Hoofdstuk I.

DE LOF DER ZOTHEID.Voordracht van Erasmus van Rotterdam.De Zotheid spreekt.Hoofdstuk I.Alleen door haar aanblik heeft de Zotheid de zorgen van haar toehoorders verjaagd.Hoe de menschen ook gewoonlijk over mij spreken,—en ik weet maar al te goed, in welk een kwaden naam de Zotheid zelfs bij de zotsten staat—beweer ik toch, datikenik alleendoor mijn goddelijke macht Goden en menschen vervroolijk. Hiervan is dit zeker een meer dan voldoend bewijs, dat, zoodra ik voor deze zoo talrijke vergadering was opgetreden om het woord te voeren, eensklaps uw aller aangezichten zoo blonken van een ongekende en ongewone vreugde, dat gij zoo plotseling het voorhoofd ontrimpeldet en mij met zulk een blijden en beminnelijken lach toejuichtet, dat gij allen, die ik hier uit alle hoeken der wereld voor mij zie, waarlijk niemand uitgezonderd, gelijk de Goden bij Homerus, te veel nectar met nepenthes1schijnt gebruikt te hebben, terwijl ge vroegerzoo bedroefd en bekommerd waart neergezeten, alsof ge nog pas uit Trophonius’ hol2waart teruggekomen. Maar ’t gaat hiermede als wanneer de zon het eerst haar schoon en gulden gelaat aan ’t aardrijk vertoont of na een strengen winter de lente opnieuw den zoelen adem der westenwinden brengt: dan verandert aanstonds het voorkomen van alles, dan krijgt alles een nieuwe kleur en een geheel nieuwe jeugd en zoo veranderde ook dadelijk op mijn aanblik uw voorkomen.Daarom heb ik dan ook, hetgeen andere groote redekunstenaars ternauwernood door een lange en langen tijd overpeinsde rede kunnen te weeg brengen, het verdrijven nl. van lastige muizenissen, al aanstonds enkel door mijn gezicht weten te bewerken.1Toovermiddel, dat alle leed deed vergeten.2Orakel in Griekenland. Men geloofde, dat hij, die in dat hol vol verschrikkingen afdaalde, nooit meer lachte.Hoofdstuk II.Onderwerp der voordracht.Waarom ik nu in dezen ongewonen opschik heden voor u opgetreden ben, zult ge spoedig hooren, als gij slechts geen bezwaar maakt ooren te hebben voor mijn spreken, niet, zooals gij die gewoonlijk hebt voor den prediker in de kerk, maar zoo als gij die pleegt op te steken voor marktschreeuwers, paljassen en hansworsten, ooren, zooals onze bekende Midas1ze indertijd voor Pan opzette. Want ik heb lust gekregen voor een poosje bij u den sophist2te spelen, wel niet als een van dat slag, dat heden ten dage der jeugd eenige hoofdbrekendebeuzelingen instampt en een meer dan vrouwelijke stijfkoppigheid in het twisten leeraart, maar ik zal die ouden navolgen, die om den kwalijk klinkenden3naam van Sophen (wijzen) te vermijden, liever Sophisten (wijsmakers) wilden genoemd worden. Hun lust was het den naam van Goden en helden door lofredenen te verheerlijken. Daarom zult ge dan ook een lofrede hooren niet op Hercules, noch op Solon4, maar op mij zelf, de Zotheid.1Koning Midas stelde het ruwe fluitspel van den god Pan boven het citherspel van Apollo. Tot straf veranderde de laatste zijn ooren in die van een ezel.2Bij de Grieken een rondreizend, voor geld onderwijs gevend geleerde. De sophist op het prentje zoekt voorzichtig zijn weg tusschen doornen (= spitsvondigheden); vergel. begin v. hoofdst. LXIII.3Natuurlijk in de ooren der Zotheid.4Atheensch wetgever, ± 600 v. Chr.Hoofdstuk III.Waarom de Zotheid zichzelf prijst.Al aanstonds dit: ik stoor mij volstrekt niet aan die wijzen, die, zoo iemand zichzelf ophemelt, hem een grooten zotskap en een onbeschaamden rekel noemen. Het moge, volgens hen, zoo zot mogelijk zijn—zij moeten toegeven, dat het betamelijk is. Want wat is gepaster dan dat de Zotheid zelf de loftrompet over zichzelf steekt? Niemand kan immers een sprekender beeld van mij geven dan ik zelf—of ik moest soms aan een ander beter bekend zijn dan aan mij zelf. Toch acht ik dit overigens zelfs niet weinig zediger dan hetgeen het gros der aanzienlijken en wijzen pleegt te doen, die uit een soort van valsche schaamte of een vleienden redekunstenaar of een zot klappenden dichter in ’t geheim daartoe plegen aan te sporen en hem voor een zeker loon huren om uit zijn mond hun lof of, wat op hetzelfde neerkomt, klinkklare leugens te hooren. Die beschroomde man zet evenwel als een pauw zijn staart op en draagt den kam hoog, wanneer die onbeschaamde vleier een nieteling, als hij is, aan de Goden gelijk stelt; wanneer hij hem voor een volmaakt toonbeeld van alle deugden doet doorgaan, alhoewelde geprezene weet, dat hij er hemelsbreed van verschilt; wanneer hij een kraai bekleedt met vreemde veeren; wanneer hij den moriaan schoon wascht, kortom als hij van een mug een olifant maakt. Ten slotte houd ik mij aan het oude volksgezegde, dat hij, die door geen ander geprezen wordt, gelijk heeft, als hij zich zelf prijst. Intusschen kan ik in dezen niet nalaten mij te verwonderen—moet ik het aan de ondankbaarheid of aan de traagheid der menschen toeschrijven?—dat, alhoewel allen zonder onderscheid veel werk van mij maken en gaarne mijn gaven genieten, er in den loop van zooveel eeuwen niemand is opgestaan, die in woorden vol dankbaarheid den lof der Zotheid verkondigde, ofschoon het niet ontbroken heeft aan hen, die in zorgvuldig, met opoffering van veel olie en slaap bewerkte verhandelingen mannen als Busiris en Phalaris1, of de derdendaagsche koorts, vliegen, kaalhoofdigheid en zulke ellendige dingen meer verheerlijkten. Van mij zult gij een rede hooren, die wel voor de vuist gehouden wordt en waaraan hierom niet veel tijd is besteed, maar die in des te grooter mate de deugd der waarheid bezit.1Tyran op Sicilië, om zijn wreedheid berucht, regeerde 568–549 v. Chr.Hoofdstuk IV.Waarom zij voor de vuist spreekt.Het zou mij spijten, als gij dacht, dat ik dit verzonnen heb om met mijn vernuft te pronken, zooals het gros der redenaars dit pleegt te doen. Want wanneer zij, zooals U bekend is, met een rede voor den dag komen, waaraan zij dertig jaar lang bloedig gearbeid hebben en die soms nog het werk van anderen is, dan zweren zij desniettemin bij hoog en laag, dat zij haar in drie dagen uit de losse hand op het papier geworpenof ook een ander in de pen gegeven hebben. Mijn lust en leven was het voorts altijd alles te zeggen, wat mij maar voor den mond kwam. Maar niemand verwachte nu van mij, dat ik in den trant van die gewone leeraars in de redekunst door een bepaling tracht duidelijk te maken, wie ik zelf ben, en nog veel minder, dat ik mij verder met verdeelingen zal ophouden. Want het zou even weinig goeds voorspellen, wilde men haar, wier goddelijke macht zich zoo ver uitstrekt, binnen zekere grenzen beperken, als wanneer men háár in deelen splitste, die door de geheele wereld zoo eenstemmig vereerd wordt. En wat nut zou het dan ook hebben door een bepaling U als het ware een schaduwbeeld voor oogen te stellen, daar gij mij thans van aangezicht tot aangezicht aanschouwt? Want ik ben, zooals ge ziet, die ware schenkster van alle goede dingen, welke de Latijnen Stultitia en de Grieken Moria noemen.Hoofdstuk V.De Zotheid verraadt zichzelf terstond.Waarom behoefde ik dit zelfs nog te vermelden? Alsof ’t niet, zooals men pleegt te zeggen, met zooveel letters op mijn voorhoofd geschreven staat, wie ik ben en alsof, zoo iemand mocht beweren, dat ik een Minerva of een Sophia (wijsheid) ben, hij niet al aanstonds enkel door mij aan te zien van het tegendeel zou overtuigd worden, ook al kwam hem daarbij mijn taal, waarin zich een zuiver beeld van mijn geest weerspiegelt, niet te hulp. Ik blanket mij nooit en mijn voorhoofd vertoont niets anders dan hetgeen in ’t diepste van mijn hart woont: aan alle kanten gelijk ik volkomen op mij zelf, zoodat zelfs zij mijn aanwezigheid niet kunnen ontveinzen, die voor zich bovenal aanspraak maken opden titel van wijzen en als apen het purper en als ezels in de leeuwenhuid rondwandelen.1Hoe zorgvuldig zij zich ook vermommen, komen toch ergens de ooren voor den dag en verraden den Midas. Waarachtig, ook dit slag van menschen is ondankbaar, want, hoezeer zij in de eerste plaats tot ons volkje behooren, schamen zij zich toch bij den grooten hoop zoozeer over onzen naam, dat zij dien niet zelden anderen als een erg scheldwoord naar ’t hoofd werpen. Zijn wij daarom niet volkomen in ons recht, als wij die luidjes, die, ofschoon zij de grootste zotten (Moren) zijn, voor de grootste wijzen (Sophen) willen doorgaan, Morosophen (zotwijzen) noemen?1Het deftige personage op het prentje (een raadsheer of iets dergelijks) kan niet nalaten naar het aardige meisje om te kijken, zoodat hij in een mand met koopwaar trapt.Hoofdstuk VI.Navolging der redekunstenaars.Want ik heb besloten ook in dit opzicht de redekunstenaars van onze dagen na te volgen, die zich voor volslagen Goden houden, wanneer zij, als de bloedzuigers, blijken tweetongig te zijn, en het als een meesterstuk beschouwen in Latijnsche redevoeringen hier en daar eenige Grieksche woordjes1als een soort van mozaiek in te voegen, ook al zijn deze daar zeer slecht op hun plaats. Ontbreekt het hun verder aan zulke uitheemsche uitdrukkingen, dan halen zij uit beschimmelde papieren vier of vijf oude woorden voor den dag om zoo hun lezers het hoofd te doen draaien, opdat namelijk zij, die ze begrijpen zichzelf al meer en meer behagen, doch zij, die ze niet verstaan, zich daarover te meer verbazen, naarmate zij er minder begrip van hebben.Immers ook dit behoort zeker tot de niet onaardige genietingen van onze volgelingen, voor het meest uitheemsche den meesten eerbied te koesteren. Mogen al eenigen een weinig eerzuchtiger zijn, zij moeten toch maar door lachen en handgeklap hun goedkeuring te kennen geven en op ’t voorbeeld der ezels de ooren bewegen, om anderen in de meening te brengen, dat zij alles goed verstaan.Maar genoeg hiervan. Ik haast mij nu tot mijn onderwerp terug te keeren.1Hiermee worden natuurlijk de woorden “Moren, Sophen, Morosophen” uit het vorige hoofdstuk bedoeld.Hoofdstuk VII.Afkomst der Zotheid.Gij kent dus mijn naam, gij—hoe zal ik U anders betitelen dan, gij groote zotten? De Godin Zotheidkan haar ingewijden immers geen vereerender naam geven dan dezen? Maar omdat allen niet evenzeer met mijn afkomst bekend zijn, wil ik U al aanstonds met behulp der Muzen op de hoogte daarvan brengen. Mijn vader was evenmin Chaos als Orcus1of Saturnus2of Japetus3of eenig ander van dat slag van versleten en versmeten Goden, maar Plutus4, hij alleen, de vader van menschen zoowel als van Goden5, ook al mogen Hesiodus6en Homerus en zelfs Jupiter dit ontkennen. Door zijn wenk alleen wordt, evenals vroeger, zoo ook nu nog al het heilige en onheilige, hemel en aarde dooreengemengd. Zijn willekeur bestiert alles, oorlog en vrede, bevelhebberschappen en raadszittingen, rechtspraak en volksvergadering, huwelijken, verdragen, verbonden, wetten, kunsten en wetenschappen, ernst en scherts, kortom—de adem begeeft mij reeds—alle openbare en bijzondere zaken der menschen. Zonder zijn hulp zou die geheele bent van dichterlijke Godheden, of laat ik het stouter uitdrukken, zou ook die uitverkorenen kring van Goden òf in ’t geheel niet bestaan, òf in allen gevalle altijd thuis een eenvoudig maaltje hebben en zoo een hoogst armzalig leventje leiden.7Al wie hem tegen zich heeft, zal bij Pallas zelfs geen voldoenden steun vinden, maar wien hij genadig is, die kan zelfs den hoogsten Jupiter met zijn bliksem naar den duivel wenschen. Op het bezit van zulk een vader beroem ik mij! En hij heeft mij niet uit zijn hersenpan doen voortkomen, zooals Jupiter die norsche en kribbebijtrige Pallas, maar hij verwekte mij bij een alleraardigste en allergeestigste Nymf, Jonkheid genaamd, en hij had zich aan haar niet verbonden door een vervelenden huwelijksband—ge weet, dat zoo die manke smid (Vulcanus) geboren werd—maar, wat wel zoo aangenaam is, hij was met haar in liefde vereenigd, zooalsonze Homerus zegt. Maar gij moet niet denken, dat ik het leven te danken heb aan dien afgeleefden en blinden Plutus van Aristophanes, neen, hij werd mijn vader, toen hij nog in de kracht van ’t leven was en gloeide niet alleen van het vuur der jeugd, maar nog veel meer van den nectar, dien hij op een godenmaal wat al te ruim en al te sterk gedronken had.1Onderwereld of god van de onderwereld.2Vader der voornaamste goden.3Vader o.a. van den bekenden Prometheus.4Rijkdom, dien o.a. de Atheensche blijspeldichter Aristophanes (± 400 v. Chr.) als god ten tooneele voert.5Gewoonlijk wordt Jupiter zoo genoemd.6Naast Homerus de voornaamste epische dichter der Grieken, ± 800 v. Chr.7Immers arme lieden zijn niet in staat goden tot een offermaal uit te noodigen.Hoofdstuk VIII.Haar geboorteplaats en voedsters.Vraagt gij soms ook naar mijn geboorteplaats—men meent immers heden ten dage, dat het voor iemands aanzien een hoogst belangrijk verschil maakt, op welke plaats hij het eerst zijn gekrijt heeft laten hooren—ik zag noch op het ronddrijvende eiland Delos1, noch in de golvende zee2, noch in een holle grot het eerste levenslicht, maar op de eilanden der gelukzaligen, waar zonder zaaien noch ploegen alles wast, waar men geen moeite noch ouderdom, noch ziekte kent, noch ergens op het veld asfodil, malve, ajuin, lupinen of boonen of ander dergelijk gemeen gewas wordt aangetroffen, maar overal oog en neus gestreeld worden door moly, panacee, nepenthe3, magolijn, ambrozijn4, lotus, rozen, violen, hyacinthen en andere planten van sieraad en genot.Te midden van al deze heerlijkheden geboren,begon ik mijn leven geenszins met gekrijt, maar had ik voor mijn moeder dadelijk een lachje ten beste. Er bestaat ook voor mij volstrekt geen reden den hoogen zoon van Kronos5zijn voedster, de geit, te benijden, omdat mij twee alleraardigste nymfen gezoogd hebben, Methe6, een dochter van Bacchus, en Apaedia7, een dochter van Pan8, die gij hier ook als gezellin in het gevolg mijner overige dienaressen ziet. Haar namen zult gij, als het uw verlangen is die te leeren kennen, van mij alleen in het Grieksch hooren.1Eiland tusschen Griekenland en Klein-Azië.2Op Delos werden Apollo en Diana, uit de zee Venus geboren.3Deze drie kruiden bezaten volgens de ouden heilzame kracht.4Godenspijs.5Jupiter wordt bedoeld, die gezoogd zou zijn door de geit Amalthea.6Dronkenschap.7Onwetendheid.8Herdersgod met bokspooten, zinnelijk en boersch van karakter.Hoofdstuk IX.Haar gevolg.Deze dan, die ge daar ziet met haar hoog opgetrokken wenkbrauwen, heet Philautia (Eigenliefde); deze, die U, als ge haar aanziet, met de oogen schijnt toe te lachen en met handgeklap toe te juichen, heet Kolakia (Vleierij). Zij, met haar soezerig en slaperig gezicht, draagt den naam Lethe (Vergeetachtigheid); deze, leunende op haar ellebogen met haar samengevouwen handen, noemt men Misoponia (Werkschuwheid); deze, met rozen omkranst en geheel geparfumeerd, Hedone (Genotzucht); deze met haar zwemmende en her- en derwaarts zwervende oogen, heet Anoia (Onverstand). Deze, met haar glimmend vel en goedgevoed lichaam, draagt den naam Tryphe (Weelderigheid).Gij ziet onder de meisjes ook twee goden: de een van dezen heet Komos (Drinkgelag), de ander Negretos Hupnos (Vaste Slaap). Met de getrouwe hulp dezer schaar van dienaars onderwerp ik de geheele wereld aan mijn macht en heersch ik zelfs over de machtigste heerschers.Hoofdstuk X.De Zotheid de bron van alle leven en levensgenot.Mijn