Groningen.

Groningen.Ofschoon ook Groningen een oude geschiedenis heeft, is er, zoo goed als niets van de provinciale en nationale kleedij overgebleven. Op het feest in nationale kleederdrachten in 1913 te Amsterdam gehouden, was het mij niet mogelijk ook maar één paar (man en vrouw) in echt, heden nog gedragen Groninger kleedij te kunnen vinden.De historische dracht, waarin toen een heer en dame verschenen, heeft ook bij-lange die beteekenis voor de Groningers niet als de Friesche dracht voor de Friezen. Het is opmerkelijk dat in een deel van ons land als Groningen, met haar zoo eigen historie, de traditie zoo volkomen verloren kon gaan.Drenthe.Ook Drenthe is niet zeer rijk aan nationale drachten. Wat als zoodanig nog kan gelden is de (Friesche) kap en het oorijzer dat in zekere streken van deze provincie nog gedragen wordt (zie bl.65).De overige kleedij is dat bekende hybridischehalf ouderwetsche costume dat in heel ons land onder de platte-lands-bevolking de werkelijke nationale drachten vervangen heeft. Het is een imitatie van de stads-dracht, in vorm en versiering tot ongeveer geen enkele periode te rekenen, in kleur soms nog—als ’t op zijn ’s Zondags—erg “mooi” moet zijn, opvallend door persoonlijke wansmaak.De muts en het oorijzer zijn dan het eenige overgeblevene, maar die eenige rest van die werkelijk nationale dracht wordt dan niet weinig ontsierd door de “Kiep” (zooals men het in West-Friesland noemt), een soort van vrije fantasie door middel van allerlei gitten, bloemen en strikken op het zoogenaamd capot-hoedje, dat omstreeks 1885 “le dernier cri” van de Parijsche mode (wansmaak) was.In de veenstreken vindt men geen nationale dracht, omdat het in later tijd aangelegde kolonies zijn.Overijsel.In Overijsel zijn de tradities beter bewaard, ofschoon in hun volheid slechts in Staphorst en op Urk. In de rest van de provincie vindt men veel de halve nationale dracht, hoofdzakelijk de muts, maar de eigenlijke nationale dracht is verdwenen, vooral hoe meer men naar het Oosten gaat.A. Het eiland Urk.Van zeer bijzondere belangrijkheid is de kleedij en haar dragers en draagsters op het eiland Urk. Het is niet te zeggen wat van deze het belangrijkst is, het ras van menschen dat Urk bewoont, of hun kleeding. Maar beide zijn ze in hooge mate interessant.Zooals in Zeeland (vooral Walcheren) wonen er op Urk nog ras-menschen, iets wat men van de andere streken van ons land niet zeggen kan—en ’t minst van de groote steden. Maar de Urkers zijn fraai en gezond van bouw en er zijn bijzonder schoone vrouwentypen (zooals op Walcheren) en zeer krachtige mannengestalten. Hun kleeding sluit, wat de algemeene vormen aangaat, bij de gewone Hollandsche nationale drachten aan. Bij de mannen de wijde broeken en de nauw-aangesloten baaitjes, juist zooals op Volendam en Marken, ofschoon eenigszins anders van détails, maar in bedoeling hetzelfde, omdat die kleeding voor een groot deel bepaald is door de practijk van het visschersbedrijf en het leven op zee. (Zie bl.66,67).Wat de vrouwen betreft bestaat de dracht uit het noodige aantal rokken van verschillende stof en kleur, de kroplap, de doek en op het hoofd de kap of hulle. In zooverre is alles, wat de constructie betreft, gewoon. Maar het onderscheidin deze dracht met die van dezelfde soort in de andere deelen van het land ligt in de wijze waarop de verschillende détails gedragen worden, en....wieze draagt. (Zie bl.66en68).Dit laatste is, voor zoover de aesthetische werking betreft, bij iedere kleeding toch maar de hoofdzaak. Want al ligt er veel waarheid in het oude gezegde “de kleeding maakt den man”, de meeste kleeding echter doet den drager zich slechts van de andere menschen onderscheiden naar afkomst, rang of positie, niet naar schoonheid of aesthetische werking. Men moet een kleedingkunnendragen. En, zoo er vrouwen zijn die de Hollandsche dracht weten te dragen, dan zijn het die van Urk.