en aarde en van alles wat daartusschen is; indien gij lieden van verstand zijt.24.Pharaozeide tot degenen, die in zijne nabijheid waren: Hoort gij niet?25.Mozeszeide: Uw Heer en de Heer uwer voorvaderen.26.Pharaozeide tot hen die tegenwoordig waren: Uw gezant, die tot u werd gezonden is zeker bezeten9.27.Mozeszeide: de Heer van het Oosten en van het Westen en van alles wat daartusschen is; indien gij lieden van verstand zijt.28.Pharaozeide tot hem: Waarlijk, indien gij een anderen God naast mij kiest10, zal ik u gelijk doen wezen aan hen die gevangen zijn11.29.Mozesantwoordde: Wat! niettegenstaande ik met een overtuigend wonder tot u kom?30.Pharaohernam: Toon het dan, indien gij de waarheid spreekt.31.En hij wierp zijn staf neder, en ziet deze werd eene zichtbare slang.32.En hij trok zijne hand uit zijne borst en, ziet, zij was wit voor de toeschouwers,33.Pharaozeide tot de vorsten, die in zijne nabijheid waren: Waarlijk, deze man is een behendige toovenaar.34.Hij trachtu door zijne tooverij het bezit van u land te ontrooven: wat denkt gij dus te doen?35.Zij antwoordden: Stel hem en zijn broeder door goede woorden voor eenigen tijd uit, en zend mannen in de steden, die verzamelen.36.En tot u brengen alle behendige toovenaren.37.Zoo werden de toovenaren op een bepaalden tijd, op een plechtigen dag bijeenvergaderd.38.En tot het volk werd gezegd: Zijt gij bijeenvergaderd?39.Ja, antwoordde het volk onder zich, en wij zullen de toovenaren volgen, indien zij de overwinning behalen.40.Toen de toovenaars gekomen waren, zeiden zij totPharao: zullen wij zekerlijk eene belooning ontvangen, indien wij de overwinning behalen?41.Hij antwoordde: Ja, en gij zult mijn persoon mogen naderen.42.Mozeszeide tot hen: Werpt neder wat gij neder te werpen hebt.43.Daarop wierpen zij hunne koorden en hunne staven neer, en zeiden: Waarlijk, door de macht vanPharaozullen wij de overwinnaars zijn.44.EnMozeswierp zijn staf neder, en ziet, de staf verzwolg wat zij valschelijk hadden uitgedacht.45.Daarop wierpen zich de toovenaars biddend neder46.En zeiden: Wij gelooven in den Heer van alle schepselen.47.De Heer vanMozesenAäron.48.Pharaozeide tot hen: Hebt gij in hem geloofd, voor ik u verlof heb gegeven? Waarlijk hij is uw hoofd, die u de tooverij heeft geleerd12; maar later zult gij zeker mijne kracht kennen.49.Ik zal uwe handen en uwe voeten aan de tegenovergestelde zijden afsnijden, en ik zal u allen doen kruisigen.50.Zij antwoorden: Dit zal geen nadeel voor ons zijn; want wij zullen tot onzen Heer terugkeeren.51.Wij hopen dat onze Heer ons onze zonden zal vergeven, ons die de eersten waren welke geoorloofd hebben13.52.En wij spraken door openbaring totMozes, zeggende: Trek voort met mijne dienaren, des nachts; want gij zult vervolgd worden.53.EnPharaozond beambten in de steden om strijdkrachten te verzamelen54.Zeggende: Waarlijk de Israëlieten maken slechts eene kleine hoop volk uit.55.En zij zijn verwoed op ons.56.Maar wij vormen eene welvoorziene menigte.57.Zoo deden wij hun hunne tuinen, hunne fonteinen,58.hunne schatten en heerlijke woningen verlaten.59.Zoo deden wij, en wij deden die den kinderen Israëls erven14.60.En zij vervolgden henbij het opgaan der zon.61.En toen de beide legers in elkanders gezicht waren gekomen, zeiden de makkers vanMozes: Wij zullen zekerlijk worden overwonnen.62.Mozesantwoordde: Volstrekt niet: want mijn Heer is met mij; hij zal mij zekerlijk leiden.63.En wij bevalenMozesdoor openbaring, zeggende: Sla de zee met uwen staf. En toen hij haar had geslagen werd zij in twaalf afdeelingen verdeeld; ieder deel, dat een pad was, scheen een groote berg.64.En wij lieten de anderen naderen.65.En wij bevrijddenMozesen allen die met hem waren.66.Daarna verdronken wij de anderen.67.Waarlijk daarin was een teeken; maar het grootste aantal hunner geloofden niet.68.Waarlijk, uw Heer is de machtige en de barmhartige.69.En herinner hun de geschiedenis vanAbraham.70.Toen hij tot zijnen vader en zijn volk zeide: Wat aanbidt gij?71.Zij antwoordden: Wij aanbidden afgoden, en wij dienen deze alle dagen met standvastigheid.72.Abrahamzeide: Hooren zij u als gij hen aanroept?73.Of bevoordeelen, noch deren zij u?74.Zij antwoordden: Neen; maar wij zagen dat onze vaderen hetzelfde deden.75.Hij zeide: Wat denkt gij: De goden die gij aanbidt.76.En welke door uwe voorvaderen werden aangebeden.77.Zijn mijne vijanden, behalve slechts de Heer van alle schepselen.78.Die mij heeft geschapen en mij op den rechten weg leidt.79.En die mij geeft te eten en te drinken;80.En die mij geneest als ik ziek ben;81.En die mij zal doen sterven en mij daarna tot het leven zal terugbrengen.82.En die, naar ik hoop, mij mijne zonden op den dag des oordeels zal vergeven.83.O Heer! verleen mij wijsheid en vereenig mij met de rechtvaardigen.84.En geef, dat nog de laatste nakomelingschap met eer van mij spreke15;85.En maak mij tot een erfgenaam van den tuin der heerlijkheid;86.En vergeef mijn vader die tot de afdwalenden heeft behoord16.87.En bedek mij niet met schande op den dag der opstanding;88.Op den dag, waarop noch rijkdommen, noch kinderen van eenig voordeel zullen kunnen zijn.89.Behalve voor hem, die met een oprecht hart tot God zal komen;90.Als het paradijs voor het gezicht der vromen gebracht zal worden.91.En de hel geheel zal verschijnen voor hen die gedwaald zullen hebben;92.En tot hen zal gezegd worden: Waar zijn uwe godheden,93.welke gij naast God dient? Zullen zij u van straf bevrijden, of zullen zij zich zelven bevrijden?94.En zij zullen in de hel geworpenworden; zoowel zij17, als diegenen, welke tot hunne aanbidding werden verleid,95.En het geheele heir vanEblis.96.De verleiden zullen daar met hunne valsche goden twisten, zeggende:97.Bij God, wij verkeerden in eene duidelijke dwaling.98.Toen wij u met den Heer van alle schepselen gelijk stelden.99.De zondaren alleen hebben ons verleid.100.Thans hebben wij geene tusschentreders.101.Noch eenigen vriend die voor ons zorgt.102.Indien het ons veroorloofd ware, nog slechts eenmaal in de wereld terug te keeren, zouden wij zekerlijk ware geloovigen worden.103.Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste gedeelte hunner gelooven niet.104.Uw Heer is de machtige, de barmhartige.105.Het volk vanNoachbeschuldigde Gods zendingen van bedrog.106.Toen hun broederNoachtot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?107.Waarlijk, ik ben een geloofbare boodschapper voor u.108.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.109.Ik vraag geene belooning van u voor mijne prediking tot u; ik verwacht mijne belooning slechts van den Heer van alle schepselen.110.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.111.Zij antwoorden: Zullen wij u gelooven, die alleen door de laagsten uit het volk gevolgd wordt?112.Noachzeide: Ik heb geene kennis van hetgeen zij deden18.113.Zij zijn mijn Heer alleen rekenschap verschuldigd; begreept gij dit slechts!114.Daarom zal ik de geloovigen niet verdrijven19.115.Ik ben slechts een openbaar prediker.116.Zij hernamen: Zekerlijk, oNoach! indien gij niet ophoudt op deze wijze te handelen zult gij gesteenigd worden.117.Hij zeide: O Heer! waarlijk, mijn volk houdt mij voor een leugenaar.118.Richt dus in het openbaar tusschen mij en hen, en bevrijd mij en de ware geloovigen, die met mij zijn,119.Daarom bevrijdden wij hem, en degenen, die met hem waren in de ark, met menschen en dieren gevuld.120.En daarom verdronken wijde overigen.121.Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.122.Uw Heer is de machtige, de barmhartige,123.De stam vanAdbeschuldigde Gods boodschapper van logen.124.Toen hun broederHudtot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?125.Waarlijk, ik ben een geloofbaar boodschapper tot u.126.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.127.[ik vraag van u geenerlei belooning voor mijne prediking tot u; ik verwacht mijne belooning slechts van den Heer van alle schepselen.128.Bouwt gij een scheidspaal op iedere hoog gelegen plaats, om u te vermaken20?129.En richt gij prachtige werken op,in de hoop die eeuwig te bezitten?130.En als gij uwe macht uitoefent, oefent gij die met onbarmhartigheid en gestrengheid uit21.131.Vreest God, door deze dingen te verlaten en gelooft mij]22.132.En vreest hem, die u datgene heeft geschonken, wat gij kent.133.Hij heeft u vee geschonken en kinderen;134.En tuinen en fonteinen.135.Waarlijk, ik vrees voor u de straf van een gestrengen dag.136.Zij antwoordden: Het is ons gelijk, of gij ons al dan niet vermaant.137.Wat gij ons predikt is slechts een verzinsel der ouden.138.Nimmer zullen wij gestraft worden voor hetgeen wij hebben gedaan.139.En zij beschuldigden hem van bedrog, en daarom verdelgden wij hen. Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.140.Uw Heer is de machtige, de barmhartige.141.De stam vanThamoedbeschuldigde Gods gezanten eveneens van leugen.142.Toen hun broederSalehtot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?143.Waarlijk, ik ben een geloovig boodschapper voor u.144.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.145.Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking tot u: ik verwacht mijne belooning van niemand anders dan van den Heer van alle schepselen.146.Zult gij altijd in het zekere bezit blijven van de dingen die hier zijn,147.Waaronder tuinen en fonteinen.148.En korenvelden en palmboomen, wier takken met bloemen zijn beladen?149.En wilt gij voortgaan, u woningen uit de bergen te houwen, terwijl gij u onbeschaamd gedraagt23?150.Vreest God en gehoorzaamt mij.151.En gehoorzaamt niet het bevel der zondaren.152.Die snood op aarde handelen, en die zich niet verbeteren.153.Zij antwoordden: Waarlijk, gij zijt bezeten.154.Gij zijt slechts een mensch gelijk wij; toon ons een teeken indien gij de waarheid spreekt.155.Salehzeide: Deze wijfjes-kameel zal u een teeken zijn, zij zal haar deel water hebben en gij zult beurtelings uw deel water hebben op een zekeren, voor u bepaalden dag24.156.En deer haar niet, opdat u de straf van een vreeselijken dag niet worde opgelegd.157.Maar zij doodden haar en berouwden hunne boosheid.158.Want de straf, waarmede zij bedreigd waren geworden, overviel hen. Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel van hen geloofde niet.159.Uw Heer is de machtige, de genadige.160.Het volk vanLotbeschuldigdeGods boodschappers eveneens van bedrog.161.Toen hun broederLottot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?162.Waarlijk, ik ben een geloofbaar boodschapper tot u.163.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.164.Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking: Ik verwacht mijne belooning van geen ander dan van den Heer van alle schepselen.165.Nadert gij de mannelijke wezens onder de menschen.166.en verlaat gij uwe vrouwen, die uw Heer voor u heeft geschapen. Waarlijk, gij zijt zondaren.167.Zij zeiden: Indien gij zoo voortgaat, oLot! zult gij zekerlijk uit onze stad worden verdreven.168.Hij zeide: Waarlijk, ik behoor tot hen, die uwe daden verfoeien.169.O Heer! bevrijd mij en mijn gezin van hetgeen zij bedrijven.170.Daarom bevrijdden wij hem en zijn geheel gezin.171.Behalve eene oude vrouw, zijnde zijne vrouw, die omkwam met hen die achtergebleven waren.172.Daarna verdelgden wij de overigen.173.En wij deden eene bui van steenen op hen nederregenen, en vreeselijk was de regenbui die op degenen nederviel, welke te vergeefs waren gewaarschuwd.174.Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.175.Uw Heer is de machtige, de genadige.176.Ook de bewoners van het woud25beschuldigden Gods gezanten van bedrog.177.ToenShoaibtot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?178.Waarlijk ik ben een geloovig boodschapper voor u.179.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.180.Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking; ik verwacht mijne belooning van niemand anders dan van den Heer van alle schepselen.181.Geeft juist gewicht en weest geene bedriegers.182.En weegt met een gelijke weegschaal.183.En vermindert niet wat den menschen toekomt; bedrijft geen geweld op aarde; en handelt niet slecht.184.En vreest hem die u en de vroegere geslachten heeft geschapen.185.Zij antwoordden: Waarlijk gij zijt bezeten.186.Gij zijt niets meer dan een mensch gelijk wij en waarlijk, wij houden u voor een leugenaar.187.Doe thans een deel van den hemel op ons nedervallen, indien gij de Waarheid spreekt.188.Shoaibzeide. Mijn Heer weet het beste wat gij doet.189.En zij beschuldigden hen van bedrog; daarom overviel hen de straf van den dag der schaduwgevende wolk26,en dit was de straf van den vreeselijken dag.190.Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.191.Uw Heer is de machtige, de barmhartige.192.Dit boek is zekerlijk eene openbaring van den Heer van alle schepselen.193.Welke de getrouwe geest27op uw hart heeft doen nederdalen.194.Opdat gij een prediker voor uw volk zoudt zijn,195.In de duidelijke Arabische taal.196.Waarvan de getuigenis door de schriften van vroegere tijden wordt geleverd.197.Was het geen teeken voor hen, dat de wijze mannen onder de kinderen Israëls die kenden?198.Hadden wij het aan een der vreemdelingen geopenbaard.199.En hij zou het hun hebben voorgelezen, dan zouden zij daaraan niet hebben willen gelooven.200.Zoo deden wij hardnekkig ongeloof in de harten der zondaren binnentreden.201.Zij zullen daarin niet gelooven, dan nadat zij eene pijnlijke straf hebben gezien.202.Deze zal plotseling over hen komen, en zij zullen deze niet voorzien.203.En zij zullen zeggen: zal ons uitstel worden verleend?204.Verlangen zij dus dat onze straf zal worden verhaast28?205.Wat denkt gij? Indien wij hun toestaan het voordeel van dit leven voor vele jaren te genieten.206.En datgene, waarmede zij bedreigd werden, later over hen komt.207.Wat zal het hen van voordeel zijn, wat zij hebben genoten?208.Wij hebben geene stad verwoest, dan nadat er vooraf gezanten waren heengezonden.209.Ten einde de bewoners daarvan te waarschuwen, ook behandelden wij hen niet onrechtvaardig.210.De duivelen daalden niet neder met den Koran, zooals de ongeloovigen voorgeven;211.Dat komt niet overeen met hun doel; ook zijn zij niet in staat zulk een boek voort te brengen.212.Want zij zijn er ver van verwijderd, het gesprek der engelen in den hemel te hooren29.213.Roep geen anderen god met den waren God aan, opdat gij niet tot een van hen wordet, die ter straffe zijn gedoemd.214.En vermaan uwe naaste betrekkingen30.215.En gedraag u met zachtmoedigheid omtrent de waregeloovigen die u volgen.216.En indien zij ongehoorzaam omtrent u zijn, zeg dan: Waarlijk ik ben zuiver van hetgeen gij doet.217.En vertrouw in den machtigsten, den barmhartigsten God.218.Die u ziet als gij opstaat,219.En uw gedrag onder hen die aanbidden31;220.Want hij ziet en hoort alles.221.Zal ik u verklaren op wie de duivelen nederdalen?222.Zij dalen neder op iederen leugenachtigen en zondigen persoon32.223.Zij leeren wat gehoord is geworden33, maar het grootste deel hunner zijn leugenaars.224.En zij die dwalen, volgen de stappen der dichters.225.Ziet gij niet dat zij, als van hunne zinnen beroofd, door iedere vallei wandelen34?226.En dat zijzeggen, wat zij niet doen35?227.Behalve zij die gelooven en goede werken doen en God dikwijls herdenken36.228.En die zich zelven verdedigen, nadat zij onrechtvaardig zijn behandeld geworden; terwijl zij die onrechtvaardig handelen, hierna zullen weten, welke handeling zij te wachten hebben.1Dit hoofdstuk draagt dezen naam, omdat aan het einde daarvan de Arabische dichters scherp worden gegispt.2Sommigen zonderen hiervan de laatste verzen uit, en zeggen dat die teMedinawerden geopenbaard.3Ta. Sin. Mim. ZieHoofdstuk II, vers 1, in de noot.4ZieHoofdstuk XX, vers 26, volg.5Namelijk dat hij een Egyptenaar had gedood (ZieHoofdstuk XXVIII, vers 14en 15).6Dit woord staat in het oorspronkelijke in het enkelvoudig, waarvoor de uitleggers verschillende redenen opgeven.7Men zegt datMozesdertig jaren onder de Egyptenaren woonde en zich vervolgens naarMidianbegaf, waar hij zes jaren bleef. Daarna keerde hij naarEgypteterug en besteedde dertig jaren in pogingen hen te bekeeren: na het verdrinken vanPharaozou hij nog vijftig jaren hebben geleefd (Al Beidâwi.).8Door den Egyptenaar zonder voordracht te dooden.9Het schijnt datPharaoveronderstelde datMozesslechts onbedachte antwoorden op zijne vraag had gegeven omtrent hetgeen hij wenschte nopens den persoon en den waren aard van God te kennen, wiens boodschapperMozesvoorgaf te zijn, terwijl hij slechts van zijn werken sprak. En aangezien dit antwoord den Koning zoo weinig voldeed, wordt hij door sommigen verondersteld een Dhariet te zijn geweest, of iemand die in de eeuwigheid van het voortbestaan der wereld gelooft (Al Beidâwi.).10Van deze en eene gelijksoortige uitdrukking in hetXXVIIIe Hoofdstuk (vers 38)wordt afgeleid, datPharaovan zijne onderdanen eischte, dat zij hem zouden aanbidden, als een hulde aan zijne oppermacht verbonden.11Al Beidâwizegt, dat dit eene vreeselijker bedreiging was dan indien hij zou gezegd hebben: Ik zal u gevangen nemen; daaruit toch moest hetMozesblijken, dat hij in gezelschap zou wezen metde boosdoeners, die door den tyran, volgens zijn gewoonte, in een diepe onderaardsche gevangenis werden geworpen, waar zij bleven tot zij stierven.12Maar hij heeft de diepste geheimen voor zich behouden. (Al Beidâwi).13ZieHoofdstuk VII, vers 117–23, enz.14Van hier wordt door sommigen verondersteld, dat de Israëlieten, na de vernietiging vanPharaoen zijne heerscharen naarEgypteterugkeerden, en van de rijkdommen van dat land bezit namen (Jallalo’ddin,Yahya.). Anderen zijn