§18. Eene byzondere groep van geslachtsnamen wordt geformd door die patronymika, welke achter den uitgangingnog het aanhangselson,senof eene enkelesvertoonen. Diesis hier anders niet als het kenmerk van den tweeden naamval waarin het woord of de naam staat. Het zijn dus namen die te gelijker tijd de kenmerken vertoonen der oude en der nieue patronymikale formen; zie §4, 5 en 6. In taalkundig opzicht kunnen zy ter nauer nood verdedigd of goedgekeurd worden. In hunnen hedendaagschen, dubbelen form zijn zy ongetwyfeld ontstaan in den tijd toen men de beteekenis van den uitgangingniet meer kende, dien uitgang niet meerverstond. Dat ontstaan moet verklaard worden op deze wyze: een man heetteLeenderten droeg den toenaam vanHemming, een oud patronymikon, ontleend aan den vóórnaam van zynen stamvaderHemmo. De vader, grootvader en nog menig oudvader vanLeenderthadden allen reeds dat patronymikon als vaste toenaam gedragen. Door de eene of andere byzondere omstandigheid, misschien ter onderscheiding van andere mannen in de onmiddellike omgeving vanLeendert Hemming, die eveneensLeendertheetten, werd onze man in het dageliksche leven door zyne buren, vrienden en verdere tijdgenooten niet by zynen voornaamLeendertgenoemd, zoo als anders gebruikelik was, maar by zynen toenaamHemming. Weldra kende byna niemand hem anders als by den naamHemming, en raakte zijn voornaamLeenderthaast geheel vergeten.Hemming’szoonRutgerdie in den tijd leefde toen de gewoonte in zwang kwam om den voornaam van den vader, in den tweeden naamval, met of zonderzoondaar achter, den zoon als toenaam te geven,—Hemming’szoonRutgernoemde zich dien ten gevolge dan ook nietRutger Leenderts zoon, ofRutger Leendertssen, ofRutger Leenderts, zoo als het volgens recht zijn moest, maarRutger Hemming’s son(zoon). Hy maakte zich een patronymikon als toenaam, naar de gewoonte van den tijd waarin hy leefde. Echter niet van zijn vaders voornaam, maar van het oude patronymikon dat eigenlik zijn vaders toenaam was,ofschoon het in de plaats van den voornaam gebruikt werd. En de kinderen vanRutger Hemmingson(de twee letterssvanHemmingsson, in d’ uitspraak niet afzonderlik te hooren, smolten in geschrifte al spoedig tot eenessamen) behielden hun vaders toenaam ook als hunnen toenaam aan. En zoo werd in verloop van tijd datHemmingsoneen vaste geslachtsnaam, zoo als het nog heden is. In plaats van ditsonofzooner achter te voegen, nam men het vaderlike patronymikon ook wel eenvoudig in den tweeden naamval als toenaam aan. En zoo kwam b.v. van het oude patronymikonAlink, de toenaamAlinks(voluit desAlinkszoon), nog heden als geslachtsnaam by ons voorkomende. Strikt genomen wilHemmingsonzeggen: zoon van den zoon vanHemme; enAlinks, zoon van den zoon vanAle. Men gevoelt dat deze naamformen eigenlik monsters, misbaksels zijn, in strijd met het wezen der taal. Zy konden dan ook slechts gemaakt worden en in gebruik komen, toen men de oude patronymika niet meer verstond; toen het volk niet meer wist datHemmingenAlinkreeds zoon vanHemme, zoon vanAlebeteekenden; toen men de kracht van datingniet meer gevoelde.HemmeenAle, waar van bovengenoemde patronymika ontleend zijn, komen by de hedendaagsche Friesen nog dikwijls als mansvóórnamen voor.Zulke dubbelde patronymika zijn niet aleen in de Nederlanden, maar evenzeer in Engelland, en ook wel in Duitschland, vaste geslachtsnamen geworden.—Zie hier eenigen, die nog heden als nederlandsche maagschapsnamen in gebruik zyn:Beerlings, Bennigsen(oorspronkelikBenningsson, Benning’s son, zie bl. 28).13Deze patronymika zijn ook allen weêr van mansvóórnamen afgeleid, waar van eenigen nog in gebruik zijn:Bruno, Otto. Anderen komen nog in Friesland voor:Boie, Benneenz.Eldertis ook nog bekend. EnThiadbern, waarTjaberingsvan afkomt, is een oud-friesche mansnaam, die voor een paar eeuen nog in de friesche streken tusschen Eems en Weser voorkwam. De overige namen kan men inFörstemann’sNamenbuchnasporen.§19. Als in eenig woord eeneken eenesonmiddellik op elkanderen volgden, dan vervingen de oude Nederlanders, in hun schryven, die twee letters meestal door eenex. Zoo schreven zy b. v. de woorden:des konings brug,des koninks brugge, alssconincx brugghe;monniks-kleêrenalsmunnicx ghewaed. Ook by ’t boekstaven hunner eigennamen handelden zy zoo, en schrevenFeddrixmaenHaaxbergen, welke namen wy tegenwoordig beter alsFeddriksmaenHaaksbergenspellen. In sommige eigennamen bleef diextot den dag van heden in gebruik; b. v. in den frieschen geslachtsnaamBlinxma, dat isBlink-sma, en beteekent: zoon vanBlinke. Deze naam is weêr een verkleinform (Blin-ke) van den oorspronkeliken mansvóórnaamBlin, die byFörstemannalsBlion, Bliunvoorkomt. Verder in de friesche plaatsnamenBoxum, Waaxens, enz. Ook schreef men voor weinig jaren nog algemeenBoxtel, Axel, Nibbixwoud; thans meerBokstel, Aksel, Nibbikswoud, zoo als ’t ook beter is. Vooral in de zuidelike Nederlanden zit diexin menige eigennaam nog vast in den zadel; b.v. inDixmude, Exaerde, Sint-Antelinckx, namen die men in de nieuste spelling ook alsDijksmuiden, Eksaarde, Sint-Antelinksboekstaaft. En zoo vinden wy in de zuidelike Nederlanden, vooral in Vlaanderen, die geslachtsnamen, welke eigenlik zijn opink(inck,ynck) eindigende patronymika, in den tweeden naamval, meestal met eenexgeschreven; b. v.Bollinckx, Bruyninckx, Cnapelinckx,Daggelinckx,14enz. Ook deze patronymikale geslachtsnamen zijn natuurlik allen weêr aan mansvóórnamen ontleend. Het zuidnederlandscheBruyninckxverschilt slechts in spelling van het noordnederlandscheBruinings, maar komt er in oorsprong en beteekenis volkomen mede overeen. De maagschapsnamenDuerinckxenTuerlinckxstammen af van eenen en den zelfden mansvóórnaam; namelik vanDure, Ture, Thuro. Deze naam was reeds by de Gothen in gebruik—immersThurowas een gothische bevelhebber—, en ook het landThüringenin Duitschland ontleend zynen naam van dien mansvóórnaam.Tuerle, de naamsform die aan het patronymikonTuerlinckxten grondslag ligt, is oorspronkelik anders niet als een verkleinform (Turlyn) vanTure. Ook in Friesland treffen wy dezen ouden mansvóórnaam nog aan in geslachts- en plaatsnamen. Te weten in de geslachtsnamenDuursma, Duursema, DuringenDuurs, nevensDürigenenVon Düringsfeldtin Duitschland. Verder inDuurswolde, zoo als een dorp heet in Opsterland (Friesland), en eene landstreek in Fivelgo (Groningerland).Düringenis de naam van een dorp by Bremen. Van den verkleinformDuurke(het zelfde alsTuerle, maar in andere gouspraak) stamt de groninger geslachtsnaamDuurkens, en de plaatsnaamDuurkenakker, een gehucht by Muntendam in Groningerland. De geslachtsnamenCnapelinckx, Hebbelynckx, Ratinckx, of liever de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, zijn op bl. 41, 42 en 37 reeds besproken.HellynckxenHellinckxhebben hunne tegenhangers in de friesche patronymikale geslachtsnamenHellingaenHellenga. Verder inHellynck, Hellink, HellingenHellings, en in den samengestelden maagschapsnaamHellinghuizer. Al deze patronymika zijn afgeleid van den oud-germaanschen mansvóórnaamHello, die inFörstemann’sNamenbuchvermeld wordt, en die tevens oorsprong gaf aan vele andere geslachts- en plaatsnamen. Te weten aanHellemaenHelma, HellenenHelles; aanHellum, een dorp in Fivelgo, en aanHelwert, een gehucht by Rottum in Hunsego, beide in Groningerland; aanHellingen, een dorp in Luxemburg; aanHellinghen, een gehucht by Hérinnes-lez-Enghien in Henegou; aanHellinghillin Northumberland (Engelland); aanHellinghausen, een dorp by Lippstadt in Westfalen, enz. InSnellinxen in ’t eveneens voorkomendeSnellingsvinden we het patronymikon van den oud-germaanschen, in Friesland nog een enkele keer voorkomenden mansvóórnaamSnello, Snel, die ook oorsprong gaf aan de geslachtsnamenSnellenenSnellens, en, in verkleinform, aanSneltjes, alle drie tweede-naamvalsformen, en zoon vanSnellobeteekenende. Ook aan de plaatsnamenSnelleghem(dat is eene samentrekking vanSnelling-hem, Snellinga-heim) een dorp in West-Vlaanderen, enSchnellingen, een dorp byHasslachin Baden. Eenen tegenhanger vanden vlaamschen geslachtsnaamSurinxvinden wy in den frieschen, in Groningerland inheemschen geslachtsnaamSuringa. Verder inSühring, dat ik te Bremen vond; in het gelderscheSurink; in ’t afgesletene, te Antwerpen voorkomendeSuerickx(dat is oorspronkelik ookSuerincks); en hoogst waarschijnlik ook in het nog meer versleteneSuryenSurie. In den samengestelden geslachtsnaamSuringbroekkomt dit patronymikon almede voor. EnSürenenSuersen, namen van buitenlandschen, westfaalschen en noordfrieschen oorsprong, maar die ook in Nederland voorkomen, zijn eveneens patronymika van den ouden, buiten gebruik gestelden mansvóórnaamSuur, Sure. Deze naam is slechts eene samentrekking van den vollen formSuder,Sudhari, een oud-germaansche mansnaam, die blykens de hedendaagsche friesche geslachtsnamenZuidermaenZuidersmaoudtijds ook door Friesen gedragen werd. De stamform van den mansnaamSudhari(Suder, Sure) isSudo, die inFörstemann’sNamenbuchvermeld wordt, en oorsprong gaf aan de friesche geslachtsnamenSudinga(in Oost-Friesland inheemsch),Zuidinga(in Drente),Suiding, Suydema, SuidemaenZuidema, allen patronymika. Het patronymikon van den mansnaamSudharvind ik reeds in de middeleeuen, ook in Vlaanderen;Laureins Zuerincwas een poorter van Brugge, ten jare 132015.In eene oude oorkonde vind ik nog dat ten jare 1328 zekereJan Geylincxburger was der stede Geraertsbergen in Vlaanderen. Dat jaartal moet ongeveer de gemiddelde tijd voorstellen waarin deze zonderling geformde dubbelde patronymika eerst opgekomen zijn. In de zuidelike Nederlanden mag dit ook nog wel eene eeu vroeger voorgekomen wezen, even als in de noordelike gewesten eerst een honderdtal jaren later.§20. Eene kleine groep van geslachtsnamen wordt geformd door eenige oude patronymika, die vóór den oorspronkeliken mansvóórnaam, waarvan zy afgeleid zijn, nog een voorvoegsel vertoonen, bestaande uit de woordengrootofklein,oudofnieu. B. v. de geslachtsnamenGrootnibbeling, Kleinstarink, Oudewesseling,Nyemanting, ook wel, en beter,Groot-Nibbeling, Klein-Starink, Oude-Wesseling, Nye-Mantinggeschreven. Deze geslachtsnamen zijn niet onmiddellik ontleend aan patronymika, die als toenamen van personen in gebruik waren, zoo als dit met alle andere tot hier toe vermelde patronymikale geslachtsnamen wel het geval is. Zy zijn onmiddellik ontleend aan de namen van boerenerven of hoeven; en eerst in de tweede plaats of middellik aan de oude patronymikale toenamen der geslachten welke deze erven in eigendom bezaten en bewoonden. Zie bl. 23. Het ontstaan dezer geslachtsnamen had op de volgende wyze plaats. De boerGerlof Eitinge, die zynen patronymikalen toenaam ontleende aan den naam van zynen voorvaderEite, en die, even als zyne voorouders, geslachten en geslachten vóór hem, het erveEitinge, zoo genoemd naar den eigenen toenaam van zijn geslacht, in eigendom bewoonde,—die drentsche boerGerlof Eitingehad twee zoons. De oudste daar van erfde, naar vaste zede, die voorouderlike bezitting. Maar, ten einde den jongsten zoon, wien hy misschien eene byzondere liefde toedroeg, eenigszins schadeloos te stellen, nam de oudeGerlofnog by zijn leven een deel van de landeryen af van het oude erve, boude daar op een huis, en schonk dit nieue gedeelte dien tweeden zoon. Nu waren er twee afzonderlike landhoevenEitingenaast elkanderen; beiden ook door eenenEitingebewoond. Niets natuurliker dus, dan dat men, ter onderscheiding, het eene, het oorspronkelike erve met den naamGroot-Eitingenoemde, en aan het andere den naamKlein-Eitingegaf. En deze namen gingen van de hoeven weêr zeer gereedelik over op de bewoners er van, die beiden oorspronkelik reedsEitingenwaren, maar nuAlbert GerlofsGroot-EitingeenMeindert Gerlofs Klein-Eitingegenoemd werden. Of een andere (ditmaal een geldersch- of liever zutfensch-saksische boer, noemen we hemGarrit Bekkink) ontgon een heideveld dat aan zyne landeryen paalde. Hy boude daar een huis, en richtte alles tot eene nieue hoeve in, voor eenen zyner zonen, om de zelfde reden als boven opgegeven is. Natuurlik moest die nieue hoeve ook den ouden naamBekkinkdragen; ze was immers, als ’t ware, een uitvloeisel van het oude erveBekkink, en werd ook door eenenBekkinkbewoond.Maar ter onderscheiding noemde men het eene erveOud-Bekkink, het andereNieu-Bekkink, en ook deze namen gingen weldra op de bezitters dier hofsteden en op hun nageslacht als vaste toenamen over.Het getal dezer eigenaardige geslachtsnamen is niet groot, en zy zijn slechts in de saksische gouen van ons land, in Drente, Twente en de graafschap Zutfen inheemsch. In Friesland komen oude patronymika, met de voorvoegselsoudennieu,grootenklein, en door de zelfde of soortgelyke oorzaken, als hier boven vermeld is, in het leven geroepen, ook wel voor als namen van staten en saten, van edelmans- of boerenerven; b. v.Groot-Aysma, Klein-Donia, Oud-HemmingaenNy-Hemminga, enz. Maar zulkeplaatsnamen, met die voorvoegsels verbonden, zijn dáárnooitals toenamen vanpersonenin gebruik gekomen, noch tot vaste geslachtsnamen geworden, zoo als in de saksische gouen wel het geval geweest is.De volgende geslachtsnamen stellen deze groep samen:Olden-Banning, Nyen-Banning, Ool-Bekkink.16De formenoldennyin deze namen, in plaats vanoudennieu, geven getuigenis van het volk van saksischen stam, waar by deze namen eerst ontstonden.—Ool, byOol-Bekkink, beeldt de eigenaardige uitspraak af van het woordold, zoo als dat by eenige saksische stammen, aan de oostelike grenzen van ons land gezeten, gebruikelik is; zie §156.Al deze patronymika zijn weêr van oud-germaansche mansvóórnamen ontleend. By de namenOlde-Bronninge, Ny-Hoving, Olden-Huisingzoude men misschien wel aan eene oude bron of put, aan een nieu hof of een oud huis denken. Toch schuilen ook in deze namen echte mansvóórnamen.HuisingvanHusois op bl. 29 en 30 reeds besproken.BronningeenHovingkomen vanBronnoenHove, Houe, Haue, namen die in Friesland nog in gebruik zijn, en waarvan ook de friesche patronymikale geslachtsnamenBronninga, HovingaenHovengaontleend zijn, metBronnema, Bronkema, Bronsema, Brondsema, BrontsemaenBrons, HovingenHofma.Opmerkelik, maar gemakkelik te verklaren is het dat men, naast bovengenoemde samengestelde patronymika, ook de enkelvoudige formen dier namen als geslachtsnamen in gebruik vindt. Zoo bestaan in Drente, nevensOlden-enNyen-Banning, Nye-Manting, Ny-Hoving, Ny-Huising, Olden-WeningenOlden-Wavingde geslachtsnamenBanning, Manting, Hoving, Huising, WeningenWaving. Elders weêr nevensOol-Bekkink, Klein-Bentinck, Klein-Budding, Olde-Dubbelink, Klein-StarinkenKlein-Ubbinkde enkelvoudige namenBekkink, Bentinck, Buddingh, Dubbelink, StarinkenUbbink.Dubbelink, in Friesland alsDubblingavoorkomende, is een patronymikon, waar van de oorspronkelike mansvóórnaam niet zoo gemakkelik aan te wyzen is. Die oorspronkelike naam isDietboltin oud-saksischen,ThiebaldofThiebautin oud-frankischen form; voluitTheodbald. Door verzachting en afslyting is die naam in den loop der eeuen by het nederlandsche volk totDubbelt, Dubbel, Dobbelgeworden. In Friesland komt hy nog heden ten dage in den formDubbelt, als mansnaam voor.Dubbelink(ook eene havesate in Twente draagt dien naam) is dus een versletene form van ’t oorspronkelikeTheodbalding.§21. Naast deze groep van patronymikale geslachtsnamen met eenvoorvoegsel, bestaat er ook eene groep van zulke namen waar een aanhangselachtergevoegd is, en wel ’t een of ander gemeen-zelfstandig naamwoord, meestalhuisofhof. Een huis of eene landhoeve, die soms eeuen lang door één en het zelfde geslacht in eigendom bezeten en bewoond is, neemt gereedelik den naam van dat geslacht als eigennaam aan, en wordt danMeininghuisgenoemd ofRogerinkhof, naar de geslachtenMeiningofRogerink, waaraan ze toebehooren. Kwam nu ditMeininghuisof ditRogerinkhoflater in andere handen, en wel van iemand die b. v. slechtsEvert Janszoonheette, maar die geen afzonderliken geslachtsnaam had, dan ging de oude naam van huis of hof wel op den nieuen eigenaar over, en werdhy weldraEvert Jansen MeininghuisofEvert Jansz. Rogerinkhofgenoemd, welke naam dan later tot een vaste familienaam van zijn nageslacht werd.Deze patronymikale geslachtsnamen met een achtervoegsel zijn dus, even als die van de voorgaande groep, eigenlik plaatsnamen en slechtsmiddellikaan eenen mansvóórnaam ontleend, even als dezen.Talrijk zijn deze geslachtsnamen in de Nederlanden niet. In Duitschland komen zy meer voor; b. v.Ellinghaus(alsVan Ellinckhuyzenin Nederland voorkomende),Bellingrath, Collinghorst. En nog veel meer in Engelland:Bolingbroke, Carlingford, Paddington, Elkingham. De volgenden zijn my in de Nederlanden voorgekomen:Barlinckhoff, Bruyninghuys, Bruininkweerd.17Deze namen zijn allen met ware patronymika samengesteld, die wel geen naderen uitleg behoeven, na alles wat daaromtrent reeds is medegedeeld. De byzondere schrijfwyze van den naamGussenklo, die op redelike gronden niet verdedigd worden kan, dankt haar ontstaan aan den wensch om de lettergrepen van dezen naam wel te onderscheiden, om wel te doen uitkomen dat hetGussenk-lois (Gussink-looware nog beter), en niet iets anders, b. v.Gussen-klo; wat trouens ook geen verstandig mensch zal meenen. Zie bl. 33.§22. Eene kleine groep van nederlandsche geslachtsnamen omvat oude vadersnamen met eenen latynschen uitgang. Van dezen noemen wy:Gardingius, Grevinchovius, Hachtingius.18—Grevinchoviusis verlatynscht vanGrevinkhof, een geslachtsnaam tot de voorgaande groep behoorende. OverHachtingiuszie men bl. 34; overHallungiusbl. 36 en 42.Hundlingiusheeft den oud-germaanschen mansvóórnaamHundo, Hunt, Honttot oorsprong, en wel in verkleinform alsHundle, Hondelyn. VanHundle, Hondelezijn ook nog de geslachtsnamenHondelink, HündlingenHondela, de twee laatsten in Oost-Friesland voorkomende, afgeleid. En van den mansnaamHuntin zynen oorspronkeliken form: de geslachtsnamenHondingain Groningerland (Hondinga-sateis te Pieterburen in Hunsego), misschien ook het verlatynschteHondiusin Holland,Huntingin Friesland en Engelland, metHundingenHuntingtoneveneens in Engelland. En van de zeer talryke plaatsnamen van dezen ouden mansnaam afgeleid, noemen we slechtsHondeghem(Hondinga-heim), een dorp in Fransch-Vlaanderen;Hunting, een dorp in Lotharingen;Huntingdonin Engelland;Hündlingen, een dorp in den Elsasz, enz.§23. In de oude friesche taal gaan vele woorden, die in de andere nederlandsche talen en tongvallen, ’t zij dan saksische of frankische, op eene toonloozeeeindigen, of ook zonder openen uitgang zijn, op eeneauit. Zoo luidt ook de uitganging(inge,ink) der vadersnamen, die overigens aan alle nederlandsche gouspraken, ja aan alle andere germaansche talen eigen is, in het Friesch alsinga. En dezeais ook geheel het eenige wat de friesche patronymika onderscheidt van andere vadersnamen, in de andere nederlandsche gewesten voorkomende. Even als dezen zijn de friesche patronymika louter van mansvóórnamen, natuurlik meest van friesche mansvóórnamen afgeleid. Even als dezen komen ze ook heden ten dage voor in verschillende spellingen, en op verschillende wyzen saamgetrokken of versleten. Ook zijn de friesche vadersnamen van zeer ouden oorsprong. Reeds in de 9deeeu vinden wy het geslachtCammingha, nog heden bestaande, vermeld. Intusschen zulke patronymika zijn ongetwyfeld nog veel ouder.De oude friesche patronymika zijn in grooten getale als hedendaagsche geslachtsnamen in leven en gebruik gebleven. Zy zijn over de geheele hedendaagsche provincie Friesland verspreid. Tot dat gewest uitsluitend beperkt, zijn zy echter geenszins. Even als de andere friesche opaeindigende geslachtsnamen (nieuere patronymika en andere formen) komen ze even zeer voor in de oud-friesche landstreken tusschen Lauers en Eems en Weser, in het hedendaagsche Groningerland en Oost-Friesland. Daar zijn deze namen van ouds her even zoo inheemsch en volkseigen als bewesten Lauers. In laatstgenoemdelandstreek (het nederlandsche Friesland) zijn ze niet gelijkmatig over het geheele land verspreid. In Oostergo en Westergo komen zy veel talryker voor dan in de Zevenwouden.Hier volgen eenige oud-friesche vadersnamen, die allen den zuiveren ouden form opingaeindigende, vertoonen:Abbinga, Benninga, Bottinga19. Deze namen komen, met zeer vele anderen soortgelyken, nog heden als geslachtsnamen in de friesche landstreken van Nederland voor, en zijn ook allen ontleend aan mansvóórnamen, die nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. B. v. aanAbbe, Benno(Binne) (zie bl. 28),Botte, Gau(meest in verkleinform alsGauke, Goukevoorkomende),UbboofObbe, enz.Eenige friesche geslachtsnamen opingauitgaande, stammen van mansvóórnamen af, die geenszins zoo gemakkelik zijn aan te wyzen als by de bovenvermelde namen het geval is. De mansnamen waar de volgende vadersnamen van zijn afgeleid, komenofslechts in zeer versletenen form voor,ofze zijn by de Friesen in het geheel niet meer in gebruik. Zulke geslachtsnamen zijn b. v.Eckringa, FolkeringaenFolkringa, Kleveringa enCleveringa20.Eckringais voluitEckhardinga, en afgeleid van den mansnaamEkhart, Ekkehart, Eckart, die in Duitschland nog wel in gebruik is.—Folkringais oorspronkelikFulkhardinga, vanFulkhart, Folkert.—KleveringaenCleveringais saamgetrokken en versleten vanKlefhardinga, het friesche patronymikon van den oud-germaanschen mansnaamKlefhart, Cleffehart, die weêr eene samenstelling is van den nog ouderen enkelvoudigen naamCleffo, Claffoen van den naamstamHart. Even alsFulkhart(Folkert) vanFulco(Folke) enHart; Ekhart(Ekkert) vanEkke, EccoenHart; Rikhart(Richard, Rykaert) vanRicoofRijkenHart. Hoe oud die naamCleffoofClafforeeds is, kan men inFörstemann’sNamenbuchopzoeken. Hy was reeds by de Longobarden in gebruik. ImmersClaffo, zoo heette de zesde, enCleph(’t welk de zelfde naam is in eene andere spelling), de elfde koning van dat oud-germaansche volk. Ook de beteekenis van dezen naam leertFörstemannte zoeken in het oud-hoogduitsche woordklaphôn, in het oud-noordsche woordklappa, waar het begrip vanslaan,stootenin ligt opgesloten, en waar ook het woordanaklaf, dataanvalbeteekent, van afgeleid is. Die oude woorden hebben dus eene krijgshaftige beduidenis. Maar ook het hedendaagsche woordkleven, ofschoon nu slechts in eene zeer gewyzigde beteekenis in gebruik, zal er wel oorspronkelik mede samen hangen. Van den mansnaamKlefhart, Klevertzijn niet enkel de twee bovengenoemde byzonder-friesche patronymika ontleend, maar ook de vadersnamen in algemeenen formKleveringenClevering, benevens het nog meer samengetrokkeneCleringaenKlering, alle vier nog hedendaagsche geslachtsnamen. Opmerkelik is het dat al deze zes zoo na verwante geslachtsnamen in Groningerland inheemsch zijn. Zeer waarschijnlik stammen al deze nu verschillende geslachten van één en het zelfde oorspronkelike geslachtKlefhardingaaf, en dus ook van één en den zelfden stamvaderKlefhart, die dan de eerste grondvester was van de sateCleveringa-heertte Uithuizen in Hunsego. Het schijnt dat een tak van dit oud-friesche geslacht, of misschien een enkele man er van, deelgenomen heeft aan den gemeenschappeliken uittocht van Angelen, Saksen en Friesen naar Groot-Brittanje. Wy vinden althans dit zelfde patronymikon, in den formClavering, nog heden ten dage als de naam van een engelsch geslacht. VanCleffois de hedendaagsche geslachtsnaam (friesch patronymikon in nieueren form)Kleefsmaook afkomstig, en van den verkleinformKleefkedegeslachtsnaamKleefkens. Deze zelfde mansnaam gaf ook oorsprong aan den plaatsnaamKleffens(dat is waarschijnlik eene samentrekking vanKleffingen), zoo als een gehucht heet by ’t dorpke Raart in West-Dongeradeel by Dokkum. En weêr door middel van dien plaatsnaam aan den naam van het in Oostergo gezetene geslachtVan Kleffens, waar van de voorouders, omstreeks het midden der vorige eeu, als landeigenaars op de sateKleffenswoonden, en toen dien geslachtsnaam aannamen. Nog zijn my als plaatsnamen,aan den mansnaamKlefhartontleend, bekend:Cleverns, een dorp in Jeverland (Oldenburger Friesland);Klieverink, eene havesate by Oldenzaal in Twente, enKleverskerke, een dorp op ’t eiland Walcheren.Dat de geslachtsnaamVitringahet patronymikon is van eenen mansvóórnaam die niet slechts tot onkenbaarheid toe versleten en ingekrompen, maar die tevens verkeerd gespeld is, blijkt uit de letterv, waarmede deze naam begint. Dievis, als beginletter van eenig woord, in de friesche taal volkomen onbekend. De Friesen kunnen die letter opdieplaats in het geheel niet uitspreken. Als beginletter spreken zy, en schryven dus zeer te recht ook, eenef, waar de Hollanders en andere Nederlanders eenevnoemen; nederlandschvrede= frieschfrede; nederl.vel= fr.fel, enz. Maar zoo wyVitringaal totFitringamaken, dan komen we geen stap nader tot oplossing van de vraag, welke mansvóórnaam ten grondslag ligt aan dezen vadersnaam. Liever verwisselen we dus die onmogelikevmet eenew, en denken dat misschien een geleerde man, uit dit geslacht gesproten, drie eeuen geleden, zynen naamWitringatotVitringaheeft verlatynscht. Die germaanschewimmers is geen latynsche letter, maar werd wel, waar men een germaansch woord dat onmogelik vertaald kon worden, in het Latyn wou schryven, met eenevverwisseld. EnWitringais, door vergelyking metEckringavanEkkehartenFolkringavanFulkhart(zie bl. 54) te verklaren alsWithardinga, het patronymikon vanWithart, of alsWitheringa(deehaast niet te laten hooren) het patronymikon vanWither, Witheri, oud-germaansche mansvóórnamen.ByKruisinga, Musschenga, Plantingazou men oppervlakkig eerder denken aan eene afleiding van de gemeen-zelfstandige naamwoordenkruis,muschenplant, dan aan mansvóórnamen. Dat echter ook deze geslachtsnamen echte patronymika zijn, aan mansnamen ontleend, lijdt by my geen twyfel, al kan ik dan die oorspronkelike mansnamen uitvinden noch aantoonen. OverMusschengaenMuischengahebben de heerP. LeendertzWz. en ik zelve in het tijdschriftDe Navorscher, dl. XXVII, bl. 78 en 80, en dl. XXVIII, bl. 75, het een en ander te berde gebracht. Om herhaling en te groote uitvoerigheid te myden, verwijsik den belangstellenden lezer dus dáár heen.—DatPlantingaenKruisingaware oude vadersnamen zijn, blijkt my uit zoo menige andere nederlandsche geslachtsnaam, die van den zelfden mansvóórnaam afgeleidmoetzijn. Nu er zoo vele geslachtsnamen (oude en nieue patronymika in allerlei formen) bestaan, waaraan dit zelfdeKruseenPlantten grondslag ligt, kan het niet missen of dit zijn in der daad mansvóórnamen geweest. Die geslachtsnamen zijnKruizenga, slechts in spelling vanKruisingaverschillende, even alsKruisinkenKruissink. De naamKruisingawordt in de friesche streken van ons land natuurlik alsKrusingauitgesproken, en in de friso-saksische en Saksische alsKroesinga, eigenlikKrusingamet hoogduitscheu. Van daar dat in Drente deze geslachtsnaam in den formKroezingavoorkomt. Verder de patronymika (in nieueren form) †Cruisema(het huisCruisemais by Hoogkerk in het Westerkwartier van Groningerland),KruysseenCruyce.—BehalvePlantinga, PlantengaenVan Plantingazijn my nog bekend de geslachtsnamenPlantema, Planting, Planten, Plantinus(†Plantynte Antwerpen), die allen van eenen mansvóórnaamPlantmoeten afstammen.§24. Even als by sommige geslachtsnamen de patronymikale uitganginkinenkveranderd is (zie bl. 36), zoo wordt ook by friesche patronymikale namen de uitgangingawel alsengageschreven. Maar terwijl deze verwisseling vaniineelders zeer zeldzaam is, komt ze in Friesland juist dikwijls voor. In Friesland maken de namen die op den verbasterden formengauitgaan, in getal wel de helft uit van de namen die op den oorspronkeliken formingaeindigen. Een ander verschil dan in spelling bestaat er overigens niet tusschen deze twee namengroepen. Als voorbeeld van zulkeenganamen noemen wy de volgenden:Boyenga(vergelijkBoyungaop bl. 59),Bonnenga, Douwenga21. Een groot deel van deze namen is ontleend aan mansvóórnamendie nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. Namelik aanBoie, Bonne, Douwe, Enno, Homme, Jette(komt meest in verkleinform voor alsJetse, eigenlikJet-tse, frieschts,tz=k),Libbe, Minne, Namme(ook meest in verkleinform alsNammele),OffeofUffoenWale.—Veenengakomt, met de geslachtsnamenVeninga, † Venia,Veenje, Feninga(de beste form),Fenenga, Fenega, Feening, Fening, Veenink, Venink, allen vadersnamen in verschillende formen, van eenen ouden mansvóórnaamFene, die waarschijnlik oorspronkelik één is met den oud-germaanschen mansnaamFin, inFörstemann’sNamenbuchvermeld.—Grimmengakomt van den mansvóórnaamGrim, die tegenwoordig in Nederland als zoodanig uitgestorven is, maar toch oudtijds onder de germaansche volken in gebruik was.GrimminkenGrimminck, de saksische formen van dit patronymikon zijn ook nederlandsche geslachtsnamen, even als de enkelvoudige naamGrimook.Grimmens, zoo heet een gehucht by Grootkerk of Hohenkirchen in Wrangerland (Oldenburger Friesland);Grimmingheis een dorp in Oost-Vlaanderen;Grimminghausen, een dorp by Herford in Westfalen, enGrimsthorpein Lincolnshire, Engelland.—Ruidengais denkelik eene verhollandsching vanRuudinga, en dit weêr eene verbastering vanRuurdinga, het patronymikon van den frieschen mansvóórnaamRuurd(Ruwart), waarin de Friesen de tweede letterrniet uitspreken.§25. Zoo als reeds een paar malen hier boven gebleken is, komen sommige friesche patronymikale geslachtsnamen in de beide formen voor, zoowel metingaals metenga; b. v.BottingaenBottenga, DallingaenDallenga, FellingaenFellenga, HavingaenHavenga, KempingaenKempenga, OostingaenOostenga. Dit is in der daad zoo veelvuldig het geval dat het allen schijn heeft als of telkens twee geslachten, die toevallig het zelfde patronymikon als geslachtsnaam hadden, by onderlinge overeenkomst, ter onderscheiding, het ééne geslacht den éénen form, het andere geslacht den anderen form zich had toegeeigend. Het onderscheid tusscheningaenengablijkt dan ookslechts in geschrifte. By ’t spreken is het niet hoorbaar, ten zy men het dan met opzet wil laten hooren.§26. Andere byformen van ’t oorspronkelikeingakomen by de friesche geslachtsnamen weinig of niet voor. De oude schrijfwyze alsingha, vroeger algemeen in gebruik, komt tegenwoordig nog slechts voor by drie namen. Te weten byVan Buttingha, Van CamminghaenVan Julsingha, die toevallig alle drie het voorzetselvanby zich hebben. Door hoogduitschen invloed is in Oost-Friesland het oorspronkelikeingaeen enkele maal inungaovergegaan; b. v.Boyunga, Hayunga, Sajunga. Maar binnen de nederlandsche grenzen heb ik dezen form niet ontmoet. Het friescheinghaenungakomt natuurlik geheel overeen met de uitgangeningh,inge,ingheenungby andere patronymika; zie bl. 32–37. Patronymikale geslachtsnamen, in den tweeden naamval (zie bl. 44), komen onder de friesche namen niet voor. Maar wel zijn er eenigen, die het voorzetselvanby zich hebben. Oorspronkelik behoort dit voorzetsel voor geen ééne friesche geslachtsnaam te staan. Het past er niet by. Het is eene tegenstrydigheid. Aleen in zooverre als men deze namen beschoud alsplaatsnamen, als namen van staten en saten, en er danvanvoor plaatst, geven zy eenen drageliken zin. Immers die staten en saten, die den patronymikalen naam dragen van het geslacht, dat er eerst in eigendom op gezeten was, b. v.Hottinga-state, Wallinga-sate, Wetsinga-sate, worden in de wandeling ook wel genoemd zonder dat woord state of sate er achter, even als ook in Twente en de graafschap Zutfen de vrye boerenerven zulke patronymika als namen dragen; zie bl. 23. De Friesen zeggen dus ook wel: »Ik ga naarHottinga”, of »ik woon opWallinga”, of »dou bist up Wetsinga berne”(gy zijt op Wetsinga geboren), en verstaan daar danHottinga-state, Wallinga-sateenWetsinga-sateonder. En op die wyzekunnenook de friesche geslachtsnamen metvaner voor, ontstaan zijn, en door lieden aangenomen, die, ofschoon oorspronkelik geenHottinga’sofWallinga’szijnde, op de staten of saten dier oude geslachten woonden of gewoond hadden. En waar zulke patronymika metvaner voor, de hedendaagsche namen zijn van oud-adellike friesche geslachten, b. v.Van Cammingha,Van Eysinga, daar is ditvaneen byvoegsel van lateren tijd, toen men dit voorzetsel, door hoogduitschen invloed, als een kenmerk van adeldom beschoude. Want oorspronkelik pastvanvoor geen friesche geslachtsnaam, ten zy dan voor eenen frieschenplaatsnaam(Van Kleffens, zie bl. 55). Behalve de bovengenoemde namen behooren tot deze groep nog de geslachtsnamen:Van Aldringa, Van Andringa, Van Hasinga, Van Hettinga, Van Hottinga, Van Idsinga, Van Wallinga, Van Wetsinga, enz. Grootendeels komen deze namen ook zonder dat overtolligevan, als geslachtsnamen voor:Andringa, Hottinga, Hettinga, Idsinga. Het patronymikon van den nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnden mansnaamEisevooral komt in velerlei formen als geslachtsnaam voor; alsEisinga, Van Eysinga, Eisenga, Van Eisenga, Eizenga, Van Eizinga, Eising, Eisinken ookEysinger; zie bl. 26. Buitendien bestaan nog de patronymikale maagschapsnamen, in nieueren form: †Eyssema, EizemaenEisma, EissenenEises, met het verlatynschteEyssonius. En de plaatsnamenEisink, een gehucht by Haren in Groningerland;Eisinghusen, een gehucht by Loppersum, en een ander by Nüttermoor, in Oost-Friesland;Eysinghem, een dorp in Zuid-Brabant;Eisingen, een dorp by Pforzheim in Baden, enz.§27. De patronymikale geslachtsnamen, tot hier toe vermeld, vertoonen allen, in hunne uitgangen,volleformen, al zijn die formen onderling dan ook nog zoo verschillend. Maar by eenige hedendaagsche geslachtsnamen, oorspronkelike patronymika, zijn die volle formen versleten. By namen die voor verre weg het grootste gedeelte, reeds zoo overoud zijn als dit by de ware patronymika het geval is, kan het geenszins bevreemding wekken, dat zy niet allen in hunne volle, oorspronkelike formen tot op onzen tijd in ’t leven gebleven zijn. Integendeel, ’t is eerder byzonder, dat het altijd maar een zeer klein gedeelte is van het groote getal patronymikale geslachtsnamen, dat zoo in versleten staat tot ons gekomen is. De geslachtsnamenHeenkenOonkb. v., ookBongametVan Bonga, enSinnighezijn zulke versletene formen. ByHeenkenOonkis eeneden eeneiverloren gegaan, byBongade lettergreepnin, bySinnigheenSinnigeeenen. Want deze namen zijn oorspronkelik en voluitHedink, Odink, BonningaenSinninghegeweest. Zie hier nog eenige andere geslachtsnamen tot deze groep behoorende, met de volle formen er achter:Beddigs(Beddings);Bennigsen(Benningsen—zie bl. 28 en 44);Diegerick(Diegerink; de geslachtsnaamDeegerinkis slechts een andere form hier van).22Moeieliker te verklaren zijn de geslachtsnamenBanga, TjeenkenSwynga. Oppervlakkig zoude menBangawel houden voor eene samentrekking vanBanninga, aan den mansvóórnaamBanneontleend, die ook aan de geslachtsnamenBanning, Olden-- enNyen-Banning(zie bl. 50),BannemaenBansten grondslag ligt, en even als ookBongauitBonningais saamgetrokken. DatBangaechter niet vanBanninga, niet van den mansnaamBannekomt, maar van den mansnaamBaue—dat deze geslachtsnaam versleten is uit het oorspronkelikeBauwingaof beterBauinga, blijkt uit den formBawnga, waar onder deze naam voorkomt in eene oorkonde, die in de friesche taal opgesteld is en van ’t jaar 1493 dagteekent.23In deze oorkonde wordt één en de zelfde man, die in een ander stuk van het jaar 148924Douwa Bangaheet,Douwa Bawnghagenoemd. Er komt in Friesland nog een andere eigennaam voor, waarin het oorspronkelike patronymikonBauingatotBangversleten is; te weten de naam van het dorpBangstede, tusschen Emden enAurich gelegen. Dit dorp heet oorspronkelikBauingastede, de stede, de woonplaats derBauinga’s, derBauingenofBavingen, der zonen en afstammelingen van den man dieBaueofBavoheette. Op eene oude landkaart van Oost-Friesland, vanUbbo Emmius, uit het laatst der 16deeeu, staat dit dorp nog alsBavestedeofBauestedevermeld. Dat de nog hedendaags by de Friesen in volle gebruik zijnde mansnaamBaue(Bauwe) in het middeleeusche monnikenlatyn alsBavowerd geboekstaafd, is bekend. De heiligeBaueis alsSt. Bavode patroon van de steden Aardenburg, Gent en Haarlem. En deze zelfde mansnaam heeft nog aan zeer vele andere geslachtsnamen oorsprong gegeven, om niet te spreken van de talryke plaatsnamen die er van afgeleid zijn. Die geslachtsnamen zijn: †Bavinga, †Bauwenga, †Bavema, Bauma, Bauwes, allen in Friesland;Bange, saamgetrokken vanBauinge, alsBangavanBauinga; Bavink, in Engelland alsBavingvoorkomende,Bauwen, Bauwens, Baafs, Baefs, Baafse, en het verlatynschteBavius.De geslachtsnaamTjeenkis moeielik te verklaren. Ik waag dien aangaande de volgende gissing. Zoo die gissing juist is, dan isTjeenkniet slechts een zeer oud patronymikon, maar ook een zeer byzonder, als vertoonende zoowel friesche als saksische formen.Tjeenkis dan naar myne meening, eene samentrekking vanTjedink, en dit weêr een door klankwyziging veranderde form vanTjadink, Tjading, Thiading, Thiadinga, het friesche patronymikon van den oud-frieschen mansnaamThiad, die door de Friesen alsTjaad, Tjadewordt uitgesproken, en, onder dien form, nog wel als mansnaam by hen in gebruik is. Deze naamTjaad, Tjademoet niet verward worden met den eveneens nog zeer gebruikeliken frieschen mansnaamTjaard(ook welTjeerd), die door de Friesen ook zonderr, alsTjaadwordt uitgesproken, maar oorspronkelik een andere naam is, eene samentrekking van den samengestelden mansvóórnaamTjadert, Thiadhart. Van dezen eerstgenoemden mansnaamTjadeis ook de geslachtsnaamTjaden(een tweede-naamvalsform) afgeleid. Die byzondere samenvoeging van een’ frieschen voornaam en een’ saksischen patronymikalen form in één en den zelfden geslachtsnaam, weet ik anders niet te verklaren dan door aan te nemen dat een Fries, die het patronymikonThiadinga, Tjadingaals toenaam voerde, zich buiten zijn vaderland onder eene saksische bevolking vestigde, waar zijn naam, door den invloed van het saksische taaleigen zyner nieue landgenooten, al spoedig de kenmerkendeaals uitgang verloor en de saksische klankwyziging aannam, dus eerstTjading, danTjäding, danTjedingwerd, allengs ook nog meer den saksischen form alsTjedinkvertoonde, om eindelik totTjeenkte verslyten. Dit gaat alles zeer geleidelik, en druischt, zoo verikweet, tegen geene taalwetten in. Maar dit alles is gissing. Die ’t beter weet mag het zeggen!De geslachtsnaamSwyngais eene samentrekking vanSwyninga, het patronymikon van den frieschen mansvóórnaamSwyn, Swine. Men verwondere zich niet over dezen naam, noch denke dat de oude Friesen hunne zonenzwyn,varken, noemden.Swineis de byzonder-friesche uitspraak van den oud-germaanschen mansnaamSwind, Suint, welke naamvlugheidbeduidt. Ons hedendaagsch woordgezwindstamt met dien naam van den zelfden wortel af. Even alsSwyn, Swîn, voorSwind, zoo zeggen de Friesen ookwînvoorwind,finevoorvinden,Hînljippen, voorHindeloopen, enz.De geslachtsnamenHoynckenHoyngbehooren ook tot de versletene patronymika; althans zoo men deze namen metyschrijft. De eerstgenoemde behoort dan in de groep deryncknamen, die op bl. 42 besproken is, en heeft eeneiverloren. Immers is de oorspronkelike mansnaam waar hy van afgeleid is,Hoi, Hoie, en moet de naam dus voluitHoiynckgeschreven worden.Boekstaaft men den naam echter op hollandsche wyze met de byzonder-hollandsche letterij, oorspronkeliki i, dan is de naam alsHoijnck, Hoiinck(Hoi-ink) volkomen. De patronymikaHoyingenHooying, HooyengaenHoyenga, alle vier als geslachtsnamen voorkomende, zijn oorspronkelik metHoynckgeheel de zelfde namen.Hoynckwordt dikwijls als ééne lettergreep uitgesproken, alsofoy,oieen tweeklank ware. En zoo doet men ook by de patronymikale geslachtsnamenStroink, SchainkenSpaink. Dit is verkeerd. Die namen zijn uit twee lettergrepen samengesteld:Hoi-ink, Stro-ink, Scha-ink, Spa-ink; zy dienen ook zoo te worden uitgesproken. Dat men by ditHoienStro(zie ook bl. 40) niet aan de woordenhooienstroote denken hebbe, kan men in §168nalezen. OokspavanSpainkkomt niet van het woordspa,spade, maar van den mansvóórnaamSpade, die inFörstemann’sNamenbuchalsSpattovermeld is. OverSkade, de mansvóórnaam die aanSchainkten grondslag ligt, zie men §28.Of de friesche geslachtsnaamSonnegaook tot de versletene vadersnamen behoort, meen ik te moeten betwyfelen. Het zoude kunnen zijn, datSonnegaoorspronkelik en voluitSonningaware, even alsHillegaenMennega(zie bl. 61) oorspronkelik en voluitHillingaenMenningazijn. Te meer nog, wijlSonninghade naam van een thans uitgestorven friesch geslacht geweest is. Toch wil ik hier liever denken aan den naam van het dorpSonnega, in Stellingwerf (Friesland), waaruit het geslachtSonnegawellicht afkomstig is. Ditgaals uitgang van friesche plaatsnamen verwarre men niet met den lettergreepgavan den frieschen patronymikalen uitganginga. Het eerstgenoemdegais eigenlik in het Frieschgeaen beteekent dorp;Sonnega=Sonnedorp(Sonneghem=Sonning-heimis een dorp in Vlaanderen);St. Nicolaasga=St. Nicolaas’dorp; Oudega=Ouddorp, enz.Ten bewyze van den ouderdom dezer verbasterde, versletene patronymika, tevens als bewijs dat zy werkelik uit de volle formen ontstaan zijn, zy hier nog vermeld dat de oudst bekende der friesche vadersnamen, nog heden de geslachtsnaam(Van) Cammingha, reeds in oorkonden van de 13deeeu alsCanga, Kangawerd geschreven.25Terwijl in een geschrift van het jaar 1495 een der leden van dit overoude, ja alleroudste friesche geslacht zynen naam alsKamgaboekstaaft26.