Hoofdstuk LXV.Vervolg.Maar het is dwaas van mij al deze dingen na te gaan, die zoo talloos zijn, dat zelfs de werken van Chrysippus of Didymus1ze niet alle zouden kunnen bevatten. Met deze opmerking alleen meen ik te kunnen volstaan, dat, wanneer dit aan die goddelijke meesters vrij stond, men mij ook, een uit slecht hout gesneden Theoloog, vergiffenis behoort te schenken, als mijn aanhalingen niet allen in den haak zijn. Nu keer ik eindelijk tot Paulus terug:Gij verdraagt, zegt hij,gaarne de onwijzen2. En wederom:Neemt mij dan aan als eenen onwijze, en ik spreek niet naar den Heere, maar als in onwijsheid3.Wederom elders:Wij, zegt hij,zijn dwazen om Christus’ wil4. Gij hebt het gehoord, wie de groote zegsman is van die groote loftuitingen op de zotheid. Zelfs predikt hij ook openlijk de dwaasheid als iets, dat boven alles noodzakelijk en zeer heilzaam is:Zoo iemand onder u dunkt, dat hij wijs is, die worde dwaas, opdat hij wijs moge worden5.Bij Lucas noemt Jezus ook twee discipelen, bij wie hij zich op weg heeft aangesloten,dwazen6. Ik geloofhaast niet, dat dit iemand vreemd kan voorkomen, daar de goddelijke Paulus ook God een weinigje dwaasheid toeschrijft:Het dwaze Gods, zegt hij,is wijzer dan de menschen7. Verder wil Origenes8, zijn uitlegger, niet, dat men onder deze dwaasheid verstaat de meening der menschen daaromtrent, zooals op die bekende plaats:Het woord des kruises is wel dengenen, die verloren gaan, dwaasheid9.Maar waarom ga ik voort nuttelooze moeite aan te wenden om U dit door zooveel bewijsplaatsen aan te toonen, daar in de mystische psalmen Christus openlijk tot den vader zegt:Gij weet van mijne dwaasheid10.Het is waarlijk niet zonder goeden grond, dat de zotten zoozeer aan God behaagd hebben: de reden is, meen ik, hierin gelegen: evenals de hooggeplaatste vorsten menschen met al te groote geestesgaven verdenken en haten, zooals Julius Caesar Brutus en Cassius, terwijl hij den dronken Antonius volstrektniet vreesde11, en gelijk Nero Seneca12, Dionysius Plato13, en zij daarentegen in domme en eenvoudige geesten vermaak scheppen, zoo verfoeit en veroordeelt Christus ook die wijzen, die eeuwig zich op hun inzicht verlaten. Dit geeft Paulus geenszins onduidelijk te kennen, als hij zegt:Maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren14, en ook,dat het Gode behaagd heeft de wereld door de dwaasheid te redden, aangezien ze door de wijsheid niet kon hersteld worden15. Ja, diezelfde apostel levert een voldoende bewijs, uitroepende door den mond des profeets:Ik zal de wijsheid der wijzen doen vergaan en het verstand der verstandigen zal ik te niet maken16.En wederom als hij God dankt, dat hij de geheimenis der zaligheid voor de wijzen verborgen had gehouden, maar den kinderkens, d. i. den dwazen had geopenbaard17. Want in het Grieksch staat er een woord voor “kinderkens,” dat ook “dwazen” kan beteekenen, en hij heeft die dan ook tegenover de wijzen gesteld. Hiertoe behoort nog, dat hij overal in het Evangelie Farizeën, schriftgeleerden en wetgeleerden aanvalt, maar het domme volk met alle macht verdedigt. Want wat beteekent het woord:Wee U, gij schriftgeleerden en Farizeën18, anders dan:Wee U, gij wijzen? Hij schijnt daarentegen de grootste voorliefde te hebben gekoesterd voor kleine kinderen, vrouwen en visschers. Zelfs behagen die redelooze dieren het meest aan Christus, die zoo ver mogelijk verwijderd zijn van de slimheid der vossen: daarom zat hij bij voorkeur op een ezel19, terwijl hij, zoo het hem gelust had, zelfs veilig op een leeuw had kunnen rijden. Ook is de Heilige Geest in de gestalte van een duif neergedaald, niet in die van een arend of wouw. Daarenboven is er in de Heilige Schrift op verscheiden plaatsen herhaaldelijk sprake van herten, reeën en lammeren. Voeg hierbij, dat hij de zijnen, die toteen onsterfelijk leven bestemd zijn, schapen noemt20, dieren, die het dwaast zijn van alle levende schepselen, zooals zelfs het spreekwoord bij Aristoteles21“Schapennatuur” getuigt, waaruit blijkt, dat men deze uitdrukking, aan de dwaasheid van dit vee ontleend, voor domme en stompe menschen als scheldwoord placht te bezigen. En toch erkent Christus, dat hij de herder is van deze kudde, ja zelfs, vond hij genoegen in den naam van lam, toen Johannes op hem wees met de woorden:Zie het lam Gods22, waarvan ook dikwijls in de Openbaring gesproken wordt23. Wat verkondigen deze woorden anders dan dat alle menschen dwaas zijn, ook de vromen? dat ook Christus zelf om de dwaasheid der menschen tegemoet te komen, ofschoon hij de wijsheid des Vaders was24, toch in zekeren zin dwaas is geworden, toen hij, na de menschelijke natuur te hebben aangenomen,in gedaante gevonden is als een mensch25? evenals hij ook zonde geworden is om de zonden weg te nemen26. En dit wilde hij op geen andere wijze doen dan door middel van de dwaasheid des kruises27, door zotte en domme apostelen, aan wie hij ijverig dwaasheid voorschrijft, hen van de wijsheid afschrikkende,terwijl hij hen wijst op het voorbeeld van kinderen28, leliën29, mostaardzaad30en musschen31, domme en redelooze zaken en die alleen naar de leiding der natuur, zonder eenige kunst of zorg hun leven doorbrengen. Daarenboven als hij niet wil, dat zij bezorgd zijn, welke woorden zij bij de stadhouders zullen gebruiken32, en als hij hun verbiedt de tijden of gelegenheden33te onderzoeken, dan is dit blijkbaar met het doel om te maken, dat zij niet op hun eigen wijsheid vertrouwen, maar met geheel hun ziel aan hem hangen. Hiertoe behoort ook, dat God, de schepper der wereld, den menschen verbood te proeven van den boom der kennis34, even alsof kennis het geluk vergiftigt. Paulus komt echter openlijk met zijn afkeuring van de kennis voor den dag, die de menschen opgeblazen en diep ongelukkig zou maken35. Vergis ik mij niet, dan volgt de Heilige Bernard36zijn voetspoor, als hij den berg, waarop Lucifer zijn zetel had opgeslagen37, voor den berg der kennis verklaart. Misschien zal men ook meenen, dat dit bewijs voor de gunst, waarin de dwaasheid bij de hemelingen staat, niet achterwege mag blijven, dat haar alleen vergiffenis voor haar dwalingen gegeven wordt, maar den wijze niet; en daarom maken zij, die om vergeving smeeken, ook wanneer zij willens en wetens gezondigd hebben, desniettemin gebruik van het voorwendsel en de bescherming der dwaasheid. Want Aäron smeekt in het Boek Numeri38, als ik mij goed herinner, dat zijn vrouw de straf worde kwijtgescholden, in deze bewoordingen:Och, mijn Heer! leg toch niet op ons de zonde, waarmede wij zottelijk gedaan, en waarmede wij gezondigd hebben!Zoo smeekt ook Saul David om vergiffenis van schuld, zeggende:Zie, ik heb dwaselijk gedaan39.Wederom spreekt David zelf deze vleiende woorden tot den Heer:Maarnu, o Heere! neem toch de misdaad uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gedaan40;alsof hij geen vergiffenis zou verkrijgen, zoo hij geen dwaasheid en onwetendheid voorwendde. Maar een klemmender bewijs is dit, dat Christus aan het kruis, toen hij voor zijn vijanden bad:Vader! vergeef het hun, geen andere verontschuldiging aanvoerde, dan die van onverstand:Omdat zij niet weten,zegt hij,wat zij doen41. Evenzoo zegt Paulus in zijn brief aan Timotheüs:Maar mij is daarom barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetende gedaan heb in mijne ongeloovigheid42.Wat beteekent:ik heb het onwetende gedaan, anders dan dit: ik heb het uit dwaasheid, niet uit boosaardigheid gedaan? Wat beteekent:mij is daarom barmhartigheid geschied, anders dan: mij zou die niet te beurt gevallen zijn, zoo mijn dwaasheid mij niet tot voorspraak had gestrekt? Voor ons pleit ook die mystische psalmdichter, die mij ter rechter plaatse niet voorden geest kwam:Gedenk niet der zonden mijner jongheid, noch mijner onwetendheden43.Gij hebt gehoord, op welke twee zaken hij zich beroept, namelijk dien leeftijd, welks onafscheidelijke metgezel ik pleeg te zijn, en de onwetendheden—en deze in het meervoud, opdat wij den reusachtigen omvang zijner dwaasheid zouden begrijpen.1Over Chrysippus ziehoofdst. LIII; Didymus, Alexandrijnsch geleerde uit de eerste eeuw voor Chr. De eerste zou 700, de tweede niet minder dan 3500 boeken geschreven hebben.2Tweede brief aan de Corinthiërs XI, vers 19.3Vers 16 en 17.4Eerste brief aan de Corinthiërs IV, vers 10.5Eerste brief aan de Corinthiërs III, vers 18.6XXIV, vers 25.7Eerste brief aan de Corinthiërs, vers 25.8Kerkvader, geb. 185 na Chr. te Alexandrië, gest. 254; heeft werken geschreven tot uitlegging van den Bijbel.9Eerste brief aan de Corinthiërs I, vers 18.10LXIX, vers 6.11Dit verhaalt Plutarchus (zieVoorrede) in zijn leven van Caesar. Brutus en Cassius waren de hoofden van het komplot om Caesar te vermoorden; Antonius was zijn vriend en handlanger. Shakespeare put ook uit Plutarchus, als hij Caesar laat zeggen (Julius Caesar, Act. I sc. 2):Laat welgedane mannen om mij zijn,Met gladde haren, en die ’s nachts goed slapen.Die Cassius ziet er schraal en hongerig uit;Hij denkt te veel; die mannen zijn gevaarlijk.Het prentje stelt waarschijnlijk Caesar voor, die den welgedanen, vroolijken Antonius wijst op den ruigen, norschen Brutus.12De Romeinsche keizer Nero (54–68 na Chr.) dwong den wijsgeer Seneca (zieVoorrede), zijn opvoeder, zichzelf van kant te maken, daar hij hem er van verdacht aan een samenzwering tegen zijn leven te hebben deelgenomen.13Dionysius, tyran van Syracuse (406–367 v. Chr.), noodigde den wijsgeer Plato aan zijn hof. Deze haalde zich echter door zijn vrijmoedigheid den haat van den tyran op den hals, zoodat hij hem