afkomst, mijn opvoeding en mijn gevolg kent ge nu: luistert verder, opdat niemand uwer meene, dat ik mij ten onrechte den naam van Godin aanmatig, met gespitste ooren naar de voordeelen, die zoowel Goden als menschen aan mij te danken hebben, en hoever mijn goddelijke macht zich uitstrekt. Als immers de opmerking van een zeker schrijver lang niet dom is, dat dit eerst waarlijk god-zijn mag heeten menschen te helpen, en als zij eerst terecht in der Goden raad zijn opgenomen, die de stervelingen met wijn of koorn of eenige andere dergelijke nuttige zaak bekend hebben gemaakt, waarom zou men mij dan niet terecht den eersten onder alle Goden noemen en achten, mij, die alleen allen alles met ruime hand uitdeel?Hoofdstuk XI.Vervolg.Vooreerst, wat kan er zoeter of kostbaarder zijn dan het leven zelf? Maar wien heeft men toch, alles welbeschouwd, den oorsprong hiervan te danken, behalve aan mij? Want evenmin de speer van de uit een geweldigen vader gesproten Pallas1, als de Aegis2van den wolkendrijvenden Jupiter brengt of plant het menschelijk geslacht voort, maar de vader der Goden en de koning der menschen zelf, die door den wenk zijner oogen den geheelen Olympus doet sidderen, moet dien drieflitsigen bliksem uit de hand leggen en dat barsche gezicht, waarmede hij, als ’t hem lust, alle goden verschrikt in een andere plooi zetten, ja, de armzalige moet als een tooneelspelerzich geheel anders voordoen, wanneer hij soms dat wil verrichten, wat hij eeuwig doet, namelijk kinderen verwekken. Daar hebt ge de Stoïcijnen3, die zich zelf het dichtst bij de Goden achten. Maar wijst mij nu eens een van hen, die drie- of viermaal of, zoo ge wilt, duizendmaal Stoïcijn is: hij moet toch ook, zooal niet zijn baard, het teeken zijner wijsheid, ofschoon hij dien met de bokken gemeen heeft, in allen gevalle zijn laatdunkendheid afleggen, zijn voorhoofd ontrimpelen en zijn bekende onwrikbare stellingen eenigen tijd plaats doen maken voor allerlei zotternijen en dolheden. Kortom, mij, mij, zeg ik, moet die wijze ontbieden, als hij tenminste vader wil worden. En waarom zou ik niet op mijn gewonen trant rondborstiger voor u spreken? Eilieve, brengen het hoofd, het gezicht, de borst, de hand, het oor, de zoogenaamde fatsoenlijke lichaamsdeelen, Goden of menschen voort? Neen, zou ik meenen: veeleer plant het deel, dat zoo dwaas en zoo belachelijk is, dat men het zelfs niet zonder lachen kan noemen, het menschelijk geslacht voort. Dat is die gewijde bron, waaruit al het bestaande zijn oorsprong ontleent, veeleer dan aan het bekende heilige viertal van Pythagoras4. Welke man ter wereld, vraag ik U verder bij al wat U heilig is, zou gewillig het huwelijksjuk op zich nemen, indien hij, zooals de wijzen onder U plegen te doen, eerst de ongemakken van dat leven bij zich zelf had overwogen, of welke vrouw zou zich toch wel met een man inlaten, indien zij de gevaren en bezwaren der bevalling, indien zij den last der opvoeding of kende of bedacht? Voorts ziet gij nu wel in, dat, als gij het leven aan de huwelijken en het huwelijk aan Onverstand, mijn gezellin, schuldig zijt, welke verplichtingen gij ongetwijfeld aan mij hebt. Welke vrouw, die dit eenmaal ondervonden had, zou zich opnieuw hieraan willen wagen, als haar de Vergetelheidniet met haar macht ter zijde stond? Immers Venus zelf, zou, trots de luide verzekering van Lucretius5, het nooit kunnen loochenen, dat zonder de hulp van onze goddelijke macht haar invloed ontoereikend en ijdel is. Zoo ontstaan uit dit mijn kluchtig dronkenmansspel zoowel de laatdunkende wijsgeeren, wier plaats nu de door den grooten hoop zoo genoemde monniken hebben ingenomen, als de in het purper gedoste koningen en de vrome priesters en de driewerf heilige pausen. Ten slotte ook die geheele schaar van dichterlijke goden, zoo talrijk, dat de Olympus zelf, hoe ruim ook, allen ter nauwernood meer kan bevatten.1De godin Pallas Athene zou uit het hoofd van Jupiter geboren zijn, zie hoofdst. LIII op het eind.2Soort van schild, dat Jupiter zwaait, als hij onweder wil verwekken.3Strenge wijsgeeren.4Grieksch wijsgeer, geb. ± 580 v. Chr. Het getal 4 was volgens hem de wortel en bron van alle dingen; zie A. Pierson, Hellas II, p. 7 “De dingen zijn niet eerst, zoodat het cijfer eenvoudig uitdrukt, wat of hoe zij zijn; omgekeerd: het een of ander ontstaat, omdat het cijfer, de orde, omdat de evenredigheid er is.”5Romeinsch dichter, 96–50 v. Chr.; begint zijn leerdicht over de Natuur met de aanroeping van Venus, aan wie alles, wat op aarde leeft, zijn ontstaan te danken heeft.Hoofdstuk XII.Vervolg.Maar het zou waarlijk weinig beteekenen, dat men den oorsprong en de bron van het leven aan mij te danken heeft, als ik niet tevens aantoon, dat alle levensgenot zonder eenige uitzondering een gave van mij is. Wat dunkt U, zou dit leven wel in eenig opzicht leven mogen heeten, zoo men het genot er uit wegneemt?Ik hoorde uw toejuichingen en ik wist dan ook wel, dat niemand uwer zoo wijs, of veeleer zoo onwijs, neen toch liever zoo wijs1was, dat hij dit gevoelen was toegedaan. En toch versmaden zelfs de Stoïcijnen het genot niet, alhoewel zij met alle macht het tegendeel beweren en bij den grooten hoop daartegen uitvaren en tieren, natuurlijk met het doel om anderen daarvan af te schrikken en het zelf in ruimere mate te kunnen smaken.Maar bij den hemel, laten zij mij dan eens zeggen, welk tijdperk des levens is toch wel niet somber, nietgeesteloos, niet onbehagelijk, niet smakeloos, niet verdrietig, als men het genot, d.i. de kruiderij der zotheid, er niet bijvoegt? Zeker, ik zou kunnen volstaan met hiervoor de getuigenis van den nooit volprezen Sophocles2aan te voeren, van wien deze schoone lofspraak op ons bestaat:”In ’t onverstand alleen ligt ’s levens hoogst genot,”maar ik wil toch liever met U het geheel in al zijn bijzonderheden beschouwen.1“Wijs” is voor de Zotheid onwijs en omgekeerd.2Grieksch treurspeldichter, 497–406 v. Chr.Hoofdstuk XIII.Kindsheid en ouderdom zijn met de Zotheid ten nauwste verwant.Vooreerst dan, wie weet niet, dat de eerste levensjaren van den mensch verreweg het vroolijkst zijn en verreweg bij allen het meest in de gunst staan? Want hetgeen wij in de kleine kinderen zoo kussen, zoo omhelzen en zoo troetelen, dat zelfs een vijand dezen leeftijd te hulp komt, is zeker niets anders dan het bekoorlijke der zotheid, dat de verstandige natuur met opzet aan de pas geborenen geschonken heeft om hen in staat te stellen door een soort van vergoeding, bestaande in genot, zoowel al het lastige hunner opvoeding te verzachten, als gunsten van hun beschermers af te vleien.Hoe geniet verder dejongelingsleeftijd, die hierop volgt, alle gunst, hoe zijn allen dezen van harte genegen, met welk een ijver helpen zij hem vooruit,hoe vriendelijk reiken zij hem de behulpzame hand! Maar waaraan, bid ik u, heeft de jeugd dit hulpbetoon te danken? Waaraan behalve aan mij? Door mijn goedertierenheid is zij zoo weinig mogelijk wijs en ergert zij zich daarom aan niets ter wereld. Het is toch maar al te waar, dat weldra, als zij op volwassen leeftijd door ondervinding en wetenschappelijk onderwijs eenigszins mannen in het verstand beginnen te zijn, de glans der schoonheid verdooft, de vlugheid vertraagt, het vuur der geestigheid verkoelt, de frissche kracht verslapt. Hoe verder de jeugd zich van mij verwijdert, in die mate leeft zij al minder en minder, totdat de lastige grijsheid komt, die al niet meer alleen bij anderen, maar ook bij zichzelf gehaat is.Zij zou gewis voor geen mensch ter wereld uit te staan zijn, als ik niet weer, uit medelijden met zooveel ellende, bijstand verleende en, evenals de goden bij de dichters aan in stervensnood verkeerende menschen gewoonlijk door de een of andere gedaanteverwisseling te hulp komen, zoo ook ik niet hen, die reeds met het ééne been in het graf staan, weer zooveel mogelijk tot den kinderleeftijd terugbracht. Het volk slaat daarom den spijker op den kop, als het grijsaards “op nieuw kinderen” pleegt te noemen. Vraagt iemand mij voorts, hoe ik deze verandering teweeg breng, dan wil ik zelfs dit niet voor hem verborgen houden. Ik voer hen naar de bron van onze Lethe1, die op de eilanden der gelukzaligen ontspringt—want in de onderwereld stroomt slechts een smal beekje—om daar, na de vergetelheid in lange teugen te hebben ingeslorpt, van alle beslommeringen allengskens verlost, weer jong te worden. “Maar zij zijn de kluts kwijt, zij zijn onwijs,” voert men daartegen aan. Zeker, maar juist hierin bestaat het weer kind worden. Is wel een kind zijn iets anders dan de kluts kwijt, dan onwijs zijn? Trekt ditons niet het allermeest in dien leeftijd aan, dat hij volstrekt geen wijsheid bezit? Wie zou toch een knaap met de wijsheid van een man niet als een wangedrocht verfoeien en vervloeken? Hiermee rijmt ook het algemeen bekende volksgezegde:”Ik hou van ’t jongsken niet, dat wijs is vóór zijn tijd.”Wie zou gemeenschap of omgang willen hebben met een grijsaard, die aan zijn groote ondervinding een even groote geestkracht en scherpheid van oordeel paarde? Dus—dat de grijsaard gek is, heeft hij aan mij te danken, maar mijn gek is althans vrij van die rampzalige zorgen, waardoor de wijze zoo gefolterd wordt. Intusschen is hij geen onaardige drinkebroer. Hij voelt niet die levenszatheid, waartegen een krachtiger leeftijd ternauwernood bestand is. Zoo nu en dan keert hij met den grijsaard van Plautus2tot die drie letters (m-i-n) terug, diep rampzalig, als hij wijs was. Maar intusschen is hij door mijn toedoen gelukkig, intusschen is hij gezien bij zijn vrienden en zelfs een prettige dischgenoot. Immers ook bij Homerus vloeit van Nestors lippen een taal zoeter dan honig, terwijl die van Achilles3bitter is, en bij denzelfden dichter klinken de woorden der op den muur zittende grijsaards zacht en teeder.In dit opzicht winnen zij het zelfs van de kindsheid, die wel aanvallig is, maar de geschiktheid om te spreken mist en hierdoor van het hoogste levensgenot, dat bestaat in het babbelen, verstoken is. Vergeet niet hierbij op te merken, dat de grijsaards meer den omgang met knapen zoeken en de knapen wederkeerig genot vinden in het gezelschap van grijsaards.”Want altijd brengt de God gelijken tot elkaar.”Er bestaat immers tusschen hen geen verschil dan dat de grijsaard wat rimpeliger is en wat meer verjaardagen telt. Overigens—wit haar, een mond zonder tanden,een kleine gestalte, trek in melk, hakkelend spreken, babbelzucht, malligheid, vergeetachtigheid, onbedachtzaamheid, kortom al het overige komt overeen. Hoe dichter zij tot de grijsheid naderen, des te meer beginnen zij ook weer op kinderen te gelijken, totdat zij op de wijze van kinderen, zonder het leven zat te zijn en zonder de nadering des doods te bemerken, het leven verlaten.1De rivier der vergetelheid, die in de onderwereld stroomde. Volgens de Zotheid echter is daar slechts een kleine zijtak te vinden.2Romeinsch blijspeldichter, ± 200 v. Chr.3Bij Homerus is Nestor het voorbeeld van een bezadigd grijsaard, Achilles van een onstuimig jongeling.Hoofdstuk XIV.De Zotheid verlengt de jeugd en weert den ouderdom.Is er nu wel iemand ter wereld, die den moed heeft om deze mijn weldaad met de gedaanteverwisseling der overige goden op één lijn te stellen? Over hetgeen dezen in hun toorn doen, wil ik liever niet spreken, maar wien zij het meest genadig zijn, die plegen zij in een boom, een vogel, een krekel of zelfs in een slang te veranderen: alsof niet juist het sterven hierin bestaat, dat men iets anders wordt. Maar ik verplaats denzelfden mensch weer in het beste en gelukkigste deel zijns levens. Als de stervelingen allen omgang met de wijsheid geheel vermeden en hun leven in onafgebroken verkeer met mij doorbrachten, dan zou er zelfs geen ziekte als de ouderdom bestaan, maar zij zouden het geluk smaken van een eeuwige jeugd. Ziet gij dan niet, dat die sombere zwaarhoofden, die hun leven deels aan wijsgeerige studiën, deels aan ernstige en moeilijke zaken gewijd hebben, meestal, voordat zij geheel volwassen zijn, reeds den last des ouderdoms gevoelen, blijkbaar, omdat zorgen en onafgebroken ernstig nadenken langzaam maar zeker hun geest en hun edelste levenssappen uitputten?Mijn zotten daarentegen zien er vrij vetjes en glimmend uit:1zij zorgen zoo goed voor hun velletje, dat men hen echte varkens uit Acarnanië2noemt, en zij zouden zeker nooit eenig ongemak van den ouden dag bemerken, als zij niet zoo nu en dan door de wijzen werden aangestoken. Zoo waar is het, dat in ’t menschelijk leven niets in alle opzichten gelukkig is. Hierbij komt nog de niet onbelangrijke getuigenis van het volksgezegde, dat de zotheid het eenige middel is zoowel om de vaart van de overigens ijlings voorbij snellende jeugd te vertragen als de vervloekte grijsheid op een verren afstand te houden. Daarom heet het niet zonder goede gronden van de Brabanders in de volkstaal, dat, hoewel bij de andere menschen het verstand met de jaren pleegt te komen, zij, naarmate zij meer den ouderdom naderen, des te zotter worden. En toch is er geen ander volk, dat in den dagelijkschen omgang aardiger is of het onaangename van den ouderdom minder bemerkt. Het naast aan dezen komen, evenals zij het naast bij hen wonen, ook in leefwijze mijn Hollanders; want waarom zou ik hen niet de mijne noemen, wier vereering van mij zoo ver gaat, dat zij daaraan hun gewonen bijnaam te danken hebben en hierover zoo weinig schaamte gevoelen, dat zij zich op niets meer laten voorstaan?3Daar gaan mij nu die gekke menschen bij Medéas, Circés, Venussen, Auroras4en bij de een of andere bron het middel zoeken, dat hun de jeugd zal teruggeven, iets, waartoe ik alleen in staat ben en mij ook gaarne leen. Bij mij is die wonderbalsem te vinden, waardoorMemnons dochter de jeugd van haar grootvader Tithonus5verlengd heeft. Ik ben die Venus, door wier gunst de bekende Phaon weer zoo jong werd, dat Sappho6smoorlijk op hem verliefd werd. Mij behooren die kruiden toe, zoo zij al bestaan, mij de tooverformulieren, mij de bron, die niet alleen de vervlogen jeugd terugroept, maar wat verkieselijker is, haar voor altijd weet te doen blijven. Als gij ’t allen met mij eens zijt, dat er niets beters bestaat dan de bloeitijd des levens en niets verfoeilijkers dan de ouderdom, dan zijt gij, zoo ik goed zie, ook overtuigd van de groote verplichting, die gij aan mij hebt, omdat ik zulk een groot kwaad wist te weren en zulk een goed te behouden.1De dikzak op het prentje houdt een worst in de hand.2Acarnanië, landschap in Griekenland; varken van Acarnanië, spreekwoordelijk voor een mollig, verweekelijkt persoon.3Een oud spreekwoord luidt:“Hoe ouder, hoe zotter Brabander.Hoe ouder, hoe botter Hollander.”De eerste regel komt al voor in den commentaar van Listrius, Erasmus’ tijdgenoot, die tevens verklaart, dat de Hollanders o.a. “wegens den eenvoud van hun karakter” veelal dom werden genoemd.4Tooverheksen en godinnen, die de menschen konden herscheppen en verjongen.5Wat Erasmus hiermee bedoelt, is niet duidelijk. Tithonus, gemaal van Aurora, vader van Memnon, ontving op verzoek van zijn vrouw het eeuwige leven, maar niet de eeuwige jeugd, zoodat hij geheel ineenschrompelde en in een krekel veranderde.6Grootste dichteres van Griekenland, ± 600 v. Chr.