§28. Even als de Drenten hunnen eigenen form van patronymika als geslachtsnamen hebben (zie §13), zoo hebben zy ook eenen eigenaardigen form van versletene vadersnamen, die slechts in hun land inheemsch is. De geslachtsnamenHaange,Luinge(men spreekt natuurlikLuunge, ook welLuunje),Schaange, Smeenge, SteengeenHofsteengevertoonen dien byzonderen form.Haangeis eene samentrekking van den vollen formHaninge, het patronymikon van den ouden mansvóórnaamHano, die byFörstemannvermeld wordt, en die aan den engelschen geslachtsnaamHaning, en aan de friesche geslachtsnamenHanemaenHaniaeveneens ten grondslag ligt. Van dezen mansnaam in verkleinform zijn ook de geslachtsnamenHaantjes, Haentjens, die in alle Nederlanden talrijk verspreide patronymika, afkomstig.—Luingeis samengetrokken vanLudinge, het patronymikon van den ouden mansvóórnaamLude, Lode, Hlude, Hlode, Chlodo. Het drentscheLudingeenLuingeis volkomen het zelfde als het friesche †Ludingaen †Lunia—zie §29.LuingeenLuniaworden dan ook beiden wel alsLuunjeuitgesproken. Oudtijds bestond in Groningerland een geslacht †Luinga; deze naam staat in form midden tusschen het friescheLudingaen het drentscheLuingein. Verhollandscht totLuidingais dit overoude patronymikon nog een hedendaagsche geslachtsnaam, even alsLudingenLudink.—Schaangeis voluitSchadinge, van den frieschen mansnaamScato. De geslachtsnaamSchaink(Skadink) is de twentsche tegenhanger van den drentschen naamSchaange.—SmeengeisSmedinge; over dezen naam zal in §31gehandeld worden.—Steengeis voluitStedinge, dat, evenals de friesche geslachtsnamenStada, Stadema, Stades, StedmaenStedes, en de plaatsnaamStedum(Steda-heim, woonplaats vanStede), dorp inFivelgo, van den mansnaamStede, Stade, byFörstemannalsStadvoorkomende, ontleend is. Of zoo men deze afleiding niet wil gelden laten, mag men ook aannemen dat de geslachtsnaamSteengeontleend zy aan den naam van het aan Drente palende stellingwerfsch-friesche gehuchtStegingaofSteggenga, by ’t dorp Oosterwolde, welke naam in de friso-saksische gouspraak van Stellingwerf en Drente ookSteengaofSteengewordt genoemd.—De oorsprong van den geslachtsnaamHofsteengeis my duister. Dat hy zoude aangenomen zijn door iemand »die niet als zijne buren op een klein erfjen, maar op eene aanzienlijkehofstedewoonde”, gelijkLeendertz(Navorscher,dl. XXVIII, bl. 620) meent, is mogelik, maar komt my toch niet waarschijnlik voor. Liever wil ik hier aan een patronymikon blyven denken. Het is dus twyfelachtig, of de beide laatstgenoemde namenSteengeenHofsteengewel tot deze groep van geslachtsnamen moeten gerekend worden, en of zy misschien niet tot de geslachtsnamen, aan plaatsnamen ontleend, behooren.§29. De Friesen hebben in hunne taal veel eigenaardigs, veel byzonders. Dit blijkt ook uit hunne eigennamen. Onder hunne geslachtsnamen zijn vooral die welke opiaeindigen, zeer byzonder. Deze hebben zulk een vreemd voorkomen,Siniab. v.,RuniaenTania, dat niet-Friesen deze namen bezwaarlik als oorspronkelik nederlandsche geslachtsnamen gelden laten. En toch zijn ook dit goed germaansche, echt friesche namen. Want het zijn samengetrokkene, verfloeide,versleteneformen van de patronymika, opingaeindigende. Zoo isBothniaoorspronkelik en voluitBothinga, Bottinga; Siniais eigenlikSininga; TaniaisTanninga, enz.Deze zonderlinge afslyting vaningatotia, vanSiningatotSinia, vond hare eerste aanleiding zekerlik in de byzondere, zachte uitspraak der friescheg. Eene eigenaardige uitspraak die nog zoo veel te flauer wordt, wanneer eenendegvoorafgaat, en daar door de letterverbindingnggeboren wordt, die eigenlik als eene byzondere, op zich zelve staande letter aan te merken is, zoo als in den patronymikalen uitgangingahet geval is. Vele woorden, die in andere germaansche talen met eenegbeginnen, hebben in de friesche taal tot eerste letter eenej. Zoo is het nederlandsche woordgeven, hoogduitschgeben, engelschto give, deenschgive, zweedschgifva, in het Frieschjaen, Oud-frieschjeva; zoo is het nederlandschegave,gift, in het Frieschjefthe; het nederl.gister, hoogduitschgestern, is in ’t Fr.jisterofjüster, en ’t nederl.garen, hoogd.garn, in ’t Fr.jern(men spreekt uit alsjen); in beide laatstgenoemde woorden overeenstemmende met het Engelsch, dat degook totjverzacht heeft, inyesterdayenyarn. In den hedendaagschen naam van het dorpDongjumby Franeker, oudtijdsDodinga-heimof de woonplaats derDodinga’s, derDodingen, der nakomelingschap vanDodoofDoede—heeft, inde schrijftaal, de oorspronkelikegvan het patronymikonDodingaeenejnaast zich gekregen. In de spreektaal echter is degvolkomen doorjvervangen, want de Friesen spreken dezen dorpsnaam alsDonjum, DoinjumofDünjumuit; de juiste uitspraak is met nederlandsche klanken moeielik af te beelden. Even zoo is het met den naam van het dorpDedgum(Deddingum, Deddinga-heim, van den mansnaamDeddo), die steeds alsDedjumuitgesproken wordt; en met den dorpsnaamPingjum(Pingia-heim, Pinninga-heim, van den mansnaamPinne, Penne), dien de Friesen alsPeinjum, zelfs alsPeiumuitspreken. De hedendaagsche dorpsnaamAnjumschreef men oudtijds voluit, alsAninghem(Aninga-heim). Het duidelikste voorbeeld om den overgang vaningatotia, vanSiningatotSiniaaan te toonen, levert het woordpenning(a)op, dat in het Friesch alspenje,peinje(pennia) uitgesproken wordt, en in het Engelsch totpennyversleten is. Daarentegen heeft dit zelfde volle en oorspronkelike woordpenningin het hedendaagsche Hoogduitsch eenenverloren, en is totpfennigversleten, even als b. v. de geslachtsnaamHudingtotHudig(zie bl. 61).Maar bewyzen te over, dat de frieschegwel alsjwordt uitgesproken. Passen wy deze uitspraak nu ook op degvaningatoe, dan luidt b. v.SiningaalsSininja. En neemt men dan hier by in aanmerking dat de volle nadruk by deze patronymika op den eersten lettergreep valt, en dat de laatste lettergreep slechts eenen halven klemtoon heeft, terwijl de middelste toonloos is, dan is de overgang vanSininjatotSiniawaarlik niet groot. Integendeel, zeer gemakkelik, geleidelik en als van zelven floeiende. En even zoo leidde ’t oorspronkelikeBottinga, door d’ uitspraakBottinjatotBotniaofBothnia, enTanninga, doorTanninja, totTania.Dat overigens werkelik en in der daad de geslachtsnamen opiaeindigende, ontstaan zijn uit die welke opingauitgaan, blijkt ook hieruit, dat de naam van ’t oude geslacht †Gratinga, GrætingaofGrettinga(alle drie spellingen komen voor), dat op de nog bestaandeGrettinga-statete Almenum (Barradeel, Friesland) gezeten was, en waarvan de buurtGratinga-ofGrettinga-buren, by Harlingen, haren naam ontleend heeft,in oude oorkonden zoo welGratingaalsGretniagenoemd wordt. En even zoo wisselen by één en het zelfde geslacht de namenHottingaenHotnia, UningaenUnia, WyningaenWyngiaenWyniaelkanderen af, in oude geschriften. En eveneens blijkt dit ook hieruit, dat het geslachtBurmaniain eene oorkonde van den jare 1300,27alsBurmanningavermeld wordt.28In de middeleeuen, toen de friesche taal hare volle formen opaenia(mula= mond,biwaria= bewaren) nog behouden had, en men die uitgangen nog duidelik, onderscheidenlik uitsprak, toen spraken de Friesen die samengetrokkene namenSinia(– ⏑ –), enz., ook juist zóo uit, als zy ze schreven, en zóo, als wy ze nu nog schryven. Maar sedert is de friesche taal verloopen, en heeft hare volle formen verloren. Sedert de 16deeeu spreekt men niet meermula, maarmule(mûle, met hoogduitscheu, ten naaste by als nederlandschmoeledus); en niet meerbiwaria, maarbiwarje. En juist zóo is ook de uitspraak der geslachtsnamen, die opiaeindigen, veranderd en verloopen. Men spreekt tegenwoordig niet meer voluitSinia, maarSiinje(Sînje, Synje, – ⏑); niet meerTania, maarTanje; niet meerRunia, maarRûnje(ongeveerRoenje) enRüünje. Heden ten dage is dit de algemeene en gewone uitspraak dezer namen by de Friesen; en dat deze zelfde uitspraak ook reeds in vorige eeuen bestond, blijktuit menige oude oorkonde. Zoo vind ik, al weêr in ’tOorkondenboek van ’t leeuwarder St. Anthonij-Gasthuis, in een stuk van den jare 1542, den geslachtsnaamDoniageschreven alsDonye, en in een stuk van het jaar 1562, alsDoenye.—Haniastaat in het laatstgenoemde stuk alsHanyegespeld.Wyngia, in eene oorkonde van 1558, alsWyngie.—†Ringia, in 1566, alsRyngie; †Fernia, in 1595, alsFernij.—Uniaeindelik, in een geschrift van 154729, alsOenye.Toch begint deze oude, maar niet oudste uitspraak, die in d’ eigenaardige uitspraak der friesche taal in ’t algemeen gegrondvest is, heden ten dage, in den mond van sommige Friesen weêr te wyken voor de uitspraak naar de letter. Hollandsche onderwyzers vooral, die, met de friesche taal volkomen onbekend—dwaas genoeg!—den mond van friesche kinders gewelddadig naar hunne hollandsche uitspraak dwingen, zijn hiervan de oorzaak. En zoo hoort men tegenwoordig de namenSinia, Tania, Runiawel weêr juist zóó uitspreken als zy geschreven worden. Maar de meeste Friesen,sliucht end riucht, blyven voor en naSiinje, Tanje, Rûnjeuitspreken.Tot een ander, tegenovergesteld uiterste zijn die lieden vervallen, welke deze geslachtsnamen opia, het eerst zóógeschrevenhebben, als men ze uitspreekt; die dus niet slechtsFiinjespraken, zoo als het trouens ook goed was en is, maar die ookFynjeschreven. Ten gevolge van deze slordige, in de vorige eeu meest opgekomene schrijfwyze, vertoonen sommige oud-friesche patronymika opia, als hedendaagsche geslachtsnamen dien leeliken schrijfform opjaenjeeindigende.Rynja, Synje, Bruinje, Veenje, in plaats vanRinia, Sinia, Brunia, Fenia. EnFynje, verbasterd vanFinia, is in Holland nog weêr meer verbasterd in spelling en uitspraak beide; te weten alsFijnje, gesprokenFeinje! Een gruwelike wanklank in de fijn-gevoelige ooren der Friesen! Maar dwazer nog als deze verbastering is van het friescheFininga=Finiatot een hollandschFijnje=Feinje, ergerliker nog heeft men gehandeld door van den geslachtsnaamTania, Tanjeden schijnbaar-franschen naamTanjéte maken.Pieter TaniaofTanje, te Bolswart geboren in 1706, was een beroemd plaatsnyder (graveur). Hy vestigde zich in Holland, en droeg daar den naam vanTanjé! Wat een domheid, en wat een kleingeestige elendigheid, om zóó de Franschen na te apen! Zie §165.
§18. Eene byzondere groep van geslachtsnamen wordt geformd door die patronymika, welke achter den uitgangingnog het aanhangselson,senof eene enkelesvertoonen. Diesis hier anders niet als het kenmerk van den tweeden naamval waarin het woord of de naam staat. Het zijn dus namen die te gelijker tijd de kenmerken vertoonen der oude en der nieue patronymikale formen; zie §4, 5 en 6. In taalkundig opzicht kunnen zy ter nauer nood verdedigd of goedgekeurd worden. In hunnen hedendaagschen, dubbelen form zijn zy ongetwyfeld ontstaan in den tijd toen men de beteekenis van den uitgangingniet meer kende, dien uitgang niet meerverstond. Dat ontstaan moet verklaard worden op deze wyze: een man heetteLeenderten droeg den toenaam vanHemming, een oud patronymikon, ontleend aan den vóórnaam van zynen stamvaderHemmo. De vader, grootvader en nog menig oudvader vanLeenderthadden allen reeds dat patronymikon als vaste toenaam gedragen. Door de eene of andere byzondere omstandigheid, misschien ter onderscheiding van andere mannen in de onmiddellike omgeving vanLeendert Hemming, die eveneensLeendertheetten, werd onze man in het dageliksche leven door zyne buren, vrienden en verdere tijdgenooten niet by zynen voornaamLeendertgenoemd, zoo als anders gebruikelik was, maar by zynen toenaamHemming. Weldra kende byna niemand hem anders als by den naamHemming, en raakte zijn voornaamLeenderthaast geheel vergeten.Hemming’szoonRutgerdie in den tijd leefde toen de gewoonte in zwang kwam om den voornaam van den vader, in den tweeden naamval, met of zonderzoondaar achter, den zoon als toenaam te geven,—Hemming’szoonRutgernoemde zich dien ten gevolge dan ook nietRutger Leenderts zoon, ofRutger Leendertssen, ofRutger Leenderts, zoo als het volgens recht zijn moest, maarRutger Hemming’s son(zoon). Hy maakte zich een patronymikon als toenaam, naar de gewoonte van den tijd waarin hy leefde. Echter niet van zijn vaders voornaam, maar van het oude patronymikon dat eigenlik zijn vaders toenaam was,ofschoon het in de plaats van den voornaam gebruikt werd. En de kinderen vanRutger Hemmingson(de twee letterssvanHemmingsson, in d’ uitspraak niet afzonderlik te hooren, smolten in geschrifte al spoedig tot eenessamen) behielden hun vaders toenaam ook als hunnen toenaam aan. En zoo werd in verloop van tijd datHemmingsoneen vaste geslachtsnaam, zoo als het nog heden is. In plaats van ditsonofzooner achter te voegen, nam men het vaderlike patronymikon ook wel eenvoudig in den tweeden naamval als toenaam aan. En zoo kwam b.v. van het oude patronymikonAlink, de toenaamAlinks(voluit desAlinkszoon), nog heden als geslachtsnaam by ons voorkomende. Strikt genomen wilHemmingsonzeggen: zoon van den zoon vanHemme; enAlinks, zoon van den zoon vanAle. Men gevoelt dat deze naamformen eigenlik monsters, misbaksels zijn, in strijd met het wezen der taal. Zy konden dan ook slechts gemaakt worden en in gebruik komen, toen men de oude patronymika niet meer verstond; toen het volk niet meer wist datHemmingenAlinkreeds zoon vanHemme, zoon vanAlebeteekenden; toen men de kracht van datingniet meer gevoelde.HemmeenAle, waar van bovengenoemde patronymika ontleend zijn, komen by de hedendaagsche Friesen nog dikwijls als mansvóórnamen voor.Zulke dubbelde patronymika zijn niet aleen in de Nederlanden, maar evenzeer in Engelland, en ook wel in Duitschland, vaste geslachtsnamen geworden.—Zie hier eenigen, die nog heden als nederlandsche maagschapsnamen in gebruik zyn:Beerlings, Bennigsen(oorspronkelikBenningsson, Benning’s son, zie bl. 28).13Deze patronymika zijn ook allen weêr van mansvóórnamen afgeleid, waar van eenigen nog in gebruik zijn:Bruno, Otto. Anderen komen nog in Friesland voor:Boie, Benneenz.Eldertis ook nog bekend. EnThiadbern, waarTjaberingsvan afkomt, is een oud-friesche mansnaam, die voor een paar eeuen nog in de friesche streken tusschen Eems en Weser voorkwam. De overige namen kan men inFörstemann’sNamenbuchnasporen.§19. Als in eenig woord eeneken eenesonmiddellik op elkanderen volgden, dan vervingen de oude Nederlanders, in hun schryven, die twee letters meestal door eenex. Zoo schreven zy b. v. de woorden:des konings brug,des koninks brugge, alssconincx brugghe;monniks-kleêrenalsmunnicx ghewaed. Ook by ’t boekstaven hunner eigennamen handelden zy zoo, en schrevenFeddrixmaenHaaxbergen, welke namen wy tegenwoordig beter alsFeddriksmaenHaaksbergenspellen. In sommige eigennamen bleef diextot den dag van heden in gebruik; b. v. in den frieschen geslachtsnaamBlinxma, dat isBlink-sma, en beteekent: zoon vanBlinke. Deze naam is weêr een verkleinform (Blin-ke) van den oorspronkeliken mansvóórnaamBlin, die byFörstemannalsBlion, Bliunvoorkomt. Verder in de friesche plaatsnamenBoxum, Waaxens, enz. Ook schreef men voor weinig jaren nog algemeenBoxtel, Axel, Nibbixwoud; thans meerBokstel, Aksel, Nibbikswoud, zoo als ’t ook beter is. Vooral in de zuidelike Nederlanden zit diexin menige eigennaam nog vast in den zadel; b.v. inDixmude, Exaerde, Sint-Antelinckx, namen die men in de nieuste spelling ook alsDijksmuiden, Eksaarde, Sint-Antelinksboekstaaft. En zoo vinden wy in de zuidelike Nederlanden, vooral in Vlaanderen, die geslachtsnamen, welke eigenlik zijn opink(inck,ynck) eindigende patronymika, in den tweeden naamval, meestal met eenexgeschreven; b. v.Bollinckx, Bruyninckx, Cnapelinckx,Daggelinckx,14enz. Ook deze patronymikale geslachtsnamen zijn natuurlik allen weêr aan mansvóórnamen ontleend. Het zuidnederlandscheBruyninckxverschilt slechts in spelling van het noordnederlandscheBruinings, maar komt er in oorsprong en beteekenis volkomen mede overeen. De maagschapsnamenDuerinckxenTuerlinckxstammen af van eenen en den zelfden mansvóórnaam; namelik vanDure, Ture, Thuro. Deze naam was reeds by de Gothen in gebruik—immersThurowas een gothische bevelhebber—, en ook het landThüringenin Duitschland ontleend zynen naam van dien mansvóórnaam.Tuerle, de naamsform die aan het patronymikonTuerlinckxten grondslag ligt, is oorspronkelik anders niet als een verkleinform (Turlyn) vanTure. Ook in Friesland treffen wy dezen ouden mansvóórnaam nog aan in geslachts- en plaatsnamen. Te weten in de geslachtsnamenDuursma, Duursema, DuringenDuurs, nevensDürigenenVon Düringsfeldtin Duitschland. Verder inDuurswolde, zoo als een dorp heet in Opsterland (Friesland), en eene landstreek in Fivelgo (Groningerland).Düringenis de naam van een dorp by Bremen. Van den verkleinformDuurke(het zelfde alsTuerle, maar in andere gouspraak) stamt de groninger geslachtsnaamDuurkens, en de plaatsnaamDuurkenakker, een gehucht by Muntendam in Groningerland. De geslachtsnamenCnapelinckx, Hebbelynckx, Ratinckx, of liever de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, zijn op bl. 41, 42 en 37 reeds besproken.HellynckxenHellinckxhebben hunne tegenhangers in de friesche patronymikale geslachtsnamenHellingaenHellenga. Verder inHellynck, Hellink, HellingenHellings, en in den samengestelden maagschapsnaamHellinghuizer. Al deze patronymika zijn afgeleid van den oud-germaanschen mansvóórnaamHello, die inFörstemann’sNamenbuchvermeld wordt, en die tevens oorsprong gaf aan vele andere geslachts- en plaatsnamen. Te weten aanHellemaenHelma, HellenenHelles; aanHellum, een dorp in Fivelgo, en aanHelwert, een gehucht by Rottum in Hunsego, beide in Groningerland; aanHellingen, een dorp in Luxemburg; aanHellinghen, een gehucht by Hérinnes-lez-Enghien in Henegou; aanHellinghillin Northumberland (Engelland); aanHellinghausen, een dorp by Lippstadt in Westfalen, enz. InSnellinxen in ’t eveneens voorkomendeSnellingsvinden we het patronymikon van den oud-germaanschen, in Friesland nog een enkele keer voorkomenden mansvóórnaamSnello, Snel, die ook oorsprong gaf aan de geslachtsnamenSnellenenSnellens, en, in verkleinform, aanSneltjes, alle drie tweede-naamvalsformen, en zoon vanSnellobeteekenende. Ook aan de plaatsnamenSnelleghem(dat is eene samentrekking vanSnelling-hem, Snellinga-heim) een dorp in West-Vlaanderen, enSchnellingen, een dorp byHasslachin Baden. Eenen tegenhanger vanden vlaamschen geslachtsnaamSurinxvinden wy in den frieschen, in Groningerland inheemschen geslachtsnaamSuringa. Verder inSühring, dat ik te Bremen vond; in het gelderscheSurink; in ’t afgesletene, te Antwerpen voorkomendeSuerickx(dat is oorspronkelik ookSuerincks); en hoogst waarschijnlik ook in het nog meer versleteneSuryenSurie. In den samengestelden geslachtsnaamSuringbroekkomt dit patronymikon almede voor. EnSürenenSuersen, namen van buitenlandschen, westfaalschen en noordfrieschen oorsprong, maar die ook in Nederland voorkomen, zijn eveneens patronymika van den ouden, buiten gebruik gestelden mansvóórnaamSuur, Sure. Deze naam is slechts eene samentrekking van den vollen formSuder,Sudhari, een oud-germaansche mansnaam, die blykens de hedendaagsche friesche geslachtsnamenZuidermaenZuidersmaoudtijds ook door Friesen gedragen werd. De stamform van den mansnaamSudhari(Suder, Sure) isSudo, die inFörstemann’sNamenbuchvermeld wordt, en oorsprong gaf aan de friesche geslachtsnamenSudinga(in Oost-Friesland inheemsch),Zuidinga(in Drente),Suiding, Suydema, SuidemaenZuidema, allen patronymika. Het patronymikon van den mansnaamSudharvind ik reeds in de middeleeuen, ook in Vlaanderen;Laureins Zuerincwas een poorter van Brugge, ten jare 132015.In eene oude oorkonde vind ik nog dat ten jare 1328 zekereJan Geylincxburger was der stede Geraertsbergen in Vlaanderen. Dat jaartal moet ongeveer de gemiddelde tijd voorstellen waarin deze zonderling geformde dubbelde patronymika eerst opgekomen zijn. In de zuidelike Nederlanden mag dit ook nog wel eene eeu vroeger voorgekomen wezen, even als in de noordelike gewesten eerst een honderdtal jaren later.§20. Eene kleine groep van geslachtsnamen wordt geformd door eenige oude patronymika, die vóór den oorspronkeliken mansvóórnaam, waarvan zy afgeleid zijn, nog een voorvoegsel vertoonen, bestaande uit de woordengrootofklein,oudofnieu. B. v. de geslachtsnamenGrootnibbeling, Kleinstarink, Oudewesseling,Nyemanting, ook wel, en beter,Groot-Nibbeling, Klein-Starink, Oude-Wesseling, Nye-Mantinggeschreven. Deze geslachtsnamen zijn niet onmiddellik ontleend aan patronymika, die als toenamen van personen in gebruik waren, zoo als dit met alle andere tot hier toe vermelde patronymikale geslachtsnamen wel het geval is. Zy zijn onmiddellik ontleend aan de namen van boerenerven of hoeven; en eerst in de tweede plaats of middellik aan de oude patronymikale toenamen der geslachten welke deze erven in eigendom bezaten en bewoonden. Zie bl. 23. Het ontstaan dezer geslachtsnamen had op de volgende wyze plaats. De boerGerlof Eitinge, die zynen patronymikalen toenaam ontleende aan den naam van zynen voorvaderEite, en die, even als zyne voorouders, geslachten en geslachten vóór hem, het erveEitinge, zoo genoemd naar den eigenen toenaam van zijn geslacht, in eigendom bewoonde,—die drentsche boerGerlof Eitingehad twee zoons. De oudste daar van erfde, naar vaste zede, die voorouderlike bezitting. Maar, ten einde den jongsten zoon, wien hy misschien eene byzondere liefde toedroeg, eenigszins schadeloos te stellen, nam de oudeGerlofnog by zijn leven een deel van de landeryen af van het oude erve, boude daar op een huis, en schonk dit nieue gedeelte dien tweeden zoon. Nu waren er twee afzonderlike landhoevenEitingenaast elkanderen; beiden ook door eenenEitingebewoond. Niets natuurliker dus, dan dat men, ter onderscheiding, het eene, het oorspronkelike erve met den naamGroot-Eitingenoemde, en aan het andere den naamKlein-Eitingegaf. En deze namen gingen van de hoeven weêr zeer gereedelik over op de bewoners er van, die beiden oorspronkelik reedsEitingenwaren, maar nuAlbert GerlofsGroot-EitingeenMeindert Gerlofs Klein-Eitingegenoemd werden. Of een andere (ditmaal een geldersch- of liever zutfensch-saksische boer, noemen we hemGarrit Bekkink) ontgon een heideveld dat aan zyne landeryen paalde. Hy boude daar een huis, en richtte alles tot eene nieue hoeve in, voor eenen zyner zonen, om de zelfde reden als boven opgegeven is. Natuurlik moest die nieue hoeve ook den ouden naamBekkinkdragen; ze was immers, als ’t ware, een uitvloeisel van het oude erveBekkink, en werd ook door eenenBekkinkbewoond.Maar ter onderscheiding noemde men het eene erveOud-Bekkink, het andereNieu-Bekkink, en ook deze namen gingen weldra op de bezitters dier hofsteden en op hun nageslacht als vaste toenamen over.Het getal dezer eigenaardige geslachtsnamen is niet groot, en zy zijn slechts in de saksische gouen van ons land, in Drente, Twente en de graafschap Zutfen inheemsch. In Friesland komen oude patronymika, met de voorvoegselsoudennieu,grootenklein, en door de zelfde of soortgelyke oorzaken, als hier boven vermeld is, in het leven geroepen, ook wel voor als namen van staten en saten, van edelmans- of boerenerven; b. v.Groot-Aysma, Klein-Donia, Oud-HemmingaenNy-Hemminga, enz. Maar zulkeplaatsnamen, met die voorvoegsels verbonden, zijn dáárnooitals toenamen vanpersonenin gebruik gekomen, noch tot vaste geslachtsnamen geworden, zoo als in de saksische gouen wel het geval geweest is.De volgende geslachtsnamen stellen deze groep samen:Olden-Banning, Nyen-Banning, Ool-Bekkink.16De formenoldennyin deze namen, in plaats vanoudennieu, geven getuigenis van het volk van saksischen stam, waar by deze namen eerst ontstonden.—Ool, byOol-Bekkink, beeldt de eigenaardige uitspraak af van het woordold, zoo als dat by eenige saksische stammen, aan de oostelike grenzen van ons land gezeten, gebruikelik is; zie §156.Al deze patronymika zijn weêr van oud-germaansche mansvóórnamen ontleend. By de namenOlde-Bronninge, Ny-Hoving, Olden-Huisingzoude men misschien wel aan eene oude bron of put, aan een nieu hof of een oud huis denken. Toch schuilen ook in deze namen echte mansvóórnamen.HuisingvanHusois op bl. 29 en 30 reeds besproken.BronningeenHovingkomen vanBronnoenHove, Houe, Haue, namen die in Friesland nog in gebruik zijn, en waarvan ook de friesche patronymikale geslachtsnamenBronninga, HovingaenHovengaontleend zijn, metBronnema, Bronkema, Bronsema, Brondsema, BrontsemaenBrons, HovingenHofma.Opmerkelik, maar gemakkelik te verklaren is het dat men, naast bovengenoemde samengestelde patronymika, ook de enkelvoudige formen dier namen als geslachtsnamen in gebruik vindt. Zoo bestaan in Drente, nevensOlden-enNyen-Banning, Nye-Manting, Ny-Hoving, Ny-Huising, Olden-WeningenOlden-Wavingde geslachtsnamenBanning, Manting, Hoving, Huising, WeningenWaving. Elders weêr nevensOol-Bekkink, Klein-Bentinck, Klein-Budding, Olde-Dubbelink, Klein-StarinkenKlein-Ubbinkde enkelvoudige namenBekkink, Bentinck, Buddingh, Dubbelink, StarinkenUbbink.Dubbelink, in Friesland alsDubblingavoorkomende, is een patronymikon, waar van de oorspronkelike mansvóórnaam niet zoo gemakkelik aan te wyzen is. Die oorspronkelike naam isDietboltin oud-saksischen,ThiebaldofThiebautin oud-frankischen form; voluitTheodbald. Door verzachting en afslyting is die naam in den loop der eeuen by het nederlandsche volk totDubbelt, Dubbel, Dobbelgeworden. In Friesland komt hy nog heden ten dage in den formDubbelt, als mansnaam voor.Dubbelink(ook eene havesate in Twente draagt dien naam) is dus een versletene form van ’t oorspronkelikeTheodbalding.§21. Naast deze groep van patronymikale geslachtsnamen met eenvoorvoegsel, bestaat er ook eene groep van zulke namen waar een aanhangselachtergevoegd is, en wel ’t een of ander gemeen-zelfstandig naamwoord, meestalhuisofhof. Een huis of eene landhoeve, die soms eeuen lang door één en het zelfde geslacht in eigendom bezeten en bewoond is, neemt gereedelik den naam van dat geslacht als eigennaam aan, en wordt danMeininghuisgenoemd ofRogerinkhof, naar de geslachtenMeiningofRogerink, waaraan ze toebehooren. Kwam nu ditMeininghuisof ditRogerinkhoflater in andere handen, en wel van iemand die b. v. slechtsEvert Janszoonheette, maar die geen afzonderliken geslachtsnaam had, dan ging de oude naam van huis of hof wel op den nieuen eigenaar over, en werdhy weldraEvert Jansen MeininghuisofEvert Jansz. Rogerinkhofgenoemd, welke naam dan later tot een vaste familienaam van zijn nageslacht werd.Deze patronymikale geslachtsnamen met een achtervoegsel zijn dus, even als die van de voorgaande groep, eigenlik plaatsnamen en slechtsmiddellikaan eenen mansvóórnaam ontleend, even als dezen.Talrijk zijn deze geslachtsnamen in de Nederlanden niet. In Duitschland komen zy meer voor; b. v.Ellinghaus(alsVan Ellinckhuyzenin Nederland voorkomende),Bellingrath, Collinghorst. En nog veel meer in Engelland:Bolingbroke, Carlingford, Paddington, Elkingham. De volgenden zijn my in de Nederlanden voorgekomen:Barlinckhoff, Bruyninghuys, Bruininkweerd.17Deze namen zijn allen met ware patronymika samengesteld, die wel geen naderen uitleg behoeven, na alles wat daaromtrent reeds is medegedeeld. De byzondere schrijfwyze van den naamGussenklo, die op redelike gronden niet verdedigd worden kan, dankt haar ontstaan aan den wensch om de lettergrepen van dezen naam wel te onderscheiden, om wel te doen uitkomen dat hetGussenk-lois (Gussink-looware nog beter), en niet iets anders, b. v.Gussen-klo; wat trouens ook geen verstandig mensch zal meenen. Zie bl. 33.§22. Eene kleine groep van nederlandsche geslachtsnamen omvat oude vadersnamen met eenen latynschen uitgang. Van dezen noemen wy:Gardingius, Grevinchovius, Hachtingius.18—Grevinchoviusis verlatynscht vanGrevinkhof, een geslachtsnaam tot de voorgaande groep behoorende. OverHachtingiuszie men bl. 34; overHallungiusbl. 36 en 42.Hundlingiusheeft den oud-germaanschen mansvóórnaamHundo, Hunt, Honttot oorsprong, en wel in verkleinform alsHundle, Hondelyn. VanHundle, Hondelezijn ook nog de geslachtsnamenHondelink, HündlingenHondela, de twee laatsten in Oost-Friesland voorkomende, afgeleid. En van den mansnaamHuntin zynen oorspronkeliken form: de geslachtsnamenHondingain Groningerland (Hondinga-sateis te Pieterburen in Hunsego), misschien ook het verlatynschteHondiusin Holland,Huntingin Friesland en Engelland, metHundingenHuntingtoneveneens in Engelland. En van de zeer talryke plaatsnamen van dezen ouden mansnaam afgeleid, noemen we slechtsHondeghem(Hondinga-heim), een dorp in Fransch-Vlaanderen;Hunting, een dorp in Lotharingen;Huntingdonin Engelland;Hündlingen, een dorp in den Elsasz, enz.§23. In de oude friesche taal gaan vele woorden, die in de andere nederlandsche talen en tongvallen, ’t zij dan saksische of frankische, op eene toonloozeeeindigen, of ook zonder openen uitgang zijn, op eeneauit. Zoo luidt ook de uitganging(inge,ink) der vadersnamen, die overigens aan alle nederlandsche gouspraken, ja aan alle andere germaansche talen eigen is, in het Friesch alsinga. En dezeais ook geheel het eenige wat de friesche patronymika onderscheidt van andere vadersnamen, in de andere nederlandsche gewesten voorkomende. Even als dezen zijn de friesche patronymika louter van mansvóórnamen, natuurlik meest van friesche mansvóórnamen afgeleid. Even als dezen komen ze ook heden ten dage voor in verschillende spellingen, en op verschillende wyzen saamgetrokken of versleten. Ook zijn de friesche vadersnamen van zeer ouden oorsprong. Reeds in de 9deeeu vinden wy het geslachtCammingha, nog heden bestaande, vermeld. Intusschen zulke patronymika zijn ongetwyfeld nog veel ouder.De oude friesche patronymika zijn in grooten getale als hedendaagsche geslachtsnamen in leven en gebruik gebleven. Zy zijn over de geheele hedendaagsche provincie Friesland verspreid. Tot dat gewest uitsluitend beperkt, zijn zy echter geenszins. Even als de andere friesche opaeindigende geslachtsnamen (nieuere patronymika en andere formen) komen ze even zeer voor in de oud-friesche landstreken tusschen Lauers en Eems en Weser, in het hedendaagsche Groningerland en Oost-Friesland. Daar zijn deze namen van ouds her even zoo inheemsch en volkseigen als bewesten Lauers. In laatstgenoemdelandstreek (het nederlandsche Friesland) zijn ze niet gelijkmatig over het geheele land verspreid. In Oostergo en Westergo komen zy veel talryker voor dan in de Zevenwouden.Hier volgen eenige oud-friesche vadersnamen, die allen den zuiveren ouden form opingaeindigende, vertoonen:Abbinga, Benninga, Bottinga19. Deze namen komen, met zeer vele anderen soortgelyken, nog heden als geslachtsnamen in de friesche landstreken van Nederland voor, en zijn ook allen ontleend aan mansvóórnamen, die nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. B. v. aanAbbe, Benno(Binne) (zie bl. 28),Botte, Gau(meest in verkleinform alsGauke, Goukevoorkomende),UbboofObbe, enz.Eenige friesche geslachtsnamen opingauitgaande, stammen van mansvóórnamen af, die geenszins zoo gemakkelik zijn aan te wyzen als by de bovenvermelde namen het geval is. De mansnamen waar de volgende vadersnamen van zijn afgeleid, komenofslechts in zeer versletenen form voor,ofze zijn by de Friesen in het geheel niet meer in gebruik. Zulke geslachtsnamen zijn b. v.Eckringa, FolkeringaenFolkringa, Kleveringa enCleveringa20.Eckringais voluitEckhardinga, en afgeleid van den mansnaamEkhart, Ekkehart, Eckart, die in Duitschland nog wel in gebruik is.—Folkringais oorspronkelikFulkhardinga, vanFulkhart, Folkert.—KleveringaenCleveringais saamgetrokken en versleten vanKlefhardinga, het friesche patronymikon van den oud-germaanschen mansnaamKlefhart, Cleffehart, die weêr eene samenstelling is van den nog ouderen enkelvoudigen naamCleffo, Claffoen van den naamstamHart. Even alsFulkhart(Folkert) vanFulco(Folke) enHart; Ekhart(Ekkert) vanEkke, EccoenHart; Rikhart(Richard, Rykaert) vanRicoofRijkenHart. Hoe oud die naamCleffoofClafforeeds is, kan men inFörstemann’sNamenbuchopzoeken. Hy was reeds by de Longobarden in gebruik. ImmersClaffo, zoo heette de zesde, enCleph(’t welk de zelfde naam is in eene andere spelling), de elfde koning van dat oud-germaansche volk. Ook de beteekenis van dezen naam leertFörstemannte zoeken in het oud-hoogduitsche woordklaphôn, in het oud-noordsche woordklappa, waar het begrip vanslaan,stootenin ligt opgesloten, en waar ook het woordanaklaf, dataanvalbeteekent, van afgeleid is. Die oude woorden hebben dus eene krijgshaftige beduidenis. Maar ook het hedendaagsche woordkleven, ofschoon nu slechts in eene zeer gewyzigde beteekenis in gebruik, zal er wel oorspronkelik mede samen hangen. Van den mansnaamKlefhart, Klevertzijn niet enkel de twee bovengenoemde byzonder-friesche patronymika ontleend, maar ook de vadersnamen in algemeenen formKleveringenClevering, benevens het nog meer samengetrokkeneCleringaenKlering, alle vier nog hedendaagsche geslachtsnamen. Opmerkelik is het dat al deze zes zoo na verwante geslachtsnamen in Groningerland inheemsch zijn. Zeer waarschijnlik stammen al deze nu verschillende geslachten van één en het zelfde oorspronkelike geslachtKlefhardingaaf, en dus ook van één en den zelfden stamvaderKlefhart, die dan de eerste grondvester was van de sateCleveringa-heertte Uithuizen in Hunsego. Het schijnt dat een tak van dit oud-friesche geslacht, of misschien een enkele man er van, deelgenomen heeft aan den gemeenschappeliken uittocht van Angelen, Saksen en Friesen naar Groot-Brittanje. Wy vinden althans dit zelfde patronymikon, in den formClavering, nog heden ten dage als de naam van een engelsch geslacht. VanCleffois de hedendaagsche geslachtsnaam (friesch patronymikon in nieueren form)Kleefsmaook afkomstig, en van den verkleinformKleefkedegeslachtsnaamKleefkens. Deze zelfde mansnaam gaf ook oorsprong aan den plaatsnaamKleffens(dat is waarschijnlik eene samentrekking vanKleffingen), zoo als een gehucht heet by ’t dorpke Raart in West-Dongeradeel by Dokkum. En weêr door middel van dien plaatsnaam aan den naam van het in Oostergo gezetene geslachtVan Kleffens, waar van de voorouders, omstreeks het midden der vorige eeu, als landeigenaars op de sateKleffenswoonden, en toen dien geslachtsnaam aannamen. Nog zijn my als plaatsnamen,aan den mansnaamKlefhartontleend, bekend:Cleverns, een dorp in Jeverland (Oldenburger Friesland);Klieverink, eene havesate by Oldenzaal in Twente, enKleverskerke, een dorp op ’t eiland Walcheren.Dat de geslachtsnaamVitringahet patronymikon is van eenen mansvóórnaam die niet slechts tot onkenbaarheid toe versleten en ingekrompen, maar die tevens verkeerd gespeld is, blijkt uit de letterv, waarmede deze naam begint. Dievis, als beginletter van eenig woord, in de friesche taal volkomen onbekend. De Friesen kunnen die letter opdieplaats in het geheel niet uitspreken. Als beginletter spreken zy, en schryven dus zeer te recht ook, eenef, waar de Hollanders en andere Nederlanders eenevnoemen; nederlandschvrede= frieschfrede; nederl.vel= fr.fel, enz. Maar zoo wyVitringaal totFitringamaken, dan komen we geen stap nader tot oplossing van de vraag, welke mansvóórnaam ten grondslag ligt aan dezen vadersnaam. Liever verwisselen we dus die onmogelikevmet eenew, en denken dat misschien een geleerde man, uit dit geslacht gesproten, drie eeuen geleden, zynen naamWitringatotVitringaheeft verlatynscht. Die germaanschewimmers is geen latynsche letter, maar werd wel, waar men een germaansch woord dat onmogelik vertaald kon worden, in het Latyn wou schryven, met eenevverwisseld. EnWitringais, door vergelyking metEckringavanEkkehartenFolkringavanFulkhart(zie bl. 54) te verklaren alsWithardinga, het patronymikon vanWithart, of alsWitheringa(deehaast niet te laten hooren) het patronymikon vanWither, Witheri, oud-germaansche mansvóórnamen.ByKruisinga, Musschenga, Plantingazou men oppervlakkig eerder denken aan eene afleiding van de gemeen-zelfstandige naamwoordenkruis,muschenplant, dan aan mansvóórnamen. Dat echter ook deze geslachtsnamen echte patronymika zijn, aan mansnamen ontleend, lijdt by my geen twyfel, al kan ik dan die oorspronkelike mansnamen uitvinden noch aantoonen. OverMusschengaenMuischengahebben de heerP. LeendertzWz. en ik zelve in het tijdschriftDe Navorscher, dl. XXVII, bl. 78 en 80, en dl. XXVIII, bl. 75, het een en ander te berde gebracht. Om herhaling en te groote uitvoerigheid te myden, verwijsik den belangstellenden lezer dus dáár heen.