Overdierbaar plekje grond!Vorden, 'k mag u weêr betreden!Stort u uit, mijn dankbre beden,Die mijn' boezemtogt verkondt!Stort u uit om Hem te prijzen,Die met de eêlste gunstbewijzen,Mij begiftigde op deez' stond!
'k Mag, (Goddank!) gezond en frisch,Weêr het lagchend oord genaken,Waar ik zoo veel heil mogt smaken,Waar mijn wellust was en is!Was en is en zal beklijven,Tot mij 't schoone schoon zal blijven,Tot ik kracht en leven miss'!
Maar, van waar dat blij gedruisch?Vriendschap komt op vlugge voetenMij, van wijd en zijd, begroeten,En geleidt me in vreugd naar huis!Trouwe vriendschap, die mij de aardeMeê herschept ten bloemengaarde,Lieflijk klinkt uw stemgeruisch!
Komt nu, dierbren! komt nu snelNaar mijn landelijke woning;Dat ook dáár de vreugdbetooning,Als van ouds ons weêr verzell'!Hospes! stoot mijn kamers open,'k Ben de stad voor 't land ontloopen,Zeg, is alles bij u wèl?
'k Ben weêr thuis, vivat! vivat!Smiit oedale(1), toe, mijn vrinden! Zoekt een plaatsje en gij zult vinden, De etiquette's zijn in stad! Nader, Langhals, uit den kelder! Klinkt nu, Makkers! klinkt nu helder, Huldigt Bacchus heerlijk nat!
"Welkom!" noemt de feestdronk mij,— o, Hij maakt me vreugdedronken, 't Wachtend glas weêr ingeschonken; Want ik heb een' toast er bij:Vordens groei en bloei en leven; Dat het, tot de laatste neven, Rijk door God bevoorregt zij!
Komt, nu 't eng vertrek ontvlugt;Laat ons buiten, vrienden! buiten!Wat de ziel gevoelt, ontsluiten,Buiten, in de vrije lucht!Hoort, en Vink en FilomeeltjeRoeren, dankbaar, 't lieve keeltje,Zij die dank ook onze zucht!
God! wat is uw Schepping schoon!Onnaspeurbre hemelzegen,Spreidt uw goedheid allerwegen,Aan de juichende aard' ten toon!En de geur van bloem en kruiden,Komen, op de wiek van 't Zuiden,Stoeijende af en aan gevloôn!
Broeders! ja, ons heil is groot!Staan wij, zeg, in de eigen streken,Die mijn hart voor twintig weken,Zijn meêwarig afscheid bood?Toen ik alles zag versagen,Voor de gramme najaarsvlagen,En zag worstlen met den dood!
Als een Feniks, o Natuur!Zijt ge glansrijk weêr verrezen,En uw jong, aanvallig wezen,Zet mijn volle borst in vuur!Naauw aan 's Winters boei onttogen,Ben ik naar u toegevlogen,In het allerwenschlijkst uur!
'k Heb u, Lente! dag en nacht,Van bewondring opgetogen,Aangestaard met turende oogen,Waar de wil van 't lot mij bragt;Maar, mogt me ooit uw schoon verkwikken,De innigste uwer tooverblikken,Heeft me in Vorden toegelacht!
Vorden! Vorden! neem mijn lied …Dan, wat hoor ik? welke akkoorden (2)?Zwijgt nu, zwijgt, mijn zwakke woorden,Dat ik luistere en geniet!o, Met regt, begaafde zangster!Zijt gij hier mijn plaatsvervangster!Dat u milde dichtaâr vliet!
Onvergeetbre levensstond!Nooit gesmaakte zegeningen!'k Hoor mijn Vordens lof voldingen,Door den liefelijksten mond!God! verhoor nu nog deez' bede:Geef, dat eens mijne asch, in vredeRusten moge, in Vordens grond!
* * * * *
(1)Smiit oedale, oud Vordens, voor: ga zitten.
(2) Doelende op een schoon dichtstuk: Vorden getiteld, van eene Dame mijner kennis.
