G.Latynsche en grieksche geslachtsnamen.§167. Reeds in de middeleeuen was het de gewoonte by de geleerden om hunne namen te verlatynschen, soms ook te vergriekschen. En deze gewoonte, by alle geletterden en geleerden van het christelike Europa in gebruik, hield niet aleen in de 16deen 17deeeu stand, maar nam, by de hooge vlucht welke de beoefening der oude letteren vooral in die eeuen nam, groote verhoudingen aan, en werd zeer algemeen toegepast. En niet het minst was dit het geval in de Nederlanden, in die eeuen juist de bakermat van zoo vele eigene, de woonplaats van zoo vele vreemde geleerden.Op verschillende wyzen ging men by die verlatynsching en vergrieksching der eigene nederlandsche namen te werk. Sommigen vertaalden hunne namen geheel en al. Maar anderen hingen slechts eenen latynschen uitgang achter hunne nederlandsche namen, die zy overigens geheel of ten deele onveranderd lieten. Zoo vertaalde b. v. de een, dieKuypertot toenaam of geslachtsnaam had,of die oorspronkelik zelf eenkuiperwas of geweest was, en die zich dat woord dus als een naam toe eigende, dien naam metViëtor, terwijl een ander er eenvoudigCuperusvan maakte. Of de eene man dieBakkerheette, verlatynschte dien naam totPistorius, of hy vergriekschte hem totArtopaeus, terwijl de andere zich met een enkel latynsch steertje achter zynen naam vergenoegde, en erBackerusvan maakte. Niet altijd was men even gelukkig in het veranderen van de namen; soms vertaalde men die namen, door onverstand, geheel verkeerd. De geleerdeDesiderius Erasmus, iemand die zekerlik beter Latyn en Grieksch kende, als zyne moedertaal, althans als de oud-germaansche taalstammen, heette eigenlikGerrit. En omdat zyn vader ookGerritheette, zoo noemde hy zichGerrit Gerritsz., dat isGerrit Gerritszoon, ofGerrit, de zoon vanGerrit. De naamGerritnu is, zoo als men weet, slechts eene byzonder-hollandsche verknoeiing van den vollen oud-germaanschen, dus ook echt nederlandschen naamGerhard(Geraert). Het schijnt datGerrit Gerritsz.meende dat in dezen naamGeraarthet woordgeeren,begeerenopgesloten lag. Dies vertaalde hy zynen naam in het Latyn totDesiderius, en in het Grieksch totErasmus, en nam deze dubbelebegeerteaan in de plaats van zynen oorspronkeliken dubbelenGerrit. Eenvoudiger lieden in die dagen, en die minder danGerrit Gerritsz.t’huis waren in Grieksch en Latyn, vergenoegden zich met van hunnen hollandschenGerriteenen quasi-latynschenGerharduste maken. In latere tyden, in de 17deeeu, toen de wansmaak in het verformen der nederduitsche namen hoe langer hoe grooter was geworden, kwam de dwaasheid en ydelheid der menschen, niet het minst ook der geleerden, hoe langer hoe meer, in deze zake, aan het licht. En het waren vooral de 17deeeusche herformde predikanten, in de noordelike Nederlanden, die al hun valsch vernuft uitputten en hunnen wansmaak bewezen, in het verformen, verdraaien, vergriekschen en verlatynschen hunner namen. Zelfs tot in het begin der 18deeeu hield dit dwaze gebruik by die predikanten en ingebeelde geleerden stand. Een eenvoudige Fries, dieOeneheette en zichOene Oenesmoest noemen, omdat zijn vader eveneensOeneheette, noemde zich, als herformd predikant te Goinga,in Friesland, in 1712,Onias Oneïdes. Een ander, te Holwert geboren, enJohannes Fokkesgeheeten, dat isJohannes, de zoon vanFokke, noemde zich, als hoogleeraar te Franeker in het midden der 17deeeu,Johannes Phocylides ab Holwarda.Marten Eelkes, dat isMarten, de zoon vanEelke, een der eerste herformde predikanten te Leeuwarden, verdraaide zynen naam, nu eens totMartinus Helius(de zon), dan eens totMartinus Eliacus(zonnekind), namen die zeker van ydelen eigenwaan niet vry te pleiten zijn. ZekereUlrikwas predikant te Hemelum, een friesch dorp, en noemde zich nu, in zinspeling op den naam zyner standplaats,Ulricus Uranius(hemeling). Zeker ook niet zeer nederig. Het toppunt van onzin bereikte de predikant van het kleine dorpke Huins in Friesland. Hy noemde zichTullius,PastorHunnorum, alsof de ingezetenen van Huins Hunnen waren. Eenvoudiger wasBerend Boues, (men vindt zynen naam ook wel deftiger gemaakt alsBernard Bouwo). Hy was eveneens een (West) Fries, en de eerste herformde predikant te Eilsum in Oost-Friesland, en noemde zich, naar dien dorpsnaam,Eilshemius, een naam die nog lange door zyne nakomelingen met eere gedragen is. Zoo deed ookHendrik, een eenvoudige Drent, vanBeilengeboortig, die in het begin der 17deeeu herformd predikant te Bloksyl en later te Franeker zijnde, zichHenricus Beylanusnoemde; zie bl. 206.Maar niet enkel de Friesen huldigden dit dwaze gebruik; het heerschte even zeer in de andere Nederlanden. Een man uit Gouda, dieCornelis Looseheette, noemde zich met de weidsche namenCornelius Calfidius Chrysopolitanus(uit de gouden stad!). EnJacob Harmensz., een man uit Oudewater, eigende zich de namenJacobus Arminius Veteraquinastoe. In de 17deeeu leefde in Holland ook de befaamdeJacobus Trigland, vooral bekend door zyne »Kerckelijcke Geschiedenissen”. Zyne vrou heetteChristina Theodora, en voerde den geslachtsnaam vanAstophia. »De naam klinkt grieksch; maar ik bid u, lezer, krijg uw grieksch woordenboek niet uit de kast om te zoeken of gij daar ook een zeldzaam voorkomend woord vindt, waar gij datAstophiamede in verband kunt brengen: uw zoeken zou vruchteloos zijn. Gij behoeft ook zoo ver niet vanhuis te gaan. Want de goede vrouw droeg den zeer duidelijken en verstaanbaren naam vanStoof. Dat evenwel was te eenvoudig, te hollandsch. Wat er tegen te doen? Er was meer dan één middel dat men kon aanwenden; maar de geleerde man koos het zotste dat men uitdenken kon, hij veranderde namelijk en voegde bij, voor en achter, zoodat het door de onkundige menigte voor een grieksch woord werd aangezien, maar geen woord meer was, slechts een klank, een geluid.”30En ook in de zuidelike, in de brabantsche gewesten, heerschte deze onzede. De bekende hellenist, een Noord-Brabander van geboorte, uit het dorp Engelen,Arnoldus Arlenius Peraxylus, heette oorspronkelikArnout Van Aerle. Maar hy verlatynschte deze namen totArnoldus Arlenius, en voegde er nog den griekschen toenaamPeraxylusby, »omdat hy in een dorp over den Bosch (’s Hertogenbosch), aan de Dieze, geboren was, van de grieksche woordenπερὰenζὺλον,overenhout, gelijkboschwel eens voorhoutgenomen wordt.”31De bekende woordafleidkundigeBecanus, voluitJohannes Goropius Becanusgenoemd, heette eigentlik enkel maarJohannes. Hy noemde zichGoropius, omdat hy geboren was in het gehuchtGorp; enBecanusnaar den naam van het dorpBeek, voluitHilvarenbeekin Noord-Brabant, waar dat gehucht Gorp onder behoort. De hedendaagsche geslachtsnamenVan GorpenVan Gurpzijn ook aan dit brabantsche plaatske ontleend.—De beroemde taalgeleerdeCornelis Van Kieleindelik noemde zichCornelius Kilianus Dufflaeus, omdat hy vanDuffel, een dorp by Antwerpen, geboortig was.De oude nederlandsche geleerden waren in den regel zeer goede latinisten. Maar ook zy maakten zich wel eens aan eenen taalkundigen misslag schuldig. Zulk eene fout levert de geslachtsnaamViëtorop, die in de friesche gewesten van Nederland en Duitschland gelykelik inheemsch is, en reeds een en ander maal in dit werk vermeld werd. Deze naam wijt zijn ontstaan aan éénen onkundige, die een latynschlexiconuitgaf, of liever zulk een woordeboekuit het Latyn-Hoogduitsch in het Latyn-Nederduitsch omzette. Hy vond daar in de woordenBöttcherenBüttner, en vertaalde die doorkuiper. Maar het woordvieo, waarviëtorrechtstreeks van afgeleid is, heeft bepaaldelik de beteekenis vanvlechten.Viëtoris dus eigenlikde Vlechter. In anders nog al goede Latynsch-HoogduitscheLexica, b. v. die vanFreunden vanKlotz, vindt men nog dit woordvietor=Böttcher, Büttner, dat iskuiper. Maar in de nieuere woordeboeken staat beter, zoo als het ook zijn moet:mandemaker(dat is iemand die tynen of wilgentwygen tot mandenvervlecht).In vele gevallen zijn die latynsche en verlatynschte namen als vaste toenamen overgegaan op de zonen der mannen die zulke namen het eerst voor zich zelven bedacht en gevoerd hadden. Maar in betrekkelik weinige gevallen zijn zy in lateren tijd tot vaste geslachtsnamen by de nakomelingschap geworden, en tot onzen tijd in stand gebleven. In de noordelike Nederlanden, en wel bepaaldelik onder de Protestantsche bevolking, komen ze hooftsakelik voor—byna uitsluitend. De oorzaak van dit verschijnsel is gelegen in de omstandigheid dat het vooral de predikanten der Herformden waren, in de 16deen 17deeeu, die hunne namen zoo verlatynschten en vergriekschten, en die deze namen aan hunne kinderen nalieten. In der daad weten dan ook vele hedendaagsche Nederlanders, die eenen latynschen of latynsch-formigen, eenen griekschen of grieksch-formigen geslachtsnaam dragen, eenen predikant aan te wyzen als de stamvader van hun geslacht; of liever, als die gene onder hunne voorouders, die het eerst den hedendaagschen maagschapsnaam gevoerd heeft. De Roomsch-Katholyke geesteliken in de zuidelike Nederlanden voerden oudtijds ook wel even zeer zulke verlatynschte en vergriekschte namen, maar zy lieten geen kinderen na die zulken naam verder droegen. Byzonder talrijk zijn heden ten dage die grieksche en latynsche geslachtsnamen niet. Maar toch altijd nog talrijk genoeg om mede by te dragen tot het eigenaardige der nederlandsche geslachtsnamen in het algemeen.Onder de hedendaagsche latynsche en grieksche maagschapsnamen zijn er van allerlei oorsprong en form. Velen er van zijn reeds op verschillende plaatsen in dit werk, waar het pas gaf, vermelden verklaard. Naar die plaatsen (§22, §55–57, §71, §122en §90) kan ik dus nu verwyzen, en my hier grootendeels bepalen tot eene eenvoudige opsomming.Zuiver latynsche en louter latynsche zijn onder deze namen zeldzaam. Als zoodanigen noem ik:Paludanus(oorspronkelikVan de Moer?Van den Broecke?Poelstra?Broekstra?—want dat beteekent deze naam);Sartorius, Pistorius,32enz. Alle deze namen zijn in dit werk reeds verklaard. Talryker zijn de namen die slechts eenen latynschen form vertoonen, slechts den uitgangusofiusachter eenen nederlandschen beroeps- of waardigheidsnaam hebben; b. v.Cuperus, Cramerus, Vorstius,33enz. De geslachtsnamenSlaterusenColeruszijn verlatynschingen van de oorspronkelik hoogduitsche namenSchlaterenKöhler. OokKnottnerusschijnt my eene verlatynsching van eenen oorspronkelik hoogduitschen geslachtsnaam.Als verlatynschte namen van aardrijkskundigen oorsprong bestaan nog:Acronius, Beilanus, Buranus,34enz. allen reeds op bl. 207 verklaard. De plaatsnaam waaraan de geslachtsnaamAlstorphiusontleend is, is my niet bekend; waarschijnlik is het een der drie dorpen, dieAlsdorfheeten, en allen in Rijn-Pruissen (by Trier, by Coblentz en by Aken) gelegen zijn.—Van algemeen-aardrijkskundigen aard zijn, behalven de boven reeds genoemde naamPaludanus, nogGreidanusenGreydanus(vangreide, het friesche woord voorweide,grasland),Heidanus(vanheide,Van der Heide),Geesteranus, Grevinchovius, Lindenhovius, Althusius(het oorspronkelikeAlthuiskomt ook in Nederland als geslachtsnaam voor),Neuhusius(deze twee laatsten schynen van hoogduitschen oorsprong te zyn),Nathusius, Heshusius(Heshuysenkomt ook voor), enz.Vele andere verlatynschte en vergriekschte namen zijn niet van aardrijkskundigen oorsprong, maar het zijn verformingen van nederlandsche vadersnamen. Ook van dezen zijn de meesten reeds behandeld op bl. 52 en 149 van dit werk. Het zijnArntzenius, Bolsius, Borgesius,35enz. De vergriekschingen, in den form van grieksche tweede-naamvallen, waren vooral onder de oude friesche geleerden in zwang. Dien ten gevolge treffen wy eene kleine groep van zulke grieksche patronymika, aan friesche mansvóórnamen ontleend, heden ten dage ook nog hooftsakelik in de friesche gewesten aan. Het zijn:Gatsonides, Hajonides, Hilarides, Ynzonides, Mensonides, Nolledes, Oneides, enz. Verder in andere nederlandsche gewesten nog:Antonides, Hermanides, Jacobides, Michalides, Nicolaides, PaulidesenSimonides.—Eenvoudige vadersnamen, in latynschen form, komen ook nog geenszins zeldzaam als geslachtsnamen voor, zoo wel aan byzonder-friesche mansvóórnamen ontleend (Idsardi, Wiardi, Taconis), als aan algemeen-nederlandsche (Arnoldi, Conradi, Wilhelmy). Velen van deze namen vindt men op bl. 150 vermeld en verklaard.De geslachtsnaamMalcomesiusweet ik anders niet te verklaren als door aan te nemen dat het eene verlatynsching zy van een (engelsch?) patronymikon—Malcomes—van den oud-schotschen mansvóórnaamMalcom, eigenlikMalcolmontleend. Deze naam (Malcomesius) wordt onder anderen nog heden door een herformd predikant gedragen. Men zie over het voorkomen van schotsche namen in de Nederlanden, bl. 535.Sommige geslachtsnamen bestaan slechts uit eenen latynschen uitgang gevoegd achter den eenen of anderen nederlandschen geslachtsnaam, die eenvoudig het eene of andere algemeen-nederlandsche woord is, dat dan ook in zynen oorspronkeliken form nog wel als geslachtsnaam voorkomt. Zulke namen zijnBekius(Beek);Bredius(BreedenBreet—zie bl. 339),Cnopius(Knoop),Glasius(GlasenGlasz),Hondius(Hond, DeHondt—zie bl. 377) enHazewindus, Koppius(Kops? zie bl. 131),Lossius(Los) enz.36FrisoenGrunozijn twee latyn-formige namen, als geslachtsnamen dienst doende. Het kunnen verlatynschingen zijn van twee oud-germaansche mansvóórnamen, of ook kunnen het deze zelfde namen zijn in hunnen eigenen oud-germaanschen form, die van den latynschen niet afwijkt; zie bl. 71 en bl. 20. Het kunnen ook namen zijn, aangenomen als die van de vermeende oude hooftlingen, aanvoerders, stichters, de fabelachtige stamvaders der Friesen en Groningers. In Friesland en Groningerland zijn deze geslachtsnamen dan ook inheemsch.De geslachtsnamen, samengesteld met de latynsche voorzetselsaenab, kunnen in zekeren zin ook al tot de latyn-formige namen worden gerekend. Men vindt ze opgenoemd en verklaard in §90.A Speculo(zie bl. 362) behoort er ook toe.De zonderlinge, ten deele onzinnige geslachtsnamenSanctorum, Oculorum, Springorum, StekelorumenStikkelorum(zie bl. 462), mogen hier niet onvermeld blyven. En even min sommige geslachtsnamen die in form en spelling van hunnen oorspronkeliken, min of meer zuiveren latynschen form weêr zijn afgeweken, half verdietscht, misformd, versleten. Dat zijnGualtherie, OdolphieenHilbrandie(oorspronkelikGualtheri, OdolphienHilbrandi), zie bl. 151;Althuizes, AlthuisesenAlthuzes, verbasteringen vanAlthusius(zie bl. 555);Kuperus, Kuperes, CouperusenKupaerus, vanCuperus; Kuipéri, vanCuperi(zie bl. 333);PiestoorvanPistorius; KuckulusvanCuculus, verlatynsching vanKoekoekofCockuyt(zie bl. 382); enHorjusenNapjus. De laatstgenoemde naam zal wel eene misforming zijn vanNappius, eene eenvoudige verlatynsching van den geslachtsnaamNap, die nog heden voorkomt, en oudtijds ook de byformenGlazenapenDrogenaphad. MaarHorjus, oorspronkelik zekerHorrius, houd ik voor eeneverlatynsching van het versletene patronymikonHorje, eigentlikHorria, ’t welk wederom een versleten form is van den vollen oud-frieschen vadersnaamHorringa, die nog, ook in den byformHorrenga, als friesche geslachtsnaam in gebruik is, en die zyne weêrga heeft in Engelland, in de daar voorkomende patronymikale geslachtsnamenHorringenHorrington. De oud-germaansche mansvóórnaamHorroligt ten grondslag aan deze vadersnamen, even als, door den verkleinformHorreke, Horco, aan den vlaamschen geslachtsnaamHorrekens, en aan de plaatsnamenHorsbüllenHorrstedt, beide dorpen in Noord-Friesland. Verder aanHorrem, dorp by Keulen;Horringhausen, gehucht by Altena in Westfalen;Horrington, in Somersetshire, Engelland, enz.Sommige maagschapsnamen hebben een latynsch voorkomen, en zijn toch van zuiver nederlandschen oorsprong. Immers ieder die Latyn verstaat, zal, zoo de geslachtsnamenRadix, Aries, Omen, Venushem onder de oogen komen, terstond denken aan de latynsche woordenradix, wortel;aries, ram; aanomen, voorteeken, en aan den bekenden naam der godinVenus. Maar geheel ten onrechte. Die namen zijn reeds, als goed nederlandsche, verklaard op bl. 37, 138 en 439. EnAriesis eenvoudig een patronymikon van den in Holland vooral algemeen-gebruikeliken mansvóórnaamArie, eene verkorting vanAriaan, dat weer eene verbastering is van den vollen oud-romeinschen naamHadrianus.H.Tot besluit.§168. De nederlandsche geslachtsnamen zijn in dit werk in verschillende groepen verdeeld geworden, naar hunnen oorsprong en naar hunne beteekenis, en al deze groepen zijn nader behandeld en verklaard. Men zoude de geslachtsnamen ook nog uit andere oogpunten kunnen beschouen en behandelen. Vermakeliker misschien, maar minder, of in het geheel niet wetenschappelik. By voorbeeld, uit het oogpunt van toevallige overeenkomsten en tegenstellingen tusschen de namen onderling, of ook tusschen denamen en de personen die de namen dragen. In dezer voege, en als eene kleine proeve van zulk eene beschouing der namen, wil ik hier nog enkele namen vermelden, en dan daarmede een einde maken aan dit werk.Sommige geslachtsnamen staan tegenover elkanderen in eene soms zonderling schynende verhouding van tegenstelling. By voorbeeld:Van BovenenVan Beneden, Van den BeginenVan den Ende, Van den HemelenVan de Helle, Van HemelrijkenVan Aertrijck, UitzingerenInsinger, OnderwaterenBovenwater, HelslootenDonkersloot, HameterenSpekmyder, Den EngelenDen Dievel, ZoetenZuur, Van AardemetVan den HemelenVan de Helle, HooismaenStrooisma, OostraenWestra, enz. Deze tegenstellingen kunnen louter van toevalligen aard zijn; en ik meen dat dit by de vier eerstgenoemden dezer paren van namen dan ook in der daad het geval is. (OverVan Aertrijckzie men bl. 455). Maar by anderen dezer paren is opzet in het spel geweest. Immers de geslachtsnamenBovenwater, UitzingerenStrooismazijn opzettelik bedacht, geformd, opgesteld om als tegenhangers dienst te doen van de geslachtsnamenOnderwater, InsingerenHooisma. Deze laatste drie bestonden reeds lange eer de eerste drie voor den dag kwamen. Tamelik ongepaste en zeker weinig geestige scherts heeft, althans naar men my heeft medegedeeld, de namenBovenwaterenUitzingerin het leven geroepen. Men schepte in den tijd dat iedereen eenen vasten geslachtsnaam moest aanveerden, onder sommige standen der maatschappy er wel eens behagen in, dwaze en ongepaste namen te bedenken, waar mede men ook wel eens een ander wilde ergeren. In dit werk is een en ander maal over deze dwaasgeformde namen gesproken. Wat ook de onmiddellike aanleiding moge geweest zijn van het ontstaan van den naamOnderwaterals geslachtsnaam, dit is zeker dat de woordenonderenwater, welke dezen naam samenstellen, in hunne gewone beteekenis, die zy in de nederlandsche taal hebben, moeten verstaan worden.Bovenwateris dus de wezenlike, de echte tegenstelling vanOnderwater. Maar dit is geenszins het geval met de namenUitzingerenInsinger. Laatstgenoemdenaam toch bestaat niet uit het voorzetselinen een woordsinger,zinger, van het werkwoordzingenontleend. Integendeel, deze naam is ontleend aan eenen plaatsnaam. Even als b. v. de geslachtsnaamHamburgerontleend is aan den naam der stadHamburg, enOttolanderaan dien van het dorpOttoland(zie bl. 204), zoo isInsingerafgeleid van den naam van het dorpInsingen, het welk in het beiersche gewest Middel-Franken gelegen is, naby de stad Rothenburg aan de Tauber. De geslachtsnaamUitzingerdaarentegen is louter als tegenstelling vanInsingerin de wereld gekomen, naar men my heeft verhaald. Intusschen, de naamUitzingerkan ook nog anders geduid worden. By den arbeid van sommige werklieden, matrozen vooral en heiers, waar velen gesamentlik het zelfde werk verrichten, het hyschen van zeilen, het winden van ’t anker, het heien van palen (eer de stoomhei dat werk overnam), enz. is het noodig dat die arbeid, dat rukken en trekken, gelijkmatig geschiede. Daarom stelt men eenen man daar by, die ’n eentonig maatgezang aanheft, en op die maat volvoeren dan die lieden gelijkmatig hun werk. Dat maatzingen noemt het nederlandsche volk bepaaldelikuitzingen, en de man die het doet, is deuitzinger. En iemand, die gewoonlik met datuitzingenbelast werd, kon al spoedig den toenaamUitzingervan zyne makkers hebben bekomen. Later kan die by- of toenaam gereedelik in eenen vasten geslachtsnaam overgegaan zijn. Toch is my verzekerd dat niet deze eenvoudige verklaring van den geslachtsnaamUitzingerde ware is, maar dat deze naam in der daad als een tegenhanger vanInsingerontstaan is.Ten jare 1811, by de vaststelling der geslachtsnamen, was zeker eenvoudig man, ten platten lande in Friesland, en die tot dien tijd toe geen geslachtsnaam gevoerd had, zoo min als zijn vader en grootvader vóór hem, verlegen welken naam hy zoude aannemen. Zijn buurman droeg den naam vanHooisma, en, meenende in dien naam het nederlandsche woordhooite hooren, zoo noemde hy zich, als eene tegenstelling,Strooisma.Hooienstrootoch behooren by elkanderen, zoo goed als hy en zijn buurman. Intusschen, de geslachtsnaamHooismaheeft met het woordhooiniets te maken. Hy is afgeleid van den oud-frieschen mansvóórnaamHoie, Hoio, is een patronymikon daar van, en beteekent eenvoudig: (zoon) vanHoio(zie bl. 63). In dezen zynen oorspronkeliken form is die mansvóórnaamHoieheden ten dae in Friesland, en ook in de saksische gouen, waar hy oudtijds eveneens gebruikelik was, zeldzaam geworden. Maar in de verklein- en byformenHoike, Hoitse, HoiseenHoiteis hy nog onder de Friesen in volle gebruik. NevensHooismazijn nog de volgende patronymikale geslachtsnamen:Hoynk, HooyingenHoying, HooijengaenHoyenga, Hooysma, verderHoisingh, Hoitema, HoytemaenVan Hoytema, HoitingaenHoitenga, HooitesenHoites, HoitsenHoiten, HoitsmaenHooitsma, Hoitsema, Hoitses, en vele plaatsnamen, van dezen zelfden ouden mansvóórnaam ontleend.