Hoofdstuk L.

Hoofdstuk L.Dichters.Minder verplichting aan mij hebben de dichters, ofschoon zij zeker uit den aard van hun beroep tot mijn partij behooren, want zij zijn vrije menschen, zooals het spreekwoord1wil, wier eenig genot bestaat in het streelen van de ooren der dwazen en dan nog wel met loutere nietigheden en belachelijke verhaaltjes. Desniettemin meenen zij, hoe vreemd het moge klinken, op grond hiervan niet alleen zichzelf, maar ook anderen de onsterfelijkheid en een godenleven temogen beloven. Met deze bent staan bovenal Eigenliefde en Vleierij2op een zeer vertrouwelijken voet en bij geen enkel slag van menschen vind ik oprechter of standvastiger aanbidders. Verder behooren de redekunstenaars, hoewel zij soms valsch spel spelen en heulen met de wijsgeeren, zeker ook tot onze partij, hetgeen vooral hieruit blijkt, dat ze, behalve andere beuzelarijen, zoo nauwkeurig en zoo veel over de kunst van schertsen geschreven hebben3. Zoo geeft de schrijver van de aan Herennius opgedragen Redekunst4, wie hij dan ook moge geweest zijn, de dwaasheid zelfs een plaats onder de soorten van geestigheden en komt bij Quintilianus5, verreweg den eersten man van dezen kring, een hoofdstuk voor over het lachen, dat nog uitvoeriger is dan de Ilias6, en hechten zij zooveel waarde aan de zotheid, dat dikwijls een uit gebrek aan bewijsgronden verloren zaak, desniettemin door lachen gewonnen wordt. Niemand zal toch wel van oordeel zijn, dat het buiten het gebied der Zotheid ligt door lachwekkende gezegden de menschen te doen schateren en dat nog wel volgens de regelen der kunst. Tot deze klasse behooren ook zij, die door het uitgeven van boeken jacht maken op onsterfelijken roem. Zij hebben allen de hoogste verplichting aan mij, maar in de eerste plaats zij, die louter beuzelarijen op het papier kladden.Want zij, die hun wetenschappelijke geschriften inrichten naar den smaak van een paar geleerden en geen bezwaar hebben tegen een vonnis van Persius of Laelius7, zijn, mijns inziens, meer te beklagen dan te benijden, omdat zij zichzelf voortdurend kwellen. Zij voegen in, veranderen, schrappen, schrijven opnieuw, herhalen, werken om, dikken aan, houden negen jaar lang hun werk weggesloten8, zonder zichzelf ooit te voldoen, en koopen een ijdele belooning bestaande in den lof van zeer weinigen, tot zulk een hoogen prijs, ten koste van zooveel nachtwaken en met zooveel opoffering van den zoo genotrijken slaap, voor zooveel zweetdroppels, voor zooveel kruisen. Voeg nu daarbij het verlies van gezondheid, het ruïneeren der schoonheid des lichaams, slechte oogen of zelfs blindheid, armoede, den haat der menschen, onthouding van alle genoegens, een vroegen ouderdom, een ontijdigen dood en wat dies meer zij. Ten koste van zooveel leed meent die wijze de goedkeuring van een paar leepoogen9te moeten koopen. Maar de schrijver naar mijn hart—hoeveel gelukkiger is zijn waanzin, als hij zonder eenig hoofdbreken alles, juist zooals het hem invalt of uit de pen vloeit, zelfs zijn droomerijen op staanden voet te boek stelt, wat hem alleen maar een beetje papier kost, overtuigd, dat hoe beuzelachtiger beuzelarijen hij neerschrijft, hij op de goedkeuring van des te meer menschen, namelijk van alle zotten en stommeriken, mag rekenen. Het valt toch zeker niet moeilijk zich onverschillig te toonen voor het oordeel van anderhalven geleerde, zoo zij al die geschriften lezen. Of wat zal de stem van enkele wijzen beteekenen te midden van den ontelbaren hoop van lieden, die daartegenin schreeuwen? Maar nog wijzer zijn zij, die werken van anderen voor de hunne uitgeven en den roem, door dezen ten koste van veel arbeid verkregen,op hun naam weten over te brengen, in ’t vertrouwen natuurlijk, dat al worden zij ook volkomen overtuigd van letterdieverij, hun intusschen toch het genot voor eenigen tijd ten goede zal komen. Het is de moeite waard op te letten, hoezeer zij met zichzelf ingenomen zijn, als zij algemeen geprezen worden, als men onder het volk op hen wijst zeggend “daar heb je dien knappen kerel,” als hun werken bij de boekverkoopers te koop liggen, als er aan het hoofd van alle bladzijden drie namen10te lezen staan, vooral als deze uit den vreemde zijn en gelijken op tooverwoorden. Maar bij den Hemel, wat zijn het anders dan namen? Voorts, hoe weinigen zullen ze kennen, als men let op den reusachtigen omvang der wereld, en hoeveel kleiner zal nog het aantal zijn van hen, die ze zullen prijzen, in aanmerking genomen, dat de smaken ook van de ongeleerden zoo verschillend zijn. Daarenboven worden die namen zelf niet zelden verdicht of aan de boeken der ouden ontleend, daar de een gaarne Telemachus11wil heeten, een ander Sthenelus12of Laërtes13, deze Polycrates14, gene Thrasymachus15, zoodat men al even goed op den titel den naam Kameleon of Pompoen, of in de taal der wijsgeeren Alpha of Beta16zou kunnen zetten. Maar het aardigste is, als die dwazen en domooren elkander over en weer in brieven, gedichten en lofzangen ophemelen. Zoo verklaart deze genen voor een Alcaeus, gene hem voor een Callimachus17, gene staat volgens dezen boven M. Tullius18, deze acht hem geleerder dan Plato. Ook zoeken zij soms een tegenstander om door een wedstrijd met hem zich een grooteren naam te verwerven:En weiflend splitst ’t gemeen zich in vijand’ge kampen19,totdat beide legerhoofden na den gelukkig gevoerden strijd als overwinnaar heengaan en beideeen zegepraal vieren. De wijze lacht hierom wetend, dat het inderdaad een groote dwaasheid is. Want wie kan dat loochenen? Maar zij leiden intusschen door mijn goedheid een aangenaam leventje en zouden hun zegepralen zelfs niet met die der Scipio’s20willen ruilen. Toch hebben ondertusschen ook de verstandigen zelf geen geringe verplichting aan mij, doordat zij er steeds recht hartelijk om lachen en genieten van den waanzin van anderen: dit kunnen zij zeker niet ontkennen zonder zich aan de allergrofste ondankbaarheid schuldig te maken.1Horatius o.a. zegt: Schilders en dichters heeft het altijd gelijkelijk vrijgestaan te ondernemen wat zij maar wilden, hoe gewaagd het ook was.2Ziehoofdst. IX.3Zoo o.a. Cicero in een van zijn werken over de theorie van de redekunst.4Dateert waarschijnlijk uit de 1e eeuw voor Chr. Wie de schrijver is geweest, blijft onzeker.5Ziehoofdst. XXIV.6Een der beide gedichten van Homerus, dat 24 zangen telt. Spreekwoordelijk voor: een lang gedicht.7Persius wordt door Cicero in het zooeven genoemde werk aangehaald als een bijzonder geleerd en streng kunstrechter, Laelius als een kundig en eerlijk beoordeelaar.8Horatius geeft den dichters den raad negen jaar te wachten met het uitgeven van hun werk, opdat zij wat hun achteraf minder goed schijnt, weer kunnen vernietigen.9= kamergeleerden.10Elk fatsoenlijk Romein had drie namen.11Zoon van Odysseus.12Held uit de Ilias van Homerus.13Vader van Odysseus.14ZieVoorrede.15Sophist (ziehoofdst. II), tijdgenoot van Socrates.16Met het laatste bedoelt E. de letters, waarmee vooral in de Wiskunde gewerkt wordt; Kameleon spreekwoordelijk voor: een veranderlijk persoon, pompoenkop wordt bij Apuleius (zie Voorrede) voor domkop gebruikt.17Grieksche dichters, de eerste ± 600 v. Chr., de tweede ± 250 v. Chr.18Cicero.19Regel uit de Aeneïs van Vergilius.20Twee beroemde Romeinsche veldheeren, de eerste ± 200, de tweede ± 150 v. Chr.Hoofdstuk LI.Rechtsgeleerden.Onder de geleerden matigen de rechtsgeleerden zich wel de allereerste plaats aan en meer dan iemand anders zijn zij met zichzelf ingenomen. Door den steen van Sisyphus1aanhoudend voort te wentelen en duizend wetten in één adem samen te flansen, onverschillig omtrent welk onderwerp, door verklaringen op verklaringen, zienswijzen op zienswijzen te stapelen, maken zij, dat de beoefening van dat vak voor het allermoeilijkst doorgaat. Want al wat veel inspanningkost, dat houden zij aanstonds ook voor voortreffelijk. Laten wij bij dezen nog de beoefenaars van de kunst van disputeeren en de sophisten2voegen, een slag van menschen, nog klapachtiger dan al de bekkens te Dodona3, zoodat ieder hunner het gerust tegen twintig uitgezochte babbelaarsters kan opnemen. Zeker zouden ze nog gelukkiger zijn, als zij enkel goed van den tongriem gesneden waren en niet tevens zoo twistziek, dat ze altijd door over ’s keizers baard te vechten en uit overdreven strijdlust gewoonlijk de waarheid uit het oog verloren. Hen maakt echter hun eigenliefde recht gelukkig, want met een paar sluitredenen gewapend durven zij onverwijld iedereen over ieder onderwerp te lijf gaan. Trouwens hun stijfhoofdigheid maakt hen onoverwinnelijk, ook al hadden zij een tegenpartij even krachtig van longen als Stentor4.1Spreekwoordelijk voor: vergeefschen arbeid verrichten, immers Sisyphus trachtte in de onderwereld een steen over den rand van een berg te wentelen, maar telkens als hij bijna zijn doel bereikt had, rolde de steen weer naar beneden en moest hij opnieuw beginnen.2Ziehoofdst. II.3Beroemd orakel in Griekenland. Wat met die bekkens bedoeld wordt, staat niet vast; zooveel is zeker, dat “bekken van Dodona” spreekwoordelijk was voor: een lastige babbelaar.4Volgens Homerus met een koperen stem, gelijk aan die van vijftig mannen, begaafd.Hoofdstuk LII.Wijsgeeren.Na dezen komen de wijsgeeren aan de beurt, eerbiedwaardig door hun baard en mantel, die ronduit verklaren dat zíj alleen wijs, maar alle overige stervelingen rondwarende schimmen1zijn. Maar hoe vermakelijk is niet de waanzin dier bouwmeesters van tallooze werelden, wanneer zij de zon, de maan, de sterren en andere hemellichamen als met duim of koord meten, van bliksemwinden, eklipsen en al wat verder onverklaarbaar is, zonder eenige aarzeling rekenschap geven, even alsof de natuur, toen zij de wereld schiep, hen in het geheim had genomen en zij uit de raadsvergadering der goden tot ons kwamen. Intusschen vermaakt de natuur zich kostelijk met hen en hun gissingen. Want dat er in hun kring volstrekt geen zekerheid bestaat,dat bewijzen ongetwijfeld de eindelooze geschillen, die over elk onderdeel tusschen henzelf gevoerd worden. En ofschoon zij volstrekt niets weten, geven zij zich toch voor alwetend uit en, terwijl zij zichzelf niet kennen en niet zelden geen sloot of steen op hun weg zien, hetzij omdat zij meestal slechte oogen hebben, hetzij omdat hun gedachten op den loop zijn, beroemen zij er zich toch op, dat zij voorstellingen, algemeene begrippen, afzonderlijke vormen, grondstoffen, eigenaardigheden en wezenlijkheden2zien, onderscheidingen zoo fijn, dat ik zelfs niet geloof, dat Lynceus3ze zou kunnen doorschouwen. Maar dan vooral zien zij laag neer op het oningewijde gemeen, als zij drie- en vierhoeken, cirkels en andere dergelijke meetkundigefiguren, de een over de andere teekenen en als in een doolhof dooreen laten loopen, vervolgens letters als in slagorde scharen, die ze telkens en telkens weer nu eens op deze, dan weer op gene wijze rangschikken, om zoo onervarenen zand in de oogen te strooien. Het ontbreekt in hun kring ook niet aan lieden, die de toekomst uit de sterren voorspellen en mirakelen beloven, zooals geen toovenaar ze zou kunnen volbrengen, en zij zijn zoo gelukkig menschen te vinden, die ook dit geloovig aannemen.1Zoo noemt Homerus de afgestorvenen, die als schaduwen zonder bewustzijn rondzwerven.2Het is niet mogelijk in een kort bestek de verklaring te geven van de hier door E. bespotte termen der Middeleeuwsche Scholastiek. Men raadplege bijv. R. Casimir, Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het menschelijk denken W. B. Nº 78/80, Deel I, § 31.3Held uit de Grieksche Mythologie, wiens oogen door aarde en steenen heen konden zien.Hoofdstuk LIII.Godgeleerden.Misschien zou het beter zijn de Godgeleerden met stilzwijgen voorbij te gaan en niet in dezen modderpoel te roeren of slapende honden wakker te maken, omdat dit slag van menschen verbazend laatdunkend en prikkelbaar is. Zij zouden mij misschien bij drommen met duizenden conclusies te lijf gaan en dwingen te herroepen om, als ik dit mocht weigeren, op staanden voet de beschuldiging van ketterij uit te galmen. Want zij staan altijd dadelijk klaar om met dezen bliksem een ieder angst aan te jagen, wien zij niet bijzonder genegen zijn. Inderdaad, al valt het hun meer dan anderen zwaar mijn weldaden te erkennen, toch hebben ook zij groote verplichting aan mij. Gelukkig door hun eigenliefde zien zij, alsof zij zelf in den derden hemel1woonden, op alle overige stervelingen als op aardwormen uit de hoogte haast met een gevoel van medelijden neer. Veilig achter een drom van magistrale bepalingen, sluitredenen, gevolgtrekkingen, ontwikkelde en ingewikkelde voorstellingen bezitten zij zulk een tal van schuilhoeken, dat zelfs de ijzeren netten van Vulcanus hen niet kunnen vasthouden2.Zij weten te ontsnappen door middel van onderscheidingen, waardoor zij alle knoopen als met een bijl van Tenedos doorhakken3, en altijd hebben zij pas uitgedachte woorden en monsterachtige uitdrukkingen in voorraad. Zoo verklaren zij verder geheel naar hun goedvinden de ondoorgrondelijkste geheimenissen bijv., op welke wijze de wereld geschapen is en geordend; langs welke wegen de erfzonde over het nageslacht gekomen is; op welke wijzen, in welke grootte en in hoe weinig tijd Christus in den schoot der heilige maagd voldragen is; hoe bij het avondmaal bijkomstigedingen afgescheiden van de substantie kunnen bestaan4. Maar dit is werk voor Jan en alleman. De volgende strijdvragen achten zij eerst groote en, om hun eigen woorden te bezigen, verlichte Godgeleerden waardig. Daarom worden zij bij deze, als zij soms voorkomen, recht wakker: kan er sprake zijn van een meetbaar tijdstip bij de goddelijke geboorte? Is Christus in meer dan één opzicht God’s zoon? Is de stelling mogelijk: God, de vader, haat den zoon? Kan God de gestalte aannemen van een vrouw, een duivel, een ezel, een pompoen of een keisteen? Maar dan: hoe zou een pompoen gepreekt en wonderen verricht hebben en hoe had hij moeten gekruisigd worden? Wat zou Petrus gewijd hebben, als hij het misoffer had opgedragen gedurende den tijd, dat Christus’ lichaam aan het kruis hing? Zou men Christus gedurende dienzelfden tijd een mensch hebben kunnen noemen? Zal het na de opstanding geoorloofd zijn te eten of te drinken? Blijkbaar willen zij reeds nu voorzorgsmaatregelen nemen tegen dien honger en dorst in de toekomst. Zij beschikken verder over een eindeloos aantal nog fijner haarklooverijen, over begrippen, betrekkingen, algemeene vormen, bijzondere eigenaardigheden, wezenlijkheden, zaken, alleen zichtbaar voor de oogen van hem, die zulke scherpe oogen bezit, dat hij in staat is ook door de dikste duisternis heen het nergens bestaande waar te nemen. Voeg hierbij nu hun stelregels, zoo paradoxaal, dat zelfs die orakelspreuken der Stoïcijnen5, die men paradoxen pleegt te noemen, in vergelijking hiermede voor de platste en meest alledaagsche volkswijsheid kunnen doorgaan; zoo beweren zij bijv., dat het een lichter misdrijf is, duizend menschen van kant te maken dan éénmaal op den dag des Heeren een schoen voor een armen drommel te naaien, en dat het beter is de geheelewereld met al haar hebben en houden te laten vergaan, dan een enkel leugentje te zeggen, hoe onschuldig het ook moge zijn. Dan maken zij deze haarfijne fijnigheden nog fijner door allerlei middelen der scholastiek, zoodat men nog eerder uit de ergste doolhoven een uitweg kan vinden dan uit de ingewikkelde vertoogen der Realisten, Nominalisten, Thomisten, Albertisten, Occamisten, Scotisten6; en nu heb ik nog niet eens alle, maar slechts de voornaamste sekten