zelfs, volgens het verhaal, als slaaf liet verkoopen.14Eerste brief aan de Cor. I, vers 27.15Bedoeld schijnt vers 21 van hetzelfde hoofdstuk, ofschoon de tekst niet weinig verschilt.16Eerste brief aan de Cor. 1, vers 19; vergel. Jesaja XXIX, vers 14.17Matth. XI, vers 25; Lukas X, vers 21.18Matth. XXIII, vers 13–15, 23, 25, 27; Lukas XI, vers 42, 43.19Matth. XXI, vers 2.20Johannes X, vers 1–28.21Schreef o.a. een Geschiedenis der dieren.22Johannes I, vers 29 en 36. Natuurlijk wordt Johannes de Dooper bedoeld.23Hoofdstuk V–VII.24Eerste brief aan de Cor. I, vers 24.25Brief aan de Filippensen II, vers 8.26Tweede brief aan de Cor. V, vers 21.27Eerste brief aan de Cor. I, vers 21 (waar echter staat:de dwaasheid der prediking).28Matth. XVIII, vers 3; Marcus X, vers 15; Lukas XVIII, vers 17.29Matth. VI, vers 28; Lukas XII, vers 27.30Matth. XIII, vers 31; Marcus IV, vers 31; Lukas XIII, vers 19.31Matth. X, vers 31; Lukas XII, vers 7.32Matth. X, vers 19; Marcus XIII, vers 11; Lukas XII, vers 11 en XXI, vers 14.33Handelingen I, vers 7.34Genesis II, vers 17.35Eerste brief aan de Cor. VIII, vers 1.36Ziehoofdst. XL.37Vergel. Jesaja XIV, vers 13.38XII, vers 11.39I Samuël XXVI, vers 21.40II Samuël XXIV, vers 10.41Lukas XXIII, vers 34.42Eerste brief aan Timotheüs I, vers 13 (“daarom” ontbreekt in den Bijbel).43Psalm XXV, vers 7. In plaats van “onwetendheden” heeft de Ned. bijbelvertaling:overtredingen.Hoofdstuk LXVI.De Christelijke godsdienst vertoont een zekere verwantschap met de Zotheid.En om mij niet verder in te laten met eindelooze bijzonderheden en mijn gevoelen kort en goed uit te spreken, het komt mij voor, dat de Christelijke godsdienst in het algemeen een soort van verwantschap heeft met een zekere dwaasheid en volstrekt niets met de wijsheid heeft te maken. Als gij bewijzen hiervoor verlangt, let dan vooreerst hierop, dat knapen, grijsaards, vrouwen en gekken meer dan alle anderen vermaak scheppen in heilige en godsdienstige zaken en dat zij daarom altijd het dichtst bij de altaren staan, ongetwijfeld alleen door hun instinct gedreven. Daarenboven ziet gij, dat die eerste godsdienststichters verbazend met onnoozelheid waren ingenomen en de bitterste vijanden der wetenschap waren. Eindelijk, schijnen mij geen gekken onwijzer te zijn dan zij, die eenmaal geheel door het vuur der Christelijke vroomheid bezield zijn: zoozeer verspillen zij hun vermogen, slaan geen acht op beleedigingen, laten zij zich foppen, maken zij geen onderscheid tusschen vrienden en vijanden, verafschuwen zij het zingenot, mesten zij zich met vasten, waken, weenen en werken, hebben zij een afkeer van het leven, verlangen zij alleen naar dendood, kortom schijnen zij geheel verstompt te zijn voor alle gewoon menschelijke aandoeningen, alsof hun ziel elders leeft, niet in het lichaam, waar zij thuis hoort. Wat is dit wel anders dan waanzin? Des te minder moet het ons bevreemden, zoo de apostelen schenen vol zoeten wijns te zijn1en Festus, Paulus’ rechter, meende, dat hij waanzinnig was2. Maar nu wij toch eenmaal de leeuwenhuid hebben omgehangen3, willen wij U ook nog dit duidelijk maken, dat het geluk der Christenen, dat zij ten koste van zooveel ellende zoeken, niets anders is dan een soort van waanzin en zotheid: duidt mij deze woorden niet ten kwade, maar overweegt liever de zaak zelf. Al dadelijk zijn de Christenen het hierover zoo ongeveer met de Platonisten eens, dat de ziel diep in den kerker des lichaams verborgen ligt en dat zij door dat grove omhulsel verhinderd wordt om het ware te kunnen waarnemen en genieten. Daarom geeft hij4van de wijsbegeerte deze bepaling, dat zij de overpeinzing van den dood is, omdat zij den geest van de zichtbare en lichamelijke dingen afvoert, hetzelfde, wat immers ook de dood doet. Derhalve heet de ziel zoolang gezond, als zij de organen des lichaams goed weet te gebruiken,maar als zij, wanneer haar boeien eindelijk verbroken zijn, zich in vrijheid tracht te stellen en als het ware over het vluchten uit dien kerker peinst, dan noemt men het waanzin5. Is dit soms het gevolg van een ziekte en een gebrek in de organen, dan is het volgens aller eenstemmig gevoelen ongetwijfeld waanzin. En toch zien wij, dat ook dit soort van menschen de toekomst voorspelt, tongen en talen verstaat, die zij vroeger nooit geleerd hadden, en in ’t algemeen iets goddelijks over zich heeft. Het is aan geen twijfel onderhevig, dat dit hiervan komt, dat de geest, een weinig vrijer van de besmetting des lichaams, zijn natuurlijke kracht begint te vertoonen. Dit is ook, naar ik meen, de oorzaak, waarom hun, die met den dood worstelen, iets dergelijks pleegt te geschieden, dat zij als in geestverrukking wonderbare dingen spreken. Gebeurt dit daarentegen uit vromen ijver, dan is het misschien niet hetzelfde soort van waanzin, maar het is daarmede zoo nauw verwant, dat een groot deel der menschen het voor louteren waanzin verklaart, vooral omdat al zeer weinig arme drommels in gansch hun leven van de geheele menschelijke maatschappij verschillen. Daarom pleegt ook met hen te geschieden wat volgens Plato’s verdichtsel, zoo ik het wel heb, hun overkomt, die in een grot geboeid de schaduwen der dingen bewonderen6, en dien vluchteling, die, in de grot teruggekeerd, verkondigt, dat hij de ware dingen gezien heeft en dat zij het geheel mis hebben, die gelooven, dat er behalve die armzalige schaduwen niets bestaat. Want deze wijze beklaagt en betreurt den waanzin van hen, die in zulk een groote dwaling verkeeren: zij lachen op hun beurt om hem, alsof hij het hoofd kwijt is, en jagen hem weg. Zoo koestert ook het gros der menschen de hoogste bewondering voor die dingen, welke vooral lichamelijk zijn, en meent, dat deze schierde eenige zijn, die bestaan. De vromen daarentegen schatten iedere zaak des te geringer, naarmate zij des te nader bij het lichaam staat, en voelen zich alleen aangetrokken door de beschouwing der onzichtbare dingen. Want genen hechten de hoogste waarde aan den rijkdom, daarop volgen de goederen des lichaams, de laatste plaats ruimen zij aan de ziel in, ofschoon de meesten zelfs niet aan haar bestaan gelooven, omdat zij met de oogen niet kan waargenomen worden. Omgekeerd richten dezen in de eerste plaats hun gedachten op God zelf, het eenvoudige wezen bij uitnemendheid; na Hem, en toch in Hem, op hetgeen het naast bij hem komt, n.l. op de ziel; om de zorg voor hun lichaam bekommeren zij zich geen zier, terwijl zij het geld als geheel waardeloos versmaden en ontvluchten. Of worden zij al gedwongen zich met iets dergelijks in te laten, dan doen zij dit met een bezwaard gemoed en vol walging: zij hebben als niet hebbende en bezitten als niet bezittende7. Er bestaan ook groote trappen van verschil tusschen die twee menschenklassen ten opzichte van allerlei dingen afzonderlijk. Vooreerst zijn er eenige der zinnen, alhoewel zij alle met het lichaam in verband staan, minder fijn zooals het gevoel, het gehoor, het gezicht, de reuk en de smaak:andere daarentegen hangen minder nauw met het lichaam samen, zooals het geheugen, het begrip, de wil. Waarheen nu maar de ziel haar krachten richt, daar mist zij haar uitwerking niet. De vromen, omdat al hun zielskracht zich op die zaken richt, die geheel vreemd zijn aan de grovere zinnen, worden, wat deze laatste betreft, als het ware bot en stomp. Daarentegen is het gros der menschen hierin sterk, in gene echter zoo zwak als ’t maar kan. Dit is de reden van hetgeen, naar wij gehoord hebben, heiligen mannen is overkomen, dat zij olie in plaats van wijn dronken8. Aan den anderen kant hebben eenige gemoedsaandoeningen meer gemeenschap met het vette lichaam, zooals de wellust, het verlangen naar spijs en slaap, oploopendheid, hoogmoed en afgunst. Met deze voeren de vromen een onverzoenbaren krijg, daarentegen denkt het gemeen, dat het zonder deze goederen niet mogelijk is te leven. Verder zijn er eenige aandoeningen, die het midden houden en als het ware natuurlijk zijn, als liefde tot zijn vader, liefde jegens zijn kinderen, ouders en vrienden. Hieraan hecht het gemeen eenige waarde. Maar genen trachten ook deze aandoeningen uit hun ziel te rukken, behalve voorzooverre die aandoeningen zich tot het hoogste deel der ziel verheffen, zóó, dat zij hun vader beminnen niet als hun vader (want watheeft hij voortgebracht behalve het lichaam? ofschoon men dit zelfs ook aan God, den vader, te danken heeft), maar als een goed man en iemand, in wien zich het afschijnsel vertoont van dien hoogsten geest, dien zij alleen het hoogste goed noemen en buiten welken, volgens hun verklaring, er niets bestaat, dat men beminnen of najagen moet. Dezen zelfden maatstaf leggen zij eveneens bij alle overige plichten des levens aan, zoodat zij overal hetgeen zichtbaar is, zoo al niet als geheel te verwerpen, dan toch als van veel minder waarde beschouwen dan hetgeen niet kan gezien worden. Zij beweren ook, dat in de Sacramenten en in de plichten zelf der vroomheid lichaam en geest gevonden worden. Zoo hechten zij er b.v. bij het vasten niet veel waarde aan, als iemand zich slechts van het vleeschgebruik en het middagmaal onthoudt, wat bij den grooten hoop voor een volmaakt vasten doorgaat, indien hij niet tevens ook zijn hartstochten eenigszins bedwingt, zoodat hij minder dan gewoonlijk zijn toorn en zijn trots den teugel viert en de ziel, als het ware reeds minder zwoegende onder den last des lichaams, zich verheft tot het smaken en genieten der hemelsche goederen. Dit is ook het geval met de mis: alhoewel, zeggen zij, men de daartoe behoorende ceremoniën niet gering moet