echter van oordeel, dat de bedoeling slechts deze is, dat God hun dezelfde bezittingen en woningen in eene andere plaats gaf, (Al Zamakshari. Zie voortsHoofdstuk VII, vers 133).15Letterlijk: Schenk mij eene taal van waarheid; dat is een hooge lof. InHoofdstuk XIX, vers 51wordt dezelfde uitdrukking gebruikt.16Door hem tot berouw te neigen en hem het ware geloof te doen ontvangen. Sommigen veronderstellen, datAbrahamdit gebed na den dood van zijn vader uitsprak, denkende dat hij misschien inwendig een waar geloovige kon zijn geweest, die echter zijne bekeering uit vrees voorNimrodverborg, en dat het hem verboden was vroeger voor hem te bidden (ZieHoofdstuk IX, vers 115enHoofdstuk XIV, vers 42).17ZieHoofdstuk XXI, vers 98.18Zijnde: Hetzij dat zij het geloof door mij gepredikt, uit de oprechtheid huns harten, hetzij met het oog op eenig wereldlijk voordeel hebben omhelsd.19ZieHoofdstuk XI, vers 29en 31.20Of om de voorbijgangers te bespotten, die zich naar de sterren richten, en geene behoefte aan dergelijke gebouwen hebben? (Al Beidâwi).21Zonder genade doodende en andere lichamelijke straffen opleggende, en veel meer tot de voldoening uwer drift, dan tot boete voor hen die daaraan worden onderworpen (Al Beidâwi).22De woorden hier tusschen [ ] geplaatst zijn in de vertolking vanSavaryweggelaten.23Of, zooals het oorspronkelijke woord mede kan worden vertaald: kunst en vindingrijkheid in uw werk toonende.24Dat is: zij waren gewoon het water beurtelings te gebruiken. De kameel dronk een dag, en de Thamoediten wachtten tot den anderen; want als die kameel dronk, waren de bronnen of beken voor dien dag geledigd (ZieHoofdstuk VII, vers 71).25ZieHoofdstuk XV, vers 78. DaarShoaibniet de broeder van die volken wordt genoemd, hetgeen de gelijkvormigheid van deze plaats met de vorige zou hebben bewaard, wordt door sommigen gemeend, dat zij geene Midianieten maar van een anderen stam waren. Wij zien echter dat de profeet hen van dezelfde misdaden beschuldigt als die vanMidian(ZieHoofdstuk VII vers 83, volg).Savaryvertaalt de woorden: “De bewoners van het woud” met “de bewoners vanAleika”.26God bezocht hen eerst gedurende zeven dagen met zulk eene ondragelijke hitte, dat al hunne wateren opdroogden: daarna bracht hij eene wolk over hen, onder welker schaduw zij toevlucht zochten,waarna zij allen door vuur en een brandenden wind werden verdelgd, die daaruit nederkwamen. (Al Beidâwi).27ZijndeGabriël, die met de goddelijke geheimen en openbaringen bekend is.28De ongeloovigen tarttenMahometaanhoudend, eene duidelijke en wonderbaarlijke verdelging over hen te brengen; zooals een regenbui van steenen, enz.29ZieHoofdstuk XV, vers 16en 17.30De uitleggers veronderstellen dat hetzelfde bevel eigenlijk reeds inhoofdstuk LXXIVis vervat, dat, wat den tijd betreft, aan dit voorafging. Men zegt datMahometop het ontvangen der voor ons liggende plaats, onmiddellijk den bergJafabeklom, en daarna verscheiden gezinnen, een voor een, bij zich riep. Toen zij allen verzameld waren, vroeg hij hun, of, indien hij hun vertelde dat de berg een kleineren berg zou voortbrengen, zij hem zouden gelooven, waarop zij bevestigend antwoordden. Daarop zeide hij: Waarlijk, ik ben tot ugezonden, om u voor eene ernstige kastijding te waarschuwen (Al Beidâwi).31Zijnde: Die u ziet, wanneer gij opstaat om te waken, en den nacht in godsdienstige verrichtingen doorbrengt, en die uwe angstige zorg gadeslaat, voor de juiste vervulling der plichten van de Moslems. Men zegt dat in den nacht, waarin het voorschrift van het waken werd afgeschaft,Mahometheimelijk van het eene huis naar het andere ging, om te zien hoe zijne volgelingen hunnen tijd doorbrachten, en dat hij hen zoo zeer met het lezen van den Koran en met het herhalen hunner gebeden bezig vond, dat hunne huizen, door het brommende geluid dat zij veroorzaakten, even zoo vele horsel- of paardenvliegennesten schenen te zijn (Al Beidâwi). Sommige uitleggers veronderstellen echter, dat door hetgedragvan den profeet, op deze plaats de verschillende houdingen worden bedoeld, welke hij gewoon was aan te nemen, terwijl hij aan het hoofd zijner volgelingen trad zooals: staan, buigen, nederknielen en zitten (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).32Na zich verdedigd te hebben tegen de beschuldiging, dat hij met de duivels in verband zou zijn, door de tegenstrijdigheid tusschen zijne leer en hunne plannen en hunne overmacht, een zooveel omvattend boek, als den Koran, samen te stellen, gaat de profeet over tot het aantoonen, dat de personen die het meest geneigd zijn tot het onderhouden van betrekkingen met deze booze geesten, leugenaars en lasteraars zijn; namelijk zijne vijanden en tegenstanders.33Zijnde: zij worden geleerd door de geheime ingeving van den duivel, en ontvangen hunne ijdele en onsamenhangende ingevingen als waarheid.34Ten allen tijde hebben de Arabieren hunne taal met veel zorg gekweekt, de poëzie bemind en de dichters geëerd. TeOkadh, had ieder jaar, buiten de wekelijksche kermissen eene jaarmarkt plaats, die eene maand duurde. Daar, te midden der handelszaken, kwamen de dichters van alle punten vanArabiëbij elkander. Zij zeiden hunne gedichten (Karidah) op, bezongen hunne daden en lotgevallen, en wedijverden in het behandelen van zulke onderwerpen. Dat was eene poëtisch tournooi, waarbij de talrijke toehoorders, zoowel stedelingen als Beduinen, de rechters waren. Aan den waardigste werd de belooning toegekend, zijne gedichten in den hooggeschatten tempel—den Caaba—in gulden letteren opgehangen te zien. Van daar worden de zeven gedichten, die voorMahometin zwang waren,modhahhabat(verguld) enmoallakat(opgehangen) genoemd. Vooral muntten de Arabieren der woestijn in de poëzie uit; onder de tenten bleef de taal immer zuiverder en correcter bewaard. Dikwijls legde eene Beduïnschemoeder eene pijnlijke straf op aan haar kind, dat zich aan eene fout tegen de taalkunde had schuldig gemaakt.Mahometwas aan de stoutheid zijner dichterlijke taal een groot deel van den bijval schuldig, waarmede zijn streven werd bekroond. Hij heeft zelfs zijne volgelingen aangeraden, de werken der Arabische dichters te raadplegen, en daarin de uitlegging der duistere uitdrukkingen of woorden van den Koran op te zoeken. Waaraan is het dan toe te schrijven, dat de profeet die befaamde jaarmarkt vanOkadhopgeheven, en het anathema over de dichters uitgesproken heeft? Ziehier de reden. De Arabieren der woestijn in het algemeen, en daaronder de dichters, hadden weinig neiging voor den nieuwen eeredienst: zij waren aan de genoegens van het nomadenleven gehecht en aan de moeielijkheden daarvan gewoon; zij waren onafhankelijk, onwillig een juk, welk dan ook, te dragen; dapper, edelmoedig, maar trotsch en wraakzuchtig, altijd een vijand nazettende, om eene beleediging te wreken; of op de hielen eener schoonheid van de woestijn; gestreng en wild alsSchanfara, de vermaken van het vroolijke leven beminnende alsAmrolkaïs; zorgeloos omtrent het toekomstige leven, twijfelaars en Epicuristen, en behoorden dus niet tot de eersten die den nieuwen profeet volgden. De dichters trachtten die gewoonten van het nomadenleven te bestendigen.Mahometzag in dat negatieve en vernietigende instinct een grooten hinderpaal voor de vestiging zijner zedelijke en godsdienstige leer, en hij veroordeelt hen daarom. Voegt men hierbij, dat de satirieke geest van eenige hunne pijlen op den nieuwen profeet had doen richten, dan zal men zich niet verwonderen over het oordeel dat hij over hen uitbrengt. Eenige geschiedschrijvers beschuldigenAmrolkaïs, satyren tegenMahomette hebben geschreven, welke laatste, op zijne beurt, een dichterLebid, een nieuwen bekeerling, zou opgedragen hebben, daarop te antwoorden. De heerde Slane, die de gedichten vanAmrolkaïsheeft uitgegeven, bestrijdt deze meening; datAmrolkaïsenLebidbetreft, is het echter niettemin waar, datMahometeenige gedienstige dichters te zijner beschikking had, en de verzen 227 en 228 zinspelen daarop. De dichters warenLebid Ebn Rabia,Abda’llah Ebn Rawaha,HassanEbn Thabeten de tweeCaabs. Eens zeide hij totCaab Ebn Malec: Bestrijd hen (de dichters) met uwe satyren; want ik bezweer het u bij hem die mijne ziel in zijne handen houdt, de satyren verwonden meer dan de pijlen.35Daar hunne werken zoo onverdacht zijn als de daden van een bezeten mensch. Het meerendeel der oude dichtstukken was namelijk vol ijdele voorstellingen, zooals fabelachtige verhalen en beschrijvingen, minnedichten, vleierijen, buitensporige aanprijzingen hunner beschermers, evenzeer als buitensporige verwijtingen aan hunne vijanden, uitdagingen tot slechte daden, ijdele snorkerijen, en dergelijken (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).36Deze uitzondering betreft de dichters in de voorlaatste noot opgenoemd, en welke den Islam omhelsden.

