HOOFDSTUK XIII.

HOOFDSTUK XIII.Zoo brak dan de morgen aan van Zaterdag 21 October.De Boerenlagers, die ten oosten der spoorbaan waren opgeslagen, werden voor de veiligheid verder teruggebracht, doch Elandslaagte met haar blauwzinken daken bleef duidelijk zichtbaar, en tusschen het groen gebladerte van boomen en struiken schemerde het spoorwegstation door.Het veld had nog weinig gras, en de Hollandsche Vrijwilligers zouden paardevoer gaan halen: havergarven uit den buitgemaakten trein. Zes sterke ossen werden voor den fouragewagen gespannen, en men vermoedde geen vijand, totdat een verdachte rookpluim, oprijzend langs de spoorbaan, de nadering verried van een gepantserden Engelschen trein.De trein telde drie wagens, door leikleurige staalplaten goed verzekerd tegen vijandelijk geweervuur. Tusschen den voorsten en den middelsten wagen, en door deze beschermd, bevond zich de locomotief; de achterste wagen, een open wagen, droeg een Maximkanon.Aan den linkerkant van den trein, aan de westelijke zijde der spoorbaan, bewogen zich op den transportweg van Ladysmith naar Elandslaagte, een afstand van bijna zes uur gaans, colonnen cavalerie en artillerie onder den cavalerie-generaal French. Hij maakte een krachtige verkenning, om de stelling en de sterkte van den vijand vast te stellen, en op 1000 meter afstands van het station genaderd, liet hij halt houden en de kanonnen afhaken.Het was half acht in den morgen, toen het eerste Engelsche kanonschot over de velden dreunde. Het boorde door de goederenloods heen, en kwam in den ambulancewagen der Boeren terecht. Het tweede schot werd gericht naar het open veld, in de richting van het Hollandsche kamp, waar de tent van kommandant Jan Lombaard, aanvoerder der Hollandsche Vrijwilligers, de aandacht trok. De granaat sloeg 25 meter vóór de tent in den grond, zonder te ontploffen, terwijl de volgende bom, op eenigen afstand achter Lombaard’s tent terecht gekomen, wel ontplofte doch niemand kwetste.De Hollanders lieten hun havergarven in den steek, en dat was verstandig, maar de twee kanonnen, die de Boeren haddenmeegebracht, wierpen hun bommen met groote nauwkeurigheid in de Engelsche batterij, en dat was niet minder verstandig. Generaal French voelde zich met zijn zevenponders tegen dat vuur niet opgewassen; hij gaf bevel tot den terugtocht, en trok met zijn volk en zijn gepantserden trein een uur gaans terug, halt houdend bij het station Modderspruit.Jan Kock gaf nu orders, om voeling te zoeken met den vijand, en de Boeren zwermden op hun taaie paardjes in kleine, vèr verspreide groepen over de heuvels.Hun paarden klommen als klipgeiten tegen de verschillende kopjes op, en men bereikte ten slotte een hoogen bergrand, die een uitstekend gezicht verleende op de vijandelijke stellingen. Op de spoorbaan ontdekten de Boeren door hunne verrekijkers drie militaire treinen; naast de spoorbaan ontplooiden zich de infanteriebataljons.Er werden voorposten uitgezet, en de Boeren keerden om 12 uur in een korten galop terug naar hun kamp. Zij werden er aangenaam verrast door de komst der transportwagens, die van Volksrust de onmisbare kampbenoodigdheden hadden medegebracht: levensmiddelen, tenten, ververschingen, en een grooten postzak brieven en couranten.Ach, dat was een aangename verrassing voor Gijs Wessels, toen hij, het adres van een aan hem gerichten brief bekijkend, de eenvoudige, ietwat stijve hand van zijn vrouw herkende. Hij vleide zich met Danie—Louis en Barend hadden zich bij de voorposten gevoegd—neder achter een klip, die hen beschutte voor den wind, en las met aandoening den brief.Hij luidde als volgt:„Geliefde Man en Kinderen!Het is toch maar een treurige dag geweest, toen gijlieden vertrokt. Janske, dat lieve kind, hield zich voor mij zoo goed, als ze maar kon, doch ik zag wel, dat zij zeer bedroefd was. Ik kreeg echter rust in het Godsbestuur, en de Heere bepaalde mij recht levendig bij deze woorden: „Wat ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan.” Ik werd wonderlijk getroost, omdat deze dierbare waarheid innig aan mijn hart werd toegepast, dat alle raadselen eens zullen worden opgelost. En zoo kon ik dan alles recht kinderlijk aan den Heere, Die allesregeert, overgeven. Het is toch zoo, geliefde Man, dat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde, die in Christus Jezus is. Juist in deze bange en benauwde tijden worden wij zoo recht gewaar, dat wij aan onzen God een wonderbaren steun hebben, en Hij is ons geweest een toevlucht van geslacht tot geslachte! Hij zal het met ons volk ook goed maken. Ik geloof zeker, dat ons volk op Gods tijd nog eens geheel van Engeland zal vrij worden. Het beliefde den Heere, om mij dezen morgen door Zijnen Heiligen Geest in te leiden in den zesden psalm, en bij het slot moest ik uitroepen: „Arm Engeland!” Want het vergrijpt zich aan Gods kinderen, en het vergiet het bloed van Gods uitverkorenen. Maar ik ben ook dikwijls bedroefd, geliefde Man en Kinderen, als ik aan jullie denk. Nu voelen wij toch eerst, hoe innig wij aan elkander hangen. Ik kan dien grooten, ledigen leuningstoel niet zien, of ik word zeer bedroefd, en bij oogenblikken kan mij een onweerstaanbare angst aangrijpen. Is het een voorgevoel, dat er iets verschrikkelijks