H.Geslachtsnamen aan de namen van lichaamsdeelen ontleend.§139. De enkele, eenvoudige namen van menschelike lichaamsdeelen komen ook als geslachtsnamen voor. Ik vermeld deze namen hier in eene afzonderlike groep, als aanhangsel van de andere namen die rechtstreeks ontleend zijn aan voorwerpen en zaken uit de natuur. Ik had aan deze maagschapsnamen, aan de namen van lichaamsdeelen ontleend, ook gevoegelik eene plaats kunnen geven by die geslachtsnamen, welke hun ontstaan danken aan byzondere lichamelike eigenschappen der menschen; §124–126. Immers velen van de onderwerpelike geslachtsnamen zijn eerst als bynamen in gebruik geweest voor personen, by welke het eene of andere lichaamsdeel, wegens misforming, byzondere grootte, of eenige andere oorzaak, in het byzonder de opmerkzaamheid van andere lieden trok. Zoo krijgt b. v. iemand, die de opmerkzaamheid van anderen opwekt door eenen zeer grooten, of krommen, of rooden neus, al lichtelik den bynaam van »Neus”. En dat zulke bynamen langzamerhand vaste toenamen geworden zijn, en eindelik vaste geslachtsnamen, daarvan zijn in dit werk reeds vele voorbeelden opgenoemd. My is iemand bekend, wiens gebit, door byzonder groote snytanden in de bovenkaak, en door eene korte bovenlip, sterk in het oog loopt. Deze man draagt daar eenen bynaam af, te weten dien van (zeggen wy maarTeake)Tosk. Immers hy woont in Friesland; entosk(tusk) is het friesche woord voortand. Dat zulk een bynaam oudtijds in der daad eenvaste geslachtsnaam is geworden, wordt door het voorkomen, heden ten dage, van de geslachtsnamenTandin Holland,Toschin Friesland, enZahnin Duitschland (ook van daar in Nederland overgebracht) bewezen.Karl Strackerjanverhaalt in zijn werkDie Jeverländischen Personennamen, bl. 39, van eenen boerenarbeider, die »bekam einmal beim Mähen von seinem Nebenmann mit der Sense in der Wade, plattdeutschKüet, eine Wunde, an welcher er lange zu leiden hatte. Bald hiess er in seiner Umgebung nur »Behrend Küet”, und als er starb, erbte sein Sohn den Namen. Trotz Widerspruch und Klagen bei der Behörde, zum Theil auch wohl eben deswegen, blieb für ihn der Name »Gerd Küet” und sein Häuschen hiess dieKüeterê” (kuitery, in het Hollandsch). »Sicherlich wäre daraus ein Familienname geworden, wenn Kirchen- und Erdbuch noch eine solche Schöpfung des Volksmundes aufgenommen hätten.” Intusschen komt in Nederland werkelikKuitenKuytals geslachtsnaam voor; terwijl te Rotterdam eene brug den naam draagt vanJan-Kuiten-brug, ten bewyze dat ook daar een man geweest is dieJan Kuitheette of aldus genoemd werd.Als voorbeelden van geslachtsnamen ontleend aan de namen van byzondere lichaamsdeelen, noem ik hier:Hooften’T Hooft, metHoeuft, Heuften het versleteneHeuff, die ik niet anders kan verklaren dan als eene byzondere uitspraak van het woordhooftofhoofdin de eene of andere byzondere gouspraak. In den geslachtsnaamBleyenheuftkomt deze spelwyze ook voor; en eene andere inSchoonhoefd(zie bl. 345). Moet eerstgenoemde geslachtsnaam verklaard worden als »looden hoofd”? Beduidt deze naam niet hoofd of kop van lood, die als uithangteeken diende? en is dus een tegenhanger van de geslachtsnamenGoudenhooftenHouthoofd(zie bl. 367 en 368)? VerderD’Oore, in Vlaanderen voorkomende. De Vlamingen spreken nog zeer te recht en taalkundig zuiverde oore, voor het noord-nederlandschehet oor. Zoo spreken zy ookde ooge, voor het hollandschehet oog, en dien ten gevolge meen ik den vlaamschen geslachtsnaamDoghete moeten verklaren alsD’Oghe, D’Ooghe, De Ooghe, het oog. Misschien echter schuilt in ditDogheook de bekende geslachtsnaamDe Hooge, De Hoog, op vlaamsche wyze uitgesproken en geschreven, alsD’’Oge, De Hoge, De Hooge. NevensD’Oorein Vlaanderen komt in Holland de geslachtsnaamOorvoor, en zelfs het franscheOreille. VerderDe Neus, Neus, Kaakebeen, Mond(enBek; zie echter bl. 279),Tand, De Tandt, Kies, Baert, Den Hals, Borst, De Borst, Buyck, Maagh, Lever, Blaas, ’T Hart, Pols, Vuist, De Vuyst, Duim, Duymen zelfsVan Duym, Pinck, Been(enPoot),KuitenKuyt, Scheen, VoetenHiel, NagelenDe Naeghel(zie bl. 365). Eindelik nogVelenSchornagel(scheurnagel? de man die kenbaar was aan eenen gescheurden nagel).By deze namen zullen er wel enkelen zijn, die eenen anderen oorsprong hebben, en die slechts toevallig de namen van lichaamsdeelen vertoonen. Zoo kan inBaerteen oud-nederlandsche mansvóórnaam schuilen (Baert, Beert, Barend, Berend, Bernard, Bernhart), de zelfde mansvóórnaam die ook aan de patronymikale geslachtsnamenBaartsenBaertsten grondslag ligt.Blaaskomt voor als eene verkorting van den kerkeliken mansvóórnaamBlasius(zie bl. 181), en zoo kan dus de geslachtsnaamBlaaszeer gevoegelik gehouden worden als zynen oorsprong te ontleenen aan genoemden mansnaam.Polleis een friesche mansvóórnaam, en de geslachtsnaamPolskan zeer wel een tweede naamval, een patronymikale form daar van zijn. Wel is de friesche mansvóórnaamPolleofPolals zoodanig weinig in gebruik; maar hy ligt toch aan verschillende geslachtsnamen ten grondslag. Te weten aanPollema, Polsma, Polling, Pollen, Pollsen, enz.; allen vadersnamen. En ook aan het verlatynschtePollius. In den geslachtsnaamBeenkan de friesche mansvóórnaamBeneschuilen, de oud-germaansche naamBeno, welke ook oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamenBeninga, Beenenga, Beening, Beens, Beenen, Benes, Benen, enz.Hile(Hyle) eindelik is nog een friesche mansvóórnaam, die tegenwoordig meest in verkleinform, alsHylkeenHyltjevoorkomt. De geslachtsnaamHielkan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. Aan de geslachtsnamenHylen, Hieltjes, Hielkes(zie bl. 150) heeft hy tevens oorsprong gegeven.I.Geslachtsnamen, aan de namen van spyzen, dranken en kleedingstukken ontleend.§140. Spijs en drank en kleeding zijn zaken die eene groote rol spelen in het dageliksche leven der menschen. Het is dan ook niet vreemd dat de namen daar van wel voorkomen als geslachtsnamen. Iemand toch, die byzonder graag deze of gene spyze of drank at of dronk, die daar voor bekend was by zyne omgeving, kreeg al licht, uit spot, zulk eenen naam als bynaam. En deze bynamen gingen als gebruikelike toenamen, later als vaste geslachtsnamen wel op de kinderen en nakomelingen dier mannen over. En even zoo ging het met de namen van kleedingstukken. Iemand die bekend was wegens het dragen van ’t eene of andere byzondere, ongemeene, of sterk in het oog vallende kleedingstuk, kreeg al licht den naam daar van als bynaam. Ook kwamen de afbeeldingen en namen van spyzen en dranken en kleedingstukken wel als gevelteekens en huisnamen voor. Zoo kan ook langs dien weg menige dergelyke geslachtsnaam in gebruik gekomen zijn.By de opsomming der geslachtsnamen aan de namen van spyzen ontleend, mogen wy wel beginnen met »den staf des levens”, met het brood. Broodnamen zijnWittebroodt, Soetbrood, Schoonbrood, Platbroodt. Eerstgenoemde naam is al oud; immersJan Wytbrootwas reeds in 1511 een burger der stad Leeuwarden.80Ook in Engelland komt de geslachtsnaamWhitbreadvoor, terwijl het franscheBlanpainin Nederland my voorgekomen is. VerderTeirbroodt, dat is het brood waar men vanteert, het dageliksche brood om van te leven. De geslachtsnaamDroogenbroodtis een tegenhanger van den maagschapsnaamBoterenbrood, welke naam ook in den formBotterbrodtvoorkomt, en vanKaasenbrood. De laatstgenoemde geslachtsnaam komt ook, half verfranscht, alsDe Casembrootvoor. Te Monster in het Westland ziet men, aan eene herberg, nog »Kaas en brood” als uithangbord.81Tot het bereiden van brood is koorn noodig; en ook zuurdeeg.Deze woorden zijn ook tot geslachtsnamen geworden; namelik alsBroodkoren, Broodcoren, Brotcorne, en zelfs in versletenen form en als vadersnaamBrocorens. En alsZuurdeeg(met den hoogduitschen formSauerteig).Als aanhangsel tot dezebroodnamen vermelden wy nog de geslachtsnamenBeschuydtenWermenbol(warme bol) metKrentebol. Eenebolis een bolvormig fijn gebak; in Friesland noemt men nog alle wittebrood »bolle”. Dezebolnamen, waartoe misschien ookWittebol(zie bl. 343) behoort, voeren geleidelik tot dekoeknamen, die vertegenwoordigd worden in de eerste plaats door de eenvoudige geslachtsnamenKoekenCoucke, in Holland en Vlaanderen, en dan doorWittekoek, KrentekoekenPannekoek, Pankoek, Pannekoucke, enz. De vormPantekoekkomt ook voor. Wijl my nooit, in geen enkele gouspraak, de uitspraakpantekoekvoorgekomen is, in plaats vanpannekoekofpankoeke, zoo weet ik het voorkomen van dezen eenigszins zonderlingen naam niet te verklaren.Zuivelspyzen waren van ouds her by de Nederlanders zeer bemind en werden dageliks genuttigd. Vooral in het veeryke Holland en Friesland. De namen van zulke spyzen vindt men in de geslachtsnamenHeetebry, Wittewronghel, Ouboter, Dolleboter, KaasenCaes, HooikaasenOoykaas, enz. Als men melk by middel van eenig stremsel, gewoonlik van leb, stremt, dan schift zy zich in de vaste, kaasachtige stoffen,wrongelgenoemd, en in de vloeibare bestanddeelen, deweiofhui, in de friesche gewestenwaeiofwaigenoemd. (Van daar de noord-hollandsche geslachtsnaamWaaiboer). Die wrongel was vroeger als verkwikkende en verkoelende spyze zeer bemind. Te Groningen, buiten de Heerenpoort, is hetWrongelhuusnog bekend, waar men zich aan wrongel vergasten kan. Ook buiten Hamburg werd my nog, in eene boereherberg, wrongel voorgezet. De oude Vlamingen, in de middeleeuen, schynen ook groote liefhebbers van zuivelspyzen geweest te zijn; althans de vlaamsche boeren, de zoogenoemde »vlaamsche kerelen”, die oorspronkelik Friesen en Saksen waren. Immers luidt het referein van een middeleeusch vlaamsch volkslied, een spotlied op die »keerlen”:»Wronghele ende wey,Broot ende caes,Dat heit hi al den dach!”En werkelik is ook thans nog de geslachtsnaamWittewronghelmetWittevronghelenWittevrongelin Vlaanderen inheemsch. De juiste beteekenis en oorsprong van den zonderlingen naamDolleboteris my onbekend.Ooykaashoude ik voor eenen versletenen, ouden form vanHooikaas.In de middeleeuen was karnemelk en wei de dageliksche drank van den geringen man, als hy geen bier bekostigen kon; vooral ook van vrouen en kinderen. Het was hetdrinkenof hetzuipen, hetsuypen, gelijk men toen zich uitdrukte en schreef, als by uitnemendheid. Van daar dat in de friesche taal karnemelk nog hedensûpe(spreek ongeveer alssoepeuit) heet. In de friesche steden, waar, b. v. te Leeuwarden en te Sneek, »de Suupmerk”, in deze eeu soms verhollandscht tot »Zuipmarkt”, nog bestaat, zegt mensuup. Elders in de noordelike gewesten, b. v. te Groningen, is eene zuivelspyze alsdiksoepenbekend; en ook in Brabant, b. v. te Breda, kent menzuipenals zuivelspijs. De geslachtsnamenKarmelk, SoeteweyenVetsuypen, met den patronymikalen formVetsuypens, leggen nog getuigenis af van het zuiveldrinken onzer voorouders.Vleesch- en vischspyzen zijn my slechts voorgekomen in de geslachtsnamenPotharst, Spek, Ham, Spekham, WorstenDe Worst, Pannevis, PekelharingenStokvis. De naamPotharstkomt menigvuldig voor, ook in de versletene formenPothastenPotthast.Potharstbestaat uit vuistdikke stukken rundvleesch, van deharst(ruggestreng), met gort en rapen of wortelen samengesmoord. In Holland noemt men dit herfst-gerechthutspot. Sedert de opkomst der eerdappelen in de Nederlanden, is (jammer genoeg!) de potharst van de tafel der burgery verdwenen; toch is hy hier en daar in onze noordelike en oostelike gewesten nog bekend en in gebruik.Kiliaanheeft »Pot-harst,Sax. Fris. Sicamb.j. hutspot.Caro iussulenta.”—»Schelharst” is de naam van een ander stuk vleesch. Ook dit woord komt als geslachtsnaam voor, maar dan in verbasterden form, door de vage uitspraak derr, byzonder derar, by de saksische Nederlanders. Te weten alsSchelhaas.Nevens den geslachtsnaamSpekkomt ookVan der Spekvoor, enVan den Hamnaast het enkeleHam.—»De Ham”, vooral »De Westfaalsche Ham” was oudtijds als huisnaam niet zeldzaam, en staat nog heden te Haarlem in den Anegang. Daarenboven heeft het woordhamnog eene algemeen-aardrijkskundige beteekenis, en formt als zoodanig aardrijkskundige namen. Vele dorpen en buurten in de verschillende nederlandsche gewesten dragen den naam vanHamenDen Ham, ook in samenstellingen (Drogeham, Blankenham, IJsselham). De geslachtsnaamVan den Hamzal dus waarschijnlik, even alsTen HamenHamstra, afgeleid zijn van dit algemeen-aardrijkskundige woord.Namen van spyzen en gerechten, uit het plantenrijk herkomstig, ontmoeten wy in de geslachtsnamenKoolenCool, Buiskool, Boerkool, Warmoes, Koolmoes, Witteboon, Gort, GortworstenPotjegort. Nevens den naamWitteboonkomt ookBonewitvoor; beide deze namen zijn aan israëlitische maagschappen eigen. Is de naamWitteboonmisschien door een spelend vernuft aangenomen als een ommekeer, een tegenhanger van den reeds bestaanden naamBonewit? En is deze laatste naam misschien weêr eene verbastering van den eveneens voorkomenden maagschapsnaamBonewitz, die van slavischen oorsprong is? Zie §164. InKoolenCoolkan ook de oud-germaansche, doorFörstemannvermelde mansvóórnaamColoschuilen. Zie bl. 102. NevensBoerkoolkomt ook de geslachtsnaamBoerkoelvoor. Deze laatste naam schijnt my toe niet eene verbastering te zijn van den eerstgenoemden, maar veeleer te behooren tot dekoel- (kuil) namen, op bl. 256 en 289 opgenoemd.Om al deze namen van spyzen en gerechten te besluiten, moet hier nog de geslachtsnaamBraspotvermeld worden, die (brassen= smullen) de kroon op alle voorgaanden zet. En dan, als toegift, noemen wy hier nog de geslachtsnamenMostert, Olie, OlyenHonig. Vooral de laatste naam is geenszins zeldzaam, en komt in allerlei formen en spelwyzen voor, alsHoningh, Honing, Honigh, HooningenHeuninck.Van de spyzen tot de dranken overgaande, vinden wy dat bier en wijn, ook in samenstellingen, almede hun aandeel hebben moeten leveren tot het formen van geslachtsnamen. Die woorden komenvoor in de geslachtsnamenBier, WijnenDe Wijn. Vervolgens inZuurbier(de hoogduitsche formSauerbierkomt ook in Nederland voor) enSoetbeer, hetwelk een platduitsche form is.Beer, in plaats vanbier, komt ook in den geslachtsnaamBeerstecher, zie bl. 183 en 311, voor. Verder nogScherpbier, DunbierenDunnebierenCoelenbiermetCoelembier. Een byzondere soort van bier dat oudtijds te Groningen gebrouen werd, droeg den naam vanKluun, verhollandscht totKluin. Van daar dat het vrachtschip van Groningen op Leeuwarden, het welk oudtijds geheele ladingen van dat veelbegeerde bier bewesten Lauers bracht, in laatstgenoemde stad nog steeds den naam draagt van »kluunskip”, kluinschip. En van daar dat het pijnlike voeteuvel (podagra), dat men zich op den hals, of beter in den voet haalt door onmatig bierdrinken, in het Friesch den naam draagt van »kluunskonk”82KluunenKluinzijn twee geslachtsnamen, in de noordelikste gewesten inheemsch.NevensZuurbiertreffen wy den geslachtsnaamSoerewynaan, een friesche en saksische form van »zurewijn”. En als de weêrga vanCoelenbierde geslachtsnaamKoelewijn. Andere formen van laatstgenoemden naam vertoonen nog de geslachtsnamenKoldewynenKollewyn.83Maar de geslachtsnamenColdewey, KolleweienKohlweiverwarre men er niet mede. Dezen immers hebben eenen gants anderenoorsprongen beteekenis; het zijn plaatsnamen. Aan verschillende gehuchten in de friesche streken van Oldenburg, in de gemeenten Ferwert of Fedderwarden, Berne, Grootkerk of Hohenkirchen, is deze plaatsnaam eigen. De geslachten die thans in de Nederlanden deze namen voeren, zullen oorspronkelik in genoemde gehuchten gezeten geweest zijn. Als de naam van eene byzondere soort van wijn, die oudtijds door de Nederlandersgedronken werd, komt de geslachtsnaamRomenyvoor; enRummenie, dat slechts eene andere schrijfwyze is van het zelfde woord. Men vergelyke hier echter bl. 210.Ten slotte noem ik hier nog de geslachtsnamenKoekenbierenBierenbroodspot. De eerste toont ons een oorbeeldig boerenonthaal. De laatste is de naam van het dageliksche morgen- en avondgerecht onzer voorouders. Roggenbrood, vooral ook roggentweebak, in dunbier gebrokkeld en te zamen verwarmd, dat was »de bier-en-broodspot”, die oudtijds zoo hoog in achting stond, dat hy wel op gevelsteenen en als huisnaam voorkwam, en dat hy zelfs, vermoedelik langs dien weg, geslachtsnaam geworden is.§141. Als geslachtsnamen, die oorspronkelik de namen zijn van kleedingstukken, noemen wy in de eerste plaatsJas(metVan der Jas),BuisenBuys, Broek, Hoos, Das, Mantel, SchorteldoekenBorstlap. De oorspronkelike beteekenis der drie laatstgenoemde namen als kleedingstukken, is buiten twyfel. Niet alzoo is het met de anderen.Jasimmers is ook als verkorting van den mansvóórnaamJasperin gebruik. InBuisenBuyskan ook een mansvóórnaam schuilen, en wel de zelfde die voorkomt in de patronymikale maagschapsnamenBuysing, Büsink, Bussing, Bussink, Buissink, Buisinga, Buisma, Busma, Buyssens, Buyse, Buizen, Buyze, enz.; in verkleinform alsBuyskes, BuskenenBuska(zie echter bl. 270). Namelik de oud-germaansche mansnaamBuso, doorFörstemannvermeld.—Broekkan men ook rekenen tot de namen van algemeen-aardrijkskundigen oorsprong (zie bl. 281), even als menDastot de diernamen kan tellen. De beteekenis van het woordhoos, als kleedingstuk, zweeft tusschen die van onze hedendaagsche woordenbroekenkous. In het hedendaagsche Friesch heefthoasde beteekenis vankous. Maar in Holland had in de middeleeuenhoosde beduidenis van een kleedingstuk, dat bestond uit broek en kousen aan één stuk, gelijk men in die tyden droeg. Buitendien zoude men den geslachtsnaamHoosnog kunnen voegen by die welke in §138vermeld zijn, omdathoosook de naam is van een natuurverschijnsel.Als ontleend aan de namen van byzondere soorten van kleedingstukken noemen wy nog de maagschapsnamenRuygrokenRuifrok,RuigrokenRuyfrok, allen het zelfde beteekenende. Immersruig,ruif,ruwzijn niet aleen woorden van de zelfde beduidenis, maar ook van den zelfden oorsprong. Ook zijn deze namen al van oude dagteekening. Volgens het tijdschriftDe oude Tijd, jaargang 1869, bl. 206, komt reeds in eene oorkonde van den jare 1435 zekereJan Ruychrockvoor.—VerderLangerokenLangerock, Zwarterok, BlontrockenSchoonrok, Witjas, Bontemantel, enz. Oudtijds was »De Bontemantel” een huisnaam die meermaals voorkwam; volgensVan LennepenTer Gouwonder anderen te Amsterdam, Antwerpen en Delft. Als geslachtsnaam komtBontemantel, waarschijnlik aan eenen huisnaam ontleend, reeds in het begin der jaren 1500 voor. Een der eerste ontginners van het Bilt in Friesland droeg dezen naam. En deze naam is daar weêr gegeven aan het huis door dien man geboud en bewoond, en als huisnaam, daar tot op den huidigen dag in wezen gebleven. In dit geval heeft dus eerst een huis den naam gegeven aan eenen man, en later is die naam weêr van den man op een huis overgegaan.In sommige nederlandsche gouspraken, vooral in die van onze noordoostelike gewesten, draagt een mansbroek den naam vanbokse. Of de zonderlinge geslachtsnaamVixseboxse, dien ik anders niet en weet te verklaren, met dat woord in verband staat? En dusfiksche broekbeduidt? In dit geval zou deze naam zoo zonderling wezen, dat ik dit naueliks aannemen durf. Trouens, aan zeer zonderlinge namen hebben wy geen gebrek. §147en vervolgens leert dat voldoende. Daar zijn er nog wel zonderlinger vermeld danVixseboxse, ook al neemt men bovengenoemden oorsprong aan. De geslachtsnaamKousbroek, die in Vlaanderen in den byzonderen formVan Causbrouckvoorkomt, doet aan de middeleeuschehozen, op de vorige bladzyde vermeld, denken. Of aan de geslachtsnamenBlaauwbroek, Bruynbroeck, WittebrouckenRybroekde naam van het kleedingstuk ten grondslag ligt, of wel het algemeen-aardrijkskundige woordbroek= moeras, is moeielik uit te maken. Ik houd het laatste voor het waarschijnlikste. InVan Swartenbrouckis dit zekerlik het geval. Maar in den als patronymikon voorkomenden geslachtsnaamSwartenbrouckxis het weêr twyfelachtig. Ook is de oorsprong en eigenlike beteekenisvan den maagschapsnaamGeuzebroek, waar aan toch hoochst waarschijnlik wel een plaatsnaam ten grondslag ligt, my onbekend gebleven.Als geslachtsnamen ontleend aan de woorden die hoofddeksels en voetbekleedsels aanduiden, vermeld ik hier:Hoed, HoetenHoedtmetD’Hoedt, Den HoedenDen Hoedt. InTen Hoetschijnt een plaatsnaam te schuilen, dien ik echter niet aanwyzen kan.—VerderGeelhoedenZwarthoed, met de hoogduitsche namenGrünhutenSchönhuth, die ook in de Nederlanden voorkomen. OokPet, MutsenDubbeldemuts. DanLaarsenLeers, SchoenenSchoe. Deze laatste naam vertoont den oorspronkeliken, zuiveren, eenvoudigen form van het woord. De maagschapsnaamSchoegjevertoont den byzonderen verkleinform (in plaats van »schoentje”), welke in Friesland zoo wel als in het Overmaassche by Dordrecht, der volksspreektaal eigen is.Van der Laarszal oorspronkelik wel de bynaam geweest zijn van eenen leersemaker, even alsVan der Jasdie van eenen kleêrmaker. Maar deze geslachtsnamen kunnen ook aan huisnamen ontleend zijn. Immers gevelteekens als »De Roode Leers” of »De Rylaers” kwamen oudtijds niet zeldzaam voor.—Ook behooren hier nog vermeld te worden de maagschapsnamenKlomp, Trip(eene muil met houtene zool) enSchaats.Gedeelten van kleedingstukken leenden hunne namen aan de geslachtsnamenKnoopenCnoop(die ook in patronymikalen form alsKnoopsenCnoopsvoorkomen),RoksnoerenMouw. Raadselachtig is my de geslachtsnaamDer Mouw, wegens dat voorvoechselder; een oud lidwoord? of het verbogene vrouelike lidwoord? By de vierknoopnamen zal men wel liefst te denken hebben aan den mansvóórnaamKnoopofCnoop, die oudtijds wel in de Nederlanden voorkwam. (ZieDe Navorscher, XXII, bl. 566 en 574). Ten slotte komen de namen van kleedingstoffen nog voor in de geslachtsnamenBommezijn, Chits, Flanel, Katoen, Scharlaecken, VijfschaftenWitdoeck.Vijfschaft(Fiifskaft) is de friesche en friso-saksische naam van zekere wollen stof die oudtijds door de landlieden in onze noordoostelike gewesten geweven werd. Zy heette alzoo naar hare byzondere wyze van samenstelling. De geslachtsnaamVijfschaftis dan ook inDrente inheemsch, waar ook nogfiifskaftgedragen wordt. Waarschijnlik zijn al deze namen oorspronkelik bynamen geweest van lieden die in zulke stoffen handel dreven. De naamWitdoeckis aan verschillende geslachten in de zuidelike gewesten eigen. Hy komt daar ook in de spellingWittouckvoor, en tevens in de patronymikale formenWitdouckxenWittoucx.J.Geslachtsnamen, afgeleid van de namen van munten, geldsoorten, maten en getallen.§142. De geslachtsnamen die geformd zijn uit de namen van munten en geldsoorten, maten en getallen, hebben gewis ook, althans ten deele, hun ontstaan te danken aan gevelteekens en huisnamen. Voor een ander deel ook aan bynamen, die uit de eene of andere oorzaak, welke nu niet meer na te speuren is, oudtijds dezen of genen man gegeven waren. Dat eene oud-amsterdamsche maagschap, uit de 16deeeu, haren naamReaelontleende aan »De gouden Reael” (een muntstuk uit dien tijd), zoo als het huis heette aan het Damrak te Amsterdam, waarLaurens Jacobsz.de stamvader van dit geslacht woonde—is bekend. En zoo zal het ook wel gegaan zijn met andere geslachten, die tegenwoordig den naam van een muntstuk of iets dergelijks, als naam voeren.Om met de kleinste munten te beginnen, vermelden wy eerst de geslachtsnamenPenningenPenninck, en, nog geringer,Kleinpenning. Gering is ook de beteekenis van den naamSchimmelpenninck, al wordt hy door een aanzienlik geslacht gedragen. Een penning echter, die men zoo lang in eenen spaarpot bewaard had, dat hy er beschimmeld uitkwam, was by onze zuinige voorouders, als een bewijs van spaarzaamheid, in hooge weerde. In den formSchimmelpenningis deze geslachtsnaam almede by ons inheemsch. Ook de hoogduitsche form van dezen naam komt in Nederland voor, als de geslachtsnaamSchimmelpfennig; buitendien ook nog versleten alsSchimmelpfeng. Minder in achting was dekwade, dat is devalschepenning, die nog in den geslachtsnaamQuapenninckleeft. Zulk een kwadepenning werd oudtijds in den winkel waar hy aangeboden of ontdekt werd, met eenen spyker doorgeslagen en aan de toonbank of den toogdisch bevestigd. In de vorige eeu was dit nog in Friesland in gebruik, en dat men het ook in Vlaanderen deed, bewijst dit vlaamsche rijmke, dat tevens den oorsprong van den geslachtsnaamQuapenninckbuiten twyfel stelt:”Slaet al wat kwapennink is”Slaet kwapennink aen den disch!”Dat van Brugge tot aen Gent”HeerKwapenninksta bekend!”Als dat hy kwapennink is!”Slaet kwapennink aen den disch!”De speelpenning had geen eigenlike weerde. Hy was dan ook in den handel niet gangbaar, en vertegenwoordigde slechts eene ingebeelde weerde als hy by eenig spel diende, op de wyze der hedendaagsche beenenvischjes, die men in kwaad fransch welfichesbelieft te noemen. Duitsche speelpenningen, met den stempel »Spielmarke” er op, waren in myne jeugd te Leeuwarden nog in gebruik. In den geslachtsnaamSpeelpenningis dit woord bewaard gebleven. De braspenning was in den ouden tijd een muntje, waar men, in die goedkoope dagen, voor »brassen”, smullen kon. Zóó althans verklaart de volksmond dezen naam, by de overlevering van den metselaar die aan St.-Jans-kerk in ’s Hertogenbosch arbeidde, en die den pot met groene-erwten-soep, welke zyne vrou hem als zijn middagmaal bracht, verachtelik omschopte, terwijl hy uitriep:»Is dat eten voor eenen man.”Die daags eenen braspenning verdienen kan?”De geslachtsnaamBraspenning(zie ookBraspotop bl. 423) komt nog heden ten dage voor. Meer als in al deze enkele penningen leit er opgesloten in den geslachtsnaamTweepenninck, die ook in patronymikalen form, alsTweepenninckxvoorkomt.Voor wy tot de namen van andere munten overgaan, dient hier nog vermeld, dat men in den geslachtsnaamPenningenPenninckniet onvoorweerdelik den muntnaam zien moet. Immers kan deze naam evenzeer een oud patronymikon zijn vaneenen oud-germaanschen mansvóórnaamPenne(Pinne), dien ik wel niet afsonderlik, en als zoodanig, in eenig oud geschrift aantoonen kan, maar die toch zekerlik in gebruik geweest is. Dit blijkt zonder eenigen billiken twyfel uit de geslachtsnamenPenningaenPennenga, die in Friesland inheemsch zijn. Alsmede waarschijnlik uitPens, en uitPenninckxin Vlaanderen, uitPenningin Engelland voorkomende, en uitPenninkhof. Verder uit den westfaalschen geslachtsnaam(Von) Pinning, uit den naam van het uitgestorvene oud-friesche geslachtPingia(dat is eene samentrekking vanPinninga), en misschien ook uit den groningerlandschen geslachtsnaamPynema, en uitPienemann. In de plaatsnamenPenningtonin Hantshire (Engelland);Pennigbüttel, een dorp by Osterholz in Hanover;Pennigsehl, een dorp in Hoya (Hanover);Pingjum, dat isPingia-hum, Pingia-heim, Pinninga-heim, woonplaats derPinninga’s, derPinningen, der afstammelingen vanPinne, zoo als een dorp heet in Friesland (Wonseradeel); en inPinning, een dorp by Landau in den Beierschen Palts, komt deze oude mansnaamPenne, Pinneeveneens voor.Van de penningen tot de duiten en centen overgaande, vinden wy de geslachtsnamenDrieduiten, DuitenDuitgenius, metDeutgenius, CentenCenten.—Deutgeniushoud ik voor eene verlatynsching vanDeutgen, en dit is eene oude spelwyze van het woordduitje. Men zie bl. 110, enVan LennepenTer Gouw,De Uithangteekens, dl. II, bl. 193, waar wy lezen van »een brabantsch muntje, dat de waarde had van een kwart grootoft deutgen(duitje)”.Deutgenis ook als geslachtsnaam bekend. De geslachtsnaamCentechter en heeft oorspronkelik met den naam onzer hedendaagsche pasmunt niet te maken, maar is eene volkseigene verkorting van den kerkeliken mansvóórnaamVincent(Vincentius). EnCentenis daarvan een patronymikon, op de wyze als in §40vermeld is. De volle vadersnaamVincentenkomt ook als geslachtsnaam voor.»De Stuiver” kwam reeds in de 15deeeu als uithangteeken voor. Reeds in het midden dier eeu had dit huisteeken zynen naam gegeven aan eenen burgemeester van Amsterdam,Hendrik Dirksz. Stuyver. En omstreeks eene eeu later was zekereGerritStuiverburgemeester van Haarlem.84Nog heden komen de geslachtsnamenStuiverenDe Stuyvervoor, alsmedeKroonstuiver, dat zeker de naam is van eene byzondere soort van stuiver, in stempel of muntslag verschillende van den gewonen.De stooter is geen eigenlike munt; het is de volksnaam voor eene geldsweerde van 12–1/2 cent. Dit woord formt den geslachtsnaam Stooter, die ook als patronymikon,Stooters, voorkomt. Verder zijn nog de geslachtsnamenDaalder, GuldenenDucaetmuntnamen die geen naderen uitleg eischen, evenmin alsDuyzenddaalders. Maar deze laatste naam is eigenlik een basterdvloek, en staat in de plaats van »duizend donders!” Het schijnt dat de man die eerst den zonderlingen naamDuyzenddaaldersvoerde, dezen basterdvloek zoo dikwijls in den mond genomen heeft, dat hy er eenen bynaam van kreeg. Schild of »schilt”, »scilt”, was de naam van zekere oude munt, en dit woord bestaat nog in den geslachtsnaamVijftigschild, die ook door afslyting zyne laatste letter verloren heeft, en alsVijftigschilvoorkomt. Misschien ook in den enkelvoudigen geslachtsnaamSchilt; zie bl. 364.—In de middeleeuen berekende men de kleine munten, de penningen, ook by het gewicht. Van daar nog de geldsweerden die men noemt »een pond sterling”, in Engelland, »een pond vlaamsch,” in sommige nederlandsche gewesten (Zeeland) nog in gebruik, enz. Deze ponden gelds vindt men nog terug in de geslachtsnamenTweepondt, DriepontenDryepondt, Tienpont, ThienpondtenThienpont. De geslachtsnamenVijfstuk, VijffstukenGrootstukmet het door verbasterde uitspraak misspeldeGrautstuk, meen ik ook tot de muntnamen te moeten brengen. Misschien ookGrevenstuk, met welken naam men een »gravenstuk”, eene grafelike munt kan hebben aangeduid.Algemeene geldnamen zijn nogKleingeld, NievergeldenOffergeldmetOffergelten den versletenen formOffergel.—Nievergeld, misspeld voorNieuwergeld, isNieuwgeld, nieu geld; even alsNiervaart=Nieuwervaart; Nieuwer-Amstel, in de uitspraak ook dikwijlsNieveramstel, enz.Eindelik zoude men de geslachtsnamenSmytegeld, Grijptenduit(zie §150), ookMet de PenningenenMettepenningen, ook nog tot de geldnamen kunnen brengen.§143. Slechts weinige geslachtsnamen zijn oorspronkelik de namen van maten. Deoorsprongvan het grootste deel dezer namen is zekerlik wel in huisnamen te vinden. Zoo was er voor weinige jaren nog te Haarlem een huis dat »De Houtmaat” in den gevel voerde. En als eene woordspeling met het bevel: »houdt maat!” stond er op dien gevelsteen in geestig rijm:“Want het is een wijs manDie de maet houden kan.”Deze aardige gevelsteen is doorVan LennepenTer Gouwonvermeld gelaten. Daarom heb ik aan zyne beschryving hier een plaatske ingeruimd. Geslachtsnamen, tot deze groep behoorende, zijnMudde, Schepel, ZoutmaatenHavermaet. Het hoogduitscheBiermaszis my ook in Nederland voorgekomen. Verder nogGoedmaatenVierendeelmet den patronymikalen formVierendeels. De beteekenis van den naamGoedmaatis niet zeker. Hy zoude ook kunnen beduiden:goede maat, in de beteekenis van goede vriend, en dus een weêrga zijn van den geslachtsnaamGoedvriend; zie §144.Zonderling genoeg, en, wat hun oorsprong betreft, voor my vry duister, zijn die geslachtsnamen, welke uit de namen van getallen bestaan. Daarvan zijn de volgenden my bekend:Drie, Zeven, Dertien(ook in patronymikalen formDertiens),Zestiene, AchttienenAgtien, Sestig, HonderdenDuizend, met den hoogduitschen formTausend, die almede hier te lande voorkomt. De geslachtsnaamDriezoude ook zeer wel oorspronkelik de naam kunnen zijn van het gehuchtDrie, by Ermeloo op de Veluwe. De geslachtsnaamVan Drieis zonder twyfel aan dien plaatsnaam ontleend. Zoo ook dankt de geslachtsnaamVan Agtzynen oorsprong niet aan het getal acht, maar aan het dorpAcht, in de noord-brabantsche Kempen gelegen. De geslachtsnaamZeveneindelik zoude oorspronkelik ook een oud-germaansche mansvóórnaam kunnen zijn, de zelfde als de naamstamSew,doorFörstemannvermeld, en die ook oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamenSevensmaenZevensmain Friesland, enSevensin Vlaanderen.K.Geslachtsnamen ontleend aan de verwantschap en de onderlinge betrekkingen der menschen.