—De eenvoudige man die zich dien geslachtsnaamStrooismauitkoos als de weêrga vanHooisma, sloeg echter, louter luk-raak, toch nog eenen spyker op den kop. Hy kreeg toch nog eenen redeliken naam, daar een zin, eene beteekenis in ligt. ImmersStrooismaen is niet zulk een onzinnige naam als b. v.Dwingersmais ofKorensma, enz.Strooismatoch kan opgevat worden als slechts in tongval of in spelling te verschillen van den eveneens in Friesland inheemschen geslachtsnaamStroosma. En ditStroosma(Strosmaware beter geboekstaafd) is wel degelik een zinvolle naam, wel degelik een goed patronymikon, wel waarlik van eenen mansvóórnaam afgeleid. Te weten van den oud-germaanschen, ook doorFörstemannvermelden naamStrodo, Strode, by afslytingStro. Van dezen zelfden naam is ook het saksische patronymikonStroïnk, dat nog heden in Twente als geslachtsnaam voorkomt, afgeleid. Als mede de geslachtsnaamStroma, die oudtijds onder de groningerlandsche Friesen inheemsch was, maar heden ten dage, voor zoo verre my bekend, uitgestorven is. De saksische (twentsche) geslachtsnamenHoynckenStroinkstaan volkomen in de zelfde verhouding tot elkanderen, als de friesche namenHooismaenStroosma(Strooisma).De geslachtsnaamOostrais door een israëlitisch geslacht in Friesland aangenomen als tegenhanger van den van ouds reeds onder de Friesen voorkomenden geslachtsnaamWestra.Oostrais toevallig een goed friesche form (Eastranogtans ware zuiverderfriesch). En, omdat deze naam naukeurig overeenkomt in beteekenis met den oud-nederlandschen geslachtsnaamVan Oosten, zoo isOostrazeker een zeer passende naam voor eenen frieschen Israëlyt, wiens voorouders immers uit het Oosten tot ons gekomen zijn.Eene byzondere overeenkomst tusschen den eenen of anderen geslachtsnaam, en de eene of andere eigenschap van den drager van zulken naam valt ook dikwijls waar te nemen. Zoo was er in myne jeugd te Leeuwarden een wolkammer dieCammengaheette. Zoo is er een houthandelaar te Harlingen dieHoutsmaheet, en te Arum in Friesland een glazemaker die den naamGlazemadraagt, even als een barbier en een schoenmaker te Wageningen,ScheerderenSchomakergeheeten, en een poelier te Amsterdam, die den naamTalingvoert. Zoo werd voor eenige jaren (en misschien nog wel) het penningmeesters-ambt van zeker genootschap te Gent (my is ontgaan welke vereeniging het was) waargenomen door iemand dieMettepenningen(zie bl. 432) heette. En zoo draagt de hoofdbestierder van het antwerpsche nieusbladLe Précurseurden naam vanGoemaere, dat is: goede tyding (zie bl. 446). Zeker een allerbeste naam voor eenen man die zulk eene betrekking vervult. Zie ook §111. Zulke overeenkomsten zijn er velen op te merken in steden en dorpen, overal in de Nederlanden. Ook komen byzondere overeenkomsten voor tusschen de geslachtsnamen en de woonplaatsen van lieden welke die namen dragen. Een boer wonende aan deAbbegaster-rige, een gehucht by het dorp Abbega in Friesland, heetRiegstra; een andere, wonende op deWonser-weren, een gehucht by het friesche dorp Wons, heetWeerstra. En nog een ander, die woont op deBult, by Bellingawolde in Groningerland, draagt den geslachtsnaamBultena, terwijlKloosterboerde naam is van den boer die ter plaatse woont waar in de middeleeuen het klooster stond der Norbertyners, te Heiligerlee; zie bl. 125. En dat de boer die in denScheurpolderwoont, aan dien arm van de Maas, welke hetScheurheet, na by den Hoek van Holland, den geslachtsnaam draagt vanScheurwater, zal ook wel geen louter toeval zijn.Trouens, opset is by deze overeenkomsten even dikwijls in hetspel als toeval. Menigeen toch koos zich in 1811 eenen geslachtsnaam, die eene toespeling bevatte op het bedrijf dat hy uitoefende, of op de plaats waar hy woonde, gelijk herhaalde malen in dit werk, op verschillende plaatsen is aangetoond. En daar heden ten dage nog menig man de zelfde betrekking in de maatschappy vervult als zijn grootvader in het begin dezer eeu reeds deed, en eveneens nog menig kleinzoon heden ten dage op de zelfde plaats, in het zelfde huis woont als zijn voorvader reeds vóór hem, zoo vallen die overeenkomsten tusschen namen en persoonlike byzonderheden, vroeger opsettelik gemaakt, ook nog heden op te merken.
G.Latynsche en grieksche geslachtsnamen.§167. Reeds in de middeleeuen was het de gewoonte by de geleerden om hunne namen te verlatynschen, soms ook te vergriekschen. En deze gewoonte, by alle geletterden en geleerden van het christelike Europa in gebruik, hield niet aleen in de 16deen 17deeeu stand, maar nam, by de hooge vlucht welke de beoefening der oude letteren vooral in die eeuen nam, groote verhoudingen aan, en werd zeer algemeen toegepast. En niet het minst was dit het geval in de Nederlanden, in die eeuen juist de bakermat van zoo vele eigene, de woonplaats van zoo vele vreemde geleerden.Op verschillende wyzen ging men by die verlatynsching en vergrieksching der eigene nederlandsche namen te werk. Sommigen vertaalden hunne namen geheel en al. Maar anderen hingen slechts eenen latynschen uitgang achter hunne nederlandsche namen, die zy overigens geheel of ten deele onveranderd lieten. Zoo vertaalde b. v. de een, dieKuypertot toenaam of geslachtsnaam had,of die oorspronkelik zelf eenkuiperwas of geweest was, en die zich dat woord dus als een naam toe eigende, dien naam metViëtor, terwijl een ander er eenvoudigCuperusvan maakte. Of de eene man dieBakkerheette, verlatynschte dien naam totPistorius, of hy vergriekschte hem totArtopaeus, terwijl de andere zich met een enkel latynsch steertje achter zynen naam vergenoegde, en erBackerusvan maakte. Niet altijd was men even gelukkig in het veranderen van de namen; soms vertaalde men die namen, door onverstand, geheel verkeerd. De geleerdeDesiderius Erasmus, iemand die zekerlik beter Latyn en Grieksch kende, als zyne moedertaal, althans als de oud-germaansche taalstammen, heette eigenlikGerrit. En omdat zyn vader ookGerritheette, zoo noemde hy zichGerrit Gerritsz., dat isGerrit Gerritszoon, ofGerrit, de zoon vanGerrit. De naamGerritnu is, zoo als men weet, slechts eene byzonder-hollandsche verknoeiing van den vollen oud-germaanschen, dus ook echt nederlandschen naamGerhard(Geraert). Het schijnt datGerrit Gerritsz.meende dat in dezen naamGeraarthet woordgeeren,begeerenopgesloten lag. Dies vertaalde hy zynen naam in het Latyn totDesiderius, en in het Grieksch totErasmus, en nam deze dubbelebegeerteaan in de plaats van zynen oorspronkeliken dubbelenGerrit. Eenvoudiger lieden in die dagen, en die minder danGerrit Gerritsz.t’huis waren in Grieksch en Latyn, vergenoegden zich met van hunnen hollandschenGerriteenen quasi-latynschenGerharduste maken. In latere tyden, in de 17deeeu, toen de wansmaak in het verformen der nederduitsche namen hoe langer hoe grooter was geworden, kwam de dwaasheid en ydelheid der menschen, niet het minst ook der geleerden, hoe langer hoe meer, in deze zake, aan het licht. En het waren vooral de 17deeeusche herformde predikanten, in de noordelike Nederlanden, die al hun valsch vernuft uitputten en hunnen wansmaak bewezen, in het verformen, verdraaien, vergriekschen en verlatynschen hunner namen. Zelfs tot in het begin der 18deeeu hield dit dwaze gebruik by die predikanten en ingebeelde geleerden stand. Een eenvoudige Fries, dieOeneheette en zichOene Oenesmoest noemen, omdat zijn vader eveneensOeneheette, noemde zich, als herformd predikant te Goinga,in Friesland, in 1712,Onias Oneïdes. Een ander, te Holwert geboren, enJohannes Fokkesgeheeten, dat isJohannes, de zoon vanFokke, noemde zich, als hoogleeraar te Franeker in het midden der 17deeeu,Johannes Phocylides ab Holwarda.Marten Eelkes, dat isMarten, de zoon vanEelke, een der eerste herformde predikanten te Leeuwarden, verdraaide zynen naam, nu eens totMartinus Helius(de zon), dan eens totMartinus Eliacus(zonnekind), namen die zeker van ydelen eigenwaan niet vry te pleiten zijn. ZekereUlrikwas predikant te Hemelum, een friesch dorp, en noemde zich nu, in zinspeling op den naam zyner standplaats,Ulricus Uranius(hemeling). Zeker ook niet zeer nederig. Het toppunt van onzin bereikte de predikant van het kleine dorpke Huins in Friesland. Hy noemde zichTullius,PastorHunnorum, alsof de ingezetenen van Huins Hunnen waren. Eenvoudiger wasBerend Boues, (men vindt zynen naam ook wel deftiger gemaakt alsBernard Bouwo). Hy was eveneens een (West) Fries, en de eerste herformde predikant te Eilsum in Oost-Friesland, en noemde zich, naar dien dorpsnaam,Eilshemius, een naam die nog lange door zyne nakomelingen met eere gedragen is. Zoo deed ookHendrik, een eenvoudige Drent, vanBeilengeboortig, die in het begin der 17deeeu herformd predikant te Bloksyl en later te Franeker zijnde, zichHenricus Beylanusnoemde; zie bl. 206.Maar niet enkel de Friesen huldigden dit dwaze gebruik; het heerschte even zeer in de andere Nederlanden. Een man uit Gouda, dieCornelis Looseheette, noemde zich met de weidsche namenCornelius Calfidius Chrysopolitanus(uit de gouden stad!). EnJacob Harmensz., een man uit Oudewater, eigende zich de namenJacobus Arminius Veteraquinastoe. In de 17deeeu leefde in Holland ook de befaamdeJacobus Trigland, vooral bekend door zyne »Kerckelijcke Geschiedenissen”. Zyne vrou heetteChristina Theodora, en voerde den geslachtsnaam vanAstophia. »De naam klinkt grieksch; maar ik bid u, lezer, krijg uw grieksch woordenboek niet uit de kast om te zoeken of gij daar ook een zeldzaam voorkomend woord vindt, waar gij datAstophiamede in verband kunt brengen: uw zoeken zou vruchteloos zijn. Gij behoeft ook zoo ver niet vanhuis te gaan. Want de goede vrouw droeg den zeer duidelijken en verstaanbaren naam vanStoof. Dat evenwel was te eenvoudig, te hollandsch. Wat er tegen te doen? Er was meer dan één middel dat men kon aanwenden; maar de geleerde man koos het zotste dat men uitdenken kon, hij veranderde namelijk en voegde bij, voor en achter, zoodat het door de onkundige menigte voor een grieksch woord werd aangezien, maar geen woord meer was, slechts een klank, een geluid.”30En ook in de zuidelike, in de brabantsche gewesten, heerschte deze onzede. De bekende hellenist, een Noord-Brabander van geboorte, uit het dorp Engelen,Arnoldus Arlenius Peraxylus, heette oorspronkelikArnout Van Aerle. Maar hy verlatynschte deze namen totArnoldus Arlenius, en voegde er nog den griekschen toenaamPeraxylusby, »omdat hy in een dorp over den Bosch (’s Hertogenbosch), aan de Dieze, geboren was, van de grieksche woordenπερὰenζὺλον,overenhout, gelijkboschwel eens voorhoutgenomen wordt.”31De bekende woordafleidkundigeBecanus, voluitJohannes Goropius Becanusgenoemd, heette eigentlik enkel maarJohannes. Hy noemde zichGoropius, omdat hy geboren was in het gehuchtGorp; enBecanusnaar den naam van het dorpBeek, voluitHilvarenbeekin Noord-Brabant, waar dat gehucht Gorp onder behoort. De hedendaagsche geslachtsnamenVan GorpenVan Gurpzijn ook aan dit brabantsche plaatske ontleend.—De beroemde taalgeleerdeCornelis Van Kieleindelik noemde zichCornelius Kilianus Dufflaeus, omdat hy vanDuffel, een dorp by Antwerpen, geboortig was.De oude nederlandsche geleerden waren in den regel zeer goede latinisten. Maar ook zy maakten zich wel eens aan eenen taalkundigen misslag schuldig. Zulk eene fout levert de geslachtsnaamViëtorop, die in de friesche gewesten van Nederland en Duitschland gelykelik inheemsch is, en reeds een en ander maal in dit werk vermeld werd. Deze naam wijt zijn ontstaan aan éénen onkundige, die een latynschlexiconuitgaf, of liever zulk een woordeboekuit het Latyn-Hoogduitsch in het Latyn-Nederduitsch omzette. Hy vond daar in de woordenBöttcherenBüttner, en vertaalde die doorkuiper. Maar het woordvieo, waarviëtorrechtstreeks van afgeleid is, heeft bepaaldelik de beteekenis vanvlechten.Viëtoris dus eigenlikde Vlechter. In anders nog al goede Latynsch-HoogduitscheLexica, b. v. die vanFreunden vanKlotz, vindt men nog dit woordvietor=Böttcher, Büttner, dat iskuiper. Maar in de nieuere woordeboeken staat beter, zoo als het ook zijn moet:mandemaker(dat is iemand die tynen of wilgentwygen tot mandenvervlecht).In vele gevallen zijn die latynsche en verlatynschte namen als vaste toenamen overgegaan op de zonen der mannen die zulke namen het eerst voor zich zelven bedacht en gevoerd hadden. Maar in betrekkelik weinige gevallen zijn zy in lateren tijd tot vaste geslachtsnamen by de nakomelingschap geworden, en tot onzen tijd in stand gebleven. In de noordelike Nederlanden, en wel bepaaldelik onder de Protestantsche bevolking, komen ze hooftsakelik voor—byna uitsluitend. De oorzaak van dit verschijnsel is gelegen in de omstandigheid dat het vooral de predikanten der Herformden waren, in de 16deen 17deeeu, die hunne namen zoo verlatynschten en vergriekschten, en die deze namen aan hunne kinderen nalieten. In der daad weten dan ook vele hedendaagsche Nederlanders, die eenen latynschen of latynsch-formigen, eenen griekschen of grieksch-formigen geslachtsnaam dragen, eenen predikant aan te wyzen als de stamvader van hun geslacht; of liever, als die gene onder hunne voorouders, die het eerst den hedendaagschen maagschapsnaam gevoerd heeft. De Roomsch-Katholyke geesteliken in de zuidelike Nederlanden voerden oudtijds ook wel even zeer zulke verlatynschte en vergriekschte namen, maar zy lieten geen kinderen na die zulken naam verder droegen. Byzonder talrijk zijn heden ten dage die grieksche en latynsche geslachtsnamen niet. Maar toch altijd nog talrijk genoeg om mede by te dragen tot het eigenaardige der nederlandsche geslachtsnamen in het algemeen.Onder de hedendaagsche latynsche en grieksche maagschapsnamen zijn er van allerlei oorsprong en form. Velen er van zijn reeds op verschillende plaatsen in dit werk, waar het pas gaf, vermelden verklaard. Naar die plaatsen (§22, §55–57, §71, §122en §90) kan ik dus nu verwyzen, en my hier grootendeels bepalen tot eene eenvoudige opsomming.Zuiver latynsche en louter latynsche zijn onder deze namen zeldzaam. Als zoodanigen noem ik:Paludanus(oorspronkelikVan de Moer?Van den Broecke?Poelstra?Broekstra?—want dat beteekent deze naam);Sartorius, Pistorius,32enz. Alle deze namen zijn in dit werk reeds verklaard. Talryker zijn de namen die slechts eenen latynschen form vertoonen, slechts den uitgangusofiusachter eenen nederlandschen beroeps- of waardigheidsnaam hebben; b. v.Cuperus, Cramerus, Vorstius,33enz. De geslachtsnamenSlaterusenColeruszijn verlatynschingen van de oorspronkelik hoogduitsche namenSchlaterenKöhler. OokKnottnerusschijnt my eene verlatynsching van eenen oorspronkelik hoogduitschen geslachtsnaam.Als verlatynschte namen van aardrijkskundigen oorsprong bestaan nog:Acronius, Beilanus, Buranus,34enz. allen reeds op bl. 207 verklaard. De plaatsnaam waaraan de geslachtsnaamAlstorphiusontleend is, is my niet bekend; waarschijnlik is het een der drie dorpen, dieAlsdorfheeten, en allen in Rijn-Pruissen (by Trier, by Coblentz en by Aken) gelegen zijn.—Van algemeen-aardrijkskundigen aard zijn, behalven de boven reeds genoemde naamPaludanus, nogGreidanusenGreydanus(vangreide, het friesche woord voorweide,grasland),Heidanus(vanheide,Van der Heide),Geesteranus, Grevinchovius, Lindenhovius, Althusius(het oorspronkelikeAlthuiskomt ook in Nederland als geslachtsnaam voor),Neuhusius(deze twee laatsten schynen van hoogduitschen oorsprong te zyn),Nathusius, Heshusius(Heshuysenkomt ook voor), enz.Vele andere verlatynschte en vergriekschte namen zijn niet van aardrijkskundigen oorsprong, maar het zijn verformingen van nederlandsche vadersnamen. Ook van dezen zijn de meesten reeds behandeld op bl. 52 en 149 van dit werk. Het zijnArntzenius, Bolsius, Borgesius,35enz. De vergriekschingen, in den form van grieksche tweede-naamvallen, waren vooral onder de oude friesche geleerden in zwang. Dien ten gevolge treffen wy eene kleine groep van zulke grieksche patronymika, aan friesche mansvóórnamen ontleend, heden ten dage ook nog hooftsakelik in de friesche gewesten aan. Het zijn:Gatsonides, Hajonides, Hilarides, Ynzonides, Mensonides, Nolledes, Oneides, enz. Verder in andere nederlandsche gewesten nog:Antonides, Hermanides, Jacobides, Michalides, Nicolaides, PaulidesenSimonides.