Zes en Twintigste Hoofdstuk.De Dichters1.Geopenbaard teMekka2.—228 verzen.

Geopenbaard teMekka2.—228 verzen.

Geopenbaard teMekka2.—228 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.T. S. M.3. Dit zijn de teekens van het duidelijke boek.2.Misschien bedroeft gij u doodelijk, omdat de bewoners vanMekkaniet geloovig willen worden.3.Indien het ons behaagde, zouden wij hun een overtuigend teeken uit den hemel kunnen nederzenden, waarvoor zij hunne nekken nederig zouden krommen.4.Maar er komt van den Barmhartige, geene nieuwe vermaning tot hen welke naar de omstandigheden dit vereischen, wordt geopenbaard, waarvan zij zich niet afwenden.5.En zij hebben deze van valschheid beschuldigd; maar er zal een boodschap tot hen komen, waarmede zij niet zullen spotten.6.Hebben zij de aarde niet beschouwd, en gezien hoe veel verschillende planten, van allerlei edele soorten wij daaraan doen ontspruiten?7.Waarlijk, hierin is een teeken; maar het grootste deel hunner zijn ongeloovigen.8.Waarlijk, uw Heer is de machtige, de barmhartige God.9.Herdenk, toen uw HeerMozesriep, zeggende: Ga tot het onrechtvaardige volk:10.Het volk vanPharao. Zullen zij mij niet vreezen?11.Mozesantwoordde: O Heer! waarlijk, ik vrees, dat zij mij van logen zullen beschuldigen.12.En dat mijne borst vernauwd worde en dat mijn tong niet gereed zij tot spreken4; wijsAärondus aan om mijn helper te wezen.13.Ook kunnen zij mij eene misdaad tegenwerpen5, en ik vrees dat zij mij zullen dooden.14.God zeide: Zij zullen u volstrekt niet dooden: gaat dus met uwe teekenen; want wij zullen met u zijn, en wij willen hooren wat er tusschen u en hen geschiedt.15.Gaat dus totPharaoen zeg: Waarlijk, wij zijn de gezant6van den Heer van alle schepselen.16.Zend de kinderen Israëls met ons weg.17.En toen zij hunne boodschap hadden overgebracht, antwoorddePharao: Hebben wij u niet onder ons opgevoed, toen gij nog een kind waart, en hebt gij niet gedurende verscheidene jaren van uw leven onder ons gewoond7?18.Gij hebt de daad bedreven, welke gij bedreven hebt; en gij zijt een ondankbare.19.Mozeshernam: Inderdaad, ik deed het, en ik was een van hen die dwaalden8.20.Daarom ontvluchtte ik u, dewijl ik u vreesde; maar mijn Heer heeft mij wijsheid geschonken en mij tot een zijner gezanten aangewezen.21.En is de gunst, welke gij mij hebt geschonken, dat gij de kinderenIsraëlstot slaven maaktet?22.Pharaozeide: En wie is dan de Heer van alle schepselen?23.Mozesantwoordde: de Heer van alle hemel en aarde en van alles wat daartusschen is; indien gij lieden van verstand zijt.24.Pharaozeide tot degenen, die in zijne nabijheid waren: Hoort gij niet?25.Mozeszeide: Uw Heer en de Heer uwer voorvaderen.26.Pharaozeide tot hen die tegenwoordig waren: Uw gezant, die tot u werd gezonden is zeker bezeten9.27.Mozeszeide: de Heer van het Oosten en van het Westen en van alles wat daartusschen is; indien gij lieden van verstand zijt.28.Pharaozeide tot hem: Waarlijk, indien gij een anderen God naast mij kiest10, zal ik u gelijk doen wezen aan hen die gevangen zijn11.29.Mozesantwoordde: Wat! niettegenstaande ik met een overtuigend wonder tot u kom?30.Pharaohernam: Toon het dan, indien gij de waarheid spreekt.31.En hij wierp zijn staf neder, en ziet deze werd eene zichtbare slang.32.En hij trok zijne hand uit zijne borst en, ziet, zij was wit voor de toeschouwers,33.Pharaozeide tot de vorsten, die in zijne nabijheid waren: Waarlijk, deze man is een behendige toovenaar.34.Hij trachtu door zijne tooverij het bezit van u land te ontrooven: wat denkt gij dus te doen?35.Zij antwoordden: Stel hem en zijn broeder door goede woorden voor eenigen tijd uit, en zend mannen in de steden, die verzamelen.36.En tot u brengen alle behendige toovenaren.37.Zoo werden de toovenaren op een bepaalden tijd, op een plechtigen dag bijeenvergaderd.38.En tot het volk werd gezegd: Zijt gij bijeenvergaderd?39.Ja, antwoordde het volk onder zich, en wij zullen de toovenaren volgen, indien zij de overwinning behalen.40.Toen de toovenaars gekomen waren, zeiden zij totPharao: zullen wij zekerlijk eene belooning ontvangen, indien wij de overwinning behalen?41.Hij antwoordde: Ja, en gij zult mijn persoon mogen naderen.42.Mozeszeide tot hen: Werpt neder wat gij neder te werpen hebt.43.Daarop wierpen zij hunne koorden en hunne staven neer, en zeiden: Waarlijk, door de macht vanPharaozullen wij de overwinnaars zijn.44.EnMozeswierp zijn staf neder, en ziet, de staf verzwolg wat zij valschelijk hadden uitgedacht.45.Daarop wierpen zich de toovenaars biddend neder46.En zeiden: Wij gelooven in den Heer van alle schepselen.47.De Heer vanMozesenAäron.48.Pharaozeide tot hen: Hebt gij in hem geloofd, voor ik u verlof heb gegeven? Waarlijk hij is uw hoofd, die u de tooverij heeft geleerd12; maar later zult gij zeker mijne kracht kennen.49.Ik zal uwe handen en uwe voeten aan de tegenovergestelde zijden afsnijden, en ik zal u allen doen kruisigen.50.Zij antwoorden: Dit zal geen nadeel voor ons zijn; want wij zullen tot onzen Heer terugkeeren.51.Wij hopen dat onze Heer ons onze zonden zal vergeven, ons die de eersten waren welke geoorloofd hebben13.52.En wij spraken door openbaring totMozes, zeggende: Trek voort met mijne dienaren, des nachts; want gij zult vervolgd worden.53.EnPharaozond beambten in de steden om strijdkrachten te verzamelen54.Zeggende: Waarlijk de Israëlieten maken slechts eene kleine hoop volk uit.55.En zij zijn verwoed op ons.56.Maar wij vormen eene welvoorziene menigte.57.Zoo deden wij hun hunne tuinen, hunne fonteinen,58.hunne schatten en heerlijke woningen verlaten.59.Zoo deden wij, en wij deden die den kinderen Israëls erven14.60.En zij vervolgden henbij het opgaan der zon.61.En toen de beide legers in elkanders gezicht waren gekomen, zeiden de makkers vanMozes: Wij zullen zekerlijk worden overwonnen.62.Mozesantwoordde: Volstrekt niet: want mijn Heer is met mij; hij zal mij zekerlijk leiden.63.En wij bevalenMozesdoor openbaring, zeggende: Sla de zee met uwen staf. En toen hij haar had geslagen werd zij in twaalf afdeelingen verdeeld; ieder deel, dat een pad was, scheen een groote berg.64.En wij lieten de anderen naderen.65.En wij bevrijddenMozesen allen die met hem waren.66.Daarna verdronken wij de anderen.67.Waarlijk daarin was een teeken; maar het grootste aantal hunner geloofden niet.68.Waarlijk, uw Heer is de machtige en de barmhartige.69.En herinner hun de geschiedenis vanAbraham.70.Toen hij tot zijnen vader en zijn volk zeide: Wat aanbidt gij?71.Zij antwoordden: Wij aanbidden afgoden, en wij dienen deze alle dagen met standvastigheid.72.Abrahamzeide: Hooren zij u als gij hen aanroept?73.Of bevoordeelen, noch deren zij u?74.Zij antwoordden: Neen; maar wij zagen dat onze vaderen hetzelfde deden.75.Hij zeide: Wat denkt gij: De goden die gij aanbidt.76.En welke door uwe voorvaderen werden aangebeden.77.Zijn mijne vijanden, behalve slechts de Heer van alle schepselen.78.Die mij heeft geschapen en mij op den rechten weg leidt.79.En die mij geeft te eten en te drinken;80.En die mij geneest als ik ziek ben;81.En die mij zal doen sterven en mij daarna tot het leven zal terugbrengen.82.En die, naar ik hoop, mij mijne zonden op den dag des oordeels zal vergeven.83.O Heer! verleen mij wijsheid en vereenig mij met de rechtvaardigen.84.En geef, dat nog de laatste nakomelingschap met eer van mij spreke15;85.En maak mij tot een erfgenaam van den tuin der heerlijkheid;86.En vergeef mijn vader die tot de afdwalenden heeft behoord16.87.En bedek mij niet met schande op den dag der opstanding;88.Op den dag, waarop noch rijkdommen, noch kinderen van eenig voordeel zullen kunnen zijn.89.Behalve voor hem, die met een oprecht hart tot God zal komen;90.Als het paradijs voor het gezicht der vromen gebracht zal worden.91.En de hel geheel zal verschijnen voor hen die gedwaald zullen hebben;92.En tot hen zal gezegd worden: Waar zijn uwe godheden,93.welke gij naast God dient? Zullen zij u van straf bevrijden, of zullen zij zich zelven bevrijden?94.En zij zullen in de hel geworpenworden; zoowel zij17, als diegenen, welke tot hunne aanbidding werden verleid,95.En het geheele heir vanEblis.96.De verleiden zullen daar met hunne valsche goden twisten, zeggende:97.Bij God, wij verkeerden in eene duidelijke dwaling.98.Toen wij u met den Heer van alle schepselen gelijk stelden.99.De zondaren alleen hebben ons verleid.100.Thans hebben wij geene tusschentreders.101.Noch eenigen vriend die voor ons zorgt.102.Indien het ons veroorloofd ware, nog slechts eenmaal in de wereld terug te keeren, zouden wij zekerlijk ware geloovigen worden.103.Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste gedeelte hunner gelooven niet.104.Uw Heer is de machtige, de barmhartige.105.Het volk vanNoachbeschuldigde Gods zendingen van bedrog.106.Toen hun broederNoachtot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?107.Waarlijk, ik ben een geloofbare boodschapper voor u.108.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.109.Ik vraag geene belooning van u voor mijne prediking tot u; ik verwacht mijne belooning slechts van den Heer van alle schepselen.110.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.111.Zij antwoorden: Zullen wij u gelooven, die alleen door de laagsten uit het volk gevolgd wordt?112.Noachzeide: Ik heb geene kennis van hetgeen zij deden18.113.Zij zijn mijn Heer alleen rekenschap verschuldigd; begreept gij dit slechts!114.Daarom zal ik de geloovigen niet verdrijven19.115.Ik ben slechts een openbaar prediker.116.Zij hernamen: Zekerlijk, oNoach! indien gij niet ophoudt op deze wijze te handelen zult gij gesteenigd worden.117.Hij zeide: O Heer! waarlijk, mijn volk houdt mij voor een leugenaar.118.Richt dus in het openbaar tusschen mij en hen, en bevrijd mij en de ware geloovigen, die met mij zijn,119.Daarom bevrijdden wij hem, en degenen, die met hem waren in de ark, met menschen en dieren gevuld.120.En daarom verdronken wijde overigen.121.Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.122.Uw Heer is de machtige, de barmhartige,123.De stam vanAdbeschuldigde Gods boodschapper van logen.124.Toen hun broederHudtot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?125.Waarlijk, ik ben een geloofbaar boodschapper tot u.126.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.127.[ik vraag van u geenerlei belooning voor mijne prediking tot u; ik verwacht mijne belooning slechts van den Heer van alle schepselen.128.Bouwt gij een scheidspaal op iedere hoog gelegen plaats, om u te vermaken20?129.En richt gij prachtige werken op,in de hoop die eeuwig te bezitten?130.En als gij uwe macht uitoefent, oefent gij die met onbarmhartigheid en gestrengheid uit21.131.Vreest God, door deze dingen te verlaten en gelooft mij]22.132.En vreest hem, die u datgene heeft geschonken, wat gij kent.133.Hij heeft u vee geschonken en kinderen;134.En tuinen en fonteinen.135.Waarlijk, ik vrees voor u de straf van een gestrengen dag.136.Zij antwoordden: Het is ons gelijk, of gij ons al dan niet vermaant.137.Wat gij ons predikt is slechts een verzinsel der ouden.138.Nimmer zullen wij gestraft worden voor hetgeen wij hebben gedaan.139.En zij beschuldigden hem van bedrog, en daarom verdelgden wij hen. Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.140.Uw Heer is de machtige, de barmhartige.141.De stam vanThamoedbeschuldigde Gods gezanten eveneens van leugen.142.Toen hun broederSalehtot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?143.Waarlijk, ik ben een geloovig boodschapper voor u.144.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.145.Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking tot u: ik verwacht mijne belooning van niemand anders dan van den Heer van alle schepselen.146.Zult gij altijd in het zekere bezit blijven van de dingen die hier zijn,147.Waaronder tuinen en fonteinen.148.En korenvelden en palmboomen, wier takken met bloemen zijn beladen?149.En wilt gij voortgaan, u woningen uit de bergen te houwen, terwijl gij u onbeschaamd gedraagt23?150.Vreest God en gehoorzaamt mij.151.En gehoorzaamt niet het bevel der zondaren.152.Die snood op aarde handelen, en die zich niet verbeteren.153.Zij antwoordden: Waarlijk, gij zijt bezeten.154.Gij zijt slechts een mensch gelijk wij; toon ons een teeken indien gij de waarheid spreekt.155.Salehzeide: Deze wijfjes-kameel zal u een teeken zijn, zij zal haar deel water hebben en gij zult beurtelings uw deel water hebben op een zekeren, voor u bepaalden dag24.156.En deer haar niet, opdat u de straf van een vreeselijken dag niet worde opgelegd.157.Maar zij doodden haar en berouwden hunne boosheid.158.Want de straf, waarmede zij bedreigd waren geworden, overviel hen. Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel van hen geloofde niet.159.Uw Heer is de machtige, de genadige.160.Het volk vanLotbeschuldigdeGods boodschappers eveneens van bedrog.161.Toen hun broederLottot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?162.Waarlijk, ik ben een geloofbaar boodschapper tot u.163.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.164.Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking: Ik verwacht mijne belooning van geen ander dan van den Heer van alle schepselen.165.Nadert gij de mannelijke wezens onder de menschen.166.en verlaat gij uwe vrouwen, die uw Heer voor u heeft geschapen. Waarlijk, gij zijt zondaren.167.Zij zeiden: Indien gij zoo voortgaat, oLot! zult gij zekerlijk uit onze stad worden verdreven.168.Hij zeide: Waarlijk, ik behoor tot hen, die uwe daden verfoeien.169.O Heer! bevrijd mij en mijn gezin van hetgeen zij bedrijven.170.Daarom bevrijdden wij hem en zijn geheel gezin.171.Behalve eene oude vrouw, zijnde zijne vrouw, die omkwam met hen die achtergebleven waren.172.Daarna verdelgden wij de overigen.173.En wij deden eene bui van steenen op hen nederregenen, en vreeselijk was de regenbui die op degenen nederviel, welke te vergeefs waren gewaarschuwd.174.Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.175.Uw Heer is de machtige, de genadige.176.Ook de bewoners van het woud25beschuldigden Gods gezanten van bedrog.177.ToenShoaibtot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?178.Waarlijk ik ben een geloovig boodschapper voor u.179.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.180.Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking; ik verwacht mijne belooning van niemand anders dan van den Heer van alle schepselen.181.Geeft juist gewicht en weest geene bedriegers.182.En weegt met een gelijke weegschaal.183.En vermindert niet wat den menschen toekomt; bedrijft geen geweld op aarde; en handelt niet slecht.184.En vreest hem die u en de vroegere geslachten heeft geschapen.185.Zij antwoordden: Waarlijk gij zijt bezeten.186.Gij zijt niets meer dan een mensch gelijk wij en waarlijk, wij houden u voor een leugenaar.187.Doe thans een deel van den hemel op ons nedervallen, indien gij de Waarheid spreekt.188.Shoaibzeide. Mijn Heer weet het beste wat gij doet.189.En zij beschuldigden hen van bedrog; daarom overviel hen de straf van den dag der schaduwgevende wolk26,en dit was de straf van den vreeselijken dag.190.Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.191.Uw Heer is de machtige, de barmhartige.192.Dit boek is zekerlijk eene openbaring van den Heer van alle schepselen.193.Welke de getrouwe geest27op uw hart heeft doen nederdalen.194.Opdat gij een prediker voor uw volk zoudt zijn,195.In de duidelijke Arabische taal.196.Waarvan de getuigenis door de schriften van vroegere tijden wordt geleverd.197.Was het geen teeken voor hen, dat de wijze mannen onder de kinderen Israëls die kenden?198.Hadden wij het aan een der vreemdelingen geopenbaard.199.En hij zou het hun hebben voorgelezen, dan zouden zij daaraan niet hebben willen gelooven.200.Zoo deden wij hardnekkig ongeloof in de harten der zondaren binnentreden.201.Zij zullen daarin niet gelooven, dan nadat zij eene pijnlijke straf hebben gezien.202.Deze zal plotseling over hen komen, en zij zullen deze niet voorzien.203.En zij zullen zeggen: zal ons uitstel worden verleend?204.Verlangen zij dus dat onze straf zal worden verhaast28?205.Wat denkt gij? Indien wij hun toestaan het voordeel van dit leven voor vele jaren te genieten.206.En datgene, waarmede zij bedreigd werden, later over hen komt.207.Wat zal het hen van voordeel zijn, wat zij hebben genoten?208.Wij hebben geene stad verwoest, dan nadat er vooraf gezanten waren heengezonden.209.Ten einde de bewoners daarvan te waarschuwen, ook behandelden wij hen niet onrechtvaardig.210.De duivelen daalden niet neder met den Koran, zooals de ongeloovigen voorgeven;211.Dat komt niet overeen met hun doel; ook zijn zij niet in staat zulk een boek voort te brengen.212.Want zij zijn er ver van verwijderd, het gesprek der engelen in den hemel te hooren29.213.Roep geen anderen god met den waren God aan, opdat gij niet tot een van hen wordet, die ter straffe zijn gedoemd.214.En vermaan uwe naaste betrekkingen30.215.En gedraag u met zachtmoedigheid omtrent de waregeloovigen die u volgen.216.En indien zij ongehoorzaam omtrent u zijn, zeg dan: Waarlijk ik ben zuiver van hetgeen gij doet.217.En vertrouw in den machtigsten, den barmhartigsten God.218.Die u ziet als gij opstaat,219.En uw gedrag onder hen die aanbidden31;220.Want hij ziet en hoort alles.221.Zal ik u verklaren op wie de duivelen nederdalen?222.Zij dalen neder op iederen leugenachtigen en zondigen persoon32.223.Zij leeren wat gehoord is geworden33, maar het grootste deel hunner zijn leugenaars.224.En zij die dwalen, volgen de stappen der dichters.225.Ziet gij niet dat zij, als van hunne zinnen beroofd, door iedere vallei wandelen34?226.En dat zijzeggen, wat zij niet doen35?227.Behalve zij die gelooven en goede werken doen en God dikwijls herdenken36.228.En die zich zelven verdedigen, nadat zij onrechtvaardig zijn behandeld geworden; terwijl zij die onrechtvaardig handelen, hierna zullen weten, welke handeling zij te wachten hebben.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1.T. S. M.3. Dit zijn de teekens van het duidelijke boek.2.Misschien bedroeft gij u doodelijk, omdat de bewoners vanMekkaniet geloovig willen worden.3.Indien het ons behaagde, zouden wij hun een overtuigend teeken uit den hemel kunnen nederzenden, waarvoor zij hunne nekken nederig zouden krommen.4.Maar er komt van den Barmhartige, geene nieuwe vermaning tot hen welke naar de omstandigheden dit vereischen, wordt geopenbaard, waarvan zij zich niet afwenden.5.En zij hebben deze van valschheid beschuldigd; maar er zal een boodschap tot hen komen, waarmede zij niet zullen spotten.6.Hebben zij de aarde niet beschouwd, en gezien hoe veel verschillende planten, van allerlei edele soorten wij daaraan doen ontspruiten?7.Waarlijk, hierin is een teeken; maar het grootste deel hunner zijn ongeloovigen.8.Waarlijk, uw Heer is de machtige, de barmhartige God.9.Herdenk, toen uw HeerMozesriep, zeggende: Ga tot het onrechtvaardige volk:10.Het volk vanPharao. Zullen zij mij niet vreezen?11.Mozesantwoordde: O Heer! waarlijk, ik vrees, dat zij mij van logen zullen beschuldigen.12.En dat mijne borst vernauwd worde en dat mijn tong niet gereed zij tot spreken4; wijsAärondus aan om mijn helper te wezen.13.Ook kunnen zij mij eene misdaad tegenwerpen5, en ik vrees dat zij mij zullen dooden.14.God zeide: Zij zullen u volstrekt niet dooden: gaat dus met uwe teekenen; want wij zullen met u zijn, en wij willen hooren wat er tusschen u en hen geschiedt.15.Gaat dus totPharaoen zeg: Waarlijk, wij zijn de gezant6van den Heer van alle schepselen.16.Zend de kinderen Israëls met ons weg.17.En toen zij hunne boodschap hadden overgebracht, antwoorddePharao: Hebben wij u niet onder ons opgevoed, toen gij nog een kind waart, en hebt gij niet gedurende verscheidene jaren van uw leven onder ons gewoond7?18.Gij hebt de daad bedreven, welke gij bedreven hebt; en gij zijt een ondankbare.19.Mozeshernam: Inderdaad, ik deed het, en ik was een van hen die dwaalden8.20.Daarom ontvluchtte ik u, dewijl ik u vreesde; maar mijn Heer heeft mij wijsheid geschonken en mij tot een zijner gezanten aangewezen.21.En is de gunst, welke gij mij hebt geschonken, dat gij de kinderenIsraëlstot slaven maaktet?22.Pharaozeide: En wie is dan de Heer van alle schepselen?23.Mozesantwoordde: de Heer van alle hemel en aarde en van alles wat daartusschen is; indien gij lieden van verstand zijt.24.Pharaozeide tot degenen, die in zijne nabijheid waren: Hoort gij niet?25.Mozeszeide: Uw Heer en de Heer uwer voorvaderen.26.Pharaozeide tot hen die tegenwoordig waren: Uw gezant, die tot u werd gezonden is zeker bezeten9.27.Mozeszeide: de Heer van het Oosten en van het Westen en van alles wat daartusschen is; indien gij lieden van verstand zijt.28.Pharaozeide tot hem: Waarlijk, indien gij een anderen God naast mij kiest10, zal ik u gelijk doen wezen aan hen die gevangen zijn11.29.Mozesantwoordde: Wat! niettegenstaande ik met een overtuigend wonder tot u kom?30.Pharaohernam: Toon het dan, indien gij de waarheid spreekt.31.En hij wierp zijn staf neder, en ziet deze werd eene zichtbare slang.32.En hij trok zijne hand uit zijne borst en, ziet, zij was wit voor de toeschouwers,33.Pharaozeide tot de vorsten, die in zijne nabijheid waren: Waarlijk, deze man is een behendige toovenaar.34.Hij trachtu door zijne tooverij het bezit van u land te ontrooven: wat denkt gij dus te doen?35.Zij antwoordden: Stel hem en zijn broeder door goede woorden voor eenigen tijd uit, en zend mannen in de steden, die verzamelen.36.En tot u brengen alle behendige toovenaren.37.Zoo werden de toovenaren op een bepaalden tijd, op een plechtigen dag bijeenvergaderd.38.En tot het volk werd gezegd: Zijt gij bijeenvergaderd?39.Ja, antwoordde het volk onder zich, en wij zullen de toovenaren volgen, indien zij de overwinning behalen.40.Toen de toovenaars gekomen waren, zeiden zij totPharao: zullen wij zekerlijk eene belooning ontvangen, indien wij de overwinning behalen?41.Hij antwoordde: Ja, en gij zult mijn persoon mogen naderen.42.Mozeszeide tot hen: Werpt neder wat gij neder te werpen hebt.43.Daarop wierpen zij hunne koorden en hunne staven neer, en zeiden: Waarlijk, door de macht vanPharaozullen wij de overwinnaars zijn.44.EnMozeswierp zijn staf neder, en ziet, de staf verzwolg wat zij valschelijk hadden uitgedacht.45.Daarop wierpen zich de toovenaars biddend neder46.En zeiden: Wij gelooven in den Heer van alle schepselen.47.De Heer vanMozesenAäron.48.Pharaozeide tot hen: Hebt gij in hem geloofd, voor ik u verlof heb gegeven? Waarlijk hij is uw hoofd, die u de tooverij heeft geleerd12; maar later zult gij zeker mijne kracht kennen.49.Ik zal uwe handen en uwe voeten aan de tegenovergestelde zijden afsnijden, en ik zal u allen doen kruisigen.50.Zij antwoorden: Dit zal geen nadeel voor ons zijn; want wij zullen tot onzen Heer terugkeeren.51.Wij hopen dat onze Heer ons onze zonden zal vergeven, ons die de eersten waren welke geoorloofd hebben13.52.En wij spraken door openbaring totMozes, zeggende: Trek voort met mijne dienaren, des nachts; want gij zult vervolgd worden.53.EnPharaozond beambten in de steden om strijdkrachten te verzamelen54.Zeggende: Waarlijk de Israëlieten maken slechts eene kleine hoop volk uit.55.En zij zijn verwoed op ons.56.Maar wij vormen eene welvoorziene menigte.57.Zoo deden wij hun hunne tuinen, hunne fonteinen,58.hunne schatten en heerlijke woningen verlaten.59.Zoo deden wij, en wij deden die den kinderen Israëls erven14.60.En zij vervolgden henbij het opgaan der zon.61.En toen de beide legers in elkanders gezicht waren gekomen, zeiden de makkers vanMozes: Wij zullen zekerlijk worden overwonnen.62.Mozesantwoordde: Volstrekt niet: want mijn Heer is met mij; hij zal mij zekerlijk leiden.63.En wij bevalenMozesdoor openbaring, zeggende: Sla de zee met uwen staf. En toen hij haar had geslagen werd