Alabama, vaarwel! Och ’k min U zoo teer!Toch ga ’k voor een poos van U scheiden!Maar het denken aan U doet mij ’t harte zoo zeer,Mijn ziel blijft bij U steeds verbeiden.Uw lommerrijke wouden heb ’k dikwijls doorkruist;’k Heb gedoold langs Uw liefelijke stroomen;Gehoord hoe uw water bij stormwinden bruistEn bewonderend Aurora zien komen.De tranen die ’k schrei, o! ik schaam ze mij niet,Geen blos dekt mijne vochtige wangen;Niet vreemd is mij ’t land, dat mijn aandoening ziet,’t Is een vriend waar mijn ziel aan blijft hangen.Een meer hartelijke ontvangst vond ik nergens, o neen!Dan bij U, wien ’kmijnland wel mag heeten;En mijn hoofd en mijn hart moest wel koud zijn als steen,Alabama, als het U kon vergeten!”Er waren er slechts zeer weinigen, die wisten wat het woord “Aurora” beteekende, doch het gedicht viel niettemin zeer in den smaak.Daarop verscheen een jonge dame met een donkere gelaatskleur, donkere oogen en donker haar, die een indrukwekkend oogenblik pauseerde, haar best deed om haar gelaat eene tragische uitdrukking te geven en toen op afgemeten toon begon:“Zwart en stormachtig was de nacht. Om den hemeltroon flikkerde een enkele ster, doch zware donderslagen trilden aanhoudend door het zwerk, terwijl de vreeselijke bliksem gramstorig door de onbewolkte hemelzalen dartelde, alsof hij de macht bespotte, welke de beroemde Franklin zich over zijne verschrikkingen had aangematigd! Zelfs de onstuimige winden kwamen eendrachtig uit hunne geheimzinnige woonplaatsen te voorschijn en bulderden in het rond, begeerig naar ’t scheen, om de woestheid van het tooneel door hunne hulp te verhoogen.“Op zulk een tijdstip, zoo duister, zoo droevig, zuchtte mijn hart naar menschelijk medegevoel,—maar in plaats daarvan,Mijn dierbaarste vriendin, mijn gids en mijn geleide,Mijn vreugde bij mijn smart, stondt ge eensklaps aan mijn zijde!“Zij bewoog zich voort als een van die liefelijke wezens, welke de romantische jeugd zich op de zonnige paden van het Eden der verbeelding, voor den geest toovert,—een koningin der schoonheid, zonder versierselen, maar getooid met hare alles overtreffende bekoorlijkheid. Haar tred was zoo licht, dat het oor hare nadering niet vernam, en indien hare bezielde aanraking niet eene magische trilling had doen ontstaan, zou zij ongemerkt, ongezocht voorbijgegleden zijn. Een zonderlinge droefheid zetelde op hare gelaatstrekken, als ijzige tranen op Decembers winterkleed, toen zij naar de strijdende elementen daar buiten wees en mij verzochtde beide wezens, die daar werden voorgesteld, te aanschouwen.”1Deze nachtmerrie omvatte tien bladzijden schrifts en sloot met een preek, wanhopig akelig voor de Anti-Presbyterianen, doch die den eersten prijs behaalde en als de schoonste proeve van den avond werd beschouwd.De burgemeester van St. Petersburg hield onder het overreiken van den prijs aan haar, die hem behaald had, eene schitterende redevoering, in welke hij betuigde, dat dit de welsprekendste rede was, die zijne ooren ooit gehoord hadden en dat Daniel Webster zelfs er trotsch op had kunnen zijn.In het voorbijgaan moet gezegd worden, dat de opstellen, welke overvloeiden van het woord “heerlijk” als ook van de vergelijking “menschelijke ondervinding,” met “een bladzijde uit het leven,” het gemiddeld aantal overtrof.Thans schoof de meester, opgewonden tot aan luidruchtigheid toe, zijn stoel op zijde, ging met den rug naar het publiek staan en begon zijne aardrijkskundige lessen door op het bord eene kaart van Amerika te teekenen. Doch hij maakte met zijne onvaste hand een figuur—en er werd een onderdrukt gelach in de school gehoord. Hij wist wat er aan haperde en deed zijn best om de fout te herstellen, veegde enkele lijnen met de spons uit en maakte weder nieuwe. Helaas! zij werden hoe langer hoe slechter en het gegiegel werd luider. Hij wijdde zijn gansche aandacht aan het werk, alsof hij besloten had zich niet doorhet publiek uit het veld te laten slaan. Hij voelde, dat aller oogen op hem gevestigd waren, en verbeeldde zich dat het beter ging. En toch hield het gegiegel aan, ja, het vermeerderde blijkbaar. En daartoe was wel reden. Boven zijn hoofd was een vliering met een luik, en uit dat luik, kwam een kat te voorschijn, welke men een touw om de achterpooten gehecht had. Die kat had een doekje om den kop en de kaken gebonden, on haar het miauwen te beletten. Terwijl zij langzaam naar beneden sukkelde, kromde zij zich naar alle kanten, sloeg hare klauwen om het touw, schommelde vervolgens naar de laagte en krabde tegen de ontastbare lucht. Het gegiegel werd erger en erger: de kat was omstreeks zes duim van des soezerigen meesters hoofd. Nog een weinig later en zij greep met hare klauwen wanhopig naar des meesters pruik, klemde zich daaraan vast en werd een oogenblik later weder tot de vliering opgetrokken, met haar zegeteeken tusschen de pooten. En welk een lichtgloed verspreidde zich toen van des meesters hoofd. Immers de verversjongen had dat lichaamsdeel met verguldsel besmeerd.Met dit tooneel werd de vergadering gesloten. De jongens waren gewroken en de vacantie was begonnen.1De dusgenaamde “opstellen”, die wij hier hebben aangehaald, zijn zonder eenige verandering genomen uit een werkje getiteld: “Proza en poëzie, door eene dame uit het verre Westen.” Zij zijn volmaakt naar het gewone schoolmeisjesmodel, en vandaar dat wij beter geslaagd zijn, dan wanneer wij er een hadden verzonnen.Hoofdstuk XXIII.Aangetrokken door de schitterende uniform der “Matigheids-Cadetten” werd Tom lid der afdeeling van het nieuw opgerichte genootschap en beloofde hij zich gedurende zijn lidmaatschap te onthouden van rooken en vloeken. Bij deze gelegenheid ontdekte de knaap iets, waaraan hij vroegernooit gedacht had, namelijk—dat de aflegging der belofte om ietsniette doen, het beste middel is om iets te leeren doen. Tom voelde zich door een nooit gekenden lust gekweld on te rooken en te vloeken: ja, de begeerte werd zoo sterk, dat alleen de hoop om zijn roode sjerp te vertoonen, hem er van terughield zijn lidmaatschap op te zeggen.Het was 4 Juli toen hij tot den bond toetrad, en hij was nog geen acht en veertig uren lid geweest of hij was gereed en gezind zich van zijne boeien te ontslaan. Doch juist dien dag vernam hij, dat de oude vrederechter ziek was en waarschijnlijk zou sterven. Zulk een voornaam ambtenaar zou zeker met groote plechtigheid begraven worden en dan had hij een kansje om in zijn uniform den stoet te volgen. Drie dagen lang was Tom diep begaan met des rechters toestand en vol verlangen naar tijding. Nu en dan klom zijn hoop zoodanig, dat hij het waagde zijn sjerp uit de kast te halen en zich voor den spiegel voor de groote gebeurtenis te oefenen. Doch de rechter bleef wanhopig lang tusschen dood en leven dobberen en werd ten slotte aan de betere hand en daarna voor hersteld verklaard. Tom was boos en zeide onverwijld zijn lidmaatschap op. Helaas! dienzelfden nacht stortte de rechter in en stierf.Tom besloot oude vrederechters nooit meer te vertrouwen. De begrafenis was prachtig en de cadetten paradeerden op een wijze, die er op toegelegd scheen om het vroegere lid van afgunst te doen vergaan. Doch hij was vrij en kon weder naar hartelust rooken en vloeken. En nu bemerkte hij tot zijne verwondering, dat hij er op eens geene behoefte meer aan had. De wetenschap alleen, dat hij het doen kon nam den lust en het genot er van weg.Tot Toms groote verbazing begon hij te bemerken, dat de lang gewenschte vacantie wat vervelend werd.Hij beproefde een dagboek te maken, doch aangezien er de eerste drie dagen niets merkwaardigs voorviel, gaf hij het op. Toen kwam het “Café Chantant,” der negerzangers in de stad en maakte sensatie. Dadelijk werd er door Tom en Joe Harper een speel- en zanggezelschap opgericht en de knapen vermaakten zich daarmede een paar dagen. Zelfs de dag van den intocht des nieuwen Senators mislukte gedeeltelijk, omdat het hard regende. Dientengevolge was er geen optocht,—en zelfs in den grootsten man der wereld (naar het oordeel van Tom), den heer Beuton, een wezenlijken Senator van de Vereenigde Staten, werd hij bitter teleurgesteld, want deze bleek op geen stukken na vijf en twintig voet lang te zijn.Toen kwam er een paardenspel. De jongens speelden drie dagen “cirque”, in tenten van lompen en oude tapijten, met toegangskaarten van drie centen en twee voor meisjes, en daarna werd het paardenspel opgegeven.Eindelijk kwam er een buikspreker en een goochelaar—die weder vertrokken en het stadje achterlieten somberder en droeviger dan ooit.Ook werden er enkele kinderpartijen gegeven, doch zij waren zoo zeldzaam en zoo heerlijk, dat de pijnlijke leemte tusschen de eene visite en de andere er te meer om werd gevoeld.Becky Thatcher was naar huis gegaan, naar Konstantinopel, om de vacantie bij hare ouders door te brengen: dus was er nergens een zonnestraaltje te vinden. Daarbij kwam nog het vreeselijk geheim van den moord, dat eene slepende ellende bleef voor den armen knaap.Midden in de vacantie vertoonde zich de mazelen-epidemie en Tom was twee weken lang een gevangene, dood voor de wereld en hetgeen daarin voorviel. Hij was zeerziek en stelde nergens belang in. Toen hij eindelijk weder buiten mocht komen en zachtjes de stad doordrentelde, scheen alles en elk schepsel een treurige verandering ondergaan te hebben. Er was een straatprediker geweest, die de menschen bekeerd had, niet alleen de volwassenen, maar zelfs de kleine jongens en meisjes. Tom ging de stad rond in de hopelooze hoop van ten minste een enkel zondig gezicht tegen te komen, doch overal wachtte hem teleurstelling. Hij vond Joe Harper verdiept in de studie van het Nieuwe Testament en hij wendde zich droevig van dit drukkend schouwspel af. Hij zocht Ben Rogers en vond hem aan het bezoeken van armen, met een mandje met traktaatjes, als eene waarschuwing tot bekeering, bij zich. Hij spoorde Jim Hollis op, die hem wees op de zegen van de mazelen. Iedere jongen, dien hij tegenkwam, bracht een dosis tot zijn toestand van neerslachtigheid toe, en toen hij in wanhoop eindelijk zijn toevlucht nam tot Huckleberry Finn en ook door hem met eene aanhaling uit de Schrift ontvangen werd, brak hem het hart en sloop hij naar zijn bed en maakte zich wijs, dat hij de eenige in de stad was, die voor eeuwig, eeuwig was verloren.Juist dien nacht kwam er een vreeselijke storm met slagregen, ontzettende donderslagen en verblindende bliksemstralen. Tom kroop onder de dekens en wachtte in een akelige onzekerheid zijn doemvonnis af: immers hij was volkomen overtuigd, dat dit woeden der elementen om zijnentwil geschiedde. Hij geloofde, dat hij de verdraagzaamheid der bovenaardsche machten getart had, meer dan zij dragen konden, en dat dit er het gevolg van was. Het zou hem wel vreemd voorgekomen zijn als zooveel vertooning en geschut was aangewend om een mug te dooden, doch hij vond het heusch niet ongerijmd, dat er zulk eenonweder was ontstaan om een worm als hij te vernietigen.Langzamerhand bedaarde de storm en verdween, zonder zijn voornemen te hebben ten uitvoer gebracht. De eerste aandrang van den knaap was, dankbaar te zijn en zich te verbeteren. De tweede was, te wachten: immers er mochten nog eens meer stormen komen.Den volgenden dag stond de dokter opnieuw voor zijn bed. Tom was weder ingestort. De drie volgende weken, die hij op zijn rug doorbracht, schenen eene eeuwigheid. Toen hij eindelijk weder buiten kwam, was hij nauwlijks dankbaar dat hij gespaard was gebleven, daar hij immers verlaten en van makkers beroofd was. Hij zwierf lusteloos door de straat en vond Jim Hollis voor rechter spelende in een gerechtshof van jongelieden, die een kat wegens moord hadden aangeklaagd, in de tegenwoordigheid van haar slachtoffer, een vogel. Daarna zag hij Joe Harper en Huck Finn, die in plaats van de Schriften te lezen, bezig waren een gestolen meloen op te muizen. Arme knapen, ook zij waren weder ingestort!Hoofdstuk XXIV.Eindelijk kwam er beweging in de droomerige atmosfeer—en geweldige beweging ook. De zaak van den moord zou voorkomen bij het Gerechtshof. Natuurlijk werd deze zaak het onderwerp van alle gesprekken; ook in Toms kring werd er druk over gesproken. Maar telkens, als het woord genoemd werd, voer hem eene rilling door de leden en hij verbeeldde zich in zijn angst, dat er voorbedachtelijk zoo gedurig in zijne tegenwoordigheid over gesprokenwerd, om te zien of hij er ook iets mede te maken had. Ofschoon hij zeker wist, dat niemand eenig vermoeden omtrent zijne bekendheid met de misdaad kon hebben, voelde hij zich toch onder die praatjes niet op zijn gemak. Hij stierf elken dag duizend dooden en nam eindelijk Huck met zich naar eene eenzame plaats om de zaak met hem te bepraten. Het zou eene verlichting wezen, eens even zijn tong vrij te laten en den lijdenslast met een lotgenoot te deelen. Bovendien wilde hij er zich van overtuigen, dat Huck gezwegen had.