HOOFDSTUK VIII.Bob had den jongen Wessels nu verlaten, en zich neerzettend op een harde bank in de wachtkamer, dacht Louis nog eens na over het zonderling avontuur, dat hij in dezen nacht had beleefd. Hij had goede hoop, dat Bob nooit tot het vak zou terugkeeren, dat hij dezen nacht voor den eersten keer had uitgeoefend, doch met Jim stond het anders. Waarschijnlijk zou hij, zoo er niets buitengewoons tusschenbeide kwam, wel struikroover blijven. Het was dezen nacht niet de eerste keer, dat hij zijn slag wilde slaan, en zelf vroeger verleid, was hij tegenover Bob reeds als verleider opgetreden. Zoo was er dan weinig hoop voor hem, en op een goeien keer zou hij worden opgepakt, en zijn tien- of twintigjarige eenzame opsluiting met dwangarbeid wel niet ontgaan. Natuurlijk—dan kreeg hij zijn verdiende loon; er was niets op tegen. Voor de struikroovers de kerker, en worden zij moordenaars, het schavot! Doch welke straf behoorden dan die groote struikroovers en moordenaren niet te ontvangen, die er in hun onleschbaren gouddorst niet voor terug deinsden, om een geheel volk uit te roeien?„Jingo’s,” zeide de jonge Boer tusschen zijn tanden door—„o Jingo’s!” En de oude wond scheurde weer open met nieuwe pijn. Maar hij had er geen berouw van, dat hij met Truida Uys had gebroken, want hij kon den sterken en vrijen nek niet buigen onder het Engelsche juk—hij wilde waarlijk liever sterven!De naderende trein stoorde hem in zijn gedachten, en hij kreeg in den hoek van de gevulde coupé een bescheiden plaatsje.De trein was nu op het punt van te vertrekken. De magere spoorklerk stootte nog even zijn chef aan, zeggend: „Heeft u dien Transvaalschen boer wel gezien? Hij is met de kous op den kop naar huis gestuurd—mij den deze af, als ’t niet waar is!” en hij greep naar zijn nek, die nog dunner en magerder scheen dan gister.Doch de chef had nu geen tijd, om naar de praat te luisteren van zijn ondergeschikte; hij gaf het sein tot het vertrek, de bel luidde af, de stoomfluit antwoordde, en de trein zette zich in beweging.Louis Wessels staarde weemoedig het raam uit naar het heuvelachtig terrein, dat zich langs de spoorbaan uitstrekte, terwijl de gesprekken der medereizigers om zijn ooren gonsden. Naast hem zat een grof gebouwde koopvrouw met een mandje snuisterijen op haar schoot, terwijl haar vierjarig dochterke naast haar zat. De vrouw, die tegenover de koopvrouw zat, openbaarde zich als eene baker, die de koopvrouw overstelpte door een buitensporigen voorraad bakerverhalen. Maar de breedgeschouderde koopvrouw scheen zich alles toch maar niet zoo te willen laten aanleunen, en het kwam werkelijk tot een ernstig dispuut, toen de baker per se wilde volhouden, dat de eksteroogen op den linkervoet een beteren barometer afgeven dan de eksteroogen op den rechtervoet. Er werden scheidsrechters te hulp geroepen, die de netelige kwestie moesten uitmaken, doch een zeeman op de aangrenzende bank spuwde tegen den vloer, en zeide op verachtelijken toon: „Wat een vervelend geklets!” waarop de vrouwen eenige oogenblikken hun onderhoud staakten.Nu echter hield het vierjarig dochterke den tijd rijp, om ook eens een woordje te zeggen, trok haar moeder aan de mouw, en uit het raam op een grooten vogel wijzend, die met langzame, groote stappen een heuvel afklom, vraagde zij: „Wat is dat voor een vogel, Moeke?”„Een struisvogel,” zeide de koopvrouw, die haar snuisterijen rangschikte.„Waarom vliegt hij niet, Moeke?”„Zijn vleugels zijn te kort om te vliegen, kind!”„Wat doet een struisvogel toch eigenlijk, Moeke?”„Hij loert altijd op de ondeugende kindjes.”„Ik ben toch niet ondeugend, Moeke?”„Neen, gij zijt een zoet kind, maar ge moet me niet suf maken met je vragen.”„Heeft een struisvogel ook kindjes, Moeke?”„Natuurlijk.”„Zijn die kindjes ook door een ooievaar gebracht, Moeke?”„Neen,” zeide de moeder, die driftig begon te worden, „door een nijlpaard.”„Wat doet een nijlpaard, Moeke?”„Die kruipt in ’t water,” zeide de moeder met een krachtige poging om niet onvriendelijk te zijn.„Verschoont hij zich dan?”„Ja, dan verschoont hij zich.”„Is hij erg dik?”„Ja, hij is erg dik.”„Hoe dik is hij, Moeke?”„Zoo dik als een toren, en als ge nu je snater niet houdt, zal ik je een draai om de ooren geven, dat je tegen de wereld vliegt.”Het gevolg was natuurlijk, dat de kleine op een vreeselijke manier begon te huilen, wat de baker aanleiding gaf tot de stekelige opmerking: „U heeft zeker nog niet veel met kinderen omgegaan” waarop de koopvrouw op hoogen toon antwoordde: „Ik heb er dertien in alle eer en deugd mogen groot brengen—nu gegroet, menschen! Kom Betje, kom lieveling we moeten er uit aan dit station! En er is er gelukkig geen een bij met een te lange tong, baker! Nu adjuudjes hoor!”De coupé werd nu wat ruimer, doch Louis Wessels zag tot zijn ergernis weer die onvermijdelijke Engelsche uniform binnenkomen. Het waren een korporaal, reeds een bejaard man, en drie minderen: jonge recruten. Alle vier behoorden bij de infanterie; zij kwamen naast den jongen jager te zitten.Er viel op hun houding niets aan te merken. Zij gedroegen zich kalm en waardig, en hadden vriendelijke, goedhartige gezichten. Een der recruten haalde een brief uit zijn borstzak, een tweede zat met groote aandacht in een Nieuw Testament te lezen, terwijl de korporaal en de derde recruut met elkander over den waarschijnlijken oorlog spraken op een toon, die voor den jongen Wessels niets kwetsends kon hebben. Zij namen natuurlijk het Engelsche standpunt in, en betreurden de strakheid en eigenzinnigheid der Boeren, doch overigens spraken zij meer op een toon van deernis en medelijden dan van haat en hartstocht.