—DatPlantingaenKruisingaware oude vadersnamen zijn, blijkt my uit zoo menige andere nederlandsche geslachtsnaam, die van den zelfden mansvóórnaam afgeleidmoetzijn. Nu er zoo vele geslachtsnamen (oude en nieue patronymika in allerlei formen) bestaan, waaraan dit zelfdeKruseenPlantten grondslag ligt, kan het niet missen of dit zijn in der daad mansvóórnamen geweest. Die geslachtsnamen zijnKruizenga, slechts in spelling vanKruisingaverschillende, even alsKruisinkenKruissink. De naamKruisingawordt in de friesche streken van ons land natuurlik alsKrusingauitgesproken, en in de friso-saksische en Saksische alsKroesinga, eigenlikKrusingamet hoogduitscheu. Van daar dat in Drente deze geslachtsnaam in den formKroezingavoorkomt. Verder de patronymika (in nieueren form) †Cruisema(het huisCruisemais by Hoogkerk in het Westerkwartier van Groningerland),KruysseenCruyce.—BehalvePlantinga, PlantengaenVan Plantingazijn my nog bekend de geslachtsnamenPlantema, Planting, Planten, Plantinus(†Plantynte Antwerpen), die allen van eenen mansvóórnaamPlantmoeten afstammen.§24. Even als by sommige geslachtsnamen de patronymikale uitganginkinenkveranderd is (zie bl. 36), zoo wordt ook by friesche patronymikale namen de uitgangingawel alsengageschreven. Maar terwijl deze verwisseling vaniineelders zeer zeldzaam is, komt ze in Friesland juist dikwijls voor. In Friesland maken de namen die op den verbasterden formengauitgaan, in getal wel de helft uit van de namen die op den oorspronkeliken formingaeindigen. Een ander verschil dan in spelling bestaat er overigens niet tusschen deze twee namengroepen. Als voorbeeld van zulkeenganamen noemen wy de volgenden:Boyenga(vergelijkBoyungaop bl. 59),Bonnenga, Douwenga21. Een groot deel van deze namen is ontleend aan mansvóórnamendie nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. Namelik aanBoie, Bonne, Douwe, Enno, Homme, Jette(komt meest in verkleinform voor alsJetse, eigenlikJet-tse, frieschts,tz=k),Libbe, Minne, Namme(ook meest in verkleinform alsNammele),OffeofUffoenWale.—Veenengakomt, met de geslachtsnamenVeninga, † Venia,Veenje, Feninga(de beste form),Fenenga, Fenega, Feening, Fening, Veenink, Venink, allen vadersnamen in verschillende formen, van eenen ouden mansvóórnaamFene, die waarschijnlik oorspronkelik één is met den oud-germaanschen mansnaamFin, inFörstemann’sNamenbuchvermeld.—Grimmengakomt van den mansvóórnaamGrim, die tegenwoordig in Nederland als zoodanig uitgestorven is, maar toch oudtijds onder de germaansche volken in gebruik was.GrimminkenGrimminck, de saksische formen van dit patronymikon zijn ook nederlandsche geslachtsnamen, even als de enkelvoudige naamGrimook.Grimmens, zoo heet een gehucht by Grootkerk of Hohenkirchen in Wrangerland (Oldenburger Friesland);Grimmingheis een dorp in Oost-Vlaanderen;Grimminghausen, een dorp by Herford in Westfalen, enGrimsthorpein Lincolnshire, Engelland.—Ruidengais denkelik eene verhollandsching vanRuudinga, en dit weêr eene verbastering vanRuurdinga, het patronymikon van den frieschen mansvóórnaamRuurd(Ruwart), waarin de Friesen de tweede letterrniet uitspreken.§25. Zoo als reeds een paar malen hier boven gebleken is, komen sommige friesche patronymikale geslachtsnamen in de beide formen voor, zoowel metingaals metenga; b. v.BottingaenBottenga, DallingaenDallenga, FellingaenFellenga, HavingaenHavenga, KempingaenKempenga, OostingaenOostenga. Dit is in der daad zoo veelvuldig het geval dat het allen schijn heeft als of telkens twee geslachten, die toevallig het zelfde patronymikon als geslachtsnaam hadden, by onderlinge overeenkomst, ter onderscheiding, het ééne geslacht den éénen form, het andere geslacht den anderen form zich had toegeeigend. Het onderscheid tusscheningaenengablijkt dan ookslechts in geschrifte. By ’t spreken is het niet hoorbaar, ten zy men het dan met opzet wil laten hooren.§26. Andere byformen van ’t oorspronkelikeingakomen by de friesche geslachtsnamen weinig of niet voor. De oude schrijfwyze alsingha, vroeger algemeen in gebruik, komt tegenwoordig nog slechts voor by drie namen. Te weten byVan Buttingha, Van CamminghaenVan Julsingha, die toevallig alle drie het voorzetselvanby zich hebben. Door hoogduitschen invloed is in Oost-Friesland het oorspronkelikeingaeen enkele maal inungaovergegaan; b. v.Boyunga, Hayunga, Sajunga. Maar binnen de nederlandsche grenzen heb ik dezen form niet ontmoet. Het friescheinghaenungakomt natuurlik geheel overeen met de uitgangeningh,inge,ingheenungby andere patronymika; zie bl. 32–37. Patronymikale geslachtsnamen, in den tweeden naamval (zie bl. 44), komen onder de friesche namen niet voor. Maar wel zijn er eenigen, die het voorzetselvanby zich hebben. Oorspronkelik behoort dit voorzetsel voor geen ééne friesche geslachtsnaam te staan. Het past er niet by. Het is eene tegenstrydigheid. Aleen in zooverre als men deze namen beschoud alsplaatsnamen, als namen van staten en saten, en er danvanvoor plaatst, geven zy eenen drageliken zin. Immers die staten en saten, die den patronymikalen naam dragen van het geslacht, dat er eerst in eigendom op gezeten was, b. v.Hottinga-state, Wallinga-sate, Wetsinga-sate, worden in de wandeling ook wel genoemd zonder dat woord state of sate er achter, even als ook in Twente en de graafschap Zutfen de vrye boerenerven zulke patronymika als namen dragen; zie bl. 23. De Friesen zeggen dus ook wel: »Ik ga naarHottinga”, of »ik woon opWallinga”, of »dou bist up Wetsinga berne”(gy zijt op Wetsinga geboren), en verstaan daar danHottinga-state, Wallinga-sateenWetsinga-sateonder. En op die wyzekunnenook de friesche geslachtsnamen metvaner voor, ontstaan zijn, en door lieden aangenomen, die, ofschoon oorspronkelik geenHottinga’sofWallinga’szijnde, op de staten of saten dier oude geslachten woonden of gewoond hadden. En waar zulke patronymika metvaner voor, de hedendaagsche namen zijn van oud-adellike friesche geslachten, b. v.Van Cammingha,Van Eysinga, daar is ditvaneen byvoegsel van lateren tijd, toen men dit voorzetsel, door hoogduitschen invloed, als een kenmerk van adeldom beschoude. Want oorspronkelik pastvanvoor geen friesche geslachtsnaam, ten zy dan voor eenen frieschenplaatsnaam(Van Kleffens, zie bl. 55). Behalve de bovengenoemde namen behooren tot deze groep nog de geslachtsnamen:Van Aldringa, Van Andringa, Van Hasinga, Van Hettinga, Van Hottinga, Van Idsinga, Van Wallinga, Van Wetsinga, enz. Grootendeels komen deze namen ook zonder dat overtolligevan, als geslachtsnamen voor:Andringa, Hottinga, Hettinga, Idsinga. Het patronymikon van den nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnden mansnaamEisevooral komt in velerlei formen als geslachtsnaam voor; alsEisinga, Van Eysinga, Eisenga, Van Eisenga, Eizenga, Van Eizinga, Eising, Eisinken ookEysinger; zie bl. 26. Buitendien bestaan nog de patronymikale maagschapsnamen, in nieueren form: †Eyssema, EizemaenEisma, EissenenEises, met het verlatynschteEyssonius. En de plaatsnamenEisink, een gehucht by Haren in Groningerland;Eisinghusen, een gehucht by Loppersum, en een ander by Nüttermoor, in Oost-Friesland;Eysinghem, een dorp in Zuid-Brabant;Eisingen, een dorp by Pforzheim in Baden, enz.§27. De patronymikale geslachtsnamen, tot hier toe vermeld, vertoonen allen, in hunne uitgangen,volleformen, al zijn die formen onderling dan ook nog zoo verschillend. Maar by eenige hedendaagsche geslachtsnamen, oorspronkelike patronymika, zijn die volle formen versleten. By namen die voor verre weg het grootste gedeelte, reeds zoo overoud zijn als dit by de ware patronymika het geval is, kan het geenszins bevreemding wekken, dat zy niet allen in hunne volle, oorspronkelike formen tot op onzen tijd in ’t leven gebleven zijn. Integendeel, ’t is eerder byzonder, dat het altijd maar een zeer klein gedeelte is van het groote getal patronymikale geslachtsnamen, dat zoo in versleten staat tot ons gekomen is. De geslachtsnamenHeenkenOonkb. v., ookBongametVan Bonga, enSinnighezijn zulke versletene formen. ByHeenkenOonkis eeneden eeneiverloren gegaan, byBongade lettergreepnin, bySinnigheenSinnigeeenen. Want deze namen zijn oorspronkelik en voluitHedink, Odink, BonningaenSinninghegeweest. Zie hier nog eenige andere geslachtsnamen tot deze groep behoorende, met de volle formen er achter:Beddigs(Beddings);Bennigsen(Benningsen—zie bl. 28 en 44);Diegerick(Diegerink; de geslachtsnaamDeegerinkis slechts een andere form hier van).22Moeieliker te verklaren zijn de geslachtsnamenBanga, TjeenkenSwynga. Oppervlakkig zoude menBangawel houden voor eene samentrekking vanBanninga, aan den mansvóórnaamBanneontleend, die ook aan de geslachtsnamenBanning, Olden-- enNyen-Banning(zie bl. 50),BannemaenBansten grondslag ligt, en even als ookBongauitBonningais saamgetrokken. DatBangaechter niet vanBanninga, niet van den mansnaamBannekomt, maar van den mansnaamBaue—dat deze geslachtsnaam versleten is uit het oorspronkelikeBauwingaof beterBauinga, blijkt uit den formBawnga, waar onder deze naam voorkomt in eene oorkonde, die in de friesche taal opgesteld is en van ’t jaar 1493 dagteekent.23In deze oorkonde wordt één en de zelfde man, die in een ander stuk van het jaar 148924Douwa Bangaheet,Douwa Bawnghagenoemd. Er komt in Friesland nog een andere eigennaam voor, waarin het oorspronkelike patronymikonBauingatotBangversleten is; te weten de naam van het dorpBangstede, tusschen Emden enAurich gelegen. Dit dorp heet oorspronkelikBauingastede, de stede, de woonplaats derBauinga’s, derBauingenofBavingen, der zonen en afstammelingen van den man dieBaueofBavoheette. Op eene oude landkaart van Oost-Friesland, vanUbbo Emmius, uit het laatst der 16deeeu, staat dit dorp nog alsBavestedeofBauestedevermeld. Dat de nog hedendaags by de Friesen in volle gebruik zijnde mansnaamBaue(Bauwe) in het middeleeusche monnikenlatyn alsBavowerd geboekstaafd, is bekend. De heiligeBaueis alsSt. Bavode patroon van de steden Aardenburg, Gent en Haarlem. En deze zelfde mansnaam heeft nog aan zeer vele andere geslachtsnamen oorsprong gegeven, om niet te spreken van de talryke plaatsnamen die er van afgeleid zijn. Die geslachtsnamen zijn: †Bavinga, †Bauwenga, †Bavema, Bauma, Bauwes, allen in Friesland;Bange, saamgetrokken vanBauinge, alsBangavanBauinga; Bavink, in Engelland alsBavingvoorkomende,Bauwen, Bauwens, Baafs, Baefs, Baafse, en het verlatynschteBavius.De geslachtsnaamTjeenkis moeielik te verklaren. Ik waag dien aangaande de volgende gissing. Zoo die gissing juist is, dan isTjeenkniet slechts een zeer oud patronymikon, maar ook een zeer byzonder, als vertoonende zoowel friesche als saksische formen.Tjeenkis dan naar myne meening, eene samentrekking vanTjedink, en dit weêr een door klankwyziging veranderde form vanTjadink, Tjading, Thiading, Thiadinga, het friesche patronymikon van den oud-frieschen mansnaamThiad, die door de Friesen alsTjaad, Tjadewordt uitgesproken, en, onder dien form, nog wel als mansnaam by hen in gebruik is. Deze naamTjaad, Tjademoet niet verward worden met den eveneens nog zeer gebruikeliken frieschen mansnaamTjaard(ook welTjeerd), die door de Friesen ook zonderr, alsTjaadwordt uitgesproken, maar oorspronkelik een andere naam is, eene samentrekking van den samengestelden mansvóórnaamTjadert, Thiadhart. Van dezen eerstgenoemden mansnaamTjadeis ook de geslachtsnaamTjaden(een tweede-naamvalsform) afgeleid. Die byzondere samenvoeging van een’ frieschen voornaam en een’ saksischen patronymikalen form in één en den zelfden geslachtsnaam, weet ik anders niet te verklaren dan door aan te nemen dat een Fries, die het patronymikonThiadinga, Tjadingaals toenaam voerde, zich buiten zijn vaderland onder eene saksische bevolking vestigde, waar zijn naam, door den invloed van het saksische taaleigen zyner nieue landgenooten, al spoedig de kenmerkendeaals uitgang verloor en de saksische klankwyziging aannam, dus eerstTjading, danTjäding, danTjedingwerd, allengs ook nog meer den saksischen form alsTjedinkvertoonde, om eindelik totTjeenkte verslyten. Dit gaat alles zeer geleidelik, en druischt, zoo verikweet, tegen geene taalwetten in. Maar dit alles is gissing. Die ’t beter weet mag het zeggen!De geslachtsnaamSwyngais eene samentrekking vanSwyninga, het patronymikon van den frieschen mansvóórnaamSwyn, Swine. Men verwondere zich niet over dezen naam, noch denke dat de oude Friesen hunne zonenzwyn,varken, noemden.Swineis de byzonder-friesche uitspraak van den oud-germaanschen mansnaamSwind, Suint, welke naamvlugheidbeduidt. Ons hedendaagsch woordgezwindstamt met dien naam van den zelfden wortel af. Even alsSwyn, Swîn, voorSwind, zoo zeggen de Friesen ookwînvoorwind,finevoorvinden,Hînljippen, voorHindeloopen, enz.De geslachtsnamenHoynckenHoyngbehooren ook tot de versletene patronymika; althans zoo men deze namen metyschrijft. De eerstgenoemde behoort dan in de groep deryncknamen, die op bl. 42 besproken is, en heeft eeneiverloren. Immers is de oorspronkelike mansnaam waar hy van afgeleid is,Hoi, Hoie, en moet de naam dus voluitHoiynckgeschreven worden.Boekstaaft men den naam echter op hollandsche wyze met de byzonder-hollandsche letterij, oorspronkeliki i, dan is de naam alsHoijnck, Hoiinck(Hoi-ink) volkomen. De patronymikaHoyingenHooying, HooyengaenHoyenga, alle vier als geslachtsnamen voorkomende, zijn oorspronkelik metHoynckgeheel de zelfde namen.Hoynckwordt dikwijls als ééne lettergreep uitgesproken, alsofoy,oieen tweeklank ware. En zoo doet men ook by de patronymikale geslachtsnamenStroink, SchainkenSpaink. Dit is verkeerd. Die namen zijn uit twee lettergrepen samengesteld:Hoi-ink, Stro-ink, Scha-ink, Spa-ink; zy dienen ook zoo te worden uitgesproken. Dat men by ditHoienStro(zie ook bl. 40) niet aan de woordenhooienstroote denken hebbe, kan men in §168nalezen. OokspavanSpainkkomt niet van het woordspa,spade, maar van den mansvóórnaamSpade, die inFörstemann’sNamenbuchalsSpattovermeld is. OverSkade, de mansvóórnaam die aanSchainkten grondslag ligt, zie men §28.Of de friesche geslachtsnaamSonnegaook tot de versletene vadersnamen behoort, meen ik te moeten betwyfelen. Het zoude kunnen zijn, datSonnegaoorspronkelik en voluitSonningaware, even alsHillegaenMennega(zie bl. 61) oorspronkelik en voluitHillingaenMenningazijn. Te meer nog, wijlSonninghade naam van een thans uitgestorven friesch geslacht geweest is. Toch wil ik hier liever denken aan den naam van het dorpSonnega, in Stellingwerf (Friesland), waaruit het geslachtSonnegawellicht afkomstig is. Ditgaals uitgang van friesche plaatsnamen verwarre men niet met den lettergreepgavan den frieschen patronymikalen uitganginga. Het eerstgenoemdegais eigenlik in het Frieschgeaen beteekent dorp;Sonnega=Sonnedorp(Sonneghem=Sonning-heimis een dorp in Vlaanderen);St. Nicolaasga=St. Nicolaas’dorp; Oudega=Ouddorp, enz.Ten bewyze van den ouderdom dezer verbasterde, versletene patronymika, tevens als bewijs dat zy werkelik uit de volle formen ontstaan zijn, zy hier nog vermeld dat de oudst bekende der friesche vadersnamen, nog heden de geslachtsnaam(Van) Cammingha, reeds in oorkonden van de 13deeeu alsCanga, Kangawerd geschreven.25Terwijl in een geschrift van het jaar 1495 een der leden van dit overoude, ja alleroudste friesche geslacht zynen naam alsKamgaboekstaaft26.§28. Even als de Drenten hunnen eigenen form van patronymika als geslachtsnamen hebben (zie §13), zoo hebben zy ook eenen eigenaardigen form van versletene vadersnamen, die slechts in hun land inheemsch is. De geslachtsnamenHaange,Luinge(men spreekt natuurlikLuunge, ook welLuunje),Schaange, Smeenge, SteengeenHofsteengevertoonen dien byzonderen form.Haangeis eene samentrekking van den vollen formHaninge, het patronymikon van den ouden mansvóórnaamHano, die byFörstemannvermeld wordt, en die aan den engelschen geslachtsnaamHaning, en aan de friesche geslachtsnamenHanemaenHaniaeveneens ten grondslag ligt. Van dezen mansnaam in verkleinform zijn ook de geslachtsnamenHaantjes, Haentjens, die in alle Nederlanden talrijk verspreide patronymika, afkomstig.—Luingeis samengetrokken vanLudinge, het patronymikon van den ouden mansvóórnaamLude, Lode, Hlude, Hlode, Chlodo. Het drentscheLudingeenLuingeis volkomen het zelfde als het friesche †Ludingaen †Lunia—zie §29.LuingeenLuniaworden dan ook beiden wel alsLuunjeuitgesproken. Oudtijds bestond in Groningerland een geslacht †Luinga; deze naam staat in form midden tusschen het friescheLudingaen het drentscheLuingein. Verhollandscht totLuidingais dit overoude patronymikon nog een hedendaagsche geslachtsnaam, even alsLudingenLudink.—Schaangeis voluitSchadinge, van den frieschen mansnaamScato. De geslachtsnaamSchaink(Skadink) is de twentsche tegenhanger van den drentschen naamSchaange.—SmeengeisSmedinge; over dezen naam zal in §31gehandeld worden.—Steengeis voluitStedinge, dat, evenals de friesche geslachtsnamenStada, Stadema, Stades, StedmaenStedes, en de plaatsnaamStedum(Steda-heim, woonplaats vanStede), dorp inFivelgo, van den mansnaamStede, Stade, byFörstemannalsStadvoorkomende, ontleend is. Of zoo men deze afleiding niet wil gelden laten, mag men ook aannemen dat de geslachtsnaamSteengeontleend zy aan den naam van het aan Drente palende stellingwerfsch-friesche gehuchtStegingaofSteggenga, by ’t dorp Oosterwolde, welke naam in de friso-saksische gouspraak van Stellingwerf en Drente ookSteengaofSteengewordt genoemd.—De oorsprong van den geslachtsnaamHofsteengeis my duister. Dat hy zoude aangenomen zijn door iemand »die niet als zijne buren op een klein erfjen, maar op eene aanzienlijkehofstedewoonde”, gelijkLeendertz(Navorscher,dl. XXVIII, bl. 620) meent, is mogelik, maar komt my toch niet waarschijnlik voor. Liever wil ik hier aan een patronymikon blyven denken. Het is dus twyfelachtig, of de beide laatstgenoemde namenSteengeenHofsteengewel tot deze groep van geslachtsnamen moeten gerekend worden, en of zy misschien niet tot de geslachtsnamen, aan plaatsnamen ontleend, behooren.§29. De Friesen hebben in hunne taal veel eigenaardigs, veel byzonders. Dit blijkt ook uit hunne eigennamen. Onder hunne geslachtsnamen zijn vooral die welke opiaeindigen, zeer byzonder. Deze hebben zulk een vreemd voorkomen,Siniab. v.,RuniaenTania, dat niet-Friesen deze namen bezwaarlik als oorspronkelik nederlandsche geslachtsnamen gelden laten. En toch zijn ook dit goed germaansche, echt friesche namen. Want het zijn samengetrokkene, verfloeide,versleteneformen van de patronymika, opingaeindigende. Zoo isBothniaoorspronkelik en voluitBothinga, Bottinga; Siniais eigenlikSininga; TaniaisTanninga, enz.Deze zonderlinge afslyting vaningatotia, vanSiningatotSinia, vond hare eerste aanleiding zekerlik in de byzondere, zachte uitspraak der friescheg. Eene eigenaardige uitspraak die nog zoo veel te flauer wordt, wanneer eenendegvoorafgaat, en daar door de letterverbindingnggeboren wordt, die eigenlik als eene byzondere, op zich zelve staande letter aan te merken is, zoo als in den patronymikalen uitgangingahet geval is. Vele woorden, die in andere germaansche talen met eenegbeginnen, hebben in de friesche taal tot eerste letter eenej. Zoo is het nederlandsche woordgeven, hoogduitschgeben, engelschto give, deenschgive, zweedschgifva, in het Frieschjaen, Oud-frieschjeva; zoo is het nederlandschegave,gift, in het Frieschjefthe; het nederl.gister, hoogduitschgestern, is in ’t Fr.jisterofjüster, en ’t nederl.garen, hoogd.garn, in ’t Fr.jern(men spreekt uit alsjen); in beide laatstgenoemde woorden overeenstemmende met het Engelsch, dat degook totjverzacht heeft, inyesterdayenyarn. In den hedendaagschen naam van het dorpDongjumby Franeker, oudtijdsDodinga-heimof de woonplaats derDodinga’s, derDodingen, der nakomelingschap vanDodoofDoede—heeft, inde schrijftaal, de oorspronkelikegvan het patronymikonDodingaeenejnaast zich gekregen. In de spreektaal echter is degvolkomen doorjvervangen, want de Friesen spreken dezen dorpsnaam alsDonjum, DoinjumofDünjumuit; de juiste uitspraak is met nederlandsche klanken moeielik af te beelden. Even zoo is het met den naam van het dorpDedgum(Deddingum, Deddinga-heim, van den mansnaamDeddo), die steeds alsDedjumuitgesproken wordt; en met den dorpsnaamPingjum(Pingia-heim, Pinninga-heim, van den mansnaamPinne, Penne), dien de Friesen alsPeinjum, zelfs alsPeiumuitspreken. De hedendaagsche dorpsnaamAnjumschreef men oudtijds voluit, alsAninghem(Aninga-heim). Het duidelikste voorbeeld om den overgang vaningatotia, vanSiningatotSiniaaan te toonen, levert het woordpenning(a)op, dat in het Friesch alspenje,peinje(pennia) uitgesproken wordt, en in het Engelsch totpennyversleten is. Daarentegen heeft dit zelfde volle en oorspronkelike woordpenningin het hedendaagsche Hoogduitsch eenenverloren, en is totpfennigversleten, even als b. v. de geslachtsnaamHudingtotHudig(zie bl. 61).Maar bewyzen te over, dat de frieschegwel alsjwordt uitgesproken. Passen wy deze uitspraak nu ook op degvaningatoe, dan luidt b. v.SiningaalsSininja. En neemt men dan hier by in aanmerking dat de volle nadruk by deze patronymika op den eersten lettergreep valt, en dat de laatste lettergreep slechts eenen halven klemtoon heeft, terwijl de middelste toonloos is, dan is de overgang vanSininjatotSiniawaarlik niet groot. Integendeel, zeer gemakkelik, geleidelik en als van zelven floeiende. En even zoo leidde ’t oorspronkelikeBottinga, door d’ uitspraakBottinjatotBotniaofBothnia, enTanninga, doorTanninja, totTania.Dat overigens werkelik en in der daad de geslachtsnamen opiaeindigende, ontstaan zijn uit die welke opingauitgaan, blijkt ook hieruit, dat de naam van ’t oude geslacht †Gratinga, GrætingaofGrettinga(alle drie spellingen komen voor), dat op de nog bestaandeGrettinga-statete Almenum (Barradeel, Friesland) gezeten was, en waarvan de buurtGratinga-ofGrettinga-buren, by Harlingen, haren naam ontleend heeft,in oude oorkonden zoo welGratingaalsGretniagenoemd wordt. En even zoo wisselen by één en het zelfde geslacht de namenHottingaenHotnia, UningaenUnia, WyningaenWyngiaenWyniaelkanderen af, in oude geschriften. En eveneens blijkt dit ook hieruit, dat het geslachtBurmaniain eene oorkonde van den jare 1300,27alsBurmanningavermeld wordt.28In de middeleeuen, toen de friesche taal hare volle formen opaenia(mula= mond,biwaria= bewaren) nog behouden had, en men die uitgangen nog duidelik, onderscheidenlik uitsprak, toen spraken de Friesen die samengetrokkene namenSinia(– ⏑ –), enz., ook juist zóo uit, als zy ze schreven, en zóo, als wy ze nu nog schryven. Maar sedert is de friesche taal verloopen, en heeft hare volle formen verloren. Sedert de 16deeeu spreekt men niet meermula, maarmule(mûle, met hoogduitscheu, ten naaste by als nederlandschmoeledus); en niet meerbiwaria, maarbiwarje. En juist zóo is ook de uitspraak der geslachtsnamen, die opiaeindigen, veranderd en verloopen. Men spreekt tegenwoordig niet meer voluitSinia, maarSiinje(Sînje, Synje, – ⏑); niet meerTania, maarTanje; niet meerRunia, maarRûnje(ongeveerRoenje) enRüünje. Heden ten dage is dit de algemeene en gewone uitspraak dezer namen by de Friesen; en dat deze zelfde uitspraak ook reeds in vorige eeuen bestond, blijktuit menige oude oorkonde. Zoo vind ik, al weêr in ’tOorkondenboek van ’t leeuwarder St. Anthonij-Gasthuis, in een stuk van den jare 1542, den geslachtsnaamDoniageschreven alsDonye, en in een stuk van het jaar 1562, alsDoenye.—Haniastaat in het laatstgenoemde stuk alsHanyegespeld.Wyngia, in eene oorkonde van 1558, alsWyngie.—†Ringia, in 1566, alsRyngie; †Fernia, in 1595, alsFernij.—Uniaeindelik, in een geschrift van 154729, alsOenye.Toch begint deze oude, maar niet oudste uitspraak, die in d’ eigenaardige uitspraak der friesche taal in ’t algemeen gegrondvest is, heden ten dage, in den mond van sommige Friesen weêr te wyken voor de uitspraak naar de letter. Hollandsche onderwyzers vooral, die, met de friesche taal volkomen onbekend—dwaas genoeg!—den mond van friesche kinders gewelddadig naar hunne hollandsche uitspraak dwingen, zijn hiervan de oorzaak. En zoo hoort men tegenwoordig de namenSinia, Tania, Runiawel weêr juist zóó uitspreken als zy geschreven worden. Maar de meeste Friesen,sliucht end riucht, blyven voor en naSiinje, Tanje, Rûnjeuitspreken.Tot een ander, tegenovergesteld uiterste zijn die lieden vervallen, welke deze geslachtsnamen opia, het eerst zóógeschrevenhebben, als men ze uitspreekt; die dus niet slechtsFiinjespraken, zoo als het trouens ook goed was en is, maar die ookFynjeschreven. Ten gevolge van deze slordige, in de vorige eeu meest opgekomene schrijfwyze, vertoonen sommige oud-friesche patronymika opia, als hedendaagsche geslachtsnamen dien leeliken schrijfform opjaenjeeindigende.Rynja, Synje, Bruinje, Veenje, in plaats vanRinia, Sinia, Brunia, Fenia. EnFynje, verbasterd vanFinia, is in Holland nog weêr meer verbasterd in spelling en uitspraak beide; te weten alsFijnje, gesprokenFeinje! Een gruwelike wanklank in de fijn-gevoelige ooren der Friesen! Maar dwazer nog als deze verbastering is van het friescheFininga=Finiatot een hollandschFijnje=Feinje, ergerliker nog heeft men gehandeld door van den geslachtsnaamTania, Tanjeden schijnbaar-franschen naamTanjéte maken.Pieter TaniaofTanje, te Bolswart geboren in 1706, was een beroemd plaatsnyder (graveur). Hy vestigde zich in Holland, en droeg daar den naam vanTanjé! Wat een domheid, en wat een kleingeestige elendigheid, om zóó de Franschen na te apen! Zie §165.
§18. Eene byzondere groep van geslachtsnamen wordt geformd door die patronymika, welke achter den uitgangingnog het aanhangselson,senof eene enkelesvertoonen. Diesis hier anders niet als het kenmerk van den tweeden naamval waarin het woord of de naam staat. Het zijn dus namen die te gelijker tijd de kenmerken vertoonen der oude en der nieue patronymikale formen; zie §4, 5 en 6. In taalkundig opzicht kunnen zy ter nauer nood verdedigd of goedgekeurd worden. In hunnen hedendaagschen, dubbelen form zijn zy ongetwyfeld ontstaan in den tijd toen men de beteekenis van den uitgangingniet meer kende, dien uitgang niet meerverstond. Dat ontstaan moet verklaard worden op deze wyze: een man heetteLeenderten droeg den toenaam vanHemming, een oud patronymikon, ontleend aan den vóórnaam van zynen stamvaderHemmo. De vader, grootvader en nog menig oudvader vanLeenderthadden allen reeds dat patronymikon als vaste toenaam gedragen. Door de eene of andere byzondere omstandigheid, misschien ter onderscheiding van andere mannen in de onmiddellike omgeving vanLeendert Hemming, die eveneensLeendertheetten, werd onze man in het dageliksche leven door zyne buren, vrienden en verdere tijdgenooten niet by zynen voornaamLeendertgenoemd, zoo als anders gebruikelik was, maar by zynen toenaamHemming. Weldra kende byna niemand hem anders als by den naamHemming, en raakte zijn voornaamLeenderthaast geheel vergeten.Hemming’szoonRutgerdie in den tijd leefde toen de gewoonte in zwang kwam om den voornaam van den vader, in den tweeden naamval, met of zonderzoondaar achter, den zoon als toenaam te geven,—Hemming’szoonRutgernoemde zich dien ten gevolge dan ook nietRutger Leenderts zoon, ofRutger Leendertssen, ofRutger Leenderts, zoo als het volgens recht zijn moest, maarRutger Hemming’s son(zoon). Hy maakte zich een patronymikon als toenaam, naar de gewoonte van den tijd waarin hy leefde. Echter niet van zijn vaders voornaam, maar van het oude patronymikon dat eigenlik zijn vaders toenaam was,ofschoon het in de plaats van den voornaam gebruikt werd. En de kinderen vanRutger Hemmingson(de twee letterssvanHemmingsson, in d’ uitspraak niet afzonderlik te hooren, smolten in geschrifte al spoedig tot eenessamen) behielden hun vaders toenaam ook als hunnen toenaam aan. En zoo werd in verloop van tijd datHemmingsoneen vaste geslachtsnaam, zoo als het nog heden is. In plaats van ditsonofzooner achter te voegen, nam men het vaderlike patronymikon ook wel eenvoudig in den tweeden naamval als toenaam aan. En zoo kwam b.v. van het oude patronymikonAlink, de toenaamAlinks(voluit desAlinkszoon), nog heden als geslachtsnaam by ons voorkomende. Strikt genomen wilHemmingsonzeggen: zoon van den zoon vanHemme; enAlinks, zoon van den zoon vanAle. Men gevoelt dat deze naamformen eigenlik monsters, misbaksels zijn, in strijd met het wezen der taal. Zy konden dan ook slechts gemaakt worden en in gebruik komen, toen men de oude patronymika niet meer verstond; toen het volk niet meer wist datHemmingenAlinkreeds zoon vanHemme, zoon vanAlebeteekenden; toen men de kracht van datingniet meer gevoelde.HemmeenAle, waar van bovengenoemde patronymika ontleend zijn, komen by de hedendaagsche Friesen nog dikwijls als mansvóórnamen voor.Zulke dubbelde patronymika zijn niet aleen in de Nederlanden, maar evenzeer in Engelland, en ook wel in Duitschland, vaste geslachtsnamen geworden.—Zie hier eenigen, die nog heden als nederlandsche maagschapsnamen in gebruik zyn:Beerlings, Bennigsen(oorspronkelikBenningsson, Benning’s son, zie bl. 28).13Deze patronymika zijn ook allen weêr van mansvóórnamen afgeleid, waar van eenigen nog in gebruik zijn:Bruno, Otto. Anderen komen nog in Friesland voor:Boie, Benneenz.Eldertis ook nog bekend. EnThiadbern, waarTjaberingsvan afkomt, is een oud-friesche mansnaam, die voor een paar eeuen nog in de friesche streken tusschen Eems en Weser voorkwam. De overige namen kan men inFörstemann’sNamenbuchnasporen.§19. Als in eenig woord eeneken eenesonmiddellik op elkanderen volgden, dan vervingen de oude Nederlanders, in hun schryven, die twee letters meestal door eenex. Zoo schreven zy b. v. de woorden:des konings brug,des koninks brugge, alssconincx brugghe;monniks-kleêrenalsmunnicx ghewaed. Ook by ’t boekstaven hunner eigennamen handelden zy zoo, en schrevenFeddrixmaenHaaxbergen, welke namen wy tegenwoordig beter alsFeddriksmaenHaaksbergenspellen. In sommige eigennamen bleef diextot den dag van heden in gebruik; b. v. in den frieschen geslachtsnaamBlinxma, dat isBlink-sma, en beteekent: zoon vanBlinke. Deze naam is weêr een verkleinform (Blin-ke) van den oorspronkeliken mansvóórnaamBlin, die byFörstemannalsBlion, Bliunvoorkomt. Verder in de friesche plaatsnamenBoxum, Waaxens, enz. Ook schreef men voor weinig jaren nog algemeenBoxtel, Axel, Nibbixwoud; thans meerBokstel, Aksel, Nibbikswoud, zoo als ’t ook beter is. Vooral in de zuidelike Nederlanden zit diexin menige eigennaam nog vast in den zadel; b.v. inDixmude, Exaerde, Sint-Antelinckx, namen die men in de nieuste spelling ook alsDijksmuiden, Eksaarde, Sint-Antelinksboekstaaft. En zoo vinden wy in de zuidelike Nederlanden, vooral in Vlaanderen, die geslachtsnamen, welke eigenlik zijn opink(inck,ynck) eindigende patronymika, in den tweeden naamval, meestal met eenexgeschreven; b. v.Bollinckx, Bruyninckx, Cnapelinckx,Daggelinckx,14enz. Ook deze patronymikale geslachtsnamen zijn natuurlik allen weêr aan mansvóórnamen ontleend. Het zuidnederlandscheBruyninckxverschilt slechts in spelling van het noordnederlandscheBruinings, maar komt er in oorsprong en beteekenis volkomen mede overeen. De maagschapsnamenDuerinckxenTuerlinckxstammen af van eenen en den zelfden mansvóórnaam; namelik vanDure, Ture, Thuro. Deze naam was reeds by de Gothen in gebruik—immersThurowas een gothische bevelhebber—, en ook het landThüringenin Duitschland ontleend zynen naam van dien mansvóórnaam.Tuerle, de naamsform die aan het patronymikonTuerlinckxten grondslag ligt, is oorspronkelik anders niet als een verkleinform (Turlyn) vanTure. Ook in Friesland treffen wy dezen ouden mansvóórnaam nog aan in geslachts- en plaatsnamen. Te weten in de geslachtsnamenDuursma, Duursema, DuringenDuurs, nevensDürigenenVon Düringsfeldtin Duitschland. Verder inDuurswolde, zoo als een dorp heet in Opsterland (Friesland), en eene landstreek in Fivelgo (Groningerland).Düringenis de naam van een dorp by Bremen. Van den verkleinformDuurke(het zelfde alsTuerle, maar in andere gouspraak) stamt de groninger geslachtsnaamDuurkens, en de plaatsnaamDuurkenakker, een gehucht by Muntendam in Groningerland. De geslachtsnamenCnapelinckx, Hebbelynckx, Ratinckx, of liever de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, zijn op bl. 41, 42 en 37 reeds besproken.HellynckxenHellinckxhebben hunne tegenhangers in de friesche patronymikale geslachtsnamenHellingaenHellenga. Verder inHellynck, Hellink, HellingenHellings, en in den samengestelden maagschapsnaamHellinghuizer. Al deze patronymika zijn afgeleid van den oud-germaanschen mansvóórnaamHello, die inFörstemann’sNamenbuchvermeld wordt, en die tevens oorsprong gaf aan vele andere geslachts- en plaatsnamen. Te weten aanHellemaenHelma, HellenenHelles; aanHellum, een dorp in Fivelgo, en aanHelwert, een gehucht by Rottum in Hunsego, beide in Groningerland; aanHellingen, een dorp in Luxemburg; aanHellinghen, een gehucht by Hérinnes-lez-Enghien in Henegou; aanHellinghillin Northumberland (Engelland); aanHellinghausen, een dorp by Lippstadt in Westfalen, enz. InSnellinxen in ’t eveneens voorkomendeSnellingsvinden we het patronymikon van den oud-germaanschen, in Friesland nog een enkele keer voorkomenden mansvóórnaamSnello, Snel, die ook oorsprong gaf aan de geslachtsnamenSnellenenSnellens, en, in verkleinform, aanSneltjes, alle drie tweede-naamvalsformen, en zoon vanSnellobeteekenende. Ook aan de plaatsnamenSnelleghem(dat is eene samentrekking vanSnelling-hem, Snellinga-heim) een dorp in West-Vlaanderen, enSchnellingen, een dorp byHasslachin Baden. Eenen tegenhanger vanden vlaamschen geslachtsnaamSurinxvinden wy in den frieschen, in Groningerland inheemschen geslachtsnaamSuringa. Verder inSühring, dat ik te Bremen vond; in het gelderscheSurink; in ’t afgesletene, te Antwerpen voorkomendeSuerickx(dat is oorspronkelik ookSuerincks); en hoogst waarschijnlik ook in het nog meer versleteneSuryenSurie. In den samengestelden geslachtsnaamSuringbroekkomt dit patronymikon almede voor. EnSürenenSuersen, namen van buitenlandschen, westfaalschen en noordfrieschen oorsprong, maar die ook in Nederland voorkomen, zijn eveneens patronymika van den ouden, buiten gebruik gestelden mansvóórnaamSuur, Sure. Deze naam is slechts eene samentrekking van den vollen formSuder,Sudhari, een oud-germaansche mansnaam, die blykens de hedendaagsche friesche geslachtsnamenZuidermaenZuidersmaoudtijds ook door Friesen gedragen werd. De stamform van den mansnaamSudhari(Suder, Sure) isSudo, die inFörstemann’sNamenbuchvermeld wordt, en oorsprong gaf aan de friesche geslachtsnamenSudinga(in Oost-Friesland inheemsch),Zuidinga(in Drente),Suiding, Suydema, SuidemaenZuidema, allen patronymika. Het patronymikon van den mansnaamSudharvind ik reeds in de middeleeuen, ook in Vlaanderen;Laureins Zuerincwas een poorter van Brugge, ten jare 132015.In eene oude oorkonde vind ik nog dat ten jare 1328 zekereJan Geylincxburger was der stede Geraertsbergen in Vlaanderen. Dat jaartal moet ongeveer de gemiddelde tijd voorstellen waarin deze zonderling geformde dubbelde patronymika eerst opgekomen zijn. In de zuidelike Nederlanden mag dit ook nog wel eene eeu vroeger voorgekomen wezen, even als in de noordelike gewesten eerst een honderdtal jaren later.§20. Eene kleine groep van geslachtsnamen wordt geformd door eenige oude patronymika, die vóór den oorspronkeliken mansvóórnaam, waarvan zy afgeleid zijn, nog een voorvoegsel vertoonen, bestaande uit de woordengrootofklein,oudofnieu. B. v. de geslachtsnamenGrootnibbeling, Kleinstarink, Oudewesseling,Nyemanting, ook wel, en beter,Groot-Nibbeling, Klein-Starink, Oude-Wesseling, Nye-Mantinggeschreven. Deze geslachtsnamen zijn niet onmiddellik ontleend aan patronymika, die als toenamen van personen in gebruik waren, zoo als dit met alle andere tot hier toe vermelde patronymikale geslachtsnamen wel het geval is. Zy zijn onmiddellik ontleend aan de namen van boerenerven of hoeven; en eerst in de tweede plaats of middellik aan de oude patronymikale toenamen der geslachten welke deze erven in eigendom bezaten en bewoonden. Zie bl. 23. Het ontstaan dezer geslachtsnamen had op de volgende wyze plaats. De boerGerlof Eitinge, die zynen patronymikalen toenaam ontleende aan den naam van zynen voorvaderEite, en die, even als zyne voorouders, geslachten en geslachten vóór hem, het erveEitinge, zoo genoemd naar den eigenen toenaam van zijn geslacht, in eigendom bewoonde,—die drentsche boerGerlof Eitingehad twee zoons. De oudste daar van erfde, naar vaste zede, die voorouderlike bezitting. Maar, ten einde den jongsten zoon, wien hy misschien eene byzondere liefde toedroeg, eenigszins schadeloos te stellen, nam de oudeGerlofnog by zijn leven een deel van de landeryen af van het oude erve, boude daar op een huis, en schonk dit nieue gedeelte dien tweeden zoon. Nu waren er twee afzonderlike landhoevenEitingenaast elkanderen; beiden ook door eenenEitingebewoond. Niets natuurliker dus, dan dat men, ter onderscheiding, het eene, het oorspronkelike erve met den naamGroot-Eitingenoemde, en aan het andere den naamKlein-Eitingegaf. En deze namen gingen van de hoeven weêr zeer gereedelik over op de bewoners er van, die beiden oorspronkelik reedsEitingenwaren, maar nuAlbert GerlofsGroot-EitingeenMeindert Gerlofs Klein-Eitingegenoemd werden. Of een andere (ditmaal een geldersch- of liever zutfensch-saksische boer, noemen we hemGarrit Bekkink) ontgon een heideveld dat aan zyne landeryen paalde. Hy boude daar een huis, en richtte alles tot eene nieue hoeve in, voor eenen zyner zonen, om de zelfde reden als boven opgegeven is. Natuurlik moest die nieue hoeve ook den ouden naamBekkinkdragen; ze was immers, als ’t ware, een uitvloeisel van het oude erveBekkink, en werd ook door eenenBekkinkbewoond.Maar ter onderscheiding noemde men het eene erveOud-Bekkink, het andereNieu-Bekkink, en ook deze namen gingen weldra op de bezitters dier hofsteden en op hun nageslacht als vaste toenamen over.Het getal dezer eigenaardige geslachtsnamen is niet groot, en zy zijn slechts in de saksische gouen van ons land, in Drente, Twente en de graafschap Zutfen inheemsch. In Friesland komen oude patronymika, met de voorvoegselsoudennieu,grootenklein, en door de zelfde of soortgelyke oorzaken, als hier boven vermeld is, in het leven geroepen, ook wel voor als namen van staten en saten, van edelmans- of boerenerven; b. v.Groot-Aysma, Klein-Donia, Oud-HemmingaenNy-Hemminga, enz. Maar zulkeplaatsnamen, met die voorvoegsels verbonden, zijn dáárnooitals toenamen vanpersonenin gebruik gekomen, noch tot vaste geslachtsnamen geworden, zoo als in de saksische gouen wel het geval geweest is.De volgende geslachtsnamen stellen deze groep samen:Olden-Banning, Nyen-Banning, Ool-Bekkink.16De formenoldennyin deze namen, in plaats vanoudennieu, geven getuigenis van het volk van saksischen stam, waar by deze namen eerst ontstonden.