“Huck, heb je nooit iemand daarover gesproken?”“Waarover?”“Dat weet je wel!”“O, natuurlijk niet.”“Nooit een woord?”“Nooit een enkel woord.—Waarom vraag je dat?”“Wel, ik was er bang voor.”“Maar Tom Sawyer! Wij zouden geen vier en twintig uur meer geleefd hebben, als het ontdekt was. Dat weet je immers wel.”Tom werd kalmer. Na een pauze hernam hij:“Huck, je zoudt je immers door niets, noch door iemand laten ompraten.”“Laten ompraten? Wel, als ik zin krijg om me door dien duivel van een kleurling te laten verzuipen, dan zal ik me laten ompraten.”“Nu, dan is het in orde. Ik geloof, dat we veilig zijn, zoolang we zwijgen. Doch laat ons voor de securiteit nog eens zweren.”“Best.”Dus zwoeren de knapen ten tweede male met dure eeden.“Wat zeggen de menschen toch, Huck? Ik heb er nog zoo weinig van gehoord.”“Zeggen! ’t Is Muff Potter en ’t blijft Muff Potter. Het koude zweet staat mij op ’t voorhoofd, als ik het hoor, en ik zou wel onder den grond willen kruipen.”“Zoo gaat het mij ook. Ik weet, dat hij er om koud is.—Heb je niet somtijds medelijden met hem?”“Ja, dag en nacht. ’t Is wel geen beste, die Muff Potter, maar hij heeft nooit iemand kwaad gedaan. Hij bedelt wel eens langs de straat om geld te krijgen voor drank en hij loopt ook te luieren, maar o, Heertje, dat doen we allemaal, ten minste de meesten, vooral de dominees en dat slag van volk. Maar hij is een goede kerel, want hij heeft me eens de helft van zijn visch gegeven, terwijl hij zelf nog honger had; en ik weet niet hoeveel maal hij mij geholpen heeft, als ik in de knijp zat.”“En voor mij heeft hij oude vliegers opgelapt, Huck, en vischnetten gebreid. Ik wou, dat ik hem uit de kast kon krijgen.”“We kunnen er hem niet uit krijgen, Tom; en ’t zou hem niet veel baten, want ze zouden hem er wel gauw weder inpakken.”“Ja, dat zouden zij. Maar ik vind het akelig om hem zoo duivelsch valsch te hooren beschuldigen van iets, dat hij niet gedaan heeft.”“Ik ook, Tom. Ik heb ze hooren zeggen, dat hij de gemeenste schurk uit het land was en dat het een wonder is, dat hij niet eerder gehangen werd.”“Ja, zoo praten zij. Ik heb hooren zeggen, dat, als hij vrij kwam, zij hem zoudenlynchen1—en dat zouden zij doen ook.”De jongens praatten nog een tijdlang op deze wijzevoort, doch het gesprek bracht hun weinig troost aan. Tegen schemeravond stonden zij voor de kleine eenzame gevangenis, wellicht met een vage hoop in het hart, dat er iets zou gebeuren, waardoor hunne moeielijkheden uit den weg zouden worden geruimd. Doch er gebeurde niets; de engelen en feeën schenen zich het lot van dezen ongelukkige niet aan te trekken.Tom en Huck deden dien avond wat zij al menigmaal hadden gedaan; zij zetten zich voor het tralievenster der cel neder en gaven Potter wat tabak en een paar zwavelstokken. Daar de gevangene in een laag hok lag en door geen schildwachten werd bewaakt, konden zij hem deze kleine giften zonder moeite toereiken.Zijne dankbaarheid voor hunne geschenken had hen altijd pijnlijk aangedaan,—doch ditmaal trof zij hen meer dan ooit. Zij vonden zichzelven onuitsprekelijk laf en valsch, toen Potter zeide:“Jelui bent almachtig goed voor me geweest, jongens, beter dan iemand anders in de geheele stad, en ik zal het nooit, nooit vergeten. Dikwijls zeg ik tot mijzelven: ‘Ik placht al de vliegers en dingen voor de jongens in orde te maken en hen te wijzen waar de beste visch te vangen was en hun pleizier te doen zooveel ik kon, en thans, nu hij in nood is, hebben zij allen den ouden Muff vergeten—allen behalve Tom en Huck. Die vergeten hem niet,’zeg ik, en ik vergeet hen niet. Wel jongens, ik heb een vreeselijke misdaad gepleegd, in mijne dronkenschap,—anders begrijp ik niet, hoe ik het gedaan kon hebben,—en nu moet ik er voor hangen, en dat is maar goed, ja, ’t beste wat ze met mij doen kunnen. Doch daar zullen wij niet verder over spreken. Ik wil jelui niet akelig maken, daarvoor ben jelui te goed voor mij geweest! Maar wat ik zeggen wou, is dit: drinktnooit te veel, en jelui zult nooit hier komen. Ga een beetje dichter bij het raam staan, dan kan ik jelui beter zien; ’t is zoo’n troost, vriendelijke gezichten te zien, als men zich zoo diep ellendig voelt,—en ik zie ze hier nooit, behalve die van jelui. Goede, vriendelijke gezichten. Goede, vriendelijke gezichten! Gaat op elkanders rug staan en geef mij de hand; uwe handen kunnen wel door de tralies doch de mijne niet, die zijn te groot. Kleine, teere handjes, die Muff Potters last verlicht hebben en welke, als ze maar konden, dien wel heelemaal zouden wegnemen!”Tom ging dien avond diep rampzalig naar huis en werd den ganschen nacht door afgrijselijke droomen gekweld. De twee volgende dagen was hij al vroeger op straat en en bleef hij om de zaal van het gerechtshof heen zweven, naar welk gebouw hij onwederstaanbaar gedreven werd, ofschoon hij al zijne krachten inspande om zich te dwingen er vandaan te blijven. Huck ondervond hetzelfde en de beide knapen vermeden elkander opzettelijk. Soms liepen zij voor een oogenblik weg, doch dezelfde vreeselijke betoovering dreef hen altijd weder naar het gebouw terug. Telkens spitste Tom de ooren, wanneer er een leeglooper de zaal in- of uitslenterde, doch hij hoorde onveranderlijk treurig nieuws; het net werd hoe langer hoe dichter om den armen Potter toegehaald. Aan den avond van den tweeden dag liep in het stadje het gerucht dat het feit door Injun Joe’s verklaring volkomen was bewezen en dat er geen twijfel meer bestond omtrent de uitspraak der jury.Tom kwam laat in den avond tehuis en klom door het venster in zijne slaapkamer. Hij was in een staat van vreeselijke opgewondenheid en uren verliepen, eer hij den slaap kon vatten. Den volgenden morgen liep de gansche stad uit naar het Hof, want dit was de groote dag. Debeide geslachten waren gelijkelijk in dit zich opeenhoopend publiek vertegenwoordigd. Na lang op zich te hebben laten wachten, kwam de jury binnen en nam haar zetels in. Kort daarop werd Potter geboeid binnengebracht. Hij zag er bleek en ontdaan uit en werd zoo geplaatst, dat al de nieuwsgierige oogen hem konden zien. Niet minder viel Injun Joe in ’t oog, verstaald als altijd. Na eene kleine pauze kwam de voorzitter binnen en de sherif verklaarde de zitting voor geopend. Daarop volgde het gewone gefluister onder de leden der balie en het bijeenverzamelen der stukken.Deze bijzonderheden en het haar vergezellend oponthoud brachten niet weinig bij om het indrukwekkende dezer bijeenkomst te verhoogen en de vergadering in de grootste spanning te brengen. Nu werd er een getuige voorgeroepen die verklaarde, dat hij Muff Potter in den vroegen morgen van den dag, waarop de moord ontdekt was, zich in een beek had zien wasschen en onmiddellijk daarop door het kreupelhout wegsluipen. Nadat dien getuige enkele vragen gedaan waren, zeide de openbare aanklager;“Hebt gij den getuige nog verder iets te vragen?”De gevangene hief een oogenblik de oogen op, doch sloeg ze terstond weder neer, toen zijn verdediger zeide:“Ik heb hem geene vragen te doen.”De volgende getuige deelde mede, dat er een mes bij het lijk gevonden was. Op de vraag, of hij dezen ook iets te vragen had, antwoordde de advocaat van Potter:“Ik heb ook dezen niets te vragen.”Het publiek begon teekenen van ontevredenheid te geven.—Was deze advocaat van plan zijn cliënt het leven te doen verliezen, zonder een enkele poging te wagen om hem te redden?Verscheidene getuigen legden verklaringen af omtrentde schuld verradende houding van Potter, toen hij op de plaats waar de moord gepleegd was, gebracht werd. Zij mochten allen aftrekken zonder kruisvragen te ondergaan.Al de bezwarende omstandigheden, welke in dien morgen op het kerkhof hadden plaats gegrepen en die de aanwezigen zich zoo goed wisten te herinneren, werden door geloofwaardige getuigen gestaafd, maar tot geen hunner werd door Potters verdediger een vraag gericht.De verslagenheid en ontevredenheid van het publiek uitte zich in een dof gemompel en gaf aanleiding tot eene berisping van de zijde van den voorzitter. De woordvoerder voor de beschuldiging zeide daarop:Door de beëedigde getuigenissen van burgers, wier geloofwaardigheid boven alle verdenking verheven is, hebben wij het onweerlegbaar bewijs geleverd, dat de ongelukkige gevangene, die in gindsche bank gezeten is, het vreeselijk misdrijf heeft bedreven. Onze taak is hiermede geëindigd.Een kreet ontsnapte den armen Potter en hij sloeg zijne handen voor het gelaat en bewoog zich onrustig op zijne plaats, terwijl er in de gerechtszaal een pijnlijk stilzwijgen heerschte. Vele mannen waren bewogen en menige vrouw gaf door tranen van medelijden blijk.De verdediger stond op en sprak:“Mijnheer de Voorzitter!“Toen wij bij het begin der behandeling van dit geding ons enkele aanmerkingen over de zaak veroorloofden, hebben wij gezegd, dat wij zouden trachten aan te toonen, dat onze cliënt bij het plegen dezer ontzettende daad handelde in een toestand van waanzin, ontstaan uit misbruik van sterken drank, die zijne aansprakelijkheid uitsloot. Wij zijn op dat voornemen teruggekomen; die verdediging zullen wij niet voeren.” (En toen tot den deurwaarder) “Roep Thomas Sawyer.”De grootste verbazing teekende zich op ieders gelaat, dat van Potter niet uitgezonderd. Aller oogen wendden zich vol bevreemding en belangstelling op Tom, toen deze opstond en in het getuigenbankje plaats nam. De knaap zag er bleek en doodelijk verschrikt uit. De eed werd hem afgenomen.“Tom Sawyer, waar zijt gij den zeventienden Juni, omstreeks middernacht geweest?”Tom keek naar het verstaalde gezicht van Injun Joe en zijne tong weigerde hare diensten. Het publiek luisterde met ingehouden adem, doch de woorden wilden niet komen. Na een paar minuten echter kwam de ontstelde knaap eenigermate tot zich zelven en trachtte hij zijne stem te verheffen, om zich door de aanwezigen te doen verstaan en zeide:“Op het kerkhof!”“Een weinig luider, als ’t u belieft. Wees niet bang.—Gij waart....?”“Op het kerkhof!”Eene minachtende glimlach speelde om de lippen van Injun Joe.“Waart gij in de nabijheid van het graf van Hoss Williams?”“Ja, mijnheer.”“Spreek nog iets luider. Hoe dicht waart ge er bij?”“Zoo dicht, als ik thans bij u sta.”“Hieldt gij u verborgen of niet?”“Verborgen, mijnheer.”“Waar?”“Achter de olmboomen, aan den rand van het graf.”Injun Joe deinsde onwillekeurig achteruit.“Hadt gij niemand bij u?”“Ja, mijnheer. Ik was daar met...”“Wacht, wacht een oogenblik. Gij behoeft den naam van uw makker niet te noemen. Wij zullen hem te zijner tijd voorbrengen. Hadt gij iets bij u?”Tom aarzelde en keek verlegen voor zich.“Spreek vrij uit, mijn jongen;—wees niet bedeesd. ’t Is altijd braaf on de waarheid te spreken. Wat hebt gij mede naar het kerkhof genomen?”“Niets dan een—een doode kat!”Voor een oogenblik verhief zich zulk een luid glimlach onder de menigte, dat de voorzitter den hamer moest gebruiken.