schatten, zijn deze op zichzelf of van weinig nut of zelfs verderfelijk, zoo niet het geestelijke element daarbij komt, dat is, hetgeen door die zichtbare teekenen wordt voorgesteld. Dit is niets anders dan de dood van Christus, dien de menschen behooren weer te geven door het bedwingen, het uitdooven en als ’t ware door het begraven hunner lichamelijke driften, opdat zij tot een nieuw leven opstaan en opdat zij één met hem, maar ook tevens één onder elkander kunnen worden. Hierom is het den vrome te doen en hierover peinst hij. Daarentegen gelooft het volk, dat het misofferin niets anders bestaat dan hierin, dat het zich in de nabijheid van het altaar bevindt en dat wel zoo dicht mogelijk, dat het luistert naar den klank der woorden en kijkt naar andere dergelijke kleine onderdeelen van die plechtigheid. Niet alleen in het opgenoemde, dat wij slechts als voorbeeld hebben aangehaald, maar om het eenvoudig uit te drukken, in zijn geheele leven ontvlucht de vrome de dingen, welke met het lichaam verwant zijn, en voelt zich met onweerstaanbare macht tot het eeuwige, het onzichtbare, het geestelijke getrokken. Het natuurlijk gevolg van het hemelsbreed verschil van gevoelen tusschen dezen en genen omtrent alle dingen is, dat volgens de eene partij de andere aan waanzin lijdt, hoewel deze benaming met meer recht aan de vromen toekomt dan aan de groote menigte, als ik ten minste goed zie.1Handelingen II, vers 13.2Handelingen XXVI, vers 24.3Spreekwoordelijk voor: een rol op zich nemen, die de krachten te boven gaat.4Plato.5De pointe der redeneering gaat in de vertaling verloren. Insania “waanzin” beteekent letterlijk “ongezondheid.”6Ziehoofdst. XLV.7Zie eersten brief aan de Cor. VII, vers 29 en 30.8De heilige Bernard was eens zoo in de Heilige Schrift verdiept, dat hij zonder het te merken zijn dorst leschte door een kruik met olie te ledigen.Hoofdstuk LXVII.De hoogste zaligheid voor de menschen is een soort van waanzin.Dit zal zeker nog duidelijker in het oog springen, als ik volgens mijn belofte in weinig woorden aantoon, dat die hemelsche belooning niets anders is dan een soort van waanzin. Bedenkt daarom in de eerste plaats, dat Plato reeds eenmaal van iets dergelijks gedroomd heeft, toen hij de razernij der verliefden allergelukkigst noemde. Immers wie hevig bemint, leeft niet meer in zich, maar in hetgeen hij bemint, en hoe verder hij van zichzelf weggaat en daarin verhuist, des te meer neemt zijn vreugde toe. En als de ziel uit het lichaam wenscht weg te reizen en haar organen niet goed gebruikt, dan mag men dit met volle recht razernij noemen. Wat beteekenen anders die algemeen gebruikelijke uitdrukkingen:Hij is buiten zichzelfen:kom tot u zelfen:hij is weer tot zichzelf gekomen? Verder, hoe vuriger de liefde, des te grooter en gelukkiger is de razernij. Wat zal dat dan wel voor een leven in den hemel zijn, waarnaar de vrome zielen met zulk een innig verlangen zuchten? De geest zal immers het lichaam geheel opslorpen, omdat hij zijn meerdere en sterker is. En dit zal hij des te gemakkelijker doen gedeeltelijk hierom, omdat hij reeds vroeger bij het leven het lichaam voor een dergelijke gedaanteverwisseling gezuiverd en verdund heeft. Verder zal de geest door dien hemelschen geest op wonderbare wijze opgeslorpt worden, daar deze oneindig veel machtiger is, zoodat eindelijk de geheele mensch buiten zichzelf zal geraken en op geen andere wijze gelukkig zal zijn dan, dat hij, buiten zichzelf geplaatst, iets onuitsprekelijks zal ondervinden van dat hoogste goed, dat alles tot zich trekt. Ofschoon nu dit geluk dan eerst in al zijn volkomenheid den zielen ten deel valt, als aan deze, nadat zij hun vroegere lichamen herkregen hebben, de onsterfelijkheid geschonken wordt, hebben de vromen toch gewoonlijk, omdat hun leven niets anders is dan de overpeinzing en als het ware een afschaduwing van dat leven, ook van die belooning zoo nu en dan reeds een voorsmaak. Moge dit ook slechts een zeer onaanzienlijk droppeltje zijn, vergeleken met die bron van eeuwig geluk, toch overtreft het verre alle genoegens des lichaams, zelfs al kwamen alle genietingen van alle menschen ook te gader: zoo hoog staat het geestelijke boven het lichamelijke, het onzichtbare boven het zichtbare. Dit is het zeker wat de profeet belooft:Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des menschen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben1.En ditis een vorm van Zotheid, die niet weggenomen wordt bij den overgang in een beter leven, maar veeleer tot voltooiing komt. Zij, wien het gegeven was dit te ondervinden,—het valt namelijk slechts zeer weinigen te beurt—lijden aan iets, dat veel overeenkomst heeft met krankzinnigheid; zij spreken enkele vrij onsamenhangende woorden, en dat niet op de gewone menschenmanier, maar zij geven geluiden zonder zin, vervolgens verandert telkens de uitdrukking van hun gelaat geheel en al; nu eens zijn zij vroolijk, dan weer neerslachtig, nu eens ziet men hen weenen, dan weer lachen, een anderen keer zuchten zij: kort en goed, zij zijn in waarheid geheel buiten zichzelf. Daarna, als zij weer tot zichzelf gekomen zijn, zeggen zij niet te weten, waar zij zich bevonden hebben, in of buiten het lichaam, wakend of slapend; wat zij gehoord, wat zij gezien, wat zij gezegd, wat zij gedaan hebben, zij herinneren het zich niet dan als in een nevel en droom; slechts dit weten zij, dat zij zichhet gelukkigst gevoelden, zoolang zij zoo waanzinnig waren. Daarom betreuren zij het, dat zij hun verstand weder hebben teruggekregen, en zij zouden niets ter wereld liever willen dan eeuwig op deze wijze waanzinnig zijn. En dit is, om zoo te zeggen, maar een klein voorproefje van hun toekomstig geluk.1Eerste brief aan de Cor. II, vers 9; vergel. Jesaja LXIV, vers 4.Hoofdstuk LXVIII.Besluit.Maar ik heb reeds lang mij zelf vergeten en de mij gestelde perken overschreden. Zijt gij soms van oordeel, dat ik in mijn spreken wat al te uitgelaten of al te lang van stof geweest ben, bedenkt dan, dat het niet alleen de Zotheid, maar ook een vrouw was, die het woord heeft gevoerd. Doch herinnert U desniettemin ook dit Grieksch spreekwoord:Een gek kan ook dikwijls een woordje, dat van pas is, spreken, tenzij ge soms mocht van oordeel zijn, dat dit volstrekt niet op vrouwen slaat.Ik zie, dat ge nog een slotrede verwacht, maar gij zijt al heel dwaas, als gij tenminste meent, dat ik mij nu nog herinner wat ik gezegd heb, na zulk een stortvloed van woorden. Het oude spreekwoord luidt:Ik haat hem, die het onder den beker gesprokene niet vergeet, het nieuwe:Ik haat een hoorder met een goed geheugen. Daarom dan: Vaartwel, juicht mij toe, leeft en drinkt, roemruchtige priesters in het heiligdom der Zotheid.Einde.
Hoofdstuk LXV.Vervolg.Maar het is dwaas van mij al deze dingen na te gaan, die zoo talloos zijn, dat zelfs de werken van Chrysippus of Didymus1ze niet alle zouden kunnen bevatten. Met deze opmerking alleen meen ik te kunnen volstaan, dat, wanneer dit aan die goddelijke meesters vrij stond, men mij ook, een uit slecht hout gesneden Theoloog, vergiffenis behoort te schenken, als mijn aanhalingen niet allen in den haak zijn. Nu keer ik eindelijk tot Paulus terug:Gij verdraagt, zegt hij,gaarne de onwijzen2. En wederom:Neemt mij dan aan als eenen onwijze, en ik spreek niet naar den Heere, maar als in onwijsheid3.Wederom elders:Wij, zegt hij,zijn dwazen om Christus’ wil4. Gij hebt het gehoord, wie de groote zegsman is van die groote loftuitingen op de zotheid. Zelfs predikt hij ook openlijk de dwaasheid als iets, dat boven alles noodzakelijk en zeer heilzaam is:Zoo iemand onder u dunkt, dat hij wijs is, die worde dwaas, opdat hij wijs moge worden5.Bij Lucas noemt Jezus ook twee discipelen, bij wie hij zich op weg heeft aangesloten,dwazen6. Ik geloofhaast niet, dat dit iemand vreemd kan voorkomen, daar de goddelijke Paulus ook God een weinigje dwaasheid toeschrijft:Het dwaze Gods, zegt hij,is wijzer dan de menschen7. Verder wil Origenes8, zijn uitlegger, niet, dat men onder deze dwaasheid verstaat de meening der menschen daaromtrent, zooals op die bekende plaats:Het woord des kruises is wel dengenen, die verloren gaan, dwaasheid9.Maar waarom ga ik voort nuttelooze moeite aan te wenden om U dit door zooveel bewijsplaatsen aan te toonen, daar in de mystische psalmen Christus openlijk tot den vader zegt:Gij weet van mijne dwaasheid10.Het is waarlijk niet zonder goeden grond, dat de zotten zoozeer aan God behaagd hebben: de reden is, meen ik, hierin gelegen: evenals de hooggeplaatste vorsten menschen met al te groote geestesgaven verdenken en haten, zooals Julius Caesar Brutus en Cassius, terwijl hij den dronken Antonius volstrektniet vreesde11, en gelijk Nero Seneca12, Dionysius Plato13, en zij daarentegen in domme en eenvoudige geesten vermaak scheppen, zoo verfoeit en veroordeelt Christus ook die wijzen, die eeuwig zich op hun inzicht verlaten. Dit geeft Paulus geenszins onduidelijk te kennen, als hij zegt:Maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren14, en ook,dat het Gode behaagd heeft de wereld door de dwaasheid te redden, aangezien ze door de wijsheid niet kon hersteld worden15. Ja, diezelfde apostel levert een voldoende bewijs, uitroepende door den mond des profeets:Ik zal de wijsheid der wijzen doen vergaan en het verstand der verstandigen zal ik te niet maken16.En wederom als hij God dankt, dat hij de geheimenis der zaligheid voor de wijzen verborgen had gehouden, maar den kinderkens, d. i. den dwazen had geopenbaard17. Want in het Grieksch staat er een woord voor “kinderkens,” dat ook “dwazen” kan beteekenen, en hij heeft die dan ook tegenover de wijzen gesteld. Hiertoe behoort nog, dat hij overal in het Evangelie Farizeën, schriftgeleerden en wetgeleerden aanvalt, maar het domme volk met alle macht verdedigt. Want wat beteekent het woord:Wee U, gij schriftgeleerden en Farizeën18, anders dan:Wee U, gij wijzen? Hij schijnt daarentegen de grootste voorliefde te hebben gekoesterd voor kleine kinderen, vrouwen en visschers. Zelfs behagen die redelooze dieren het meest aan Christus, die zoo ver mogelijk verwijderd zijn van de slimheid der vossen: daarom zat hij bij voorkeur op een ezel19, terwijl hij, zoo het hem gelust had, zelfs veilig op een leeuw had kunnen rijden. Ook is de Heilige Geest in de gestalte van een duif neergedaald, niet in die van een arend of wouw. Daarenboven is er in de Heilige Schrift op verscheiden plaatsen herhaaldelijk sprake van herten, reeën en lammeren. Voeg hierbij, dat hij de zijnen, die toteen onsterfelijk leven bestemd zijn, schapen noemt20, dieren, die het dwaast zijn van alle levende schepselen, zooals zelfs het spreekwoord bij Aristoteles21“Schapennatuur” getuigt, waaruit blijkt, dat men deze uitdrukking, aan de dwaasheid van dit vee ontleend, voor domme en stompe menschen als scheldwoord placht te bezigen. En toch erkent Christus, dat hij de herder is van deze kudde, ja zelfs, vond hij genoegen in den naam van lam, toen Johannes op hem wees met de woorden:Zie het lam Gods22, waarvan ook dikwijls in de Openbaring gesproken wordt23. Wat verkondigen deze woorden anders dan dat alle menschen dwaas zijn, ook de vromen? dat ook Christus zelf om de dwaasheid der menschen tegemoet te komen, ofschoon hij de wijsheid des Vaders was24, toch in zekeren zin dwaas is geworden, toen hij, na de menschelijke natuur te hebben aangenomen,in gedaante gevonden is als een mensch25? evenals hij ook zonde geworden is om de zonden weg te nemen26. En dit wilde hij op geen andere wijze doen dan door middel van de dwaasheid des kruises27, door zotte en domme apostelen, aan wie hij ijverig dwaasheid voorschrijft, hen van de wijsheid afschrikkende,terwijl hij hen wijst op het voorbeeld van kinderen28, leliën29, mostaardzaad30en musschen31, domme en redelooze zaken en die alleen naar de leiding der natuur, zonder eenige kunst of zorg hun leven doorbrengen. Daarenboven als hij niet wil, dat zij bezorgd zijn, welke woorden zij bij de stadhouders zullen gebruiken32, en als hij hun verbiedt de tijden of gelegenheden33te onderzoeken, dan is dit blijkbaar met het doel om te maken, dat zij niet op hun eigen wijsheid vertrouwen, maar met geheel hun ziel aan hem hangen. Hiertoe behoort ook, dat God, de schepper der wereld, den menschen verbood te proeven van den boom der kennis34, even alsof kennis het geluk vergiftigt. Paulus komt echter openlijk met zijn afkeuring van de kennis voor den dag, die de menschen opgeblazen en diep ongelukkig zou maken35. Vergis ik mij niet, dan volgt de Heilige Bernard36zijn voetspoor, als hij den berg, waarop Lucifer zijn zetel had opgeslagen37, voor den berg der kennis verklaart. Misschien zal men ook meenen, dat dit bewijs voor de gunst, waarin de dwaasheid bij de hemelingen staat, niet achterwege mag blijven, dat haar alleen vergiffenis voor haar dwalingen gegeven wordt, maar den wijze niet; en daarom maken zij, die om vergeving smeeken, ook wanneer zij willens en wetens gezondigd hebben, desniettemin gebruik van het voorwendsel en de bescherming der dwaasheid. Want Aäron smeekt in het Boek Numeri38, als ik mij goed herinner, dat zijn vrouw de straf worde kwijtgescholden, in deze bewoordingen:Och, mijn Heer! leg toch niet op ons de zonde, waarmede wij zottelijk gedaan, en waarmede wij gezondigd hebben!Zoo smeekt ook Saul David om vergiffenis van schuld, zeggende:Zie, ik heb dwaselijk gedaan39.Wederom spreekt David zelf deze vleiende woorden tot den Heer:Maarnu, o Heere! neem toch de misdaad uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gedaan40;alsof hij geen vergiffenis zou verkrijgen, zoo hij geen dwaasheid en onwetendheid voorwendde. Maar een klemmender bewijs is dit, dat Christus aan het kruis, toen hij voor zijn vijanden bad:Vader! vergeef het hun, geen andere verontschuldiging aanvoerde, dan die van onverstand:Omdat zij niet weten,zegt hij,wat zij doen41. Evenzoo zegt Paulus in zijn brief aan Timotheüs:Maar mij is daarom barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetende gedaan heb in mijne ongeloovigheid42.Wat beteekent:ik heb het onwetende gedaan, anders dan dit: ik heb het uit dwaasheid, niet uit boosaardigheid gedaan? Wat beteekent:mij is daarom barmhartigheid geschied, anders dan: mij zou die niet te beurt gevallen zijn, zoo mijn dwaasheid mij niet tot voorspraak had gestrekt? Voor ons pleit ook die mystische psalmdichter, die mij ter rechter plaatse niet voorden geest kwam:Gedenk niet der zonden mijner jongheid, noch mijner onwetendheden43.Gij hebt gehoord, op welke twee zaken hij zich beroept, namelijk dien leeftijd, welks onafscheidelijke metgezel ik pleeg te zijn, en de onwetendheden—en deze in het meervoud, opdat wij den reusachtigen omvang zijner dwaasheid zouden begrijpen.1Over Chrysippus ziehoofdst. LIII; Didymus, Alexandrijnsch geleerde uit de eerste eeuw voor Chr. De eerste zou 700, de tweede niet minder dan 3500 boeken geschreven hebben.2Tweede brief aan de Corinthiërs XI, vers 19.3Vers 16 en 17.4Eerste brief aan de Corinthiërs IV, vers 10.5Eerste brief aan de Corinthiërs III, vers 18.6XXIV, vers 25.7Eerste brief aan de Corinthiërs, vers 25.8Kerkvader, geb. 185 na Chr. te Alexandrië, gest. 254; heeft werken geschreven tot uitlegging van den Bijbel.9Eerste brief aan de Corinthiërs I, vers 18.10LXIX, vers 6.11Dit verhaalt Plutarchus (zieVoorrede) in zijn leven van Caesar. Brutus en Cassius waren de hoofden van het komplot om Caesar te vermoorden; Antonius was zijn vriend en handlanger. Shakespeare put ook uit Plutarchus, als hij Caesar laat zeggen (Julius Caesar, Act. I sc. 2):Laat welgedane mannen om mij zijn,Met gladde haren, en die ’s nachts goed slapen.Die Cassius ziet er schraal en hongerig uit;Hij denkt te veel; die mannen zijn gevaarlijk.Het prentje stelt waarschijnlijk Caesar voor, die den welgedanen, vroolijken Antonius wijst op den ruigen, norschen Brutus.12De Romeinsche keizer Nero (54–68 na Chr.) dwong den wijsgeer Seneca (zieVoorrede), zijn opvoeder, zichzelf van kant te maken, daar hij hem er van verdacht aan een samenzwering tegen zijn leven te hebben deelgenomen.13Dionysius, tyran van Syracuse (406–367 v. Chr.), noodigde den wijsgeer Plato aan zijn hof. Deze haalde zich echter door zijn vrijmoedigheid den haat van den tyran op den hals, zoodat hij hem zelfs, volgens het verhaal, als slaaf liet verkoopen.14Eerste brief aan de Cor. I, vers 27.15Bedoeld schijnt vers 21 van hetzelfde hoofdstuk, ofschoon de tekst niet weinig verschilt.16Eerste brief aan de Cor. 1, vers 19; vergel. Jesaja XXIX, vers 14.17Matth. XI, vers 25; Lukas X, vers 21.18Matth. XXIII, vers 13–15, 23, 25, 27; Lukas XI, vers 42, 43.19Matth. XXI, vers 2.20Johannes X, vers 1–28.21Schreef o.a. een Geschiedenis der dieren.22Johannes I, vers 29 en 36. Natuurlijk wordt Johannes de Dooper bedoeld.23Hoofdstuk V–VII.24Eerste brief aan de Cor. I, vers 24.25Brief aan de Filippensen II, vers 8.26Tweede brief aan de Cor. V, vers 21.27Eerste brief aan de Cor. I, vers 21 (waar echter staat:de dwaasheid der prediking).28Matth. XVIII, vers 3; Marcus X, vers 15; Lukas XVIII, vers 17.29Matth. VI, vers 28; Lukas XII, vers 27.30Matth. XIII, vers 31; Marcus IV, vers 31; Lukas XIII, vers 19.31Matth. X, vers 31; Lukas XII, vers 7.32Matth. X, vers 19; Marcus XIII, vers 11; Lukas XII, vers 11 en XXI, vers 14.33Handelingen I, vers 7.34Genesis II, vers 17.35Eerste brief aan de Cor. VIII, vers 1.36Ziehoofdst. XL.37Vergel. Jesaja XIV, vers 13.38XII, vers 11.39I Samuël XXVI, vers 21.40II Samuël XXIV, vers 10.41Lukas XXIII, vers 34.42Eerste brief aan Timotheüs I, vers 13 (“daarom” ontbreekt in den Bijbel).43Psalm XXV, vers 7. In plaats van “onwetendheden” heeft de Ned. bijbelvertaling:overtredingen.
Maar het is dwaas van mij al deze dingen na te gaan, die zoo talloos zijn, dat zelfs de werken van Chrysippus of Didymus1ze niet alle zouden kunnen bevatten. Met deze opmerking alleen meen ik te kunnen volstaan, dat, wanneer dit aan die goddelijke meesters vrij stond, men mij ook, een uit slecht hout gesneden Theoloog, vergiffenis behoort te schenken, als mijn aanhalingen niet allen in den haak zijn. Nu keer ik eindelijk tot Paulus terug:Gij verdraagt, zegt hij,gaarne de onwijzen2. En wederom:Neemt mij dan aan als eenen onwijze, en ik spreek niet naar den Heere, maar als in onwijsheid3.Wederom elders:Wij, zegt hij,zijn dwazen om Christus’ wil4. Gij hebt het gehoord, wie de groote zegsman is van die groote loftuitingen op de zotheid. Zelfs predikt hij ook openlijk de dwaasheid als iets, dat boven alles noodzakelijk en zeer heilzaam is:Zoo iemand onder u dunkt, dat hij wijs is, die worde dwaas, opdat hij wijs moge worden5.Bij Lucas noemt Jezus ook twee discipelen, bij wie hij zich op weg heeft aangesloten,dwazen6. Ik geloofhaast niet, dat dit iemand vreemd kan voorkomen, daar de goddelijke Paulus ook God een weinigje dwaasheid toeschrijft:Het dwaze Gods, zegt hij,is wijzer dan de menschen7. Verder wil Origenes8, zijn uitlegger, niet, dat men onder deze dwaasheid verstaat de meening der menschen daaromtrent, zooals op die bekende plaats:Het woord des kruises is wel dengenen, die verloren gaan, dwaasheid9.