—Eenvoudige vadersnamen, in latynschen form, komen ook nog geenszins zeldzaam als geslachtsnamen voor, zoo wel aan byzonder-friesche mansvóórnamen ontleend (Idsardi, Wiardi, Taconis), als aan algemeen-nederlandsche (Arnoldi, Conradi, Wilhelmy). Velen van deze namen vindt men op bl. 150 vermeld en verklaard.De geslachtsnaamMalcomesiusweet ik anders niet te verklaren als door aan te nemen dat het eene verlatynsching zy van een (engelsch?) patronymikon—Malcomes—van den oud-schotschen mansvóórnaamMalcom, eigenlikMalcolmontleend. Deze naam (Malcomesius) wordt onder anderen nog heden door een herformd predikant gedragen. Men zie over het voorkomen van schotsche namen in de Nederlanden, bl. 535.Sommige geslachtsnamen bestaan slechts uit eenen latynschen uitgang gevoegd achter den eenen of anderen nederlandschen geslachtsnaam, die eenvoudig het eene of andere algemeen-nederlandsche woord is, dat dan ook in zynen oorspronkeliken form nog wel als geslachtsnaam voorkomt. Zulke namen zijnBekius(Beek);Bredius(BreedenBreet—zie bl. 339),Cnopius(Knoop),Glasius(GlasenGlasz),Hondius(Hond, DeHondt—zie bl. 377) enHazewindus, Koppius(Kops? zie bl. 131),Lossius(Los) enz.36FrisoenGrunozijn twee latyn-formige namen, als geslachtsnamen dienst doende. Het kunnen verlatynschingen zijn van twee oud-germaansche mansvóórnamen, of ook kunnen het deze zelfde namen zijn in hunnen eigenen oud-germaanschen form, die van den latynschen niet afwijkt; zie bl. 71 en bl. 20. Het kunnen ook namen zijn, aangenomen als die van de vermeende oude hooftlingen, aanvoerders, stichters, de fabelachtige stamvaders der Friesen en Groningers. In Friesland en Groningerland zijn deze geslachtsnamen dan ook inheemsch.De geslachtsnamen, samengesteld met de latynsche voorzetselsaenab, kunnen in zekeren zin ook al tot de latyn-formige namen worden gerekend. Men vindt ze opgenoemd en verklaard in §90.A Speculo(zie bl. 362) behoort er ook toe.De zonderlinge, ten deele onzinnige geslachtsnamenSanctorum, Oculorum, Springorum, StekelorumenStikkelorum(zie bl. 462), mogen hier niet onvermeld blyven. En even min sommige geslachtsnamen die in form en spelling van hunnen oorspronkeliken, min of meer zuiveren latynschen form weêr zijn afgeweken, half verdietscht, misformd, versleten. Dat zijnGualtherie, OdolphieenHilbrandie(oorspronkelikGualtheri, OdolphienHilbrandi), zie bl. 151;Althuizes, AlthuisesenAlthuzes, verbasteringen vanAlthusius(zie bl. 555);Kuperus, Kuperes, CouperusenKupaerus, vanCuperus; Kuipéri, vanCuperi(zie bl. 333);PiestoorvanPistorius; KuckulusvanCuculus, verlatynsching vanKoekoekofCockuyt(zie bl. 382); enHorjusenNapjus. De laatstgenoemde naam zal wel eene misforming zijn vanNappius, eene eenvoudige verlatynsching van den geslachtsnaamNap, die nog heden voorkomt, en oudtijds ook de byformenGlazenapenDrogenaphad. MaarHorjus, oorspronkelik zekerHorrius, houd ik voor eeneverlatynsching van het versletene patronymikonHorje, eigentlikHorria, ’t welk wederom een versleten form is van den vollen oud-frieschen vadersnaamHorringa, die nog, ook in den byformHorrenga, als friesche geslachtsnaam in gebruik is, en die zyne weêrga heeft in Engelland, in de daar voorkomende patronymikale geslachtsnamenHorringenHorrington. De oud-germaansche mansvóórnaamHorroligt ten grondslag aan deze vadersnamen, even als, door den verkleinformHorreke, Horco, aan den vlaamschen geslachtsnaamHorrekens, en aan de plaatsnamenHorsbüllenHorrstedt, beide dorpen in Noord-Friesland. Verder aanHorrem, dorp by Keulen;Horringhausen, gehucht by Altena in Westfalen;Horrington, in Somersetshire, Engelland, enz.Sommige maagschapsnamen hebben een latynsch voorkomen, en zijn toch van zuiver nederlandschen oorsprong. Immers ieder die Latyn verstaat, zal, zoo de geslachtsnamenRadix, Aries, Omen, Venushem onder de oogen komen, terstond denken aan de latynsche woordenradix, wortel;aries, ram; aanomen, voorteeken, en aan den bekenden naam der godinVenus. Maar geheel ten onrechte. Die namen zijn reeds, als goed nederlandsche, verklaard op bl. 37, 138 en 439. EnAriesis eenvoudig een patronymikon van den in Holland vooral algemeen-gebruikeliken mansvóórnaamArie, eene verkorting vanAriaan, dat weer eene verbastering is van den vollen oud-romeinschen naamHadrianus.H.Tot besluit.§168. De nederlandsche geslachtsnamen zijn in dit werk in verschillende groepen verdeeld geworden, naar hunnen oorsprong en naar hunne beteekenis, en al deze groepen zijn nader behandeld en verklaard. Men zoude de geslachtsnamen ook nog uit andere oogpunten kunnen beschouen en behandelen. Vermakeliker misschien, maar minder, of in het geheel niet wetenschappelik. By voorbeeld, uit het oogpunt van toevallige overeenkomsten en tegenstellingen tusschen de namen onderling, of ook tusschen denamen en de personen die de namen dragen. In dezer voege, en als eene kleine proeve van zulk eene beschouing der namen, wil ik hier nog enkele namen vermelden, en dan daarmede een einde maken aan dit werk.Sommige geslachtsnamen staan tegenover elkanderen in eene soms zonderling schynende verhouding van tegenstelling. By voorbeeld:Van BovenenVan Beneden, Van den BeginenVan den Ende, Van den HemelenVan de Helle, Van HemelrijkenVan Aertrijck, UitzingerenInsinger, OnderwaterenBovenwater, HelslootenDonkersloot, HameterenSpekmyder, Den EngelenDen Dievel, ZoetenZuur, Van AardemetVan den HemelenVan de Helle, HooismaenStrooisma, OostraenWestra, enz. Deze tegenstellingen kunnen louter van toevalligen aard zijn; en ik meen dat dit by de vier eerstgenoemden dezer paren van namen dan ook in der daad het geval is. (OverVan Aertrijckzie men bl. 455). Maar by anderen dezer paren is opzet in het spel geweest. Immers de geslachtsnamenBovenwater, UitzingerenStrooismazijn opzettelik bedacht, geformd, opgesteld om als tegenhangers dienst te doen van de geslachtsnamenOnderwater, InsingerenHooisma. Deze laatste drie bestonden reeds lange eer de eerste drie voor den dag kwamen. Tamelik ongepaste en zeker weinig geestige scherts heeft, althans naar men my heeft medegedeeld, de namenBovenwaterenUitzingerin het leven geroepen. Men schepte in den tijd dat iedereen eenen vasten geslachtsnaam moest aanveerden, onder sommige standen der maatschappy er wel eens behagen in, dwaze en ongepaste namen te bedenken, waar mede men ook wel eens een ander wilde ergeren. In dit werk is een en ander maal over deze dwaasgeformde namen gesproken. Wat ook de onmiddellike aanleiding moge geweest zijn van het ontstaan van den naamOnderwaterals geslachtsnaam, dit is zeker dat de woordenonderenwater, welke dezen naam samenstellen, in hunne gewone beteekenis, die zy in de nederlandsche taal hebben, moeten verstaan worden.Bovenwateris dus de wezenlike, de echte tegenstelling vanOnderwater. Maar dit is geenszins het geval met de namenUitzingerenInsinger. Laatstgenoemdenaam toch bestaat niet uit het voorzetselinen een woordsinger,zinger, van het werkwoordzingenontleend. Integendeel, deze naam is ontleend aan eenen plaatsnaam. Even als b. v. de geslachtsnaamHamburgerontleend is aan den naam der stadHamburg, enOttolanderaan dien van het dorpOttoland(zie bl. 204), zoo isInsingerafgeleid van den naam van het dorpInsingen, het welk in het beiersche gewest Middel-Franken gelegen is, naby de stad Rothenburg aan de Tauber. De geslachtsnaamUitzingerdaarentegen is louter als tegenstelling vanInsingerin de wereld gekomen, naar men my heeft verhaald. Intusschen, de naamUitzingerkan ook nog anders geduid worden. By den arbeid van sommige werklieden, matrozen vooral en heiers, waar velen gesamentlik het zelfde werk verrichten, het hyschen van zeilen, het winden van ’t anker, het heien van palen (eer de stoomhei dat werk overnam), enz. is het noodig dat die arbeid, dat rukken en trekken, gelijkmatig geschiede. Daarom stelt men eenen man daar by, die ’n eentonig maatgezang aanheft, en op die maat volvoeren dan die lieden gelijkmatig hun werk. Dat maatzingen noemt het nederlandsche volk bepaaldelikuitzingen, en de man die het doet, is deuitzinger. En iemand, die gewoonlik met datuitzingenbelast werd, kon al spoedig den toenaamUitzingervan zyne makkers hebben bekomen. Later kan die by- of toenaam gereedelik in eenen vasten geslachtsnaam overgegaan zijn. Toch is my verzekerd dat niet deze eenvoudige verklaring van den geslachtsnaamUitzingerde ware is, maar dat deze naam in der daad als een tegenhanger vanInsingerontstaan is.Ten jare 1811, by de vaststelling der geslachtsnamen, was zeker eenvoudig man, ten platten lande in Friesland, en die tot dien tijd toe geen geslachtsnaam gevoerd had, zoo min als zijn vader en grootvader vóór hem, verlegen welken naam hy zoude aannemen. Zijn buurman droeg den naam vanHooisma, en, meenende in dien naam het nederlandsche woordhooite hooren, zoo noemde hy zich, als eene tegenstelling,Strooisma.Hooienstrootoch behooren by elkanderen, zoo goed als hy en zijn buurman. Intusschen, de geslachtsnaamHooismaheeft met het woordhooiniets te maken. Hy is afgeleid van den oud-frieschen mansvóórnaamHoie, Hoio, is een patronymikon daar van, en beteekent eenvoudig: (zoon) vanHoio(zie bl. 63). In dezen zynen oorspronkeliken form is die mansvóórnaamHoieheden ten dae in Friesland, en ook in de saksische gouen, waar hy oudtijds eveneens gebruikelik was, zeldzaam geworden. Maar in de verklein- en byformenHoike, Hoitse, HoiseenHoiteis hy nog onder de Friesen in volle gebruik. NevensHooismazijn nog de volgende patronymikale geslachtsnamen:Hoynk, HooyingenHoying, HooijengaenHoyenga, Hooysma, verderHoisingh, Hoitema, HoytemaenVan Hoytema, HoitingaenHoitenga, HooitesenHoites, HoitsenHoiten, HoitsmaenHooitsma, Hoitsema, Hoitses, en vele plaatsnamen, van dezen zelfden ouden mansvóórnaam ontleend.—De eenvoudige man die zich dien geslachtsnaamStrooismauitkoos als de weêrga vanHooisma, sloeg echter, louter luk-raak, toch nog eenen spyker op den kop. Hy kreeg toch nog eenen redeliken naam, daar een zin, eene beteekenis in ligt. ImmersStrooismaen is niet zulk een onzinnige naam als b. v.Dwingersmais ofKorensma, enz.Strooismatoch kan opgevat worden als slechts in tongval of in spelling te verschillen van den eveneens in Friesland inheemschen geslachtsnaamStroosma. En ditStroosma(Strosmaware beter geboekstaafd) is wel degelik een zinvolle naam, wel degelik een goed patronymikon, wel waarlik van eenen mansvóórnaam afgeleid. Te weten van den oud-germaanschen, ook doorFörstemannvermelden naamStrodo, Strode, by afslytingStro. Van dezen zelfden naam is ook het saksische patronymikonStroïnk, dat nog heden in Twente als geslachtsnaam voorkomt, afgeleid. Als mede de geslachtsnaamStroma, die oudtijds onder de groningerlandsche Friesen inheemsch was, maar heden ten dage, voor zoo verre my bekend, uitgestorven is. De saksische (twentsche) geslachtsnamenHoynckenStroinkstaan volkomen in de zelfde verhouding tot elkanderen, als de friesche namenHooismaenStroosma(Strooisma).De geslachtsnaamOostrais door een israëlitisch geslacht in Friesland aangenomen als tegenhanger van den van ouds reeds onder de Friesen voorkomenden geslachtsnaamWestra.Oostrais toevallig een goed friesche form (Eastranogtans ware zuiverderfriesch). En, omdat deze naam naukeurig overeenkomt in beteekenis met den oud-nederlandschen geslachtsnaamVan Oosten, zoo isOostrazeker een zeer passende naam voor eenen frieschen Israëlyt, wiens voorouders immers uit het Oosten tot ons gekomen zijn.Eene byzondere overeenkomst tusschen den eenen of anderen geslachtsnaam, en de eene of andere eigenschap van den drager van zulken naam valt ook dikwijls waar te nemen. Zoo was er in myne jeugd te Leeuwarden een wolkammer dieCammengaheette. Zoo is er een houthandelaar te Harlingen dieHoutsmaheet, en te Arum in Friesland een glazemaker die den naamGlazemadraagt, even als een barbier en een schoenmaker te Wageningen,ScheerderenSchomakergeheeten, en een poelier te Amsterdam, die den naamTalingvoert. Zoo werd voor eenige jaren (en misschien nog wel) het penningmeesters-ambt van zeker genootschap te Gent (my is ontgaan welke vereeniging het was) waargenomen door iemand dieMettepenningen(zie bl. 432) heette. En zoo draagt de hoofdbestierder van het antwerpsche nieusbladLe Précurseurden naam vanGoemaere, dat is: goede tyding (zie bl. 446). Zeker een allerbeste naam voor eenen man die zulk eene betrekking vervult. Zie ook §111. Zulke overeenkomsten zijn er velen op te merken in steden en dorpen, overal in de Nederlanden. Ook komen byzondere overeenkomsten voor tusschen de geslachtsnamen en de woonplaatsen van lieden welke die namen dragen. Een boer wonende aan deAbbegaster-rige, een gehucht by het dorp Abbega in Friesland, heetRiegstra; een andere, wonende op deWonser-weren, een gehucht by het friesche dorp Wons, heetWeerstra. En nog een ander, die woont op deBult, by Bellingawolde in Groningerland, draagt den geslachtsnaamBultena, terwijlKloosterboerde naam is van den boer die ter plaatse woont waar in de middeleeuen het klooster stond der Norbertyners, te Heiligerlee; zie bl. 125. En dat de boer die in denScheurpolderwoont, aan dien arm van de Maas, welke hetScheurheet, na by den Hoek van Holland, den geslachtsnaam draagt vanScheurwater, zal ook wel geen louter toeval zijn.Trouens, opset is by deze overeenkomsten even dikwijls in hetspel als toeval. Menigeen toch koos zich in 1811 eenen geslachtsnaam, die eene toespeling bevatte op het bedrijf dat hy uitoefende, of op de plaats waar hy woonde, gelijk herhaalde malen in dit werk, op verschillende plaatsen is aangetoond. En daar heden ten dage nog menig man de zelfde betrekking in de maatschappy vervult als zijn grootvader in het begin dezer eeu reeds deed, en eveneens nog menig kleinzoon heden ten dage op de zelfde plaats, in het zelfde huis woont als zijn voorvader reeds vóór hem, zoo vallen die overeenkomsten tusschen namen en persoonlike byzonderheden, vroeger opsettelik gemaakt, ook nog heden op te merken.
G.Latynsche en grieksche geslachtsnamen.§167. Reeds in de middeleeuen was het de gewoonte by de geleerden om hunne namen te verlatynschen, soms ook te vergriekschen. En deze gewoonte, by alle geletterden en geleerden van het christelike Europa in gebruik, hield niet aleen in de 16deen 17deeeu stand, maar nam, by de hooge vlucht welke de beoefening der oude letteren vooral in die eeuen nam, groote verhoudingen aan, en werd zeer algemeen toegepast. En niet het minst was dit het geval in de Nederlanden, in die eeuen juist de bakermat van zoo vele eigene, de woonplaats van zoo vele vreemde geleerden.Op verschillende wyzen ging men by die verlatynsching en vergrieksching der eigene nederlandsche namen te werk. Sommigen vertaalden hunne namen geheel en al. Maar anderen hingen slechts eenen latynschen uitgang achter hunne nederlandsche namen, die zy overigens geheel of ten deele onveranderd lieten. Zoo vertaalde b. v. de een, dieKuypertot toenaam of geslachtsnaam had,of die oorspronkelik zelf eenkuiperwas of geweest was, en die zich dat woord dus als een naam toe eigende, dien naam metViëtor, terwijl een ander er eenvoudigCuperusvan maakte. Of de eene man dieBakkerheette, verlatynschte dien naam totPistorius, of hy vergriekschte hem totArtopaeus, terwijl de andere zich met een enkel latynsch steertje achter zynen naam vergenoegde, en erBackerusvan maakte. Niet altijd was men even gelukkig in het veranderen van de namen; soms vertaalde men die namen, door onverstand, geheel verkeerd. De geleerdeDesiderius Erasmus, iemand die zekerlik beter Latyn en Grieksch kende, als zyne moedertaal, althans als de oud-germaansche taalstammen, heette eigenlikGerrit. En omdat zyn vader ookGerritheette, zoo noemde hy zichGerrit Gerritsz., dat isGerrit Gerritszoon, ofGerrit, de zoon vanGerrit. De naamGerritnu is, zoo als men weet, slechts eene byzonder-hollandsche verknoeiing van den vollen oud-germaanschen, dus ook echt nederlandschen naamGerhard(Geraert). Het schijnt datGerrit Gerritsz.meende dat in dezen naamGeraarthet woordgeeren,begeerenopgesloten lag. Dies vertaalde hy zynen naam in het Latyn totDesiderius, en in het Grieksch totErasmus, en nam deze dubbelebegeerteaan in de plaats van zynen oorspronkeliken dubbelenGerrit. Eenvoudiger lieden in die dagen, en die minder danGerrit Gerritsz.t’huis waren in Grieksch en Latyn, vergenoegden zich met van hunnen hollandschenGerriteenen quasi-latynschenGerharduste maken. In latere tyden, in de 17deeeu, toen de wansmaak in het verformen der nederduitsche namen hoe langer hoe grooter was geworden, kwam de dwaasheid en ydelheid der menschen, niet het minst ook der geleerden, hoe langer hoe meer, in deze zake, aan het licht. En het waren vooral de 17deeeusche herformde predikanten, in de noordelike Nederlanden, die al hun valsch vernuft uitputten en hunnen wansmaak bewezen, in het verformen, verdraaien, vergriekschen en verlatynschen hunner namen. Zelfs tot in het begin der 18deeeu hield dit dwaze gebruik by die predikanten en ingebeelde geleerden stand. Een eenvoudige Fries, dieOeneheette en zichOene Oenesmoest noemen, omdat zijn vader eveneensOeneheette, noemde zich, als herformd predikant te Goinga,in Friesland, in 1712,Onias Oneïdes. Een ander, te Holwert geboren, enJohannes Fokkesgeheeten, dat isJohannes, de zoon vanFokke, noemde zich, als hoogleeraar te Franeker in het midden der 17deeeu,Johannes Phocylides ab Holwarda.Marten Eelkes, dat isMarten, de zoon vanEelke, een der eerste herformde predikanten te Leeuwarden, verdraaide zynen naam, nu eens totMartinus Helius(de zon), dan eens totMartinus Eliacus(zonnekind), namen die zeker van ydelen eigenwaan niet vry te pleiten zijn. ZekereUlrikwas predikant te Hemelum, een friesch dorp, en noemde zich nu, in zinspeling op den naam zyner standplaats,Ulricus Uranius(hemeling). Zeker ook niet zeer nederig. Het toppunt van onzin bereikte de predikant van het kleine dorpke Huins in Friesland. Hy noemde zichTullius,PastorHunnorum, alsof de ingezetenen van Huins Hunnen waren. Eenvoudiger wasBerend Boues, (men vindt zynen naam ook wel deftiger gemaakt alsBernard Bouwo). Hy was eveneens een (West) Fries, en de eerste herformde predikant te Eilsum in Oost-Friesland, en noemde zich, naar dien dorpsnaam,Eilshemius, een naam die nog lange door zyne nakomelingen met eere gedragen is. Zoo deed ookHendrik, een eenvoudige Drent, vanBeilengeboortig, die in het begin der 17deeeu herformd predikant te Bloksyl en later te Franeker zijnde, zichHenricus Beylanusnoemde; zie bl. 206.Maar niet enkel de Friesen huldigden dit dwaze gebruik; het heerschte even zeer in de andere Nederlanden. Een man uit Gouda, dieCornelis Looseheette, noemde zich met de weidsche namenCornelius Calfidius Chrysopolitanus(uit de gouden stad!). EnJacob Harmensz., een man uit Oudewater, eigende zich de namenJacobus Arminius Veteraquinastoe. In de 17deeeu leefde in Holland ook de befaamdeJacobus Trigland, vooral bekend door zyne »Kerckelijcke Geschiedenissen”. Zyne vrou heetteChristina Theodora, en voerde den geslachtsnaam vanAstophia. »De naam klinkt grieksch; maar ik bid u, lezer, krijg uw grieksch woordenboek niet uit de kast om te zoeken of gij daar ook een zeldzaam voorkomend woord vindt, waar gij datAstophiamede in verband kunt brengen: uw zoeken zou vruchteloos zijn. Gij behoeft ook zoo ver niet vanhuis te gaan. Want de goede vrouw droeg den zeer duidelijken en verstaanbaren naam vanStoof. Dat evenwel was te eenvoudig, te hollandsch. Wat er tegen te doen? Er was meer dan één middel dat men kon aanwenden; maar de geleerde man koos het zotste dat men uitdenken kon, hij veranderde namelijk en voegde bij, voor en achter, zoodat het door de onkundige menigte voor een grieksch woord werd aangezien, maar geen woord meer was, slechts een klank, een geluid.”30En ook in de zuidelike, in de brabantsche gewesten, heerschte deze onzede. De bekende hellenist, een Noord-Brabander van geboorte, uit het dorp Engelen,Arnoldus Arlenius Peraxylus, heette oorspronkelikArnout Van Aerle. Maar hy verlatynschte deze namen totArnoldus Arlenius, en voegde er nog den griekschen toenaamPeraxylusby, »omdat hy in een dorp over den Bosch (’s Hertogenbosch), aan de Dieze, geboren was, van de grieksche woordenπερὰenζὺλον,overenhout, gelijkboschwel eens voorhoutgenomen wordt.”31De bekende woordafleidkundigeBecanus, voluitJohannes Goropius Becanusgenoemd, heette eigentlik enkel maarJohannes. Hy noemde zichGoropius, omdat hy geboren was in het gehuchtGorp; enBecanusnaar den naam van het dorpBeek, voluitHilvarenbeekin Noord-Brabant, waar dat gehucht Gorp onder behoort. De hedendaagsche geslachtsnamenVan GorpenVan Gurpzijn ook aan dit brabantsche plaatske ontleend.