“Nu, mijn jongen, vertel ons al wat er is voorgevallen. Zeg het in uw eigen taal;—sla niets over en wees niet bang.”Tom begon. Eerst aarzelend, doch naarmate hij zich warmer over het onderwerp maakte, vloeiden zijne woorden met grooter gemak, en het duurde niet lang of er werd geen geluid gehoord dan dat van zijne stem. Aller oogen waren op hem gericht en met open mond en ingehouden adem hing het publiek aan zijne lippen, ontzet door het verhaal van de afgrijselijke geschiedenis. De hooggespannen aandacht bereikte haar toppunt, toen de jongen zeide:“En toen de dokter de plank opnam en Muff Potter viel, sprong Injun Joe met het mes op hem toe en....”Krak! Sneller dan de bliksem vloog de kleurling door een raam, duwde allen die hem trachten tegen te houden terug en was verdwenen.1Buitengerechtelijk veroordeelen en ter dood brengen.Hoofdstuk XXV.Tom was ten tweede male de held van den dag,—het troetelkind der ouden van dagen, het voorwerp van afgunst der jeugd. Zijn naam werd zelfs door de drukpers onsterfelijk gemaakt, want hij werd eervol in het “Peterburgsche blaadje” vermeld. Er waren er zelfs, die in hem, indien hij aan de galg ontkwam, een toekomstigen President zagen.Zooals dat gewoonlijk gaat, koesterde de veranderlijke, onredelijke wereld Muff Potter aan haar hart en vertroetelde hem even dwaas als zij hem te voren had beschimpt. Doch aangezien deze gewoonte de menschheid eer tot lof dan tot blaam strekt, zou het onheusch zijn er haar een verwijt van te maken.De eerstvolgende dagen waren voor Tom een tijdperk van onvermengd genot, maar zijne nachten waren vreeselijk. Het beeld van Injun Joe vervolgde hem in zijn droomen en de moordenaar stond gedurig voor hem, met verdelging in zijn oog. De knaap was er voor geen geld toe te bewegen om na zonsondergang de deur uit te gaan. De arme Huck verkeerde in denzelfden toestand van ellende en schrik, want Tom had den avond voor den rechtsdag de geheele geschiedenis aan den pleitbezorger verteld, en Huck was doodbang dat het uitlekken zou, dat ook hij in de zaak betrokken was, ofschoon de vlucht van Injun Joe hem de marteling gespaard had van op ’s Hofs zitting getuigenis te moeten afleggen.Sedert Toms bezwaard geweten hem in den laten avondnaar het huis van den advocaat gedreven had en deze het huiveringwekkend verhaal had ontwrongen aan lippen, die door de vreeselijkste en geheimzinnigste eeden gesloten waren geweest, had Huck zijn vertrouwen in de menschheid voor eeuwig verloren. Zoolang het daglicht scheen, maakte Muff Potters dankbaarheid Tom blijde dat hij gesproken had; maar zoodra de avond was gedaald, zou hij om alles gewild hebben dat zijn mond gesloten was gebleven. Het eene oogenblik bekroop hem de vrees, dat Injun Joe nooit gevat zou worden, en het andere beefde hij bij de gedachte dat het wel zou gebeuren. Het was hem alsof hij niet weder vrij zou ademen, voordat die man dood was en hij zijn lijk had gezien. Geldsommen waren uitgeloofd, men had het land doorkruist, doch er werd geen Injun Joe gevonden. Op zekeren dag kwam er uit St Louis een van die alwetende, ontzagwekkende wonderen in menschengedaante, een agent van de geheime politie, hoofdschuddend en met een voornaam gezicht te St Peterburg en maakte dien kolossalen opgang, welke leden van dat verheven lichaam altijd maken. Hij kwam zeggen dat hij den “sleutel” gevonden had. Doch aangezien men geen “sleutel” wegens moord kon ophangen, bracht het bezoek van den grooten man weinig licht aan en voelde Tom zich al even bezwaard als vroeger. De eene dag voor en de andere na ging voorbij, zonder dat hem het drukkend wicht van den angst werd afgenomen.Hoofdstuk XXVI.Er komt een tijd in elk wel ingericht jongensleven, dat hij door eene vurige begeerte wordt aangegrepen om ergenseen verborgen schat te gaan zoeken. Dat verlangen bekroop plotseling Tom. Hij stapte de deur uit om Joe Harper op te zoeken, doch zonder baat. Toen ging hij naar Ben Rogers; helaas! deze was visschen. Weldra echter liep hij Huck tegen ’t lijf en de beruchte straatjongen stond hem te woord. Tom nam hem met zich naar een eenzame plaats en deelde in vertrouwen zijn voornemen mede. Huck werd bereid gevonden; hij had gaarne de hand in elke onderneming, welke genot beloofde en geen geld kostte, daar hij een lastigen overvloed van die soort van tijd had, diegeengeld is.“Waar zullen wij graven!” vroeg Huck.“O, overal!”“Zoo, zijn dan overal schatten begraven?”“Neen, waarachtig niet. Zij zijn meestal op allervreemdste plaatsen verborgen, Huck;—somtijds op eilanden en ook wel in verrotte kisten, onder een tak van een ouden dooden boom op welken de maan te middernacht haar schaduw werpt. Doch doorgaans vindt men ze veel in den grond onder spookhuizen.”“Wie verstopt ze?”“Wel de roovers natuurlijk.—Wie anders, denk je. De catechiseermeester van de zondagsschool?”“Ik weet het zoo niet. Indien ik een schat had, zou ik hem niet verstoppen: ik zou er hem doorlappen om een lekker leventje te hebben.”“Ik ook; maar roovers doen dat niet; zij verbergen hem en laten hem waar hij is.”“Komen zij hem nooit halen?”“Neen; zij hebben er wel plan op, maar zij vergeten doorgaans de plaats, waar zij hem verstopt hebben, of zij gaan dood. Hoe dan ook, hij blijft lang onder den grond liggen en begint te roesten; en in verloop van tijd vindtde een of ander een oud geel stukje papier, dat hem zegt waar de schat begraven is;—een papiertje dat men in een week niet ontcijferen kan, omdat het schrift enkel uit teekens en hiëroglyphen bestaat.”“Hiëro... wat?”“Hiëroglyphen! Dat zijn prentjes en dingen, schijnbaar zonder beteekenis.”“Heb jij ook van die papiertjes, Tom?”“Neen.”“Hoe kun je dan de teekenen uitvinden?”“Wel, ik heb geen teekenen noodig. Schatten worden ook wel onder een spookhuis begraven of op een eiland, of onder een dooden boom met vooruitstekende takken. Wij hebben het op Jacksons Island al zoo wat geprobeerd en nu kunnen wij weer ergens anders aan den gang gaan. Daar heb je bij voorbeeld het oude spookhuis, Hill-House Branch, en verder zijn er een menigte boomen met doode takken.”“Vindt men ze onder alle?”“Wat praat je toch! Natuurlijk niet!”“Hoe weet je dan onder welke je moet zoeken?”“Wij moeten ze alle uitgraven.”“Maar, Tom, dan kunnen wij den geheelen zomer wel aan den gang blijven!”“Wat kan dat schelen? Verbeeld je, dat we eens een koperen pot vinden met honderd roestige dollars er in, of een verrotte kist met diamanten. Wat zou je daarvan zeggen?”Hucks oogen glinsterden.“Dat is zat, meer dan zat voor mij. Geef mij de honderd dollars, dan mag jij de diamanten houden!”“Afgesproken! De diamanten zijn lang niet te verwerpen.Sommigen zijn twintig dollars het stuk waard. Er zijn er haast geen, die je onder de zes verkoopen kunt.”“Wezenlijk? Is dat zoo?”“Zeker; dat weet iedereen. Heb je er nooit een gezien, Huck?”“Niet, dat ik mij herinner!”“O, de koningen hebben ze bij menigte.”“Maar ik ken geen enkelen koning, Tom.”“Dat wil ik wel gelooven. Hier zijn geen koningen; maar als je eens naar Europa gingt, zou je er een mud in het rond zien springen.”“Springen zij?”“Springen,—eend! Wel neen!”“Wel, waarom zeg je het dan?”“Och, ik bedoelde alleen maar, dat je ze zien zoudt,—maar niet zien springen, natuurlijk niet. Waarom zouden zij dat doen? Ik meen, dat je er den grond mede bezaaid zoudt zien, evenals bij dien Richard den Bultenaar.”“Richard ...? Hoe heet hij nog meer?”“Hij heeft geen anderen naam. Koningen hebben alleen maar één voornaam.“Zoo?”“Zeker, zoo is ’t.”“Nu, als ze dat prettig vinden, laten ze hun gang gaan. Ik zou geen koning willen zijn, om alleen maar één voornaam te hebben, evenals de nikkers.—Maar zeg, waar ga je eerst graven?”“Dat weet ik nog niet. Zullen wij eerst beginnen onder dien ouden dooden tak op den heuvel, aan de overzijde van Hill-House Branch?”“Akkoord.”De knapen wisten een gebrekkige bijl en een schoffelmachtig te worden en ondernamen de voetreis van anderhalf uur. Zij kwamen bezweet en hijgend aan en legden zich onder de schaduw van een olmboom neder om uit te rusten en een pijp te rooken.“Het bevalt mij,” zei Tom.“Mij ook,” antwoordde Huck.“Zeg eens, Huck, als wij hier den schat vinden, wat doe jij dan met jouw aandeel?”“Ik? Ik koop elken dag een pastei en een glas sodawater en ik ga naar elk paardenspel dat hier in de buurt komt. Ik verzeker je, dat ik het er van nemen zal.”“Zou je er niets van opsparen?”“Opsparen? Waarvoor zou dat dienen?”“Om wat te hebben om later van te leven.”“O, dat hoeft niet, als ik dat deed, zou Pop op een goeden dag terugkomen en er zijne klauwen op zetten, om er spoedig een eind aan te maken.—Wat doe jij met jouw part?”“Ik koop een nieuwe trom, een sabel, een roode das, een groote poppenkast—en ik ga trouwen.”“Trouwen?”“Ja zeker.”“Tom, ben je mal, of wat scheelt je?”“Wacht maar: je zult het zien gebeuren.”“Hemel, dat is nu het gekste ding, dat je doen kunt. Denk maar eens aan Pop en mijne moeder; ze deden niets dan vechten. Ik herinner mij dat als den dag van gisteren.”“Dat doet er niet toe. Het meisje, waarmede ik ga trouwen, zal niet vechten.”“Tom, ik geloof dat zij allen hetzelfde zijn. Je kunt ze allen over één kam scheeren. Ik zou me, als ik jou was, nog eens bedenken eer ik dat deed. Ik zeg je, dat het je berouwen zal. Hoe heet die meid?””’t Is geen meid;—’t is een meisje.”“Dat is hetzelfde; sommigen zeggen meid en anderen meisje. ’t Is allebei goed. Hoe is haar naam?”“Ik zal hem je later zeggen; nu nog niet.”“Ook al goed. Alleen als je gaat trouwen, zal ik verlatener zijn dan ooit.”“Neen, dat zul je niet, want je zult bij ons komen inwonen. Laat ons nu maar spoedig opstaan en aan het graven gaan.”Zij werkten een half uur in het zweet hun aanschijns, doch zonder gevolg. Zij zwoegden nog een half uur, weder zonder baat. Toen zeide Huck:“Worden die schatten altijd zoo diep begraven als deze?”“Somtijds, niet altijd. Meestal niet. Ik geloof, dat wij op de verkeerde plaats zijn.”Zij kozen daarom een andere plek uit en begonnen weder. De arbeid ging wat langzamer, doch zij maakten toch vorderingen en hielden het zwijgend eenigen tijd vol. Eindelijk ging Huck op zijne spade leunen, veegde zich met zijn mouw de parelen zweet van het voorhoofd en zeide:“Waar ga je graven, wanneer wij door dezen boom heen zijn?”“Dan konden wij den ouden boom bij Cardiff Hill, achter het huis van de weduwe wel eens opdelven.”“Dat zal wel een goede zijn. Maar zal de weduwe ons den schat niet afnemen, Tom? ’t is op haar land.”“Zij hem ons afnemen? Laat zij ’t eens probeeren. Al wie een verborgen schat vindt, mag hem houden. Het doet er niet toe op wiens land het is.”Huck was met dit argument tevreden. De arbeid werd voortgezet. Eindelijk zeide Huck:“Verduiveld, wij zijn zeker weer op de verkeerde plaats. Wat denk jij ervan?”“Het is erg vreemd, Huck. Ik begrijp het niet. Soms komen er wel eens heksen tusschenbeide. Ik denk, dat dit nu het geval is.”“Onzin! Heksen kunnen niets doen bij daglicht.”“Ja, dat is waar ook. Daar dacht ik niet aan. O, ik weet al wat het is. Wat zijn wij toch uilskuikens! Wij moeten zien te ontdekken, op welken tak tegen middernacht de schaduw van de maan valt, en onder dien tak graven.”“Vervloekt! dus hebben wij monnikenwerk gedaan. Nu zullen wij van nacht terugkomen. ’t Is een verduiveld lange weg. Kun jij de deur uitkomen?”“Ik denk het wel. Wij moeten het van nacht doen ook, want als iemand deze gaten ziet, zal hij het dadelijk begrijpen en zelf gaan zoeken.”“Goed, dan zal ik van nacht weer komen miauwen.”“Best. Laat ons de spaden zoolang in het kreupelbosch verbergen.”De knapen waren ter bestemder tijd op de afgesproken plaats en zaten in de schaduw van den boom te wachten. Het was een eenzaam oord en eene van oudsher plechtige ure. Geesten fluisterden door de ruischende bladeren, spoken loerden in sombere hoeken, het holklinkend geblaf van een hond werd in de verte gehoord en door een uil met zijne grafstem beantwoord. De knapen waren geheel onder den indruk dezer ernstige zaken en spraken bijna geen woord. Na een poosje meenden zij, dat het wel twaalf uren zou zijn; zij gaven nauwkeurig acht op de schaduwen en gingen aan het graven. De hoop begon in hun hart te herleven; hunne belangstelling werd grooter en hun vlijt hield daarmede gelijken tred. Het gat werd al dieper en dieper en telkens, wanneer de bijl op iets hards sloeg, sprong hun hart op van vreugde. Doch deeene teleurstelling volgde de andere. Het was nooit iets anders dan een steen of een paar stukken van beenderen. Eindelijk zeide Tom:“Het zal niet baten Huck; wij zijn alweer aan den verkeerden boom.”“Maar wij kunnen niet verkeerd zijn: wij hebben precies de beschaduwde plek genomen.”“Dat weet ik wel, maar er is iets anders.”“Wat dan?”“Dat wij naar den tijd geraden hebben. Waarschijnlijk was het te laat of te vroeg.”Huck liet zijn schop vallen.