HOOFDSTUK XVII.Truida Uys had den ganschen nacht niet geslapen; zij was zelfs niet naar bed geweest.Zij had gister, Zaterdag, het eerst in de meening verkeerd, dat er een onweer woedde in het westen, doch zij had later van voorbijgaande Kaffers vernomen, dat er zwaar gevochten werd bij Elandslaagte. Toen had zij Christiaan, haar jongen, schranderen Zoeloeknecht, op kondschap uitgezonden, en hij had het snelste paard van den stal moeten nemen.Midden in den nacht was hij teruggekomen, en had in zijn eenvoudige, beeldrijke taal een aangrijpend tooneel geschilderd van de verschrikkingen van het gevecht. Hij had, om goed op de hoogte te komen, na den slag zijn diensten aangeboden als drager, en had, zooals hij aan Truida mededeelde, van een anderen Kaffer gehoord, hoe een Boer met een langen, grijzen baard en zijn zoon in hetzelfde graf waren neergelegd.„Zij lagen bij elkander als het lam bij het schaap,” zeide de Zoeloe.„Weet ge niet, hoe hij heette, Christiaan?”De Kaffer keek zijn gebiedster met droevige oogen aan en zeide: „Hij heette Wessels.”„Wessels,” zeide ze, „het is toch Gijs Wessels niet?”Hij aarzelde om te antwoorden.„En zijn zoon—was het zijn oudste zoon, Christiaan?”„Neen,” antwoordde hij beslist, „die was het niet.”„Hoe weet gij dat?” vraagde zij snel.„Ik heb hem zelf mee begraven, Miss—den ouden baas en den kleinen baas Danie.”„En zooeven zeidet gij, dat ge ’t van andere Kaffers wist?” vorschte Truida.„Ik wilde u sparen,” zeide de Zoeloe, „maar ik kan niets voor u verborgen houden, want uw oogen zijn als de zonnestralen, die de duisternis licht maken.”„En hebt gij u niet vergist?” vraagde Truida; „’t was toch donker, en het motregende, zooals gij zeidet.”„Zóó donker was het toch niet, Miss, of ik kon hun gelaatstrekken onderscheiden—Danie lag dood in den arm van zijn vader.”„Dood!” steunde Truida—„dood!”Maar zij beheerschte zich door haar ijzeren wil.„Waren er nog bekenden bij?”„Niemand dan majoor Courtney en een groote, rijzige lancier.”„Majoor Courtney, die zoo dikwijls hier komt?”„Dezelfde, Miss—hij keek even strak als altijd.”„Wat deed die lancier er bij, Christiaan?”„Hij nam een hanenveer van den hoed van den kleinen baas, en stak hem bij zich.”„Stil nu even,” zeide ze; „dat begrijp ik niet.”Zij wreef zich nadenkend over het voorhoofd.„Hebt gij hem niet gezien?” vraagde zij—„hèm?”De Zoeloe keek haar aan met zijn zwarte, schrandere oogen.„Miss, bedoelt den jongen baas Louis Wessels?”„Ja, dien bedoel ik,” zeide ze langzaam.„Ik heb hem niet gezien,” antwoordde Christiaan.„Dan kunt ge gaan,” zeide ze met matte stem; „ge hebt je goed van je taak gekweten, Christiaan.”Zoo bleef zij dan alleen zitten, het moede hoofd door de hand gestut.Zij peinsde en peinsde, en duizend gissingen martelden haar arm brein.De haan kondigde met luide keel den morgen aan, doch zij verroerde zich niet; de Kaffers liepen over het erf heen, om de beesten uit de kralen te jagen, maar zij hoorde het niet eens.Zij wierp de blinden open—de zon stond reeds hoog aan den hemel. Zij blies de lamp uit, en sloot voor een oogenblik haar oogen, want zij deden pijn.De oude huishoudster naderde met haar sleependen gang, stak haar gezicht door de kamerdeur, en vraagde, of nicht Truida niet kwam ontbijten.Het jonge meisje schudde het hoofd.„Ik ben ziek,” zeide ze, „ik bid je, laat mij met rust!”Om tien uur verscheen de huishoudster nog eens, maar de groote jachthond van Louis Wessels stormde haar voorbij, en vloog in groote, wilde sprongen recht op Truida aan.