—De beroemde taalgeleerdeCornelis Van Kieleindelik noemde zichCornelius Kilianus Dufflaeus, omdat hy vanDuffel, een dorp by Antwerpen, geboortig was.De oude nederlandsche geleerden waren in den regel zeer goede latinisten. Maar ook zy maakten zich wel eens aan eenen taalkundigen misslag schuldig. Zulk eene fout levert de geslachtsnaamViëtorop, die in de friesche gewesten van Nederland en Duitschland gelykelik inheemsch is, en reeds een en ander maal in dit werk vermeld werd. Deze naam wijt zijn ontstaan aan éénen onkundige, die een latynschlexiconuitgaf, of liever zulk een woordeboekuit het Latyn-Hoogduitsch in het Latyn-Nederduitsch omzette. Hy vond daar in de woordenBöttcherenBüttner, en vertaalde die doorkuiper. Maar het woordvieo, waarviëtorrechtstreeks van afgeleid is, heeft bepaaldelik de beteekenis vanvlechten.Viëtoris dus eigenlikde Vlechter. In anders nog al goede Latynsch-HoogduitscheLexica, b. v. die vanFreunden vanKlotz, vindt men nog dit woordvietor=Böttcher, Büttner, dat iskuiper. Maar in de nieuere woordeboeken staat beter, zoo als het ook zijn moet:mandemaker(dat is iemand die tynen of wilgentwygen tot mandenvervlecht).In vele gevallen zijn die latynsche en verlatynschte namen als vaste toenamen overgegaan op de zonen der mannen die zulke namen het eerst voor zich zelven bedacht en gevoerd hadden. Maar in betrekkelik weinige gevallen zijn zy in lateren tijd tot vaste geslachtsnamen by de nakomelingschap geworden, en tot onzen tijd in stand gebleven. In de noordelike Nederlanden, en wel bepaaldelik onder de Protestantsche bevolking, komen ze hooftsakelik voor—byna uitsluitend. De oorzaak van dit verschijnsel is gelegen in de omstandigheid dat het vooral de predikanten der Herformden waren, in de 16deen 17deeeu, die hunne namen zoo verlatynschten en vergriekschten, en die deze namen aan hunne kinderen nalieten. In der daad weten dan ook vele hedendaagsche Nederlanders, die eenen latynschen of latynsch-formigen, eenen griekschen of grieksch-formigen geslachtsnaam dragen, eenen predikant aan te wyzen als de stamvader van hun geslacht; of liever, als die gene onder hunne voorouders, die het eerst den hedendaagschen maagschapsnaam gevoerd heeft. De Roomsch-Katholyke geesteliken in de zuidelike Nederlanden voerden oudtijds ook wel even zeer zulke verlatynschte en vergriekschte namen, maar zy lieten geen kinderen na die zulken naam verder droegen. Byzonder talrijk zijn heden ten dage die grieksche en latynsche geslachtsnamen niet. Maar toch altijd nog talrijk genoeg om mede by te dragen tot het eigenaardige der nederlandsche geslachtsnamen in het algemeen.Onder de hedendaagsche latynsche en grieksche maagschapsnamen zijn er van allerlei oorsprong en form. Velen er van zijn reeds op verschillende plaatsen in dit werk, waar het pas gaf, vermelden verklaard. Naar die plaatsen (§22, §55–57, §71, §122en §90) kan ik dus nu verwyzen, en my hier grootendeels bepalen tot eene eenvoudige opsomming.Zuiver latynsche en louter latynsche zijn onder deze namen zeldzaam. Als zoodanigen noem ik:Paludanus(oorspronkelikVan de Moer?Van den Broecke?Poelstra?Broekstra?—want dat beteekent deze naam);Sartorius, Pistorius,32enz. Alle deze namen zijn in dit werk reeds verklaard. Talryker zijn de namen die slechts eenen latynschen form vertoonen, slechts den uitgangusofiusachter eenen nederlandschen beroeps- of waardigheidsnaam hebben; b. v.Cuperus, Cramerus, Vorstius,33enz. De geslachtsnamenSlaterusenColeruszijn verlatynschingen van de oorspronkelik hoogduitsche namenSchlaterenKöhler. OokKnottnerusschijnt my eene verlatynsching van eenen oorspronkelik hoogduitschen geslachtsnaam.Als verlatynschte namen van aardrijkskundigen oorsprong bestaan nog:Acronius, Beilanus, Buranus,34enz. allen reeds op bl. 207 verklaard. De plaatsnaam waaraan de geslachtsnaamAlstorphiusontleend is, is my niet bekend; waarschijnlik is het een der drie dorpen, dieAlsdorfheeten, en allen in Rijn-Pruissen (by Trier, by Coblentz en by Aken) gelegen zijn.—Van algemeen-aardrijkskundigen aard zijn, behalven de boven reeds genoemde naamPaludanus, nogGreidanusenGreydanus(vangreide, het friesche woord voorweide,grasland),Heidanus(vanheide,Van der Heide),Geesteranus, Grevinchovius, Lindenhovius, Althusius(het oorspronkelikeAlthuiskomt ook in Nederland als geslachtsnaam voor),Neuhusius(deze twee laatsten schynen van hoogduitschen oorsprong te zyn),Nathusius, Heshusius(Heshuysenkomt ook voor), enz.Vele andere verlatynschte en vergriekschte namen zijn niet van aardrijkskundigen oorsprong, maar het zijn verformingen van nederlandsche vadersnamen. Ook van dezen zijn de meesten reeds behandeld op bl. 52 en 149 van dit werk. Het zijnArntzenius, Bolsius, Borgesius,35enz. De vergriekschingen, in den form van grieksche tweede-naamvallen, waren vooral onder de oude friesche geleerden in zwang. Dien ten gevolge treffen wy eene kleine groep van zulke grieksche patronymika, aan friesche mansvóórnamen ontleend, heden ten dage ook nog hooftsakelik in de friesche gewesten aan. Het zijn:Gatsonides, Hajonides, Hilarides, Ynzonides, Mensonides, Nolledes, Oneides, enz. Verder in andere nederlandsche gewesten nog:Antonides, Hermanides, Jacobides, Michalides, Nicolaides, PaulidesenSimonides.—Eenvoudige vadersnamen, in latynschen form, komen ook nog geenszins zeldzaam als geslachtsnamen voor, zoo wel aan byzonder-friesche mansvóórnamen ontleend (Idsardi, Wiardi, Taconis), als aan algemeen-nederlandsche (Arnoldi, Conradi, Wilhelmy). Velen van deze namen vindt men op bl. 150 vermeld en verklaard.De geslachtsnaamMalcomesiusweet ik anders niet te verklaren als door aan te nemen dat het eene verlatynsching zy van een (engelsch?) patronymikon—Malcomes—van den oud-schotschen mansvóórnaamMalcom, eigenlikMalcolmontleend. Deze naam (Malcomesius) wordt onder anderen nog heden door een herformd predikant gedragen. Men zie over het voorkomen van schotsche namen in de Nederlanden, bl. 535.Sommige geslachtsnamen bestaan slechts uit eenen latynschen uitgang gevoegd achter den eenen of anderen nederlandschen geslachtsnaam, die eenvoudig het eene of andere algemeen-nederlandsche woord is, dat dan ook in zynen oorspronkeliken form nog wel als geslachtsnaam voorkomt. Zulke namen zijnBekius(Beek);Bredius(BreedenBreet—zie bl. 339),Cnopius(Knoop),Glasius(GlasenGlasz),Hondius(Hond, DeHondt—zie bl. 377) enHazewindus, Koppius(Kops? zie bl. 131),Lossius(Los) enz.36FrisoenGrunozijn twee latyn-formige namen, als geslachtsnamen dienst doende. Het kunnen verlatynschingen zijn van twee oud-germaansche mansvóórnamen, of ook kunnen het deze zelfde namen zijn in hunnen eigenen oud-germaanschen form, die van den latynschen niet afwijkt; zie bl. 71 en bl. 20. Het kunnen ook namen zijn, aangenomen als die van de vermeende oude hooftlingen, aanvoerders, stichters, de fabelachtige stamvaders der Friesen en Groningers. In Friesland en Groningerland zijn deze geslachtsnamen dan ook inheemsch.De geslachtsnamen, samengesteld met de latynsche voorzetselsaenab, kunnen in zekeren zin ook al tot de latyn-formige namen worden gerekend. Men vindt ze opgenoemd en verklaard in §90.A Speculo(zie bl. 362) behoort er ook toe.De zonderlinge, ten deele onzinnige geslachtsnamenSanctorum, Oculorum, Springorum, StekelorumenStikkelorum(zie bl. 462), mogen hier niet onvermeld blyven. En even min sommige geslachtsnamen die in form en spelling van hunnen oorspronkeliken, min of meer zuiveren latynschen form weêr zijn afgeweken, half verdietscht, misformd, versleten. Dat zijnGualtherie, OdolphieenHilbrandie(oorspronkelikGualtheri, OdolphienHilbrandi), zie bl. 151;Althuizes, AlthuisesenAlthuzes, verbasteringen vanAlthusius(zie bl. 555);Kuperus, Kuperes, CouperusenKupaerus, vanCuperus; Kuipéri, vanCuperi(zie bl. 333);PiestoorvanPistorius; KuckulusvanCuculus, verlatynsching vanKoekoekofCockuyt(zie bl. 382); enHorjusenNapjus. De laatstgenoemde naam zal wel eene misforming zijn vanNappius, eene eenvoudige verlatynsching van den geslachtsnaamNap, die nog heden voorkomt, en oudtijds ook de byformenGlazenapenDrogenaphad. MaarHorjus, oorspronkelik zekerHorrius, houd ik voor eeneverlatynsching van het versletene patronymikonHorje, eigentlikHorria, ’t welk wederom een versleten form is van den vollen oud-frieschen vadersnaamHorringa, die nog, ook in den byformHorrenga, als friesche geslachtsnaam in gebruik is, en die zyne weêrga heeft in Engelland, in de daar voorkomende patronymikale geslachtsnamenHorringenHorrington. De oud-germaansche mansvóórnaamHorroligt ten grondslag aan deze vadersnamen, even als, door den verkleinformHorreke, Horco, aan den vlaamschen geslachtsnaamHorrekens, en aan de plaatsnamenHorsbüllenHorrstedt, beide dorpen in Noord-Friesland. Verder aanHorrem, dorp by Keulen;Horringhausen, gehucht by Altena in Westfalen;Horrington, in Somersetshire, Engelland, enz.Sommige maagschapsnamen hebben een latynsch voorkomen, en zijn toch van zuiver nederlandschen oorsprong. Immers ieder die Latyn verstaat, zal, zoo de geslachtsnamenRadix, Aries, Omen, Venushem onder de oogen komen, terstond denken aan de latynsche woordenradix, wortel;aries, ram; aanomen, voorteeken, en aan den bekenden naam der godinVenus. Maar geheel ten onrechte. Die namen zijn reeds, als goed nederlandsche, verklaard op bl. 37, 138 en 439. EnAriesis eenvoudig een patronymikon van den in Holland vooral algemeen-gebruikeliken mansvóórnaamArie, eene verkorting vanAriaan, dat weer eene verbastering is van den vollen oud-romeinschen naamHadrianus.H.Tot besluit.§168. De nederlandsche geslachtsnamen zijn in dit werk in verschillende groepen verdeeld geworden, naar hunnen oorsprong en naar hunne beteekenis, en al deze groepen zijn nader behandeld en verklaard. Men zoude de geslachtsnamen ook nog uit andere oogpunten kunnen beschouen en behandelen. Vermakeliker misschien, maar minder, of in het geheel niet wetenschappelik. By voorbeeld, uit het oogpunt van toevallige overeenkomsten en tegenstellingen tusschen de namen onderling, of ook tusschen denamen en de personen die de namen dragen. In dezer voege, en als eene kleine proeve van zulk eene beschouing der namen, wil ik hier nog enkele namen vermelden, en dan daarmede een einde maken aan dit werk.Sommige geslachtsnamen staan tegenover elkanderen in eene soms zonderling schynende verhouding van tegenstelling. By voorbeeld:Van BovenenVan Beneden, Van den BeginenVan den Ende, Van den HemelenVan de Helle, Van HemelrijkenVan Aertrijck, UitzingerenInsinger, OnderwaterenBovenwater, HelslootenDonkersloot, HameterenSpekmyder, Den EngelenDen Dievel, ZoetenZuur, Van AardemetVan den HemelenVan de Helle, HooismaenStrooisma, OostraenWestra, enz. Deze tegenstellingen kunnen louter van toevalligen aard zijn; en ik meen dat dit by de vier eerstgenoemden dezer paren van namen dan ook in der daad het geval is. (OverVan Aertrijckzie men bl. 455). Maar by anderen dezer paren is opzet in het spel geweest. Immers de geslachtsnamenBovenwater, UitzingerenStrooismazijn opzettelik bedacht, geformd, opgesteld om als tegenhangers dienst te doen van de geslachtsnamenOnderwater, InsingerenHooisma. Deze laatste drie bestonden reeds lange eer de eerste drie voor den dag kwamen. Tamelik ongepaste en zeker weinig geestige scherts heeft, althans naar men my heeft medegedeeld, de namenBovenwaterenUitzingerin het leven geroepen. Men schepte in den tijd dat iedereen eenen vasten geslachtsnaam moest aanveerden, onder sommige standen der maatschappy er wel eens behagen in, dwaze en ongepaste namen te bedenken, waar mede men ook wel eens een ander wilde ergeren. In dit werk is een en ander maal over deze dwaasgeformde namen gesproken. Wat ook de onmiddellike aanleiding moge geweest zijn van het ontstaan van den naamOnderwaterals geslachtsnaam, dit is zeker dat de woordenonderenwater, welke dezen naam samenstellen, in hunne gewone beteekenis, die zy in de nederlandsche taal hebben, moeten verstaan worden.Bovenwateris dus de wezenlike, de echte tegenstelling vanOnderwater. Maar dit is geenszins het geval met de namenUitzingerenInsinger. Laatstgenoemdenaam toch bestaat niet uit het voorzetselinen een woordsinger,zinger, van het werkwoordzingenontleend. Integendeel, deze naam is ontleend aan eenen plaatsnaam. Even als b. v. de geslachtsnaamHamburgerontleend is aan den naam der stadHamburg, enOttolanderaan dien van het dorpOttoland(zie bl. 204), zoo isInsingerafgeleid van den naam van het dorpInsingen, het welk in het beiersche gewest Middel-Franken gelegen is, naby de stad Rothenburg aan de Tauber. De geslachtsnaamUitzingerdaarentegen is louter als tegenstelling vanInsingerin de wereld gekomen, naar men my heeft verhaald. Intusschen, de naamUitzingerkan ook nog anders geduid worden. By den arbeid van sommige werklieden, matrozen vooral en heiers, waar velen gesamentlik het zelfde werk verrichten, het hyschen van zeilen, het winden van ’t anker, het heien van palen (eer de stoomhei dat werk overnam), enz. is het noodig dat die arbeid, dat rukken en trekken, gelijkmatig geschiede. Daarom stelt men eenen man daar by, die ’n eentonig maatgezang aanheft, en op die maat volvoeren dan die lieden gelijkmatig hun werk. Dat maatzingen noemt het nederlandsche volk bepaaldelikuitzingen, en de man die het doet, is deuitzinger. En iemand, die gewoonlik met datuitzingenbelast werd, kon al spoedig den toenaamUitzingervan zyne makkers hebben bekomen. Later kan die by- of toenaam gereedelik in eenen vasten geslachtsnaam overgegaan zijn. Toch is my verzekerd dat niet deze eenvoudige verklaring van den geslachtsnaamUitzingerde ware is, maar dat deze naam in der daad als een tegenhanger vanInsingerontstaan is.Ten jare 1811, by de vaststelling der geslachtsnamen, was zeker eenvoudig man, ten platten lande in Friesland, en die tot dien tijd toe geen geslachtsnaam gevoerd had, zoo min als zijn vader en grootvader vóór hem, verlegen welken naam hy zoude aannemen. Zijn buurman droeg den naam vanHooisma, en, meenende in dien naam het nederlandsche woordhooite hooren, zoo noemde hy zich, als eene tegenstelling,Strooisma.Hooienstrootoch behooren by elkanderen, zoo goed als hy en zijn buurman. Intusschen, de geslachtsnaamHooismaheeft met het woordhooiniets te maken. Hy is afgeleid van den oud-frieschen mansvóórnaamHoie, Hoio, is een patronymikon daar van, en beteekent eenvoudig: (zoon) vanHoio(zie bl. 63). In dezen zynen oorspronkeliken form is die mansvóórnaamHoieheden ten dae in Friesland, en ook in de saksische gouen, waar hy oudtijds eveneens gebruikelik was, zeldzaam geworden. Maar in de verklein- en byformenHoike, Hoitse, HoiseenHoiteis hy nog onder de Friesen in volle gebruik. NevensHooismazijn nog de volgende patronymikale geslachtsnamen:Hoynk, HooyingenHoying, HooijengaenHoyenga, Hooysma, verderHoisingh, Hoitema, HoytemaenVan Hoytema, HoitingaenHoitenga, HooitesenHoites, HoitsenHoiten, HoitsmaenHooitsma, Hoitsema, Hoitses, en vele plaatsnamen, van dezen zelfden ouden mansvóórnaam ontleend.—De eenvoudige man die zich dien geslachtsnaamStrooismauitkoos als de weêrga vanHooisma, sloeg echter, louter luk-raak, toch nog eenen spyker op den kop. Hy kreeg toch nog eenen redeliken naam, daar een zin, eene beteekenis in ligt. ImmersStrooismaen is niet zulk een onzinnige naam als b. v.Dwingersmais ofKorensma, enz.Strooismatoch kan opgevat worden als slechts in tongval of in spelling te verschillen van den eveneens in Friesland inheemschen geslachtsnaamStroosma. En ditStroosma(Strosmaware beter geboekstaafd) is wel degelik een zinvolle naam, wel degelik een goed patronymikon, wel waarlik van eenen mansvóórnaam afgeleid. Te weten van den oud-germaanschen, ook doorFörstemannvermelden naamStrodo, Strode, by afslytingStro. Van dezen zelfden naam is ook het saksische patronymikonStroïnk, dat nog heden in Twente als geslachtsnaam voorkomt, afgeleid. Als mede de geslachtsnaamStroma, die oudtijds onder de groningerlandsche Friesen inheemsch was, maar heden ten dage, voor zoo verre my bekend, uitgestorven is. De saksische (twentsche) geslachtsnamenHoynckenStroinkstaan volkomen in de zelfde verhouding tot elkanderen, als de friesche namenHooismaenStroosma(Strooisma).De geslachtsnaamOostrais door een israëlitisch geslacht in Friesland aangenomen als tegenhanger van den van ouds reeds onder de Friesen voorkomenden geslachtsnaamWestra.Oostrais toevallig een goed friesche form (Eastranogtans ware zuiverderfriesch). En, omdat deze naam naukeurig overeenkomt in beteekenis met den oud-nederlandschen geslachtsnaamVan Oosten, zoo isOostrazeker een zeer passende naam voor eenen frieschen Israëlyt, wiens voorouders immers uit het Oosten tot ons gekomen zijn.Eene byzondere overeenkomst tusschen den eenen of anderen geslachtsnaam, en de eene of andere eigenschap van den drager van zulken naam valt ook dikwijls waar te nemen. Zoo was er in myne jeugd te Leeuwarden een wolkammer dieCammengaheette. Zoo is er een houthandelaar te Harlingen dieHoutsmaheet, en te Arum in Friesland een glazemaker die den naamGlazemadraagt, even als een barbier en een schoenmaker te Wageningen,ScheerderenSchomakergeheeten, en een poelier te Amsterdam, die den naamTalingvoert. Zoo werd voor eenige jaren (en misschien nog wel) het penningmeesters-ambt van zeker genootschap te Gent (my is ontgaan welke vereeniging het was) waargenomen door iemand dieMettepenningen(zie bl. 432) heette. En zoo draagt de hoofdbestierder van het antwerpsche nieusbladLe Précurseurden naam vanGoemaere, dat is: goede tyding (zie bl. 446). Zeker een allerbeste naam voor eenen man die zulk eene betrekking vervult. Zie ook §111. Zulke overeenkomsten zijn er velen op te merken in steden en dorpen, overal in de Nederlanden. Ook komen byzondere overeenkomsten voor tusschen de geslachtsnamen en de woonplaatsen van lieden welke die namen dragen. Een boer wonende aan deAbbegaster-rige, een gehucht by het dorp Abbega in Friesland, heetRiegstra; een andere, wonende op deWonser-weren, een gehucht by het friesche dorp Wons, heetWeerstra. En nog een ander, die woont op deBult, by Bellingawolde in Groningerland, draagt den geslachtsnaamBultena, terwijlKloosterboerde naam is van den boer die ter plaatse woont waar in de middeleeuen het klooster stond der Norbertyners, te Heiligerlee; zie bl. 125. En dat de boer die in denScheurpolderwoont, aan dien arm van de Maas, welke hetScheurheet, na by den Hoek van Holland, den geslachtsnaam draagt vanScheurwater, zal ook wel geen louter toeval zijn.Trouens, opset is by deze overeenkomsten even dikwijls in hetspel als toeval. Menigeen toch koos zich in 1811 eenen geslachtsnaam, die eene toespeling bevatte op het bedrijf dat hy uitoefende, of op de plaats waar hy woonde, gelijk herhaalde malen in dit werk, op verschillende plaatsen is aangetoond. En daar heden ten dage nog menig man de zelfde betrekking in de maatschappy vervult als zijn grootvader in het begin dezer eeu reeds deed, en eveneens nog menig kleinzoon heden ten dage op de zelfde plaats, in het zelfde huis woont als zijn voorvader reeds vóór hem, zoo vallen die overeenkomsten tusschen namen en persoonlike byzonderheden, vroeger opsettelik gemaakt, ook nog heden op te merken.