zij in twaalf afdeelingen verdeeld; ieder deel, dat een pad was, scheen een groote berg.64.En wij lieten de anderen naderen.65.En wij bevrijddenMozesen allen die met hem waren.66.Daarna verdronken wij de anderen.67.Waarlijk daarin was een teeken; maar het grootste aantal hunner geloofden niet.68.Waarlijk, uw Heer is de machtige en de barmhartige.69.En herinner hun de geschiedenis vanAbraham.70.Toen hij tot zijnen vader en zijn volk zeide: Wat aanbidt gij?71.Zij antwoordden: Wij aanbidden afgoden, en wij dienen deze alle dagen met standvastigheid.72.Abrahamzeide: Hooren zij u als gij hen aanroept?73.Of bevoordeelen, noch deren zij u?74.Zij antwoordden: Neen; maar wij zagen dat onze vaderen hetzelfde deden.75.Hij zeide: Wat denkt gij: De goden die gij aanbidt.76.En welke door uwe voorvaderen werden aangebeden.77.Zijn mijne vijanden, behalve slechts de Heer van alle schepselen.78.Die mij heeft geschapen en mij op den rechten weg leidt.79.En die mij geeft te eten en te drinken;80.En die mij geneest als ik ziek ben;81.En die mij zal doen sterven en mij daarna tot het leven zal terugbrengen.82.En die, naar ik hoop, mij mijne zonden op den dag des oordeels zal vergeven.83.O Heer! verleen mij wijsheid en vereenig mij met de rechtvaardigen.84.En geef, dat nog de laatste nakomelingschap met eer van mij spreke15;85.En maak mij tot een erfgenaam van den tuin der heerlijkheid;86.En vergeef mijn vader die tot de afdwalenden heeft behoord16.87.En bedek mij niet met schande op den dag der opstanding;88.Op den dag, waarop noch rijkdommen, noch kinderen van eenig voordeel zullen kunnen zijn.89.Behalve voor hem, die met een oprecht hart tot God zal komen;90.Als het paradijs voor het gezicht der vromen gebracht zal worden.91.En de hel geheel zal verschijnen voor hen die gedwaald zullen hebben;92.En tot hen zal gezegd worden: Waar zijn uwe godheden,93.welke gij naast God dient? Zullen zij u van straf bevrijden, of zullen zij zich zelven bevrijden?94.En zij zullen in de hel geworpenworden; zoowel zij17, als diegenen, welke tot hunne aanbidding werden verleid,95.En het geheele heir vanEblis.96.De verleiden zullen daar met hunne valsche goden twisten, zeggende:97.Bij God, wij verkeerden in eene duidelijke dwaling.98.Toen wij u met den Heer van alle schepselen gelijk stelden.99.De zondaren alleen hebben ons verleid.100.Thans hebben wij geene tusschentreders.101.Noch eenigen vriend die voor ons zorgt.102.Indien het ons veroorloofd ware, nog slechts eenmaal in de wereld terug te keeren, zouden wij zekerlijk ware geloovigen worden.103.Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste gedeelte hunner gelooven niet.104.Uw Heer is de machtige, de barmhartige.105.Het volk vanNoachbeschuldigde Gods zendingen van bedrog.106.Toen hun broederNoachtot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?107.Waarlijk, ik ben een geloofbare boodschapper voor u.108.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.109.Ik vraag geene belooning van u voor mijne prediking tot u; ik verwacht mijne belooning slechts van den Heer van alle schepselen.110.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.111.Zij antwoorden: Zullen wij u gelooven, die alleen door de laagsten uit het volk gevolgd wordt?112.Noachzeide: Ik heb geene kennis van hetgeen zij deden18.113.Zij zijn mijn Heer alleen rekenschap verschuldigd; begreept gij dit slechts!114.Daarom zal ik de geloovigen niet verdrijven19.115.Ik ben slechts een openbaar prediker.116.Zij hernamen: Zekerlijk, oNoach! indien gij niet ophoudt op deze wijze te handelen zult gij gesteenigd worden.117.Hij zeide: O Heer! waarlijk, mijn volk houdt mij voor een leugenaar.118.Richt dus in het openbaar tusschen mij en hen, en bevrijd mij en de ware geloovigen, die met mij zijn,119.Daarom bevrijdden wij hem, en degenen, die met hem waren in de ark, met menschen en dieren gevuld.120.En daarom verdronken wijde overigen.121.Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.122.Uw Heer is de machtige, de barmhartige,123.De stam vanAdbeschuldigde Gods boodschapper van logen.124.Toen hun broederHudtot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?125.Waarlijk, ik ben een geloofbaar boodschapper tot u.126.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.127.[ik vraag van u geenerlei belooning voor mijne prediking tot u; ik verwacht mijne belooning slechts van den Heer van alle schepselen.128.Bouwt gij een scheidspaal op iedere hoog gelegen plaats, om u te vermaken20?129.En richt gij prachtige werken op,in de hoop die eeuwig te bezitten?130.En als gij uwe macht uitoefent, oefent gij die met onbarmhartigheid en gestrengheid uit21.131.Vreest God, door deze dingen te verlaten en gelooft mij]22.132.En vreest hem, die u datgene heeft geschonken, wat gij kent.133.Hij heeft u vee geschonken en kinderen;134.En tuinen en fonteinen.135.Waarlijk, ik vrees voor u de straf van een gestrengen dag.136.Zij antwoordden: Het is ons gelijk, of gij ons al dan niet vermaant.137.Wat gij ons predikt is slechts een verzinsel der ouden.138.Nimmer zullen wij gestraft worden voor hetgeen wij hebben gedaan.139.En zij beschuldigden hem van bedrog, en daarom verdelgden wij hen. Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.140.Uw Heer is de machtige, de barmhartige.141.De stam vanThamoedbeschuldigde Gods gezanten eveneens van leugen.142.Toen hun broederSalehtot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?143.Waarlijk, ik ben een geloovig boodschapper voor u.144.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.145.Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking tot u: ik verwacht mijne belooning van niemand anders dan van den Heer van alle schepselen.146.Zult gij altijd in het zekere bezit blijven van de dingen die hier zijn,147.Waaronder tuinen en fonteinen.148.En korenvelden en palmboomen, wier takken met bloemen zijn beladen?149.En wilt gij voortgaan, u woningen uit de bergen te houwen, terwijl gij u onbeschaamd gedraagt23?150.Vreest God en gehoorzaamt mij.151.En gehoorzaamt niet het bevel der zondaren.152.Die snood op aarde handelen, en die zich niet verbeteren.153.Zij antwoordden: Waarlijk, gij zijt bezeten.154.Gij zijt slechts een mensch gelijk wij; toon ons een teeken indien gij de waarheid spreekt.155.Salehzeide: Deze wijfjes-kameel zal u een teeken zijn, zij zal haar deel water hebben en gij zult beurtelings uw deel water hebben op een zekeren, voor u bepaalden dag24.156.En deer haar niet, opdat u de straf van een vreeselijken dag niet worde opgelegd.157.Maar zij doodden haar en berouwden hunne boosheid.158.Want de straf, waarmede zij bedreigd waren geworden, overviel hen. Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel van hen geloofde niet.159.Uw Heer is de machtige, de genadige.160.Het volk vanLotbeschuldigdeGods boodschappers eveneens van bedrog.161.Toen hun broederLottot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?162.Waarlijk, ik ben een geloofbaar boodschapper tot u.163.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.164.Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking: Ik verwacht mijne belooning van geen ander dan van den Heer van alle schepselen.165.Nadert gij de mannelijke wezens onder de menschen.166.en verlaat gij uwe vrouwen, die uw Heer voor u heeft geschapen. Waarlijk, gij zijt zondaren.167.Zij zeiden: Indien gij zoo voortgaat, oLot! zult gij zekerlijk uit onze stad worden verdreven.168.Hij zeide: Waarlijk, ik behoor tot hen, die uwe daden verfoeien.169.O Heer! bevrijd mij en mijn gezin van hetgeen zij bedrijven.170.Daarom bevrijdden wij hem en zijn geheel gezin.171.Behalve eene oude vrouw, zijnde zijne vrouw, die omkwam met hen die achtergebleven waren.172.Daarna verdelgden wij de overigen.173.En wij deden eene bui van steenen op hen nederregenen, en vreeselijk was de regenbui die op degenen nederviel, welke te vergeefs waren gewaarschuwd.174.Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.175.Uw Heer is de machtige, de genadige.176.Ook de bewoners van het woud25beschuldigden Gods gezanten van bedrog.177.ToenShoaibtot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen?178.Waarlijk ik ben een geloovig boodschapper voor u.179.Vreest dus God en gehoorzaamt mij.180.Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking; ik verwacht mijne belooning van niemand anders dan van den Heer van alle schepselen.181.Geeft juist gewicht en weest geene bedriegers.182.En weegt met een gelijke weegschaal.183.En vermindert niet wat den menschen toekomt; bedrijft geen geweld op aarde; en handelt niet slecht.184.En vreest hem die u en de vroegere geslachten heeft geschapen.185.Zij antwoordden: Waarlijk gij zijt bezeten.186.Gij zijt niets meer dan een mensch gelijk wij en waarlijk, wij houden u voor een leugenaar.187.Doe thans een deel van den hemel op ons nedervallen, indien gij de Waarheid spreekt.188.Shoaibzeide. Mijn Heer weet het beste wat gij doet.189.En zij beschuldigden hen van bedrog; daarom overviel hen de straf van den dag der schaduwgevende wolk26,en dit was de straf van den vreeselijken dag.190.Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet.191.Uw Heer is de machtige, de barmhartige.192.Dit boek is zekerlijk eene openbaring van den Heer van alle schepselen.193.Welke de getrouwe geest27op uw hart heeft doen nederdalen.194.Opdat gij een prediker voor uw volk zoudt zijn,195.In de duidelijke Arabische taal.196.Waarvan de getuigenis door de schriften van vroegere tijden wordt geleverd.197.Was het geen teeken voor hen, dat de wijze mannen onder de kinderen Israëls die kenden?198.Hadden wij het aan een der vreemdelingen geopenbaard.199.En hij zou het hun hebben voorgelezen, dan zouden zij daaraan niet hebben willen gelooven.200.Zoo deden wij hardnekkig ongeloof in de harten der zondaren binnentreden.201.Zij zullen daarin niet gelooven, dan nadat zij eene pijnlijke straf hebben gezien.202.Deze zal plotseling over hen komen, en zij zullen deze niet voorzien.203.En zij zullen zeggen: zal ons uitstel worden verleend?204.Verlangen zij dus dat onze straf zal worden verhaast28?205.Wat denkt gij? Indien wij hun toestaan het voordeel van dit leven voor vele jaren te genieten.206.En datgene, waarmede zij bedreigd werden, later over hen komt.207.Wat zal het hen van voordeel zijn, wat zij hebben genoten?208.Wij hebben geene stad verwoest, dan nadat er vooraf gezanten waren heengezonden.209.Ten einde de bewoners daarvan te waarschuwen, ook behandelden wij hen niet onrechtvaardig.210.De duivelen daalden niet neder met den Koran, zooals de ongeloovigen voorgeven;211.Dat komt niet overeen met hun doel; ook zijn zij niet in staat zulk een boek voort te brengen.212.Want zij zijn er ver van verwijderd, het gesprek der engelen in den hemel te hooren29.213.Roep geen anderen god met den waren God aan, opdat gij niet tot een van hen wordet, die ter straffe zijn gedoemd.214.En vermaan uwe naaste betrekkingen30.215.En gedraag u met zachtmoedigheid omtrent de waregeloovigen die u volgen.216.En indien zij ongehoorzaam omtrent u zijn, zeg dan: Waarlijk ik ben zuiver van hetgeen gij doet.217.En vertrouw in den machtigsten, den barmhartigsten God.218.Die u ziet als gij opstaat,219.En uw gedrag onder hen die aanbidden31;220.Want hij ziet en hoort alles.221.Zal ik u verklaren op wie de duivelen nederdalen?222.Zij dalen neder op iederen leugenachtigen en zondigen persoon32.223.Zij leeren wat gehoord is geworden33, maar het grootste deel hunner zijn leugenaars.224.En zij die dwalen, volgen de stappen der dichters.225.Ziet gij niet dat zij, als van hunne zinnen beroofd, door iedere vallei wandelen34?226.En dat zijzeggen, wat zij niet doen35?227.Behalve zij die gelooven en goede werken doen en God dikwijls herdenken36.228.En die zich zelven verdedigen, nadat zij onrechtvaardig zijn behandeld geworden; terwijl zij die onrechtvaardig handelen, hierna zullen weten, welke handeling zij te wachten hebben.