„Maar zij hèbben de Boeren nog niet,” meende Louis, zich in hun gesprek mengend.„Bènt u een Transvaalsche Boer?” vraagde de korporaal.„Ik denk het wel,” meende Louis.„Als u invloed hebt op uwe regeering, maan haar dan aan tot inschikkelijkheid, want ònze regeering gaat niet meer terug.”„En de Transvaalsche regeering evenmin,” zeide Louis.„Arme Boeren!” meende de korporaal; „zij zullen hun bloed storten, en er niets mee winnen!”„Wij hebben God en het recht aan onze zijde,” zeide Louis bedaard.„Ja, dat beweert ge,” zeide de korporaal, „maar wij beweren het ook.”„Wij zullen onze vijanden verslaan,” zeide Louis.„Ach, dat meent ge, maar ge hebt geen begrip van Engelands macht. Ge zult duizend Engelschen gevangen nemen, en er zullen er tien duizend voor in de plaats komen; ge zult vijf duizend Engelschen doodschieten, en vijftig duizend zullen hun ledige plaatsen innemen.”„Als God ons sterkt, om de Engelsche keurtroepen te verslaan, dan zijn we klaar. De rest is maar prulgoed.”„Gij kent de macht van Engeland niet,” zeide de korporaal op warmer toon. „Het zal uw kommando’s door het overstelpende aantal van zijn soldaten eenvoudig dooddrukken.”„Wij zijn voor 80000 man Engelsche troepen niet bang.”„Welnu, dan zal Engeland er tweemaal en driemaal zooveel sturen.”De jonge Boer haalde zijn schouders op.„Ik zou niet weten, waar Engeland ze vandaan moet halen.”„Dat zal je tot je schrik gewaar worden, man; Engeland heeft een grooten buil en een onbeperkt crediet.”„Natuurlijk, Engeland zal wel zoo’n zoodje bij malkaar trommelen,” spotte Louis—„allemaal huurlingen, die voor hun dapperheid per schoft worden uitbetaald.”Doch het speet Louis, dat hij van huurlingen had gesproken; de korporaal scheen beleedigd, en wilde blijkbaar het gesprek niet verder voortzetten. Hij zweeg bot stil.Op dit oogenblik sloeg een rukwind den tegenover den jongen Boer zittenden recruut de veldmuts van het hoofd, en in de haast, ze nog op te vangen, zou hij door het slechts aangeleunde portier uit den in vollen gang zijnden trein zijn gestort, indien Louis hem niet had vast gegrepen.Het geheele geval had slechts een paar seconden geduurd, en was door de meeste reizigers niet eens opgemerkt. Doch de geredde soldaat wilde zijn dankbaarheid toonen, en bood den jongen Boer de laatste sigaar aan, die hij had. Louis echter weigerde, daar het de laatste was, en nam ze eerst aan, toen hij begreep, er den recruut een plezier mee te doen.Maar hij stak ze niet aan.Zijn hart, reeds zoo diep gewond door hetgeen er nog geen dag geleden was gebeurd, was vol droefheid, en weemoedig staarde hij het portierraam uit naar buiten.„Steek dan toch aan,” zeide de jonge soldaat, de derde lucifer aanschrappend; „ik denk, dat gij erger geschrokken zijt dan ik.”Nu stak de jonge jager dan toch aan.„Weet gij, waaraan ik zooeven dacht?” zeide hij, en zijn stem werd warm en innig; „daaraan, dat wij elkander, zoo wij elkander ontmoeten op het oorlogsveld, zullen vermoorden als wilde beesten! Is het niet ontzettend en vreeselijk? En ware het voor den misdadiger, die dezen verschrikkelijken oorlog op zijn geweten heeft, niet beter geweest, zoo er een molensteen om zijn hals ware gebonden, en hij in de zee geworpen, waar zij het diepste is?”De jonge soldaat knikte bevestigend.„’t Is maar de vraag, wìe de misdadiger is,” zeide hij.„Die vraag is reeds beantwoord,” zeide Louis.„Door wien?”„Door de volksconscientie van de geheele wereld,” zeide Louis met nadruk.De soldaat, die in het Nieuwe Testament had zitten lezen, sloeg nu zijn bijbeltje dicht.„’t Is mogelijk, dat het recht aan de zijde der Boeren is,” zeide hij ernstig, „ik weet het niet.”„En durft gij bij die mogelijkheid toch nog tegen ons vechten?” vraagde de jonge Wessels met smartelijke verwondering.„Ik ben aan mijn officieren blinde gehoorzaamheid schuldig,” antwoordde de soldaat; „ik zwoer trouw aan de vlag, en mag geen meineedige worden.”Wessels wilde nog iets antwoorden, maar hij bedacht zich —wat hielp het?Het volgende station was nu bereikt. De trein stopte, en de vier soldaten stapten uit. Zij reikten den jongen Boer tot afscheid de hand, die hij hartelijk drukte. En morgen of overmorgen zouden zij tegenover elkander staan als grimmige vijanden, en als de Boer geen kans kreeg, om hun een doodelijken kogel door het hoofd te jagen, dan beliep hij de kans, aan de vlijmendscherpe bajonet geregen te worden.De jonge jager schudde zich alsof hij de koorts had, en staarde zwijgend naar het heuvelachtige landschap, dat zich rustig en vredig uitstrekte voor zijn blik.
