HOOFDSTUK IV.

HOOFDSTUK IV.De zon staat op haar middaghoogte, en het is drukkend heet. Vooral wordt men ’t hier gewaar, op dit vlakke plein, waar boom noch struik hun schaduw geven.Het is een stationsplein; het behoort bij een der stations van de Noord-Natalsche spoorlijn, die Natal met de Transvaal verbindt.’t Is stil en doodsch op het plein; dat doet de gloeïende hitte.Een Kaffer kruit een koffer weg, en een paar ganzen steken het vierkante plein over, om een moddersloot op te zoeken. Dat is al.Maar van den veldweg nadert thans een meisje het plein. Zij zit te paard; een breedgerande zomerhoed bedekt haar vol, kastanje-bruin haar; zij is zeker niet ouder dan negentien jaar. Een Kaffer, eveneens te paard, volgt haar op een afstand. Zij berijdt een schimmel-poney; de Kaffer heeft een hoogen zwarten hengst.Op het plein gekomen, springt zij uit het zadel, terwijl de Kaffer, een jonge, slanke Zoeloe met zwarte, schrandere oogen haar voorbeeld volgt. Zij kijkt op haar horloge en staart vervolgens de spoorlijn uit naar het noorden, of zij den ontsnappenden stoom van een naderenden trein nog niet kan ontdekken. Doch zij ziet niets, en neemt eenigszins teleurgesteld de teugels en de rijzweep in haar linkerhand, terwijl zij met de rechter de vliegen verjaagt, die den schimmel om den kop gonzen. Telkens kijkt zij daarbij ter zijde uit, naar het noorden, doch wat zij wacht, schijnt maar niet te komen.„Waar mag je aanstaande baas toch blijven?” fluistert zij haar klepper in ’t oor, maar hij schudt den ruigen kop, alsof hij zeggen wil: „Hoe kan ik dat weten!”Zij trippelt ongeduldig op haar kleine voeten, en nadat zij tien minuten heeft gewacht, roept zij: „Christiaan!”Met Christiaan bedoelt zij den jongen, slanken Zoeloe, die den zwarten hengst vasthoudt.Zij geeft hem de teugels van haar poney over, en gaat het station binnen, het perron op. Een wisselwachter loopt langs de lijn, om de wissels na te zien; op het perron staan de chef en een spoorklerk met elkander te praten.„Wanneer komt de Transvaalsche trein toch?” vraagt het meisje.„Hij is op komst, juffrouw!” antwoordt de chef, het meisje groetend, dat hij kent.„’t Is al een kwartier over tijd, chef,”—en zij wijst met haar rijzweep op de stationsklok, die op één uur staat.„Toch niet—slechts zeven minuten,” lacht de chef; „u bent vandaag al bijzonder ongeduldig, juffrouw Uys.”„De liefde maakt ongeduldig,” meent de magere spoorklerk, terwijl hij den hals draait, die lang en dor is als een boonenstaak.De electrische schel gaat nu over, en in de verte wordt de rookpluim zichtbaar van den naderenden trein.„Er komt tegenwoordig niet veel goeds uit de Transvaal,” schertst de chef.„Maar voor mij iets heel goeds,” meent het meisje met een vrijmoedigen opslag van hare helderblauwe oogen.„Pas maar op, dat gij een trouwe onderdane blijft van onze koningin,” lacht de chef, en hij heft den vinger waarschuwend omhoog.Doch zij hoort die laatste woorden niet meer, want al haar aandacht is gevestigd op den trein, die thans binnenstoomt, en terwijl de portieren worden opengeworpen, dringt een stroom van reizigers naar buiten.Het is allerhande slag van volk: oude heeren met gouden brillen op den neus en half naakte zwarten; naast een cavalerieofficier met een langen sabel een bedelaar met een houten been. En zij schijnen bijna allen haast te hebben—och, de meeste menschen hebben haast. Zij hollen van huis naar de spoor, en de spoor loopt nog veel te langzaam, en zij hollen van de spoor weer naar huis, altijd maar door, vice versa, totdat zij tusschen huis en spoor in een graf tuimelen, en stil liggen blijven.....Maar het jonge meisje heeft geen tijd, om over die toestanden na te denken, want haar oogen zoeken onder die zoo druk door elkander woelende en dwarrelende menschen haren aanstaanden bruidegom. Zij behoeft ook niet lang te zoeken. Dat immers is hij—die daar met dat zonnig gelaat!Waarom komt hij nu niet wat vlugger aanloopen? Och, nu begrijpt zij ’t. Hij helpt een vrouw, een van ouderdom verschrompeld schepseltje, met haar bagage.Ja, zoo is hij nu eenmaal: altijd hulpvaardig—mag zij daarom ontstemd zijn?De kleine wolk verdwijnt van haar blank voorhoofd. Hij is beter dan ik, denkt ze.Maar de oude vrouw staat nu op den vasten grond, en de jonge man begint thans toch ook haast te krijgen.„Truida!” zegt hij.—„Louis!” zegt zij. „Louis, wèlkom hier!”—Ik geloof inderdaad, dat bij hun ontmoeting dit de eerste en bijna de eenige woorden waren, die zij bezigden, maar het laatste wolkje is werkelijk verdwenen van Truida’s voorhoofd, en in den tòon, waarop zij elkander bij hun voornamen noemen, drukt zich al de oprechtheid, teederheid en innigheid hunner liefde uit.Er ligt zoo niets gemaakts, gekunstelds of overspannens in hun begroeting.Waarom ook? De ware liefde maakt eenvoudig.Zij loopen vlug het station door.Christiaan heeft de paarden reeds voorgebracht bij de blauwzerken stoep. Truida neemt den poney; de zwarte hengst is voor den jongen jager bestemd.De paarden zijn reeds ongeduldig geworden, en zij schuren met hun slanke voorpooten het harde plaveisel. De beide jonge menschen springen nu vlug in het zaâl, en zij geven hun paarden den teugel.De stationschef en de magere spoorklerk kijken hen na.„Een knap paar,” meent de chef.„Hij ziet er brutaal genoeg uit,” zegt de kleine, magere klerk.„Ze zullen jòu niet op de bruiloft noodigen,” meent de chef.„’t Zal ook geen bruiloft worden,” zegt de kleine, magere.„Over zes weken, man!”„Toch niet; zij krijgen ruzie. Hij is een brutale Transvaalsche Boer, en zij is op een Engelsche kostschool geweest. Meer zal ik maar niet zeggen.”