Ai, zie! de afgrijsbre komt,En aller mond verstomt,Hij spreekt, en op zijn woordZijn lust en rust verstoord;De keel voelt zich beklemd,De boezem zich ontstemd,En nooit gekende smart,Wordt meester van het hart.Hij steelt het edelst goedAan uw geschokt gemoed,En geeft, wat hij belooft,U niets, voor 't geen hij rooft.
Die ééns hem heeft gezien,Wenscht altoos hem te ontvliên,En voelt zich zóó bevreesd,—Alsof een booze geestMet eindeloos gekwelHem aangrijnsde uit de hel!
Wie, zangster! is 't gedrogt,Wiens vuigen boezemtogt,Den schrik verspreidt door 't bloed?Wiens naam reeds siddren doet?En somber trilt' heur snaar:"Het heet? Godslasteraar!"
Wie is hij, dat Gij zijner zóó gedenkt?Met gift, op gift, hem dagelijks beschenkt?Zijn hart zoo mild uit uwe heilbron drenkt?O God der Goden!Gewisselijk, een schepsel onbesmet,Die nimmer voet op 't pad der ondeugd zet,Wiens neigend oor, steeds onderworpen letOp Uw geboden!Neen, vijand is zijn naam, van wet en pligt!(o! Schaamte dekke ons blozend aangezigt …)Treedt Heer! niet met den zondaar in 't gerigt,Hem ten verderve!Ai, liefdrijk God! behoed zijn ziel, behoed,Wasch, reinig Gij zijn diep bevlekt gemoed;En dat hij, om Uws Zoons verzoenend bloed,Genâ verwerve!
Wie boeit mijn turende oogen,Door 't onbegrensd vermogen,Van 't scheppende penseel?Wie doet door keur van verwen,Mij 't hoogst genot verwerven,In 't liefelijkst tafreel?
Wiens geestkracht mag 't gelukken,Natuur den palm te ontrukken,Door de overmagt der kunst?Gij, puik der toovenaren!Genie, waarop wij staren!Bestraalt ons met die gunst.
Neen, 't is geen schijn, 't is leven!Die beemden, bosschen, dreven,Die jagt en wildernis,Dees vleugelvlugge honden …'t Moet al uw' roem verkonden,Die spreekt, het zij! en 't is.
o, Oogbetoovrend schilder!Waar werden gaven milderEen' sterveling verpand?God schraag' nog lang uw krachten,Tot vreugd voor die u achten,Tot roem van 't Vaderland!
Hun edel harte slechts tot gids,Daar de ochtendzon haar licht naauw schonk,Trekt, stom van smart, de vrouwen-trits,Naar 's Heeren sombre grafspelonk;Om nog met kostbre specerijen,Heur liefde aan 't dierbaar lijk te wijen.
En nu het doel al nader treedt,Daar, plotsling, breekt het zwijgen al:"Ach!" klinkt een hartverscheurbre kreet,"Wie wendt den zwaren steen van 't graf?"Dat had heur ijvren niet bezonnen,Toen zij den vromen togt begonnen.
Geen bliksemschicht treft meerder snel,Geen donderslag slaat zóó ter neêr,Gelijk dat woord vol zielsgekwel!Toch geeft de liefde voor den Heer,haar moed en kracht om voort te treden,Hoe fel door angst en vrees bestreden.
Ja, Vrouwen! rigt de hope uw' tred!De steen, die 's Heilands grafplaats drukt,En u de teedre borst verplet,—God spreekt—die steen is afgerukt!Hij zal de zijnen niet begeven,Juicht, Jezus leeft en gij zult leven!
o Liefde Gods, die wondren doet! o Heilgenade, ondenkbaar groot! Hoe menig steen drukt nog 't gemoed, Dien de Almagt afwendt in den nood, Zou, Neêrgeboogne! uw hart bezwijken? Een Engel daalt, de steenen wijken!
'k Min u, muzikale woorden,Taal der Toonkunst, 'k min u teêr!U, zielroerbre klank-akkoorden,Die uw' oorsprong hebt uit oorden,Meer volmaakt dan de aardsche sfeer!
Die het hart als was kunt kneden,Aan uw meesterschap ten buit;Lachjes, tranen en gebeden,Heldenmoed en teederheden,Opwekt naar den wil der luit!