DE LOF DER ZOTHEID.

Voordracht van Erasmus van Rotterdam.

De Zotheid spreekt.

Hoofdstuk I.Alleen door haar aanblik heeft de Zotheid de zorgen van haar toehoorders verjaagd.Hoe de menschen ook gewoonlijk over mij spreken,—en ik weet maar al te goed, in welk een kwaden naam de Zotheid zelfs bij de zotsten staat—beweer ik toch, datikenik alleendoor mijn goddelijke macht Goden en menschen vervroolijk. Hiervan is dit zeker een meer dan voldoend bewijs, dat, zoodra ik voor deze zoo talrijke vergadering was opgetreden om het woord te voeren, eensklaps uw aller aangezichten zoo blonken van een ongekende en ongewone vreugde, dat gij zoo plotseling het voorhoofd ontrimpeldet en mij met zulk een blijden en beminnelijken lach toejuichtet, dat gij allen, die ik hier uit alle hoeken der wereld voor mij zie, waarlijk niemand uitgezonderd, gelijk de Goden bij Homerus, te veel nectar met nepenthes1schijnt gebruikt te hebben, terwijl ge vroegerzoo bedroefd en bekommerd waart neergezeten, alsof ge nog pas uit Trophonius’ hol2waart teruggekomen. Maar ’t gaat hiermede als wanneer de zon het eerst haar schoon en gulden gelaat aan ’t aardrijk vertoont of na een strengen winter de lente opnieuw den zoelen adem der westenwinden brengt: dan verandert aanstonds het voorkomen van alles, dan krijgt alles een nieuwe kleur en een geheel nieuwe jeugd en zoo veranderde ook dadelijk op mijn aanblik uw voorkomen.Daarom heb ik dan ook, hetgeen andere groote redekunstenaars ternauwernood door een lange en langen tijd overpeinsde rede kunnen te weeg brengen, het verdrijven nl. van lastige muizenissen, al aanstonds enkel door mijn gezicht weten te bewerken.1Toovermiddel, dat alle leed deed vergeten.2Orakel in Griekenland. Men geloofde, dat hij, die in dat hol vol verschrikkingen afdaalde, nooit meer lachte.

Hoe de menschen ook gewoonlijk over mij spreken,—en ik weet maar al te goed, in welk een kwaden naam de Zotheid zelfs bij de zotsten staat—beweer ik toch, datikenik alleendoor mijn goddelijke macht Goden en menschen vervroolijk. Hiervan is dit zeker een meer dan voldoend bewijs, dat, zoodra ik voor deze zoo talrijke vergadering was opgetreden om het woord te voeren, eensklaps uw aller aangezichten zoo blonken van een ongekende en ongewone vreugde, dat gij zoo plotseling het voorhoofd ontrimpeldet en mij met zulk een blijden en beminnelijken lach toejuichtet, dat gij allen, die ik hier uit alle hoeken der wereld voor mij zie, waarlijk niemand uitgezonderd, gelijk de Goden bij Homerus, te veel nectar met nepenthes1schijnt gebruikt te hebben, terwijl ge vroegerzoo bedroefd en bekommerd waart neergezeten, alsof ge nog pas uit Trophonius’ hol2waart teruggekomen. Maar ’t gaat hiermede als wanneer de zon het eerst haar schoon en gulden gelaat aan ’t aardrijk vertoont of na een strengen winter de lente opnieuw den zoelen adem der westenwinden brengt: dan verandert aanstonds het voorkomen van alles, dan krijgt alles een nieuwe kleur en een geheel nieuwe jeugd en zoo veranderde ook dadelijk op mijn aanblik uw voorkomen.

Daarom heb ik dan ook, hetgeen andere groote redekunstenaars ternauwernood door een lange en langen tijd overpeinsde rede kunnen te weeg brengen, het verdrijven nl. van lastige muizenissen, al aanstonds enkel door mijn gezicht weten te bewerken.

1Toovermiddel, dat alle leed deed vergeten.2Orakel in Griekenland. Men geloofde, dat hij, die in dat hol vol verschrikkingen afdaalde, nooit meer lachte.

1Toovermiddel, dat alle leed deed vergeten.

2Orakel in Griekenland. Men geloofde, dat hij, die in dat hol vol verschrikkingen afdaalde, nooit meer lachte.

Hoofdstuk II.Onderwerp der voordracht.Waarom ik nu in dezen ongewonen opschik heden voor u opgetreden ben, zult ge spoedig hooren, als gij slechts geen bezwaar maakt ooren te hebben voor mijn spreken, niet, zooals gij die gewoonlijk hebt voor den prediker in de kerk, maar zoo als gij die pleegt op te steken voor marktschreeuwers, paljassen en hansworsten, ooren, zooals onze bekende Midas1ze indertijd voor Pan opzette. Want ik heb lust gekregen voor een poosje bij u den sophist2te spelen, wel niet als een van dat slag, dat heden ten dage der jeugd eenige hoofdbrekendebeuzelingen instampt en een meer dan vrouwelijke stijfkoppigheid in het twisten leeraart, maar ik zal die ouden navolgen, die om den kwalijk klinkenden3naam van Sophen (wijzen) te vermijden, liever Sophisten (wijsmakers) wilden genoemd worden. Hun lust was het den naam van Goden en helden door lofredenen te verheerlijken. Daarom zult ge dan ook een lofrede hooren niet op Hercules, noch op Solon4, maar op mij zelf, de Zotheid.1Koning Midas stelde het ruwe fluitspel van den god Pan boven het citherspel van Apollo. Tot straf veranderde de laatste zijn ooren in die van een ezel.2Bij de Grieken een rondreizend, voor geld onderwijs gevend geleerde. De sophist op het prentje zoekt voorzichtig zijn weg tusschen doornen (= spitsvondigheden); vergel. begin v. hoofdst. LXIII.3Natuurlijk in de ooren der Zotheid.4Atheensch wetgever, ± 600 v. Chr.