§144. Het is reeds van ouds her in gebruik geweest om twee personen, die den zelfden naam droegen, van elkanderen te onderscheiden door eenen bynaam, ontleend aan de byzondere betrekking of verwantschap waar in die personen tot elkanderen, of ook tot anderen stonden. Had een vader b. v., dieKarel Van Dijkheette, zynen zoon ookKarelgenoemd, dan kreeg die vader eerlang, als zijn zoon volwassen werd, ter onderscheiding den bynaam vande Vader;Karel Van Dijk De Vadernoemde men hem ter onderscheiding van den jongenKarel Van Dijk. Of ook, als oom en neef den zelfden naam droegen, dan gaf men aan laatstgenoemden wel den bynaam vande Neef. Andere soortgelyke benamingen, alsVondeling, Bastaard, Voogd, Jongeling, Grijsaard, Vriend, Buurman, enz. aan de betrekkingen of verhoudingen der menschen onderling ontleend, werden almede als bynamen gegeven. Velen van die bynamen zijn van den vader op den zoon overgegaan, zijn vaste toenamen gebleven, en eindelik vaste geslachtsnamen geworden. Deze byzondere geslachtsnamen formen eene eigene groep. De volgende namen breng ik daar toe:Vader, by zeer gebruikelike samentrekkingDe VaarenDe Vaere, als patronymikon ookVaders. Waarschijnlik beteekent de reeds in de 15deeeu voorkomende geslachtsnaamDe Veeroorspronkelik even eensde Vader. Immers isveer,feervoorvaar,faar,vader,fader,father, oud-friesch ookfether, eene oude noord-hollandsch-friesche uitspraak. Nog heden ten dage luidt het woordvaderin den byzonderen frieschen tongval der stede Hindeloopen alsfeer. VerderKind, met’T Kinten’T Kindt, De KyndtenJongkindmetJongkindt. De maagschapsnamenVeefkindenVollekindtbehooren zekerlik ook tot deze groep. Ik kan ze niet verklaren. OverDaenekindtzie men bl. 194. De geslachtsnaamDer Kinderenis op bl. 168 reeds besproken, enDe Jong, De Oude, enz. met de talryke verscheidenheden van die namen welke in zekeren zin ook tot deze groep kunnen gebracht worden, zijn op bl. 339 reeds vermeld. De geslachtsnamenDen OudstenenDe Jongste, metJongste, als in het byzonder de verhouding van broeders onderling aanduidende, dienen hier ter plaatse niet onvermeld gelaten te worden. OokJongezoonen’T Jonckmoeten hier vermeld, benevens den byzonderen patronymikalen form’S Jongers, dat is:des jongers, des jongers (zoon), de zoon van den jongeren (broeder); zie bl. 185. Anderebroedernamen zijn nogBroeder, Den Broeder, Oolbroer(een versletene saksische form,ool’ broêr,ool’broeder,oldbroeder, oude broeder; zie op bl. 50 den naamOol-Bekkink). VerderStillebroerenBestebroer, en in verkleinform, tevens met de klankwyziging (umlaut), in de frankische en saksische tongvallen gebruikelik,Bestebreurtje. De patronymikale geslachtsnamenBroers, Broeren, Broere, BroersmaenBroersemameen ik niet van het woordbroederte moeten afleiden, maar van den mansvóórnaamBroer(zie bl. 175). Zoo ook komt het my aannemeliker voor om de geslachtsnamenOome, Oomen, Ooms, Oomsz, Omenga, met de verkleinformen daarvanOhmkenenOomkens, allen patronymikale formen, niet af te leiden van het woordoom, maar van den mansvóórnaamOme, die nog heden wel eene enkele maal in onze friesche en saksische gewesten voorkomt, en die een byform is vanOmme, Ommo, Ummo, Umo, allen oud-germaansche mansvóórnamen. Zie bl. 138.De maagschapsnamenPeetoomechter,De PeetenDe Peterlaten geen twyfel over aan hunne oorspronkelike beteekenis. Als weêrga van deze namen bestaat er in Vlaanderen de geslachtsnaamDe Vaddere. »Vadder” is in het Oud-Vlaamsch het zelfde wat men thanspeter,gevader,godvadernoemt (zieGuido Gezelle’stijdschriftLoquela, jaargang III, 1883, bl. 11). En even duidelik wat hun oorsprong en beteekenis aangaat, zijn ook de maagschapsnamenDe Neve, Den Neef, Neef, die ook in de zuidelike Nederlanden half verfranscht voorkomen alsDeneveenDenève. Verderde verkleinform van dit woord, als patronymikon,Neefjes, en eindelik de oud-fransche form daar van, die ook in de Nederlanden als geslachtsnaam voorkomt,Nepveu. Of de geslachtsnaamSwagermanook tot deze groep behoort, in de beteekenis vanzwager= aangehuwde verwant, bepaaldelik geenbloedverwant, is niet zeker.Swagermanzoude ook kunnen beteekenen: een man van deSwaag, een inwoner van een der dorpen die deZwaagheeten. Zie bl. 269 en 270. Iedereen verstaat ook de geslachtsnamenDe Wees, De Weze, met het gewestelik-hollandscheWeesie(zie §156), en met de half-verfranschte formen, die in de zuidelike Nederlanden voorkomen:DewezenDe Vèze. OokVan WeesenVan der Wees, namen die van eenen byzonderen of algemeen-aardrijkskundigen naamWeesschynen afkomstig te zijn, maar die my onduidelik blyven. VerderDe Moerlooseen, in eenigszins verbasterden formDe Morloose, dat is:de moederlooze.—Een halve wees is ook het kind dat na zijns vaders dood geboren wordt. Zulk een kind noemden de Romeinen een »postumus” of »postuma,” al naar dat dit kind een knaapje was of een meiske. De maagschapsnaamPosthumusis zekerlik oorspronkelik gegeven aan zulk eenen nageborenen knaap. Maar met den geslachtsnaamPosthumaacht ik dit niet het geval; dat men een nageboren meiskePostumanoemde, is zeer wel mogelik, maar die naam kon toch later niet op hare zonen overgaan! De maagschapsnaamPosthumais in Friesland inheemsch. Zoude hy niet een versierde, quasi-latynsche form zijn van den eveneens aan een friesch geslacht eigenen naamPostma? OokPostmuskomt in Friesland voor, nevensPosthumus. Verder nogPostemaenPostsma. Waarschijnlik is er verwarring onder al deze namen, door onverstand ontstaan en door verwisseling en verbastering van Oud-Friesch en Latyn, by toevallige overeenkomst in form en klank. Hoe het zy, ik kan geenen uitweg vinden uit den doolhof vandezegeslachtsnamen.By den wees behoort zijn voogd, en dit woord treffen wy aan in de geslachtsnamenVoogt, De Voogt, De Vooght, in hoogduitschen form alsVogtvoorkomende, en ook alsVoigt, het welk eveneens eene hoogduitsche spelwyze vertoont, maar in den verouderden form die ook nog gebruikelik is in de benaming van hetVoigtland, eene gou in het koninkrijk Saksen. Duidelikis ook de maagschapsnaamVondeling. En de namenVindevogel, Vindevoghelmet het patronymikaleVindevogelshebben de zelfde beteekenis. De drie laatstgenoemde namen komen in de zuidelike Nederlanden voor, en het woord »vindevogel” heeft ook juist in de volksspreektaal der vlaamsche en brabantsche gewesten de beteekenis van iets dat gevonden wordt in het algemeen. Ook behoort tot deze groep van namen de geslachtsnaamVindelinckx(waarvanWindelincxeen uit misverstand ontstane verbastering schijnt te zijn), die mede in de zuidelike gewesten t’ huis behoort. Het is een patronymikale form van het woord »vindelink,” vindeling, vondeling. Zonderling genoeg, heeft men in den maagschapsnaamVan de Vondel, die nog heden ten dage in de zuidelike Nederlanden, waar hy trouens oorspronkelik inheemsch is, ook nog alsVan Vondelen, Van den Vondel, Van der VondelenenVervondelvoorkomt, eene toespeling meenen te vinden op het woordvondeling. Zoo hadden de Regenten van het Aalmoeseniershuis te Amsterdam, in de laatste jaren der 17deeeu wel eens de aardigheid om vondelingen doopen te laten met den naamJoostofJoostje, al naar gelang dat het kind een jongen was of een meiske. Zy deden dit in toespeling op den naam van onzen grooten dichterJoost Van den Vondel. Intusschen heeft deze geslachtsnaam, in de verschillende formen waarin hy voorkomt, niets met de woordenvindenenvondelingte maken. Immers het woordvondelheeft in deze woorden de beteekenis van een klein, smal brugje, meestal uit eene enkele plank bestaande, die in een voetpad over eene sloot ligt. Men zegt ookvonderen zelfs welvlonder. De maagschapsnamenVan de Vondel, enz. behooren dus by die welke van algemeen-aardrijkskundigen aard zijn, en in §105vermeld werden.Men is wel verlegen, welke geslachtsnamen men aan vondelingen geven zal, en komt er dan wel toe om namen te ontleenen aan byzondere zaken die by het vinden van het kind aan den dag kwamen, of daar mede in verband stonden. Een voorbeeld daar van is op bl. 412 reeds vermeld. Een ander voorbeeld is my bekend, waar men aan den vondeling den naam van de straat, waar hy gevonden was, als geslachtsnaam gaf. Een derde voorbeeld vind ik in het volgende bericht, voorkomende in het brugschenieusblad »Burgerwelzijn,” in het nummer van 21 Mei 1884: »Zondagnacht, rond 12 ure, heeft de genaamde A. V. E. te Zuidschote, een pas geboren kind gevonden, dat in een pander verborgen was. Den maandag namiddag is het gedoopt, en het kreeg de namen vanRenilde Marie van Pander.”—Zuid-Schote is een dorp in West-Vlaanderen, en een »pander” of »paander” is, in de westvlaamsche gouspraak, een korf of mand.De maagschapsnamenBasterd, met het half-verdietschte, oorspronkelik franscheBattaerd(bâtard), enBanckaertmetBankertgeven getuigenis dat zy oorspronkelik toenamen geweest zijn voor kinderen van zoogenoemde onechte geboorte. Immers dat is de beteekenis dier namen.De betrekkingen der menschen onderling, van maatschappeliken aard, hebben ook aanleiding gegeven tot het ontstaan van geslachtsnamen. Als zoodanig vermeld ik hier de namen:Vriend, Vrind, De VriendtenDe Vrient, GoedvriendenCortvriendt, De Mackeren misschien ookSlaap. Immers isslaap(bepaaldeliksleep,slepofsliepin de westfriesche taal) het woord dat oudtijds in Noord-Holland en Friesland in gebruik was voorvriend, namelik waar het de byzondere vriendschap tusschen twee jongelingen gold. Op onze westfriesche eilanden (Wieringen, Ameland) is dit woord nog in die beteekenis bekend. (Zie mijnAlgemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon, dl. I, bl. 485 en dl. II bl. 30). VerderDe Gast, Buur, Buurman, enNabuursals patronymikon. In onze oostelike gewesten (de graafschap Zutfen, Overijssel, Drente) isnaberhet woord dat voor het hollandsche en frieschebuurman,bûrman, voor het vlaamschegebuerin gebruik is. Dit is de saksische form waaronder dit woord optreedt, en die overeenkomt met het hoogduitschenachbaren het engelscheneighbour. De Schotten zeggen, meer in overeenstemming met de saksische Nederlanders,neebor. Onder dezen form komt dit woord voor in de gedichten vanBurns, die in den schotschen tongval van het saksisch zijn opgesteld. Dit oude woordnaberkomt ook als maagschapsnaam voor (Naber), de weêrga van den geslachtsnaamBuurman. Zoo zijn ook de geslachtsnamenNieubuurenNiebuurtegenhangers vanNinaberenNienaber, en met dezen van de zelfde beteekenis; te weten: nieue buurman. Dezebuurnamen vinden inde zuidelike Nederlanden hunne tegenhangers in de geslachtsnamenGoetgebuerenQuagebuer(goede en kwade buurman), die in verschillende spelwyzen en formen voorkomen, alsGoetgebuur, Goetghebuer, Goetghebeur, Goegebuer, Goegebeur, ook alsGoedegeburein Zeeland; enQuaghebuer. Vooral de eerstgenoemde naam is tamelik algemeen in Vlaanderen en Brabant. De goede buren zijn talryker dan de kwaden.Eenige geslachtsnamen, die byzondere leeftyden en toestanden der menschen vertegenwoorden, mogen almede by deze groep eene plaats vinden. Het zijnDrielingenVierling, die op eene gemeenschappelike geboorte, by drieën en vieren te gelijk, betrekking hebben. VerderKnaap, CnaapenKnape, met den patronymikalen formKnaapen, en, als verkleinwoord met de frankische klankwyziging,Kneepkens; dat is: de zoon van den kleinen knaap. Het woordknaapin deze namen kan ook de oude beteekenis vanschildknaap, in de middeleeuen gewoonlik enkelcnape, hebben. In dit geval behooren deze namen eerder by die, welke op bl. 325 vermeld zijn. VerderJongenenMeisjemetMeiske, Jongeling, Jöngeling, Jonkman, De MaegdtenMaagdelijn. Zonderlinge namen voor mannen moet menMeisje, Maagdelijn, enz. noemen.MaagdelijnenDe Maegdtechter, vooral de laatstgenoemde naam, kunnen ook aan eenen huisnaam ontleend zijn. Huizen immers diede Maagd van Gent, de Dortse Maagt, de Zeeusche Maeght, enz. heetten, kwamen oudtijds in de nederlandsche steden wel voor. En ook nog heden wel; b. v.De Zeeuwsche Maegdte Gent. By deze namen behoort ook de geslachtsnaamFeynt. Immers het woordfeint,veintheeft nog heden ten dage zoowel in Friesland als in Zeeland en Vlaanderen de beteekenis van krachtvolle jongeling, jonge man;—niet volkomen in overeenstemming met de beduidenis die de Hollanders aan hun woordventhechten. Ten slotte nogVryer, FryerenDe Vryer, BruidegomenBruigom, OuwerlingenGrijsaarden het half-verfranschteGrisar. Het woordouderling(ouwerling,auerlynk) heeft in de zuidelike Nederlanden niet de protestantsch-kerkelike beteekenis die het in de noordelike gewesten heeft, maar beduidt eenvoudig:oude man, in tegenoverstelling metjongeling.De geslachtsnamenMenschenMan, Mann, De Man, ’T MannetjeenMannekensbreng ik, als aanhangsel, mede tot deze groep. OokDe KeirelenDe Keyrel(in oud-vlaamsche spelling). In dezen naam heeft het woordkerelzeker niet de hedendaagsch-hollandsche beteekenis, maar veeleer de oud-vlaamsche, te weten, die van een vrye landman in het Brugsche Vrye (West-Vlaanderen); zie bl. 421. AangaandeVrouwes, Der Weduwe, enz. is op bl. 167 en 168 reeds het een en ander medegedeeld.
H.Geslachtsnamen aan de namen van lichaamsdeelen ontleend.§139. De enkele, eenvoudige namen van menschelike lichaamsdeelen komen ook als geslachtsnamen voor. Ik vermeld deze namen hier in eene afzonderlike groep, als aanhangsel van de andere namen die rechtstreeks ontleend zijn aan voorwerpen en zaken uit de natuur. Ik had aan deze maagschapsnamen, aan de namen van lichaamsdeelen ontleend, ook gevoegelik eene plaats kunnen geven by die geslachtsnamen, welke hun ontstaan danken aan byzondere lichamelike eigenschappen der menschen; §124–126. Immers velen van de onderwerpelike geslachtsnamen zijn eerst als bynamen in gebruik geweest voor personen, by welke het eene of andere lichaamsdeel, wegens misforming, byzondere grootte, of eenige andere oorzaak, in het byzonder de opmerkzaamheid van andere lieden trok. Zoo krijgt b. v. iemand, die de opmerkzaamheid van anderen opwekt door eenen zeer grooten, of krommen, of rooden neus, al lichtelik den bynaam van »Neus”. En dat zulke bynamen langzamerhand vaste toenamen geworden zijn, en eindelik vaste geslachtsnamen, daarvan zijn in dit werk reeds vele voorbeelden opgenoemd. My is iemand bekend, wiens gebit, door byzonder groote snytanden in de bovenkaak, en door eene korte bovenlip, sterk in het oog loopt. Deze man draagt daar eenen bynaam af, te weten dien van (zeggen wy maarTeake)Tosk. Immers hy woont in Friesland; entosk(tusk) is het friesche woord voortand. Dat zulk een bynaam oudtijds in der daad eenvaste geslachtsnaam is geworden, wordt door het voorkomen, heden ten dage, van de geslachtsnamenTandin Holland,Toschin Friesland, enZahnin Duitschland (ook van daar in Nederland overgebracht) bewezen.Karl Strackerjanverhaalt in zijn werkDie Jeverländischen Personennamen, bl. 39, van eenen boerenarbeider, die »bekam einmal beim Mähen von seinem Nebenmann mit der Sense in der Wade, plattdeutschKüet, eine Wunde, an welcher er lange zu leiden hatte. Bald hiess er in seiner Umgebung nur »Behrend Küet”, und als er starb, erbte sein Sohn den Namen. Trotz Widerspruch und Klagen bei der Behörde, zum Theil auch wohl eben deswegen, blieb für ihn der Name »Gerd Küet” und sein Häuschen hiess dieKüeterê” (kuitery, in het Hollandsch). »Sicherlich wäre daraus ein Familienname geworden, wenn Kirchen- und Erdbuch noch eine solche Schöpfung des Volksmundes aufgenommen hätten.” Intusschen komt in Nederland werkelikKuitenKuytals geslachtsnaam voor; terwijl te Rotterdam eene brug den naam draagt vanJan-Kuiten-brug, ten bewyze dat ook daar een man geweest is dieJan Kuitheette of aldus genoemd werd.Als voorbeelden van geslachtsnamen ontleend aan de namen van byzondere lichaamsdeelen, noem ik hier:Hooften’T Hooft, metHoeuft, Heuften het versleteneHeuff, die ik niet anders kan verklaren dan als eene byzondere uitspraak van het woordhooftofhoofdin de eene of andere byzondere gouspraak. In den geslachtsnaamBleyenheuftkomt deze spelwyze ook voor; en eene andere inSchoonhoefd(zie bl. 345). Moet eerstgenoemde geslachtsnaam verklaard worden als »looden hoofd”? Beduidt deze naam niet hoofd of kop van lood, die als uithangteeken diende? en is dus een tegenhanger van de geslachtsnamenGoudenhooftenHouthoofd(zie bl. 367 en 368)? VerderD’Oore, in Vlaanderen voorkomende. De Vlamingen spreken nog zeer te recht en taalkundig zuiverde oore, voor het noord-nederlandschehet oor. Zoo spreken zy ookde ooge, voor het hollandschehet oog, en dien ten gevolge meen ik den vlaamschen geslachtsnaamDoghete moeten verklaren alsD’Oghe, D’Ooghe, De Ooghe, het oog. Misschien echter schuilt in ditDogheook de bekende geslachtsnaamDe Hooge, De Hoog, op vlaamsche wyze uitgesproken en geschreven, alsD’’Oge, De Hoge, De Hooge. NevensD’Oorein Vlaanderen komt in Holland de geslachtsnaamOorvoor, en zelfs het franscheOreille. VerderDe Neus, Neus, Kaakebeen, Mond(enBek; zie echter bl. 279),Tand, De Tandt, Kies, Baert, Den Hals, Borst, De Borst, Buyck, Maagh, Lever, Blaas, ’T Hart, Pols, Vuist, De Vuyst, Duim, Duymen zelfsVan Duym, Pinck, Been(enPoot),KuitenKuyt, Scheen, VoetenHiel, NagelenDe Naeghel(zie bl. 365). Eindelik nogVelenSchornagel(scheurnagel? de man die kenbaar was aan eenen gescheurden nagel).By deze namen zullen er wel enkelen zijn, die eenen anderen oorsprong hebben, en die slechts toevallig de namen van lichaamsdeelen vertoonen. Zoo kan inBaerteen oud-nederlandsche mansvóórnaam schuilen (Baert, Beert, Barend, Berend, Bernard, Bernhart), de zelfde mansvóórnaam die ook aan de patronymikale geslachtsnamenBaartsenBaertsten grondslag ligt.Blaaskomt voor als eene verkorting van den kerkeliken mansvóórnaamBlasius(zie bl. 181), en zoo kan dus de geslachtsnaamBlaaszeer gevoegelik gehouden worden als zynen oorsprong te ontleenen aan genoemden mansnaam.Polleis een friesche mansvóórnaam, en de geslachtsnaamPolskan zeer wel een tweede naamval, een patronymikale form daar van zijn. Wel is de friesche mansvóórnaamPolleofPolals zoodanig weinig in gebruik; maar hy ligt toch aan verschillende geslachtsnamen ten grondslag. Te weten aanPollema, Polsma, Polling, Pollen, Pollsen, enz.; allen vadersnamen. En ook aan het verlatynschtePollius. In den geslachtsnaamBeenkan de friesche mansvóórnaamBeneschuilen, de oud-germaansche naamBeno, welke ook oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamenBeninga, Beenenga, Beening, Beens, Beenen, Benes, Benen, enz.Hile(Hyle) eindelik is nog een friesche mansvóórnaam, die tegenwoordig meest in verkleinform, alsHylkeenHyltjevoorkomt. De geslachtsnaamHielkan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. Aan de geslachtsnamenHylen, Hieltjes, Hielkes(zie bl. 150) heeft hy tevens oorsprong gegeven.I.Geslachtsnamen, aan de namen van spyzen, dranken en kleedingstukken ontleend.§140. Spijs en drank en kleeding zijn zaken die eene groote rol spelen in het dageliksche leven der menschen. Het is dan ook niet vreemd dat de namen daar van wel voorkomen als geslachtsnamen. Iemand toch, die byzonder graag deze of gene spyze of drank at of dronk, die daar voor bekend was by zyne omgeving, kreeg al licht, uit spot, zulk eenen naam als bynaam. En deze bynamen gingen als gebruikelike toenamen, later als vaste geslachtsnamen wel op de kinderen en nakomelingen dier mannen over. En even zoo ging het met de namen van kleedingstukken. Iemand die bekend was wegens het dragen van ’t eene of andere byzondere, ongemeene, of sterk in het oog vallende kleedingstuk, kreeg al licht den naam daar van als bynaam. Ook kwamen de afbeeldingen en namen van spyzen en dranken en kleedingstukken wel als gevelteekens en huisnamen voor. Zoo kan ook langs dien weg menige dergelyke geslachtsnaam in gebruik gekomen zijn.By de opsomming der geslachtsnamen aan de namen van spyzen ontleend, mogen wy wel beginnen met »den staf des levens”, met het brood. Broodnamen zijnWittebroodt, Soetbrood, Schoonbrood, Platbroodt. Eerstgenoemde naam is al oud; immersJan Wytbrootwas reeds in 1511 een burger der stad Leeuwarden.80Ook in Engelland komt de geslachtsnaamWhitbreadvoor, terwijl het franscheBlanpainin Nederland my voorgekomen is. VerderTeirbroodt, dat is het brood waar men vanteert, het dageliksche brood om van te leven. De geslachtsnaamDroogenbroodtis een tegenhanger van den maagschapsnaamBoterenbrood, welke naam ook in den formBotterbrodtvoorkomt, en vanKaasenbrood. De laatstgenoemde geslachtsnaam komt ook, half verfranscht, alsDe Casembrootvoor. Te Monster in het Westland ziet men, aan eene herberg, nog »Kaas en brood” als uithangbord.81Tot het bereiden van brood is koorn noodig; en ook zuurdeeg.Deze woorden zijn ook tot geslachtsnamen geworden; namelik alsBroodkoren, Broodcoren, Brotcorne, en zelfs in versletenen form en als vadersnaamBrocorens. En alsZuurdeeg(met den hoogduitschen formSauerteig).Als aanhangsel tot dezebroodnamen vermelden wy nog de geslachtsnamenBeschuydtenWermenbol(warme bol) metKrentebol. Eenebolis een bolvormig fijn gebak; in Friesland noemt men nog alle wittebrood »bolle”. Dezebolnamen, waartoe misschien ookWittebol(zie bl. 343) behoort, voeren geleidelik tot dekoeknamen, die vertegenwoordigd worden in de eerste plaats door de eenvoudige geslachtsnamenKoekenCoucke, in Holland en Vlaanderen, en dan doorWittekoek, KrentekoekenPannekoek, Pankoek, Pannekoucke, enz. De vormPantekoekkomt ook voor. Wijl my nooit, in geen enkele gouspraak, de uitspraakpantekoekvoorgekomen is, in plaats vanpannekoekofpankoeke, zoo weet ik het voorkomen van dezen eenigszins zonderlingen naam niet te verklaren.Zuivelspyzen waren van ouds her by de Nederlanders zeer bemind en werden dageliks genuttigd. Vooral in het veeryke Holland en Friesland. De namen van zulke spyzen vindt men in de geslachtsnamenHeetebry, Wittewronghel, Ouboter, Dolleboter, KaasenCaes, HooikaasenOoykaas, enz. Als men melk by middel van eenig stremsel, gewoonlik van leb, stremt, dan schift zy zich in de vaste, kaasachtige stoffen,wrongelgenoemd, en in de vloeibare bestanddeelen, deweiofhui, in de friesche gewestenwaeiofwaigenoemd. (Van daar de noord-hollandsche geslachtsnaamWaaiboer). Die wrongel was vroeger als verkwikkende en verkoelende spyze zeer bemind. Te Groningen, buiten de Heerenpoort, is hetWrongelhuusnog bekend, waar men zich aan wrongel vergasten kan. Ook buiten Hamburg werd my nog, in eene boereherberg, wrongel voorgezet. De oude Vlamingen, in de middeleeuen, schynen ook groote liefhebbers van zuivelspyzen geweest te zijn; althans de vlaamsche boeren, de zoogenoemde »vlaamsche kerelen”, die oorspronkelik Friesen en Saksen waren. Immers luidt het referein van een middeleeusch vlaamsch volkslied, een spotlied op die »keerlen”:»Wronghele ende wey,Broot ende caes,Dat heit hi al den dach!”En werkelik is ook thans nog de geslachtsnaamWittewronghelmetWittevronghelenWittevrongelin Vlaanderen inheemsch. De juiste beteekenis en oorsprong van den zonderlingen naamDolleboteris my onbekend.Ooykaashoude ik voor eenen versletenen, ouden form vanHooikaas.In de middeleeuen was karnemelk en wei de dageliksche drank van den geringen man, als hy geen bier bekostigen kon; vooral ook van vrouen en kinderen. Het was hetdrinkenof hetzuipen, hetsuypen, gelijk men toen zich uitdrukte en schreef, als by uitnemendheid. Van daar dat in de friesche taal karnemelk nog hedensûpe(spreek ongeveer alssoepeuit) heet. In de friesche steden, waar, b. v. te Leeuwarden en te Sneek, »de Suupmerk”, in deze eeu soms verhollandscht tot »Zuipmarkt”, nog bestaat, zegt mensuup. Elders in de noordelike gewesten, b. v. te Groningen, is eene zuivelspyze alsdiksoepenbekend; en ook in Brabant, b. v. te Breda, kent menzuipenals zuivelspijs. De geslachtsnamenKarmelk, SoeteweyenVetsuypen, met den patronymikalen formVetsuypens, leggen nog getuigenis af van het zuiveldrinken onzer voorouders.Vleesch- en vischspyzen zijn my slechts voorgekomen in de geslachtsnamenPotharst, Spek, Ham, Spekham, WorstenDe Worst, Pannevis, PekelharingenStokvis. De naamPotharstkomt menigvuldig voor, ook in de versletene formenPothastenPotthast.Potharstbestaat uit vuistdikke stukken rundvleesch, van deharst(ruggestreng), met gort en rapen of wortelen samengesmoord. In Holland noemt men dit herfst-gerechthutspot. Sedert de opkomst der eerdappelen in de Nederlanden, is (jammer genoeg!) de potharst van de tafel der burgery verdwenen; toch is hy hier en daar in onze noordelike en oostelike gewesten nog bekend en in gebruik.Kiliaanheeft »Pot-harst,Sax. Fris. Sicamb.j. hutspot.Caro iussulenta.”—»Schelharst” is de naam van een ander stuk vleesch. Ook dit woord komt als geslachtsnaam voor, maar dan in verbasterden form, door de vage uitspraak derr, byzonder derar, by de saksische Nederlanders. Te weten alsSchelhaas.Nevens den geslachtsnaamSpekkomt ookVan der Spekvoor, enVan den Hamnaast het enkeleHam.—»De Ham”, vooral »De Westfaalsche Ham” was oudtijds als huisnaam niet zeldzaam, en staat nog heden te Haarlem in den Anegang. Daarenboven heeft het woordhamnog eene algemeen-aardrijkskundige beteekenis, en formt als zoodanig aardrijkskundige namen. Vele dorpen en buurten in de verschillende nederlandsche gewesten dragen den naam vanHamenDen Ham, ook in samenstellingen (Drogeham, Blankenham, IJsselham). De geslachtsnaamVan den Hamzal dus waarschijnlik, even alsTen HamenHamstra, afgeleid zijn van dit algemeen-aardrijkskundige woord.Namen van spyzen en gerechten, uit het plantenrijk herkomstig, ontmoeten wy in de geslachtsnamenKoolenCool, Buiskool, Boerkool, Warmoes, Koolmoes, Witteboon, Gort, GortworstenPotjegort. Nevens den naamWitteboonkomt ookBonewitvoor; beide deze namen zijn aan israëlitische maagschappen eigen. Is de naamWitteboonmisschien door een spelend vernuft aangenomen als een ommekeer, een tegenhanger van den reeds bestaanden naamBonewit? En is deze laatste naam misschien weêr eene verbastering van den eveneens voorkomenden maagschapsnaamBonewitz, die van slavischen oorsprong is? Zie §164. InKoolenCoolkan ook de oud-germaansche, doorFörstemannvermelde mansvóórnaamColoschuilen. Zie bl. 102. NevensBoerkoolkomt ook de geslachtsnaamBoerkoelvoor. Deze laatste naam schijnt my toe niet eene verbastering te zijn van den eerstgenoemden, maar veeleer te behooren tot dekoel- (kuil) namen, op bl. 256 en 289 opgenoemd.Om al deze namen van spyzen en gerechten te besluiten, moet hier nog de geslachtsnaamBraspotvermeld worden, die (brassen= smullen) de kroon op alle voorgaanden zet. En dan, als toegift, noemen wy hier nog de geslachtsnamenMostert, Olie, OlyenHonig. Vooral de laatste naam is geenszins zeldzaam, en komt in allerlei formen en spelwyzen voor, alsHoningh, Honing, Honigh, HooningenHeuninck.Van de spyzen tot de dranken overgaande, vinden wy dat bier en wijn, ook in samenstellingen, almede hun aandeel hebben moeten leveren tot het formen van geslachtsnamen. Die woorden komenvoor in de geslachtsnamenBier, WijnenDe Wijn. Vervolgens inZuurbier(de hoogduitsche formSauerbierkomt ook in Nederland voor) enSoetbeer, hetwelk een platduitsche form is.Beer, in plaats vanbier, komt ook in den geslachtsnaamBeerstecher, zie bl. 183 en 311, voor. Verder nogScherpbier, DunbierenDunnebierenCoelenbiermetCoelembier. Een byzondere soort van bier dat oudtijds te Groningen gebrouen werd, droeg den naam vanKluun, verhollandscht totKluin. Van daar dat het vrachtschip van Groningen op Leeuwarden, het welk oudtijds geheele ladingen van dat veelbegeerde bier bewesten Lauers bracht, in laatstgenoemde stad nog steeds den naam draagt van »kluunskip”, kluinschip. En van daar dat het pijnlike voeteuvel (podagra), dat men zich op den hals, of beter in den voet haalt door onmatig bierdrinken, in het Friesch den naam draagt van »kluunskonk”82KluunenKluinzijn twee geslachtsnamen, in de noordelikste gewesten inheemsch.NevensZuurbiertreffen wy den geslachtsnaamSoerewynaan, een friesche en saksische form van »zurewijn”. En als de weêrga vanCoelenbierde geslachtsnaamKoelewijn. Andere formen van laatstgenoemden naam vertoonen nog de geslachtsnamenKoldewynenKollewyn.83Maar de geslachtsnamenColdewey, KolleweienKohlweiverwarre men er niet mede. Dezen immers hebben eenen gants anderenoorsprongen beteekenis; het zijn plaatsnamen. Aan verschillende gehuchten in de friesche streken van Oldenburg, in de gemeenten Ferwert of Fedderwarden, Berne, Grootkerk of Hohenkirchen, is deze plaatsnaam eigen. De geslachten die thans in de Nederlanden deze namen voeren, zullen oorspronkelik in genoemde gehuchten gezeten geweest zijn. Als de naam van eene byzondere soort van wijn, die oudtijds door de Nederlandersgedronken werd, komt de geslachtsnaamRomenyvoor; enRummenie, dat slechts eene andere schrijfwyze is van het zelfde woord. Men vergelyke hier echter bl. 210.Ten slotte noem ik hier nog de geslachtsnamenKoekenbierenBierenbroodspot. De eerste toont ons een oorbeeldig boerenonthaal. De laatste is de naam van het dageliksche morgen- en avondgerecht onzer voorouders. Roggenbrood, vooral ook roggentweebak, in dunbier gebrokkeld en te zamen verwarmd, dat was »de bier-en-broodspot”, die oudtijds zoo hoog in achting stond, dat hy wel op gevelsteenen en als huisnaam voorkwam, en dat hy zelfs, vermoedelik langs dien weg, geslachtsnaam geworden is.§141. Als geslachtsnamen, die oorspronkelik de namen zijn van kleedingstukken, noemen wy in de eerste plaatsJas(metVan der Jas),BuisenBuys, Broek, Hoos, Das, Mantel, SchorteldoekenBorstlap. De oorspronkelike beteekenis der drie laatstgenoemde namen als kleedingstukken, is buiten twyfel. Niet alzoo is het met de anderen.Jasimmers is ook als verkorting van den mansvóórnaamJasperin gebruik. InBuisenBuyskan ook een mansvóórnaam schuilen, en wel de zelfde die voorkomt in de patronymikale maagschapsnamenBuysing, Büsink, Bussing, Bussink, Buissink, Buisinga, Buisma, Busma, Buyssens, Buyse, Buizen, Buyze, enz.; in verkleinform alsBuyskes, BuskenenBuska(zie echter bl. 270). Namelik de oud-germaansche mansnaamBuso, doorFörstemannvermeld.—Broekkan men ook rekenen tot de namen van algemeen-aardrijkskundigen oorsprong (zie bl. 281), even als menDastot de diernamen kan tellen. De beteekenis van het woordhoos, als kleedingstuk, zweeft tusschen die van onze hedendaagsche woordenbroekenkous. In het hedendaagsche Friesch heefthoasde beteekenis vankous. Maar in Holland had in de middeleeuenhoosde beduidenis van een kleedingstuk, dat bestond uit broek en kousen aan één stuk, gelijk men in die tyden droeg. Buitendien zoude men den geslachtsnaamHoosnog kunnen voegen by die welke in §138vermeld zijn, omdathoosook de naam is van een natuurverschijnsel.Als ontleend aan de namen van byzondere soorten van kleedingstukken noemen wy nog de maagschapsnamenRuygrokenRuifrok,RuigrokenRuyfrok, allen het zelfde beteekenende. Immersruig,ruif,ruwzijn niet aleen woorden van de zelfde beduidenis, maar ook van den zelfden oorsprong. Ook zijn deze namen al van oude dagteekening. Volgens het tijdschriftDe oude Tijd, jaargang 1869, bl. 206, komt reeds in eene oorkonde van den jare 1435 zekereJan Ruychrockvoor.—VerderLangerokenLangerock, Zwarterok, BlontrockenSchoonrok, Witjas, Bontemantel, enz. Oudtijds was »De Bontemantel” een huisnaam die meermaals voorkwam; volgensVan LennepenTer Gouwonder anderen te Amsterdam, Antwerpen en Delft. Als geslachtsnaam komtBontemantel, waarschijnlik aan eenen huisnaam ontleend, reeds in het begin der jaren 1500 voor. Een der eerste ontginners van het Bilt in Friesland droeg dezen naam. En deze naam is daar weêr gegeven aan het huis door dien man geboud en bewoond, en als huisnaam, daar tot op den huidigen dag in wezen gebleven. In dit geval heeft dus eerst een huis den naam gegeven aan eenen man, en later is die naam weêr van den man op een huis overgegaan.In sommige nederlandsche gouspraken, vooral in die van onze noordoostelike gewesten, draagt een mansbroek den naam vanbokse. Of de zonderlinge geslachtsnaamVixseboxse, dien ik anders niet en weet te verklaren, met dat woord in verband staat? En dusfiksche broekbeduidt? In dit geval zou deze naam zoo zonderling wezen, dat ik dit naueliks aannemen durf. Trouens, aan zeer zonderlinge namen hebben wy geen gebrek. §147en vervolgens leert dat voldoende. Daar zijn er nog wel zonderlinger vermeld danVixseboxse, ook al neemt men bovengenoemden oorsprong aan. De geslachtsnaamKousbroek, die in Vlaanderen in den byzonderen formVan Causbrouckvoorkomt, doet aan de middeleeuschehozen, op de vorige bladzyde vermeld, denken. Of aan de geslachtsnamenBlaauwbroek, Bruynbroeck, WittebrouckenRybroekde naam van het kleedingstuk ten grondslag ligt, of wel het algemeen-aardrijkskundige woordbroek= moeras, is moeielik uit te maken. Ik houd het laatste voor het waarschijnlikste. InVan Swartenbrouckis dit zekerlik het geval. Maar in den als patronymikon voorkomenden geslachtsnaamSwartenbrouckxis het weêr twyfelachtig. Ook is de oorsprong en eigenlike beteekenisvan den maagschapsnaamGeuzebroek, waar aan toch hoochst waarschijnlik wel een plaatsnaam ten grondslag ligt, my onbekend gebleven.Als geslachtsnamen ontleend aan de woorden die hoofddeksels en voetbekleedsels aanduiden, vermeld ik hier:Hoed, HoetenHoedtmetD’Hoedt, Den HoedenDen Hoedt. InTen Hoetschijnt een plaatsnaam te schuilen, dien ik echter niet aanwyzen kan.—VerderGeelhoedenZwarthoed, met de hoogduitsche namenGrünhutenSchönhuth, die ook in de Nederlanden voorkomen. OokPet, MutsenDubbeldemuts. DanLaarsenLeers, SchoenenSchoe. Deze laatste naam vertoont den oorspronkeliken, zuiveren, eenvoudigen form van het woord. De maagschapsnaamSchoegjevertoont den byzonderen verkleinform (in plaats van »schoentje”), welke in Friesland zoo wel als in het Overmaassche by Dordrecht, der volksspreektaal eigen is.Van der Laarszal oorspronkelik wel de bynaam geweest zijn van eenen leersemaker, even alsVan der Jasdie van eenen kleêrmaker. Maar deze geslachtsnamen kunnen ook aan huisnamen ontleend zijn. Immers gevelteekens als »De Roode Leers” of »De Rylaers” kwamen oudtijds niet zeldzaam voor.—Ook behooren hier nog vermeld te worden de maagschapsnamenKlomp, Trip(eene muil met houtene zool) enSchaats.Gedeelten van kleedingstukken leenden hunne namen aan de geslachtsnamenKnoopenCnoop(die ook in patronymikalen form alsKnoopsenCnoopsvoorkomen),RoksnoerenMouw. Raadselachtig is my de geslachtsnaamDer Mouw, wegens dat voorvoechselder; een oud lidwoord? of het verbogene vrouelike lidwoord? By de vierknoopnamen zal men wel liefst te denken hebben aan den mansvóórnaamKnoopofCnoop, die oudtijds wel in de Nederlanden voorkwam. (ZieDe Navorscher, XXII, bl. 566 en 574). Ten slotte komen de namen van kleedingstoffen nog voor in de geslachtsnamenBommezijn, Chits, Flanel, Katoen, Scharlaecken, VijfschaftenWitdoeck.Vijfschaft(Fiifskaft) is de friesche en friso-saksische naam van zekere wollen stof die oudtijds door de landlieden in onze noordoostelike gewesten geweven werd. Zy heette alzoo naar hare byzondere wyze van samenstelling. De geslachtsnaamVijfschaftis dan ook inDrente inheemsch, waar ook nogfiifskaftgedragen wordt. Waarschijnlik zijn al deze namen oorspronkelik bynamen geweest van lieden die in zulke stoffen handel dreven. De naamWitdoeckis aan verschillende geslachten in de zuidelike gewesten eigen. Hy komt daar ook in de spellingWittouckvoor, en tevens in de patronymikale formenWitdouckxenWittoucx.J.Geslachtsnamen, afgeleid van de namen van munten, geldsoorten, maten en getallen.