G.Latynsche en grieksche geslachtsnamen.§167. Reeds in de middeleeuen was het de gewoonte by de geleerden om hunne namen te verlatynschen, soms ook te vergriekschen. En deze gewoonte, by alle geletterden en geleerden van het christelike Europa in gebruik, hield niet aleen in de 16deen 17deeeu stand, maar nam, by de hooge vlucht welke de beoefening der oude letteren vooral in die eeuen nam, groote verhoudingen aan, en werd zeer algemeen toegepast. En niet het minst was dit het geval in de Nederlanden, in die eeuen juist de bakermat van zoo vele eigene, de woonplaats van zoo vele vreemde geleerden.Op verschillende wyzen ging men by die verlatynsching en vergrieksching der eigene nederlandsche namen te werk. Sommigen vertaalden hunne namen geheel en al. Maar anderen hingen slechts eenen latynschen uitgang achter hunne nederlandsche namen, die zy overigens geheel of ten deele onveranderd lieten. Zoo vertaalde b. v. de een, dieKuypertot toenaam of geslachtsnaam had,of die oorspronkelik zelf eenkuiperwas of geweest was, en die zich dat woord dus als een naam toe eigende, dien naam metViëtor, terwijl een ander er eenvoudigCuperusvan maakte. Of de eene man dieBakkerheette, verlatynschte dien naam totPistorius, of hy vergriekschte hem totArtopaeus, terwijl de andere zich met een enkel latynsch steertje achter zynen naam vergenoegde, en erBackerusvan maakte. Niet altijd was men even gelukkig in het veranderen van de namen; soms vertaalde men die namen, door onverstand, geheel verkeerd. De geleerdeDesiderius Erasmus, iemand die zekerlik beter Latyn en Grieksch kende, als zyne moedertaal, althans als de oud-germaansche taalstammen, heette eigenlikGerrit. En omdat zyn vader ookGerritheette, zoo noemde hy zichGerrit Gerritsz., dat isGerrit Gerritszoon, ofGerrit, de zoon vanGerrit. De naamGerritnu is, zoo als men weet, slechts eene byzonder-hollandsche verknoeiing van den vollen oud-germaanschen, dus ook echt nederlandschen naamGerhard(Geraert). Het schijnt datGerrit Gerritsz.meende dat in dezen naamGeraarthet woordgeeren,begeerenopgesloten lag. Dies vertaalde hy zynen naam in het Latyn totDesiderius, en in het Grieksch totErasmus, en nam deze dubbelebegeerteaan in de plaats van zynen oorspronkeliken dubbelenGerrit. Eenvoudiger lieden in die dagen, en die minder danGerrit Gerritsz.t’huis waren in Grieksch en Latyn, vergenoegden zich met van hunnen hollandschenGerriteenen quasi-latynschenGerharduste maken. In latere tyden, in de 17deeeu, toen de wansmaak in het verformen der nederduitsche namen hoe langer hoe grooter was geworden, kwam de dwaasheid en ydelheid der menschen, niet het minst ook der geleerden, hoe langer hoe meer, in deze zake, aan het licht. En het waren vooral de 17deeeusche herformde predikanten, in de noordelike Nederlanden, die al hun valsch vernuft uitputten en hunnen wansmaak bewezen, in het verformen, verdraaien, vergriekschen en verlatynschen hunner namen. Zelfs tot in het begin der 18deeeu hield dit dwaze gebruik by die predikanten en ingebeelde geleerden stand. Een eenvoudige Fries, dieOeneheette en zichOene Oenesmoest noemen, omdat zijn vader eveneensOeneheette, noemde zich, als herformd predikant te Goinga,in Friesland, in 1712,Onias Oneïdes. Een ander, te Holwert geboren, enJohannes Fokkesgeheeten, dat isJohannes, de zoon vanFokke, noemde zich, als hoogleeraar te Franeker in het midden der 17deeeu,Johannes Phocylides ab Holwarda.Marten Eelkes, dat isMarten, de zoon vanEelke, een der eerste herformde predikanten te Leeuwarden, verdraaide zynen naam, nu eens totMartinus Helius(de zon), dan eens totMartinus Eliacus(zonnekind), namen die zeker van ydelen eigenwaan niet vry te pleiten zijn. ZekereUlrikwas predikant te Hemelum, een friesch dorp, en noemde zich nu, in zinspeling op den naam zyner standplaats,Ulricus Uranius(hemeling). Zeker ook niet zeer nederig. Het toppunt van onzin bereikte de predikant van het kleine dorpke Huins in Friesland. Hy noemde zichTullius,PastorHunnorum, alsof de ingezetenen van Huins Hunnen waren. Eenvoudiger wasBerend Boues, (men vindt zynen naam ook wel deftiger gemaakt alsBernard Bouwo). Hy was eveneens een (West) Fries, en de eerste herformde predikant te Eilsum in Oost-Friesland, en noemde zich, naar dien dorpsnaam,Eilshemius, een naam die nog lange door zyne nakomelingen met eere gedragen is. Zoo deed ookHendrik, een eenvoudige Drent, vanBeilengeboortig, die in het begin der 17deeeu herformd predikant te Bloksyl en later te Franeker zijnde, zichHenricus Beylanusnoemde; zie bl. 206.Maar niet enkel de Friesen huldigden dit dwaze gebruik; het heerschte even zeer in de andere Nederlanden. Een man uit Gouda, dieCornelis Looseheette, noemde zich met de weidsche namenCornelius Calfidius Chrysopolitanus(uit de gouden stad!). EnJacob Harmensz., een man uit Oudewater, eigende zich de namenJacobus Arminius Veteraquinastoe. In de 17deeeu leefde in Holland ook de befaamdeJacobus Trigland, vooral bekend door zyne »Kerckelijcke Geschiedenissen”. Zyne vrou heetteChristina Theodora, en voerde den geslachtsnaam vanAstophia. »De naam klinkt grieksch; maar ik bid u, lezer, krijg uw grieksch woordenboek niet uit de kast om te zoeken of gij daar ook een zeldzaam voorkomend woord vindt, waar gij datAstophiamede in verband kunt brengen: uw zoeken zou vruchteloos zijn. Gij behoeft ook zoo ver niet vanhuis te gaan. Want de goede vrouw droeg den zeer duidelijken en verstaanbaren naam vanStoof. Dat evenwel was te eenvoudig, te hollandsch. Wat er tegen te doen? Er was meer dan één middel dat men kon aanwenden; maar de geleerde man koos het zotste dat men uitdenken kon, hij veranderde namelijk en voegde bij, voor en achter, zoodat het door de onkundige menigte voor een grieksch woord werd aangezien, maar geen woord meer was, slechts een klank, een geluid.”30En ook in de zuidelike, in de brabantsche gewesten, heerschte deze onzede. De bekende hellenist, een Noord-Brabander van geboorte, uit het dorp Engelen,Arnoldus Arlenius Peraxylus, heette oorspronkelikArnout Van Aerle. Maar hy verlatynschte deze namen totArnoldus Arlenius, en voegde er nog den griekschen toenaamPeraxylusby, »omdat hy in een dorp over den Bosch (’s Hertogenbosch), aan de Dieze, geboren was, van de grieksche woordenπερὰenζὺλον,overenhout, gelijkboschwel eens voorhoutgenomen wordt.”31De bekende woordafleidkundigeBecanus, voluitJohannes Goropius Becanusgenoemd, heette eigentlik enkel maarJohannes. Hy noemde zichGoropius, omdat hy geboren was in het gehuchtGorp; enBecanusnaar den naam van het dorpBeek, voluitHilvarenbeekin Noord-Brabant, waar dat gehucht Gorp onder behoort. De hedendaagsche geslachtsnamenVan GorpenVan Gurpzijn ook aan dit brabantsche plaatske ontleend.—De beroemde taalgeleerdeCornelis Van Kieleindelik noemde zichCornelius Kilianus Dufflaeus, omdat hy vanDuffel, een dorp by Antwerpen, geboortig was.De oude nederlandsche geleerden waren in den regel zeer goede latinisten. Maar ook zy maakten zich wel eens aan eenen taalkundigen misslag schuldig. Zulk eene fout levert de geslachtsnaamViëtorop, die in de friesche gewesten van Nederland en Duitschland gelykelik inheemsch is, en reeds een en ander maal in dit werk vermeld werd. Deze naam wijt zijn ontstaan aan éénen onkundige, die een latynschlexiconuitgaf, of liever zulk een woordeboekuit het Latyn-Hoogduitsch in het Latyn-Nederduitsch omzette. Hy vond daar in de woordenBöttcherenBüttner, en vertaalde die doorkuiper. Maar het woordvieo, waarviëtorrechtstreeks van afgeleid is, heeft bepaaldelik de beteekenis vanvlechten.Viëtoris dus eigenlikde Vlechter. In anders nog al goede Latynsch-HoogduitscheLexica, b. v. die vanFreunden vanKlotz, vindt men nog dit woordvietor=Böttcher, Büttner, dat iskuiper. Maar in de nieuere woordeboeken staat beter, zoo als het ook zijn moet:mandemaker(dat is iemand die tynen of wilgentwygen tot mandenvervlecht).In vele gevallen zijn die latynsche en verlatynschte namen als vaste toenamen overgegaan op de zonen der mannen die zulke namen het eerst voor zich zelven bedacht en gevoerd hadden. Maar in betrekkelik weinige gevallen zijn zy in lateren tijd tot vaste geslachtsnamen by de nakomelingschap geworden, en tot onzen tijd in stand gebleven. In de noordelike Nederlanden, en wel bepaaldelik onder de Protestantsche bevolking, komen ze hooftsakelik voor—byna uitsluitend. De oorzaak van dit verschijnsel is gelegen in de omstandigheid dat het vooral de predikanten der Herformden waren, in de 16deen 17deeeu, die hunne namen zoo verlatynschten en vergriekschten, en die deze namen aan hunne kinderen nalieten. In der daad weten dan ook vele hedendaagsche Nederlanders, die eenen latynschen of latynsch-formigen, eenen griekschen of grieksch-formigen geslachtsnaam dragen, eenen predikant aan te wyzen als de stamvader van hun geslacht; of liever, als die gene onder hunne voorouders, die het eerst den hedendaagschen maagschapsnaam gevoerd heeft. De Roomsch-Katholyke geesteliken in de zuidelike Nederlanden voerden oudtijds ook wel even zeer zulke verlatynschte en vergriekschte namen, maar zy lieten geen kinderen na die zulken naam verder droegen. Byzonder talrijk zijn heden ten dage die grieksche en latynsche geslachtsnamen niet. Maar toch altijd nog talrijk genoeg om mede by te dragen tot het eigenaardige der nederlandsche geslachtsnamen in het algemeen.Onder de hedendaagsche latynsche en grieksche maagschapsnamen zijn er van allerlei oorsprong en form. Velen er van zijn reeds op verschillende plaatsen in dit werk, waar het pas gaf, vermelden verklaard. Naar die plaatsen (§22, §55–57, §71, §122en §90) kan ik dus nu verwyzen, en my hier grootendeels bepalen tot eene eenvoudige opsomming.Zuiver latynsche en louter latynsche zijn onder deze namen zeldzaam. Als zoodanigen noem ik:Paludanus(oorspronkelikVan de Moer?Van den Broecke?Poelstra?Broekstra?—want dat beteekent deze naam);Sartorius, Pistorius,32enz. Alle deze namen zijn in dit werk reeds verklaard. Talryker zijn de namen die slechts eenen latynschen form vertoonen, slechts den uitgangusofiusachter eenen nederlandschen beroeps- of waardigheidsnaam hebben; b. v.Cuperus, Cramerus, Vorstius,33enz. De geslachtsnamenSlaterusenColeruszijn verlatynschingen van de oorspronkelik hoogduitsche namenSchlaterenKöhler. OokKnottnerusschijnt my eene verlatynsching van eenen oorspronkelik hoogduitschen geslachtsnaam.Als verlatynschte namen van aardrijkskundigen oorsprong bestaan nog:Acronius, Beilanus, Buranus,34enz. allen reeds op bl. 207 verklaard. De plaatsnaam waaraan de geslachtsnaamAlstorphiusontleend is, is my niet bekend; waarschijnlik is het een der drie dorpen, dieAlsdorfheeten, en allen in Rijn-Pruissen (by Trier, by Coblentz en by Aken) gelegen zijn.—Van algemeen-aardrijkskundigen aard zijn, behalven de boven reeds genoemde naamPaludanus, nogGreidanusenGreydanus(vangreide, het friesche woord voorweide,grasland),Heidanus(vanheide,Van der Heide),Geesteranus, Grevinchovius, Lindenhovius, Althusius(het oorspronkelikeAlthuiskomt ook in Nederland als geslachtsnaam voor),Neuhusius(deze twee laatsten schynen van hoogduitschen oorsprong te zyn),Nathusius, Heshusius(Heshuysenkomt ook voor), enz.Vele andere verlatynschte en vergriekschte namen zijn niet van aardrijkskundigen oorsprong, maar het zijn verformingen van nederlandsche vadersnamen. Ook van dezen zijn de meesten reeds behandeld op bl. 52 en 149 van dit werk. Het zijnArntzenius, Bolsius, Borgesius,35enz. De vergriekschingen, in den form van grieksche tweede-naamvallen, waren vooral onder de oude friesche geleerden in zwang. Dien ten gevolge treffen wy eene kleine groep van zulke grieksche patronymika, aan friesche mansvóórnamen ontleend, heden ten dage ook nog hooftsakelik in de friesche gewesten aan. Het zijn:Gatsonides, Hajonides, Hilarides, Ynzonides, Mensonides, Nolledes, Oneides, enz. Verder in andere nederlandsche gewesten nog:Antonides, Hermanides, Jacobides, Michalides, Nicolaides, PaulidesenSimonides.—Eenvoudige vadersnamen, in latynschen form, komen ook nog geenszins zeldzaam als geslachtsnamen voor, zoo wel aan byzonder-friesche mansvóórnamen ontleend (Idsardi, Wiardi, Taconis), als aan algemeen-nederlandsche (Arnoldi, Conradi, Wilhelmy). Velen van deze namen vindt men op bl. 150 vermeld en verklaard.De geslachtsnaamMalcomesiusweet ik anders niet te verklaren als door aan te nemen dat het eene verlatynsching zy van een (engelsch?) patronymikon—Malcomes—van den oud-schotschen mansvóórnaamMalcom, eigenlikMalcolmontleend. Deze naam (Malcomesius) wordt onder anderen nog heden door een herformd predikant gedragen. Men zie over het voorkomen van schotsche namen in de Nederlanden, bl. 535.Sommige geslachtsnamen bestaan slechts uit eenen latynschen uitgang gevoegd achter den eenen of anderen nederlandschen geslachtsnaam, die eenvoudig het eene of andere algemeen-nederlandsche woord is, dat dan ook in zynen oorspronkeliken form nog wel als geslachtsnaam voorkomt. Zulke namen zijnBekius(Beek);Bredius(BreedenBreet—zie bl. 339),Cnopius(Knoop),Glasius(GlasenGlasz),Hondius(Hond, DeHondt—zie bl. 377) enHazewindus, Koppius(Kops? zie bl. 131),Lossius(Los) enz.36FrisoenGrunozijn twee latyn-formige namen, als geslachtsnamen dienst doende. Het kunnen verlatynschingen zijn van twee oud-germaansche mansvóórnamen, of ook kunnen het deze zelfde namen zijn in hunnen eigenen oud-germaanschen form, die van den latynschen niet afwijkt; zie bl. 71 en bl. 20. Het kunnen ook namen zijn, aangenomen als die van de vermeende oude hooftlingen, aanvoerders, stichters, de fabelachtige stamvaders der Friesen en Groningers. In Friesland en Groningerland zijn deze geslachtsnamen dan ook inheemsch.De geslachtsnamen, samengesteld met de latynsche voorzetselsaenab, kunnen in zekeren zin ook al tot de latyn-formige namen worden gerekend. Men vindt ze opgenoemd en verklaard in §90.A Speculo(zie bl. 362) behoort er ook toe.De zonderlinge, ten deele onzinnige geslachtsnamenSanctorum, Oculorum, Springorum, StekelorumenStikkelorum(zie bl. 462), mogen hier niet onvermeld blyven. En even min sommige geslachtsnamen die in form en spelling van hunnen oorspronkeliken, min of meer zuiveren latynschen form weêr zijn afgeweken, half verdietscht, misformd, versleten. Dat zijnGualtherie, OdolphieenHilbrandie(oorspronkelikGualtheri, OdolphienHilbrandi), zie bl. 151;Althuizes, AlthuisesenAlthuzes, verbasteringen vanAlthusius(zie bl. 555);Kuperus, Kuperes, CouperusenKupaerus, vanCuperus; Kuipéri, vanCuperi(zie bl. 333);PiestoorvanPistorius; KuckulusvanCuculus, verlatynsching vanKoekoekofCockuyt(zie bl. 382); enHorjusenNapjus. De laatstgenoemde naam zal wel eene misforming zijn vanNappius, eene eenvoudige verlatynsching van den geslachtsnaamNap, die nog heden voorkomt, en oudtijds ook de byformenGlazenapenDrogenaphad. MaarHorjus, oorspronkelik zekerHorrius, houd ik voor eeneverlatynsching van het versletene patronymikonHorje, eigentlikHorria, ’t welk wederom een versleten form is van den vollen oud-frieschen vadersnaamHorringa, die nog, ook in den byformHorrenga, als friesche geslachtsnaam in gebruik is, en die zyne weêrga heeft in Engelland, in de daar voorkomende patronymikale geslachtsnamenHorringenHorrington. De oud-germaansche mansvóórnaamHorroligt ten grondslag aan deze vadersnamen, even als, door den verkleinformHorreke, Horco, aan den vlaamschen geslachtsnaamHorrekens, en aan de plaatsnamenHorsbüllenHorrstedt, beide dorpen in Noord-Friesland. Verder aanHorrem, dorp by Keulen;Horringhausen, gehucht by Altena in Westfalen;Horrington, in Somersetshire, Engelland, enz.Sommige maagschapsnamen hebben een latynsch voorkomen, en zijn toch van zuiver nederlandschen oorsprong. Immers ieder die Latyn verstaat, zal, zoo de geslachtsnamenRadix, Aries, Omen, Venushem onder de oogen komen, terstond denken aan de latynsche woordenradix, wortel;aries, ram; aanomen, voorteeken, en aan den bekenden naam der godinVenus. Maar geheel ten onrechte. Die namen zijn reeds, als goed nederlandsche, verklaard op bl. 37, 138 en 439. EnAriesis eenvoudig een patronymikon van den in Holland vooral algemeen-gebruikeliken mansvóórnaamArie, eene verkorting vanAriaan, dat weer eene verbastering is van den vollen oud-romeinschen naamHadrianus.
G.Latynsche en grieksche geslachtsnamen.