—Ool, byOol-Bekkink, beeldt de eigenaardige uitspraak af van het woordold, zoo als dat by eenige saksische stammen, aan de oostelike grenzen van ons land gezeten, gebruikelik is; zie §156.Al deze patronymika zijn weêr van oud-germaansche mansvóórnamen ontleend. By de namenOlde-Bronninge, Ny-Hoving, Olden-Huisingzoude men misschien wel aan eene oude bron of put, aan een nieu hof of een oud huis denken. Toch schuilen ook in deze namen echte mansvóórnamen.HuisingvanHusois op bl. 29 en 30 reeds besproken.BronningeenHovingkomen vanBronnoenHove, Houe, Haue, namen die in Friesland nog in gebruik zijn, en waarvan ook de friesche patronymikale geslachtsnamenBronninga, HovingaenHovengaontleend zijn, metBronnema, Bronkema, Bronsema, Brondsema, BrontsemaenBrons, HovingenHofma.Opmerkelik, maar gemakkelik te verklaren is het dat men, naast bovengenoemde samengestelde patronymika, ook de enkelvoudige formen dier namen als geslachtsnamen in gebruik vindt. Zoo bestaan in Drente, nevensOlden-enNyen-Banning, Nye-Manting, Ny-Hoving, Ny-Huising, Olden-WeningenOlden-Wavingde geslachtsnamenBanning, Manting, Hoving, Huising, WeningenWaving. Elders weêr nevensOol-Bekkink, Klein-Bentinck, Klein-Budding, Olde-Dubbelink, Klein-StarinkenKlein-Ubbinkde enkelvoudige namenBekkink, Bentinck, Buddingh, Dubbelink, StarinkenUbbink.Dubbelink, in Friesland alsDubblingavoorkomende, is een patronymikon, waar van de oorspronkelike mansvóórnaam niet zoo gemakkelik aan te wyzen is. Die oorspronkelike naam isDietboltin oud-saksischen,ThiebaldofThiebautin oud-frankischen form; voluitTheodbald. Door verzachting en afslyting is die naam in den loop der eeuen by het nederlandsche volk totDubbelt, Dubbel, Dobbelgeworden. In Friesland komt hy nog heden ten dage in den formDubbelt, als mansnaam voor.Dubbelink(ook eene havesate in Twente draagt dien naam) is dus een versletene form van ’t oorspronkelikeTheodbalding.§21. Naast deze groep van patronymikale geslachtsnamen met eenvoorvoegsel, bestaat er ook eene groep van zulke namen waar een aanhangselachtergevoegd is, en wel ’t een of ander gemeen-zelfstandig naamwoord, meestalhuisofhof. Een huis of eene landhoeve, die soms eeuen lang door één en het zelfde geslacht in eigendom bezeten en bewoond is, neemt gereedelik den naam van dat geslacht als eigennaam aan, en wordt danMeininghuisgenoemd ofRogerinkhof, naar de geslachtenMeiningofRogerink, waaraan ze toebehooren. Kwam nu ditMeininghuisof ditRogerinkhoflater in andere handen, en wel van iemand die b. v. slechtsEvert Janszoonheette, maar die geen afzonderliken geslachtsnaam had, dan ging de oude naam van huis of hof wel op den nieuen eigenaar over, en werdhy weldraEvert Jansen MeininghuisofEvert Jansz. Rogerinkhofgenoemd, welke naam dan later tot een vaste familienaam van zijn nageslacht werd.Deze patronymikale geslachtsnamen met een achtervoegsel zijn dus, even als die van de voorgaande groep, eigenlik plaatsnamen en slechtsmiddellikaan eenen mansvóórnaam ontleend, even als dezen.Talrijk zijn deze geslachtsnamen in de Nederlanden niet. In Duitschland komen zy meer voor; b. v.Ellinghaus(alsVan Ellinckhuyzenin Nederland voorkomende),Bellingrath, Collinghorst. En nog veel meer in Engelland:Bolingbroke, Carlingford, Paddington, Elkingham. De volgenden zijn my in de Nederlanden voorgekomen:Barlinckhoff, Bruyninghuys, Bruininkweerd.17Deze namen zijn allen met ware patronymika samengesteld, die wel geen naderen uitleg behoeven, na alles wat daaromtrent reeds is medegedeeld. De byzondere schrijfwyze van den naamGussenklo, die op redelike gronden niet verdedigd worden kan, dankt haar ontstaan aan den wensch om de lettergrepen van dezen naam wel te onderscheiden, om wel te doen uitkomen dat hetGussenk-lois (Gussink-looware nog beter), en niet iets anders, b. v.Gussen-klo; wat trouens ook geen verstandig mensch zal meenen. Zie bl. 33.§22. Eene kleine groep van nederlandsche geslachtsnamen omvat oude vadersnamen met eenen latynschen uitgang. Van dezen noemen wy:Gardingius, Grevinchovius, Hachtingius.18—Grevinchoviusis verlatynscht vanGrevinkhof, een geslachtsnaam tot de voorgaande groep behoorende. OverHachtingiuszie men bl. 34; overHallungiusbl. 36 en 42.Hundlingiusheeft den oud-germaanschen mansvóórnaamHundo, Hunt, Honttot oorsprong, en wel in verkleinform alsHundle, Hondelyn. VanHundle, Hondelezijn ook nog de geslachtsnamenHondelink, HündlingenHondela, de twee laatsten in Oost-Friesland voorkomende, afgeleid. En van den mansnaamHuntin zynen oorspronkeliken form: de geslachtsnamenHondingain Groningerland (Hondinga-sateis te Pieterburen in Hunsego), misschien ook het verlatynschteHondiusin Holland,Huntingin Friesland en Engelland, metHundingenHuntingtoneveneens in Engelland. En van de zeer talryke plaatsnamen van dezen ouden mansnaam afgeleid, noemen we slechtsHondeghem(Hondinga-heim), een dorp in Fransch-Vlaanderen;Hunting, een dorp in Lotharingen;Huntingdonin Engelland;Hündlingen, een dorp in den Elsasz, enz.§23. In de oude friesche taal gaan vele woorden, die in de andere nederlandsche talen en tongvallen, ’t zij dan saksische of frankische, op eene toonloozeeeindigen, of ook zonder openen uitgang zijn, op eeneauit. Zoo luidt ook de uitganging(inge,ink) der vadersnamen, die overigens aan alle nederlandsche gouspraken, ja aan alle andere germaansche talen eigen is, in het Friesch alsinga. En dezeais ook geheel het eenige wat de friesche patronymika onderscheidt van andere vadersnamen, in de andere nederlandsche gewesten voorkomende. Even als dezen zijn de friesche patronymika louter van mansvóórnamen, natuurlik meest van friesche mansvóórnamen afgeleid. Even als dezen komen ze ook heden ten dage voor in verschillende spellingen, en op verschillende wyzen saamgetrokken of versleten. Ook zijn de friesche vadersnamen van zeer ouden oorsprong. Reeds in de 9deeeu vinden wy het geslachtCammingha, nog heden bestaande, vermeld. Intusschen zulke patronymika zijn ongetwyfeld nog veel ouder.De oude friesche patronymika zijn in grooten getale als hedendaagsche geslachtsnamen in leven en gebruik gebleven. Zy zijn over de geheele hedendaagsche provincie Friesland verspreid. Tot dat gewest uitsluitend beperkt, zijn zy echter geenszins. Even als de andere friesche opaeindigende geslachtsnamen (nieuere patronymika en andere formen) komen ze even zeer voor in de oud-friesche landstreken tusschen Lauers en Eems en Weser, in het hedendaagsche Groningerland en Oost-Friesland. Daar zijn deze namen van ouds her even zoo inheemsch en volkseigen als bewesten Lauers. In laatstgenoemdelandstreek (het nederlandsche Friesland) zijn ze niet gelijkmatig over het geheele land verspreid. In Oostergo en Westergo komen zy veel talryker voor dan in de Zevenwouden.Hier volgen eenige oud-friesche vadersnamen, die allen den zuiveren ouden form opingaeindigende, vertoonen:Abbinga, Benninga, Bottinga19. Deze namen komen, met zeer vele anderen soortgelyken, nog heden als geslachtsnamen in de friesche landstreken van Nederland voor, en zijn ook allen ontleend aan mansvóórnamen, die nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. B. v. aanAbbe, Benno(Binne) (zie bl. 28),Botte, Gau(meest in verkleinform alsGauke, Goukevoorkomende),UbboofObbe, enz.Eenige friesche geslachtsnamen opingauitgaande, stammen van mansvóórnamen af, die geenszins zoo gemakkelik zijn aan te wyzen als by de bovenvermelde namen het geval is. De mansnamen waar de volgende vadersnamen van zijn afgeleid, komenofslechts in zeer versletenen form voor,ofze zijn by de Friesen in het geheel niet meer in gebruik. Zulke geslachtsnamen zijn b. v.Eckringa, FolkeringaenFolkringa, Kleveringa enCleveringa20.Eckringais voluitEckhardinga, en afgeleid van den mansnaamEkhart, Ekkehart, Eckart, die in Duitschland nog wel in gebruik is.—Folkringais oorspronkelikFulkhardinga, vanFulkhart, Folkert.—KleveringaenCleveringais saamgetrokken en versleten vanKlefhardinga, het friesche patronymikon van den oud-germaanschen mansnaamKlefhart, Cleffehart, die weêr eene samenstelling is van den nog ouderen enkelvoudigen naamCleffo, Claffoen van den naamstamHart. Even alsFulkhart(Folkert) vanFulco(Folke) enHart; Ekhart(Ekkert) vanEkke, EccoenHart; Rikhart(Richard, Rykaert) vanRicoofRijkenHart. Hoe oud die naamCleffoofClafforeeds is, kan men inFörstemann’sNamenbuchopzoeken. Hy was reeds by de Longobarden in gebruik. ImmersClaffo, zoo heette de zesde, enCleph(’t welk de zelfde naam is in eene andere spelling), de elfde koning van dat oud-germaansche volk. Ook de beteekenis van dezen naam leertFörstemannte zoeken in het oud-hoogduitsche woordklaphôn, in het oud-noordsche woordklappa, waar het begrip vanslaan,stootenin ligt opgesloten, en waar ook het woordanaklaf, dataanvalbeteekent, van afgeleid is. Die oude woorden hebben dus eene krijgshaftige beduidenis. Maar ook het hedendaagsche woordkleven, ofschoon nu slechts in eene zeer gewyzigde beteekenis in gebruik, zal er wel oorspronkelik mede samen hangen. Van den mansnaamKlefhart, Klevertzijn niet enkel de twee bovengenoemde byzonder-friesche patronymika ontleend, maar ook de vadersnamen in algemeenen formKleveringenClevering, benevens het nog meer samengetrokkeneCleringaenKlering, alle vier nog hedendaagsche geslachtsnamen. Opmerkelik is het dat al deze zes zoo na verwante geslachtsnamen in Groningerland inheemsch zijn. Zeer waarschijnlik stammen al deze nu verschillende geslachten van één en het zelfde oorspronkelike geslachtKlefhardingaaf, en dus ook van één en den zelfden stamvaderKlefhart, die dan de eerste grondvester was van de sateCleveringa-heertte Uithuizen in Hunsego. Het schijnt dat een tak van dit oud-friesche geslacht, of misschien een enkele man er van, deelgenomen heeft aan den gemeenschappeliken uittocht van Angelen, Saksen en Friesen naar Groot-Brittanje. Wy vinden althans dit zelfde patronymikon, in den formClavering, nog heden ten dage als de naam van een engelsch geslacht. VanCleffois de hedendaagsche geslachtsnaam (friesch patronymikon in nieueren form)Kleefsmaook afkomstig, en van den verkleinformKleefkedegeslachtsnaamKleefkens. Deze zelfde mansnaam gaf ook oorsprong aan den plaatsnaamKleffens(dat is waarschijnlik eene samentrekking vanKleffingen), zoo als een gehucht heet by ’t dorpke Raart in West-Dongeradeel by Dokkum. En weêr door middel van dien plaatsnaam aan den naam van het in Oostergo gezetene geslachtVan Kleffens, waar van de voorouders, omstreeks het midden der vorige eeu, als landeigenaars op de sateKleffenswoonden, en toen dien geslachtsnaam aannamen. Nog zijn my als plaatsnamen,aan den mansnaamKlefhartontleend, bekend:Cleverns, een dorp in Jeverland (Oldenburger Friesland);Klieverink, eene havesate by Oldenzaal in Twente, enKleverskerke, een dorp op ’t eiland Walcheren.Dat de geslachtsnaamVitringahet patronymikon is van eenen mansvóórnaam die niet slechts tot onkenbaarheid toe versleten en ingekrompen, maar die tevens verkeerd gespeld is, blijkt uit de letterv, waarmede deze naam begint. Dievis, als beginletter van eenig woord, in de friesche taal volkomen onbekend. De Friesen kunnen die letter opdieplaats in het geheel niet uitspreken. Als beginletter spreken zy, en schryven dus zeer te recht ook, eenef, waar de Hollanders en andere Nederlanders eenevnoemen; nederlandschvrede= frieschfrede; nederl.vel= fr.fel, enz. Maar zoo wyVitringaal totFitringamaken, dan komen we geen stap nader tot oplossing van de vraag, welke mansvóórnaam ten grondslag ligt aan dezen vadersnaam. Liever verwisselen we dus die onmogelikevmet eenew, en denken dat misschien een geleerde man, uit dit geslacht gesproten, drie eeuen geleden, zynen naamWitringatotVitringaheeft verlatynscht. Die germaanschewimmers is geen latynsche letter, maar werd wel, waar men een germaansch woord dat onmogelik vertaald kon worden, in het Latyn wou schryven, met eenevverwisseld. EnWitringais, door vergelyking metEckringavanEkkehartenFolkringavanFulkhart(zie bl. 54) te verklaren alsWithardinga, het patronymikon vanWithart, of alsWitheringa(deehaast niet te laten hooren) het patronymikon vanWither, Witheri, oud-germaansche mansvóórnamen.ByKruisinga, Musschenga, Plantingazou men oppervlakkig eerder denken aan eene afleiding van de gemeen-zelfstandige naamwoordenkruis,muschenplant, dan aan mansvóórnamen. Dat echter ook deze geslachtsnamen echte patronymika zijn, aan mansnamen ontleend, lijdt by my geen twyfel, al kan ik dan die oorspronkelike mansnamen uitvinden noch aantoonen. OverMusschengaenMuischengahebben de heerP. LeendertzWz. en ik zelve in het tijdschriftDe Navorscher, dl. XXVII, bl. 78 en 80, en dl. XXVIII, bl. 75, het een en ander te berde gebracht. Om herhaling en te groote uitvoerigheid te myden, verwijsik den belangstellenden lezer dus dáár heen.—DatPlantingaenKruisingaware oude vadersnamen zijn, blijkt my uit zoo menige andere nederlandsche geslachtsnaam, die van den zelfden mansvóórnaam afgeleidmoetzijn. Nu er zoo vele geslachtsnamen (oude en nieue patronymika in allerlei formen) bestaan, waaraan dit zelfdeKruseenPlantten grondslag ligt, kan het niet missen of dit zijn in der daad mansvóórnamen geweest. Die geslachtsnamen zijnKruizenga, slechts in spelling vanKruisingaverschillende, even alsKruisinkenKruissink. De naamKruisingawordt in de friesche streken van ons land natuurlik alsKrusingauitgesproken, en in de friso-saksische en Saksische alsKroesinga, eigenlikKrusingamet hoogduitscheu. Van daar dat in Drente deze geslachtsnaam in den formKroezingavoorkomt. Verder de patronymika (in nieueren form) †Cruisema(het huisCruisemais by Hoogkerk in het Westerkwartier van Groningerland),KruysseenCruyce.—BehalvePlantinga, PlantengaenVan Plantingazijn my nog bekend de geslachtsnamenPlantema, Planting, Planten, Plantinus(†Plantynte Antwerpen), die allen van eenen mansvóórnaamPlantmoeten afstammen.§24. Even als by sommige geslachtsnamen de patronymikale uitganginkinenkveranderd is (zie bl. 36), zoo wordt ook by friesche patronymikale namen de uitgangingawel alsengageschreven. Maar terwijl deze verwisseling vaniineelders zeer zeldzaam is, komt ze in Friesland juist dikwijls voor. In Friesland maken de namen die op den verbasterden formengauitgaan, in getal wel de helft uit van de namen die op den oorspronkeliken formingaeindigen. Een ander verschil dan in spelling bestaat er overigens niet tusschen deze twee namengroepen. Als voorbeeld van zulkeenganamen noemen wy de volgenden:Boyenga(vergelijkBoyungaop bl. 59),Bonnenga, Douwenga21. Een groot deel van deze namen is ontleend aan mansvóórnamendie nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. Namelik aanBoie, Bonne, Douwe, Enno, Homme, Jette(komt meest in verkleinform voor alsJetse, eigenlikJet-tse, frieschts,tz=k),Libbe, Minne, Namme(ook meest in verkleinform alsNammele),OffeofUffoenWale.—Veenengakomt, met de geslachtsnamenVeninga, † Venia,Veenje, Feninga(de beste form),Fenenga, Fenega, Feening, Fening, Veenink, Venink, allen vadersnamen in verschillende formen, van eenen ouden mansvóórnaamFene, die waarschijnlik oorspronkelik één is met den oud-germaanschen mansnaamFin, inFörstemann’sNamenbuchvermeld.—Grimmengakomt van den mansvóórnaamGrim, die tegenwoordig in Nederland als zoodanig uitgestorven is, maar toch oudtijds onder de germaansche volken in gebruik was.GrimminkenGrimminck, de saksische formen van dit patronymikon zijn ook nederlandsche geslachtsnamen, even als de enkelvoudige naamGrimook.Grimmens, zoo heet een gehucht by Grootkerk of Hohenkirchen in Wrangerland (Oldenburger Friesland);Grimmingheis een dorp in Oost-Vlaanderen;Grimminghausen, een dorp by Herford in Westfalen, enGrimsthorpein Lincolnshire, Engelland.—Ruidengais denkelik eene verhollandsching vanRuudinga, en dit weêr eene verbastering vanRuurdinga, het patronymikon van den frieschen mansvóórnaamRuurd(Ruwart), waarin de Friesen de tweede letterrniet uitspreken.§25. Zoo als reeds een paar malen hier boven gebleken is, komen sommige friesche patronymikale geslachtsnamen in de beide formen voor, zoowel metingaals metenga; b. v.BottingaenBottenga, DallingaenDallenga, FellingaenFellenga, HavingaenHavenga, KempingaenKempenga, OostingaenOostenga. Dit is in der daad zoo veelvuldig het geval dat het allen schijn heeft als of telkens twee geslachten, die toevallig het zelfde patronymikon als geslachtsnaam hadden, by onderlinge overeenkomst, ter onderscheiding, het ééne geslacht den éénen form, het andere geslacht den anderen form zich had toegeeigend. Het onderscheid tusscheningaenengablijkt dan ookslechts in geschrifte. By ’t spreken is het niet hoorbaar, ten zy men het dan met opzet wil laten hooren.§26. Andere byformen van ’t oorspronkelikeingakomen by de friesche geslachtsnamen weinig of niet voor. De oude schrijfwyze alsingha, vroeger algemeen in gebruik, komt tegenwoordig nog slechts voor by drie namen. Te weten byVan Buttingha, Van CamminghaenVan Julsingha, die toevallig alle drie het voorzetselvanby zich hebben. Door hoogduitschen invloed is in Oost-Friesland het oorspronkelikeingaeen enkele maal inungaovergegaan; b. v.Boyunga, Hayunga, Sajunga. Maar binnen de nederlandsche grenzen heb ik dezen form niet ontmoet. Het friescheinghaenungakomt natuurlik geheel overeen met de uitgangeningh,inge,ingheenungby andere patronymika; zie bl. 32–37. Patronymikale geslachtsnamen, in den tweeden naamval (zie bl. 44), komen onder de friesche namen niet voor. Maar wel zijn er eenigen, die het voorzetselvanby zich hebben. Oorspronkelik behoort dit voorzetsel voor geen ééne friesche geslachtsnaam te staan. Het past er niet by. Het is eene tegenstrydigheid. Aleen in zooverre als men deze namen beschoud alsplaatsnamen, als namen van staten en saten, en er danvanvoor plaatst, geven zy eenen drageliken zin. Immers die staten en saten, die den patronymikalen naam dragen van het geslacht, dat er eerst in eigendom op gezeten was, b. v.Hottinga-state, Wallinga-sate, Wetsinga-sate, worden in de wandeling ook wel genoemd zonder dat woord state of sate er achter, even als ook in Twente en de graafschap Zutfen de vrye boerenerven zulke patronymika als namen dragen; zie bl. 23. De Friesen zeggen dus ook wel: »Ik ga naarHottinga”, of »ik woon opWallinga”, of »dou bist up Wetsinga berne”(gy zijt op Wetsinga geboren), en verstaan daar danHottinga-state, Wallinga-sateenWetsinga-sateonder. En op die wyzekunnenook de friesche geslachtsnamen metvaner voor, ontstaan zijn, en door lieden aangenomen, die, ofschoon oorspronkelik geenHottinga’sofWallinga’szijnde, op de staten of saten dier oude geslachten woonden of gewoond hadden. En waar zulke patronymika metvaner voor, de hedendaagsche namen zijn van oud-adellike friesche geslachten, b. v.Van Cammingha,Van Eysinga, daar is ditvaneen byvoegsel van lateren tijd, toen men dit voorzetsel, door hoogduitschen invloed, als een kenmerk van adeldom beschoude. Want oorspronkelik pastvanvoor geen friesche geslachtsnaam, ten zy dan voor eenen frieschenplaatsnaam(Van Kleffens, zie bl. 55). Behalve de bovengenoemde namen behooren tot deze groep nog de geslachtsnamen:Van Aldringa, Van Andringa, Van Hasinga, Van Hettinga, Van Hottinga, Van Idsinga, Van Wallinga, Van Wetsinga, enz. Grootendeels komen deze namen ook zonder dat overtolligevan, als geslachtsnamen voor:Andringa, Hottinga, Hettinga, Idsinga. Het patronymikon van den nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnden mansnaamEisevooral komt in velerlei formen als geslachtsnaam voor; alsEisinga, Van Eysinga, Eisenga, Van Eisenga, Eizenga, Van Eizinga, Eising, Eisinken ookEysinger; zie bl. 26. Buitendien bestaan nog de patronymikale maagschapsnamen, in nieueren form: †Eyssema, EizemaenEisma, EissenenEises, met het verlatynschteEyssonius. En de plaatsnamenEisink, een gehucht by Haren in Groningerland;Eisinghusen, een gehucht by Loppersum, en een ander by Nüttermoor, in Oost-Friesland;Eysinghem, een dorp in Zuid-Brabant;Eisingen, een dorp by Pforzheim in Baden, enz.§27. De patronymikale geslachtsnamen, tot hier toe vermeld, vertoonen allen, in hunne uitgangen,volleformen, al zijn die formen onderling dan ook nog zoo verschillend. Maar by eenige hedendaagsche geslachtsnamen, oorspronkelike patronymika, zijn die volle formen versleten. By namen die voor verre weg het grootste gedeelte, reeds zoo overoud zijn als dit by de ware patronymika het geval is, kan het geenszins bevreemding wekken, dat zy niet allen in hunne volle, oorspronkelike formen tot op onzen tijd in ’t leven gebleven zijn. Integendeel, ’t is eerder byzonder, dat het altijd maar een zeer klein gedeelte is van het groote getal patronymikale geslachtsnamen, dat zoo in versleten staat tot ons gekomen is. De geslachtsnamenHeenkenOonkb. v., ookBongametVan Bonga, enSinnighezijn zulke versletene formen. ByHeenkenOonkis eeneden eeneiverloren gegaan, byBongade lettergreepnin, bySinnigheenSinnigeeenen. Want deze namen zijn oorspronkelik en voluitHedink, Odink, BonningaenSinninghegeweest. Zie hier nog eenige andere geslachtsnamen tot deze groep behoorende, met de volle formen er achter:Beddigs(Beddings);Bennigsen(Benningsen—zie bl. 28 en 44);Diegerick(Diegerink; de geslachtsnaamDeegerinkis slechts een andere form hier van).22Moeieliker te verklaren zijn de geslachtsnamenBanga, TjeenkenSwynga. Oppervlakkig zoude menBangawel houden voor eene samentrekking vanBanninga, aan den mansvóórnaamBanneontleend, die ook aan de geslachtsnamenBanning, Olden-- enNyen-Banning(zie bl. 50),BannemaenBansten grondslag ligt, en even als ookBongauitBonningais saamgetrokken. DatBangaechter niet vanBanninga, niet van den mansnaamBannekomt, maar van den mansnaamBaue—dat deze geslachtsnaam versleten is uit het oorspronkelikeBauwingaof beterBauinga, blijkt uit den formBawnga, waar onder deze naam voorkomt in eene oorkonde, die in de friesche taal opgesteld is en van ’t jaar 1493 dagteekent.23In deze oorkonde wordt één en de zelfde man, die in een ander stuk van het jaar 148924Douwa Bangaheet,Douwa Bawnghagenoemd. Er komt in Friesland nog een andere eigennaam voor, waarin het oorspronkelike patronymikonBauingatotBangversleten is; te weten de naam van het dorpBangstede, tusschen Emden enAurich gelegen. Dit dorp heet oorspronkelikBauingastede, de stede, de woonplaats derBauinga’s, derBauingenofBavingen, der zonen en afstammelingen van den man dieBaueofBavoheette. Op eene oude landkaart van Oost-Friesland, vanUbbo Emmius, uit het laatst der 16deeeu, staat dit dorp nog alsBavestedeofBauestedevermeld. Dat de nog hedendaags by de Friesen in volle gebruik zijnde mansnaamBaue(Bauwe) in het middeleeusche monnikenlatyn alsBavowerd geboekstaafd, is bekend. De heiligeBaueis alsSt. Bavode patroon van de steden Aardenburg, Gent en Haarlem. En deze zelfde mansnaam heeft nog aan zeer vele andere geslachtsnamen oorsprong gegeven, om niet te spreken van de talryke plaatsnamen die er van afgeleid zijn. Die geslachtsnamen zijn: †Bavinga, †Bauwenga, †Bavema, Bauma, Bauwes, allen in Friesland;Bange, saamgetrokken vanBauinge, alsBangavanBauinga; Bavink, in Engelland alsBavingvoorkomende,Bauwen, Bauwens, Baafs, Baefs, Baafse, en het verlatynschteBavius.De geslachtsnaamTjeenkis moeielik te verklaren. Ik waag dien aangaande de volgende gissing. Zoo die gissing juist is, dan isTjeenkniet slechts een zeer oud patronymikon, maar ook een zeer byzonder, als vertoonende zoowel friesche als saksische formen.Tjeenkis dan naar myne meening, eene samentrekking vanTjedink, en dit weêr een door klankwyziging veranderde form vanTjadink, Tjading, Thiading, Thiadinga, het friesche patronymikon van den oud-frieschen mansnaamThiad, die door de Friesen alsTjaad, Tjadewordt uitgesproken, en, onder dien form, nog wel als mansnaam by hen in gebruik is. Deze naamTjaad, Tjademoet niet verward worden met den eveneens nog zeer gebruikeliken frieschen mansnaamTjaard(ook welTjeerd), die door de Friesen ook zonderr, alsTjaadwordt uitgesproken, maar oorspronkelik een andere naam is, eene samentrekking van den samengestelden mansvóórnaamTjadert, Thiadhart. Van dezen eerstgenoemden mansnaamTjadeis ook de geslachtsnaamTjaden(een tweede-naamvalsform) afgeleid. Die byzondere samenvoeging van een’ frieschen voornaam en een’ saksischen patronymikalen form in één en den zelfden geslachtsnaam, weet ik anders niet te verklaren dan door aan te nemen dat een Fries, die het patronymikonThiadinga, Tjadingaals toenaam voerde, zich buiten zijn vaderland onder eene saksische bevolking vestigde, waar zijn naam, door den invloed van het saksische taaleigen zyner nieue landgenooten, al spoedig de kenmerkendeaals uitgang verloor en de saksische klankwyziging aannam, dus eerstTjading, danTjäding, danTjedingwerd, allengs ook nog meer den saksischen form alsTjedinkvertoonde, om eindelik totTjeenkte verslyten. Dit gaat alles zeer geleidelik, en druischt, zoo verikweet, tegen geene taalwetten in. Maar dit alles is gissing. Die ’t beter weet mag het zeggen!De geslachtsnaamSwyngais eene samentrekking vanSwyninga, het patronymikon van den frieschen mansvóórnaamSwyn, Swine. Men verwondere zich niet over dezen naam, noch denke dat de oude Friesen hunne zonenzwyn,varken, noemden.Swineis de byzonder-friesche uitspraak van den oud-germaanschen mansnaamSwind, Suint, welke naamvlugheidbeduidt. Ons hedendaagsch woordgezwindstamt met dien naam van den zelfden wortel af. Even alsSwyn, Swîn, voorSwind, zoo zeggen de Friesen ookwînvoorwind,finevoorvinden,Hînljippen, voorHindeloopen, enz.De geslachtsnamenHoynckenHoyngbehooren ook tot de versletene patronymika; althans zoo men deze namen metyschrijft. De eerstgenoemde behoort dan in de groep deryncknamen, die op bl. 42 besproken is, en heeft eeneiverloren. Immers is de oorspronkelike mansnaam waar hy van afgeleid is,Hoi, Hoie, en moet de naam dus voluitHoiynckgeschreven worden.Boekstaaft men den naam echter op hollandsche wyze met de byzonder-hollandsche letterij, oorspronkeliki i, dan is de naam alsHoijnck, Hoiinck(Hoi-ink) volkomen. De patronymikaHoyingenHooying, HooyengaenHoyenga, alle vier als geslachtsnamen voorkomende, zijn oorspronkelik metHoynckgeheel de zelfde namen.Hoynckwordt dikwijls als ééne lettergreep uitgesproken, alsofoy,oieen tweeklank ware. En zoo doet men ook by de patronymikale geslachtsnamenStroink, SchainkenSpaink. Dit is verkeerd. Die namen zijn uit twee lettergrepen samengesteld:Hoi-ink, Stro-ink, Scha-ink, Spa-ink; zy dienen ook zoo te worden uitgesproken. Dat men by ditHoienStro(zie ook bl. 40) niet aan de woordenhooienstroote denken hebbe, kan men in §168nalezen. OokspavanSpainkkomt niet van het woordspa,spade, maar van den mansvóórnaamSpade, die inFörstemann’sNamenbuchalsSpattovermeld is. OverSkade, de mansvóórnaam die aanSchainkten grondslag ligt, zie men §28.Of de friesche geslachtsnaamSonnegaook tot de versletene vadersnamen behoort, meen ik te moeten betwyfelen. Het zoude kunnen zijn, datSonnegaoorspronkelik en voluitSonningaware, even alsHillegaenMennega(zie bl. 61) oorspronkelik en voluitHillingaenMenningazijn. Te meer nog, wijlSonninghade naam van een thans uitgestorven friesch geslacht geweest is. Toch wil ik hier liever denken aan den naam van het dorpSonnega, in Stellingwerf (Friesland), waaruit het geslachtSonnegawellicht afkomstig is. Ditgaals uitgang van friesche plaatsnamen verwarre men niet met den lettergreepgavan den frieschen patronymikalen uitganginga. Het eerstgenoemdegais eigenlik in het Frieschgeaen beteekent dorp;Sonnega=Sonnedorp(Sonneghem=Sonning-heimis een dorp in Vlaanderen);St. Nicolaasga=St. Nicolaas’dorp; Oudega=Ouddorp, enz.Ten bewyze van den ouderdom dezer verbasterde, versletene patronymika, tevens als bewijs dat zy werkelik uit de volle formen ontstaan zijn, zy hier nog vermeld dat de oudst bekende der friesche vadersnamen, nog heden de geslachtsnaam(Van) Cammingha, reeds in oorkonden van de 13deeeu alsCanga, Kangawerd geschreven.25Terwijl in een geschrift van het jaar 1495 een der leden van dit overoude, ja alleroudste friesche geslacht zynen naam alsKamgaboekstaaft26.§28. Even als de Drenten hunnen eigenen form van patronymika als geslachtsnamen hebben (zie §13), zoo hebben zy ook eenen eigenaardigen form van versletene vadersnamen, die slechts in hun land inheemsch is. De geslachtsnamenHaange,Luinge(men spreekt natuurlikLuunge, ook welLuunje),Schaange, Smeenge, SteengeenHofsteengevertoonen dien byzonderen form.Haangeis eene samentrekking van den vollen formHaninge, het patronymikon van den ouden mansvóórnaamHano, die byFörstemannvermeld wordt, en die aan den engelschen geslachtsnaamHaning, en aan de friesche geslachtsnamenHanemaenHaniaeveneens ten grondslag ligt. Van dezen mansnaam in verkleinform zijn ook de geslachtsnamenHaantjes, Haentjens, die in alle Nederlanden talrijk verspreide patronymika, afkomstig.—Luingeis samengetrokken vanLudinge, het patronymikon van den ouden mansvóórnaamLude, Lode, Hlude, Hlode, Chlodo. Het drentscheLudingeenLuingeis volkomen het zelfde als het friesche †Ludingaen †Lunia—zie §29.LuingeenLuniaworden dan ook beiden wel alsLuunjeuitgesproken. Oudtijds bestond in Groningerland een geslacht †Luinga; deze naam staat in form midden tusschen het friescheLudingaen het drentscheLuingein. Verhollandscht totLuidingais dit overoude patronymikon nog een hedendaagsche geslachtsnaam, even alsLudingenLudink.—Schaangeis voluitSchadinge, van den frieschen mansnaamScato. De geslachtsnaamSchaink(Skadink) is de twentsche tegenhanger van den drentschen naamSchaange.—SmeengeisSmedinge; over dezen naam zal in §31gehandeld worden.—Steengeis voluitStedinge, dat, evenals de friesche geslachtsnamenStada, Stadema, Stades, StedmaenStedes, en de plaatsnaamStedum(Steda-heim, woonplaats vanStede), dorp inFivelgo, van den mansnaamStede, Stade, byFörstemannalsStadvoorkomende, ontleend is. Of zoo men deze afleiding niet wil gelden laten, mag men ook aannemen dat de geslachtsnaamSteengeontleend zy aan den naam van het aan Drente palende stellingwerfsch-friesche gehuchtStegingaofSteggenga, by ’t dorp Oosterwolde, welke naam in de friso-saksische gouspraak van Stellingwerf en Drente ookSteengaofSteengewordt genoemd.—De oorsprong van den geslachtsnaamHofsteengeis my duister. Dat hy zoude aangenomen zijn door iemand »die niet als zijne buren op een klein erfjen, maar op eene aanzienlijkehofstedewoonde”, gelijkLeendertz(Navorscher,dl. XXVIII, bl. 620) meent, is mogelik, maar komt my toch niet waarschijnlik voor. Liever wil ik hier aan een patronymikon blyven denken. Het is dus twyfelachtig, of de beide laatstgenoemde namenSteengeenHofsteengewel tot deze groep van geslachtsnamen moeten gerekend worden, en of zy misschien niet tot de geslachtsnamen, aan plaatsnamen ontleend, behooren.§29. De Friesen hebben in hunne taal veel eigenaardigs, veel byzonders. Dit blijkt ook uit hunne eigennamen. Onder hunne geslachtsnamen zijn vooral die welke opiaeindigen, zeer byzonder. Deze hebben zulk een vreemd voorkomen,Siniab. v.,RuniaenTania, dat niet-Friesen deze namen bezwaarlik als oorspronkelik nederlandsche geslachtsnamen gelden laten. En toch zijn ook dit goed germaansche, echt friesche namen. Want het zijn samengetrokkene, verfloeide,versleteneformen van de patronymika, opingaeindigende. Zoo isBothniaoorspronkelik en voluitBothinga, Bottinga; Siniais eigenlikSininga; TaniaisTanninga, enz.Deze zonderlinge afslyting vaningatotia, vanSiningatotSinia, vond hare eerste aanleiding zekerlik in de byzondere, zachte uitspraak der friescheg. Eene eigenaardige uitspraak die nog zoo veel te flauer wordt, wanneer eenendegvoorafgaat, en daar door de letterverbindingnggeboren wordt, die eigenlik als eene byzondere, op zich zelve staande letter aan te merken is, zoo als in den patronymikalen uitgangingahet geval is. Vele woorden, die in andere germaansche talen met eenegbeginnen, hebben in de friesche taal tot eerste letter eenej. Zoo is het nederlandsche woordgeven, hoogduitschgeben, engelschto give, deenschgive, zweedschgifva, in het Frieschjaen, Oud-frieschjeva; zoo is het nederlandschegave,gift, in het Frieschjefthe; het nederl.gister, hoogduitschgestern, is in ’t Fr.jisterofjüster, en ’t nederl.garen, hoogd.garn, in ’t Fr.jern(men spreekt uit alsjen); in beide laatstgenoemde woorden overeenstemmende met het Engelsch, dat degook totjverzacht heeft, inyesterdayenyarn. In den hedendaagschen naam van het dorpDongjumby Franeker, oudtijdsDodinga-heimof de woonplaats derDodinga’s, derDodingen, der nakomelingschap vanDodoofDoede—heeft, inde schrijftaal, de oorspronkelikegvan het patronymikonDodingaeenejnaast zich gekregen. In de spreektaal echter is degvolkomen doorjvervangen, want de Friesen spreken dezen dorpsnaam alsDonjum, DoinjumofDünjumuit; de juiste uitspraak is met nederlandsche klanken moeielik af te beelden. Even zoo is het met den naam van het dorpDedgum(Deddingum, Deddinga-heim, van den mansnaamDeddo), die steeds alsDedjumuitgesproken wordt; en met den dorpsnaamPingjum(Pingia-heim, Pinninga-heim, van den mansnaamPinne, Penne), dien de Friesen alsPeinjum, zelfs alsPeiumuitspreken. De hedendaagsche dorpsnaamAnjumschreef men oudtijds voluit, alsAninghem(Aninga-heim). Het duidelikste voorbeeld om den overgang vaningatotia, vanSiningatotSiniaaan te toonen, levert het woordpenning(a)op, dat in het Friesch alspenje,peinje(pennia) uitgesproken wordt, en in het Engelsch totpennyversleten is. Daarentegen heeft dit zelfde volle en oorspronkelike woordpenningin het hedendaagsche Hoogduitsch eenenverloren, en is totpfennigversleten, even als b. v. de geslachtsnaamHudingtotHudig(zie bl. 61).Maar bewyzen te over, dat de frieschegwel alsjwordt uitgesproken. Passen wy deze uitspraak nu ook op degvaningatoe, dan luidt b. v.SiningaalsSininja. En neemt men dan hier by in aanmerking dat de volle nadruk by deze patronymika op den eersten lettergreep valt, en dat de laatste lettergreep slechts eenen halven klemtoon heeft, terwijl de middelste toonloos is, dan is de overgang vanSininjatotSiniawaarlik niet groot. Integendeel, zeer gemakkelik, geleidelik en als van zelven floeiende. En even zoo leidde ’t oorspronkelikeBottinga, door d’ uitspraakBottinjatotBotniaofBothnia, enTanninga, doorTanninja, totTania.Dat overigens werkelik en in der daad de geslachtsnamen opiaeindigende, ontstaan zijn uit die welke opingauitgaan, blijkt ook hieruit, dat de naam van ’t oude geslacht †Gratinga, GrætingaofGrettinga(alle drie spellingen komen voor), dat op de nog bestaandeGrettinga-statete Almenum (Barradeel, Friesland) gezeten was, en waarvan de buurtGratinga-ofGrettinga-buren, by Harlingen, haren naam ontleend heeft,in oude oorkonden zoo welGratingaalsGretniagenoemd wordt. En even zoo wisselen by één en het zelfde geslacht de namenHottingaenHotnia, UningaenUnia, WyningaenWyngiaenWyniaelkanderen af, in oude geschriften. En eveneens blijkt dit ook hieruit, dat het geslachtBurmaniain eene oorkonde van den jare 1300,27alsBurmanningavermeld wordt.28In de middeleeuen, toen de friesche taal hare volle formen opaenia(mula= mond,biwaria= bewaren) nog behouden had, en men die uitgangen nog duidelik, onderscheidenlik uitsprak, toen spraken de Friesen die samengetrokkene namenSinia(– ⏑ –), enz., ook juist zóo uit, als zy ze schreven, en zóo, als wy ze nu nog schryven. Maar sedert is de friesche taal verloopen, en heeft hare volle formen verloren. Sedert de 16deeeu spreekt men niet meermula, maarmule(mûle, met hoogduitscheu, ten naaste by als nederlandschmoeledus); en niet meerbiwaria, maarbiwarje. En juist zóo is ook de uitspraak der geslachtsnamen, die opiaeindigen, veranderd en verloopen. Men spreekt tegenwoordig niet meer voluitSinia, maarSiinje(Sînje, Synje, – ⏑); niet meerTania, maarTanje; niet meerRunia, maarRûnje(ongeveerRoenje) enRüünje. Heden ten dage is dit de algemeene en gewone uitspraak dezer namen by de Friesen; en dat deze zelfde uitspraak ook reeds in vorige eeuen bestond, blijktuit menige oude oorkonde. Zoo vind ik, al weêr in ’tOorkondenboek van ’t leeuwarder St. Anthonij-Gasthuis, in een stuk van den jare 1542, den geslachtsnaamDoniageschreven alsDonye, en in een stuk van het jaar 1562, alsDoenye.—Haniastaat in het laatstgenoemde stuk alsHanyegespeld.Wyngia, in eene oorkonde van 1558, alsWyngie.—†Ringia, in 1566, alsRyngie; †Fernia, in 1595, alsFernij.—Uniaeindelik, in een geschrift van 154729, alsOenye.Toch begint deze oude, maar niet oudste uitspraak, die in d’ eigenaardige uitspraak der friesche taal in ’t algemeen gegrondvest is, heden ten dage, in den mond van sommige Friesen weêr te wyken voor de uitspraak naar de letter. Hollandsche onderwyzers vooral, die, met de friesche taal volkomen onbekend—dwaas genoeg!—den mond van friesche kinders gewelddadig naar hunne hollandsche uitspraak dwingen, zijn hiervan de oorzaak. En zoo hoort men tegenwoordig de namenSinia, Tania, Runiawel weêr juist zóó uitspreken als zy geschreven worden. Maar de meeste Friesen,sliucht end riucht, blyven voor en naSiinje, Tanje, Rûnjeuitspreken.Tot een ander, tegenovergesteld uiterste zijn die lieden vervallen, welke deze geslachtsnamen opia, het eerst zóógeschrevenhebben, als men ze uitspreekt; die dus niet slechtsFiinjespraken, zoo als het trouens ook goed was en is, maar die ookFynjeschreven. Ten gevolge van deze slordige, in de vorige eeu meest opgekomene schrijfwyze, vertoonen sommige oud-friesche patronymika opia, als hedendaagsche geslachtsnamen dien leeliken schrijfform opjaenjeeindigende.Rynja, Synje, Bruinje, Veenje, in plaats vanRinia, Sinia, Brunia, Fenia. EnFynje, verbasterd vanFinia, is in Holland nog weêr meer verbasterd in spelling en uitspraak beide; te weten alsFijnje, gesprokenFeinje! Een gruwelike wanklank in de fijn-gevoelige ooren der Friesen! Maar dwazer nog als deze verbastering is van het friescheFininga=Finiatot een hollandschFijnje=Feinje, ergerliker nog heeft men gehandeld door van den geslachtsnaamTania, Tanjeden schijnbaar-franschen naamTanjéte maken.Pieter TaniaofTanje, te Bolswart geboren in 1706, was een beroemd plaatsnyder (graveur). Hy vestigde zich in Holland, en droeg daar den naam vanTanjé! Wat een domheid, en wat een kleingeestige elendigheid, om zóó de Franschen na te apen! Zie §165.