HOOFDSTUK VIII.Bob had den jongen Wessels nu verlaten, en zich neerzettend op een harde bank in de wachtkamer, dacht Louis nog eens na over het zonderling avontuur, dat hij in dezen nacht had beleefd. Hij had goede hoop, dat Bob nooit tot het vak zou terugkeeren, dat hij dezen nacht voor den eersten keer had uitgeoefend, doch met Jim stond het anders. Waarschijnlijk zou hij, zoo er niets buitengewoons tusschenbeide kwam, wel struikroover blijven. Het was dezen nacht niet de eerste keer, dat hij zijn slag wilde slaan, en zelf vroeger verleid, was hij tegenover Bob reeds als verleider opgetreden. Zoo was er dan weinig hoop voor hem, en op een goeien keer zou hij worden opgepakt, en zijn tien- of twintigjarige eenzame opsluiting met dwangarbeid wel niet ontgaan. Natuurlijk—dan kreeg hij zijn verdiende loon; er was niets op tegen. Voor de struikroovers de kerker, en worden zij moordenaars, het schavot! Doch welke straf behoorden dan die groote struikroovers en moordenaren niet te ontvangen, die er in hun onleschbaren gouddorst niet voor terug deinsden, om een geheel volk uit te roeien?„Jingo’s,” zeide de jonge Boer tusschen zijn tanden door—„o Jingo’s!” En de oude wond scheurde weer open met nieuwe pijn. Maar hij had er geen berouw van, dat hij met Truida Uys had gebroken, want hij kon den sterken en vrijen nek niet buigen onder het Engelsche juk—hij wilde waarlijk liever sterven!De naderende trein stoorde hem in zijn gedachten, en hij kreeg in den hoek van de gevulde coupé een bescheiden plaatsje.De trein was nu op het punt van te vertrekken. De magere spoorklerk stootte nog even zijn chef aan, zeggend: „Heeft u dien Transvaalschen boer wel gezien? Hij is met de kous op den kop naar huis gestuurd—mij den deze af, als ’t niet waar is!” en hij greep naar zijn nek, die nog dunner en magerder scheen dan gister.Doch de chef had nu geen tijd, om naar de praat te luisteren van zijn ondergeschikte; hij gaf het sein tot het vertrek, de bel luidde af, de stoomfluit antwoordde, en de trein zette zich in beweging.Louis Wessels staarde weemoedig het raam uit naar het heuvelachtig terrein, dat zich langs de spoorbaan uitstrekte, terwijl de gesprekken der medereizigers om zijn ooren gonsden. Naast hem zat een grof gebouwde koopvrouw met een mandje snuisterijen op haar schoot, terwijl haar vierjarig dochterke naast haar zat. De vrouw, die tegenover de koopvrouw zat, openbaarde zich als eene baker, die de koopvrouw overstelpte door een buitensporigen voorraad bakerverhalen. Maar de breedgeschouderde koopvrouw scheen zich alles toch maar niet zoo te willen laten aanleunen, en het kwam werkelijk tot een ernstig dispuut, toen de baker per se wilde volhouden, dat de eksteroogen op den linkervoet een beteren barometer afgeven dan de eksteroogen op den rechtervoet. Er werden scheidsrechters te hulp geroepen, die de netelige kwestie moesten uitmaken, doch een zeeman op de aangrenzende bank spuwde tegen den vloer, en zeide op verachtelijken toon: „Wat een vervelend geklets!” waarop de vrouwen eenige oogenblikken hun onderhoud staakten.Nu echter hield het vierjarig dochterke den tijd rijp, om ook eens een woordje te zeggen, trok haar moeder aan de mouw, en uit het raam op een grooten vogel wijzend, die met langzame, groote stappen een heuvel afklom, vraagde zij: „Wat is dat voor een vogel, Moeke?”„Een struisvogel,” zeide de koopvrouw, die haar snuisterijen rangschikte.„Waarom vliegt hij niet, Moeke?”„Zijn vleugels zijn te kort om te vliegen, kind!”„Wat doet een struisvogel toch eigenlijk, Moeke?”„Hij loert altijd op de ondeugende kindjes.”„Ik ben toch niet ondeugend, Moeke?”„Neen, gij zijt een zoet kind, maar ge moet me niet suf maken met je vragen.”„Heeft een struisvogel ook kindjes, Moeke?”„Natuurlijk.”„Zijn die kindjes ook door een ooievaar gebracht, Moeke?”„Neen,” zeide de moeder, die driftig begon te worden, „door een nijlpaard.”„Wat doet een nijlpaard, Moeke?”„Die kruipt in ’t water,” zeide de moeder met een krachtige poging om niet onvriendelijk te zijn.„Verschoont hij zich dan?”„Ja, dan verschoont hij zich.”„Is hij erg dik?”„Ja, hij is erg dik.”„Hoe dik is hij, Moeke?”„Zoo dik als een toren, en als ge nu je snater niet houdt, zal ik je een draai om de ooren geven, dat je tegen de wereld vliegt.”Het gevolg was natuurlijk, dat de kleine op een vreeselijke manier begon te huilen, wat de baker aanleiding gaf tot de stekelige opmerking: „U heeft zeker nog niet veel met kinderen omgegaan” waarop de koopvrouw op hoogen toon antwoordde: „Ik heb er dertien in alle eer en deugd mogen groot brengen—nu gegroet, menschen! Kom Betje, kom lieveling we moeten er uit aan dit station! En er is er gelukkig geen een bij met een te lange tong, baker! Nu adjuudjes hoor!”De coupé werd nu wat ruimer, doch Louis Wessels zag tot zijn ergernis weer die onvermijdelijke Engelsche uniform binnenkomen. Het waren een korporaal, reeds een bejaard man, en drie minderen: jonge recruten. Alle vier behoorden bij de infanterie; zij kwamen naast den jongen jager te zitten.Er viel op hun houding niets aan te merken. Zij gedroegen zich kalm en waardig, en hadden vriendelijke, goedhartige gezichten. Een der recruten haalde een brief uit zijn borstzak, een tweede zat met groote aandacht in een Nieuw Testament te lezen, terwijl de korporaal en de derde recruut met elkander over den waarschijnlijken oorlog spraken op een toon, die voor den jongen Wessels niets kwetsends kon hebben. Zij namen natuurlijk het Engelsche standpunt in, en betreurden de strakheid en eigenzinnigheid der Boeren, doch overigens spraken zij meer op een toon van deernis en medelijden dan van haat en hartstocht.