§167. Reeds in de middeleeuen was het de gewoonte by de geleerden om hunne namen te verlatynschen, soms ook te vergriekschen. En deze gewoonte, by alle geletterden en geleerden van het christelike Europa in gebruik, hield niet aleen in de 16deen 17deeeu stand, maar nam, by de hooge vlucht welke de beoefening der oude letteren vooral in die eeuen nam, groote verhoudingen aan, en werd zeer algemeen toegepast. En niet het minst was dit het geval in de Nederlanden, in die eeuen juist de bakermat van zoo vele eigene, de woonplaats van zoo vele vreemde geleerden.Op verschillende wyzen ging men by die verlatynsching en vergrieksching der eigene nederlandsche namen te werk. Sommigen vertaalden hunne namen geheel en al. Maar anderen hingen slechts eenen latynschen uitgang achter hunne nederlandsche namen, die zy overigens geheel of ten deele onveranderd lieten. Zoo vertaalde b. v. de een, dieKuypertot toenaam of geslachtsnaam had,of die oorspronkelik zelf eenkuiperwas of geweest was, en die zich dat woord dus als een naam toe eigende, dien naam metViëtor, terwijl een ander er eenvoudigCuperusvan maakte. Of de eene man dieBakkerheette, verlatynschte dien naam totPistorius, of hy vergriekschte hem totArtopaeus, terwijl de andere zich met een enkel latynsch steertje achter zynen naam vergenoegde, en erBackerusvan maakte. Niet altijd was men even gelukkig in het veranderen van de namen; soms vertaalde men die namen, door onverstand, geheel verkeerd. De geleerdeDesiderius Erasmus, iemand die zekerlik beter Latyn en Grieksch kende, als zyne moedertaal, althans als de oud-germaansche taalstammen, heette eigenlikGerrit. En omdat zyn vader ookGerritheette, zoo noemde hy zichGerrit Gerritsz., dat isGerrit Gerritszoon, ofGerrit, de zoon vanGerrit. De naamGerritnu is, zoo als men weet, slechts eene byzonder-hollandsche verknoeiing van den vollen oud-germaanschen, dus ook echt nederlandschen naamGerhard(Geraert). Het schijnt datGerrit Gerritsz.meende dat in dezen naamGeraarthet woordgeeren,begeerenopgesloten lag. Dies vertaalde hy zynen naam in het Latyn totDesiderius, en in het Grieksch totErasmus, en nam deze dubbelebegeerteaan in de plaats van zynen oorspronkeliken dubbelenGerrit. Eenvoudiger lieden in die dagen, en die minder danGerrit Gerritsz.t’huis waren in Grieksch en Latyn, vergenoegden zich met van hunnen hollandschenGerriteenen quasi-latynschenGerharduste maken. In latere tyden, in de 17deeeu, toen de wansmaak in het verformen der nederduitsche namen hoe langer hoe grooter was geworden, kwam de dwaasheid en ydelheid der menschen, niet het minst ook der geleerden, hoe langer hoe meer, in deze zake, aan het licht. En het waren vooral de 17deeeusche herformde predikanten, in de noordelike Nederlanden, die al hun valsch vernuft uitputten en hunnen wansmaak bewezen, in het verformen, verdraaien, vergriekschen en verlatynschen hunner namen. Zelfs tot in het begin der 18deeeu hield dit dwaze gebruik by die predikanten en ingebeelde geleerden stand. Een eenvoudige Fries, dieOeneheette en zichOene Oenesmoest noemen, omdat zijn vader eveneensOeneheette, noemde zich, als herformd predikant te Goinga,in Friesland, in 1712,Onias Oneïdes. Een ander, te Holwert geboren, enJohannes Fokkesgeheeten, dat isJohannes, de zoon vanFokke, noemde zich, als hoogleeraar te Franeker in het midden der 17deeeu,Johannes Phocylides ab Holwarda.Marten Eelkes, dat isMarten, de zoon vanEelke, een der eerste herformde predikanten te Leeuwarden, verdraaide zynen naam, nu eens totMartinus Helius(de zon), dan eens totMartinus Eliacus(zonnekind), namen die zeker van ydelen eigenwaan niet vry te pleiten zijn. ZekereUlrikwas predikant te Hemelum, een friesch dorp, en noemde zich nu, in zinspeling op den naam zyner standplaats,Ulricus Uranius(hemeling). Zeker ook niet zeer nederig. Het toppunt van onzin bereikte de predikant van het kleine dorpke Huins in Friesland. Hy noemde zichTullius,PastorHunnorum, alsof de ingezetenen van Huins Hunnen waren. Eenvoudiger wasBerend Boues, (men vindt zynen naam ook wel deftiger gemaakt alsBernard Bouwo). Hy was eveneens een (West) Fries, en de eerste herformde predikant te Eilsum in Oost-Friesland, en noemde zich, naar dien dorpsnaam,Eilshemius, een naam die nog lange door zyne nakomelingen met eere gedragen is. Zoo deed ookHendrik, een eenvoudige Drent, vanBeilengeboortig, die in het begin der 17deeeu herformd predikant te Bloksyl en later te Franeker zijnde, zichHenricus Beylanusnoemde; zie bl. 206.Maar niet enkel de Friesen huldigden dit dwaze gebruik; het heerschte even zeer in de andere Nederlanden. Een man uit Gouda, dieCornelis Looseheette, noemde zich met de weidsche namenCornelius Calfidius Chrysopolitanus(uit de gouden stad!). EnJacob Harmensz., een man uit Oudewater, eigende zich de namenJacobus Arminius Veteraquinastoe. In de 17deeeu leefde in Holland ook de befaamdeJacobus Trigland, vooral bekend door zyne »Kerckelijcke Geschiedenissen”. Zyne vrou heetteChristina Theodora, en voerde den geslachtsnaam vanAstophia. »De naam klinkt grieksch; maar ik bid u, lezer, krijg uw grieksch woordenboek niet uit de kast om te zoeken of gij daar ook een zeldzaam voorkomend woord vindt, waar gij datAstophiamede in verband kunt brengen: uw zoeken zou vruchteloos zijn. Gij behoeft ook zoo ver niet vanhuis te gaan. Want de goede vrouw droeg den zeer duidelijken en verstaanbaren naam vanStoof. Dat evenwel was te eenvoudig, te hollandsch. Wat er tegen te doen? Er was meer dan één middel dat men kon aanwenden; maar de geleerde man koos het zotste dat men uitdenken kon, hij veranderde namelijk en voegde bij, voor en achter, zoodat het door de onkundige menigte voor een grieksch woord werd aangezien, maar geen woord meer was, slechts een klank, een geluid.”30En ook in de zuidelike, in de brabantsche gewesten, heerschte deze onzede. De bekende hellenist, een Noord-Brabander van geboorte, uit het dorp Engelen,Arnoldus Arlenius Peraxylus, heette oorspronkelikArnout Van Aerle. Maar hy verlatynschte deze namen totArnoldus Arlenius, en voegde er nog den griekschen toenaamPeraxylusby, »omdat hy in een dorp over den Bosch (’s Hertogenbosch), aan de Dieze, geboren was, van de grieksche woordenπερὰenζὺλον,overenhout, gelijkboschwel eens voorhoutgenomen wordt.”31De bekende woordafleidkundigeBecanus, voluitJohannes Goropius Becanusgenoemd, heette eigentlik enkel maarJohannes. Hy noemde zichGoropius, omdat hy geboren was in het gehuchtGorp; enBecanusnaar den naam van het dorpBeek, voluitHilvarenbeekin Noord-Brabant, waar dat gehucht Gorp onder behoort. De hedendaagsche geslachtsnamenVan GorpenVan Gurpzijn ook aan dit brabantsche plaatske ontleend.—De beroemde taalgeleerdeCornelis Van Kieleindelik noemde zichCornelius Kilianus Dufflaeus, omdat hy vanDuffel, een dorp by Antwerpen, geboortig was.De oude nederlandsche geleerden waren in den regel zeer goede latinisten. Maar ook zy maakten zich wel eens aan eenen taalkundigen misslag schuldig. Zulk eene fout levert de geslachtsnaamViëtorop, die in de friesche gewesten van Nederland en Duitschland gelykelik inheemsch is, en reeds een en ander maal in dit werk vermeld werd. Deze naam wijt zijn ontstaan aan éénen onkundige, die een latynschlexiconuitgaf, of liever zulk een woordeboekuit het Latyn-Hoogduitsch in het Latyn-Nederduitsch omzette. Hy vond daar in de woordenBöttcherenBüttner, en vertaalde die doorkuiper. Maar het woordvieo, waarviëtorrechtstreeks van afgeleid is, heeft bepaaldelik de beteekenis vanvlechten.Viëtoris dus eigenlikde Vlechter. In anders nog al goede Latynsch-HoogduitscheLexica, b. v. die vanFreunden vanKlotz, vindt men nog dit woordvietor=Böttcher, Büttner, dat iskuiper. Maar in de nieuere woordeboeken staat beter, zoo als het ook zijn moet:mandemaker(dat is iemand die tynen of wilgentwygen tot mandenvervlecht).In vele gevallen zijn die latynsche en verlatynschte namen als vaste toenamen overgegaan op de zonen der mannen die zulke namen het eerst voor zich zelven bedacht en gevoerd hadden. Maar in betrekkelik weinige gevallen zijn zy in lateren tijd tot vaste geslachtsnamen by de nakomelingschap geworden, en tot onzen tijd in stand gebleven. In de noordelike Nederlanden, en wel bepaaldelik onder de Protestantsche bevolking, komen ze hooftsakelik voor—byna uitsluitend. De oorzaak van dit verschijnsel is gelegen in de omstandigheid dat het vooral de predikanten der Herformden waren, in de 16deen 17deeeu, die hunne namen zoo verlatynschten en vergriekschten, en die deze namen aan hunne kinderen nalieten. In der daad weten dan ook vele hedendaagsche Nederlanders, die eenen latynschen of latynsch-formigen, eenen griekschen of grieksch-formigen geslachtsnaam dragen, eenen predikant aan te wyzen als de stamvader van hun geslacht; of liever, als die gene onder hunne voorouders, die het eerst den hedendaagschen maagschapsnaam gevoerd heeft. De Roomsch-Katholyke geesteliken in de zuidelike Nederlanden voerden oudtijds ook wel even zeer zulke verlatynschte en vergriekschte namen, maar zy lieten geen kinderen na die zulken naam verder droegen. Byzonder talrijk zijn heden ten dage die grieksche en latynsche geslachtsnamen niet. Maar toch altijd nog talrijk genoeg om mede by te dragen tot het eigenaardige der nederlandsche geslachtsnamen in het algemeen.Onder de hedendaagsche latynsche en grieksche maagschapsnamen zijn er van allerlei oorsprong en form. Velen er van zijn reeds op verschillende plaatsen in dit werk, waar het pas gaf, vermelden verklaard. Naar die plaatsen (§22, §55–57, §71, §122en §90) kan ik dus nu verwyzen, en my hier grootendeels bepalen tot eene eenvoudige opsomming.Zuiver latynsche en louter latynsche zijn onder deze namen zeldzaam. Als zoodanigen noem ik:Paludanus(oorspronkelikVan de Moer?Van den Broecke?Poelstra?Broekstra?—want dat beteekent deze naam);Sartorius, Pistorius,32enz. Alle deze namen zijn in dit werk reeds verklaard. Talryker zijn de namen die slechts eenen latynschen form vertoonen, slechts den uitgangusofiusachter eenen nederlandschen beroeps- of waardigheidsnaam hebben; b. v.Cuperus, Cramerus, Vorstius,33enz. De geslachtsnamenSlaterusenColeruszijn verlatynschingen van de oorspronkelik hoogduitsche namenSchlaterenKöhler. OokKnottnerusschijnt my eene verlatynsching van eenen oorspronkelik hoogduitschen geslachtsnaam.Als verlatynschte namen van aardrijkskundigen oorsprong bestaan nog:Acronius, Beilanus, Buranus,34enz. allen reeds op bl. 207 verklaard. De plaatsnaam waaraan de geslachtsnaamAlstorphiusontleend is, is my niet bekend; waarschijnlik is het een der drie dorpen, dieAlsdorfheeten, en allen in Rijn-Pruissen (by Trier, by Coblentz en by Aken) gelegen zijn.—Van algemeen-aardrijkskundigen aard zijn, behalven de boven reeds genoemde naamPaludanus, nogGreidanusenGreydanus(vangreide, het friesche woord voorweide,grasland),Heidanus(vanheide,Van der Heide),Geesteranus, Grevinchovius, Lindenhovius, Althusius(het oorspronkelikeAlthuiskomt ook in Nederland als geslachtsnaam voor),Neuhusius(deze twee laatsten schynen van hoogduitschen oorsprong te zyn),Nathusius, Heshusius(Heshuysenkomt ook voor), enz.Vele andere verlatynschte en vergriekschte namen zijn niet van aardrijkskundigen oorsprong, maar het zijn verformingen van nederlandsche vadersnamen. Ook van dezen zijn de meesten reeds behandeld op bl. 52 en 149 van dit werk. Het zijnArntzenius, Bolsius, Borgesius,35enz. De vergriekschingen, in den form van grieksche tweede-naamvallen, waren vooral onder de oude friesche geleerden in zwang. Dien ten gevolge treffen wy eene kleine groep van zulke grieksche patronymika, aan friesche mansvóórnamen ontleend, heden ten dage ook nog hooftsakelik in de friesche gewesten aan. Het zijn:Gatsonides, Hajonides, Hilarides, Ynzonides, Mensonides, Nolledes, Oneides, enz. Verder in andere nederlandsche gewesten nog:Antonides, Hermanides, Jacobides, Michalides, Nicolaides, PaulidesenSimonides.—Eenvoudige vadersnamen, in latynschen form, komen ook nog geenszins zeldzaam als geslachtsnamen voor, zoo wel aan byzonder-friesche mansvóórnamen ontleend (Idsardi, Wiardi, Taconis), als aan algemeen-nederlandsche (Arnoldi, Conradi, Wilhelmy). Velen van deze namen vindt men op bl. 150 vermeld en verklaard.De geslachtsnaamMalcomesiusweet ik anders niet te verklaren als door aan te nemen dat het eene verlatynsching zy van een (engelsch?) patronymikon—Malcomes—van den oud-schotschen mansvóórnaamMalcom, eigenlikMalcolmontleend. Deze naam (Malcomesius) wordt onder anderen nog heden door een herformd predikant gedragen. Men zie over het voorkomen van schotsche namen in de Nederlanden, bl. 535.Sommige geslachtsnamen bestaan slechts uit eenen latynschen uitgang gevoegd achter den eenen of anderen nederlandschen geslachtsnaam, die eenvoudig het eene of andere algemeen-nederlandsche woord is, dat dan ook in zynen oorspronkeliken form nog wel als geslachtsnaam voorkomt. Zulke namen zijnBekius(Beek);Bredius(BreedenBreet—zie bl. 339),Cnopius(Knoop),Glasius(GlasenGlasz),Hondius(Hond, DeHondt—zie bl. 377) enHazewindus, Koppius(Kops? zie bl. 131),Lossius(Los) enz.36FrisoenGrunozijn twee latyn-formige namen, als geslachtsnamen dienst doende. Het kunnen verlatynschingen zijn van twee oud-germaansche mansvóórnamen, of ook kunnen het deze zelfde namen zijn in hunnen eigenen oud-germaanschen form, die van den latynschen niet afwijkt; zie bl. 71 en bl. 20. Het kunnen ook namen zijn, aangenomen als die van de vermeende oude hooftlingen, aanvoerders, stichters, de fabelachtige stamvaders der Friesen en Groningers. In Friesland en Groningerland zijn deze geslachtsnamen dan ook inheemsch.De geslachtsnamen, samengesteld met de latynsche voorzetselsaenab, kunnen in zekeren zin ook al tot de latyn-formige namen worden gerekend. Men vindt ze opgenoemd en verklaard in §90.A Speculo(zie bl. 362) behoort er ook toe.De zonderlinge, ten deele onzinnige geslachtsnamenSanctorum, Oculorum, Springorum, StekelorumenStikkelorum(zie bl. 462), mogen hier niet onvermeld blyven. En even min sommige geslachtsnamen die in form en spelling van hunnen oorspronkeliken, min of meer zuiveren latynschen form weêr zijn afgeweken, half verdietscht, misformd, versleten. Dat zijnGualtherie, OdolphieenHilbrandie(oorspronkelikGualtheri, OdolphienHilbrandi), zie bl. 151;Althuizes, AlthuisesenAlthuzes, verbasteringen vanAlthusius(zie bl. 555);Kuperus, Kuperes, CouperusenKupaerus, vanCuperus; Kuipéri, vanCuperi(zie bl. 333);PiestoorvanPistorius; KuckulusvanCuculus, verlatynsching vanKoekoekofCockuyt(zie bl. 382); enHorjusenNapjus. De laatstgenoemde naam zal wel eene misforming zijn vanNappius, eene eenvoudige verlatynsching van den geslachtsnaamNap, die nog heden voorkomt, en oudtijds ook de byformenGlazenapenDrogenaphad. MaarHorjus, oorspronkelik zekerHorrius, houd ik voor eeneverlatynsching van het versletene patronymikonHorje, eigentlikHorria, ’t welk wederom een versleten form is van den vollen oud-frieschen vadersnaamHorringa, die nog, ook in den byformHorrenga, als friesche geslachtsnaam in gebruik is, en die zyne weêrga heeft in Engelland, in de daar voorkomende patronymikale geslachtsnamenHorringenHorrington. De oud-germaansche mansvóórnaamHorroligt ten grondslag aan deze vadersnamen, even als, door den verkleinformHorreke, Horco, aan den vlaamschen geslachtsnaamHorrekens, en aan de plaatsnamenHorsbüllenHorrstedt, beide dorpen in Noord-Friesland. Verder aanHorrem, dorp by Keulen;Horringhausen, gehucht by Altena in Westfalen;Horrington, in Somersetshire, Engelland, enz.Sommige maagschapsnamen hebben een latynsch voorkomen, en zijn toch van zuiver nederlandschen oorsprong. Immers ieder die Latyn verstaat, zal, zoo de geslachtsnamenRadix, Aries, Omen, Venushem onder de oogen komen, terstond denken aan de latynsche woordenradix, wortel;aries, ram; aanomen, voorteeken, en aan den bekenden naam der godinVenus. Maar geheel ten onrechte. Die namen zijn reeds, als goed nederlandsche, verklaard op bl. 37, 138 en 439. EnAriesis eenvoudig een patronymikon van den in Holland vooral algemeen-gebruikeliken mansvóórnaamArie, eene verkorting vanAriaan, dat weer eene verbastering is van den vollen oud-romeinschen naamHadrianus.
§167. Reeds in de middeleeuen was het de gewoonte by de geleerden om hunne namen te verlatynschen, soms ook te vergriekschen. En deze gewoonte, by alle geletterden en geleerden van het christelike Europa in gebruik, hield niet aleen in de 16deen 17deeeu stand, maar nam, by de hooge vlucht welke de beoefening der oude letteren vooral in die eeuen nam, groote verhoudingen aan, en werd zeer algemeen toegepast. En niet het minst was dit het geval in de Nederlanden, in die eeuen juist de bakermat van zoo vele eigene, de woonplaats van zoo vele vreemde geleerden.
Op verschillende wyzen ging men by die verlatynsching en vergrieksching der eigene nederlandsche namen te werk. Sommigen vertaalden hunne namen geheel en al. Maar anderen hingen slechts eenen latynschen uitgang achter hunne nederlandsche namen, die zy overigens geheel of ten deele onveranderd lieten. Zoo vertaalde b. v. de een, dieKuypertot toenaam of geslachtsnaam had,of die oorspronkelik zelf eenkuiperwas of geweest was, en die zich dat woord dus als een naam toe eigende, dien naam metViëtor, terwijl een ander er eenvoudigCuperusvan maakte. Of de eene man dieBakkerheette, verlatynschte dien naam totPistorius, of hy vergriekschte hem totArtopaeus, terwijl de andere zich met een enkel latynsch steertje achter zynen naam vergenoegde, en erBackerusvan maakte. Niet altijd was men even gelukkig in het veranderen van de namen; soms vertaalde men die namen, door onverstand, geheel verkeerd. De geleerdeDesiderius Erasmus, iemand die zekerlik beter Latyn en Grieksch kende, als zyne moedertaal, althans als de oud-germaansche taalstammen, heette eigenlikGerrit. En omdat zyn vader ookGerritheette, zoo noemde hy zichGerrit Gerritsz., dat isGerrit Gerritszoon, ofGerrit, de zoon vanGerrit. De naamGerritnu is, zoo als men weet, slechts eene byzonder-hollandsche verknoeiing van den vollen oud-germaanschen, dus ook echt nederlandschen naamGerhard(Geraert). Het schijnt datGerrit Gerritsz.meende dat in dezen naamGeraarthet woordgeeren,begeerenopgesloten lag. Dies vertaalde hy zynen naam in het Latyn totDesiderius, en in het Grieksch totErasmus, en nam deze dubbelebegeerteaan in de plaats van zynen oorspronkeliken dubbelenGerrit. Eenvoudiger lieden in die dagen, en die minder danGerrit Gerritsz.t’huis waren in Grieksch en Latyn, vergenoegden zich met van hunnen hollandschenGerriteenen quasi-latynschenGerharduste maken. In latere tyden, in de 17deeeu, toen de wansmaak in het verformen der nederduitsche namen hoe langer hoe grooter was geworden, kwam de dwaasheid en ydelheid der menschen, niet het minst ook der geleerden, hoe langer hoe meer, in deze zake, aan het licht. En het waren vooral de 17deeeusche herformde predikanten, in de noordelike Nederlanden, die al hun valsch vernuft uitputten en hunnen wansmaak bewezen, in het verformen, verdraaien, vergriekschen en verlatynschen hunner namen. Zelfs tot in het begin der 18deeeu hield dit dwaze gebruik by die predikanten en ingebeelde geleerden stand. Een eenvoudige Fries, dieOeneheette en zichOene Oenesmoest noemen, omdat zijn vader eveneensOeneheette, noemde zich, als herformd predikant te Goinga,in Friesland, in 1712,Onias Oneïdes. Een ander, te Holwert geboren, enJohannes Fokkesgeheeten, dat isJohannes, de zoon vanFokke, noemde zich, als hoogleeraar te Franeker in het midden der 17deeeu,Johannes Phocylides ab Holwarda.Marten Eelkes, dat isMarten, de zoon vanEelke, een der eerste herformde predikanten te Leeuwarden, verdraaide zynen naam, nu eens totMartinus Helius(de zon), dan eens totMartinus Eliacus(zonnekind), namen die zeker van ydelen eigenwaan niet vry te pleiten zijn. ZekereUlrikwas predikant te Hemelum, een friesch dorp, en noemde zich nu, in zinspeling op den naam zyner standplaats,Ulricus Uranius(hemeling). Zeker ook niet zeer nederig. Het toppunt van onzin bereikte de predikant van het kleine dorpke Huins in Friesland. Hy noemde zichTullius,PastorHunnorum, alsof de ingezetenen van Huins Hunnen waren. Eenvoudiger wasBerend Boues, (men vindt zynen naam ook wel deftiger gemaakt alsBernard Bouwo). Hy was eveneens een (West) Fries, en de eerste herformde predikant te Eilsum in Oost-Friesland, en noemde zich, naar dien dorpsnaam,Eilshemius, een naam die nog lange door zyne nakomelingen met eere gedragen is. Zoo deed ookHendrik, een eenvoudige Drent, vanBeilengeboortig, die in het begin der 17deeeu herformd predikant te Bloksyl en later te Franeker zijnde, zichHenricus Beylanusnoemde; zie bl. 206.
Maar niet enkel de Friesen huldigden dit dwaze gebruik; het heerschte even zeer in de andere Nederlanden. Een man uit Gouda, dieCornelis Looseheette, noemde zich met de weidsche namenCornelius Calfidius Chrysopolitanus(uit de gouden stad!). EnJacob Harmensz., een man uit Oudewater, eigende zich de namenJacobus Arminius Veteraquinastoe. In de 17deeeu leefde in Holland ook de befaamdeJacobus Trigland, vooral bekend door zyne »Kerckelijcke Geschiedenissen”. Zyne vrou heetteChristina Theodora, en voerde den geslachtsnaam vanAstophia. »De naam klinkt grieksch; maar ik bid u, lezer, krijg uw grieksch woordenboek niet uit de kast om te zoeken of gij daar ook een zeldzaam voorkomend woord vindt, waar gij datAstophiamede in verband kunt brengen: uw zoeken zou vruchteloos zijn. Gij behoeft ook zoo ver niet vanhuis te gaan. Want de goede vrouw droeg den zeer duidelijken en verstaanbaren naam vanStoof. Dat evenwel was te eenvoudig, te hollandsch. Wat er tegen te doen? Er was meer dan één middel dat men kon aanwenden; maar de geleerde man koos het zotste dat men uitdenken kon, hij veranderde namelijk en voegde bij, voor en achter, zoodat het door de onkundige menigte voor een grieksch woord werd aangezien, maar geen woord meer was, slechts een klank, een geluid.”30
En ook in de zuidelike, in de brabantsche gewesten, heerschte deze onzede. De bekende hellenist, een Noord-Brabander van geboorte, uit het dorp Engelen,Arnoldus Arlenius Peraxylus, heette oorspronkelikArnout Van Aerle. Maar hy verlatynschte deze namen totArnoldus Arlenius, en voegde er nog den griekschen toenaamPeraxylusby, »omdat hy in een dorp over den Bosch (’s Hertogenbosch), aan de Dieze, geboren was, van de grieksche woordenπερὰenζὺλον,overenhout, gelijkboschwel eens voorhoutgenomen wordt.”31De bekende woordafleidkundigeBecanus, voluitJohannes Goropius Becanusgenoemd, heette eigentlik enkel maarJohannes. Hy noemde zichGoropius, omdat hy geboren was in het gehuchtGorp; enBecanusnaar den naam van het dorpBeek, voluitHilvarenbeekin Noord-Brabant, waar dat gehucht Gorp onder behoort. De hedendaagsche geslachtsnamenVan GorpenVan Gurpzijn ook aan dit brabantsche plaatske ontleend.—De beroemde taalgeleerdeCornelis Van Kieleindelik noemde zichCornelius Kilianus Dufflaeus, omdat hy vanDuffel, een dorp by Antwerpen, geboortig was.