§142. De geslachtsnamen die geformd zijn uit de namen van munten en geldsoorten, maten en getallen, hebben gewis ook, althans ten deele, hun ontstaan te danken aan gevelteekens en huisnamen. Voor een ander deel ook aan bynamen, die uit de eene of andere oorzaak, welke nu niet meer na te speuren is, oudtijds dezen of genen man gegeven waren. Dat eene oud-amsterdamsche maagschap, uit de 16deeeu, haren naamReaelontleende aan »De gouden Reael” (een muntstuk uit dien tijd), zoo als het huis heette aan het Damrak te Amsterdam, waarLaurens Jacobsz.de stamvader van dit geslacht woonde—is bekend. En zoo zal het ook wel gegaan zijn met andere geslachten, die tegenwoordig den naam van een muntstuk of iets dergelijks, als naam voeren.Om met de kleinste munten te beginnen, vermelden wy eerst de geslachtsnamenPenningenPenninck, en, nog geringer,Kleinpenning. Gering is ook de beteekenis van den naamSchimmelpenninck, al wordt hy door een aanzienlik geslacht gedragen. Een penning echter, die men zoo lang in eenen spaarpot bewaard had, dat hy er beschimmeld uitkwam, was by onze zuinige voorouders, als een bewijs van spaarzaamheid, in hooge weerde. In den formSchimmelpenningis deze geslachtsnaam almede by ons inheemsch. Ook de hoogduitsche form van dezen naam komt in Nederland voor, als de geslachtsnaamSchimmelpfennig; buitendien ook nog versleten alsSchimmelpfeng. Minder in achting was dekwade, dat is devalschepenning, die nog in den geslachtsnaamQuapenninckleeft. Zulk een kwadepenning werd oudtijds in den winkel waar hy aangeboden of ontdekt werd, met eenen spyker doorgeslagen en aan de toonbank of den toogdisch bevestigd. In de vorige eeu was dit nog in Friesland in gebruik, en dat men het ook in Vlaanderen deed, bewijst dit vlaamsche rijmke, dat tevens den oorsprong van den geslachtsnaamQuapenninckbuiten twyfel stelt:”Slaet al wat kwapennink is”Slaet kwapennink aen den disch!”Dat van Brugge tot aen Gent”HeerKwapenninksta bekend!”Als dat hy kwapennink is!”Slaet kwapennink aen den disch!”De speelpenning had geen eigenlike weerde. Hy was dan ook in den handel niet gangbaar, en vertegenwoordigde slechts eene ingebeelde weerde als hy by eenig spel diende, op de wyze der hedendaagsche beenenvischjes, die men in kwaad fransch welfichesbelieft te noemen. Duitsche speelpenningen, met den stempel »Spielmarke” er op, waren in myne jeugd te Leeuwarden nog in gebruik. In den geslachtsnaamSpeelpenningis dit woord bewaard gebleven. De braspenning was in den ouden tijd een muntje, waar men, in die goedkoope dagen, voor »brassen”, smullen kon. Zóó althans verklaart de volksmond dezen naam, by de overlevering van den metselaar die aan St.-Jans-kerk in ’s Hertogenbosch arbeidde, en die den pot met groene-erwten-soep, welke zyne vrou hem als zijn middagmaal bracht, verachtelik omschopte, terwijl hy uitriep:»Is dat eten voor eenen man.”Die daags eenen braspenning verdienen kan?”De geslachtsnaamBraspenning(zie ookBraspotop bl. 423) komt nog heden ten dage voor. Meer als in al deze enkele penningen leit er opgesloten in den geslachtsnaamTweepenninck, die ook in patronymikalen form, alsTweepenninckxvoorkomt.Voor wy tot de namen van andere munten overgaan, dient hier nog vermeld, dat men in den geslachtsnaamPenningenPenninckniet onvoorweerdelik den muntnaam zien moet. Immers kan deze naam evenzeer een oud patronymikon zijn vaneenen oud-germaanschen mansvóórnaamPenne(Pinne), dien ik wel niet afsonderlik, en als zoodanig, in eenig oud geschrift aantoonen kan, maar die toch zekerlik in gebruik geweest is. Dit blijkt zonder eenigen billiken twyfel uit de geslachtsnamenPenningaenPennenga, die in Friesland inheemsch zijn. Alsmede waarschijnlik uitPens, en uitPenninckxin Vlaanderen, uitPenningin Engelland voorkomende, en uitPenninkhof. Verder uit den westfaalschen geslachtsnaam(Von) Pinning, uit den naam van het uitgestorvene oud-friesche geslachtPingia(dat is eene samentrekking vanPinninga), en misschien ook uit den groningerlandschen geslachtsnaamPynema, en uitPienemann. In de plaatsnamenPenningtonin Hantshire (Engelland);Pennigbüttel, een dorp by Osterholz in Hanover;Pennigsehl, een dorp in Hoya (Hanover);Pingjum, dat isPingia-hum, Pingia-heim, Pinninga-heim, woonplaats derPinninga’s, derPinningen, der afstammelingen vanPinne, zoo als een dorp heet in Friesland (Wonseradeel); en inPinning, een dorp by Landau in den Beierschen Palts, komt deze oude mansnaamPenne, Pinneeveneens voor.Van de penningen tot de duiten en centen overgaande, vinden wy de geslachtsnamenDrieduiten, DuitenDuitgenius, metDeutgenius, CentenCenten.—Deutgeniushoud ik voor eene verlatynsching vanDeutgen, en dit is eene oude spelwyze van het woordduitje. Men zie bl. 110, enVan LennepenTer Gouw,De Uithangteekens, dl. II, bl. 193, waar wy lezen van »een brabantsch muntje, dat de waarde had van een kwart grootoft deutgen(duitje)”.Deutgenis ook als geslachtsnaam bekend. De geslachtsnaamCentechter en heeft oorspronkelik met den naam onzer hedendaagsche pasmunt niet te maken, maar is eene volkseigene verkorting van den kerkeliken mansvóórnaamVincent(Vincentius). EnCentenis daarvan een patronymikon, op de wyze als in §40vermeld is. De volle vadersnaamVincentenkomt ook als geslachtsnaam voor.»De Stuiver” kwam reeds in de 15deeeu als uithangteeken voor. Reeds in het midden dier eeu had dit huisteeken zynen naam gegeven aan eenen burgemeester van Amsterdam,Hendrik Dirksz. Stuyver. En omstreeks eene eeu later was zekereGerritStuiverburgemeester van Haarlem.84Nog heden komen de geslachtsnamenStuiverenDe Stuyvervoor, alsmedeKroonstuiver, dat zeker de naam is van eene byzondere soort van stuiver, in stempel of muntslag verschillende van den gewonen.De stooter is geen eigenlike munt; het is de volksnaam voor eene geldsweerde van 12–1/2 cent. Dit woord formt den geslachtsnaam Stooter, die ook als patronymikon,Stooters, voorkomt. Verder zijn nog de geslachtsnamenDaalder, GuldenenDucaetmuntnamen die geen naderen uitleg eischen, evenmin alsDuyzenddaalders. Maar deze laatste naam is eigenlik een basterdvloek, en staat in de plaats van »duizend donders!” Het schijnt dat de man die eerst den zonderlingen naamDuyzenddaaldersvoerde, dezen basterdvloek zoo dikwijls in den mond genomen heeft, dat hy er eenen bynaam van kreeg. Schild of »schilt”, »scilt”, was de naam van zekere oude munt, en dit woord bestaat nog in den geslachtsnaamVijftigschild, die ook door afslyting zyne laatste letter verloren heeft, en alsVijftigschilvoorkomt. Misschien ook in den enkelvoudigen geslachtsnaamSchilt; zie bl. 364.—In de middeleeuen berekende men de kleine munten, de penningen, ook by het gewicht. Van daar nog de geldsweerden die men noemt »een pond sterling”, in Engelland, »een pond vlaamsch,” in sommige nederlandsche gewesten (Zeeland) nog in gebruik, enz. Deze ponden gelds vindt men nog terug in de geslachtsnamenTweepondt, DriepontenDryepondt, Tienpont, ThienpondtenThienpont. De geslachtsnamenVijfstuk, VijffstukenGrootstukmet het door verbasterde uitspraak misspeldeGrautstuk, meen ik ook tot de muntnamen te moeten brengen. Misschien ookGrevenstuk, met welken naam men een »gravenstuk”, eene grafelike munt kan hebben aangeduid.Algemeene geldnamen zijn nogKleingeld, NievergeldenOffergeldmetOffergelten den versletenen formOffergel.—Nievergeld, misspeld voorNieuwergeld, isNieuwgeld, nieu geld; even alsNiervaart=Nieuwervaart; Nieuwer-Amstel, in de uitspraak ook dikwijlsNieveramstel, enz.Eindelik zoude men de geslachtsnamenSmytegeld, Grijptenduit(zie §150), ookMet de PenningenenMettepenningen, ook nog tot de geldnamen kunnen brengen.§143. Slechts weinige geslachtsnamen zijn oorspronkelik de namen van maten. Deoorsprongvan het grootste deel dezer namen is zekerlik wel in huisnamen te vinden. Zoo was er voor weinige jaren nog te Haarlem een huis dat »De Houtmaat” in den gevel voerde. En als eene woordspeling met het bevel: »houdt maat!” stond er op dien gevelsteen in geestig rijm:“Want het is een wijs manDie de maet houden kan.”Deze aardige gevelsteen is doorVan LennepenTer Gouwonvermeld gelaten. Daarom heb ik aan zyne beschryving hier een plaatske ingeruimd. Geslachtsnamen, tot deze groep behoorende, zijnMudde, Schepel, ZoutmaatenHavermaet. Het hoogduitscheBiermaszis my ook in Nederland voorgekomen. Verder nogGoedmaatenVierendeelmet den patronymikalen formVierendeels. De beteekenis van den naamGoedmaatis niet zeker. Hy zoude ook kunnen beduiden:goede maat, in de beteekenis van goede vriend, en dus een weêrga zijn van den geslachtsnaamGoedvriend; zie §144.Zonderling genoeg, en, wat hun oorsprong betreft, voor my vry duister, zijn die geslachtsnamen, welke uit de namen van getallen bestaan. Daarvan zijn de volgenden my bekend:Drie, Zeven, Dertien(ook in patronymikalen formDertiens),Zestiene, AchttienenAgtien, Sestig, HonderdenDuizend, met den hoogduitschen formTausend, die almede hier te lande voorkomt. De geslachtsnaamDriezoude ook zeer wel oorspronkelik de naam kunnen zijn van het gehuchtDrie, by Ermeloo op de Veluwe. De geslachtsnaamVan Drieis zonder twyfel aan dien plaatsnaam ontleend. Zoo ook dankt de geslachtsnaamVan Agtzynen oorsprong niet aan het getal acht, maar aan het dorpAcht, in de noord-brabantsche Kempen gelegen. De geslachtsnaamZeveneindelik zoude oorspronkelik ook een oud-germaansche mansvóórnaam kunnen zijn, de zelfde als de naamstamSew,doorFörstemannvermeld, en die ook oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamenSevensmaenZevensmain Friesland, enSevensin Vlaanderen.K.Geslachtsnamen ontleend aan de verwantschap en de onderlinge betrekkingen der menschen.§144. Het is reeds van ouds her in gebruik geweest om twee personen, die den zelfden naam droegen, van elkanderen te onderscheiden door eenen bynaam, ontleend aan de byzondere betrekking of verwantschap waar in die personen tot elkanderen, of ook tot anderen stonden. Had een vader b. v., dieKarel Van Dijkheette, zynen zoon ookKarelgenoemd, dan kreeg die vader eerlang, als zijn zoon volwassen werd, ter onderscheiding den bynaam vande Vader;Karel Van Dijk De Vadernoemde men hem ter onderscheiding van den jongenKarel Van Dijk. Of ook, als oom en neef den zelfden naam droegen, dan gaf men aan laatstgenoemden wel den bynaam vande Neef. Andere soortgelyke benamingen, alsVondeling, Bastaard, Voogd, Jongeling, Grijsaard, Vriend, Buurman, enz. aan de betrekkingen of verhoudingen der menschen onderling ontleend, werden almede als bynamen gegeven. Velen van die bynamen zijn van den vader op den zoon overgegaan, zijn vaste toenamen gebleven, en eindelik vaste geslachtsnamen geworden. Deze byzondere geslachtsnamen formen eene eigene groep. De volgende namen breng ik daar toe:Vader, by zeer gebruikelike samentrekkingDe VaarenDe Vaere, als patronymikon ookVaders. Waarschijnlik beteekent de reeds in de 15deeeu voorkomende geslachtsnaamDe Veeroorspronkelik even eensde Vader. Immers isveer,feervoorvaar,faar,vader,fader,father, oud-friesch ookfether, eene oude noord-hollandsch-friesche uitspraak. Nog heden ten dage luidt het woordvaderin den byzonderen frieschen tongval der stede Hindeloopen alsfeer. VerderKind, met’T Kinten’T Kindt, De KyndtenJongkindmetJongkindt. De maagschapsnamenVeefkindenVollekindtbehooren zekerlik ook tot deze groep. Ik kan ze niet verklaren. OverDaenekindtzie men bl. 194. De geslachtsnaamDer Kinderenis op bl. 168 reeds besproken, enDe Jong, De Oude, enz. met de talryke verscheidenheden van die namen welke in zekeren zin ook tot deze groep kunnen gebracht worden, zijn op bl. 339 reeds vermeld. De geslachtsnamenDen OudstenenDe Jongste, metJongste, als in het byzonder de verhouding van broeders onderling aanduidende, dienen hier ter plaatse niet onvermeld gelaten te worden. OokJongezoonen’T Jonckmoeten hier vermeld, benevens den byzonderen patronymikalen form’S Jongers, dat is:des jongers, des jongers (zoon), de zoon van den jongeren (broeder); zie bl. 185. Anderebroedernamen zijn nogBroeder, Den Broeder, Oolbroer(een versletene saksische form,ool’ broêr,ool’broeder,oldbroeder, oude broeder; zie op bl. 50 den naamOol-Bekkink). VerderStillebroerenBestebroer, en in verkleinform, tevens met de klankwyziging (umlaut), in de frankische en saksische tongvallen gebruikelik,Bestebreurtje. De patronymikale geslachtsnamenBroers, Broeren, Broere, BroersmaenBroersemameen ik niet van het woordbroederte moeten afleiden, maar van den mansvóórnaamBroer(zie bl. 175). Zoo ook komt het my aannemeliker voor om de geslachtsnamenOome, Oomen, Ooms, Oomsz, Omenga, met de verkleinformen daarvanOhmkenenOomkens, allen patronymikale formen, niet af te leiden van het woordoom, maar van den mansvóórnaamOme, die nog heden wel eene enkele maal in onze friesche en saksische gewesten voorkomt, en die een byform is vanOmme, Ommo, Ummo, Umo, allen oud-germaansche mansvóórnamen. Zie bl. 138.De maagschapsnamenPeetoomechter,De PeetenDe Peterlaten geen twyfel over aan hunne oorspronkelike beteekenis. Als weêrga van deze namen bestaat er in Vlaanderen de geslachtsnaamDe Vaddere. »Vadder” is in het Oud-Vlaamsch het zelfde wat men thanspeter,gevader,godvadernoemt (zieGuido Gezelle’stijdschriftLoquela, jaargang III, 1883, bl. 11). En even duidelik wat hun oorsprong en beteekenis aangaat, zijn ook de maagschapsnamenDe Neve, Den Neef, Neef, die ook in de zuidelike Nederlanden half verfranscht voorkomen alsDeneveenDenève. Verderde verkleinform van dit woord, als patronymikon,Neefjes, en eindelik de oud-fransche form daar van, die ook in de Nederlanden als geslachtsnaam voorkomt,Nepveu. Of de geslachtsnaamSwagermanook tot deze groep behoort, in de beteekenis vanzwager= aangehuwde verwant, bepaaldelik geenbloedverwant, is niet zeker.Swagermanzoude ook kunnen beteekenen: een man van deSwaag, een inwoner van een der dorpen die deZwaagheeten. Zie bl. 269 en 270. Iedereen verstaat ook de geslachtsnamenDe Wees, De Weze, met het gewestelik-hollandscheWeesie(zie §156), en met de half-verfranschte formen, die in de zuidelike Nederlanden voorkomen:DewezenDe Vèze. OokVan WeesenVan der Wees, namen die van eenen byzonderen of algemeen-aardrijkskundigen naamWeesschynen afkomstig te zijn, maar die my onduidelik blyven. VerderDe Moerlooseen, in eenigszins verbasterden formDe Morloose, dat is:de moederlooze.—Een halve wees is ook het kind dat na zijns vaders dood geboren wordt. Zulk een kind noemden de Romeinen een »postumus” of »postuma,” al naar dat dit kind een knaapje was of een meiske. De maagschapsnaamPosthumusis zekerlik oorspronkelik gegeven aan zulk eenen nageborenen knaap. Maar met den geslachtsnaamPosthumaacht ik dit niet het geval; dat men een nageboren meiskePostumanoemde, is zeer wel mogelik, maar die naam kon toch later niet op hare zonen overgaan! De maagschapsnaamPosthumais in Friesland inheemsch. Zoude hy niet een versierde, quasi-latynsche form zijn van den eveneens aan een friesch geslacht eigenen naamPostma? OokPostmuskomt in Friesland voor, nevensPosthumus. Verder nogPostemaenPostsma. Waarschijnlik is er verwarring onder al deze namen, door onverstand ontstaan en door verwisseling en verbastering van Oud-Friesch en Latyn, by toevallige overeenkomst in form en klank. Hoe het zy, ik kan geenen uitweg vinden uit den doolhof vandezegeslachtsnamen.By den wees behoort zijn voogd, en dit woord treffen wy aan in de geslachtsnamenVoogt, De Voogt, De Vooght, in hoogduitschen form alsVogtvoorkomende, en ook alsVoigt, het welk eveneens eene hoogduitsche spelwyze vertoont, maar in den verouderden form die ook nog gebruikelik is in de benaming van hetVoigtland, eene gou in het koninkrijk Saksen. Duidelikis ook de maagschapsnaamVondeling. En de namenVindevogel, Vindevoghelmet het patronymikaleVindevogelshebben de zelfde beteekenis. De drie laatstgenoemde namen komen in de zuidelike Nederlanden voor, en het woord »vindevogel” heeft ook juist in de volksspreektaal der vlaamsche en brabantsche gewesten de beteekenis van iets dat gevonden wordt in het algemeen. Ook behoort tot deze groep van namen de geslachtsnaamVindelinckx(waarvanWindelincxeen uit misverstand ontstane verbastering schijnt te zijn), die mede in de zuidelike gewesten t’ huis behoort. Het is een patronymikale form van het woord »vindelink,” vindeling, vondeling. Zonderling genoeg, heeft men in den maagschapsnaamVan de Vondel, die nog heden ten dage in de zuidelike Nederlanden, waar hy trouens oorspronkelik inheemsch is, ook nog alsVan Vondelen, Van den Vondel, Van der VondelenenVervondelvoorkomt, eene toespeling meenen te vinden op het woordvondeling. Zoo hadden de Regenten van het Aalmoeseniershuis te Amsterdam, in de laatste jaren der 17deeeu wel eens de aardigheid om vondelingen doopen te laten met den naamJoostofJoostje, al naar gelang dat het kind een jongen was of een meiske. Zy deden dit in toespeling op den naam van onzen grooten dichterJoost Van den Vondel. Intusschen heeft deze geslachtsnaam, in de verschillende formen waarin hy voorkomt, niets met de woordenvindenenvondelingte maken. Immers het woordvondelheeft in deze woorden de beteekenis van een klein, smal brugje, meestal uit eene enkele plank bestaande, die in een voetpad over eene sloot ligt. Men zegt ookvonderen zelfs welvlonder. De maagschapsnamenVan de Vondel, enz. behooren dus by die welke van algemeen-aardrijkskundigen aard zijn, en in §105vermeld werden.Men is wel verlegen, welke geslachtsnamen men aan vondelingen geven zal, en komt er dan wel toe om namen te ontleenen aan byzondere zaken die by het vinden van het kind aan den dag kwamen, of daar mede in verband stonden. Een voorbeeld daar van is op bl. 412 reeds vermeld. Een ander voorbeeld is my bekend, waar men aan den vondeling den naam van de straat, waar hy gevonden was, als geslachtsnaam gaf. Een derde voorbeeld vind ik in het volgende bericht, voorkomende in het brugschenieusblad »Burgerwelzijn,” in het nummer van 21 Mei 1884: »Zondagnacht, rond 12 ure, heeft de genaamde A. V. E. te Zuidschote, een pas geboren kind gevonden, dat in een pander verborgen was. Den maandag namiddag is het gedoopt, en het kreeg de namen vanRenilde Marie van Pander.”—Zuid-Schote is een dorp in West-Vlaanderen, en een »pander” of »paander” is, in de westvlaamsche gouspraak, een korf of mand.De maagschapsnamenBasterd, met het half-verdietschte, oorspronkelik franscheBattaerd(bâtard), enBanckaertmetBankertgeven getuigenis dat zy oorspronkelik toenamen geweest zijn voor kinderen van zoogenoemde onechte geboorte. Immers dat is de beteekenis dier namen.De betrekkingen der menschen onderling, van maatschappeliken aard, hebben ook aanleiding gegeven tot het ontstaan van geslachtsnamen. Als zoodanig vermeld ik hier de namen:Vriend, Vrind, De VriendtenDe Vrient, GoedvriendenCortvriendt, De Mackeren misschien ookSlaap. Immers isslaap(bepaaldeliksleep,slepofsliepin de westfriesche taal) het woord dat oudtijds in Noord-Holland en Friesland in gebruik was voorvriend, namelik waar het de byzondere vriendschap tusschen twee jongelingen gold. Op onze westfriesche eilanden (Wieringen, Ameland) is dit woord nog in die beteekenis bekend. (Zie mijnAlgemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon, dl. I, bl. 485 en dl. II bl. 30). VerderDe Gast, Buur, Buurman, enNabuursals patronymikon. In onze oostelike gewesten (de graafschap Zutfen, Overijssel, Drente) isnaberhet woord dat voor het hollandsche en frieschebuurman,bûrman, voor het vlaamschegebuerin gebruik is. Dit is de saksische form waaronder dit woord optreedt, en die overeenkomt met het hoogduitschenachbaren het engelscheneighbour. De Schotten zeggen, meer in overeenstemming met de saksische Nederlanders,neebor. Onder dezen form komt dit woord voor in de gedichten vanBurns, die in den schotschen tongval van het saksisch zijn opgesteld. Dit oude woordnaberkomt ook als maagschapsnaam voor (Naber), de weêrga van den geslachtsnaamBuurman. Zoo zijn ook de geslachtsnamenNieubuurenNiebuurtegenhangers vanNinaberenNienaber, en met dezen van de zelfde beteekenis; te weten: nieue buurman. Dezebuurnamen vinden inde zuidelike Nederlanden hunne tegenhangers in de geslachtsnamenGoetgebuerenQuagebuer(goede en kwade buurman), die in verschillende spelwyzen en formen voorkomen, alsGoetgebuur, Goetghebuer, Goetghebeur, Goegebuer, Goegebeur, ook alsGoedegeburein Zeeland; enQuaghebuer. Vooral de eerstgenoemde naam is tamelik algemeen in Vlaanderen en Brabant. De goede buren zijn talryker dan de kwaden.Eenige geslachtsnamen, die byzondere leeftyden en toestanden der menschen vertegenwoorden, mogen almede by deze groep eene plaats vinden. Het zijnDrielingenVierling, die op eene gemeenschappelike geboorte, by drieën en vieren te gelijk, betrekking hebben. VerderKnaap, CnaapenKnape, met den patronymikalen formKnaapen, en, als verkleinwoord met de frankische klankwyziging,Kneepkens; dat is: de zoon van den kleinen knaap. Het woordknaapin deze namen kan ook de oude beteekenis vanschildknaap, in de middeleeuen gewoonlik enkelcnape, hebben. In dit geval behooren deze namen eerder by die, welke op bl. 325 vermeld zijn. VerderJongenenMeisjemetMeiske, Jongeling, Jöngeling, Jonkman, De MaegdtenMaagdelijn. Zonderlinge namen voor mannen moet menMeisje, Maagdelijn, enz. noemen.MaagdelijnenDe Maegdtechter, vooral de laatstgenoemde naam, kunnen ook aan eenen huisnaam ontleend zijn. Huizen immers diede Maagd van Gent, de Dortse Maagt, de Zeeusche Maeght, enz. heetten, kwamen oudtijds in de nederlandsche steden wel voor. En ook nog heden wel; b. v.De Zeeuwsche Maegdte Gent. By deze namen behoort ook de geslachtsnaamFeynt. Immers het woordfeint,veintheeft nog heden ten dage zoowel in Friesland als in Zeeland en Vlaanderen de beteekenis van krachtvolle jongeling, jonge man;—niet volkomen in overeenstemming met de beduidenis die de Hollanders aan hun woordventhechten. Ten slotte nogVryer, FryerenDe Vryer, BruidegomenBruigom, OuwerlingenGrijsaarden het half-verfranschteGrisar. Het woordouderling(ouwerling,auerlynk) heeft in de zuidelike Nederlanden niet de protestantsch-kerkelike beteekenis die het in de noordelike gewesten heeft, maar beduidt eenvoudig:oude man, in tegenoverstelling metjongeling.De geslachtsnamenMenschenMan, Mann, De Man, ’T MannetjeenMannekensbreng ik, als aanhangsel, mede tot deze groep. OokDe KeirelenDe Keyrel(in oud-vlaamsche spelling). In dezen naam heeft het woordkerelzeker niet de hedendaagsch-hollandsche beteekenis, maar veeleer de oud-vlaamsche, te weten, die van een vrye landman in het Brugsche Vrye (West-Vlaanderen); zie bl. 421. AangaandeVrouwes, Der Weduwe, enz. is op bl. 167 en 168 reeds het een en ander medegedeeld.
H.Geslachtsnamen aan de namen van lichaamsdeelen ontleend.§139. De enkele, eenvoudige namen van menschelike lichaamsdeelen komen ook als geslachtsnamen voor. Ik vermeld deze namen hier in eene afzonderlike groep, als aanhangsel van de andere namen die rechtstreeks ontleend zijn aan voorwerpen en zaken uit de natuur. Ik had aan deze maagschapsnamen, aan de namen van lichaamsdeelen ontleend, ook gevoegelik eene plaats kunnen geven by die geslachtsnamen, welke hun ontstaan danken aan byzondere lichamelike eigenschappen der menschen; §124–126. Immers velen van de onderwerpelike geslachtsnamen zijn eerst als bynamen in gebruik geweest voor personen, by welke het eene of andere lichaamsdeel, wegens misforming, byzondere grootte, of eenige andere oorzaak, in het byzonder de opmerkzaamheid van andere lieden trok. Zoo krijgt b. v. iemand, die de opmerkzaamheid van anderen opwekt door eenen zeer grooten, of krommen, of rooden neus, al lichtelik den bynaam van »Neus”. En dat zulke bynamen langzamerhand vaste toenamen geworden zijn, en eindelik vaste geslachtsnamen, daarvan zijn in dit werk reeds vele voorbeelden opgenoemd. My is iemand bekend, wiens gebit, door byzonder groote snytanden in de bovenkaak, en door eene korte bovenlip, sterk in het oog loopt. Deze man draagt daar eenen bynaam af, te weten dien van (zeggen wy maarTeake)Tosk. Immers hy woont in Friesland; entosk(tusk) is het friesche woord voortand. Dat zulk een bynaam oudtijds in der daad eenvaste geslachtsnaam is geworden, wordt door het voorkomen, heden ten dage, van de geslachtsnamenTandin Holland,Toschin Friesland, enZahnin Duitschland (ook van daar in Nederland overgebracht) bewezen.Karl Strackerjanverhaalt in zijn werkDie Jeverländischen Personennamen, bl. 39, van eenen boerenarbeider, die »bekam einmal beim Mähen von seinem Nebenmann mit der Sense in der Wade, plattdeutschKüet, eine Wunde, an welcher er lange zu leiden hatte. Bald hiess er in seiner Umgebung nur »Behrend Küet”, und als er starb, erbte sein Sohn den Namen. Trotz Widerspruch und Klagen bei der Behörde, zum Theil auch wohl eben deswegen, blieb für ihn der Name »Gerd Küet” und sein Häuschen hiess dieKüeterê” (kuitery, in het Hollandsch). »Sicherlich wäre daraus ein Familienname geworden, wenn Kirchen- und Erdbuch noch eine solche Schöpfung des Volksmundes aufgenommen hätten.” Intusschen komt in Nederland werkelikKuitenKuytals geslachtsnaam voor; terwijl te Rotterdam eene brug den naam draagt vanJan-Kuiten-brug, ten bewyze dat ook daar een man geweest is dieJan Kuitheette of aldus genoemd werd.Als voorbeelden van geslachtsnamen ontleend aan de namen van byzondere lichaamsdeelen, noem ik hier:Hooften’T Hooft, metHoeuft, Heuften het versleteneHeuff, die ik niet anders kan verklaren dan als eene byzondere uitspraak van het woordhooftofhoofdin de eene of andere byzondere gouspraak. In den geslachtsnaamBleyenheuftkomt deze spelwyze ook voor; en eene andere inSchoonhoefd(zie bl. 345). Moet eerstgenoemde geslachtsnaam verklaard worden als »looden hoofd”? Beduidt deze naam niet hoofd of kop van lood, die als uithangteeken diende? en is dus een tegenhanger van de geslachtsnamenGoudenhooftenHouthoofd(zie bl. 367 en 368)? VerderD’Oore, in Vlaanderen voorkomende. De Vlamingen spreken nog zeer te recht en taalkundig zuiverde oore, voor het noord-nederlandschehet oor. Zoo spreken zy ookde ooge, voor het hollandschehet oog, en dien ten gevolge meen ik den vlaamschen geslachtsnaamDoghete moeten verklaren alsD’Oghe, D’Ooghe, De Ooghe, het oog. Misschien echter schuilt in ditDogheook de bekende geslachtsnaamDe Hooge, De Hoog, op vlaamsche wyze uitgesproken en geschreven, alsD’’Oge, De Hoge, De Hooge. NevensD’Oorein Vlaanderen komt in Holland de geslachtsnaamOorvoor, en zelfs het franscheOreille. VerderDe Neus, Neus, Kaakebeen, Mond(enBek; zie echter bl. 279),Tand, De Tandt, Kies, Baert, Den Hals, Borst, De Borst, Buyck, Maagh, Lever, Blaas, ’T Hart, Pols, Vuist, De Vuyst, Duim, Duymen zelfsVan Duym, Pinck, Been(enPoot),KuitenKuyt, Scheen, VoetenHiel, NagelenDe Naeghel(zie bl. 365). Eindelik nogVelenSchornagel(scheurnagel? de man die kenbaar was aan eenen gescheurden nagel).By deze namen zullen er wel enkelen zijn, die eenen anderen oorsprong hebben, en die slechts toevallig de namen van lichaamsdeelen vertoonen. Zoo kan inBaerteen oud-nederlandsche mansvóórnaam schuilen (Baert, Beert, Barend, Berend, Bernard, Bernhart), de zelfde mansvóórnaam die ook aan de patronymikale geslachtsnamenBaartsenBaertsten grondslag ligt.Blaaskomt voor als eene verkorting van den kerkeliken mansvóórnaamBlasius(zie bl. 181), en zoo kan dus de geslachtsnaamBlaaszeer gevoegelik gehouden worden als zynen oorsprong te ontleenen aan genoemden mansnaam.Polleis een friesche mansvóórnaam, en de geslachtsnaamPolskan zeer wel een tweede naamval, een patronymikale form daar van zijn. Wel is de friesche mansvóórnaamPolleofPolals zoodanig weinig in gebruik; maar hy ligt toch aan verschillende geslachtsnamen ten grondslag. Te weten aanPollema, Polsma, Polling, Pollen, Pollsen, enz.; allen vadersnamen. En ook aan het verlatynschtePollius. In den geslachtsnaamBeenkan de friesche mansvóórnaamBeneschuilen, de oud-germaansche naamBeno, welke ook oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamenBeninga, Beenenga, Beening, Beens, Beenen, Benes, Benen, enz.Hile(Hyle) eindelik is nog een friesche mansvóórnaam, die tegenwoordig meest in verkleinform, alsHylkeenHyltjevoorkomt. De geslachtsnaamHielkan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. Aan de geslachtsnamenHylen, Hieltjes, Hielkes(zie bl. 150) heeft hy tevens oorsprong gegeven.I.Geslachtsnamen, aan de namen van spyzen, dranken en kleedingstukken ontleend.§140. Spijs en drank en kleeding zijn zaken die eene groote rol spelen in het dageliksche leven der menschen. Het is dan ook niet vreemd dat de namen daar van wel voorkomen als geslachtsnamen. Iemand toch, die byzonder graag deze of gene spyze of drank at of dronk, die daar voor bekend was by zyne omgeving, kreeg al licht, uit spot, zulk eenen naam als bynaam. En deze bynamen gingen als gebruikelike toenamen, later als vaste geslachtsnamen wel op de kinderen en nakomelingen dier mannen over. En even zoo ging het met de namen van kleedingstukken. Iemand die bekend was wegens het dragen van ’t eene of andere byzondere, ongemeene, of sterk in het oog vallende kleedingstuk, kreeg al licht den naam daar van als bynaam. Ook kwamen de afbeeldingen en namen van spyzen en dranken en kleedingstukken wel als gevelteekens en huisnamen voor. Zoo kan ook langs dien weg menige dergelyke geslachtsnaam in gebruik gekomen zijn.By de opsomming der geslachtsnamen aan de namen van spyzen ontleend, mogen wy wel beginnen met »den staf des levens”, met het brood. Broodnamen zijnWittebroodt, Soetbrood, Schoonbrood, Platbroodt. Eerstgenoemde naam is al oud; immersJan Wytbrootwas reeds in 1511 een burger der stad Leeuwarden.80Ook in Engelland komt de geslachtsnaamWhitbreadvoor, terwijl het franscheBlanpainin Nederland my voorgekomen is. VerderTeirbroodt, dat is het brood waar men vanteert, het dageliksche brood om van te leven. De geslachtsnaamDroogenbroodtis een tegenhanger van den maagschapsnaamBoterenbrood, welke naam ook in den formBotterbrodtvoorkomt, en vanKaasenbrood. De laatstgenoemde geslachtsnaam komt ook, half verfranscht, alsDe Casembrootvoor. Te Monster in het Westland ziet men, aan eene herberg, nog »Kaas en brood” als uithangbord.81Tot het bereiden van brood is koorn noodig; en ook zuurdeeg.Deze woorden zijn ook tot geslachtsnamen geworden; namelik alsBroodkoren, Broodcoren, Brotcorne, en zelfs in versletenen form en als vadersnaamBrocorens. En alsZuurdeeg(met den hoogduitschen formSauerteig).Als aanhangsel tot dezebroodnamen vermelden wy nog de geslachtsnamenBeschuydtenWermenbol(warme bol) metKrentebol. Eenebolis een bolvormig fijn gebak; in Friesland noemt men nog alle wittebrood »bolle”. Dezebolnamen, waartoe misschien ookWittebol(zie bl. 343) behoort, voeren geleidelik tot dekoeknamen, die vertegenwoordigd worden in de eerste plaats door de eenvoudige geslachtsnamenKoekenCoucke, in Holland en Vlaanderen, en dan doorWittekoek, KrentekoekenPannekoek, Pankoek, Pannekoucke, enz. De vormPantekoekkomt ook voor. Wijl my nooit, in geen enkele gouspraak, de uitspraakpantekoekvoorgekomen is, in plaats vanpannekoekofpankoeke, zoo weet ik het voorkomen van dezen eenigszins zonderlingen naam niet te verklaren.Zuivelspyzen waren van ouds her by de Nederlanders zeer bemind en werden dageliks genuttigd. Vooral in het veeryke Holland en Friesland. De namen van zulke spyzen vindt men in de geslachtsnamenHeetebry, Wittewronghel, Ouboter, Dolleboter, KaasenCaes, HooikaasenOoykaas, enz. Als men melk by middel van eenig stremsel, gewoonlik van leb, stremt, dan schift zy zich in de vaste, kaasachtige stoffen,wrongelgenoemd, en in de vloeibare bestanddeelen, deweiofhui, in de friesche gewestenwaeiofwaigenoemd. (Van daar de noord-hollandsche geslachtsnaamWaaiboer). Die wrongel was vroeger als verkwikkende en verkoelende spyze zeer bemind. Te Groningen, buiten de Heerenpoort, is hetWrongelhuusnog bekend, waar men zich aan wrongel vergasten kan. Ook buiten Hamburg werd my nog, in eene boereherberg, wrongel voorgezet. De oude Vlamingen, in de middeleeuen, schynen ook groote liefhebbers van zuivelspyzen geweest te zijn; althans de vlaamsche boeren, de zoogenoemde »vlaamsche kerelen”, die oorspronkelik Friesen en Saksen waren. Immers luidt het referein van een middeleeusch vlaamsch volkslied, een spotlied op die »keerlen”:»Wronghele ende wey,Broot ende caes,Dat heit hi al den dach!”En werkelik is ook thans nog de geslachtsnaamWittewronghelmetWittevronghelenWittevrongelin Vlaanderen inheemsch. De juiste beteekenis en oorsprong van den zonderlingen naamDolleboteris my onbekend.Ooykaashoude ik voor eenen versletenen, ouden form vanHooikaas.In de middeleeuen was karnemelk en wei de dageliksche drank van den geringen man, als hy geen bier bekostigen kon; vooral ook van vrouen en kinderen. Het was hetdrinkenof hetzuipen, hetsuypen, gelijk men toen zich uitdrukte en schreef, als by uitnemendheid. Van daar dat in de friesche taal karnemelk nog hedensûpe(spreek ongeveer alssoepeuit) heet. In de friesche steden, waar, b. v. te Leeuwarden en te Sneek, »de Suupmerk”, in deze eeu soms verhollandscht tot »Zuipmarkt”, nog bestaat, zegt mensuup. Elders in de noordelike gewesten, b. v. te Groningen, is eene zuivelspyze alsdiksoepenbekend; en ook in Brabant, b. v. te Breda, kent menzuipenals zuivelspijs. De geslachtsnamenKarmelk, SoeteweyenVetsuypen, met den patronymikalen formVetsuypens, leggen nog getuigenis af van het zuiveldrinken onzer voorouders.Vleesch- en vischspyzen zijn my slechts voorgekomen in de geslachtsnamenPotharst, Spek, Ham, Spekham, WorstenDe Worst, Pannevis, PekelharingenStokvis. De naamPotharstkomt menigvuldig voor, ook in de versletene formenPothastenPotthast.Potharstbestaat uit vuistdikke stukken rundvleesch, van deharst(ruggestreng), met gort en rapen of wortelen samengesmoord. In Holland noemt men dit herfst-gerechthutspot. Sedert de opkomst der eerdappelen in de Nederlanden, is (jammer genoeg!) de potharst van de tafel der burgery verdwenen; toch is hy hier en daar in onze noordelike en oostelike gewesten nog bekend en in gebruik.Kiliaanheeft »Pot-harst,Sax. Fris. Sicamb.j. hutspot.Caro iussulenta.”