„Dáár—ik weet geen raad met dat leelijke mormel,” riep de huishoudster uit; „hij is dol, nicht, stapeldol, vliegt met de vieze, smerige pooten tegen al de deuren op—nou, kijk me maar niet zoo vreemd aan—ik geloof, dat we hier nog allemaal gek zullen worden.”Maar Truida kon het niet langer uithouden.Zij nam de huishoudster bij de hand, en wees haar de deur.„Ik geloof, dat een van ons beiden het reeds is,” zeide de huishoudster, haar nicht met groote oogen aankijkend.„Gij zijt nog nooit goed geweest,” antwoordde Truida met ongewone scherpte—„ga nu!”En daar zat zij nu, terwijl Pluto zijn voorpooten op haar schoot, legde, en haar aankeek met een blik, die een steen zou roeren.De hond wist, waar Louis Wessels was. Leefde hij nog? Of lag hij reeds onder de harde klippen?Ach, zoo die hond maar spreken kon!Truida hield haar kloppende slapen vast tusschen haar handen, want zij vreesde werkelijk, krankzinnig te worden.Zij had veel geleden de laatste weken, hedenmorgen niet het minst, en de mededeeling van den jongen Zoeloe-Kaffer, dat de lanciers weerlooze gewonden in koelen bloede hadden vermoord, hadden haar jonge ziel vervuld met onbeschrijfelijken afschuw. Maar reeds lang geleden, kort na den noodlottigen dag, waarop Louis haar in toorn den rug had gekeerd, had zij leeren verstaan de huichelarij en de God tergende laagheid der Chamberlainsche staatkunde, en had er zich met afgrijzen van afgewend.Hoe kon het ook anders!De dag moest toch eenmaal aanbreken, waarop de blinddoek zou scheuren voor de oogen van deze ware dochter der oude Voortrekkers, en die dag was gekomen!’t Is waar: Louis had verkeerd gedaan, door zijn liefde tot haar vast te snoeren aan zijn liefde tot het vaderland, en zoo hij milder en zachter was opgetreden, zou de breuke waarschijnlijk nooit gekomen zijn. Maar verweet zij hem dat? Toornde zij daarom op hem?Ach, hoe zou zij op hem kunnen toornen....En dáár stond zijn hond; hij sloeg met de slanke pooten tegen haar knieën aan.En plotseling, als bij ingeving, stond zij op, en staarde hem in de groote, bruine oogen.„Waar is je baas, Pluto?” vraagde zij met luide, dringende stem; „je baas, Pluto? Spreek dan toch!”Hij sprak werkelijk. Niet in de geluiden der menschelijke taal, doch in duidelijke en begrijpelijke gebaren.Hij nam de plooien van haar zomerkleed in zijn breeden muil, en trok haar mee met zacht geweld naar de kamerdeur—de gang door—naar buiten.De oude Manasse kwam juist de staldeur uit.„Zadel mijn Basutoponey, Manasse,” beval zij—„onmiddellijk!”Zij snelde terug naar binnen; haar geheele optreden verraadde moed, vastberadenheid en nieuwe hoop. Boven de kamerdeur hing haar geweer: een fijne, prachtige karabijn. Zij nam hem en onderzocht het slot—het gepolijste staal van den loop flikkerde in de zonnestralen.In de gang kwam de huishoudster haar tegen. Zij viel het oude mensch met onstuimigheid om den hals, en kuste haar.„Vergeef het mij, dat ik zoo onvriendelijk ben geweest,” zeide Truida.Het oude mensch begreep er niets van, en raakte geheel van stuur.„Gaat ge uit, Truida? Eet dan toch eerst wat, Nicht Truida—uw ontbijt staat er nog!”Eten—eten? Wie kon thans aan eten denken! Met de vlugheid der gazelle liep het jonge meisje de gang door, wierp den karabijn over den schouder en sprong in ’t zaâl.Pluto keek haar aan met zijn verstandige oogen.„Nu Pluto,” zeide ze, „wijs mij den weg! Op, naar je baas! En ik zal je volgen door vuur en door water!”Zij was reeds uit het gezicht verdwenen, toen de oude baas Uys, die van een Kafferkraal kwam, het huis binnentrad.„O Neef,” barstte de huishoudster uit, „welke vreeselijke tijden beleven wij toch! Ik heb Truida nog nooit zoo gezien! Zij is als een razende weggereden—en dat op Zondag—ik begrijp het niet meer!”„Stil maar, Nicht!” zeide Arend Uys, „stil maar—alles zal recht komen,” en hij nam den ouden Statenbijbel.