Waarom ik nu in dezen ongewonen opschik heden voor u opgetreden ben, zult ge spoedig hooren, als gij slechts geen bezwaar maakt ooren te hebben voor mijn spreken, niet, zooals gij die gewoonlijk hebt voor den prediker in de kerk, maar zoo als gij die pleegt op te steken voor marktschreeuwers, paljassen en hansworsten, ooren, zooals onze bekende Midas1ze indertijd voor Pan opzette. Want ik heb lust gekregen voor een poosje bij u den sophist2te spelen, wel niet als een van dat slag, dat heden ten dage der jeugd eenige hoofdbrekendebeuzelingen instampt en een meer dan vrouwelijke stijfkoppigheid in het twisten leeraart, maar ik zal die ouden navolgen, die om den kwalijk klinkenden3naam van Sophen (wijzen) te vermijden, liever Sophisten (wijsmakers) wilden genoemd worden. Hun lust was het den naam van Goden en helden door lofredenen te verheerlijken. Daarom zult ge dan ook een lofrede hooren niet op Hercules, noch op Solon4, maar op mij zelf, de Zotheid.

1Koning Midas stelde het ruwe fluitspel van den god Pan boven het citherspel van Apollo. Tot straf veranderde de laatste zijn ooren in die van een ezel.2Bij de Grieken een rondreizend, voor geld onderwijs gevend geleerde. De sophist op het prentje zoekt voorzichtig zijn weg tusschen doornen (= spitsvondigheden); vergel. begin v. hoofdst. LXIII.3Natuurlijk in de ooren der Zotheid.4Atheensch wetgever, ± 600 v. Chr.

1Koning Midas stelde het ruwe fluitspel van den god Pan boven het citherspel van Apollo. Tot straf veranderde de laatste zijn ooren in die van een ezel.

2Bij de Grieken een rondreizend, voor geld onderwijs gevend geleerde. De sophist op het prentje zoekt voorzichtig zijn weg tusschen doornen (= spitsvondigheden); vergel. begin v. hoofdst. LXIII.

3Natuurlijk in de ooren der Zotheid.

4Atheensch wetgever, ± 600 v. Chr.

Hoofdstuk III.Waarom de Zotheid zichzelf prijst.Al aanstonds dit: ik stoor mij volstrekt niet aan die wijzen, die, zoo iemand zichzelf ophemelt, hem een grooten zotskap en een onbeschaamden rekel noemen. Het moge, volgens hen, zoo zot mogelijk zijn—zij moeten toegeven, dat het betamelijk is. Want wat is gepaster dan dat de Zotheid zelf de loftrompet over zichzelf steekt? Niemand kan immers een sprekender beeld van mij geven dan ik zelf—of ik moest soms aan een ander beter bekend zijn dan aan mij zelf. Toch acht ik dit overigens zelfs niet weinig zediger dan hetgeen het gros der aanzienlijken en wijzen pleegt te doen, die uit een soort van valsche schaamte of een vleienden redekunstenaar of een zot klappenden dichter in ’t geheim daartoe plegen aan te sporen en hem voor een zeker loon huren om uit zijn mond hun lof of, wat op hetzelfde neerkomt, klinkklare leugens te hooren. Die beschroomde man zet evenwel als een pauw zijn staart op en draagt den kam hoog, wanneer die onbeschaamde vleier een nieteling, als hij is, aan de Goden gelijk stelt; wanneer hij hem voor een volmaakt toonbeeld van alle deugden doet doorgaan, alhoewelde geprezene weet, dat hij er hemelsbreed van verschilt; wanneer hij een kraai bekleedt met vreemde veeren; wanneer hij den moriaan schoon wascht, kortom als hij van een mug een olifant maakt. Ten slotte houd ik mij aan het oude volksgezegde, dat hij, die door geen ander geprezen wordt, gelijk heeft, als hij zich zelf prijst. Intusschen kan ik in dezen niet nalaten mij te verwonderen—moet ik het aan de ondankbaarheid of aan de traagheid der menschen toeschrijven?—dat, alhoewel allen zonder onderscheid veel werk van mij maken en gaarne mijn gaven genieten, er in den loop van zooveel eeuwen niemand is opgestaan, die in woorden vol dankbaarheid den lof der Zotheid verkondigde, ofschoon het niet ontbroken heeft aan hen, die in zorgvuldig, met opoffering van veel olie en slaap bewerkte verhandelingen mannen als Busiris en Phalaris1, of de derdendaagsche koorts, vliegen, kaalhoofdigheid en zulke ellendige dingen meer verheerlijkten. Van mij zult gij een rede hooren, die wel voor de vuist gehouden wordt en waaraan hierom niet veel tijd is besteed, maar die in des te grooter mate de deugd der waarheid bezit.1Tyran op Sicilië, om zijn wreedheid berucht, regeerde 568–549 v. Chr.

Al aanstonds dit: ik stoor mij volstrekt niet aan die wijzen, die, zoo iemand zichzelf ophemelt, hem een grooten zotskap en een onbeschaamden rekel noemen. Het moge, volgens hen, zoo zot mogelijk zijn—zij moeten toegeven, dat het betamelijk is. Want wat is gepaster dan dat de Zotheid zelf de loftrompet over zichzelf steekt? Niemand kan immers een sprekender beeld van mij geven dan ik zelf—of ik moest soms aan een ander beter bekend zijn dan aan mij zelf. Toch acht ik dit overigens zelfs niet weinig zediger dan hetgeen het gros der aanzienlijken en wijzen pleegt te doen, die uit een soort van valsche schaamte of een vleienden redekunstenaar of een zot klappenden dichter in ’t geheim daartoe plegen aan te sporen en hem voor een zeker loon huren om uit zijn mond hun lof of, wat op hetzelfde neerkomt, klinkklare leugens te hooren. Die beschroomde man zet evenwel als een pauw zijn staart op en draagt den kam hoog, wanneer die onbeschaamde vleier een nieteling, als hij is, aan de Goden gelijk stelt; wanneer hij hem voor een volmaakt toonbeeld van alle deugden doet doorgaan, alhoewelde geprezene weet, dat hij er hemelsbreed van verschilt; wanneer hij een kraai bekleedt met vreemde veeren; wanneer hij den moriaan schoon wascht, kortom als hij van een mug een olifant maakt. Ten slotte houd ik mij aan het oude volksgezegde, dat hij, die door geen ander geprezen wordt, gelijk heeft, als hij zich zelf prijst. Intusschen kan ik in dezen niet nalaten mij te verwonderen—moet ik het aan de ondankbaarheid of aan de traagheid der menschen toeschrijven?—dat, alhoewel allen zonder onderscheid veel werk van mij maken en gaarne mijn gaven genieten, er in den loop van zooveel eeuwen niemand is opgestaan, die in woorden vol dankbaarheid den lof der Zotheid verkondigde, ofschoon het niet ontbroken heeft aan hen, die in zorgvuldig, met opoffering van veel olie en slaap bewerkte verhandelingen mannen als Busiris en Phalaris1, of de derdendaagsche koorts, vliegen, kaalhoofdigheid en zulke ellendige dingen meer verheerlijkten. Van mij zult gij een rede hooren, die wel voor de vuist gehouden wordt en waaraan hierom niet veel tijd is besteed, maar die in des te grooter mate de deugd der waarheid bezit.

1Tyran op Sicilië, om zijn wreedheid berucht, regeerde 568–549 v. Chr.

1Tyran op Sicilië, om zijn wreedheid berucht, regeerde 568–549 v. Chr.

Hoofdstuk IV.Waarom zij voor de vuist spreekt.Het zou mij spijten, als gij dacht, dat ik dit verzonnen heb om met mijn vernuft te pronken, zooals het gros der redenaars dit pleegt te doen. Want wanneer zij, zooals U bekend is, met een rede voor den dag komen, waaraan zij dertig jaar lang bloedig gearbeid hebben en die soms nog het werk van anderen is, dan zweren zij desniettemin bij hoog en laag, dat zij haar in drie dagen uit de losse hand op het papier geworpenof ook een ander in de pen gegeven hebben. Mijn lust en leven was het voorts altijd alles te zeggen, wat mij maar voor den mond kwam. Maar niemand verwachte nu van mij, dat ik in den trant van die gewone leeraars in de redekunst door een bepaling tracht duidelijk te maken, wie ik zelf ben, en nog veel minder, dat ik mij verder met verdeelingen zal ophouden. Want het zou even weinig goeds voorspellen, wilde men haar, wier goddelijke macht zich zoo ver uitstrekt, binnen zekere grenzen beperken, als wanneer men háár in deelen splitste, die door de geheele wereld zoo eenstemmig vereerd wordt. En wat nut zou het dan ook hebben door een bepaling U als het ware een schaduwbeeld voor oogen te stellen, daar gij mij thans van aangezicht tot aangezicht aanschouwt? Want ik ben, zooals ge ziet, die ware schenkster van alle goede dingen, welke de Latijnen Stultitia en de Grieken Moria noemen.

Het zou mij spijten, als gij dacht, dat ik dit verzonnen heb om met mijn vernuft te pronken, zooals het gros der redenaars dit pleegt te doen. Want wanneer zij, zooals U bekend is, met een rede voor den dag komen, waaraan zij dertig jaar lang bloedig gearbeid hebben en die soms nog het werk van anderen is, dan zweren zij desniettemin bij hoog en laag, dat zij haar in drie dagen uit de losse hand op het papier geworpenof ook een ander in de pen gegeven hebben. Mijn lust en leven was het voorts altijd alles te zeggen, wat mij maar voor den mond kwam. Maar niemand verwachte nu van mij, dat ik in den trant van die gewone leeraars in de redekunst door een bepaling tracht duidelijk te maken, wie ik zelf ben, en nog veel minder, dat ik mij verder met verdeelingen zal ophouden. Want het zou even weinig goeds voorspellen, wilde men haar, wier goddelijke macht zich zoo ver uitstrekt, binnen zekere grenzen beperken, als wanneer men háár in deelen splitste, die door de geheele wereld zoo eenstemmig vereerd wordt. En wat nut zou het dan ook hebben door een bepaling U als het ware een schaduwbeeld voor oogen te stellen, daar gij mij thans van aangezicht tot aangezicht aanschouwt? Want ik ben, zooals ge ziet, die ware schenkster van alle goede dingen, welke de Latijnen Stultitia en de Grieken Moria noemen.

Hoofdstuk V.De Zotheid verraadt zichzelf terstond.Waarom behoefde ik dit zelfs nog te vermelden? Alsof ’t niet, zooals men pleegt te zeggen, met zooveel letters op mijn voorhoofd geschreven staat, wie ik ben en alsof, zoo iemand mocht beweren, dat ik een Minerva of een Sophia (wijsheid) ben, hij niet al aanstonds enkel door mij aan te zien van het tegendeel zou overtuigd worden, ook al kwam hem daarbij mijn taal, waarin zich een zuiver beeld van mijn geest weerspiegelt, niet te hulp. Ik blanket mij nooit en mijn voorhoofd vertoont niets anders dan hetgeen in ’t diepste van mijn hart woont: aan alle kanten gelijk ik volkomen op mij zelf, zoodat zelfs zij mijn aanwezigheid niet kunnen ontveinzen, die voor zich bovenal aanspraak maken opden titel van wijzen en als apen het purper en als ezels in de leeuwenhuid rondwandelen.1Hoe zorgvuldig zij zich ook vermommen, komen toch ergens de ooren voor den dag en verraden den Midas. Waarachtig, ook dit slag van menschen is ondankbaar, want, hoezeer zij in de eerste plaats tot ons volkje behooren, schamen zij zich toch bij den grooten hoop zoozeer over onzen naam, dat zij dien niet zelden anderen als een erg scheldwoord naar ’t hoofd werpen. Zijn wij daarom niet volkomen in ons recht, als wij die luidjes, die, ofschoon zij de grootste zotten (Moren) zijn, voor de grootste wijzen (Sophen) willen doorgaan, Morosophen (zotwijzen) noemen?1Het deftige personage op het prentje (een raadsheer of iets dergelijks) kan niet nalaten naar het aardige meisje om te kijken, zoodat hij in een mand met koopwaar trapt.

Waarom behoefde ik dit zelfs nog te vermelden? Alsof ’t niet, zooals men pleegt te zeggen, met zooveel letters op mijn voorhoofd geschreven staat, wie ik ben en alsof, zoo iemand mocht beweren, dat ik een Minerva of een Sophia (wijsheid) ben, hij niet al aanstonds enkel door mij aan te zien van het tegendeel zou overtuigd worden, ook al kwam hem daarbij mijn taal, waarin zich een zuiver beeld van mijn geest weerspiegelt, niet te hulp. Ik blanket mij nooit en mijn voorhoofd vertoont niets anders dan hetgeen in ’t diepste van mijn hart woont: aan alle kanten gelijk ik volkomen op mij zelf, zoodat zelfs zij mijn aanwezigheid niet kunnen ontveinzen, die voor zich bovenal aanspraak maken opden titel van wijzen en als apen het purper en als ezels in de leeuwenhuid rondwandelen.1

Hoe zorgvuldig zij zich ook vermommen, komen toch ergens de ooren voor den dag en verraden den Midas. Waarachtig, ook dit slag van menschen is ondankbaar, want, hoezeer zij in de eerste plaats tot ons volkje behooren, schamen zij zich toch bij den grooten hoop zoozeer over onzen naam, dat zij dien niet zelden anderen als een erg scheldwoord naar ’t hoofd werpen. Zijn wij daarom niet volkomen in ons recht, als wij die luidjes, die, ofschoon zij de grootste zotten (Moren) zijn, voor de grootste wijzen (Sophen) willen doorgaan, Morosophen (zotwijzen) noemen?