„En als ’t afraakt, trouw jìj met de rijke Trui Uys,” plaagt de chef.„Ze kon wel slechter,” meent de magere klerk, en hij geeft den dunnen, dorren hals zoo’n bedenkelijken draai, dat hij onheilspellend begint te kraken.Het jonge paar heeft een langen rit voor de borst, maar het is een prachtige zonnige dag, en zij haasten zich niet. Zij zijn immers bij elkander. Slechts hindert het Louis Wessels, dat zij herhaalde keeren Engelsche cavalerie ontmoeten.„Ik geloof, dat gij ze liever niet zaagt, Louis.”„Ik sta werkelijk verwonderd, Truida; het krioelt hier van de Rooineks.”„Vroeger waren zij er toch ook,” lacht zij.„Maar niet zooveel. Ik heb ze overal gezien: bij den Langnek, bij New-Castle, bij Glencoe—letterlijk overal.”„Jullie zijt in den regel wat parmantig,” schertst Truida, „en daarom nemen wij voorzorgsmaatregelen.”Op dit oogenblik komt om den hoek van den weg een volledige veldbatterij aangallopeeren, en de beide jonge menschen moeten snel uithalen, om niet overreden te worden. De blanke, metalen loopen blinken, en de uitgetrokken sabels der bedieningsmanschappen schitteren in het zonlicht.Er komt een rimpel tusschen de oogen van den jongen Boer, en met een strak gelaat staroogt hij op die prachtige kanonnen. Hij staart hen na, totdat zij in een stofwolk zijn verdwenen, en het schijnt, alsof een vizioen zijn geest voorbijtrekt.„Kom dan toch,” maant het meisje, aan Wessels’ paard een slag gevend met de rijzweep, zoodat het een sprong vooruit doet.Nu rijden zij weer door, doch Louis spreekt niet. Het schijnt, dat die kanonnen het hem hebben aangedaan.„Maar gij hebt toch wel meer Engelsche artillerie gezien?” vraagt Truida, nu toch een beetje ontstemd.„Natuurlijk,” zegt hij—„bij Krugersdorp bijvoorbeeld.”Bij Krugersdorp—zij vindt het niet hartelijk, dat hij haar aan Krugersdorp herinnert, aan dat Krugersdorp, waar de ongelukkige Jameson zijn kanonnen, zijn manschappen en zijn eer verspeelde. Zij is niet Transvaalsch gezind, dat is waar—maar mag Louis haar dat euvel duiden? Zij is geboren in een Engelsche kolonie, uit ouders, die onderdanen waren van koningin Victoria, en zij heeft—die magere spoorklerk had daarin toch wel gelijk—op de kostschool te Pietermaritzburg geleerd, dat de bloei van geheel Zuid-Afrika slechts denkbaar is bij een enge en innige aansluiting aan het Engelsche wereldrijk.„Ik vind het niet aardig, Louis, dat gij van Krugersdorp spreekt,” zegt ze, „want Krugersdorp was een kwajongensstreek, en Engeland is er onschuldig aan.”„Onschuldig,” roept hij op bitteren toon, „onschuldig!” en hij geeft zijn paard een ruk in de teugels, dat het wild opsteigert.Zij heeft hem nog nooit zoo opgewonden gezien, en zij staart hem aan met klimmende verbazing.„Krugersdorp is een misverstand geweest, een vreeselijk misverstand,” zegt zij.„Dat maken de Engelsche Jingobladen je wijs,” zegt hij toornig, „maar het is een leugen, want het was inderdaad een goed overlegd, duivelsch plan, om Naboth’s wijngaard in te palmen. Maar de Afrikaansche Naboth was om nieuwjaar 1896 gelukkiger dan de Naboth van 1 Koningen 21, en was Cronjé er niet zoo vlug bij geweest, dan had Engeland geheel Transvaal ingepalmd—natuurlijk uit pure vergissing.”Hij lacht, terwijl hij dit zegt, maar ’t is niet de oude, gulle lach. Truida echter kijkt hem oplettend aan, en zij gist, dat er iets bijzonders moet gebeurd zijn.„Is de toestand gespannen geworden?” vraagt zij.„’t Wordt oorlog,” zegt hij, „mijn laatste twijfel verdwijnt. De conferentie te Bloemfontein is mislukt, en Engeland hooptzijn krijgsvolk hier in Natal op—zou dat geen oorlog beteekenen?”„Ik heb niets van een mislukte conferentie gehoord.”„Ik heb de krant in mijn zak, waarin ge ’t straks kunt lezen,” antwoordt hij.„Maar het behoeft toch geen oorlog te worden,” roept zij verschrikt.„Als Engeland bij zijn eischen volhardt, dan wordt het oorlog, Truida.”„’t Is dan toch de schuld der Boeren?”„Hoe zoo?” vraagt hij verbaasd.„Als zij toegeven, is toch alles in orde.”„Wel zeker; als zij voor Engeland kruipen, dan mogen zij blijven leven.”„Het gaat maar om de rechten der Uitlanders, Louis.”„Het gaat om ons volksbestaan, Truida—dat gij dàt niet begrijpt!”Neen, dat begrijpt ze niet; dat heeft ze nóoit begrepen. Maar ze is ter goeder trouw in haar meening, dat de Boeren in een bekrompen en enghartig conservatisme aan den Uitlander weigeren, wat hem van rechtswegen toekomt, en de jonge Wessels is te diep verbitterd, om met kalmte en bezadigdheid voor haar de waarheid uit den leugen te ontwarren.Pluto schiet vooruit, en blijft blaffende staan voor een kleinen Kafferhond, die zich op den weg heeft neergelegd met een stuk malsch vleesch tusschen de korte voorpooten, en daar Pluto honger heeft, maakt hij aanstalten, om dat begeerlijke stuk vleesch machtig te worden. Hij werpt zich plat op den buik, snuift met zijn speurneus de lekkere vleeschlucht in, springt weer op en begint te blaffen als een razende.„Pluto—hier!” roept Truida.„Waarom roep je mijn hond terug?” vraagt Louis.„Zie je dan niet, dat hij dat stuk vleesch dien kleinen hond wil afnemen?” vraagt zij verwonderd.„Nu, wat zou dat, Truida?”„Wat dat zou? Dat is diefstal, neen, erger nog, brutale roof.”„En dat Engeland de goudmijnen wil hebben—wat is dat?” vraagt hij op scherpen toon.„Dat is een ander geval,” zegt zij.„Een ander geval,” spot hij minachtend—„kom, wij zullen er maar niet meer over spreken.”Truida voelt zich nu werkelijk gekrenkt. Zij antwoordt niet, en beiden rijden zwijgend voort. Maar het blauw zinken dak van Truida’s woning schemert reeds tusschen het geboomte door, en het doel van den tocht is spoedig bereikt.