Maar waarom ga ik voort nuttelooze moeite aan te wenden om U dit door zooveel bewijsplaatsen aan te toonen, daar in de mystische psalmen Christus openlijk tot den vader zegt:Gij weet van mijne dwaasheid10.Het is waarlijk niet zonder goeden grond, dat de zotten zoozeer aan God behaagd hebben: de reden is, meen ik, hierin gelegen: evenals de hooggeplaatste vorsten menschen met al te groote geestesgaven verdenken en haten, zooals Julius Caesar Brutus en Cassius, terwijl hij den dronken Antonius volstrektniet vreesde11, en gelijk Nero Seneca12, Dionysius Plato13, en zij daarentegen in domme en eenvoudige geesten vermaak scheppen, zoo verfoeit en veroordeelt Christus ook die wijzen, die eeuwig zich op hun inzicht verlaten. Dit geeft Paulus geenszins onduidelijk te kennen, als hij zegt:Maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren14, en ook,dat het Gode behaagd heeft de wereld door de dwaasheid te redden, aangezien ze door de wijsheid niet kon hersteld worden15. Ja, diezelfde apostel levert een voldoende bewijs, uitroepende door den mond des profeets:Ik zal de wijsheid der wijzen doen vergaan en het verstand der verstandigen zal ik te niet maken16.En wederom als hij God dankt, dat hij de geheimenis der zaligheid voor de wijzen verborgen had gehouden, maar den kinderkens, d. i. den dwazen had geopenbaard17. Want in het Grieksch staat er een woord voor “kinderkens,” dat ook “dwazen” kan beteekenen, en hij heeft die dan ook tegenover de wijzen gesteld. Hiertoe behoort nog, dat hij overal in het Evangelie Farizeën, schriftgeleerden en wetgeleerden aanvalt, maar het domme volk met alle macht verdedigt. Want wat beteekent het woord:Wee U, gij schriftgeleerden en Farizeën18, anders dan:Wee U, gij wijzen? Hij schijnt daarentegen de grootste voorliefde te hebben gekoesterd voor kleine kinderen, vrouwen en visschers. Zelfs behagen die redelooze dieren het meest aan Christus, die zoo ver mogelijk verwijderd zijn van de slimheid der vossen: daarom zat hij bij voorkeur op een ezel19, terwijl hij, zoo het hem gelust had, zelfs veilig op een leeuw had kunnen rijden. Ook is de Heilige Geest in de gestalte van een duif neergedaald, niet in die van een arend of wouw. Daarenboven is er in de Heilige Schrift op verscheiden plaatsen herhaaldelijk sprake van herten, reeën en lammeren. Voeg hierbij, dat hij de zijnen, die toteen onsterfelijk leven bestemd zijn, schapen noemt20, dieren, die het dwaast zijn van alle levende schepselen, zooals zelfs het spreekwoord bij Aristoteles21“Schapennatuur” getuigt, waaruit blijkt, dat men deze uitdrukking, aan de dwaasheid van dit vee ontleend, voor domme en stompe menschen als scheldwoord placht te bezigen. En toch erkent Christus, dat hij de herder is van deze kudde, ja zelfs, vond hij genoegen in den naam van lam, toen Johannes op hem wees met de woorden:Zie het lam Gods22, waarvan ook dikwijls in de Openbaring gesproken wordt23. Wat verkondigen deze woorden anders dan dat alle menschen dwaas zijn, ook de vromen? dat ook Christus zelf om de dwaasheid der menschen tegemoet te komen, ofschoon hij de wijsheid des Vaders was24, toch in zekeren zin dwaas is geworden, toen hij, na de menschelijke natuur te hebben aangenomen,in gedaante gevonden is als een mensch25? evenals hij ook zonde geworden is om de zonden weg te nemen26. En dit wilde hij op geen andere wijze doen dan door middel van de dwaasheid des kruises27, door zotte en domme apostelen, aan wie hij ijverig dwaasheid voorschrijft, hen van de wijsheid afschrikkende,terwijl hij hen wijst op het voorbeeld van kinderen28, leliën29, mostaardzaad30en musschen31, domme en redelooze zaken en die alleen naar de leiding der natuur, zonder eenige kunst of zorg hun leven doorbrengen. Daarenboven als hij niet wil, dat zij bezorgd zijn, welke woorden zij bij de stadhouders zullen gebruiken32, en als hij hun verbiedt de tijden of gelegenheden33te onderzoeken, dan is dit blijkbaar met het doel om te maken, dat zij niet op hun eigen wijsheid vertrouwen, maar met geheel hun ziel aan hem hangen. Hiertoe behoort ook, dat God, de schepper der wereld, den menschen verbood te proeven van den boom der kennis34, even alsof kennis het geluk vergiftigt. Paulus komt echter openlijk met zijn afkeuring van de kennis voor den dag, die de menschen opgeblazen en diep ongelukkig zou maken35. Vergis ik mij niet, dan volgt de Heilige Bernard36zijn voetspoor, als hij den berg, waarop Lucifer zijn zetel had opgeslagen37, voor den berg der kennis verklaart. Misschien zal men ook meenen, dat dit bewijs voor de gunst, waarin de dwaasheid bij de hemelingen staat, niet achterwege mag blijven, dat haar alleen vergiffenis voor haar dwalingen gegeven wordt, maar den wijze niet; en daarom maken zij, die om vergeving smeeken, ook wanneer zij willens en wetens gezondigd hebben, desniettemin gebruik van het voorwendsel en de bescherming der dwaasheid. Want Aäron smeekt in het Boek Numeri38, als ik mij goed herinner, dat zijn vrouw de straf worde kwijtgescholden, in deze bewoordingen:Och, mijn Heer! leg toch niet op ons de zonde, waarmede wij zottelijk gedaan, en waarmede wij gezondigd hebben!Zoo smeekt ook Saul David om vergiffenis van schuld, zeggende:Zie, ik heb dwaselijk gedaan39.Wederom spreekt David zelf deze vleiende woorden tot den Heer:Maarnu, o Heere! neem toch de misdaad uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gedaan40;alsof hij geen vergiffenis zou verkrijgen, zoo hij geen dwaasheid en onwetendheid voorwendde. Maar een klemmender bewijs is dit, dat Christus aan het kruis, toen hij voor zijn vijanden bad:Vader! vergeef het hun, geen andere verontschuldiging aanvoerde, dan die van onverstand:Omdat zij niet weten,zegt hij,wat zij doen41. Evenzoo zegt Paulus in zijn brief aan Timotheüs:Maar mij is daarom barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetende gedaan heb in mijne ongeloovigheid42.Wat beteekent:ik heb het onwetende gedaan, anders dan dit: ik heb het uit dwaasheid, niet uit boosaardigheid gedaan? Wat beteekent:mij is daarom barmhartigheid geschied, anders dan: mij zou die niet te beurt gevallen zijn, zoo mijn dwaasheid mij niet tot voorspraak had gestrekt? Voor ons pleit ook die mystische psalmdichter, die mij ter rechter plaatse niet voorden geest kwam:Gedenk niet der zonden mijner jongheid, noch mijner onwetendheden43.Gij hebt gehoord, op welke twee zaken hij zich beroept, namelijk dien leeftijd, welks onafscheidelijke metgezel ik pleeg te zijn, en de onwetendheden—en deze in het meervoud, opdat wij den reusachtigen omvang zijner dwaasheid zouden begrijpen.
1Over Chrysippus ziehoofdst. LIII; Didymus, Alexandrijnsch geleerde uit de eerste eeuw voor Chr. De eerste zou 700, de tweede niet minder dan 3500 boeken geschreven hebben.2Tweede brief aan de Corinthiërs XI, vers 19.3Vers 16 en 17.4Eerste brief aan de Corinthiërs IV, vers 10.5Eerste brief aan de Corinthiërs III, vers 18.6XXIV, vers 25.7Eerste brief aan de Corinthiërs, vers 25.8Kerkvader, geb. 185 na Chr. te Alexandrië, gest. 254; heeft werken geschreven tot uitlegging van den Bijbel.9Eerste brief aan de Corinthiërs I, vers 18.10LXIX, vers 6.11Dit verhaalt Plutarchus (zieVoorrede) in zijn leven van Caesar. Brutus en Cassius waren de hoofden van het komplot om Caesar te vermoorden; Antonius was zijn vriend en handlanger. Shakespeare put ook uit Plutarchus, als hij Caesar laat zeggen (Julius Caesar, Act. I sc. 2):Laat welgedane mannen om mij zijn,Met gladde haren, en die ’s nachts goed slapen.Die Cassius ziet er schraal en hongerig uit;Hij denkt te veel; die mannen zijn gevaarlijk.Het prentje stelt waarschijnlijk Caesar voor, die den welgedanen, vroolijken Antonius wijst op den ruigen, norschen Brutus.12De Romeinsche keizer Nero (54–68 na Chr.) dwong den wijsgeer Seneca (zieVoorrede), zijn opvoeder, zichzelf van kant te maken, daar hij hem er van verdacht aan een samenzwering tegen zijn leven te hebben deelgenomen.13Dionysius, tyran van Syracuse (406–367 v. Chr.), noodigde den wijsgeer Plato aan zijn hof. Deze haalde zich echter door zijn vrijmoedigheid den haat van den tyran op den hals, zoodat hij hem zelfs, volgens het verhaal, als slaaf liet verkoopen.14Eerste brief aan de Cor. I, vers 27.15Bedoeld schijnt vers 21 van hetzelfde hoofdstuk, ofschoon de tekst niet weinig verschilt.16Eerste brief aan de Cor. 1, vers 19; vergel. Jesaja XXIX, vers 14.17Matth. XI, vers 25; Lukas X, vers 21.18Matth. XXIII, vers 13–15, 23, 25, 27; Lukas XI, vers 42, 43.19Matth. XXI, vers 2.20Johannes X, vers 1–28.21Schreef o.a. een Geschiedenis der dieren.22Johannes I, vers 29 en 36. Natuurlijk wordt Johannes de Dooper bedoeld.23Hoofdstuk V–VII.24Eerste brief aan de Cor. I, vers 24.25Brief aan de Filippensen II, vers 8.26Tweede brief aan de Cor. V, vers 21.27Eerste brief aan de Cor. I, vers 21 (waar echter staat:de dwaasheid der prediking).28Matth. XVIII, vers 3; Marcus X, vers 15; Lukas XVIII, vers 17.29Matth. VI, vers 28; Lukas XII, vers 27.30Matth. XIII, vers 31; Marcus IV, vers 31; Lukas XIII, vers 19.31Matth. X, vers 31; Lukas XII, vers 7.32Matth. X, vers 19; Marcus XIII, vers 11; Lukas XII, vers 11 en XXI, vers 14.33Handelingen I, vers 7.34Genesis II, vers 17.35Eerste brief aan de Cor. VIII, vers 1.36Ziehoofdst. XL.37Vergel. Jesaja XIV, vers 13.38XII, vers 11.39I Samuël XXVI, vers 21.40II Samuël XXIV, vers 10.41Lukas XXIII, vers 34.42Eerste brief aan Timotheüs I, vers 13 (“daarom” ontbreekt in den Bijbel).43Psalm XXV, vers 7. In plaats van “onwetendheden” heeft de Ned. bijbelvertaling:overtredingen.
1Over Chrysippus ziehoofdst. LIII; Didymus, Alexandrijnsch geleerde uit de eerste eeuw voor Chr. De eerste zou 700, de tweede niet minder dan 3500 boeken geschreven hebben.
2Tweede brief aan de Corinthiërs XI, vers 19.
3Vers 16 en 17.
4Eerste brief aan de Corinthiërs IV, vers 10.
5Eerste brief aan de Corinthiërs III, vers 18.
6XXIV, vers 25.
7Eerste brief aan de Corinthiërs, vers 25.
8Kerkvader, geb. 185 na Chr. te Alexandrië, gest. 254; heeft werken geschreven tot uitlegging van den Bijbel.
9Eerste brief aan de Corinthiërs I, vers 18.
10LXIX, vers 6.
11Dit verhaalt Plutarchus (zieVoorrede) in zijn leven van Caesar. Brutus en Cassius waren de hoofden van het komplot om Caesar te vermoorden; Antonius was zijn vriend en handlanger. Shakespeare put ook uit Plutarchus, als hij Caesar laat zeggen (Julius Caesar, Act. I sc. 2):
Laat welgedane mannen om mij zijn,Met gladde haren, en die ’s nachts goed slapen.Die Cassius ziet er schraal en hongerig uit;Hij denkt te veel; die mannen zijn gevaarlijk.
Laat welgedane mannen om mij zijn,Met gladde haren, en die ’s nachts goed slapen.Die Cassius ziet er schraal en hongerig uit;Hij denkt te veel; die mannen zijn gevaarlijk.
Laat welgedane mannen om mij zijn,Met gladde haren, en die ’s nachts goed slapen.Die Cassius ziet er schraal en hongerig uit;Hij denkt te veel; die mannen zijn gevaarlijk.
Laat welgedane mannen om mij zijn,Met gladde haren, en die ’s nachts goed slapen.Die Cassius ziet er schraal en hongerig uit;Hij denkt te veel; die mannen zijn gevaarlijk.
Laat welgedane mannen om mij zijn,
Met gladde haren, en die ’s nachts goed slapen.
Die Cassius ziet er schraal en hongerig uit;
Hij denkt te veel; die mannen zijn gevaarlijk.
Het prentje stelt waarschijnlijk Caesar voor, die den welgedanen, vroolijken Antonius wijst op den ruigen, norschen Brutus.
12De Romeinsche keizer Nero (54–68 na Chr.) dwong den wijsgeer Seneca (zieVoorrede), zijn opvoeder, zichzelf van kant te maken, daar hij hem er van verdacht aan een samenzwering tegen zijn leven te hebben deelgenomen.
13Dionysius, tyran van Syracuse (406–367 v. Chr.), noodigde den wijsgeer Plato aan zijn hof. Deze haalde zich echter door zijn vrijmoedigheid den haat van den tyran op den hals, zoodat hij hem zelfs, volgens het verhaal, als slaaf liet verkoopen.
14Eerste brief aan de Cor. I, vers 27.
15Bedoeld schijnt vers 21 van hetzelfde hoofdstuk, ofschoon de tekst niet weinig verschilt.