opgenoemd. Zij allen bezitten zooveel geleerdheid, maar zijn ook zoo moeilijk te begrijpen, dat de apostelen zelf, naar ik meen, een geheel anderen geest zouden noodig hebben, als zij over deze onderwerpen met dit nieuwerwetsche geslacht van Godgeleerden moesten handgemeen worden. Zeker Paulus zou zijn geloofsmoed kunnen toonen, maar als hij zegt:7Het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet,dan strookt zijn bepaling al zeer weinig met den geest onzer magisters. Al was hij ook een voorbeeld van de christelijke liefde, zoo voldoen toch zijn verdeelingen evenmin als zijn bepalingen in het 13de hoofdstuk van den 1sten brief aan de Corinthiërs8aan de voorschriften der disputeerkunst. Wel vierden de apostelen vroom het avondmaal, maar als men hen ondervraagd had over de transsubstantiatie en de tijdgrenzen, waarbinnen die valt, over de wijze, waarop hetzelfde lichaam op verschillende plaatsen kan zijn, over het verschil tusschen Christus’ lichaam in den hemel, aan het kruis en bij het sacrament van het avondmaal, op welk tijdstip de transsubstantiatie9plaats heeft, daar toch het geheel der rede, waardoor zij tot stand komt, zich in elkaar opvolgende woorden laat oplossen, dan zouden zij, mijns bedunkens, niet met dezelfde scherpzinnigheid geantwoord hebben,als waarmee de jongeren van Scotus dit alles bespreken en onderscheiden. Zij kenden Jezus’ moeder, maar wie hunner wist zoo wijsgeerig als onze Godgeleerden aan te toonen, hoe zij bewaard is gebleven voor de van Adam geërfde zonde? Petrus ontving de sleutels en hij ontving ze van dengene, die ze zeker niet aan een onwaardige zou toevertrouwen, maar toch geloof ik niet, dat hij de fijne kwestie begrepen heeft—in alle gevalle heeft hij haar nergens aangeroerd—, hoe de sleutel der wetenschap ook in het bezit van hem kan zijn, die geen wetenschap bezit10. Zij doopten overal en toch hebben zij nergens onderwezen, waarin de bepaling van den doop bestaat, wat vorm en materie, bewerkende oorzaak en strekking betreft11, en evenmin vindt men bij hen van zijn uitwischbaar of onuitwischbaar karakter12melding gemaakt. Zij baden wel, maar in den geest, zich houdend aan het bekende Evangeliewoord:God is een geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid13.Maar het blijkt niet, dat hun toen geopenbaard is, dat men met denzelfden eerbied als tot Christus zelf moet bidden tot een beeldje, met houtskool op een wand geteekend, als het slechts twee uitgestoken vingers, lang haar en aan den aan het achterhoofd bevestigden stralenkrans drie punten heeft.Immers wie kan dat begrijpen zonder zes en dertig volle jaren te hebben zoek gebracht met de natuurkunde en de bovennatuurkunde van Aristoteles en Scotus? Telkens opnieuw prenten de apostelen ons de leer der genade in, maar zij maken nergens een onderscheid tusschen de genade, die iemand in het bijzonder geschonken wordt, en de heiligmakende genade14. Zij sporen aan tot goede werken, maar maken geen onderscheid tusschen het werk met het oog op den werker en het werk op zichzelf beschouwd15. Zij prenten ons overal de christelijke liefde in zonder de aangeborene van de verworvene te scheiden en verklaren niet, of zij iets bijkomstigs dan wel iets essentieels, iets geschapens dan wel iets ongeschapens is. Zij verfoeien de zonde, maar ik mag sterven, zoo zij een wetenschappelijke bepaling hebben kunnen geven van hetgeen wij onder zonde verstaan, of zij moesten het van den geest der Scotisten geleerd hebben. Want ik kan maar niet gelooven, dat Paulus, de eenige man, naar wiens geleerdheid men die van allen kan afmeten, zoo herhaaldelijk onderzoekingen, geschillen, geslachtsregisters en, zooals hij ze zelf noemt, woordentwisten zou veroordeeld hebben16, als hij zich op zulke spitsvondigheden verstaan had, terwijl nog bovendien alle strijd en geschil dier dagen boersch en grof moet heeten, vergeleken bij de meer dan Chrysippische17fijnheden van onze magisters. De heeren zijn evenwel hoogst bescheiden, want als de apostelen soms in hun geschriften te ruw en niet genoeg volgens de regelen onzer magisters zijn te werk gegaan, dan zijn ze wel zoo goed het niet te veroordeelen, maar er een geschikte uitlegging voor te vinden. Dit doen ze uit eerbied deels voor de oudheid, deels voor den apostolischen naam. Het zou dan waarachtig ook ver van billijk zijn hun zulke hooge eischen te stellen in zaken, waarover zijvan hun leermeesters nooit zelfs een woord gehoord hadden. Als ditzelfde gebeurt bij Chrysostomus18, Basilius19en Hieronymus20, dan achten zij de kantteekening: “dit is niet houdbaar” voldoende. En toch hebben de apostelen heidensche wijsgeeren en Joden, die uit hun aard zeer stijfhoofdig zijn, weerlegd, maar meer door hun leven en wonderen dan door hun sluitredenen, en verder lieden niet vlug genoeg van begrip om, even als Scotus, het voor en het tegen van ook maar één stelling te verdedigen. En nu? Welke heiden, welke ketter zou niet terstond het veld ruimen voor zooveel ragfijne haarklooverijen, tenzij hij te dom is om ze te begrijpen of onbeschaamd genoeg om hen uit te jouwen of voorzien is van dezelfde valstrikken, zoodat de strijd voortaan gelijk staat? Dan zou men een gevecht hebben als tusschen twee toovenaars of tusschen twee bezitters van een tooverzwaard en ’t zou hun gaan als Penelope met haar weefsel21. Zij zouden telkens weer opnieuw beginnen. Zelfs zouden de Christenen, volgens mijn oordeel, wijs handelen, als zij in plaats van die botte benden soldaten, waarvan zij sinds lang zich in den krijg met twijfelachtigen uitslag bedienen, de schreeuwerigste Scotisten en de stijfhoofdigste Occamisten en de onoverwinnelijke Albertisten met den geheelen troep Sophisten tegen de Turken en Saracenen lieten optrekken. Dan zouden zijzeker niet alleen een alleraardigst gevecht, maar ook een vroeger nooit aanschouwde overwinning te zien krijgen. Want wie is zoo koel, dat hij door hun spitsvondigheden niet in geestdrift ontvlamt? Wie zoo lamlendig, dat zulke prikkels hem niet in beweging brengen? Wie is zoo scherp van gezicht, dat het hem hierdoor niet stikdonker voor de oogen wordt? Maar gij meent zeker, dat al wat ik zeg, weinig meer is dan scherts. Het zou waarlijk geen wonder zijn, daar er zich ook onder de Godgeleerden zelf mannen bevinden van degelijker kennis, die walgen van deze, huns inziens, beuzelachtige theologische haarklooverijen. Er zijn er, die het als een soort van heiligschennis verfoeien en het als de hoogste goddeloosheid beschouwen over zulke geheimenissen, die meer aanbidding dan verklaring behoeven, met onreinen mond te spreken, met zulke onheilige heidensche spitsvondigheid te redeneeren, op zulk een aanmatigenden toon bepalingen te geven en de majesteit der goddelijke theologie met zulke platte, of laat ik liever zeggen, gemeene woorden en gedachten te bezoedelen. Intusschen smaken genen toch maar de zaligheid van zichzelf te behagen, ja, zichzelf toe te juichen, zoodat zij, dag en nacht bezig met die heerlijke kleingeestigheden, zelfs geen oogenblik beschikbaar hebben om ook maar éénmaal het evangelie of de brieven van Paulus op te slaan. Dit neemt niet weg, dat zij door zulk beuzelen in de scholen gelooven de geheele kerk—die anders zou instorten—even goed te schragen met de pijlers hunner sluitredenen, als Atlas bij de Dichters den hemel op zijn schouders torst.Gij kunt u hun zaligheid moeilijk voorstellen, als zij de woorden der heilige schriften als was naar willekeur kneden en herkneden, als zij voor hun alreeds door eenige schoolvossen goedgekeurde conclusiesmeer gezag eischen dan voor Solon’s22wetten, ja ze zelfs boven de pauselijke decreten willen gesteld hebben. Zich opwerpende tot zederechters der wereld dwingen zij om alles te herroepen, wat niet geheel strookt met hun directe en indirecte conclusies, en als orakeltaal klinkt hun verklaring: “Deze stelling geeft aanstoot, gene is te oneerbiedig, deze riekt naar ketterij, gene klinkt slecht.” Ten slotte zou noch de doop, noch het evangelie, noch Paulus of Petrus, noch de heilige Hieronymus of Augustinus23, noch zelfs Thomas24, de grootste volgeling van Aristoteles, iemand tot een Christen kunnen maken zonder bekrachtiging der baccalaureï25. Want wie had wel ooit gedacht, dat hij geen Christen is, die zeide, dat deze twee uitdrukkingen: “gij pot stinkt” en “de pot stinkt”.... hetzelfde beteekenden26, indien die wijzen het niet geleeraard hadden? Hoe zou de kerk van zulke dikke nevels van dwalingen bevrijd zijn, die zelfs niemand ooit bij ’t lezen zou gemerkt hebben, als zij die niet in stukken, voorzien van het grootzegel der Universiteit, aan het licht hadden gebracht? Maar voelen zij zich, dit doende, niet hoogst gelukkig? Is dit ook niet het geval, wanneer zij alles wat in de hel geschiedt, zoo haarfijn afschilderen, alsof zij in dien staat verscheiden jaren hadden doorgebracht? Voorts, als zij naar willekeur nieuwehemels scheppen, waarbij zij ten slotte dien uitgestrekten en prachtigen voegen27, ten einde den zielen der zaligen voldoende ruimte te geven om te kunnen wandelen of feestvieren of ook met den bal spelen. Met deze en duizenden andere dergelijke dwaasheden zijn hun hoofden zoo tot barstens toe opgevuld, dat, mijns bedunkens, zelfs Jupiters hersens niet zoo zwanger waren, toen hij van Pallas moest bevallen en de hulp van Vulcanus’ bijl inriep28.Het moet u daarom niet bevreemden, als gij hun hoofd bij openbare disputen met tal van banden omwonden29ziet: Anders zouden zij immers geheel uiteenbarsten. Daarom pleeg ik zelf ook somtijds er om te lachen, wanneer zij zich verbeelden dan eerst echte Godgeleerden te zijn, als zij een taal voeren zoo barbaarsch en gemeen mogelijk; en terwijl zij zoo stamelen, dat ze slechts door iemand, die zelf stamelt, kunnen begrepen worden, noemen zij scherpzinnigheid,wat het volk niet kan begrijpen. Want zij achten het in strijd met de waardigheid der Heilige Schrift, als zij gedwongen worden zich aan de wetten der taalkenners te onderwerpen. Waarachtig, het is een vreemd soort majesteit der Theologen, als zij alleen het recht hebben gebrekkig te spreken, al hebben zij dit speciaal met veel onbeschaafde werklui gemeen. Ten slotte achten zij zich haast den goden gelijk, zoo vaak zij als het ware met heiligen eerbied als “Magister noster”30begroet worden, en zij meenen, dat in dien naam zelfs iets schuilt van hetzelfde gehalte als het vierletterig woord31bij de Joden. Daarom verklaren zij het voor ongeoorloofd, “MAGISTER NOSTER” anders dan met kapitale letters te schrijven, en als iemand averechts mocht zeggen “noster magister,” dan heeft hij eens voor al de geheele majesteit van den Theologischen naam vernietigd.1Paulus’ tweede brief a. d. Cor. XII, 2.2Venus placht haar man, Vulcanus, met Mars te bedriegen. Vulcanus smeedde daarop een onverbreekbaar ijzeren net, zoo fijn als spinrag, ving daarin de beide geliefden en riep toen alle goden om van hun schande getuige te zijn.3Spreekwoordelijk voor: aan een geschil kort een einde maken. Te Tenedos, een eiland dicht bij Troje voor de straat der Dardanellen gelegen, werd volgens de overlevering hij, die door het gerecht schuldig was bevonden, terstond met een bijl gedood.4De bedoeling is: het brood en de wijn behouden hun kleur, reuk, smaak, kunnen voeden en bedwelmen en zijn toch, als ze door den priester zijn gewijd, in werkelijkheid het vleesch en bloed van Christus.5Ziehoofdst. XI.6De Realisten en de Nominalisten vertegenwoordigen de hoofdstroomingen in de Middeleeuwsche Scholastiek. De eersten beweerden, dat de begrippen in werkelijkheid (als “realia”) bestonden en zich in de voor onze zintuigen waarneembare dingen openbaarden, zoo bijv. het begrip “mensch” in de verschillende individuën; de nominalisten erkenden alleen de dingen als werkelijk bestaande. Aan verschillende overeenkomstige dingen geeft men echter eenzelfden naam (“nomen”) en die naam is het begrip. Thomisten, Albertisten, Occamisten en Scotisten zijn de volgelingen van de grootste mannen der scholastieke wijsbegeerte: Thomas van Aquino, 1225–1274, in 1323 heilig verklaard,—Albertus Magnus, 1193–1280, diens leermeester,—William van Occam gest. 1347 en zijn leermeester Johannes Duns Scotus, ± 1270–1308. Zie verder het boven aangehaalde boek van R. Casimir.7Brief aan de Hebreën XI, 1.8Het beroemde hoofdstuk over de christelijke liefde, dat begint: “Al ware het, dat ik de talen der menschen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zoo ware ik een klinkend metaal of luidende schel geworden.”9Overgang van brood en wijn bij het Avondmaal in het vleesch en bloed van Christus.10Dit is een hatelijkheid tegen de volgelingen van Scotus, die leerden, dat het voldoende wasin staat te zijnjuiste onderscheidingen te maken, terwijl nauwkeurige kennis van zaken niet beslist noodig was.11Elke zaak wordt door deze vier dingen bepaald, zoo leert de Scholastiek.12Van de zeven Sacramenten der Katholieke kerk wordt aan die, welke niet herhaald kunnen worden, zooals den doop, de bevestiging en de priesterwijding een onuitwischbaar karakter toegekend.13Evang. Johannes IV, 24.14De Katholieke kerk kent verschillende soorten van genade.Met de eerste hier genoemde soort wordt bijv. de genade bedoeld om wonderen te verrichten.15De leer van het werk op zich zelf beschouwd (zoogen. opus operatum) werd door de Scholastiek vooral op de Sacramenten toegepast; zulk een Sacrament werkt door zijn eigen, innerlijke kracht, niet door de heiligheid van dengene, die het toedient of ontvangt.16In de brieven aan Timotheus en Titus.17Chrysippus, Stoïcijnsch wijsgeer, 282–208 v. Chr., beroemd om zijn scherpzinnigheid.18Joannes bijgenaamd Chrysostomus (= Guldenmond), 344–407, aartsbisschop van Constantinopel, beroemd kerkvader.19De heilige Basilius, 330–379, bisschop van Caesarea in Klein-Azië, wordt vooral vereerd door de Grieksch-Katholieken.20ZieVoorrede.21In de Odyssea verhaalt Homerus, hoe Penelope, de vrouw van Odysseus, tijdens de langdurige afwezigheid van haar gemaal door een menigte vrijers werd lastig gevallen. Zij beloofde een van hen te zullen trouwen, zoodra zij een lijkkleed voor haar schoonvader Laërtes zou hebben voltooid. ’s Nachts echter rafelde zij alles weer uit, wat zij overdag had geweven.22Wetgever te Athene, ± 600 v. Chr.23De beroemde kerkvader, 354–430, bisschop van Hippo Regius in Africa.24Thomas van Aquino, zie boven.25Naam in de middeleeuwen aan hen gegeven, die, na alle examens te hebben afgelegd, het recht hadden verworven aan de Universiteiten voorlezingen te houden.26Het punt in kwestie, waarover, volgens Listrius, Oxfordsche geleerden twistten, is niet volkomen helder. Het schijnt wel, dat het eenvoudig het verschil in beteekenis tusschen de tweede en derde persoon van het werkwoord is.—Eenige woorden zijn in de vertaling weggelaten, waarvan de bedoeling niet duidelijk is en die tot het zinsverband niets afdoen.27De ouden namen oorspronkelijk zeven hemelkringen aan, waarbij later nog drie gevoegd werden. In den tienden, het zoogenaamde “Empyreum” (= vuurhemel) woonden de heiligen, zie het laatste prentje (waar echter de hemel maar in negen kringen is verdeeld).28Jupiter verslond zijn gemalin Metis, terwijl ze zwanger was van Pallas Athene. Deze sprong daarna in volle wapenrusting uit zijn hoofd te voorschijn, nadat Vulcanus het met zijn bijl had gekloofd.29Wellicht heeft E. hier de met banden versierde baret op het oog, die de doctors plachten te dragen.30= Onze Meester.31Jahweh, = God, wordt in het Hebreeuwsch enkel door de vier medeklinkers uitgedrukt. De naam is zoo heilig, dat geen Jood hem mag uitspreken.