“Daar zul je het hebben,” zeide hij. “Dat is het vervelende ervan. Wij kunnen nooit het juiste oogenblik bepalen, en buitendien, ’t is hier al te griezelig om dezen tijd van den nacht, met ronddolende spoken en geesten. Ik heb een gevoel, alsof er voortdurend iets achter mij staat, en ik durf mij nauwelijks omkeeren, omdat er anderen achter mij kunnen zijn, die hun kans afwachten. Ik heb gebeefd als een riet, zoolang ik hier gestaan heb.”“Ik ook, Huck. Zij leggen meestal een dooden man in den kuil, onder den boom waarin zij een schat geborgen hebben.”“Hemelsche vader!”“Ja, dat doen zij. Dat heb ik altijd gehoord.”“Tom, ik houd er niet van, om in de buurt van doode menschen te zwerven. Je hebt er altijd min of meer last van.”“Ik ben er ook niet voor om ze aan den gang te maken, Huck. Verbeeld je eens, dat er zijn schedel opstak en begon te praten.”“Spreek er niet van, Tom; ’t is te vreeselijk.”“Gij hebt gelijk, Huck. Ik voel mij niets op mijn gemak.”“Zeg eens Tom, zullen wij deze plaats opgeven en het ergens anders gaan beproeven?”“Goed. Ik geloof ook dat het beter zal zijn. Waar moeten we nu heen?”Tom bedacht zich een oogenblik en zeide toen:“Naar het spookhuis.”“Dank je; ik houd niet van spookhuizen, Tom. Daar zie je gezichten nog akeliger dan die van doode menschen. Lijken mogen praten, maar ze schuiven niet, als je er niet op verdacht bent, langs je heen in een lijkkleed, om over de schouders te kijken, en ze kunnen ook niet met hunne tanden knarsen, zooals een spook doet. Ik zou het besterven, Tom—en iedereen met mij.”“Ja maar, Huck, spoken sluipen alleen ’s nachts rond; zij zullen ons over dag het graven niet beletten.”“Dat kan wel zijn. Maar je weet net zoo goed als ik, dat de menschen bij dag zoo min als bij nacht in de buurt van het spookhuis komen.”“Dat is omdat zij niet gaarne naar eene plaats gaan, waar een mensch vermoord is. Maar er is eigenlijk ’s nachts nooit iets om dat huis gezien,—behalve een blauw licht bij het raam, doch geen echte spoken.”“Wel, daar waar blauwe lichten dwarrelen, kun je er op aan dat geesten zijn. Dat is zoo zeker als iets, en iedereen weet, dat niemand dan geesten ze gebruiken.”“Ja, dat is zoo. Maar zij komen nooit over dag; daarom behoeven wij niet bang te zijn.”“Nu, goed dan; wij zullen bij het spookhuis gaan graven, als jij het wilt. Maar ik zeg je, dat je vrijwillig in gevaar loopt.”Zij waren thans aan den voet van den heuvel. Daar, midden in de door de maan verlichte vallei, stond het spookhuis, geheel verlaten, met een vermolmd houten hek en welig, tot aan den drempel groeiend onkruid en met een bouwvalligen schoorsteen, ledige raamkozijnen en gaten in het dak.De knapen bleven een oogenblik staan kijken, half verwachtend een blauw licht bij het venster te zien bewegen. Zij spraken op fluisterenden toon, zooals bij den tijd en de omstandigheden paste, weken een eindweegs ter rechterzijde af, om de ligging van het spookhuis op te nemen, en begaven zich toen huiswaarts, door de bosschen die de achterzijde van Cardiff Hill versierden.Hoofdstuk XXVII.Den volgenden dag, tegen twaalf uren, stonden de knapen bij den dooden boom om hun gereedschap te halen. Tom brandde van verlangen om naar het spookhuis te gaan. Huck was minder opgewonden en zeide:“Zeg eens, Tom: weet jij wat dag het is?”Tom doorliep in gedachten de dagen der week en hief toen verschrikt de oogen op.“Hemel, ik heb er in ’t geheel niet aan gedacht, Huck.”“Ik ook niet, maar op eens schoot het mij te binnen, dat het wel Vrijdag kon zijn.”“Bewaar me; een mensch kan niet te voorzichtig wezen. Wij konden er wel eens inloopen, door zoo iets op Vrijdag aan te vangen.”“Konden! Zeg liever zouden. Er zijn misschien geluksdagen, maar Vrijdag is er geen.”“Dat weet elke gek. Ik geloof niet, dat jij de eerste bent, die dat uitgevonden hebt, Huck.”“Nu, ik heb niet gezegd dat ik het was, heb ik wel? En het is niet alleen omdat het Vrijdag is; ik heb van nacht akelig gedroomd ook,—van ratten.””’t Is toch niet waar? Een zeker teeken van naderend onheil! Vochten zij?”“Neen.”“Dat is tenminste nog een zegen, Huck. Wanneer zij niet vechten, is het alléén maar een teeken dat er een onheilkankomen. We behoeven dus niets te doen dan scherp toe te kijken en ons niet in gevaar te begeven. Wij zullen het graven vandaag maar laten en liever gaan spelen. Ken je Robin Hood, Huck?”“Neen, Wie is Robin Hood?”“Wel, hij was een van de grootste mannen van Engeland en van de beste ook. Hij was een roover.”“Heerejé, ik wou dat ik hem was. En wat heeft hij gekaapt?”“Alleen maar bisschoppen en rijke lui en koningen en zulk volk. Maar hij plaagde de arme lui nooit. Hij had ze lief en deelde alles eerlijk met hen.”“Zoo, dan moet hij een beste kerel geweest zijn!”“Waarachtig was hij dat, Huck. Hij was de grootmoedigste man, die ooit heeft bestaan. Je hebt tegenwoordig zulke lui niet meer, daar ben ik zeker van. Hij kon, met zijne handen achter zijn rug gebonden, elken Engelschman afranselen, en met zijn boog van taxishout, op anderhalve mijl afstand, een stuivertje doorboren, zonder ooit te missen.”“Wat is een boog van taxishout?”“Dat weet ik niet. ’t Is een boog, dat is zeker. En als hij het geldstuk een enkelen keer aan den kant raakte, danraasde en tierde hij als een kind.—Kom laten wij Robin Hood spelen; ’t is een prettig spel. Ik zal het je leeren.”Ze speelden den geheelen middag Robin Hood, terwijl zij nu en dan een verlangenden blik op het spookhuis wierpen en spraken over de plannen en vooruitzichten voor den volgenden dag. Toen de zon in het westen onderging, wandelden zij langs de breede schaduwen der boomen naar huis en waren in de bosschen van Cardiff Hill spoedig uit het gezicht verdwenen.Zaterdagmiddagwaren de knapen weder bij den dooden boom.Eerst zaten zij in de schaduw een poosje te rooken en te babbelen en gingen toen het gemaakte gat weder opgraven. Zij deden dat, niet omdat zij groote verwachtingen hadden, maar alleen omdat Tom gezegd had, dat het dikwijls gebeurd was, dat menschen, toen zij den schat tot op een duim na bereikt hadden, het opgegeven hadden, en dat er toen anderen gekomen waren, die met één stoot van de spade hem te voorschijn hadden gehaald.Hun streven mislukte echter ditmaal en ze namen daarom hun gereedschap maar weder op en gingen heen, niet met de gedachte dat zij met de fortuin een loopje hadden genomen, maar in de overtuiging dat zij aan alle voorwaarden, aan het delven naar schatten verbonden, hadden voldaan.Toen zij het spookhuis naderden, was er iets zoo akeligs en huiveringwekkends in de doodelijke stilte onder de brandende zon en iets zoo neerdrukkends in de eenzame, verlatene plaats, dat zij een oogenblik bang waren om binnen te gaan. Zij kropen naar de deur en keken bevend door een reetje. Zij zagen een met onkruid begroeide, van vloer beroofde kamer, zonder behangsel, met een ouderwetsche haardstede, vensters zonder gordijnen en een bouwvallige trap, en overal flarden van spinnewebben. Toentraden zij met versnelden polsslag, fluisterende stem, gretige ooren en gezwollen spieren binnen, gereed om desnoods onmiddellijk weder den aftocht te blazen.Een oogenblikje later, toen hun blik aan de huiveringwekkende omgeving was gewend, verminderde hun angst en namen zij de plaats nauwkeuriger op, vol verbazing en verwondering over hun eigen stoutmoedigheid. Daarop wilden zij boven een kijkje nemen. ’t Had iets van zich den terugweg af te snijden, maar zij zagen elkander met moedige blikken aan en kwamen tot een kloek besluit om hun gereedschap in een hoek te werpen en de trap te beklimmen. Boven vertoonden zich dezelfde teekenen van verval. In een donkeren hoek vonden zij een kabinetje, dat iets geheimzinnigs beloofde; doch die belofte bleek ijdel te zijn, want het was ledig. Zij hadden thans moed verzameld en waren gereed hunne onderneming door te zetten. Juist toen zij naar beneden wilden stappen om aan het werk te gaan, zeide Tom: “Stil!”“Wat is er?” fluisterde Huck, bleek van schrik.“Stil! Daar! Hoort gij het?”“Ja, O, heer! Laat ons wegloopen!”“Houd je stil! Beweeg je niet! Zij komen naar de deur toe.”De jongens gingen plat op den grond liggen en keken door de openingen tusschen de planken, in doodangst afwachtende wat er gebeuren zou.“Zij houden stil,” fluisterden zij eindelijk.“Neen—zij komen! Hier zijn zij! Geen woord meer, Huck. Goede hemel, ik wou dat ik er uit was!”Twee mannen traden binnen. De knapen dachten:“Dit is de oude, doofstomme Spanjaard, die onlangs een paar malen in de stad is geweest, en den anderen man heb ik nooit gezien.”De andere was een havelooze bandiet, ongekamd en ongeschoren, met een hoogst ongunstig uiterlijk. De Spanjaard was in eeneserapegehuld; hij had zware, witte bakkebaarden, lang wit haar, dat golvend onder zijn hoofddeksel te voorschijn kwam en hij droeg groene ooglappen. Toen zij binnentraden, begon de “andere” heel zacht te spreken. Zij zetten zich op den grond neder, het gelaat naar de deur gekeerd en met den rug tegen den muur, en de “andere” hervatte zijn gesprek. Hij werd iets minder omzichtig in houding en gebaren en zijne woorden werden gaandeweg duidelijker.“Neen,” zei hij, “ik heb er goed over gedacht en ik heb er geen zin in: het is gevaarlijk.”“Gevaarlijk?” gromde de doofstomme Spanjaard, tot verbazing der knapen. “Gevaarlijk, melkbaard?”Deze stem deed de knapen beven en naar adem snakken. Het was die van Injun Joe!Er volgde een oogenblik van stilte, waarop Joe hernam:“Wat kan gevaarlijker zijn dan die karwei van daarginds—en er is toch niets van gekomen.”“Dat was heel wat anders. Dicht bij de rivier en geen enkel huis in de nabijheid. ’t Zal nooit bekend worden, dat wij het beproefd hebben, vooral niet daar het mislukt is.”“Wel, wat kan gevaarlijker zijn dan over dag hier te komen? Ieder, die ons ziet, kan argwaan krijgen!”“Dat weet ik, maar er was geen andere plaats geschikt na die malle karwei. Ik hunker er naar dit hol te verlaten. Ik wou gisteren al gaan, maar er was geen denken aan zich buiten te wagen, met die helsche jongens, die bij den heuvel speelden.”De “helsche jongens” beefden bij dit gezegde en dachten hoe gelukkig het was, dat zij zich herinnerd hadden dathet Vrijdag was en dat zij tot het besluit waren gekomen een dag te wachten. Zij wenschten in hun hart, dat zij het een jaar hadden uitgesteld.De twee mannen haalden eenig voedsel voor den dag en begonnen te eten. Na eenige oogenblikken van stilzwijgen zeide Injun Joe:“Kijk eens, jongen: ga jij naar de rivier, waar je behoort, wacht daar totdat je van mij hoort. Ik zal het er op wagen nog wat hier in de stad te blijven om den boel op te nemen. Wij zullen dat gevaarlijke karweitje ondernemen, als ik alles goed bespionneerd en bemerkt heb dat de kansen goed staan. En dan naar Texas. Wij zullen eerlijk samen deelen.”De andere was met dit plan tevreden.Onderwijl raakten de beide mannen aan het gapen en Injun Joe zeide:“Ik ben dood van den slaap! ’t Is jouw beurt om te waken.”En hij rolde zich in het onkruid en begon te snorken. Zijn metgezel stootte hem een paar malen aan en hij werd rustig. Daarop begon de waker te knikkebollen; zijn hoofd zonk lager en lager en beiden hieven thans een duo van snorken aan.De knapen haalden dankbaar adem. Tom fluisterde:“Nu de kans waarnemen, kom!”Huck zeide: “Ik kan het niet doen;—Ik zou sterven, indien zij ontwaakten.”
Alabama, vaarwel! Och ’k min U zoo teer!Toch ga ’k voor een poos van U scheiden!Maar het denken aan U doet mij ’t harte zoo zeer,Mijn ziel blijft bij U steeds verbeiden.Uw lommerrijke wouden heb ’k dikwijls doorkruist;’k Heb gedoold langs Uw liefelijke stroomen;Gehoord hoe uw water bij stormwinden bruistEn bewonderend Aurora zien komen.
Alabama, vaarwel! Och ’k min U zoo teer!Toch ga ’k voor een poos van U scheiden!Maar het denken aan U doet mij ’t harte zoo zeer,Mijn ziel blijft bij U steeds verbeiden.Uw lommerrijke wouden heb ’k dikwijls doorkruist;’k Heb gedoold langs Uw liefelijke stroomen;Gehoord hoe uw water bij stormwinden bruistEn bewonderend Aurora zien komen.
Alabama, vaarwel! Och ’k min U zoo teer!
Toch ga ’k voor een poos van U scheiden!
Maar het denken aan U doet mij ’t harte zoo zeer,
Mijn ziel blijft bij U steeds verbeiden.
Uw lommerrijke wouden heb ’k dikwijls doorkruist;
’k Heb gedoold langs Uw liefelijke stroomen;
Gehoord hoe uw water bij stormwinden bruist
En bewonderend Aurora zien komen.