—»Schelharst” is de naam van een ander stuk vleesch. Ook dit woord komt als geslachtsnaam voor, maar dan in verbasterden form, door de vage uitspraak derr, byzonder derar, by de saksische Nederlanders. Te weten alsSchelhaas.Nevens den geslachtsnaamSpekkomt ookVan der Spekvoor, enVan den Hamnaast het enkeleHam.—»De Ham”, vooral »De Westfaalsche Ham” was oudtijds als huisnaam niet zeldzaam, en staat nog heden te Haarlem in den Anegang. Daarenboven heeft het woordhamnog eene algemeen-aardrijkskundige beteekenis, en formt als zoodanig aardrijkskundige namen. Vele dorpen en buurten in de verschillende nederlandsche gewesten dragen den naam vanHamenDen Ham, ook in samenstellingen (Drogeham, Blankenham, IJsselham). De geslachtsnaamVan den Hamzal dus waarschijnlik, even alsTen HamenHamstra, afgeleid zijn van dit algemeen-aardrijkskundige woord.Namen van spyzen en gerechten, uit het plantenrijk herkomstig, ontmoeten wy in de geslachtsnamenKoolenCool, Buiskool, Boerkool, Warmoes, Koolmoes, Witteboon, Gort, GortworstenPotjegort. Nevens den naamWitteboonkomt ookBonewitvoor; beide deze namen zijn aan israëlitische maagschappen eigen. Is de naamWitteboonmisschien door een spelend vernuft aangenomen als een ommekeer, een tegenhanger van den reeds bestaanden naamBonewit? En is deze laatste naam misschien weêr eene verbastering van den eveneens voorkomenden maagschapsnaamBonewitz, die van slavischen oorsprong is? Zie §164. InKoolenCoolkan ook de oud-germaansche, doorFörstemannvermelde mansvóórnaamColoschuilen. Zie bl. 102. NevensBoerkoolkomt ook de geslachtsnaamBoerkoelvoor. Deze laatste naam schijnt my toe niet eene verbastering te zijn van den eerstgenoemden, maar veeleer te behooren tot dekoel- (kuil) namen, op bl. 256 en 289 opgenoemd.Om al deze namen van spyzen en gerechten te besluiten, moet hier nog de geslachtsnaamBraspotvermeld worden, die (brassen= smullen) de kroon op alle voorgaanden zet. En dan, als toegift, noemen wy hier nog de geslachtsnamenMostert, Olie, OlyenHonig. Vooral de laatste naam is geenszins zeldzaam, en komt in allerlei formen en spelwyzen voor, alsHoningh, Honing, Honigh, HooningenHeuninck.Van de spyzen tot de dranken overgaande, vinden wy dat bier en wijn, ook in samenstellingen, almede hun aandeel hebben moeten leveren tot het formen van geslachtsnamen. Die woorden komenvoor in de geslachtsnamenBier, WijnenDe Wijn. Vervolgens inZuurbier(de hoogduitsche formSauerbierkomt ook in Nederland voor) enSoetbeer, hetwelk een platduitsche form is.Beer, in plaats vanbier, komt ook in den geslachtsnaamBeerstecher, zie bl. 183 en 311, voor. Verder nogScherpbier, DunbierenDunnebierenCoelenbiermetCoelembier. Een byzondere soort van bier dat oudtijds te Groningen gebrouen werd, droeg den naam vanKluun, verhollandscht totKluin. Van daar dat het vrachtschip van Groningen op Leeuwarden, het welk oudtijds geheele ladingen van dat veelbegeerde bier bewesten Lauers bracht, in laatstgenoemde stad nog steeds den naam draagt van »kluunskip”, kluinschip. En van daar dat het pijnlike voeteuvel (podagra), dat men zich op den hals, of beter in den voet haalt door onmatig bierdrinken, in het Friesch den naam draagt van »kluunskonk”82KluunenKluinzijn twee geslachtsnamen, in de noordelikste gewesten inheemsch.NevensZuurbiertreffen wy den geslachtsnaamSoerewynaan, een friesche en saksische form van »zurewijn”. En als de weêrga vanCoelenbierde geslachtsnaamKoelewijn. Andere formen van laatstgenoemden naam vertoonen nog de geslachtsnamenKoldewynenKollewyn.83Maar de geslachtsnamenColdewey, KolleweienKohlweiverwarre men er niet mede. Dezen immers hebben eenen gants anderenoorsprongen beteekenis; het zijn plaatsnamen. Aan verschillende gehuchten in de friesche streken van Oldenburg, in de gemeenten Ferwert of Fedderwarden, Berne, Grootkerk of Hohenkirchen, is deze plaatsnaam eigen. De geslachten die thans in de Nederlanden deze namen voeren, zullen oorspronkelik in genoemde gehuchten gezeten geweest zijn. Als de naam van eene byzondere soort van wijn, die oudtijds door de Nederlandersgedronken werd, komt de geslachtsnaamRomenyvoor; enRummenie, dat slechts eene andere schrijfwyze is van het zelfde woord. Men vergelyke hier echter bl. 210.Ten slotte noem ik hier nog de geslachtsnamenKoekenbierenBierenbroodspot. De eerste toont ons een oorbeeldig boerenonthaal. De laatste is de naam van het dageliksche morgen- en avondgerecht onzer voorouders. Roggenbrood, vooral ook roggentweebak, in dunbier gebrokkeld en te zamen verwarmd, dat was »de bier-en-broodspot”, die oudtijds zoo hoog in achting stond, dat hy wel op gevelsteenen en als huisnaam voorkwam, en dat hy zelfs, vermoedelik langs dien weg, geslachtsnaam geworden is.§141. Als geslachtsnamen, die oorspronkelik de namen zijn van kleedingstukken, noemen wy in de eerste plaatsJas(metVan der Jas),BuisenBuys, Broek, Hoos, Das, Mantel, SchorteldoekenBorstlap. De oorspronkelike beteekenis der drie laatstgenoemde namen als kleedingstukken, is buiten twyfel. Niet alzoo is het met de anderen.Jasimmers is ook als verkorting van den mansvóórnaamJasperin gebruik. InBuisenBuyskan ook een mansvóórnaam schuilen, en wel de zelfde die voorkomt in de patronymikale maagschapsnamenBuysing, Büsink, Bussing, Bussink, Buissink, Buisinga, Buisma, Busma, Buyssens, Buyse, Buizen, Buyze, enz.; in verkleinform alsBuyskes, BuskenenBuska(zie echter bl. 270). Namelik de oud-germaansche mansnaamBuso, doorFörstemannvermeld.—Broekkan men ook rekenen tot de namen van algemeen-aardrijkskundigen oorsprong (zie bl. 281), even als menDastot de diernamen kan tellen. De beteekenis van het woordhoos, als kleedingstuk, zweeft tusschen die van onze hedendaagsche woordenbroekenkous. In het hedendaagsche Friesch heefthoasde beteekenis vankous. Maar in Holland had in de middeleeuenhoosde beduidenis van een kleedingstuk, dat bestond uit broek en kousen aan één stuk, gelijk men in die tyden droeg. Buitendien zoude men den geslachtsnaamHoosnog kunnen voegen by die welke in §138vermeld zijn, omdathoosook de naam is van een natuurverschijnsel.Als ontleend aan de namen van byzondere soorten van kleedingstukken noemen wy nog de maagschapsnamenRuygrokenRuifrok,RuigrokenRuyfrok, allen het zelfde beteekenende. Immersruig,ruif,ruwzijn niet aleen woorden van de zelfde beduidenis, maar ook van den zelfden oorsprong. Ook zijn deze namen al van oude dagteekening. Volgens het tijdschriftDe oude Tijd, jaargang 1869, bl. 206, komt reeds in eene oorkonde van den jare 1435 zekereJan Ruychrockvoor.—VerderLangerokenLangerock, Zwarterok, BlontrockenSchoonrok, Witjas, Bontemantel, enz. Oudtijds was »De Bontemantel” een huisnaam die meermaals voorkwam; volgensVan LennepenTer Gouwonder anderen te Amsterdam, Antwerpen en Delft. Als geslachtsnaam komtBontemantel, waarschijnlik aan eenen huisnaam ontleend, reeds in het begin der jaren 1500 voor. Een der eerste ontginners van het Bilt in Friesland droeg dezen naam. En deze naam is daar weêr gegeven aan het huis door dien man geboud en bewoond, en als huisnaam, daar tot op den huidigen dag in wezen gebleven. In dit geval heeft dus eerst een huis den naam gegeven aan eenen man, en later is die naam weêr van den man op een huis overgegaan.In sommige nederlandsche gouspraken, vooral in die van onze noordoostelike gewesten, draagt een mansbroek den naam vanbokse. Of de zonderlinge geslachtsnaamVixseboxse, dien ik anders niet en weet te verklaren, met dat woord in verband staat? En dusfiksche broekbeduidt? In dit geval zou deze naam zoo zonderling wezen, dat ik dit naueliks aannemen durf. Trouens, aan zeer zonderlinge namen hebben wy geen gebrek. §147en vervolgens leert dat voldoende. Daar zijn er nog wel zonderlinger vermeld danVixseboxse, ook al neemt men bovengenoemden oorsprong aan. De geslachtsnaamKousbroek, die in Vlaanderen in den byzonderen formVan Causbrouckvoorkomt, doet aan de middeleeuschehozen, op de vorige bladzyde vermeld, denken. Of aan de geslachtsnamenBlaauwbroek, Bruynbroeck, WittebrouckenRybroekde naam van het kleedingstuk ten grondslag ligt, of wel het algemeen-aardrijkskundige woordbroek= moeras, is moeielik uit te maken. Ik houd het laatste voor het waarschijnlikste. InVan Swartenbrouckis dit zekerlik het geval. Maar in den als patronymikon voorkomenden geslachtsnaamSwartenbrouckxis het weêr twyfelachtig. Ook is de oorsprong en eigenlike beteekenisvan den maagschapsnaamGeuzebroek, waar aan toch hoochst waarschijnlik wel een plaatsnaam ten grondslag ligt, my onbekend gebleven.Als geslachtsnamen ontleend aan de woorden die hoofddeksels en voetbekleedsels aanduiden, vermeld ik hier:Hoed, HoetenHoedtmetD’Hoedt, Den HoedenDen Hoedt. InTen Hoetschijnt een plaatsnaam te schuilen, dien ik echter niet aanwyzen kan.—VerderGeelhoedenZwarthoed, met de hoogduitsche namenGrünhutenSchönhuth, die ook in de Nederlanden voorkomen. OokPet, MutsenDubbeldemuts. DanLaarsenLeers, SchoenenSchoe. Deze laatste naam vertoont den oorspronkeliken, zuiveren, eenvoudigen form van het woord. De maagschapsnaamSchoegjevertoont den byzonderen verkleinform (in plaats van »schoentje”), welke in Friesland zoo wel als in het Overmaassche by Dordrecht, der volksspreektaal eigen is.Van der Laarszal oorspronkelik wel de bynaam geweest zijn van eenen leersemaker, even alsVan der Jasdie van eenen kleêrmaker. Maar deze geslachtsnamen kunnen ook aan huisnamen ontleend zijn. Immers gevelteekens als »De Roode Leers” of »De Rylaers” kwamen oudtijds niet zeldzaam voor.—Ook behooren hier nog vermeld te worden de maagschapsnamenKlomp, Trip(eene muil met houtene zool) enSchaats.Gedeelten van kleedingstukken leenden hunne namen aan de geslachtsnamenKnoopenCnoop(die ook in patronymikalen form alsKnoopsenCnoopsvoorkomen),RoksnoerenMouw. Raadselachtig is my de geslachtsnaamDer Mouw, wegens dat voorvoechselder; een oud lidwoord? of het verbogene vrouelike lidwoord? By de vierknoopnamen zal men wel liefst te denken hebben aan den mansvóórnaamKnoopofCnoop, die oudtijds wel in de Nederlanden voorkwam. (ZieDe Navorscher, XXII, bl. 566 en 574). Ten slotte komen de namen van kleedingstoffen nog voor in de geslachtsnamenBommezijn, Chits, Flanel, Katoen, Scharlaecken, VijfschaftenWitdoeck.Vijfschaft(Fiifskaft) is de friesche en friso-saksische naam van zekere wollen stof die oudtijds door de landlieden in onze noordoostelike gewesten geweven werd. Zy heette alzoo naar hare byzondere wyze van samenstelling. De geslachtsnaamVijfschaftis dan ook inDrente inheemsch, waar ook nogfiifskaftgedragen wordt. Waarschijnlik zijn al deze namen oorspronkelik bynamen geweest van lieden die in zulke stoffen handel dreven. De naamWitdoeckis aan verschillende geslachten in de zuidelike gewesten eigen. Hy komt daar ook in de spellingWittouckvoor, en tevens in de patronymikale formenWitdouckxenWittoucx.J.Geslachtsnamen, afgeleid van de namen van munten, geldsoorten, maten en getallen.§142. De geslachtsnamen die geformd zijn uit de namen van munten en geldsoorten, maten en getallen, hebben gewis ook, althans ten deele, hun ontstaan te danken aan gevelteekens en huisnamen. Voor een ander deel ook aan bynamen, die uit de eene of andere oorzaak, welke nu niet meer na te speuren is, oudtijds dezen of genen man gegeven waren. Dat eene oud-amsterdamsche maagschap, uit de 16deeeu, haren naamReaelontleende aan »De gouden Reael” (een muntstuk uit dien tijd), zoo als het huis heette aan het Damrak te Amsterdam, waarLaurens Jacobsz.de stamvader van dit geslacht woonde—is bekend. En zoo zal het ook wel gegaan zijn met andere geslachten, die tegenwoordig den naam van een muntstuk of iets dergelijks, als naam voeren.Om met de kleinste munten te beginnen, vermelden wy eerst de geslachtsnamenPenningenPenninck, en, nog geringer,Kleinpenning. Gering is ook de beteekenis van den naamSchimmelpenninck, al wordt hy door een aanzienlik geslacht gedragen. Een penning echter, die men zoo lang in eenen spaarpot bewaard had, dat hy er beschimmeld uitkwam, was by onze zuinige voorouders, als een bewijs van spaarzaamheid, in hooge weerde. In den formSchimmelpenningis deze geslachtsnaam almede by ons inheemsch. Ook de hoogduitsche form van dezen naam komt in Nederland voor, als de geslachtsnaamSchimmelpfennig; buitendien ook nog versleten alsSchimmelpfeng. Minder in achting was dekwade, dat is devalschepenning, die nog in den geslachtsnaamQuapenninckleeft. Zulk een kwadepenning werd oudtijds in den winkel waar hy aangeboden of ontdekt werd, met eenen spyker doorgeslagen en aan de toonbank of den toogdisch bevestigd. In de vorige eeu was dit nog in Friesland in gebruik, en dat men het ook in Vlaanderen deed, bewijst dit vlaamsche rijmke, dat tevens den oorsprong van den geslachtsnaamQuapenninckbuiten twyfel stelt:”Slaet al wat kwapennink is”Slaet kwapennink aen den disch!”Dat van Brugge tot aen Gent”HeerKwapenninksta bekend!”Als dat hy kwapennink is!”Slaet kwapennink aen den disch!”De speelpenning had geen eigenlike weerde. Hy was dan ook in den handel niet gangbaar, en vertegenwoordigde slechts eene ingebeelde weerde als hy by eenig spel diende, op de wyze der hedendaagsche beenenvischjes, die men in kwaad fransch welfichesbelieft te noemen. Duitsche speelpenningen, met den stempel »Spielmarke” er op, waren in myne jeugd te Leeuwarden nog in gebruik. In den geslachtsnaamSpeelpenningis dit woord bewaard gebleven. De braspenning was in den ouden tijd een muntje, waar men, in die goedkoope dagen, voor »brassen”, smullen kon. Zóó althans verklaart de volksmond dezen naam, by de overlevering van den metselaar die aan St.-Jans-kerk in ’s Hertogenbosch arbeidde, en die den pot met groene-erwten-soep, welke zyne vrou hem als zijn middagmaal bracht, verachtelik omschopte, terwijl hy uitriep:»Is dat eten voor eenen man.”Die daags eenen braspenning verdienen kan?”De geslachtsnaamBraspenning(zie ookBraspotop bl. 423) komt nog heden ten dage voor. Meer als in al deze enkele penningen leit er opgesloten in den geslachtsnaamTweepenninck, die ook in patronymikalen form, alsTweepenninckxvoorkomt.Voor wy tot de namen van andere munten overgaan, dient hier nog vermeld, dat men in den geslachtsnaamPenningenPenninckniet onvoorweerdelik den muntnaam zien moet. Immers kan deze naam evenzeer een oud patronymikon zijn vaneenen oud-germaanschen mansvóórnaamPenne(Pinne), dien ik wel niet afsonderlik, en als zoodanig, in eenig oud geschrift aantoonen kan, maar die toch zekerlik in gebruik geweest is. Dit blijkt zonder eenigen billiken twyfel uit de geslachtsnamenPenningaenPennenga, die in Friesland inheemsch zijn. Alsmede waarschijnlik uitPens, en uitPenninckxin Vlaanderen, uitPenningin Engelland voorkomende, en uitPenninkhof. Verder uit den westfaalschen geslachtsnaam(Von) Pinning, uit den naam van het uitgestorvene oud-friesche geslachtPingia(dat is eene samentrekking vanPinninga), en misschien ook uit den groningerlandschen geslachtsnaamPynema, en uitPienemann. In de plaatsnamenPenningtonin Hantshire (Engelland);Pennigbüttel, een dorp by Osterholz in Hanover;Pennigsehl, een dorp in Hoya (Hanover);Pingjum, dat isPingia-hum, Pingia-heim, Pinninga-heim, woonplaats derPinninga’s, derPinningen, der afstammelingen vanPinne, zoo als een dorp heet in Friesland (Wonseradeel); en inPinning, een dorp by Landau in den Beierschen Palts, komt deze oude mansnaamPenne, Pinneeveneens voor.Van de penningen tot de duiten en centen overgaande, vinden wy de geslachtsnamenDrieduiten, DuitenDuitgenius, metDeutgenius, CentenCenten.—Deutgeniushoud ik voor eene verlatynsching vanDeutgen, en dit is eene oude spelwyze van het woordduitje. Men zie bl. 110, enVan LennepenTer Gouw,De Uithangteekens, dl. II, bl. 193, waar wy lezen van »een brabantsch muntje, dat de waarde had van een kwart grootoft deutgen(duitje)”.Deutgenis ook als geslachtsnaam bekend. De geslachtsnaamCentechter en heeft oorspronkelik met den naam onzer hedendaagsche pasmunt niet te maken, maar is eene volkseigene verkorting van den kerkeliken mansvóórnaamVincent(Vincentius). EnCentenis daarvan een patronymikon, op de wyze als in §40vermeld is. De volle vadersnaamVincentenkomt ook als geslachtsnaam voor.»De Stuiver” kwam reeds in de 15deeeu als uithangteeken voor. Reeds in het midden dier eeu had dit huisteeken zynen naam gegeven aan eenen burgemeester van Amsterdam,Hendrik Dirksz. Stuyver. En omstreeks eene eeu later was zekereGerritStuiverburgemeester van Haarlem.84Nog heden komen de geslachtsnamenStuiverenDe Stuyvervoor, alsmedeKroonstuiver, dat zeker de naam is van eene byzondere soort van stuiver, in stempel of muntslag verschillende van den gewonen.De stooter is geen eigenlike munt; het is de volksnaam voor eene geldsweerde van 12–1/2 cent. Dit woord formt den geslachtsnaam Stooter, die ook als patronymikon,Stooters, voorkomt. Verder zijn nog de geslachtsnamenDaalder, GuldenenDucaetmuntnamen die geen naderen uitleg eischen, evenmin alsDuyzenddaalders. Maar deze laatste naam is eigenlik een basterdvloek, en staat in de plaats van »duizend donders!” Het schijnt dat de man die eerst den zonderlingen naamDuyzenddaaldersvoerde, dezen basterdvloek zoo dikwijls in den mond genomen heeft, dat hy er eenen bynaam van kreeg. Schild of »schilt”, »scilt”, was de naam van zekere oude munt, en dit woord bestaat nog in den geslachtsnaamVijftigschild, die ook door afslyting zyne laatste letter verloren heeft, en alsVijftigschilvoorkomt. Misschien ook in den enkelvoudigen geslachtsnaamSchilt; zie bl. 364.—In de middeleeuen berekende men de kleine munten, de penningen, ook by het gewicht. Van daar nog de geldsweerden die men noemt »een pond sterling”, in Engelland, »een pond vlaamsch,” in sommige nederlandsche gewesten (Zeeland) nog in gebruik, enz. Deze ponden gelds vindt men nog terug in de geslachtsnamenTweepondt, DriepontenDryepondt, Tienpont, ThienpondtenThienpont. De geslachtsnamenVijfstuk, VijffstukenGrootstukmet het door verbasterde uitspraak misspeldeGrautstuk, meen ik ook tot de muntnamen te moeten brengen. Misschien ookGrevenstuk, met welken naam men een »gravenstuk”, eene grafelike munt kan hebben aangeduid.Algemeene geldnamen zijn nogKleingeld, NievergeldenOffergeldmetOffergelten den versletenen formOffergel.—Nievergeld, misspeld voorNieuwergeld, isNieuwgeld, nieu geld; even alsNiervaart=Nieuwervaart; Nieuwer-Amstel, in de uitspraak ook dikwijlsNieveramstel, enz.Eindelik zoude men de geslachtsnamenSmytegeld, Grijptenduit(zie §150), ookMet de PenningenenMettepenningen, ook nog tot de geldnamen kunnen brengen.§143. Slechts weinige geslachtsnamen zijn oorspronkelik de namen van maten. Deoorsprongvan het grootste deel dezer namen is zekerlik wel in huisnamen te vinden. Zoo was er voor weinige jaren nog te Haarlem een huis dat »De Houtmaat” in den gevel voerde. En als eene woordspeling met het bevel: »houdt maat!” stond er op dien gevelsteen in geestig rijm:“Want het is een wijs manDie de maet houden kan.”Deze aardige gevelsteen is doorVan LennepenTer Gouwonvermeld gelaten. Daarom heb ik aan zyne beschryving hier een plaatske ingeruimd. Geslachtsnamen, tot deze groep behoorende, zijnMudde, Schepel, ZoutmaatenHavermaet. Het hoogduitscheBiermaszis my ook in Nederland voorgekomen. Verder nogGoedmaatenVierendeelmet den patronymikalen formVierendeels. De beteekenis van den naamGoedmaatis niet zeker. Hy zoude ook kunnen beduiden:goede maat, in de beteekenis van goede vriend, en dus een weêrga zijn van den geslachtsnaamGoedvriend; zie §144.Zonderling genoeg, en, wat hun oorsprong betreft, voor my vry duister, zijn die geslachtsnamen, welke uit de namen van getallen bestaan. Daarvan zijn de volgenden my bekend:Drie, Zeven, Dertien(ook in patronymikalen formDertiens),Zestiene, AchttienenAgtien, Sestig, HonderdenDuizend, met den hoogduitschen formTausend, die almede hier te lande voorkomt. De geslachtsnaamDriezoude ook zeer wel oorspronkelik de naam kunnen zijn van het gehuchtDrie, by Ermeloo op de Veluwe. De geslachtsnaamVan Drieis zonder twyfel aan dien plaatsnaam ontleend. Zoo ook dankt de geslachtsnaamVan Agtzynen oorsprong niet aan het getal acht, maar aan het dorpAcht, in de noord-brabantsche Kempen gelegen. De geslachtsnaamZeveneindelik zoude oorspronkelik ook een oud-germaansche mansvóórnaam kunnen zijn, de zelfde als de naamstamSew,doorFörstemannvermeld, en die ook oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamenSevensmaenZevensmain Friesland, enSevensin Vlaanderen.K.Geslachtsnamen ontleend aan de verwantschap en de onderlinge betrekkingen der menschen.§144. Het is reeds van ouds her in gebruik geweest om twee personen, die den zelfden naam droegen, van elkanderen te onderscheiden door eenen bynaam, ontleend aan de byzondere betrekking of verwantschap waar in die personen tot elkanderen, of ook tot anderen stonden. Had een vader b. v., dieKarel Van Dijkheette, zynen zoon ookKarelgenoemd, dan kreeg die vader eerlang, als zijn zoon volwassen werd, ter onderscheiding den bynaam vande Vader;Karel Van Dijk De Vadernoemde men hem ter onderscheiding van den jongenKarel Van Dijk. Of ook, als oom en neef den zelfden naam droegen, dan gaf men aan laatstgenoemden wel den bynaam vande Neef. Andere soortgelyke benamingen, alsVondeling, Bastaard, Voogd, Jongeling, Grijsaard, Vriend, Buurman, enz. aan de betrekkingen of verhoudingen der menschen onderling ontleend, werden almede als bynamen gegeven. Velen van die bynamen zijn van den vader op den zoon overgegaan, zijn vaste toenamen gebleven, en eindelik vaste geslachtsnamen geworden. Deze byzondere geslachtsnamen formen eene eigene groep. De volgende namen breng ik daar toe:Vader, by zeer gebruikelike samentrekkingDe VaarenDe Vaere, als patronymikon ookVaders. Waarschijnlik beteekent de reeds in de 15deeeu voorkomende geslachtsnaamDe Veeroorspronkelik even eensde Vader. Immers isveer,feervoorvaar,faar,vader,fader,father, oud-friesch ookfether, eene oude noord-hollandsch-friesche uitspraak. Nog heden ten dage luidt het woordvaderin den byzonderen frieschen tongval der stede Hindeloopen alsfeer. VerderKind, met’T Kinten’T Kindt, De KyndtenJongkindmetJongkindt. De maagschapsnamenVeefkindenVollekindtbehooren zekerlik ook tot deze groep. Ik kan ze niet verklaren. OverDaenekindtzie men bl. 194. De geslachtsnaamDer Kinderenis op bl. 168 reeds besproken, enDe Jong, De Oude, enz. met de talryke verscheidenheden van die namen welke in zekeren zin ook tot deze groep kunnen gebracht worden, zijn op bl. 339 reeds vermeld. De geslachtsnamenDen OudstenenDe Jongste, metJongste, als in het byzonder de verhouding van broeders onderling aanduidende, dienen hier ter plaatse niet onvermeld gelaten te worden. OokJongezoonen’T Jonckmoeten hier vermeld, benevens den byzonderen patronymikalen form’S Jongers, dat is:des jongers, des jongers (zoon), de zoon van den jongeren (broeder); zie bl. 185. Anderebroedernamen zijn nogBroeder, Den Broeder, Oolbroer(een versletene saksische form,ool’ broêr,ool’broeder,oldbroeder, oude broeder; zie op bl. 50 den naamOol-Bekkink). VerderStillebroerenBestebroer, en in verkleinform, tevens met de klankwyziging (umlaut), in de frankische en saksische tongvallen gebruikelik,Bestebreurtje. De patronymikale geslachtsnamenBroers, Broeren, Broere, BroersmaenBroersemameen ik niet van het woordbroederte moeten afleiden, maar van den mansvóórnaamBroer(zie bl. 175). Zoo ook komt het my aannemeliker voor om de geslachtsnamenOome, Oomen, Ooms, Oomsz, Omenga, met de verkleinformen daarvanOhmkenenOomkens, allen patronymikale formen, niet af te leiden van het woordoom, maar van den mansvóórnaamOme, die nog heden wel eene enkele maal in onze friesche en saksische gewesten voorkomt, en die een byform is vanOmme, Ommo, Ummo, Umo, allen oud-germaansche mansvóórnamen. Zie bl. 138.De maagschapsnamenPeetoomechter,De PeetenDe Peterlaten geen twyfel over aan hunne oorspronkelike beteekenis. Als weêrga van deze namen bestaat er in Vlaanderen de geslachtsnaamDe Vaddere. »Vadder” is in het Oud-Vlaamsch het zelfde wat men thanspeter,gevader,godvadernoemt (zieGuido Gezelle’stijdschriftLoquela, jaargang III, 1883, bl. 11). En even duidelik wat hun oorsprong en beteekenis aangaat, zijn ook de maagschapsnamenDe Neve, Den Neef, Neef, die ook in de zuidelike Nederlanden half verfranscht voorkomen alsDeneveenDenève. Verderde verkleinform van dit woord, als patronymikon,Neefjes, en eindelik de oud-fransche form daar van, die ook in de Nederlanden als geslachtsnaam voorkomt,Nepveu. Of de geslachtsnaamSwagermanook tot deze groep behoort, in de beteekenis vanzwager= aangehuwde verwant, bepaaldelik geenbloedverwant, is niet zeker.Swagermanzoude ook kunnen beteekenen: een man van deSwaag, een inwoner van een der dorpen die deZwaagheeten. Zie bl. 269 en 270. Iedereen verstaat ook de geslachtsnamenDe Wees, De Weze, met het gewestelik-hollandscheWeesie(zie §156), en met de half-verfranschte formen, die in de zuidelike Nederlanden voorkomen:DewezenDe Vèze. OokVan WeesenVan der Wees, namen die van eenen byzonderen of algemeen-aardrijkskundigen naamWeesschynen afkomstig te zijn, maar die my onduidelik blyven. VerderDe Moerlooseen, in eenigszins verbasterden formDe Morloose, dat is:de moederlooze.—Een halve wees is ook het kind dat na zijns vaders dood geboren wordt. Zulk een kind noemden de Romeinen een »postumus” of »postuma,” al naar dat dit kind een knaapje was of een meiske. De maagschapsnaamPosthumusis zekerlik oorspronkelik gegeven aan zulk eenen nageborenen knaap. Maar met den geslachtsnaamPosthumaacht ik dit niet het geval; dat men een nageboren meiskePostumanoemde, is zeer wel mogelik, maar die naam kon toch later niet op hare zonen overgaan! De maagschapsnaamPosthumais in Friesland inheemsch. Zoude hy niet een versierde, quasi-latynsche form zijn van den eveneens aan een friesch geslacht eigenen naamPostma? OokPostmuskomt in Friesland voor, nevensPosthumus. Verder nogPostemaenPostsma. Waarschijnlik is er verwarring onder al deze namen, door onverstand ontstaan en door verwisseling en verbastering van Oud-Friesch en Latyn, by toevallige overeenkomst in form en klank. Hoe het zy, ik kan geenen uitweg vinden uit den doolhof vandezegeslachtsnamen.By den wees behoort zijn voogd, en dit woord treffen wy aan in de geslachtsnamenVoogt, De Voogt, De Vooght, in hoogduitschen form alsVogtvoorkomende, en ook alsVoigt, het welk eveneens eene hoogduitsche spelwyze vertoont, maar in den verouderden form die ook nog gebruikelik is in de benaming van hetVoigtland, eene gou in het koninkrijk Saksen. Duidelikis ook de maagschapsnaamVondeling. En de namenVindevogel, Vindevoghelmet het patronymikaleVindevogelshebben de zelfde beteekenis. De drie laatstgenoemde namen komen in de zuidelike Nederlanden voor, en het woord »vindevogel” heeft ook juist in de volksspreektaal der vlaamsche en brabantsche gewesten de beteekenis van iets dat gevonden wordt in het algemeen. Ook behoort tot deze groep van namen de geslachtsnaamVindelinckx(waarvanWindelincxeen uit misverstand ontstane verbastering schijnt te zijn), die mede in de zuidelike gewesten t’ huis behoort. Het is een patronymikale form van het woord »vindelink,” vindeling, vondeling. Zonderling genoeg, heeft men in den maagschapsnaamVan de Vondel, die nog heden ten dage in de zuidelike Nederlanden, waar hy trouens oorspronkelik inheemsch is, ook nog alsVan Vondelen, Van den Vondel, Van der VondelenenVervondelvoorkomt, eene toespeling meenen te vinden op het woordvondeling. Zoo hadden de Regenten van het Aalmoeseniershuis te Amsterdam, in de laatste jaren der 17deeeu wel eens de aardigheid om vondelingen doopen te laten met den naamJoostofJoostje, al naar gelang dat het kind een jongen was of een meiske. Zy deden dit in toespeling op den naam van onzen grooten dichterJoost Van den Vondel. Intusschen heeft deze geslachtsnaam, in de verschillende formen waarin hy voorkomt, niets met de woordenvindenenvondelingte maken. Immers het woordvondelheeft in deze woorden de beteekenis van een klein, smal brugje, meestal uit eene enkele plank bestaande, die in een voetpad over eene sloot ligt. Men zegt ookvonderen zelfs welvlonder. De maagschapsnamenVan de Vondel, enz. behooren dus by die welke van algemeen-aardrijkskundigen aard zijn, en in §105vermeld werden.Men is wel verlegen, welke geslachtsnamen men aan vondelingen geven zal, en komt er dan wel toe om namen te ontleenen aan byzondere zaken die by het vinden van het kind aan den dag kwamen, of daar mede in verband stonden. Een voorbeeld daar van is op bl. 412 reeds vermeld. Een ander voorbeeld is my bekend, waar men aan den vondeling den naam van de straat, waar hy gevonden was, als geslachtsnaam gaf. Een derde voorbeeld vind ik in het volgende bericht, voorkomende in het brugschenieusblad »Burgerwelzijn,” in het nummer van 21 Mei 1884: »Zondagnacht, rond 12 ure, heeft de genaamde A. V. E. te Zuidschote, een pas geboren kind gevonden, dat in een pander verborgen was. Den maandag namiddag is het gedoopt, en het kreeg de namen vanRenilde Marie van Pander.”—Zuid-Schote is een dorp in West-Vlaanderen, en een »pander” of »paander” is, in de westvlaamsche gouspraak, een korf of mand.De maagschapsnamenBasterd, met het half-verdietschte, oorspronkelik franscheBattaerd(bâtard), enBanckaertmetBankertgeven getuigenis dat zy oorspronkelik toenamen geweest zijn voor kinderen van zoogenoemde onechte geboorte. Immers dat is de beteekenis dier namen.De betrekkingen der menschen onderling, van maatschappeliken aard, hebben ook aanleiding gegeven tot het ontstaan van geslachtsnamen. Als zoodanig vermeld ik hier de namen:Vriend, Vrind, De VriendtenDe Vrient, GoedvriendenCortvriendt, De Mackeren misschien ookSlaap. Immers isslaap(bepaaldeliksleep,slepofsliepin de westfriesche taal) het woord dat oudtijds in Noord-Holland en Friesland in gebruik was voorvriend, namelik waar het de byzondere vriendschap tusschen twee jongelingen gold. Op onze westfriesche eilanden (Wieringen, Ameland) is dit woord nog in die beteekenis bekend. (Zie mijnAlgemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon, dl. I, bl. 485 en dl. II bl. 30). VerderDe Gast, Buur, Buurman, enNabuursals patronymikon. In onze oostelike gewesten (de graafschap Zutfen, Overijssel, Drente) isnaberhet woord dat voor het hollandsche en frieschebuurman,bûrman, voor het vlaamschegebuerin gebruik is. Dit is de saksische form waaronder dit woord optreedt, en die overeenkomt met het hoogduitschenachbaren het engelscheneighbour. De Schotten zeggen, meer in overeenstemming met de saksische Nederlanders,neebor. Onder dezen form komt dit woord voor in de gedichten vanBurns, die in den schotschen tongval van het saksisch zijn opgesteld. Dit oude woordnaberkomt ook als maagschapsnaam voor (Naber), de weêrga van den geslachtsnaamBuurman. Zoo zijn ook de geslachtsnamenNieubuurenNiebuurtegenhangers vanNinaberenNienaber, en met dezen van de zelfde beteekenis; te weten: nieue buurman. Dezebuurnamen vinden inde zuidelike Nederlanden hunne tegenhangers in de geslachtsnamenGoetgebuerenQuagebuer(goede en kwade buurman), die in verschillende spelwyzen en formen voorkomen, alsGoetgebuur, Goetghebuer, Goetghebeur, Goegebuer, Goegebeur, ook alsGoedegeburein Zeeland; enQuaghebuer. Vooral de eerstgenoemde naam is tamelik algemeen in Vlaanderen en Brabant. De goede buren zijn talryker dan de kwaden.Eenige geslachtsnamen, die byzondere leeftyden en toestanden der menschen vertegenwoorden, mogen almede by deze groep eene plaats vinden. Het zijnDrielingenVierling, die op eene gemeenschappelike geboorte, by drieën en vieren te gelijk, betrekking hebben. VerderKnaap, CnaapenKnape, met den patronymikalen formKnaapen, en, als verkleinwoord met de frankische klankwyziging,Kneepkens; dat is: de zoon van den kleinen knaap. Het woordknaapin deze namen kan ook de oude beteekenis vanschildknaap, in de middeleeuen gewoonlik enkelcnape, hebben. In dit geval behooren deze namen eerder by die, welke op bl. 325 vermeld zijn. VerderJongenenMeisjemetMeiske, Jongeling, Jöngeling, Jonkman, De MaegdtenMaagdelijn. Zonderlinge namen voor mannen moet menMeisje, Maagdelijn, enz. noemen.MaagdelijnenDe Maegdtechter, vooral de laatstgenoemde naam, kunnen ook aan eenen huisnaam ontleend zijn. Huizen immers diede Maagd van Gent, de Dortse Maagt, de Zeeusche Maeght, enz. heetten, kwamen oudtijds in de nederlandsche steden wel voor. En ook nog heden wel; b. v.De Zeeuwsche Maegdte Gent. By deze namen behoort ook de geslachtsnaamFeynt. Immers het woordfeint,veintheeft nog heden ten dage zoowel in Friesland als in Zeeland en Vlaanderen de beteekenis van krachtvolle jongeling, jonge man;—niet volkomen in overeenstemming met de beduidenis die de Hollanders aan hun woordventhechten. Ten slotte nogVryer, FryerenDe Vryer, BruidegomenBruigom, OuwerlingenGrijsaarden het half-verfranschteGrisar. Het woordouderling(ouwerling,auerlynk) heeft in de zuidelike Nederlanden niet de protestantsch-kerkelike beteekenis die het in de noordelike gewesten heeft, maar beduidt eenvoudig:oude man, in tegenoverstelling metjongeling.De geslachtsnamenMenschenMan, Mann, De Man, ’T MannetjeenMannekensbreng ik, als aanhangsel, mede tot deze groep. OokDe KeirelenDe Keyrel(in oud-vlaamsche spelling). In dezen naam heeft het woordkerelzeker niet de hedendaagsch-hollandsche beteekenis, maar veeleer de oud-vlaamsche, te weten, die van een vrye landman in het Brugsche Vrye (West-Vlaanderen); zie bl. 421. AangaandeVrouwes, Der Weduwe, enz. is op bl. 167 en 168 reeds het een en ander medegedeeld.