1Het deftige personage op het prentje (een raadsheer of iets dergelijks) kan niet nalaten naar het aardige meisje om te kijken, zoodat hij in een mand met koopwaar trapt.

1Het deftige personage op het prentje (een raadsheer of iets dergelijks) kan niet nalaten naar het aardige meisje om te kijken, zoodat hij in een mand met koopwaar trapt.

Hoofdstuk VI.Navolging der redekunstenaars.Want ik heb besloten ook in dit opzicht de redekunstenaars van onze dagen na te volgen, die zich voor volslagen Goden houden, wanneer zij, als de bloedzuigers, blijken tweetongig te zijn, en het als een meesterstuk beschouwen in Latijnsche redevoeringen hier en daar eenige Grieksche woordjes1als een soort van mozaiek in te voegen, ook al zijn deze daar zeer slecht op hun plaats. Ontbreekt het hun verder aan zulke uitheemsche uitdrukkingen, dan halen zij uit beschimmelde papieren vier of vijf oude woorden voor den dag om zoo hun lezers het hoofd te doen draaien, opdat namelijk zij, die ze begrijpen zichzelf al meer en meer behagen, doch zij, die ze niet verstaan, zich daarover te meer verbazen, naarmate zij er minder begrip van hebben.Immers ook dit behoort zeker tot de niet onaardige genietingen van onze volgelingen, voor het meest uitheemsche den meesten eerbied te koesteren. Mogen al eenigen een weinig eerzuchtiger zijn, zij moeten toch maar door lachen en handgeklap hun goedkeuring te kennen geven en op ’t voorbeeld der ezels de ooren bewegen, om anderen in de meening te brengen, dat zij alles goed verstaan.Maar genoeg hiervan. Ik haast mij nu tot mijn onderwerp terug te keeren.1Hiermee worden natuurlijk de woorden “Moren, Sophen, Morosophen” uit het vorige hoofdstuk bedoeld.

Want ik heb besloten ook in dit opzicht de redekunstenaars van onze dagen na te volgen, die zich voor volslagen Goden houden, wanneer zij, als de bloedzuigers, blijken tweetongig te zijn, en het als een meesterstuk beschouwen in Latijnsche redevoeringen hier en daar eenige Grieksche woordjes1als een soort van mozaiek in te voegen, ook al zijn deze daar zeer slecht op hun plaats. Ontbreekt het hun verder aan zulke uitheemsche uitdrukkingen, dan halen zij uit beschimmelde papieren vier of vijf oude woorden voor den dag om zoo hun lezers het hoofd te doen draaien, opdat namelijk zij, die ze begrijpen zichzelf al meer en meer behagen, doch zij, die ze niet verstaan, zich daarover te meer verbazen, naarmate zij er minder begrip van hebben.

Immers ook dit behoort zeker tot de niet onaardige genietingen van onze volgelingen, voor het meest uitheemsche den meesten eerbied te koesteren. Mogen al eenigen een weinig eerzuchtiger zijn, zij moeten toch maar door lachen en handgeklap hun goedkeuring te kennen geven en op ’t voorbeeld der ezels de ooren bewegen, om anderen in de meening te brengen, dat zij alles goed verstaan.

Maar genoeg hiervan. Ik haast mij nu tot mijn onderwerp terug te keeren.

1Hiermee worden natuurlijk de woorden “Moren, Sophen, Morosophen” uit het vorige hoofdstuk bedoeld.

1Hiermee worden natuurlijk de woorden “Moren, Sophen, Morosophen” uit het vorige hoofdstuk bedoeld.

Hoofdstuk VII.Afkomst der Zotheid.Gij kent dus mijn naam, gij—hoe zal ik U anders betitelen dan, gij groote zotten? De Godin Zotheidkan haar ingewijden immers geen vereerender naam geven dan dezen? Maar omdat allen niet evenzeer met mijn afkomst bekend zijn, wil ik U al aanstonds met behulp der Muzen op de hoogte daarvan brengen. Mijn vader was evenmin Chaos als Orcus1of Saturnus2of Japetus3of eenig ander van dat slag van versleten en versmeten Goden, maar Plutus4, hij alleen, de vader van menschen zoowel als van Goden5, ook al mogen Hesiodus6en Homerus en zelfs Jupiter dit ontkennen. Door zijn wenk alleen wordt, evenals vroeger, zoo ook nu nog al het heilige en onheilige, hemel en aarde dooreengemengd. Zijn willekeur bestiert alles, oorlog en vrede, bevelhebberschappen en raadszittingen, rechtspraak en volksvergadering, huwelijken, verdragen, verbonden, wetten, kunsten en wetenschappen, ernst en scherts, kortom—de adem begeeft mij reeds—alle openbare en bijzondere zaken der menschen. Zonder zijn hulp zou die geheele bent van dichterlijke Godheden, of laat ik het stouter uitdrukken, zou ook die uitverkorenen kring van Goden òf in ’t geheel niet bestaan, òf in allen gevalle altijd thuis een eenvoudig maaltje hebben en zoo een hoogst armzalig leventje leiden.7Al wie hem tegen zich heeft, zal bij Pallas zelfs geen voldoenden steun vinden, maar wien hij genadig is, die kan zelfs den hoogsten Jupiter met zijn bliksem naar den duivel wenschen. Op het bezit van zulk een vader beroem ik mij! En hij heeft mij niet uit zijn hersenpan doen voortkomen, zooals Jupiter die norsche en kribbebijtrige Pallas, maar hij verwekte mij bij een alleraardigste en allergeestigste Nymf, Jonkheid genaamd, en hij had zich aan haar niet verbonden door een vervelenden huwelijksband—ge weet, dat zoo die manke smid (Vulcanus) geboren werd—maar, wat wel zoo aangenaam is, hij was met haar in liefde vereenigd, zooalsonze Homerus zegt. Maar gij moet niet denken, dat ik het leven te danken heb aan dien afgeleefden en blinden Plutus van Aristophanes, neen, hij werd mijn vader, toen hij nog in de kracht van ’t leven was en gloeide niet alleen van het vuur der jeugd, maar nog veel meer van den nectar, dien hij op een godenmaal wat al te ruim en al te sterk gedronken had.1Onderwereld of god van de onderwereld.2Vader der voornaamste goden.3Vader o.a. van den bekenden Prometheus.4Rijkdom, dien o.a. de Atheensche blijspeldichter Aristophanes (± 400 v. Chr.) als god ten tooneele voert.5Gewoonlijk wordt Jupiter zoo genoemd.6Naast Homerus de voornaamste epische dichter der Grieken, ± 800 v. Chr.7Immers arme lieden zijn niet in staat goden tot een offermaal uit te noodigen.

Gij kent dus mijn naam, gij—hoe zal ik U anders betitelen dan, gij groote zotten? De Godin Zotheidkan haar ingewijden immers geen vereerender naam geven dan dezen? Maar omdat allen niet evenzeer met mijn afkomst bekend zijn, wil ik U al aanstonds met behulp der Muzen op de hoogte daarvan brengen. Mijn vader was evenmin Chaos als Orcus1of Saturnus2of Japetus3of eenig ander van dat slag van versleten en versmeten Goden, maar Plutus4, hij alleen, de vader van menschen zoowel als van Goden5, ook al mogen Hesiodus6en Homerus en zelfs Jupiter dit ontkennen. Door zijn wenk alleen wordt, evenals vroeger, zoo ook nu nog al het heilige en onheilige, hemel en aarde dooreengemengd. Zijn willekeur bestiert alles, oorlog en vrede, bevelhebberschappen en raadszittingen, rechtspraak en volksvergadering, huwelijken, verdragen, verbonden, wetten, kunsten en wetenschappen, ernst en scherts, kortom—de adem begeeft mij reeds—alle openbare en bijzondere zaken der menschen. Zonder zijn hulp zou die geheele bent van dichterlijke Godheden, of laat ik het stouter uitdrukken, zou ook die uitverkorenen kring van Goden òf in ’t geheel niet bestaan, òf in allen gevalle altijd thuis een eenvoudig maaltje hebben en zoo een hoogst armzalig leventje leiden.7Al wie hem tegen zich heeft, zal bij Pallas zelfs geen voldoenden steun vinden, maar wien hij genadig is, die kan zelfs den hoogsten Jupiter met zijn bliksem naar den duivel wenschen. Op het bezit van zulk een vader beroem ik mij! En hij heeft mij niet uit zijn hersenpan doen voortkomen, zooals Jupiter die norsche en kribbebijtrige Pallas, maar hij verwekte mij bij een alleraardigste en allergeestigste Nymf, Jonkheid genaamd, en hij had zich aan haar niet verbonden door een vervelenden huwelijksband—ge weet, dat zoo die manke smid (Vulcanus) geboren werd—maar, wat wel zoo aangenaam is, hij was met haar in liefde vereenigd, zooalsonze Homerus zegt. Maar gij moet niet denken, dat ik het leven te danken heb aan dien afgeleefden en blinden Plutus van Aristophanes, neen, hij werd mijn vader, toen hij nog in de kracht van ’t leven was en gloeide niet alleen van het vuur der jeugd, maar nog veel meer van den nectar, dien hij op een godenmaal wat al te ruim en al te sterk gedronken had.

1Onderwereld of god van de onderwereld.2Vader der voornaamste goden.3Vader o.a. van den bekenden Prometheus.4Rijkdom, dien o.a. de Atheensche blijspeldichter Aristophanes (± 400 v. Chr.) als god ten tooneele voert.5Gewoonlijk wordt Jupiter zoo genoemd.6Naast Homerus de voornaamste epische dichter der Grieken, ± 800 v. Chr.7Immers arme lieden zijn niet in staat goden tot een offermaal uit te noodigen.

1Onderwereld of god van de onderwereld.

2Vader der voornaamste goden.

3Vader o.a. van den bekenden Prometheus.

4Rijkdom, dien o.a. de Atheensche blijspeldichter Aristophanes (± 400 v. Chr.) als god ten tooneele voert.

5Gewoonlijk wordt Jupiter zoo genoemd.

6Naast Homerus de voornaamste epische dichter der Grieken, ± 800 v. Chr.

7Immers arme lieden zijn niet in staat goden tot een offermaal uit te noodigen.

Hoofdstuk VIII.Haar geboorteplaats en voedsters.Vraagt gij soms ook naar mijn geboorteplaats—men meent immers heden ten dage, dat het voor iemands aanzien een hoogst belangrijk verschil maakt, op welke plaats hij het eerst zijn gekrijt heeft laten hooren—ik zag noch op het ronddrijvende eiland Delos1, noch in de golvende zee2, noch in een holle grot het eerste levenslicht, maar op de eilanden der gelukzaligen, waar zonder zaaien noch ploegen alles wast, waar men geen moeite noch ouderdom, noch ziekte kent, noch ergens op het veld asfodil, malve, ajuin, lupinen of boonen of ander dergelijk gemeen gewas wordt aangetroffen, maar overal oog en neus gestreeld worden door moly, panacee, nepenthe3, magolijn, ambrozijn4, lotus, rozen, violen, hyacinthen en andere planten van sieraad en genot.Te midden van al deze heerlijkheden geboren,begon ik mijn leven geenszins met gekrijt, maar had ik voor mijn moeder dadelijk een lachje ten beste. Er bestaat ook voor mij volstrekt geen reden den hoogen zoon van Kronos5zijn voedster, de geit, te benijden, omdat mij twee alleraardigste nymfen gezoogd hebben, Methe6, een dochter van Bacchus, en Apaedia7, een dochter van Pan8, die gij hier ook als gezellin in het gevolg mijner overige dienaressen ziet. Haar namen zult gij, als het uw verlangen is die te leeren kennen, van mij alleen in het Grieksch hooren.1Eiland tusschen Griekenland en Klein-Azië.2Op Delos werden Apollo en Diana, uit de zee Venus geboren.3Deze drie kruiden bezaten volgens de ouden heilzame kracht.4Godenspijs.5Jupiter wordt bedoeld, die gezoogd zou zijn door de geit Amalthea.6Dronkenschap.7Onwetendheid.8Herdersgod met bokspooten, zinnelijk en boersch van karakter.

Vraagt gij soms ook naar mijn geboorteplaats—men meent immers heden ten dage, dat het voor iemands aanzien een hoogst belangrijk verschil maakt, op welke plaats hij het eerst zijn gekrijt heeft laten hooren—ik zag noch op het ronddrijvende eiland Delos1, noch in de golvende zee2, noch in een holle grot het eerste levenslicht, maar op de eilanden der gelukzaligen, waar zonder zaaien noch ploegen alles wast, waar men geen moeite noch ouderdom, noch ziekte kent, noch ergens op het veld asfodil, malve, ajuin, lupinen of boonen of ander dergelijk gemeen gewas wordt aangetroffen, maar overal oog en neus gestreeld worden door moly, panacee, nepenthe3, magolijn, ambrozijn4, lotus, rozen, violen, hyacinthen en andere planten van sieraad en genot.

Te midden van al deze heerlijkheden geboren,begon ik mijn leven geenszins met gekrijt, maar had ik voor mijn moeder dadelijk een lachje ten beste. Er bestaat ook voor mij volstrekt geen reden den hoogen zoon van Kronos5zijn voedster, de geit, te benijden, omdat mij twee alleraardigste nymfen gezoogd hebben, Methe6, een dochter van Bacchus, en Apaedia7, een dochter van Pan8, die gij hier ook als gezellin in het gevolg mijner overige dienaressen ziet. Haar namen zult gij, als het uw verlangen is die te leeren kennen, van mij alleen in het Grieksch hooren.