zal gebeuren? Maar het kunnen ook wel mijn geschokte zenuwen zijn. Ik heb wel meer zoo’n angst gehad, en dat het toch niets was, en dat gij mij later nog hartelijk hebtuitgelachen. Nu, wij willen hopen, dat wij elkander nog eens in goeden welstand zullen ontmoeten. Het is een rechtvaardige zaak, geliefde Man en Kinderen, waarvoor gij strijdt. Zoo vecht dan dapper voor uw land en volk, want dat is de wil des Heeren!Wij kunnen elkander nu niet zien, maar dat wij elkander maar veel mogen ontmoeten voor den troon der genade, dat is mijn wensch. Zoo blijf ik met de hartelijkste groetenUw zeer liefhebbende vrouw en moeder,S.Wessels, geborenPotgieter.Nog iets. Lieve Danie, neem je maar goed in acht, jongen, want je bent niet al te sterk. Vermoei je maar niet al te hard. Als er een zwaar stuk werk is, dan zullen uw andere broeders u wel helpen. Nu dag Danie, dag Louis, Kees, Karel, geliefde Man—weest allen den Heere bevolen. Janske groet u recht hartelijk; zij hoopt u overmorgen te schrijven. Maakt u maar niet over ons ongerust. De Kaffers zijn zeer onderdanig, en met de boerderij gaat het heel goed.Dezelfde.De brief was toch een liefelijke verkwikking.Danie zat vlak naast zijn vader, en leunde met den linkerarm op diens schouder, om toch alles goed te kunnen lezen. Ook schemerden er een paar tranen in zijn oogen, want hij had zijn moeder lief. Hij zag er weer wat bleek uit; zijn moeder had gelijk: hij was niet al te sterk.„Ik had je thuis moeten laten, mijn jongen,” zeide de oude Wessels; „ik vrees, dat je niet tegen den veldtocht kunt.”Danie ging met de hand liefkozend over het bezorgd gelaat van zijn vader.„Wees maar niet ongerust,” zeide hij met moedige stem; „ik voel me zoo sterk als een jong paard.”Hij glimlachte, terwijl hij dit zeide, en hij keek opgeruimd, om de wolken te verjagen, die over het breede voorhoofd van zijn vader gingen.Doch de liefde van een vader ziet scherp, en laat zich niet misleiden. Gijs Wessels schudde het hoofd en zuchtte.Wijd uit de verte dreunde thans de zware slag van het kanon. Gijs Wessels stond op, beklom een hoogte, en staarde naar den horizon.Langzaam keerde hij terug. Zijn gelaat stond nog ernstiger dan zoo even.„Wij zullen vandaag nog vechten, Danie,” zeide hij zacht.De jongen sprong op.„Zijt gij niet bang, mijn jongen?”„Wij zijn in ’s Heeren hand.”„Het kan uw jonge leven kosten, Danie!”„Ik geef mijn leven gaarne voor de vrijheid van mijn volk.”Zijn oogen begonnen te schitteren, terwijl hij dit zeide; het bloed kleurde zijn bleeke wangen.„Dùrft gij te sterven, Danie?”Hij had reeds een dergelijke vraag gedaan in dien laatsten nacht vóór het vertrek van Wonderfontein, doch in het gezicht van dood en eeuwigheid wilde hij dat punt nog eens aanroeren.De oude Wessels vraagde het dus met nadruk, en zijn oogen rustten, terwijl hij het vraagde, met zekere angstige spanning op zijn kind.Doch Danie sloeg de blauwe oogen blijmoedig op tot zijn vader en zeide bedaard: „Ik ben niet bang voor den dood.”„Waarom niet, Danie?”„Ik ben het eigendom van Jezus mijn Heiland, Die mij gekocht heeft door Zijn dierbaar bloed.”Hij zeide dit zoo eenvoudig, zoo ongekunsteld. Maar juist in dien eenvoud openbaarde zich de onmetelijke kracht van zijn geloof.Gijs Wessels was evenwel nog niet voldaan.„Gij zijt nog zoo jong, Danie, en gij spreekt zoo beslist. Ik ben al lang op den weg, en mijn ziel wordt toch nog dikwijls geslingerd door twijfelingen en vreeze.”Danie echter antwoordde op bedaarden toon: „Ik heb van wege mijn zonden en overtredingen den eeuwigen dood verdiend, doch Jezus is met Zijn plaatsvervangend lijden voor mij in de plaats getreden. Ik weet het vast en zeker.”De oude Wessels voelde: dat was geen napraterij, maar welde op diep uit het hart.Nu was hij ook tevreden, drukte zijn jongen de hand, en sprak met hem over geestelijke en hemelsche zaken als een vriend met zijn vriend.Doch uit de verte dreunde opnieuw de slag van het kanon, sterker dan zoo even: zwaar en dreigend als de donderslag van een snel naderend onweer, en over de heuvels zwermden in snellen galop de verkenners der Boeren als stormvogels, die het noodweer aankondigen.„Weet gij niet, waar Louis is?” vraagde de oude Boer.„Hij was daar straks bij de voorposten,” meende Danie.„Ik had hem gaarne hier gehad,” zuchtte Gijs Wessels.Hij keek rond, of hij den jongen jager niet kon ontdekken, maar hij zag hem niet.Hij was zeer ernstig geworden. Hij nam Danie bij de hand, en bracht hem in de nabijheid van een grooten doornstruik.„Hier zullen wij knielen, Danie, en onze zielen Gode bevelen.”Zoo knielden zij dan neder: vader en zoon.De doornstruik strekte zijn takken boven hen uit. Zijn gele bloesems geurden, en uit zijn twijgen vloog een zangvogel op, sloeg de vleugels wijd uit en zong zijn lied.Het was het lààtste lied, dat op dien dag boven Elandslaagte werd gezongen.Zij rezen nu op van hun knieën. Baas Wessels’ oogen waren vochtig.Hij kuste zijn jongen op die lieve, blauwe oogen. Danie zag, dat zijn vader zeer bewogen was.„Gij moet niet bedroefd zijn, vaderke,” zeide hij troostend; „zie toch—ik ben goedsmoeds.”Hij glimlachte weer, terwijl hij dit zeide, maar zijn lippen beefden.„Gij zijt nog zoo bitter jong,” steunde zijn vader—„maar kom, Danie, ’t wordt tijd!”