HOOFDSTUK IV.De zon staat op haar middaghoogte, en het is drukkend heet. Vooral wordt men ’t hier gewaar, op dit vlakke plein, waar boom noch struik hun schaduw geven.Het is een stationsplein; het behoort bij een der stations van de Noord-Natalsche spoorlijn, die Natal met de Transvaal verbindt.’t Is stil en doodsch op het plein; dat doet de gloeïende hitte.Een Kaffer kruit een koffer weg, en een paar ganzen steken het vierkante plein over, om een moddersloot op te zoeken. Dat is al.Maar van den veldweg nadert thans een meisje het plein. Zij zit te paard; een breedgerande zomerhoed bedekt haar vol, kastanje-bruin haar; zij is zeker niet ouder dan negentien jaar. Een Kaffer, eveneens te paard, volgt haar op een afstand. Zij berijdt een schimmel-poney; de Kaffer heeft een hoogen zwarten hengst.Op het plein gekomen, springt zij uit het zadel, terwijl de Kaffer, een jonge, slanke Zoeloe met zwarte, schrandere oogen haar voorbeeld volgt. Zij kijkt op haar horloge en staart vervolgens de spoorlijn uit naar het noorden, of zij den ontsnappenden stoom van een naderenden trein nog niet kan ontdekken. Doch zij ziet niets, en neemt eenigszins teleurgesteld de teugels en de rijzweep in haar linkerhand, terwijl zij met de rechter de vliegen verjaagt, die den schimmel om den kop gonzen. Telkens kijkt zij daarbij ter zijde uit, naar het noorden, doch wat zij wacht, schijnt maar niet te komen.„Waar mag je aanstaande baas toch blijven?” fluistert zij haar klepper in ’t oor, maar hij schudt den ruigen kop, alsof hij zeggen wil: „Hoe kan ik dat weten!”Zij trippelt ongeduldig op haar kleine voeten, en nadat zij tien minuten heeft gewacht, roept zij: „Christiaan!”Met Christiaan bedoelt zij den jongen, slanken Zoeloe, die den zwarten hengst vasthoudt.Zij geeft hem de teugels van haar poney over, en gaat het station binnen, het perron op. Een wisselwachter loopt langs de lijn, om de wissels na te zien; op het perron staan de chef en een spoorklerk met elkander te praten.„Wanneer komt de Transvaalsche trein toch?” vraagt het meisje.„Hij is op komst, juffrouw!” antwoordt de chef, het meisje groetend, dat hij kent.„’t Is al een kwartier over tijd, chef,”—en zij wijst met haar rijzweep op de stationsklok, die op één uur staat.„Toch niet—slechts zeven minuten,” lacht de chef; „u bent vandaag al bijzonder ongeduldig, juffrouw Uys.”„De liefde maakt ongeduldig,” meent de magere spoorklerk, terwijl hij den hals draait, die lang en dor is als een boonenstaak.De electrische schel gaat nu over, en in de verte wordt de rookpluim zichtbaar van den naderenden trein.„Er komt tegenwoordig niet veel goeds uit de Transvaal,” schertst de chef.„Maar voor mij iets heel goeds,” meent het meisje met een vrijmoedigen opslag van hare helderblauwe oogen.„Pas maar op, dat gij een trouwe onderdane blijft van onze koningin,” lacht de chef, en hij heft den vinger waarschuwend omhoog.Doch zij hoort die laatste woorden niet meer, want al haar aandacht is gevestigd op den trein, die thans binnenstoomt, en terwijl de portieren worden opengeworpen, dringt een stroom van reizigers naar buiten.Het is allerhande slag van volk: oude heeren met gouden brillen op den neus en half naakte zwarten; naast een cavalerieofficier met een langen sabel een bedelaar met een houten been. En zij schijnen bijna allen haast te hebben—och, de meeste menschen hebben haast. Zij hollen van huis naar de spoor, en de spoor loopt nog veel te langzaam, en zij hollen van de spoor weer naar huis, altijd maar door, vice versa, totdat zij tusschen huis en spoor in een graf tuimelen, en stil liggen blijven.....Maar het jonge meisje heeft geen tijd, om over die toestanden na te denken, want haar oogen zoeken onder die zoo druk door elkander woelende en dwarrelende menschen haren aanstaanden bruidegom. Zij behoeft ook niet lang te zoeken. Dat immers is hij—die daar met dat zonnig gelaat!Waarom komt hij nu niet wat vlugger aanloopen? Och, nu begrijpt zij ’t. Hij helpt een vrouw, een van ouderdom verschrompeld schepseltje, met haar bagage.Ja, zoo is hij nu eenmaal: altijd hulpvaardig—mag zij daarom ontstemd zijn?De kleine wolk verdwijnt van haar blank voorhoofd. Hij is beter dan ik, denkt ze.Maar de oude vrouw staat nu op den vasten grond, en de jonge man begint thans toch ook haast te krijgen.„Truida!” zegt hij.—„Louis!” zegt zij. „Louis, wèlkom hier!”—Ik geloof inderdaad, dat bij hun ontmoeting dit de eerste en bijna de eenige woorden waren, die zij bezigden, maar het laatste wolkje is werkelijk verdwenen van Truida’s voorhoofd, en in den tòon, waarop zij elkander bij hun voornamen noemen, drukt zich al de oprechtheid, teederheid en innigheid hunner liefde uit.Er ligt zoo niets gemaakts, gekunstelds of overspannens in hun begroeting.Waarom ook? De ware liefde maakt eenvoudig.Zij loopen vlug het station door.Christiaan heeft de paarden reeds voorgebracht bij de blauwzerken stoep. Truida neemt den poney; de zwarte hengst is voor den jongen jager bestemd.De paarden zijn reeds ongeduldig geworden, en zij schuren met hun slanke voorpooten het harde plaveisel. De beide jonge menschen springen nu vlug in het zaâl, en zij geven hun paarden den teugel.De stationschef en de magere spoorklerk kijken hen na.„Een knap paar,” meent de chef.„Hij ziet er brutaal genoeg uit,” zegt de kleine, magere klerk.„Ze zullen jòu niet op de bruiloft noodigen,” meent de chef.„’t Zal ook geen bruiloft worden,” zegt de kleine, magere.„Over zes weken, man!”„Toch niet; zij krijgen ruzie. Hij is een brutale Transvaalsche Boer, en zij is op een Engelsche kostschool geweest. Meer zal ik maar niet zeggen.”