1Eiland tusschen Griekenland en Klein-Azië.2Op Delos werden Apollo en Diana, uit de zee Venus geboren.3Deze drie kruiden bezaten volgens de ouden heilzame kracht.4Godenspijs.5Jupiter wordt bedoeld, die gezoogd zou zijn door de geit Amalthea.6Dronkenschap.7Onwetendheid.8Herdersgod met bokspooten, zinnelijk en boersch van karakter.

1Eiland tusschen Griekenland en Klein-Azië.

2Op Delos werden Apollo en Diana, uit de zee Venus geboren.

3Deze drie kruiden bezaten volgens de ouden heilzame kracht.

4Godenspijs.

5Jupiter wordt bedoeld, die gezoogd zou zijn door de geit Amalthea.

6Dronkenschap.

7Onwetendheid.

8Herdersgod met bokspooten, zinnelijk en boersch van karakter.

Hoofdstuk IX.Haar gevolg.Deze dan, die ge daar ziet met haar hoog opgetrokken wenkbrauwen, heet Philautia (Eigenliefde); deze, die U, als ge haar aanziet, met de oogen schijnt toe te lachen en met handgeklap toe te juichen, heet Kolakia (Vleierij). Zij, met haar soezerig en slaperig gezicht, draagt den naam Lethe (Vergeetachtigheid); deze, leunende op haar ellebogen met haar samengevouwen handen, noemt men Misoponia (Werkschuwheid); deze, met rozen omkranst en geheel geparfumeerd, Hedone (Genotzucht); deze met haar zwemmende en her- en derwaarts zwervende oogen, heet Anoia (Onverstand). Deze, met haar glimmend vel en goedgevoed lichaam, draagt den naam Tryphe (Weelderigheid).Gij ziet onder de meisjes ook twee goden: de een van dezen heet Komos (Drinkgelag), de ander Negretos Hupnos (Vaste Slaap). Met de getrouwe hulp dezer schaar van dienaars onderwerp ik de geheele wereld aan mijn macht en heersch ik zelfs over de machtigste heerschers.

Deze dan, die ge daar ziet met haar hoog opgetrokken wenkbrauwen, heet Philautia (Eigenliefde); deze, die U, als ge haar aanziet, met de oogen schijnt toe te lachen en met handgeklap toe te juichen, heet Kolakia (Vleierij). Zij, met haar soezerig en slaperig gezicht, draagt den naam Lethe (Vergeetachtigheid); deze, leunende op haar ellebogen met haar samengevouwen handen, noemt men Misoponia (Werkschuwheid); deze, met rozen omkranst en geheel geparfumeerd, Hedone (Genotzucht); deze met haar zwemmende en her- en derwaarts zwervende oogen, heet Anoia (Onverstand). Deze, met haar glimmend vel en goedgevoed lichaam, draagt den naam Tryphe (Weelderigheid).

Gij ziet onder de meisjes ook twee goden: de een van dezen heet Komos (Drinkgelag), de ander Negretos Hupnos (Vaste Slaap). Met de getrouwe hulp dezer schaar van dienaars onderwerp ik de geheele wereld aan mijn macht en heersch ik zelfs over de machtigste heerschers.

Hoofdstuk X.De Zotheid de bron van alle leven en levensgenot.Mijn afkomst, mijn opvoeding en mijn gevolg kent ge nu: luistert verder, opdat niemand uwer meene, dat ik mij ten onrechte den naam van Godin aanmatig, met gespitste ooren naar de voordeelen, die zoowel Goden als menschen aan mij te danken hebben, en hoever mijn goddelijke macht zich uitstrekt. Als immers de opmerking van een zeker schrijver lang niet dom is, dat dit eerst waarlijk god-zijn mag heeten menschen te helpen, en als zij eerst terecht in der Goden raad zijn opgenomen, die de stervelingen met wijn of koorn of eenige andere dergelijke nuttige zaak bekend hebben gemaakt, waarom zou men mij dan niet terecht den eersten onder alle Goden noemen en achten, mij, die alleen allen alles met ruime hand uitdeel?

Mijn afkomst, mijn opvoeding en mijn gevolg kent ge nu: luistert verder, opdat niemand uwer meene, dat ik mij ten onrechte den naam van Godin aanmatig, met gespitste ooren naar de voordeelen, die zoowel Goden als menschen aan mij te danken hebben, en hoever mijn goddelijke macht zich uitstrekt. Als immers de opmerking van een zeker schrijver lang niet dom is, dat dit eerst waarlijk god-zijn mag heeten menschen te helpen, en als zij eerst terecht in der Goden raad zijn opgenomen, die de stervelingen met wijn of koorn of eenige andere dergelijke nuttige zaak bekend hebben gemaakt, waarom zou men mij dan niet terecht den eersten onder alle Goden noemen en achten, mij, die alleen allen alles met ruime hand uitdeel?

Hoofdstuk XI.Vervolg.Vooreerst, wat kan er zoeter of kostbaarder zijn dan het leven zelf? Maar wien heeft men toch, alles welbeschouwd, den oorsprong hiervan te danken, behalve aan mij? Want evenmin de speer van de uit een geweldigen vader gesproten Pallas1, als de Aegis2van den wolkendrijvenden Jupiter brengt of plant het menschelijk geslacht voort, maar de vader der Goden en de koning der menschen zelf, die door den wenk zijner oogen den geheelen Olympus doet sidderen, moet dien drieflitsigen bliksem uit de hand leggen en dat barsche gezicht, waarmede hij, als ’t hem lust, alle goden verschrikt in een andere plooi zetten, ja, de armzalige moet als een tooneelspelerzich geheel anders voordoen, wanneer hij soms dat wil verrichten, wat hij eeuwig doet, namelijk kinderen verwekken. Daar hebt ge de Stoïcijnen3, die zich zelf het dichtst bij de Goden achten. Maar wijst mij nu eens een van hen, die drie- of viermaal of, zoo ge wilt, duizendmaal Stoïcijn is: hij moet toch ook, zooal niet zijn baard, het teeken zijner wijsheid, ofschoon hij dien met de bokken gemeen heeft, in allen gevalle zijn laatdunkendheid afleggen, zijn voorhoofd ontrimpelen en zijn bekende onwrikbare stellingen eenigen tijd plaats doen maken voor allerlei zotternijen en dolheden. Kortom, mij, mij, zeg ik, moet die wijze ontbieden, als hij tenminste vader wil worden. En waarom zou ik niet op mijn gewonen trant rondborstiger voor u spreken? Eilieve, brengen het hoofd, het gezicht, de borst, de hand, het oor, de zoogenaamde fatsoenlijke lichaamsdeelen, Goden of menschen voort? Neen, zou ik meenen: veeleer plant het deel, dat zoo dwaas en zoo belachelijk is, dat men het zelfs niet zonder lachen kan noemen, het menschelijk geslacht voort. Dat is die gewijde bron, waaruit al het bestaande zijn oorsprong ontleent, veeleer dan aan het bekende heilige viertal van Pythagoras4. Welke man ter wereld, vraag ik U verder bij al wat U heilig is, zou gewillig het huwelijksjuk op zich nemen, indien hij, zooals de wijzen onder U plegen te doen, eerst de ongemakken van dat leven bij zich zelf had overwogen, of welke vrouw zou zich toch wel met een man inlaten, indien zij de gevaren en bezwaren der bevalling, indien zij den last der opvoeding of kende of bedacht? Voorts ziet gij nu wel in, dat, als gij het leven aan de huwelijken en het huwelijk aan Onverstand, mijn gezellin, schuldig zijt, welke verplichtingen gij ongetwijfeld aan mij hebt. Welke vrouw, die dit eenmaal ondervonden had, zou zich opnieuw hieraan willen wagen, als haar de Vergetelheidniet met haar macht ter zijde stond? Immers Venus zelf, zou, trots de luide verzekering van Lucretius5, het nooit kunnen loochenen, dat zonder de hulp van onze goddelijke macht haar invloed ontoereikend en ijdel is. Zoo ontstaan uit dit mijn kluchtig dronkenmansspel zoowel de laatdunkende wijsgeeren, wier plaats nu de door den grooten hoop zoo genoemde monniken hebben ingenomen, als de in het purper gedoste koningen en de vrome priesters en de driewerf heilige pausen. Ten slotte ook die geheele schaar van dichterlijke goden, zoo talrijk, dat de Olympus zelf, hoe ruim ook, allen ter nauwernood meer kan bevatten.1De godin Pallas Athene zou uit het hoofd van Jupiter geboren zijn, zie hoofdst. LIII op het eind.2Soort van schild, dat Jupiter zwaait, als hij onweder wil verwekken.3Strenge wijsgeeren.4Grieksch wijsgeer, geb. ± 580 v. Chr. Het getal 4 was volgens hem de wortel en bron van alle dingen; zie A. Pierson, Hellas II, p. 7 “De dingen zijn niet eerst, zoodat het cijfer eenvoudig uitdrukt, wat of hoe zij zijn; omgekeerd: het een of ander ontstaat, omdat het cijfer, de orde, omdat de evenredigheid er is.”5Romeinsch dichter, 96–50 v. Chr.; begint zijn leerdicht over de Natuur met de aanroeping van Venus, aan wie alles, wat op aarde leeft, zijn ontstaan te danken heeft.

Vooreerst, wat kan er zoeter of kostbaarder zijn dan het leven zelf? Maar wien heeft men toch, alles welbeschouwd, den oorsprong hiervan te danken, behalve aan mij? Want evenmin de speer van de uit een geweldigen vader gesproten Pallas1, als de Aegis2van den wolkendrijvenden Jupiter brengt of plant het menschelijk geslacht voort, maar de vader der Goden en de koning der menschen zelf, die door den wenk zijner oogen den geheelen Olympus doet sidderen, moet dien drieflitsigen bliksem uit de hand leggen en dat barsche gezicht, waarmede hij, als ’t hem lust, alle goden verschrikt in een andere plooi zetten, ja, de armzalige moet als een tooneelspelerzich geheel anders voordoen, wanneer hij soms dat wil verrichten, wat hij eeuwig doet, namelijk kinderen verwekken. Daar hebt ge de Stoïcijnen3, die zich zelf het dichtst bij de Goden achten. Maar wijst mij nu eens een van hen, die drie- of viermaal of, zoo ge wilt, duizendmaal Stoïcijn is: hij moet toch ook, zooal niet zijn baard, het teeken zijner wijsheid, ofschoon hij dien met de bokken gemeen heeft, in allen gevalle zijn laatdunkendheid afleggen, zijn voorhoofd ontrimpelen en zijn bekende onwrikbare stellingen eenigen tijd plaats doen maken voor allerlei zotternijen en dolheden. Kortom, mij, mij, zeg ik, moet die wijze ontbieden, als hij tenminste vader wil worden. En waarom zou ik niet op mijn gewonen trant rondborstiger voor u spreken? Eilieve, brengen het hoofd, het gezicht, de borst, de hand, het oor, de zoogenaamde fatsoenlijke lichaamsdeelen, Goden of menschen voort? Neen, zou ik meenen: veeleer plant het deel, dat zoo dwaas en zoo belachelijk is, dat men het zelfs niet zonder lachen kan noemen, het menschelijk geslacht voort. Dat is die gewijde bron, waaruit al het bestaande zijn oorsprong ontleent, veeleer dan aan het bekende heilige viertal van Pythagoras4. Welke man ter wereld, vraag ik U verder bij al wat U heilig is, zou gewillig het huwelijksjuk op zich nemen, indien hij, zooals de wijzen onder U plegen te doen, eerst de ongemakken van dat leven bij zich zelf had overwogen, of welke vrouw zou zich toch wel met een man inlaten, indien zij de gevaren en bezwaren der bevalling, indien zij den last der opvoeding of kende of bedacht? Voorts ziet gij nu wel in, dat, als gij het leven aan de huwelijken en het huwelijk aan Onverstand, mijn gezellin, schuldig zijt, welke verplichtingen gij ongetwijfeld aan mij hebt. Welke vrouw, die dit eenmaal ondervonden had, zou zich opnieuw hieraan willen wagen, als haar de Vergetelheidniet met haar macht ter zijde stond? Immers Venus zelf, zou, trots de luide verzekering van Lucretius5, het nooit kunnen loochenen, dat zonder de hulp van onze goddelijke macht haar invloed ontoereikend en ijdel is. Zoo ontstaan uit dit mijn kluchtig dronkenmansspel zoowel de laatdunkende wijsgeeren, wier plaats nu de door den grooten hoop zoo genoemde monniken hebben ingenomen, als de in het purper gedoste koningen en de vrome priesters en de driewerf heilige pausen. Ten slotte ook die geheele schaar van dichterlijke goden, zoo talrijk, dat de Olympus zelf, hoe ruim ook, allen ter nauwernood meer kan bevatten.

1De godin Pallas Athene zou uit het hoofd van Jupiter geboren zijn, zie hoofdst. LIII op het eind.2Soort van schild, dat Jupiter zwaait, als hij onweder wil verwekken.3Strenge wijsgeeren.4Grieksch wijsgeer, geb. ± 580 v. Chr. Het getal 4 was volgens hem de wortel en bron van alle dingen; zie A. Pierson, Hellas II, p. 7 “De dingen zijn niet eerst, zoodat het cijfer eenvoudig uitdrukt, wat of hoe zij zijn; omgekeerd: het een of ander ontstaat, omdat het cijfer, de orde, omdat de evenredigheid er is.”5Romeinsch dichter, 96–50 v. Chr.; begint zijn leerdicht over de Natuur met de aanroeping van Venus, aan wie alles, wat op aarde leeft, zijn ontstaan te danken heeft.