„Maar zij hèbben de Boeren nog niet,” meende Louis, zich in hun gesprek mengend.„Bènt u een Transvaalsche Boer?” vraagde de korporaal.„Ik denk het wel,” meende Louis.„Als u invloed hebt op uwe regeering, maan haar dan aan tot inschikkelijkheid, want ònze regeering gaat niet meer terug.”„En de Transvaalsche regeering evenmin,” zeide Louis.„Arme Boeren!” meende de korporaal; „zij zullen hun bloed storten, en er niets mee winnen!”„Wij hebben God en het recht aan onze zijde,” zeide Louis bedaard.„Ja, dat beweert ge,” zeide de korporaal, „maar wij beweren het ook.”„Wij zullen onze vijanden verslaan,” zeide Louis.„Ach, dat meent ge, maar ge hebt geen begrip van Engelands macht. Ge zult duizend Engelschen gevangen nemen, en er zullen er tien duizend voor in de plaats komen; ge zult vijf duizend Engelschen doodschieten, en vijftig duizend zullen hun ledige plaatsen innemen.”„Als God ons sterkt, om de Engelsche keurtroepen te verslaan, dan zijn we klaar. De rest is maar prulgoed.”„Gij kent de macht van Engeland niet,” zeide de korporaal op warmer toon. „Het zal uw kommando’s door het overstelpende aantal van zijn soldaten eenvoudig dooddrukken.”„Wij zijn voor 80000 man Engelsche troepen niet bang.”„Welnu, dan zal Engeland er tweemaal en driemaal zooveel sturen.”De jonge Boer haalde zijn schouders op.„Ik zou niet weten, waar Engeland ze vandaan moet halen.”„Dat zal je tot je schrik gewaar worden, man; Engeland heeft een grooten buil en een onbeperkt crediet.”„Natuurlijk, Engeland zal wel zoo’n zoodje bij malkaar trommelen,” spotte Louis—„allemaal huurlingen, die voor hun dapperheid per schoft worden uitbetaald.”Doch het speet Louis, dat hij van huurlingen had gesproken; de korporaal scheen beleedigd, en wilde blijkbaar het gesprek niet verder voortzetten. Hij zweeg bot stil.Op dit oogenblik sloeg een rukwind den tegenover den jongen Boer zittenden recruut de veldmuts van het hoofd, en in de haast, ze nog op te vangen, zou hij door het slechts aangeleunde portier uit den in vollen gang zijnden trein zijn gestort, indien Louis hem niet had vast gegrepen.Het geheele geval had slechts een paar seconden geduurd, en was door de meeste reizigers niet eens opgemerkt. Doch de geredde soldaat wilde zijn dankbaarheid toonen, en bood den jongen Boer de laatste sigaar aan, die hij had. Louis echter weigerde, daar het de laatste was, en nam ze eerst aan, toen hij begreep, er den recruut een plezier mee te doen.Maar hij stak ze niet aan.Zijn hart, reeds zoo diep gewond door hetgeen er nog geen dag geleden was gebeurd, was vol droefheid, en weemoedig staarde hij het portierraam uit naar buiten.„Steek dan toch aan,” zeide de jonge soldaat, de derde lucifer aanschrappend; „ik denk, dat gij erger geschrokken zijt dan ik.”Nu stak de jonge jager dan toch aan.„Weet gij, waaraan ik zooeven dacht?” zeide hij, en zijn stem werd warm en innig; „daaraan, dat wij elkander, zoo wij elkander ontmoeten op het oorlogsveld, zullen vermoorden als wilde beesten! Is het niet ontzettend en vreeselijk? En ware het voor den misdadiger, die dezen verschrikkelijken oorlog op zijn geweten heeft, niet beter geweest, zoo er een molensteen om zijn hals ware gebonden, en hij in de zee geworpen, waar zij het diepste is?”De jonge soldaat knikte bevestigend.„’t Is maar de vraag, wìe de misdadiger is,” zeide hij.„Die vraag is reeds beantwoord,” zeide Louis.„Door wien?”„Door de volksconscientie van de geheele wereld,” zeide Louis met nadruk.De soldaat, die in het Nieuwe Testament had zitten lezen, sloeg nu zijn bijbeltje dicht.„’t Is mogelijk, dat het recht aan de zijde der Boeren is,” zeide hij ernstig, „ik weet het niet.”„En durft gij bij die mogelijkheid toch nog tegen ons vechten?” vraagde de jonge Wessels met smartelijke verwondering.„Ik ben aan mijn officieren blinde gehoorzaamheid schuldig,” antwoordde de soldaat; „ik zwoer trouw aan de vlag, en mag geen meineedige worden.”Wessels wilde nog iets antwoorden, maar hij bedacht zich —wat hielp het?Het volgende station was nu bereikt. De trein stopte, en de vier soldaten stapten uit. Zij reikten den jongen Boer tot afscheid de hand, die hij hartelijk drukte. En morgen of overmorgen zouden zij tegenover elkander staan als grimmige vijanden, en als de Boer geen kans kreeg, om hun een doodelijken kogel door het hoofd te jagen, dan beliep hij de kans, aan de vlijmendscherpe bajonet geregen te worden.De jonge jager schudde zich alsof hij de koorts had, en staarde zwijgend naar het heuvelachtige landschap, dat zich rustig en vredig uitstrekte voor zijn blik.
HOOFDSTUK VIII.