„En als ’t afraakt, trouw jìj met de rijke Trui Uys,” plaagt de chef.„Ze kon wel slechter,” meent de magere klerk, en hij geeft den dunnen, dorren hals zoo’n bedenkelijken draai, dat hij onheilspellend begint te kraken.Het jonge paar heeft een langen rit voor de borst, maar het is een prachtige zonnige dag, en zij haasten zich niet. Zij zijn immers bij elkander. Slechts hindert het Louis Wessels, dat zij herhaalde keeren Engelsche cavalerie ontmoeten.„Ik geloof, dat gij ze liever niet zaagt, Louis.”„Ik sta werkelijk verwonderd, Truida; het krioelt hier van de Rooineks.”„Vroeger waren zij er toch ook,” lacht zij.„Maar niet zooveel. Ik heb ze overal gezien: bij den Langnek, bij New-Castle, bij Glencoe—letterlijk overal.”„Jullie zijt in den regel wat parmantig,” schertst Truida, „en daarom nemen wij voorzorgsmaatregelen.”Op dit oogenblik komt om den hoek van den weg een volledige veldbatterij aangallopeeren, en de beide jonge menschen moeten snel uithalen, om niet overreden te worden. De blanke, metalen loopen blinken, en de uitgetrokken sabels der bedieningsmanschappen schitteren in het zonlicht.Er komt een rimpel tusschen de oogen van den jongen Boer, en met een strak gelaat staroogt hij op die prachtige kanonnen. Hij staart hen na, totdat zij in een stofwolk zijn verdwenen, en het schijnt, alsof een vizioen zijn geest voorbijtrekt.„Kom dan toch,” maant het meisje, aan Wessels’ paard een slag gevend met de rijzweep, zoodat het een sprong vooruit doet.Nu rijden zij weer door, doch Louis spreekt niet. Het schijnt, dat die kanonnen het hem hebben aangedaan.„Maar gij hebt toch wel meer Engelsche artillerie gezien?” vraagt Truida, nu toch een beetje ontstemd.„Natuurlijk,” zegt hij—„bij Krugersdorp bijvoorbeeld.”Bij Krugersdorp—zij vindt het niet hartelijk, dat hij haar aan Krugersdorp herinnert, aan dat Krugersdorp, waar de ongelukkige Jameson zijn kanonnen, zijn manschappen en zijn eer verspeelde. Zij is niet Transvaalsch gezind, dat is waar—maar mag Louis haar dat euvel duiden? Zij is geboren in een Engelsche kolonie, uit ouders, die onderdanen waren van koningin Victoria, en zij heeft—die magere spoorklerk had daarin toch wel gelijk—op de kostschool te Pietermaritzburg geleerd, dat de bloei van geheel Zuid-Afrika slechts denkbaar is bij een enge en innige aansluiting aan het Engelsche wereldrijk.„Ik vind het niet aardig, Louis, dat gij van Krugersdorp spreekt,” zegt ze, „want Krugersdorp was een kwajongensstreek, en Engeland is er onschuldig aan.”„Onschuldig,” roept hij op bitteren toon, „onschuldig!” en hij geeft zijn paard een ruk in de teugels, dat het wild opsteigert.Zij heeft hem nog nooit zoo opgewonden gezien, en zij staart hem aan met klimmende verbazing.„Krugersdorp is een misverstand geweest, een vreeselijk misverstand,” zegt zij.„Dat maken de Engelsche Jingobladen je wijs,” zegt hij toornig, „maar het is een leugen, want het was inderdaad een goed overlegd, duivelsch plan, om Naboth’s wijngaard in te palmen. Maar de Afrikaansche Naboth was om nieuwjaar 1896 gelukkiger dan de Naboth van 1 Koningen 21, en was Cronjé er niet zoo vlug bij geweest, dan had Engeland geheel Transvaal ingepalmd—natuurlijk uit pure vergissing.”Hij lacht, terwijl hij dit zegt, maar ’t is niet de oude, gulle lach. Truida echter kijkt hem oplettend aan, en zij gist, dat er iets bijzonders moet gebeurd zijn.„Is de toestand gespannen geworden?” vraagt zij.„’t Wordt oorlog,” zegt hij, „mijn laatste twijfel verdwijnt. De conferentie te Bloemfontein is mislukt, en Engeland hooptzijn krijgsvolk hier in Natal op—zou dat geen oorlog beteekenen?”„Ik heb niets van een mislukte conferentie gehoord.”„Ik heb de krant in mijn zak, waarin ge ’t straks kunt lezen,” antwoordt hij.„Maar het behoeft toch geen oorlog te worden,” roept zij verschrikt.„Als Engeland bij zijn eischen volhardt, dan wordt het oorlog, Truida.”„’t Is dan toch de schuld der Boeren?”„Hoe zoo?” vraagt hij verbaasd.„Als zij toegeven, is toch alles in orde.”„Wel zeker; als zij voor Engeland kruipen, dan mogen zij blijven leven.”„Het gaat maar om de rechten der Uitlanders, Louis.”„Het gaat om ons volksbestaan, Truida—dat gij dàt niet begrijpt!”Neen, dat begrijpt ze niet; dat heeft ze nóoit begrepen. Maar ze is ter goeder trouw in haar meening, dat de Boeren in een bekrompen en enghartig conservatisme aan den Uitlander weigeren, wat hem van rechtswegen toekomt, en de jonge Wessels is te diep verbitterd, om met kalmte en bezadigdheid voor haar de waarheid uit den leugen te ontwarren.Pluto schiet vooruit, en blijft blaffende staan voor een kleinen Kafferhond, die zich op den weg heeft neergelegd met een stuk malsch vleesch tusschen de korte voorpooten, en daar Pluto honger heeft, maakt hij aanstalten, om dat begeerlijke stuk vleesch machtig te worden. Hij werpt zich plat op den buik, snuift met zijn speurneus de lekkere vleeschlucht in, springt weer op en begint te blaffen als een razende.„Pluto—hier!” roept Truida.„Waarom roep je mijn hond terug?” vraagt Louis.„Zie je dan niet, dat hij dat stuk vleesch dien kleinen hond wil afnemen?” vraagt zij verwonderd.„Nu, wat zou dat, Truida?”„Wat dat zou? Dat is diefstal, neen, erger nog, brutale roof.”„En dat Engeland de goudmijnen wil hebben—wat is dat?” vraagt hij op scherpen toon.„Dat is een ander geval,” zegt zij.„Een ander geval,” spot hij minachtend—„kom, wij zullen er maar niet meer over spreken.”Truida voelt zich nu werkelijk gekrenkt. Zij antwoordt niet, en beiden rijden zwijgend voort. Maar het blauw zinken dak van Truida’s woning schemert reeds tusschen het geboomte door, en het doel van den tocht is spoedig bereikt.