De tranen die ’k schrei, o! ik schaam ze mij niet,Geen blos dekt mijne vochtige wangen;Niet vreemd is mij ’t land, dat mijn aandoening ziet,’t Is een vriend waar mijn ziel aan blijft hangen.Een meer hartelijke ontvangst vond ik nergens, o neen!Dan bij U, wien ’kmijnland wel mag heeten;En mijn hoofd en mijn hart moest wel koud zijn als steen,Alabama, als het U kon vergeten!”
De tranen die ’k schrei, o! ik schaam ze mij niet,Geen blos dekt mijne vochtige wangen;Niet vreemd is mij ’t land, dat mijn aandoening ziet,’t Is een vriend waar mijn ziel aan blijft hangen.Een meer hartelijke ontvangst vond ik nergens, o neen!Dan bij U, wien ’kmijnland wel mag heeten;En mijn hoofd en mijn hart moest wel koud zijn als steen,Alabama, als het U kon vergeten!”
De tranen die ’k schrei, o! ik schaam ze mij niet,
Geen blos dekt mijne vochtige wangen;
Niet vreemd is mij ’t land, dat mijn aandoening ziet,
’t Is een vriend waar mijn ziel aan blijft hangen.
Een meer hartelijke ontvangst vond ik nergens, o neen!
Dan bij U, wien ’kmijnland wel mag heeten;
En mijn hoofd en mijn hart moest wel koud zijn als steen,
Alabama, als het U kon vergeten!”
Er waren er slechts zeer weinigen, die wisten wat het woord “Aurora” beteekende, doch het gedicht viel niettemin zeer in den smaak.
Daarop verscheen een jonge dame met een donkere gelaatskleur, donkere oogen en donker haar, die een indrukwekkend oogenblik pauseerde, haar best deed om haar gelaat eene tragische uitdrukking te geven en toen op afgemeten toon begon:
“Zwart en stormachtig was de nacht. Om den hemeltroon flikkerde een enkele ster, doch zware donderslagen trilden aanhoudend door het zwerk, terwijl de vreeselijke bliksem gramstorig door de onbewolkte hemelzalen dartelde, alsof hij de macht bespotte, welke de beroemde Franklin zich over zijne verschrikkingen had aangematigd! Zelfs de onstuimige winden kwamen eendrachtig uit hunne geheimzinnige woonplaatsen te voorschijn en bulderden in het rond, begeerig naar ’t scheen, om de woestheid van het tooneel door hunne hulp te verhoogen.
“Op zulk een tijdstip, zoo duister, zoo droevig, zuchtte mijn hart naar menschelijk medegevoel,—maar in plaats daarvan,
Mijn dierbaarste vriendin, mijn gids en mijn geleide,Mijn vreugde bij mijn smart, stondt ge eensklaps aan mijn zijde!
Mijn dierbaarste vriendin, mijn gids en mijn geleide,Mijn vreugde bij mijn smart, stondt ge eensklaps aan mijn zijde!
Mijn dierbaarste vriendin, mijn gids en mijn geleide,
Mijn vreugde bij mijn smart, stondt ge eensklaps aan mijn zijde!
“Zij bewoog zich voort als een van die liefelijke wezens, welke de romantische jeugd zich op de zonnige paden van het Eden der verbeelding, voor den geest toovert,—een koningin der schoonheid, zonder versierselen, maar getooid met hare alles overtreffende bekoorlijkheid. Haar tred was zoo licht, dat het oor hare nadering niet vernam, en indien hare bezielde aanraking niet eene magische trilling had doen ontstaan, zou zij ongemerkt, ongezocht voorbijgegleden zijn. Een zonderlinge droefheid zetelde op hare gelaatstrekken, als ijzige tranen op Decembers winterkleed, toen zij naar de strijdende elementen daar buiten wees en mij verzochtde beide wezens, die daar werden voorgesteld, te aanschouwen.”1
Deze nachtmerrie omvatte tien bladzijden schrifts en sloot met een preek, wanhopig akelig voor de Anti-Presbyterianen, doch die den eersten prijs behaalde en als de schoonste proeve van den avond werd beschouwd.
De burgemeester van St. Petersburg hield onder het overreiken van den prijs aan haar, die hem behaald had, eene schitterende redevoering, in welke hij betuigde, dat dit de welsprekendste rede was, die zijne ooren ooit gehoord hadden en dat Daniel Webster zelfs er trotsch op had kunnen zijn.
In het voorbijgaan moet gezegd worden, dat de opstellen, welke overvloeiden van het woord “heerlijk” als ook van de vergelijking “menschelijke ondervinding,” met “een bladzijde uit het leven,” het gemiddeld aantal overtrof.
Thans schoof de meester, opgewonden tot aan luidruchtigheid toe, zijn stoel op zijde, ging met den rug naar het publiek staan en begon zijne aardrijkskundige lessen door op het bord eene kaart van Amerika te teekenen. Doch hij maakte met zijne onvaste hand een figuur—en er werd een onderdrukt gelach in de school gehoord. Hij wist wat er aan haperde en deed zijn best om de fout te herstellen, veegde enkele lijnen met de spons uit en maakte weder nieuwe. Helaas! zij werden hoe langer hoe slechter en het gegiegel werd luider. Hij wijdde zijn gansche aandacht aan het werk, alsof hij besloten had zich niet doorhet publiek uit het veld te laten slaan. Hij voelde, dat aller oogen op hem gevestigd waren, en verbeeldde zich dat het beter ging. En toch hield het gegiegel aan, ja, het vermeerderde blijkbaar. En daartoe was wel reden. Boven zijn hoofd was een vliering met een luik, en uit dat luik, kwam een kat te voorschijn, welke men een touw om de achterpooten gehecht had. Die kat had een doekje om den kop en de kaken gebonden, on haar het miauwen te beletten. Terwijl zij langzaam naar beneden sukkelde, kromde zij zich naar alle kanten, sloeg hare klauwen om het touw, schommelde vervolgens naar de laagte en krabde tegen de ontastbare lucht. Het gegiegel werd erger en erger: de kat was omstreeks zes duim van des soezerigen meesters hoofd. Nog een weinig later en zij greep met hare klauwen wanhopig naar des meesters pruik, klemde zich daaraan vast en werd een oogenblik later weder tot de vliering opgetrokken, met haar zegeteeken tusschen de pooten. En welk een lichtgloed verspreidde zich toen van des meesters hoofd. Immers de verversjongen had dat lichaamsdeel met verguldsel besmeerd.
Met dit tooneel werd de vergadering gesloten. De jongens waren gewroken en de vacantie was begonnen.
1De dusgenaamde “opstellen”, die wij hier hebben aangehaald, zijn zonder eenige verandering genomen uit een werkje getiteld: “Proza en poëzie, door eene dame uit het verre Westen.” Zij zijn volmaakt naar het gewone schoolmeisjesmodel, en vandaar dat wij beter geslaagd zijn, dan wanneer wij er een hadden verzonnen.
1De dusgenaamde “opstellen”, die wij hier hebben aangehaald, zijn zonder eenige verandering genomen uit een werkje getiteld: “Proza en poëzie, door eene dame uit het verre Westen.” Zij zijn volmaakt naar het gewone schoolmeisjesmodel, en vandaar dat wij beter geslaagd zijn, dan wanneer wij er een hadden verzonnen.
Aangetrokken door de schitterende uniform der “Matigheids-Cadetten” werd Tom lid der afdeeling van het nieuw opgerichte genootschap en beloofde hij zich gedurende zijn lidmaatschap te onthouden van rooken en vloeken. Bij deze gelegenheid ontdekte de knaap iets, waaraan hij vroegernooit gedacht had, namelijk—dat de aflegging der belofte om ietsniette doen, het beste middel is om iets te leeren doen. Tom voelde zich door een nooit gekenden lust gekweld on te rooken en te vloeken: ja, de begeerte werd zoo sterk, dat alleen de hoop om zijn roode sjerp te vertoonen, hem er van terughield zijn lidmaatschap op te zeggen.
Het was 4 Juli toen hij tot den bond toetrad, en hij was nog geen acht en veertig uren lid geweest of hij was gereed en gezind zich van zijne boeien te ontslaan. Doch juist dien dag vernam hij, dat de oude vrederechter ziek was en waarschijnlijk zou sterven. Zulk een voornaam ambtenaar zou zeker met groote plechtigheid begraven worden en dan had hij een kansje om in zijn uniform den stoet te volgen. Drie dagen lang was Tom diep begaan met des rechters toestand en vol verlangen naar tijding. Nu en dan klom zijn hoop zoodanig, dat hij het waagde zijn sjerp uit de kast te halen en zich voor den spiegel voor de groote gebeurtenis te oefenen. Doch de rechter bleef wanhopig lang tusschen dood en leven dobberen en werd ten slotte aan de betere hand en daarna voor hersteld verklaard. Tom was boos en zeide onverwijld zijn lidmaatschap op. Helaas! dienzelfden nacht stortte de rechter in en stierf.
Tom besloot oude vrederechters nooit meer te vertrouwen. De begrafenis was prachtig en de cadetten paradeerden op een wijze, die er op toegelegd scheen om het vroegere lid van afgunst te doen vergaan. Doch hij was vrij en kon weder naar hartelust rooken en vloeken. En nu bemerkte hij tot zijne verwondering, dat hij er op eens geene behoefte meer aan had. De wetenschap alleen, dat hij het doen kon nam den lust en het genot er van weg.
Tot Toms groote verbazing begon hij te bemerken, dat de lang gewenschte vacantie wat vervelend werd.
Hij beproefde een dagboek te maken, doch aangezien er de eerste drie dagen niets merkwaardigs voorviel, gaf hij het op. Toen kwam het “Café Chantant,” der negerzangers in de stad en maakte sensatie. Dadelijk werd er door Tom en Joe Harper een speel- en zanggezelschap opgericht en de knapen vermaakten zich daarmede een paar dagen. Zelfs de dag van den intocht des nieuwen Senators mislukte gedeeltelijk, omdat het hard regende. Dientengevolge was er geen optocht,—en zelfs in den grootsten man der wereld (naar het oordeel van Tom), den heer Beuton, een wezenlijken Senator van de Vereenigde Staten, werd hij bitter teleurgesteld, want deze bleek op geen stukken na vijf en twintig voet lang te zijn.
Toen kwam er een paardenspel. De jongens speelden drie dagen “cirque”, in tenten van lompen en oude tapijten, met toegangskaarten van drie centen en twee voor meisjes, en daarna werd het paardenspel opgegeven.
Eindelijk kwam er een buikspreker en een goochelaar—die weder vertrokken en het stadje achterlieten somberder en droeviger dan ooit.
Ook werden er enkele kinderpartijen gegeven, doch zij waren zoo zeldzaam en zoo heerlijk, dat de pijnlijke leemte tusschen de eene visite en de andere er te meer om werd gevoeld.
Becky Thatcher was naar huis gegaan, naar Konstantinopel, om de vacantie bij hare ouders door te brengen: dus was er nergens een zonnestraaltje te vinden. Daarbij kwam nog het vreeselijk geheim van den moord, dat eene slepende ellende bleef voor den armen knaap.
Midden in de vacantie vertoonde zich de mazelen-epidemie en Tom was twee weken lang een gevangene, dood voor de wereld en hetgeen daarin voorviel. Hij was zeerziek en stelde nergens belang in. Toen hij eindelijk weder buiten mocht komen en zachtjes de stad doordrentelde, scheen alles en elk schepsel een treurige verandering ondergaan te hebben. Er was een straatprediker geweest, die de menschen bekeerd had, niet alleen de volwassenen, maar zelfs de kleine jongens en meisjes. Tom ging de stad rond in de hopelooze hoop van ten minste een enkel zondig gezicht tegen te komen, doch overal wachtte hem teleurstelling. Hij vond Joe Harper verdiept in de studie van het Nieuwe Testament en hij wendde zich droevig van dit drukkend schouwspel af. Hij zocht Ben Rogers en vond hem aan het bezoeken van armen, met een mandje met traktaatjes, als eene waarschuwing tot bekeering, bij zich. Hij spoorde Jim Hollis op, die hem wees op de zegen van de mazelen. Iedere jongen, dien hij tegenkwam, bracht een dosis tot zijn toestand van neerslachtigheid toe, en toen hij in wanhoop eindelijk zijn toevlucht nam tot Huckleberry Finn en ook door hem met eene aanhaling uit de Schrift ontvangen werd, brak hem het hart en sloop hij naar zijn bed en maakte zich wijs, dat hij de eenige in de stad was, die voor eeuwig, eeuwig was verloren.
Juist dien nacht kwam er een vreeselijke storm met slagregen, ontzettende donderslagen en verblindende bliksemstralen. Tom kroop onder de dekens en wachtte in een akelige onzekerheid zijn doemvonnis af: immers hij was volkomen overtuigd, dat dit woeden der elementen om zijnentwil geschiedde. Hij geloofde, dat hij de verdraagzaamheid der bovenaardsche machten getart had, meer dan zij dragen konden, en dat dit er het gevolg van was. Het zou hem wel vreemd voorgekomen zijn als zooveel vertooning en geschut was aangewend om een mug te dooden, doch hij vond het heusch niet ongerijmd, dat er zulk eenonweder was ontstaan om een worm als hij te vernietigen.
Langzamerhand bedaarde de storm en verdween, zonder zijn voornemen te hebben ten uitvoer gebracht. De eerste aandrang van den knaap was, dankbaar te zijn en zich te verbeteren. De tweede was, te wachten: immers er mochten nog eens meer stormen komen.
Den volgenden dag stond de dokter opnieuw voor zijn bed. Tom was weder ingestort. De drie volgende weken, die hij op zijn rug doorbracht, schenen eene eeuwigheid. Toen hij eindelijk weder buiten kwam, was hij nauwlijks dankbaar dat hij gespaard was gebleven, daar hij immers verlaten en van makkers beroofd was. Hij zwierf lusteloos door de straat en vond Jim Hollis voor rechter spelende in een gerechtshof van jongelieden, die een kat wegens moord hadden aangeklaagd, in de tegenwoordigheid van haar slachtoffer, een vogel. Daarna zag hij Joe Harper en Huck Finn, die in plaats van de Schriften te lezen, bezig waren een gestolen meloen op te muizen. Arme knapen, ook zij waren weder ingestort!