16Eerste brief aan de Cor. 1, vers 19; vergel. Jesaja XXIX, vers 14.
17Matth. XI, vers 25; Lukas X, vers 21.
18Matth. XXIII, vers 13–15, 23, 25, 27; Lukas XI, vers 42, 43.
19Matth. XXI, vers 2.
20Johannes X, vers 1–28.
21Schreef o.a. een Geschiedenis der dieren.
22Johannes I, vers 29 en 36. Natuurlijk wordt Johannes de Dooper bedoeld.
23Hoofdstuk V–VII.
24Eerste brief aan de Cor. I, vers 24.
25Brief aan de Filippensen II, vers 8.
26Tweede brief aan de Cor. V, vers 21.
27Eerste brief aan de Cor. I, vers 21 (waar echter staat:de dwaasheid der prediking).
28Matth. XVIII, vers 3; Marcus X, vers 15; Lukas XVIII, vers 17.
29Matth. VI, vers 28; Lukas XII, vers 27.
30Matth. XIII, vers 31; Marcus IV, vers 31; Lukas XIII, vers 19.
31Matth. X, vers 31; Lukas XII, vers 7.
32Matth. X, vers 19; Marcus XIII, vers 11; Lukas XII, vers 11 en XXI, vers 14.
33Handelingen I, vers 7.
34Genesis II, vers 17.
35Eerste brief aan de Cor. VIII, vers 1.
36Ziehoofdst. XL.
37Vergel. Jesaja XIV, vers 13.
38XII, vers 11.
39I Samuël XXVI, vers 21.
40II Samuël XXIV, vers 10.
41Lukas XXIII, vers 34.
42Eerste brief aan Timotheüs I, vers 13 (“daarom” ontbreekt in den Bijbel).
43Psalm XXV, vers 7. In plaats van “onwetendheden” heeft de Ned. bijbelvertaling:overtredingen.
Hoofdstuk LXVI.De Christelijke godsdienst vertoont een zekere verwantschap met de Zotheid.En om mij niet verder in te laten met eindelooze bijzonderheden en mijn gevoelen kort en goed uit te spreken, het komt mij voor, dat de Christelijke godsdienst in het algemeen een soort van verwantschap heeft met een zekere dwaasheid en volstrekt niets met de wijsheid heeft te maken. Als gij bewijzen hiervoor verlangt, let dan vooreerst hierop, dat knapen, grijsaards, vrouwen en gekken meer dan alle anderen vermaak scheppen in heilige en godsdienstige zaken en dat zij daarom altijd het dichtst bij de altaren staan, ongetwijfeld alleen door hun instinct gedreven. Daarenboven ziet gij, dat die eerste godsdienststichters verbazend met onnoozelheid waren ingenomen en de bitterste vijanden der wetenschap waren. Eindelijk, schijnen mij geen gekken onwijzer te zijn dan zij, die eenmaal geheel door het vuur der Christelijke vroomheid bezield zijn: zoozeer verspillen zij hun vermogen, slaan geen acht op beleedigingen, laten zij zich foppen, maken zij geen onderscheid tusschen vrienden en vijanden, verafschuwen zij het zingenot, mesten zij zich met vasten, waken, weenen en werken, hebben zij een afkeer van het leven, verlangen zij alleen naar dendood, kortom schijnen zij geheel verstompt te zijn voor alle gewoon menschelijke aandoeningen, alsof hun ziel elders leeft, niet in het lichaam, waar zij thuis hoort. Wat is dit wel anders dan waanzin? Des te minder moet het ons bevreemden, zoo de apostelen schenen vol zoeten wijns te zijn1en Festus, Paulus’ rechter, meende, dat hij waanzinnig was2. Maar nu wij toch eenmaal de leeuwenhuid hebben omgehangen3, willen wij U ook nog dit duidelijk maken, dat het geluk der Christenen, dat zij ten koste van zooveel ellende zoeken, niets anders is dan een soort van waanzin en zotheid: duidt mij deze woorden niet ten kwade, maar overweegt liever de zaak zelf. Al dadelijk zijn de Christenen het hierover zoo ongeveer met de Platonisten eens, dat de ziel diep in den kerker des lichaams verborgen ligt en dat zij door dat grove omhulsel verhinderd wordt om het ware te kunnen waarnemen en genieten. Daarom geeft hij4van de wijsbegeerte deze bepaling, dat zij de overpeinzing van den dood is, omdat zij den geest van de zichtbare en lichamelijke dingen afvoert, hetzelfde, wat immers ook de dood doet. Derhalve heet de ziel zoolang gezond, als zij de organen des lichaams goed weet te gebruiken,maar als zij, wanneer haar boeien eindelijk verbroken zijn, zich in vrijheid tracht te stellen en als het ware over het vluchten uit dien kerker peinst, dan noemt men het waanzin5. Is dit soms het gevolg van een ziekte en een gebrek in de organen, dan is het volgens aller eenstemmig gevoelen ongetwijfeld waanzin. En toch zien wij, dat ook dit soort van menschen de toekomst voorspelt, tongen en talen verstaat, die zij vroeger nooit geleerd hadden, en in ’t algemeen iets goddelijks over zich heeft. Het is aan geen twijfel onderhevig, dat dit hiervan komt, dat de geest, een weinig vrijer van de besmetting des lichaams, zijn natuurlijke kracht begint te vertoonen. Dit is ook, naar ik meen, de oorzaak, waarom hun, die met den dood worstelen, iets dergelijks pleegt te geschieden, dat zij als in geestverrukking wonderbare dingen spreken. Gebeurt dit daarentegen uit vromen ijver, dan is het misschien niet hetzelfde soort van waanzin, maar het is daarmede zoo nauw verwant, dat een groot deel der menschen het voor louteren waanzin verklaart, vooral omdat al zeer weinig arme drommels in gansch hun leven van de geheele menschelijke maatschappij verschillen. Daarom pleegt ook met hen te geschieden wat volgens Plato’s verdichtsel, zoo ik het wel heb, hun overkomt, die in een grot geboeid de schaduwen der dingen bewonderen6, en dien vluchteling, die, in de grot teruggekeerd, verkondigt, dat hij de ware dingen gezien heeft en dat zij het geheel mis hebben, die gelooven, dat er behalve die armzalige schaduwen niets bestaat. Want deze wijze beklaagt en betreurt den waanzin van hen, die in zulk een groote dwaling verkeeren: zij lachen op hun beurt om hem, alsof hij het hoofd kwijt is, en jagen hem weg. Zoo koestert ook het gros der menschen de hoogste bewondering voor die dingen, welke vooral lichamelijk zijn, en meent, dat deze schierde eenige zijn, die bestaan. De vromen daarentegen schatten iedere zaak des te geringer, naarmate zij des te nader bij het lichaam staat, en voelen zich alleen aangetrokken door de beschouwing der onzichtbare dingen. Want genen hechten de hoogste waarde aan den rijkdom, daarop volgen de goederen des lichaams, de laatste plaats ruimen zij aan de ziel in, ofschoon de meesten zelfs niet aan haar bestaan gelooven, omdat zij met de oogen niet kan waargenomen worden. Omgekeerd richten dezen in de eerste plaats hun gedachten op God zelf, het eenvoudige wezen bij uitnemendheid; na Hem, en toch in Hem, op hetgeen het naast bij hem komt, n.l. op de ziel; om de zorg voor hun lichaam bekommeren zij zich geen zier, terwijl zij het geld als geheel waardeloos versmaden en ontvluchten. Of worden zij al gedwongen zich met iets dergelijks in te laten, dan doen zij dit met een bezwaard gemoed en vol walging: zij hebben als niet hebbende en bezitten als niet bezittende7. Er bestaan ook groote trappen van verschil tusschen die twee menschenklassen ten opzichte van allerlei dingen afzonderlijk. Vooreerst zijn er eenige der zinnen, alhoewel zij alle met het lichaam in verband staan, minder fijn zooals het gevoel, het gehoor, het gezicht, de reuk en de smaak:andere daarentegen hangen minder nauw met het lichaam samen, zooals het geheugen, het begrip, de wil. Waarheen nu maar de ziel haar krachten richt, daar mist zij haar uitwerking niet. De vromen, omdat al hun zielskracht zich op die zaken richt, die geheel vreemd zijn aan de grovere zinnen, worden, wat deze laatste betreft, als het ware bot en stomp. Daarentegen is het gros der menschen hierin sterk, in gene echter zoo zwak als ’t maar kan. Dit is de reden van hetgeen, naar wij gehoord hebben, heiligen mannen is overkomen, dat zij olie in plaats van wijn dronken8. Aan den anderen kant hebben eenige gemoedsaandoeningen meer gemeenschap met het vette lichaam, zooals de wellust, het verlangen naar spijs en slaap, oploopendheid, hoogmoed en afgunst. Met deze voeren de vromen een onverzoenbaren krijg, daarentegen denkt het gemeen, dat het zonder deze goederen niet mogelijk is te leven. Verder zijn er eenige aandoeningen, die het midden houden en als het ware natuurlijk zijn, als liefde tot zijn vader, liefde jegens zijn kinderen, ouders en vrienden. Hieraan hecht het gemeen eenige waarde. Maar genen trachten ook deze aandoeningen uit hun ziel te rukken, behalve voorzooverre die aandoeningen zich tot het hoogste deel der ziel verheffen, zóó, dat zij hun vader beminnen niet als hun vader (want watheeft hij voortgebracht behalve het lichaam? ofschoon men dit zelfs ook aan God, den vader, te danken heeft), maar als een goed man en iemand, in wien zich het afschijnsel vertoont van dien hoogsten geest, dien zij alleen het hoogste goed noemen en buiten welken, volgens hun verklaring, er niets bestaat, dat men beminnen of najagen moet. Dezen zelfden maatstaf leggen zij eveneens bij alle overige plichten des levens aan, zoodat zij overal hetgeen zichtbaar is, zoo al niet als geheel te verwerpen, dan toch als van veel minder waarde beschouwen dan hetgeen niet kan gezien worden. Zij beweren ook, dat in de Sacramenten en in de plichten zelf der vroomheid lichaam en geest gevonden worden. Zoo hechten zij er b.v. bij het vasten niet veel waarde aan, als iemand zich slechts van het vleeschgebruik en het middagmaal onthoudt, wat bij den grooten hoop voor een volmaakt vasten doorgaat, indien hij niet tevens ook zijn hartstochten eenigszins bedwingt, zoodat hij minder dan gewoonlijk zijn toorn en zijn trots den teugel viert en de ziel, als het ware reeds minder zwoegende onder den last des lichaams, zich verheft tot het smaken en genieten der hemelsche goederen. Dit is ook het geval met de mis: alhoewel, zeggen zij, men de daartoe behoorende ceremoniën niet gering moet schatten, zijn deze op zichzelf of van weinig nut of zelfs verderfelijk, zoo niet het geestelijke element daarbij komt, dat is, hetgeen door die zichtbare teekenen wordt voorgesteld. Dit is niets anders dan de dood van Christus, dien de menschen behooren weer te geven door het bedwingen, het uitdooven en als ’t ware door het begraven hunner lichamelijke driften, opdat zij tot een nieuw leven opstaan en opdat zij één met hem, maar ook tevens één onder elkander kunnen worden. Hierom is het den vrome te doen en hierover peinst hij. Daarentegen gelooft het volk, dat het misofferin niets anders bestaat dan hierin, dat het zich in de nabijheid van het altaar bevindt en dat wel zoo dicht mogelijk, dat het luistert naar den klank der woorden en kijkt naar andere dergelijke kleine onderdeelen van die plechtigheid. Niet alleen in het opgenoemde, dat wij slechts als voorbeeld hebben aangehaald, maar om het eenvoudig uit te drukken, in zijn geheele leven ontvlucht de vrome de dingen, welke met het lichaam verwant zijn, en voelt zich met onweerstaanbare macht tot het eeuwige, het onzichtbare, het geestelijke getrokken. Het natuurlijk gevolg van het hemelsbreed verschil van gevoelen tusschen dezen en genen omtrent alle dingen is, dat volgens de eene partij de andere aan waanzin lijdt, hoewel deze benaming met meer recht aan de vromen toekomt dan aan de groote menigte, als ik ten minste goed zie.1Handelingen II, vers 13.2Handelingen XXVI, vers 24.3Spreekwoordelijk voor: een rol op zich nemen, die de krachten te boven gaat.4Plato.5De pointe der redeneering gaat in de vertaling verloren. Insania “waanzin” beteekent letterlijk “ongezondheid.”6Ziehoofdst. XLV.7Zie eersten brief aan de Cor. VII, vers 29 en 30.8De heilige Bernard was eens zoo in de Heilige Schrift verdiept, dat hij zonder het te merken zijn dorst leschte door een kruik met olie te ledigen.