H.Geslachtsnamen aan de namen van lichaamsdeelen ontleend.§139. De enkele, eenvoudige namen van menschelike lichaamsdeelen komen ook als geslachtsnamen voor. Ik vermeld deze namen hier in eene afzonderlike groep, als aanhangsel van de andere namen die rechtstreeks ontleend zijn aan voorwerpen en zaken uit de natuur. Ik had aan deze maagschapsnamen, aan de namen van lichaamsdeelen ontleend, ook gevoegelik eene plaats kunnen geven by die geslachtsnamen, welke hun ontstaan danken aan byzondere lichamelike eigenschappen der menschen; §124–126. Immers velen van de onderwerpelike geslachtsnamen zijn eerst als bynamen in gebruik geweest voor personen, by welke het eene of andere lichaamsdeel, wegens misforming, byzondere grootte, of eenige andere oorzaak, in het byzonder de opmerkzaamheid van andere lieden trok. Zoo krijgt b. v. iemand, die de opmerkzaamheid van anderen opwekt door eenen zeer grooten, of krommen, of rooden neus, al lichtelik den bynaam van »Neus”. En dat zulke bynamen langzamerhand vaste toenamen geworden zijn, en eindelik vaste geslachtsnamen, daarvan zijn in dit werk reeds vele voorbeelden opgenoemd. My is iemand bekend, wiens gebit, door byzonder groote snytanden in de bovenkaak, en door eene korte bovenlip, sterk in het oog loopt. Deze man draagt daar eenen bynaam af, te weten dien van (zeggen wy maarTeake)Tosk. Immers hy woont in Friesland; entosk(tusk) is het friesche woord voortand. Dat zulk een bynaam oudtijds in der daad eenvaste geslachtsnaam is geworden, wordt door het voorkomen, heden ten dage, van de geslachtsnamenTandin Holland,Toschin Friesland, enZahnin Duitschland (ook van daar in Nederland overgebracht) bewezen.Karl Strackerjanverhaalt in zijn werkDie Jeverländischen Personennamen, bl. 39, van eenen boerenarbeider, die »bekam einmal beim Mähen von seinem Nebenmann mit der Sense in der Wade, plattdeutschKüet, eine Wunde, an welcher er lange zu leiden hatte. Bald hiess er in seiner Umgebung nur »Behrend Küet”, und als er starb, erbte sein Sohn den Namen. Trotz Widerspruch und Klagen bei der Behörde, zum Theil auch wohl eben deswegen, blieb für ihn der Name »Gerd Küet” und sein Häuschen hiess dieKüeterê” (kuitery, in het Hollandsch). »Sicherlich wäre daraus ein Familienname geworden, wenn Kirchen- und Erdbuch noch eine solche Schöpfung des Volksmundes aufgenommen hätten.” Intusschen komt in Nederland werkelikKuitenKuytals geslachtsnaam voor; terwijl te Rotterdam eene brug den naam draagt vanJan-Kuiten-brug, ten bewyze dat ook daar een man geweest is dieJan Kuitheette of aldus genoemd werd.Als voorbeelden van geslachtsnamen ontleend aan de namen van byzondere lichaamsdeelen, noem ik hier:Hooften’T Hooft, metHoeuft, Heuften het versleteneHeuff, die ik niet anders kan verklaren dan als eene byzondere uitspraak van het woordhooftofhoofdin de eene of andere byzondere gouspraak. In den geslachtsnaamBleyenheuftkomt deze spelwyze ook voor; en eene andere inSchoonhoefd(zie bl. 345). Moet eerstgenoemde geslachtsnaam verklaard worden als »looden hoofd”? Beduidt deze naam niet hoofd of kop van lood, die als uithangteeken diende? en is dus een tegenhanger van de geslachtsnamenGoudenhooftenHouthoofd(zie bl. 367 en 368)? VerderD’Oore, in Vlaanderen voorkomende. De Vlamingen spreken nog zeer te recht en taalkundig zuiverde oore, voor het noord-nederlandschehet oor. Zoo spreken zy ookde ooge, voor het hollandschehet oog, en dien ten gevolge meen ik den vlaamschen geslachtsnaamDoghete moeten verklaren alsD’Oghe, D’Ooghe, De Ooghe, het oog. Misschien echter schuilt in ditDogheook de bekende geslachtsnaamDe Hooge, De Hoog, op vlaamsche wyze uitgesproken en geschreven, alsD’’Oge, De Hoge, De Hooge. NevensD’Oorein Vlaanderen komt in Holland de geslachtsnaamOorvoor, en zelfs het franscheOreille. VerderDe Neus, Neus, Kaakebeen, Mond(enBek; zie echter bl. 279),Tand, De Tandt, Kies, Baert, Den Hals, Borst, De Borst, Buyck, Maagh, Lever, Blaas, ’T Hart, Pols, Vuist, De Vuyst, Duim, Duymen zelfsVan Duym, Pinck, Been(enPoot),KuitenKuyt, Scheen, VoetenHiel, NagelenDe Naeghel(zie bl. 365). Eindelik nogVelenSchornagel(scheurnagel? de man die kenbaar was aan eenen gescheurden nagel).By deze namen zullen er wel enkelen zijn, die eenen anderen oorsprong hebben, en die slechts toevallig de namen van lichaamsdeelen vertoonen. Zoo kan inBaerteen oud-nederlandsche mansvóórnaam schuilen (Baert, Beert, Barend, Berend, Bernard, Bernhart), de zelfde mansvóórnaam die ook aan de patronymikale geslachtsnamenBaartsenBaertsten grondslag ligt.Blaaskomt voor als eene verkorting van den kerkeliken mansvóórnaamBlasius(zie bl. 181), en zoo kan dus de geslachtsnaamBlaaszeer gevoegelik gehouden worden als zynen oorsprong te ontleenen aan genoemden mansnaam.Polleis een friesche mansvóórnaam, en de geslachtsnaamPolskan zeer wel een tweede naamval, een patronymikale form daar van zijn. Wel is de friesche mansvóórnaamPolleofPolals zoodanig weinig in gebruik; maar hy ligt toch aan verschillende geslachtsnamen ten grondslag. Te weten aanPollema, Polsma, Polling, Pollen, Pollsen, enz.; allen vadersnamen. En ook aan het verlatynschtePollius. In den geslachtsnaamBeenkan de friesche mansvóórnaamBeneschuilen, de oud-germaansche naamBeno, welke ook oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamenBeninga, Beenenga, Beening, Beens, Beenen, Benes, Benen, enz.Hile(Hyle) eindelik is nog een friesche mansvóórnaam, die tegenwoordig meest in verkleinform, alsHylkeenHyltjevoorkomt. De geslachtsnaamHielkan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. Aan de geslachtsnamenHylen, Hieltjes, Hielkes(zie bl. 150) heeft hy tevens oorsprong gegeven.
H.Geslachtsnamen aan de namen van lichaamsdeelen ontleend.
§139. De enkele, eenvoudige namen van menschelike lichaamsdeelen komen ook als geslachtsnamen voor. Ik vermeld deze namen hier in eene afzonderlike groep, als aanhangsel van de andere namen die rechtstreeks ontleend zijn aan voorwerpen en zaken uit de natuur. Ik had aan deze maagschapsnamen, aan de namen van lichaamsdeelen ontleend, ook gevoegelik eene plaats kunnen geven by die geslachtsnamen, welke hun ontstaan danken aan byzondere lichamelike eigenschappen der menschen; §124–126. Immers velen van de onderwerpelike geslachtsnamen zijn eerst als bynamen in gebruik geweest voor personen, by welke het eene of andere lichaamsdeel, wegens misforming, byzondere grootte, of eenige andere oorzaak, in het byzonder de opmerkzaamheid van andere lieden trok. Zoo krijgt b. v. iemand, die de opmerkzaamheid van anderen opwekt door eenen zeer grooten, of krommen, of rooden neus, al lichtelik den bynaam van »Neus”. En dat zulke bynamen langzamerhand vaste toenamen geworden zijn, en eindelik vaste geslachtsnamen, daarvan zijn in dit werk reeds vele voorbeelden opgenoemd. My is iemand bekend, wiens gebit, door byzonder groote snytanden in de bovenkaak, en door eene korte bovenlip, sterk in het oog loopt. Deze man draagt daar eenen bynaam af, te weten dien van (zeggen wy maarTeake)Tosk. Immers hy woont in Friesland; entosk(tusk) is het friesche woord voortand. Dat zulk een bynaam oudtijds in der daad eenvaste geslachtsnaam is geworden, wordt door het voorkomen, heden ten dage, van de geslachtsnamenTandin Holland,Toschin Friesland, enZahnin Duitschland (ook van daar in Nederland overgebracht) bewezen.Karl Strackerjanverhaalt in zijn werkDie Jeverländischen Personennamen, bl. 39, van eenen boerenarbeider, die »bekam einmal beim Mähen von seinem Nebenmann mit der Sense in der Wade, plattdeutschKüet, eine Wunde, an welcher er lange zu leiden hatte. Bald hiess er in seiner Umgebung nur »Behrend Küet”, und als er starb, erbte sein Sohn den Namen. Trotz Widerspruch und Klagen bei der Behörde, zum Theil auch wohl eben deswegen, blieb für ihn der Name »Gerd Küet” und sein Häuschen hiess dieKüeterê” (kuitery, in het Hollandsch). »Sicherlich wäre daraus ein Familienname geworden, wenn Kirchen- und Erdbuch noch eine solche Schöpfung des Volksmundes aufgenommen hätten.” Intusschen komt in Nederland werkelikKuitenKuytals geslachtsnaam voor; terwijl te Rotterdam eene brug den naam draagt vanJan-Kuiten-brug, ten bewyze dat ook daar een man geweest is dieJan Kuitheette of aldus genoemd werd.Als voorbeelden van geslachtsnamen ontleend aan de namen van byzondere lichaamsdeelen, noem ik hier:Hooften’T Hooft, metHoeuft, Heuften het versleteneHeuff, die ik niet anders kan verklaren dan als eene byzondere uitspraak van het woordhooftofhoofdin de eene of andere byzondere gouspraak. In den geslachtsnaamBleyenheuftkomt deze spelwyze ook voor; en eene andere inSchoonhoefd(zie bl. 345). Moet eerstgenoemde geslachtsnaam verklaard worden als »looden hoofd”? Beduidt deze naam niet hoofd of kop van lood, die als uithangteeken diende? en is dus een tegenhanger van de geslachtsnamenGoudenhooftenHouthoofd(zie bl. 367 en 368)? VerderD’Oore, in Vlaanderen voorkomende. De Vlamingen spreken nog zeer te recht en taalkundig zuiverde oore, voor het noord-nederlandschehet oor. Zoo spreken zy ookde ooge, voor het hollandschehet oog, en dien ten gevolge meen ik den vlaamschen geslachtsnaamDoghete moeten verklaren alsD’Oghe, D’Ooghe, De Ooghe, het oog. Misschien echter schuilt in ditDogheook de bekende geslachtsnaamDe Hooge, De Hoog, op vlaamsche wyze uitgesproken en geschreven, alsD’’Oge, De Hoge, De Hooge. NevensD’Oorein Vlaanderen komt in Holland de geslachtsnaamOorvoor, en zelfs het franscheOreille. VerderDe Neus, Neus, Kaakebeen, Mond(enBek; zie echter bl. 279),Tand, De Tandt, Kies, Baert, Den Hals, Borst, De Borst, Buyck, Maagh, Lever, Blaas, ’T Hart, Pols, Vuist, De Vuyst, Duim, Duymen zelfsVan Duym, Pinck, Been(enPoot),KuitenKuyt, Scheen, VoetenHiel, NagelenDe Naeghel(zie bl. 365). Eindelik nogVelenSchornagel(scheurnagel? de man die kenbaar was aan eenen gescheurden nagel).By deze namen zullen er wel enkelen zijn, die eenen anderen oorsprong hebben, en die slechts toevallig de namen van lichaamsdeelen vertoonen. Zoo kan inBaerteen oud-nederlandsche mansvóórnaam schuilen (Baert, Beert, Barend, Berend, Bernard, Bernhart), de zelfde mansvóórnaam die ook aan de patronymikale geslachtsnamenBaartsenBaertsten grondslag ligt.Blaaskomt voor als eene verkorting van den kerkeliken mansvóórnaamBlasius(zie bl. 181), en zoo kan dus de geslachtsnaamBlaaszeer gevoegelik gehouden worden als zynen oorsprong te ontleenen aan genoemden mansnaam.Polleis een friesche mansvóórnaam, en de geslachtsnaamPolskan zeer wel een tweede naamval, een patronymikale form daar van zijn. Wel is de friesche mansvóórnaamPolleofPolals zoodanig weinig in gebruik; maar hy ligt toch aan verschillende geslachtsnamen ten grondslag. Te weten aanPollema, Polsma, Polling, Pollen, Pollsen, enz.; allen vadersnamen. En ook aan het verlatynschtePollius. In den geslachtsnaamBeenkan de friesche mansvóórnaamBeneschuilen, de oud-germaansche naamBeno, welke ook oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamenBeninga, Beenenga, Beening, Beens, Beenen, Benes, Benen, enz.Hile(Hyle) eindelik is nog een friesche mansvóórnaam, die tegenwoordig meest in verkleinform, alsHylkeenHyltjevoorkomt. De geslachtsnaamHielkan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. Aan de geslachtsnamenHylen, Hieltjes, Hielkes(zie bl. 150) heeft hy tevens oorsprong gegeven.
§139. De enkele, eenvoudige namen van menschelike lichaamsdeelen komen ook als geslachtsnamen voor. Ik vermeld deze namen hier in eene afzonderlike groep, als aanhangsel van de andere namen die rechtstreeks ontleend zijn aan voorwerpen en zaken uit de natuur. Ik had aan deze maagschapsnamen, aan de namen van lichaamsdeelen ontleend, ook gevoegelik eene plaats kunnen geven by die geslachtsnamen, welke hun ontstaan danken aan byzondere lichamelike eigenschappen der menschen; §124–126. Immers velen van de onderwerpelike geslachtsnamen zijn eerst als bynamen in gebruik geweest voor personen, by welke het eene of andere lichaamsdeel, wegens misforming, byzondere grootte, of eenige andere oorzaak, in het byzonder de opmerkzaamheid van andere lieden trok. Zoo krijgt b. v. iemand, die de opmerkzaamheid van anderen opwekt door eenen zeer grooten, of krommen, of rooden neus, al lichtelik den bynaam van »Neus”. En dat zulke bynamen langzamerhand vaste toenamen geworden zijn, en eindelik vaste geslachtsnamen, daarvan zijn in dit werk reeds vele voorbeelden opgenoemd. My is iemand bekend, wiens gebit, door byzonder groote snytanden in de bovenkaak, en door eene korte bovenlip, sterk in het oog loopt. Deze man draagt daar eenen bynaam af, te weten dien van (zeggen wy maarTeake)Tosk. Immers hy woont in Friesland; entosk(tusk) is het friesche woord voortand. Dat zulk een bynaam oudtijds in der daad eenvaste geslachtsnaam is geworden, wordt door het voorkomen, heden ten dage, van de geslachtsnamenTandin Holland,Toschin Friesland, enZahnin Duitschland (ook van daar in Nederland overgebracht) bewezen.Karl Strackerjanverhaalt in zijn werkDie Jeverländischen Personennamen, bl. 39, van eenen boerenarbeider, die »bekam einmal beim Mähen von seinem Nebenmann mit der Sense in der Wade, plattdeutschKüet, eine Wunde, an welcher er lange zu leiden hatte. Bald hiess er in seiner Umgebung nur »Behrend Küet”, und als er starb, erbte sein Sohn den Namen. Trotz Widerspruch und Klagen bei der Behörde, zum Theil auch wohl eben deswegen, blieb für ihn der Name »Gerd Küet” und sein Häuschen hiess dieKüeterê” (kuitery, in het Hollandsch). »Sicherlich wäre daraus ein Familienname geworden, wenn Kirchen- und Erdbuch noch eine solche Schöpfung des Volksmundes aufgenommen hätten.” Intusschen komt in Nederland werkelikKuitenKuytals geslachtsnaam voor; terwijl te Rotterdam eene brug den naam draagt vanJan-Kuiten-brug, ten bewyze dat ook daar een man geweest is dieJan Kuitheette of aldus genoemd werd.
Als voorbeelden van geslachtsnamen ontleend aan de namen van byzondere lichaamsdeelen, noem ik hier:Hooften’T Hooft, metHoeuft, Heuften het versleteneHeuff, die ik niet anders kan verklaren dan als eene byzondere uitspraak van het woordhooftofhoofdin de eene of andere byzondere gouspraak. In den geslachtsnaamBleyenheuftkomt deze spelwyze ook voor; en eene andere inSchoonhoefd(zie bl. 345). Moet eerstgenoemde geslachtsnaam verklaard worden als »looden hoofd”? Beduidt deze naam niet hoofd of kop van lood, die als uithangteeken diende? en is dus een tegenhanger van de geslachtsnamenGoudenhooftenHouthoofd(zie bl. 367 en 368)? VerderD’Oore, in Vlaanderen voorkomende. De Vlamingen spreken nog zeer te recht en taalkundig zuiverde oore, voor het noord-nederlandschehet oor. Zoo spreken zy ookde ooge, voor het hollandschehet oog, en dien ten gevolge meen ik den vlaamschen geslachtsnaamDoghete moeten verklaren alsD’Oghe, D’Ooghe, De Ooghe, het oog. Misschien echter schuilt in ditDogheook de bekende geslachtsnaamDe Hooge, De Hoog, op vlaamsche wyze uitgesproken en geschreven, alsD’’Oge, De Hoge, De Hooge. NevensD’Oorein Vlaanderen komt in Holland de geslachtsnaamOorvoor, en zelfs het franscheOreille. VerderDe Neus, Neus, Kaakebeen, Mond(enBek; zie echter bl. 279),Tand, De Tandt, Kies, Baert, Den Hals, Borst, De Borst, Buyck, Maagh, Lever, Blaas, ’T Hart, Pols, Vuist, De Vuyst, Duim, Duymen zelfsVan Duym, Pinck, Been(enPoot),KuitenKuyt, Scheen, VoetenHiel, NagelenDe Naeghel(zie bl. 365). Eindelik nogVelenSchornagel(scheurnagel? de man die kenbaar was aan eenen gescheurden nagel).
By deze namen zullen er wel enkelen zijn, die eenen anderen oorsprong hebben, en die slechts toevallig de namen van lichaamsdeelen vertoonen. Zoo kan inBaerteen oud-nederlandsche mansvóórnaam schuilen (Baert, Beert, Barend, Berend, Bernard, Bernhart), de zelfde mansvóórnaam die ook aan de patronymikale geslachtsnamenBaartsenBaertsten grondslag ligt.Blaaskomt voor als eene verkorting van den kerkeliken mansvóórnaamBlasius(zie bl. 181), en zoo kan dus de geslachtsnaamBlaaszeer gevoegelik gehouden worden als zynen oorsprong te ontleenen aan genoemden mansnaam.Polleis een friesche mansvóórnaam, en de geslachtsnaamPolskan zeer wel een tweede naamval, een patronymikale form daar van zijn. Wel is de friesche mansvóórnaamPolleofPolals zoodanig weinig in gebruik; maar hy ligt toch aan verschillende geslachtsnamen ten grondslag. Te weten aanPollema, Polsma, Polling, Pollen, Pollsen, enz.; allen vadersnamen. En ook aan het verlatynschtePollius. In den geslachtsnaamBeenkan de friesche mansvóórnaamBeneschuilen, de oud-germaansche naamBeno, welke ook oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamenBeninga, Beenenga, Beening, Beens, Beenen, Benes, Benen, enz.Hile(Hyle) eindelik is nog een friesche mansvóórnaam, die tegenwoordig meest in verkleinform, alsHylkeenHyltjevoorkomt. De geslachtsnaamHielkan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. Aan de geslachtsnamenHylen, Hieltjes, Hielkes(zie bl. 150) heeft hy tevens oorsprong gegeven.
I.Geslachtsnamen, aan de namen van spyzen, dranken en kleedingstukken ontleend.§140. Spijs en drank en kleeding zijn zaken die eene groote rol spelen in het dageliksche leven der menschen. Het is dan ook niet vreemd dat de namen daar van wel voorkomen als geslachtsnamen. Iemand toch, die byzonder graag deze of gene spyze of drank at of dronk, die daar voor bekend was by zyne omgeving, kreeg al licht, uit spot, zulk eenen naam als bynaam. En deze bynamen gingen als gebruikelike toenamen, later als vaste geslachtsnamen wel op de kinderen en nakomelingen dier mannen over. En even zoo ging het met de namen van kleedingstukken. Iemand die bekend was wegens het dragen van ’t eene of andere byzondere, ongemeene, of sterk in het oog vallende kleedingstuk, kreeg al licht den naam daar van als bynaam. Ook kwamen de afbeeldingen en namen van spyzen en dranken en kleedingstukken wel als gevelteekens en huisnamen voor. Zoo kan ook langs dien weg menige dergelyke geslachtsnaam in gebruik gekomen zijn.By de opsomming der geslachtsnamen aan de namen van spyzen ontleend, mogen wy wel beginnen met »den staf des levens”, met het brood. Broodnamen zijnWittebroodt, Soetbrood, Schoonbrood, Platbroodt. Eerstgenoemde naam is al oud; immersJan Wytbrootwas reeds in 1511 een burger der stad Leeuwarden.80Ook in Engelland komt de geslachtsnaamWhitbreadvoor, terwijl het franscheBlanpainin Nederland my voorgekomen is. VerderTeirbroodt, dat is het brood waar men vanteert, het dageliksche brood om van te leven. De geslachtsnaamDroogenbroodtis een tegenhanger van den maagschapsnaamBoterenbrood, welke naam ook in den formBotterbrodtvoorkomt, en vanKaasenbrood. De laatstgenoemde geslachtsnaam komt ook, half verfranscht, alsDe Casembrootvoor. Te Monster in het Westland ziet men, aan eene herberg, nog »Kaas en brood” als uithangbord.81Tot het bereiden van brood is koorn noodig; en ook zuurdeeg.Deze woorden zijn ook tot geslachtsnamen geworden; namelik alsBroodkoren, Broodcoren, Brotcorne, en zelfs in versletenen form en als vadersnaamBrocorens. En alsZuurdeeg(met den hoogduitschen formSauerteig).Als aanhangsel tot dezebroodnamen vermelden wy nog de geslachtsnamenBeschuydtenWermenbol(warme bol) metKrentebol. Eenebolis een bolvormig fijn gebak; in Friesland noemt men nog alle wittebrood »bolle”. Dezebolnamen, waartoe misschien ookWittebol(zie bl. 343) behoort, voeren geleidelik tot dekoeknamen, die vertegenwoordigd worden in de eerste plaats door de eenvoudige geslachtsnamenKoekenCoucke, in Holland en Vlaanderen, en dan doorWittekoek, KrentekoekenPannekoek, Pankoek, Pannekoucke, enz. De vormPantekoekkomt ook voor. Wijl my nooit, in geen enkele gouspraak, de uitspraakpantekoekvoorgekomen is, in plaats vanpannekoekofpankoeke, zoo weet ik het voorkomen van dezen eenigszins zonderlingen naam niet te verklaren.Zuivelspyzen waren van ouds her by de Nederlanders zeer bemind en werden dageliks genuttigd. Vooral in het veeryke Holland en Friesland. De namen van zulke spyzen vindt men in de geslachtsnamenHeetebry, Wittewronghel, Ouboter, Dolleboter, KaasenCaes, HooikaasenOoykaas, enz. Als men melk by middel van eenig stremsel, gewoonlik van leb, stremt, dan schift zy zich in de vaste, kaasachtige stoffen,wrongelgenoemd, en in de vloeibare bestanddeelen, deweiofhui, in de friesche gewestenwaeiofwaigenoemd. (Van daar de noord-hollandsche geslachtsnaamWaaiboer). Die wrongel was vroeger als verkwikkende en verkoelende spyze zeer bemind. Te Groningen, buiten de Heerenpoort, is hetWrongelhuusnog bekend, waar men zich aan wrongel vergasten kan. Ook buiten Hamburg werd my nog, in eene boereherberg, wrongel voorgezet. De oude Vlamingen, in de middeleeuen, schynen ook groote liefhebbers van zuivelspyzen geweest te zijn; althans de vlaamsche boeren, de zoogenoemde »vlaamsche kerelen”, die oorspronkelik Friesen en Saksen waren. Immers luidt het referein van een middeleeusch vlaamsch volkslied, een spotlied op die »keerlen”:»Wronghele ende wey,Broot ende caes,Dat heit hi al den dach!”En werkelik is ook thans nog de geslachtsnaamWittewronghelmetWittevronghelenWittevrongelin Vlaanderen inheemsch. De juiste beteekenis en oorsprong van den zonderlingen naamDolleboteris my onbekend.Ooykaashoude ik voor eenen versletenen, ouden form vanHooikaas.In de middeleeuen was karnemelk en wei de dageliksche drank van den geringen man, als hy geen bier bekostigen kon; vooral ook van vrouen en kinderen. Het was hetdrinkenof hetzuipen, hetsuypen, gelijk men toen zich uitdrukte en schreef, als by uitnemendheid. Van daar dat in de friesche taal karnemelk nog hedensûpe(spreek ongeveer alssoepeuit) heet. In de friesche steden, waar, b. v. te Leeuwarden en te Sneek, »de Suupmerk”, in deze eeu soms verhollandscht tot »Zuipmarkt”, nog bestaat, zegt mensuup. Elders in de noordelike gewesten, b. v. te Groningen, is eene zuivelspyze alsdiksoepenbekend; en ook in Brabant, b. v. te Breda, kent menzuipenals zuivelspijs. De geslachtsnamenKarmelk, SoeteweyenVetsuypen, met den patronymikalen formVetsuypens, leggen nog getuigenis af van het zuiveldrinken onzer voorouders.Vleesch- en vischspyzen zijn my slechts voorgekomen in de geslachtsnamenPotharst, Spek, Ham, Spekham, WorstenDe Worst, Pannevis, PekelharingenStokvis. De naamPotharstkomt menigvuldig voor, ook in de versletene formenPothastenPotthast.Potharstbestaat uit vuistdikke stukken rundvleesch, van deharst(ruggestreng), met gort en rapen of wortelen samengesmoord. In Holland noemt men dit herfst-gerechthutspot. Sedert de opkomst der eerdappelen in de Nederlanden, is (jammer genoeg!) de potharst van de tafel der burgery verdwenen; toch is hy hier en daar in onze noordelike en oostelike gewesten nog bekend en in gebruik.Kiliaanheeft »Pot-harst,Sax. Fris. Sicamb.j. hutspot.Caro iussulenta.”—»Schelharst” is de naam van een ander stuk vleesch. Ook dit woord komt als geslachtsnaam voor, maar dan in verbasterden form, door de vage uitspraak derr, byzonder derar, by de saksische Nederlanders. Te weten alsSchelhaas.Nevens den geslachtsnaamSpekkomt ookVan der Spekvoor, enVan den Hamnaast het enkeleHam.—»De Ham”, vooral »De Westfaalsche Ham” was oudtijds als huisnaam niet zeldzaam, en staat nog heden te Haarlem in den Anegang. Daarenboven heeft het woordhamnog eene algemeen-aardrijkskundige beteekenis, en formt als zoodanig aardrijkskundige namen. Vele dorpen en buurten in de verschillende nederlandsche gewesten dragen den naam vanHamenDen Ham, ook in samenstellingen (Drogeham, Blankenham, IJsselham). De geslachtsnaamVan den Hamzal dus waarschijnlik, even alsTen HamenHamstra, afgeleid zijn van dit algemeen-aardrijkskundige woord.Namen van spyzen en gerechten, uit het plantenrijk herkomstig, ontmoeten wy in de geslachtsnamenKoolenCool, Buiskool, Boerkool, Warmoes, Koolmoes, Witteboon, Gort, GortworstenPotjegort. Nevens den naamWitteboonkomt ookBonewitvoor; beide deze namen zijn aan israëlitische maagschappen eigen. Is de naamWitteboonmisschien door een spelend vernuft aangenomen als een ommekeer, een tegenhanger van den reeds bestaanden naamBonewit? En is deze laatste naam misschien weêr eene verbastering van den eveneens voorkomenden maagschapsnaamBonewitz, die van slavischen oorsprong is? Zie §164. InKoolenCoolkan ook de oud-germaansche, doorFörstemannvermelde mansvóórnaamColoschuilen. Zie bl. 102. NevensBoerkoolkomt ook de geslachtsnaamBoerkoelvoor. Deze laatste naam schijnt my toe niet eene verbastering te zijn van den eerstgenoemden, maar veeleer te behooren tot dekoel- (kuil) namen, op bl. 256 en 289 opgenoemd.Om al deze namen van spyzen en gerechten te besluiten, moet hier nog de geslachtsnaamBraspotvermeld worden, die (brassen= smullen) de kroon op alle voorgaanden zet. En dan, als toegift, noemen wy hier nog de geslachtsnamenMostert, Olie, OlyenHonig. Vooral de laatste naam is geenszins zeldzaam, en komt in allerlei formen en spelwyzen voor, alsHoningh, Honing, Honigh, HooningenHeuninck.Van de spyzen tot de dranken overgaande, vinden wy dat bier en wijn, ook in samenstellingen, almede hun aandeel hebben moeten leveren tot het formen van geslachtsnamen. Die woorden komenvoor in de geslachtsnamenBier, WijnenDe Wijn. Vervolgens inZuurbier(de hoogduitsche formSauerbierkomt ook in Nederland voor) enSoetbeer, hetwelk een platduitsche form is.Beer, in plaats vanbier, komt ook in den geslachtsnaamBeerstecher, zie bl. 183 en 311, voor. Verder nogScherpbier, DunbierenDunnebierenCoelenbiermetCoelembier. Een byzondere soort van bier dat oudtijds te Groningen gebrouen werd, droeg den naam vanKluun, verhollandscht totKluin. Van daar dat het vrachtschip van Groningen op Leeuwarden, het welk oudtijds geheele ladingen van dat veelbegeerde bier bewesten Lauers bracht, in laatstgenoemde stad nog steeds den naam draagt van »kluunskip”, kluinschip. En van daar dat het pijnlike voeteuvel (podagra), dat men zich op den hals, of beter in den voet haalt door onmatig bierdrinken, in het Friesch den naam draagt van »kluunskonk”82KluunenKluinzijn twee geslachtsnamen, in de noordelikste gewesten inheemsch.NevensZuurbiertreffen wy den geslachtsnaamSoerewynaan, een friesche en saksische form van »zurewijn”. En als de weêrga vanCoelenbierde geslachtsnaamKoelewijn. Andere formen van laatstgenoemden naam vertoonen nog de geslachtsnamenKoldewynenKollewyn.83Maar de geslachtsnamenColdewey, KolleweienKohlweiverwarre men er niet mede. Dezen immers hebben eenen gants anderenoorsprongen beteekenis; het zijn plaatsnamen. Aan verschillende gehuchten in de friesche streken van Oldenburg, in de gemeenten Ferwert of Fedderwarden, Berne, Grootkerk of Hohenkirchen, is deze plaatsnaam eigen. De geslachten die thans in de Nederlanden deze namen voeren, zullen oorspronkelik in genoemde gehuchten gezeten geweest zijn. Als de naam van eene byzondere soort van wijn, die oudtijds door de Nederlandersgedronken werd, komt de geslachtsnaamRomenyvoor; enRummenie, dat slechts eene andere schrijfwyze is van het zelfde woord. Men vergelyke hier echter bl. 210.Ten slotte noem ik hier nog de geslachtsnamenKoekenbierenBierenbroodspot. De eerste toont ons een oorbeeldig boerenonthaal. De laatste is de naam van het dageliksche morgen- en avondgerecht onzer voorouders. Roggenbrood, vooral ook roggentweebak, in dunbier gebrokkeld en te zamen verwarmd, dat was »de bier-en-broodspot”, die oudtijds zoo hoog in achting stond, dat hy wel op gevelsteenen en als huisnaam voorkwam, en dat hy zelfs, vermoedelik langs dien weg, geslachtsnaam geworden is.§141. Als geslachtsnamen, die oorspronkelik de namen zijn van kleedingstukken, noemen wy in de eerste plaatsJas(metVan der Jas),BuisenBuys, Broek, Hoos, Das, Mantel, SchorteldoekenBorstlap. De oorspronkelike beteekenis der drie laatstgenoemde namen als kleedingstukken, is buiten twyfel. Niet alzoo is het met de anderen.Jasimmers is ook als verkorting van den mansvóórnaamJasperin gebruik. InBuisenBuyskan ook een mansvóórnaam schuilen, en wel de zelfde die voorkomt in de patronymikale maagschapsnamenBuysing, Büsink, Bussing, Bussink, Buissink, Buisinga, Buisma, Busma, Buyssens, Buyse, Buizen, Buyze, enz.; in verkleinform alsBuyskes, BuskenenBuska(zie echter bl. 270). Namelik de oud-germaansche mansnaamBuso, doorFörstemannvermeld.—Broekkan men ook rekenen tot de namen van algemeen-aardrijkskundigen oorsprong (zie bl. 281), even als menDastot de diernamen kan tellen. De beteekenis van het woordhoos, als kleedingstuk, zweeft tusschen die van onze hedendaagsche woordenbroekenkous. In het hedendaagsche Friesch heefthoasde beteekenis vankous. Maar in Holland had in de middeleeuenhoosde beduidenis van een kleedingstuk, dat bestond uit broek en kousen aan één stuk, gelijk men in die tyden droeg. Buitendien zoude men den geslachtsnaamHoosnog kunnen voegen by die welke in §138vermeld zijn, omdathoosook de naam is van een natuurverschijnsel.Als ontleend aan de namen van byzondere soorten van kleedingstukken noemen wy nog de maagschapsnamenRuygrokenRuifrok,RuigrokenRuyfrok, allen het zelfde beteekenende. Immersruig,ruif,ruwzijn niet aleen woorden van de zelfde beduidenis, maar ook van den zelfden oorsprong. Ook zijn deze namen al van oude dagteekening. Volgens het tijdschriftDe oude Tijd, jaargang 1869, bl. 206, komt reeds in eene oorkonde van den jare 1435 zekereJan Ruychrockvoor.—VerderLangerokenLangerock, Zwarterok, BlontrockenSchoonrok, Witjas, Bontemantel, enz. Oudtijds was »De Bontemantel” een huisnaam die meermaals voorkwam; volgensVan LennepenTer Gouwonder anderen te Amsterdam, Antwerpen en Delft. Als geslachtsnaam komtBontemantel, waarschijnlik aan eenen huisnaam ontleend, reeds in het begin der jaren 1500 voor. Een der eerste ontginners van het Bilt in Friesland droeg dezen naam. En deze naam is daar weêr gegeven aan het huis door dien man geboud en bewoond, en als huisnaam, daar tot op den huidigen dag in wezen gebleven. In dit geval heeft dus eerst een huis den naam gegeven aan eenen man, en later is die naam weêr van den man op een huis overgegaan.In sommige nederlandsche gouspraken, vooral in die van onze noordoostelike gewesten, draagt een mansbroek den naam vanbokse. Of de zonderlinge geslachtsnaamVixseboxse, dien ik anders niet en weet te verklaren, met dat woord in verband staat? En dusfiksche broekbeduidt? In dit geval zou deze naam zoo zonderling wezen, dat ik dit naueliks aannemen durf. Trouens, aan zeer zonderlinge namen hebben wy geen gebrek. §147en vervolgens leert dat voldoende. Daar zijn er nog wel zonderlinger vermeld danVixseboxse, ook al neemt men bovengenoemden oorsprong aan. De geslachtsnaamKousbroek, die in Vlaanderen in den byzonderen formVan Causbrouckvoorkomt, doet aan de middeleeuschehozen, op de vorige bladzyde vermeld, denken. Of aan de geslachtsnamenBlaauwbroek, Bruynbroeck, WittebrouckenRybroekde naam van het kleedingstuk ten grondslag ligt, of wel het algemeen-aardrijkskundige woordbroek= moeras, is moeielik uit te maken. Ik houd het laatste voor het waarschijnlikste. InVan Swartenbrouckis dit zekerlik het geval. Maar in den als patronymikon voorkomenden geslachtsnaamSwartenbrouckxis het weêr twyfelachtig. Ook is de oorsprong en eigenlike beteekenisvan den maagschapsnaamGeuzebroek, waar aan toch hoochst waarschijnlik wel een plaatsnaam ten grondslag ligt, my onbekend gebleven.Als geslachtsnamen ontleend aan de woorden die hoofddeksels en voetbekleedsels aanduiden, vermeld ik hier:Hoed, HoetenHoedtmetD’Hoedt, Den HoedenDen Hoedt. InTen Hoetschijnt een plaatsnaam te schuilen, dien ik echter niet aanwyzen kan.—VerderGeelhoedenZwarthoed, met de hoogduitsche namenGrünhutenSchönhuth, die ook in de Nederlanden voorkomen. OokPet, MutsenDubbeldemuts. DanLaarsenLeers, SchoenenSchoe. Deze laatste naam vertoont den oorspronkeliken, zuiveren, eenvoudigen form van het woord. De maagschapsnaamSchoegjevertoont den byzonderen verkleinform (in plaats van »schoentje”), welke in Friesland zoo wel als in het Overmaassche by Dordrecht, der volksspreektaal eigen is.Van der Laarszal oorspronkelik wel de bynaam geweest zijn van eenen leersemaker, even alsVan der Jasdie van eenen kleêrmaker. Maar deze geslachtsnamen kunnen ook aan huisnamen ontleend zijn. Immers gevelteekens als »De Roode Leers” of »De Rylaers” kwamen oudtijds niet zeldzaam voor.—Ook behooren hier nog vermeld te worden de maagschapsnamenKlomp, Trip(eene muil met houtene zool) enSchaats.Gedeelten van kleedingstukken leenden hunne namen aan de geslachtsnamenKnoopenCnoop(die ook in patronymikalen form alsKnoopsenCnoopsvoorkomen),RoksnoerenMouw. Raadselachtig is my de geslachtsnaamDer Mouw, wegens dat voorvoechselder; een oud lidwoord? of het verbogene vrouelike lidwoord? By de vierknoopnamen zal men wel liefst te denken hebben aan den mansvóórnaamKnoopofCnoop, die oudtijds wel in de Nederlanden voorkwam. (ZieDe Navorscher, XXII, bl. 566 en 574). Ten slotte komen de namen van kleedingstoffen nog voor in de geslachtsnamenBommezijn, Chits, Flanel, Katoen, Scharlaecken, VijfschaftenWitdoeck.Vijfschaft(Fiifskaft) is de friesche en friso-saksische naam van zekere wollen stof die oudtijds door de landlieden in onze noordoostelike gewesten geweven werd. Zy heette alzoo naar hare byzondere wyze van samenstelling. De geslachtsnaamVijfschaftis dan ook inDrente inheemsch, waar ook nogfiifskaftgedragen wordt. Waarschijnlik zijn al deze namen oorspronkelik bynamen geweest van lieden die in zulke stoffen handel dreven. De naamWitdoeckis aan verschillende geslachten in de zuidelike gewesten eigen. Hy komt daar ook in de spellingWittouckvoor, en tevens in de patronymikale formenWitdouckxenWittoucx.