§18. Eene byzondere groep van geslachtsnamen wordt geformd door die patronymika, welke achter den uitgangingnog het aanhangselson,senof eene enkelesvertoonen. Diesis hier anders niet als het kenmerk van den tweeden naamval waarin het woord of de naam staat. Het zijn dus namen die te gelijker tijd de kenmerken vertoonen der oude en der nieue patronymikale formen; zie §4, 5 en 6. In taalkundig opzicht kunnen zy ter nauer nood verdedigd of goedgekeurd worden. In hunnen hedendaagschen, dubbelen form zijn zy ongetwyfeld ontstaan in den tijd toen men de beteekenis van den uitgangingniet meer kende, dien uitgang niet meerverstond. Dat ontstaan moet verklaard worden op deze wyze: een man heetteLeenderten droeg den toenaam vanHemming, een oud patronymikon, ontleend aan den vóórnaam van zynen stamvaderHemmo. De vader, grootvader en nog menig oudvader vanLeenderthadden allen reeds dat patronymikon als vaste toenaam gedragen. Door de eene of andere byzondere omstandigheid, misschien ter onderscheiding van andere mannen in de onmiddellike omgeving vanLeendert Hemming, die eveneensLeendertheetten, werd onze man in het dageliksche leven door zyne buren, vrienden en verdere tijdgenooten niet by zynen voornaamLeendertgenoemd, zoo als anders gebruikelik was, maar by zynen toenaamHemming. Weldra kende byna niemand hem anders als by den naamHemming, en raakte zijn voornaamLeenderthaast geheel vergeten.Hemming’szoonRutgerdie in den tijd leefde toen de gewoonte in zwang kwam om den voornaam van den vader, in den tweeden naamval, met of zonderzoondaar achter, den zoon als toenaam te geven,—Hemming’szoonRutgernoemde zich dien ten gevolge dan ook nietRutger Leenderts zoon, ofRutger Leendertssen, ofRutger Leenderts, zoo als het volgens recht zijn moest, maarRutger Hemming’s son(zoon). Hy maakte zich een patronymikon als toenaam, naar de gewoonte van den tijd waarin hy leefde. Echter niet van zijn vaders voornaam, maar van het oude patronymikon dat eigenlik zijn vaders toenaam was,ofschoon het in de plaats van den voornaam gebruikt werd. En de kinderen vanRutger Hemmingson(de twee letterssvanHemmingsson, in d’ uitspraak niet afzonderlik te hooren, smolten in geschrifte al spoedig tot eenessamen) behielden hun vaders toenaam ook als hunnen toenaam aan. En zoo werd in verloop van tijd datHemmingsoneen vaste geslachtsnaam, zoo als het nog heden is. In plaats van ditsonofzooner achter te voegen, nam men het vaderlike patronymikon ook wel eenvoudig in den tweeden naamval als toenaam aan. En zoo kwam b.v. van het oude patronymikonAlink, de toenaamAlinks(voluit desAlinkszoon), nog heden als geslachtsnaam by ons voorkomende. Strikt genomen wilHemmingsonzeggen: zoon van den zoon vanHemme; enAlinks, zoon van den zoon vanAle. Men gevoelt dat deze naamformen eigenlik monsters, misbaksels zijn, in strijd met het wezen der taal. Zy konden dan ook slechts gemaakt worden en in gebruik komen, toen men de oude patronymika niet meer verstond; toen het volk niet meer wist datHemmingenAlinkreeds zoon vanHemme, zoon vanAlebeteekenden; toen men de kracht van datingniet meer gevoelde.HemmeenAle, waar van bovengenoemde patronymika ontleend zijn, komen by de hedendaagsche Friesen nog dikwijls als mansvóórnamen voor.Zulke dubbelde patronymika zijn niet aleen in de Nederlanden, maar evenzeer in Engelland, en ook wel in Duitschland, vaste geslachtsnamen geworden.—Zie hier eenigen, die nog heden als nederlandsche maagschapsnamen in gebruik zyn:Beerlings, Bennigsen(oorspronkelikBenningsson, Benning’s son, zie bl. 28).13Deze patronymika zijn ook allen weêr van mansvóórnamen afgeleid, waar van eenigen nog in gebruik zijn:Bruno, Otto. Anderen komen nog in Friesland voor:Boie, Benneenz.Eldertis ook nog bekend. EnThiadbern, waarTjaberingsvan afkomt, is een oud-friesche mansnaam, die voor een paar eeuen nog in de friesche streken tusschen Eems en Weser voorkwam. De overige namen kan men inFörstemann’sNamenbuchnasporen.§19. Als in eenig woord eeneken eenesonmiddellik op elkanderen volgden, dan vervingen de oude Nederlanders, in hun schryven, die twee letters meestal door eenex. Zoo schreven zy b. v. de woorden:des konings brug,des koninks brugge, alssconincx brugghe;monniks-kleêrenalsmunnicx ghewaed. Ook by ’t boekstaven hunner eigennamen handelden zy zoo, en schrevenFeddrixmaenHaaxbergen, welke namen wy tegenwoordig beter alsFeddriksmaenHaaksbergenspellen. In sommige eigennamen bleef diextot den dag van heden in gebruik; b. v. in den frieschen geslachtsnaamBlinxma, dat isBlink-sma, en beteekent: zoon vanBlinke. Deze naam is weêr een verkleinform (Blin-ke) van den oorspronkeliken mansvóórnaamBlin, die byFörstemannalsBlion, Bliunvoorkomt. Verder in de friesche plaatsnamenBoxum, Waaxens, enz. Ook schreef men voor weinig jaren nog algemeenBoxtel, Axel, Nibbixwoud; thans meerBokstel, Aksel, Nibbikswoud, zoo als ’t ook beter is. Vooral in de zuidelike Nederlanden zit diexin menige eigennaam nog vast in den zadel; b.v. inDixmude, Exaerde, Sint-Antelinckx, namen die men in de nieuste spelling ook alsDijksmuiden, Eksaarde, Sint-Antelinksboekstaaft. En zoo vinden wy in de zuidelike Nederlanden, vooral in Vlaanderen, die geslachtsnamen, welke eigenlik zijn opink(inck,ynck) eindigende patronymika, in den tweeden naamval, meestal met eenexgeschreven; b. v.Bollinckx, Bruyninckx, Cnapelinckx,Daggelinckx,14enz. Ook deze patronymikale geslachtsnamen zijn natuurlik allen weêr aan mansvóórnamen ontleend. Het zuidnederlandscheBruyninckxverschilt slechts in spelling van het noordnederlandscheBruinings, maar komt er in oorsprong en beteekenis volkomen mede overeen. De maagschapsnamenDuerinckxenTuerlinckxstammen af van eenen en den zelfden mansvóórnaam; namelik vanDure, Ture, Thuro. Deze naam was reeds by de Gothen in gebruik—immersThurowas een gothische bevelhebber—, en ook het landThüringenin Duitschland ontleend zynen naam van dien mansvóórnaam.Tuerle, de naamsform die aan het patronymikonTuerlinckxten grondslag ligt, is oorspronkelik anders niet als een verkleinform (Turlyn) vanTure. Ook in Friesland treffen wy dezen ouden mansvóórnaam nog aan in geslachts- en plaatsnamen. Te weten in de geslachtsnamenDuursma, Duursema, DuringenDuurs, nevensDürigenenVon Düringsfeldtin Duitschland. Verder inDuurswolde, zoo als een dorp heet in Opsterland (Friesland), en eene landstreek in Fivelgo (Groningerland).Düringenis de naam van een dorp by Bremen. Van den verkleinformDuurke(het zelfde alsTuerle, maar in andere gouspraak) stamt de groninger geslachtsnaamDuurkens, en de plaatsnaamDuurkenakker, een gehucht by Muntendam in Groningerland. De geslachtsnamenCnapelinckx, Hebbelynckx, Ratinckx, of liever de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, zijn op bl. 41, 42 en 37 reeds besproken.HellynckxenHellinckxhebben hunne tegenhangers in de friesche patronymikale geslachtsnamenHellingaenHellenga. Verder inHellynck, Hellink, HellingenHellings, en in den samengestelden maagschapsnaamHellinghuizer. Al deze patronymika zijn afgeleid van den oud-germaanschen mansvóórnaamHello, die inFörstemann’sNamenbuchvermeld wordt, en die tevens oorsprong gaf aan vele andere geslachts- en plaatsnamen. Te weten aanHellemaenHelma, HellenenHelles; aanHellum, een dorp in Fivelgo, en aanHelwert, een gehucht by Rottum in Hunsego, beide in Groningerland; aanHellingen, een dorp in Luxemburg; aanHellinghen, een gehucht by Hérinnes-lez-Enghien in Henegou; aanHellinghillin Northumberland (Engelland); aanHellinghausen, een dorp by Lippstadt in Westfalen, enz. InSnellinxen in ’t eveneens voorkomendeSnellingsvinden we het patronymikon van den oud-germaanschen, in Friesland nog een enkele keer voorkomenden mansvóórnaamSnello, Snel, die ook oorsprong gaf aan de geslachtsnamenSnellenenSnellens, en, in verkleinform, aanSneltjes, alle drie tweede-naamvalsformen, en zoon vanSnellobeteekenende. Ook aan de plaatsnamenSnelleghem(dat is eene samentrekking vanSnelling-hem, Snellinga-heim) een dorp in West-Vlaanderen, enSchnellingen, een dorp byHasslachin Baden. Eenen tegenhanger vanden vlaamschen geslachtsnaamSurinxvinden wy in den frieschen, in Groningerland inheemschen geslachtsnaamSuringa. Verder inSühring, dat ik te Bremen vond; in het gelderscheSurink; in ’t afgesletene, te Antwerpen voorkomendeSuerickx(dat is oorspronkelik ookSuerincks); en hoogst waarschijnlik ook in het nog meer versleteneSuryenSurie. In den samengestelden geslachtsnaamSuringbroekkomt dit patronymikon almede voor. EnSürenenSuersen, namen van buitenlandschen, westfaalschen en noordfrieschen oorsprong, maar die ook in Nederland voorkomen, zijn eveneens patronymika van den ouden, buiten gebruik gestelden mansvóórnaamSuur, Sure. Deze naam is slechts eene samentrekking van den vollen formSuder,Sudhari, een oud-germaansche mansnaam, die blykens de hedendaagsche friesche geslachtsnamenZuidermaenZuidersmaoudtijds ook door Friesen gedragen werd. De stamform van den mansnaamSudhari(Suder, Sure) isSudo, die inFörstemann’sNamenbuchvermeld wordt, en oorsprong gaf aan de friesche geslachtsnamenSudinga(in Oost-Friesland inheemsch),Zuidinga(in Drente),Suiding, Suydema, SuidemaenZuidema, allen patronymika. Het patronymikon van den mansnaamSudharvind ik reeds in de middeleeuen, ook in Vlaanderen;Laureins Zuerincwas een poorter van Brugge, ten jare 132015.In eene oude oorkonde vind ik nog dat ten jare 1328 zekereJan Geylincxburger was der stede Geraertsbergen in Vlaanderen. Dat jaartal moet ongeveer de gemiddelde tijd voorstellen waarin deze zonderling geformde dubbelde patronymika eerst opgekomen zijn. In de zuidelike Nederlanden mag dit ook nog wel eene eeu vroeger voorgekomen wezen, even als in de noordelike gewesten eerst een honderdtal jaren later.§20. Eene kleine groep van geslachtsnamen wordt geformd door eenige oude patronymika, die vóór den oorspronkeliken mansvóórnaam, waarvan zy afgeleid zijn, nog een voorvoegsel vertoonen, bestaande uit de woordengrootofklein,oudofnieu. B. v. de geslachtsnamenGrootnibbeling, Kleinstarink, Oudewesseling,Nyemanting, ook wel, en beter,Groot-Nibbeling, Klein-Starink, Oude-Wesseling, Nye-Mantinggeschreven. Deze geslachtsnamen zijn niet onmiddellik ontleend aan patronymika, die als toenamen van personen in gebruik waren, zoo als dit met alle andere tot hier toe vermelde patronymikale geslachtsnamen wel het geval is. Zy zijn onmiddellik ontleend aan de namen van boerenerven of hoeven; en eerst in de tweede plaats of middellik aan de oude patronymikale toenamen der geslachten welke deze erven in eigendom bezaten en bewoonden. Zie bl. 23. Het ontstaan dezer geslachtsnamen had op de volgende wyze plaats. De boerGerlof Eitinge, die zynen patronymikalen toenaam ontleende aan den naam van zynen voorvaderEite, en die, even als zyne voorouders, geslachten en geslachten vóór hem, het erveEitinge, zoo genoemd naar den eigenen toenaam van zijn geslacht, in eigendom bewoonde,—die drentsche boerGerlof Eitingehad twee zoons. De oudste daar van erfde, naar vaste zede, die voorouderlike bezitting. Maar, ten einde den jongsten zoon, wien hy misschien eene byzondere liefde toedroeg, eenigszins schadeloos te stellen, nam de oudeGerlofnog by zijn leven een deel van de landeryen af van het oude erve, boude daar op een huis, en schonk dit nieue gedeelte dien tweeden zoon. Nu waren er twee afzonderlike landhoevenEitingenaast elkanderen; beiden ook door eenenEitingebewoond. Niets natuurliker dus, dan dat men, ter onderscheiding, het eene, het oorspronkelike erve met den naamGroot-Eitingenoemde, en aan het andere den naamKlein-Eitingegaf. En deze namen gingen van de hoeven weêr zeer gereedelik over op de bewoners er van, die beiden oorspronkelik reedsEitingenwaren, maar nuAlbert GerlofsGroot-EitingeenMeindert Gerlofs Klein-Eitingegenoemd werden. Of een andere (ditmaal een geldersch- of liever zutfensch-saksische boer, noemen we hemGarrit Bekkink) ontgon een heideveld dat aan zyne landeryen paalde. Hy boude daar een huis, en richtte alles tot eene nieue hoeve in, voor eenen zyner zonen, om de zelfde reden als boven opgegeven is. Natuurlik moest die nieue hoeve ook den ouden naamBekkinkdragen; ze was immers, als ’t ware, een uitvloeisel van het oude erveBekkink, en werd ook door eenenBekkinkbewoond.Maar ter onderscheiding noemde men het eene erveOud-Bekkink, het andereNieu-Bekkink, en ook deze namen gingen weldra op de bezitters dier hofsteden en op hun nageslacht als vaste toenamen over.Het getal dezer eigenaardige geslachtsnamen is niet groot, en zy zijn slechts in de saksische gouen van ons land, in Drente, Twente en de graafschap Zutfen inheemsch. In Friesland komen oude patronymika, met de voorvoegselsoudennieu,grootenklein, en door de zelfde of soortgelyke oorzaken, als hier boven vermeld is, in het leven geroepen, ook wel voor als namen van staten en saten, van edelmans- of boerenerven; b. v.Groot-Aysma, Klein-Donia, Oud-HemmingaenNy-Hemminga, enz. Maar zulkeplaatsnamen, met die voorvoegsels verbonden, zijn dáárnooitals toenamen vanpersonenin gebruik gekomen, noch tot vaste geslachtsnamen geworden, zoo als in de saksische gouen wel het geval geweest is.De volgende geslachtsnamen stellen deze groep samen:Olden-Banning, Nyen-Banning, Ool-Bekkink.16De formenoldennyin deze namen, in plaats vanoudennieu, geven getuigenis van het volk van saksischen stam, waar by deze namen eerst ontstonden.—Ool, byOol-Bekkink, beeldt de eigenaardige uitspraak af van het woordold, zoo als dat by eenige saksische stammen, aan de oostelike grenzen van ons land gezeten, gebruikelik is; zie §156.Al deze patronymika zijn weêr van oud-germaansche mansvóórnamen ontleend. By de namenOlde-Bronninge, Ny-Hoving, Olden-Huisingzoude men misschien wel aan eene oude bron of put, aan een nieu hof of een oud huis denken. Toch schuilen ook in deze namen echte mansvóórnamen.HuisingvanHusois op bl. 29 en 30 reeds besproken.BronningeenHovingkomen vanBronnoenHove, Houe, Haue, namen die in Friesland nog in gebruik zijn, en waarvan ook de friesche patronymikale geslachtsnamenBronninga, HovingaenHovengaontleend zijn, metBronnema, Bronkema, Bronsema, Brondsema, BrontsemaenBrons, HovingenHofma.Opmerkelik, maar gemakkelik te verklaren is het dat men, naast bovengenoemde samengestelde patronymika, ook de enkelvoudige formen dier namen als geslachtsnamen in gebruik vindt. Zoo bestaan in Drente, nevensOlden-enNyen-Banning, Nye-Manting, Ny-Hoving, Ny-Huising, Olden-WeningenOlden-Wavingde geslachtsnamenBanning, Manting, Hoving, Huising, WeningenWaving. Elders weêr nevensOol-Bekkink, Klein-Bentinck, Klein-Budding, Olde-Dubbelink, Klein-StarinkenKlein-Ubbinkde enkelvoudige namenBekkink, Bentinck, Buddingh, Dubbelink, StarinkenUbbink.Dubbelink, in Friesland alsDubblingavoorkomende, is een patronymikon, waar van de oorspronkelike mansvóórnaam niet zoo gemakkelik aan te wyzen is. Die oorspronkelike naam isDietboltin oud-saksischen,ThiebaldofThiebautin oud-frankischen form; voluitTheodbald. Door verzachting en afslyting is die naam in den loop der eeuen by het nederlandsche volk totDubbelt, Dubbel, Dobbelgeworden. In Friesland komt hy nog heden ten dage in den formDubbelt, als mansnaam voor.Dubbelink(ook eene havesate in Twente draagt dien naam) is dus een versletene form van ’t oorspronkelikeTheodbalding.§21. Naast deze groep van patronymikale geslachtsnamen met eenvoorvoegsel, bestaat er ook eene groep van zulke namen waar een aanhangselachtergevoegd is, en wel ’t een of ander gemeen-zelfstandig naamwoord, meestalhuisofhof. Een huis of eene landhoeve, die soms eeuen lang door één en het zelfde geslacht in eigendom bezeten en bewoond is, neemt gereedelik den naam van dat geslacht als eigennaam aan, en wordt danMeininghuisgenoemd ofRogerinkhof, naar de geslachtenMeiningofRogerink, waaraan ze toebehooren. Kwam nu ditMeininghuisof ditRogerinkhoflater in andere handen, en wel van iemand die b. v. slechtsEvert Janszoonheette, maar die geen afzonderliken geslachtsnaam had, dan ging de oude naam van huis of hof wel op den nieuen eigenaar over, en werdhy weldraEvert Jansen MeininghuisofEvert Jansz. Rogerinkhofgenoemd, welke naam dan later tot een vaste familienaam van zijn nageslacht werd.Deze patronymikale geslachtsnamen met een achtervoegsel zijn dus, even als die van de voorgaande groep, eigenlik plaatsnamen en slechtsmiddellikaan eenen mansvóórnaam ontleend, even als dezen.Talrijk zijn deze geslachtsnamen in de Nederlanden niet. In Duitschland komen zy meer voor; b. v.Ellinghaus(alsVan Ellinckhuyzenin Nederland voorkomende),Bellingrath, Collinghorst. En nog veel meer in Engelland:Bolingbroke, Carlingford, Paddington, Elkingham. De volgenden zijn my in de Nederlanden voorgekomen:Barlinckhoff, Bruyninghuys, Bruininkweerd.17Deze namen zijn allen met ware patronymika samengesteld, die wel geen naderen uitleg behoeven, na alles wat daaromtrent reeds is medegedeeld. De byzondere schrijfwyze van den naamGussenklo, die op redelike gronden niet verdedigd worden kan, dankt haar ontstaan aan den wensch om de lettergrepen van dezen naam wel te onderscheiden, om wel te doen uitkomen dat hetGussenk-lois (Gussink-looware nog beter), en niet iets anders, b. v.Gussen-klo; wat trouens ook geen verstandig mensch zal meenen. Zie bl. 33.§22. Eene kleine groep van nederlandsche geslachtsnamen omvat oude vadersnamen met eenen latynschen uitgang. Van dezen noemen wy:Gardingius, Grevinchovius, Hachtingius.18—Grevinchoviusis verlatynscht vanGrevinkhof, een geslachtsnaam tot de voorgaande groep behoorende. OverHachtingiuszie men bl. 34; overHallungiusbl. 36 en 42.Hundlingiusheeft den oud-germaanschen mansvóórnaamHundo, Hunt, Honttot oorsprong, en wel in verkleinform alsHundle, Hondelyn. VanHundle, Hondelezijn ook nog de geslachtsnamenHondelink, HündlingenHondela, de twee laatsten in Oost-Friesland voorkomende, afgeleid. En van den mansnaamHuntin zynen oorspronkeliken form: de geslachtsnamenHondingain Groningerland (Hondinga-sateis te Pieterburen in Hunsego), misschien ook het verlatynschteHondiusin Holland,Huntingin Friesland en Engelland, metHundingenHuntingtoneveneens in Engelland. En van de zeer talryke plaatsnamen van dezen ouden mansnaam afgeleid, noemen we slechtsHondeghem(Hondinga-heim), een dorp in Fransch-Vlaanderen;Hunting, een dorp in Lotharingen;Huntingdonin Engelland;Hündlingen, een dorp in den Elsasz, enz.§23. In de oude friesche taal gaan vele woorden, die in de andere nederlandsche talen en tongvallen, ’t zij dan saksische of frankische, op eene toonloozeeeindigen, of ook zonder openen uitgang zijn, op eeneauit. Zoo luidt ook de uitganging(inge,ink) der vadersnamen, die overigens aan alle nederlandsche gouspraken, ja aan alle andere germaansche talen eigen is, in het Friesch alsinga. En dezeais ook geheel het eenige wat de friesche patronymika onderscheidt van andere vadersnamen, in de andere nederlandsche gewesten voorkomende. Even als dezen zijn de friesche patronymika louter van mansvóórnamen, natuurlik meest van friesche mansvóórnamen afgeleid. Even als dezen komen ze ook heden ten dage voor in verschillende spellingen, en op verschillende wyzen saamgetrokken of versleten. Ook zijn de friesche vadersnamen van zeer ouden oorsprong. Reeds in de 9deeeu vinden wy het geslachtCammingha, nog heden bestaande, vermeld. Intusschen zulke patronymika zijn ongetwyfeld nog veel ouder.De oude friesche patronymika zijn in grooten getale als hedendaagsche geslachtsnamen in leven en gebruik gebleven. Zy zijn over de geheele hedendaagsche provincie Friesland verspreid. Tot dat gewest uitsluitend beperkt, zijn zy echter geenszins. Even als de andere friesche opaeindigende geslachtsnamen (nieuere patronymika en andere formen) komen ze even zeer voor in de oud-friesche landstreken tusschen Lauers en Eems en Weser, in het hedendaagsche Groningerland en Oost-Friesland. Daar zijn deze namen van ouds her even zoo inheemsch en volkseigen als bewesten Lauers. In laatstgenoemdelandstreek (het nederlandsche Friesland) zijn ze niet gelijkmatig over het geheele land verspreid. In Oostergo en Westergo komen zy veel talryker voor dan in de Zevenwouden.Hier volgen eenige oud-friesche vadersnamen, die allen den zuiveren ouden form opingaeindigende, vertoonen:Abbinga, Benninga, Bottinga19. Deze namen komen, met zeer vele anderen soortgelyken, nog heden als geslachtsnamen in de friesche landstreken van Nederland voor, en zijn ook allen ontleend aan mansvóórnamen, die nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. B. v. aanAbbe, Benno(Binne) (zie bl. 28),Botte, Gau(meest in verkleinform alsGauke, Goukevoorkomende),UbboofObbe, enz.Eenige friesche geslachtsnamen opingauitgaande, stammen van mansvóórnamen af, die geenszins zoo gemakkelik zijn aan te wyzen als by de bovenvermelde namen het geval is. De mansnamen waar de volgende vadersnamen van zijn afgeleid, komenofslechts in zeer versletenen form voor,ofze zijn by de Friesen in het geheel niet meer in gebruik. Zulke geslachtsnamen zijn b. v.Eckringa, FolkeringaenFolkringa, Kleveringa enCleveringa20.Eckringais voluitEckhardinga, en afgeleid van den mansnaamEkhart, Ekkehart, Eckart, die in Duitschland nog wel in gebruik is.—Folkringais oorspronkelikFulkhardinga, vanFulkhart, Folkert.—KleveringaenCleveringais saamgetrokken en versleten vanKlefhardinga, het friesche patronymikon van den oud-germaanschen mansnaamKlefhart, Cleffehart, die weêr eene samenstelling is van den nog ouderen enkelvoudigen naamCleffo, Claffoen van den naamstamHart. Even alsFulkhart(Folkert) vanFulco(Folke) enHart; Ekhart(Ekkert) vanEkke, EccoenHart; Rikhart(Richard, Rykaert) vanRicoofRijkenHart. Hoe oud die naamCleffoofClafforeeds is, kan men inFörstemann’sNamenbuchopzoeken. Hy was reeds by de Longobarden in gebruik. ImmersClaffo, zoo heette de zesde, enCleph(’t welk de zelfde naam is in eene andere spelling), de elfde koning van dat oud-germaansche volk. Ook de beteekenis van dezen naam leertFörstemannte zoeken in het oud-hoogduitsche woordklaphôn, in het oud-noordsche woordklappa, waar het begrip vanslaan,stootenin ligt opgesloten, en waar ook het woordanaklaf, dataanvalbeteekent, van afgeleid is. Die oude woorden hebben dus eene krijgshaftige beduidenis. Maar ook het hedendaagsche woordkleven, ofschoon nu slechts in eene zeer gewyzigde beteekenis in gebruik, zal er wel oorspronkelik mede samen hangen. Van den mansnaamKlefhart, Klevertzijn niet enkel de twee bovengenoemde byzonder-friesche patronymika ontleend, maar ook de vadersnamen in algemeenen formKleveringenClevering, benevens het nog meer samengetrokkeneCleringaenKlering, alle vier nog hedendaagsche geslachtsnamen. Opmerkelik is het dat al deze zes zoo na verwante geslachtsnamen in Groningerland inheemsch zijn. Zeer waarschijnlik stammen al deze nu verschillende geslachten van één en het zelfde oorspronkelike geslachtKlefhardingaaf, en dus ook van één en den zelfden stamvaderKlefhart, die dan de eerste grondvester was van de sateCleveringa-heertte Uithuizen in Hunsego. Het schijnt dat een tak van dit oud-friesche geslacht, of misschien een enkele man er van, deelgenomen heeft aan den gemeenschappeliken uittocht van Angelen, Saksen en Friesen naar Groot-Brittanje. Wy vinden althans dit zelfde patronymikon, in den formClavering, nog heden ten dage als de naam van een engelsch geslacht. VanCleffois de hedendaagsche geslachtsnaam (friesch patronymikon in nieueren form)Kleefsmaook afkomstig, en van den verkleinformKleefkedegeslachtsnaamKleefkens. Deze zelfde mansnaam gaf ook oorsprong aan den plaatsnaamKleffens(dat is waarschijnlik eene samentrekking vanKleffingen), zoo als een gehucht heet by ’t dorpke Raart in West-Dongeradeel by Dokkum. En weêr door middel van dien plaatsnaam aan den naam van het in Oostergo gezetene geslachtVan Kleffens, waar van de voorouders, omstreeks het midden der vorige eeu, als landeigenaars op de sateKleffenswoonden, en toen dien geslachtsnaam aannamen. Nog zijn my als plaatsnamen,aan den mansnaamKlefhartontleend, bekend:Cleverns, een dorp in Jeverland (Oldenburger Friesland);Klieverink, eene havesate by Oldenzaal in Twente, enKleverskerke, een dorp op ’t eiland Walcheren.Dat de geslachtsnaamVitringahet patronymikon is van eenen mansvóórnaam die niet slechts tot onkenbaarheid toe versleten en ingekrompen, maar die tevens verkeerd gespeld is, blijkt uit de letterv, waarmede deze naam begint. Dievis, als beginletter van eenig woord, in de friesche taal volkomen onbekend. De Friesen kunnen die letter opdieplaats in het geheel niet uitspreken. Als beginletter spreken zy, en schryven dus zeer te recht ook, eenef, waar de Hollanders en andere Nederlanders eenevnoemen; nederlandschvrede= frieschfrede; nederl.vel= fr.fel, enz. Maar zoo wyVitringaal totFitringamaken, dan komen we geen stap nader tot oplossing van de vraag, welke mansvóórnaam ten grondslag ligt aan dezen vadersnaam. Liever verwisselen we dus die onmogelikevmet eenew, en denken dat misschien een geleerde man, uit dit geslacht gesproten, drie eeuen geleden, zynen naamWitringatotVitringaheeft verlatynscht. Die germaanschewimmers is geen latynsche letter, maar werd wel, waar men een germaansch woord dat onmogelik vertaald kon worden, in het Latyn wou schryven, met eenevverwisseld. EnWitringais, door vergelyking metEckringavanEkkehartenFolkringavanFulkhart(zie bl. 54) te verklaren alsWithardinga, het patronymikon vanWithart, of alsWitheringa(deehaast niet te laten hooren) het patronymikon vanWither, Witheri, oud-germaansche mansvóórnamen.ByKruisinga, Musschenga, Plantingazou men oppervlakkig eerder denken aan eene afleiding van de gemeen-zelfstandige naamwoordenkruis,muschenplant, dan aan mansvóórnamen. Dat echter ook deze geslachtsnamen echte patronymika zijn, aan mansnamen ontleend, lijdt by my geen twyfel, al kan ik dan die oorspronkelike mansnamen uitvinden noch aantoonen. OverMusschengaenMuischengahebben de heerP. LeendertzWz. en ik zelve in het tijdschriftDe Navorscher, dl. XXVII, bl. 78 en 80, en dl. XXVIII, bl. 75, het een en ander te berde gebracht. Om herhaling en te groote uitvoerigheid te myden, verwijsik den belangstellenden lezer dus dáár heen.—DatPlantingaenKruisingaware oude vadersnamen zijn, blijkt my uit zoo menige andere nederlandsche geslachtsnaam, die van den zelfden mansvóórnaam afgeleidmoetzijn. Nu er zoo vele geslachtsnamen (oude en nieue patronymika in allerlei formen) bestaan, waaraan dit zelfdeKruseenPlantten grondslag ligt, kan het niet missen of dit zijn in der daad mansvóórnamen geweest. Die geslachtsnamen zijnKruizenga, slechts in spelling vanKruisingaverschillende, even alsKruisinkenKruissink. De naamKruisingawordt in de friesche streken van ons land natuurlik alsKrusingauitgesproken, en in de friso-saksische en Saksische alsKroesinga, eigenlikKrusingamet hoogduitscheu. Van daar dat in Drente deze geslachtsnaam in den formKroezingavoorkomt. Verder de patronymika (in nieueren form) †Cruisema(het huisCruisemais by Hoogkerk in het Westerkwartier van Groningerland),KruysseenCruyce.—BehalvePlantinga, PlantengaenVan Plantingazijn my nog bekend de geslachtsnamenPlantema, Planting, Planten, Plantinus(†Plantynte Antwerpen), die allen van eenen mansvóórnaamPlantmoeten afstammen.§24. Even als by sommige geslachtsnamen de patronymikale uitganginkinenkveranderd is (zie bl. 36), zoo wordt ook by friesche patronymikale namen de uitgangingawel alsengageschreven. Maar terwijl deze verwisseling vaniineelders zeer zeldzaam is, komt ze in Friesland juist dikwijls voor. In Friesland maken de namen die op den verbasterden formengauitgaan, in getal wel de helft uit van de namen die op den oorspronkeliken formingaeindigen. Een ander verschil dan in spelling bestaat er overigens niet tusschen deze twee namengroepen. Als voorbeeld van zulkeenganamen noemen wy de volgenden:Boyenga(vergelijkBoyungaop bl. 59),Bonnenga, Douwenga21. Een groot deel van deze namen is ontleend aan mansvóórnamendie nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. Namelik aanBoie, Bonne, Douwe, Enno, Homme, Jette(komt meest in verkleinform voor alsJetse, eigenlikJet-tse, frieschts,tz=k),Libbe, Minne, Namme(ook meest in verkleinform alsNammele),OffeofUffoenWale.—Veenengakomt, met de geslachtsnamenVeninga, † Venia,Veenje, Feninga(de beste form),Fenenga, Fenega, Feening, Fening, Veenink, Venink, allen vadersnamen in verschillende formen, van eenen ouden mansvóórnaamFene, die waarschijnlik oorspronkelik één is met den oud-germaanschen mansnaamFin, inFörstemann’sNamenbuchvermeld.—Grimmengakomt van den mansvóórnaamGrim, die tegenwoordig in Nederland als zoodanig uitgestorven is, maar toch oudtijds onder de germaansche volken in gebruik was.GrimminkenGrimminck, de saksische formen van dit patronymikon zijn ook nederlandsche geslachtsnamen, even als de enkelvoudige naamGrimook.Grimmens, zoo heet een gehucht by Grootkerk of Hohenkirchen in Wrangerland (Oldenburger Friesland);Grimmingheis een dorp in Oost-Vlaanderen;Grimminghausen, een dorp by Herford in Westfalen, enGrimsthorpein Lincolnshire, Engelland.—Ruidengais denkelik eene verhollandsching vanRuudinga, en dit weêr eene verbastering vanRuurdinga, het patronymikon van den frieschen mansvóórnaamRuurd(Ruwart), waarin de Friesen de tweede letterrniet uitspreken.§25. Zoo als reeds een paar malen hier boven gebleken is, komen sommige friesche patronymikale geslachtsnamen in de beide formen voor, zoowel metingaals metenga; b. v.BottingaenBottenga, DallingaenDallenga, FellingaenFellenga, HavingaenHavenga, KempingaenKempenga, OostingaenOostenga. Dit is in der daad zoo veelvuldig het geval dat het allen schijn heeft als of telkens twee geslachten, die toevallig het zelfde patronymikon als geslachtsnaam hadden, by onderlinge overeenkomst, ter onderscheiding, het ééne geslacht den éénen form, het andere geslacht den anderen form zich had toegeeigend. Het onderscheid tusscheningaenengablijkt dan ookslechts in geschrifte. By ’t spreken is het niet hoorbaar, ten zy men het dan met opzet wil laten hooren.§26. Andere byformen van ’t oorspronkelikeingakomen by de friesche geslachtsnamen weinig of niet voor. De oude schrijfwyze alsingha, vroeger algemeen in gebruik, komt tegenwoordig nog slechts voor by drie namen. Te weten byVan Buttingha, Van CamminghaenVan Julsingha, die toevallig alle drie het voorzetselvanby zich hebben. Door hoogduitschen invloed is in Oost-Friesland het oorspronkelikeingaeen enkele maal inungaovergegaan; b. v.Boyunga, Hayunga, Sajunga. Maar binnen de nederlandsche grenzen heb ik dezen form niet ontmoet. Het friescheinghaenungakomt natuurlik geheel overeen met de uitgangeningh,inge,ingheenungby andere patronymika; zie bl. 32–37. Patronymikale geslachtsnamen, in den tweeden naamval (zie bl. 44), komen onder de friesche namen niet voor. Maar wel zijn er eenigen, die het voorzetselvanby zich hebben. Oorspronkelik behoort dit voorzetsel voor geen ééne friesche geslachtsnaam te staan. Het past er niet by. Het is eene tegenstrydigheid. Aleen in zooverre als men deze namen beschoud alsplaatsnamen, als namen van staten en saten, en er danvanvoor plaatst, geven zy eenen drageliken zin. Immers die staten en saten, die den patronymikalen naam dragen van het geslacht, dat er eerst in eigendom op gezeten was, b. v.Hottinga-state, Wallinga-sate, Wetsinga-sate, worden in de wandeling ook wel genoemd zonder dat woord state of sate er achter, even als ook in Twente en de graafschap Zutfen de vrye boerenerven zulke patronymika als namen dragen; zie bl. 23. De Friesen zeggen dus ook wel: »Ik ga naarHottinga”, of »ik woon opWallinga”, of »dou bist up Wetsinga berne”(gy zijt op Wetsinga geboren), en verstaan daar danHottinga-state, Wallinga-sateenWetsinga-sateonder. En op die wyzekunnenook de friesche geslachtsnamen metvaner voor, ontstaan zijn, en door lieden aangenomen, die, ofschoon oorspronkelik geenHottinga’sofWallinga’szijnde, op de staten of saten dier oude geslachten woonden of gewoond hadden. En waar zulke patronymika metvaner voor, de hedendaagsche namen zijn van oud-adellike friesche geslachten, b. v.Van Cammingha,Van Eysinga, daar is ditvaneen byvoegsel van lateren tijd, toen men dit voorzetsel, door hoogduitschen invloed, als een kenmerk van adeldom beschoude. Want oorspronkelik pastvanvoor geen friesche geslachtsnaam, ten zy dan voor eenen frieschenplaatsnaam(Van Kleffens, zie bl. 55). Behalve de bovengenoemde namen behooren tot deze groep nog de geslachtsnamen:Van Aldringa, Van Andringa, Van Hasinga, Van Hettinga, Van Hottinga, Van Idsinga, Van Wallinga, Van Wetsinga, enz. Grootendeels komen deze namen ook zonder dat overtolligevan, als geslachtsnamen voor:Andringa, Hottinga, Hettinga, Idsinga. Het patronymikon van den nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnden mansnaamEisevooral komt in velerlei formen als geslachtsnaam voor; alsEisinga, Van Eysinga, Eisenga, Van Eisenga, Eizenga, Van Eizinga, Eising, Eisinken ookEysinger; zie bl. 26. Buitendien bestaan nog de patronymikale maagschapsnamen, in nieueren form: †Eyssema, EizemaenEisma, EissenenEises, met het verlatynschteEyssonius. En de plaatsnamenEisink, een gehucht by Haren in Groningerland;Eisinghusen, een gehucht by Loppersum, en een ander by Nüttermoor, in Oost-Friesland;Eysinghem, een dorp in Zuid-Brabant;Eisingen, een dorp by Pforzheim in Baden, enz.§27. De patronymikale geslachtsnamen, tot hier toe vermeld, vertoonen allen, in hunne uitgangen,volleformen, al zijn die formen onderling dan ook nog zoo verschillend. Maar by eenige hedendaagsche geslachtsnamen, oorspronkelike patronymika, zijn die volle formen versleten. By namen die voor verre weg het grootste gedeelte, reeds zoo overoud zijn als dit by de ware patronymika het geval is, kan het geenszins bevreemding wekken, dat zy niet allen in hunne volle, oorspronkelike formen tot op onzen tijd in ’t leven gebleven zijn. Integendeel, ’t is eerder byzonder, dat het altijd maar een zeer klein gedeelte is van het groote getal patronymikale geslachtsnamen, dat zoo in versleten staat tot ons gekomen is. De geslachtsnamenHeenkenOonkb. v., ookBongametVan Bonga, enSinnighezijn zulke versletene formen. ByHeenkenOonkis eeneden eeneiverloren gegaan, byBongade lettergreepnin, bySinnigheenSinnigeeenen. Want deze namen zijn oorspronkelik en voluitHedink, Odink, BonningaenSinninghegeweest. Zie hier nog eenige andere geslachtsnamen tot deze groep behoorende, met de volle formen er achter:Beddigs(Beddings);Bennigsen(Benningsen—zie bl. 28 en 44);Diegerick(Diegerink; de geslachtsnaamDeegerinkis slechts een andere form hier van).22Moeieliker te verklaren zijn de geslachtsnamenBanga, TjeenkenSwynga. Oppervlakkig zoude menBangawel houden voor eene samentrekking vanBanninga, aan den mansvóórnaamBanneontleend, die ook aan de geslachtsnamenBanning, Olden-- enNyen-Banning(zie bl. 50),BannemaenBansten grondslag ligt, en even als ookBongauitBonningais saamgetrokken. DatBangaechter niet vanBanninga, niet van den mansnaamBannekomt, maar van den mansnaamBaue—dat deze geslachtsnaam versleten is uit het oorspronkelikeBauwingaof beterBauinga, blijkt uit den formBawnga, waar onder deze naam voorkomt in eene oorkonde, die in de friesche taal opgesteld is en van ’t jaar 1493 dagteekent.23In deze oorkonde wordt één en de zelfde man, die in een ander stuk van het jaar 148924Douwa Bangaheet,Douwa Bawnghagenoemd. Er komt in Friesland nog een andere eigennaam voor, waarin het oorspronkelike patronymikonBauingatotBangversleten is; te weten de naam van het dorpBangstede, tusschen Emden enAurich gelegen. Dit dorp heet oorspronkelikBauingastede, de stede, de woonplaats derBauinga’s, derBauingenofBavingen, der zonen en afstammelingen van den man dieBaueofBavoheette. Op eene oude landkaart van Oost-Friesland, vanUbbo Emmius, uit het laatst der 16deeeu, staat dit dorp nog alsBavestedeofBauestedevermeld. Dat de nog hedendaags by de Friesen in volle gebruik zijnde mansnaamBaue(Bauwe) in het middeleeusche monnikenlatyn alsBavowerd geboekstaafd, is bekend. De heiligeBaueis alsSt. Bavode patroon van de steden Aardenburg, Gent en Haarlem. En deze zelfde mansnaam heeft nog aan zeer vele andere geslachtsnamen oorsprong gegeven, om niet te spreken van de talryke plaatsnamen die er van afgeleid zijn. Die geslachtsnamen zijn: †Bavinga, †Bauwenga, †Bavema, Bauma, Bauwes, allen in Friesland;Bange, saamgetrokken vanBauinge, alsBangavanBauinga; Bavink, in Engelland alsBavingvoorkomende,Bauwen, Bauwens, Baafs, Baefs, Baafse, en het verlatynschteBavius.De geslachtsnaamTjeenkis moeielik te verklaren. Ik waag dien aangaande de volgende gissing. Zoo die gissing juist is, dan isTjeenkniet slechts een zeer oud patronymikon, maar ook een zeer byzonder, als vertoonende zoowel friesche als saksische formen.Tjeenkis dan naar myne meening, eene samentrekking vanTjedink, en dit weêr een door klankwyziging veranderde form vanTjadink, Tjading, Thiading, Thiadinga, het friesche patronymikon van den oud-frieschen mansnaamThiad, die door de Friesen alsTjaad, Tjadewordt uitgesproken, en, onder dien form, nog wel als mansnaam by hen in gebruik is. Deze naamTjaad, Tjademoet niet verward worden met den eveneens nog zeer gebruikeliken frieschen mansnaamTjaard(ook welTjeerd), die door de Friesen ook zonderr, alsTjaadwordt uitgesproken, maar oorspronkelik een andere naam is, eene samentrekking van den samengestelden mansvóórnaamTjadert, Thiadhart. Van dezen eerstgenoemden mansnaamTjadeis ook de geslachtsnaamTjaden(een tweede-naamvalsform) afgeleid. Die byzondere samenvoeging van een’ frieschen voornaam en een’ saksischen patronymikalen form in één en den zelfden geslachtsnaam, weet ik anders niet te verklaren dan door aan te nemen dat een Fries, die het patronymikonThiadinga, Tjadingaals toenaam voerde, zich buiten zijn vaderland onder eene saksische bevolking vestigde, waar zijn naam, door den invloed van het saksische taaleigen zyner nieue landgenooten, al spoedig de kenmerkendeaals uitgang verloor en de saksische klankwyziging aannam, dus eerstTjading, danTjäding, danTjedingwerd, allengs ook nog meer den saksischen form alsTjedinkvertoonde, om eindelik totTjeenkte verslyten. Dit gaat alles zeer geleidelik, en druischt, zoo verikweet, tegen geene taalwetten in. Maar dit alles is gissing. Die ’t beter weet mag het zeggen!De geslachtsnaamSwyngais eene samentrekking vanSwyninga, het patronymikon van den frieschen mansvóórnaamSwyn, Swine. Men verwondere zich niet over dezen naam, noch denke dat de oude Friesen hunne zonenzwyn,varken, noemden.Swineis de byzonder-friesche uitspraak van den oud-germaanschen mansnaamSwind, Suint, welke naamvlugheidbeduidt. Ons hedendaagsch woordgezwindstamt met dien naam van den zelfden wortel af. Even alsSwyn, Swîn, voorSwind, zoo zeggen de Friesen ookwînvoorwind,finevoorvinden,Hînljippen, voorHindeloopen, enz.De geslachtsnamenHoynckenHoyngbehooren ook tot de versletene patronymika; althans zoo men deze namen metyschrijft. De eerstgenoemde behoort dan in de groep deryncknamen, die op bl. 42 besproken is, en heeft eeneiverloren. Immers is de oorspronkelike mansnaam waar hy van afgeleid is,Hoi, Hoie, en moet de naam dus voluitHoiynckgeschreven worden.Boekstaaft men den naam echter op hollandsche wyze met de byzonder-hollandsche letterij, oorspronkeliki i, dan is de naam alsHoijnck, Hoiinck(Hoi-ink) volkomen. De patronymikaHoyingenHooying, HooyengaenHoyenga, alle vier als geslachtsnamen voorkomende, zijn oorspronkelik metHoynckgeheel de zelfde namen.Hoynckwordt dikwijls als ééne lettergreep uitgesproken, alsofoy,oieen tweeklank ware. En zoo doet men ook by de patronymikale geslachtsnamenStroink, SchainkenSpaink. Dit is verkeerd. Die namen zijn uit twee lettergrepen samengesteld:Hoi-ink, Stro-ink, Scha-ink, Spa-ink; zy dienen ook zoo te worden uitgesproken. Dat men by ditHoienStro(zie ook bl. 40) niet aan de woordenhooienstroote denken hebbe, kan men in §168nalezen. OokspavanSpainkkomt niet van het woordspa,spade, maar van den mansvóórnaamSpade, die inFörstemann’sNamenbuchalsSpattovermeld is. OverSkade, de mansvóórnaam die aanSchainkten grondslag ligt, zie men §28.Of de friesche geslachtsnaamSonnegaook tot de versletene vadersnamen behoort, meen ik te moeten betwyfelen. Het zoude kunnen zijn, datSonnegaoorspronkelik en voluitSonningaware, even alsHillegaenMennega(zie bl. 61) oorspronkelik en voluitHillingaenMenningazijn. Te meer nog, wijlSonninghade naam van een thans uitgestorven friesch geslacht geweest is. Toch wil ik hier liever denken aan den naam van het dorpSonnega, in Stellingwerf (Friesland), waaruit het geslachtSonnegawellicht afkomstig is. Ditgaals uitgang van friesche plaatsnamen verwarre men niet met den lettergreepgavan den frieschen patronymikalen uitganginga. Het eerstgenoemdegais eigenlik in het Frieschgeaen beteekent dorp;Sonnega=Sonnedorp(Sonneghem=Sonning-heimis een dorp in Vlaanderen);St. Nicolaasga=St. Nicolaas’dorp; Oudega=Ouddorp, enz.Ten bewyze van den ouderdom dezer verbasterde, versletene patronymika, tevens als bewijs dat zy werkelik uit de volle formen ontstaan zijn, zy hier nog vermeld dat de oudst bekende der friesche vadersnamen, nog heden de geslachtsnaam(Van) Cammingha, reeds in oorkonden van de 13deeeu alsCanga, Kangawerd geschreven.25Terwijl in een geschrift van het jaar 1495 een der leden van dit overoude, ja alleroudste friesche geslacht zynen naam alsKamgaboekstaaft26.