HOOFDSTUK IV.

De zon staat op haar middaghoogte, en het is drukkend heet. Vooral wordt men ’t hier gewaar, op dit vlakke plein, waar boom noch struik hun schaduw geven.Het is een stationsplein; het behoort bij een der stations van de Noord-Natalsche spoorlijn, die Natal met de Transvaal verbindt.’t Is stil en doodsch op het plein; dat doet de gloeïende hitte.Een Kaffer kruit een koffer weg, en een paar ganzen steken het vierkante plein over, om een moddersloot op te zoeken. Dat is al.Maar van den veldweg nadert thans een meisje het plein. Zij zit te paard; een breedgerande zomerhoed bedekt haar vol, kastanje-bruin haar; zij is zeker niet ouder dan negentien jaar. Een Kaffer, eveneens te paard, volgt haar op een afstand. Zij berijdt een schimmel-poney; de Kaffer heeft een hoogen zwarten hengst.Op het plein gekomen, springt zij uit het zadel, terwijl de Kaffer, een jonge, slanke Zoeloe met zwarte, schrandere oogen haar voorbeeld volgt. Zij kijkt op haar horloge en staart vervolgens de spoorlijn uit naar het noorden, of zij den ontsnappenden stoom van een naderenden trein nog niet kan ontdekken. Doch zij ziet niets, en neemt eenigszins teleurgesteld de teugels en de rijzweep in haar linkerhand, terwijl zij met de rechter de vliegen verjaagt, die den schimmel om den kop gonzen. Telkens kijkt zij daarbij ter zijde uit, naar het noorden, doch wat zij wacht, schijnt maar niet te komen.„Waar mag je aanstaande baas toch blijven?” fluistert zij haar klepper in ’t oor, maar hij schudt den ruigen kop, alsof hij zeggen wil: „Hoe kan ik dat weten!”Zij trippelt ongeduldig op haar kleine voeten, en nadat zij tien minuten heeft gewacht, roept zij: „Christiaan!”Met Christiaan bedoelt zij den jongen, slanken Zoeloe, die den zwarten hengst vasthoudt.Zij geeft hem de teugels van haar poney over, en gaat het station binnen, het perron op. Een wisselwachter loopt langs de lijn, om de wissels na te zien; op het perron staan de chef en een spoorklerk met elkander te praten.„Wanneer komt de Transvaalsche trein toch?” vraagt het meisje.„Hij is op komst, juffrouw!” antwoordt de chef, het meisje groetend, dat hij kent.„’t Is al een kwartier over tijd, chef,”—en zij wijst met haar rijzweep op de stationsklok, die op één uur staat.„Toch niet—slechts zeven minuten,” lacht de chef; „u bent vandaag al bijzonder ongeduldig, juffrouw Uys.”„De liefde maakt ongeduldig,” meent de magere spoorklerk, terwijl hij den hals draait, die lang en dor is als een boonenstaak.De electrische schel gaat nu over, en in de verte wordt de rookpluim zichtbaar van den naderenden trein.„Er komt tegenwoordig niet veel goeds uit de Transvaal,” schertst de chef.„Maar voor mij iets heel goeds,” meent het meisje met een vrijmoedigen opslag van hare helderblauwe oogen.„Pas maar op, dat gij een trouwe onderdane blijft van onze koningin,” lacht de chef, en hij heft den vinger waarschuwend omhoog.Doch zij hoort die laatste woorden niet meer, want al haar aandacht is gevestigd op den trein, die thans binnenstoomt, en terwijl de portieren worden opengeworpen, dringt een stroom van reizigers naar buiten.Het is allerhande slag van volk: oude heeren met gouden brillen op den neus en half naakte zwarten; naast een cavalerieofficier met een langen sabel een bedelaar met een houten been. En zij schijnen bijna allen haast te hebben—och, de meeste menschen hebben haast. Zij hollen van huis naar de spoor, en de spoor loopt nog veel te langzaam, en zij hollen van de spoor weer naar huis, altijd maar door, vice versa, totdat zij tusschen huis en spoor in een graf tuimelen, en stil liggen blijven.....Maar het jonge meisje heeft geen tijd, om over die toestanden na te denken, want haar oogen zoeken onder die zoo druk door elkander woelende en dwarrelende menschen haren aanstaanden bruidegom. Zij behoeft ook niet lang te zoeken. Dat immers is hij—die daar met dat zonnig gelaat!Waarom komt hij nu niet wat vlugger aanloopen? Och, nu begrijpt zij ’t. Hij helpt een vrouw, een van ouderdom verschrompeld schepseltje, met haar bagage.Ja, zoo is hij nu eenmaal: altijd hulpvaardig—mag zij daarom ontstemd zijn?De kleine wolk verdwijnt van haar blank voorhoofd. Hij is beter dan ik, denkt ze.Maar de oude vrouw staat nu op den vasten grond, en de jonge man begint thans toch ook haast te krijgen.„Truida!” zegt hij.—„Louis!” zegt zij. „Louis, wèlkom hier!”—Ik geloof inderdaad, dat bij hun ontmoeting dit de eerste en bijna de eenige woorden waren, die zij bezigden, maar het laatste wolkje is werkelijk verdwenen van Truida’s voorhoofd, en in den tòon, waarop zij elkander bij hun voornamen noemen, drukt zich al de oprechtheid, teederheid en innigheid hunner liefde uit.Er ligt zoo niets gemaakts, gekunstelds of overspannens in hun begroeting.Waarom ook? De ware liefde maakt eenvoudig.Zij loopen vlug het station door.Christiaan heeft de paarden reeds voorgebracht bij de blauwzerken stoep. Truida neemt den poney; de zwarte hengst is voor den jongen jager bestemd.De paarden zijn reeds ongeduldig geworden, en zij schuren met hun slanke voorpooten het harde plaveisel. De beide jonge menschen springen nu vlug in het zaâl, en zij geven hun paarden den teugel.De stationschef en de magere spoorklerk kijken hen na.„Een knap paar,” meent de chef.„Hij ziet er brutaal genoeg uit,” zegt de kleine, magere klerk.„Ze zullen jòu niet op de bruiloft noodigen,” meent de chef.„’t Zal ook geen bruiloft worden,” zegt de kleine, magere.„Over zes weken, man!”„Toch niet; zij krijgen ruzie. Hij is een brutale Transvaalsche Boer, en zij is op een Engelsche kostschool geweest. Meer zal ik maar niet zeggen.”