De oude nederlandsche geleerden waren in den regel zeer goede latinisten. Maar ook zy maakten zich wel eens aan eenen taalkundigen misslag schuldig. Zulk eene fout levert de geslachtsnaamViëtorop, die in de friesche gewesten van Nederland en Duitschland gelykelik inheemsch is, en reeds een en ander maal in dit werk vermeld werd. Deze naam wijt zijn ontstaan aan éénen onkundige, die een latynschlexiconuitgaf, of liever zulk een woordeboekuit het Latyn-Hoogduitsch in het Latyn-Nederduitsch omzette. Hy vond daar in de woordenBöttcherenBüttner, en vertaalde die doorkuiper. Maar het woordvieo, waarviëtorrechtstreeks van afgeleid is, heeft bepaaldelik de beteekenis vanvlechten.Viëtoris dus eigenlikde Vlechter. In anders nog al goede Latynsch-HoogduitscheLexica, b. v. die vanFreunden vanKlotz, vindt men nog dit woordvietor=Böttcher, Büttner, dat iskuiper. Maar in de nieuere woordeboeken staat beter, zoo als het ook zijn moet:mandemaker(dat is iemand die tynen of wilgentwygen tot mandenvervlecht).
In vele gevallen zijn die latynsche en verlatynschte namen als vaste toenamen overgegaan op de zonen der mannen die zulke namen het eerst voor zich zelven bedacht en gevoerd hadden. Maar in betrekkelik weinige gevallen zijn zy in lateren tijd tot vaste geslachtsnamen by de nakomelingschap geworden, en tot onzen tijd in stand gebleven. In de noordelike Nederlanden, en wel bepaaldelik onder de Protestantsche bevolking, komen ze hooftsakelik voor—byna uitsluitend. De oorzaak van dit verschijnsel is gelegen in de omstandigheid dat het vooral de predikanten der Herformden waren, in de 16deen 17deeeu, die hunne namen zoo verlatynschten en vergriekschten, en die deze namen aan hunne kinderen nalieten. In der daad weten dan ook vele hedendaagsche Nederlanders, die eenen latynschen of latynsch-formigen, eenen griekschen of grieksch-formigen geslachtsnaam dragen, eenen predikant aan te wyzen als de stamvader van hun geslacht; of liever, als die gene onder hunne voorouders, die het eerst den hedendaagschen maagschapsnaam gevoerd heeft. De Roomsch-Katholyke geesteliken in de zuidelike Nederlanden voerden oudtijds ook wel even zeer zulke verlatynschte en vergriekschte namen, maar zy lieten geen kinderen na die zulken naam verder droegen. Byzonder talrijk zijn heden ten dage die grieksche en latynsche geslachtsnamen niet. Maar toch altijd nog talrijk genoeg om mede by te dragen tot het eigenaardige der nederlandsche geslachtsnamen in het algemeen.
Onder de hedendaagsche latynsche en grieksche maagschapsnamen zijn er van allerlei oorsprong en form. Velen er van zijn reeds op verschillende plaatsen in dit werk, waar het pas gaf, vermelden verklaard. Naar die plaatsen (§22, §55–57, §71, §122en §90) kan ik dus nu verwyzen, en my hier grootendeels bepalen tot eene eenvoudige opsomming.
Zuiver latynsche en louter latynsche zijn onder deze namen zeldzaam. Als zoodanigen noem ik:Paludanus(oorspronkelikVan de Moer?Van den Broecke?Poelstra?Broekstra?—want dat beteekent deze naam);Sartorius, Pistorius,32enz. Alle deze namen zijn in dit werk reeds verklaard. Talryker zijn de namen die slechts eenen latynschen form vertoonen, slechts den uitgangusofiusachter eenen nederlandschen beroeps- of waardigheidsnaam hebben; b. v.Cuperus, Cramerus, Vorstius,33enz. De geslachtsnamenSlaterusenColeruszijn verlatynschingen van de oorspronkelik hoogduitsche namenSchlaterenKöhler. OokKnottnerusschijnt my eene verlatynsching van eenen oorspronkelik hoogduitschen geslachtsnaam.
Als verlatynschte namen van aardrijkskundigen oorsprong bestaan nog:Acronius, Beilanus, Buranus,34enz. allen reeds op bl. 207 verklaard. De plaatsnaam waaraan de geslachtsnaamAlstorphiusontleend is, is my niet bekend; waarschijnlik is het een der drie dorpen, dieAlsdorfheeten, en allen in Rijn-Pruissen (by Trier, by Coblentz en by Aken) gelegen zijn.—Van algemeen-aardrijkskundigen aard zijn, behalven de boven reeds genoemde naamPaludanus, nogGreidanusenGreydanus(vangreide, het friesche woord voorweide,grasland),Heidanus(vanheide,Van der Heide),Geesteranus, Grevinchovius, Lindenhovius, Althusius(het oorspronkelikeAlthuiskomt ook in Nederland als geslachtsnaam voor),Neuhusius(deze twee laatsten schynen van hoogduitschen oorsprong te zyn),Nathusius, Heshusius(Heshuysenkomt ook voor), enz.
Vele andere verlatynschte en vergriekschte namen zijn niet van aardrijkskundigen oorsprong, maar het zijn verformingen van nederlandsche vadersnamen. Ook van dezen zijn de meesten reeds behandeld op bl. 52 en 149 van dit werk. Het zijnArntzenius, Bolsius, Borgesius,35enz. De vergriekschingen, in den form van grieksche tweede-naamvallen, waren vooral onder de oude friesche geleerden in zwang. Dien ten gevolge treffen wy eene kleine groep van zulke grieksche patronymika, aan friesche mansvóórnamen ontleend, heden ten dage ook nog hooftsakelik in de friesche gewesten aan. Het zijn:Gatsonides, Hajonides, Hilarides, Ynzonides, Mensonides, Nolledes, Oneides, enz. Verder in andere nederlandsche gewesten nog:Antonides, Hermanides, Jacobides, Michalides, Nicolaides, PaulidesenSimonides.—Eenvoudige vadersnamen, in latynschen form, komen ook nog geenszins zeldzaam als geslachtsnamen voor, zoo wel aan byzonder-friesche mansvóórnamen ontleend (Idsardi, Wiardi, Taconis), als aan algemeen-nederlandsche (Arnoldi, Conradi, Wilhelmy). Velen van deze namen vindt men op bl. 150 vermeld en verklaard.
De geslachtsnaamMalcomesiusweet ik anders niet te verklaren als door aan te nemen dat het eene verlatynsching zy van een (engelsch?) patronymikon—Malcomes—van den oud-schotschen mansvóórnaamMalcom, eigenlikMalcolmontleend. Deze naam (Malcomesius) wordt onder anderen nog heden door een herformd predikant gedragen. Men zie over het voorkomen van schotsche namen in de Nederlanden, bl. 535.
Sommige geslachtsnamen bestaan slechts uit eenen latynschen uitgang gevoegd achter den eenen of anderen nederlandschen geslachtsnaam, die eenvoudig het eene of andere algemeen-nederlandsche woord is, dat dan ook in zynen oorspronkeliken form nog wel als geslachtsnaam voorkomt. Zulke namen zijnBekius(Beek);Bredius(BreedenBreet—zie bl. 339),Cnopius(Knoop),Glasius(GlasenGlasz),Hondius(Hond, DeHondt—zie bl. 377) enHazewindus, Koppius(Kops? zie bl. 131),Lossius(Los) enz.36
FrisoenGrunozijn twee latyn-formige namen, als geslachtsnamen dienst doende. Het kunnen verlatynschingen zijn van twee oud-germaansche mansvóórnamen, of ook kunnen het deze zelfde namen zijn in hunnen eigenen oud-germaanschen form, die van den latynschen niet afwijkt; zie bl. 71 en bl. 20. Het kunnen ook namen zijn, aangenomen als die van de vermeende oude hooftlingen, aanvoerders, stichters, de fabelachtige stamvaders der Friesen en Groningers. In Friesland en Groningerland zijn deze geslachtsnamen dan ook inheemsch.
De geslachtsnamen, samengesteld met de latynsche voorzetselsaenab, kunnen in zekeren zin ook al tot de latyn-formige namen worden gerekend. Men vindt ze opgenoemd en verklaard in §90.A Speculo(zie bl. 362) behoort er ook toe.
De zonderlinge, ten deele onzinnige geslachtsnamenSanctorum, Oculorum, Springorum, StekelorumenStikkelorum(zie bl. 462), mogen hier niet onvermeld blyven. En even min sommige geslachtsnamen die in form en spelling van hunnen oorspronkeliken, min of meer zuiveren latynschen form weêr zijn afgeweken, half verdietscht, misformd, versleten. Dat zijnGualtherie, OdolphieenHilbrandie(oorspronkelikGualtheri, OdolphienHilbrandi), zie bl. 151;Althuizes, AlthuisesenAlthuzes, verbasteringen vanAlthusius(zie bl. 555);Kuperus, Kuperes, CouperusenKupaerus, vanCuperus; Kuipéri, vanCuperi(zie bl. 333);PiestoorvanPistorius; KuckulusvanCuculus, verlatynsching vanKoekoekofCockuyt(zie bl. 382); enHorjusenNapjus. De laatstgenoemde naam zal wel eene misforming zijn vanNappius, eene eenvoudige verlatynsching van den geslachtsnaamNap, die nog heden voorkomt, en oudtijds ook de byformenGlazenapenDrogenaphad. MaarHorjus, oorspronkelik zekerHorrius, houd ik voor eeneverlatynsching van het versletene patronymikonHorje, eigentlikHorria, ’t welk wederom een versleten form is van den vollen oud-frieschen vadersnaamHorringa, die nog, ook in den byformHorrenga, als friesche geslachtsnaam in gebruik is, en die zyne weêrga heeft in Engelland, in de daar voorkomende patronymikale geslachtsnamenHorringenHorrington. De oud-germaansche mansvóórnaamHorroligt ten grondslag aan deze vadersnamen, even als, door den verkleinformHorreke, Horco, aan den vlaamschen geslachtsnaamHorrekens, en aan de plaatsnamenHorsbüllenHorrstedt, beide dorpen in Noord-Friesland. Verder aanHorrem, dorp by Keulen;Horringhausen, gehucht by Altena in Westfalen;Horrington, in Somersetshire, Engelland, enz.
Sommige maagschapsnamen hebben een latynsch voorkomen, en zijn toch van zuiver nederlandschen oorsprong. Immers ieder die Latyn verstaat, zal, zoo de geslachtsnamenRadix, Aries, Omen, Venushem onder de oogen komen, terstond denken aan de latynsche woordenradix, wortel;aries, ram; aanomen, voorteeken, en aan den bekenden naam der godinVenus. Maar geheel ten onrechte. Die namen zijn reeds, als goed nederlandsche, verklaard op bl. 37, 138 en 439. EnAriesis eenvoudig een patronymikon van den in Holland vooral algemeen-gebruikeliken mansvóórnaamArie, eene verkorting vanAriaan, dat weer eene verbastering is van den vollen oud-romeinschen naamHadrianus.
H.Tot besluit.§168. De nederlandsche geslachtsnamen zijn in dit werk in verschillende groepen verdeeld geworden, naar hunnen oorsprong en naar hunne beteekenis, en al deze groepen zijn nader behandeld en verklaard. Men zoude de geslachtsnamen ook nog uit andere oogpunten kunnen beschouen en behandelen. Vermakeliker misschien, maar minder, of in het geheel niet wetenschappelik. By voorbeeld, uit het oogpunt van toevallige overeenkomsten en tegenstellingen tusschen de namen onderling, of ook tusschen denamen en de personen die de namen dragen. In dezer voege, en als eene kleine proeve van zulk eene beschouing der namen, wil ik hier nog enkele namen vermelden, en dan daarmede een einde maken aan dit werk.Sommige geslachtsnamen staan tegenover elkanderen in eene soms zonderling schynende verhouding van tegenstelling. By voorbeeld:Van BovenenVan Beneden, Van den BeginenVan den Ende, Van den HemelenVan de Helle, Van HemelrijkenVan Aertrijck, UitzingerenInsinger, OnderwaterenBovenwater, HelslootenDonkersloot, HameterenSpekmyder, Den EngelenDen Dievel, ZoetenZuur, Van AardemetVan den HemelenVan de Helle, HooismaenStrooisma, OostraenWestra, enz. Deze tegenstellingen kunnen louter van toevalligen aard zijn; en ik meen dat dit by de vier eerstgenoemden dezer paren van namen dan ook in der daad het geval is. (OverVan Aertrijckzie men bl. 455). Maar by anderen dezer paren is opzet in het spel geweest. Immers de geslachtsnamenBovenwater, UitzingerenStrooismazijn opzettelik bedacht, geformd, opgesteld om als tegenhangers dienst te doen van de geslachtsnamenOnderwater, InsingerenHooisma. Deze laatste drie bestonden reeds lange eer de eerste drie voor den dag kwamen. Tamelik ongepaste en zeker weinig geestige scherts heeft, althans naar men my heeft medegedeeld, de namenBovenwaterenUitzingerin het leven geroepen. Men schepte in den tijd dat iedereen eenen vasten geslachtsnaam moest aanveerden, onder sommige standen der maatschappy er wel eens behagen in, dwaze en ongepaste namen te bedenken, waar mede men ook wel eens een ander wilde ergeren. In dit werk is een en ander maal over deze dwaasgeformde namen gesproken. Wat ook de onmiddellike aanleiding moge geweest zijn van het ontstaan van den naamOnderwaterals geslachtsnaam, dit is zeker dat de woordenonderenwater, welke dezen naam samenstellen, in hunne gewone beteekenis, die zy in de nederlandsche taal hebben, moeten verstaan worden.Bovenwateris dus de wezenlike, de echte tegenstelling vanOnderwater. Maar dit is geenszins het geval met de namenUitzingerenInsinger. Laatstgenoemdenaam toch bestaat niet uit het voorzetselinen een woordsinger,zinger, van het werkwoordzingenontleend. Integendeel, deze naam is ontleend aan eenen plaatsnaam. Even als b. v. de geslachtsnaamHamburgerontleend is aan den naam der stadHamburg, enOttolanderaan dien van het dorpOttoland(zie bl. 204), zoo isInsingerafgeleid van den naam van het dorpInsingen, het welk in het beiersche gewest Middel-Franken gelegen is, naby de stad Rothenburg aan de Tauber. De geslachtsnaamUitzingerdaarentegen is louter als tegenstelling vanInsingerin de wereld gekomen, naar men my heeft verhaald. Intusschen, de naamUitzingerkan ook nog anders geduid worden. By den arbeid van sommige werklieden, matrozen vooral en heiers, waar velen gesamentlik het zelfde werk verrichten, het hyschen van zeilen, het winden van ’t anker, het heien van palen (eer de stoomhei dat werk overnam), enz. is het noodig dat die arbeid, dat rukken en trekken, gelijkmatig geschiede. Daarom stelt men eenen man daar by, die ’n eentonig maatgezang aanheft, en op die maat volvoeren dan die lieden gelijkmatig hun werk. Dat maatzingen noemt het nederlandsche volk bepaaldelikuitzingen, en de man die het doet, is deuitzinger. En iemand, die gewoonlik met datuitzingenbelast werd, kon al spoedig den toenaamUitzingervan zyne makkers hebben bekomen. Later kan die by- of toenaam gereedelik in eenen vasten geslachtsnaam overgegaan zijn. Toch is my verzekerd dat niet deze eenvoudige verklaring van den geslachtsnaamUitzingerde ware is, maar dat deze naam in der daad als een tegenhanger vanInsingerontstaan is.Ten jare 1811, by de vaststelling der geslachtsnamen, was zeker eenvoudig man, ten platten lande in Friesland, en die tot dien tijd toe geen geslachtsnaam gevoerd had, zoo min als zijn vader en grootvader vóór hem, verlegen welken naam hy zoude aannemen. Zijn buurman droeg den naam vanHooisma, en, meenende in dien naam het nederlandsche woordhooite hooren, zoo noemde hy zich, als eene tegenstelling,Strooisma.Hooienstrootoch behooren by elkanderen, zoo goed als hy en zijn buurman. Intusschen, de geslachtsnaamHooismaheeft met het woordhooiniets te maken. Hy is afgeleid van den oud-frieschen mansvóórnaamHoie, Hoio, is een patronymikon daar van, en beteekent eenvoudig: (zoon) vanHoio(zie bl. 63). In dezen zynen oorspronkeliken form is die mansvóórnaamHoieheden ten dae in Friesland, en ook in de saksische gouen, waar hy oudtijds eveneens gebruikelik was, zeldzaam geworden. Maar in de verklein- en byformenHoike, Hoitse, HoiseenHoiteis hy nog onder de Friesen in volle gebruik. NevensHooismazijn nog de volgende patronymikale geslachtsnamen:Hoynk, HooyingenHoying, HooijengaenHoyenga, Hooysma, verderHoisingh, Hoitema, HoytemaenVan Hoytema, HoitingaenHoitenga, HooitesenHoites, HoitsenHoiten, HoitsmaenHooitsma, Hoitsema, Hoitses, en vele plaatsnamen, van dezen zelfden ouden mansvóórnaam ontleend.—De eenvoudige man die zich dien geslachtsnaamStrooismauitkoos als de weêrga vanHooisma, sloeg echter, louter luk-raak, toch nog eenen spyker op den kop. Hy kreeg toch nog eenen redeliken naam, daar een zin, eene beteekenis in ligt. ImmersStrooismaen is niet zulk een onzinnige naam als b. v.Dwingersmais ofKorensma, enz.Strooismatoch kan opgevat worden als slechts in tongval of in spelling te verschillen van den eveneens in Friesland inheemschen geslachtsnaamStroosma. En ditStroosma(Strosmaware beter geboekstaafd) is wel degelik een zinvolle naam, wel degelik een goed patronymikon, wel waarlik van eenen mansvóórnaam afgeleid. Te weten van den oud-germaanschen, ook doorFörstemannvermelden naamStrodo, Strode, by afslytingStro. Van dezen zelfden naam is ook het saksische patronymikonStroïnk, dat nog heden in Twente als geslachtsnaam voorkomt, afgeleid. Als mede de geslachtsnaamStroma, die oudtijds onder de groningerlandsche Friesen inheemsch was, maar heden ten dage, voor zoo verre my bekend, uitgestorven is. De saksische (twentsche) geslachtsnamenHoynckenStroinkstaan volkomen in de zelfde verhouding tot elkanderen, als de friesche namenHooismaenStroosma(Strooisma).De geslachtsnaamOostrais door een israëlitisch geslacht in Friesland aangenomen als tegenhanger van den van ouds reeds onder de Friesen voorkomenden geslachtsnaamWestra.Oostrais toevallig een goed friesche form (Eastranogtans ware zuiverderfriesch). En, omdat deze naam naukeurig overeenkomt in beteekenis met den oud-nederlandschen geslachtsnaamVan Oosten, zoo isOostrazeker een zeer passende naam voor eenen frieschen Israëlyt, wiens voorouders immers uit het Oosten tot ons gekomen zijn.Eene byzondere overeenkomst tusschen den eenen of anderen geslachtsnaam, en de eene of andere eigenschap van den drager van zulken naam valt ook dikwijls waar te nemen. Zoo was er in myne jeugd te Leeuwarden een wolkammer dieCammengaheette. Zoo is er een houthandelaar te Harlingen dieHoutsmaheet, en te Arum in Friesland een glazemaker die den naamGlazemadraagt, even als een barbier en een schoenmaker te Wageningen,ScheerderenSchomakergeheeten, en een poelier te Amsterdam, die den naamTalingvoert. Zoo werd voor eenige jaren (en misschien nog wel) het penningmeesters-ambt van zeker genootschap te Gent (my is ontgaan welke vereeniging het was) waargenomen door iemand dieMettepenningen(zie bl. 432) heette. En zoo draagt de hoofdbestierder van het antwerpsche nieusbladLe Précurseurden naam vanGoemaere, dat is: goede tyding (zie bl. 446). Zeker een allerbeste naam voor eenen man die zulk eene betrekking vervult. Zie ook §111. Zulke overeenkomsten zijn er velen op te merken in steden en dorpen, overal in de Nederlanden. Ook komen byzondere overeenkomsten voor tusschen de geslachtsnamen en de woonplaatsen van lieden welke die namen dragen. Een boer wonende aan deAbbegaster-rige, een gehucht by het dorp Abbega in Friesland, heetRiegstra; een andere, wonende op deWonser-weren, een gehucht by het friesche dorp Wons, heetWeerstra. En nog een ander, die woont op deBult, by Bellingawolde in Groningerland, draagt den geslachtsnaamBultena, terwijlKloosterboerde naam is van den boer die ter plaatse woont waar in de middeleeuen het klooster stond der Norbertyners, te Heiligerlee; zie bl. 125. En dat de boer die in denScheurpolderwoont, aan dien arm van de Maas, welke hetScheurheet, na by den Hoek van Holland, den geslachtsnaam draagt vanScheurwater, zal ook wel geen louter toeval zijn.Trouens, opset is by deze overeenkomsten even dikwijls in hetspel als toeval. Menigeen toch koos zich in 1811 eenen geslachtsnaam, die eene toespeling bevatte op het bedrijf dat hy uitoefende, of op de plaats waar hy woonde, gelijk herhaalde malen in dit werk, op verschillende plaatsen is aangetoond. En daar heden ten dage nog menig man de zelfde betrekking in de maatschappy vervult als zijn grootvader in het begin dezer eeu reeds deed, en eveneens nog menig kleinzoon heden ten dage op de zelfde plaats, in het zelfde huis woont als zijn voorvader reeds vóór hem, zoo vallen die overeenkomsten tusschen namen en persoonlike byzonderheden, vroeger opsettelik gemaakt, ook nog heden op te merken.