1Dit hoofdstuk draagt dezen naam, omdat aan het einde daarvan de Arabische dichters scherp worden gegispt.2Sommigen zonderen hiervan de laatste verzen uit, en zeggen dat die teMedinawerden geopenbaard.3Ta. Sin. Mim. ZieHoofdstuk II, vers 1, in de noot.4ZieHoofdstuk XX, vers 26, volg.5Namelijk dat hij een Egyptenaar had gedood (ZieHoofdstuk XXVIII, vers 14en 15).6Dit woord staat in het oorspronkelijke in het enkelvoudig, waarvoor de uitleggers verschillende redenen opgeven.7Men zegt datMozesdertig jaren onder de Egyptenaren woonde en zich vervolgens naarMidianbegaf, waar hij zes jaren bleef. Daarna keerde hij naarEgypteterug en besteedde dertig jaren in pogingen hen te bekeeren: na het verdrinken vanPharaozou hij nog vijftig jaren hebben geleefd (Al Beidâwi.).8Door den Egyptenaar zonder voordracht te dooden.9Het schijnt datPharaoveronderstelde datMozesslechts onbedachte antwoorden op zijne vraag had gegeven omtrent hetgeen hij wenschte nopens den persoon en den waren aard van God te kennen, wiens boodschapperMozesvoorgaf te zijn, terwijl hij slechts van zijn werken sprak. En aangezien dit antwoord den Koning zoo weinig voldeed, wordt hij door sommigen verondersteld een Dhariet te zijn geweest, of iemand die in de eeuwigheid van het voortbestaan der wereld gelooft (Al Beidâwi.).10Van deze en eene gelijksoortige uitdrukking in hetXXVIIIe Hoofdstuk (vers 38)wordt afgeleid, datPharaovan zijne onderdanen eischte, dat zij hem zouden aanbidden, als een hulde aan zijne oppermacht verbonden.11Al Beidâwizegt, dat dit eene vreeselijker bedreiging was dan indien hij zou gezegd hebben: Ik zal u gevangen nemen; daaruit toch moest hetMozesblijken, dat hij in gezelschap zou wezen metde boosdoeners, die door den tyran, volgens zijn gewoonte, in een diepe onderaardsche gevangenis werden geworpen, waar zij bleven tot zij stierven.12Maar hij heeft de diepste geheimen voor zich behouden. (Al Beidâwi).13ZieHoofdstuk VII, vers 117–23, enz.14Van hier wordt door sommigen verondersteld, dat de Israëlieten, na de vernietiging vanPharaoen zijne heerscharen naarEgypteterugkeerden, en van de rijkdommen van dat land bezit namen (Jallalo’ddin,Yahya.). Anderen zijn echter van oordeel, dat de bedoeling slechts deze is, dat God hun dezelfde bezittingen en woningen in eene andere plaats gaf, (Al Zamakshari. Zie voortsHoofdstuk VII, vers 133).15Letterlijk: Schenk mij eene taal van waarheid; dat is een hooge lof. InHoofdstuk XIX, vers 51wordt dezelfde uitdrukking gebruikt.16Door hem tot berouw te neigen en hem het ware geloof te doen ontvangen. Sommigen veronderstellen, datAbrahamdit gebed na den dood van zijn vader uitsprak, denkende dat hij misschien inwendig een waar geloovige kon zijn geweest, die echter zijne bekeering uit vrees voorNimrodverborg, en dat het hem verboden was vroeger voor hem te bidden (ZieHoofdstuk IX, vers 115enHoofdstuk XIV, vers 42).17ZieHoofdstuk XXI, vers 98.18Zijnde: Hetzij dat zij het geloof door mij gepredikt, uit de oprechtheid huns harten, hetzij met het oog op eenig wereldlijk voordeel hebben omhelsd.19ZieHoofdstuk XI, vers 29en 31.20Of om de voorbijgangers te bespotten, die zich naar de sterren richten, en geene behoefte aan dergelijke gebouwen hebben? (Al Beidâwi).21Zonder genade doodende en andere lichamelijke straffen opleggende, en veel meer tot de voldoening uwer drift, dan tot boete voor hen die daaraan worden onderworpen (Al Beidâwi).22De woorden hier tusschen [ ] geplaatst zijn in de vertolking vanSavaryweggelaten.23Of, zooals het oorspronkelijke woord mede kan worden vertaald: kunst en vindingrijkheid in uw werk toonende.24Dat is: zij waren gewoon het water beurtelings te gebruiken. De kameel dronk een dag, en de Thamoediten wachtten tot den anderen; want als die kameel dronk, waren de bronnen of beken voor dien dag geledigd (ZieHoofdstuk VII, vers 71).25ZieHoofdstuk XV, vers 78. DaarShoaibniet de broeder van die volken wordt genoemd, hetgeen de gelijkvormigheid van deze plaats met de vorige zou hebben bewaard, wordt door sommigen gemeend, dat zij geene Midianieten maar van een anderen stam waren. Wij zien echter dat de profeet hen van dezelfde misdaden beschuldigt als die vanMidian(ZieHoofdstuk VII vers 83, volg).Savaryvertaalt de woorden: “De bewoners van het woud” met “de bewoners vanAleika”.26God bezocht hen eerst gedurende zeven dagen met zulk eene ondragelijke hitte, dat al hunne wateren opdroogden: daarna bracht hij eene wolk over hen, onder welker schaduw zij toevlucht zochten,waarna zij allen door vuur en een brandenden wind werden verdelgd, die daaruit nederkwamen. (Al Beidâwi).27ZijndeGabriël, die met de goddelijke geheimen en openbaringen bekend is.28De ongeloovigen tarttenMahometaanhoudend, eene duidelijke en wonderbaarlijke verdelging over hen te brengen; zooals een regenbui van steenen, enz.29ZieHoofdstuk XV, vers 16en 17.30De uitleggers veronderstellen dat hetzelfde bevel eigenlijk reeds inhoofdstuk LXXIVis vervat, dat, wat den tijd betreft, aan dit voorafging. Men zegt datMahometop het ontvangen der voor ons liggende plaats, onmiddellijk den bergJafabeklom, en daarna verscheiden gezinnen, een voor een, bij zich riep. Toen zij allen verzameld waren, vroeg hij hun, of, indien hij hun vertelde dat de berg een kleineren berg zou voortbrengen, zij hem zouden gelooven, waarop zij bevestigend antwoordden. Daarop zeide hij: Waarlijk, ik ben tot ugezonden, om u voor eene ernstige kastijding te waarschuwen (Al Beidâwi).31Zijnde: Die u ziet, wanneer gij opstaat om te waken, en den nacht in godsdienstige verrichtingen doorbrengt, en die uwe angstige zorg gadeslaat, voor de juiste vervulling der plichten van de Moslems. Men zegt dat in den nacht, waarin het voorschrift van het waken werd afgeschaft,Mahometheimelijk van het eene huis naar het andere ging, om te zien hoe zijne volgelingen hunnen tijd doorbrachten, en dat hij hen zoo zeer met het lezen van den Koran en met het herhalen hunner gebeden bezig vond, dat hunne huizen, door het brommende geluid dat zij veroorzaakten, even zoo vele horsel- of paardenvliegennesten schenen te zijn (Al Beidâwi). Sommige uitleggers veronderstellen echter, dat door hetgedragvan den profeet, op deze plaats de verschillende houdingen worden bedoeld, welke hij gewoon was aan te nemen, terwijl hij aan het hoofd zijner volgelingen trad zooals: staan, buigen, nederknielen en zitten (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).32Na zich verdedigd te hebben tegen de beschuldiging, dat hij met de duivels in verband zou zijn, door de tegenstrijdigheid tusschen zijne leer en hunne plannen en hunne overmacht, een zooveel omvattend boek, als den Koran, samen te stellen, gaat de profeet over tot het aantoonen, dat de personen die het meest geneigd zijn tot het onderhouden van betrekkingen met deze booze geesten, leugenaars en lasteraars zijn; namelijk zijne vijanden en tegenstanders.33Zijnde: zij worden geleerd door de geheime ingeving van den duivel, en ontvangen hunne ijdele en onsamenhangende ingevingen als waarheid.34Ten allen tijde hebben de Arabieren hunne taal met veel zorg gekweekt, de poëzie bemind en de dichters geëerd. TeOkadh, had ieder jaar, buiten de wekelijksche kermissen eene jaarmarkt plaats, die eene maand duurde. Daar, te midden der handelszaken, kwamen de dichters van alle punten vanArabiëbij elkander. Zij zeiden hunne gedichten (Karidah) op, bezongen hunne daden en lotgevallen, en wedijverden in het behandelen van zulke onderwerpen. Dat was eene poëtisch tournooi, waarbij de talrijke toehoorders, zoowel stedelingen als Beduinen, de rechters waren. Aan den waardigste werd de belooning toegekend, zijne gedichten in den hooggeschatten tempel—den Caaba—in gulden letteren opgehangen te zien. Van daar worden de zeven gedichten, die voorMahometin zwang waren,modhahhabat(verguld) enmoallakat(opgehangen) genoemd. Vooral muntten de Arabieren der woestijn in de poëzie uit; onder de tenten bleef de taal immer zuiverder en correcter bewaard. Dikwijls legde eene Beduïnschemoeder eene pijnlijke straf op aan haar kind, dat zich aan eene fout tegen de taalkunde had schuldig gemaakt.Mahometwas aan de stoutheid zijner dichterlijke taal een groot deel van den bijval schuldig, waarmede zijn streven werd bekroond. Hij heeft zelfs zijne volgelingen aangeraden, de werken der Arabische dichters te raadplegen, en daarin de uitlegging der duistere uitdrukkingen of woorden van den Koran op te zoeken. Waaraan is het dan toe te schrijven, dat de profeet die befaamde jaarmarkt vanOkadhopgeheven, en het anathema over de dichters uitgesproken heeft? Ziehier de reden. De Arabieren der woestijn in het algemeen, en daaronder de dichters, hadden weinig neiging voor den nieuwen eeredienst: zij waren aan de genoegens van het nomadenleven gehecht en aan de moeielijkheden daarvan gewoon; zij waren onafhankelijk, onwillig een juk, welk dan ook, te dragen; dapper, edelmoedig, maar trotsch en wraakzuchtig, altijd een vijand nazettende, om eene beleediging te wreken; of op de hielen eener schoonheid van de woestijn; gestreng en wild alsSchanfara, de vermaken van het vroolijke leven beminnende alsAmrolkaïs; zorgeloos omtrent het toekomstige leven, twijfelaars en Epicuristen, en behoorden dus niet tot de eersten die den nieuwen profeet volgden. De dichters trachtten die gewoonten van het nomadenleven te bestendigen.Mahometzag in dat negatieve en vernietigende instinct een grooten hinderpaal voor de vestiging zijner zedelijke en godsdienstige leer, en hij veroordeelt hen daarom. Voegt men hierbij, dat de satirieke geest van eenige hunne pijlen op den nieuwen profeet had doen richten, dan zal men zich niet verwonderen over het oordeel dat hij over hen uitbrengt. Eenige geschiedschrijvers beschuldigenAmrolkaïs, satyren tegenMahomette hebben geschreven, welke laatste, op zijne beurt, een dichterLebid, een nieuwen bekeerling, zou opgedragen hebben, daarop te antwoorden. De heerde Slane, die de gedichten vanAmrolkaïsheeft uitgegeven, bestrijdt deze meening; datAmrolkaïsenLebidbetreft, is het echter niettemin waar, datMahometeenige gedienstige dichters te zijner beschikking had, en de verzen 227 en 228 zinspelen daarop. De dichters warenLebid Ebn Rabia,Abda’llah Ebn Rawaha,HassanEbn Thabeten de tweeCaabs. Eens zeide hij totCaab Ebn Malec: Bestrijd hen (de dichters) met uwe satyren; want ik bezweer het u bij hem die mijne ziel in zijne handen houdt, de satyren verwonden meer dan de pijlen.35Daar hunne werken zoo onverdacht zijn als de daden van een bezeten mensch. Het meerendeel der oude dichtstukken was namelijk vol ijdele voorstellingen, zooals fabelachtige verhalen en beschrijvingen, minnedichten, vleierijen, buitensporige aanprijzingen hunner beschermers, evenzeer als buitensporige verwijtingen aan hunne vijanden, uitdagingen tot slechte daden, ijdele snorkerijen, en dergelijken (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).36Deze uitzondering betreft de dichters in de voorlaatste noot opgenoemd, en welke den Islam omhelsden.