HOOFDSTUK XIII.Zoo brak dan de morgen aan van Zaterdag 21 October.De Boerenlagers, die ten oosten der spoorbaan waren opgeslagen, werden voor de veiligheid verder teruggebracht, doch Elandslaagte met haar blauwzinken daken bleef duidelijk zichtbaar, en tusschen het groen gebladerte van boomen en struiken schemerde het spoorwegstation door.Het veld had nog weinig gras, en de Hollandsche Vrijwilligers zouden paardevoer gaan halen: havergarven uit den buitgemaakten trein. Zes sterke ossen werden voor den fouragewagen gespannen, en men vermoedde geen vijand, totdat een verdachte rookpluim, oprijzend langs de spoorbaan, de nadering verried van een gepantserden Engelschen trein.De trein telde drie wagens, door leikleurige staalplaten goed verzekerd tegen vijandelijk geweervuur. Tusschen den voorsten en den middelsten wagen, en door deze beschermd, bevond zich de locomotief; de achterste wagen, een open wagen, droeg een Maximkanon.Aan den linkerkant van den trein, aan de westelijke zijde der spoorbaan, bewogen zich op den transportweg van Ladysmith naar Elandslaagte, een afstand van bijna zes uur gaans, colonnen cavalerie en artillerie onder den cavalerie-generaal French. Hij maakte een krachtige verkenning, om de stelling en de sterkte van den vijand vast te stellen, en op 1000 meter afstands van het station genaderd, liet hij halt houden en de kanonnen afhaken.Het was half acht in den morgen, toen het eerste Engelsche kanonschot over de velden dreunde. Het boorde door de goederenloods heen, en kwam in den ambulancewagen der Boeren terecht. Het tweede schot werd gericht naar het open veld, in de richting van het Hollandsche kamp, waar de tent van kommandant Jan Lombaard, aanvoerder der Hollandsche Vrijwilligers, de aandacht trok. De granaat sloeg 25 meter vóór de tent in den grond, zonder te ontploffen, terwijl de volgende bom, op eenigen afstand achter Lombaard’s tent terecht gekomen, wel ontplofte doch niemand kwetste.De Hollanders lieten hun havergarven in den steek, en dat was verstandig, maar de twee kanonnen, die de Boeren haddenmeegebracht, wierpen hun bommen met groote nauwkeurigheid in de Engelsche batterij, en dat was niet minder verstandig. Generaal French voelde zich met zijn zevenponders tegen dat vuur niet opgewassen; hij gaf bevel tot den terugtocht, en trok met zijn volk en zijn gepantserden trein een uur gaans terug, halt houdend bij het station Modderspruit.Jan Kock gaf nu orders, om voeling te zoeken met den vijand, en de Boeren zwermden op hun taaie paardjes in kleine, vèr verspreide groepen over de heuvels.Hun paarden klommen als klipgeiten tegen de verschillende kopjes op, en men bereikte ten slotte een hoogen bergrand, die een uitstekend gezicht verleende op de vijandelijke stellingen. Op de spoorbaan ontdekten de Boeren door hunne verrekijkers drie militaire treinen; naast de spoorbaan ontplooiden zich de infanteriebataljons.Er werden voorposten uitgezet, en de Boeren keerden om 12 uur in een korten galop terug naar hun kamp. Zij werden er aangenaam verrast door de komst der transportwagens, die van Volksrust de onmisbare kampbenoodigdheden hadden medegebracht: levensmiddelen, tenten, ververschingen, en een grooten postzak brieven en couranten.Ach, dat was een aangename verrassing voor Gijs Wessels, toen hij, het adres van een aan hem gerichten brief bekijkend, de eenvoudige, ietwat stijve hand van zijn vrouw herkende. Hij vleide zich met Danie—Louis en Barend hadden zich bij de voorposten gevoegd—neder achter een klip, die hen beschutte voor den wind, en las met aandoening den brief.Hij luidde als volgt:„Geliefde Man en Kinderen!Het is toch maar een treurige dag geweest, toen gijlieden vertrokt. Janske, dat lieve kind, hield zich voor mij zoo goed, als ze maar kon, doch ik zag wel, dat zij zeer bedroefd was. Ik kreeg echter rust in het Godsbestuur, en de Heere bepaalde mij recht levendig bij deze woorden: „Wat ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan.” Ik werd wonderlijk getroost, omdat deze dierbare waarheid innig aan mijn hart werd toegepast, dat alle raadselen eens zullen worden opgelost. En zoo kon ik dan alles recht kinderlijk aan den Heere, Die allesregeert, overgeven. Het is toch zoo, geliefde Man, dat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde, die in Christus Jezus is. Juist in deze bange en benauwde tijden worden wij zoo recht gewaar, dat wij aan onzen God een wonderbaren steun hebben, en Hij is ons geweest een toevlucht van geslacht tot geslachte! Hij zal het met ons volk ook goed maken. Ik geloof zeker, dat ons volk op Gods tijd nog eens geheel van Engeland zal vrij worden. Het beliefde den Heere, om mij dezen morgen door Zijnen Heiligen Geest in te leiden in den zesden psalm, en bij het slot moest ik uitroepen: „Arm Engeland!” Want het vergrijpt zich aan Gods kinderen, en het vergiet het bloed van Gods uitverkorenen. Maar ik ben ook dikwijls bedroefd, geliefde Man en Kinderen, als ik aan jullie denk. Nu voelen wij toch eerst, hoe innig wij aan elkander hangen. Ik kan dien grooten, ledigen leuningstoel niet zien, of ik word zeer bedroefd, en bij oogenblikken kan mij een onweerstaanbare angst aangrijpen. Is het een voorgevoel, dat er iets verschrikkelijks zal gebeuren? Maar het kunnen ook wel mijn geschokte zenuwen zijn. Ik heb wel meer zoo’n angst gehad, en dat het toch niets was, en dat gij mij later nog hartelijk hebtuitgelachen. Nu, wij willen hopen, dat wij elkander nog eens in goeden welstand zullen ontmoeten. Het is een rechtvaardige zaak, geliefde Man en Kinderen, waarvoor gij strijdt. Zoo vecht dan dapper voor uw land en volk, want dat is de wil des Heeren!Wij kunnen elkander nu niet zien, maar dat wij elkander maar veel mogen ontmoeten voor den troon der genade, dat is mijn wensch. Zoo blijf ik met de hartelijkste groetenUw zeer liefhebbende vrouw en moeder,S.Wessels, geborenPotgieter.Nog iets. Lieve Danie, neem je maar goed in acht, jongen, want je bent niet al te sterk. Vermoei je maar niet al te hard. Als er een zwaar stuk werk is, dan zullen uw andere broeders u wel helpen. Nu dag Danie, dag Louis, Kees, Karel, geliefde Man—weest allen den Heere bevolen. Janske groet u recht hartelijk; zij hoopt u overmorgen te schrijven. Maakt u maar niet over ons ongerust. De Kaffers zijn zeer onderdanig, en met de boerderij gaat het heel goed.Dezelfde.De brief was toch een liefelijke verkwikking.Danie zat vlak naast zijn vader, en leunde met den linkerarm op diens schouder, om toch alles goed te kunnen lezen. Ook schemerden er een paar tranen in zijn oogen, want hij had zijn moeder lief. Hij zag er weer wat bleek uit; zijn moeder had gelijk: hij was niet al te sterk.„Ik had je thuis moeten laten, mijn jongen,” zeide de oude Wessels; „ik vrees, dat je niet tegen den veldtocht kunt.”Danie ging met de hand liefkozend over het bezorgd gelaat van zijn vader.„Wees maar niet ongerust,” zeide hij met moedige stem; „ik voel me zoo sterk als een jong paard.”Hij glimlachte, terwijl hij dit zeide, en hij keek opgeruimd, om de wolken te verjagen, die over het breede voorhoofd van zijn vader gingen.Doch de liefde van een vader ziet scherp, en laat zich niet misleiden. Gijs Wessels schudde het hoofd en zuchtte.Wijd uit de verte dreunde thans de zware slag van het kanon. Gijs Wessels stond op, beklom een hoogte, en staarde naar den horizon.Langzaam keerde hij terug. Zijn gelaat stond nog ernstiger dan zoo even.„Wij zullen vandaag nog vechten, Danie,” zeide hij zacht.De jongen sprong op.„Zijt gij niet bang, mijn jongen?”„Wij zijn in ’s Heeren hand.”„Het kan uw jonge leven kosten, Danie!”„Ik geef mijn leven gaarne voor de vrijheid van mijn volk.”Zijn oogen begonnen te schitteren, terwijl hij dit zeide; het bloed kleurde zijn bleeke wangen.„Dùrft gij te sterven, Danie?”Hij had reeds een dergelijke vraag gedaan in dien laatsten nacht vóór het vertrek van Wonderfontein, doch in het gezicht van dood en eeuwigheid wilde hij dat punt nog eens aanroeren.De oude Wessels vraagde het dus met nadruk, en zijn oogen rustten, terwijl hij het vraagde, met zekere angstige spanning op zijn kind.Doch Danie sloeg de blauwe oogen blijmoedig op tot zijn vader en zeide bedaard: „Ik ben niet bang voor den dood.”„Waarom niet, Danie?”„Ik ben het eigendom van Jezus mijn Heiland, Die mij gekocht heeft door Zijn dierbaar bloed.”Hij zeide dit zoo eenvoudig, zoo ongekunsteld. Maar juist in dien eenvoud openbaarde zich de onmetelijke kracht van zijn geloof.Gijs Wessels was evenwel nog niet voldaan.„Gij zijt nog zoo jong, Danie, en gij spreekt zoo beslist. Ik ben al lang op den weg, en mijn ziel wordt toch nog dikwijls geslingerd door twijfelingen en vreeze.”Danie echter antwoordde op bedaarden toon: „Ik heb van wege mijn zonden en overtredingen den eeuwigen dood verdiend, doch Jezus is met Zijn plaatsvervangend lijden voor mij in de plaats getreden. Ik weet het vast en zeker.”De oude Wessels voelde: dat was geen napraterij, maar welde op diep uit het hart.Nu was hij ook tevreden, drukte zijn jongen de hand, en sprak met hem over geestelijke en hemelsche zaken als een vriend met zijn vriend.Doch uit de verte dreunde opnieuw de slag van het kanon, sterker dan zoo even: zwaar en dreigend als de donderslag van een snel naderend onweer, en over de heuvels zwermden in snellen galop de verkenners der Boeren als stormvogels, die het noodweer aankondigen.„Weet gij niet, waar Louis is?” vraagde de oude Boer.„Hij was daar straks bij de voorposten,” meende Danie.„Ik had hem gaarne hier gehad,” zuchtte Gijs Wessels.Hij keek rond, of hij den jongen jager niet kon ontdekken, maar hij zag hem niet.Hij was zeer ernstig geworden. Hij nam Danie bij de hand, en bracht hem in de nabijheid van een grooten doornstruik.„Hier zullen wij knielen, Danie, en onze zielen Gode bevelen.”Zoo knielden zij dan neder: vader en zoon.De doornstruik strekte zijn takken boven hen uit. Zijn gele bloesems geurden, en uit zijn twijgen vloog een zangvogel op, sloeg de vleugels wijd uit en zong zijn lied.Het was het lààtste lied, dat op dien dag boven Elandslaagte werd gezongen.Zij rezen nu op van hun knieën. Baas Wessels’ oogen waren vochtig.Hij kuste zijn jongen op die lieve, blauwe oogen. Danie zag, dat zijn vader zeer bewogen was.„Gij moet niet bedroefd zijn, vaderke,” zeide hij troostend; „zie toch—ik ben goedsmoeds.”Hij glimlachte weer, terwijl hij dit zeide, maar zijn lippen beefden.„Gij zijt nog zoo bitter jong,” steunde zijn vader—„maar kom, Danie, ’t wordt tijd!”