Bob had den jongen Wessels nu verlaten, en zich neerzettend op een harde bank in de wachtkamer, dacht Louis nog eens na over het zonderling avontuur, dat hij in dezen nacht had beleefd. Hij had goede hoop, dat Bob nooit tot het vak zou terugkeeren, dat hij dezen nacht voor den eersten keer had uitgeoefend, doch met Jim stond het anders. Waarschijnlijk zou hij, zoo er niets buitengewoons tusschenbeide kwam, wel struikroover blijven. Het was dezen nacht niet de eerste keer, dat hij zijn slag wilde slaan, en zelf vroeger verleid, was hij tegenover Bob reeds als verleider opgetreden. Zoo was er dan weinig hoop voor hem, en op een goeien keer zou hij worden opgepakt, en zijn tien- of twintigjarige eenzame opsluiting met dwangarbeid wel niet ontgaan. Natuurlijk—dan kreeg hij zijn verdiende loon; er was niets op tegen. Voor de struikroovers de kerker, en worden zij moordenaars, het schavot! Doch welke straf behoorden dan die groote struikroovers en moordenaren niet te ontvangen, die er in hun onleschbaren gouddorst niet voor terug deinsden, om een geheel volk uit te roeien?„Jingo’s,” zeide de jonge Boer tusschen zijn tanden door—„o Jingo’s!” En de oude wond scheurde weer open met nieuwe pijn. Maar hij had er geen berouw van, dat hij met Truida Uys had gebroken, want hij kon den sterken en vrijen nek niet buigen onder het Engelsche juk—hij wilde waarlijk liever sterven!De naderende trein stoorde hem in zijn gedachten, en hij kreeg in den hoek van de gevulde coupé een bescheiden plaatsje.De trein was nu op het punt van te vertrekken. De magere spoorklerk stootte nog even zijn chef aan, zeggend: „Heeft u dien Transvaalschen boer wel gezien? Hij is met de kous op den kop naar huis gestuurd—mij den deze af, als ’t niet waar is!” en hij greep naar zijn nek, die nog dunner en magerder scheen dan gister.Doch de chef had nu geen tijd, om naar de praat te luisteren van zijn ondergeschikte; hij gaf het sein tot het vertrek, de bel luidde af, de stoomfluit antwoordde, en de trein zette zich in beweging.Louis Wessels staarde weemoedig het raam uit naar het heuvelachtig terrein, dat zich langs de spoorbaan uitstrekte, terwijl de gesprekken der medereizigers om zijn ooren gonsden. Naast hem zat een grof gebouwde koopvrouw met een mandje snuisterijen op haar schoot, terwijl haar vierjarig dochterke naast haar zat. De vrouw, die tegenover de koopvrouw zat, openbaarde zich als eene baker, die de koopvrouw overstelpte door een buitensporigen voorraad bakerverhalen. Maar de breedgeschouderde koopvrouw scheen zich alles toch maar niet zoo te willen laten aanleunen, en het kwam werkelijk tot een ernstig dispuut, toen de baker per se wilde volhouden, dat de eksteroogen op den linkervoet een beteren barometer afgeven dan de eksteroogen op den rechtervoet. Er werden scheidsrechters te hulp geroepen, die de netelige kwestie moesten uitmaken, doch een zeeman op de aangrenzende bank spuwde tegen den vloer, en zeide op verachtelijken toon: „Wat een vervelend geklets!” waarop de vrouwen eenige oogenblikken hun onderhoud staakten.Nu echter hield het vierjarig dochterke den tijd rijp, om ook eens een woordje te zeggen, trok haar moeder aan de mouw, en uit het raam op een grooten vogel wijzend, die met langzame, groote stappen een heuvel afklom, vraagde zij: „Wat is dat voor een vogel, Moeke?”„Een struisvogel,” zeide de koopvrouw, die haar snuisterijen rangschikte.„Waarom vliegt hij niet, Moeke?”„Zijn vleugels zijn te kort om te vliegen, kind!”„Wat doet een struisvogel toch eigenlijk, Moeke?”„Hij loert altijd op de ondeugende kindjes.”„Ik ben toch niet ondeugend, Moeke?”„Neen, gij zijt een zoet kind, maar ge moet me niet suf maken met je vragen.”„Heeft een struisvogel ook kindjes, Moeke?”„Natuurlijk.”„Zijn die kindjes ook door een ooievaar gebracht, Moeke?”„Neen,” zeide de moeder, die driftig begon te worden, „door een nijlpaard.”„Wat doet een nijlpaard, Moeke?”„Die kruipt in ’t water,” zeide de moeder met een krachtige poging om niet onvriendelijk te zijn.„Verschoont hij zich dan?”„Ja, dan verschoont hij zich.”„Is hij erg dik?”„Ja, hij is erg dik.”„Hoe dik is hij, Moeke?”„Zoo dik als een toren, en als ge nu je snater niet houdt, zal ik je een draai om de ooren geven, dat je tegen de wereld vliegt.”Het gevolg was natuurlijk, dat de kleine op een vreeselijke manier begon te huilen, wat de baker aanleiding gaf tot de stekelige opmerking: „U heeft zeker nog niet veel met kinderen omgegaan” waarop de koopvrouw op hoogen toon antwoordde: „Ik heb er dertien in alle eer en deugd mogen groot brengen—nu gegroet, menschen! Kom Betje, kom lieveling we moeten er uit aan dit station! En er is er gelukkig geen een bij met een te lange tong, baker! Nu adjuudjes hoor!”De coupé werd nu wat ruimer, doch Louis Wessels zag tot zijn ergernis weer die onvermijdelijke Engelsche uniform binnenkomen. Het waren een korporaal, reeds een bejaard man, en drie minderen: jonge recruten. Alle vier behoorden bij de infanterie; zij kwamen naast den jongen jager te zitten.Er viel op hun houding niets aan te merken. Zij gedroegen zich kalm en waardig, en hadden vriendelijke, goedhartige gezichten. Een der recruten haalde een brief uit zijn borstzak, een tweede zat met groote aandacht in een Nieuw Testament te lezen, terwijl de korporaal en de derde recruut met elkander over den waarschijnlijken oorlog spraken op een toon, die voor den jongen Wessels niets kwetsends kon hebben. Zij namen natuurlijk het Engelsche standpunt in, en betreurden de strakheid en eigenzinnigheid der Boeren, doch overigens spraken zij meer op een toon van deernis en medelijden dan van haat en hartstocht.