En om mij niet verder in te laten met eindelooze bijzonderheden en mijn gevoelen kort en goed uit te spreken, het komt mij voor, dat de Christelijke godsdienst in het algemeen een soort van verwantschap heeft met een zekere dwaasheid en volstrekt niets met de wijsheid heeft te maken. Als gij bewijzen hiervoor verlangt, let dan vooreerst hierop, dat knapen, grijsaards, vrouwen en gekken meer dan alle anderen vermaak scheppen in heilige en godsdienstige zaken en dat zij daarom altijd het dichtst bij de altaren staan, ongetwijfeld alleen door hun instinct gedreven. Daarenboven ziet gij, dat die eerste godsdienststichters verbazend met onnoozelheid waren ingenomen en de bitterste vijanden der wetenschap waren. Eindelijk, schijnen mij geen gekken onwijzer te zijn dan zij, die eenmaal geheel door het vuur der Christelijke vroomheid bezield zijn: zoozeer verspillen zij hun vermogen, slaan geen acht op beleedigingen, laten zij zich foppen, maken zij geen onderscheid tusschen vrienden en vijanden, verafschuwen zij het zingenot, mesten zij zich met vasten, waken, weenen en werken, hebben zij een afkeer van het leven, verlangen zij alleen naar dendood, kortom schijnen zij geheel verstompt te zijn voor alle gewoon menschelijke aandoeningen, alsof hun ziel elders leeft, niet in het lichaam, waar zij thuis hoort. Wat is dit wel anders dan waanzin? Des te minder moet het ons bevreemden, zoo de apostelen schenen vol zoeten wijns te zijn1en Festus, Paulus’ rechter, meende, dat hij waanzinnig was2. Maar nu wij toch eenmaal de leeuwenhuid hebben omgehangen3, willen wij U ook nog dit duidelijk maken, dat het geluk der Christenen, dat zij ten koste van zooveel ellende zoeken, niets anders is dan een soort van waanzin en zotheid: duidt mij deze woorden niet ten kwade, maar overweegt liever de zaak zelf. Al dadelijk zijn de Christenen het hierover zoo ongeveer met de Platonisten eens, dat de ziel diep in den kerker des lichaams verborgen ligt en dat zij door dat grove omhulsel verhinderd wordt om het ware te kunnen waarnemen en genieten. Daarom geeft hij4van de wijsbegeerte deze bepaling, dat zij de overpeinzing van den dood is, omdat zij den geest van de zichtbare en lichamelijke dingen afvoert, hetzelfde, wat immers ook de dood doet. Derhalve heet de ziel zoolang gezond, als zij de organen des lichaams goed weet te gebruiken,maar als zij, wanneer haar boeien eindelijk verbroken zijn, zich in vrijheid tracht te stellen en als het ware over het vluchten uit dien kerker peinst, dan noemt men het waanzin5. Is dit soms het gevolg van een ziekte en een gebrek in de organen, dan is het volgens aller eenstemmig gevoelen ongetwijfeld waanzin. En toch zien wij, dat ook dit soort van menschen de toekomst voorspelt, tongen en talen verstaat, die zij vroeger nooit geleerd hadden, en in ’t algemeen iets goddelijks over zich heeft. Het is aan geen twijfel onderhevig, dat dit hiervan komt, dat de geest, een weinig vrijer van de besmetting des lichaams, zijn natuurlijke kracht begint te vertoonen. Dit is ook, naar ik meen, de oorzaak, waarom hun, die met den dood worstelen, iets dergelijks pleegt te geschieden, dat zij als in geestverrukking wonderbare dingen spreken. Gebeurt dit daarentegen uit vromen ijver, dan is het misschien niet hetzelfde soort van waanzin, maar het is daarmede zoo nauw verwant, dat een groot deel der menschen het voor louteren waanzin verklaart, vooral omdat al zeer weinig arme drommels in gansch hun leven van de geheele menschelijke maatschappij verschillen. Daarom pleegt ook met hen te geschieden wat volgens Plato’s verdichtsel, zoo ik het wel heb, hun overkomt, die in een grot geboeid de schaduwen der dingen bewonderen6, en dien vluchteling, die, in de grot teruggekeerd, verkondigt, dat hij de ware dingen gezien heeft en dat zij het geheel mis hebben, die gelooven, dat er behalve die armzalige schaduwen niets bestaat. Want deze wijze beklaagt en betreurt den waanzin van hen, die in zulk een groote dwaling verkeeren: zij lachen op hun beurt om hem, alsof hij het hoofd kwijt is, en jagen hem weg. Zoo koestert ook het gros der menschen de hoogste bewondering voor die dingen, welke vooral lichamelijk zijn, en meent, dat deze schierde eenige zijn, die bestaan. De vromen daarentegen schatten iedere zaak des te geringer, naarmate zij des te nader bij het lichaam staat, en voelen zich alleen aangetrokken door de beschouwing der onzichtbare dingen. Want genen hechten de hoogste waarde aan den rijkdom, daarop volgen de goederen des lichaams, de laatste plaats ruimen zij aan de ziel in, ofschoon de meesten zelfs niet aan haar bestaan gelooven, omdat zij met de oogen niet kan waargenomen worden. Omgekeerd richten dezen in de eerste plaats hun gedachten op God zelf, het eenvoudige wezen bij uitnemendheid; na Hem, en toch in Hem, op hetgeen het naast bij hem komt, n.l. op de ziel; om de zorg voor hun lichaam bekommeren zij zich geen zier, terwijl zij het geld als geheel waardeloos versmaden en ontvluchten. Of worden zij al gedwongen zich met iets dergelijks in te laten, dan doen zij dit met een bezwaard gemoed en vol walging: zij hebben als niet hebbende en bezitten als niet bezittende7. Er bestaan ook groote trappen van verschil tusschen die twee menschenklassen ten opzichte van allerlei dingen afzonderlijk. Vooreerst zijn er eenige der zinnen, alhoewel zij alle met het lichaam in verband staan, minder fijn zooals het gevoel, het gehoor, het gezicht, de reuk en de smaak:andere daarentegen hangen minder nauw met het lichaam samen, zooals het geheugen, het begrip, de wil. Waarheen nu maar de ziel haar krachten richt, daar mist zij haar uitwerking niet. De vromen, omdat al hun zielskracht zich op die zaken richt, die geheel vreemd zijn aan de grovere zinnen, worden, wat deze laatste betreft, als het ware bot en stomp. Daarentegen is het gros der menschen hierin sterk, in gene echter zoo zwak als ’t maar kan. Dit is de reden van hetgeen, naar wij gehoord hebben, heiligen mannen is overkomen, dat zij olie in plaats van wijn dronken8. Aan den anderen kant hebben eenige gemoedsaandoeningen meer gemeenschap met het vette lichaam, zooals de wellust, het verlangen naar spijs en slaap, oploopendheid, hoogmoed en afgunst. Met deze voeren de vromen een onverzoenbaren krijg, daarentegen denkt het gemeen, dat het zonder deze goederen niet mogelijk is te leven. Verder zijn er eenige aandoeningen, die het midden houden en als het ware natuurlijk zijn, als liefde tot zijn vader, liefde jegens zijn kinderen, ouders en vrienden. Hieraan hecht het gemeen eenige waarde. Maar genen trachten ook deze aandoeningen uit hun ziel te rukken, behalve voorzooverre die aandoeningen zich tot het hoogste deel der ziel verheffen, zóó, dat zij hun vader beminnen niet als hun vader (want watheeft hij voortgebracht behalve het lichaam? ofschoon men dit zelfs ook aan God, den vader, te danken heeft), maar als een goed man en iemand, in wien zich het afschijnsel vertoont van dien hoogsten geest, dien zij alleen het hoogste goed noemen en buiten welken, volgens hun verklaring, er niets bestaat, dat men beminnen of najagen moet. Dezen zelfden maatstaf leggen zij eveneens bij alle overige plichten des levens aan, zoodat zij overal hetgeen zichtbaar is, zoo al niet als geheel te verwerpen, dan toch als van veel minder waarde beschouwen dan hetgeen niet kan gezien worden. Zij beweren ook, dat in de Sacramenten en in de plichten zelf der vroomheid lichaam en geest gevonden worden. Zoo hechten zij er b.v. bij het vasten niet veel waarde aan, als iemand zich slechts van het vleeschgebruik en het middagmaal onthoudt, wat bij den grooten hoop voor een volmaakt vasten doorgaat, indien hij niet tevens ook zijn hartstochten eenigszins bedwingt, zoodat hij minder dan gewoonlijk zijn toorn en zijn trots den teugel viert en de ziel, als het ware reeds minder zwoegende onder den last des lichaams, zich verheft tot het smaken en genieten der hemelsche goederen. Dit is ook het geval met de mis: alhoewel, zeggen zij, men de daartoe behoorende ceremoniën niet gering moet schatten, zijn deze op zichzelf of van weinig nut of zelfs verderfelijk, zoo niet het geestelijke element daarbij komt, dat is, hetgeen door die zichtbare teekenen wordt voorgesteld. Dit is niets anders dan de dood van Christus, dien de menschen behooren weer te geven door het bedwingen, het uitdooven en als ’t ware door het begraven hunner lichamelijke driften, opdat zij tot een nieuw leven opstaan en opdat zij één met hem, maar ook tevens één onder elkander kunnen worden. Hierom is het den vrome te doen en hierover peinst hij. Daarentegen gelooft het volk, dat het misofferin niets anders bestaat dan hierin, dat het zich in de nabijheid van het altaar bevindt en dat wel zoo dicht mogelijk, dat het luistert naar den klank der woorden en kijkt naar andere dergelijke kleine onderdeelen van die plechtigheid. Niet alleen in het opgenoemde, dat wij slechts als voorbeeld hebben aangehaald, maar om het eenvoudig uit te drukken, in zijn geheele leven ontvlucht de vrome de dingen, welke met het lichaam verwant zijn, en voelt zich met onweerstaanbare macht tot het eeuwige, het onzichtbare, het geestelijke getrokken. Het natuurlijk gevolg van het hemelsbreed verschil van gevoelen tusschen dezen en genen omtrent alle dingen is, dat volgens de eene partij de andere aan waanzin lijdt, hoewel deze benaming met meer recht aan de vromen toekomt dan aan de groote menigte, als ik ten minste goed zie.