§28. Even als de Drenten hunnen eigenen form van patronymika als geslachtsnamen hebben (zie §13), zoo hebben zy ook eenen eigenaardigen form van versletene vadersnamen, die slechts in hun land inheemsch is. De geslachtsnamenHaange,Luinge(men spreekt natuurlikLuunge, ook welLuunje),Schaange, Smeenge, SteengeenHofsteengevertoonen dien byzonderen form.Haangeis eene samentrekking van den vollen formHaninge, het patronymikon van den ouden mansvóórnaamHano, die byFörstemannvermeld wordt, en die aan den engelschen geslachtsnaamHaning, en aan de friesche geslachtsnamenHanemaenHaniaeveneens ten grondslag ligt. Van dezen mansnaam in verkleinform zijn ook de geslachtsnamenHaantjes, Haentjens, die in alle Nederlanden talrijk verspreide patronymika, afkomstig.—Luingeis samengetrokken vanLudinge, het patronymikon van den ouden mansvóórnaamLude, Lode, Hlude, Hlode, Chlodo. Het drentscheLudingeenLuingeis volkomen het zelfde als het friesche †Ludingaen †Lunia—zie §29.LuingeenLuniaworden dan ook beiden wel alsLuunjeuitgesproken. Oudtijds bestond in Groningerland een geslacht †Luinga; deze naam staat in form midden tusschen het friescheLudingaen het drentscheLuingein. Verhollandscht totLuidingais dit overoude patronymikon nog een hedendaagsche geslachtsnaam, even alsLudingenLudink.—Schaangeis voluitSchadinge, van den frieschen mansnaamScato. De geslachtsnaamSchaink(Skadink) is de twentsche tegenhanger van den drentschen naamSchaange.—SmeengeisSmedinge; over dezen naam zal in §31gehandeld worden.—Steengeis voluitStedinge, dat, evenals de friesche geslachtsnamenStada, Stadema, Stades, StedmaenStedes, en de plaatsnaamStedum(Steda-heim, woonplaats vanStede), dorp inFivelgo, van den mansnaamStede, Stade, byFörstemannalsStadvoorkomende, ontleend is. Of zoo men deze afleiding niet wil gelden laten, mag men ook aannemen dat de geslachtsnaamSteengeontleend zy aan den naam van het aan Drente palende stellingwerfsch-friesche gehuchtStegingaofSteggenga, by ’t dorp Oosterwolde, welke naam in de friso-saksische gouspraak van Stellingwerf en Drente ookSteengaofSteengewordt genoemd.—De oorsprong van den geslachtsnaamHofsteengeis my duister. Dat hy zoude aangenomen zijn door iemand »die niet als zijne buren op een klein erfjen, maar op eene aanzienlijkehofstedewoonde”, gelijkLeendertz(Navorscher,dl. XXVIII, bl. 620) meent, is mogelik, maar komt my toch niet waarschijnlik voor. Liever wil ik hier aan een patronymikon blyven denken. Het is dus twyfelachtig, of de beide laatstgenoemde namenSteengeenHofsteengewel tot deze groep van geslachtsnamen moeten gerekend worden, en of zy misschien niet tot de geslachtsnamen, aan plaatsnamen ontleend, behooren.§29. De Friesen hebben in hunne taal veel eigenaardigs, veel byzonders. Dit blijkt ook uit hunne eigennamen. Onder hunne geslachtsnamen zijn vooral die welke opiaeindigen, zeer byzonder. Deze hebben zulk een vreemd voorkomen,Siniab. v.,RuniaenTania, dat niet-Friesen deze namen bezwaarlik als oorspronkelik nederlandsche geslachtsnamen gelden laten. En toch zijn ook dit goed germaansche, echt friesche namen. Want het zijn samengetrokkene, verfloeide,versleteneformen van de patronymika, opingaeindigende. Zoo isBothniaoorspronkelik en voluitBothinga, Bottinga; Siniais eigenlikSininga; TaniaisTanninga, enz.Deze zonderlinge afslyting vaningatotia, vanSiningatotSinia, vond hare eerste aanleiding zekerlik in de byzondere, zachte uitspraak der friescheg. Eene eigenaardige uitspraak die nog zoo veel te flauer wordt, wanneer eenendegvoorafgaat, en daar door de letterverbindingnggeboren wordt, die eigenlik als eene byzondere, op zich zelve staande letter aan te merken is, zoo als in den patronymikalen uitgangingahet geval is. Vele woorden, die in andere germaansche talen met eenegbeginnen, hebben in de friesche taal tot eerste letter eenej. Zoo is het nederlandsche woordgeven, hoogduitschgeben, engelschto give, deenschgive, zweedschgifva, in het Frieschjaen, Oud-frieschjeva; zoo is het nederlandschegave,gift, in het Frieschjefthe; het nederl.gister, hoogduitschgestern, is in ’t Fr.jisterofjüster, en ’t nederl.garen, hoogd.garn, in ’t Fr.jern(men spreekt uit alsjen); in beide laatstgenoemde woorden overeenstemmende met het Engelsch, dat degook totjverzacht heeft, inyesterdayenyarn. In den hedendaagschen naam van het dorpDongjumby Franeker, oudtijdsDodinga-heimof de woonplaats derDodinga’s, derDodingen, der nakomelingschap vanDodoofDoede—heeft, inde schrijftaal, de oorspronkelikegvan het patronymikonDodingaeenejnaast zich gekregen. In de spreektaal echter is degvolkomen doorjvervangen, want de Friesen spreken dezen dorpsnaam alsDonjum, DoinjumofDünjumuit; de juiste uitspraak is met nederlandsche klanken moeielik af te beelden. Even zoo is het met den naam van het dorpDedgum(Deddingum, Deddinga-heim, van den mansnaamDeddo), die steeds alsDedjumuitgesproken wordt; en met den dorpsnaamPingjum(Pingia-heim, Pinninga-heim, van den mansnaamPinne, Penne), dien de Friesen alsPeinjum, zelfs alsPeiumuitspreken. De hedendaagsche dorpsnaamAnjumschreef men oudtijds voluit, alsAninghem(Aninga-heim). Het duidelikste voorbeeld om den overgang vaningatotia, vanSiningatotSiniaaan te toonen, levert het woordpenning(a)op, dat in het Friesch alspenje,peinje(pennia) uitgesproken wordt, en in het Engelsch totpennyversleten is. Daarentegen heeft dit zelfde volle en oorspronkelike woordpenningin het hedendaagsche Hoogduitsch eenenverloren, en is totpfennigversleten, even als b. v. de geslachtsnaamHudingtotHudig(zie bl. 61).Maar bewyzen te over, dat de frieschegwel alsjwordt uitgesproken. Passen wy deze uitspraak nu ook op degvaningatoe, dan luidt b. v.SiningaalsSininja. En neemt men dan hier by in aanmerking dat de volle nadruk by deze patronymika op den eersten lettergreep valt, en dat de laatste lettergreep slechts eenen halven klemtoon heeft, terwijl de middelste toonloos is, dan is de overgang vanSininjatotSiniawaarlik niet groot. Integendeel, zeer gemakkelik, geleidelik en als van zelven floeiende. En even zoo leidde ’t oorspronkelikeBottinga, door d’ uitspraakBottinjatotBotniaofBothnia, enTanninga, doorTanninja, totTania.Dat overigens werkelik en in der daad de geslachtsnamen opiaeindigende, ontstaan zijn uit die welke opingauitgaan, blijkt ook hieruit, dat de naam van ’t oude geslacht †Gratinga, GrætingaofGrettinga(alle drie spellingen komen voor), dat op de nog bestaandeGrettinga-statete Almenum (Barradeel, Friesland) gezeten was, en waarvan de buurtGratinga-ofGrettinga-buren, by Harlingen, haren naam ontleend heeft,in oude oorkonden zoo welGratingaalsGretniagenoemd wordt. En even zoo wisselen by één en het zelfde geslacht de namenHottingaenHotnia, UningaenUnia, WyningaenWyngiaenWyniaelkanderen af, in oude geschriften. En eveneens blijkt dit ook hieruit, dat het geslachtBurmaniain eene oorkonde van den jare 1300,27alsBurmanningavermeld wordt.28In de middeleeuen, toen de friesche taal hare volle formen opaenia(mula= mond,biwaria= bewaren) nog behouden had, en men die uitgangen nog duidelik, onderscheidenlik uitsprak, toen spraken de Friesen die samengetrokkene namenSinia(– ⏑ –), enz., ook juist zóo uit, als zy ze schreven, en zóo, als wy ze nu nog schryven. Maar sedert is de friesche taal verloopen, en heeft hare volle formen verloren. Sedert de 16deeeu spreekt men niet meermula, maarmule(mûle, met hoogduitscheu, ten naaste by als nederlandschmoeledus); en niet meerbiwaria, maarbiwarje. En juist zóo is ook de uitspraak der geslachtsnamen, die opiaeindigen, veranderd en verloopen. Men spreekt tegenwoordig niet meer voluitSinia, maarSiinje(Sînje, Synje, – ⏑); niet meerTania, maarTanje; niet meerRunia, maarRûnje(ongeveerRoenje) enRüünje. Heden ten dage is dit de algemeene en gewone uitspraak dezer namen by de Friesen; en dat deze zelfde uitspraak ook reeds in vorige eeuen bestond, blijktuit menige oude oorkonde. Zoo vind ik, al weêr in ’tOorkondenboek van ’t leeuwarder St. Anthonij-Gasthuis, in een stuk van den jare 1542, den geslachtsnaamDoniageschreven alsDonye, en in een stuk van het jaar 1562, alsDoenye.—Haniastaat in het laatstgenoemde stuk alsHanyegespeld.Wyngia, in eene oorkonde van 1558, alsWyngie.—†Ringia, in 1566, alsRyngie; †Fernia, in 1595, alsFernij.—Uniaeindelik, in een geschrift van 154729, alsOenye.Toch begint deze oude, maar niet oudste uitspraak, die in d’ eigenaardige uitspraak der friesche taal in ’t algemeen gegrondvest is, heden ten dage, in den mond van sommige Friesen weêr te wyken voor de uitspraak naar de letter. Hollandsche onderwyzers vooral, die, met de friesche taal volkomen onbekend—dwaas genoeg!—den mond van friesche kinders gewelddadig naar hunne hollandsche uitspraak dwingen, zijn hiervan de oorzaak. En zoo hoort men tegenwoordig de namenSinia, Tania, Runiawel weêr juist zóó uitspreken als zy geschreven worden. Maar de meeste Friesen,sliucht end riucht, blyven voor en naSiinje, Tanje, Rûnjeuitspreken.Tot een ander, tegenovergesteld uiterste zijn die lieden vervallen, welke deze geslachtsnamen opia, het eerst zóógeschrevenhebben, als men ze uitspreekt; die dus niet slechtsFiinjespraken, zoo als het trouens ook goed was en is, maar die ookFynjeschreven. Ten gevolge van deze slordige, in de vorige eeu meest opgekomene schrijfwyze, vertoonen sommige oud-friesche patronymika opia, als hedendaagsche geslachtsnamen dien leeliken schrijfform opjaenjeeindigende.Rynja, Synje, Bruinje, Veenje, in plaats vanRinia, Sinia, Brunia, Fenia. EnFynje, verbasterd vanFinia, is in Holland nog weêr meer verbasterd in spelling en uitspraak beide; te weten alsFijnje, gesprokenFeinje! Een gruwelike wanklank in de fijn-gevoelige ooren der Friesen! Maar dwazer nog als deze verbastering is van het friescheFininga=Finiatot een hollandschFijnje=Feinje, ergerliker nog heeft men gehandeld door van den geslachtsnaamTania, Tanjeden schijnbaar-franschen naamTanjéte maken.Pieter TaniaofTanje, te Bolswart geboren in 1706, was een beroemd plaatsnyder (graveur). Hy vestigde zich in Holland, en droeg daar den naam vanTanjé! Wat een domheid, en wat een kleingeestige elendigheid, om zóó de Franschen na te apen! Zie §165.
§18. Eene byzondere groep van geslachtsnamen wordt geformd door die patronymika, welke achter den uitgangingnog het aanhangselson,senof eene enkelesvertoonen. Diesis hier anders niet als het kenmerk van den tweeden naamval waarin het woord of de naam staat. Het zijn dus namen die te gelijker tijd de kenmerken vertoonen der oude en der nieue patronymikale formen; zie §4, 5 en 6. In taalkundig opzicht kunnen zy ter nauer nood verdedigd of goedgekeurd worden. In hunnen hedendaagschen, dubbelen form zijn zy ongetwyfeld ontstaan in den tijd toen men de beteekenis van den uitgangingniet meer kende, dien uitgang niet meerverstond. Dat ontstaan moet verklaard worden op deze wyze: een man heetteLeenderten droeg den toenaam vanHemming, een oud patronymikon, ontleend aan den vóórnaam van zynen stamvaderHemmo. De vader, grootvader en nog menig oudvader vanLeenderthadden allen reeds dat patronymikon als vaste toenaam gedragen. Door de eene of andere byzondere omstandigheid, misschien ter onderscheiding van andere mannen in de onmiddellike omgeving vanLeendert Hemming, die eveneensLeendertheetten, werd onze man in het dageliksche leven door zyne buren, vrienden en verdere tijdgenooten niet by zynen voornaamLeendertgenoemd, zoo als anders gebruikelik was, maar by zynen toenaamHemming. Weldra kende byna niemand hem anders als by den naamHemming, en raakte zijn voornaamLeenderthaast geheel vergeten.Hemming’szoonRutgerdie in den tijd leefde toen de gewoonte in zwang kwam om den voornaam van den vader, in den tweeden naamval, met of zonderzoondaar achter, den zoon als toenaam te geven,—Hemming’szoonRutgernoemde zich dien ten gevolge dan ook nietRutger Leenderts zoon, ofRutger Leendertssen, ofRutger Leenderts, zoo als het volgens recht zijn moest, maarRutger Hemming’s son(zoon). Hy maakte zich een patronymikon als toenaam, naar de gewoonte van den tijd waarin hy leefde. Echter niet van zijn vaders voornaam, maar van het oude patronymikon dat eigenlik zijn vaders toenaam was,ofschoon het in de plaats van den voornaam gebruikt werd. En de kinderen vanRutger Hemmingson(de twee letterssvanHemmingsson, in d’ uitspraak niet afzonderlik te hooren, smolten in geschrifte al spoedig tot eenessamen) behielden hun vaders toenaam ook als hunnen toenaam aan. En zoo werd in verloop van tijd datHemmingsoneen vaste geslachtsnaam, zoo als het nog heden is. In plaats van ditsonofzooner achter te voegen, nam men het vaderlike patronymikon ook wel eenvoudig in den tweeden naamval als toenaam aan. En zoo kwam b.v. van het oude patronymikonAlink, de toenaamAlinks(voluit desAlinkszoon), nog heden als geslachtsnaam by ons voorkomende. Strikt genomen wilHemmingsonzeggen: zoon van den zoon vanHemme; enAlinks, zoon van den zoon vanAle. Men gevoelt dat deze naamformen eigenlik monsters, misbaksels zijn, in strijd met het wezen der taal. Zy konden dan ook slechts gemaakt worden en in gebruik komen, toen men de oude patronymika niet meer verstond; toen het volk niet meer wist datHemmingenAlinkreeds zoon vanHemme, zoon vanAlebeteekenden; toen men de kracht van datingniet meer gevoelde.HemmeenAle, waar van bovengenoemde patronymika ontleend zijn, komen by de hedendaagsche Friesen nog dikwijls als mansvóórnamen voor.Zulke dubbelde patronymika zijn niet aleen in de Nederlanden, maar evenzeer in Engelland, en ook wel in Duitschland, vaste geslachtsnamen geworden.—Zie hier eenigen, die nog heden als nederlandsche maagschapsnamen in gebruik zyn:Beerlings, Bennigsen(oorspronkelikBenningsson, Benning’s son, zie bl. 28).13Deze patronymika zijn ook allen weêr van mansvóórnamen afgeleid, waar van eenigen nog in gebruik zijn:Bruno, Otto. Anderen komen nog in Friesland voor:Boie, Benneenz.Eldertis ook nog bekend. EnThiadbern, waarTjaberingsvan afkomt, is een oud-friesche mansnaam, die voor een paar eeuen nog in de friesche streken tusschen Eems en Weser voorkwam. De overige namen kan men inFörstemann’sNamenbuchnasporen.§19. Als in eenig woord eeneken eenesonmiddellik op elkanderen volgden, dan vervingen de oude Nederlanders, in hun schryven, die twee letters meestal door eenex. Zoo schreven zy b. v. de woorden:des konings brug,des koninks brugge, alssconincx brugghe;monniks-kleêrenalsmunnicx ghewaed. Ook by ’t boekstaven hunner eigennamen handelden zy zoo, en schrevenFeddrixmaenHaaxbergen, welke namen wy tegenwoordig beter alsFeddriksmaenHaaksbergenspellen. In sommige eigennamen bleef diextot den dag van heden in gebruik; b. v. in den frieschen geslachtsnaamBlinxma, dat isBlink-sma, en beteekent: zoon vanBlinke. Deze naam is weêr een verkleinform (Blin-ke) van den oorspronkeliken mansvóórnaamBlin, die byFörstemannalsBlion, Bliunvoorkomt. Verder in de friesche plaatsnamenBoxum, Waaxens, enz. Ook schreef men voor weinig jaren nog algemeenBoxtel, Axel, Nibbixwoud; thans meerBokstel, Aksel, Nibbikswoud, zoo als ’t ook beter is. Vooral in de zuidelike Nederlanden zit diexin menige eigennaam nog vast in den zadel; b.v. inDixmude, Exaerde, Sint-Antelinckx, namen die men in de nieuste spelling ook alsDijksmuiden, Eksaarde, Sint-Antelinksboekstaaft. En zoo vinden wy in de zuidelike Nederlanden, vooral in Vlaanderen, die geslachtsnamen, welke eigenlik zijn opink(inck,ynck) eindigende patronymika, in den tweeden naamval, meestal met eenexgeschreven; b. v.Bollinckx, Bruyninckx, Cnapelinckx,Daggelinckx,14enz. Ook deze patronymikale geslachtsnamen zijn natuurlik allen weêr aan mansvóórnamen ontleend. Het zuidnederlandscheBruyninckxverschilt slechts in spelling van het noordnederlandscheBruinings, maar komt er in oorsprong en beteekenis volkomen mede overeen. De maagschapsnamenDuerinckxenTuerlinckxstammen af van eenen en den zelfden mansvóórnaam; namelik vanDure, Ture, Thuro. Deze naam was reeds by de Gothen in gebruik—immersThurowas een gothische bevelhebber—, en ook het landThüringenin Duitschland ontleend zynen naam van dien mansvóórnaam.Tuerle, de naamsform die aan het patronymikonTuerlinckxten grondslag ligt, is oorspronkelik anders niet als een verkleinform (Turlyn) vanTure. Ook in Friesland treffen wy dezen ouden mansvóórnaam nog aan in geslachts- en plaatsnamen. Te weten in de geslachtsnamenDuursma, Duursema, DuringenDuurs, nevensDürigenenVon Düringsfeldtin Duitschland. Verder inDuurswolde, zoo als een dorp heet in Opsterland (Friesland), en eene landstreek in Fivelgo (Groningerland).Düringenis de naam van een dorp by Bremen. Van den verkleinformDuurke(het zelfde alsTuerle, maar in andere gouspraak) stamt de groninger geslachtsnaamDuurkens, en de plaatsnaamDuurkenakker, een gehucht by Muntendam in Groningerland. De geslachtsnamenCnapelinckx, Hebbelynckx, Ratinckx, of liever de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, zijn op bl. 41, 42 en 37 reeds besproken.HellynckxenHellinckxhebben hunne tegenhangers in de friesche patronymikale geslachtsnamenHellingaenHellenga. Verder inHellynck, Hellink, HellingenHellings, en in den samengestelden maagschapsnaamHellinghuizer. Al deze patronymika zijn afgeleid van den oud-germaanschen mansvóórnaamHello, die inFörstemann’sNamenbuchvermeld wordt, en die tevens oorsprong gaf aan vele andere geslachts- en plaatsnamen. Te weten aanHellemaenHelma, HellenenHelles; aanHellum, een dorp in Fivelgo, en aanHelwert, een gehucht by Rottum in Hunsego, beide in Groningerland; aanHellingen, een dorp in Luxemburg; aanHellinghen, een gehucht by Hérinnes-lez-Enghien in Henegou; aanHellinghillin Northumberland (Engelland); aanHellinghausen, een dorp by Lippstadt in Westfalen, enz. InSnellinxen in ’t eveneens voorkomendeSnellingsvinden we het patronymikon van den oud-germaanschen, in Friesland nog een enkele keer voorkomenden mansvóórnaamSnello, Snel, die ook oorsprong gaf aan de geslachtsnamenSnellenenSnellens, en, in verkleinform, aanSneltjes, alle drie tweede-naamvalsformen, en zoon vanSnellobeteekenende. Ook aan de plaatsnamenSnelleghem(dat is eene samentrekking vanSnelling-hem, Snellinga-heim) een dorp in West-Vlaanderen, enSchnellingen, een dorp byHasslachin Baden. Eenen tegenhanger vanden vlaamschen geslachtsnaamSurinxvinden wy in den frieschen, in Groningerland inheemschen geslachtsnaamSuringa. Verder inSühring, dat ik te Bremen vond; in het gelderscheSurink; in ’t afgesletene, te Antwerpen voorkomendeSuerickx(dat is oorspronkelik ookSuerincks); en hoogst waarschijnlik ook in het nog meer versleteneSuryenSurie. In den samengestelden geslachtsnaamSuringbroekkomt dit patronymikon almede voor. EnSürenenSuersen, namen van buitenlandschen, westfaalschen en noordfrieschen oorsprong, maar die ook in Nederland voorkomen, zijn eveneens patronymika van den ouden, buiten gebruik gestelden mansvóórnaamSuur, Sure. Deze naam is slechts eene samentrekking van den vollen formSuder,Sudhari, een oud-germaansche mansnaam, die blykens de hedendaagsche friesche geslachtsnamenZuidermaenZuidersmaoudtijds ook door Friesen gedragen werd. De stamform van den mansnaamSudhari(Suder, Sure) isSudo, die inFörstemann’sNamenbuchvermeld wordt, en oorsprong gaf aan de friesche geslachtsnamenSudinga(in Oost-Friesland inheemsch),Zuidinga(in Drente),Suiding, Suydema, SuidemaenZuidema, allen patronymika. Het patronymikon van den mansnaamSudharvind ik reeds in de middeleeuen, ook in Vlaanderen;Laureins Zuerincwas een poorter van Brugge, ten jare 132015.In eene oude oorkonde vind ik nog dat ten jare 1328 zekereJan Geylincxburger was der stede Geraertsbergen in Vlaanderen. Dat jaartal moet ongeveer de gemiddelde tijd voorstellen waarin deze zonderling geformde dubbelde patronymika eerst opgekomen zijn. In de zuidelike Nederlanden mag dit ook nog wel eene eeu vroeger voorgekomen wezen, even als in de noordelike gewesten eerst een honderdtal jaren later.§20. Eene kleine groep van geslachtsnamen wordt geformd door eenige oude patronymika, die vóór den oorspronkeliken mansvóórnaam, waarvan zy afgeleid zijn, nog een voorvoegsel vertoonen, bestaande uit de woordengrootofklein,oudofnieu. B. v. de geslachtsnamenGrootnibbeling, Kleinstarink, Oudewesseling,Nyemanting, ook wel, en beter,Groot-Nibbeling, Klein-Starink, Oude-Wesseling, Nye-Mantinggeschreven. Deze geslachtsnamen zijn niet onmiddellik ontleend aan patronymika, die als toenamen van personen in gebruik waren, zoo als dit met alle andere tot hier toe vermelde patronymikale geslachtsnamen wel het geval is. Zy zijn onmiddellik ontleend aan de namen van boerenerven of hoeven; en eerst in de tweede plaats of middellik aan de oude patronymikale toenamen der geslachten welke deze erven in eigendom bezaten en bewoonden. Zie bl. 23. Het ontstaan dezer geslachtsnamen had op de volgende wyze plaats. De boerGerlof Eitinge, die zynen patronymikalen toenaam ontleende aan den naam van zynen voorvaderEite, en die, even als zyne voorouders, geslachten en geslachten vóór hem, het erveEitinge, zoo genoemd naar den eigenen toenaam van zijn geslacht, in eigendom bewoonde,—die drentsche boerGerlof Eitingehad twee zoons. De oudste daar van erfde, naar vaste zede, die voorouderlike bezitting. Maar, ten einde den jongsten zoon, wien hy misschien eene byzondere liefde toedroeg, eenigszins schadeloos te stellen, nam de oudeGerlofnog by zijn leven een deel van de landeryen af van het oude erve, boude daar op een huis, en schonk dit nieue gedeelte dien tweeden zoon. Nu waren er twee afzonderlike landhoevenEitingenaast elkanderen; beiden ook door eenenEitingebewoond. Niets natuurliker dus, dan dat men, ter onderscheiding, het eene, het oorspronkelike erve met den naamGroot-Eitingenoemde, en aan het andere den naamKlein-Eitingegaf. En deze namen gingen van de hoeven weêr zeer gereedelik over op de bewoners er van, die beiden oorspronkelik reedsEitingenwaren, maar nuAlbert GerlofsGroot-EitingeenMeindert Gerlofs Klein-Eitingegenoemd werden. Of een andere (ditmaal een geldersch- of liever zutfensch-saksische boer, noemen we hemGarrit Bekkink) ontgon een heideveld dat aan zyne landeryen paalde. Hy boude daar een huis, en richtte alles tot eene nieue hoeve in, voor eenen zyner zonen, om de zelfde reden als boven opgegeven is. Natuurlik moest die nieue hoeve ook den ouden naamBekkinkdragen; ze was immers, als ’t ware, een uitvloeisel van het oude erveBekkink, en werd ook door eenenBekkinkbewoond.Maar ter onderscheiding noemde men het eene erveOud-Bekkink, het andereNieu-Bekkink, en ook deze namen gingen weldra op de bezitters dier hofsteden en op hun nageslacht als vaste toenamen over.Het getal dezer eigenaardige geslachtsnamen is niet groot, en zy zijn slechts in de saksische gouen van ons land, in Drente, Twente en de graafschap Zutfen inheemsch. In Friesland komen oude patronymika, met de voorvoegselsoudennieu,grootenklein, en door de zelfde of soortgelyke oorzaken, als hier boven vermeld is, in het leven geroepen, ook wel voor als namen van staten en saten, van edelmans- of boerenerven; b. v.Groot-Aysma, Klein-Donia, Oud-HemmingaenNy-Hemminga, enz. Maar zulkeplaatsnamen, met die voorvoegsels verbonden, zijn dáárnooitals toenamen vanpersonenin gebruik gekomen, noch tot vaste geslachtsnamen geworden, zoo als in de saksische gouen wel het geval geweest is.De volgende geslachtsnamen stellen deze groep samen:Olden-Banning, Nyen-Banning, Ool-Bekkink.16De formenoldennyin deze namen, in plaats vanoudennieu, geven getuigenis van het volk van saksischen stam, waar by deze namen eerst ontstonden.—Ool, byOol-Bekkink, beeldt de eigenaardige uitspraak af van het woordold, zoo als dat by eenige saksische stammen, aan de oostelike grenzen van ons land gezeten, gebruikelik is; zie §156.Al deze patronymika zijn weêr van oud-germaansche mansvóórnamen ontleend. By de namenOlde-Bronninge, Ny-Hoving, Olden-Huisingzoude men misschien wel aan eene oude bron of put, aan een nieu hof of een oud huis denken. Toch schuilen ook in deze namen echte mansvóórnamen.HuisingvanHusois op bl. 29 en 30 reeds besproken.BronningeenHovingkomen vanBronnoenHove, Houe, Haue, namen die in Friesland nog in gebruik zijn, en waarvan ook de friesche patronymikale geslachtsnamenBronninga, HovingaenHovengaontleend zijn, metBronnema, Bronkema, Bronsema, Brondsema, BrontsemaenBrons, HovingenHofma.Opmerkelik, maar gemakkelik te verklaren is het dat men, naast bovengenoemde samengestelde patronymika, ook de enkelvoudige formen dier namen als geslachtsnamen in gebruik vindt. Zoo bestaan in Drente, nevensOlden-enNyen-Banning, Nye-Manting, Ny-Hoving, Ny-Huising, Olden-WeningenOlden-Wavingde geslachtsnamenBanning, Manting, Hoving, Huising, WeningenWaving. Elders weêr nevensOol-Bekkink, Klein-Bentinck, Klein-Budding, Olde-Dubbelink, Klein-StarinkenKlein-Ubbinkde enkelvoudige namenBekkink, Bentinck, Buddingh, Dubbelink, StarinkenUbbink.Dubbelink, in Friesland alsDubblingavoorkomende, is een patronymikon, waar van de oorspronkelike mansvóórnaam niet zoo gemakkelik aan te wyzen is. Die oorspronkelike naam isDietboltin oud-saksischen,ThiebaldofThiebautin oud-frankischen form; voluitTheodbald. Door verzachting en afslyting is die naam in den loop der eeuen by het nederlandsche volk totDubbelt, Dubbel, Dobbelgeworden. In Friesland komt hy nog heden ten dage in den formDubbelt, als mansnaam voor.Dubbelink(ook eene havesate in Twente draagt dien naam) is dus een versletene form van ’t oorspronkelikeTheodbalding.§21. Naast deze groep van patronymikale geslachtsnamen met eenvoorvoegsel, bestaat er ook eene groep van zulke namen waar een aanhangselachtergevoegd is, en wel ’t een of ander gemeen-zelfstandig naamwoord, meestalhuisofhof. Een huis of eene landhoeve, die soms eeuen lang door één en het zelfde geslacht in eigendom bezeten en bewoond is, neemt gereedelik den naam van dat geslacht als eigennaam aan, en wordt danMeininghuisgenoemd ofRogerinkhof, naar de geslachtenMeiningofRogerink, waaraan ze toebehooren. Kwam nu ditMeininghuisof ditRogerinkhoflater in andere handen, en wel van iemand die b. v. slechtsEvert Janszoonheette, maar die geen afzonderliken geslachtsnaam had, dan ging de oude naam van huis of hof wel op den nieuen eigenaar over, en werdhy weldraEvert Jansen MeininghuisofEvert Jansz. Rogerinkhofgenoemd, welke naam dan later tot een vaste familienaam van zijn nageslacht werd.Deze patronymikale geslachtsnamen met een achtervoegsel zijn dus, even als die van de voorgaande groep, eigenlik plaatsnamen en slechtsmiddellikaan eenen mansvóórnaam ontleend, even als dezen.Talrijk zijn deze geslachtsnamen in de Nederlanden niet. In Duitschland komen zy meer voor; b. v.Ellinghaus(alsVan Ellinckhuyzenin Nederland voorkomende),Bellingrath, Collinghorst. En nog veel meer in Engelland:Bolingbroke, Carlingford, Paddington, Elkingham. De volgenden zijn my in de Nederlanden voorgekomen:Barlinckhoff, Bruyninghuys, Bruininkweerd.17Deze namen zijn allen met ware patronymika samengesteld, die wel geen naderen uitleg behoeven, na alles wat daaromtrent reeds is medegedeeld. De byzondere schrijfwyze van den naamGussenklo, die op redelike gronden niet verdedigd worden kan, dankt haar ontstaan aan den wensch om de lettergrepen van dezen naam wel te onderscheiden, om wel te doen uitkomen dat hetGussenk-lois (Gussink-looware nog beter), en niet iets anders, b. v.Gussen-klo; wat trouens ook geen verstandig mensch zal meenen. Zie bl. 33.§22. Eene kleine groep van nederlandsche geslachtsnamen omvat oude vadersnamen met eenen latynschen uitgang. Van dezen noemen wy:Gardingius, Grevinchovius, Hachtingius.18—Grevinchoviusis verlatynscht vanGrevinkhof, een geslachtsnaam tot de voorgaande groep behoorende. OverHachtingiuszie men bl. 34; overHallungiusbl. 36 en 42.Hundlingiusheeft den oud-germaanschen mansvóórnaamHundo, Hunt, Honttot oorsprong, en wel in verkleinform alsHundle, Hondelyn. VanHundle, Hondelezijn ook nog de geslachtsnamenHondelink, HündlingenHondela, de twee laatsten in Oost-Friesland voorkomende, afgeleid. En van den mansnaamHuntin zynen oorspronkeliken form: de geslachtsnamenHondingain Groningerland (Hondinga-sateis te Pieterburen in Hunsego), misschien ook het verlatynschteHondiusin Holland,Huntingin Friesland en Engelland, metHundingenHuntingtoneveneens in Engelland. En van de zeer talryke plaatsnamen van dezen ouden mansnaam afgeleid, noemen we slechtsHondeghem(Hondinga-heim), een dorp in Fransch-Vlaanderen;Hunting, een dorp in Lotharingen;Huntingdonin Engelland;Hündlingen, een dorp in den Elsasz, enz.§23. In de oude friesche taal gaan vele woorden, die in de andere nederlandsche talen en tongvallen, ’t zij dan saksische of frankische, op eene toonloozeeeindigen, of ook zonder openen uitgang zijn, op eeneauit. Zoo luidt ook de uitganging(inge,ink) der vadersnamen, die overigens aan alle nederlandsche gouspraken, ja aan alle andere germaansche talen eigen is, in het Friesch alsinga. En dezeais ook geheel het eenige wat de friesche patronymika onderscheidt van andere vadersnamen, in de andere nederlandsche gewesten voorkomende. Even als dezen zijn de friesche patronymika louter van mansvóórnamen, natuurlik meest van friesche mansvóórnamen afgeleid. Even als dezen komen ze ook heden ten dage voor in verschillende spellingen, en op verschillende wyzen saamgetrokken of versleten. Ook zijn de friesche vadersnamen van zeer ouden oorsprong. Reeds in de 9deeeu vinden wy het geslachtCammingha, nog heden bestaande, vermeld. Intusschen zulke patronymika zijn ongetwyfeld nog veel ouder.De oude friesche patronymika zijn in grooten getale als hedendaagsche geslachtsnamen in leven en gebruik gebleven. Zy zijn over de geheele hedendaagsche provincie Friesland verspreid. Tot dat gewest uitsluitend beperkt, zijn zy echter geenszins. Even als de andere friesche opaeindigende geslachtsnamen (nieuere patronymika en andere formen) komen ze even zeer voor in de oud-friesche landstreken tusschen Lauers en Eems en Weser, in het hedendaagsche Groningerland en Oost-Friesland. Daar zijn deze namen van ouds her even zoo inheemsch en volkseigen als bewesten Lauers. In laatstgenoemdelandstreek (het nederlandsche Friesland) zijn ze niet gelijkmatig over het geheele land verspreid. In Oostergo en Westergo komen zy veel talryker voor dan in de Zevenwouden.Hier volgen eenige oud-friesche vadersnamen, die allen den zuiveren ouden form opingaeindigende, vertoonen:Abbinga, Benninga, Bottinga19. Deze namen komen, met zeer vele anderen soortgelyken, nog heden als geslachtsnamen in de friesche landstreken van Nederland voor, en zijn ook allen ontleend aan mansvóórnamen, die nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. B. v. aanAbbe, Benno(Binne) (zie bl. 28),Botte, Gau(meest in verkleinform alsGauke, Goukevoorkomende),UbboofObbe, enz.Eenige friesche geslachtsnamen opingauitgaande, stammen van mansvóórnamen af, die geenszins zoo gemakkelik zijn aan te wyzen als by de bovenvermelde namen het geval is. De mansnamen waar de volgende vadersnamen van zijn afgeleid, komenofslechts in zeer versletenen form voor,ofze zijn by de Friesen in het geheel niet meer in gebruik. Zulke geslachtsnamen zijn b. v.Eckringa, FolkeringaenFolkringa, Kleveringa enCleveringa20.Eckringais voluitEckhardinga, en afgeleid van den mansnaamEkhart, Ekkehart, Eckart, die in Duitschland nog wel in gebruik is.—Folkringais oorspronkelikFulkhardinga, vanFulkhart, Folkert.—KleveringaenCleveringais saamgetrokken en versleten vanKlefhardinga, het friesche patronymikon van den oud-germaanschen mansnaamKlefhart, Cleffehart, die weêr eene samenstelling is van den nog ouderen enkelvoudigen naamCleffo, Claffoen van den naamstamHart. Even alsFulkhart(Folkert) vanFulco(Folke) enHart; Ekhart(Ekkert) vanEkke, EccoenHart; Rikhart(Richard, Rykaert) vanRicoofRijkenHart. Hoe oud die naamCleffoofClafforeeds is, kan men inFörstemann’sNamenbuchopzoeken. Hy was reeds by de Longobarden in gebruik. ImmersClaffo, zoo heette de zesde, enCleph(’t welk de zelfde naam is in eene andere spelling), de elfde koning van dat oud-germaansche volk. Ook de beteekenis van dezen naam leertFörstemannte zoeken in het oud-hoogduitsche woordklaphôn, in het oud-noordsche woordklappa, waar het begrip vanslaan,stootenin ligt opgesloten, en waar ook het woordanaklaf, dataanvalbeteekent, van afgeleid is. Die oude woorden hebben dus eene krijgshaftige beduidenis. Maar ook het hedendaagsche woordkleven, ofschoon nu slechts in eene zeer gewyzigde beteekenis in gebruik, zal er wel oorspronkelik mede samen hangen. Van den mansnaamKlefhart, Klevertzijn niet enkel de twee bovengenoemde byzonder-friesche patronymika ontleend, maar ook de vadersnamen in algemeenen formKleveringenClevering, benevens het nog meer samengetrokkeneCleringaenKlering, alle vier nog hedendaagsche geslachtsnamen. Opmerkelik is het dat al deze zes zoo na verwante geslachtsnamen in Groningerland inheemsch zijn. Zeer waarschijnlik stammen al deze nu verschillende geslachten van één en het zelfde oorspronkelike geslachtKlefhardingaaf, en dus ook van één en den zelfden stamvaderKlefhart, die dan de eerste grondvester was van de sateCleveringa-heertte Uithuizen in Hunsego. Het schijnt dat een tak van dit oud-friesche geslacht, of misschien een enkele man er van, deelgenomen heeft aan den gemeenschappeliken uittocht van Angelen, Saksen en Friesen naar Groot-Brittanje. Wy vinden althans dit zelfde patronymikon, in den formClavering, nog heden ten dage als de naam van een engelsch geslacht. VanCleffois de hedendaagsche geslachtsnaam (friesch patronymikon in nieueren form)Kleefsmaook afkomstig, en van den verkleinformKleefkedegeslachtsnaamKleefkens. Deze zelfde mansnaam gaf ook oorsprong aan den plaatsnaamKleffens(dat is waarschijnlik eene samentrekking vanKleffingen), zoo als een gehucht heet by ’t dorpke Raart in West-Dongeradeel by Dokkum. En weêr door middel van dien plaatsnaam aan den naam van het in Oostergo gezetene geslachtVan Kleffens, waar van de voorouders, omstreeks het midden der vorige eeu, als landeigenaars op de sateKleffenswoonden, en toen dien geslachtsnaam aannamen. Nog zijn my als plaatsnamen,aan den mansnaamKlefhartontleend, bekend:Cleverns, een dorp in Jeverland (Oldenburger Friesland);Klieverink, eene havesate by Oldenzaal in Twente, enKleverskerke, een dorp op ’t eiland Walcheren.Dat de geslachtsnaamVitringahet patronymikon is van eenen mansvóórnaam die niet slechts tot onkenbaarheid toe versleten en ingekrompen, maar die tevens verkeerd gespeld is, blijkt uit de letterv, waarmede deze naam begint. Dievis, als beginletter van eenig woord, in de friesche taal volkomen onbekend. De Friesen kunnen die letter opdieplaats in het geheel niet uitspreken. Als beginletter spreken zy, en schryven dus zeer te recht ook, eenef, waar de Hollanders en andere Nederlanders eenevnoemen; nederlandschvrede= frieschfrede; nederl.vel= fr.fel, enz. Maar zoo wyVitringaal totFitringamaken, dan komen we geen stap nader tot oplossing van de vraag, welke mansvóórnaam ten grondslag ligt aan dezen vadersnaam. Liever verwisselen we dus die onmogelikevmet eenew, en denken dat misschien een geleerde man, uit dit geslacht gesproten, drie eeuen geleden, zynen naamWitringatotVitringaheeft verlatynscht. Die germaanschewimmers is geen latynsche letter, maar werd wel, waar men een germaansch woord dat onmogelik vertaald kon worden, in het Latyn wou schryven, met eenevverwisseld. EnWitringais, door vergelyking metEckringavanEkkehartenFolkringavanFulkhart(zie bl. 54) te verklaren alsWithardinga, het patronymikon vanWithart, of alsWitheringa(deehaast niet te laten hooren) het patronymikon vanWither, Witheri, oud-germaansche mansvóórnamen.ByKruisinga, Musschenga, Plantingazou men oppervlakkig eerder denken aan eene afleiding van de gemeen-zelfstandige naamwoordenkruis,muschenplant, dan aan mansvóórnamen. Dat echter ook deze geslachtsnamen echte patronymika zijn, aan mansnamen ontleend, lijdt by my geen twyfel, al kan ik dan die oorspronkelike mansnamen uitvinden noch aantoonen. OverMusschengaenMuischengahebben de heerP. LeendertzWz. en ik zelve in het tijdschriftDe Navorscher, dl. XXVII, bl. 78 en 80, en dl. XXVIII, bl. 75, het een en ander te berde gebracht. Om herhaling en te groote uitvoerigheid te myden, verwijsik den belangstellenden lezer dus dáár heen.