HOOFDSTUK XVII.Truida Uys had den ganschen nacht niet geslapen; zij was zelfs niet naar bed geweest.Zij had gister, Zaterdag, het eerst in de meening verkeerd, dat er een onweer woedde in het westen, doch zij had later van voorbijgaande Kaffers vernomen, dat er zwaar gevochten werd bij Elandslaagte. Toen had zij Christiaan, haar jongen, schranderen Zoeloeknecht, op kondschap uitgezonden, en hij had het snelste paard van den stal moeten nemen.Midden in den nacht was hij teruggekomen, en had in zijn eenvoudige, beeldrijke taal een aangrijpend tooneel geschilderd van de verschrikkingen van het gevecht. Hij had, om goed op de hoogte te komen, na den slag zijn diensten aangeboden als drager, en had, zooals hij aan Truida mededeelde, van een anderen Kaffer gehoord, hoe een Boer met een langen, grijzen baard en zijn zoon in hetzelfde graf waren neergelegd.„Zij lagen bij elkander als het lam bij het schaap,” zeide de Zoeloe.„Weet ge niet, hoe hij heette, Christiaan?”De Kaffer keek zijn gebiedster met droevige oogen aan en zeide: „Hij heette Wessels.”„Wessels,” zeide ze, „het is toch Gijs Wessels niet?”Hij aarzelde om te antwoorden.„En zijn zoon—was het zijn oudste zoon, Christiaan?”„Neen,” antwoordde hij beslist, „die was het niet.”„Hoe weet gij dat?” vraagde zij snel.„Ik heb hem zelf mee begraven, Miss—den ouden baas en den kleinen baas Danie.”„En zooeven zeidet gij, dat ge ’t van andere Kaffers wist?” vorschte Truida.„Ik wilde u sparen,” zeide de Zoeloe, „maar ik kan niets voor u verborgen houden, want uw oogen zijn als de zonnestralen, die de duisternis licht maken.”„En hebt gij u niet vergist?” vraagde Truida; „’t was toch donker, en het motregende, zooals gij zeidet.”„Zóó donker was het toch niet, Miss, of ik kon hun gelaatstrekken onderscheiden—Danie lag dood in den arm van zijn vader.”„Dood!” steunde Truida—„dood!”Maar zij beheerschte zich door haar ijzeren wil.„Waren er nog bekenden bij?”„Niemand dan majoor Courtney en een groote, rijzige lancier.”„Majoor Courtney, die zoo dikwijls hier komt?”„Dezelfde, Miss—hij keek even strak als altijd.”„Wat deed die lancier er bij, Christiaan?”„Hij nam een hanenveer van den hoed van den kleinen baas, en stak hem bij zich.”„Stil nu even,” zeide ze; „dat begrijp ik niet.”Zij wreef zich nadenkend over het voorhoofd.„Hebt gij hem niet gezien?” vraagde zij—„hèm?”De Zoeloe keek haar aan met zijn zwarte, schrandere oogen.„Miss, bedoelt den jongen baas Louis Wessels?”„Ja, dien bedoel ik,” zeide ze langzaam.„Ik heb hem niet gezien,” antwoordde Christiaan.„Dan kunt ge gaan,” zeide ze met matte stem; „ge hebt je goed van je taak gekweten, Christiaan.”Zoo bleef zij dan alleen zitten, het moede hoofd door de hand gestut.Zij peinsde en peinsde, en duizend gissingen martelden haar arm brein.De haan kondigde met luide keel den morgen aan, doch zij verroerde zich niet; de Kaffers liepen over het erf heen, om de beesten uit de kralen te jagen, maar zij hoorde het niet eens.Zij wierp de blinden open—de zon stond reeds hoog aan den hemel. Zij blies de lamp uit, en sloot voor een oogenblik haar oogen, want zij deden pijn.De oude huishoudster naderde met haar sleependen gang, stak haar gezicht door de kamerdeur, en vraagde, of nicht Truida niet kwam ontbijten.Het jonge meisje schudde het hoofd.„Ik ben ziek,” zeide ze, „ik bid je, laat mij met rust!”Om tien uur verscheen de huishoudster nog eens, maar de groote jachthond van Louis Wessels stormde haar voorbij, en vloog in groote, wilde sprongen recht op Truida aan.„Dáár—ik weet geen raad met dat leelijke mormel,” riep de huishoudster uit; „hij is dol, nicht, stapeldol, vliegt met de vieze, smerige pooten tegen al de deuren op—nou, kijk me maar niet zoo vreemd aan—ik geloof, dat we hier nog allemaal gek zullen worden.”Maar Truida kon het niet langer uithouden.Zij nam de huishoudster bij de hand, en wees haar de deur.