„En als ’t afraakt, trouw jìj met de rijke Trui Uys,” plaagt de chef.„Ze kon wel slechter,” meent de magere klerk, en hij geeft den dunnen, dorren hals zoo’n bedenkelijken draai, dat hij onheilspellend begint te kraken.Het jonge paar heeft een langen rit voor de borst, maar het is een prachtige zonnige dag, en zij haasten zich niet. Zij zijn immers bij elkander. Slechts hindert het Louis Wessels, dat zij herhaalde keeren Engelsche cavalerie ontmoeten.„Ik geloof, dat gij ze liever niet zaagt, Louis.”„Ik sta werkelijk verwonderd, Truida; het krioelt hier van de Rooineks.”„Vroeger waren zij er toch ook,” lacht zij.„Maar niet zooveel. Ik heb ze overal gezien: bij den Langnek, bij New-Castle, bij Glencoe—letterlijk overal.”„Jullie zijt in den regel wat parmantig,” schertst Truida, „en daarom nemen wij voorzorgsmaatregelen.”Op dit oogenblik komt om den hoek van den weg een volledige veldbatterij aangallopeeren, en de beide jonge menschen moeten snel uithalen, om niet overreden te worden. De blanke, metalen loopen blinken, en de uitgetrokken sabels der bedieningsmanschappen schitteren in het zonlicht.Er komt een rimpel tusschen de oogen van den jongen Boer, en met een strak gelaat staroogt hij op die prachtige kanonnen. Hij staart hen na, totdat zij in een stofwolk zijn verdwenen, en het schijnt, alsof een vizioen zijn geest voorbijtrekt.„Kom dan toch,” maant het meisje, aan Wessels’ paard een slag gevend met de rijzweep, zoodat het een sprong vooruit doet.Nu rijden zij weer door, doch Louis spreekt niet. Het schijnt, dat die kanonnen het hem hebben aangedaan.„Maar gij hebt toch wel meer Engelsche artillerie gezien?” vraagt Truida, nu toch een beetje ontstemd.„Natuurlijk,” zegt hij—„bij Krugersdorp bijvoorbeeld.”Bij Krugersdorp—zij vindt het niet hartelijk, dat hij haar aan Krugersdorp herinnert, aan dat Krugersdorp, waar de ongelukkige Jameson zijn kanonnen, zijn manschappen en zijn eer verspeelde. Zij is niet Transvaalsch gezind, dat is waar—maar mag Louis haar dat euvel duiden? Zij is geboren in een Engelsche kolonie, uit ouders, die onderdanen waren van koningin Victoria, en zij heeft—die magere spoorklerk had daarin toch wel gelijk—op de kostschool te Pietermaritzburg geleerd, dat de bloei van geheel Zuid-Afrika slechts denkbaar is bij een enge en innige aansluiting aan het Engelsche wereldrijk.„Ik vind het niet aardig, Louis, dat gij van Krugersdorp spreekt,” zegt ze, „want Krugersdorp was een kwajongensstreek, en Engeland is er onschuldig aan.”„Onschuldig,” roept hij op bitteren toon, „onschuldig!” en hij geeft zijn paard een ruk in de teugels, dat het wild opsteigert.Zij heeft hem nog nooit zoo opgewonden gezien, en zij staart hem aan met klimmende verbazing.„Krugersdorp is een misverstand geweest, een vreeselijk misverstand,” zegt zij.„Dat maken de Engelsche Jingobladen je wijs,” zegt hij toornig, „maar het is een leugen, want het was inderdaad een goed overlegd, duivelsch plan, om Naboth’s wijngaard in te palmen. Maar de Afrikaansche Naboth was om nieuwjaar 1896 gelukkiger dan de Naboth van 1 Koningen 21, en was Cronjé er niet zoo vlug bij geweest, dan had Engeland geheel Transvaal ingepalmd—natuurlijk uit pure vergissing.”Hij lacht, terwijl hij dit zegt, maar ’t is niet de oude, gulle lach. Truida echter kijkt hem oplettend aan, en zij gist, dat er iets bijzonders moet gebeurd zijn.„Is de toestand gespannen geworden?” vraagt zij.„’t Wordt oorlog,” zegt hij, „mijn laatste twijfel verdwijnt. De conferentie te Bloemfontein is mislukt, en Engeland hooptzijn krijgsvolk hier in Natal op—zou dat geen oorlog beteekenen?”„Ik heb niets van een mislukte conferentie gehoord.”„Ik heb de krant in mijn zak, waarin ge ’t straks kunt lezen,” antwoordt hij.„Maar het behoeft toch geen oorlog te worden,” roept zij verschrikt.„Als Engeland bij zijn eischen volhardt, dan wordt het oorlog, Truida.”„’t Is dan toch de schuld der Boeren?”„Hoe zoo?” vraagt hij verbaasd.„Als zij toegeven, is toch alles in orde.”„Wel zeker; als zij voor Engeland kruipen, dan mogen zij blijven leven.”„Het gaat maar om de rechten der Uitlanders, Louis.”„Het gaat om ons volksbestaan, Truida—dat gij dàt niet begrijpt!”Neen, dat begrijpt ze niet; dat heeft ze nóoit begrepen. Maar ze is ter goeder trouw in haar meening, dat de Boeren in een bekrompen en enghartig conservatisme aan den Uitlander weigeren, wat hem van rechtswegen toekomt, en de jonge Wessels is te diep verbitterd, om met kalmte en bezadigdheid voor haar de waarheid uit den leugen te ontwarren.Pluto schiet vooruit, en blijft blaffende staan voor een kleinen Kafferhond, die zich op den weg heeft neergelegd met een stuk malsch vleesch tusschen de korte voorpooten, en daar Pluto honger heeft, maakt hij aanstalten, om dat begeerlijke stuk vleesch machtig te worden. Hij werpt zich plat op den buik, snuift met zijn speurneus de lekkere vleeschlucht in, springt weer op en begint te blaffen als een razende.„Pluto—hier!” roept Truida.„Waarom roep je mijn hond terug?” vraagt Louis.„Zie je dan niet, dat hij dat stuk vleesch dien kleinen hond wil afnemen?” vraagt zij verwonderd.„Nu, wat zou dat, Truida?”„Wat dat zou? Dat is diefstal, neen, erger nog, brutale roof.”„En dat Engeland de goudmijnen wil hebben—wat is dat?” vraagt hij op scherpen toon.„Dat is een ander geval,” zegt zij.„Een ander geval,” spot hij minachtend—„kom, wij zullen er maar niet meer over spreken.”Truida voelt zich nu werkelijk gekrenkt. Zij antwoordt niet, en beiden rijden zwijgend voort. Maar het blauw zinken dak van Truida’s woning schemert reeds tusschen het geboomte door, en het doel van den tocht is spoedig bereikt.