1Dit hoofdstuk draagt dezen naam, omdat aan het einde daarvan de Arabische dichters scherp worden gegispt.

2Sommigen zonderen hiervan de laatste verzen uit, en zeggen dat die teMedinawerden geopenbaard.

3Ta. Sin. Mim. ZieHoofdstuk II, vers 1, in de noot.

4ZieHoofdstuk XX, vers 26, volg.

5Namelijk dat hij een Egyptenaar had gedood (ZieHoofdstuk XXVIII, vers 14en 15).

6Dit woord staat in het oorspronkelijke in het enkelvoudig, waarvoor de uitleggers verschillende redenen opgeven.

7Men zegt datMozesdertig jaren onder de Egyptenaren woonde en zich vervolgens naarMidianbegaf, waar hij zes jaren bleef. Daarna keerde hij naarEgypteterug en besteedde dertig jaren in pogingen hen te bekeeren: na het verdrinken vanPharaozou hij nog vijftig jaren hebben geleefd (Al Beidâwi.).

8Door den Egyptenaar zonder voordracht te dooden.

9Het schijnt datPharaoveronderstelde datMozesslechts onbedachte antwoorden op zijne vraag had gegeven omtrent hetgeen hij wenschte nopens den persoon en den waren aard van God te kennen, wiens boodschapperMozesvoorgaf te zijn, terwijl hij slechts van zijn werken sprak. En aangezien dit antwoord den Koning zoo weinig voldeed, wordt hij door sommigen verondersteld een Dhariet te zijn geweest, of iemand die in de eeuwigheid van het voortbestaan der wereld gelooft (Al Beidâwi.).

10Van deze en eene gelijksoortige uitdrukking in hetXXVIIIe Hoofdstuk (vers 38)wordt afgeleid, datPharaovan zijne onderdanen eischte, dat zij hem zouden aanbidden, als een hulde aan zijne oppermacht verbonden.

11Al Beidâwizegt, dat dit eene vreeselijker bedreiging was dan indien hij zou gezegd hebben: Ik zal u gevangen nemen; daaruit toch moest hetMozesblijken, dat hij in gezelschap zou wezen metde boosdoeners, die door den tyran, volgens zijn gewoonte, in een diepe onderaardsche gevangenis werden geworpen, waar zij bleven tot zij stierven.

12Maar hij heeft de diepste geheimen voor zich behouden. (Al Beidâwi).

13ZieHoofdstuk VII, vers 117–23, enz.

14Van hier wordt door sommigen verondersteld, dat de Israëlieten, na de vernietiging vanPharaoen zijne heerscharen naarEgypteterugkeerden, en van de rijkdommen van dat land bezit namen (Jallalo’ddin,Yahya.). Anderen zijn echter van oordeel, dat de bedoeling slechts deze is, dat God hun dezelfde bezittingen en woningen in eene andere plaats gaf, (Al Zamakshari. Zie voortsHoofdstuk VII, vers 133).

15Letterlijk: Schenk mij eene taal van waarheid; dat is een hooge lof. InHoofdstuk XIX, vers 51wordt dezelfde uitdrukking gebruikt.

16Door hem tot berouw te neigen en hem het ware geloof te doen ontvangen. Sommigen veronderstellen, datAbrahamdit gebed na den dood van zijn vader uitsprak, denkende dat hij misschien inwendig een waar geloovige kon zijn geweest, die echter zijne bekeering uit vrees voorNimrodverborg, en dat het hem verboden was vroeger voor hem te bidden (ZieHoofdstuk IX, vers 115enHoofdstuk XIV, vers 42).

17ZieHoofdstuk XXI, vers 98.

18Zijnde: Hetzij dat zij het geloof door mij gepredikt, uit de oprechtheid huns harten, hetzij met het oog op eenig wereldlijk voordeel hebben omhelsd.

19ZieHoofdstuk XI, vers 29en 31.

20Of om de voorbijgangers te bespotten, die zich naar de sterren richten, en geene behoefte aan dergelijke gebouwen hebben? (Al Beidâwi).

21Zonder genade doodende en andere lichamelijke straffen opleggende, en veel meer tot de voldoening uwer drift, dan tot boete voor hen die daaraan worden onderworpen (Al Beidâwi).

22De woorden hier tusschen [ ] geplaatst zijn in de vertolking vanSavaryweggelaten.

23Of, zooals het oorspronkelijke woord mede kan worden vertaald: kunst en vindingrijkheid in uw werk toonende.

24Dat is: zij waren gewoon het water beurtelings te gebruiken. De kameel dronk een dag, en de Thamoediten wachtten tot den anderen; want als die kameel dronk, waren de bronnen of beken voor dien dag geledigd (ZieHoofdstuk VII, vers 71).

25ZieHoofdstuk XV, vers 78. DaarShoaibniet de broeder van die volken wordt genoemd, hetgeen de gelijkvormigheid van deze plaats met de vorige zou hebben bewaard, wordt door sommigen gemeend, dat zij geene Midianieten maar van een anderen stam waren. Wij zien echter dat de profeet hen van dezelfde misdaden beschuldigt als die vanMidian(ZieHoofdstuk VII vers 83, volg).Savaryvertaalt de woorden: “De bewoners van het woud” met “de bewoners vanAleika”.

26God bezocht hen eerst gedurende zeven dagen met zulk eene ondragelijke hitte, dat al hunne wateren opdroogden: daarna bracht hij eene wolk over hen, onder welker schaduw zij toevlucht zochten,waarna zij allen door vuur en een brandenden wind werden verdelgd, die daaruit nederkwamen. (Al Beidâwi).

27ZijndeGabriël, die met de goddelijke geheimen en openbaringen bekend is.

28De ongeloovigen tarttenMahometaanhoudend, eene duidelijke en wonderbaarlijke verdelging over hen te brengen; zooals een regenbui van steenen, enz.

29ZieHoofdstuk XV, vers 16en 17.

30De uitleggers veronderstellen dat hetzelfde bevel eigenlijk reeds inhoofdstuk LXXIVis vervat, dat, wat den tijd betreft, aan dit voorafging. Men zegt datMahometop het ontvangen der voor ons liggende plaats, onmiddellijk den bergJafabeklom, en daarna verscheiden gezinnen, een voor een, bij zich riep. Toen zij allen verzameld waren, vroeg hij hun, of, indien hij hun vertelde dat de berg een kleineren berg zou voortbrengen, zij hem zouden gelooven, waarop zij bevestigend antwoordden. Daarop zeide hij: Waarlijk, ik ben tot ugezonden, om u voor eene ernstige kastijding te waarschuwen (Al Beidâwi).

31Zijnde: Die u ziet, wanneer gij opstaat om te waken, en den nacht in godsdienstige verrichtingen doorbrengt, en die uwe angstige zorg gadeslaat, voor de juiste vervulling der plichten van de Moslems. Men zegt dat in den nacht, waarin het voorschrift van het waken werd afgeschaft,Mahometheimelijk van het eene huis naar het andere ging, om te zien hoe zijne volgelingen hunnen tijd doorbrachten, en dat hij hen zoo zeer met het lezen van den Koran en met het herhalen hunner gebeden bezig vond, dat hunne huizen, door het brommende geluid dat zij veroorzaakten, even zoo vele horsel- of paardenvliegennesten schenen te zijn (Al Beidâwi). Sommige uitleggers veronderstellen echter, dat door hetgedragvan den profeet, op deze plaats de verschillende houdingen worden bedoeld, welke hij gewoon was aan te nemen, terwijl hij aan het hoofd zijner volgelingen trad zooals: staan, buigen, nederknielen en zitten (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).

32Na zich verdedigd te hebben tegen de beschuldiging, dat hij met de duivels in verband zou zijn, door de tegenstrijdigheid tusschen zijne leer en hunne plannen en hunne overmacht, een zooveel omvattend boek, als den Koran, samen te stellen, gaat de profeet over tot het aantoonen, dat de personen die het meest geneigd zijn tot het onderhouden van betrekkingen met deze booze geesten, leugenaars en lasteraars zijn; namelijk zijne vijanden en tegenstanders.

33Zijnde: zij worden geleerd door de geheime ingeving van den duivel, en ontvangen hunne ijdele en onsamenhangende ingevingen als waarheid.

34Ten allen tijde hebben de Arabieren hunne taal met veel zorg gekweekt, de poëzie bemind en de dichters geëerd. TeOkadh, had ieder jaar, buiten de wekelijksche kermissen eene jaarmarkt plaats, die eene maand duurde. Daar, te midden der handelszaken, kwamen de dichters van alle punten vanArabiëbij elkander. Zij zeiden hunne gedichten (Karidah) op, bezongen hunne daden en lotgevallen, en wedijverden in het behandelen van zulke onderwerpen. Dat was eene poëtisch tournooi, waarbij de talrijke toehoorders, zoowel stedelingen als Beduinen, de rechters waren. Aan den waardigste werd de belooning toegekend, zijne gedichten in den hooggeschatten tempel—den Caaba—in gulden letteren opgehangen te zien. Van daar worden de zeven gedichten, die voorMahometin zwang waren,modhahhabat(verguld) enmoallakat(opgehangen) genoemd. Vooral muntten de Arabieren der woestijn in de poëzie uit; onder de tenten bleef de taal immer zuiverder en correcter bewaard. Dikwijls legde eene Beduïnschemoeder eene pijnlijke straf op aan haar kind, dat zich aan eene fout tegen de taalkunde had schuldig gemaakt.Mahometwas aan de stoutheid zijner dichterlijke taal een groot deel van den bijval schuldig, waarmede zijn streven werd bekroond. Hij heeft zelfs zijne volgelingen aangeraden, de werken der Arabische dichters te raadplegen, en daarin de uitlegging der duistere uitdrukkingen of woorden van den Koran op te zoeken. Waaraan is het dan toe te schrijven, dat de profeet die befaamde jaarmarkt vanOkadhopgeheven, en het anathema over de dichters uitgesproken heeft? Ziehier de reden. De Arabieren der woestijn in het algemeen, en daaronder de dichters, hadden weinig neiging voor den nieuwen eeredienst: zij waren aan de genoegens van het nomadenleven gehecht en aan de moeielijkheden daarvan gewoon; zij waren onafhankelijk, onwillig een juk, welk dan ook, te dragen; dapper, edelmoedig, maar trotsch en wraakzuchtig, altijd een vijand nazettende, om eene beleediging te wreken; of op de hielen eener schoonheid van de woestijn; gestreng en wild alsSchanfara, de vermaken van het vroolijke leven beminnende alsAmrolkaïs; zorgeloos omtrent het toekomstige leven, twijfelaars en Epicuristen, en behoorden dus niet tot de eersten die den nieuwen profeet volgden. De dichters trachtten die gewoonten van het nomadenleven te bestendigen.Mahometzag in dat negatieve en vernietigende instinct een grooten hinderpaal voor de vestiging zijner zedelijke en godsdienstige leer, en hij veroordeelt hen daarom. Voegt men hierbij, dat de satirieke geest van eenige hunne pijlen op den nieuwen profeet had doen richten, dan zal men zich niet verwonderen over het oordeel dat hij over hen uitbrengt. Eenige geschiedschrijvers beschuldigenAmrolkaïs, satyren tegenMahomette hebben geschreven, welke laatste, op zijne beurt, een dichterLebid, een nieuwen bekeerling, zou opgedragen hebben, daarop te antwoorden. De heerde Slane, die de gedichten vanAmrolkaïsheeft uitgegeven, bestrijdt deze meening; datAmrolkaïsenLebidbetreft, is het echter niettemin waar, datMahometeenige gedienstige dichters te zijner beschikking had, en de verzen 227 en 228 zinspelen daarop. De dichters warenLebid Ebn Rabia,Abda’llah Ebn Rawaha,HassanEbn Thabeten de tweeCaabs. Eens zeide hij totCaab Ebn Malec: Bestrijd hen (de dichters) met uwe satyren; want ik bezweer het u bij hem die mijne ziel in zijne handen houdt, de satyren verwonden meer dan de pijlen.

35Daar hunne werken zoo onverdacht zijn als de daden van een bezeten mensch. Het meerendeel der oude dichtstukken was namelijk vol ijdele voorstellingen, zooals fabelachtige verhalen en beschrijvingen, minnedichten, vleierijen, buitensporige aanprijzingen hunner beschermers, evenzeer als buitensporige verwijtingen aan hunne vijanden, uitdagingen tot slechte daden, ijdele snorkerijen, en dergelijken (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).

36Deze uitzondering betreft de dichters in de voorlaatste noot opgenoemd, en welke den Islam omhelsden.


Back to IndexNext