„Ik geloof, dat een van ons beiden het reeds is,” zeide de huishoudster, haar nicht met groote oogen aankijkend.„Gij zijt nog nooit goed geweest,” antwoordde Truida met ongewone scherpte—„ga nu!”En daar zat zij nu, terwijl Pluto zijn voorpooten op haar schoot, legde, en haar aankeek met een blik, die een steen zou roeren.De hond wist, waar Louis Wessels was. Leefde hij nog? Of lag hij reeds onder de harde klippen?Ach, zoo die hond maar spreken kon!Truida hield haar kloppende slapen vast tusschen haar handen, want zij vreesde werkelijk, krankzinnig te worden.Zij had veel geleden de laatste weken, hedenmorgen niet het minst, en de mededeeling van den jongen Zoeloe-Kaffer, dat de lanciers weerlooze gewonden in koelen bloede hadden vermoord, hadden haar jonge ziel vervuld met onbeschrijfelijken afschuw. Maar reeds lang geleden, kort na den noodlottigen dag, waarop Louis haar in toorn den rug had gekeerd, had zij leeren verstaan de huichelarij en de God tergende laagheid der Chamberlainsche staatkunde, en had er zich met afgrijzen van afgewend.Hoe kon het ook anders!De dag moest toch eenmaal aanbreken, waarop de blinddoek zou scheuren voor de oogen van deze ware dochter der oude Voortrekkers, en die dag was gekomen!’t Is waar: Louis had verkeerd gedaan, door zijn liefde tot haar vast te snoeren aan zijn liefde tot het vaderland, en zoo hij milder en zachter was opgetreden, zou de breuke waarschijnlijk nooit gekomen zijn. Maar verweet zij hem dat? Toornde zij daarom op hem?Ach, hoe zou zij op hem kunnen toornen....En dáár stond zijn hond; hij sloeg met de slanke pooten tegen haar knieën aan.En plotseling, als bij ingeving, stond zij op, en staarde hem in de groote, bruine oogen.„Waar is je baas, Pluto?” vraagde zij met luide, dringende stem; „je baas, Pluto? Spreek dan toch!”Hij sprak werkelijk. Niet in de geluiden der menschelijke taal, doch in duidelijke en begrijpelijke gebaren.Hij nam de plooien van haar zomerkleed in zijn breeden muil, en trok haar mee met zacht geweld naar de kamerdeur—de gang door—naar buiten.De oude Manasse kwam juist de staldeur uit.„Zadel mijn Basutoponey, Manasse,” beval zij—„onmiddellijk!”Zij snelde terug naar binnen; haar geheele optreden verraadde moed, vastberadenheid en nieuwe hoop. Boven de kamerdeur hing haar geweer: een fijne, prachtige karabijn. Zij nam hem en onderzocht het slot—het gepolijste staal van den loop flikkerde in de zonnestralen.In de gang kwam de huishoudster haar tegen. Zij viel het oude mensch met onstuimigheid om den hals, en kuste haar.„Vergeef het mij, dat ik zoo onvriendelijk ben geweest,” zeide Truida.Het oude mensch begreep er niets van, en raakte geheel van stuur.„Gaat ge uit, Truida? Eet dan toch eerst wat, Nicht Truida—uw ontbijt staat er nog!”Eten—eten? Wie kon thans aan eten denken! Met de vlugheid der gazelle liep het jonge meisje de gang door, wierp den karabijn over den schouder en sprong in ’t zaâl.Pluto keek haar aan met zijn verstandige oogen.„Nu Pluto,” zeide ze, „wijs mij den weg! Op, naar je baas! En ik zal je volgen door vuur en door water!”Zij was reeds uit het gezicht verdwenen, toen de oude baas Uys, die van een Kafferkraal kwam, het huis binnentrad.„O Neef,” barstte de huishoudster uit, „welke vreeselijke tijden beleven wij toch! Ik heb Truida nog nooit zoo gezien! Zij is als een razende weggereden—en dat op Zondag—ik begrijp het niet meer!”„Stil maar, Nicht!” zeide Arend Uys, „stil maar—alles zal recht komen,” en hij nam den ouden Statenbijbel.
HOOFDSTUK XVII.