—Dat moet gezegd zijn.Want de Urker-dracht onderscheidt zich niet door kleur of veel opschik. Ze is zeer eenvoudig, ze heeft geen on-noodige détails, maar haar werkelijk aesthetische waarde ligt in het ras dat ze draagt. De kleuren zijn meest alle donker, gebloemde zijde, donkere wol en laken, hier en daar slechts met een klein werkje.De hoofdzaak is echter dat het natuurlijke figuur (van de vrouwen) zeer door deze dracht tot zijn recht komt, en de Urker-vrouwen alles doen om hun natuurlijke gaven in deze nog meer te doen uitkomen. Er is wisselwerking tusschen den vorm van het lichaam dat de kleeding draagt en den vorm van die kleedij zelf, geleid door het natuurlijkinstinct van de draagster zelf, die ziethoeze een costume dragen moet, om de aandacht door middel van haar costume op zichzelf te doen vallen. Nog duidelijker blijkt die wil omzelfgezien te worden—en niet hun kleedij—(die ook zoozeer bij de vrouwen op Walcheren bestaat) uit de wijze waarop de Urker-vrouw haar kleine maar prachtig hulletje draagt.De heele hoofd-versiering is zeer nauw aan het hoofd aansluitend, zoodat het gezicht—dat dikwijls zeer schoon is—duidelijk uitkomt. Opmerkelijk is daarbij het echt vrouwelijke raffinement waarmee het oorijzer gedragen wordt. De knop, waar dat nationale kleinood in eindigt, komt bij de Urker-meisjes midden op de wang, dicht bij den mond. Maar doordat in het oorijzer zekere veering zit, drukt die knop kuiltjes in de wang, om op die wijze de natuurlijke charme van het gezicht nog meer te doen uitkomen.Men behoeft werkelijk niet naar Parijs te gaan, om zekere geheimen van het vrouwen-toilet te leeren doorgronden. Een Parisienne zou van een Urkersch visschers-meisje nog heel wat kunnen leeren.....Om een korte opsomming te geven van de Urker kleedij van de vrouw, moge dit hier volgen:De kap ofhullebestaat uit zwarte ondermuts, daarover het oorijzer (van zilver), daarover de de hulle (overmuts), van voren met een (zelfgemaakt)kantje. Van achter versiert een vrouw in den rouw die hulle met een “dasje”, dat is een zwart zijden strook, met een bandje en spelden vastgehouden. Van voren komt onder de hul “de top” uit, zoo heet het haar dat als ponny recht is afgeknipt tot even boven de oogen.Om den hals de ketting van roodegranaten, het gouden slot vanachter.De lijf-kleeding bestaat uit een hemd met korte mouwen, een (open) onderbroek, zwarte kousen, borstrok van zwarte baai met half lange mouwen van zijde, fluweel of thibet. Deze mouwen blijven bij de volledige kleeding te zien.Daarover komt hetmiddelde, een soort corset, eenigszins gelijkend op het rijglijf wat de Marker-vrouwen dragen. Het is echter niet zoo versierd met ornamenten, maar van blauw (of rood) damast, van voren met een veter dicht geregen die door (koperen) ringen gaat. Van onder (achter) aan de taille zijn eenige “rollen” aangebracht, bij wijze vanqueu de Parisom de rokken wijder te doen uitstaan. Onder het corset draagt men de borstlap van roode baai.Het aantal rokken bestaat uit denondersten rok, eentusschenrok, denzevenkleurigen