Eindelijk kwam er beweging in de droomerige atmosfeer—en geweldige beweging ook. De zaak van den moord zou voorkomen bij het Gerechtshof. Natuurlijk werd deze zaak het onderwerp van alle gesprekken; ook in Toms kring werd er druk over gesproken. Maar telkens, als het woord genoemd werd, voer hem eene rilling door de leden en hij verbeeldde zich in zijn angst, dat er voorbedachtelijk zoo gedurig in zijne tegenwoordigheid over gesprokenwerd, om te zien of hij er ook iets mede te maken had. Ofschoon hij zeker wist, dat niemand eenig vermoeden omtrent zijne bekendheid met de misdaad kon hebben, voelde hij zich toch onder die praatjes niet op zijn gemak. Hij stierf elken dag duizend dooden en nam eindelijk Huck met zich naar eene eenzame plaats om de zaak met hem te bepraten. Het zou eene verlichting wezen, eens even zijn tong vrij te laten en den lijdenslast met een lotgenoot te deelen. Bovendien wilde hij er zich van overtuigen, dat Huck gezwegen had.
“Huck, heb je nooit iemand daarover gesproken?”
“Waarover?”
“Dat weet je wel!”
“O, natuurlijk niet.”
“Nooit een woord?”
“Nooit een enkel woord.—Waarom vraag je dat?”
“Wel, ik was er bang voor.”
“Maar Tom Sawyer! Wij zouden geen vier en twintig uur meer geleefd hebben, als het ontdekt was. Dat weet je immers wel.”
Tom werd kalmer. Na een pauze hernam hij:
“Huck, je zoudt je immers door niets, noch door iemand laten ompraten.”
“Laten ompraten? Wel, als ik zin krijg om me door dien duivel van een kleurling te laten verzuipen, dan zal ik me laten ompraten.”
“Nu, dan is het in orde. Ik geloof, dat we veilig zijn, zoolang we zwijgen. Doch laat ons voor de securiteit nog eens zweren.”
“Best.”
Dus zwoeren de knapen ten tweede male met dure eeden.
“Wat zeggen de menschen toch, Huck? Ik heb er nog zoo weinig van gehoord.”
“Zeggen! ’t Is Muff Potter en ’t blijft Muff Potter. Het koude zweet staat mij op ’t voorhoofd, als ik het hoor, en ik zou wel onder den grond willen kruipen.”
“Zoo gaat het mij ook. Ik weet, dat hij er om koud is.—Heb je niet somtijds medelijden met hem?”
“Ja, dag en nacht. ’t Is wel geen beste, die Muff Potter, maar hij heeft nooit iemand kwaad gedaan. Hij bedelt wel eens langs de straat om geld te krijgen voor drank en hij loopt ook te luieren, maar o, Heertje, dat doen we allemaal, ten minste de meesten, vooral de dominees en dat slag van volk. Maar hij is een goede kerel, want hij heeft me eens de helft van zijn visch gegeven, terwijl hij zelf nog honger had; en ik weet niet hoeveel maal hij mij geholpen heeft, als ik in de knijp zat.”
“En voor mij heeft hij oude vliegers opgelapt, Huck, en vischnetten gebreid. Ik wou, dat ik hem uit de kast kon krijgen.”
“We kunnen er hem niet uit krijgen, Tom; en ’t zou hem niet veel baten, want ze zouden hem er wel gauw weder inpakken.”
“Ja, dat zouden zij. Maar ik vind het akelig om hem zoo duivelsch valsch te hooren beschuldigen van iets, dat hij niet gedaan heeft.”
“Ik ook, Tom. Ik heb ze hooren zeggen, dat hij de gemeenste schurk uit het land was en dat het een wonder is, dat hij niet eerder gehangen werd.”
“Ja, zoo praten zij. Ik heb hooren zeggen, dat, als hij vrij kwam, zij hem zoudenlynchen1—en dat zouden zij doen ook.”
De jongens praatten nog een tijdlang op deze wijzevoort, doch het gesprek bracht hun weinig troost aan. Tegen schemeravond stonden zij voor de kleine eenzame gevangenis, wellicht met een vage hoop in het hart, dat er iets zou gebeuren, waardoor hunne moeielijkheden uit den weg zouden worden geruimd. Doch er gebeurde niets; de engelen en feeën schenen zich het lot van dezen ongelukkige niet aan te trekken.
Tom en Huck deden dien avond wat zij al menigmaal hadden gedaan; zij zetten zich voor het tralievenster der cel neder en gaven Potter wat tabak en een paar zwavelstokken. Daar de gevangene in een laag hok lag en door geen schildwachten werd bewaakt, konden zij hem deze kleine giften zonder moeite toereiken.
Zijne dankbaarheid voor hunne geschenken had hen altijd pijnlijk aangedaan,—doch ditmaal trof zij hen meer dan ooit. Zij vonden zichzelven onuitsprekelijk laf en valsch, toen Potter zeide:
“Jelui bent almachtig goed voor me geweest, jongens, beter dan iemand anders in de geheele stad, en ik zal het nooit, nooit vergeten. Dikwijls zeg ik tot mijzelven: ‘Ik placht al de vliegers en dingen voor de jongens in orde te maken en hen te wijzen waar de beste visch te vangen was en hun pleizier te doen zooveel ik kon, en thans, nu hij in nood is, hebben zij allen den ouden Muff vergeten—allen behalve Tom en Huck. Die vergeten hem niet,’zeg ik, en ik vergeet hen niet. Wel jongens, ik heb een vreeselijke misdaad gepleegd, in mijne dronkenschap,—anders begrijp ik niet, hoe ik het gedaan kon hebben,—en nu moet ik er voor hangen, en dat is maar goed, ja, ’t beste wat ze met mij doen kunnen. Doch daar zullen wij niet verder over spreken. Ik wil jelui niet akelig maken, daarvoor ben jelui te goed voor mij geweest! Maar wat ik zeggen wou, is dit: drinktnooit te veel, en jelui zult nooit hier komen. Ga een beetje dichter bij het raam staan, dan kan ik jelui beter zien; ’t is zoo’n troost, vriendelijke gezichten te zien, als men zich zoo diep ellendig voelt,—en ik zie ze hier nooit, behalve die van jelui. Goede, vriendelijke gezichten. Goede, vriendelijke gezichten! Gaat op elkanders rug staan en geef mij de hand; uwe handen kunnen wel door de tralies doch de mijne niet, die zijn te groot. Kleine, teere handjes, die Muff Potters last verlicht hebben en welke, als ze maar konden, dien wel heelemaal zouden wegnemen!”
Tom ging dien avond diep rampzalig naar huis en werd den ganschen nacht door afgrijselijke droomen gekweld. De twee volgende dagen was hij al vroeger op straat en en bleef hij om de zaal van het gerechtshof heen zweven, naar welk gebouw hij onwederstaanbaar gedreven werd, ofschoon hij al zijne krachten inspande om zich te dwingen er vandaan te blijven. Huck ondervond hetzelfde en de beide knapen vermeden elkander opzettelijk. Soms liepen zij voor een oogenblik weg, doch dezelfde vreeselijke betoovering dreef hen altijd weder naar het gebouw terug. Telkens spitste Tom de ooren, wanneer er een leeglooper de zaal in- of uitslenterde, doch hij hoorde onveranderlijk treurig nieuws; het net werd hoe langer hoe dichter om den armen Potter toegehaald. Aan den avond van den tweeden dag liep in het stadje het gerucht dat het feit door Injun Joe’s verklaring volkomen was bewezen en dat er geen twijfel meer bestond omtrent de uitspraak der jury.
Tom kwam laat in den avond tehuis en klom door het venster in zijne slaapkamer. Hij was in een staat van vreeselijke opgewondenheid en uren verliepen, eer hij den slaap kon vatten. Den volgenden morgen liep de gansche stad uit naar het Hof, want dit was de groote dag. Debeide geslachten waren gelijkelijk in dit zich opeenhoopend publiek vertegenwoordigd. Na lang op zich te hebben laten wachten, kwam de jury binnen en nam haar zetels in. Kort daarop werd Potter geboeid binnengebracht. Hij zag er bleek en ontdaan uit en werd zoo geplaatst, dat al de nieuwsgierige oogen hem konden zien. Niet minder viel Injun Joe in ’t oog, verstaald als altijd. Na eene kleine pauze kwam de voorzitter binnen en de sherif verklaarde de zitting voor geopend. Daarop volgde het gewone gefluister onder de leden der balie en het bijeenverzamelen der stukken.Deze bijzonderheden en het haar vergezellend oponthoud brachten niet weinig bij om het indrukwekkende dezer bijeenkomst te verhoogen en de vergadering in de grootste spanning te brengen. Nu werd er een getuige voorgeroepen die verklaarde, dat hij Muff Potter in den vroegen morgen van den dag, waarop de moord ontdekt was, zich in een beek had zien wasschen en onmiddellijk daarop door het kreupelhout wegsluipen. Nadat dien getuige enkele vragen gedaan waren, zeide de openbare aanklager;
“Hebt gij den getuige nog verder iets te vragen?”
De gevangene hief een oogenblik de oogen op, doch sloeg ze terstond weder neer, toen zijn verdediger zeide:
“Ik heb hem geene vragen te doen.”
De volgende getuige deelde mede, dat er een mes bij het lijk gevonden was. Op de vraag, of hij dezen ook iets te vragen had, antwoordde de advocaat van Potter:
“Ik heb ook dezen niets te vragen.”
Het publiek begon teekenen van ontevredenheid te geven.—Was deze advocaat van plan zijn cliënt het leven te doen verliezen, zonder een enkele poging te wagen om hem te redden?
Verscheidene getuigen legden verklaringen af omtrentde schuld verradende houding van Potter, toen hij op de plaats waar de moord gepleegd was, gebracht werd. Zij mochten allen aftrekken zonder kruisvragen te ondergaan.
Al de bezwarende omstandigheden, welke in dien morgen op het kerkhof hadden plaats gegrepen en die de aanwezigen zich zoo goed wisten te herinneren, werden door geloofwaardige getuigen gestaafd, maar tot geen hunner werd door Potters verdediger een vraag gericht.
De verslagenheid en ontevredenheid van het publiek uitte zich in een dof gemompel en gaf aanleiding tot eene berisping van de zijde van den voorzitter. De woordvoerder voor de beschuldiging zeide daarop:
Door de beëedigde getuigenissen van burgers, wier geloofwaardigheid boven alle verdenking verheven is, hebben wij het onweerlegbaar bewijs geleverd, dat de ongelukkige gevangene, die in gindsche bank gezeten is, het vreeselijk misdrijf heeft bedreven. Onze taak is hiermede geëindigd.
Een kreet ontsnapte den armen Potter en hij sloeg zijne handen voor het gelaat en bewoog zich onrustig op zijne plaats, terwijl er in de gerechtszaal een pijnlijk stilzwijgen heerschte. Vele mannen waren bewogen en menige vrouw gaf door tranen van medelijden blijk.
De verdediger stond op en sprak:
“Mijnheer de Voorzitter!
“Toen wij bij het begin der behandeling van dit geding ons enkele aanmerkingen over de zaak veroorloofden, hebben wij gezegd, dat wij zouden trachten aan te toonen, dat onze cliënt bij het plegen dezer ontzettende daad handelde in een toestand van waanzin, ontstaan uit misbruik van sterken drank, die zijne aansprakelijkheid uitsloot. Wij zijn op dat voornemen teruggekomen; die verdediging zullen wij niet voeren.” (En toen tot den deurwaarder) “Roep Thomas Sawyer.”
De grootste verbazing teekende zich op ieders gelaat, dat van Potter niet uitgezonderd. Aller oogen wendden zich vol bevreemding en belangstelling op Tom, toen deze opstond en in het getuigenbankje plaats nam. De knaap zag er bleek en doodelijk verschrikt uit. De eed werd hem afgenomen.
“Tom Sawyer, waar zijt gij den zeventienden Juni, omstreeks middernacht geweest?”
Tom keek naar het verstaalde gezicht van Injun Joe en zijne tong weigerde hare diensten. Het publiek luisterde met ingehouden adem, doch de woorden wilden niet komen. Na een paar minuten echter kwam de ontstelde knaap eenigermate tot zich zelven en trachtte hij zijne stem te verheffen, om zich door de aanwezigen te doen verstaan en zeide:
“Op het kerkhof!”
“Een weinig luider, als ’t u belieft. Wees niet bang.—Gij waart....?”
“Op het kerkhof!”
Eene minachtende glimlach speelde om de lippen van Injun Joe.
“Waart gij in de nabijheid van het graf van Hoss Williams?”
“Ja, mijnheer.”
“Spreek nog iets luider. Hoe dicht waart ge er bij?”
“Zoo dicht, als ik thans bij u sta.”
“Hieldt gij u verborgen of niet?”
“Verborgen, mijnheer.”
“Waar?”
“Achter de olmboomen, aan den rand van het graf.”
Injun Joe deinsde onwillekeurig achteruit.
“Hadt gij niemand bij u?”
“Ja, mijnheer. Ik was daar met...”
“Wacht, wacht een oogenblik. Gij behoeft den naam van uw makker niet te noemen. Wij zullen hem te zijner tijd voorbrengen. Hadt gij iets bij u?”
Tom aarzelde en keek verlegen voor zich.
“Spreek vrij uit, mijn jongen;—wees niet bedeesd. ’t Is altijd braaf on de waarheid te spreken. Wat hebt gij mede naar het kerkhof genomen?”
“Niets dan een—een doode kat!”
Voor een oogenblik verhief zich zulk een luid glimlach onder de menigte, dat de voorzitter den hamer moest gebruiken.
“Nu, mijn jongen, vertel ons al wat er is voorgevallen. Zeg het in uw eigen taal;—sla niets over en wees niet bang.”