Grijpt de geestdrift der geniën,'t Goddelijke speeltuig: hoor!Strijdrumoeren, elegiën,Liefdes zachte melodiën,Roeren, schokken, 't luistrend oor!
Orpheus Cither speel—verbedenIs de nooit verbidbre dood!Op den klank uw harp ontgleden,Vlijt zich steen op steen, en stedenStaan, Amphion! trots ten toon!
Doch geen fabel schenkt u luister!Hooger, Toonkunst, klimt uw lof!(Schijnt de Zon in 's afgronds duister?)Vrij, ontdaan van aardsche kluister,Klinkt uw stem in 't geestenhof.
Als de rei der Hemellingen,Om Gods heilgen troon gestuwd,Hem, den oorsprong aller dingen,'t Heilig, heilig, heilig, zingen,Is hun lied en snaar gehuwd!
Goddelijke Harpenaren!Stort den schoonsten hemelval!Dank moet mensch en Engel paren!Voor de gift der gouden snaren,Dank aan d' oorsprong van 't Heelal!
Met diep ontroerd gemoed,Wijde ik uw graf mijn' groet,Te vroeg ontslapen zanger!Gij, Staring! de aarde ontrukt …Waar is de plaatsvervanger,Die uwen voetstap drukt?
Treur, achtbre Wildenborch!Uw bloei was al zijn zorg;Hij gaf u vreugd en leven;—Uw heldre zon zeeg neêr;'t Werd somber in uw dreven …Uw Landheer is niet meer!
De trots van Gelderland,Wien braafheid en verstandMet schoonen glans mogt sieren,—Zijn levensdraad brak af …Schonk hem de kunst laurieren,Nu weeklaagt ze op zijn graf.
Nu zwijgt zijn citertoon,Zoo krachtig, kunstig, schoon,En Febus Priesterscharen,Staan in het kunstenkoorDen lievling na te staren,Dien het te vroeg verloor.
Weêr heeft het Vaderland,Een' kostbren diamantUit de achtbre kroon verloren!En gade en minnend kroostStaan, bij der dichtren koren,Weemoedig, zonder troost!
Maar welk een treffend woordLokt mij naar 's kerkhofs poort,En schenkt den geest bedaring:"Uit nacht rijst morgenrood (1),"Het was uw spreuk, o Staring!"Het leven uit den dood."
* * * * *
(1) Woorden van den Overledenen, op het Kerkhof te Vorden, waar des Dichters grafplaats gevonden wordt.
Allen op des levens paân,Vallen, staan weêr op en vallen;Zelfs de trotschheid durft niet brallen:Ik kan zonder struiklen gaan!Steen, op steen, verrast den voet,Waar men zich aan stooten moet!
Maar hoe telkens uitgegleên,Broeders! toch weêr opgekropen;Homplen, stromplen wij in 't loopen,Meer oplettend voortgetreên;Aan het einde van ons pad,Ligt de goede Vader-stad!
Matte Pelgrim! dáár is rust,Van uw hobbelige wegen!Dáár stroomt nooit gekende zegen,Nooit gesmaakte levenslust!Dáár is 't eind der aardsche smart,Hemelvreugd vervult er 't hart!
Voor den togt dan niet versaagd;Welberaden voortgewandeld;Naar gebod en pligt gehandeld;Struiklen wij, God zelve schraagt!En, is 't doel der reis volbragt,o, De blijde Heilstad wacht!
Vinkje! welk een gruwzaam monster,Vreemd aan alle menschlijkheid,Heeft uw vlugge wiek gekluisterd,Heeft uw' dag, in nacht verduisterd,Heeft u 't foltrendst leed bereid?
Eens zoo vrij en vrank op aarde,Nu gedoemd tot de enge kooi;Nu, door gloeijend erts uwe oogenAan het vriendlijk licht onttogen,Nu des euveldaders prooi!
Werd het u noodlottig ijzer,Slechts de duistre groeve ontrukt,Om, der snoodheid ten believen,Dus uw argloos hart te grieven?Dan is 't euvel wèl gelukt!
Doch, o neen! niet tot dien gruwelOpent zich de schoot der mijn;Maar de boosheid keert den zegen,Uit Gods milde hand verkregen,Vinkje! de onschuld vaak tot pijn.