I.Geslachtsnamen, aan de namen van spyzen, dranken en kleedingstukken ontleend.
§140. Spijs en drank en kleeding zijn zaken die eene groote rol spelen in het dageliksche leven der menschen. Het is dan ook niet vreemd dat de namen daar van wel voorkomen als geslachtsnamen. Iemand toch, die byzonder graag deze of gene spyze of drank at of dronk, die daar voor bekend was by zyne omgeving, kreeg al licht, uit spot, zulk eenen naam als bynaam. En deze bynamen gingen als gebruikelike toenamen, later als vaste geslachtsnamen wel op de kinderen en nakomelingen dier mannen over. En even zoo ging het met de namen van kleedingstukken. Iemand die bekend was wegens het dragen van ’t eene of andere byzondere, ongemeene, of sterk in het oog vallende kleedingstuk, kreeg al licht den naam daar van als bynaam. Ook kwamen de afbeeldingen en namen van spyzen en dranken en kleedingstukken wel als gevelteekens en huisnamen voor. Zoo kan ook langs dien weg menige dergelyke geslachtsnaam in gebruik gekomen zijn.By de opsomming der geslachtsnamen aan de namen van spyzen ontleend, mogen wy wel beginnen met »den staf des levens”, met het brood. Broodnamen zijnWittebroodt, Soetbrood, Schoonbrood, Platbroodt. Eerstgenoemde naam is al oud; immersJan Wytbrootwas reeds in 1511 een burger der stad Leeuwarden.80Ook in Engelland komt de geslachtsnaamWhitbreadvoor, terwijl het franscheBlanpainin Nederland my voorgekomen is. VerderTeirbroodt, dat is het brood waar men vanteert, het dageliksche brood om van te leven. De geslachtsnaamDroogenbroodtis een tegenhanger van den maagschapsnaamBoterenbrood, welke naam ook in den formBotterbrodtvoorkomt, en vanKaasenbrood. De laatstgenoemde geslachtsnaam komt ook, half verfranscht, alsDe Casembrootvoor. Te Monster in het Westland ziet men, aan eene herberg, nog »Kaas en brood” als uithangbord.81Tot het bereiden van brood is koorn noodig; en ook zuurdeeg.Deze woorden zijn ook tot geslachtsnamen geworden; namelik alsBroodkoren, Broodcoren, Brotcorne, en zelfs in versletenen form en als vadersnaamBrocorens. En alsZuurdeeg(met den hoogduitschen formSauerteig).Als aanhangsel tot dezebroodnamen vermelden wy nog de geslachtsnamenBeschuydtenWermenbol(warme bol) metKrentebol. Eenebolis een bolvormig fijn gebak; in Friesland noemt men nog alle wittebrood »bolle”. Dezebolnamen, waartoe misschien ookWittebol(zie bl. 343) behoort, voeren geleidelik tot dekoeknamen, die vertegenwoordigd worden in de eerste plaats door de eenvoudige geslachtsnamenKoekenCoucke, in Holland en Vlaanderen, en dan doorWittekoek, KrentekoekenPannekoek, Pankoek, Pannekoucke, enz. De vormPantekoekkomt ook voor. Wijl my nooit, in geen enkele gouspraak, de uitspraakpantekoekvoorgekomen is, in plaats vanpannekoekofpankoeke, zoo weet ik het voorkomen van dezen eenigszins zonderlingen naam niet te verklaren.Zuivelspyzen waren van ouds her by de Nederlanders zeer bemind en werden dageliks genuttigd. Vooral in het veeryke Holland en Friesland. De namen van zulke spyzen vindt men in de geslachtsnamenHeetebry, Wittewronghel, Ouboter, Dolleboter, KaasenCaes, HooikaasenOoykaas, enz. Als men melk by middel van eenig stremsel, gewoonlik van leb, stremt, dan schift zy zich in de vaste, kaasachtige stoffen,wrongelgenoemd, en in de vloeibare bestanddeelen, deweiofhui, in de friesche gewestenwaeiofwaigenoemd. (Van daar de noord-hollandsche geslachtsnaamWaaiboer). Die wrongel was vroeger als verkwikkende en verkoelende spyze zeer bemind. Te Groningen, buiten de Heerenpoort, is hetWrongelhuusnog bekend, waar men zich aan wrongel vergasten kan. Ook buiten Hamburg werd my nog, in eene boereherberg, wrongel voorgezet. De oude Vlamingen, in de middeleeuen, schynen ook groote liefhebbers van zuivelspyzen geweest te zijn; althans de vlaamsche boeren, de zoogenoemde »vlaamsche kerelen”, die oorspronkelik Friesen en Saksen waren. Immers luidt het referein van een middeleeusch vlaamsch volkslied, een spotlied op die »keerlen”:»Wronghele ende wey,Broot ende caes,Dat heit hi al den dach!”En werkelik is ook thans nog de geslachtsnaamWittewronghelmetWittevronghelenWittevrongelin Vlaanderen inheemsch. De juiste beteekenis en oorsprong van den zonderlingen naamDolleboteris my onbekend.Ooykaashoude ik voor eenen versletenen, ouden form vanHooikaas.In de middeleeuen was karnemelk en wei de dageliksche drank van den geringen man, als hy geen bier bekostigen kon; vooral ook van vrouen en kinderen. Het was hetdrinkenof hetzuipen, hetsuypen, gelijk men toen zich uitdrukte en schreef, als by uitnemendheid. Van daar dat in de friesche taal karnemelk nog hedensûpe(spreek ongeveer alssoepeuit) heet. In de friesche steden, waar, b. v. te Leeuwarden en te Sneek, »de Suupmerk”, in deze eeu soms verhollandscht tot »Zuipmarkt”, nog bestaat, zegt mensuup. Elders in de noordelike gewesten, b. v. te Groningen, is eene zuivelspyze alsdiksoepenbekend; en ook in Brabant, b. v. te Breda, kent menzuipenals zuivelspijs. De geslachtsnamenKarmelk, SoeteweyenVetsuypen, met den patronymikalen formVetsuypens, leggen nog getuigenis af van het zuiveldrinken onzer voorouders.Vleesch- en vischspyzen zijn my slechts voorgekomen in de geslachtsnamenPotharst, Spek, Ham, Spekham, WorstenDe Worst, Pannevis, PekelharingenStokvis. De naamPotharstkomt menigvuldig voor, ook in de versletene formenPothastenPotthast.Potharstbestaat uit vuistdikke stukken rundvleesch, van deharst(ruggestreng), met gort en rapen of wortelen samengesmoord. In Holland noemt men dit herfst-gerechthutspot. Sedert de opkomst der eerdappelen in de Nederlanden, is (jammer genoeg!) de potharst van de tafel der burgery verdwenen; toch is hy hier en daar in onze noordelike en oostelike gewesten nog bekend en in gebruik.Kiliaanheeft »Pot-harst,Sax. Fris. Sicamb.j. hutspot.Caro iussulenta.”—»Schelharst” is de naam van een ander stuk vleesch. Ook dit woord komt als geslachtsnaam voor, maar dan in verbasterden form, door de vage uitspraak derr, byzonder derar, by de saksische Nederlanders. Te weten alsSchelhaas.Nevens den geslachtsnaamSpekkomt ookVan der Spekvoor, enVan den Hamnaast het enkeleHam.—»De Ham”, vooral »De Westfaalsche Ham” was oudtijds als huisnaam niet zeldzaam, en staat nog heden te Haarlem in den Anegang. Daarenboven heeft het woordhamnog eene algemeen-aardrijkskundige beteekenis, en formt als zoodanig aardrijkskundige namen. Vele dorpen en buurten in de verschillende nederlandsche gewesten dragen den naam vanHamenDen Ham, ook in samenstellingen (Drogeham, Blankenham, IJsselham). De geslachtsnaamVan den Hamzal dus waarschijnlik, even alsTen HamenHamstra, afgeleid zijn van dit algemeen-aardrijkskundige woord.Namen van spyzen en gerechten, uit het plantenrijk herkomstig, ontmoeten wy in de geslachtsnamenKoolenCool, Buiskool, Boerkool, Warmoes, Koolmoes, Witteboon, Gort, GortworstenPotjegort. Nevens den naamWitteboonkomt ookBonewitvoor; beide deze namen zijn aan israëlitische maagschappen eigen. Is de naamWitteboonmisschien door een spelend vernuft aangenomen als een ommekeer, een tegenhanger van den reeds bestaanden naamBonewit? En is deze laatste naam misschien weêr eene verbastering van den eveneens voorkomenden maagschapsnaamBonewitz, die van slavischen oorsprong is? Zie §164. InKoolenCoolkan ook de oud-germaansche, doorFörstemannvermelde mansvóórnaamColoschuilen. Zie bl. 102. NevensBoerkoolkomt ook de geslachtsnaamBoerkoelvoor. Deze laatste naam schijnt my toe niet eene verbastering te zijn van den eerstgenoemden, maar veeleer te behooren tot dekoel- (kuil) namen, op bl. 256 en 289 opgenoemd.Om al deze namen van spyzen en gerechten te besluiten, moet hier nog de geslachtsnaamBraspotvermeld worden, die (brassen= smullen) de kroon op alle voorgaanden zet. En dan, als toegift, noemen wy hier nog de geslachtsnamenMostert, Olie, OlyenHonig. Vooral de laatste naam is geenszins zeldzaam, en komt in allerlei formen en spelwyzen voor, alsHoningh, Honing, Honigh, HooningenHeuninck.Van de spyzen tot de dranken overgaande, vinden wy dat bier en wijn, ook in samenstellingen, almede hun aandeel hebben moeten leveren tot het formen van geslachtsnamen. Die woorden komenvoor in de geslachtsnamenBier, WijnenDe Wijn. Vervolgens inZuurbier(de hoogduitsche formSauerbierkomt ook in Nederland voor) enSoetbeer, hetwelk een platduitsche form is.Beer, in plaats vanbier, komt ook in den geslachtsnaamBeerstecher, zie bl. 183 en 311, voor. Verder nogScherpbier, DunbierenDunnebierenCoelenbiermetCoelembier. Een byzondere soort van bier dat oudtijds te Groningen gebrouen werd, droeg den naam vanKluun, verhollandscht totKluin. Van daar dat het vrachtschip van Groningen op Leeuwarden, het welk oudtijds geheele ladingen van dat veelbegeerde bier bewesten Lauers bracht, in laatstgenoemde stad nog steeds den naam draagt van »kluunskip”, kluinschip. En van daar dat het pijnlike voeteuvel (podagra), dat men zich op den hals, of beter in den voet haalt door onmatig bierdrinken, in het Friesch den naam draagt van »kluunskonk”82KluunenKluinzijn twee geslachtsnamen, in de noordelikste gewesten inheemsch.NevensZuurbiertreffen wy den geslachtsnaamSoerewynaan, een friesche en saksische form van »zurewijn”. En als de weêrga vanCoelenbierde geslachtsnaamKoelewijn. Andere formen van laatstgenoemden naam vertoonen nog de geslachtsnamenKoldewynenKollewyn.83Maar de geslachtsnamenColdewey, KolleweienKohlweiverwarre men er niet mede. Dezen immers hebben eenen gants anderenoorsprongen beteekenis; het zijn plaatsnamen. Aan verschillende gehuchten in de friesche streken van Oldenburg, in de gemeenten Ferwert of Fedderwarden, Berne, Grootkerk of Hohenkirchen, is deze plaatsnaam eigen. De geslachten die thans in de Nederlanden deze namen voeren, zullen oorspronkelik in genoemde gehuchten gezeten geweest zijn. Als de naam van eene byzondere soort van wijn, die oudtijds door de Nederlandersgedronken werd, komt de geslachtsnaamRomenyvoor; enRummenie, dat slechts eene andere schrijfwyze is van het zelfde woord. Men vergelyke hier echter bl. 210.Ten slotte noem ik hier nog de geslachtsnamenKoekenbierenBierenbroodspot. De eerste toont ons een oorbeeldig boerenonthaal. De laatste is de naam van het dageliksche morgen- en avondgerecht onzer voorouders. Roggenbrood, vooral ook roggentweebak, in dunbier gebrokkeld en te zamen verwarmd, dat was »de bier-en-broodspot”, die oudtijds zoo hoog in achting stond, dat hy wel op gevelsteenen en als huisnaam voorkwam, en dat hy zelfs, vermoedelik langs dien weg, geslachtsnaam geworden is.§141. Als geslachtsnamen, die oorspronkelik de namen zijn van kleedingstukken, noemen wy in de eerste plaatsJas(metVan der Jas),BuisenBuys, Broek, Hoos, Das, Mantel, SchorteldoekenBorstlap. De oorspronkelike beteekenis der drie laatstgenoemde namen als kleedingstukken, is buiten twyfel. Niet alzoo is het met de anderen.Jasimmers is ook als verkorting van den mansvóórnaamJasperin gebruik. InBuisenBuyskan ook een mansvóórnaam schuilen, en wel de zelfde die voorkomt in de patronymikale maagschapsnamenBuysing, Büsink, Bussing, Bussink, Buissink, Buisinga, Buisma, Busma, Buyssens, Buyse, Buizen, Buyze, enz.; in verkleinform alsBuyskes, BuskenenBuska(zie echter bl. 270). Namelik de oud-germaansche mansnaamBuso, doorFörstemannvermeld.—Broekkan men ook rekenen tot de namen van algemeen-aardrijkskundigen oorsprong (zie bl. 281), even als menDastot de diernamen kan tellen. De beteekenis van het woordhoos, als kleedingstuk, zweeft tusschen die van onze hedendaagsche woordenbroekenkous. In het hedendaagsche Friesch heefthoasde beteekenis vankous. Maar in Holland had in de middeleeuenhoosde beduidenis van een kleedingstuk, dat bestond uit broek en kousen aan één stuk, gelijk men in die tyden droeg. Buitendien zoude men den geslachtsnaamHoosnog kunnen voegen by die welke in §138vermeld zijn, omdathoosook de naam is van een natuurverschijnsel.Als ontleend aan de namen van byzondere soorten van kleedingstukken noemen wy nog de maagschapsnamenRuygrokenRuifrok,RuigrokenRuyfrok, allen het zelfde beteekenende. Immersruig,ruif,ruwzijn niet aleen woorden van de zelfde beduidenis, maar ook van den zelfden oorsprong. Ook zijn deze namen al van oude dagteekening. Volgens het tijdschriftDe oude Tijd, jaargang 1869, bl. 206, komt reeds in eene oorkonde van den jare 1435 zekereJan Ruychrockvoor.—VerderLangerokenLangerock, Zwarterok, BlontrockenSchoonrok, Witjas, Bontemantel, enz. Oudtijds was »De Bontemantel” een huisnaam die meermaals voorkwam; volgensVan LennepenTer Gouwonder anderen te Amsterdam, Antwerpen en Delft. Als geslachtsnaam komtBontemantel, waarschijnlik aan eenen huisnaam ontleend, reeds in het begin der jaren 1500 voor. Een der eerste ontginners van het Bilt in Friesland droeg dezen naam. En deze naam is daar weêr gegeven aan het huis door dien man geboud en bewoond, en als huisnaam, daar tot op den huidigen dag in wezen gebleven. In dit geval heeft dus eerst een huis den naam gegeven aan eenen man, en later is die naam weêr van den man op een huis overgegaan.In sommige nederlandsche gouspraken, vooral in die van onze noordoostelike gewesten, draagt een mansbroek den naam vanbokse. Of de zonderlinge geslachtsnaamVixseboxse, dien ik anders niet en weet te verklaren, met dat woord in verband staat? En dusfiksche broekbeduidt? In dit geval zou deze naam zoo zonderling wezen, dat ik dit naueliks aannemen durf. Trouens, aan zeer zonderlinge namen hebben wy geen gebrek. §147en vervolgens leert dat voldoende. Daar zijn er nog wel zonderlinger vermeld danVixseboxse, ook al neemt men bovengenoemden oorsprong aan. De geslachtsnaamKousbroek, die in Vlaanderen in den byzonderen formVan Causbrouckvoorkomt, doet aan de middeleeuschehozen, op de vorige bladzyde vermeld, denken. Of aan de geslachtsnamenBlaauwbroek, Bruynbroeck, WittebrouckenRybroekde naam van het kleedingstuk ten grondslag ligt, of wel het algemeen-aardrijkskundige woordbroek= moeras, is moeielik uit te maken. Ik houd het laatste voor het waarschijnlikste. InVan Swartenbrouckis dit zekerlik het geval. Maar in den als patronymikon voorkomenden geslachtsnaamSwartenbrouckxis het weêr twyfelachtig. Ook is de oorsprong en eigenlike beteekenisvan den maagschapsnaamGeuzebroek, waar aan toch hoochst waarschijnlik wel een plaatsnaam ten grondslag ligt, my onbekend gebleven.Als geslachtsnamen ontleend aan de woorden die hoofddeksels en voetbekleedsels aanduiden, vermeld ik hier:Hoed, HoetenHoedtmetD’Hoedt, Den HoedenDen Hoedt. InTen Hoetschijnt een plaatsnaam te schuilen, dien ik echter niet aanwyzen kan.—VerderGeelhoedenZwarthoed, met de hoogduitsche namenGrünhutenSchönhuth, die ook in de Nederlanden voorkomen. OokPet, MutsenDubbeldemuts. DanLaarsenLeers, SchoenenSchoe. Deze laatste naam vertoont den oorspronkeliken, zuiveren, eenvoudigen form van het woord. De maagschapsnaamSchoegjevertoont den byzonderen verkleinform (in plaats van »schoentje”), welke in Friesland zoo wel als in het Overmaassche by Dordrecht, der volksspreektaal eigen is.Van der Laarszal oorspronkelik wel de bynaam geweest zijn van eenen leersemaker, even alsVan der Jasdie van eenen kleêrmaker. Maar deze geslachtsnamen kunnen ook aan huisnamen ontleend zijn. Immers gevelteekens als »De Roode Leers” of »De Rylaers” kwamen oudtijds niet zeldzaam voor.—Ook behooren hier nog vermeld te worden de maagschapsnamenKlomp, Trip(eene muil met houtene zool) enSchaats.Gedeelten van kleedingstukken leenden hunne namen aan de geslachtsnamenKnoopenCnoop(die ook in patronymikalen form alsKnoopsenCnoopsvoorkomen),RoksnoerenMouw. Raadselachtig is my de geslachtsnaamDer Mouw, wegens dat voorvoechselder; een oud lidwoord? of het verbogene vrouelike lidwoord? By de vierknoopnamen zal men wel liefst te denken hebben aan den mansvóórnaamKnoopofCnoop, die oudtijds wel in de Nederlanden voorkwam. (ZieDe Navorscher, XXII, bl. 566 en 574). Ten slotte komen de namen van kleedingstoffen nog voor in de geslachtsnamenBommezijn, Chits, Flanel, Katoen, Scharlaecken, VijfschaftenWitdoeck.Vijfschaft(Fiifskaft) is de friesche en friso-saksische naam van zekere wollen stof die oudtijds door de landlieden in onze noordoostelike gewesten geweven werd. Zy heette alzoo naar hare byzondere wyze van samenstelling. De geslachtsnaamVijfschaftis dan ook inDrente inheemsch, waar ook nogfiifskaftgedragen wordt. Waarschijnlik zijn al deze namen oorspronkelik bynamen geweest van lieden die in zulke stoffen handel dreven. De naamWitdoeckis aan verschillende geslachten in de zuidelike gewesten eigen. Hy komt daar ook in de spellingWittouckvoor, en tevens in de patronymikale formenWitdouckxenWittoucx.
§140. Spijs en drank en kleeding zijn zaken die eene groote rol spelen in het dageliksche leven der menschen. Het is dan ook niet vreemd dat de namen daar van wel voorkomen als geslachtsnamen. Iemand toch, die byzonder graag deze of gene spyze of drank at of dronk, die daar voor bekend was by zyne omgeving, kreeg al licht, uit spot, zulk eenen naam als bynaam. En deze bynamen gingen als gebruikelike toenamen, later als vaste geslachtsnamen wel op de kinderen en nakomelingen dier mannen over. En even zoo ging het met de namen van kleedingstukken. Iemand die bekend was wegens het dragen van ’t eene of andere byzondere, ongemeene, of sterk in het oog vallende kleedingstuk, kreeg al licht den naam daar van als bynaam. Ook kwamen de afbeeldingen en namen van spyzen en dranken en kleedingstukken wel als gevelteekens en huisnamen voor. Zoo kan ook langs dien weg menige dergelyke geslachtsnaam in gebruik gekomen zijn.
By de opsomming der geslachtsnamen aan de namen van spyzen ontleend, mogen wy wel beginnen met »den staf des levens”, met het brood. Broodnamen zijnWittebroodt, Soetbrood, Schoonbrood, Platbroodt. Eerstgenoemde naam is al oud; immersJan Wytbrootwas reeds in 1511 een burger der stad Leeuwarden.80Ook in Engelland komt de geslachtsnaamWhitbreadvoor, terwijl het franscheBlanpainin Nederland my voorgekomen is. VerderTeirbroodt, dat is het brood waar men vanteert, het dageliksche brood om van te leven. De geslachtsnaamDroogenbroodtis een tegenhanger van den maagschapsnaamBoterenbrood, welke naam ook in den formBotterbrodtvoorkomt, en vanKaasenbrood. De laatstgenoemde geslachtsnaam komt ook, half verfranscht, alsDe Casembrootvoor. Te Monster in het Westland ziet men, aan eene herberg, nog »Kaas en brood” als uithangbord.81
Tot het bereiden van brood is koorn noodig; en ook zuurdeeg.Deze woorden zijn ook tot geslachtsnamen geworden; namelik alsBroodkoren, Broodcoren, Brotcorne, en zelfs in versletenen form en als vadersnaamBrocorens. En alsZuurdeeg(met den hoogduitschen formSauerteig).
Als aanhangsel tot dezebroodnamen vermelden wy nog de geslachtsnamenBeschuydtenWermenbol(warme bol) metKrentebol. Eenebolis een bolvormig fijn gebak; in Friesland noemt men nog alle wittebrood »bolle”. Dezebolnamen, waartoe misschien ookWittebol(zie bl. 343) behoort, voeren geleidelik tot dekoeknamen, die vertegenwoordigd worden in de eerste plaats door de eenvoudige geslachtsnamenKoekenCoucke, in Holland en Vlaanderen, en dan doorWittekoek, KrentekoekenPannekoek, Pankoek, Pannekoucke, enz. De vormPantekoekkomt ook voor. Wijl my nooit, in geen enkele gouspraak, de uitspraakpantekoekvoorgekomen is, in plaats vanpannekoekofpankoeke, zoo weet ik het voorkomen van dezen eenigszins zonderlingen naam niet te verklaren.
Zuivelspyzen waren van ouds her by de Nederlanders zeer bemind en werden dageliks genuttigd. Vooral in het veeryke Holland en Friesland. De namen van zulke spyzen vindt men in de geslachtsnamenHeetebry, Wittewronghel, Ouboter, Dolleboter, KaasenCaes, HooikaasenOoykaas, enz. Als men melk by middel van eenig stremsel, gewoonlik van leb, stremt, dan schift zy zich in de vaste, kaasachtige stoffen,wrongelgenoemd, en in de vloeibare bestanddeelen, deweiofhui, in de friesche gewestenwaeiofwaigenoemd. (Van daar de noord-hollandsche geslachtsnaamWaaiboer). Die wrongel was vroeger als verkwikkende en verkoelende spyze zeer bemind. Te Groningen, buiten de Heerenpoort, is hetWrongelhuusnog bekend, waar men zich aan wrongel vergasten kan. Ook buiten Hamburg werd my nog, in eene boereherberg, wrongel voorgezet. De oude Vlamingen, in de middeleeuen, schynen ook groote liefhebbers van zuivelspyzen geweest te zijn; althans de vlaamsche boeren, de zoogenoemde »vlaamsche kerelen”, die oorspronkelik Friesen en Saksen waren. Immers luidt het referein van een middeleeusch vlaamsch volkslied, een spotlied op die »keerlen”:
»Wronghele ende wey,Broot ende caes,Dat heit hi al den dach!”
»Wronghele ende wey,
Broot ende caes,
Dat heit hi al den dach!”
En werkelik is ook thans nog de geslachtsnaamWittewronghelmetWittevronghelenWittevrongelin Vlaanderen inheemsch. De juiste beteekenis en oorsprong van den zonderlingen naamDolleboteris my onbekend.Ooykaashoude ik voor eenen versletenen, ouden form vanHooikaas.
In de middeleeuen was karnemelk en wei de dageliksche drank van den geringen man, als hy geen bier bekostigen kon; vooral ook van vrouen en kinderen. Het was hetdrinkenof hetzuipen, hetsuypen, gelijk men toen zich uitdrukte en schreef, als by uitnemendheid. Van daar dat in de friesche taal karnemelk nog hedensûpe(spreek ongeveer alssoepeuit) heet. In de friesche steden, waar, b. v. te Leeuwarden en te Sneek, »de Suupmerk”, in deze eeu soms verhollandscht tot »Zuipmarkt”, nog bestaat, zegt mensuup. Elders in de noordelike gewesten, b. v. te Groningen, is eene zuivelspyze alsdiksoepenbekend; en ook in Brabant, b. v. te Breda, kent menzuipenals zuivelspijs. De geslachtsnamenKarmelk, SoeteweyenVetsuypen, met den patronymikalen formVetsuypens, leggen nog getuigenis af van het zuiveldrinken onzer voorouders.
Vleesch- en vischspyzen zijn my slechts voorgekomen in de geslachtsnamenPotharst, Spek, Ham, Spekham, WorstenDe Worst, Pannevis, PekelharingenStokvis. De naamPotharstkomt menigvuldig voor, ook in de versletene formenPothastenPotthast.Potharstbestaat uit vuistdikke stukken rundvleesch, van deharst(ruggestreng), met gort en rapen of wortelen samengesmoord. In Holland noemt men dit herfst-gerechthutspot. Sedert de opkomst der eerdappelen in de Nederlanden, is (jammer genoeg!) de potharst van de tafel der burgery verdwenen; toch is hy hier en daar in onze noordelike en oostelike gewesten nog bekend en in gebruik.Kiliaanheeft »Pot-harst,Sax. Fris. Sicamb.j. hutspot.Caro iussulenta.”—»Schelharst” is de naam van een ander stuk vleesch. Ook dit woord komt als geslachtsnaam voor, maar dan in verbasterden form, door de vage uitspraak derr, byzonder derar, by de saksische Nederlanders. Te weten alsSchelhaas.Nevens den geslachtsnaamSpekkomt ookVan der Spekvoor, enVan den Hamnaast het enkeleHam.—»De Ham”, vooral »De Westfaalsche Ham” was oudtijds als huisnaam niet zeldzaam, en staat nog heden te Haarlem in den Anegang. Daarenboven heeft het woordhamnog eene algemeen-aardrijkskundige beteekenis, en formt als zoodanig aardrijkskundige namen. Vele dorpen en buurten in de verschillende nederlandsche gewesten dragen den naam vanHamenDen Ham, ook in samenstellingen (Drogeham, Blankenham, IJsselham). De geslachtsnaamVan den Hamzal dus waarschijnlik, even alsTen HamenHamstra, afgeleid zijn van dit algemeen-aardrijkskundige woord.
Namen van spyzen en gerechten, uit het plantenrijk herkomstig, ontmoeten wy in de geslachtsnamenKoolenCool, Buiskool, Boerkool, Warmoes, Koolmoes, Witteboon, Gort, GortworstenPotjegort. Nevens den naamWitteboonkomt ookBonewitvoor; beide deze namen zijn aan israëlitische maagschappen eigen. Is de naamWitteboonmisschien door een spelend vernuft aangenomen als een ommekeer, een tegenhanger van den reeds bestaanden naamBonewit? En is deze laatste naam misschien weêr eene verbastering van den eveneens voorkomenden maagschapsnaamBonewitz, die van slavischen oorsprong is? Zie §164. InKoolenCoolkan ook de oud-germaansche, doorFörstemannvermelde mansvóórnaamColoschuilen. Zie bl. 102. NevensBoerkoolkomt ook de geslachtsnaamBoerkoelvoor. Deze laatste naam schijnt my toe niet eene verbastering te zijn van den eerstgenoemden, maar veeleer te behooren tot dekoel- (kuil) namen, op bl. 256 en 289 opgenoemd.
Om al deze namen van spyzen en gerechten te besluiten, moet hier nog de geslachtsnaamBraspotvermeld worden, die (brassen= smullen) de kroon op alle voorgaanden zet. En dan, als toegift, noemen wy hier nog de geslachtsnamenMostert, Olie, OlyenHonig. Vooral de laatste naam is geenszins zeldzaam, en komt in allerlei formen en spelwyzen voor, alsHoningh, Honing, Honigh, HooningenHeuninck.
Van de spyzen tot de dranken overgaande, vinden wy dat bier en wijn, ook in samenstellingen, almede hun aandeel hebben moeten leveren tot het formen van geslachtsnamen. Die woorden komenvoor in de geslachtsnamenBier, WijnenDe Wijn. Vervolgens inZuurbier(de hoogduitsche formSauerbierkomt ook in Nederland voor) enSoetbeer, hetwelk een platduitsche form is.Beer, in plaats vanbier, komt ook in den geslachtsnaamBeerstecher, zie bl. 183 en 311, voor. Verder nogScherpbier, DunbierenDunnebierenCoelenbiermetCoelembier. Een byzondere soort van bier dat oudtijds te Groningen gebrouen werd, droeg den naam vanKluun, verhollandscht totKluin. Van daar dat het vrachtschip van Groningen op Leeuwarden, het welk oudtijds geheele ladingen van dat veelbegeerde bier bewesten Lauers bracht, in laatstgenoemde stad nog steeds den naam draagt van »kluunskip”, kluinschip. En van daar dat het pijnlike voeteuvel (podagra), dat men zich op den hals, of beter in den voet haalt door onmatig bierdrinken, in het Friesch den naam draagt van »kluunskonk”82KluunenKluinzijn twee geslachtsnamen, in de noordelikste gewesten inheemsch.
NevensZuurbiertreffen wy den geslachtsnaamSoerewynaan, een friesche en saksische form van »zurewijn”. En als de weêrga vanCoelenbierde geslachtsnaamKoelewijn. Andere formen van laatstgenoemden naam vertoonen nog de geslachtsnamenKoldewynenKollewyn.83Maar de geslachtsnamenColdewey, KolleweienKohlweiverwarre men er niet mede. Dezen immers hebben eenen gants anderenoorsprongen beteekenis; het zijn plaatsnamen. Aan verschillende gehuchten in de friesche streken van Oldenburg, in de gemeenten Ferwert of Fedderwarden, Berne, Grootkerk of Hohenkirchen, is deze plaatsnaam eigen. De geslachten die thans in de Nederlanden deze namen voeren, zullen oorspronkelik in genoemde gehuchten gezeten geweest zijn. Als de naam van eene byzondere soort van wijn, die oudtijds door de Nederlandersgedronken werd, komt de geslachtsnaamRomenyvoor; enRummenie, dat slechts eene andere schrijfwyze is van het zelfde woord. Men vergelyke hier echter bl. 210.
Ten slotte noem ik hier nog de geslachtsnamenKoekenbierenBierenbroodspot. De eerste toont ons een oorbeeldig boerenonthaal. De laatste is de naam van het dageliksche morgen- en avondgerecht onzer voorouders. Roggenbrood, vooral ook roggentweebak, in dunbier gebrokkeld en te zamen verwarmd, dat was »de bier-en-broodspot”, die oudtijds zoo hoog in achting stond, dat hy wel op gevelsteenen en als huisnaam voorkwam, en dat hy zelfs, vermoedelik langs dien weg, geslachtsnaam geworden is.
§141. Als geslachtsnamen, die oorspronkelik de namen zijn van kleedingstukken, noemen wy in de eerste plaatsJas(metVan der Jas),BuisenBuys, Broek, Hoos, Das, Mantel, SchorteldoekenBorstlap. De oorspronkelike beteekenis der drie laatstgenoemde namen als kleedingstukken, is buiten twyfel. Niet alzoo is het met de anderen.Jasimmers is ook als verkorting van den mansvóórnaamJasperin gebruik. InBuisenBuyskan ook een mansvóórnaam schuilen, en wel de zelfde die voorkomt in de patronymikale maagschapsnamenBuysing, Büsink, Bussing, Bussink, Buissink, Buisinga, Buisma, Busma, Buyssens, Buyse, Buizen, Buyze, enz.; in verkleinform alsBuyskes, BuskenenBuska(zie echter bl. 270). Namelik de oud-germaansche mansnaamBuso, doorFörstemannvermeld.—Broekkan men ook rekenen tot de namen van algemeen-aardrijkskundigen oorsprong (zie bl. 281), even als menDastot de diernamen kan tellen. De beteekenis van het woordhoos, als kleedingstuk, zweeft tusschen die van onze hedendaagsche woordenbroekenkous. In het hedendaagsche Friesch heefthoasde beteekenis vankous. Maar in Holland had in de middeleeuenhoosde beduidenis van een kleedingstuk, dat bestond uit broek en kousen aan één stuk, gelijk men in die tyden droeg. Buitendien zoude men den geslachtsnaamHoosnog kunnen voegen by die welke in §138vermeld zijn, omdathoosook de naam is van een natuurverschijnsel.
Als ontleend aan de namen van byzondere soorten van kleedingstukken noemen wy nog de maagschapsnamenRuygrokenRuifrok,RuigrokenRuyfrok, allen het zelfde beteekenende. Immersruig,ruif,ruwzijn niet aleen woorden van de zelfde beduidenis, maar ook van den zelfden oorsprong. Ook zijn deze namen al van oude dagteekening. Volgens het tijdschriftDe oude Tijd, jaargang 1869, bl. 206, komt reeds in eene oorkonde van den jare 1435 zekereJan Ruychrockvoor.—VerderLangerokenLangerock, Zwarterok, BlontrockenSchoonrok, Witjas, Bontemantel, enz. Oudtijds was »De Bontemantel” een huisnaam die meermaals voorkwam; volgensVan LennepenTer Gouwonder anderen te Amsterdam, Antwerpen en Delft. Als geslachtsnaam komtBontemantel, waarschijnlik aan eenen huisnaam ontleend, reeds in het begin der jaren 1500 voor. Een der eerste ontginners van het Bilt in Friesland droeg dezen naam. En deze naam is daar weêr gegeven aan het huis door dien man geboud en bewoond, en als huisnaam, daar tot op den huidigen dag in wezen gebleven. In dit geval heeft dus eerst een huis den naam gegeven aan eenen man, en later is die naam weêr van den man op een huis overgegaan.
In sommige nederlandsche gouspraken, vooral in die van onze noordoostelike gewesten, draagt een mansbroek den naam vanbokse. Of de zonderlinge geslachtsnaamVixseboxse, dien ik anders niet en weet te verklaren, met dat woord in verband staat? En dusfiksche broekbeduidt? In dit geval zou deze naam zoo zonderling wezen, dat ik dit naueliks aannemen durf. Trouens, aan zeer zonderlinge namen hebben wy geen gebrek. §147en vervolgens leert dat voldoende. Daar zijn er nog wel zonderlinger vermeld danVixseboxse, ook al neemt men bovengenoemden oorsprong aan. De geslachtsnaamKousbroek, die in Vlaanderen in den byzonderen formVan Causbrouckvoorkomt, doet aan de middeleeuschehozen, op de vorige bladzyde vermeld, denken. Of aan de geslachtsnamenBlaauwbroek, Bruynbroeck, WittebrouckenRybroekde naam van het kleedingstuk ten grondslag ligt, of wel het algemeen-aardrijkskundige woordbroek= moeras, is moeielik uit te maken. Ik houd het laatste voor het waarschijnlikste. InVan Swartenbrouckis dit zekerlik het geval. Maar in den als patronymikon voorkomenden geslachtsnaamSwartenbrouckxis het weêr twyfelachtig. Ook is de oorsprong en eigenlike beteekenisvan den maagschapsnaamGeuzebroek, waar aan toch hoochst waarschijnlik wel een plaatsnaam ten grondslag ligt, my onbekend gebleven.
Als geslachtsnamen ontleend aan de woorden die hoofddeksels en voetbekleedsels aanduiden, vermeld ik hier:Hoed, HoetenHoedtmetD’Hoedt, Den HoedenDen Hoedt. InTen Hoetschijnt een plaatsnaam te schuilen, dien ik echter niet aanwyzen kan.—VerderGeelhoedenZwarthoed, met de hoogduitsche namenGrünhutenSchönhuth, die ook in de Nederlanden voorkomen. OokPet, MutsenDubbeldemuts. DanLaarsenLeers, SchoenenSchoe. Deze laatste naam vertoont den oorspronkeliken, zuiveren, eenvoudigen form van het woord. De maagschapsnaamSchoegjevertoont den byzonderen verkleinform (in plaats van »schoentje”), welke in Friesland zoo wel als in het Overmaassche by Dordrecht, der volksspreektaal eigen is.Van der Laarszal oorspronkelik wel de bynaam geweest zijn van eenen leersemaker, even alsVan der Jasdie van eenen kleêrmaker. Maar deze geslachtsnamen kunnen ook aan huisnamen ontleend zijn. Immers gevelteekens als »De Roode Leers” of »De Rylaers” kwamen oudtijds niet zeldzaam voor.—Ook behooren hier nog vermeld te worden de maagschapsnamenKlomp, Trip(eene muil met houtene zool) enSchaats.
Gedeelten van kleedingstukken leenden hunne namen aan de geslachtsnamenKnoopenCnoop(die ook in patronymikalen form alsKnoopsenCnoopsvoorkomen),RoksnoerenMouw. Raadselachtig is my de geslachtsnaamDer Mouw, wegens dat voorvoechselder; een oud lidwoord? of het verbogene vrouelike lidwoord? By de vierknoopnamen zal men wel liefst te denken hebben aan den mansvóórnaamKnoopofCnoop, die oudtijds wel in de Nederlanden voorkwam. (ZieDe Navorscher, XXII, bl. 566 en 574). Ten slotte komen de namen van kleedingstoffen nog voor in de geslachtsnamenBommezijn, Chits, Flanel, Katoen, Scharlaecken, VijfschaftenWitdoeck.Vijfschaft(Fiifskaft) is de friesche en friso-saksische naam van zekere wollen stof die oudtijds door de landlieden in onze noordoostelike gewesten geweven werd. Zy heette alzoo naar hare byzondere wyze van samenstelling. De geslachtsnaamVijfschaftis dan ook inDrente inheemsch, waar ook nogfiifskaftgedragen wordt. Waarschijnlik zijn al deze namen oorspronkelik bynamen geweest van lieden die in zulke stoffen handel dreven. De naamWitdoeckis aan verschillende geslachten in de zuidelike gewesten eigen. Hy komt daar ook in de spellingWittouckvoor, en tevens in de patronymikale formenWitdouckxenWittoucx.