De zon staat op haar middaghoogte, en het is drukkend heet. Vooral wordt men ’t hier gewaar, op dit vlakke plein, waar boom noch struik hun schaduw geven.

Het is een stationsplein; het behoort bij een der stations van de Noord-Natalsche spoorlijn, die Natal met de Transvaal verbindt.

’t Is stil en doodsch op het plein; dat doet de gloeïende hitte.

Een Kaffer kruit een koffer weg, en een paar ganzen steken het vierkante plein over, om een moddersloot op te zoeken. Dat is al.

Maar van den veldweg nadert thans een meisje het plein. Zij zit te paard; een breedgerande zomerhoed bedekt haar vol, kastanje-bruin haar; zij is zeker niet ouder dan negentien jaar. Een Kaffer, eveneens te paard, volgt haar op een afstand. Zij berijdt een schimmel-poney; de Kaffer heeft een hoogen zwarten hengst.

Op het plein gekomen, springt zij uit het zadel, terwijl de Kaffer, een jonge, slanke Zoeloe met zwarte, schrandere oogen haar voorbeeld volgt. Zij kijkt op haar horloge en staart vervolgens de spoorlijn uit naar het noorden, of zij den ontsnappenden stoom van een naderenden trein nog niet kan ontdekken. Doch zij ziet niets, en neemt eenigszins teleurgesteld de teugels en de rijzweep in haar linkerhand, terwijl zij met de rechter de vliegen verjaagt, die den schimmel om den kop gonzen. Telkens kijkt zij daarbij ter zijde uit, naar het noorden, doch wat zij wacht, schijnt maar niet te komen.

„Waar mag je aanstaande baas toch blijven?” fluistert zij haar klepper in ’t oor, maar hij schudt den ruigen kop, alsof hij zeggen wil: „Hoe kan ik dat weten!”

Zij trippelt ongeduldig op haar kleine voeten, en nadat zij tien minuten heeft gewacht, roept zij: „Christiaan!”

Met Christiaan bedoelt zij den jongen, slanken Zoeloe, die den zwarten hengst vasthoudt.

Zij geeft hem de teugels van haar poney over, en gaat het station binnen, het perron op. Een wisselwachter loopt langs de lijn, om de wissels na te zien; op het perron staan de chef en een spoorklerk met elkander te praten.

„Wanneer komt de Transvaalsche trein toch?” vraagt het meisje.

„Hij is op komst, juffrouw!” antwoordt de chef, het meisje groetend, dat hij kent.

„’t Is al een kwartier over tijd, chef,”—en zij wijst met haar rijzweep op de stationsklok, die op één uur staat.

„Toch niet—slechts zeven minuten,” lacht de chef; „u bent vandaag al bijzonder ongeduldig, juffrouw Uys.”

„De liefde maakt ongeduldig,” meent de magere spoorklerk, terwijl hij den hals draait, die lang en dor is als een boonenstaak.

De electrische schel gaat nu over, en in de verte wordt de rookpluim zichtbaar van den naderenden trein.

„Er komt tegenwoordig niet veel goeds uit de Transvaal,” schertst de chef.

„Maar voor mij iets heel goeds,” meent het meisje met een vrijmoedigen opslag van hare helderblauwe oogen.

„Pas maar op, dat gij een trouwe onderdane blijft van onze koningin,” lacht de chef, en hij heft den vinger waarschuwend omhoog.

Doch zij hoort die laatste woorden niet meer, want al haar aandacht is gevestigd op den trein, die thans binnenstoomt, en terwijl de portieren worden opengeworpen, dringt een stroom van reizigers naar buiten.

Het is allerhande slag van volk: oude heeren met gouden brillen op den neus en half naakte zwarten; naast een cavalerieofficier met een langen sabel een bedelaar met een houten been. En zij schijnen bijna allen haast te hebben—och, de meeste menschen hebben haast. Zij hollen van huis naar de spoor, en de spoor loopt nog veel te langzaam, en zij hollen van de spoor weer naar huis, altijd maar door, vice versa, totdat zij tusschen huis en spoor in een graf tuimelen, en stil liggen blijven.....

Maar het jonge meisje heeft geen tijd, om over die toestanden na te denken, want haar oogen zoeken onder die zoo druk door elkander woelende en dwarrelende menschen haren aanstaanden bruidegom. Zij behoeft ook niet lang te zoeken. Dat immers is hij—die daar met dat zonnig gelaat!

Waarom komt hij nu niet wat vlugger aanloopen? Och, nu begrijpt zij ’t. Hij helpt een vrouw, een van ouderdom verschrompeld schepseltje, met haar bagage.

Ja, zoo is hij nu eenmaal: altijd hulpvaardig—mag zij daarom ontstemd zijn?

De kleine wolk verdwijnt van haar blank voorhoofd. Hij is beter dan ik, denkt ze.

Maar de oude vrouw staat nu op den vasten grond, en de jonge man begint thans toch ook haast te krijgen.

„Truida!” zegt hij.—„Louis!” zegt zij. „Louis, wèlkom hier!”—

Ik geloof inderdaad, dat bij hun ontmoeting dit de eerste en bijna de eenige woorden waren, die zij bezigden, maar het laatste wolkje is werkelijk verdwenen van Truida’s voorhoofd, en in den tòon, waarop zij elkander bij hun voornamen noemen, drukt zich al de oprechtheid, teederheid en innigheid hunner liefde uit.

Er ligt zoo niets gemaakts, gekunstelds of overspannens in hun begroeting.

Waarom ook? De ware liefde maakt eenvoudig.

Zij loopen vlug het station door.

Christiaan heeft de paarden reeds voorgebracht bij de blauwzerken stoep. Truida neemt den poney; de zwarte hengst is voor den jongen jager bestemd.

De paarden zijn reeds ongeduldig geworden, en zij schuren met hun slanke voorpooten het harde plaveisel. De beide jonge menschen springen nu vlug in het zaâl, en zij geven hun paarden den teugel.

De stationschef en de magere spoorklerk kijken hen na.

„Een knap paar,” meent de chef.

„Hij ziet er brutaal genoeg uit,” zegt de kleine, magere klerk.

„Ze zullen jòu niet op de bruiloft noodigen,” meent de chef.

„’t Zal ook geen bruiloft worden,” zegt de kleine, magere.

„Over zes weken, man!”

„Toch niet; zij krijgen ruzie. Hij is een brutale Transvaalsche Boer, en zij is op een Engelsche kostschool geweest. Meer zal ik maar niet zeggen.”

„En als ’t afraakt, trouw jìj met de rijke Trui Uys,” plaagt de chef.

„Ze kon wel slechter,” meent de magere klerk, en hij geeft den dunnen, dorren hals zoo’n bedenkelijken draai, dat hij onheilspellend begint te kraken.