Hoofdstuk L.Dichters.Minder verplichting aan mij hebben de dichters, ofschoon zij zeker uit den aard van hun beroep tot mijn partij behooren, want zij zijn vrije menschen, zooals het spreekwoord1wil, wier eenig genot bestaat in het streelen van de ooren der dwazen en dan nog wel met loutere nietigheden en belachelijke verhaaltjes. Desniettemin meenen zij, hoe vreemd het moge klinken, op grond hiervan niet alleen zichzelf, maar ook anderen de onsterfelijkheid en een godenleven temogen beloven. Met deze bent staan bovenal Eigenliefde en Vleierij2op een zeer vertrouwelijken voet en bij geen enkel slag van menschen vind ik oprechter of standvastiger aanbidders. Verder behooren de redekunstenaars, hoewel zij soms valsch spel spelen en heulen met de wijsgeeren, zeker ook tot onze partij, hetgeen vooral hieruit blijkt, dat ze, behalve andere beuzelarijen, zoo nauwkeurig en zoo veel over de kunst van schertsen geschreven hebben3. Zoo geeft de schrijver van de aan Herennius opgedragen Redekunst4, wie hij dan ook moge geweest zijn, de dwaasheid zelfs een plaats onder de soorten van geestigheden en komt bij Quintilianus5, verreweg den eersten man van dezen kring, een hoofdstuk voor over het lachen, dat nog uitvoeriger is dan de Ilias6, en hechten zij zooveel waarde aan de zotheid, dat dikwijls een uit gebrek aan bewijsgronden verloren zaak, desniettemin door lachen gewonnen wordt. Niemand zal toch wel van oordeel zijn, dat het buiten het gebied der Zotheid ligt door lachwekkende gezegden de menschen te doen schateren en dat nog wel volgens de regelen der kunst. Tot deze klasse behooren ook zij, die door het uitgeven van boeken jacht maken op onsterfelijken roem. Zij hebben allen de hoogste verplichting aan mij, maar in de eerste plaats zij, die louter beuzelarijen op het papier kladden.Want zij, die hun wetenschappelijke geschriften inrichten naar den smaak van een paar geleerden en geen bezwaar hebben tegen een vonnis van Persius of Laelius7, zijn, mijns inziens, meer te beklagen dan te benijden, omdat zij zichzelf voortdurend kwellen. Zij voegen in, veranderen, schrappen, schrijven opnieuw, herhalen, werken om, dikken aan, houden negen jaar lang hun werk weggesloten8, zonder zichzelf ooit te voldoen, en koopen een ijdele belooning bestaande in den lof van zeer weinigen, tot zulk een hoogen prijs, ten koste van zooveel nachtwaken en met zooveel opoffering van den zoo genotrijken slaap, voor zooveel zweetdroppels, voor zooveel kruisen. Voeg nu daarbij het verlies van gezondheid, het ruïneeren der schoonheid des lichaams, slechte oogen of zelfs blindheid, armoede, den haat der menschen, onthouding van alle genoegens, een vroegen ouderdom, een ontijdigen dood en wat dies meer zij. Ten koste van zooveel leed meent die wijze de goedkeuring van een paar leepoogen9te moeten koopen. Maar de schrijver naar mijn hart—hoeveel gelukkiger is zijn waanzin, als hij zonder eenig hoofdbreken alles, juist zooals het hem invalt of uit de pen vloeit, zelfs zijn droomerijen op staanden voet te boek stelt, wat hem alleen maar een beetje papier kost, overtuigd, dat hoe beuzelachtiger beuzelarijen hij neerschrijft, hij op de goedkeuring van des te meer menschen, namelijk van alle zotten en stommeriken, mag rekenen. Het valt toch zeker niet moeilijk zich onverschillig te toonen voor het oordeel van anderhalven geleerde, zoo zij al die geschriften lezen. Of wat zal de stem van enkele wijzen beteekenen te midden van den ontelbaren hoop van lieden, die daartegenin schreeuwen? Maar nog wijzer zijn zij, die werken van anderen voor de hunne uitgeven en den roem, door dezen ten koste van veel arbeid verkregen,op hun naam weten over te brengen, in ’t vertrouwen natuurlijk, dat al worden zij ook volkomen overtuigd van letterdieverij, hun intusschen toch het genot voor eenigen tijd ten goede zal komen. Het is de moeite waard op te letten, hoezeer zij met zichzelf ingenomen zijn, als zij algemeen geprezen worden, als men onder het volk op hen wijst zeggend “daar heb je dien knappen kerel,” als hun werken bij de boekverkoopers te koop liggen, als er aan het hoofd van alle bladzijden drie namen10te lezen staan, vooral als deze uit den vreemde zijn en gelijken op tooverwoorden. Maar bij den Hemel, wat zijn het anders dan namen? Voorts, hoe weinigen zullen ze kennen, als men let op den reusachtigen omvang der wereld, en hoeveel kleiner zal nog het aantal zijn van hen, die ze zullen prijzen, in aanmerking genomen, dat de smaken ook van de ongeleerden zoo verschillend zijn. Daarenboven worden die namen zelf niet zelden verdicht of aan de boeken der ouden ontleend, daar de een gaarne Telemachus11wil heeten, een ander Sthenelus12of Laërtes13, deze Polycrates14, gene Thrasymachus15, zoodat men al even goed op den titel den naam Kameleon of Pompoen, of in de taal der wijsgeeren Alpha of Beta16zou kunnen zetten. Maar het aardigste is, als die dwazen en domooren elkander over en weer in brieven, gedichten en lofzangen ophemelen. Zoo verklaart deze genen voor een Alcaeus, gene hem voor een Callimachus17, gene staat volgens dezen boven M. Tullius18, deze acht hem geleerder dan Plato. Ook zoeken zij soms een tegenstander om door een wedstrijd met hem zich een grooteren naam te verwerven:En weiflend splitst ’t gemeen zich in vijand’ge kampen19,totdat beide legerhoofden na den gelukkig gevoerden strijd als overwinnaar heengaan en beideeen zegepraal vieren. De wijze lacht hierom wetend, dat het inderdaad een groote dwaasheid is. Want wie kan dat loochenen? Maar zij leiden intusschen door mijn goedheid een aangenaam leventje en zouden hun zegepralen zelfs niet met die der Scipio’s20willen ruilen. Toch hebben ondertusschen ook de verstandigen zelf geen geringe verplichting aan mij, doordat zij er steeds recht hartelijk om lachen en genieten van den waanzin van anderen: dit kunnen zij zeker niet ontkennen zonder zich aan de allergrofste ondankbaarheid schuldig te maken.1Horatius o.a. zegt: Schilders en dichters heeft het altijd gelijkelijk vrijgestaan te ondernemen wat zij maar wilden, hoe gewaagd het ook was.2Ziehoofdst. IX.3Zoo o.a. Cicero in een van zijn werken over de theorie van de redekunst.4Dateert waarschijnlijk uit de 1e eeuw voor Chr. Wie de schrijver is geweest, blijft onzeker.5Ziehoofdst. XXIV.6Een der beide gedichten van Homerus, dat 24 zangen telt. Spreekwoordelijk voor: een lang gedicht.7Persius wordt door Cicero in het zooeven genoemde werk aangehaald als een bijzonder geleerd en streng kunstrechter, Laelius als een kundig en eerlijk beoordeelaar.8Horatius geeft den dichters den raad negen jaar te wachten met het uitgeven van hun werk, opdat zij wat hun achteraf minder goed schijnt, weer kunnen vernietigen.9= kamergeleerden.10Elk fatsoenlijk Romein had drie namen.11Zoon van Odysseus.12Held uit de Ilias van Homerus.13Vader van Odysseus.14ZieVoorrede.15Sophist (ziehoofdst. II), tijdgenoot van Socrates.16Met het laatste bedoelt E. de letters, waarmee vooral in de Wiskunde gewerkt wordt; Kameleon spreekwoordelijk voor: een veranderlijk persoon, pompoenkop wordt bij Apuleius (zie Voorrede) voor domkop gebruikt.17Grieksche dichters, de eerste ± 600 v. Chr., de tweede ± 250 v. Chr.18Cicero.19Regel uit de Aeneïs van Vergilius.20Twee beroemde Romeinsche veldheeren, de eerste ± 200, de tweede ± 150 v. Chr.