Truida Uys had den ganschen nacht niet geslapen; zij was zelfs niet naar bed geweest.Zij had gister, Zaterdag, het eerst in de meening verkeerd, dat er een onweer woedde in het westen, doch zij had later van voorbijgaande Kaffers vernomen, dat er zwaar gevochten werd bij Elandslaagte. Toen had zij Christiaan, haar jongen, schranderen Zoeloeknecht, op kondschap uitgezonden, en hij had het snelste paard van den stal moeten nemen.Midden in den nacht was hij teruggekomen, en had in zijn eenvoudige, beeldrijke taal een aangrijpend tooneel geschilderd van de verschrikkingen van het gevecht. Hij had, om goed op de hoogte te komen, na den slag zijn diensten aangeboden als drager, en had, zooals hij aan Truida mededeelde, van een anderen Kaffer gehoord, hoe een Boer met een langen, grijzen baard en zijn zoon in hetzelfde graf waren neergelegd.„Zij lagen bij elkander als het lam bij het schaap,” zeide de Zoeloe.„Weet ge niet, hoe hij heette, Christiaan?”De Kaffer keek zijn gebiedster met droevige oogen aan en zeide: „Hij heette Wessels.”„Wessels,” zeide ze, „het is toch Gijs Wessels niet?”Hij aarzelde om te antwoorden.„En zijn zoon—was het zijn oudste zoon, Christiaan?”„Neen,” antwoordde hij beslist, „die was het niet.”„Hoe weet gij dat?” vraagde zij snel.„Ik heb hem zelf mee begraven, Miss—den ouden baas en den kleinen baas Danie.”„En zooeven zeidet gij, dat ge ’t van andere Kaffers wist?” vorschte Truida.„Ik wilde u sparen,” zeide de Zoeloe, „maar ik kan niets voor u verborgen houden, want uw oogen zijn als de zonnestralen, die de duisternis licht maken.”„En hebt gij u niet vergist?” vraagde Truida; „’t was toch donker, en het motregende, zooals gij zeidet.”„Zóó donker was het toch niet, Miss, of ik kon hun gelaatstrekken onderscheiden—Danie lag dood in den arm van zijn vader.”„Dood!” steunde Truida—„dood!”Maar zij beheerschte zich door haar ijzeren wil.„Waren er nog bekenden bij?”„Niemand dan majoor Courtney en een groote, rijzige lancier.”„Majoor Courtney, die zoo dikwijls hier komt?”„Dezelfde, Miss—hij keek even strak als altijd.”„Wat deed die lancier er bij, Christiaan?”„Hij nam een hanenveer van den hoed van den kleinen baas, en stak hem bij zich.”„Stil nu even,” zeide ze; „dat begrijp ik niet.”Zij wreef zich nadenkend over het voorhoofd.„Hebt gij hem niet gezien?” vraagde zij—„hèm?”De Zoeloe keek haar aan met zijn zwarte, schrandere oogen.„Miss, bedoelt den jongen baas Louis Wessels?”„Ja, dien bedoel ik,” zeide ze langzaam.„Ik heb hem niet gezien,” antwoordde Christiaan.„Dan kunt ge gaan,” zeide ze met matte stem; „ge hebt je goed van je taak gekweten, Christiaan.”Zoo bleef zij dan alleen zitten, het moede hoofd door de hand gestut.Zij peinsde en peinsde, en duizend gissingen martelden haar arm brein.De haan kondigde met luide keel den morgen aan, doch zij verroerde zich niet; de Kaffers liepen over het erf heen, om de beesten uit de kralen te jagen, maar zij hoorde het niet eens.Zij wierp de blinden open—de zon stond reeds hoog aan den hemel. Zij blies de lamp uit, en sloot voor een oogenblik haar oogen, want zij deden pijn.De oude huishoudster naderde met haar sleependen gang, stak haar gezicht door de kamerdeur, en vraagde, of nicht Truida niet kwam ontbijten.Het jonge meisje schudde het hoofd.„Ik ben ziek,” zeide ze, „ik bid je, laat mij met rust!”Om tien uur verscheen de huishoudster nog eens, maar de groote jachthond van Louis Wessels stormde haar voorbij, en vloog in groote, wilde sprongen recht op Truida aan.„Dáár—ik weet geen raad met dat leelijke mormel,” riep de huishoudster uit; „hij is dol, nicht, stapeldol, vliegt met de vieze, smerige pooten tegen al de deuren op—nou, kijk me maar niet zoo vreemd aan—ik geloof, dat we hier nog allemaal gek zullen worden.”Maar Truida kon het niet langer uithouden.Zij nam de huishoudster bij de hand, en wees haar de deur.