„Maar zij hèbben de Boeren nog niet,” meende Louis, zich in hun gesprek mengend.„Bènt u een Transvaalsche Boer?” vraagde de korporaal.„Ik denk het wel,” meende Louis.„Als u invloed hebt op uwe regeering, maan haar dan aan tot inschikkelijkheid, want ònze regeering gaat niet meer terug.”„En de Transvaalsche regeering evenmin,” zeide Louis.„Arme Boeren!” meende de korporaal; „zij zullen hun bloed storten, en er niets mee winnen!”„Wij hebben God en het recht aan onze zijde,” zeide Louis bedaard.„Ja, dat beweert ge,” zeide de korporaal, „maar wij beweren het ook.”„Wij zullen onze vijanden verslaan,” zeide Louis.„Ach, dat meent ge, maar ge hebt geen begrip van Engelands macht. Ge zult duizend Engelschen gevangen nemen, en er zullen er tien duizend voor in de plaats komen; ge zult vijf duizend Engelschen doodschieten, en vijftig duizend zullen hun ledige plaatsen innemen.”„Als God ons sterkt, om de Engelsche keurtroepen te verslaan, dan zijn we klaar. De rest is maar prulgoed.”„Gij kent de macht van Engeland niet,” zeide de korporaal op warmer toon. „Het zal uw kommando’s door het overstelpende aantal van zijn soldaten eenvoudig dooddrukken.”„Wij zijn voor 80000 man Engelsche troepen niet bang.”„Welnu, dan zal Engeland er tweemaal en driemaal zooveel sturen.”De jonge Boer haalde zijn schouders op.„Ik zou niet weten, waar Engeland ze vandaan moet halen.”„Dat zal je tot je schrik gewaar worden, man; Engeland heeft een grooten buil en een onbeperkt crediet.”„Natuurlijk, Engeland zal wel zoo’n zoodje bij malkaar trommelen,” spotte Louis—„allemaal huurlingen, die voor hun dapperheid per schoft worden uitbetaald.”Doch het speet Louis, dat hij van huurlingen had gesproken; de korporaal scheen beleedigd, en wilde blijkbaar het gesprek niet verder voortzetten. Hij zweeg bot stil.Op dit oogenblik sloeg een rukwind den tegenover den jongen Boer zittenden recruut de veldmuts van het hoofd, en in de haast, ze nog op te vangen, zou hij door het slechts aangeleunde portier uit den in vollen gang zijnden trein zijn gestort, indien Louis hem niet had vast gegrepen.Het geheele geval had slechts een paar seconden geduurd, en was door de meeste reizigers niet eens opgemerkt. Doch de geredde soldaat wilde zijn dankbaarheid toonen, en bood den jongen Boer de laatste sigaar aan, die hij had. Louis echter weigerde, daar het de laatste was, en nam ze eerst aan, toen hij begreep, er den recruut een plezier mee te doen.Maar hij stak ze niet aan.Zijn hart, reeds zoo diep gewond door hetgeen er nog geen dag geleden was gebeurd, was vol droefheid, en weemoedig staarde hij het portierraam uit naar buiten.„Steek dan toch aan,” zeide de jonge soldaat, de derde lucifer aanschrappend; „ik denk, dat gij erger geschrokken zijt dan ik.”Nu stak de jonge jager dan toch aan.„Weet gij, waaraan ik zooeven dacht?” zeide hij, en zijn stem werd warm en innig; „daaraan, dat wij elkander, zoo wij elkander ontmoeten op het oorlogsveld, zullen vermoorden als wilde beesten! Is het niet ontzettend en vreeselijk? En ware het voor den misdadiger, die dezen verschrikkelijken oorlog op zijn geweten heeft, niet beter geweest, zoo er een molensteen om zijn hals ware gebonden, en hij in de zee geworpen, waar zij het diepste is?”De jonge soldaat knikte bevestigend.„’t Is maar de vraag, wìe de misdadiger is,” zeide hij.„Die vraag is reeds beantwoord,” zeide Louis.„Door wien?”„Door de volksconscientie van de geheele wereld,” zeide Louis met nadruk.De soldaat, die in het Nieuwe Testament had zitten lezen, sloeg nu zijn bijbeltje dicht.„’t Is mogelijk, dat het recht aan de zijde der Boeren is,” zeide hij ernstig, „ik weet het niet.”„En durft gij bij die mogelijkheid toch nog tegen ons vechten?” vraagde de jonge Wessels met smartelijke verwondering.„Ik ben aan mijn officieren blinde gehoorzaamheid schuldig,” antwoordde de soldaat; „ik zwoer trouw aan de vlag, en mag geen meineedige worden.”Wessels wilde nog iets antwoorden, maar hij bedacht zich —wat hielp het?Het volgende station was nu bereikt. De trein stopte, en de vier soldaten stapten uit. Zij reikten den jongen Boer tot afscheid de hand, die hij hartelijk drukte. En morgen of overmorgen zouden zij tegenover elkander staan als grimmige vijanden, en als de Boer geen kans kreeg, om hun een doodelijken kogel door het hoofd te jagen, dan beliep hij de kans, aan de vlijmendscherpe bajonet geregen te worden.De jonge jager schudde zich alsof hij de koorts had, en staarde zwijgend naar het heuvelachtige landschap, dat zich rustig en vredig uitstrekte voor zijn blik.