rok(rood, wit, zwart, groen, ongeveer zooals die ’s Zondags te Volendam wordt gedragen) en daarover de bovenrok, ’s winters van baai of duffel, zwart of licht blauw, ’s zomers van thibet, laken of luster.Dan de kroplap, van voren echter meestal versierd met een ornament in kruissteek (het hartje) dat soms de initialen van de draagster vertoont. Daarover de borstrok, of hetlijfje—of “lifien”, ’s winters van zwarte wollen stof, ’s zomers van thibet. Dit “lifien” is een jakje met korte mouwen, laag uitgesneden aan den hals, een schootje en een “strik” van gebloemde zijde, dat is boordsel langs den hals.Daarover gaat “de doek” van donkerkleurige gebloemde zijde, meestal donker-rood of paarsachtig van nuance. Deze doek heeft (tegenwoordig) meestal franje.Daarover de boezel, of schort, met een “strik” van gebloemde zijde, zijnde een horizontale strook van een handbreedte aan de taille. Dit boezel is van zwart thibet of zijde.Merkwaardig is nog dat de Urksche vrouwen wanten of pols-mouwen dragen over hun van boven den elleboog bloote armen.Het zijn niet de “labedisten” van de Zeeuwsche schoonen, maar gewone pols-bedekkingen van gebreide (zwarte) wol.Verder bestaat het schoeisel uit zwart-leeren muilen.Opmerkelijk is verder hoe die dracht verandert, niet van vorm maar van kleur, voor weduwen, bruiden, en voor kinderen. Voor de weduwe is ze geheel zwart, voor de bruid iets kleuriger,(en nieuwer), voor de kinderen eenvoudiger, vooral wat het schort en de rokjes aangaat. Veel wit wordt dan ook door de kinderen gedragen, ofschoon de vorm—van de dracht—ook voor de kinderen, dezelfde blijft. (Zie bl.68).B. Staphorst.De Staphorster-dracht onderscheidt zich van de andere drachten door haar bijzondere compleetheid, zoowel voor mannen, vrouwen als kinderen. Ze sluit echter, wat haar vormen aangaat, geheel bij de drachten aan die men aan de kust van de Zuiderzee vindt, vanaf Staphorst tot aan Huizen in Noord-Holland. Vooral vanaf Harderwijk tot aan Staphorst onderscheiden zich de drachten (van de vrouw) door kleine hoofd-tooi, plat-makende borst (en torso) bekleeding en zeer breed en plat makende heup-bedekking.De kleuren zijn over ’t algemeen zeer sterk, veel rood, bij de Staphorster-vrouwen ook veel blauw. Zelfs zijn de overmutsen (in Nunspeet en Oldenbroek) bont, d. w. z. van stof met kleurige ornamenten versierd.Het oorijzer, dat in deze heele streek eenzelfde eigenaardige haak-vormige zilveren beugel is, wordt echter van Huizen naar Staphorst, oostwaarts gaande, zoo gedragen, dat de knop (krul in den vorm van een kurketrekker) bij de vrouwen van Harderwijk, Hierden, Nunspeet, Hulshorst,Elburg en Oldenbroek aan de slapen komt, steeds meer zakt, totdat ze bij de Staphorster-vrouwen geheel tot de kaak reikt. (Zie Urk.)Ook is bij de Staphorster-vrouwen het oorijzer breeder dan bij die in Gelderland, en het ondersteunt niet meer de haarvlecht achter tegen het hoofd, maar ligt boven op de kruin, in schuine richting. Ook zijn er andere afwijkingen in de Staphorster dracht, zoodat de geheele vorm van de hoofdbedekking anders wordt.Het Staphorster-vrouwen costume kan aldus worden beschreven: (zie bl.72en73.)Over het bloote lijf komt het katoenen hemd, zonder kraag, daarover de borstrok van “vijfschaft”, met mouwen tot aan de ellebogen.Dit vijfschaft of “viefschaft” is een wollen stof, gemaakt van het wol van de schapen, die de Staphorsters zelf teelen. Die wol wordt de door Staphorster vrouwen zelf gesponnen en in bepaalde kleuren, door