„Ik geloof, dat een van ons beiden het reeds is,” zeide de huishoudster, haar nicht met groote oogen aankijkend.„Gij zijt nog nooit goed geweest,” antwoordde Truida met ongewone scherpte—„ga nu!”En daar zat zij nu, terwijl Pluto zijn voorpooten op haar schoot, legde, en haar aankeek met een blik, die een steen zou roeren.De hond wist, waar Louis Wessels was. Leefde hij nog? Of lag hij reeds onder de harde klippen?Ach, zoo die hond maar spreken kon!Truida hield haar kloppende slapen vast tusschen haar handen, want zij vreesde werkelijk, krankzinnig te worden.Zij had veel geleden de laatste weken, hedenmorgen niet het minst, en de mededeeling van den jongen Zoeloe-Kaffer, dat de lanciers weerlooze gewonden in koelen bloede hadden vermoord, hadden haar jonge ziel vervuld met onbeschrijfelijken afschuw. Maar reeds lang geleden, kort na den noodlottigen dag, waarop Louis haar in toorn den rug had gekeerd, had zij leeren verstaan de huichelarij en de God tergende laagheid der Chamberlainsche staatkunde, en had er zich met afgrijzen van afgewend.Hoe kon het ook anders!De dag moest toch eenmaal aanbreken, waarop de blinddoek zou scheuren voor de oogen van deze ware dochter der oude Voortrekkers, en die dag was gekomen!’t Is waar: Louis had verkeerd gedaan, door zijn liefde tot haar vast te snoeren aan zijn liefde tot het vaderland, en zoo hij milder en zachter was opgetreden, zou de breuke waarschijnlijk nooit gekomen zijn. Maar verweet zij hem dat? Toornde zij daarom op hem?Ach, hoe zou zij op hem kunnen toornen....En dáár stond zijn hond; hij sloeg met de slanke pooten tegen haar knieën aan.En plotseling, als bij ingeving, stond zij op, en staarde hem in de groote, bruine oogen.„Waar is je baas, Pluto?” vraagde zij met luide, dringende stem; „je baas, Pluto? Spreek dan toch!”Hij sprak werkelijk. Niet in de geluiden der menschelijke taal, doch in duidelijke en begrijpelijke gebaren.Hij nam de plooien van haar zomerkleed in zijn breeden muil, en trok haar mee met zacht geweld naar de kamerdeur—de gang door—naar buiten.De oude Manasse kwam juist de staldeur uit.„Zadel mijn Basutoponey, Manasse,” beval zij—„onmiddellijk!”Zij snelde terug naar binnen; haar geheele optreden verraadde moed, vastberadenheid en nieuwe hoop. Boven de kamerdeur hing haar geweer: een fijne, prachtige karabijn. Zij nam hem en onderzocht het slot—het gepolijste staal van den loop flikkerde in de zonnestralen.In de gang kwam de huishoudster haar tegen. Zij viel het oude mensch met onstuimigheid om den hals, en kuste haar.„Vergeef het mij, dat ik zoo onvriendelijk ben geweest,” zeide Truida.Het oude mensch begreep er niets van, en raakte geheel van stuur.„Gaat ge uit, Truida? Eet dan toch eerst wat, Nicht Truida—uw ontbijt staat er nog!”Eten—eten? Wie kon thans aan eten denken! Met de vlugheid der gazelle liep het jonge meisje de gang door, wierp den karabijn over den schouder en sprong in ’t zaâl.Pluto keek haar aan met zijn verstandige oogen.„Nu Pluto,” zeide ze, „wijs mij den weg! Op, naar je baas! En ik zal je volgen door vuur en door water!”Zij was reeds uit het gezicht verdwenen, toen de oude baas Uys, die van een Kafferkraal kwam, het huis binnentrad.„O Neef,” barstte de huishoudster uit, „welke vreeselijke tijden beleven wij toch! Ik heb Truida nog nooit zoo gezien! Zij is als een razende weggereden—en dat op Zondag—ik begrijp het niet meer!”„Stil maar, Nicht!” zeide Arend Uys, „stil maar—alles zal recht komen,” en hij nam den ouden Statenbijbel.
Truida Uys had den ganschen nacht niet geslapen; zij was zelfs niet naar bed geweest.