—DatPlantingaenKruisingaware oude vadersnamen zijn, blijkt my uit zoo menige andere nederlandsche geslachtsnaam, die van den zelfden mansvóórnaam afgeleidmoetzijn. Nu er zoo vele geslachtsnamen (oude en nieue patronymika in allerlei formen) bestaan, waaraan dit zelfdeKruseenPlantten grondslag ligt, kan het niet missen of dit zijn in der daad mansvóórnamen geweest. Die geslachtsnamen zijnKruizenga, slechts in spelling vanKruisingaverschillende, even alsKruisinkenKruissink. De naamKruisingawordt in de friesche streken van ons land natuurlik alsKrusingauitgesproken, en in de friso-saksische en Saksische alsKroesinga, eigenlikKrusingamet hoogduitscheu. Van daar dat in Drente deze geslachtsnaam in den formKroezingavoorkomt. Verder de patronymika (in nieueren form) †Cruisema(het huisCruisemais by Hoogkerk in het Westerkwartier van Groningerland),KruysseenCruyce.—BehalvePlantinga, PlantengaenVan Plantingazijn my nog bekend de geslachtsnamenPlantema, Planting, Planten, Plantinus(†Plantynte Antwerpen), die allen van eenen mansvóórnaamPlantmoeten afstammen.§24. Even als by sommige geslachtsnamen de patronymikale uitganginkinenkveranderd is (zie bl. 36), zoo wordt ook by friesche patronymikale namen de uitgangingawel alsengageschreven. Maar terwijl deze verwisseling vaniineelders zeer zeldzaam is, komt ze in Friesland juist dikwijls voor. In Friesland maken de namen die op den verbasterden formengauitgaan, in getal wel de helft uit van de namen die op den oorspronkeliken formingaeindigen. Een ander verschil dan in spelling bestaat er overigens niet tusschen deze twee namengroepen. Als voorbeeld van zulkeenganamen noemen wy de volgenden:Boyenga(vergelijkBoyungaop bl. 59),Bonnenga, Douwenga21. Een groot deel van deze namen is ontleend aan mansvóórnamendie nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. Namelik aanBoie, Bonne, Douwe, Enno, Homme, Jette(komt meest in verkleinform voor alsJetse, eigenlikJet-tse, frieschts,tz=k),Libbe, Minne, Namme(ook meest in verkleinform alsNammele),OffeofUffoenWale.—Veenengakomt, met de geslachtsnamenVeninga, † Venia,Veenje, Feninga(de beste form),Fenenga, Fenega, Feening, Fening, Veenink, Venink, allen vadersnamen in verschillende formen, van eenen ouden mansvóórnaamFene, die waarschijnlik oorspronkelik één is met den oud-germaanschen mansnaamFin, inFörstemann’sNamenbuchvermeld.—Grimmengakomt van den mansvóórnaamGrim, die tegenwoordig in Nederland als zoodanig uitgestorven is, maar toch oudtijds onder de germaansche volken in gebruik was.GrimminkenGrimminck, de saksische formen van dit patronymikon zijn ook nederlandsche geslachtsnamen, even als de enkelvoudige naamGrimook.Grimmens, zoo heet een gehucht by Grootkerk of Hohenkirchen in Wrangerland (Oldenburger Friesland);Grimmingheis een dorp in Oost-Vlaanderen;Grimminghausen, een dorp by Herford in Westfalen, enGrimsthorpein Lincolnshire, Engelland.—Ruidengais denkelik eene verhollandsching vanRuudinga, en dit weêr eene verbastering vanRuurdinga, het patronymikon van den frieschen mansvóórnaamRuurd(Ruwart), waarin de Friesen de tweede letterrniet uitspreken.§25. Zoo als reeds een paar malen hier boven gebleken is, komen sommige friesche patronymikale geslachtsnamen in de beide formen voor, zoowel metingaals metenga; b. v.BottingaenBottenga, DallingaenDallenga, FellingaenFellenga, HavingaenHavenga, KempingaenKempenga, OostingaenOostenga. Dit is in der daad zoo veelvuldig het geval dat het allen schijn heeft als of telkens twee geslachten, die toevallig het zelfde patronymikon als geslachtsnaam hadden, by onderlinge overeenkomst, ter onderscheiding, het ééne geslacht den éénen form, het andere geslacht den anderen form zich had toegeeigend. Het onderscheid tusscheningaenengablijkt dan ookslechts in geschrifte. By ’t spreken is het niet hoorbaar, ten zy men het dan met opzet wil laten hooren.§26. Andere byformen van ’t oorspronkelikeingakomen by de friesche geslachtsnamen weinig of niet voor. De oude schrijfwyze alsingha, vroeger algemeen in gebruik, komt tegenwoordig nog slechts voor by drie namen. Te weten byVan Buttingha, Van CamminghaenVan Julsingha, die toevallig alle drie het voorzetselvanby zich hebben. Door hoogduitschen invloed is in Oost-Friesland het oorspronkelikeingaeen enkele maal inungaovergegaan; b. v.Boyunga, Hayunga, Sajunga. Maar binnen de nederlandsche grenzen heb ik dezen form niet ontmoet. Het friescheinghaenungakomt natuurlik geheel overeen met de uitgangeningh,inge,ingheenungby andere patronymika; zie bl. 32–37. Patronymikale geslachtsnamen, in den tweeden naamval (zie bl. 44), komen onder de friesche namen niet voor. Maar wel zijn er eenigen, die het voorzetselvanby zich hebben. Oorspronkelik behoort dit voorzetsel voor geen ééne friesche geslachtsnaam te staan. Het past er niet by. Het is eene tegenstrydigheid. Aleen in zooverre als men deze namen beschoud alsplaatsnamen, als namen van staten en saten, en er danvanvoor plaatst, geven zy eenen drageliken zin. Immers die staten en saten, die den patronymikalen naam dragen van het geslacht, dat er eerst in eigendom op gezeten was, b. v.Hottinga-state, Wallinga-sate, Wetsinga-sate, worden in de wandeling ook wel genoemd zonder dat woord state of sate er achter, even als ook in Twente en de graafschap Zutfen de vrye boerenerven zulke patronymika als namen dragen; zie bl. 23. De Friesen zeggen dus ook wel: »Ik ga naarHottinga”, of »ik woon opWallinga”, of »dou bist up Wetsinga berne”(gy zijt op Wetsinga geboren), en verstaan daar danHottinga-state, Wallinga-sateenWetsinga-sateonder. En op die wyzekunnenook de friesche geslachtsnamen metvaner voor, ontstaan zijn, en door lieden aangenomen, die, ofschoon oorspronkelik geenHottinga’sofWallinga’szijnde, op de staten of saten dier oude geslachten woonden of gewoond hadden. En waar zulke patronymika metvaner voor, de hedendaagsche namen zijn van oud-adellike friesche geslachten, b. v.Van Cammingha,Van Eysinga, daar is ditvaneen byvoegsel van lateren tijd, toen men dit voorzetsel, door hoogduitschen invloed, als een kenmerk van adeldom beschoude. Want oorspronkelik pastvanvoor geen friesche geslachtsnaam, ten zy dan voor eenen frieschenplaatsnaam(Van Kleffens, zie bl. 55). Behalve de bovengenoemde namen behooren tot deze groep nog de geslachtsnamen:Van Aldringa, Van Andringa, Van Hasinga, Van Hettinga, Van Hottinga, Van Idsinga, Van Wallinga, Van Wetsinga, enz. Grootendeels komen deze namen ook zonder dat overtolligevan, als geslachtsnamen voor:Andringa, Hottinga, Hettinga, Idsinga. Het patronymikon van den nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnden mansnaamEisevooral komt in velerlei formen als geslachtsnaam voor; alsEisinga, Van Eysinga, Eisenga, Van Eisenga, Eizenga, Van Eizinga, Eising, Eisinken ookEysinger; zie bl. 26. Buitendien bestaan nog de patronymikale maagschapsnamen, in nieueren form: †Eyssema, EizemaenEisma, EissenenEises, met het verlatynschteEyssonius. En de plaatsnamenEisink, een gehucht by Haren in Groningerland;Eisinghusen, een gehucht by Loppersum, en een ander by Nüttermoor, in Oost-Friesland;Eysinghem, een dorp in Zuid-Brabant;Eisingen, een dorp by Pforzheim in Baden, enz.§27. De patronymikale geslachtsnamen, tot hier toe vermeld, vertoonen allen, in hunne uitgangen,volleformen, al zijn die formen onderling dan ook nog zoo verschillend. Maar by eenige hedendaagsche geslachtsnamen, oorspronkelike patronymika, zijn die volle formen versleten. By namen die voor verre weg het grootste gedeelte, reeds zoo overoud zijn als dit by de ware patronymika het geval is, kan het geenszins bevreemding wekken, dat zy niet allen in hunne volle, oorspronkelike formen tot op onzen tijd in ’t leven gebleven zijn. Integendeel, ’t is eerder byzonder, dat het altijd maar een zeer klein gedeelte is van het groote getal patronymikale geslachtsnamen, dat zoo in versleten staat tot ons gekomen is. De geslachtsnamenHeenkenOonkb. v., ookBongametVan Bonga, enSinnighezijn zulke versletene formen. ByHeenkenOonkis eeneden eeneiverloren gegaan, byBongade lettergreepnin, bySinnigheenSinnigeeenen. Want deze namen zijn oorspronkelik en voluitHedink, Odink, BonningaenSinninghegeweest. Zie hier nog eenige andere geslachtsnamen tot deze groep behoorende, met de volle formen er achter:Beddigs(Beddings);Bennigsen(Benningsen—zie bl. 28 en 44);Diegerick(Diegerink; de geslachtsnaamDeegerinkis slechts een andere form hier van).22Moeieliker te verklaren zijn de geslachtsnamenBanga, TjeenkenSwynga. Oppervlakkig zoude menBangawel houden voor eene samentrekking vanBanninga, aan den mansvóórnaamBanneontleend, die ook aan de geslachtsnamenBanning, Olden-- enNyen-Banning(zie bl. 50),BannemaenBansten grondslag ligt, en even als ookBongauitBonningais saamgetrokken. DatBangaechter niet vanBanninga, niet van den mansnaamBannekomt, maar van den mansnaamBaue—dat deze geslachtsnaam versleten is uit het oorspronkelikeBauwingaof beterBauinga, blijkt uit den formBawnga, waar onder deze naam voorkomt in eene oorkonde, die in de friesche taal opgesteld is en van ’t jaar 1493 dagteekent.23In deze oorkonde wordt één en de zelfde man, die in een ander stuk van het jaar 148924Douwa Bangaheet,Douwa Bawnghagenoemd. Er komt in Friesland nog een andere eigennaam voor, waarin het oorspronkelike patronymikonBauingatotBangversleten is; te weten de naam van het dorpBangstede, tusschen Emden enAurich gelegen. Dit dorp heet oorspronkelikBauingastede, de stede, de woonplaats derBauinga’s, derBauingenofBavingen, der zonen en afstammelingen van den man dieBaueofBavoheette. Op eene oude landkaart van Oost-Friesland, vanUbbo Emmius, uit het laatst der 16deeeu, staat dit dorp nog alsBavestedeofBauestedevermeld. Dat de nog hedendaags by de Friesen in volle gebruik zijnde mansnaamBaue(Bauwe) in het middeleeusche monnikenlatyn alsBavowerd geboekstaafd, is bekend. De heiligeBaueis alsSt. Bavode patroon van de steden Aardenburg, Gent en Haarlem. En deze zelfde mansnaam heeft nog aan zeer vele andere geslachtsnamen oorsprong gegeven, om niet te spreken van de talryke plaatsnamen die er van afgeleid zijn. Die geslachtsnamen zijn: †Bavinga, †Bauwenga, †Bavema, Bauma, Bauwes, allen in Friesland;Bange, saamgetrokken vanBauinge, alsBangavanBauinga; Bavink, in Engelland alsBavingvoorkomende,Bauwen, Bauwens, Baafs, Baefs, Baafse, en het verlatynschteBavius.De geslachtsnaamTjeenkis moeielik te verklaren. Ik waag dien aangaande de volgende gissing. Zoo die gissing juist is, dan isTjeenkniet slechts een zeer oud patronymikon, maar ook een zeer byzonder, als vertoonende zoowel friesche als saksische formen.Tjeenkis dan naar myne meening, eene samentrekking vanTjedink, en dit weêr een door klankwyziging veranderde form vanTjadink, Tjading, Thiading, Thiadinga, het friesche patronymikon van den oud-frieschen mansnaamThiad, die door de Friesen alsTjaad, Tjadewordt uitgesproken, en, onder dien form, nog wel als mansnaam by hen in gebruik is. Deze naamTjaad, Tjademoet niet verward worden met den eveneens nog zeer gebruikeliken frieschen mansnaamTjaard(ook welTjeerd), die door de Friesen ook zonderr, alsTjaadwordt uitgesproken, maar oorspronkelik een andere naam is, eene samentrekking van den samengestelden mansvóórnaamTjadert, Thiadhart. Van dezen eerstgenoemden mansnaamTjadeis ook de geslachtsnaamTjaden(een tweede-naamvalsform) afgeleid. Die byzondere samenvoeging van een’ frieschen voornaam en een’ saksischen patronymikalen form in één en den zelfden geslachtsnaam, weet ik anders niet te verklaren dan door aan te nemen dat een Fries, die het patronymikonThiadinga, Tjadingaals toenaam voerde, zich buiten zijn vaderland onder eene saksische bevolking vestigde, waar zijn naam, door den invloed van het saksische taaleigen zyner nieue landgenooten, al spoedig de kenmerkendeaals uitgang verloor en de saksische klankwyziging aannam, dus eerstTjading, danTjäding, danTjedingwerd, allengs ook nog meer den saksischen form alsTjedinkvertoonde, om eindelik totTjeenkte verslyten. Dit gaat alles zeer geleidelik, en druischt, zoo verikweet, tegen geene taalwetten in. Maar dit alles is gissing. Die ’t beter weet mag het zeggen!De geslachtsnaamSwyngais eene samentrekking vanSwyninga, het patronymikon van den frieschen mansvóórnaamSwyn, Swine. Men verwondere zich niet over dezen naam, noch denke dat de oude Friesen hunne zonenzwyn,varken, noemden.Swineis de byzonder-friesche uitspraak van den oud-germaanschen mansnaamSwind, Suint, welke naamvlugheidbeduidt. Ons hedendaagsch woordgezwindstamt met dien naam van den zelfden wortel af. Even alsSwyn, Swîn, voorSwind, zoo zeggen de Friesen ookwînvoorwind,finevoorvinden,Hînljippen, voorHindeloopen, enz.De geslachtsnamenHoynckenHoyngbehooren ook tot de versletene patronymika; althans zoo men deze namen metyschrijft. De eerstgenoemde behoort dan in de groep deryncknamen, die op bl. 42 besproken is, en heeft eeneiverloren. Immers is de oorspronkelike mansnaam waar hy van afgeleid is,Hoi, Hoie, en moet de naam dus voluitHoiynckgeschreven worden.Boekstaaft men den naam echter op hollandsche wyze met de byzonder-hollandsche letterij, oorspronkeliki i, dan is de naam alsHoijnck, Hoiinck(Hoi-ink) volkomen. De patronymikaHoyingenHooying, HooyengaenHoyenga, alle vier als geslachtsnamen voorkomende, zijn oorspronkelik metHoynckgeheel de zelfde namen.Hoynckwordt dikwijls als ééne lettergreep uitgesproken, alsofoy,oieen tweeklank ware. En zoo doet men ook by de patronymikale geslachtsnamenStroink, SchainkenSpaink. Dit is verkeerd. Die namen zijn uit twee lettergrepen samengesteld:Hoi-ink, Stro-ink, Scha-ink, Spa-ink; zy dienen ook zoo te worden uitgesproken. Dat men by ditHoienStro(zie ook bl. 40) niet aan de woordenhooienstroote denken hebbe, kan men in §168nalezen. OokspavanSpainkkomt niet van het woordspa,spade, maar van den mansvóórnaamSpade, die inFörstemann’sNamenbuchalsSpattovermeld is. OverSkade, de mansvóórnaam die aanSchainkten grondslag ligt, zie men §28.Of de friesche geslachtsnaamSonnegaook tot de versletene vadersnamen behoort, meen ik te moeten betwyfelen. Het zoude kunnen zijn, datSonnegaoorspronkelik en voluitSonningaware, even alsHillegaenMennega(zie bl. 61) oorspronkelik en voluitHillingaenMenningazijn. Te meer nog, wijlSonninghade naam van een thans uitgestorven friesch geslacht geweest is. Toch wil ik hier liever denken aan den naam van het dorpSonnega, in Stellingwerf (Friesland), waaruit het geslachtSonnegawellicht afkomstig is. Ditgaals uitgang van friesche plaatsnamen verwarre men niet met den lettergreepgavan den frieschen patronymikalen uitganginga. Het eerstgenoemdegais eigenlik in het Frieschgeaen beteekent dorp;Sonnega=Sonnedorp(Sonneghem=Sonning-heimis een dorp in Vlaanderen);St. Nicolaasga=St. Nicolaas’dorp; Oudega=Ouddorp, enz.Ten bewyze van den ouderdom dezer verbasterde, versletene patronymika, tevens als bewijs dat zy werkelik uit de volle formen ontstaan zijn, zy hier nog vermeld dat de oudst bekende der friesche vadersnamen, nog heden de geslachtsnaam(Van) Cammingha, reeds in oorkonden van de 13deeeu alsCanga, Kangawerd geschreven.25Terwijl in een geschrift van het jaar 1495 een der leden van dit overoude, ja alleroudste friesche geslacht zynen naam alsKamgaboekstaaft26.§28. Even als de Drenten hunnen eigenen form van patronymika als geslachtsnamen hebben (zie §13), zoo hebben zy ook eenen eigenaardigen form van versletene vadersnamen, die slechts in hun land inheemsch is. De geslachtsnamenHaange,Luinge(men spreekt natuurlikLuunge, ook welLuunje),Schaange, Smeenge, SteengeenHofsteengevertoonen dien byzonderen form.Haangeis eene samentrekking van den vollen formHaninge, het patronymikon van den ouden mansvóórnaamHano, die byFörstemannvermeld wordt, en die aan den engelschen geslachtsnaamHaning, en aan de friesche geslachtsnamenHanemaenHaniaeveneens ten grondslag ligt. Van dezen mansnaam in verkleinform zijn ook de geslachtsnamenHaantjes, Haentjens, die in alle Nederlanden talrijk verspreide patronymika, afkomstig.—Luingeis samengetrokken vanLudinge, het patronymikon van den ouden mansvóórnaamLude, Lode, Hlude, Hlode, Chlodo. Het drentscheLudingeenLuingeis volkomen het zelfde als het friesche †Ludingaen †Lunia—zie §29.LuingeenLuniaworden dan ook beiden wel alsLuunjeuitgesproken. Oudtijds bestond in Groningerland een geslacht †Luinga; deze naam staat in form midden tusschen het friescheLudingaen het drentscheLuingein. Verhollandscht totLuidingais dit overoude patronymikon nog een hedendaagsche geslachtsnaam, even alsLudingenLudink.—Schaangeis voluitSchadinge, van den frieschen mansnaamScato. De geslachtsnaamSchaink(Skadink) is de twentsche tegenhanger van den drentschen naamSchaange.—SmeengeisSmedinge; over dezen naam zal in §31gehandeld worden.—Steengeis voluitStedinge, dat, evenals de friesche geslachtsnamenStada, Stadema, Stades, StedmaenStedes, en de plaatsnaamStedum(Steda-heim, woonplaats vanStede), dorp inFivelgo, van den mansnaamStede, Stade, byFörstemannalsStadvoorkomende, ontleend is. Of zoo men deze afleiding niet wil gelden laten, mag men ook aannemen dat de geslachtsnaamSteengeontleend zy aan den naam van het aan Drente palende stellingwerfsch-friesche gehuchtStegingaofSteggenga, by ’t dorp Oosterwolde, welke naam in de friso-saksische gouspraak van Stellingwerf en Drente ookSteengaofSteengewordt genoemd.—De oorsprong van den geslachtsnaamHofsteengeis my duister. Dat hy zoude aangenomen zijn door iemand »die niet als zijne buren op een klein erfjen, maar op eene aanzienlijkehofstedewoonde”, gelijkLeendertz(Navorscher,dl. XXVIII, bl. 620) meent, is mogelik, maar komt my toch niet waarschijnlik voor. Liever wil ik hier aan een patronymikon blyven denken. Het is dus twyfelachtig, of de beide laatstgenoemde namenSteengeenHofsteengewel tot deze groep van geslachtsnamen moeten gerekend worden, en of zy misschien niet tot de geslachtsnamen, aan plaatsnamen ontleend, behooren.§29. De Friesen hebben in hunne taal veel eigenaardigs, veel byzonders. Dit blijkt ook uit hunne eigennamen. Onder hunne geslachtsnamen zijn vooral die welke opiaeindigen, zeer byzonder. Deze hebben zulk een vreemd voorkomen,Siniab. v.,RuniaenTania, dat niet-Friesen deze namen bezwaarlik als oorspronkelik nederlandsche geslachtsnamen gelden laten. En toch zijn ook dit goed germaansche, echt friesche namen. Want het zijn samengetrokkene, verfloeide,versleteneformen van de patronymika, opingaeindigende. Zoo isBothniaoorspronkelik en voluitBothinga, Bottinga; Siniais eigenlikSininga; TaniaisTanninga, enz.Deze zonderlinge afslyting vaningatotia, vanSiningatotSinia, vond hare eerste aanleiding zekerlik in de byzondere, zachte uitspraak der friescheg. Eene eigenaardige uitspraak die nog zoo veel te flauer wordt, wanneer eenendegvoorafgaat, en daar door de letterverbindingnggeboren wordt, die eigenlik als eene byzondere, op zich zelve staande letter aan te merken is, zoo als in den patronymikalen uitgangingahet geval is. Vele woorden, die in andere germaansche talen met eenegbeginnen, hebben in de friesche taal tot eerste letter eenej. Zoo is het nederlandsche woordgeven, hoogduitschgeben, engelschto give, deenschgive, zweedschgifva, in het Frieschjaen, Oud-frieschjeva; zoo is het nederlandschegave,gift, in het Frieschjefthe; het nederl.gister, hoogduitschgestern, is in ’t Fr.jisterofjüster, en ’t nederl.garen, hoogd.garn, in ’t Fr.jern(men spreekt uit alsjen); in beide laatstgenoemde woorden overeenstemmende met het Engelsch, dat degook totjverzacht heeft, inyesterdayenyarn. In den hedendaagschen naam van het dorpDongjumby Franeker, oudtijdsDodinga-heimof de woonplaats derDodinga’s, derDodingen, der nakomelingschap vanDodoofDoede—heeft, inde schrijftaal, de oorspronkelikegvan het patronymikonDodingaeenejnaast zich gekregen. In de spreektaal echter is degvolkomen doorjvervangen, want de Friesen spreken dezen dorpsnaam alsDonjum, DoinjumofDünjumuit; de juiste uitspraak is met nederlandsche klanken moeielik af te beelden. Even zoo is het met den naam van het dorpDedgum(Deddingum, Deddinga-heim, van den mansnaamDeddo), die steeds alsDedjumuitgesproken wordt; en met den dorpsnaamPingjum(Pingia-heim, Pinninga-heim, van den mansnaamPinne, Penne), dien de Friesen alsPeinjum, zelfs alsPeiumuitspreken. De hedendaagsche dorpsnaamAnjumschreef men oudtijds voluit, alsAninghem(Aninga-heim). Het duidelikste voorbeeld om den overgang vaningatotia, vanSiningatotSiniaaan te toonen, levert het woordpenning(a)op, dat in het Friesch alspenje,peinje(pennia) uitgesproken wordt, en in het Engelsch totpennyversleten is. Daarentegen heeft dit zelfde volle en oorspronkelike woordpenningin het hedendaagsche Hoogduitsch eenenverloren, en is totpfennigversleten, even als b. v. de geslachtsnaamHudingtotHudig(zie bl. 61).Maar bewyzen te over, dat de frieschegwel alsjwordt uitgesproken. Passen wy deze uitspraak nu ook op degvaningatoe, dan luidt b. v.SiningaalsSininja. En neemt men dan hier by in aanmerking dat de volle nadruk by deze patronymika op den eersten lettergreep valt, en dat de laatste lettergreep slechts eenen halven klemtoon heeft, terwijl de middelste toonloos is, dan is de overgang vanSininjatotSiniawaarlik niet groot. Integendeel, zeer gemakkelik, geleidelik en als van zelven floeiende. En even zoo leidde ’t oorspronkelikeBottinga, door d’ uitspraakBottinjatotBotniaofBothnia, enTanninga, doorTanninja, totTania.Dat overigens werkelik en in der daad de geslachtsnamen opiaeindigende, ontstaan zijn uit die welke opingauitgaan, blijkt ook hieruit, dat de naam van ’t oude geslacht †Gratinga, GrætingaofGrettinga(alle drie spellingen komen voor), dat op de nog bestaandeGrettinga-statete Almenum (Barradeel, Friesland) gezeten was, en waarvan de buurtGratinga-ofGrettinga-buren, by Harlingen, haren naam ontleend heeft,in oude oorkonden zoo welGratingaalsGretniagenoemd wordt. En even zoo wisselen by één en het zelfde geslacht de namenHottingaenHotnia, UningaenUnia, WyningaenWyngiaenWyniaelkanderen af, in oude geschriften. En eveneens blijkt dit ook hieruit, dat het geslachtBurmaniain eene oorkonde van den jare 1300,27alsBurmanningavermeld wordt.28In de middeleeuen, toen de friesche taal hare volle formen opaenia(mula= mond,biwaria= bewaren) nog behouden had, en men die uitgangen nog duidelik, onderscheidenlik uitsprak, toen spraken de Friesen die samengetrokkene namenSinia(– ⏑ –), enz., ook juist zóo uit, als zy ze schreven, en zóo, als wy ze nu nog schryven. Maar sedert is de friesche taal verloopen, en heeft hare volle formen verloren. Sedert de 16deeeu spreekt men niet meermula, maarmule(mûle, met hoogduitscheu, ten naaste by als nederlandschmoeledus); en niet meerbiwaria, maarbiwarje. En juist zóo is ook de uitspraak der geslachtsnamen, die opiaeindigen, veranderd en verloopen. Men spreekt tegenwoordig niet meer voluitSinia, maarSiinje(Sînje, Synje, – ⏑); niet meerTania, maarTanje; niet meerRunia, maarRûnje(ongeveerRoenje) enRüünje. Heden ten dage is dit de algemeene en gewone uitspraak dezer namen by de Friesen; en dat deze zelfde uitspraak ook reeds in vorige eeuen bestond, blijktuit menige oude oorkonde. Zoo vind ik, al weêr in ’tOorkondenboek van ’t leeuwarder St. Anthonij-Gasthuis, in een stuk van den jare 1542, den geslachtsnaamDoniageschreven alsDonye, en in een stuk van het jaar 1562, alsDoenye.—Haniastaat in het laatstgenoemde stuk alsHanyegespeld.Wyngia, in eene oorkonde van 1558, alsWyngie.—†Ringia, in 1566, alsRyngie; †Fernia, in 1595, alsFernij.—Uniaeindelik, in een geschrift van 154729, alsOenye.Toch begint deze oude, maar niet oudste uitspraak, die in d’ eigenaardige uitspraak der friesche taal in ’t algemeen gegrondvest is, heden ten dage, in den mond van sommige Friesen weêr te wyken voor de uitspraak naar de letter. Hollandsche onderwyzers vooral, die, met de friesche taal volkomen onbekend—dwaas genoeg!—den mond van friesche kinders gewelddadig naar hunne hollandsche uitspraak dwingen, zijn hiervan de oorzaak. En zoo hoort men tegenwoordig de namenSinia, Tania, Runiawel weêr juist zóó uitspreken als zy geschreven worden. Maar de meeste Friesen,sliucht end riucht, blyven voor en naSiinje, Tanje, Rûnjeuitspreken.Tot een ander, tegenovergesteld uiterste zijn die lieden vervallen, welke deze geslachtsnamen opia, het eerst zóógeschrevenhebben, als men ze uitspreekt; die dus niet slechtsFiinjespraken, zoo als het trouens ook goed was en is, maar die ookFynjeschreven. Ten gevolge van deze slordige, in de vorige eeu meest opgekomene schrijfwyze, vertoonen sommige oud-friesche patronymika opia, als hedendaagsche geslachtsnamen dien leeliken schrijfform opjaenjeeindigende.Rynja, Synje, Bruinje, Veenje, in plaats vanRinia, Sinia, Brunia, Fenia. EnFynje, verbasterd vanFinia, is in Holland nog weêr meer verbasterd in spelling en uitspraak beide; te weten alsFijnje, gesprokenFeinje! Een gruwelike wanklank in de fijn-gevoelige ooren der Friesen! Maar dwazer nog als deze verbastering is van het friescheFininga=Finiatot een hollandschFijnje=Feinje, ergerliker nog heeft men gehandeld door van den geslachtsnaamTania, Tanjeden schijnbaar-franschen naamTanjéte maken.Pieter TaniaofTanje, te Bolswart geboren in 1706, was een beroemd plaatsnyder (graveur). Hy vestigde zich in Holland, en droeg daar den naam vanTanjé! Wat een domheid, en wat een kleingeestige elendigheid, om zóó de Franschen na te apen! Zie §165.
§18. Eene byzondere groep van geslachtsnamen wordt geformd door die patronymika, welke achter den uitgangingnog het aanhangselson,senof eene enkelesvertoonen. Diesis hier anders niet als het kenmerk van den tweeden naamval waarin het woord of de naam staat. Het zijn dus namen die te gelijker tijd de kenmerken vertoonen der oude en der nieue patronymikale formen; zie §4, 5 en 6. In taalkundig opzicht kunnen zy ter nauer nood verdedigd of goedgekeurd worden. In hunnen hedendaagschen, dubbelen form zijn zy ongetwyfeld ontstaan in den tijd toen men de beteekenis van den uitgangingniet meer kende, dien uitgang niet meerverstond. Dat ontstaan moet verklaard worden op deze wyze: een man heetteLeenderten droeg den toenaam vanHemming, een oud patronymikon, ontleend aan den vóórnaam van zynen stamvaderHemmo. De vader, grootvader en nog menig oudvader vanLeenderthadden allen reeds dat patronymikon als vaste toenaam gedragen. Door de eene of andere byzondere omstandigheid, misschien ter onderscheiding van andere mannen in de onmiddellike omgeving vanLeendert Hemming, die eveneensLeendertheetten, werd onze man in het dageliksche leven door zyne buren, vrienden en verdere tijdgenooten niet by zynen voornaamLeendertgenoemd, zoo als anders gebruikelik was, maar by zynen toenaamHemming. Weldra kende byna niemand hem anders als by den naamHemming, en raakte zijn voornaamLeenderthaast geheel vergeten.Hemming’szoonRutgerdie in den tijd leefde toen de gewoonte in zwang kwam om den voornaam van den vader, in den tweeden naamval, met of zonderzoondaar achter, den zoon als toenaam te geven,—Hemming’szoonRutgernoemde zich dien ten gevolge dan ook nietRutger Leenderts zoon, ofRutger Leendertssen, ofRutger Leenderts, zoo als het volgens recht zijn moest, maarRutger Hemming’s son(zoon). Hy maakte zich een patronymikon als toenaam, naar de gewoonte van den tijd waarin hy leefde. Echter niet van zijn vaders voornaam, maar van het oude patronymikon dat eigenlik zijn vaders toenaam was,ofschoon het in de plaats van den voornaam gebruikt werd. En de kinderen vanRutger Hemmingson(de twee letterssvanHemmingsson, in d’ uitspraak niet afzonderlik te hooren, smolten in geschrifte al spoedig tot eenessamen) behielden hun vaders toenaam ook als hunnen toenaam aan. En zoo werd in verloop van tijd datHemmingsoneen vaste geslachtsnaam, zoo als het nog heden is. In plaats van ditsonofzooner achter te voegen, nam men het vaderlike patronymikon ook wel eenvoudig in den tweeden naamval als toenaam aan. En zoo kwam b.v. van het oude patronymikonAlink, de toenaamAlinks(voluit desAlinkszoon), nog heden als geslachtsnaam by ons voorkomende. Strikt genomen wilHemmingsonzeggen: zoon van den zoon vanHemme; enAlinks, zoon van den zoon vanAle. Men gevoelt dat deze naamformen eigenlik monsters, misbaksels zijn, in strijd met het wezen der taal. Zy konden dan ook slechts gemaakt worden en in gebruik komen, toen men de oude patronymika niet meer verstond; toen het volk niet meer wist datHemmingenAlinkreeds zoon vanHemme, zoon vanAlebeteekenden; toen men de kracht van datingniet meer gevoelde.
HemmeenAle, waar van bovengenoemde patronymika ontleend zijn, komen by de hedendaagsche Friesen nog dikwijls als mansvóórnamen voor.
Zulke dubbelde patronymika zijn niet aleen in de Nederlanden, maar evenzeer in Engelland, en ook wel in Duitschland, vaste geslachtsnamen geworden.—Zie hier eenigen, die nog heden als nederlandsche maagschapsnamen in gebruik zyn:Beerlings, Bennigsen(oorspronkelikBenningsson, Benning’s son, zie bl. 28).13Deze patronymika zijn ook allen weêr van mansvóórnamen afgeleid, waar van eenigen nog in gebruik zijn:Bruno, Otto. Anderen komen nog in Friesland voor:Boie, Benneenz.Eldertis ook nog bekend. EnThiadbern, waarTjaberingsvan afkomt, is een oud-friesche mansnaam, die voor een paar eeuen nog in de friesche streken tusschen Eems en Weser voorkwam. De overige namen kan men inFörstemann’sNamenbuchnasporen.
§19. Als in eenig woord eeneken eenesonmiddellik op elkanderen volgden, dan vervingen de oude Nederlanders, in hun schryven, die twee letters meestal door eenex. Zoo schreven zy b. v. de woorden:des konings brug,des koninks brugge, alssconincx brugghe;monniks-kleêrenalsmunnicx ghewaed. Ook by ’t boekstaven hunner eigennamen handelden zy zoo, en schrevenFeddrixmaenHaaxbergen, welke namen wy tegenwoordig beter alsFeddriksmaenHaaksbergenspellen. In sommige eigennamen bleef diextot den dag van heden in gebruik; b. v. in den frieschen geslachtsnaamBlinxma, dat isBlink-sma, en beteekent: zoon vanBlinke. Deze naam is weêr een verkleinform (Blin-ke) van den oorspronkeliken mansvóórnaamBlin, die byFörstemannalsBlion, Bliunvoorkomt. Verder in de friesche plaatsnamenBoxum, Waaxens, enz. Ook schreef men voor weinig jaren nog algemeenBoxtel, Axel, Nibbixwoud; thans meerBokstel, Aksel, Nibbikswoud, zoo als ’t ook beter is. Vooral in de zuidelike Nederlanden zit diexin menige eigennaam nog vast in den zadel; b.v. inDixmude, Exaerde, Sint-Antelinckx, namen die men in de nieuste spelling ook alsDijksmuiden, Eksaarde, Sint-Antelinksboekstaaft. En zoo vinden wy in de zuidelike Nederlanden, vooral in Vlaanderen, die geslachtsnamen, welke eigenlik zijn opink(inck,ynck) eindigende patronymika, in den tweeden naamval, meestal met eenexgeschreven; b. v.Bollinckx, Bruyninckx, Cnapelinckx,Daggelinckx,14enz. Ook deze patronymikale geslachtsnamen zijn natuurlik allen weêr aan mansvóórnamen ontleend. Het zuidnederlandscheBruyninckxverschilt slechts in spelling van het noordnederlandscheBruinings, maar komt er in oorsprong en beteekenis volkomen mede overeen. De maagschapsnamenDuerinckxenTuerlinckxstammen af van eenen en den zelfden mansvóórnaam; namelik vanDure, Ture, Thuro. Deze naam was reeds by de Gothen in gebruik—immersThurowas een gothische bevelhebber—, en ook het landThüringenin Duitschland ontleend zynen naam van dien mansvóórnaam.Tuerle, de naamsform die aan het patronymikonTuerlinckxten grondslag ligt, is oorspronkelik anders niet als een verkleinform (Turlyn) vanTure. Ook in Friesland treffen wy dezen ouden mansvóórnaam nog aan in geslachts- en plaatsnamen. Te weten in de geslachtsnamenDuursma, Duursema, DuringenDuurs, nevensDürigenenVon Düringsfeldtin Duitschland. Verder inDuurswolde, zoo als een dorp heet in Opsterland (Friesland), en eene landstreek in Fivelgo (Groningerland).Düringenis de naam van een dorp by Bremen. Van den verkleinformDuurke(het zelfde alsTuerle, maar in andere gouspraak) stamt de groninger geslachtsnaamDuurkens, en de plaatsnaamDuurkenakker, een gehucht by Muntendam in Groningerland. De geslachtsnamenCnapelinckx, Hebbelynckx, Ratinckx, of liever de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, zijn op bl. 41, 42 en 37 reeds besproken.HellynckxenHellinckxhebben hunne tegenhangers in de friesche patronymikale geslachtsnamenHellingaenHellenga. Verder inHellynck, Hellink, HellingenHellings, en in den samengestelden maagschapsnaamHellinghuizer. Al deze patronymika zijn afgeleid van den oud-germaanschen mansvóórnaamHello, die inFörstemann’sNamenbuchvermeld wordt, en die tevens oorsprong gaf aan vele andere geslachts- en plaatsnamen. Te weten aanHellemaenHelma, HellenenHelles; aanHellum, een dorp in Fivelgo, en aanHelwert, een gehucht by Rottum in Hunsego, beide in Groningerland; aanHellingen, een dorp in Luxemburg; aanHellinghen, een gehucht by Hérinnes-lez-Enghien in Henegou; aanHellinghillin Northumberland (Engelland); aanHellinghausen, een dorp by Lippstadt in Westfalen, enz. InSnellinxen in ’t eveneens voorkomendeSnellingsvinden we het patronymikon van den oud-germaanschen, in Friesland nog een enkele keer voorkomenden mansvóórnaamSnello, Snel, die ook oorsprong gaf aan de geslachtsnamenSnellenenSnellens, en, in verkleinform, aanSneltjes, alle drie tweede-naamvalsformen, en zoon vanSnellobeteekenende. Ook aan de plaatsnamenSnelleghem(dat is eene samentrekking vanSnelling-hem, Snellinga-heim) een dorp in West-Vlaanderen, enSchnellingen, een dorp byHasslachin Baden. Eenen tegenhanger vanden vlaamschen geslachtsnaamSurinxvinden wy in den frieschen, in Groningerland inheemschen geslachtsnaamSuringa. Verder inSühring, dat ik te Bremen vond; in het gelderscheSurink; in ’t afgesletene, te Antwerpen voorkomendeSuerickx(dat is oorspronkelik ookSuerincks); en hoogst waarschijnlik ook in het nog meer versleteneSuryenSurie. In den samengestelden geslachtsnaamSuringbroekkomt dit patronymikon almede voor. EnSürenenSuersen, namen van buitenlandschen, westfaalschen en noordfrieschen oorsprong, maar die ook in Nederland voorkomen, zijn eveneens patronymika van den ouden, buiten gebruik gestelden mansvóórnaamSuur, Sure. Deze naam is slechts eene samentrekking van den vollen formSuder,Sudhari, een oud-germaansche mansnaam, die blykens de hedendaagsche friesche geslachtsnamenZuidermaenZuidersmaoudtijds ook door Friesen gedragen werd. De stamform van den mansnaamSudhari(Suder, Sure) isSudo, die inFörstemann’sNamenbuchvermeld wordt, en oorsprong gaf aan de friesche geslachtsnamenSudinga(in Oost-Friesland inheemsch),Zuidinga(in Drente),Suiding, Suydema, SuidemaenZuidema, allen patronymika. Het patronymikon van den mansnaamSudharvind ik reeds in de middeleeuen, ook in Vlaanderen;Laureins Zuerincwas een poorter van Brugge, ten jare 132015.
In eene oude oorkonde vind ik nog dat ten jare 1328 zekereJan Geylincxburger was der stede Geraertsbergen in Vlaanderen. Dat jaartal moet ongeveer de gemiddelde tijd voorstellen waarin deze zonderling geformde dubbelde patronymika eerst opgekomen zijn. In de zuidelike Nederlanden mag dit ook nog wel eene eeu vroeger voorgekomen wezen, even als in de noordelike gewesten eerst een honderdtal jaren later.
§20. Eene kleine groep van geslachtsnamen wordt geformd door eenige oude patronymika, die vóór den oorspronkeliken mansvóórnaam, waarvan zy afgeleid zijn, nog een voorvoegsel vertoonen, bestaande uit de woordengrootofklein,oudofnieu. B. v. de geslachtsnamenGrootnibbeling, Kleinstarink, Oudewesseling,Nyemanting, ook wel, en beter,Groot-Nibbeling, Klein-Starink, Oude-Wesseling, Nye-Mantinggeschreven. Deze geslachtsnamen zijn niet onmiddellik ontleend aan patronymika, die als toenamen van personen in gebruik waren, zoo als dit met alle andere tot hier toe vermelde patronymikale geslachtsnamen wel het geval is. Zy zijn onmiddellik ontleend aan de namen van boerenerven of hoeven; en eerst in de tweede plaats of middellik aan de oude patronymikale toenamen der geslachten welke deze erven in eigendom bezaten en bewoonden. Zie bl. 23. Het ontstaan dezer geslachtsnamen had op de volgende wyze plaats. De boerGerlof Eitinge, die zynen patronymikalen toenaam ontleende aan den naam van zynen voorvaderEite, en die, even als zyne voorouders, geslachten en geslachten vóór hem, het erveEitinge, zoo genoemd naar den eigenen toenaam van zijn geslacht, in eigendom bewoonde,—die drentsche boerGerlof Eitingehad twee zoons. De oudste daar van erfde, naar vaste zede, die voorouderlike bezitting. Maar, ten einde den jongsten zoon, wien hy misschien eene byzondere liefde toedroeg, eenigszins schadeloos te stellen, nam de oudeGerlofnog by zijn leven een deel van de landeryen af van het oude erve, boude daar op een huis, en schonk dit nieue gedeelte dien tweeden zoon. Nu waren er twee afzonderlike landhoevenEitingenaast elkanderen; beiden ook door eenenEitingebewoond. Niets natuurliker dus, dan dat men, ter onderscheiding, het eene, het oorspronkelike erve met den naamGroot-Eitingenoemde, en aan het andere den naamKlein-Eitingegaf. En deze namen gingen van de hoeven weêr zeer gereedelik over op de bewoners er van, die beiden oorspronkelik reedsEitingenwaren, maar nuAlbert GerlofsGroot-EitingeenMeindert Gerlofs Klein-Eitingegenoemd werden. Of een andere (ditmaal een geldersch- of liever zutfensch-saksische boer, noemen we hemGarrit Bekkink) ontgon een heideveld dat aan zyne landeryen paalde. Hy boude daar een huis, en richtte alles tot eene nieue hoeve in, voor eenen zyner zonen, om de zelfde reden als boven opgegeven is. Natuurlik moest die nieue hoeve ook den ouden naamBekkinkdragen; ze was immers, als ’t ware, een uitvloeisel van het oude erveBekkink, en werd ook door eenenBekkinkbewoond.Maar ter onderscheiding noemde men het eene erveOud-Bekkink, het andereNieu-Bekkink, en ook deze namen gingen weldra op de bezitters dier hofsteden en op hun nageslacht als vaste toenamen over.
Het getal dezer eigenaardige geslachtsnamen is niet groot, en zy zijn slechts in de saksische gouen van ons land, in Drente, Twente en de graafschap Zutfen inheemsch. In Friesland komen oude patronymika, met de voorvoegselsoudennieu,grootenklein, en door de zelfde of soortgelyke oorzaken, als hier boven vermeld is, in het leven geroepen, ook wel voor als namen van staten en saten, van edelmans- of boerenerven; b. v.Groot-Aysma, Klein-Donia, Oud-HemmingaenNy-Hemminga, enz. Maar zulkeplaatsnamen, met die voorvoegsels verbonden, zijn dáárnooitals toenamen vanpersonenin gebruik gekomen, noch tot vaste geslachtsnamen geworden, zoo als in de saksische gouen wel het geval geweest is.