J.Geslachtsnamen, afgeleid van de namen van munten, geldsoorten, maten en getallen.§142. De geslachtsnamen die geformd zijn uit de namen van munten en geldsoorten, maten en getallen, hebben gewis ook, althans ten deele, hun ontstaan te danken aan gevelteekens en huisnamen. Voor een ander deel ook aan bynamen, die uit de eene of andere oorzaak, welke nu niet meer na te speuren is, oudtijds dezen of genen man gegeven waren. Dat eene oud-amsterdamsche maagschap, uit de 16deeeu, haren naamReaelontleende aan »De gouden Reael” (een muntstuk uit dien tijd), zoo als het huis heette aan het Damrak te Amsterdam, waarLaurens Jacobsz.de stamvader van dit geslacht woonde—is bekend. En zoo zal het ook wel gegaan zijn met andere geslachten, die tegenwoordig den naam van een muntstuk of iets dergelijks, als naam voeren.Om met de kleinste munten te beginnen, vermelden wy eerst de geslachtsnamenPenningenPenninck, en, nog geringer,Kleinpenning. Gering is ook de beteekenis van den naamSchimmelpenninck, al wordt hy door een aanzienlik geslacht gedragen. Een penning echter, die men zoo lang in eenen spaarpot bewaard had, dat hy er beschimmeld uitkwam, was by onze zuinige voorouders, als een bewijs van spaarzaamheid, in hooge weerde. In den formSchimmelpenningis deze geslachtsnaam almede by ons inheemsch. Ook de hoogduitsche form van dezen naam komt in Nederland voor, als de geslachtsnaamSchimmelpfennig; buitendien ook nog versleten alsSchimmelpfeng. Minder in achting was dekwade, dat is devalschepenning, die nog in den geslachtsnaamQuapenninckleeft. Zulk een kwadepenning werd oudtijds in den winkel waar hy aangeboden of ontdekt werd, met eenen spyker doorgeslagen en aan de toonbank of den toogdisch bevestigd. In de vorige eeu was dit nog in Friesland in gebruik, en dat men het ook in Vlaanderen deed, bewijst dit vlaamsche rijmke, dat tevens den oorsprong van den geslachtsnaamQuapenninckbuiten twyfel stelt:”Slaet al wat kwapennink is”Slaet kwapennink aen den disch!”Dat van Brugge tot aen Gent”HeerKwapenninksta bekend!”Als dat hy kwapennink is!”Slaet kwapennink aen den disch!”De speelpenning had geen eigenlike weerde. Hy was dan ook in den handel niet gangbaar, en vertegenwoordigde slechts eene ingebeelde weerde als hy by eenig spel diende, op de wyze der hedendaagsche beenenvischjes, die men in kwaad fransch welfichesbelieft te noemen. Duitsche speelpenningen, met den stempel »Spielmarke” er op, waren in myne jeugd te Leeuwarden nog in gebruik. In den geslachtsnaamSpeelpenningis dit woord bewaard gebleven. De braspenning was in den ouden tijd een muntje, waar men, in die goedkoope dagen, voor »brassen”, smullen kon. Zóó althans verklaart de volksmond dezen naam, by de overlevering van den metselaar die aan St.-Jans-kerk in ’s Hertogenbosch arbeidde, en die den pot met groene-erwten-soep, welke zyne vrou hem als zijn middagmaal bracht, verachtelik omschopte, terwijl hy uitriep:»Is dat eten voor eenen man.”Die daags eenen braspenning verdienen kan?”De geslachtsnaamBraspenning(zie ookBraspotop bl. 423) komt nog heden ten dage voor. Meer als in al deze enkele penningen leit er opgesloten in den geslachtsnaamTweepenninck, die ook in patronymikalen form, alsTweepenninckxvoorkomt.Voor wy tot de namen van andere munten overgaan, dient hier nog vermeld, dat men in den geslachtsnaamPenningenPenninckniet onvoorweerdelik den muntnaam zien moet. Immers kan deze naam evenzeer een oud patronymikon zijn vaneenen oud-germaanschen mansvóórnaamPenne(Pinne), dien ik wel niet afsonderlik, en als zoodanig, in eenig oud geschrift aantoonen kan, maar die toch zekerlik in gebruik geweest is. Dit blijkt zonder eenigen billiken twyfel uit de geslachtsnamenPenningaenPennenga, die in Friesland inheemsch zijn. Alsmede waarschijnlik uitPens, en uitPenninckxin Vlaanderen, uitPenningin Engelland voorkomende, en uitPenninkhof. Verder uit den westfaalschen geslachtsnaam(Von) Pinning, uit den naam van het uitgestorvene oud-friesche geslachtPingia(dat is eene samentrekking vanPinninga), en misschien ook uit den groningerlandschen geslachtsnaamPynema, en uitPienemann. In de plaatsnamenPenningtonin Hantshire (Engelland);Pennigbüttel, een dorp by Osterholz in Hanover;Pennigsehl, een dorp in Hoya (Hanover);Pingjum, dat isPingia-hum, Pingia-heim, Pinninga-heim, woonplaats derPinninga’s, derPinningen, der afstammelingen vanPinne, zoo als een dorp heet in Friesland (Wonseradeel); en inPinning, een dorp by Landau in den Beierschen Palts, komt deze oude mansnaamPenne, Pinneeveneens voor.Van de penningen tot de duiten en centen overgaande, vinden wy de geslachtsnamenDrieduiten, DuitenDuitgenius, metDeutgenius, CentenCenten.—Deutgeniushoud ik voor eene verlatynsching vanDeutgen, en dit is eene oude spelwyze van het woordduitje. Men zie bl. 110, enVan LennepenTer Gouw,De Uithangteekens, dl. II, bl. 193, waar wy lezen van »een brabantsch muntje, dat de waarde had van een kwart grootoft deutgen(duitje)”.Deutgenis ook als geslachtsnaam bekend. De geslachtsnaamCentechter en heeft oorspronkelik met den naam onzer hedendaagsche pasmunt niet te maken, maar is eene volkseigene verkorting van den kerkeliken mansvóórnaamVincent(Vincentius). EnCentenis daarvan een patronymikon, op de wyze als in §40vermeld is. De volle vadersnaamVincentenkomt ook als geslachtsnaam voor.»De Stuiver” kwam reeds in de 15deeeu als uithangteeken voor. Reeds in het midden dier eeu had dit huisteeken zynen naam gegeven aan eenen burgemeester van Amsterdam,Hendrik Dirksz. Stuyver. En omstreeks eene eeu later was zekereGerritStuiverburgemeester van Haarlem.84Nog heden komen de geslachtsnamenStuiverenDe Stuyvervoor, alsmedeKroonstuiver, dat zeker de naam is van eene byzondere soort van stuiver, in stempel of muntslag verschillende van den gewonen.De stooter is geen eigenlike munt; het is de volksnaam voor eene geldsweerde van 12–1/2 cent. Dit woord formt den geslachtsnaam Stooter, die ook als patronymikon,Stooters, voorkomt. Verder zijn nog de geslachtsnamenDaalder, GuldenenDucaetmuntnamen die geen naderen uitleg eischen, evenmin alsDuyzenddaalders. Maar deze laatste naam is eigenlik een basterdvloek, en staat in de plaats van »duizend donders!” Het schijnt dat de man die eerst den zonderlingen naamDuyzenddaaldersvoerde, dezen basterdvloek zoo dikwijls in den mond genomen heeft, dat hy er eenen bynaam van kreeg. Schild of »schilt”, »scilt”, was de naam van zekere oude munt, en dit woord bestaat nog in den geslachtsnaamVijftigschild, die ook door afslyting zyne laatste letter verloren heeft, en alsVijftigschilvoorkomt. Misschien ook in den enkelvoudigen geslachtsnaamSchilt; zie bl. 364.—In de middeleeuen berekende men de kleine munten, de penningen, ook by het gewicht. Van daar nog de geldsweerden die men noemt »een pond sterling”, in Engelland, »een pond vlaamsch,” in sommige nederlandsche gewesten (Zeeland) nog in gebruik, enz. Deze ponden gelds vindt men nog terug in de geslachtsnamenTweepondt, DriepontenDryepondt, Tienpont, ThienpondtenThienpont. De geslachtsnamenVijfstuk, VijffstukenGrootstukmet het door verbasterde uitspraak misspeldeGrautstuk, meen ik ook tot de muntnamen te moeten brengen. Misschien ookGrevenstuk, met welken naam men een »gravenstuk”, eene grafelike munt kan hebben aangeduid.Algemeene geldnamen zijn nogKleingeld, NievergeldenOffergeldmetOffergelten den versletenen formOffergel.—Nievergeld, misspeld voorNieuwergeld, isNieuwgeld, nieu geld; even alsNiervaart=Nieuwervaart; Nieuwer-Amstel, in de uitspraak ook dikwijlsNieveramstel, enz.Eindelik zoude men de geslachtsnamenSmytegeld, Grijptenduit(zie §150), ookMet de PenningenenMettepenningen, ook nog tot de geldnamen kunnen brengen.§143. Slechts weinige geslachtsnamen zijn oorspronkelik de namen van maten. Deoorsprongvan het grootste deel dezer namen is zekerlik wel in huisnamen te vinden. Zoo was er voor weinige jaren nog te Haarlem een huis dat »De Houtmaat” in den gevel voerde. En als eene woordspeling met het bevel: »houdt maat!” stond er op dien gevelsteen in geestig rijm:“Want het is een wijs manDie de maet houden kan.”Deze aardige gevelsteen is doorVan LennepenTer Gouwonvermeld gelaten. Daarom heb ik aan zyne beschryving hier een plaatske ingeruimd. Geslachtsnamen, tot deze groep behoorende, zijnMudde, Schepel, ZoutmaatenHavermaet. Het hoogduitscheBiermaszis my ook in Nederland voorgekomen. Verder nogGoedmaatenVierendeelmet den patronymikalen formVierendeels. De beteekenis van den naamGoedmaatis niet zeker. Hy zoude ook kunnen beduiden:goede maat, in de beteekenis van goede vriend, en dus een weêrga zijn van den geslachtsnaamGoedvriend; zie §144.Zonderling genoeg, en, wat hun oorsprong betreft, voor my vry duister, zijn die geslachtsnamen, welke uit de namen van getallen bestaan. Daarvan zijn de volgenden my bekend:Drie, Zeven, Dertien(ook in patronymikalen formDertiens),Zestiene, AchttienenAgtien, Sestig, HonderdenDuizend, met den hoogduitschen formTausend, die almede hier te lande voorkomt. De geslachtsnaamDriezoude ook zeer wel oorspronkelik de naam kunnen zijn van het gehuchtDrie, by Ermeloo op de Veluwe. De geslachtsnaamVan Drieis zonder twyfel aan dien plaatsnaam ontleend. Zoo ook dankt de geslachtsnaamVan Agtzynen oorsprong niet aan het getal acht, maar aan het dorpAcht, in de noord-brabantsche Kempen gelegen. De geslachtsnaamZeveneindelik zoude oorspronkelik ook een oud-germaansche mansvóórnaam kunnen zijn, de zelfde als de naamstamSew,doorFörstemannvermeld, en die ook oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamenSevensmaenZevensmain Friesland, enSevensin Vlaanderen.
J.Geslachtsnamen, afgeleid van de namen van munten, geldsoorten, maten en getallen.
§142. De geslachtsnamen die geformd zijn uit de namen van munten en geldsoorten, maten en getallen, hebben gewis ook, althans ten deele, hun ontstaan te danken aan gevelteekens en huisnamen. Voor een ander deel ook aan bynamen, die uit de eene of andere oorzaak, welke nu niet meer na te speuren is, oudtijds dezen of genen man gegeven waren. Dat eene oud-amsterdamsche maagschap, uit de 16deeeu, haren naamReaelontleende aan »De gouden Reael” (een muntstuk uit dien tijd), zoo als het huis heette aan het Damrak te Amsterdam, waarLaurens Jacobsz.de stamvader van dit geslacht woonde—is bekend. En zoo zal het ook wel gegaan zijn met andere geslachten, die tegenwoordig den naam van een muntstuk of iets dergelijks, als naam voeren.Om met de kleinste munten te beginnen, vermelden wy eerst de geslachtsnamenPenningenPenninck, en, nog geringer,Kleinpenning. Gering is ook de beteekenis van den naamSchimmelpenninck, al wordt hy door een aanzienlik geslacht gedragen. Een penning echter, die men zoo lang in eenen spaarpot bewaard had, dat hy er beschimmeld uitkwam, was by onze zuinige voorouders, als een bewijs van spaarzaamheid, in hooge weerde. In den formSchimmelpenningis deze geslachtsnaam almede by ons inheemsch. Ook de hoogduitsche form van dezen naam komt in Nederland voor, als de geslachtsnaamSchimmelpfennig; buitendien ook nog versleten alsSchimmelpfeng. Minder in achting was dekwade, dat is devalschepenning, die nog in den geslachtsnaamQuapenninckleeft. Zulk een kwadepenning werd oudtijds in den winkel waar hy aangeboden of ontdekt werd, met eenen spyker doorgeslagen en aan de toonbank of den toogdisch bevestigd. In de vorige eeu was dit nog in Friesland in gebruik, en dat men het ook in Vlaanderen deed, bewijst dit vlaamsche rijmke, dat tevens den oorsprong van den geslachtsnaamQuapenninckbuiten twyfel stelt:”Slaet al wat kwapennink is”Slaet kwapennink aen den disch!”Dat van Brugge tot aen Gent”HeerKwapenninksta bekend!”Als dat hy kwapennink is!”Slaet kwapennink aen den disch!”De speelpenning had geen eigenlike weerde. Hy was dan ook in den handel niet gangbaar, en vertegenwoordigde slechts eene ingebeelde weerde als hy by eenig spel diende, op de wyze der hedendaagsche beenenvischjes, die men in kwaad fransch welfichesbelieft te noemen. Duitsche speelpenningen, met den stempel »Spielmarke” er op, waren in myne jeugd te Leeuwarden nog in gebruik. In den geslachtsnaamSpeelpenningis dit woord bewaard gebleven. De braspenning was in den ouden tijd een muntje, waar men, in die goedkoope dagen, voor »brassen”, smullen kon. Zóó althans verklaart de volksmond dezen naam, by de overlevering van den metselaar die aan St.-Jans-kerk in ’s Hertogenbosch arbeidde, en die den pot met groene-erwten-soep, welke zyne vrou hem als zijn middagmaal bracht, verachtelik omschopte, terwijl hy uitriep:»Is dat eten voor eenen man.”Die daags eenen braspenning verdienen kan?”De geslachtsnaamBraspenning(zie ookBraspotop bl. 423) komt nog heden ten dage voor. Meer als in al deze enkele penningen leit er opgesloten in den geslachtsnaamTweepenninck, die ook in patronymikalen form, alsTweepenninckxvoorkomt.Voor wy tot de namen van andere munten overgaan, dient hier nog vermeld, dat men in den geslachtsnaamPenningenPenninckniet onvoorweerdelik den muntnaam zien moet. Immers kan deze naam evenzeer een oud patronymikon zijn vaneenen oud-germaanschen mansvóórnaamPenne(Pinne), dien ik wel niet afsonderlik, en als zoodanig, in eenig oud geschrift aantoonen kan, maar die toch zekerlik in gebruik geweest is. Dit blijkt zonder eenigen billiken twyfel uit de geslachtsnamenPenningaenPennenga, die in Friesland inheemsch zijn. Alsmede waarschijnlik uitPens, en uitPenninckxin Vlaanderen, uitPenningin Engelland voorkomende, en uitPenninkhof. Verder uit den westfaalschen geslachtsnaam(Von) Pinning, uit den naam van het uitgestorvene oud-friesche geslachtPingia(dat is eene samentrekking vanPinninga), en misschien ook uit den groningerlandschen geslachtsnaamPynema, en uitPienemann. In de plaatsnamenPenningtonin Hantshire (Engelland);Pennigbüttel, een dorp by Osterholz in Hanover;Pennigsehl, een dorp in Hoya (Hanover);Pingjum, dat isPingia-hum, Pingia-heim, Pinninga-heim, woonplaats derPinninga’s, derPinningen, der afstammelingen vanPinne, zoo als een dorp heet in Friesland (Wonseradeel); en inPinning, een dorp by Landau in den Beierschen Palts, komt deze oude mansnaamPenne, Pinneeveneens voor.Van de penningen tot de duiten en centen overgaande, vinden wy de geslachtsnamenDrieduiten, DuitenDuitgenius, metDeutgenius, CentenCenten.—Deutgeniushoud ik voor eene verlatynsching vanDeutgen, en dit is eene oude spelwyze van het woordduitje. Men zie bl. 110, enVan LennepenTer Gouw,De Uithangteekens, dl. II, bl. 193, waar wy lezen van »een brabantsch muntje, dat de waarde had van een kwart grootoft deutgen(duitje)”.Deutgenis ook als geslachtsnaam bekend. De geslachtsnaamCentechter en heeft oorspronkelik met den naam onzer hedendaagsche pasmunt niet te maken, maar is eene volkseigene verkorting van den kerkeliken mansvóórnaamVincent(Vincentius). EnCentenis daarvan een patronymikon, op de wyze als in §40vermeld is. De volle vadersnaamVincentenkomt ook als geslachtsnaam voor.»De Stuiver” kwam reeds in de 15deeeu als uithangteeken voor. Reeds in het midden dier eeu had dit huisteeken zynen naam gegeven aan eenen burgemeester van Amsterdam,Hendrik Dirksz. Stuyver. En omstreeks eene eeu later was zekereGerritStuiverburgemeester van Haarlem.84Nog heden komen de geslachtsnamenStuiverenDe Stuyvervoor, alsmedeKroonstuiver, dat zeker de naam is van eene byzondere soort van stuiver, in stempel of muntslag verschillende van den gewonen.De stooter is geen eigenlike munt; het is de volksnaam voor eene geldsweerde van 12–1/2 cent. Dit woord formt den geslachtsnaam Stooter, die ook als patronymikon,Stooters, voorkomt. Verder zijn nog de geslachtsnamenDaalder, GuldenenDucaetmuntnamen die geen naderen uitleg eischen, evenmin alsDuyzenddaalders. Maar deze laatste naam is eigenlik een basterdvloek, en staat in de plaats van »duizend donders!” Het schijnt dat de man die eerst den zonderlingen naamDuyzenddaaldersvoerde, dezen basterdvloek zoo dikwijls in den mond genomen heeft, dat hy er eenen bynaam van kreeg. Schild of »schilt”, »scilt”, was de naam van zekere oude munt, en dit woord bestaat nog in den geslachtsnaamVijftigschild, die ook door afslyting zyne laatste letter verloren heeft, en alsVijftigschilvoorkomt. Misschien ook in den enkelvoudigen geslachtsnaamSchilt; zie bl. 364.—In de middeleeuen berekende men de kleine munten, de penningen, ook by het gewicht. Van daar nog de geldsweerden die men noemt »een pond sterling”, in Engelland, »een pond vlaamsch,” in sommige nederlandsche gewesten (Zeeland) nog in gebruik, enz. Deze ponden gelds vindt men nog terug in de geslachtsnamenTweepondt, DriepontenDryepondt, Tienpont, ThienpondtenThienpont. De geslachtsnamenVijfstuk, VijffstukenGrootstukmet het door verbasterde uitspraak misspeldeGrautstuk, meen ik ook tot de muntnamen te moeten brengen. Misschien ookGrevenstuk, met welken naam men een »gravenstuk”, eene grafelike munt kan hebben aangeduid.Algemeene geldnamen zijn nogKleingeld, NievergeldenOffergeldmetOffergelten den versletenen formOffergel.—Nievergeld, misspeld voorNieuwergeld, isNieuwgeld, nieu geld; even alsNiervaart=Nieuwervaart; Nieuwer-Amstel, in de uitspraak ook dikwijlsNieveramstel, enz.Eindelik zoude men de geslachtsnamenSmytegeld, Grijptenduit(zie §150), ookMet de PenningenenMettepenningen, ook nog tot de geldnamen kunnen brengen.§143. Slechts weinige geslachtsnamen zijn oorspronkelik de namen van maten. Deoorsprongvan het grootste deel dezer namen is zekerlik wel in huisnamen te vinden. Zoo was er voor weinige jaren nog te Haarlem een huis dat »De Houtmaat” in den gevel voerde. En als eene woordspeling met het bevel: »houdt maat!” stond er op dien gevelsteen in geestig rijm:“Want het is een wijs manDie de maet houden kan.”Deze aardige gevelsteen is doorVan LennepenTer Gouwonvermeld gelaten. Daarom heb ik aan zyne beschryving hier een plaatske ingeruimd. Geslachtsnamen, tot deze groep behoorende, zijnMudde, Schepel, ZoutmaatenHavermaet. Het hoogduitscheBiermaszis my ook in Nederland voorgekomen. Verder nogGoedmaatenVierendeelmet den patronymikalen formVierendeels. De beteekenis van den naamGoedmaatis niet zeker. Hy zoude ook kunnen beduiden:goede maat, in de beteekenis van goede vriend, en dus een weêrga zijn van den geslachtsnaamGoedvriend; zie §144.Zonderling genoeg, en, wat hun oorsprong betreft, voor my vry duister, zijn die geslachtsnamen, welke uit de namen van getallen bestaan. Daarvan zijn de volgenden my bekend:Drie, Zeven, Dertien(ook in patronymikalen formDertiens),Zestiene, AchttienenAgtien, Sestig, HonderdenDuizend, met den hoogduitschen formTausend, die almede hier te lande voorkomt. De geslachtsnaamDriezoude ook zeer wel oorspronkelik de naam kunnen zijn van het gehuchtDrie, by Ermeloo op de Veluwe. De geslachtsnaamVan Drieis zonder twyfel aan dien plaatsnaam ontleend. Zoo ook dankt de geslachtsnaamVan Agtzynen oorsprong niet aan het getal acht, maar aan het dorpAcht, in de noord-brabantsche Kempen gelegen. De geslachtsnaamZeveneindelik zoude oorspronkelik ook een oud-germaansche mansvóórnaam kunnen zijn, de zelfde als de naamstamSew,doorFörstemannvermeld, en die ook oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamenSevensmaenZevensmain Friesland, enSevensin Vlaanderen.
§142. De geslachtsnamen die geformd zijn uit de namen van munten en geldsoorten, maten en getallen, hebben gewis ook, althans ten deele, hun ontstaan te danken aan gevelteekens en huisnamen. Voor een ander deel ook aan bynamen, die uit de eene of andere oorzaak, welke nu niet meer na te speuren is, oudtijds dezen of genen man gegeven waren. Dat eene oud-amsterdamsche maagschap, uit de 16deeeu, haren naamReaelontleende aan »De gouden Reael” (een muntstuk uit dien tijd), zoo als het huis heette aan het Damrak te Amsterdam, waarLaurens Jacobsz.de stamvader van dit geslacht woonde—is bekend. En zoo zal het ook wel gegaan zijn met andere geslachten, die tegenwoordig den naam van een muntstuk of iets dergelijks, als naam voeren.
Om met de kleinste munten te beginnen, vermelden wy eerst de geslachtsnamenPenningenPenninck, en, nog geringer,Kleinpenning. Gering is ook de beteekenis van den naamSchimmelpenninck, al wordt hy door een aanzienlik geslacht gedragen. Een penning echter, die men zoo lang in eenen spaarpot bewaard had, dat hy er beschimmeld uitkwam, was by onze zuinige voorouders, als een bewijs van spaarzaamheid, in hooge weerde. In den formSchimmelpenningis deze geslachtsnaam almede by ons inheemsch. Ook de hoogduitsche form van dezen naam komt in Nederland voor, als de geslachtsnaamSchimmelpfennig; buitendien ook nog versleten alsSchimmelpfeng. Minder in achting was dekwade, dat is devalschepenning, die nog in den geslachtsnaamQuapenninckleeft. Zulk een kwadepenning werd oudtijds in den winkel waar hy aangeboden of ontdekt werd, met eenen spyker doorgeslagen en aan de toonbank of den toogdisch bevestigd. In de vorige eeu was dit nog in Friesland in gebruik, en dat men het ook in Vlaanderen deed, bewijst dit vlaamsche rijmke, dat tevens den oorsprong van den geslachtsnaamQuapenninckbuiten twyfel stelt:
”Slaet al wat kwapennink is”Slaet kwapennink aen den disch!”Dat van Brugge tot aen Gent”HeerKwapenninksta bekend!”Als dat hy kwapennink is!”Slaet kwapennink aen den disch!”
”Slaet al wat kwapennink is
”Slaet kwapennink aen den disch!
”Dat van Brugge tot aen Gent
”HeerKwapenninksta bekend!
”Als dat hy kwapennink is!
”Slaet kwapennink aen den disch!”
De speelpenning had geen eigenlike weerde. Hy was dan ook in den handel niet gangbaar, en vertegenwoordigde slechts eene ingebeelde weerde als hy by eenig spel diende, op de wyze der hedendaagsche beenenvischjes, die men in kwaad fransch welfichesbelieft te noemen. Duitsche speelpenningen, met den stempel »Spielmarke” er op, waren in myne jeugd te Leeuwarden nog in gebruik. In den geslachtsnaamSpeelpenningis dit woord bewaard gebleven. De braspenning was in den ouden tijd een muntje, waar men, in die goedkoope dagen, voor »brassen”, smullen kon. Zóó althans verklaart de volksmond dezen naam, by de overlevering van den metselaar die aan St.-Jans-kerk in ’s Hertogenbosch arbeidde, en die den pot met groene-erwten-soep, welke zyne vrou hem als zijn middagmaal bracht, verachtelik omschopte, terwijl hy uitriep:
»Is dat eten voor eenen man.”Die daags eenen braspenning verdienen kan?”
»Is dat eten voor eenen man.
”Die daags eenen braspenning verdienen kan?”
De geslachtsnaamBraspenning(zie ookBraspotop bl. 423) komt nog heden ten dage voor. Meer als in al deze enkele penningen leit er opgesloten in den geslachtsnaamTweepenninck, die ook in patronymikalen form, alsTweepenninckxvoorkomt.
Voor wy tot de namen van andere munten overgaan, dient hier nog vermeld, dat men in den geslachtsnaamPenningenPenninckniet onvoorweerdelik den muntnaam zien moet. Immers kan deze naam evenzeer een oud patronymikon zijn vaneenen oud-germaanschen mansvóórnaamPenne(Pinne), dien ik wel niet afsonderlik, en als zoodanig, in eenig oud geschrift aantoonen kan, maar die toch zekerlik in gebruik geweest is. Dit blijkt zonder eenigen billiken twyfel uit de geslachtsnamenPenningaenPennenga, die in Friesland inheemsch zijn. Alsmede waarschijnlik uitPens, en uitPenninckxin Vlaanderen, uitPenningin Engelland voorkomende, en uitPenninkhof. Verder uit den westfaalschen geslachtsnaam(Von) Pinning, uit den naam van het uitgestorvene oud-friesche geslachtPingia(dat is eene samentrekking vanPinninga), en misschien ook uit den groningerlandschen geslachtsnaamPynema, en uitPienemann. In de plaatsnamenPenningtonin Hantshire (Engelland);Pennigbüttel, een dorp by Osterholz in Hanover;Pennigsehl, een dorp in Hoya (Hanover);Pingjum, dat isPingia-hum, Pingia-heim, Pinninga-heim, woonplaats derPinninga’s, derPinningen, der afstammelingen vanPinne, zoo als een dorp heet in Friesland (Wonseradeel); en inPinning, een dorp by Landau in den Beierschen Palts, komt deze oude mansnaamPenne, Pinneeveneens voor.
Van de penningen tot de duiten en centen overgaande, vinden wy de geslachtsnamenDrieduiten, DuitenDuitgenius, metDeutgenius, CentenCenten.—Deutgeniushoud ik voor eene verlatynsching vanDeutgen, en dit is eene oude spelwyze van het woordduitje. Men zie bl. 110, enVan LennepenTer Gouw,De Uithangteekens, dl. II, bl. 193, waar wy lezen van »een brabantsch muntje, dat de waarde had van een kwart grootoft deutgen(duitje)”.Deutgenis ook als geslachtsnaam bekend. De geslachtsnaamCentechter en heeft oorspronkelik met den naam onzer hedendaagsche pasmunt niet te maken, maar is eene volkseigene verkorting van den kerkeliken mansvóórnaamVincent(Vincentius). EnCentenis daarvan een patronymikon, op de wyze als in §40vermeld is. De volle vadersnaamVincentenkomt ook als geslachtsnaam voor.
»De Stuiver” kwam reeds in de 15deeeu als uithangteeken voor. Reeds in het midden dier eeu had dit huisteeken zynen naam gegeven aan eenen burgemeester van Amsterdam,Hendrik Dirksz. Stuyver. En omstreeks eene eeu later was zekereGerritStuiverburgemeester van Haarlem.84Nog heden komen de geslachtsnamenStuiverenDe Stuyvervoor, alsmedeKroonstuiver, dat zeker de naam is van eene byzondere soort van stuiver, in stempel of muntslag verschillende van den gewonen.
De stooter is geen eigenlike munt; het is de volksnaam voor eene geldsweerde van 12–1/2 cent. Dit woord formt den geslachtsnaam Stooter, die ook als patronymikon,Stooters, voorkomt. Verder zijn nog de geslachtsnamenDaalder, GuldenenDucaetmuntnamen die geen naderen uitleg eischen, evenmin alsDuyzenddaalders. Maar deze laatste naam is eigenlik een basterdvloek, en staat in de plaats van »duizend donders!” Het schijnt dat de man die eerst den zonderlingen naamDuyzenddaaldersvoerde, dezen basterdvloek zoo dikwijls in den mond genomen heeft, dat hy er eenen bynaam van kreeg. Schild of »schilt”, »scilt”, was de naam van zekere oude munt, en dit woord bestaat nog in den geslachtsnaamVijftigschild, die ook door afslyting zyne laatste letter verloren heeft, en alsVijftigschilvoorkomt. Misschien ook in den enkelvoudigen geslachtsnaamSchilt; zie bl. 364.—In de middeleeuen berekende men de kleine munten, de penningen, ook by het gewicht. Van daar nog de geldsweerden die men noemt »een pond sterling”, in Engelland, »een pond vlaamsch,” in sommige nederlandsche gewesten (Zeeland) nog in gebruik, enz. Deze ponden gelds vindt men nog terug in de geslachtsnamenTweepondt, DriepontenDryepondt, Tienpont, ThienpondtenThienpont. De geslachtsnamenVijfstuk, VijffstukenGrootstukmet het door verbasterde uitspraak misspeldeGrautstuk, meen ik ook tot de muntnamen te moeten brengen. Misschien ookGrevenstuk, met welken naam men een »gravenstuk”, eene grafelike munt kan hebben aangeduid.
Algemeene geldnamen zijn nogKleingeld, NievergeldenOffergeldmetOffergelten den versletenen formOffergel.—Nievergeld, misspeld voorNieuwergeld, isNieuwgeld, nieu geld; even alsNiervaart=Nieuwervaart; Nieuwer-Amstel, in de uitspraak ook dikwijlsNieveramstel, enz.Eindelik zoude men de geslachtsnamenSmytegeld, Grijptenduit(zie §150), ookMet de PenningenenMettepenningen, ook nog tot de geldnamen kunnen brengen.
§143. Slechts weinige geslachtsnamen zijn oorspronkelik de namen van maten. Deoorsprongvan het grootste deel dezer namen is zekerlik wel in huisnamen te vinden. Zoo was er voor weinige jaren nog te Haarlem een huis dat »De Houtmaat” in den gevel voerde. En als eene woordspeling met het bevel: »houdt maat!” stond er op dien gevelsteen in geestig rijm:
“Want het is een wijs manDie de maet houden kan.”
“Want het is een wijs man
Die de maet houden kan.”
Deze aardige gevelsteen is doorVan LennepenTer Gouwonvermeld gelaten. Daarom heb ik aan zyne beschryving hier een plaatske ingeruimd. Geslachtsnamen, tot deze groep behoorende, zijnMudde, Schepel, ZoutmaatenHavermaet. Het hoogduitscheBiermaszis my ook in Nederland voorgekomen. Verder nogGoedmaatenVierendeelmet den patronymikalen formVierendeels. De beteekenis van den naamGoedmaatis niet zeker. Hy zoude ook kunnen beduiden:goede maat, in de beteekenis van goede vriend, en dus een weêrga zijn van den geslachtsnaamGoedvriend; zie §144.
Zonderling genoeg, en, wat hun oorsprong betreft, voor my vry duister, zijn die geslachtsnamen, welke uit de namen van getallen bestaan. Daarvan zijn de volgenden my bekend:Drie, Zeven, Dertien(ook in patronymikalen formDertiens),Zestiene, AchttienenAgtien, Sestig, HonderdenDuizend, met den hoogduitschen formTausend, die almede hier te lande voorkomt. De geslachtsnaamDriezoude ook zeer wel oorspronkelik de naam kunnen zijn van het gehuchtDrie, by Ermeloo op de Veluwe. De geslachtsnaamVan Drieis zonder twyfel aan dien plaatsnaam ontleend. Zoo ook dankt de geslachtsnaamVan Agtzynen oorsprong niet aan het getal acht, maar aan het dorpAcht, in de noord-brabantsche Kempen gelegen. De geslachtsnaamZeveneindelik zoude oorspronkelik ook een oud-germaansche mansvóórnaam kunnen zijn, de zelfde als de naamstamSew,doorFörstemannvermeld, en die ook oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamenSevensmaenZevensmain Friesland, enSevensin Vlaanderen.