H.Tot besluit.
§168. De nederlandsche geslachtsnamen zijn in dit werk in verschillende groepen verdeeld geworden, naar hunnen oorsprong en naar hunne beteekenis, en al deze groepen zijn nader behandeld en verklaard. Men zoude de geslachtsnamen ook nog uit andere oogpunten kunnen beschouen en behandelen. Vermakeliker misschien, maar minder, of in het geheel niet wetenschappelik. By voorbeeld, uit het oogpunt van toevallige overeenkomsten en tegenstellingen tusschen de namen onderling, of ook tusschen denamen en de personen die de namen dragen. In dezer voege, en als eene kleine proeve van zulk eene beschouing der namen, wil ik hier nog enkele namen vermelden, en dan daarmede een einde maken aan dit werk.Sommige geslachtsnamen staan tegenover elkanderen in eene soms zonderling schynende verhouding van tegenstelling. By voorbeeld:Van BovenenVan Beneden, Van den BeginenVan den Ende, Van den HemelenVan de Helle, Van HemelrijkenVan Aertrijck, UitzingerenInsinger, OnderwaterenBovenwater, HelslootenDonkersloot, HameterenSpekmyder, Den EngelenDen Dievel, ZoetenZuur, Van AardemetVan den HemelenVan de Helle, HooismaenStrooisma, OostraenWestra, enz. Deze tegenstellingen kunnen louter van toevalligen aard zijn; en ik meen dat dit by de vier eerstgenoemden dezer paren van namen dan ook in der daad het geval is. (OverVan Aertrijckzie men bl. 455). Maar by anderen dezer paren is opzet in het spel geweest. Immers de geslachtsnamenBovenwater, UitzingerenStrooismazijn opzettelik bedacht, geformd, opgesteld om als tegenhangers dienst te doen van de geslachtsnamenOnderwater, InsingerenHooisma. Deze laatste drie bestonden reeds lange eer de eerste drie voor den dag kwamen. Tamelik ongepaste en zeker weinig geestige scherts heeft, althans naar men my heeft medegedeeld, de namenBovenwaterenUitzingerin het leven geroepen. Men schepte in den tijd dat iedereen eenen vasten geslachtsnaam moest aanveerden, onder sommige standen der maatschappy er wel eens behagen in, dwaze en ongepaste namen te bedenken, waar mede men ook wel eens een ander wilde ergeren. In dit werk is een en ander maal over deze dwaasgeformde namen gesproken. Wat ook de onmiddellike aanleiding moge geweest zijn van het ontstaan van den naamOnderwaterals geslachtsnaam, dit is zeker dat de woordenonderenwater, welke dezen naam samenstellen, in hunne gewone beteekenis, die zy in de nederlandsche taal hebben, moeten verstaan worden.Bovenwateris dus de wezenlike, de echte tegenstelling vanOnderwater. Maar dit is geenszins het geval met de namenUitzingerenInsinger. Laatstgenoemdenaam toch bestaat niet uit het voorzetselinen een woordsinger,zinger, van het werkwoordzingenontleend. Integendeel, deze naam is ontleend aan eenen plaatsnaam. Even als b. v. de geslachtsnaamHamburgerontleend is aan den naam der stadHamburg, enOttolanderaan dien van het dorpOttoland(zie bl. 204), zoo isInsingerafgeleid van den naam van het dorpInsingen, het welk in het beiersche gewest Middel-Franken gelegen is, naby de stad Rothenburg aan de Tauber. De geslachtsnaamUitzingerdaarentegen is louter als tegenstelling vanInsingerin de wereld gekomen, naar men my heeft verhaald. Intusschen, de naamUitzingerkan ook nog anders geduid worden. By den arbeid van sommige werklieden, matrozen vooral en heiers, waar velen gesamentlik het zelfde werk verrichten, het hyschen van zeilen, het winden van ’t anker, het heien van palen (eer de stoomhei dat werk overnam), enz. is het noodig dat die arbeid, dat rukken en trekken, gelijkmatig geschiede. Daarom stelt men eenen man daar by, die ’n eentonig maatgezang aanheft, en op die maat volvoeren dan die lieden gelijkmatig hun werk. Dat maatzingen noemt het nederlandsche volk bepaaldelikuitzingen, en de man die het doet, is deuitzinger. En iemand, die gewoonlik met datuitzingenbelast werd, kon al spoedig den toenaamUitzingervan zyne makkers hebben bekomen. Later kan die by- of toenaam gereedelik in eenen vasten geslachtsnaam overgegaan zijn. Toch is my verzekerd dat niet deze eenvoudige verklaring van den geslachtsnaamUitzingerde ware is, maar dat deze naam in der daad als een tegenhanger vanInsingerontstaan is.Ten jare 1811, by de vaststelling der geslachtsnamen, was zeker eenvoudig man, ten platten lande in Friesland, en die tot dien tijd toe geen geslachtsnaam gevoerd had, zoo min als zijn vader en grootvader vóór hem, verlegen welken naam hy zoude aannemen. Zijn buurman droeg den naam vanHooisma, en, meenende in dien naam het nederlandsche woordhooite hooren, zoo noemde hy zich, als eene tegenstelling,Strooisma.Hooienstrootoch behooren by elkanderen, zoo goed als hy en zijn buurman. Intusschen, de geslachtsnaamHooismaheeft met het woordhooiniets te maken. Hy is afgeleid van den oud-frieschen mansvóórnaamHoie, Hoio, is een patronymikon daar van, en beteekent eenvoudig: (zoon) vanHoio(zie bl. 63). In dezen zynen oorspronkeliken form is die mansvóórnaamHoieheden ten dae in Friesland, en ook in de saksische gouen, waar hy oudtijds eveneens gebruikelik was, zeldzaam geworden. Maar in de verklein- en byformenHoike, Hoitse, HoiseenHoiteis hy nog onder de Friesen in volle gebruik. NevensHooismazijn nog de volgende patronymikale geslachtsnamen:Hoynk, HooyingenHoying, HooijengaenHoyenga, Hooysma, verderHoisingh, Hoitema, HoytemaenVan Hoytema, HoitingaenHoitenga, HooitesenHoites, HoitsenHoiten, HoitsmaenHooitsma, Hoitsema, Hoitses, en vele plaatsnamen, van dezen zelfden ouden mansvóórnaam ontleend.—De eenvoudige man die zich dien geslachtsnaamStrooismauitkoos als de weêrga vanHooisma, sloeg echter, louter luk-raak, toch nog eenen spyker op den kop. Hy kreeg toch nog eenen redeliken naam, daar een zin, eene beteekenis in ligt. ImmersStrooismaen is niet zulk een onzinnige naam als b. v.Dwingersmais ofKorensma, enz.Strooismatoch kan opgevat worden als slechts in tongval of in spelling te verschillen van den eveneens in Friesland inheemschen geslachtsnaamStroosma. En ditStroosma(Strosmaware beter geboekstaafd) is wel degelik een zinvolle naam, wel degelik een goed patronymikon, wel waarlik van eenen mansvóórnaam afgeleid. Te weten van den oud-germaanschen, ook doorFörstemannvermelden naamStrodo, Strode, by afslytingStro. Van dezen zelfden naam is ook het saksische patronymikonStroïnk, dat nog heden in Twente als geslachtsnaam voorkomt, afgeleid. Als mede de geslachtsnaamStroma, die oudtijds onder de groningerlandsche Friesen inheemsch was, maar heden ten dage, voor zoo verre my bekend, uitgestorven is. De saksische (twentsche) geslachtsnamenHoynckenStroinkstaan volkomen in de zelfde verhouding tot elkanderen, als de friesche namenHooismaenStroosma(Strooisma).De geslachtsnaamOostrais door een israëlitisch geslacht in Friesland aangenomen als tegenhanger van den van ouds reeds onder de Friesen voorkomenden geslachtsnaamWestra.Oostrais toevallig een goed friesche form (Eastranogtans ware zuiverderfriesch). En, omdat deze naam naukeurig overeenkomt in beteekenis met den oud-nederlandschen geslachtsnaamVan Oosten, zoo isOostrazeker een zeer passende naam voor eenen frieschen Israëlyt, wiens voorouders immers uit het Oosten tot ons gekomen zijn.Eene byzondere overeenkomst tusschen den eenen of anderen geslachtsnaam, en de eene of andere eigenschap van den drager van zulken naam valt ook dikwijls waar te nemen. Zoo was er in myne jeugd te Leeuwarden een wolkammer dieCammengaheette. Zoo is er een houthandelaar te Harlingen dieHoutsmaheet, en te Arum in Friesland een glazemaker die den naamGlazemadraagt, even als een barbier en een schoenmaker te Wageningen,ScheerderenSchomakergeheeten, en een poelier te Amsterdam, die den naamTalingvoert. Zoo werd voor eenige jaren (en misschien nog wel) het penningmeesters-ambt van zeker genootschap te Gent (my is ontgaan welke vereeniging het was) waargenomen door iemand dieMettepenningen(zie bl. 432) heette. En zoo draagt de hoofdbestierder van het antwerpsche nieusbladLe Précurseurden naam vanGoemaere, dat is: goede tyding (zie bl. 446). Zeker een allerbeste naam voor eenen man die zulk eene betrekking vervult. Zie ook §111. Zulke overeenkomsten zijn er velen op te merken in steden en dorpen, overal in de Nederlanden. Ook komen byzondere overeenkomsten voor tusschen de geslachtsnamen en de woonplaatsen van lieden welke die namen dragen. Een boer wonende aan deAbbegaster-rige, een gehucht by het dorp Abbega in Friesland, heetRiegstra; een andere, wonende op deWonser-weren, een gehucht by het friesche dorp Wons, heetWeerstra. En nog een ander, die woont op deBult, by Bellingawolde in Groningerland, draagt den geslachtsnaamBultena, terwijlKloosterboerde naam is van den boer die ter plaatse woont waar in de middeleeuen het klooster stond der Norbertyners, te Heiligerlee; zie bl. 125. En dat de boer die in denScheurpolderwoont, aan dien arm van de Maas, welke hetScheurheet, na by den Hoek van Holland, den geslachtsnaam draagt vanScheurwater, zal ook wel geen louter toeval zijn.Trouens, opset is by deze overeenkomsten even dikwijls in hetspel als toeval. Menigeen toch koos zich in 1811 eenen geslachtsnaam, die eene toespeling bevatte op het bedrijf dat hy uitoefende, of op de plaats waar hy woonde, gelijk herhaalde malen in dit werk, op verschillende plaatsen is aangetoond. En daar heden ten dage nog menig man de zelfde betrekking in de maatschappy vervult als zijn grootvader in het begin dezer eeu reeds deed, en eveneens nog menig kleinzoon heden ten dage op de zelfde plaats, in het zelfde huis woont als zijn voorvader reeds vóór hem, zoo vallen die overeenkomsten tusschen namen en persoonlike byzonderheden, vroeger opsettelik gemaakt, ook nog heden op te merken.
§168. De nederlandsche geslachtsnamen zijn in dit werk in verschillende groepen verdeeld geworden, naar hunnen oorsprong en naar hunne beteekenis, en al deze groepen zijn nader behandeld en verklaard. Men zoude de geslachtsnamen ook nog uit andere oogpunten kunnen beschouen en behandelen. Vermakeliker misschien, maar minder, of in het geheel niet wetenschappelik. By voorbeeld, uit het oogpunt van toevallige overeenkomsten en tegenstellingen tusschen de namen onderling, of ook tusschen denamen en de personen die de namen dragen. In dezer voege, en als eene kleine proeve van zulk eene beschouing der namen, wil ik hier nog enkele namen vermelden, en dan daarmede een einde maken aan dit werk.
Sommige geslachtsnamen staan tegenover elkanderen in eene soms zonderling schynende verhouding van tegenstelling. By voorbeeld:Van BovenenVan Beneden, Van den BeginenVan den Ende, Van den HemelenVan de Helle, Van HemelrijkenVan Aertrijck, UitzingerenInsinger, OnderwaterenBovenwater, HelslootenDonkersloot, HameterenSpekmyder, Den EngelenDen Dievel, ZoetenZuur, Van AardemetVan den HemelenVan de Helle, HooismaenStrooisma, OostraenWestra, enz. Deze tegenstellingen kunnen louter van toevalligen aard zijn; en ik meen dat dit by de vier eerstgenoemden dezer paren van namen dan ook in der daad het geval is. (OverVan Aertrijckzie men bl. 455). Maar by anderen dezer paren is opzet in het spel geweest. Immers de geslachtsnamenBovenwater, UitzingerenStrooismazijn opzettelik bedacht, geformd, opgesteld om als tegenhangers dienst te doen van de geslachtsnamenOnderwater, InsingerenHooisma. Deze laatste drie bestonden reeds lange eer de eerste drie voor den dag kwamen. Tamelik ongepaste en zeker weinig geestige scherts heeft, althans naar men my heeft medegedeeld, de namenBovenwaterenUitzingerin het leven geroepen. Men schepte in den tijd dat iedereen eenen vasten geslachtsnaam moest aanveerden, onder sommige standen der maatschappy er wel eens behagen in, dwaze en ongepaste namen te bedenken, waar mede men ook wel eens een ander wilde ergeren. In dit werk is een en ander maal over deze dwaasgeformde namen gesproken. Wat ook de onmiddellike aanleiding moge geweest zijn van het ontstaan van den naamOnderwaterals geslachtsnaam, dit is zeker dat de woordenonderenwater, welke dezen naam samenstellen, in hunne gewone beteekenis, die zy in de nederlandsche taal hebben, moeten verstaan worden.Bovenwateris dus de wezenlike, de echte tegenstelling vanOnderwater. Maar dit is geenszins het geval met de namenUitzingerenInsinger. Laatstgenoemdenaam toch bestaat niet uit het voorzetselinen een woordsinger,zinger, van het werkwoordzingenontleend. Integendeel, deze naam is ontleend aan eenen plaatsnaam. Even als b. v. de geslachtsnaamHamburgerontleend is aan den naam der stadHamburg, enOttolanderaan dien van het dorpOttoland(zie bl. 204), zoo isInsingerafgeleid van den naam van het dorpInsingen, het welk in het beiersche gewest Middel-Franken gelegen is, naby de stad Rothenburg aan de Tauber. De geslachtsnaamUitzingerdaarentegen is louter als tegenstelling vanInsingerin de wereld gekomen, naar men my heeft verhaald. Intusschen, de naamUitzingerkan ook nog anders geduid worden. By den arbeid van sommige werklieden, matrozen vooral en heiers, waar velen gesamentlik het zelfde werk verrichten, het hyschen van zeilen, het winden van ’t anker, het heien van palen (eer de stoomhei dat werk overnam), enz. is het noodig dat die arbeid, dat rukken en trekken, gelijkmatig geschiede. Daarom stelt men eenen man daar by, die ’n eentonig maatgezang aanheft, en op die maat volvoeren dan die lieden gelijkmatig hun werk. Dat maatzingen noemt het nederlandsche volk bepaaldelikuitzingen, en de man die het doet, is deuitzinger. En iemand, die gewoonlik met datuitzingenbelast werd, kon al spoedig den toenaamUitzingervan zyne makkers hebben bekomen. Later kan die by- of toenaam gereedelik in eenen vasten geslachtsnaam overgegaan zijn. Toch is my verzekerd dat niet deze eenvoudige verklaring van den geslachtsnaamUitzingerde ware is, maar dat deze naam in der daad als een tegenhanger vanInsingerontstaan is.
Ten jare 1811, by de vaststelling der geslachtsnamen, was zeker eenvoudig man, ten platten lande in Friesland, en die tot dien tijd toe geen geslachtsnaam gevoerd had, zoo min als zijn vader en grootvader vóór hem, verlegen welken naam hy zoude aannemen. Zijn buurman droeg den naam vanHooisma, en, meenende in dien naam het nederlandsche woordhooite hooren, zoo noemde hy zich, als eene tegenstelling,Strooisma.Hooienstrootoch behooren by elkanderen, zoo goed als hy en zijn buurman. Intusschen, de geslachtsnaamHooismaheeft met het woordhooiniets te maken. Hy is afgeleid van den oud-frieschen mansvóórnaamHoie, Hoio, is een patronymikon daar van, en beteekent eenvoudig: (zoon) vanHoio(zie bl. 63). In dezen zynen oorspronkeliken form is die mansvóórnaamHoieheden ten dae in Friesland, en ook in de saksische gouen, waar hy oudtijds eveneens gebruikelik was, zeldzaam geworden. Maar in de verklein- en byformenHoike, Hoitse, HoiseenHoiteis hy nog onder de Friesen in volle gebruik. NevensHooismazijn nog de volgende patronymikale geslachtsnamen:Hoynk, HooyingenHoying, HooijengaenHoyenga, Hooysma, verderHoisingh, Hoitema, HoytemaenVan Hoytema, HoitingaenHoitenga, HooitesenHoites, HoitsenHoiten, HoitsmaenHooitsma, Hoitsema, Hoitses, en vele plaatsnamen, van dezen zelfden ouden mansvóórnaam ontleend.—De eenvoudige man die zich dien geslachtsnaamStrooismauitkoos als de weêrga vanHooisma, sloeg echter, louter luk-raak, toch nog eenen spyker op den kop. Hy kreeg toch nog eenen redeliken naam, daar een zin, eene beteekenis in ligt. ImmersStrooismaen is niet zulk een onzinnige naam als b. v.Dwingersmais ofKorensma, enz.Strooismatoch kan opgevat worden als slechts in tongval of in spelling te verschillen van den eveneens in Friesland inheemschen geslachtsnaamStroosma. En ditStroosma(Strosmaware beter geboekstaafd) is wel degelik een zinvolle naam, wel degelik een goed patronymikon, wel waarlik van eenen mansvóórnaam afgeleid. Te weten van den oud-germaanschen, ook doorFörstemannvermelden naamStrodo, Strode, by afslytingStro. Van dezen zelfden naam is ook het saksische patronymikonStroïnk, dat nog heden in Twente als geslachtsnaam voorkomt, afgeleid. Als mede de geslachtsnaamStroma, die oudtijds onder de groningerlandsche Friesen inheemsch was, maar heden ten dage, voor zoo verre my bekend, uitgestorven is. De saksische (twentsche) geslachtsnamenHoynckenStroinkstaan volkomen in de zelfde verhouding tot elkanderen, als de friesche namenHooismaenStroosma(Strooisma).
De geslachtsnaamOostrais door een israëlitisch geslacht in Friesland aangenomen als tegenhanger van den van ouds reeds onder de Friesen voorkomenden geslachtsnaamWestra.Oostrais toevallig een goed friesche form (Eastranogtans ware zuiverderfriesch). En, omdat deze naam naukeurig overeenkomt in beteekenis met den oud-nederlandschen geslachtsnaamVan Oosten, zoo isOostrazeker een zeer passende naam voor eenen frieschen Israëlyt, wiens voorouders immers uit het Oosten tot ons gekomen zijn.
Eene byzondere overeenkomst tusschen den eenen of anderen geslachtsnaam, en de eene of andere eigenschap van den drager van zulken naam valt ook dikwijls waar te nemen. Zoo was er in myne jeugd te Leeuwarden een wolkammer dieCammengaheette. Zoo is er een houthandelaar te Harlingen dieHoutsmaheet, en te Arum in Friesland een glazemaker die den naamGlazemadraagt, even als een barbier en een schoenmaker te Wageningen,ScheerderenSchomakergeheeten, en een poelier te Amsterdam, die den naamTalingvoert. Zoo werd voor eenige jaren (en misschien nog wel) het penningmeesters-ambt van zeker genootschap te Gent (my is ontgaan welke vereeniging het was) waargenomen door iemand dieMettepenningen(zie bl. 432) heette. En zoo draagt de hoofdbestierder van het antwerpsche nieusbladLe Précurseurden naam vanGoemaere, dat is: goede tyding (zie bl. 446). Zeker een allerbeste naam voor eenen man die zulk eene betrekking vervult. Zie ook §111. Zulke overeenkomsten zijn er velen op te merken in steden en dorpen, overal in de Nederlanden. Ook komen byzondere overeenkomsten voor tusschen de geslachtsnamen en de woonplaatsen van lieden welke die namen dragen. Een boer wonende aan deAbbegaster-rige, een gehucht by het dorp Abbega in Friesland, heetRiegstra; een andere, wonende op deWonser-weren, een gehucht by het friesche dorp Wons, heetWeerstra. En nog een ander, die woont op deBult, by Bellingawolde in Groningerland, draagt den geslachtsnaamBultena, terwijlKloosterboerde naam is van den boer die ter plaatse woont waar in de middeleeuen het klooster stond der Norbertyners, te Heiligerlee; zie bl. 125. En dat de boer die in denScheurpolderwoont, aan dien arm van de Maas, welke hetScheurheet, na by den Hoek van Holland, den geslachtsnaam draagt vanScheurwater, zal ook wel geen louter toeval zijn.
Trouens, opset is by deze overeenkomsten even dikwijls in hetspel als toeval. Menigeen toch koos zich in 1811 eenen geslachtsnaam, die eene toespeling bevatte op het bedrijf dat hy uitoefende, of op de plaats waar hy woonde, gelijk herhaalde malen in dit werk, op verschillende plaatsen is aangetoond. En daar heden ten dage nog menig man de zelfde betrekking in de maatschappy vervult als zijn grootvader in het begin dezer eeu reeds deed, en eveneens nog menig kleinzoon heden ten dage op de zelfde plaats, in het zelfde huis woont als zijn voorvader reeds vóór hem, zoo vallen die overeenkomsten tusschen namen en persoonlike byzonderheden, vroeger opsettelik gemaakt, ook nog heden op te merken.