Bob had den jongen Wessels nu verlaten, en zich neerzettend op een harde bank in de wachtkamer, dacht Louis nog eens na over het zonderling avontuur, dat hij in dezen nacht had beleefd. Hij had goede hoop, dat Bob nooit tot het vak zou terugkeeren, dat hij dezen nacht voor den eersten keer had uitgeoefend, doch met Jim stond het anders. Waarschijnlijk zou hij, zoo er niets buitengewoons tusschenbeide kwam, wel struikroover blijven. Het was dezen nacht niet de eerste keer, dat hij zijn slag wilde slaan, en zelf vroeger verleid, was hij tegenover Bob reeds als verleider opgetreden. Zoo was er dan weinig hoop voor hem, en op een goeien keer zou hij worden opgepakt, en zijn tien- of twintigjarige eenzame opsluiting met dwangarbeid wel niet ontgaan. Natuurlijk—dan kreeg hij zijn verdiende loon; er was niets op tegen. Voor de struikroovers de kerker, en worden zij moordenaars, het schavot! Doch welke straf behoorden dan die groote struikroovers en moordenaren niet te ontvangen, die er in hun onleschbaren gouddorst niet voor terug deinsden, om een geheel volk uit te roeien?
„Jingo’s,” zeide de jonge Boer tusschen zijn tanden door—„o Jingo’s!” En de oude wond scheurde weer open met nieuwe pijn. Maar hij had er geen berouw van, dat hij met Truida Uys had gebroken, want hij kon den sterken en vrijen nek niet buigen onder het Engelsche juk—hij wilde waarlijk liever sterven!
De naderende trein stoorde hem in zijn gedachten, en hij kreeg in den hoek van de gevulde coupé een bescheiden plaatsje.
De trein was nu op het punt van te vertrekken. De magere spoorklerk stootte nog even zijn chef aan, zeggend: „Heeft u dien Transvaalschen boer wel gezien? Hij is met de kous op den kop naar huis gestuurd—mij den deze af, als ’t niet waar is!” en hij greep naar zijn nek, die nog dunner en magerder scheen dan gister.
Doch de chef had nu geen tijd, om naar de praat te luisteren van zijn ondergeschikte; hij gaf het sein tot het vertrek, de bel luidde af, de stoomfluit antwoordde, en de trein zette zich in beweging.
Louis Wessels staarde weemoedig het raam uit naar het heuvelachtig terrein, dat zich langs de spoorbaan uitstrekte, terwijl de gesprekken der medereizigers om zijn ooren gonsden. Naast hem zat een grof gebouwde koopvrouw met een mandje snuisterijen op haar schoot, terwijl haar vierjarig dochterke naast haar zat. De vrouw, die tegenover de koopvrouw zat, openbaarde zich als eene baker, die de koopvrouw overstelpte door een buitensporigen voorraad bakerverhalen. Maar de breedgeschouderde koopvrouw scheen zich alles toch maar niet zoo te willen laten aanleunen, en het kwam werkelijk tot een ernstig dispuut, toen de baker per se wilde volhouden, dat de eksteroogen op den linkervoet een beteren barometer afgeven dan de eksteroogen op den rechtervoet. Er werden scheidsrechters te hulp geroepen, die de netelige kwestie moesten uitmaken, doch een zeeman op de aangrenzende bank spuwde tegen den vloer, en zeide op verachtelijken toon: „Wat een vervelend geklets!” waarop de vrouwen eenige oogenblikken hun onderhoud staakten.
Nu echter hield het vierjarig dochterke den tijd rijp, om ook eens een woordje te zeggen, trok haar moeder aan de mouw, en uit het raam op een grooten vogel wijzend, die met langzame, groote stappen een heuvel afklom, vraagde zij: „Wat is dat voor een vogel, Moeke?”
„Een struisvogel,” zeide de koopvrouw, die haar snuisterijen rangschikte.
„Waarom vliegt hij niet, Moeke?”
„Zijn vleugels zijn te kort om te vliegen, kind!”
„Wat doet een struisvogel toch eigenlijk, Moeke?”
„Hij loert altijd op de ondeugende kindjes.”
„Ik ben toch niet ondeugend, Moeke?”
„Neen, gij zijt een zoet kind, maar ge moet me niet suf maken met je vragen.”
„Heeft een struisvogel ook kindjes, Moeke?”
„Natuurlijk.”
„Zijn die kindjes ook door een ooievaar gebracht, Moeke?”
„Neen,” zeide de moeder, die driftig begon te worden, „door een nijlpaard.”
„Wat doet een nijlpaard, Moeke?”
„Die kruipt in ’t water,” zeide de moeder met een krachtige poging om niet onvriendelijk te zijn.
„Verschoont hij zich dan?”
„Ja, dan verschoont hij zich.”
„Is hij erg dik?”
„Ja, hij is erg dik.”
„Hoe dik is hij, Moeke?”
„Zoo dik als een toren, en als ge nu je snater niet houdt, zal ik je een draai om de ooren geven, dat je tegen de wereld vliegt.”
Het gevolg was natuurlijk, dat de kleine op een vreeselijke manier begon te huilen, wat de baker aanleiding gaf tot de stekelige opmerking: „U heeft zeker nog niet veel met kinderen omgegaan” waarop de koopvrouw op hoogen toon antwoordde: „Ik heb er dertien in alle eer en deugd mogen groot brengen—nu gegroet, menschen! Kom Betje, kom lieveling we moeten er uit aan dit station! En er is er gelukkig geen een bij met een te lange tong, baker! Nu adjuudjes hoor!”
De coupé werd nu wat ruimer, doch Louis Wessels zag tot zijn ergernis weer die onvermijdelijke Engelsche uniform binnenkomen. Het waren een korporaal, reeds een bejaard man, en drie minderen: jonge recruten. Alle vier behoorden bij de infanterie; zij kwamen naast den jongen jager te zitten.