1De godin Pallas Athene zou uit het hoofd van Jupiter geboren zijn, zie hoofdst. LIII op het eind.

2Soort van schild, dat Jupiter zwaait, als hij onweder wil verwekken.

3Strenge wijsgeeren.

4Grieksch wijsgeer, geb. ± 580 v. Chr. Het getal 4 was volgens hem de wortel en bron van alle dingen; zie A. Pierson, Hellas II, p. 7 “De dingen zijn niet eerst, zoodat het cijfer eenvoudig uitdrukt, wat of hoe zij zijn; omgekeerd: het een of ander ontstaat, omdat het cijfer, de orde, omdat de evenredigheid er is.”

5Romeinsch dichter, 96–50 v. Chr.; begint zijn leerdicht over de Natuur met de aanroeping van Venus, aan wie alles, wat op aarde leeft, zijn ontstaan te danken heeft.

Hoofdstuk XII.Vervolg.Maar het zou waarlijk weinig beteekenen, dat men den oorsprong en de bron van het leven aan mij te danken heeft, als ik niet tevens aantoon, dat alle levensgenot zonder eenige uitzondering een gave van mij is. Wat dunkt U, zou dit leven wel in eenig opzicht leven mogen heeten, zoo men het genot er uit wegneemt?Ik hoorde uw toejuichingen en ik wist dan ook wel, dat niemand uwer zoo wijs, of veeleer zoo onwijs, neen toch liever zoo wijs1was, dat hij dit gevoelen was toegedaan. En toch versmaden zelfs de Stoïcijnen het genot niet, alhoewel zij met alle macht het tegendeel beweren en bij den grooten hoop daartegen uitvaren en tieren, natuurlijk met het doel om anderen daarvan af te schrikken en het zelf in ruimere mate te kunnen smaken.Maar bij den hemel, laten zij mij dan eens zeggen, welk tijdperk des levens is toch wel niet somber, nietgeesteloos, niet onbehagelijk, niet smakeloos, niet verdrietig, als men het genot, d.i. de kruiderij der zotheid, er niet bijvoegt? Zeker, ik zou kunnen volstaan met hiervoor de getuigenis van den nooit volprezen Sophocles2aan te voeren, van wien deze schoone lofspraak op ons bestaat:”In ’t onverstand alleen ligt ’s levens hoogst genot,”maar ik wil toch liever met U het geheel in al zijn bijzonderheden beschouwen.1“Wijs” is voor de Zotheid onwijs en omgekeerd.2Grieksch treurspeldichter, 497–406 v. Chr.

Maar het zou waarlijk weinig beteekenen, dat men den oorsprong en de bron van het leven aan mij te danken heeft, als ik niet tevens aantoon, dat alle levensgenot zonder eenige uitzondering een gave van mij is. Wat dunkt U, zou dit leven wel in eenig opzicht leven mogen heeten, zoo men het genot er uit wegneemt?

Ik hoorde uw toejuichingen en ik wist dan ook wel, dat niemand uwer zoo wijs, of veeleer zoo onwijs, neen toch liever zoo wijs1was, dat hij dit gevoelen was toegedaan. En toch versmaden zelfs de Stoïcijnen het genot niet, alhoewel zij met alle macht het tegendeel beweren en bij den grooten hoop daartegen uitvaren en tieren, natuurlijk met het doel om anderen daarvan af te schrikken en het zelf in ruimere mate te kunnen smaken.

Maar bij den hemel, laten zij mij dan eens zeggen, welk tijdperk des levens is toch wel niet somber, nietgeesteloos, niet onbehagelijk, niet smakeloos, niet verdrietig, als men het genot, d.i. de kruiderij der zotheid, er niet bijvoegt? Zeker, ik zou kunnen volstaan met hiervoor de getuigenis van den nooit volprezen Sophocles2aan te voeren, van wien deze schoone lofspraak op ons bestaat:

”In ’t onverstand alleen ligt ’s levens hoogst genot,”

”In ’t onverstand alleen ligt ’s levens hoogst genot,”

maar ik wil toch liever met U het geheel in al zijn bijzonderheden beschouwen.

1“Wijs” is voor de Zotheid onwijs en omgekeerd.2Grieksch treurspeldichter, 497–406 v. Chr.

1“Wijs” is voor de Zotheid onwijs en omgekeerd.

2Grieksch treurspeldichter, 497–406 v. Chr.

Hoofdstuk XIII.Kindsheid en ouderdom zijn met de Zotheid ten nauwste verwant.Vooreerst dan, wie weet niet, dat de eerste levensjaren van den mensch verreweg het vroolijkst zijn en verreweg bij allen het meest in de gunst staan? Want hetgeen wij in de kleine kinderen zoo kussen, zoo omhelzen en zoo troetelen, dat zelfs een vijand dezen leeftijd te hulp komt, is zeker niets anders dan het bekoorlijke der zotheid, dat de verstandige natuur met opzet aan de pas geborenen geschonken heeft om hen in staat te stellen door een soort van vergoeding, bestaande in genot, zoowel al het lastige hunner opvoeding te verzachten, als gunsten van hun beschermers af te vleien.Hoe geniet verder dejongelingsleeftijd, die hierop volgt, alle gunst, hoe zijn allen dezen van harte genegen, met welk een ijver helpen zij hem vooruit,hoe vriendelijk reiken zij hem de behulpzame hand! Maar waaraan, bid ik u, heeft de jeugd dit hulpbetoon te danken? Waaraan behalve aan mij? Door mijn goedertierenheid is zij zoo weinig mogelijk wijs en ergert zij zich daarom aan niets ter wereld. Het is toch maar al te waar, dat weldra, als zij op volwassen leeftijd door ondervinding en wetenschappelijk onderwijs eenigszins mannen in het verstand beginnen te zijn, de glans der schoonheid verdooft, de vlugheid vertraagt, het vuur der geestigheid verkoelt, de frissche kracht verslapt. Hoe verder de jeugd zich van mij verwijdert, in die mate leeft zij al minder en minder, totdat de lastige grijsheid komt, die al niet meer alleen bij anderen, maar ook bij zichzelf gehaat is.Zij zou gewis voor geen mensch ter wereld uit te staan zijn, als ik niet weer, uit medelijden met zooveel ellende, bijstand verleende en, evenals de goden bij de dichters aan in stervensnood verkeerende menschen gewoonlijk door de een of andere gedaanteverwisseling te hulp komen, zoo ook ik niet hen, die reeds met het ééne been in het graf staan, weer zooveel mogelijk tot den kinderleeftijd terugbracht. Het volk slaat daarom den spijker op den kop, als het grijsaards “op nieuw kinderen” pleegt te noemen. Vraagt iemand mij voorts, hoe ik deze verandering teweeg breng, dan wil ik zelfs dit niet voor hem verborgen houden. Ik voer hen naar de bron van onze Lethe1, die op de eilanden der gelukzaligen ontspringt—want in de onderwereld stroomt slechts een smal beekje—om daar, na de vergetelheid in lange teugen te hebben ingeslorpt, van alle beslommeringen allengskens verlost, weer jong te worden. “Maar zij zijn de kluts kwijt, zij zijn onwijs,” voert men daartegen aan. Zeker, maar juist hierin bestaat het weer kind worden. Is wel een kind zijn iets anders dan de kluts kwijt, dan onwijs zijn? Trekt ditons niet het allermeest in dien leeftijd aan, dat hij volstrekt geen wijsheid bezit? Wie zou toch een knaap met de wijsheid van een man niet als een wangedrocht verfoeien en vervloeken? Hiermee rijmt ook het algemeen bekende volksgezegde:”Ik hou van ’t jongsken niet, dat wijs is vóór zijn tijd.”Wie zou gemeenschap of omgang willen hebben met een grijsaard, die aan zijn groote ondervinding een even groote geestkracht en scherpheid van oordeel paarde? Dus—dat de grijsaard gek is, heeft hij aan mij te danken, maar mijn gek is althans vrij van die rampzalige zorgen, waardoor de wijze zoo gefolterd wordt. Intusschen is hij geen onaardige drinkebroer. Hij voelt niet die levenszatheid, waartegen een krachtiger leeftijd ternauwernood bestand is. Zoo nu en dan keert hij met den grijsaard van Plautus2tot die drie letters (m-i-n) terug, diep rampzalig, als hij wijs was. Maar intusschen is hij door mijn toedoen gelukkig, intusschen is hij gezien bij zijn vrienden en zelfs een prettige dischgenoot. Immers ook bij Homerus vloeit van Nestors lippen een taal zoeter dan honig, terwijl die van Achilles3bitter is, en bij denzelfden dichter klinken de woorden der op den muur zittende grijsaards zacht en teeder.In dit opzicht winnen zij het zelfs van de kindsheid, die wel aanvallig is, maar de geschiktheid om te spreken mist en hierdoor van het hoogste levensgenot, dat bestaat in het babbelen, verstoken is. Vergeet niet hierbij op te merken, dat de grijsaards meer den omgang met knapen zoeken en de knapen wederkeerig genot vinden in het gezelschap van grijsaards.”Want altijd brengt de God gelijken tot elkaar.”Er bestaat immers tusschen hen geen verschil dan dat de grijsaard wat rimpeliger is en wat meer verjaardagen telt. Overigens—wit haar, een mond zonder tanden,een kleine gestalte, trek in melk, hakkelend spreken, babbelzucht, malligheid, vergeetachtigheid, onbedachtzaamheid, kortom al het overige komt overeen. Hoe dichter zij tot de grijsheid naderen, des te meer beginnen zij ook weer op kinderen te gelijken, totdat zij op de wijze van kinderen, zonder het leven zat te zijn en zonder de nadering des doods te bemerken, het leven verlaten.1De rivier der vergetelheid, die in de onderwereld stroomde. Volgens de Zotheid echter is daar slechts een kleine zijtak te vinden.2Romeinsch blijspeldichter, ± 200 v. Chr.3Bij Homerus is Nestor het voorbeeld van een bezadigd grijsaard, Achilles van een onstuimig jongeling.

Vooreerst dan, wie weet niet, dat de eerste levensjaren van den mensch verreweg het vroolijkst zijn en verreweg bij allen het meest in de gunst staan? Want hetgeen wij in de kleine kinderen zoo kussen, zoo omhelzen en zoo troetelen, dat zelfs een vijand dezen leeftijd te hulp komt, is zeker niets anders dan het bekoorlijke der zotheid, dat de verstandige natuur met opzet aan de pas geborenen geschonken heeft om hen in staat te stellen door een soort van vergoeding, bestaande in genot, zoowel al het lastige hunner opvoeding te verzachten, als gunsten van hun beschermers af te vleien.

Hoe geniet verder dejongelingsleeftijd, die hierop volgt, alle gunst, hoe zijn allen dezen van harte genegen, met welk een ijver helpen zij hem vooruit,hoe vriendelijk reiken zij hem de behulpzame hand! Maar waaraan, bid ik u, heeft de jeugd dit hulpbetoon te danken? Waaraan behalve aan mij? Door mijn goedertierenheid is zij zoo weinig mogelijk wijs en ergert zij zich daarom aan niets ter wereld. Het is toch maar al te waar, dat weldra, als zij op volwassen leeftijd door ondervinding en wetenschappelijk onderwijs eenigszins mannen in het verstand beginnen te zijn, de glans der schoonheid verdooft, de vlugheid vertraagt, het vuur der geestigheid verkoelt, de frissche kracht verslapt. Hoe verder de jeugd zich van mij verwijdert, in die mate leeft zij al minder en minder, totdat de lastige grijsheid komt, die al niet meer alleen bij anderen, maar ook bij zichzelf gehaat is.

Zij zou gewis voor geen mensch ter wereld uit te staan zijn, als ik niet weer, uit medelijden met zooveel ellende, bijstand verleende en, evenals de goden bij de dichters aan in stervensnood verkeerende menschen gewoonlijk door de een of andere gedaanteverwisseling te hulp komen, zoo ook ik niet hen, die reeds met het ééne been in het graf staan, weer zooveel mogelijk tot den kinderleeftijd terugbracht. Het volk slaat daarom den spijker op den kop, als het grijsaards “op nieuw kinderen” pleegt te noemen. Vraagt iemand mij voorts, hoe ik deze verandering teweeg breng, dan wil ik zelfs dit niet voor hem verborgen houden. Ik voer hen naar de bron van onze Lethe1, die op de eilanden der gelukzaligen ontspringt—want in de onderwereld stroomt slechts een smal beekje—om daar, na de vergetelheid in lange teugen te hebben ingeslorpt, van alle beslommeringen allengskens verlost, weer jong te worden. “Maar zij zijn de kluts kwijt, zij zijn onwijs,” voert men daartegen aan. Zeker, maar juist hierin bestaat het weer kind worden. Is wel een kind zijn iets anders dan de kluts kwijt, dan onwijs zijn? Trekt ditons niet het allermeest in dien leeftijd aan, dat hij volstrekt geen wijsheid bezit? Wie zou toch een knaap met de wijsheid van een man niet als een wangedrocht verfoeien en vervloeken? Hiermee rijmt ook het algemeen bekende volksgezegde:

”Ik hou van ’t jongsken niet, dat wijs is vóór zijn tijd.”