Minder verplichting aan mij hebben de dichters, ofschoon zij zeker uit den aard van hun beroep tot mijn partij behooren, want zij zijn vrije menschen, zooals het spreekwoord1wil, wier eenig genot bestaat in het streelen van de ooren der dwazen en dan nog wel met loutere nietigheden en belachelijke verhaaltjes. Desniettemin meenen zij, hoe vreemd het moge klinken, op grond hiervan niet alleen zichzelf, maar ook anderen de onsterfelijkheid en een godenleven temogen beloven. Met deze bent staan bovenal Eigenliefde en Vleierij2op een zeer vertrouwelijken voet en bij geen enkel slag van menschen vind ik oprechter of standvastiger aanbidders. Verder behooren de redekunstenaars, hoewel zij soms valsch spel spelen en heulen met de wijsgeeren, zeker ook tot onze partij, hetgeen vooral hieruit blijkt, dat ze, behalve andere beuzelarijen, zoo nauwkeurig en zoo veel over de kunst van schertsen geschreven hebben3. Zoo geeft de schrijver van de aan Herennius opgedragen Redekunst4, wie hij dan ook moge geweest zijn, de dwaasheid zelfs een plaats onder de soorten van geestigheden en komt bij Quintilianus5, verreweg den eersten man van dezen kring, een hoofdstuk voor over het lachen, dat nog uitvoeriger is dan de Ilias6, en hechten zij zooveel waarde aan de zotheid, dat dikwijls een uit gebrek aan bewijsgronden verloren zaak, desniettemin door lachen gewonnen wordt. Niemand zal toch wel van oordeel zijn, dat het buiten het gebied der Zotheid ligt door lachwekkende gezegden de menschen te doen schateren en dat nog wel volgens de regelen der kunst. Tot deze klasse behooren ook zij, die door het uitgeven van boeken jacht maken op onsterfelijken roem. Zij hebben allen de hoogste verplichting aan mij, maar in de eerste plaats zij, die louter beuzelarijen op het papier kladden.Want zij, die hun wetenschappelijke geschriften inrichten naar den smaak van een paar geleerden en geen bezwaar hebben tegen een vonnis van Persius of Laelius7, zijn, mijns inziens, meer te beklagen dan te benijden, omdat zij zichzelf voortdurend kwellen. Zij voegen in, veranderen, schrappen, schrijven opnieuw, herhalen, werken om, dikken aan, houden negen jaar lang hun werk weggesloten8, zonder zichzelf ooit te voldoen, en koopen een ijdele belooning bestaande in den lof van zeer weinigen, tot zulk een hoogen prijs, ten koste van zooveel nachtwaken en met zooveel opoffering van den zoo genotrijken slaap, voor zooveel zweetdroppels, voor zooveel kruisen. Voeg nu daarbij het verlies van gezondheid, het ruïneeren der schoonheid des lichaams, slechte oogen of zelfs blindheid, armoede, den haat der menschen, onthouding van alle genoegens, een vroegen ouderdom, een ontijdigen dood en wat dies meer zij. Ten koste van zooveel leed meent die wijze de goedkeuring van een paar leepoogen9te moeten koopen. Maar de schrijver naar mijn hart—hoeveel gelukkiger is zijn waanzin, als hij zonder eenig hoofdbreken alles, juist zooals het hem invalt of uit de pen vloeit, zelfs zijn droomerijen op staanden voet te boek stelt, wat hem alleen maar een beetje papier kost, overtuigd, dat hoe beuzelachtiger beuzelarijen hij neerschrijft, hij op de goedkeuring van des te meer menschen, namelijk van alle zotten en stommeriken, mag rekenen. Het valt toch zeker niet moeilijk zich onverschillig te toonen voor het oordeel van anderhalven geleerde, zoo zij al die geschriften lezen. Of wat zal de stem van enkele wijzen beteekenen te midden van den ontelbaren hoop van lieden, die daartegenin schreeuwen? Maar nog wijzer zijn zij, die werken van anderen voor de hunne uitgeven en den roem, door dezen ten koste van veel arbeid verkregen,op hun naam weten over te brengen, in ’t vertrouwen natuurlijk, dat al worden zij ook volkomen overtuigd van letterdieverij, hun intusschen toch het genot voor eenigen tijd ten goede zal komen. Het is de moeite waard op te letten, hoezeer zij met zichzelf ingenomen zijn, als zij algemeen geprezen worden, als men onder het volk op hen wijst zeggend “daar heb je dien knappen kerel,” als hun werken bij de boekverkoopers te koop liggen, als er aan het hoofd van alle bladzijden drie namen10te lezen staan, vooral als deze uit den vreemde zijn en gelijken op tooverwoorden. Maar bij den Hemel, wat zijn het anders dan namen? Voorts, hoe weinigen zullen ze kennen, als men let op den reusachtigen omvang der wereld, en hoeveel kleiner zal nog het aantal zijn van hen, die ze zullen prijzen, in aanmerking genomen, dat de smaken ook van de ongeleerden zoo verschillend zijn. Daarenboven worden die namen zelf niet zelden verdicht of aan de boeken der ouden ontleend, daar de een gaarne Telemachus11wil heeten, een ander Sthenelus12of Laërtes13, deze Polycrates14, gene Thrasymachus15, zoodat men al even goed op den titel den naam Kameleon of Pompoen, of in de taal der wijsgeeren Alpha of Beta16zou kunnen zetten. Maar het aardigste is, als die dwazen en domooren elkander over en weer in brieven, gedichten en lofzangen ophemelen. Zoo verklaart deze genen voor een Alcaeus, gene hem voor een Callimachus17, gene staat volgens dezen boven M. Tullius18, deze acht hem geleerder dan Plato. Ook zoeken zij soms een tegenstander om door een wedstrijd met hem zich een grooteren naam te verwerven:

En weiflend splitst ’t gemeen zich in vijand’ge kampen19,

En weiflend splitst ’t gemeen zich in vijand’ge kampen19,

totdat beide legerhoofden na den gelukkig gevoerden strijd als overwinnaar heengaan en beideeen zegepraal vieren. De wijze lacht hierom wetend, dat het inderdaad een groote dwaasheid is. Want wie kan dat loochenen? Maar zij leiden intusschen door mijn goedheid een aangenaam leventje en zouden hun zegepralen zelfs niet met die der Scipio’s20willen ruilen. Toch hebben ondertusschen ook de verstandigen zelf geen geringe verplichting aan mij, doordat zij er steeds recht hartelijk om lachen en genieten van den waanzin van anderen: dit kunnen zij zeker niet ontkennen zonder zich aan de allergrofste ondankbaarheid schuldig te maken.

1Horatius o.a. zegt: Schilders en dichters heeft het altijd gelijkelijk vrijgestaan te ondernemen wat zij maar wilden, hoe gewaagd het ook was.2Ziehoofdst. IX.3Zoo o.a. Cicero in een van zijn werken over de theorie van de redekunst.4Dateert waarschijnlijk uit de 1e eeuw voor Chr. Wie de schrijver is geweest, blijft onzeker.5Ziehoofdst. XXIV.6Een der beide gedichten van Homerus, dat 24 zangen telt. Spreekwoordelijk voor: een lang gedicht.7Persius wordt door Cicero in het zooeven genoemde werk aangehaald als een bijzonder geleerd en streng kunstrechter, Laelius als een kundig en eerlijk beoordeelaar.8Horatius geeft den dichters den raad negen jaar te wachten met het uitgeven van hun werk, opdat zij wat hun achteraf minder goed schijnt, weer kunnen vernietigen.9= kamergeleerden.10Elk fatsoenlijk Romein had drie namen.11Zoon van Odysseus.12Held uit de Ilias van Homerus.13Vader van Odysseus.14ZieVoorrede.15Sophist (ziehoofdst. II), tijdgenoot van Socrates.16Met het laatste bedoelt E. de letters, waarmee vooral in de Wiskunde gewerkt wordt; Kameleon spreekwoordelijk voor: een veranderlijk persoon, pompoenkop wordt bij Apuleius (zie Voorrede) voor domkop gebruikt.17Grieksche dichters, de eerste ± 600 v. Chr., de tweede ± 250 v. Chr.18Cicero.19Regel uit de Aeneïs van Vergilius.20Twee beroemde Romeinsche veldheeren, de eerste ± 200, de tweede ± 150 v. Chr.

1Horatius o.a. zegt: Schilders en dichters heeft het altijd gelijkelijk vrijgestaan te ondernemen wat zij maar wilden, hoe gewaagd het ook was.

2Ziehoofdst. IX.

3Zoo o.a. Cicero in een van zijn werken over de theorie van de redekunst.

4Dateert waarschijnlijk uit de 1e eeuw voor Chr. Wie de schrijver is geweest, blijft onzeker.

5Ziehoofdst. XXIV.

6Een der beide gedichten van Homerus, dat 24 zangen telt. Spreekwoordelijk voor: een lang gedicht.

7Persius wordt door Cicero in het zooeven genoemde werk aangehaald als een bijzonder geleerd en streng kunstrechter, Laelius als een kundig en eerlijk beoordeelaar.

8Horatius geeft den dichters den raad negen jaar te wachten met het uitgeven van hun werk, opdat zij wat hun achteraf minder goed schijnt, weer kunnen vernietigen.

9= kamergeleerden.

10Elk fatsoenlijk Romein had drie namen.

11Zoon van Odysseus.

12Held uit de Ilias van Homerus.

13Vader van Odysseus.

14ZieVoorrede.

15Sophist (ziehoofdst. II), tijdgenoot van Socrates.

16Met het laatste bedoelt E. de letters, waarmee vooral in de Wiskunde gewerkt wordt; Kameleon spreekwoordelijk voor: een veranderlijk persoon, pompoenkop wordt bij Apuleius (zie Voorrede) voor domkop gebruikt.

17Grieksche dichters, de eerste ± 600 v. Chr., de tweede ± 250 v. Chr.

18Cicero.

19Regel uit de Aeneïs van Vergilius.

20Twee beroemde Romeinsche veldheeren, de eerste ± 200, de tweede ± 150 v. Chr.

Hoofdstuk LI.Rechtsgeleerden.Onder de geleerden matigen de rechtsgeleerden zich wel de allereerste plaats aan en meer dan iemand anders zijn zij met zichzelf ingenomen. Door den steen van Sisyphus1aanhoudend voort te wentelen en duizend wetten in één adem samen te flansen, onverschillig omtrent welk onderwerp, door verklaringen op verklaringen, zienswijzen op zienswijzen te stapelen, maken zij, dat de beoefening van dat vak voor het allermoeilijkst doorgaat. Want al wat veel inspanningkost, dat houden zij aanstonds ook voor voortreffelijk. Laten wij bij dezen nog de beoefenaars van de kunst van disputeeren en de sophisten2voegen, een slag van menschen, nog klapachtiger dan al de bekkens te Dodona3, zoodat ieder hunner het gerust tegen twintig uitgezochte babbelaarsters kan opnemen. Zeker zouden ze nog gelukkiger zijn, als zij enkel goed van den tongriem gesneden waren en niet tevens zoo twistziek, dat ze altijd door over ’s keizers baard te vechten en uit overdreven strijdlust gewoonlijk de waarheid uit het oog verloren. Hen maakt echter hun eigenliefde recht gelukkig, want met een paar sluitredenen gewapend durven zij onverwijld iedereen over ieder onderwerp te lijf gaan. Trouwens hun stijfhoofdigheid maakt hen onoverwinnelijk, ook al hadden zij een tegenpartij even krachtig van longen als Stentor4.1Spreekwoordelijk voor: vergeefschen arbeid verrichten, immers Sisyphus trachtte in de onderwereld een steen over den rand van een berg te wentelen, maar telkens als hij bijna zijn doel bereikt had, rolde de steen weer naar beneden en moest hij opnieuw beginnen.2Ziehoofdst. II.3Beroemd orakel in Griekenland. Wat met die bekkens bedoeld wordt, staat niet vast; zooveel is zeker, dat “bekken van Dodona” spreekwoordelijk was voor: een lastige babbelaar.4Volgens Homerus met een koperen stem, gelijk aan die van vijftig mannen, begaafd.

Onder de geleerden matigen de rechtsgeleerden zich wel de allereerste plaats aan en meer dan iemand anders zijn zij met zichzelf ingenomen. Door den steen van Sisyphus1aanhoudend voort te wentelen en duizend wetten in één adem samen te flansen, onverschillig omtrent welk onderwerp, door verklaringen op verklaringen, zienswijzen op zienswijzen te stapelen, maken zij, dat de beoefening van dat vak voor het allermoeilijkst doorgaat. Want al wat veel inspanningkost, dat houden zij aanstonds ook voor voortreffelijk. Laten wij bij dezen nog de beoefenaars van de kunst van disputeeren en de sophisten2voegen, een slag van menschen, nog klapachtiger dan al de bekkens te Dodona3, zoodat ieder hunner het gerust tegen twintig uitgezochte babbelaarsters kan opnemen. Zeker zouden ze nog gelukkiger zijn, als zij enkel goed van den tongriem gesneden waren en niet tevens zoo twistziek, dat ze altijd door over ’s keizers baard te vechten en uit overdreven strijdlust gewoonlijk de waarheid uit het oog verloren. Hen maakt echter hun eigenliefde recht gelukkig, want met een paar sluitredenen gewapend durven zij onverwijld iedereen over ieder onderwerp te lijf gaan. Trouwens hun stijfhoofdigheid maakt hen onoverwinnelijk, ook al hadden zij een tegenpartij even krachtig van longen als Stentor4.