De volgende geslachtsnamen stellen deze groep samen:Olden-Banning, Nyen-Banning, Ool-Bekkink.16De formenoldennyin deze namen, in plaats vanoudennieu, geven getuigenis van het volk van saksischen stam, waar by deze namen eerst ontstonden.—Ool, byOol-Bekkink, beeldt de eigenaardige uitspraak af van het woordold, zoo als dat by eenige saksische stammen, aan de oostelike grenzen van ons land gezeten, gebruikelik is; zie §156.
Al deze patronymika zijn weêr van oud-germaansche mansvóórnamen ontleend. By de namenOlde-Bronninge, Ny-Hoving, Olden-Huisingzoude men misschien wel aan eene oude bron of put, aan een nieu hof of een oud huis denken. Toch schuilen ook in deze namen echte mansvóórnamen.HuisingvanHusois op bl. 29 en 30 reeds besproken.BronningeenHovingkomen vanBronnoenHove, Houe, Haue, namen die in Friesland nog in gebruik zijn, en waarvan ook de friesche patronymikale geslachtsnamenBronninga, HovingaenHovengaontleend zijn, metBronnema, Bronkema, Bronsema, Brondsema, BrontsemaenBrons, HovingenHofma.
Opmerkelik, maar gemakkelik te verklaren is het dat men, naast bovengenoemde samengestelde patronymika, ook de enkelvoudige formen dier namen als geslachtsnamen in gebruik vindt. Zoo bestaan in Drente, nevensOlden-enNyen-Banning, Nye-Manting, Ny-Hoving, Ny-Huising, Olden-WeningenOlden-Wavingde geslachtsnamenBanning, Manting, Hoving, Huising, WeningenWaving. Elders weêr nevensOol-Bekkink, Klein-Bentinck, Klein-Budding, Olde-Dubbelink, Klein-StarinkenKlein-Ubbinkde enkelvoudige namenBekkink, Bentinck, Buddingh, Dubbelink, StarinkenUbbink.
Dubbelink, in Friesland alsDubblingavoorkomende, is een patronymikon, waar van de oorspronkelike mansvóórnaam niet zoo gemakkelik aan te wyzen is. Die oorspronkelike naam isDietboltin oud-saksischen,ThiebaldofThiebautin oud-frankischen form; voluitTheodbald. Door verzachting en afslyting is die naam in den loop der eeuen by het nederlandsche volk totDubbelt, Dubbel, Dobbelgeworden. In Friesland komt hy nog heden ten dage in den formDubbelt, als mansnaam voor.Dubbelink(ook eene havesate in Twente draagt dien naam) is dus een versletene form van ’t oorspronkelikeTheodbalding.
§21. Naast deze groep van patronymikale geslachtsnamen met eenvoorvoegsel, bestaat er ook eene groep van zulke namen waar een aanhangselachtergevoegd is, en wel ’t een of ander gemeen-zelfstandig naamwoord, meestalhuisofhof. Een huis of eene landhoeve, die soms eeuen lang door één en het zelfde geslacht in eigendom bezeten en bewoond is, neemt gereedelik den naam van dat geslacht als eigennaam aan, en wordt danMeininghuisgenoemd ofRogerinkhof, naar de geslachtenMeiningofRogerink, waaraan ze toebehooren. Kwam nu ditMeininghuisof ditRogerinkhoflater in andere handen, en wel van iemand die b. v. slechtsEvert Janszoonheette, maar die geen afzonderliken geslachtsnaam had, dan ging de oude naam van huis of hof wel op den nieuen eigenaar over, en werdhy weldraEvert Jansen MeininghuisofEvert Jansz. Rogerinkhofgenoemd, welke naam dan later tot een vaste familienaam van zijn nageslacht werd.
Deze patronymikale geslachtsnamen met een achtervoegsel zijn dus, even als die van de voorgaande groep, eigenlik plaatsnamen en slechtsmiddellikaan eenen mansvóórnaam ontleend, even als dezen.
Talrijk zijn deze geslachtsnamen in de Nederlanden niet. In Duitschland komen zy meer voor; b. v.Ellinghaus(alsVan Ellinckhuyzenin Nederland voorkomende),Bellingrath, Collinghorst. En nog veel meer in Engelland:Bolingbroke, Carlingford, Paddington, Elkingham. De volgenden zijn my in de Nederlanden voorgekomen:Barlinckhoff, Bruyninghuys, Bruininkweerd.17Deze namen zijn allen met ware patronymika samengesteld, die wel geen naderen uitleg behoeven, na alles wat daaromtrent reeds is medegedeeld. De byzondere schrijfwyze van den naamGussenklo, die op redelike gronden niet verdedigd worden kan, dankt haar ontstaan aan den wensch om de lettergrepen van dezen naam wel te onderscheiden, om wel te doen uitkomen dat hetGussenk-lois (Gussink-looware nog beter), en niet iets anders, b. v.Gussen-klo; wat trouens ook geen verstandig mensch zal meenen. Zie bl. 33.
§22. Eene kleine groep van nederlandsche geslachtsnamen omvat oude vadersnamen met eenen latynschen uitgang. Van dezen noemen wy:Gardingius, Grevinchovius, Hachtingius.18—Grevinchoviusis verlatynscht vanGrevinkhof, een geslachtsnaam tot de voorgaande groep behoorende. OverHachtingiuszie men bl. 34; overHallungiusbl. 36 en 42.Hundlingiusheeft den oud-germaanschen mansvóórnaamHundo, Hunt, Honttot oorsprong, en wel in verkleinform alsHundle, Hondelyn. VanHundle, Hondelezijn ook nog de geslachtsnamenHondelink, HündlingenHondela, de twee laatsten in Oost-Friesland voorkomende, afgeleid. En van den mansnaamHuntin zynen oorspronkeliken form: de geslachtsnamenHondingain Groningerland (Hondinga-sateis te Pieterburen in Hunsego), misschien ook het verlatynschteHondiusin Holland,Huntingin Friesland en Engelland, metHundingenHuntingtoneveneens in Engelland. En van de zeer talryke plaatsnamen van dezen ouden mansnaam afgeleid, noemen we slechtsHondeghem(Hondinga-heim), een dorp in Fransch-Vlaanderen;Hunting, een dorp in Lotharingen;Huntingdonin Engelland;Hündlingen, een dorp in den Elsasz, enz.
§23. In de oude friesche taal gaan vele woorden, die in de andere nederlandsche talen en tongvallen, ’t zij dan saksische of frankische, op eene toonloozeeeindigen, of ook zonder openen uitgang zijn, op eeneauit. Zoo luidt ook de uitganging(inge,ink) der vadersnamen, die overigens aan alle nederlandsche gouspraken, ja aan alle andere germaansche talen eigen is, in het Friesch alsinga. En dezeais ook geheel het eenige wat de friesche patronymika onderscheidt van andere vadersnamen, in de andere nederlandsche gewesten voorkomende. Even als dezen zijn de friesche patronymika louter van mansvóórnamen, natuurlik meest van friesche mansvóórnamen afgeleid. Even als dezen komen ze ook heden ten dage voor in verschillende spellingen, en op verschillende wyzen saamgetrokken of versleten. Ook zijn de friesche vadersnamen van zeer ouden oorsprong. Reeds in de 9deeeu vinden wy het geslachtCammingha, nog heden bestaande, vermeld. Intusschen zulke patronymika zijn ongetwyfeld nog veel ouder.
De oude friesche patronymika zijn in grooten getale als hedendaagsche geslachtsnamen in leven en gebruik gebleven. Zy zijn over de geheele hedendaagsche provincie Friesland verspreid. Tot dat gewest uitsluitend beperkt, zijn zy echter geenszins. Even als de andere friesche opaeindigende geslachtsnamen (nieuere patronymika en andere formen) komen ze even zeer voor in de oud-friesche landstreken tusschen Lauers en Eems en Weser, in het hedendaagsche Groningerland en Oost-Friesland. Daar zijn deze namen van ouds her even zoo inheemsch en volkseigen als bewesten Lauers. In laatstgenoemdelandstreek (het nederlandsche Friesland) zijn ze niet gelijkmatig over het geheele land verspreid. In Oostergo en Westergo komen zy veel talryker voor dan in de Zevenwouden.
Hier volgen eenige oud-friesche vadersnamen, die allen den zuiveren ouden form opingaeindigende, vertoonen:Abbinga, Benninga, Bottinga19. Deze namen komen, met zeer vele anderen soortgelyken, nog heden als geslachtsnamen in de friesche landstreken van Nederland voor, en zijn ook allen ontleend aan mansvóórnamen, die nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. B. v. aanAbbe, Benno(Binne) (zie bl. 28),Botte, Gau(meest in verkleinform alsGauke, Goukevoorkomende),UbboofObbe, enz.
Eenige friesche geslachtsnamen opingauitgaande, stammen van mansvóórnamen af, die geenszins zoo gemakkelik zijn aan te wyzen als by de bovenvermelde namen het geval is. De mansnamen waar de volgende vadersnamen van zijn afgeleid, komenofslechts in zeer versletenen form voor,ofze zijn by de Friesen in het geheel niet meer in gebruik. Zulke geslachtsnamen zijn b. v.Eckringa, FolkeringaenFolkringa, Kleveringa enCleveringa20.Eckringais voluitEckhardinga, en afgeleid van den mansnaamEkhart, Ekkehart, Eckart, die in Duitschland nog wel in gebruik is.—Folkringais oorspronkelikFulkhardinga, vanFulkhart, Folkert.—KleveringaenCleveringais saamgetrokken en versleten vanKlefhardinga, het friesche patronymikon van den oud-germaanschen mansnaamKlefhart, Cleffehart, die weêr eene samenstelling is van den nog ouderen enkelvoudigen naamCleffo, Claffoen van den naamstamHart. Even alsFulkhart(Folkert) vanFulco(Folke) enHart; Ekhart(Ekkert) vanEkke, EccoenHart; Rikhart(Richard, Rykaert) vanRicoofRijkenHart. Hoe oud die naamCleffoofClafforeeds is, kan men inFörstemann’sNamenbuchopzoeken. Hy was reeds by de Longobarden in gebruik. ImmersClaffo, zoo heette de zesde, enCleph(’t welk de zelfde naam is in eene andere spelling), de elfde koning van dat oud-germaansche volk. Ook de beteekenis van dezen naam leertFörstemannte zoeken in het oud-hoogduitsche woordklaphôn, in het oud-noordsche woordklappa, waar het begrip vanslaan,stootenin ligt opgesloten, en waar ook het woordanaklaf, dataanvalbeteekent, van afgeleid is. Die oude woorden hebben dus eene krijgshaftige beduidenis. Maar ook het hedendaagsche woordkleven, ofschoon nu slechts in eene zeer gewyzigde beteekenis in gebruik, zal er wel oorspronkelik mede samen hangen. Van den mansnaamKlefhart, Klevertzijn niet enkel de twee bovengenoemde byzonder-friesche patronymika ontleend, maar ook de vadersnamen in algemeenen formKleveringenClevering, benevens het nog meer samengetrokkeneCleringaenKlering, alle vier nog hedendaagsche geslachtsnamen. Opmerkelik is het dat al deze zes zoo na verwante geslachtsnamen in Groningerland inheemsch zijn. Zeer waarschijnlik stammen al deze nu verschillende geslachten van één en het zelfde oorspronkelike geslachtKlefhardingaaf, en dus ook van één en den zelfden stamvaderKlefhart, die dan de eerste grondvester was van de sateCleveringa-heertte Uithuizen in Hunsego. Het schijnt dat een tak van dit oud-friesche geslacht, of misschien een enkele man er van, deelgenomen heeft aan den gemeenschappeliken uittocht van Angelen, Saksen en Friesen naar Groot-Brittanje. Wy vinden althans dit zelfde patronymikon, in den formClavering, nog heden ten dage als de naam van een engelsch geslacht. VanCleffois de hedendaagsche geslachtsnaam (friesch patronymikon in nieueren form)Kleefsmaook afkomstig, en van den verkleinformKleefkedegeslachtsnaamKleefkens. Deze zelfde mansnaam gaf ook oorsprong aan den plaatsnaamKleffens(dat is waarschijnlik eene samentrekking vanKleffingen), zoo als een gehucht heet by ’t dorpke Raart in West-Dongeradeel by Dokkum. En weêr door middel van dien plaatsnaam aan den naam van het in Oostergo gezetene geslachtVan Kleffens, waar van de voorouders, omstreeks het midden der vorige eeu, als landeigenaars op de sateKleffenswoonden, en toen dien geslachtsnaam aannamen. Nog zijn my als plaatsnamen,aan den mansnaamKlefhartontleend, bekend:Cleverns, een dorp in Jeverland (Oldenburger Friesland);Klieverink, eene havesate by Oldenzaal in Twente, enKleverskerke, een dorp op ’t eiland Walcheren.
Dat de geslachtsnaamVitringahet patronymikon is van eenen mansvóórnaam die niet slechts tot onkenbaarheid toe versleten en ingekrompen, maar die tevens verkeerd gespeld is, blijkt uit de letterv, waarmede deze naam begint. Dievis, als beginletter van eenig woord, in de friesche taal volkomen onbekend. De Friesen kunnen die letter opdieplaats in het geheel niet uitspreken. Als beginletter spreken zy, en schryven dus zeer te recht ook, eenef, waar de Hollanders en andere Nederlanders eenevnoemen; nederlandschvrede= frieschfrede; nederl.vel= fr.fel, enz. Maar zoo wyVitringaal totFitringamaken, dan komen we geen stap nader tot oplossing van de vraag, welke mansvóórnaam ten grondslag ligt aan dezen vadersnaam. Liever verwisselen we dus die onmogelikevmet eenew, en denken dat misschien een geleerde man, uit dit geslacht gesproten, drie eeuen geleden, zynen naamWitringatotVitringaheeft verlatynscht. Die germaanschewimmers is geen latynsche letter, maar werd wel, waar men een germaansch woord dat onmogelik vertaald kon worden, in het Latyn wou schryven, met eenevverwisseld. EnWitringais, door vergelyking metEckringavanEkkehartenFolkringavanFulkhart(zie bl. 54) te verklaren alsWithardinga, het patronymikon vanWithart, of alsWitheringa(deehaast niet te laten hooren) het patronymikon vanWither, Witheri, oud-germaansche mansvóórnamen.
ByKruisinga, Musschenga, Plantingazou men oppervlakkig eerder denken aan eene afleiding van de gemeen-zelfstandige naamwoordenkruis,muschenplant, dan aan mansvóórnamen. Dat echter ook deze geslachtsnamen echte patronymika zijn, aan mansnamen ontleend, lijdt by my geen twyfel, al kan ik dan die oorspronkelike mansnamen uitvinden noch aantoonen. OverMusschengaenMuischengahebben de heerP. LeendertzWz. en ik zelve in het tijdschriftDe Navorscher, dl. XXVII, bl. 78 en 80, en dl. XXVIII, bl. 75, het een en ander te berde gebracht. Om herhaling en te groote uitvoerigheid te myden, verwijsik den belangstellenden lezer dus dáár heen.—DatPlantingaenKruisingaware oude vadersnamen zijn, blijkt my uit zoo menige andere nederlandsche geslachtsnaam, die van den zelfden mansvóórnaam afgeleidmoetzijn. Nu er zoo vele geslachtsnamen (oude en nieue patronymika in allerlei formen) bestaan, waaraan dit zelfdeKruseenPlantten grondslag ligt, kan het niet missen of dit zijn in der daad mansvóórnamen geweest. Die geslachtsnamen zijnKruizenga, slechts in spelling vanKruisingaverschillende, even alsKruisinkenKruissink. De naamKruisingawordt in de friesche streken van ons land natuurlik alsKrusingauitgesproken, en in de friso-saksische en Saksische alsKroesinga, eigenlikKrusingamet hoogduitscheu. Van daar dat in Drente deze geslachtsnaam in den formKroezingavoorkomt. Verder de patronymika (in nieueren form) †Cruisema(het huisCruisemais by Hoogkerk in het Westerkwartier van Groningerland),KruysseenCruyce.—BehalvePlantinga, PlantengaenVan Plantingazijn my nog bekend de geslachtsnamenPlantema, Planting, Planten, Plantinus(†Plantynte Antwerpen), die allen van eenen mansvóórnaamPlantmoeten afstammen.
§24. Even als by sommige geslachtsnamen de patronymikale uitganginkinenkveranderd is (zie bl. 36), zoo wordt ook by friesche patronymikale namen de uitgangingawel alsengageschreven. Maar terwijl deze verwisseling vaniineelders zeer zeldzaam is, komt ze in Friesland juist dikwijls voor. In Friesland maken de namen die op den verbasterden formengauitgaan, in getal wel de helft uit van de namen die op den oorspronkeliken formingaeindigen. Een ander verschil dan in spelling bestaat er overigens niet tusschen deze twee namengroepen. Als voorbeeld van zulkeenganamen noemen wy de volgenden:Boyenga(vergelijkBoyungaop bl. 59),Bonnenga, Douwenga21. Een groot deel van deze namen is ontleend aan mansvóórnamendie nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. Namelik aanBoie, Bonne, Douwe, Enno, Homme, Jette(komt meest in verkleinform voor alsJetse, eigenlikJet-tse, frieschts,tz=k),Libbe, Minne, Namme(ook meest in verkleinform alsNammele),OffeofUffoenWale.—Veenengakomt, met de geslachtsnamenVeninga, † Venia,Veenje, Feninga(de beste form),Fenenga, Fenega, Feening, Fening, Veenink, Venink, allen vadersnamen in verschillende formen, van eenen ouden mansvóórnaamFene, die waarschijnlik oorspronkelik één is met den oud-germaanschen mansnaamFin, inFörstemann’sNamenbuchvermeld.—Grimmengakomt van den mansvóórnaamGrim, die tegenwoordig in Nederland als zoodanig uitgestorven is, maar toch oudtijds onder de germaansche volken in gebruik was.GrimminkenGrimminck, de saksische formen van dit patronymikon zijn ook nederlandsche geslachtsnamen, even als de enkelvoudige naamGrimook.Grimmens, zoo heet een gehucht by Grootkerk of Hohenkirchen in Wrangerland (Oldenburger Friesland);Grimmingheis een dorp in Oost-Vlaanderen;Grimminghausen, een dorp by Herford in Westfalen, enGrimsthorpein Lincolnshire, Engelland.—Ruidengais denkelik eene verhollandsching vanRuudinga, en dit weêr eene verbastering vanRuurdinga, het patronymikon van den frieschen mansvóórnaamRuurd(Ruwart), waarin de Friesen de tweede letterrniet uitspreken.
§25. Zoo als reeds een paar malen hier boven gebleken is, komen sommige friesche patronymikale geslachtsnamen in de beide formen voor, zoowel metingaals metenga; b. v.BottingaenBottenga, DallingaenDallenga, FellingaenFellenga, HavingaenHavenga, KempingaenKempenga, OostingaenOostenga. Dit is in der daad zoo veelvuldig het geval dat het allen schijn heeft als of telkens twee geslachten, die toevallig het zelfde patronymikon als geslachtsnaam hadden, by onderlinge overeenkomst, ter onderscheiding, het ééne geslacht den éénen form, het andere geslacht den anderen form zich had toegeeigend. Het onderscheid tusscheningaenengablijkt dan ookslechts in geschrifte. By ’t spreken is het niet hoorbaar, ten zy men het dan met opzet wil laten hooren.
§26. Andere byformen van ’t oorspronkelikeingakomen by de friesche geslachtsnamen weinig of niet voor. De oude schrijfwyze alsingha, vroeger algemeen in gebruik, komt tegenwoordig nog slechts voor by drie namen. Te weten byVan Buttingha, Van CamminghaenVan Julsingha, die toevallig alle drie het voorzetselvanby zich hebben. Door hoogduitschen invloed is in Oost-Friesland het oorspronkelikeingaeen enkele maal inungaovergegaan; b. v.Boyunga, Hayunga, Sajunga. Maar binnen de nederlandsche grenzen heb ik dezen form niet ontmoet. Het friescheinghaenungakomt natuurlik geheel overeen met de uitgangeningh,inge,ingheenungby andere patronymika; zie bl. 32–37. Patronymikale geslachtsnamen, in den tweeden naamval (zie bl. 44), komen onder de friesche namen niet voor. Maar wel zijn er eenigen, die het voorzetselvanby zich hebben. Oorspronkelik behoort dit voorzetsel voor geen ééne friesche geslachtsnaam te staan. Het past er niet by. Het is eene tegenstrydigheid. Aleen in zooverre als men deze namen beschoud alsplaatsnamen, als namen van staten en saten, en er danvanvoor plaatst, geven zy eenen drageliken zin. Immers die staten en saten, die den patronymikalen naam dragen van het geslacht, dat er eerst in eigendom op gezeten was, b. v.Hottinga-state, Wallinga-sate, Wetsinga-sate, worden in de wandeling ook wel genoemd zonder dat woord state of sate er achter, even als ook in Twente en de graafschap Zutfen de vrye boerenerven zulke patronymika als namen dragen; zie bl. 23. De Friesen zeggen dus ook wel: »Ik ga naarHottinga”, of »ik woon opWallinga”, of »dou bist up Wetsinga berne”(gy zijt op Wetsinga geboren), en verstaan daar danHottinga-state, Wallinga-sateenWetsinga-sateonder. En op die wyzekunnenook de friesche geslachtsnamen metvaner voor, ontstaan zijn, en door lieden aangenomen, die, ofschoon oorspronkelik geenHottinga’sofWallinga’szijnde, op de staten of saten dier oude geslachten woonden of gewoond hadden. En waar zulke patronymika metvaner voor, de hedendaagsche namen zijn van oud-adellike friesche geslachten, b. v.Van Cammingha,Van Eysinga, daar is ditvaneen byvoegsel van lateren tijd, toen men dit voorzetsel, door hoogduitschen invloed, als een kenmerk van adeldom beschoude. Want oorspronkelik pastvanvoor geen friesche geslachtsnaam, ten zy dan voor eenen frieschenplaatsnaam(Van Kleffens, zie bl. 55). Behalve de bovengenoemde namen behooren tot deze groep nog de geslachtsnamen:Van Aldringa, Van Andringa, Van Hasinga, Van Hettinga, Van Hottinga, Van Idsinga, Van Wallinga, Van Wetsinga, enz. Grootendeels komen deze namen ook zonder dat overtolligevan, als geslachtsnamen voor:Andringa, Hottinga, Hettinga, Idsinga. Het patronymikon van den nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnden mansnaamEisevooral komt in velerlei formen als geslachtsnaam voor; alsEisinga, Van Eysinga, Eisenga, Van Eisenga, Eizenga, Van Eizinga, Eising, Eisinken ookEysinger; zie bl. 26. Buitendien bestaan nog de patronymikale maagschapsnamen, in nieueren form: †Eyssema, EizemaenEisma, EissenenEises, met het verlatynschteEyssonius. En de plaatsnamenEisink, een gehucht by Haren in Groningerland;Eisinghusen, een gehucht by Loppersum, en een ander by Nüttermoor, in Oost-Friesland;Eysinghem, een dorp in Zuid-Brabant;Eisingen, een dorp by Pforzheim in Baden, enz.
§27. De patronymikale geslachtsnamen, tot hier toe vermeld, vertoonen allen, in hunne uitgangen,volleformen, al zijn die formen onderling dan ook nog zoo verschillend. Maar by eenige hedendaagsche geslachtsnamen, oorspronkelike patronymika, zijn die volle formen versleten. By namen die voor verre weg het grootste gedeelte, reeds zoo overoud zijn als dit by de ware patronymika het geval is, kan het geenszins bevreemding wekken, dat zy niet allen in hunne volle, oorspronkelike formen tot op onzen tijd in ’t leven gebleven zijn. Integendeel, ’t is eerder byzonder, dat het altijd maar een zeer klein gedeelte is van het groote getal patronymikale geslachtsnamen, dat zoo in versleten staat tot ons gekomen is. De geslachtsnamenHeenkenOonkb. v., ookBongametVan Bonga, enSinnighezijn zulke versletene formen. ByHeenkenOonkis eeneden eeneiverloren gegaan, byBongade lettergreepnin, bySinnigheenSinnigeeenen. Want deze namen zijn oorspronkelik en voluitHedink, Odink, BonningaenSinninghegeweest. Zie hier nog eenige andere geslachtsnamen tot deze groep behoorende, met de volle formen er achter:Beddigs(Beddings);Bennigsen(Benningsen—zie bl. 28 en 44);Diegerick(Diegerink; de geslachtsnaamDeegerinkis slechts een andere form hier van).22Moeieliker te verklaren zijn de geslachtsnamenBanga, TjeenkenSwynga. Oppervlakkig zoude menBangawel houden voor eene samentrekking vanBanninga, aan den mansvóórnaamBanneontleend, die ook aan de geslachtsnamenBanning, Olden-- enNyen-Banning(zie bl. 50),BannemaenBansten grondslag ligt, en even als ookBongauitBonningais saamgetrokken. DatBangaechter niet vanBanninga, niet van den mansnaamBannekomt, maar van den mansnaamBaue—dat deze geslachtsnaam versleten is uit het oorspronkelikeBauwingaof beterBauinga, blijkt uit den formBawnga, waar onder deze naam voorkomt in eene oorkonde, die in de friesche taal opgesteld is en van ’t jaar 1493 dagteekent.23In deze oorkonde wordt één en de zelfde man, die in een ander stuk van het jaar 148924Douwa Bangaheet,Douwa Bawnghagenoemd. Er komt in Friesland nog een andere eigennaam voor, waarin het oorspronkelike patronymikonBauingatotBangversleten is; te weten de naam van het dorpBangstede, tusschen Emden enAurich gelegen. Dit dorp heet oorspronkelikBauingastede, de stede, de woonplaats derBauinga’s, derBauingenofBavingen, der zonen en afstammelingen van den man dieBaueofBavoheette. Op eene oude landkaart van Oost-Friesland, vanUbbo Emmius, uit het laatst der 16deeeu, staat dit dorp nog alsBavestedeofBauestedevermeld. Dat de nog hedendaags by de Friesen in volle gebruik zijnde mansnaamBaue(Bauwe) in het middeleeusche monnikenlatyn alsBavowerd geboekstaafd, is bekend. De heiligeBaueis alsSt. Bavode patroon van de steden Aardenburg, Gent en Haarlem. En deze zelfde mansnaam heeft nog aan zeer vele andere geslachtsnamen oorsprong gegeven, om niet te spreken van de talryke plaatsnamen die er van afgeleid zijn. Die geslachtsnamen zijn: †Bavinga, †Bauwenga, †Bavema, Bauma, Bauwes, allen in Friesland;Bange, saamgetrokken vanBauinge, alsBangavanBauinga; Bavink, in Engelland alsBavingvoorkomende,Bauwen, Bauwens, Baafs, Baefs, Baafse, en het verlatynschteBavius.
De geslachtsnaamTjeenkis moeielik te verklaren. Ik waag dien aangaande de volgende gissing. Zoo die gissing juist is, dan isTjeenkniet slechts een zeer oud patronymikon, maar ook een zeer byzonder, als vertoonende zoowel friesche als saksische formen.Tjeenkis dan naar myne meening, eene samentrekking vanTjedink, en dit weêr een door klankwyziging veranderde form vanTjadink, Tjading, Thiading, Thiadinga, het friesche patronymikon van den oud-frieschen mansnaamThiad, die door de Friesen alsTjaad, Tjadewordt uitgesproken, en, onder dien form, nog wel als mansnaam by hen in gebruik is. Deze naamTjaad, Tjademoet niet verward worden met den eveneens nog zeer gebruikeliken frieschen mansnaamTjaard(ook welTjeerd), die door de Friesen ook zonderr, alsTjaadwordt uitgesproken, maar oorspronkelik een andere naam is, eene samentrekking van den samengestelden mansvóórnaamTjadert, Thiadhart. Van dezen eerstgenoemden mansnaamTjadeis ook de geslachtsnaamTjaden(een tweede-naamvalsform) afgeleid. Die byzondere samenvoeging van een’ frieschen voornaam en een’ saksischen patronymikalen form in één en den zelfden geslachtsnaam, weet ik anders niet te verklaren dan door aan te nemen dat een Fries, die het patronymikonThiadinga, Tjadingaals toenaam voerde, zich buiten zijn vaderland onder eene saksische bevolking vestigde, waar zijn naam, door den invloed van het saksische taaleigen zyner nieue landgenooten, al spoedig de kenmerkendeaals uitgang verloor en de saksische klankwyziging aannam, dus eerstTjading, danTjäding, danTjedingwerd, allengs ook nog meer den saksischen form alsTjedinkvertoonde, om eindelik totTjeenkte verslyten. Dit gaat alles zeer geleidelik, en druischt, zoo verikweet, tegen geene taalwetten in. Maar dit alles is gissing. Die ’t beter weet mag het zeggen!
De geslachtsnaamSwyngais eene samentrekking vanSwyninga, het patronymikon van den frieschen mansvóórnaamSwyn, Swine. Men verwondere zich niet over dezen naam, noch denke dat de oude Friesen hunne zonenzwyn,varken, noemden.Swineis de byzonder-friesche uitspraak van den oud-germaanschen mansnaamSwind, Suint, welke naamvlugheidbeduidt. Ons hedendaagsch woordgezwindstamt met dien naam van den zelfden wortel af. Even alsSwyn, Swîn, voorSwind, zoo zeggen de Friesen ookwînvoorwind,finevoorvinden,Hînljippen, voorHindeloopen, enz.
De geslachtsnamenHoynckenHoyngbehooren ook tot de versletene patronymika; althans zoo men deze namen metyschrijft. De eerstgenoemde behoort dan in de groep deryncknamen, die op bl. 42 besproken is, en heeft eeneiverloren. Immers is de oorspronkelike mansnaam waar hy van afgeleid is,Hoi, Hoie, en moet de naam dus voluitHoiynckgeschreven worden.
Boekstaaft men den naam echter op hollandsche wyze met de byzonder-hollandsche letterij, oorspronkeliki i, dan is de naam alsHoijnck, Hoiinck(Hoi-ink) volkomen. De patronymikaHoyingenHooying, HooyengaenHoyenga, alle vier als geslachtsnamen voorkomende, zijn oorspronkelik metHoynckgeheel de zelfde namen.Hoynckwordt dikwijls als ééne lettergreep uitgesproken, alsofoy,oieen tweeklank ware. En zoo doet men ook by de patronymikale geslachtsnamenStroink, SchainkenSpaink. Dit is verkeerd. Die namen zijn uit twee lettergrepen samengesteld:Hoi-ink, Stro-ink, Scha-ink, Spa-ink; zy dienen ook zoo te worden uitgesproken. Dat men by ditHoienStro(zie ook bl. 40) niet aan de woordenhooienstroote denken hebbe, kan men in §168nalezen. OokspavanSpainkkomt niet van het woordspa,spade, maar van den mansvóórnaamSpade, die inFörstemann’sNamenbuchalsSpattovermeld is. OverSkade, de mansvóórnaam die aanSchainkten grondslag ligt, zie men §28.
Of de friesche geslachtsnaamSonnegaook tot de versletene vadersnamen behoort, meen ik te moeten betwyfelen. Het zoude kunnen zijn, datSonnegaoorspronkelik en voluitSonningaware, even alsHillegaenMennega(zie bl. 61) oorspronkelik en voluitHillingaenMenningazijn. Te meer nog, wijlSonninghade naam van een thans uitgestorven friesch geslacht geweest is. Toch wil ik hier liever denken aan den naam van het dorpSonnega, in Stellingwerf (Friesland), waaruit het geslachtSonnegawellicht afkomstig is. Ditgaals uitgang van friesche plaatsnamen verwarre men niet met den lettergreepgavan den frieschen patronymikalen uitganginga. Het eerstgenoemdegais eigenlik in het Frieschgeaen beteekent dorp;Sonnega=Sonnedorp(Sonneghem=Sonning-heimis een dorp in Vlaanderen);St. Nicolaasga=St. Nicolaas’dorp; Oudega=Ouddorp, enz.
Ten bewyze van den ouderdom dezer verbasterde, versletene patronymika, tevens als bewijs dat zy werkelik uit de volle formen ontstaan zijn, zy hier nog vermeld dat de oudst bekende der friesche vadersnamen, nog heden de geslachtsnaam(Van) Cammingha, reeds in oorkonden van de 13deeeu alsCanga, Kangawerd geschreven.25Terwijl in een geschrift van het jaar 1495 een der leden van dit overoude, ja alleroudste friesche geslacht zynen naam alsKamgaboekstaaft26.
§28. Even als de Drenten hunnen eigenen form van patronymika als geslachtsnamen hebben (zie §13), zoo hebben zy ook eenen eigenaardigen form van versletene vadersnamen, die slechts in hun land inheemsch is. De geslachtsnamenHaange,Luinge(men spreekt natuurlikLuunge, ook welLuunje),Schaange, Smeenge, SteengeenHofsteengevertoonen dien byzonderen form.Haangeis eene samentrekking van den vollen formHaninge, het patronymikon van den ouden mansvóórnaamHano, die byFörstemannvermeld wordt, en die aan den engelschen geslachtsnaamHaning, en aan de friesche geslachtsnamenHanemaenHaniaeveneens ten grondslag ligt. Van dezen mansnaam in verkleinform zijn ook de geslachtsnamenHaantjes, Haentjens, die in alle Nederlanden talrijk verspreide patronymika, afkomstig.—Luingeis samengetrokken vanLudinge, het patronymikon van den ouden mansvóórnaamLude, Lode, Hlude, Hlode, Chlodo. Het drentscheLudingeenLuingeis volkomen het zelfde als het friesche †Ludingaen †Lunia—zie §29.LuingeenLuniaworden dan ook beiden wel alsLuunjeuitgesproken. Oudtijds bestond in Groningerland een geslacht †Luinga; deze naam staat in form midden tusschen het friescheLudingaen het drentscheLuingein. Verhollandscht totLuidingais dit overoude patronymikon nog een hedendaagsche geslachtsnaam, even alsLudingenLudink.—Schaangeis voluitSchadinge, van den frieschen mansnaamScato. De geslachtsnaamSchaink(Skadink) is de twentsche tegenhanger van den drentschen naamSchaange.—SmeengeisSmedinge; over dezen naam zal in §31gehandeld worden.—Steengeis voluitStedinge, dat, evenals de friesche geslachtsnamenStada, Stadema, Stades, StedmaenStedes, en de plaatsnaamStedum(Steda-heim, woonplaats vanStede), dorp inFivelgo, van den mansnaamStede, Stade, byFörstemannalsStadvoorkomende, ontleend is. Of zoo men deze afleiding niet wil gelden laten, mag men ook aannemen dat de geslachtsnaamSteengeontleend zy aan den naam van het aan Drente palende stellingwerfsch-friesche gehuchtStegingaofSteggenga, by ’t dorp Oosterwolde, welke naam in de friso-saksische gouspraak van Stellingwerf en Drente ookSteengaofSteengewordt genoemd.—De oorsprong van den geslachtsnaamHofsteengeis my duister. Dat hy zoude aangenomen zijn door iemand »die niet als zijne buren op een klein erfjen, maar op eene aanzienlijkehofstedewoonde”, gelijkLeendertz(Navorscher,dl. XXVIII, bl. 620) meent, is mogelik, maar komt my toch niet waarschijnlik voor. Liever wil ik hier aan een patronymikon blyven denken. Het is dus twyfelachtig, of de beide laatstgenoemde namenSteengeenHofsteengewel tot deze groep van geslachtsnamen moeten gerekend worden, en of zy misschien niet tot de geslachtsnamen, aan plaatsnamen ontleend, behooren.
§29. De Friesen hebben in hunne taal veel eigenaardigs, veel byzonders. Dit blijkt ook uit hunne eigennamen. Onder hunne geslachtsnamen zijn vooral die welke opiaeindigen, zeer byzonder. Deze hebben zulk een vreemd voorkomen,Siniab. v.,RuniaenTania, dat niet-Friesen deze namen bezwaarlik als oorspronkelik nederlandsche geslachtsnamen gelden laten. En toch zijn ook dit goed germaansche, echt friesche namen. Want het zijn samengetrokkene, verfloeide,versleteneformen van de patronymika, opingaeindigende. Zoo isBothniaoorspronkelik en voluitBothinga, Bottinga; Siniais eigenlikSininga; TaniaisTanninga, enz.
Deze zonderlinge afslyting vaningatotia, vanSiningatotSinia, vond hare eerste aanleiding zekerlik in de byzondere, zachte uitspraak der friescheg. Eene eigenaardige uitspraak die nog zoo veel te flauer wordt, wanneer eenendegvoorafgaat, en daar door de letterverbindingnggeboren wordt, die eigenlik als eene byzondere, op zich zelve staande letter aan te merken is, zoo als in den patronymikalen uitgangingahet geval is. Vele woorden, die in andere germaansche talen met eenegbeginnen, hebben in de friesche taal tot eerste letter eenej. Zoo is het nederlandsche woordgeven, hoogduitschgeben, engelschto give, deenschgive, zweedschgifva, in het Frieschjaen, Oud-frieschjeva; zoo is het nederlandschegave,gift, in het Frieschjefthe; het nederl.gister, hoogduitschgestern, is in ’t Fr.jisterofjüster, en ’t nederl.garen, hoogd.garn, in ’t Fr.jern(men spreekt uit alsjen); in beide laatstgenoemde woorden overeenstemmende met het Engelsch, dat degook totjverzacht heeft, inyesterdayenyarn. In den hedendaagschen naam van het dorpDongjumby Franeker, oudtijdsDodinga-heimof de woonplaats derDodinga’s, derDodingen, der nakomelingschap vanDodoofDoede—heeft, inde schrijftaal, de oorspronkelikegvan het patronymikonDodingaeenejnaast zich gekregen. In de spreektaal echter is degvolkomen doorjvervangen, want de Friesen spreken dezen dorpsnaam alsDonjum, DoinjumofDünjumuit; de juiste uitspraak is met nederlandsche klanken moeielik af te beelden. Even zoo is het met den naam van het dorpDedgum(Deddingum, Deddinga-heim, van den mansnaamDeddo), die steeds alsDedjumuitgesproken wordt; en met den dorpsnaamPingjum(Pingia-heim, Pinninga-heim, van den mansnaamPinne, Penne), dien de Friesen alsPeinjum, zelfs alsPeiumuitspreken. De hedendaagsche dorpsnaamAnjumschreef men oudtijds voluit, alsAninghem(Aninga-heim). Het duidelikste voorbeeld om den overgang vaningatotia, vanSiningatotSiniaaan te toonen, levert het woordpenning(a)op, dat in het Friesch alspenje,peinje(pennia) uitgesproken wordt, en in het Engelsch totpennyversleten is. Daarentegen heeft dit zelfde volle en oorspronkelike woordpenningin het hedendaagsche Hoogduitsch eenenverloren, en is totpfennigversleten, even als b. v. de geslachtsnaamHudingtotHudig(zie bl. 61).
Maar bewyzen te over, dat de frieschegwel alsjwordt uitgesproken. Passen wy deze uitspraak nu ook op degvaningatoe, dan luidt b. v.SiningaalsSininja. En neemt men dan hier by in aanmerking dat de volle nadruk by deze patronymika op den eersten lettergreep valt, en dat de laatste lettergreep slechts eenen halven klemtoon heeft, terwijl de middelste toonloos is, dan is de overgang vanSininjatotSiniawaarlik niet groot. Integendeel, zeer gemakkelik, geleidelik en als van zelven floeiende. En even zoo leidde ’t oorspronkelikeBottinga, door d’ uitspraakBottinjatotBotniaofBothnia, enTanninga, doorTanninja, totTania.
Dat overigens werkelik en in der daad de geslachtsnamen opiaeindigende, ontstaan zijn uit die welke opingauitgaan, blijkt ook hieruit, dat de naam van ’t oude geslacht †Gratinga, GrætingaofGrettinga(alle drie spellingen komen voor), dat op de nog bestaandeGrettinga-statete Almenum (Barradeel, Friesland) gezeten was, en waarvan de buurtGratinga-ofGrettinga-buren, by Harlingen, haren naam ontleend heeft,in oude oorkonden zoo welGratingaalsGretniagenoemd wordt. En even zoo wisselen by één en het zelfde geslacht de namenHottingaenHotnia, UningaenUnia, WyningaenWyngiaenWyniaelkanderen af, in oude geschriften. En eveneens blijkt dit ook hieruit, dat het geslachtBurmaniain eene oorkonde van den jare 1300,27alsBurmanningavermeld wordt.28
In de middeleeuen, toen de friesche taal hare volle formen opaenia(mula= mond,biwaria= bewaren) nog behouden had, en men die uitgangen nog duidelik, onderscheidenlik uitsprak, toen spraken de Friesen die samengetrokkene namenSinia(– ⏑ –), enz., ook juist zóo uit, als zy ze schreven, en zóo, als wy ze nu nog schryven. Maar sedert is de friesche taal verloopen, en heeft hare volle formen verloren. Sedert de 16deeeu spreekt men niet meermula, maarmule(mûle, met hoogduitscheu, ten naaste by als nederlandschmoeledus); en niet meerbiwaria, maarbiwarje. En juist zóo is ook de uitspraak der geslachtsnamen, die opiaeindigen, veranderd en verloopen. Men spreekt tegenwoordig niet meer voluitSinia, maarSiinje(Sînje, Synje, – ⏑); niet meerTania, maarTanje; niet meerRunia, maarRûnje(ongeveerRoenje) enRüünje. Heden ten dage is dit de algemeene en gewone uitspraak dezer namen by de Friesen; en dat deze zelfde uitspraak ook reeds in vorige eeuen bestond, blijktuit menige oude oorkonde. Zoo vind ik, al weêr in ’tOorkondenboek van ’t leeuwarder St. Anthonij-Gasthuis, in een stuk van den jare 1542, den geslachtsnaamDoniageschreven alsDonye, en in een stuk van het jaar 1562, alsDoenye.—Haniastaat in het laatstgenoemde stuk alsHanyegespeld.Wyngia, in eene oorkonde van 1558, alsWyngie.—†Ringia, in 1566, alsRyngie; †Fernia, in 1595, alsFernij.—Uniaeindelik, in een geschrift van 154729, alsOenye.
Toch begint deze oude, maar niet oudste uitspraak, die in d’ eigenaardige uitspraak der friesche taal in ’t algemeen gegrondvest is, heden ten dage, in den mond van sommige Friesen weêr te wyken voor de uitspraak naar de letter. Hollandsche onderwyzers vooral, die, met de friesche taal volkomen onbekend—dwaas genoeg!—den mond van friesche kinders gewelddadig naar hunne hollandsche uitspraak dwingen, zijn hiervan de oorzaak. En zoo hoort men tegenwoordig de namenSinia, Tania, Runiawel weêr juist zóó uitspreken als zy geschreven worden. Maar de meeste Friesen,sliucht end riucht, blyven voor en naSiinje, Tanje, Rûnjeuitspreken.
Tot een ander, tegenovergesteld uiterste zijn die lieden vervallen, welke deze geslachtsnamen opia, het eerst zóógeschrevenhebben, als men ze uitspreekt; die dus niet slechtsFiinjespraken, zoo als het trouens ook goed was en is, maar die ookFynjeschreven. Ten gevolge van deze slordige, in de vorige eeu meest opgekomene schrijfwyze, vertoonen sommige oud-friesche patronymika opia, als hedendaagsche geslachtsnamen dien leeliken schrijfform opjaenjeeindigende.Rynja, Synje, Bruinje, Veenje, in plaats vanRinia, Sinia, Brunia, Fenia. EnFynje, verbasterd vanFinia, is in Holland nog weêr meer verbasterd in spelling en uitspraak beide; te weten alsFijnje, gesprokenFeinje! Een gruwelike wanklank in de fijn-gevoelige ooren der Friesen! Maar dwazer nog als deze verbastering is van het friescheFininga=Finiatot een hollandschFijnje=Feinje, ergerliker nog heeft men gehandeld door van den geslachtsnaamTania, Tanjeden schijnbaar-franschen naamTanjéte maken.Pieter TaniaofTanje, te Bolswart geboren in 1706, was een beroemd plaatsnyder (graveur). Hy vestigde zich in Holland, en droeg daar den naam vanTanjé! Wat een domheid, en wat een kleingeestige elendigheid, om zóó de Franschen na te apen! Zie §165.