Tom begon. Eerst aarzelend, doch naarmate hij zich warmer over het onderwerp maakte, vloeiden zijne woorden met grooter gemak, en het duurde niet lang of er werd geen geluid gehoord dan dat van zijne stem. Aller oogen waren op hem gericht en met open mond en ingehouden adem hing het publiek aan zijne lippen, ontzet door het verhaal van de afgrijselijke geschiedenis. De hooggespannen aandacht bereikte haar toppunt, toen de jongen zeide:
“En toen de dokter de plank opnam en Muff Potter viel, sprong Injun Joe met het mes op hem toe en....”
Krak! Sneller dan de bliksem vloog de kleurling door een raam, duwde allen die hem trachten tegen te houden terug en was verdwenen.
1Buitengerechtelijk veroordeelen en ter dood brengen.
1Buitengerechtelijk veroordeelen en ter dood brengen.
Tom was ten tweede male de held van den dag,—het troetelkind der ouden van dagen, het voorwerp van afgunst der jeugd. Zijn naam werd zelfs door de drukpers onsterfelijk gemaakt, want hij werd eervol in het “Peterburgsche blaadje” vermeld. Er waren er zelfs, die in hem, indien hij aan de galg ontkwam, een toekomstigen President zagen.
Zooals dat gewoonlijk gaat, koesterde de veranderlijke, onredelijke wereld Muff Potter aan haar hart en vertroetelde hem even dwaas als zij hem te voren had beschimpt. Doch aangezien deze gewoonte de menschheid eer tot lof dan tot blaam strekt, zou het onheusch zijn er haar een verwijt van te maken.
De eerstvolgende dagen waren voor Tom een tijdperk van onvermengd genot, maar zijne nachten waren vreeselijk. Het beeld van Injun Joe vervolgde hem in zijn droomen en de moordenaar stond gedurig voor hem, met verdelging in zijn oog. De knaap was er voor geen geld toe te bewegen om na zonsondergang de deur uit te gaan. De arme Huck verkeerde in denzelfden toestand van ellende en schrik, want Tom had den avond voor den rechtsdag de geheele geschiedenis aan den pleitbezorger verteld, en Huck was doodbang dat het uitlekken zou, dat ook hij in de zaak betrokken was, ofschoon de vlucht van Injun Joe hem de marteling gespaard had van op ’s Hofs zitting getuigenis te moeten afleggen.
Sedert Toms bezwaard geweten hem in den laten avondnaar het huis van den advocaat gedreven had en deze het huiveringwekkend verhaal had ontwrongen aan lippen, die door de vreeselijkste en geheimzinnigste eeden gesloten waren geweest, had Huck zijn vertrouwen in de menschheid voor eeuwig verloren. Zoolang het daglicht scheen, maakte Muff Potters dankbaarheid Tom blijde dat hij gesproken had; maar zoodra de avond was gedaald, zou hij om alles gewild hebben dat zijn mond gesloten was gebleven. Het eene oogenblik bekroop hem de vrees, dat Injun Joe nooit gevat zou worden, en het andere beefde hij bij de gedachte dat het wel zou gebeuren. Het was hem alsof hij niet weder vrij zou ademen, voordat die man dood was en hij zijn lijk had gezien. Geldsommen waren uitgeloofd, men had het land doorkruist, doch er werd geen Injun Joe gevonden. Op zekeren dag kwam er uit St Louis een van die alwetende, ontzagwekkende wonderen in menschengedaante, een agent van de geheime politie, hoofdschuddend en met een voornaam gezicht te St Peterburg en maakte dien kolossalen opgang, welke leden van dat verheven lichaam altijd maken. Hij kwam zeggen dat hij den “sleutel” gevonden had. Doch aangezien men geen “sleutel” wegens moord kon ophangen, bracht het bezoek van den grooten man weinig licht aan en voelde Tom zich al even bezwaard als vroeger. De eene dag voor en de andere na ging voorbij, zonder dat hem het drukkend wicht van den angst werd afgenomen.
Er komt een tijd in elk wel ingericht jongensleven, dat hij door eene vurige begeerte wordt aangegrepen om ergenseen verborgen schat te gaan zoeken. Dat verlangen bekroop plotseling Tom. Hij stapte de deur uit om Joe Harper op te zoeken, doch zonder baat. Toen ging hij naar Ben Rogers; helaas! deze was visschen. Weldra echter liep hij Huck tegen ’t lijf en de beruchte straatjongen stond hem te woord. Tom nam hem met zich naar een eenzame plaats en deelde in vertrouwen zijn voornemen mede. Huck werd bereid gevonden; hij had gaarne de hand in elke onderneming, welke genot beloofde en geen geld kostte, daar hij een lastigen overvloed van die soort van tijd had, diegeengeld is.
“Waar zullen wij graven!” vroeg Huck.
“O, overal!”
“Zoo, zijn dan overal schatten begraven?”
“Neen, waarachtig niet. Zij zijn meestal op allervreemdste plaatsen verborgen, Huck;—somtijds op eilanden en ook wel in verrotte kisten, onder een tak van een ouden dooden boom op welken de maan te middernacht haar schaduw werpt. Doch doorgaans vindt men ze veel in den grond onder spookhuizen.”
“Wie verstopt ze?”
“Wel de roovers natuurlijk.—Wie anders, denk je. De catechiseermeester van de zondagsschool?”
“Ik weet het zoo niet. Indien ik een schat had, zou ik hem niet verstoppen: ik zou er hem doorlappen om een lekker leventje te hebben.”
“Ik ook; maar roovers doen dat niet; zij verbergen hem en laten hem waar hij is.”
“Komen zij hem nooit halen?”
“Neen; zij hebben er wel plan op, maar zij vergeten doorgaans de plaats, waar zij hem verstopt hebben, of zij gaan dood. Hoe dan ook, hij blijft lang onder den grond liggen en begint te roesten; en in verloop van tijd vindtde een of ander een oud geel stukje papier, dat hem zegt waar de schat begraven is;—een papiertje dat men in een week niet ontcijferen kan, omdat het schrift enkel uit teekens en hiëroglyphen bestaat.”
“Hiëro... wat?”
“Hiëroglyphen! Dat zijn prentjes en dingen, schijnbaar zonder beteekenis.”
“Heb jij ook van die papiertjes, Tom?”
“Neen.”
“Hoe kun je dan de teekenen uitvinden?”
“Wel, ik heb geen teekenen noodig. Schatten worden ook wel onder een spookhuis begraven of op een eiland, of onder een dooden boom met vooruitstekende takken. Wij hebben het op Jacksons Island al zoo wat geprobeerd en nu kunnen wij weer ergens anders aan den gang gaan. Daar heb je bij voorbeeld het oude spookhuis, Hill-House Branch, en verder zijn er een menigte boomen met doode takken.”
“Vindt men ze onder alle?”
“Wat praat je toch! Natuurlijk niet!”
“Hoe weet je dan onder welke je moet zoeken?”
“Wij moeten ze alle uitgraven.”
“Maar, Tom, dan kunnen wij den geheelen zomer wel aan den gang blijven!”
“Wat kan dat schelen? Verbeeld je, dat we eens een koperen pot vinden met honderd roestige dollars er in, of een verrotte kist met diamanten. Wat zou je daarvan zeggen?”
Hucks oogen glinsterden.
“Dat is zat, meer dan zat voor mij. Geef mij de honderd dollars, dan mag jij de diamanten houden!”
“Afgesproken! De diamanten zijn lang niet te verwerpen.Sommigen zijn twintig dollars het stuk waard. Er zijn er haast geen, die je onder de zes verkoopen kunt.”
“Wezenlijk? Is dat zoo?”
“Zeker; dat weet iedereen. Heb je er nooit een gezien, Huck?”
“Niet, dat ik mij herinner!”
“O, de koningen hebben ze bij menigte.”
“Maar ik ken geen enkelen koning, Tom.”
“Dat wil ik wel gelooven. Hier zijn geen koningen; maar als je eens naar Europa gingt, zou je er een mud in het rond zien springen.”
“Springen zij?”
“Springen,—eend! Wel neen!”
“Wel, waarom zeg je het dan?”
“Och, ik bedoelde alleen maar, dat je ze zien zoudt,—maar niet zien springen, natuurlijk niet. Waarom zouden zij dat doen? Ik meen, dat je er den grond mede bezaaid zoudt zien, evenals bij dien Richard den Bultenaar.”
“Richard ...? Hoe heet hij nog meer?”
“Hij heeft geen anderen naam. Koningen hebben alleen maar één voornaam.
“Zoo?”
“Zeker, zoo is ’t.”
“Nu, als ze dat prettig vinden, laten ze hun gang gaan. Ik zou geen koning willen zijn, om alleen maar één voornaam te hebben, evenals de nikkers.—Maar zeg, waar ga je eerst graven?”
“Dat weet ik nog niet. Zullen wij eerst beginnen onder dien ouden dooden tak op den heuvel, aan de overzijde van Hill-House Branch?”
“Akkoord.”
De knapen wisten een gebrekkige bijl en een schoffelmachtig te worden en ondernamen de voetreis van anderhalf uur. Zij kwamen bezweet en hijgend aan en legden zich onder de schaduw van een olmboom neder om uit te rusten en een pijp te rooken.
“Het bevalt mij,” zei Tom.
“Mij ook,” antwoordde Huck.
“Zeg eens, Huck, als wij hier den schat vinden, wat doe jij dan met jouw aandeel?”
“Ik? Ik koop elken dag een pastei en een glas sodawater en ik ga naar elk paardenspel dat hier in de buurt komt. Ik verzeker je, dat ik het er van nemen zal.”
“Zou je er niets van opsparen?”
“Opsparen? Waarvoor zou dat dienen?”
“Om wat te hebben om later van te leven.”
“O, dat hoeft niet, als ik dat deed, zou Pop op een goeden dag terugkomen en er zijne klauwen op zetten, om er spoedig een eind aan te maken.—Wat doe jij met jouw part?”
“Ik koop een nieuwe trom, een sabel, een roode das, een groote poppenkast—en ik ga trouwen.”
“Trouwen?”
“Ja zeker.”
“Tom, ben je mal, of wat scheelt je?”
“Wacht maar: je zult het zien gebeuren.”
“Hemel, dat is nu het gekste ding, dat je doen kunt. Denk maar eens aan Pop en mijne moeder; ze deden niets dan vechten. Ik herinner mij dat als den dag van gisteren.”
“Dat doet er niet toe. Het meisje, waarmede ik ga trouwen, zal niet vechten.”
“Tom, ik geloof dat zij allen hetzelfde zijn. Je kunt ze allen over één kam scheeren. Ik zou me, als ik jou was, nog eens bedenken eer ik dat deed. Ik zeg je, dat het je berouwen zal. Hoe heet die meid?”
”’t Is geen meid;—’t is een meisje.”
“Dat is hetzelfde; sommigen zeggen meid en anderen meisje. ’t Is allebei goed. Hoe is haar naam?”
“Ik zal hem je later zeggen; nu nog niet.”
“Ook al goed. Alleen als je gaat trouwen, zal ik verlatener zijn dan ooit.”
“Neen, dat zul je niet, want je zult bij ons komen inwonen. Laat ons nu maar spoedig opstaan en aan het graven gaan.”
Zij werkten een half uur in het zweet hun aanschijns, doch zonder gevolg. Zij zwoegden nog een half uur, weder zonder baat. Toen zeide Huck:
“Worden die schatten altijd zoo diep begraven als deze?”
“Somtijds, niet altijd. Meestal niet. Ik geloof, dat wij op de verkeerde plaats zijn.”
Zij kozen daarom een andere plek uit en begonnen weder. De arbeid ging wat langzamer, doch zij maakten toch vorderingen en hielden het zwijgend eenigen tijd vol. Eindelijk ging Huck op zijne spade leunen, veegde zich met zijn mouw de parelen zweet van het voorhoofd en zeide:
“Waar ga je graven, wanneer wij door dezen boom heen zijn?”
“Dan konden wij den ouden boom bij Cardiff Hill, achter het huis van de weduwe wel eens opdelven.”
“Dat zal wel een goede zijn. Maar zal de weduwe ons den schat niet afnemen, Tom? ’t is op haar land.”
“Zij hem ons afnemen? Laat zij ’t eens probeeren. Al wie een verborgen schat vindt, mag hem houden. Het doet er niet toe op wiens land het is.”
Huck was met dit argument tevreden. De arbeid werd voortgezet. Eindelijk zeide Huck:
“Verduiveld, wij zijn zeker weer op de verkeerde plaats. Wat denk jij ervan?”
“Het is erg vreemd, Huck. Ik begrijp het niet. Soms komen er wel eens heksen tusschenbeide. Ik denk, dat dit nu het geval is.”
“Onzin! Heksen kunnen niets doen bij daglicht.”
“Ja, dat is waar ook. Daar dacht ik niet aan. O, ik weet al wat het is. Wat zijn wij toch uilskuikens! Wij moeten zien te ontdekken, op welken tak tegen middernacht de schaduw van de maan valt, en onder dien tak graven.”
“Vervloekt! dus hebben wij monnikenwerk gedaan. Nu zullen wij van nacht terugkomen. ’t Is een verduiveld lange weg. Kun jij de deur uitkomen?”
“Ik denk het wel. Wij moeten het van nacht doen ook, want als iemand deze gaten ziet, zal hij het dadelijk begrijpen en zelf gaan zoeken.”
“Goed, dan zal ik van nacht weer komen miauwen.”
“Best. Laat ons de spaden zoolang in het kreupelbosch verbergen.”