HOOFDSTUK XIII.

Zoo brak dan de morgen aan van Zaterdag 21 October.De Boerenlagers, die ten oosten der spoorbaan waren opgeslagen, werden voor de veiligheid verder teruggebracht, doch Elandslaagte met haar blauwzinken daken bleef duidelijk zichtbaar, en tusschen het groen gebladerte van boomen en struiken schemerde het spoorwegstation door.Het veld had nog weinig gras, en de Hollandsche Vrijwilligers zouden paardevoer gaan halen: havergarven uit den buitgemaakten trein. Zes sterke ossen werden voor den fouragewagen gespannen, en men vermoedde geen vijand, totdat een verdachte rookpluim, oprijzend langs de spoorbaan, de nadering verried van een gepantserden Engelschen trein.De trein telde drie wagens, door leikleurige staalplaten goed verzekerd tegen vijandelijk geweervuur. Tusschen den voorsten en den middelsten wagen, en door deze beschermd, bevond zich de locomotief; de achterste wagen, een open wagen, droeg een Maximkanon.Aan den linkerkant van den trein, aan de westelijke zijde der spoorbaan, bewogen zich op den transportweg van Ladysmith naar Elandslaagte, een afstand van bijna zes uur gaans, colonnen cavalerie en artillerie onder den cavalerie-generaal French. Hij maakte een krachtige verkenning, om de stelling en de sterkte van den vijand vast te stellen, en op 1000 meter afstands van het station genaderd, liet hij halt houden en de kanonnen afhaken.Het was half acht in den morgen, toen het eerste Engelsche kanonschot over de velden dreunde. Het boorde door de goederenloods heen, en kwam in den ambulancewagen der Boeren terecht. Het tweede schot werd gericht naar het open veld, in de richting van het Hollandsche kamp, waar de tent van kommandant Jan Lombaard, aanvoerder der Hollandsche Vrijwilligers, de aandacht trok. De granaat sloeg 25 meter vóór de tent in den grond, zonder te ontploffen, terwijl de volgende bom, op eenigen afstand achter Lombaard’s tent terecht gekomen, wel ontplofte doch niemand kwetste.De Hollanders lieten hun havergarven in den steek, en dat was verstandig, maar de twee kanonnen, die de Boeren haddenmeegebracht, wierpen hun bommen met groote nauwkeurigheid in de Engelsche batterij, en dat was niet minder verstandig. Generaal French voelde zich met zijn zevenponders tegen dat vuur niet opgewassen; hij gaf bevel tot den terugtocht, en trok met zijn volk en zijn gepantserden trein een uur gaans terug, halt houdend bij het station Modderspruit.Jan Kock gaf nu orders, om voeling te zoeken met den vijand, en de Boeren zwermden op hun taaie paardjes in kleine, vèr verspreide groepen over de heuvels.Hun paarden klommen als klipgeiten tegen de verschillende kopjes op, en men bereikte ten slotte een hoogen bergrand, die een uitstekend gezicht verleende op de vijandelijke stellingen. Op de spoorbaan ontdekten de Boeren door hunne verrekijkers drie militaire treinen; naast de spoorbaan ontplooiden zich de infanteriebataljons.Er werden voorposten uitgezet, en de Boeren keerden om 12 uur in een korten galop terug naar hun kamp. Zij werden er aangenaam verrast door de komst der transportwagens, die van Volksrust de onmisbare kampbenoodigdheden hadden medegebracht: levensmiddelen, tenten, ververschingen, en een grooten postzak brieven en couranten.Ach, dat was een aangename verrassing voor Gijs Wessels, toen hij, het adres van een aan hem gerichten brief bekijkend, de eenvoudige, ietwat stijve hand van zijn vrouw herkende. Hij vleide zich met Danie—Louis en Barend hadden zich bij de voorposten gevoegd—neder achter een klip, die hen beschutte voor den wind, en las met aandoening den brief.Hij luidde als volgt:„Geliefde Man en Kinderen!Het is toch maar een treurige dag geweest, toen gijlieden vertrokt. Janske, dat lieve kind, hield zich voor mij zoo goed, als ze maar kon, doch ik zag wel, dat zij zeer bedroefd was. Ik kreeg echter rust in het Godsbestuur, en de Heere bepaalde mij recht levendig bij deze woorden: „Wat ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan.” Ik werd wonderlijk getroost, omdat deze dierbare waarheid innig aan mijn hart werd toegepast, dat alle raadselen eens zullen worden opgelost. En zoo kon ik dan alles recht kinderlijk aan den Heere, Die allesregeert, overgeven. Het is toch zoo, geliefde Man, dat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde, die in Christus Jezus is. Juist in deze bange en benauwde tijden worden wij zoo recht gewaar, dat wij aan onzen God een wonderbaren steun hebben, en Hij is ons geweest een toevlucht van geslacht tot geslachte! Hij zal het met ons volk ook goed maken. Ik geloof zeker, dat ons volk op Gods tijd nog eens geheel van Engeland zal vrij worden. Het beliefde den Heere, om mij dezen morgen door Zijnen Heiligen Geest in te leiden in den zesden psalm, en bij het slot moest ik uitroepen: „Arm Engeland!” Want het vergrijpt zich aan Gods kinderen, en het vergiet het bloed van Gods uitverkorenen. Maar ik ben ook dikwijls bedroefd, geliefde Man en Kinderen, als ik aan jullie denk. Nu voelen wij toch eerst, hoe innig wij aan elkander hangen. Ik kan dien grooten, ledigen leuningstoel niet zien, of ik word zeer bedroefd, en bij oogenblikken kan mij een onweerstaanbare angst aangrijpen. Is het een voorgevoel, dat er iets verschrikkelijks zal