Zij had gister, Zaterdag, het eerst in de meening verkeerd, dat er een onweer woedde in het westen, doch zij had later van voorbijgaande Kaffers vernomen, dat er zwaar gevochten werd bij Elandslaagte. Toen had zij Christiaan, haar jongen, schranderen Zoeloeknecht, op kondschap uitgezonden, en hij had het snelste paard van den stal moeten nemen.
Midden in den nacht was hij teruggekomen, en had in zijn eenvoudige, beeldrijke taal een aangrijpend tooneel geschilderd van de verschrikkingen van het gevecht. Hij had, om goed op de hoogte te komen, na den slag zijn diensten aangeboden als drager, en had, zooals hij aan Truida mededeelde, van een anderen Kaffer gehoord, hoe een Boer met een langen, grijzen baard en zijn zoon in hetzelfde graf waren neergelegd.
„Zij lagen bij elkander als het lam bij het schaap,” zeide de Zoeloe.
„Weet ge niet, hoe hij heette, Christiaan?”
De Kaffer keek zijn gebiedster met droevige oogen aan en zeide: „Hij heette Wessels.”
„Wessels,” zeide ze, „het is toch Gijs Wessels niet?”
Hij aarzelde om te antwoorden.
„En zijn zoon—was het zijn oudste zoon, Christiaan?”
„Neen,” antwoordde hij beslist, „die was het niet.”
„Hoe weet gij dat?” vraagde zij snel.
„Ik heb hem zelf mee begraven, Miss—den ouden baas en den kleinen baas Danie.”
„En zooeven zeidet gij, dat ge ’t van andere Kaffers wist?” vorschte Truida.
„Ik wilde u sparen,” zeide de Zoeloe, „maar ik kan niets voor u verborgen houden, want uw oogen zijn als de zonnestralen, die de duisternis licht maken.”
„En hebt gij u niet vergist?” vraagde Truida; „’t was toch donker, en het motregende, zooals gij zeidet.”
„Zóó donker was het toch niet, Miss, of ik kon hun gelaatstrekken onderscheiden—Danie lag dood in den arm van zijn vader.”
„Dood!” steunde Truida—„dood!”
Maar zij beheerschte zich door haar ijzeren wil.
„Waren er nog bekenden bij?”
„Niemand dan majoor Courtney en een groote, rijzige lancier.”
„Majoor Courtney, die zoo dikwijls hier komt?”
„Dezelfde, Miss—hij keek even strak als altijd.”
„Wat deed die lancier er bij, Christiaan?”
„Hij nam een hanenveer van den hoed van den kleinen baas, en stak hem bij zich.”
„Stil nu even,” zeide ze; „dat begrijp ik niet.”
Zij wreef zich nadenkend over het voorhoofd.
„Hebt gij hem niet gezien?” vraagde zij—„hèm?”
De Zoeloe keek haar aan met zijn zwarte, schrandere oogen.
„Miss, bedoelt den jongen baas Louis Wessels?”
„Ja, dien bedoel ik,” zeide ze langzaam.
„Ik heb hem niet gezien,” antwoordde Christiaan.
„Dan kunt ge gaan,” zeide ze met matte stem; „ge hebt je goed van je taak gekweten, Christiaan.”
Zoo bleef zij dan alleen zitten, het moede hoofd door de hand gestut.
Zij peinsde en peinsde, en duizend gissingen martelden haar arm brein.
De haan kondigde met luide keel den morgen aan, doch zij verroerde zich niet; de Kaffers liepen over het erf heen, om de beesten uit de kralen te jagen, maar zij hoorde het niet eens.
Zij wierp de blinden open—de zon stond reeds hoog aan den hemel. Zij blies de lamp uit, en sloot voor een oogenblik haar oogen, want zij deden pijn.
De oude huishoudster naderde met haar sleependen gang, stak haar gezicht door de kamerdeur, en vraagde, of nicht Truida niet kwam ontbijten.
Het jonge meisje schudde het hoofd.
„Ik ben ziek,” zeide ze, „ik bid je, laat mij met rust!”
Om tien uur verscheen de huishoudster nog eens, maar de groote jachthond van Louis Wessels stormde haar voorbij, en vloog in groote, wilde sprongen recht op Truida aan.
„Dáár—ik weet geen raad met dat leelijke mormel,” riep de huishoudster uit; „hij is dol, nicht, stapeldol, vliegt met de vieze, smerige pooten tegen al de deuren op—nou, kijk me maar niet zoo vreemd aan—ik geloof, dat we hier nog allemaal gek zullen worden.”