Wie zou gemeenschap of omgang willen hebben met een grijsaard, die aan zijn groote ondervinding een even groote geestkracht en scherpheid van oordeel paarde? Dus—dat de grijsaard gek is, heeft hij aan mij te danken, maar mijn gek is althans vrij van die rampzalige zorgen, waardoor de wijze zoo gefolterd wordt. Intusschen is hij geen onaardige drinkebroer. Hij voelt niet die levenszatheid, waartegen een krachtiger leeftijd ternauwernood bestand is. Zoo nu en dan keert hij met den grijsaard van Plautus2tot die drie letters (m-i-n) terug, diep rampzalig, als hij wijs was. Maar intusschen is hij door mijn toedoen gelukkig, intusschen is hij gezien bij zijn vrienden en zelfs een prettige dischgenoot. Immers ook bij Homerus vloeit van Nestors lippen een taal zoeter dan honig, terwijl die van Achilles3bitter is, en bij denzelfden dichter klinken de woorden der op den muur zittende grijsaards zacht en teeder.

In dit opzicht winnen zij het zelfs van de kindsheid, die wel aanvallig is, maar de geschiktheid om te spreken mist en hierdoor van het hoogste levensgenot, dat bestaat in het babbelen, verstoken is. Vergeet niet hierbij op te merken, dat de grijsaards meer den omgang met knapen zoeken en de knapen wederkeerig genot vinden in het gezelschap van grijsaards.

”Want altijd brengt de God gelijken tot elkaar.”

Er bestaat immers tusschen hen geen verschil dan dat de grijsaard wat rimpeliger is en wat meer verjaardagen telt. Overigens—wit haar, een mond zonder tanden,een kleine gestalte, trek in melk, hakkelend spreken, babbelzucht, malligheid, vergeetachtigheid, onbedachtzaamheid, kortom al het overige komt overeen. Hoe dichter zij tot de grijsheid naderen, des te meer beginnen zij ook weer op kinderen te gelijken, totdat zij op de wijze van kinderen, zonder het leven zat te zijn en zonder de nadering des doods te bemerken, het leven verlaten.

1De rivier der vergetelheid, die in de onderwereld stroomde. Volgens de Zotheid echter is daar slechts een kleine zijtak te vinden.2Romeinsch blijspeldichter, ± 200 v. Chr.3Bij Homerus is Nestor het voorbeeld van een bezadigd grijsaard, Achilles van een onstuimig jongeling.

1De rivier der vergetelheid, die in de onderwereld stroomde. Volgens de Zotheid echter is daar slechts een kleine zijtak te vinden.

2Romeinsch blijspeldichter, ± 200 v. Chr.

3Bij Homerus is Nestor het voorbeeld van een bezadigd grijsaard, Achilles van een onstuimig jongeling.

Hoofdstuk XIV.De Zotheid verlengt de jeugd en weert den ouderdom.Is er nu wel iemand ter wereld, die den moed heeft om deze mijn weldaad met de gedaanteverwisseling der overige goden op één lijn te stellen? Over hetgeen dezen in hun toorn doen, wil ik liever niet spreken, maar wien zij het meest genadig zijn, die plegen zij in een boom, een vogel, een krekel of zelfs in een slang te veranderen: alsof niet juist het sterven hierin bestaat, dat men iets anders wordt. Maar ik verplaats denzelfden mensch weer in het beste en gelukkigste deel zijns levens. Als de stervelingen allen omgang met de wijsheid geheel vermeden en hun leven in onafgebroken verkeer met mij doorbrachten, dan zou er zelfs geen ziekte als de ouderdom bestaan, maar zij zouden het geluk smaken van een eeuwige jeugd. Ziet gij dan niet, dat die sombere zwaarhoofden, die hun leven deels aan wijsgeerige studiën, deels aan ernstige en moeilijke zaken gewijd hebben, meestal, voordat zij geheel volwassen zijn, reeds den last des ouderdoms gevoelen, blijkbaar, omdat zorgen en onafgebroken ernstig nadenken langzaam maar zeker hun geest en hun edelste levenssappen uitputten?Mijn zotten daarentegen zien er vrij vetjes en glimmend uit:1zij zorgen zoo goed voor hun velletje, dat men hen echte varkens uit Acarnanië2noemt, en zij zouden zeker nooit eenig ongemak van den ouden dag bemerken, als zij niet zoo nu en dan door de wijzen werden aangestoken. Zoo waar is het, dat in ’t menschelijk leven niets in alle opzichten gelukkig is. Hierbij komt nog de niet onbelangrijke getuigenis van het volksgezegde, dat de zotheid het eenige middel is zoowel om de vaart van de overigens ijlings voorbij snellende jeugd te vertragen als de vervloekte grijsheid op een verren afstand te houden. Daarom heet het niet zonder goede gronden van de Brabanders in de volkstaal, dat, hoewel bij de andere menschen het verstand met de jaren pleegt te komen, zij, naarmate zij meer den ouderdom naderen, des te zotter worden. En toch is er geen ander volk, dat in den dagelijkschen omgang aardiger is of het onaangename van den ouderdom minder bemerkt. Het naast aan dezen komen, evenals zij het naast bij hen wonen, ook in leefwijze mijn Hollanders; want waarom zou ik hen niet de mijne noemen, wier vereering van mij zoo ver gaat, dat zij daaraan hun gewonen bijnaam te danken hebben en hierover zoo weinig schaamte gevoelen, dat zij zich op niets meer laten voorstaan?3Daar gaan mij nu die gekke menschen bij Medéas, Circés, Venussen, Auroras4en bij de een of andere bron het middel zoeken, dat hun de jeugd zal teruggeven, iets, waartoe ik alleen in staat ben en mij ook gaarne leen. Bij mij is die wonderbalsem te vinden, waardoorMemnons dochter de jeugd van haar grootvader Tithonus5verlengd heeft. Ik ben die Venus, door wier gunst de bekende Phaon weer zoo jong werd, dat Sappho6smoorlijk op hem verliefd werd. Mij behooren die kruiden toe, zoo zij al bestaan, mij de tooverformulieren, mij de bron, die niet alleen de vervlogen jeugd terugroept, maar wat verkieselijker is, haar voor altijd weet te doen blijven. Als gij ’t allen met mij eens zijt, dat er niets beters bestaat dan de bloeitijd des levens en niets verfoeilijkers dan de ouderdom, dan zijt gij, zoo ik goed zie, ook overtuigd van de groote verplichting, die gij aan mij hebt, omdat ik zulk een groot kwaad wist te weren en zulk een goed te behouden.1De dikzak op het prentje houdt een worst in de hand.2Acarnanië, landschap in Griekenland; varken van Acarnanië, spreekwoordelijk voor een mollig, verweekelijkt persoon.3Een oud spreekwoord luidt:“Hoe ouder, hoe zotter Brabander.Hoe ouder, hoe botter Hollander.”De eerste regel komt al voor in den commentaar van Listrius, Erasmus’ tijdgenoot, die tevens verklaart, dat de Hollanders o.a. “wegens den eenvoud van hun karakter” veelal dom werden genoemd.4Tooverheksen en godinnen, die de menschen konden herscheppen en verjongen.5Wat Erasmus hiermee bedoelt, is niet duidelijk. Tithonus, gemaal van Aurora, vader van Memnon, ontving op verzoek van zijn vrouw het eeuwige leven, maar niet de eeuwige jeugd, zoodat hij geheel ineenschrompelde en in een krekel veranderde.6Grootste dichteres van Griekenland, ± 600 v. Chr.

Is er nu wel iemand ter wereld, die den moed heeft om deze mijn weldaad met de gedaanteverwisseling der overige goden op één lijn te stellen? Over hetgeen dezen in hun toorn doen, wil ik liever niet spreken, maar wien zij het meest genadig zijn, die plegen zij in een boom, een vogel, een krekel of zelfs in een slang te veranderen: alsof niet juist het sterven hierin bestaat, dat men iets anders wordt. Maar ik verplaats denzelfden mensch weer in het beste en gelukkigste deel zijns levens. Als de stervelingen allen omgang met de wijsheid geheel vermeden en hun leven in onafgebroken verkeer met mij doorbrachten, dan zou er zelfs geen ziekte als de ouderdom bestaan, maar zij zouden het geluk smaken van een eeuwige jeugd. Ziet gij dan niet, dat die sombere zwaarhoofden, die hun leven deels aan wijsgeerige studiën, deels aan ernstige en moeilijke zaken gewijd hebben, meestal, voordat zij geheel volwassen zijn, reeds den last des ouderdoms gevoelen, blijkbaar, omdat zorgen en onafgebroken ernstig nadenken langzaam maar zeker hun geest en hun edelste levenssappen uitputten?

Mijn zotten daarentegen zien er vrij vetjes en glimmend uit:1zij zorgen zoo goed voor hun velletje, dat men hen echte varkens uit Acarnanië2noemt, en zij zouden zeker nooit eenig ongemak van den ouden dag bemerken, als zij niet zoo nu en dan door de wijzen werden aangestoken. Zoo waar is het, dat in ’t menschelijk leven niets in alle opzichten gelukkig is. Hierbij komt nog de niet onbelangrijke getuigenis van het volksgezegde, dat de zotheid het eenige middel is zoowel om de vaart van de overigens ijlings voorbij snellende jeugd te vertragen als de vervloekte grijsheid op een verren afstand te houden. Daarom heet het niet zonder goede gronden van de Brabanders in de volkstaal, dat, hoewel bij de andere menschen het verstand met de jaren pleegt te komen, zij, naarmate zij meer den ouderdom naderen, des te zotter worden. En toch is er geen ander volk, dat in den dagelijkschen omgang aardiger is of het onaangename van den ouderdom minder bemerkt. Het naast aan dezen komen, evenals zij het naast bij hen wonen, ook in leefwijze mijn Hollanders; want waarom zou ik hen niet de mijne noemen, wier vereering van mij zoo ver gaat, dat zij daaraan hun gewonen bijnaam te danken hebben en hierover zoo weinig schaamte gevoelen, dat zij zich op niets meer laten voorstaan?3

Daar gaan mij nu die gekke menschen bij Medéas, Circés, Venussen, Auroras4en bij de een of andere bron het middel zoeken, dat hun de jeugd zal teruggeven, iets, waartoe ik alleen in staat ben en mij ook gaarne leen. Bij mij is die wonderbalsem te vinden, waardoorMemnons dochter de jeugd van haar grootvader Tithonus5verlengd heeft. Ik ben die Venus, door wier gunst de bekende Phaon weer zoo jong werd, dat Sappho6smoorlijk op hem verliefd werd. Mij behooren die kruiden toe, zoo zij al bestaan, mij de tooverformulieren, mij de bron, die niet alleen de vervlogen jeugd terugroept, maar wat verkieselijker is, haar voor altijd weet te doen blijven. Als gij ’t allen met mij eens zijt, dat er niets beters bestaat dan de bloeitijd des levens en niets verfoeilijkers dan de ouderdom, dan zijt gij, zoo ik goed zie, ook overtuigd van de groote verplichting, die gij aan mij hebt, omdat ik zulk een groot kwaad wist te weren en zulk een goed te behouden.

1De dikzak op het prentje houdt een worst in de hand.2Acarnanië, landschap in Griekenland; varken van Acarnanië, spreekwoordelijk voor een mollig, verweekelijkt persoon.3Een oud spreekwoord luidt:“Hoe ouder, hoe zotter Brabander.Hoe ouder, hoe botter Hollander.”De eerste regel komt al voor in den commentaar van Listrius, Erasmus’ tijdgenoot, die tevens verklaart, dat de Hollanders o.a. “wegens den eenvoud van hun karakter” veelal dom werden genoemd.4Tooverheksen en godinnen, die de menschen konden herscheppen en verjongen.5Wat Erasmus hiermee bedoelt, is niet duidelijk. Tithonus, gemaal van Aurora, vader van Memnon, ontving op verzoek van zijn vrouw het eeuwige leven, maar niet de eeuwige jeugd, zoodat hij geheel ineenschrompelde en in een krekel veranderde.6Grootste dichteres van Griekenland, ± 600 v. Chr.

1De dikzak op het prentje houdt een worst in de hand.

2Acarnanië, landschap in Griekenland; varken van Acarnanië, spreekwoordelijk voor een mollig, verweekelijkt persoon.

3Een oud spreekwoord luidt:

“Hoe ouder, hoe zotter Brabander.Hoe ouder, hoe botter Hollander.”

“Hoe ouder, hoe zotter Brabander.Hoe ouder, hoe botter Hollander.”

“Hoe ouder, hoe zotter Brabander.Hoe ouder, hoe botter Hollander.”

“Hoe ouder, hoe zotter Brabander.Hoe ouder, hoe botter Hollander.”

“Hoe ouder, hoe zotter Brabander.

Hoe ouder, hoe botter Hollander.”

De eerste regel komt al voor in den commentaar van Listrius, Erasmus’ tijdgenoot, die tevens verklaart, dat de Hollanders o.a. “wegens den eenvoud van hun karakter” veelal dom werden genoemd.

4Tooverheksen en godinnen, die de menschen konden herscheppen en verjongen.

5Wat Erasmus hiermee bedoelt, is niet duidelijk. Tithonus, gemaal van Aurora, vader van Memnon, ontving op verzoek van zijn vrouw het eeuwige leven, maar niet de eeuwige jeugd, zoodat hij geheel ineenschrompelde en in een krekel veranderde.

6Grootste dichteres van Griekenland, ± 600 v. Chr.


Back to IndexNext