gebeuren? Maar het kunnen ook wel mijn geschokte zenuwen zijn. Ik heb wel meer zoo’n angst gehad, en dat het toch niets was, en dat gij mij later nog hartelijk hebtuitgelachen. Nu, wij willen hopen, dat wij elkander nog eens in goeden welstand zullen ontmoeten. Het is een rechtvaardige zaak, geliefde Man en Kinderen, waarvoor gij strijdt. Zoo vecht dan dapper voor uw land en volk, want dat is de wil des Heeren!Wij kunnen elkander nu niet zien, maar dat wij elkander maar veel mogen ontmoeten voor den troon der genade, dat is mijn wensch. Zoo blijf ik met de hartelijkste groetenUw zeer liefhebbende vrouw en moeder,S.Wessels, geborenPotgieter.Nog iets. Lieve Danie, neem je maar goed in acht, jongen, want je bent niet al te sterk. Vermoei je maar niet al te hard. Als er een zwaar stuk werk is, dan zullen uw andere broeders u wel helpen. Nu dag Danie, dag Louis, Kees, Karel, geliefde Man—weest allen den Heere bevolen. Janske groet u recht hartelijk; zij hoopt u overmorgen te schrijven. Maakt u maar niet over ons ongerust. De Kaffers zijn zeer onderdanig, en met de boerderij gaat het heel goed.Dezelfde.De brief was toch een liefelijke verkwikking.Danie zat vlak naast zijn vader, en leunde met den linkerarm op diens schouder, om toch alles goed te kunnen lezen. Ook schemerden er een paar tranen in zijn oogen, want hij had zijn moeder lief. Hij zag er weer wat bleek uit; zijn moeder had gelijk: hij was niet al te sterk.„Ik had je thuis moeten laten, mijn jongen,” zeide de oude Wessels; „ik vrees, dat je niet tegen den veldtocht kunt.”Danie ging met de hand liefkozend over het bezorgd gelaat van zijn vader.„Wees maar niet ongerust,” zeide hij met moedige stem; „ik voel me zoo sterk als een jong paard.”Hij glimlachte, terwijl hij dit zeide, en hij keek opgeruimd, om de wolken te verjagen, die over het breede voorhoofd van zijn vader gingen.Doch de liefde van een vader ziet scherp, en laat zich niet misleiden. Gijs Wessels schudde het hoofd en zuchtte.Wijd uit de verte dreunde thans de zware slag van het kanon. Gijs Wessels stond op, beklom een hoogte, en staarde naar den horizon.Langzaam keerde hij terug. Zijn gelaat stond nog ernstiger dan zoo even.„Wij zullen vandaag nog vechten, Danie,” zeide hij zacht.De jongen sprong op.„Zijt gij niet bang, mijn jongen?”„Wij zijn in ’s Heeren hand.”„Het kan uw jonge leven kosten, Danie!”„Ik geef mijn leven gaarne voor de vrijheid van mijn volk.”Zijn oogen begonnen te schitteren, terwijl hij dit zeide; het bloed kleurde zijn bleeke wangen.„Dùrft gij te sterven, Danie?”Hij had reeds een dergelijke vraag gedaan in dien laatsten nacht vóór het vertrek van Wonderfontein, doch in het gezicht van dood en eeuwigheid wilde hij dat punt nog eens aanroeren.De oude Wessels vraagde het dus met nadruk, en zijn oogen rustten, terwijl hij het vraagde, met zekere angstige spanning op zijn kind.Doch Danie sloeg de blauwe oogen blijmoedig op tot zijn vader en zeide bedaard: „Ik ben niet bang voor den dood.”„Waarom niet, Danie?”„Ik ben het eigendom van Jezus mijn Heiland, Die mij gekocht heeft door Zijn dierbaar bloed.”Hij zeide dit zoo eenvoudig, zoo ongekunsteld. Maar juist in dien eenvoud openbaarde zich de onmetelijke kracht van zijn geloof.Gijs Wessels was evenwel nog niet voldaan.„Gij zijt nog zoo jong, Danie, en gij spreekt zoo beslist. Ik ben al lang op den weg, en mijn ziel wordt toch nog dikwijls geslingerd door twijfelingen en vreeze.”Danie echter antwoordde op bedaarden toon: „Ik heb van wege mijn zonden en overtredingen den eeuwigen dood verdiend, doch Jezus is met Zijn plaatsvervangend lijden voor mij in de plaats getreden. Ik weet het vast en zeker.”De oude Wessels voelde: dat was geen napraterij, maar welde op diep uit het hart.Nu was hij ook tevreden, drukte zijn jongen de hand, en sprak met hem over geestelijke en hemelsche zaken als een vriend met zijn vriend.Doch uit de verte dreunde opnieuw de slag van het kanon, sterker dan zoo even: zwaar en dreigend als de donderslag van een snel naderend onweer, en over de heuvels zwermden in snellen galop de verkenners der Boeren als stormvogels, die het noodweer aankondigen.„Weet gij niet, waar Louis is?” vraagde de oude Boer.„Hij was daar straks bij de voorposten,” meende Danie.„Ik had hem gaarne hier gehad,” zuchtte Gijs Wessels.Hij keek rond, of hij den jongen jager niet kon ontdekken, maar hij zag hem niet.Hij was zeer ernstig geworden. Hij nam Danie bij de hand, en bracht hem in de nabijheid van een grooten doornstruik.„Hier zullen wij knielen, Danie, en onze zielen Gode bevelen.”Zoo knielden zij dan neder: vader en zoon.De doornstruik strekte zijn takken boven hen uit. Zijn gele bloesems geurden, en uit zijn twijgen vloog een zangvogel op, sloeg de vleugels wijd uit en zong zijn lied.Het was het lààtste lied, dat op dien dag boven Elandslaagte werd gezongen.Zij rezen nu op van hun knieën. Baas Wessels’ oogen waren vochtig.Hij kuste zijn jongen op die lieve, blauwe oogen. Danie zag, dat zijn vader zeer bewogen was.„Gij moet niet bedroefd zijn, vaderke,” zeide hij troostend; „zie toch—ik ben goedsmoeds.”Hij glimlachte weer, terwijl hij dit zeide, maar zijn lippen beefden.„Gij zijt nog zoo bitter jong,” steunde zijn vader—„maar kom, Danie, ’t wordt tijd!”