Maar Truida kon het niet langer uithouden.
Zij nam de huishoudster bij de hand, en wees haar de deur.
„Ik geloof, dat een van ons beiden het reeds is,” zeide de huishoudster, haar nicht met groote oogen aankijkend.
„Gij zijt nog nooit goed geweest,” antwoordde Truida met ongewone scherpte—„ga nu!”
En daar zat zij nu, terwijl Pluto zijn voorpooten op haar schoot, legde, en haar aankeek met een blik, die een steen zou roeren.
De hond wist, waar Louis Wessels was. Leefde hij nog? Of lag hij reeds onder de harde klippen?
Ach, zoo die hond maar spreken kon!
Truida hield haar kloppende slapen vast tusschen haar handen, want zij vreesde werkelijk, krankzinnig te worden.
Zij had veel geleden de laatste weken, hedenmorgen niet het minst, en de mededeeling van den jongen Zoeloe-Kaffer, dat de lanciers weerlooze gewonden in koelen bloede hadden vermoord, hadden haar jonge ziel vervuld met onbeschrijfelijken afschuw. Maar reeds lang geleden, kort na den noodlottigen dag, waarop Louis haar in toorn den rug had gekeerd, had zij leeren verstaan de huichelarij en de God tergende laagheid der Chamberlainsche staatkunde, en had er zich met afgrijzen van afgewend.
Hoe kon het ook anders!
De dag moest toch eenmaal aanbreken, waarop de blinddoek zou scheuren voor de oogen van deze ware dochter der oude Voortrekkers, en die dag was gekomen!
’t Is waar: Louis had verkeerd gedaan, door zijn liefde tot haar vast te snoeren aan zijn liefde tot het vaderland, en zoo hij milder en zachter was opgetreden, zou de breuke waarschijnlijk nooit gekomen zijn. Maar verweet zij hem dat? Toornde zij daarom op hem?
Ach, hoe zou zij op hem kunnen toornen....
En dáár stond zijn hond; hij sloeg met de slanke pooten tegen haar knieën aan.
En plotseling, als bij ingeving, stond zij op, en staarde hem in de groote, bruine oogen.
„Waar is je baas, Pluto?” vraagde zij met luide, dringende stem; „je baas, Pluto? Spreek dan toch!”
Hij sprak werkelijk. Niet in de geluiden der menschelijke taal, doch in duidelijke en begrijpelijke gebaren.
Hij nam de plooien van haar zomerkleed in zijn breeden muil, en trok haar mee met zacht geweld naar de kamerdeur—de gang door—naar buiten.
De oude Manasse kwam juist de staldeur uit.
„Zadel mijn Basutoponey, Manasse,” beval zij—„onmiddellijk!”
Zij snelde terug naar binnen; haar geheele optreden verraadde moed, vastberadenheid en nieuwe hoop. Boven de kamerdeur hing haar geweer: een fijne, prachtige karabijn. Zij nam hem en onderzocht het slot—het gepolijste staal van den loop flikkerde in de zonnestralen.
In de gang kwam de huishoudster haar tegen. Zij viel het oude mensch met onstuimigheid om den hals, en kuste haar.
„Vergeef het mij, dat ik zoo onvriendelijk ben geweest,” zeide Truida.
Het oude mensch begreep er niets van, en raakte geheel van stuur.
„Gaat ge uit, Truida? Eet dan toch eerst wat, Nicht Truida—uw ontbijt staat er nog!”
Eten—eten? Wie kon thans aan eten denken! Met de vlugheid der gazelle liep het jonge meisje de gang door, wierp den karabijn over den schouder en sprong in ’t zaâl.
Pluto keek haar aan met zijn verstandige oogen.
„Nu Pluto,” zeide ze, „wijs mij den weg! Op, naar je baas! En ik zal je volgen door vuur en door water!”
Zij was reeds uit het gezicht verdwenen, toen de oude baas Uys, die van een Kafferkraal kwam, het huis binnentrad.
„O Neef,” barstte de huishoudster uit, „welke vreeselijke tijden beleven wij toch! Ik heb Truida nog nooit zoo gezien! Zij is als een razende weggereden—en dat op Zondag—ik begrijp het niet meer!”
„Stil maar, Nicht!” zeide Arend Uys, „stil maar—alles zal recht komen,” en hij nam den ouden Statenbijbel.