Wat is 't u, of zich de scheppingNu net lente-siersels hult?Niet voor u zal de aard' zich tooijen,Daar ge uw vlerkjes niet ontplooijen,Nimmer 't schoone aanschouwen zult!
Ach, waar zijn de blijde dagen?Van het lagchende verleên?Vlijm, op vlijm, moet u doordringen,Woelt het heir herinneringen,Door uw mijmrend kopje heên!
Mooglijk waart gij aan een gaaike,Aan een teederminnend kroost,Op het liefderijkst verbonden …Wreed werd dan de band geschonden,Die uw blijdschap was en troost!
Niets is u van 't heil gebleven,Waar uw borstje zoo van zwol;Uw gelukzon is verdwenen,Heeft voor altijd uitgeschenen,Blind en in een kerkerhol!
o, Mijn teêrgevoelig harte, Doet uw rampental zoo zeer! Kon het innigst medelijden, U van jammeren bevrijden, 'k Zag u 't beeld der vreugde weêr!
IJdle hoop—maar hoor, arm Vinkje!Schal met pletterend geluid,Schal en schater den vervloekte,Die uw' lust en rust verkloekte,Uw' ontzagbren wraak-kreet uit!
Doch uw toovrend orgelkeeltje,Wanhoop nam het kracht en klem;Nooit … maar wat welluidend kwelen,Komt mijn luistrende ooren streelen!Lieve vogel! is 't uw stem?
"Ja, mijn stem, meêlijdend vreemdling!"Zingt het Vinkje op zoeten toon,"'k Laat, getuigen het mijn zangen,"Moedloos niet mijn wiekjes hangen,"Welk een rouw mijn borst bewoon'!
"Wat baat wanhoop, wat baat wraakzucht?"Heelen ze ooit de wond van 't hart?"Véél verloor ik—maar, mijn roover"Liet mij toch mijn stem nog over,"o, Die vreugde troost mijn smart!
"Drage ik dan mijn lot gelaten,"'k Heb nog ruime dankensstof;"Om het goede mij gebleven,"Min ik nog het lieve leven,"En zing luid mijns Scheppers lof!
"Hij heeft den laatsten strijd gestreden!"Dat hartdoorvlijmend woord,Dat zoo veel vreugd verstoort,Het was den mond van d' Arts ontgleden,Maar 't klonk als niet gehoord,
Het kon het oor der vrouw niet boeijen;Nog lonkt de hoop haar aan;Zoo schrikklijk zal de orkaanNiet door haar' bloeijend' echtgaard loeijen,En bloem, bij bloem verslaan.
"Neen, neen," spreekt zij zielroerend teeder,"Neen, dierbare echtgenoot!"Zoo ras ontbindt de dood"Dien vastgelegden knoop niet weder,"Die 't huwelijk pas sloot!"
En slaat ze op 't schomlend wiegje de oogen,Naar 't liefelijk gezigtVan 't sluimerende wicht,—Dan smeekt ze: "o! doof niet, Alvermogen!"Zijns Vaders levenslicht!"
"Moest zulk een ramp ons huis genaken …"Maar, God! wat raauwe gil!Zij voelt het doodlijk kilOp 's ega's ingezonken kaken,Zijn ademtogt staat stil.
Haar zoete hoop vervloeide in tranenVan bittre zielesmart;Gebroken is haar hart;Wel spoedig ging haar heilzon tanen,En liet haar 't nachtlijk zwart.
Ze rigt het schreijende oog naar boven:"Wat lot," snikt zij, "wat lot,"Na twee jaar echtvreugd … God!"Waarom moest ik een' droom gelooven,"Waarmeê de ontwaking spot?"
Wie zalft uw wond, geslagen vrouwe?Uw wichtje, als 't onverpoosdU vleijend kust en koost?Ach, ook dat kozen scherpt uw rouwe,Voor uw gemoed geen troost!
Geen troost? hoe 't harte ook pijnlijk bloede,Ja, Troost in d' eêlsten zin,Dringt tot haar' boezem in;Zij kust Gods vaderlijke roede,De Weduwe is Christin!