1Spreekwoordelijk voor: vergeefschen arbeid verrichten, immers Sisyphus trachtte in de onderwereld een steen over den rand van een berg te wentelen, maar telkens als hij bijna zijn doel bereikt had, rolde de steen weer naar beneden en moest hij opnieuw beginnen.2Ziehoofdst. II.3Beroemd orakel in Griekenland. Wat met die bekkens bedoeld wordt, staat niet vast; zooveel is zeker, dat “bekken van Dodona” spreekwoordelijk was voor: een lastige babbelaar.4Volgens Homerus met een koperen stem, gelijk aan die van vijftig mannen, begaafd.

1Spreekwoordelijk voor: vergeefschen arbeid verrichten, immers Sisyphus trachtte in de onderwereld een steen over den rand van een berg te wentelen, maar telkens als hij bijna zijn doel bereikt had, rolde de steen weer naar beneden en moest hij opnieuw beginnen.

2Ziehoofdst. II.

3Beroemd orakel in Griekenland. Wat met die bekkens bedoeld wordt, staat niet vast; zooveel is zeker, dat “bekken van Dodona” spreekwoordelijk was voor: een lastige babbelaar.

4Volgens Homerus met een koperen stem, gelijk aan die van vijftig mannen, begaafd.

Hoofdstuk LII.Wijsgeeren.Na dezen komen de wijsgeeren aan de beurt, eerbiedwaardig door hun baard en mantel, die ronduit verklaren dat zíj alleen wijs, maar alle overige stervelingen rondwarende schimmen1zijn. Maar hoe vermakelijk is niet de waanzin dier bouwmeesters van tallooze werelden, wanneer zij de zon, de maan, de sterren en andere hemellichamen als met duim of koord meten, van bliksemwinden, eklipsen en al wat verder onverklaarbaar is, zonder eenige aarzeling rekenschap geven, even alsof de natuur, toen zij de wereld schiep, hen in het geheim had genomen en zij uit de raadsvergadering der goden tot ons kwamen. Intusschen vermaakt de natuur zich kostelijk met hen en hun gissingen. Want dat er in hun kring volstrekt geen zekerheid bestaat,dat bewijzen ongetwijfeld de eindelooze geschillen, die over elk onderdeel tusschen henzelf gevoerd worden. En ofschoon zij volstrekt niets weten, geven zij zich toch voor alwetend uit en, terwijl zij zichzelf niet kennen en niet zelden geen sloot of steen op hun weg zien, hetzij omdat zij meestal slechte oogen hebben, hetzij omdat hun gedachten op den loop zijn, beroemen zij er zich toch op, dat zij voorstellingen, algemeene begrippen, afzonderlijke vormen, grondstoffen, eigenaardigheden en wezenlijkheden2zien, onderscheidingen zoo fijn, dat ik zelfs niet geloof, dat Lynceus3ze zou kunnen doorschouwen. Maar dan vooral zien zij laag neer op het oningewijde gemeen, als zij drie- en vierhoeken, cirkels en andere dergelijke meetkundigefiguren, de een over de andere teekenen en als in een doolhof dooreen laten loopen, vervolgens letters als in slagorde scharen, die ze telkens en telkens weer nu eens op deze, dan weer op gene wijze rangschikken, om zoo onervarenen zand in de oogen te strooien. Het ontbreekt in hun kring ook niet aan lieden, die de toekomst uit de sterren voorspellen en mirakelen beloven, zooals geen toovenaar ze zou kunnen volbrengen, en zij zijn zoo gelukkig menschen te vinden, die ook dit geloovig aannemen.1Zoo noemt Homerus de afgestorvenen, die als schaduwen zonder bewustzijn rondzwerven.2Het is niet mogelijk in een kort bestek de verklaring te geven van de hier door E. bespotte termen der Middeleeuwsche Scholastiek. Men raadplege bijv. R. Casimir, Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het menschelijk denken W. B. Nº 78/80, Deel I, § 31.3Held uit de Grieksche Mythologie, wiens oogen door aarde en steenen heen konden zien.

Na dezen komen de wijsgeeren aan de beurt, eerbiedwaardig door hun baard en mantel, die ronduit verklaren dat zíj alleen wijs, maar alle overige stervelingen rondwarende schimmen1zijn. Maar hoe vermakelijk is niet de waanzin dier bouwmeesters van tallooze werelden, wanneer zij de zon, de maan, de sterren en andere hemellichamen als met duim of koord meten, van bliksemwinden, eklipsen en al wat verder onverklaarbaar is, zonder eenige aarzeling rekenschap geven, even alsof de natuur, toen zij de wereld schiep, hen in het geheim had genomen en zij uit de raadsvergadering der goden tot ons kwamen. Intusschen vermaakt de natuur zich kostelijk met hen en hun gissingen. Want dat er in hun kring volstrekt geen zekerheid bestaat,dat bewijzen ongetwijfeld de eindelooze geschillen, die over elk onderdeel tusschen henzelf gevoerd worden. En ofschoon zij volstrekt niets weten, geven zij zich toch voor alwetend uit en, terwijl zij zichzelf niet kennen en niet zelden geen sloot of steen op hun weg zien, hetzij omdat zij meestal slechte oogen hebben, hetzij omdat hun gedachten op den loop zijn, beroemen zij er zich toch op, dat zij voorstellingen, algemeene begrippen, afzonderlijke vormen, grondstoffen, eigenaardigheden en wezenlijkheden2zien, onderscheidingen zoo fijn, dat ik zelfs niet geloof, dat Lynceus3ze zou kunnen doorschouwen. Maar dan vooral zien zij laag neer op het oningewijde gemeen, als zij drie- en vierhoeken, cirkels en andere dergelijke meetkundigefiguren, de een over de andere teekenen en als in een doolhof dooreen laten loopen, vervolgens letters als in slagorde scharen, die ze telkens en telkens weer nu eens op deze, dan weer op gene wijze rangschikken, om zoo onervarenen zand in de oogen te strooien. Het ontbreekt in hun kring ook niet aan lieden, die de toekomst uit de sterren voorspellen en mirakelen beloven, zooals geen toovenaar ze zou kunnen volbrengen, en zij zijn zoo gelukkig menschen te vinden, die ook dit geloovig aannemen.

1Zoo noemt Homerus de afgestorvenen, die als schaduwen zonder bewustzijn rondzwerven.2Het is niet mogelijk in een kort bestek de verklaring te geven van de hier door E. bespotte termen der Middeleeuwsche Scholastiek. Men raadplege bijv. R. Casimir, Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het menschelijk denken W. B. Nº 78/80, Deel I, § 31.3Held uit de Grieksche Mythologie, wiens oogen door aarde en steenen heen konden zien.

1Zoo noemt Homerus de afgestorvenen, die als schaduwen zonder bewustzijn rondzwerven.

2Het is niet mogelijk in een kort bestek de verklaring te geven van de hier door E. bespotte termen der Middeleeuwsche Scholastiek. Men raadplege bijv. R. Casimir, Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het menschelijk denken W. B. Nº 78/80, Deel I, § 31.

3Held uit de Grieksche Mythologie, wiens oogen door aarde en steenen heen konden zien.