Zoo brak dan de morgen aan van Zaterdag 21 October.

De Boerenlagers, die ten oosten der spoorbaan waren opgeslagen, werden voor de veiligheid verder teruggebracht, doch Elandslaagte met haar blauwzinken daken bleef duidelijk zichtbaar, en tusschen het groen gebladerte van boomen en struiken schemerde het spoorwegstation door.

Het veld had nog weinig gras, en de Hollandsche Vrijwilligers zouden paardevoer gaan halen: havergarven uit den buitgemaakten trein. Zes sterke ossen werden voor den fouragewagen gespannen, en men vermoedde geen vijand, totdat een verdachte rookpluim, oprijzend langs de spoorbaan, de nadering verried van een gepantserden Engelschen trein.

De trein telde drie wagens, door leikleurige staalplaten goed verzekerd tegen vijandelijk geweervuur. Tusschen den voorsten en den middelsten wagen, en door deze beschermd, bevond zich de locomotief; de achterste wagen, een open wagen, droeg een Maximkanon.

Aan den linkerkant van den trein, aan de westelijke zijde der spoorbaan, bewogen zich op den transportweg van Ladysmith naar Elandslaagte, een afstand van bijna zes uur gaans, colonnen cavalerie en artillerie onder den cavalerie-generaal French. Hij maakte een krachtige verkenning, om de stelling en de sterkte van den vijand vast te stellen, en op 1000 meter afstands van het station genaderd, liet hij halt houden en de kanonnen afhaken.

Het was half acht in den morgen, toen het eerste Engelsche kanonschot over de velden dreunde. Het boorde door de goederenloods heen, en kwam in den ambulancewagen der Boeren terecht. Het tweede schot werd gericht naar het open veld, in de richting van het Hollandsche kamp, waar de tent van kommandant Jan Lombaard, aanvoerder der Hollandsche Vrijwilligers, de aandacht trok. De granaat sloeg 25 meter vóór de tent in den grond, zonder te ontploffen, terwijl de volgende bom, op eenigen afstand achter Lombaard’s tent terecht gekomen, wel ontplofte doch niemand kwetste.

De Hollanders lieten hun havergarven in den steek, en dat was verstandig, maar de twee kanonnen, die de Boeren haddenmeegebracht, wierpen hun bommen met groote nauwkeurigheid in de Engelsche batterij, en dat was niet minder verstandig. Generaal French voelde zich met zijn zevenponders tegen dat vuur niet opgewassen; hij gaf bevel tot den terugtocht, en trok met zijn volk en zijn gepantserden trein een uur gaans terug, halt houdend bij het station Modderspruit.