Het jonge paar heeft een langen rit voor de borst, maar het is een prachtige zonnige dag, en zij haasten zich niet. Zij zijn immers bij elkander. Slechts hindert het Louis Wessels, dat zij herhaalde keeren Engelsche cavalerie ontmoeten.

„Ik geloof, dat gij ze liever niet zaagt, Louis.”

„Ik sta werkelijk verwonderd, Truida; het krioelt hier van de Rooineks.”

„Vroeger waren zij er toch ook,” lacht zij.

„Maar niet zooveel. Ik heb ze overal gezien: bij den Langnek, bij New-Castle, bij Glencoe—letterlijk overal.”

„Jullie zijt in den regel wat parmantig,” schertst Truida, „en daarom nemen wij voorzorgsmaatregelen.”

Op dit oogenblik komt om den hoek van den weg een volledige veldbatterij aangallopeeren, en de beide jonge menschen moeten snel uithalen, om niet overreden te worden. De blanke, metalen loopen blinken, en de uitgetrokken sabels der bedieningsmanschappen schitteren in het zonlicht.

Er komt een rimpel tusschen de oogen van den jongen Boer, en met een strak gelaat staroogt hij op die prachtige kanonnen. Hij staart hen na, totdat zij in een stofwolk zijn verdwenen, en het schijnt, alsof een vizioen zijn geest voorbijtrekt.

„Kom dan toch,” maant het meisje, aan Wessels’ paard een slag gevend met de rijzweep, zoodat het een sprong vooruit doet.

Nu rijden zij weer door, doch Louis spreekt niet. Het schijnt, dat die kanonnen het hem hebben aangedaan.

„Maar gij hebt toch wel meer Engelsche artillerie gezien?” vraagt Truida, nu toch een beetje ontstemd.

„Natuurlijk,” zegt hij—„bij Krugersdorp bijvoorbeeld.”

Bij Krugersdorp—zij vindt het niet hartelijk, dat hij haar aan Krugersdorp herinnert, aan dat Krugersdorp, waar de ongelukkige Jameson zijn kanonnen, zijn manschappen en zijn eer verspeelde. Zij is niet Transvaalsch gezind, dat is waar—maar mag Louis haar dat euvel duiden? Zij is geboren in een Engelsche kolonie, uit ouders, die onderdanen waren van koningin Victoria, en zij heeft—die magere spoorklerk had daarin toch wel gelijk—op de kostschool te Pietermaritzburg geleerd, dat de bloei van geheel Zuid-Afrika slechts denkbaar is bij een enge en innige aansluiting aan het Engelsche wereldrijk.

„Ik vind het niet aardig, Louis, dat gij van Krugersdorp spreekt,” zegt ze, „want Krugersdorp was een kwajongensstreek, en Engeland is er onschuldig aan.”

„Onschuldig,” roept hij op bitteren toon, „onschuldig!” en hij geeft zijn paard een ruk in de teugels, dat het wild opsteigert.

Zij heeft hem nog nooit zoo opgewonden gezien, en zij staart hem aan met klimmende verbazing.

„Krugersdorp is een misverstand geweest, een vreeselijk misverstand,” zegt zij.

„Dat maken de Engelsche Jingobladen je wijs,” zegt hij toornig, „maar het is een leugen, want het was inderdaad een goed overlegd, duivelsch plan, om Naboth’s wijngaard in te palmen. Maar de Afrikaansche Naboth was om nieuwjaar 1896 gelukkiger dan de Naboth van 1 Koningen 21, en was Cronjé er niet zoo vlug bij geweest, dan had Engeland geheel Transvaal ingepalmd—natuurlijk uit pure vergissing.”

Hij lacht, terwijl hij dit zegt, maar ’t is niet de oude, gulle lach. Truida echter kijkt hem oplettend aan, en zij gist, dat er iets bijzonders moet gebeurd zijn.

„Is de toestand gespannen geworden?” vraagt zij.

„’t Wordt oorlog,” zegt hij, „mijn laatste twijfel verdwijnt. De conferentie te Bloemfontein is mislukt, en Engeland hooptzijn krijgsvolk hier in Natal op—zou dat geen oorlog beteekenen?”

„Ik heb niets van een mislukte conferentie gehoord.”

„Ik heb de krant in mijn zak, waarin ge ’t straks kunt lezen,” antwoordt hij.

„Maar het behoeft toch geen oorlog te worden,” roept zij verschrikt.

„Als Engeland bij zijn eischen volhardt, dan wordt het oorlog, Truida.”

„’t Is dan toch de schuld der Boeren?”

„Hoe zoo?” vraagt hij verbaasd.

„Als zij toegeven, is toch alles in orde.”

„Wel zeker; als zij voor Engeland kruipen, dan mogen zij blijven leven.”

„Het gaat maar om de rechten der Uitlanders, Louis.”

„Het gaat om ons volksbestaan, Truida—dat gij dàt niet begrijpt!”

Neen, dat begrijpt ze niet; dat heeft ze nóoit begrepen. Maar ze is ter goeder trouw in haar meening, dat de Boeren in een bekrompen en enghartig conservatisme aan den Uitlander weigeren, wat hem van rechtswegen toekomt, en de jonge Wessels is te diep verbitterd, om met kalmte en bezadigdheid voor haar de waarheid uit den leugen te ontwarren.

Pluto schiet vooruit, en blijft blaffende staan voor een kleinen Kafferhond, die zich op den weg heeft neergelegd met een stuk malsch vleesch tusschen de korte voorpooten, en daar Pluto honger heeft, maakt hij aanstalten, om dat begeerlijke stuk vleesch machtig te worden. Hij werpt zich plat op den buik, snuift met zijn speurneus de lekkere vleeschlucht in, springt weer op en begint te blaffen als een razende.

„Pluto—hier!” roept Truida.

„Waarom roep je mijn hond terug?” vraagt Louis.

„Zie je dan niet, dat hij dat stuk vleesch dien kleinen hond wil afnemen?” vraagt zij verwonderd.

„Nu, wat zou dat, Truida?”

„Wat dat zou? Dat is diefstal, neen, erger nog, brutale roof.”

„En dat Engeland de goudmijnen wil hebben—wat is dat?” vraagt hij op scherpen toon.

„Dat is een ander geval,” zegt zij.

„Een ander geval,” spot hij minachtend—„kom, wij zullen er maar niet meer over spreken.”

Truida voelt zich nu werkelijk gekrenkt. Zij antwoordt niet, en beiden rijden zwijgend voort. Maar het blauw zinken dak van Truida’s woning schemert reeds tusschen het geboomte door, en het doel van den tocht is spoedig bereikt.


Back to IndexNext