Hoofdstuk LIII.Godgeleerden.Misschien zou het beter zijn de Godgeleerden met stilzwijgen voorbij te gaan en niet in dezen modderpoel te roeren of slapende honden wakker te maken, omdat dit slag van menschen verbazend laatdunkend en prikkelbaar is. Zij zouden mij misschien bij drommen met duizenden conclusies te lijf gaan en dwingen te herroepen om, als ik dit mocht weigeren, op staanden voet de beschuldiging van ketterij uit te galmen. Want zij staan altijd dadelijk klaar om met dezen bliksem een ieder angst aan te jagen, wien zij niet bijzonder genegen zijn. Inderdaad, al valt het hun meer dan anderen zwaar mijn weldaden te erkennen, toch hebben ook zij groote verplichting aan mij. Gelukkig door hun eigenliefde zien zij, alsof zij zelf in den derden hemel1woonden, op alle overige stervelingen als op aardwormen uit de hoogte haast met een gevoel van medelijden neer. Veilig achter een drom van magistrale bepalingen, sluitredenen, gevolgtrekkingen, ontwikkelde en ingewikkelde voorstellingen bezitten zij zulk een tal van schuilhoeken, dat zelfs de ijzeren netten van Vulcanus hen niet kunnen vasthouden2.Zij weten te ontsnappen door middel van onderscheidingen, waardoor zij alle knoopen als met een bijl van Tenedos doorhakken3, en altijd hebben zij pas uitgedachte woorden en monsterachtige uitdrukkingen in voorraad. Zoo verklaren zij verder geheel naar hun goedvinden de ondoorgrondelijkste geheimenissen bijv., op welke wijze de wereld geschapen is en geordend; langs welke wegen de erfzonde over het nageslacht gekomen is; op welke wijzen, in welke grootte en in hoe weinig tijd Christus in den schoot der heilige maagd voldragen is; hoe bij het avondmaal bijkomstigedingen afgescheiden van de substantie kunnen bestaan4. Maar dit is werk voor Jan en alleman. De volgende strijdvragen achten zij eerst groote en, om hun eigen woorden te bezigen, verlichte Godgeleerden waardig. Daarom worden zij bij deze, als zij soms voorkomen, recht wakker: kan er sprake zijn van een meetbaar tijdstip bij de goddelijke geboorte? Is Christus in meer dan één opzicht God’s zoon? Is de stelling mogelijk: God, de vader, haat den zoon? Kan God de gestalte aannemen van een vrouw, een duivel, een ezel, een pompoen of een keisteen? Maar dan: hoe zou een pompoen gepreekt en wonderen verricht hebben en hoe had hij moeten gekruisigd worden? Wat zou Petrus gewijd hebben, als hij het misoffer had opgedragen gedurende den tijd, dat Christus’ lichaam aan het kruis hing? Zou men Christus gedurende dienzelfden tijd een mensch hebben kunnen noemen? Zal het na de opstanding geoorloofd zijn te eten of te drinken? Blijkbaar willen zij reeds nu voorzorgsmaatregelen nemen tegen dien honger en dorst in de toekomst. Zij beschikken verder over een eindeloos aantal nog fijner haarklooverijen, over begrippen, betrekkingen, algemeene vormen, bijzondere eigenaardigheden, wezenlijkheden, zaken, alleen zichtbaar voor de oogen van hem, die zulke scherpe oogen bezit, dat hij in staat is ook door de dikste duisternis heen het nergens bestaande waar te nemen. Voeg hierbij nu hun stelregels, zoo paradoxaal, dat zelfs die orakelspreuken der Stoïcijnen5, die men paradoxen pleegt te noemen, in vergelijking hiermede voor de platste en meest alledaagsche volkswijsheid kunnen doorgaan; zoo beweren zij bijv., dat het een lichter misdrijf is, duizend menschen van kant te maken dan éénmaal op den dag des Heeren een schoen voor een armen drommel te naaien, en dat het beter is de geheelewereld met al haar hebben en houden te laten vergaan, dan een enkel leugentje te zeggen, hoe onschuldig het ook moge zijn. Dan maken zij deze haarfijne fijnigheden nog fijner door allerlei middelen der scholastiek, zoodat men nog eerder uit de ergste doolhoven een uitweg kan vinden dan uit de ingewikkelde vertoogen der Realisten, Nominalisten, Thomisten, Albertisten, Occamisten, Scotisten6; en nu heb ik nog niet eens alle, maar slechts de voornaamste sekten opgenoemd. Zij allen bezitten zooveel geleerdheid, maar zijn ook zoo moeilijk te begrijpen, dat de apostelen zelf, naar ik meen, een geheel anderen geest zouden noodig hebben, als zij over deze onderwerpen met dit nieuwerwetsche geslacht van Godgeleerden moesten handgemeen worden. Zeker Paulus zou zijn geloofsmoed kunnen toonen, maar als hij zegt:7Het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet,dan strookt zijn bepaling al zeer weinig met den geest onzer magisters. Al was hij ook een voorbeeld van de christelijke liefde, zoo voldoen toch zijn verdeelingen evenmin als zijn bepalingen in het 13de hoofdstuk van den 1sten brief aan de Corinthiërs8aan de voorschriften der disputeerkunst. Wel vierden de apostelen vroom het avondmaal, maar als men hen ondervraagd had over de transsubstantiatie en de tijdgrenzen, waarbinnen die valt, over de wijze, waarop hetzelfde lichaam op verschillende plaatsen kan zijn, over het verschil tusschen Christus’ lichaam in den hemel, aan het kruis en bij het sacrament van het avondmaal, op welk tijdstip de transsubstantiatie9plaats heeft, daar toch het geheel der rede, waardoor zij tot stand komt, zich in elkaar opvolgende woorden laat oplossen, dan zouden zij, mijns bedunkens, niet met dezelfde scherpzinnigheid geantwoord hebben,als waarmee de jongeren van Scotus dit alles bespreken en onderscheiden. Zij kenden Jezus’ moeder, maar wie hunner wist zoo wijsgeerig als onze Godgeleerden aan te toonen, hoe zij bewaard is gebleven voor de van Adam geërfde zonde? Petrus ontving de sleutels en hij ontving ze van dengene, die ze zeker niet aan een onwaardige zou toevertrouwen, maar toch geloof ik niet, dat hij de fijne kwestie begrepen heeft—in alle gevalle heeft hij haar nergens aangeroerd—, hoe de sleutel der wetenschap ook in het bezit van hem kan zijn, die geen wetenschap bezit10. Zij doopten overal en toch hebben zij nergens onderwezen, waarin de bepaling van den doop bestaat, wat vorm en materie, bewerkende oorzaak en strekking betreft11, en evenmin vindt men bij hen van zijn uitwischbaar of onuitwischbaar karakter12melding gemaakt. Zij baden wel, maar in den geest, zich houdend aan het bekende Evangeliewoord:God is een geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid13.Maar het blijkt niet, dat hun toen geopenbaard is, dat men met denzelfden eerbied als tot Christus zelf moet bidden tot een beeldje, met houtskool op een wand geteekend, als het slechts twee uitgestoken vingers, lang haar en aan den aan het achterhoofd bevestigden stralenkrans drie punten heeft.Immers wie kan dat begrijpen zonder zes en dertig volle jaren te hebben zoek gebracht met de natuurkunde en de bovennatuurkunde van Aristoteles en Scotus? Telkens opnieuw prenten de apostelen ons de leer der genade in, maar zij maken nergens een onderscheid tusschen de genade, die iemand in het bijzonder geschonken wordt, en de heiligmakende genade14. Zij sporen aan tot goede werken, maar maken geen onderscheid tusschen het werk met het oog op den werker en het werk op zichzelf beschouwd15. Zij prenten ons overal de christelijke liefde in zonder de aangeborene van de verworvene te scheiden en verklaren niet, of zij iets bijkomstigs dan wel iets essentieels, iets geschapens dan wel iets ongeschapens is. Zij verfoeien de zonde, maar ik mag sterven, zoo zij een wetenschappelijke bepaling hebben kunnen geven van hetgeen wij onder zonde verstaan, of zij moesten het van den geest der Scotisten geleerd hebben. Want ik kan maar niet gelooven, dat Paulus, de eenige man, naar wiens geleerdheid men die van allen kan afmeten, zoo herhaaldelijk onderzoekingen, geschillen, geslachtsregisters en, zooals hij ze zelf noemt, woordentwisten zou veroordeeld hebben16, als hij zich op zulke spitsvondigheden verstaan had, terwijl nog bovendien alle strijd en geschil dier dagen boersch en grof moet heeten, vergeleken bij de meer dan Chrysippische17fijnheden van onze magisters. De heeren zijn evenwel hoogst bescheiden, want als de apostelen soms in hun geschriften te ruw en niet genoeg volgens de regelen onzer magisters zijn te werk gegaan, dan zijn ze wel zoo goed het niet te veroordeelen, maar er een geschikte uitlegging voor te vinden. Dit doen ze uit eerbied deels voor de oudheid, deels voor den apostolischen naam. Het zou dan waarachtig ook ver van billijk zijn hun zulke hooge eischen te stellen in zaken, waarover zijvan hun leermeesters nooit zelfs een woord gehoord hadden. Als ditzelfde gebeurt bij Chrysostomus18, Basilius19en Hieronymus20, dan achten zij de kantteekening: “dit is niet houdbaar” voldoende. En toch hebben de apostelen heidensche wijsgeeren en Joden, die uit hun aard zeer stijfhoofdig zijn, weerlegd, maar meer door hun leven en wonderen dan door hun sluitredenen, en verder lieden niet vlug genoeg van begrip om, even als Scotus, het voor en het tegen van ook maar één stelling te verdedigen. En nu? Welke heiden, welke ketter zou niet terstond het veld ruimen voor zooveel ragfijne haarklooverijen, tenzij hij te dom is om ze te begrijpen of onbeschaamd genoeg om hen uit te jouwen of voorzien is van dezelfde valstrikken, zoodat de strijd voortaan gelijk staat? Dan zou men een gevecht hebben als tusschen twee toovenaars of tusschen twee bezitters van een tooverzwaard en ’t zou hun gaan als Penelope met haar weefsel21. Zij zouden telkens weer opnieuw beginnen. Zelfs zouden de Christenen, volgens mijn oordeel, wijs handelen, als zij in plaats van die botte benden soldaten, waarvan zij sinds lang zich in den krijg met twijfelachtigen uitslag bedienen, de schreeuwerigste Scotisten en de stijfhoofdigste Occamisten en de onoverwinnelijke Albertisten met den geheelen troep Sophisten tegen de Turken en Saracenen lieten optrekken. Dan zouden zijzeker niet alleen een alleraardigst gevecht, maar ook een vroeger nooit aanschouwde overwinning te zien krijgen. Want wie is zoo koel, dat hij door hun spitsvondigheden niet in geestdrift ontvlamt? Wie zoo lamlendig, dat zulke prikkels hem niet in beweging brengen? Wie is zoo scherp van gezicht, dat het hem hierdoor niet stikdonker voor de oogen wordt? Maar gij meent zeker, dat al wat ik zeg, weinig meer is dan scherts. Het zou waarlijk geen wonder zijn, daar er zich ook onder de Godgeleerden zelf mannen bevinden van degelijker kennis, die walgen van deze, huns inziens, beuzelachtige theologische haarklooverijen. Er zijn er, die het als een soort van heiligschennis verfoeien en het als de hoogste goddeloosheid beschouwen over zulke geheimenissen, die meer aanbidding dan verklaring behoeven, met onreinen mond te spreken, met zulke onheilige heidensche spitsvondigheid te redeneeren, op zulk een aanmatigenden toon bepalingen te geven en de majesteit der goddelijke theologie met zulke platte, of laat ik liever zeggen, gemeene woorden en gedachten te bezoedelen. Intusschen smaken genen toch maar de zaligheid van zichzelf te behagen, ja, zichzelf toe te juichen, zoodat zij, dag en nacht bezig met die heerlijke kleingeestigheden, zelfs geen oogenblik beschikbaar hebben om ook maar éénmaal het evangelie of de brieven van Paulus op te slaan. Dit neemt niet weg, dat zij door zulk beuzelen in de scholen gelooven de geheele kerk—die anders zou instorten—even goed te schragen met de pijlers hunner sluitredenen, als Atlas bij de Dichters den hemel op zijn schouders torst.Gij kunt u hun zaligheid moeilijk voorstellen, als zij de woorden der heilige schriften als was naar willekeur kneden en herkneden, als zij voor hun alreeds door eenige schoolvossen goedgekeurde conclusiesmeer gezag eischen dan voor Solon’s22wetten, ja ze zelfs boven de pauselijke decreten willen gesteld hebben. Zich opwerpende tot zederechters der wereld dwingen zij om alles te herroepen, wat niet geheel strookt met hun directe en indirecte conclusies, en als orakeltaal klinkt hun verklaring: “Deze stelling geeft aanstoot, gene is te oneerbiedig, deze riekt naar ketterij, gene klinkt slecht.” Ten slotte zou noch de doop, noch het evangelie, noch Paulus of Petrus, noch de heilige Hieronymus of Augustinus23, noch zelfs Thomas24, de grootste volgeling van Aristoteles, iemand tot een Christen kunnen maken zonder bekrachtiging der baccalaureï25. Want wie had wel ooit gedacht, dat hij geen Christen is, die zeide, dat deze twee uitdrukkingen: “gij pot stinkt” en “de pot stinkt”.... hetzelfde beteekenden26, indien die wijzen het niet geleeraard hadden? Hoe zou de kerk van zulke dikke nevels van dwalingen bevrijd zijn, die zelfs niemand ooit bij ’t lezen zou gemerkt hebben, als zij die niet in stukken, voorzien van het grootzegel der Universiteit, aan het licht hadden gebracht? Maar voelen zij zich, dit doende, niet hoogst gelukkig? Is dit ook niet het geval, wanneer zij alles wat in de hel geschiedt, zoo haarfijn afschilderen, alsof zij in dien staat verscheiden jaren hadden doorgebracht? Voorts, als zij naar willekeur nieuwehemels scheppen, waarbij zij ten slotte dien uitgestrekten en prachtigen voegen27, ten einde den zielen der zaligen voldoende ruimte te geven om te kunnen wandelen of feestvieren of ook met den bal spelen. Met deze en duizenden andere dergelijke dwaasheden zijn hun hoofden zoo tot barstens toe opgevuld, dat, mijns bedunkens, zelfs Jupiters hersens niet zoo zwanger waren, toen hij van Pallas moest bevallen en de hulp van Vulcanus’ bijl inriep28.Het moet u daarom niet bevreemden, als gij hun hoofd bij openbare disputen met tal van banden omwonden29ziet: Anders zouden zij immers geheel uiteenbarsten. Daarom pleeg ik zelf ook somtijds er om te lachen, wanneer zij zich verbeelden dan eerst echte Godgeleerden te zijn, als zij een taal voeren zoo barbaarsch en gemeen mogelijk; en terwijl zij zoo stamelen, dat ze slechts door iemand, die zelf stamelt, kunnen begrepen worden, noemen zij scherpzinnigheid,wat het volk niet kan begrijpen. Want zij achten het in strijd met de waardigheid der Heilige Schrift, als zij gedwongen worden zich aan de wetten der taalkenners te onderwerpen. Waarachtig, het is een vreemd soort majesteit der Theologen, als zij alleen het recht hebben gebrekkig te spreken, al hebben zij dit speciaal met veel onbeschaafde werklui gemeen. Ten slotte achten zij zich haast den goden gelijk, zoo vaak zij als het ware met heiligen eerbied als “Magister noster”30begroet worden, en zij meenen, dat in dien naam zelfs iets schuilt van hetzelfde gehalte als het vierletterig woord31bij de Joden. Daarom verklaren zij het voor ongeoorloofd, “MAGISTER NOSTER” anders dan met kapitale letters te schrijven, en als iemand averechts mocht zeggen “noster magister,” dan heeft hij eens voor al de geheele majesteit van den Theologischen naam vernietigd.1Paulus’ tweede brief a. d. Cor. XII, 2.2Venus placht haar man, Vulcanus, met Mars te bedriegen. Vulcanus smeedde daarop een onverbreekbaar ijzeren net, zoo fijn als spinrag, ving daarin de beide geliefden en riep toen alle goden om van hun schande getuige te zijn.3Spreekwoordelijk voor: aan een geschil kort een einde maken. Te Tenedos, een eiland dicht bij Troje voor de straat der Dardanellen gelegen, werd volgens de overlevering hij, die door het gerecht schuldig was bevonden, terstond met een bijl gedood.4De bedoeling is: het brood en de wijn behouden hun kleur, reuk, smaak, kunnen voeden en bedwelmen en zijn toch, als ze door den priester zijn gewijd, in werkelijkheid het vleesch en bloed van Christus.5Ziehoofdst. XI.6De Realisten en de Nominalisten vertegenwoordigen de hoofdstroomingen in de Middeleeuwsche Scholastiek. De eersten beweerden, dat de begrippen in werkelijkheid (als “realia”) bestonden en zich in de voor onze zintuigen waarneembare dingen openbaarden, zoo bijv. het begrip “mensch” in de verschillende individuën; de nominalisten erkenden alleen de dingen als werkelijk bestaande. Aan verschillende overeenkomstige dingen geeft men echter eenzelfden naam (“nomen”) en die naam is het begrip. Thomisten, Albertisten, Occamisten en Scotisten zijn de volgelingen van de grootste mannen der scholastieke wijsbegeerte: Thomas van Aquino, 1225–1274, in 1323 heilig verklaard,—Albertus Magnus, 1193–1280, diens leermeester,—William van Occam gest. 1347 en zijn leermeester Johannes Duns Scotus, ± 1270–1308. Zie verder het boven aangehaalde boek van R. Casimir.7Brief aan de Hebreën XI, 1.8Het beroemde hoofdstuk over de christelijke liefde, dat begint: “Al ware het, dat ik de talen der menschen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zoo ware ik een klinkend metaal of luidende schel geworden.”9Overgang van brood en wijn bij het Avondmaal in het vleesch en bloed van Christus.10Dit is een hatelijkheid tegen de volgelingen van Scotus, die leerden, dat het voldoende wasin staat te zijnjuiste onderscheidingen te maken, terwijl nauwkeurige kennis van zaken niet beslist noodig was.11Elke zaak wordt door deze vier dingen bepaald, zoo leert de Scholastiek.12Van de zeven Sacramenten der Katholieke kerk wordt aan die, welke niet herhaald kunnen worden, zooals den doop, de bevestiging en de priesterwijding een onuitwischbaar karakter toegekend.13Evang. Johannes IV, 24.14De Katholieke kerk kent verschillende soorten van genade.Met de eerste hier genoemde soort wordt bijv. de genade bedoeld om wonderen te verrichten.15De leer van het werk op zich zelf beschouwd (zoogen. opus operatum) werd door de Scholastiek vooral op de Sacramenten toegepast; zulk een Sacrament werkt door zijn eigen, innerlijke kracht, niet door de heiligheid van dengene, die het toedient of ontvangt.16In de brieven aan Timotheus en Titus.17Chrysippus, Stoïcijnsch wijsgeer, 282–208 v. Chr., beroemd om zijn scherpzinnigheid.18Joannes bijgenaamd Chrysostomus (= Guldenmond), 344–407, aartsbisschop van Constantinopel, beroemd kerkvader.19De heilige Basilius, 330–379, bisschop van Caesarea in Klein-Azië, wordt vooral vereerd door de Grieksch-Katholieken.20ZieVoorrede.21In de Odyssea verhaalt Homerus, hoe Penelope, de vrouw van Odysseus, tijdens de langdurige afwezigheid van haar gemaal door een menigte vrijers werd lastig gevallen. Zij beloofde een van hen te zullen trouwen, zoodra zij een lijkkleed voor haar schoonvader Laërtes zou hebben voltooid. ’s Nachts echter rafelde zij alles weer uit, wat zij overdag had geweven.22Wetgever te Athene, ± 600 v. Chr.23De beroemde kerkvader, 354–430, bisschop van Hippo Regius in Africa.24Thomas van Aquino, zie boven.25Naam in de middeleeuwen aan hen gegeven, die, na alle examens te hebben afgelegd, het recht hadden verworven aan de Universiteiten voorlezingen te houden.26Het punt in kwestie, waarover, volgens Listrius, Oxfordsche geleerden twistten, is niet volkomen helder. Het schijnt wel, dat het eenvoudig het verschil in beteekenis tusschen de tweede en derde persoon van het werkwoord is.—Eenige woorden zijn in de vertaling weggelaten, waarvan de bedoeling niet duidelijk is en die tot het zinsverband niets afdoen.27De ouden namen oorspronkelijk zeven hemelkringen aan, waarbij later nog drie gevoegd werden. In den tienden, het zoogenaamde “Empyreum” (= vuurhemel) woonden de heiligen, zie het laatste prentje (waar echter de hemel maar in negen kringen is verdeeld).28Jupiter verslond zijn gemalin Metis, terwijl ze zwanger was van Pallas Athene. Deze sprong daarna in volle wapenrusting uit zijn hoofd te voorschijn, nadat Vulcanus het met zijn bijl had gekloofd.29Wellicht heeft E. hier de met banden versierde baret op het oog, die de doctors plachten te dragen.30= Onze Meester.31Jahweh, = God, wordt in het Hebreeuwsch enkel door de vier medeklinkers uitgedrukt. De naam is zoo heilig, dat geen Jood hem mag uitspreken.