Jan Kock gaf nu orders, om voeling te zoeken met den vijand, en de Boeren zwermden op hun taaie paardjes in kleine, vèr verspreide groepen over de heuvels.

Hun paarden klommen als klipgeiten tegen de verschillende kopjes op, en men bereikte ten slotte een hoogen bergrand, die een uitstekend gezicht verleende op de vijandelijke stellingen. Op de spoorbaan ontdekten de Boeren door hunne verrekijkers drie militaire treinen; naast de spoorbaan ontplooiden zich de infanteriebataljons.

Er werden voorposten uitgezet, en de Boeren keerden om 12 uur in een korten galop terug naar hun kamp. Zij werden er aangenaam verrast door de komst der transportwagens, die van Volksrust de onmisbare kampbenoodigdheden hadden medegebracht: levensmiddelen, tenten, ververschingen, en een grooten postzak brieven en couranten.

Ach, dat was een aangename verrassing voor Gijs Wessels, toen hij, het adres van een aan hem gerichten brief bekijkend, de eenvoudige, ietwat stijve hand van zijn vrouw herkende. Hij vleide zich met Danie—Louis en Barend hadden zich bij de voorposten gevoegd—neder achter een klip, die hen beschutte voor den wind, en las met aandoening den brief.

Hij luidde als volgt:

„Geliefde Man en Kinderen!Het is toch maar een treurige dag geweest, toen gijlieden vertrokt. Janske, dat lieve kind, hield zich voor mij zoo goed, als ze maar kon, doch ik zag wel, dat zij zeer bedroefd was. Ik kreeg echter rust in het Godsbestuur, en de Heere bepaalde mij recht levendig bij deze woorden: „Wat ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan.” Ik werd wonderlijk getroost, omdat deze dierbare waarheid innig aan mijn hart werd toegepast, dat alle raadselen eens zullen worden opgelost. En zoo kon ik dan alles recht kinderlijk aan den Heere, Die allesregeert, overgeven. Het is toch zoo, geliefde Man, dat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde, die in Christus Jezus is. Juist in deze bange en benauwde tijden worden wij zoo recht gewaar, dat wij aan onzen God een wonderbaren steun hebben, en Hij is ons geweest een toevlucht van geslacht tot geslachte! Hij zal het met ons volk ook goed maken. Ik geloof zeker, dat ons volk op Gods tijd nog eens geheel van Engeland zal vrij worden. Het beliefde den Heere, om mij dezen morgen door Zijnen Heiligen Geest in te leiden in den zesden psalm, en bij het slot moest ik uitroepen: „Arm Engeland!” Want het vergrijpt zich aan Gods kinderen, en het vergiet het bloed van Gods uitverkorenen. Maar ik ben ook dikwijls bedroefd, geliefde Man en Kinderen, als ik aan jullie denk. Nu voelen wij toch eerst, hoe innig wij aan elkander hangen. Ik kan dien grooten, ledigen leuningstoel niet zien, of ik word zeer bedroefd, en bij oogenblikken kan mij een onweerstaanbare angst aangrijpen. Is het een voorgevoel, dat er iets verschrikkelijks zal gebeuren? Maar het kunnen ook wel mijn geschokte zenuwen zijn. Ik heb wel meer zoo’n angst gehad, en dat het toch niets was, en dat gij mij later nog hartelijk hebtuitgelachen. Nu, wij willen hopen, dat wij elkander nog eens in goeden welstand zullen ontmoeten. Het is een rechtvaardige zaak, geliefde Man en Kinderen, waarvoor gij strijdt. Zoo vecht dan dapper voor uw land en volk, want dat is de wil des Heeren!Wij kunnen elkander nu niet zien, maar dat wij elkander maar veel mogen ontmoeten voor den troon der genade, dat is mijn wensch. Zoo blijf ik met de hartelijkste groetenUw zeer liefhebbende vrouw en moeder,S.Wessels, geborenPotgieter.Nog iets. Lieve Danie, neem je maar goed in acht, jongen, want je bent niet al te sterk. Vermoei je maar niet al te hard. Als er een zwaar stuk werk is, dan zullen uw andere broeders u wel helpen. Nu dag Danie, dag Louis, Kees, Karel, geliefde Man—weest allen den Heere bevolen. Janske groet u recht hartelijk; zij hoopt u overmorgen te schrijven. Maakt u maar niet over ons ongerust. De Kaffers zijn zeer onderdanig, en met de boerderij gaat het heel goed.Dezelfde.

„Geliefde Man en Kinderen!

Het is toch maar een treurige dag geweest, toen gijlieden vertrokt. Janske, dat lieve kind, hield zich voor mij zoo goed, als ze maar kon, doch ik zag wel, dat zij zeer bedroefd was. Ik kreeg echter rust in het Godsbestuur, en de Heere bepaalde mij recht levendig bij deze woorden: „Wat ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan.” Ik werd wonderlijk getroost, omdat deze dierbare waarheid innig aan mijn hart werd toegepast, dat alle raadselen eens zullen worden opgelost. En zoo kon ik dan alles recht kinderlijk aan den Heere, Die allesregeert, overgeven. Het is toch zoo, geliefde Man, dat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde, die in Christus Jezus is. Juist in deze bange en benauwde tijden worden wij zoo recht gewaar, dat wij aan onzen God een wonderbaren steun hebben, en Hij is ons geweest een toevlucht van geslacht tot geslachte! Hij zal het met ons volk ook goed maken. Ik geloof zeker, dat ons volk op Gods tijd nog eens geheel van Engeland zal vrij worden. Het beliefde den Heere, om mij dezen morgen door Zijnen Heiligen Geest in te leiden in den zesden psalm, en bij het slot moest ik uitroepen: „Arm Engeland!” Want het vergrijpt zich aan Gods kinderen, en het vergiet het bloed van Gods uitverkorenen. Maar ik ben ook dikwijls bedroefd, geliefde Man en Kinderen, als ik aan jullie denk. Nu voelen wij toch eerst, hoe innig wij aan elkander hangen. Ik kan dien grooten, ledigen leuningstoel niet zien, of ik word zeer bedroefd, en bij oogenblikken kan mij een onweerstaanbare angst aangrijpen. Is het een voorgevoel, dat er iets verschrikkelijks zal gebeuren? Maar het kunnen ook wel mijn geschokte zenuwen zijn. Ik heb wel meer zoo’n angst gehad, en dat het toch niets was, en dat gij mij later nog hartelijk hebtuitgelachen. Nu, wij willen hopen, dat wij elkander nog eens in goeden welstand zullen ontmoeten. Het is een rechtvaardige zaak, geliefde Man en Kinderen, waarvoor gij strijdt. Zoo vecht dan dapper voor uw land en volk, want dat is de wil des Heeren!