Er viel op hun houding niets aan te merken. Zij gedroegen zich kalm en waardig, en hadden vriendelijke, goedhartige gezichten. Een der recruten haalde een brief uit zijn borstzak, een tweede zat met groote aandacht in een Nieuw Testament te lezen, terwijl de korporaal en de derde recruut met elkander over den waarschijnlijken oorlog spraken op een toon, die voor den jongen Wessels niets kwetsends kon hebben. Zij namen natuurlijk het Engelsche standpunt in, en betreurden de strakheid en eigenzinnigheid der Boeren, doch overigens spraken zij meer op een toon van deernis en medelijden dan van haat en hartstocht.
„Maar zij hèbben de Boeren nog niet,” meende Louis, zich in hun gesprek mengend.
„Bènt u een Transvaalsche Boer?” vraagde de korporaal.
„Ik denk het wel,” meende Louis.
„Als u invloed hebt op uwe regeering, maan haar dan aan tot inschikkelijkheid, want ònze regeering gaat niet meer terug.”
„En de Transvaalsche regeering evenmin,” zeide Louis.
„Arme Boeren!” meende de korporaal; „zij zullen hun bloed storten, en er niets mee winnen!”
„Wij hebben God en het recht aan onze zijde,” zeide Louis bedaard.
„Ja, dat beweert ge,” zeide de korporaal, „maar wij beweren het ook.”
„Wij zullen onze vijanden verslaan,” zeide Louis.
„Ach, dat meent ge, maar ge hebt geen begrip van Engelands macht. Ge zult duizend Engelschen gevangen nemen, en er zullen er tien duizend voor in de plaats komen; ge zult vijf duizend Engelschen doodschieten, en vijftig duizend zullen hun ledige plaatsen innemen.”
„Als God ons sterkt, om de Engelsche keurtroepen te verslaan, dan zijn we klaar. De rest is maar prulgoed.”
„Gij kent de macht van Engeland niet,” zeide de korporaal op warmer toon. „Het zal uw kommando’s door het overstelpende aantal van zijn soldaten eenvoudig dooddrukken.”
„Wij zijn voor 80000 man Engelsche troepen niet bang.”
„Welnu, dan zal Engeland er tweemaal en driemaal zooveel sturen.”
De jonge Boer haalde zijn schouders op.
„Ik zou niet weten, waar Engeland ze vandaan moet halen.”
„Dat zal je tot je schrik gewaar worden, man; Engeland heeft een grooten buil en een onbeperkt crediet.”
„Natuurlijk, Engeland zal wel zoo’n zoodje bij malkaar trommelen,” spotte Louis—„allemaal huurlingen, die voor hun dapperheid per schoft worden uitbetaald.”
Doch het speet Louis, dat hij van huurlingen had gesproken; de korporaal scheen beleedigd, en wilde blijkbaar het gesprek niet verder voortzetten. Hij zweeg bot stil.
Op dit oogenblik sloeg een rukwind den tegenover den jongen Boer zittenden recruut de veldmuts van het hoofd, en in de haast, ze nog op te vangen, zou hij door het slechts aangeleunde portier uit den in vollen gang zijnden trein zijn gestort, indien Louis hem niet had vast gegrepen.
Het geheele geval had slechts een paar seconden geduurd, en was door de meeste reizigers niet eens opgemerkt. Doch de geredde soldaat wilde zijn dankbaarheid toonen, en bood den jongen Boer de laatste sigaar aan, die hij had. Louis echter weigerde, daar het de laatste was, en nam ze eerst aan, toen hij begreep, er den recruut een plezier mee te doen.
Maar hij stak ze niet aan.
Zijn hart, reeds zoo diep gewond door hetgeen er nog geen dag geleden was gebeurd, was vol droefheid, en weemoedig staarde hij het portierraam uit naar buiten.
„Steek dan toch aan,” zeide de jonge soldaat, de derde lucifer aanschrappend; „ik denk, dat gij erger geschrokken zijt dan ik.”
Nu stak de jonge jager dan toch aan.
„Weet gij, waaraan ik zooeven dacht?” zeide hij, en zijn stem werd warm en innig; „daaraan, dat wij elkander, zoo wij elkander ontmoeten op het oorlogsveld, zullen vermoorden als wilde beesten! Is het niet ontzettend en vreeselijk? En ware het voor den misdadiger, die dezen verschrikkelijken oorlog op zijn geweten heeft, niet beter geweest, zoo er een molensteen om zijn hals ware gebonden, en hij in de zee geworpen, waar zij het diepste is?”
De jonge soldaat knikte bevestigend.
„’t Is maar de vraag, wìe de misdadiger is,” zeide hij.
„Die vraag is reeds beantwoord,” zeide Louis.
„Door wien?”
„Door de volksconscientie van de geheele wereld,” zeide Louis met nadruk.
De soldaat, die in het Nieuwe Testament had zitten lezen, sloeg nu zijn bijbeltje dicht.
„’t Is mogelijk, dat het recht aan de zijde der Boeren is,” zeide hij ernstig, „ik weet het niet.”
„En durft gij bij die mogelijkheid toch nog tegen ons vechten?” vraagde de jonge Wessels met smartelijke verwondering.
„Ik ben aan mijn officieren blinde gehoorzaamheid schuldig,” antwoordde de soldaat; „ik zwoer trouw aan de vlag, en mag geen meineedige worden.”
Wessels wilde nog iets antwoorden, maar hij bedacht zich —wat hielp het?
Het volgende station was nu bereikt. De trein stopte, en de vier soldaten stapten uit. Zij reikten den jongen Boer tot afscheid de hand, die hij hartelijk drukte. En morgen of overmorgen zouden zij tegenover elkander staan als grimmige vijanden, en als de Boer geen kans kreeg, om hun een doodelijken kogel door het hoofd te jagen, dan beliep hij de kans, aan de vlijmendscherpe bajonet geregen te worden.
De jonge jager schudde zich alsof hij de koorts had, en staarde zwijgend naar het heuvelachtige landschap, dat zich rustig en vredig uitstrekte voor zijn blik.