1Handelingen II, vers 13.2Handelingen XXVI, vers 24.3Spreekwoordelijk voor: een rol op zich nemen, die de krachten te boven gaat.4Plato.5De pointe der redeneering gaat in de vertaling verloren. Insania “waanzin” beteekent letterlijk “ongezondheid.”6Ziehoofdst. XLV.7Zie eersten brief aan de Cor. VII, vers 29 en 30.8De heilige Bernard was eens zoo in de Heilige Schrift verdiept, dat hij zonder het te merken zijn dorst leschte door een kruik met olie te ledigen.
1Handelingen II, vers 13.
2Handelingen XXVI, vers 24.
3Spreekwoordelijk voor: een rol op zich nemen, die de krachten te boven gaat.
4Plato.
5De pointe der redeneering gaat in de vertaling verloren. Insania “waanzin” beteekent letterlijk “ongezondheid.”
6Ziehoofdst. XLV.
7Zie eersten brief aan de Cor. VII, vers 29 en 30.
8De heilige Bernard was eens zoo in de Heilige Schrift verdiept, dat hij zonder het te merken zijn dorst leschte door een kruik met olie te ledigen.
Hoofdstuk LXVII.De hoogste zaligheid voor de menschen is een soort van waanzin.Dit zal zeker nog duidelijker in het oog springen, als ik volgens mijn belofte in weinig woorden aantoon, dat die hemelsche belooning niets anders is dan een soort van waanzin. Bedenkt daarom in de eerste plaats, dat Plato reeds eenmaal van iets dergelijks gedroomd heeft, toen hij de razernij der verliefden allergelukkigst noemde. Immers wie hevig bemint, leeft niet meer in zich, maar in hetgeen hij bemint, en hoe verder hij van zichzelf weggaat en daarin verhuist, des te meer neemt zijn vreugde toe. En als de ziel uit het lichaam wenscht weg te reizen en haar organen niet goed gebruikt, dan mag men dit met volle recht razernij noemen. Wat beteekenen anders die algemeen gebruikelijke uitdrukkingen:Hij is buiten zichzelfen:kom tot u zelfen:hij is weer tot zichzelf gekomen? Verder, hoe vuriger de liefde, des te grooter en gelukkiger is de razernij. Wat zal dat dan wel voor een leven in den hemel zijn, waarnaar de vrome zielen met zulk een innig verlangen zuchten? De geest zal immers het lichaam geheel opslorpen, omdat hij zijn meerdere en sterker is. En dit zal hij des te gemakkelijker doen gedeeltelijk hierom, omdat hij reeds vroeger bij het leven het lichaam voor een dergelijke gedaanteverwisseling gezuiverd en verdund heeft. Verder zal de geest door dien hemelschen geest op wonderbare wijze opgeslorpt worden, daar deze oneindig veel machtiger is, zoodat eindelijk de geheele mensch buiten zichzelf zal geraken en op geen andere wijze gelukkig zal zijn dan, dat hij, buiten zichzelf geplaatst, iets onuitsprekelijks zal ondervinden van dat hoogste goed, dat alles tot zich trekt. Ofschoon nu dit geluk dan eerst in al zijn volkomenheid den zielen ten deel valt, als aan deze, nadat zij hun vroegere lichamen herkregen hebben, de onsterfelijkheid geschonken wordt, hebben de vromen toch gewoonlijk, omdat hun leven niets anders is dan de overpeinzing en als het ware een afschaduwing van dat leven, ook van die belooning zoo nu en dan reeds een voorsmaak. Moge dit ook slechts een zeer onaanzienlijk droppeltje zijn, vergeleken met die bron van eeuwig geluk, toch overtreft het verre alle genoegens des lichaams, zelfs al kwamen alle genietingen van alle menschen ook te gader: zoo hoog staat het geestelijke boven het lichamelijke, het onzichtbare boven het zichtbare. Dit is het zeker wat de profeet belooft:Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des menschen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben1.En ditis een vorm van Zotheid, die niet weggenomen wordt bij den overgang in een beter leven, maar veeleer tot voltooiing komt. Zij, wien het gegeven was dit te ondervinden,—het valt namelijk slechts zeer weinigen te beurt—lijden aan iets, dat veel overeenkomst heeft met krankzinnigheid; zij spreken enkele vrij onsamenhangende woorden, en dat niet op de gewone menschenmanier, maar zij geven geluiden zonder zin, vervolgens verandert telkens de uitdrukking van hun gelaat geheel en al; nu eens zijn zij vroolijk, dan weer neerslachtig, nu eens ziet men hen weenen, dan weer lachen, een anderen keer zuchten zij: kort en goed, zij zijn in waarheid geheel buiten zichzelf. Daarna, als zij weer tot zichzelf gekomen zijn, zeggen zij niet te weten, waar zij zich bevonden hebben, in of buiten het lichaam, wakend of slapend; wat zij gehoord, wat zij gezien, wat zij gezegd, wat zij gedaan hebben, zij herinneren het zich niet dan als in een nevel en droom; slechts dit weten zij, dat zij zichhet gelukkigst gevoelden, zoolang zij zoo waanzinnig waren. Daarom betreuren zij het, dat zij hun verstand weder hebben teruggekregen, en zij zouden niets ter wereld liever willen dan eeuwig op deze wijze waanzinnig zijn. En dit is, om zoo te zeggen, maar een klein voorproefje van hun toekomstig geluk.1Eerste brief aan de Cor. II, vers 9; vergel. Jesaja LXIV, vers 4.
Dit zal zeker nog duidelijker in het oog springen, als ik volgens mijn belofte in weinig woorden aantoon, dat die hemelsche belooning niets anders is dan een soort van waanzin. Bedenkt daarom in de eerste plaats, dat Plato reeds eenmaal van iets dergelijks gedroomd heeft, toen hij de razernij der verliefden allergelukkigst noemde. Immers wie hevig bemint, leeft niet meer in zich, maar in hetgeen hij bemint, en hoe verder hij van zichzelf weggaat en daarin verhuist, des te meer neemt zijn vreugde toe. En als de ziel uit het lichaam wenscht weg te reizen en haar organen niet goed gebruikt, dan mag men dit met volle recht razernij noemen. Wat beteekenen anders die algemeen gebruikelijke uitdrukkingen:Hij is buiten zichzelfen:kom tot u zelfen:hij is weer tot zichzelf gekomen? Verder, hoe vuriger de liefde, des te grooter en gelukkiger is de razernij. Wat zal dat dan wel voor een leven in den hemel zijn, waarnaar de vrome zielen met zulk een innig verlangen zuchten? De geest zal immers het lichaam geheel opslorpen, omdat hij zijn meerdere en sterker is. En dit zal hij des te gemakkelijker doen gedeeltelijk hierom, omdat hij reeds vroeger bij het leven het lichaam voor een dergelijke gedaanteverwisseling gezuiverd en verdund heeft. Verder zal de geest door dien hemelschen geest op wonderbare wijze opgeslorpt worden, daar deze oneindig veel machtiger is, zoodat eindelijk de geheele mensch buiten zichzelf zal geraken en op geen andere wijze gelukkig zal zijn dan, dat hij, buiten zichzelf geplaatst, iets onuitsprekelijks zal ondervinden van dat hoogste goed, dat alles tot zich trekt. Ofschoon nu dit geluk dan eerst in al zijn volkomenheid den zielen ten deel valt, als aan deze, nadat zij hun vroegere lichamen herkregen hebben, de onsterfelijkheid geschonken wordt, hebben de vromen toch gewoonlijk, omdat hun leven niets anders is dan de overpeinzing en als het ware een afschaduwing van dat leven, ook van die belooning zoo nu en dan reeds een voorsmaak. Moge dit ook slechts een zeer onaanzienlijk droppeltje zijn, vergeleken met die bron van eeuwig geluk, toch overtreft het verre alle genoegens des lichaams, zelfs al kwamen alle genietingen van alle menschen ook te gader: zoo hoog staat het geestelijke boven het lichamelijke, het onzichtbare boven het zichtbare. Dit is het zeker wat de profeet belooft:Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des menschen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben1.En ditis een vorm van Zotheid, die niet weggenomen wordt bij den overgang in een beter leven, maar veeleer tot voltooiing komt. Zij, wien het gegeven was dit te ondervinden,—het valt namelijk slechts zeer weinigen te beurt—lijden aan iets, dat veel overeenkomst heeft met krankzinnigheid; zij spreken enkele vrij onsamenhangende woorden, en dat niet op de gewone menschenmanier, maar zij geven geluiden zonder zin, vervolgens verandert telkens de uitdrukking van hun gelaat geheel en al; nu eens zijn zij vroolijk, dan weer neerslachtig, nu eens ziet men hen weenen, dan weer lachen, een anderen keer zuchten zij: kort en goed, zij zijn in waarheid geheel buiten zichzelf. Daarna, als zij weer tot zichzelf gekomen zijn, zeggen zij niet te weten, waar zij zich bevonden hebben, in of buiten het lichaam, wakend of slapend; wat zij gehoord, wat zij gezien, wat zij gezegd, wat zij gedaan hebben, zij herinneren het zich niet dan als in een nevel en droom; slechts dit weten zij, dat zij zichhet gelukkigst gevoelden, zoolang zij zoo waanzinnig waren. Daarom betreuren zij het, dat zij hun verstand weder hebben teruggekregen, en zij zouden niets ter wereld liever willen dan eeuwig op deze wijze waanzinnig zijn. En dit is, om zoo te zeggen, maar een klein voorproefje van hun toekomstig geluk.
1Eerste brief aan de Cor. II, vers 9; vergel. Jesaja LXIV, vers 4.
1Eerste brief aan de Cor. II, vers 9; vergel. Jesaja LXIV, vers 4.
Hoofdstuk LXVIII.Besluit.Maar ik heb reeds lang mij zelf vergeten en de mij gestelde perken overschreden. Zijt gij soms van oordeel, dat ik in mijn spreken wat al te uitgelaten of al te lang van stof geweest ben, bedenkt dan, dat het niet alleen de Zotheid, maar ook een vrouw was, die het woord heeft gevoerd. Doch herinnert U desniettemin ook dit Grieksch spreekwoord:Een gek kan ook dikwijls een woordje, dat van pas is, spreken, tenzij ge soms mocht van oordeel zijn, dat dit volstrekt niet op vrouwen slaat.Ik zie, dat ge nog een slotrede verwacht, maar gij zijt al heel dwaas, als gij tenminste meent, dat ik mij nu nog herinner wat ik gezegd heb, na zulk een stortvloed van woorden. Het oude spreekwoord luidt:Ik haat hem, die het onder den beker gesprokene niet vergeet, het nieuwe:Ik haat een hoorder met een goed geheugen. Daarom dan: Vaartwel, juicht mij toe, leeft en drinkt, roemruchtige priesters in het heiligdom der Zotheid.Einde.
Maar ik heb reeds lang mij zelf vergeten en de mij gestelde perken overschreden. Zijt gij soms van oordeel, dat ik in mijn spreken wat al te uitgelaten of al te lang van stof geweest ben, bedenkt dan, dat het niet alleen de Zotheid, maar ook een vrouw was, die het woord heeft gevoerd. Doch herinnert U desniettemin ook dit Grieksch spreekwoord:Een gek kan ook dikwijls een woordje, dat van pas is, spreken, tenzij ge soms mocht van oordeel zijn, dat dit volstrekt niet op vrouwen slaat.
Ik zie, dat ge nog een slotrede verwacht, maar gij zijt al heel dwaas, als gij tenminste meent, dat ik mij nu nog herinner wat ik gezegd heb, na zulk een stortvloed van woorden. Het oude spreekwoord luidt:Ik haat hem, die het onder den beker gesprokene niet vergeet, het nieuwe:Ik haat een hoorder met een goed geheugen. Daarom dan: Vaartwel, juicht mij toe, leeft en drinkt, roemruchtige priesters in het heiligdom der Zotheid.
Einde.