K.Geslachtsnamen ontleend aan de verwantschap en de onderlinge betrekkingen der menschen.§144. Het is reeds van ouds her in gebruik geweest om twee personen, die den zelfden naam droegen, van elkanderen te onderscheiden door eenen bynaam, ontleend aan de byzondere betrekking of verwantschap waar in die personen tot elkanderen, of ook tot anderen stonden. Had een vader b. v., dieKarel Van Dijkheette, zynen zoon ookKarelgenoemd, dan kreeg die vader eerlang, als zijn zoon volwassen werd, ter onderscheiding den bynaam vande Vader;Karel Van Dijk De Vadernoemde men hem ter onderscheiding van den jongenKarel Van Dijk. Of ook, als oom en neef den zelfden naam droegen, dan gaf men aan laatstgenoemden wel den bynaam vande Neef. Andere soortgelyke benamingen, alsVondeling, Bastaard, Voogd, Jongeling, Grijsaard, Vriend, Buurman, enz. aan de betrekkingen of verhoudingen der menschen onderling ontleend, werden almede als bynamen gegeven. Velen van die bynamen zijn van den vader op den zoon overgegaan, zijn vaste toenamen gebleven, en eindelik vaste geslachtsnamen geworden. Deze byzondere geslachtsnamen formen eene eigene groep. De volgende namen breng ik daar toe:Vader, by zeer gebruikelike samentrekkingDe VaarenDe Vaere, als patronymikon ookVaders. Waarschijnlik beteekent de reeds in de 15deeeu voorkomende geslachtsnaamDe Veeroorspronkelik even eensde Vader. Immers isveer,feervoorvaar,faar,vader,fader,father, oud-friesch ookfether, eene oude noord-hollandsch-friesche uitspraak. Nog heden ten dage luidt het woordvaderin den byzonderen frieschen tongval der stede Hindeloopen alsfeer. VerderKind, met’T Kinten’T Kindt, De KyndtenJongkindmetJongkindt. De maagschapsnamenVeefkindenVollekindtbehooren zekerlik ook tot deze groep. Ik kan ze niet verklaren. OverDaenekindtzie men bl. 194. De geslachtsnaamDer Kinderenis op bl. 168 reeds besproken, enDe Jong, De Oude, enz. met de talryke verscheidenheden van die namen welke in zekeren zin ook tot deze groep kunnen gebracht worden, zijn op bl. 339 reeds vermeld. De geslachtsnamenDen OudstenenDe Jongste, metJongste, als in het byzonder de verhouding van broeders onderling aanduidende, dienen hier ter plaatse niet onvermeld gelaten te worden. OokJongezoonen’T Jonckmoeten hier vermeld, benevens den byzonderen patronymikalen form’S Jongers, dat is:des jongers, des jongers (zoon), de zoon van den jongeren (broeder); zie bl. 185. Anderebroedernamen zijn nogBroeder, Den Broeder, Oolbroer(een versletene saksische form,ool’ broêr,ool’broeder,oldbroeder, oude broeder; zie op bl. 50 den naamOol-Bekkink). VerderStillebroerenBestebroer, en in verkleinform, tevens met de klankwyziging (umlaut), in de frankische en saksische tongvallen gebruikelik,Bestebreurtje. De patronymikale geslachtsnamenBroers, Broeren, Broere, BroersmaenBroersemameen ik niet van het woordbroederte moeten afleiden, maar van den mansvóórnaamBroer(zie bl. 175). Zoo ook komt het my aannemeliker voor om de geslachtsnamenOome, Oomen, Ooms, Oomsz, Omenga, met de verkleinformen daarvanOhmkenenOomkens, allen patronymikale formen, niet af te leiden van het woordoom, maar van den mansvóórnaamOme, die nog heden wel eene enkele maal in onze friesche en saksische gewesten voorkomt, en die een byform is vanOmme, Ommo, Ummo, Umo, allen oud-germaansche mansvóórnamen. Zie bl. 138.De maagschapsnamenPeetoomechter,De PeetenDe Peterlaten geen twyfel over aan hunne oorspronkelike beteekenis. Als weêrga van deze namen bestaat er in Vlaanderen de geslachtsnaamDe Vaddere. »Vadder” is in het Oud-Vlaamsch het zelfde wat men thanspeter,gevader,godvadernoemt (zieGuido Gezelle’stijdschriftLoquela, jaargang III, 1883, bl. 11). En even duidelik wat hun oorsprong en beteekenis aangaat, zijn ook de maagschapsnamenDe Neve, Den Neef, Neef, die ook in de zuidelike Nederlanden half verfranscht voorkomen alsDeneveenDenève. Verderde verkleinform van dit woord, als patronymikon,Neefjes, en eindelik de oud-fransche form daar van, die ook in de Nederlanden als geslachtsnaam voorkomt,Nepveu. Of de geslachtsnaamSwagermanook tot deze groep behoort, in de beteekenis vanzwager= aangehuwde verwant, bepaaldelik geenbloedverwant, is niet zeker.Swagermanzoude ook kunnen beteekenen: een man van deSwaag, een inwoner van een der dorpen die deZwaagheeten. Zie bl. 269 en 270. Iedereen verstaat ook de geslachtsnamenDe Wees, De Weze, met het gewestelik-hollandscheWeesie(zie §156), en met de half-verfranschte formen, die in de zuidelike Nederlanden voorkomen:DewezenDe Vèze. OokVan WeesenVan der Wees, namen die van eenen byzonderen of algemeen-aardrijkskundigen naamWeesschynen afkomstig te zijn, maar die my onduidelik blyven. VerderDe Moerlooseen, in eenigszins verbasterden formDe Morloose, dat is:de moederlooze.—Een halve wees is ook het kind dat na zijns vaders dood geboren wordt. Zulk een kind noemden de Romeinen een »postumus” of »postuma,” al naar dat dit kind een knaapje was of een meiske. De maagschapsnaamPosthumusis zekerlik oorspronkelik gegeven aan zulk eenen nageborenen knaap. Maar met den geslachtsnaamPosthumaacht ik dit niet het geval; dat men een nageboren meiskePostumanoemde, is zeer wel mogelik, maar die naam kon toch later niet op hare zonen overgaan! De maagschapsnaamPosthumais in Friesland inheemsch. Zoude hy niet een versierde, quasi-latynsche form zijn van den eveneens aan een friesch geslacht eigenen naamPostma? OokPostmuskomt in Friesland voor, nevensPosthumus. Verder nogPostemaenPostsma. Waarschijnlik is er verwarring onder al deze namen, door onverstand ontstaan en door verwisseling en verbastering van Oud-Friesch en Latyn, by toevallige overeenkomst in form en klank. Hoe het zy, ik kan geenen uitweg vinden uit den doolhof vandezegeslachtsnamen.By den wees behoort zijn voogd, en dit woord treffen wy aan in de geslachtsnamenVoogt, De Voogt, De Vooght, in hoogduitschen form alsVogtvoorkomende, en ook alsVoigt, het welk eveneens eene hoogduitsche spelwyze vertoont, maar in den verouderden form die ook nog gebruikelik is in de benaming van hetVoigtland, eene gou in het koninkrijk Saksen. Duidelikis ook de maagschapsnaamVondeling. En de namenVindevogel, Vindevoghelmet het patronymikaleVindevogelshebben de zelfde beteekenis. De drie laatstgenoemde namen komen in de zuidelike Nederlanden voor, en het woord »vindevogel” heeft ook juist in de volksspreektaal der vlaamsche en brabantsche gewesten de beteekenis van iets dat gevonden wordt in het algemeen. Ook behoort tot deze groep van namen de geslachtsnaamVindelinckx(waarvanWindelincxeen uit misverstand ontstane verbastering schijnt te zijn), die mede in de zuidelike gewesten t’ huis behoort. Het is een patronymikale form van het woord »vindelink,” vindeling, vondeling. Zonderling genoeg, heeft men in den maagschapsnaamVan de Vondel, die nog heden ten dage in de zuidelike Nederlanden, waar hy trouens oorspronkelik inheemsch is, ook nog alsVan Vondelen, Van den Vondel, Van der VondelenenVervondelvoorkomt, eene toespeling meenen te vinden op het woordvondeling. Zoo hadden de Regenten van het Aalmoeseniershuis te Amsterdam, in de laatste jaren der 17deeeu wel eens de aardigheid om vondelingen doopen te laten met den naamJoostofJoostje, al naar gelang dat het kind een jongen was of een meiske. Zy deden dit in toespeling op den naam van onzen grooten dichterJoost Van den Vondel. Intusschen heeft deze geslachtsnaam, in de verschillende formen waarin hy voorkomt, niets met de woordenvindenenvondelingte maken. Immers het woordvondelheeft in deze woorden de beteekenis van een klein, smal brugje, meestal uit eene enkele plank bestaande, die in een voetpad over eene sloot ligt. Men zegt ookvonderen zelfs welvlonder. De maagschapsnamenVan de Vondel, enz. behooren dus by die welke van algemeen-aardrijkskundigen aard zijn, en in §105vermeld werden.Men is wel verlegen, welke geslachtsnamen men aan vondelingen geven zal, en komt er dan wel toe om namen te ontleenen aan byzondere zaken die by het vinden van het kind aan den dag kwamen, of daar mede in verband stonden. Een voorbeeld daar van is op bl. 412 reeds vermeld. Een ander voorbeeld is my bekend, waar men aan den vondeling den naam van de straat, waar hy gevonden was, als geslachtsnaam gaf. Een derde voorbeeld vind ik in het volgende bericht, voorkomende in het brugschenieusblad »Burgerwelzijn,” in het nummer van 21 Mei 1884: »Zondagnacht, rond 12 ure, heeft de genaamde A. V. E. te Zuidschote, een pas geboren kind gevonden, dat in een pander verborgen was. Den maandag namiddag is het gedoopt, en het kreeg de namen vanRenilde Marie van Pander.”—Zuid-Schote is een dorp in West-Vlaanderen, en een »pander” of »paander” is, in de westvlaamsche gouspraak, een korf of mand.De maagschapsnamenBasterd, met het half-verdietschte, oorspronkelik franscheBattaerd(bâtard), enBanckaertmetBankertgeven getuigenis dat zy oorspronkelik toenamen geweest zijn voor kinderen van zoogenoemde onechte geboorte. Immers dat is de beteekenis dier namen.De betrekkingen der menschen onderling, van maatschappeliken aard, hebben ook aanleiding gegeven tot het ontstaan van geslachtsnamen. Als zoodanig vermeld ik hier de namen:Vriend, Vrind, De VriendtenDe Vrient, GoedvriendenCortvriendt, De Mackeren misschien ookSlaap. Immers isslaap(bepaaldeliksleep,slepofsliepin de westfriesche taal) het woord dat oudtijds in Noord-Holland en Friesland in gebruik was voorvriend, namelik waar het de byzondere vriendschap tusschen twee jongelingen gold. Op onze westfriesche eilanden (Wieringen, Ameland) is dit woord nog in die beteekenis bekend. (Zie mijnAlgemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon, dl. I, bl. 485 en dl. II bl. 30). VerderDe Gast, Buur, Buurman, enNabuursals patronymikon. In onze oostelike gewesten (de graafschap Zutfen, Overijssel, Drente) isnaberhet woord dat voor het hollandsche en frieschebuurman,bûrman, voor het vlaamschegebuerin gebruik is. Dit is de saksische form waaronder dit woord optreedt, en die overeenkomt met het hoogduitschenachbaren het engelscheneighbour. De Schotten zeggen, meer in overeenstemming met de saksische Nederlanders,neebor. Onder dezen form komt dit woord voor in de gedichten vanBurns, die in den schotschen tongval van het saksisch zijn opgesteld. Dit oude woordnaberkomt ook als maagschapsnaam voor (Naber), de weêrga van den geslachtsnaamBuurman. Zoo zijn ook de geslachtsnamenNieubuurenNiebuurtegenhangers vanNinaberenNienaber, en met dezen van de zelfde beteekenis; te weten: nieue buurman. Dezebuurnamen vinden inde zuidelike Nederlanden hunne tegenhangers in de geslachtsnamenGoetgebuerenQuagebuer(goede en kwade buurman), die in verschillende spelwyzen en formen voorkomen, alsGoetgebuur, Goetghebuer, Goetghebeur, Goegebuer, Goegebeur, ook alsGoedegeburein Zeeland; enQuaghebuer. Vooral de eerstgenoemde naam is tamelik algemeen in Vlaanderen en Brabant. De goede buren zijn talryker dan de kwaden.Eenige geslachtsnamen, die byzondere leeftyden en toestanden der menschen vertegenwoorden, mogen almede by deze groep eene plaats vinden. Het zijnDrielingenVierling, die op eene gemeenschappelike geboorte, by drieën en vieren te gelijk, betrekking hebben. VerderKnaap, CnaapenKnape, met den patronymikalen formKnaapen, en, als verkleinwoord met de frankische klankwyziging,Kneepkens; dat is: de zoon van den kleinen knaap. Het woordknaapin deze namen kan ook de oude beteekenis vanschildknaap, in de middeleeuen gewoonlik enkelcnape, hebben. In dit geval behooren deze namen eerder by die, welke op bl. 325 vermeld zijn. VerderJongenenMeisjemetMeiske, Jongeling, Jöngeling, Jonkman, De MaegdtenMaagdelijn. Zonderlinge namen voor mannen moet menMeisje, Maagdelijn, enz. noemen.MaagdelijnenDe Maegdtechter, vooral de laatstgenoemde naam, kunnen ook aan eenen huisnaam ontleend zijn. Huizen immers diede Maagd van Gent, de Dortse Maagt, de Zeeusche Maeght, enz. heetten, kwamen oudtijds in de nederlandsche steden wel voor. En ook nog heden wel; b. v.De Zeeuwsche Maegdte Gent. By deze namen behoort ook de geslachtsnaamFeynt. Immers het woordfeint,veintheeft nog heden ten dage zoowel in Friesland als in Zeeland en Vlaanderen de beteekenis van krachtvolle jongeling, jonge man;—niet volkomen in overeenstemming met de beduidenis die de Hollanders aan hun woordventhechten. Ten slotte nogVryer, FryerenDe Vryer, BruidegomenBruigom, OuwerlingenGrijsaarden het half-verfranschteGrisar. Het woordouderling(ouwerling,auerlynk) heeft in de zuidelike Nederlanden niet de protestantsch-kerkelike beteekenis die het in de noordelike gewesten heeft, maar beduidt eenvoudig:oude man, in tegenoverstelling metjongeling.De geslachtsnamenMenschenMan, Mann, De Man, ’T MannetjeenMannekensbreng ik, als aanhangsel, mede tot deze groep. OokDe KeirelenDe Keyrel(in oud-vlaamsche spelling). In dezen naam heeft het woordkerelzeker niet de hedendaagsch-hollandsche beteekenis, maar veeleer de oud-vlaamsche, te weten, die van een vrye landman in het Brugsche Vrye (West-Vlaanderen); zie bl. 421. AangaandeVrouwes, Der Weduwe, enz. is op bl. 167 en 168 reeds het een en ander medegedeeld.
K.Geslachtsnamen ontleend aan de verwantschap en de onderlinge betrekkingen der menschen.
§144. Het is reeds van ouds her in gebruik geweest om twee personen, die den zelfden naam droegen, van elkanderen te onderscheiden door eenen bynaam, ontleend aan de byzondere betrekking of verwantschap waar in die personen tot elkanderen, of ook tot anderen stonden. Had een vader b. v., dieKarel Van Dijkheette, zynen zoon ookKarelgenoemd, dan kreeg die vader eerlang, als zijn zoon volwassen werd, ter onderscheiding den bynaam vande Vader;Karel Van Dijk De Vadernoemde men hem ter onderscheiding van den jongenKarel Van Dijk. Of ook, als oom en neef den zelfden naam droegen, dan gaf men aan laatstgenoemden wel den bynaam vande Neef. Andere soortgelyke benamingen, alsVondeling, Bastaard, Voogd, Jongeling, Grijsaard, Vriend, Buurman, enz. aan de betrekkingen of verhoudingen der menschen onderling ontleend, werden almede als bynamen gegeven. Velen van die bynamen zijn van den vader op den zoon overgegaan, zijn vaste toenamen gebleven, en eindelik vaste geslachtsnamen geworden. Deze byzondere geslachtsnamen formen eene eigene groep. De volgende namen breng ik daar toe:Vader, by zeer gebruikelike samentrekkingDe VaarenDe Vaere, als patronymikon ookVaders. Waarschijnlik beteekent de reeds in de 15deeeu voorkomende geslachtsnaamDe Veeroorspronkelik even eensde Vader. Immers isveer,feervoorvaar,faar,vader,fader,father, oud-friesch ookfether, eene oude noord-hollandsch-friesche uitspraak. Nog heden ten dage luidt het woordvaderin den byzonderen frieschen tongval der stede Hindeloopen alsfeer. VerderKind, met’T Kinten’T Kindt, De KyndtenJongkindmetJongkindt. De maagschapsnamenVeefkindenVollekindtbehooren zekerlik ook tot deze groep. Ik kan ze niet verklaren. OverDaenekindtzie men bl. 194. De geslachtsnaamDer Kinderenis op bl. 168 reeds besproken, enDe Jong, De Oude, enz. met de talryke verscheidenheden van die namen welke in zekeren zin ook tot deze groep kunnen gebracht worden, zijn op bl. 339 reeds vermeld. De geslachtsnamenDen OudstenenDe Jongste, metJongste, als in het byzonder de verhouding van broeders onderling aanduidende, dienen hier ter plaatse niet onvermeld gelaten te worden. OokJongezoonen’T Jonckmoeten hier vermeld, benevens den byzonderen patronymikalen form’S Jongers, dat is:des jongers, des jongers (zoon), de zoon van den jongeren (broeder); zie bl. 185. Anderebroedernamen zijn nogBroeder, Den Broeder, Oolbroer(een versletene saksische form,ool’ broêr,ool’broeder,oldbroeder, oude broeder; zie op bl. 50 den naamOol-Bekkink). VerderStillebroerenBestebroer, en in verkleinform, tevens met de klankwyziging (umlaut), in de frankische en saksische tongvallen gebruikelik,Bestebreurtje. De patronymikale geslachtsnamenBroers, Broeren, Broere, BroersmaenBroersemameen ik niet van het woordbroederte moeten afleiden, maar van den mansvóórnaamBroer(zie bl. 175). Zoo ook komt het my aannemeliker voor om de geslachtsnamenOome, Oomen, Ooms, Oomsz, Omenga, met de verkleinformen daarvanOhmkenenOomkens, allen patronymikale formen, niet af te leiden van het woordoom, maar van den mansvóórnaamOme, die nog heden wel eene enkele maal in onze friesche en saksische gewesten voorkomt, en die een byform is vanOmme, Ommo, Ummo, Umo, allen oud-germaansche mansvóórnamen. Zie bl. 138.De maagschapsnamenPeetoomechter,De PeetenDe Peterlaten geen twyfel over aan hunne oorspronkelike beteekenis. Als weêrga van deze namen bestaat er in Vlaanderen de geslachtsnaamDe Vaddere. »Vadder” is in het Oud-Vlaamsch het zelfde wat men thanspeter,gevader,godvadernoemt (zieGuido Gezelle’stijdschriftLoquela, jaargang III, 1883, bl. 11). En even duidelik wat hun oorsprong en beteekenis aangaat, zijn ook de maagschapsnamenDe Neve, Den Neef, Neef, die ook in de zuidelike Nederlanden half verfranscht voorkomen alsDeneveenDenève. Verderde verkleinform van dit woord, als patronymikon,Neefjes, en eindelik de oud-fransche form daar van, die ook in de Nederlanden als geslachtsnaam voorkomt,Nepveu. Of de geslachtsnaamSwagermanook tot deze groep behoort, in de beteekenis vanzwager= aangehuwde verwant, bepaaldelik geenbloedverwant, is niet zeker.Swagermanzoude ook kunnen beteekenen: een man van deSwaag, een inwoner van een der dorpen die deZwaagheeten. Zie bl. 269 en 270. Iedereen verstaat ook de geslachtsnamenDe Wees, De Weze, met het gewestelik-hollandscheWeesie(zie §156), en met de half-verfranschte formen, die in de zuidelike Nederlanden voorkomen:DewezenDe Vèze. OokVan WeesenVan der Wees, namen die van eenen byzonderen of algemeen-aardrijkskundigen naamWeesschynen afkomstig te zijn, maar die my onduidelik blyven. VerderDe Moerlooseen, in eenigszins verbasterden formDe Morloose, dat is:de moederlooze.—Een halve wees is ook het kind dat na zijns vaders dood geboren wordt. Zulk een kind noemden de Romeinen een »postumus” of »postuma,” al naar dat dit kind een knaapje was of een meiske. De maagschapsnaamPosthumusis zekerlik oorspronkelik gegeven aan zulk eenen nageborenen knaap. Maar met den geslachtsnaamPosthumaacht ik dit niet het geval; dat men een nageboren meiskePostumanoemde, is zeer wel mogelik, maar die naam kon toch later niet op hare zonen overgaan! De maagschapsnaamPosthumais in Friesland inheemsch. Zoude hy niet een versierde, quasi-latynsche form zijn van den eveneens aan een friesch geslacht eigenen naamPostma? OokPostmuskomt in Friesland voor, nevensPosthumus. Verder nogPostemaenPostsma. Waarschijnlik is er verwarring onder al deze namen, door onverstand ontstaan en door verwisseling en verbastering van Oud-Friesch en Latyn, by toevallige overeenkomst in form en klank. Hoe het zy, ik kan geenen uitweg vinden uit den doolhof vandezegeslachtsnamen.By den wees behoort zijn voogd, en dit woord treffen wy aan in de geslachtsnamenVoogt, De Voogt, De Vooght, in hoogduitschen form alsVogtvoorkomende, en ook alsVoigt, het welk eveneens eene hoogduitsche spelwyze vertoont, maar in den verouderden form die ook nog gebruikelik is in de benaming van hetVoigtland, eene gou in het koninkrijk Saksen. Duidelikis ook de maagschapsnaamVondeling. En de namenVindevogel, Vindevoghelmet het patronymikaleVindevogelshebben de zelfde beteekenis. De drie laatstgenoemde namen komen in de zuidelike Nederlanden voor, en het woord »vindevogel” heeft ook juist in de volksspreektaal der vlaamsche en brabantsche gewesten de beteekenis van iets dat gevonden wordt in het algemeen. Ook behoort tot deze groep van namen de geslachtsnaamVindelinckx(waarvanWindelincxeen uit misverstand ontstane verbastering schijnt te zijn), die mede in de zuidelike gewesten t’ huis behoort. Het is een patronymikale form van het woord »vindelink,” vindeling, vondeling. Zonderling genoeg, heeft men in den maagschapsnaamVan de Vondel, die nog heden ten dage in de zuidelike Nederlanden, waar hy trouens oorspronkelik inheemsch is, ook nog alsVan Vondelen, Van den Vondel, Van der VondelenenVervondelvoorkomt, eene toespeling meenen te vinden op het woordvondeling. Zoo hadden de Regenten van het Aalmoeseniershuis te Amsterdam, in de laatste jaren der 17deeeu wel eens de aardigheid om vondelingen doopen te laten met den naamJoostofJoostje, al naar gelang dat het kind een jongen was of een meiske. Zy deden dit in toespeling op den naam van onzen grooten dichterJoost Van den Vondel. Intusschen heeft deze geslachtsnaam, in de verschillende formen waarin hy voorkomt, niets met de woordenvindenenvondelingte maken. Immers het woordvondelheeft in deze woorden de beteekenis van een klein, smal brugje, meestal uit eene enkele plank bestaande, die in een voetpad over eene sloot ligt. Men zegt ookvonderen zelfs welvlonder. De maagschapsnamenVan de Vondel, enz. behooren dus by die welke van algemeen-aardrijkskundigen aard zijn, en in §105vermeld werden.Men is wel verlegen, welke geslachtsnamen men aan vondelingen geven zal, en komt er dan wel toe om namen te ontleenen aan byzondere zaken die by het vinden van het kind aan den dag kwamen, of daar mede in verband stonden. Een voorbeeld daar van is op bl. 412 reeds vermeld. Een ander voorbeeld is my bekend, waar men aan den vondeling den naam van de straat, waar hy gevonden was, als geslachtsnaam gaf. Een derde voorbeeld vind ik in het volgende bericht, voorkomende in het brugschenieusblad »Burgerwelzijn,” in het nummer van 21 Mei 1884: »Zondagnacht, rond 12 ure, heeft de genaamde A. V. E. te Zuidschote, een pas geboren kind gevonden, dat in een pander verborgen was. Den maandag namiddag is het gedoopt, en het kreeg de namen vanRenilde Marie van Pander.”—Zuid-Schote is een dorp in West-Vlaanderen, en een »pander” of »paander” is, in de westvlaamsche gouspraak, een korf of mand.De maagschapsnamenBasterd, met het half-verdietschte, oorspronkelik franscheBattaerd(bâtard), enBanckaertmetBankertgeven getuigenis dat zy oorspronkelik toenamen geweest zijn voor kinderen van zoogenoemde onechte geboorte. Immers dat is de beteekenis dier namen.De betrekkingen der menschen onderling, van maatschappeliken aard, hebben ook aanleiding gegeven tot het ontstaan van geslachtsnamen. Als zoodanig vermeld ik hier de namen:Vriend, Vrind, De VriendtenDe Vrient, GoedvriendenCortvriendt, De Mackeren misschien ookSlaap. Immers isslaap(bepaaldeliksleep,slepofsliepin de westfriesche taal) het woord dat oudtijds in Noord-Holland en Friesland in gebruik was voorvriend, namelik waar het de byzondere vriendschap tusschen twee jongelingen gold. Op onze westfriesche eilanden (Wieringen, Ameland) is dit woord nog in die beteekenis bekend. (Zie mijnAlgemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon, dl. I, bl. 485 en dl. II bl. 30). VerderDe Gast, Buur, Buurman, enNabuursals patronymikon. In onze oostelike gewesten (de graafschap Zutfen, Overijssel, Drente) isnaberhet woord dat voor het hollandsche en frieschebuurman,bûrman, voor het vlaamschegebuerin gebruik is. Dit is de saksische form waaronder dit woord optreedt, en die overeenkomt met het hoogduitschenachbaren het engelscheneighbour. De Schotten zeggen, meer in overeenstemming met de saksische Nederlanders,neebor. Onder dezen form komt dit woord voor in de gedichten vanBurns, die in den schotschen tongval van het saksisch zijn opgesteld. Dit oude woordnaberkomt ook als maagschapsnaam voor (Naber), de weêrga van den geslachtsnaamBuurman. Zoo zijn ook de geslachtsnamenNieubuurenNiebuurtegenhangers vanNinaberenNienaber, en met dezen van de zelfde beteekenis; te weten: nieue buurman. Dezebuurnamen vinden inde zuidelike Nederlanden hunne tegenhangers in de geslachtsnamenGoetgebuerenQuagebuer(goede en kwade buurman), die in verschillende spelwyzen en formen voorkomen, alsGoetgebuur, Goetghebuer, Goetghebeur, Goegebuer, Goegebeur, ook alsGoedegeburein Zeeland; enQuaghebuer. Vooral de eerstgenoemde naam is tamelik algemeen in Vlaanderen en Brabant. De goede buren zijn talryker dan de kwaden.Eenige geslachtsnamen, die byzondere leeftyden en toestanden der menschen vertegenwoorden, mogen almede by deze groep eene plaats vinden. Het zijnDrielingenVierling, die op eene gemeenschappelike geboorte, by drieën en vieren te gelijk, betrekking hebben. VerderKnaap, CnaapenKnape, met den patronymikalen formKnaapen, en, als verkleinwoord met de frankische klankwyziging,Kneepkens; dat is: de zoon van den kleinen knaap. Het woordknaapin deze namen kan ook de oude beteekenis vanschildknaap, in de middeleeuen gewoonlik enkelcnape, hebben. In dit geval behooren deze namen eerder by die, welke op bl. 325 vermeld zijn. VerderJongenenMeisjemetMeiske, Jongeling, Jöngeling, Jonkman, De MaegdtenMaagdelijn. Zonderlinge namen voor mannen moet menMeisje, Maagdelijn, enz. noemen.MaagdelijnenDe Maegdtechter, vooral de laatstgenoemde naam, kunnen ook aan eenen huisnaam ontleend zijn. Huizen immers diede Maagd van Gent, de Dortse Maagt, de Zeeusche Maeght, enz. heetten, kwamen oudtijds in de nederlandsche steden wel voor. En ook nog heden wel; b. v.De Zeeuwsche Maegdte Gent. By deze namen behoort ook de geslachtsnaamFeynt. Immers het woordfeint,veintheeft nog heden ten dage zoowel in Friesland als in Zeeland en Vlaanderen de beteekenis van krachtvolle jongeling, jonge man;—niet volkomen in overeenstemming met de beduidenis die de Hollanders aan hun woordventhechten. Ten slotte nogVryer, FryerenDe Vryer, BruidegomenBruigom, OuwerlingenGrijsaarden het half-verfranschteGrisar. Het woordouderling(ouwerling,auerlynk) heeft in de zuidelike Nederlanden niet de protestantsch-kerkelike beteekenis die het in de noordelike gewesten heeft, maar beduidt eenvoudig:oude man, in tegenoverstelling metjongeling.De geslachtsnamenMenschenMan, Mann, De Man, ’T MannetjeenMannekensbreng ik, als aanhangsel, mede tot deze groep. OokDe KeirelenDe Keyrel(in oud-vlaamsche spelling). In dezen naam heeft het woordkerelzeker niet de hedendaagsch-hollandsche beteekenis, maar veeleer de oud-vlaamsche, te weten, die van een vrye landman in het Brugsche Vrye (West-Vlaanderen); zie bl. 421. AangaandeVrouwes, Der Weduwe, enz. is op bl. 167 en 168 reeds het een en ander medegedeeld.
§144. Het is reeds van ouds her in gebruik geweest om twee personen, die den zelfden naam droegen, van elkanderen te onderscheiden door eenen bynaam, ontleend aan de byzondere betrekking of verwantschap waar in die personen tot elkanderen, of ook tot anderen stonden. Had een vader b. v., dieKarel Van Dijkheette, zynen zoon ookKarelgenoemd, dan kreeg die vader eerlang, als zijn zoon volwassen werd, ter onderscheiding den bynaam vande Vader;Karel Van Dijk De Vadernoemde men hem ter onderscheiding van den jongenKarel Van Dijk. Of ook, als oom en neef den zelfden naam droegen, dan gaf men aan laatstgenoemden wel den bynaam vande Neef. Andere soortgelyke benamingen, alsVondeling, Bastaard, Voogd, Jongeling, Grijsaard, Vriend, Buurman, enz. aan de betrekkingen of verhoudingen der menschen onderling ontleend, werden almede als bynamen gegeven. Velen van die bynamen zijn van den vader op den zoon overgegaan, zijn vaste toenamen gebleven, en eindelik vaste geslachtsnamen geworden. Deze byzondere geslachtsnamen formen eene eigene groep. De volgende namen breng ik daar toe:
Vader, by zeer gebruikelike samentrekkingDe VaarenDe Vaere, als patronymikon ookVaders. Waarschijnlik beteekent de reeds in de 15deeeu voorkomende geslachtsnaamDe Veeroorspronkelik even eensde Vader. Immers isveer,feervoorvaar,faar,vader,fader,father, oud-friesch ookfether, eene oude noord-hollandsch-friesche uitspraak. Nog heden ten dage luidt het woordvaderin den byzonderen frieschen tongval der stede Hindeloopen alsfeer. VerderKind, met’T Kinten’T Kindt, De KyndtenJongkindmetJongkindt. De maagschapsnamenVeefkindenVollekindtbehooren zekerlik ook tot deze groep. Ik kan ze niet verklaren. OverDaenekindtzie men bl. 194. De geslachtsnaamDer Kinderenis op bl. 168 reeds besproken, enDe Jong, De Oude, enz. met de talryke verscheidenheden van die namen welke in zekeren zin ook tot deze groep kunnen gebracht worden, zijn op bl. 339 reeds vermeld. De geslachtsnamenDen OudstenenDe Jongste, metJongste, als in het byzonder de verhouding van broeders onderling aanduidende, dienen hier ter plaatse niet onvermeld gelaten te worden. OokJongezoonen’T Jonckmoeten hier vermeld, benevens den byzonderen patronymikalen form’S Jongers, dat is:des jongers, des jongers (zoon), de zoon van den jongeren (broeder); zie bl. 185. Anderebroedernamen zijn nogBroeder, Den Broeder, Oolbroer(een versletene saksische form,ool’ broêr,ool’broeder,oldbroeder, oude broeder; zie op bl. 50 den naamOol-Bekkink). VerderStillebroerenBestebroer, en in verkleinform, tevens met de klankwyziging (umlaut), in de frankische en saksische tongvallen gebruikelik,Bestebreurtje. De patronymikale geslachtsnamenBroers, Broeren, Broere, BroersmaenBroersemameen ik niet van het woordbroederte moeten afleiden, maar van den mansvóórnaamBroer(zie bl. 175). Zoo ook komt het my aannemeliker voor om de geslachtsnamenOome, Oomen, Ooms, Oomsz, Omenga, met de verkleinformen daarvanOhmkenenOomkens, allen patronymikale formen, niet af te leiden van het woordoom, maar van den mansvóórnaamOme, die nog heden wel eene enkele maal in onze friesche en saksische gewesten voorkomt, en die een byform is vanOmme, Ommo, Ummo, Umo, allen oud-germaansche mansvóórnamen. Zie bl. 138.
De maagschapsnamenPeetoomechter,De PeetenDe Peterlaten geen twyfel over aan hunne oorspronkelike beteekenis. Als weêrga van deze namen bestaat er in Vlaanderen de geslachtsnaamDe Vaddere. »Vadder” is in het Oud-Vlaamsch het zelfde wat men thanspeter,gevader,godvadernoemt (zieGuido Gezelle’stijdschriftLoquela, jaargang III, 1883, bl. 11). En even duidelik wat hun oorsprong en beteekenis aangaat, zijn ook de maagschapsnamenDe Neve, Den Neef, Neef, die ook in de zuidelike Nederlanden half verfranscht voorkomen alsDeneveenDenève. Verderde verkleinform van dit woord, als patronymikon,Neefjes, en eindelik de oud-fransche form daar van, die ook in de Nederlanden als geslachtsnaam voorkomt,Nepveu. Of de geslachtsnaamSwagermanook tot deze groep behoort, in de beteekenis vanzwager= aangehuwde verwant, bepaaldelik geenbloedverwant, is niet zeker.Swagermanzoude ook kunnen beteekenen: een man van deSwaag, een inwoner van een der dorpen die deZwaagheeten. Zie bl. 269 en 270. Iedereen verstaat ook de geslachtsnamenDe Wees, De Weze, met het gewestelik-hollandscheWeesie(zie §156), en met de half-verfranschte formen, die in de zuidelike Nederlanden voorkomen:DewezenDe Vèze. OokVan WeesenVan der Wees, namen die van eenen byzonderen of algemeen-aardrijkskundigen naamWeesschynen afkomstig te zijn, maar die my onduidelik blyven. VerderDe Moerlooseen, in eenigszins verbasterden formDe Morloose, dat is:de moederlooze.—Een halve wees is ook het kind dat na zijns vaders dood geboren wordt. Zulk een kind noemden de Romeinen een »postumus” of »postuma,” al naar dat dit kind een knaapje was of een meiske. De maagschapsnaamPosthumusis zekerlik oorspronkelik gegeven aan zulk eenen nageborenen knaap. Maar met den geslachtsnaamPosthumaacht ik dit niet het geval; dat men een nageboren meiskePostumanoemde, is zeer wel mogelik, maar die naam kon toch later niet op hare zonen overgaan! De maagschapsnaamPosthumais in Friesland inheemsch. Zoude hy niet een versierde, quasi-latynsche form zijn van den eveneens aan een friesch geslacht eigenen naamPostma? OokPostmuskomt in Friesland voor, nevensPosthumus. Verder nogPostemaenPostsma. Waarschijnlik is er verwarring onder al deze namen, door onverstand ontstaan en door verwisseling en verbastering van Oud-Friesch en Latyn, by toevallige overeenkomst in form en klank. Hoe het zy, ik kan geenen uitweg vinden uit den doolhof vandezegeslachtsnamen.
By den wees behoort zijn voogd, en dit woord treffen wy aan in de geslachtsnamenVoogt, De Voogt, De Vooght, in hoogduitschen form alsVogtvoorkomende, en ook alsVoigt, het welk eveneens eene hoogduitsche spelwyze vertoont, maar in den verouderden form die ook nog gebruikelik is in de benaming van hetVoigtland, eene gou in het koninkrijk Saksen. Duidelikis ook de maagschapsnaamVondeling. En de namenVindevogel, Vindevoghelmet het patronymikaleVindevogelshebben de zelfde beteekenis. De drie laatstgenoemde namen komen in de zuidelike Nederlanden voor, en het woord »vindevogel” heeft ook juist in de volksspreektaal der vlaamsche en brabantsche gewesten de beteekenis van iets dat gevonden wordt in het algemeen. Ook behoort tot deze groep van namen de geslachtsnaamVindelinckx(waarvanWindelincxeen uit misverstand ontstane verbastering schijnt te zijn), die mede in de zuidelike gewesten t’ huis behoort. Het is een patronymikale form van het woord »vindelink,” vindeling, vondeling. Zonderling genoeg, heeft men in den maagschapsnaamVan de Vondel, die nog heden ten dage in de zuidelike Nederlanden, waar hy trouens oorspronkelik inheemsch is, ook nog alsVan Vondelen, Van den Vondel, Van der VondelenenVervondelvoorkomt, eene toespeling meenen te vinden op het woordvondeling. Zoo hadden de Regenten van het Aalmoeseniershuis te Amsterdam, in de laatste jaren der 17deeeu wel eens de aardigheid om vondelingen doopen te laten met den naamJoostofJoostje, al naar gelang dat het kind een jongen was of een meiske. Zy deden dit in toespeling op den naam van onzen grooten dichterJoost Van den Vondel. Intusschen heeft deze geslachtsnaam, in de verschillende formen waarin hy voorkomt, niets met de woordenvindenenvondelingte maken. Immers het woordvondelheeft in deze woorden de beteekenis van een klein, smal brugje, meestal uit eene enkele plank bestaande, die in een voetpad over eene sloot ligt. Men zegt ookvonderen zelfs welvlonder. De maagschapsnamenVan de Vondel, enz. behooren dus by die welke van algemeen-aardrijkskundigen aard zijn, en in §105vermeld werden.
Men is wel verlegen, welke geslachtsnamen men aan vondelingen geven zal, en komt er dan wel toe om namen te ontleenen aan byzondere zaken die by het vinden van het kind aan den dag kwamen, of daar mede in verband stonden. Een voorbeeld daar van is op bl. 412 reeds vermeld. Een ander voorbeeld is my bekend, waar men aan den vondeling den naam van de straat, waar hy gevonden was, als geslachtsnaam gaf. Een derde voorbeeld vind ik in het volgende bericht, voorkomende in het brugschenieusblad »Burgerwelzijn,” in het nummer van 21 Mei 1884: »Zondagnacht, rond 12 ure, heeft de genaamde A. V. E. te Zuidschote, een pas geboren kind gevonden, dat in een pander verborgen was. Den maandag namiddag is het gedoopt, en het kreeg de namen vanRenilde Marie van Pander.”—Zuid-Schote is een dorp in West-Vlaanderen, en een »pander” of »paander” is, in de westvlaamsche gouspraak, een korf of mand.
De maagschapsnamenBasterd, met het half-verdietschte, oorspronkelik franscheBattaerd(bâtard), enBanckaertmetBankertgeven getuigenis dat zy oorspronkelik toenamen geweest zijn voor kinderen van zoogenoemde onechte geboorte. Immers dat is de beteekenis dier namen.
De betrekkingen der menschen onderling, van maatschappeliken aard, hebben ook aanleiding gegeven tot het ontstaan van geslachtsnamen. Als zoodanig vermeld ik hier de namen:Vriend, Vrind, De VriendtenDe Vrient, GoedvriendenCortvriendt, De Mackeren misschien ookSlaap. Immers isslaap(bepaaldeliksleep,slepofsliepin de westfriesche taal) het woord dat oudtijds in Noord-Holland en Friesland in gebruik was voorvriend, namelik waar het de byzondere vriendschap tusschen twee jongelingen gold. Op onze westfriesche eilanden (Wieringen, Ameland) is dit woord nog in die beteekenis bekend. (Zie mijnAlgemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon, dl. I, bl. 485 en dl. II bl. 30). VerderDe Gast, Buur, Buurman, enNabuursals patronymikon. In onze oostelike gewesten (de graafschap Zutfen, Overijssel, Drente) isnaberhet woord dat voor het hollandsche en frieschebuurman,bûrman, voor het vlaamschegebuerin gebruik is. Dit is de saksische form waaronder dit woord optreedt, en die overeenkomt met het hoogduitschenachbaren het engelscheneighbour. De Schotten zeggen, meer in overeenstemming met de saksische Nederlanders,neebor. Onder dezen form komt dit woord voor in de gedichten vanBurns, die in den schotschen tongval van het saksisch zijn opgesteld. Dit oude woordnaberkomt ook als maagschapsnaam voor (Naber), de weêrga van den geslachtsnaamBuurman. Zoo zijn ook de geslachtsnamenNieubuurenNiebuurtegenhangers vanNinaberenNienaber, en met dezen van de zelfde beteekenis; te weten: nieue buurman. Dezebuurnamen vinden inde zuidelike Nederlanden hunne tegenhangers in de geslachtsnamenGoetgebuerenQuagebuer(goede en kwade buurman), die in verschillende spelwyzen en formen voorkomen, alsGoetgebuur, Goetghebuer, Goetghebeur, Goegebuer, Goegebeur, ook alsGoedegeburein Zeeland; enQuaghebuer. Vooral de eerstgenoemde naam is tamelik algemeen in Vlaanderen en Brabant. De goede buren zijn talryker dan de kwaden.
Eenige geslachtsnamen, die byzondere leeftyden en toestanden der menschen vertegenwoorden, mogen almede by deze groep eene plaats vinden. Het zijnDrielingenVierling, die op eene gemeenschappelike geboorte, by drieën en vieren te gelijk, betrekking hebben. VerderKnaap, CnaapenKnape, met den patronymikalen formKnaapen, en, als verkleinwoord met de frankische klankwyziging,Kneepkens; dat is: de zoon van den kleinen knaap. Het woordknaapin deze namen kan ook de oude beteekenis vanschildknaap, in de middeleeuen gewoonlik enkelcnape, hebben. In dit geval behooren deze namen eerder by die, welke op bl. 325 vermeld zijn. VerderJongenenMeisjemetMeiske, Jongeling, Jöngeling, Jonkman, De MaegdtenMaagdelijn. Zonderlinge namen voor mannen moet menMeisje, Maagdelijn, enz. noemen.MaagdelijnenDe Maegdtechter, vooral de laatstgenoemde naam, kunnen ook aan eenen huisnaam ontleend zijn. Huizen immers diede Maagd van Gent, de Dortse Maagt, de Zeeusche Maeght, enz. heetten, kwamen oudtijds in de nederlandsche steden wel voor. En ook nog heden wel; b. v.De Zeeuwsche Maegdte Gent. By deze namen behoort ook de geslachtsnaamFeynt. Immers het woordfeint,veintheeft nog heden ten dage zoowel in Friesland als in Zeeland en Vlaanderen de beteekenis van krachtvolle jongeling, jonge man;—niet volkomen in overeenstemming met de beduidenis die de Hollanders aan hun woordventhechten. Ten slotte nogVryer, FryerenDe Vryer, BruidegomenBruigom, OuwerlingenGrijsaarden het half-verfranschteGrisar. Het woordouderling(ouwerling,auerlynk) heeft in de zuidelike Nederlanden niet de protestantsch-kerkelike beteekenis die het in de noordelike gewesten heeft, maar beduidt eenvoudig:oude man, in tegenoverstelling metjongeling.
De geslachtsnamenMenschenMan, Mann, De Man, ’T MannetjeenMannekensbreng ik, als aanhangsel, mede tot deze groep. OokDe KeirelenDe Keyrel(in oud-vlaamsche spelling). In dezen naam heeft het woordkerelzeker niet de hedendaagsch-hollandsche beteekenis, maar veeleer de oud-vlaamsche, te weten, die van een vrye landman in het Brugsche Vrye (West-Vlaanderen); zie bl. 421. AangaandeVrouwes, Der Weduwe, enz. is op bl. 167 en 168 reeds het een en ander medegedeeld.