Misschien zou het beter zijn de Godgeleerden met stilzwijgen voorbij te gaan en niet in dezen modderpoel te roeren of slapende honden wakker te maken, omdat dit slag van menschen verbazend laatdunkend en prikkelbaar is. Zij zouden mij misschien bij drommen met duizenden conclusies te lijf gaan en dwingen te herroepen om, als ik dit mocht weigeren, op staanden voet de beschuldiging van ketterij uit te galmen. Want zij staan altijd dadelijk klaar om met dezen bliksem een ieder angst aan te jagen, wien zij niet bijzonder genegen zijn. Inderdaad, al valt het hun meer dan anderen zwaar mijn weldaden te erkennen, toch hebben ook zij groote verplichting aan mij. Gelukkig door hun eigenliefde zien zij, alsof zij zelf in den derden hemel1woonden, op alle overige stervelingen als op aardwormen uit de hoogte haast met een gevoel van medelijden neer. Veilig achter een drom van magistrale bepalingen, sluitredenen, gevolgtrekkingen, ontwikkelde en ingewikkelde voorstellingen bezitten zij zulk een tal van schuilhoeken, dat zelfs de ijzeren netten van Vulcanus hen niet kunnen vasthouden2.Zij weten te ontsnappen door middel van onderscheidingen, waardoor zij alle knoopen als met een bijl van Tenedos doorhakken3, en altijd hebben zij pas uitgedachte woorden en monsterachtige uitdrukkingen in voorraad. Zoo verklaren zij verder geheel naar hun goedvinden de ondoorgrondelijkste geheimenissen bijv., op welke wijze de wereld geschapen is en geordend; langs welke wegen de erfzonde over het nageslacht gekomen is; op welke wijzen, in welke grootte en in hoe weinig tijd Christus in den schoot der heilige maagd voldragen is; hoe bij het avondmaal bijkomstigedingen afgescheiden van de substantie kunnen bestaan4. Maar dit is werk voor Jan en alleman. De volgende strijdvragen achten zij eerst groote en, om hun eigen woorden te bezigen, verlichte Godgeleerden waardig. Daarom worden zij bij deze, als zij soms voorkomen, recht wakker: kan er sprake zijn van een meetbaar tijdstip bij de goddelijke geboorte? Is Christus in meer dan één opzicht God’s zoon? Is de stelling mogelijk: God, de vader, haat den zoon? Kan God de gestalte aannemen van een vrouw, een duivel, een ezel, een pompoen of een keisteen? Maar dan: hoe zou een pompoen gepreekt en wonderen verricht hebben en hoe had hij moeten gekruisigd worden? Wat zou Petrus gewijd hebben, als hij het misoffer had opgedragen gedurende den tijd, dat Christus’ lichaam aan het kruis hing? Zou men Christus gedurende dienzelfden tijd een mensch hebben kunnen noemen? Zal het na de opstanding geoorloofd zijn te eten of te drinken? Blijkbaar willen zij reeds nu voorzorgsmaatregelen nemen tegen dien honger en dorst in de toekomst. Zij beschikken verder over een eindeloos aantal nog fijner haarklooverijen, over begrippen, betrekkingen, algemeene vormen, bijzondere eigenaardigheden, wezenlijkheden, zaken, alleen zichtbaar voor de oogen van hem, die zulke scherpe oogen bezit, dat hij in staat is ook door de dikste duisternis heen het nergens bestaande waar te nemen. Voeg hierbij nu hun stelregels, zoo paradoxaal, dat zelfs die orakelspreuken der Stoïcijnen5, die men paradoxen pleegt te noemen, in vergelijking hiermede voor de platste en meest alledaagsche volkswijsheid kunnen doorgaan; zoo beweren zij bijv., dat het een lichter misdrijf is, duizend menschen van kant te maken dan éénmaal op den dag des Heeren een schoen voor een armen drommel te naaien, en dat het beter is de geheelewereld met al haar hebben en houden te laten vergaan, dan een enkel leugentje te zeggen, hoe onschuldig het ook moge zijn. Dan maken zij deze haarfijne fijnigheden nog fijner door allerlei middelen der scholastiek, zoodat men nog eerder uit de ergste doolhoven een uitweg kan vinden dan uit de ingewikkelde vertoogen der Realisten, Nominalisten, Thomisten, Albertisten, Occamisten, Scotisten6; en nu heb ik nog niet eens alle, maar slechts de voornaamste sekten opgenoemd. Zij allen bezitten zooveel geleerdheid, maar zijn ook zoo moeilijk te begrijpen, dat de apostelen zelf, naar ik meen, een geheel anderen geest zouden noodig hebben, als zij over deze onderwerpen met dit nieuwerwetsche geslacht van Godgeleerden moesten handgemeen worden. Zeker Paulus zou zijn geloofsmoed kunnen toonen, maar als hij zegt:7Het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet,dan strookt zijn bepaling al zeer weinig met den geest onzer magisters. Al was hij ook een voorbeeld van de christelijke liefde, zoo voldoen toch zijn verdeelingen evenmin als zijn bepalingen in het 13de hoofdstuk van den 1sten brief aan de Corinthiërs8aan de voorschriften der disputeerkunst. Wel vierden de apostelen vroom het avondmaal, maar als men hen ondervraagd had over de transsubstantiatie en de tijdgrenzen, waarbinnen die valt, over de wijze, waarop hetzelfde lichaam op verschillende plaatsen kan zijn, over het verschil tusschen Christus’ lichaam in den hemel, aan het kruis en bij het sacrament van het avondmaal, op welk tijdstip de transsubstantiatie9plaats heeft, daar toch het geheel der rede, waardoor zij tot stand komt, zich in elkaar opvolgende woorden laat oplossen, dan zouden zij, mijns bedunkens, niet met dezelfde scherpzinnigheid geantwoord hebben,als waarmee de jongeren van Scotus dit alles bespreken en onderscheiden. Zij kenden Jezus’ moeder, maar wie hunner wist zoo wijsgeerig als onze Godgeleerden aan te toonen, hoe zij bewaard is gebleven voor de van Adam geërfde zonde? Petrus ontving de sleutels en hij ontving ze van dengene, die ze zeker niet aan een onwaardige zou toevertrouwen, maar toch geloof ik niet, dat hij de fijne kwestie begrepen heeft—in alle gevalle heeft hij haar nergens aangeroerd—, hoe de sleutel der wetenschap ook in het bezit van hem kan zijn, die geen wetenschap bezit10. Zij doopten overal en toch hebben zij nergens onderwezen, waarin de bepaling van den doop bestaat, wat vorm en materie, bewerkende oorzaak en strekking betreft11, en evenmin vindt men bij hen van zijn uitwischbaar of onuitwischbaar karakter12melding gemaakt. Zij baden wel, maar in den geest, zich houdend aan het bekende Evangeliewoord:God is een geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid13.Maar het blijkt niet, dat hun toen geopenbaard is, dat men met denzelfden eerbied als tot Christus zelf moet bidden tot een beeldje, met houtskool op een wand geteekend, als het slechts twee uitgestoken vingers, lang haar en aan den aan het achterhoofd bevestigden stralenkrans drie punten heeft.

Immers wie kan dat begrijpen zonder zes en dertig volle jaren te hebben zoek gebracht met de natuurkunde en de bovennatuurkunde van Aristoteles en Scotus? Telkens opnieuw prenten de apostelen ons de leer der genade in, maar zij maken nergens een onderscheid tusschen de genade, die iemand in het bijzonder geschonken wordt, en de heiligmakende genade14. Zij sporen aan tot goede werken, maar maken geen onderscheid tusschen het werk met het oog op den werker en het werk op zichzelf beschouwd15. Zij prenten ons overal de christelijke liefde in zonder de aangeborene van de verworvene te scheiden en verklaren niet, of zij iets bijkomstigs dan wel iets essentieels, iets geschapens dan wel iets ongeschapens is. Zij verfoeien de zonde, maar ik mag sterven, zoo zij een wetenschappelijke bepaling hebben kunnen geven van hetgeen wij onder zonde verstaan, of zij moesten het van den geest der Scotisten geleerd hebben. Want ik kan maar niet gelooven, dat Paulus, de eenige man, naar wiens geleerdheid men die van allen kan afmeten, zoo herhaaldelijk onderzoekingen, geschillen, geslachtsregisters en, zooals hij ze zelf noemt, woordentwisten zou veroordeeld hebben16, als hij zich op zulke spitsvondigheden verstaan had, terwijl nog bovendien alle strijd en geschil dier dagen boersch en grof moet heeten, vergeleken bij de meer dan Chrysippische17fijnheden van onze magisters. De heeren zijn evenwel hoogst bescheiden, want als de apostelen soms in hun geschriften te ruw en niet genoeg volgens de regelen onzer magisters zijn te werk gegaan, dan zijn ze wel zoo goed het niet te veroordeelen, maar er een geschikte uitlegging voor te vinden. Dit doen ze uit eerbied deels voor de oudheid, deels voor den apostolischen naam. Het zou dan waarachtig ook ver van billijk zijn hun zulke hooge eischen te stellen in zaken, waarover zijvan hun leermeesters nooit zelfs een woord gehoord hadden. Als ditzelfde gebeurt bij Chrysostomus18, Basilius19en Hieronymus20, dan achten zij de kantteekening: “dit is niet houdbaar” voldoende. En toch hebben de apostelen heidensche wijsgeeren en Joden, die uit hun aard zeer stijfhoofdig zijn, weerlegd, maar meer door hun leven en wonderen dan door hun sluitredenen, en verder lieden niet vlug genoeg van begrip om, even als Scotus, het voor en het tegen van ook maar één stelling te verdedigen. En nu? Welke heiden, welke ketter zou niet terstond het veld ruimen voor zooveel ragfijne haarklooverijen, tenzij hij te dom is om ze te begrijpen of onbeschaamd genoeg om hen uit te jouwen of voorzien is van dezelfde valstrikken, zoodat de strijd voortaan gelijk staat? Dan zou men een gevecht hebben als tusschen twee toovenaars of tusschen twee bezitters van een tooverzwaard en ’t zou hun gaan als Penelope met haar weefsel21. Zij zouden telkens weer opnieuw beginnen. Zelfs zouden de Christenen, volgens mijn oordeel, wijs handelen, als zij in plaats van die botte benden soldaten, waarvan zij sinds lang zich in den krijg met twijfelachtigen uitslag bedienen, de schreeuwerigste Scotisten en de stijfhoofdigste Occamisten en de onoverwinnelijke Albertisten met den geheelen troep Sophisten tegen de Turken en Saracenen lieten optrekken. Dan zouden zijzeker niet alleen een alleraardigst gevecht, maar ook een vroeger nooit aanschouwde overwinning te zien krijgen. Want wie is zoo koel, dat hij door hun spitsvondigheden niet in geestdrift ontvlamt? Wie zoo lamlendig, dat zulke prikkels hem niet in beweging brengen? Wie is zoo scherp van gezicht, dat het hem hierdoor niet stikdonker voor de oogen wordt? Maar gij meent zeker, dat al wat ik zeg, weinig meer is dan scherts. Het zou waarlijk geen wonder zijn, daar er zich ook onder de Godgeleerden zelf mannen bevinden van degelijker kennis, die walgen van deze, huns inziens, beuzelachtige theologische haarklooverijen. Er zijn er, die het als een soort van heiligschennis verfoeien en het als de hoogste goddeloosheid beschouwen over zulke geheimenissen, die meer aanbidding dan verklaring behoeven, met onreinen mond te spreken, met zulke onheilige heidensche spitsvondigheid te redeneeren, op zulk een aanmatigenden toon bepalingen te geven en de majesteit der goddelijke theologie met zulke platte, of laat ik liever zeggen, gemeene woorden en gedachten te bezoedelen. Intusschen smaken genen toch maar de zaligheid van zichzelf te behagen, ja, zichzelf toe te juichen, zoodat zij, dag en nacht bezig met die heerlijke kleingeestigheden, zelfs geen oogenblik beschikbaar hebben om ook maar éénmaal het evangelie of de brieven van Paulus op te slaan. Dit neemt niet weg, dat zij door zulk beuzelen in de scholen gelooven de geheele kerk—die anders zou instorten—even goed te schragen met de pijlers hunner sluitredenen, als Atlas bij de Dichters den hemel op zijn schouders torst.