Wij kunnen elkander nu niet zien, maar dat wij elkander maar veel mogen ontmoeten voor den troon der genade, dat is mijn wensch. Zoo blijf ik met de hartelijkste groeten

Uw zeer liefhebbende vrouw en moeder,

S.Wessels, geborenPotgieter.

Nog iets. Lieve Danie, neem je maar goed in acht, jongen, want je bent niet al te sterk. Vermoei je maar niet al te hard. Als er een zwaar stuk werk is, dan zullen uw andere broeders u wel helpen. Nu dag Danie, dag Louis, Kees, Karel, geliefde Man—weest allen den Heere bevolen. Janske groet u recht hartelijk; zij hoopt u overmorgen te schrijven. Maakt u maar niet over ons ongerust. De Kaffers zijn zeer onderdanig, en met de boerderij gaat het heel goed.

Dezelfde.

De brief was toch een liefelijke verkwikking.

Danie zat vlak naast zijn vader, en leunde met den linkerarm op diens schouder, om toch alles goed te kunnen lezen. Ook schemerden er een paar tranen in zijn oogen, want hij had zijn moeder lief. Hij zag er weer wat bleek uit; zijn moeder had gelijk: hij was niet al te sterk.

„Ik had je thuis moeten laten, mijn jongen,” zeide de oude Wessels; „ik vrees, dat je niet tegen den veldtocht kunt.”

Danie ging met de hand liefkozend over het bezorgd gelaat van zijn vader.

„Wees maar niet ongerust,” zeide hij met moedige stem; „ik voel me zoo sterk als een jong paard.”

Hij glimlachte, terwijl hij dit zeide, en hij keek opgeruimd, om de wolken te verjagen, die over het breede voorhoofd van zijn vader gingen.

Doch de liefde van een vader ziet scherp, en laat zich niet misleiden. Gijs Wessels schudde het hoofd en zuchtte.

Wijd uit de verte dreunde thans de zware slag van het kanon. Gijs Wessels stond op, beklom een hoogte, en staarde naar den horizon.

Langzaam keerde hij terug. Zijn gelaat stond nog ernstiger dan zoo even.

„Wij zullen vandaag nog vechten, Danie,” zeide hij zacht.

De jongen sprong op.

„Zijt gij niet bang, mijn jongen?”

„Wij zijn in ’s Heeren hand.”

„Het kan uw jonge leven kosten, Danie!”

„Ik geef mijn leven gaarne voor de vrijheid van mijn volk.”

Zijn oogen begonnen te schitteren, terwijl hij dit zeide; het bloed kleurde zijn bleeke wangen.

„Dùrft gij te sterven, Danie?”

Hij had reeds een dergelijke vraag gedaan in dien laatsten nacht vóór het vertrek van Wonderfontein, doch in het gezicht van dood en eeuwigheid wilde hij dat punt nog eens aanroeren.

De oude Wessels vraagde het dus met nadruk, en zijn oogen rustten, terwijl hij het vraagde, met zekere angstige spanning op zijn kind.

Doch Danie sloeg de blauwe oogen blijmoedig op tot zijn vader en zeide bedaard: „Ik ben niet bang voor den dood.”

„Waarom niet, Danie?”

„Ik ben het eigendom van Jezus mijn Heiland, Die mij gekocht heeft door Zijn dierbaar bloed.”

Hij zeide dit zoo eenvoudig, zoo ongekunsteld. Maar juist in dien eenvoud openbaarde zich de onmetelijke kracht van zijn geloof.

Gijs Wessels was evenwel nog niet voldaan.

„Gij zijt nog zoo jong, Danie, en gij spreekt zoo beslist. Ik ben al lang op den weg, en mijn ziel wordt toch nog dikwijls geslingerd door twijfelingen en vreeze.”

Danie echter antwoordde op bedaarden toon: „Ik heb van wege mijn zonden en overtredingen den eeuwigen dood verdiend, doch Jezus is met Zijn plaatsvervangend lijden voor mij in de plaats getreden. Ik weet het vast en zeker.”

De oude Wessels voelde: dat was geen napraterij, maar welde op diep uit het hart.

Nu was hij ook tevreden, drukte zijn jongen de hand, en sprak met hem over geestelijke en hemelsche zaken als een vriend met zijn vriend.

Doch uit de verte dreunde opnieuw de slag van het kanon, sterker dan zoo even: zwaar en dreigend als de donderslag van een snel naderend onweer, en over de heuvels zwermden in snellen galop de verkenners der Boeren als stormvogels, die het noodweer aankondigen.

„Weet gij niet, waar Louis is?” vraagde de oude Boer.

„Hij was daar straks bij de voorposten,” meende Danie.

„Ik had hem gaarne hier gehad,” zuchtte Gijs Wessels.

Hij keek rond, of hij den jongen jager niet kon ontdekken, maar hij zag hem niet.

Hij was zeer ernstig geworden. Hij nam Danie bij de hand, en bracht hem in de nabijheid van een grooten doornstruik.

„Hier zullen wij knielen, Danie, en onze zielen Gode bevelen.”

Zoo knielden zij dan neder: vader en zoon.

De doornstruik strekte zijn takken boven hen uit. Zijn gele bloesems geurden, en uit zijn twijgen vloog een zangvogel op, sloeg de vleugels wijd uit en zong zijn lied.

Het was het lààtste lied, dat op dien dag boven Elandslaagte werd gezongen.

Zij rezen nu op van hun knieën. Baas Wessels’ oogen waren vochtig.

Hij kuste zijn jongen op die lieve, blauwe oogen. Danie zag, dat zijn vader zeer bewogen was.

„Gij moet niet bedroefd zijn, vaderke,” zeide hij troostend; „zie toch—ik ben goedsmoeds.”

Hij glimlachte weer, terwijl hij dit zeide, maar zijn lippen beefden.

„Gij zijt nog zoo bitter jong,” steunde zijn vader—„maar kom, Danie, ’t wordt tijd!”


Back to IndexNext