De knapen waren ter bestemder tijd op de afgesproken plaats en zaten in de schaduw van den boom te wachten. Het was een eenzaam oord en eene van oudsher plechtige ure. Geesten fluisterden door de ruischende bladeren, spoken loerden in sombere hoeken, het holklinkend geblaf van een hond werd in de verte gehoord en door een uil met zijne grafstem beantwoord. De knapen waren geheel onder den indruk dezer ernstige zaken en spraken bijna geen woord. Na een poosje meenden zij, dat het wel twaalf uren zou zijn; zij gaven nauwkeurig acht op de schaduwen en gingen aan het graven. De hoop begon in hun hart te herleven; hunne belangstelling werd grooter en hun vlijt hield daarmede gelijken tred. Het gat werd al dieper en dieper en telkens, wanneer de bijl op iets hards sloeg, sprong hun hart op van vreugde. Doch deeene teleurstelling volgde de andere. Het was nooit iets anders dan een steen of een paar stukken van beenderen. Eindelijk zeide Tom:
“Het zal niet baten Huck; wij zijn alweer aan den verkeerden boom.”
“Maar wij kunnen niet verkeerd zijn: wij hebben precies de beschaduwde plek genomen.”
“Dat weet ik wel, maar er is iets anders.”
“Wat dan?”
“Dat wij naar den tijd geraden hebben. Waarschijnlijk was het te laat of te vroeg.”
Huck liet zijn schop vallen.
“Daar zul je het hebben,” zeide hij. “Dat is het vervelende ervan. Wij kunnen nooit het juiste oogenblik bepalen, en buitendien, ’t is hier al te griezelig om dezen tijd van den nacht, met ronddolende spoken en geesten. Ik heb een gevoel, alsof er voortdurend iets achter mij staat, en ik durf mij nauwelijks omkeeren, omdat er anderen achter mij kunnen zijn, die hun kans afwachten. Ik heb gebeefd als een riet, zoolang ik hier gestaan heb.”
“Ik ook, Huck. Zij leggen meestal een dooden man in den kuil, onder den boom waarin zij een schat geborgen hebben.”
“Hemelsche vader!”
“Ja, dat doen zij. Dat heb ik altijd gehoord.”
“Tom, ik houd er niet van, om in de buurt van doode menschen te zwerven. Je hebt er altijd min of meer last van.”
“Ik ben er ook niet voor om ze aan den gang te maken, Huck. Verbeeld je eens, dat er zijn schedel opstak en begon te praten.”
“Spreek er niet van, Tom; ’t is te vreeselijk.”
“Gij hebt gelijk, Huck. Ik voel mij niets op mijn gemak.”
“Zeg eens Tom, zullen wij deze plaats opgeven en het ergens anders gaan beproeven?”
“Goed. Ik geloof ook dat het beter zal zijn. Waar moeten we nu heen?”
Tom bedacht zich een oogenblik en zeide toen:
“Naar het spookhuis.”
“Dank je; ik houd niet van spookhuizen, Tom. Daar zie je gezichten nog akeliger dan die van doode menschen. Lijken mogen praten, maar ze schuiven niet, als je er niet op verdacht bent, langs je heen in een lijkkleed, om over de schouders te kijken, en ze kunnen ook niet met hunne tanden knarsen, zooals een spook doet. Ik zou het besterven, Tom—en iedereen met mij.”
“Ja maar, Huck, spoken sluipen alleen ’s nachts rond; zij zullen ons over dag het graven niet beletten.”
“Dat kan wel zijn. Maar je weet net zoo goed als ik, dat de menschen bij dag zoo min als bij nacht in de buurt van het spookhuis komen.”
“Dat is omdat zij niet gaarne naar eene plaats gaan, waar een mensch vermoord is. Maar er is eigenlijk ’s nachts nooit iets om dat huis gezien,—behalve een blauw licht bij het raam, doch geen echte spoken.”
“Wel, daar waar blauwe lichten dwarrelen, kun je er op aan dat geesten zijn. Dat is zoo zeker als iets, en iedereen weet, dat niemand dan geesten ze gebruiken.”
“Ja, dat is zoo. Maar zij komen nooit over dag; daarom behoeven wij niet bang te zijn.”
“Nu, goed dan; wij zullen bij het spookhuis gaan graven, als jij het wilt. Maar ik zeg je, dat je vrijwillig in gevaar loopt.”
Zij waren thans aan den voet van den heuvel. Daar, midden in de door de maan verlichte vallei, stond het spookhuis, geheel verlaten, met een vermolmd houten hek en welig, tot aan den drempel groeiend onkruid en met een bouwvalligen schoorsteen, ledige raamkozijnen en gaten in het dak.
De knapen bleven een oogenblik staan kijken, half verwachtend een blauw licht bij het venster te zien bewegen. Zij spraken op fluisterenden toon, zooals bij den tijd en de omstandigheden paste, weken een eindweegs ter rechterzijde af, om de ligging van het spookhuis op te nemen, en begaven zich toen huiswaarts, door de bosschen die de achterzijde van Cardiff Hill versierden.
Den volgenden dag, tegen twaalf uren, stonden de knapen bij den dooden boom om hun gereedschap te halen. Tom brandde van verlangen om naar het spookhuis te gaan. Huck was minder opgewonden en zeide:
“Zeg eens, Tom: weet jij wat dag het is?”
Tom doorliep in gedachten de dagen der week en hief toen verschrikt de oogen op.
“Hemel, ik heb er in ’t geheel niet aan gedacht, Huck.”
“Ik ook niet, maar op eens schoot het mij te binnen, dat het wel Vrijdag kon zijn.”
“Bewaar me; een mensch kan niet te voorzichtig wezen. Wij konden er wel eens inloopen, door zoo iets op Vrijdag aan te vangen.”
“Konden! Zeg liever zouden. Er zijn misschien geluksdagen, maar Vrijdag is er geen.”
“Dat weet elke gek. Ik geloof niet, dat jij de eerste bent, die dat uitgevonden hebt, Huck.”
“Nu, ik heb niet gezegd dat ik het was, heb ik wel? En het is niet alleen omdat het Vrijdag is; ik heb van nacht akelig gedroomd ook,—van ratten.”
”’t Is toch niet waar? Een zeker teeken van naderend onheil! Vochten zij?”
“Neen.”
“Dat is tenminste nog een zegen, Huck. Wanneer zij niet vechten, is het alléén maar een teeken dat er een onheilkankomen. We behoeven dus niets te doen dan scherp toe te kijken en ons niet in gevaar te begeven. Wij zullen het graven vandaag maar laten en liever gaan spelen. Ken je Robin Hood, Huck?”
“Neen, Wie is Robin Hood?”
“Wel, hij was een van de grootste mannen van Engeland en van de beste ook. Hij was een roover.”
“Heerejé, ik wou dat ik hem was. En wat heeft hij gekaapt?”
“Alleen maar bisschoppen en rijke lui en koningen en zulk volk. Maar hij plaagde de arme lui nooit. Hij had ze lief en deelde alles eerlijk met hen.”
“Zoo, dan moet hij een beste kerel geweest zijn!”
“Waarachtig was hij dat, Huck. Hij was de grootmoedigste man, die ooit heeft bestaan. Je hebt tegenwoordig zulke lui niet meer, daar ben ik zeker van. Hij kon, met zijne handen achter zijn rug gebonden, elken Engelschman afranselen, en met zijn boog van taxishout, op anderhalve mijl afstand, een stuivertje doorboren, zonder ooit te missen.”
“Wat is een boog van taxishout?”
“Dat weet ik niet. ’t Is een boog, dat is zeker. En als hij het geldstuk een enkelen keer aan den kant raakte, danraasde en tierde hij als een kind.—Kom laten wij Robin Hood spelen; ’t is een prettig spel. Ik zal het je leeren.”
Ze speelden den geheelen middag Robin Hood, terwijl zij nu en dan een verlangenden blik op het spookhuis wierpen en spraken over de plannen en vooruitzichten voor den volgenden dag. Toen de zon in het westen onderging, wandelden zij langs de breede schaduwen der boomen naar huis en waren in de bosschen van Cardiff Hill spoedig uit het gezicht verdwenen.
Zaterdagmiddagwaren de knapen weder bij den dooden boom.
Eerst zaten zij in de schaduw een poosje te rooken en te babbelen en gingen toen het gemaakte gat weder opgraven. Zij deden dat, niet omdat zij groote verwachtingen hadden, maar alleen omdat Tom gezegd had, dat het dikwijls gebeurd was, dat menschen, toen zij den schat tot op een duim na bereikt hadden, het opgegeven hadden, en dat er toen anderen gekomen waren, die met één stoot van de spade hem te voorschijn hadden gehaald.
Hun streven mislukte echter ditmaal en ze namen daarom hun gereedschap maar weder op en gingen heen, niet met de gedachte dat zij met de fortuin een loopje hadden genomen, maar in de overtuiging dat zij aan alle voorwaarden, aan het delven naar schatten verbonden, hadden voldaan.
Toen zij het spookhuis naderden, was er iets zoo akeligs en huiveringwekkends in de doodelijke stilte onder de brandende zon en iets zoo neerdrukkends in de eenzame, verlatene plaats, dat zij een oogenblik bang waren om binnen te gaan. Zij kropen naar de deur en keken bevend door een reetje. Zij zagen een met onkruid begroeide, van vloer beroofde kamer, zonder behangsel, met een ouderwetsche haardstede, vensters zonder gordijnen en een bouwvallige trap, en overal flarden van spinnewebben. Toentraden zij met versnelden polsslag, fluisterende stem, gretige ooren en gezwollen spieren binnen, gereed om desnoods onmiddellijk weder den aftocht te blazen.
Een oogenblikje later, toen hun blik aan de huiveringwekkende omgeving was gewend, verminderde hun angst en namen zij de plaats nauwkeuriger op, vol verbazing en verwondering over hun eigen stoutmoedigheid. Daarop wilden zij boven een kijkje nemen. ’t Had iets van zich den terugweg af te snijden, maar zij zagen elkander met moedige blikken aan en kwamen tot een kloek besluit om hun gereedschap in een hoek te werpen en de trap te beklimmen. Boven vertoonden zich dezelfde teekenen van verval. In een donkeren hoek vonden zij een kabinetje, dat iets geheimzinnigs beloofde; doch die belofte bleek ijdel te zijn, want het was ledig. Zij hadden thans moed verzameld en waren gereed hunne onderneming door te zetten. Juist toen zij naar beneden wilden stappen om aan het werk te gaan, zeide Tom: “Stil!”
“Wat is er?” fluisterde Huck, bleek van schrik.
“Stil! Daar! Hoort gij het?”
“Ja, O, heer! Laat ons wegloopen!”
“Houd je stil! Beweeg je niet! Zij komen naar de deur toe.”
De jongens gingen plat op den grond liggen en keken door de openingen tusschen de planken, in doodangst afwachtende wat er gebeuren zou.
“Zij houden stil,” fluisterden zij eindelijk.
“Neen—zij komen! Hier zijn zij! Geen woord meer, Huck. Goede hemel, ik wou dat ik er uit was!”
Twee mannen traden binnen. De knapen dachten:
“Dit is de oude, doofstomme Spanjaard, die onlangs een paar malen in de stad is geweest, en den anderen man heb ik nooit gezien.”
De andere was een havelooze bandiet, ongekamd en ongeschoren, met een hoogst ongunstig uiterlijk. De Spanjaard was in eeneserapegehuld; hij had zware, witte bakkebaarden, lang wit haar, dat golvend onder zijn hoofddeksel te voorschijn kwam en hij droeg groene ooglappen. Toen zij binnentraden, begon de “andere” heel zacht te spreken. Zij zetten zich op den grond neder, het gelaat naar de deur gekeerd en met den rug tegen den muur, en de “andere” hervatte zijn gesprek. Hij werd iets minder omzichtig in houding en gebaren en zijne woorden werden gaandeweg duidelijker.
“Neen,” zei hij, “ik heb er goed over gedacht en ik heb er geen zin in: het is gevaarlijk.”
“Gevaarlijk?” gromde de doofstomme Spanjaard, tot verbazing der knapen. “Gevaarlijk, melkbaard?”
Deze stem deed de knapen beven en naar adem snakken. Het was die van Injun Joe!
Er volgde een oogenblik van stilte, waarop Joe hernam:
“Wat kan gevaarlijker zijn dan die karwei van daarginds—en er is toch niets van gekomen.”
“Dat was heel wat anders. Dicht bij de rivier en geen enkel huis in de nabijheid. ’t Zal nooit bekend worden, dat wij het beproefd hebben, vooral niet daar het mislukt is.”
“Wel, wat kan gevaarlijker zijn dan over dag hier te komen? Ieder, die ons ziet, kan argwaan krijgen!”
“Dat weet ik, maar er was geen andere plaats geschikt na die malle karwei. Ik hunker er naar dit hol te verlaten. Ik wou gisteren al gaan, maar er was geen denken aan zich buiten te wagen, met die helsche jongens, die bij den heuvel speelden.”
De “helsche jongens” beefden bij dit gezegde en dachten hoe gelukkig het was, dat zij zich herinnerd hadden dathet Vrijdag was en dat zij tot het besluit waren gekomen een dag te wachten. Zij wenschten in hun hart, dat zij het een jaar hadden uitgesteld.
De twee mannen haalden eenig voedsel voor den dag en begonnen te eten. Na eenige oogenblikken van stilzwijgen zeide Injun Joe:
“Kijk eens, jongen: ga jij naar de rivier, waar je behoort, wacht daar totdat je van mij hoort. Ik zal het er op wagen nog wat hier in de stad te blijven om den boel op te nemen. Wij zullen dat gevaarlijke karweitje ondernemen, als ik alles goed bespionneerd en bemerkt heb dat de kansen goed staan. En dan naar Texas. Wij zullen eerlijk samen deelen.”
De andere was met dit plan tevreden.
Onderwijl raakten de beide mannen aan het gapen en Injun Joe zeide:
“Ik ben dood van den slaap! ’t Is jouw beurt om te waken.”
En hij rolde zich in het onkruid en begon te snorken. Zijn metgezel stootte hem een paar malen aan en hij werd rustig. Daarop begon de waker te knikkebollen; zijn hoofd zonk lager en lager en beiden hieven thans een duo van snorken aan.
De knapen haalden dankbaar adem. Tom fluisterde:
“Nu de kans waarnemen, kom!”
Huck zeide: “Ik kan het niet doen;—Ik zou sterven, indien zij ontwaakten.”