Gij kunt u hun zaligheid moeilijk voorstellen, als zij de woorden der heilige schriften als was naar willekeur kneden en herkneden, als zij voor hun alreeds door eenige schoolvossen goedgekeurde conclusiesmeer gezag eischen dan voor Solon’s22wetten, ja ze zelfs boven de pauselijke decreten willen gesteld hebben. Zich opwerpende tot zederechters der wereld dwingen zij om alles te herroepen, wat niet geheel strookt met hun directe en indirecte conclusies, en als orakeltaal klinkt hun verklaring: “Deze stelling geeft aanstoot, gene is te oneerbiedig, deze riekt naar ketterij, gene klinkt slecht.” Ten slotte zou noch de doop, noch het evangelie, noch Paulus of Petrus, noch de heilige Hieronymus of Augustinus23, noch zelfs Thomas24, de grootste volgeling van Aristoteles, iemand tot een Christen kunnen maken zonder bekrachtiging der baccalaureï25. Want wie had wel ooit gedacht, dat hij geen Christen is, die zeide, dat deze twee uitdrukkingen: “gij pot stinkt” en “de pot stinkt”.... hetzelfde beteekenden26, indien die wijzen het niet geleeraard hadden? Hoe zou de kerk van zulke dikke nevels van dwalingen bevrijd zijn, die zelfs niemand ooit bij ’t lezen zou gemerkt hebben, als zij die niet in stukken, voorzien van het grootzegel der Universiteit, aan het licht hadden gebracht? Maar voelen zij zich, dit doende, niet hoogst gelukkig? Is dit ook niet het geval, wanneer zij alles wat in de hel geschiedt, zoo haarfijn afschilderen, alsof zij in dien staat verscheiden jaren hadden doorgebracht? Voorts, als zij naar willekeur nieuwehemels scheppen, waarbij zij ten slotte dien uitgestrekten en prachtigen voegen27, ten einde den zielen der zaligen voldoende ruimte te geven om te kunnen wandelen of feestvieren of ook met den bal spelen. Met deze en duizenden andere dergelijke dwaasheden zijn hun hoofden zoo tot barstens toe opgevuld, dat, mijns bedunkens, zelfs Jupiters hersens niet zoo zwanger waren, toen hij van Pallas moest bevallen en de hulp van Vulcanus’ bijl inriep28.

Het moet u daarom niet bevreemden, als gij hun hoofd bij openbare disputen met tal van banden omwonden29ziet: Anders zouden zij immers geheel uiteenbarsten. Daarom pleeg ik zelf ook somtijds er om te lachen, wanneer zij zich verbeelden dan eerst echte Godgeleerden te zijn, als zij een taal voeren zoo barbaarsch en gemeen mogelijk; en terwijl zij zoo stamelen, dat ze slechts door iemand, die zelf stamelt, kunnen begrepen worden, noemen zij scherpzinnigheid,wat het volk niet kan begrijpen. Want zij achten het in strijd met de waardigheid der Heilige Schrift, als zij gedwongen worden zich aan de wetten der taalkenners te onderwerpen. Waarachtig, het is een vreemd soort majesteit der Theologen, als zij alleen het recht hebben gebrekkig te spreken, al hebben zij dit speciaal met veel onbeschaafde werklui gemeen. Ten slotte achten zij zich haast den goden gelijk, zoo vaak zij als het ware met heiligen eerbied als “Magister noster”30begroet worden, en zij meenen, dat in dien naam zelfs iets schuilt van hetzelfde gehalte als het vierletterig woord31bij de Joden. Daarom verklaren zij het voor ongeoorloofd, “MAGISTER NOSTER” anders dan met kapitale letters te schrijven, en als iemand averechts mocht zeggen “noster magister,” dan heeft hij eens voor al de geheele majesteit van den Theologischen naam vernietigd.

1Paulus’ tweede brief a. d. Cor. XII, 2.2Venus placht haar man, Vulcanus, met Mars te bedriegen. Vulcanus smeedde daarop een onverbreekbaar ijzeren net, zoo fijn als spinrag, ving daarin de beide geliefden en riep toen alle goden om van hun schande getuige te zijn.3Spreekwoordelijk voor: aan een geschil kort een einde maken. Te Tenedos, een eiland dicht bij Troje voor de straat der Dardanellen gelegen, werd volgens de overlevering hij, die door het gerecht schuldig was bevonden, terstond met een bijl gedood.4De bedoeling is: het brood en de wijn behouden hun kleur, reuk, smaak, kunnen voeden en bedwelmen en zijn toch, als ze door den priester zijn gewijd, in werkelijkheid het vleesch en bloed van Christus.5Ziehoofdst. XI.6De Realisten en de Nominalisten vertegenwoordigen de hoofdstroomingen in de Middeleeuwsche Scholastiek. De eersten beweerden, dat de begrippen in werkelijkheid (als “realia”) bestonden en zich in de voor onze zintuigen waarneembare dingen openbaarden, zoo bijv. het begrip “mensch” in de verschillende individuën; de nominalisten erkenden alleen de dingen als werkelijk bestaande. Aan verschillende overeenkomstige dingen geeft men echter eenzelfden naam (“nomen”) en die naam is het begrip. Thomisten, Albertisten, Occamisten en Scotisten zijn de volgelingen van de grootste mannen der scholastieke wijsbegeerte: Thomas van Aquino, 1225–1274, in 1323 heilig verklaard,—Albertus Magnus, 1193–1280, diens leermeester,—William van Occam gest. 1347 en zijn leermeester Johannes Duns Scotus, ± 1270–1308. Zie verder het boven aangehaalde boek van R. Casimir.7Brief aan de Hebreën XI, 1.8Het beroemde hoofdstuk over de christelijke liefde, dat begint: “Al ware het, dat ik de talen der menschen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zoo ware ik een klinkend metaal of luidende schel geworden.”9Overgang van brood en wijn bij het Avondmaal in het vleesch en bloed van Christus.10Dit is een hatelijkheid tegen de volgelingen van Scotus, die leerden, dat het voldoende wasin staat te zijnjuiste onderscheidingen te maken, terwijl nauwkeurige kennis van zaken niet beslist noodig was.11Elke zaak wordt door deze vier dingen bepaald, zoo leert de Scholastiek.12Van de zeven Sacramenten der Katholieke kerk wordt aan die, welke niet herhaald kunnen worden, zooals den doop, de bevestiging en de priesterwijding een onuitwischbaar karakter toegekend.13Evang. Johannes IV, 24.14De Katholieke kerk kent verschillende soorten van genade.Met de eerste hier genoemde soort wordt bijv. de genade bedoeld om wonderen te verrichten.15De leer van het werk op zich zelf beschouwd (zoogen. opus operatum) werd door de Scholastiek vooral op de Sacramenten toegepast; zulk een Sacrament werkt door zijn eigen, innerlijke kracht, niet door de heiligheid van dengene, die het toedient of ontvangt.16In de brieven aan Timotheus en Titus.17Chrysippus, Stoïcijnsch wijsgeer, 282–208 v. Chr., beroemd om zijn scherpzinnigheid.18Joannes bijgenaamd Chrysostomus (= Guldenmond), 344–407, aartsbisschop van Constantinopel, beroemd kerkvader.19De heilige Basilius, 330–379, bisschop van Caesarea in Klein-Azië, wordt vooral vereerd door de Grieksch-Katholieken.20ZieVoorrede.21In de Odyssea verhaalt Homerus, hoe Penelope, de vrouw van Odysseus, tijdens de langdurige afwezigheid van haar gemaal door een menigte vrijers werd lastig gevallen. Zij beloofde een van hen te zullen trouwen, zoodra zij een lijkkleed voor haar schoonvader Laërtes zou hebben voltooid. ’s Nachts echter rafelde zij alles weer uit, wat zij overdag had geweven.22Wetgever te Athene, ± 600 v. Chr.23De beroemde kerkvader, 354–430, bisschop van Hippo Regius in Africa.24Thomas van Aquino, zie boven.25Naam in de middeleeuwen aan hen gegeven, die, na alle examens te hebben afgelegd, het recht hadden verworven aan de Universiteiten voorlezingen te houden.26Het punt in kwestie, waarover, volgens Listrius, Oxfordsche geleerden twistten, is niet volkomen helder. Het schijnt wel, dat het eenvoudig het verschil in beteekenis tusschen de tweede en derde persoon van het werkwoord is.—Eenige woorden zijn in de vertaling weggelaten, waarvan de bedoeling niet duidelijk is en die tot het zinsverband niets afdoen.27De ouden namen oorspronkelijk zeven hemelkringen aan, waarbij later nog drie gevoegd werden. In den tienden, het zoogenaamde “Empyreum” (= vuurhemel) woonden de heiligen, zie het laatste prentje (waar echter de hemel maar in negen kringen is verdeeld).28Jupiter verslond zijn gemalin Metis, terwijl ze zwanger was van Pallas Athene. Deze sprong daarna in volle wapenrusting uit zijn hoofd te voorschijn, nadat Vulcanus het met zijn bijl had gekloofd.29Wellicht heeft E. hier de met banden versierde baret op het oog, die de doctors plachten te dragen.30= Onze Meester.31Jahweh, = God, wordt in het Hebreeuwsch enkel door de vier medeklinkers uitgedrukt. De naam is zoo heilig, dat geen Jood hem mag uitspreken.

1Paulus’ tweede brief a. d. Cor. XII, 2.

2Venus placht haar man, Vulcanus, met Mars te bedriegen. Vulcanus smeedde daarop een onverbreekbaar ijzeren net, zoo fijn als spinrag, ving daarin de beide geliefden en riep toen alle goden om van hun schande getuige te zijn.

3Spreekwoordelijk voor: aan een geschil kort een einde maken. Te Tenedos, een eiland dicht bij Troje voor de straat der Dardanellen gelegen, werd volgens de overlevering hij, die door het gerecht schuldig was bevonden, terstond met een bijl gedood.

4De bedoeling is: het brood en de wijn behouden hun kleur, reuk, smaak, kunnen voeden en bedwelmen en zijn toch, als ze door den priester zijn gewijd, in werkelijkheid het vleesch en bloed van Christus.

5Ziehoofdst. XI.

6De Realisten en de Nominalisten vertegenwoordigen de hoofdstroomingen in de Middeleeuwsche Scholastiek. De eersten beweerden, dat de begrippen in werkelijkheid (als “realia”) bestonden en zich in de voor onze zintuigen waarneembare dingen openbaarden, zoo bijv. het begrip “mensch” in de verschillende individuën; de nominalisten erkenden alleen de dingen als werkelijk bestaande. Aan verschillende overeenkomstige dingen geeft men echter eenzelfden naam (“nomen”) en die naam is het begrip. Thomisten, Albertisten, Occamisten en Scotisten zijn de volgelingen van de grootste mannen der scholastieke wijsbegeerte: Thomas van Aquino, 1225–1274, in 1323 heilig verklaard,—Albertus Magnus, 1193–1280, diens leermeester,—William van Occam gest. 1347 en zijn leermeester Johannes Duns Scotus, ± 1270–1308. Zie verder het boven aangehaalde boek van R. Casimir.

7Brief aan de Hebreën XI, 1.

8Het beroemde hoofdstuk over de christelijke liefde, dat begint: “Al ware het, dat ik de talen der menschen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zoo ware ik een klinkend metaal of luidende schel geworden.”

9Overgang van brood en wijn bij het Avondmaal in het vleesch en bloed van Christus.

10Dit is een hatelijkheid tegen de volgelingen van Scotus, die leerden, dat het voldoende wasin staat te zijnjuiste onderscheidingen te maken, terwijl nauwkeurige kennis van zaken niet beslist noodig was.

11Elke zaak wordt door deze vier dingen bepaald, zoo leert de Scholastiek.

12Van de zeven Sacramenten der Katholieke kerk wordt aan die, welke niet herhaald kunnen worden, zooals den doop, de bevestiging en de priesterwijding een onuitwischbaar karakter toegekend.

13Evang. Johannes IV, 24.

14De Katholieke kerk kent verschillende soorten van genade.Met de eerste hier genoemde soort wordt bijv. de genade bedoeld om wonderen te verrichten.

15De leer van het werk op zich zelf beschouwd (zoogen. opus operatum) werd door de Scholastiek vooral op de Sacramenten toegepast; zulk een Sacrament werkt door zijn eigen, innerlijke kracht, niet door de heiligheid van dengene, die het toedient of ontvangt.

16In de brieven aan Timotheus en Titus.

17Chrysippus, Stoïcijnsch wijsgeer, 282–208 v. Chr., beroemd om zijn scherpzinnigheid.

18Joannes bijgenaamd Chrysostomus (= Guldenmond), 344–407, aartsbisschop van Constantinopel, beroemd kerkvader.

19De heilige Basilius, 330–379, bisschop van Caesarea in Klein-Azië, wordt vooral vereerd door de Grieksch-Katholieken.

20ZieVoorrede.

21In de Odyssea verhaalt Homerus, hoe Penelope, de vrouw van Odysseus, tijdens de langdurige afwezigheid van haar gemaal door een menigte vrijers werd lastig gevallen. Zij beloofde een van hen te zullen trouwen, zoodra zij een lijkkleed voor haar schoonvader Laërtes zou hebben voltooid. ’s Nachts echter rafelde zij alles weer uit, wat zij overdag had geweven.

22Wetgever te Athene, ± 600 v. Chr.

23De beroemde kerkvader, 354–430, bisschop van Hippo Regius in Africa.

24Thomas van Aquino, zie boven.

25Naam in de middeleeuwen aan hen gegeven, die, na alle examens te hebben afgelegd, het recht hadden verworven aan de Universiteiten voorlezingen te houden.

26Het punt in kwestie, waarover, volgens Listrius, Oxfordsche geleerden twistten, is niet volkomen helder. Het schijnt wel, dat het eenvoudig het verschil in beteekenis tusschen de tweede en derde persoon van het werkwoord is.—Eenige woorden zijn in de vertaling weggelaten, waarvan de bedoeling niet duidelijk is en die tot het zinsverband niets afdoen.

27De ouden namen oorspronkelijk zeven hemelkringen aan, waarbij later nog drie gevoegd werden. In den tienden, het zoogenaamde “Empyreum” (= vuurhemel) woonden de heiligen, zie het laatste prentje (waar echter de hemel maar in negen kringen is verdeeld).

28Jupiter verslond zijn gemalin Metis, terwijl ze zwanger was van Pallas Athene. Deze sprong daarna in volle wapenrusting uit zijn hoofd te voorschijn, nadat Vulcanus het met zijn bijl had gekloofd.

29Wellicht heeft E. hier de met banden versierde baret op het oog, die de doctors plachten te dragen.

30= Onze Meester.

31Jahweh, = God, wordt in het Hebreeuwsch enkel door de vier medeklinkers uitgedrukt. De naam is zoo heilig, dat geen Jood hem mag uitspreken.


Back to IndexNext