werklieden in de buurt van Staphorst gekleurd, en volgens bepaalde patronen door een paar hand-wevers tot de stof geweven, waarvan de kleedij der Staphorster-vrouwen voor een groot deel gemaakt wordt. Het is in strepen geweven, zwart en donkerblauw, met rood hier en daar, in bepaalde dessins die ieder hun beteekenis hebben (wit-streept, rood-streept,enz.).Over die borstrok komt het lijfje, of de “kraplap” zooals die bij de andere drachten voorkomt. Deze kraplap is van wol of gebloemde zijde of katoen. Daarover de verschillende rokken (geen onderbroek), een paar van baai en de bovenste van vijfschaft.Dan de omslagdoek van geruite (meest roode) katoen of zijde, een schort (schulk) van donkerblauw wol, dat somtijds eveneens als het vijfschaft zelf gesponnen en geweven is.De banden van dit schort zijn altijd hel-blauw, de strik hangt met lange einden van voren neer.Nog verdient vermelding dat de rokken opgehouden worden, en breed gemaakt, door kussentjes die aan de borst-rok bevestigd zijn, maar welke verdikkingen alleen aan de zijkanten, dus niet van achter, worden aangebracht. Daardoor heeft het figuur van de Staphorster-vrouw nog on-gracelijker voorkomen.De doek wordt wel niet zoo stijf over de borst gesnoerd als in Kampen en in Nunspeet gewoonte is, maar het figuur wordt stelselmatig plat en breed gemaakt door die kussentjes. Ook door den eigenaardigen vorm van de muts wordt het bijzondere van de dracht nog verhoogd.De heele hoofdtooi wordt gevormd door: een bandje dat het haar vastbindt, waarover de zwarte onder-muts met “toet”. Dietoetvan stijf papier geeft een soort hoorn—boven het voorhoofd. Daarover komt de muts van gebloemde zijde met zijden boordbandendie onder de kin in wijd uitstaande, stijve, lange dunne strikken worden saamgebonden. Daarover gaat het oorijzer, vastgehouden door een zwarte band.Daarover de wittetoet-mutsvan kant, die maar zeer zelden gewasschen wordt, omdat ze anders te spoedig versleten zou zijn. Ook deze muts wordt onder de kin bevestigd met een bandje. Door de zeer nauwe aansluiting van de hoofdtooi, en het wijde van de schouders (doorde doek) het saamgenepene van de borstkas, de wijde plooien aan de heupen, de zeer korte rokken, en daaronder uit de beenen (ongeveer 15 c.M. te zien) en de (nogal) logge sloffen, met zeer breede neuzen en groote zilveren gespen, dat alles in donkerblauwe en hel-roode kleuren, met de sterkblauwe lange linten van het schort, geeft die Staphorster dracht een ietwat boersch uiterlijk, wat toch ook wel zijn zeer bijzondere eigenheid heeft. In dat boersche, ongracelijke, komt het overeen met de Marker, Bunschoter en Noord-Veluwsche drachten, die alle zeer kleur-rijk zijn maar de natuurlijke vormen van het lichaam geweld aandoen. (Zie bl.72).’s Winters wordt over die dracht een “buisje” met lange mouwen gedragen, zonder schootje.’s Zondags echter heeft dit kleedingstuk een schootje en is met bont (blauw en wit geruit) gevoerd, zoogenaamd Friesch bont, dat men echter in Friesland Oost-Indisch bont noemt.Dit langere buisje heetkaschijn, wat overeen komt met het Hindelooper “kassekijntje”, een kleedingstuk van hetzelfde soort.De kinderen hebben hetzelfde costume, maar vereenvoudigd. De stoffen zijn niet van molton, baai of laken maar meest van Friesch bont. De doek is echter steeds rood, zooals bij de volwassen menschen.Het groote verschil ligt echter in de hoofdtooi. Kinderen beneden de zes jaar dragen nog geen oorijzer, maar een zwart kapje van voren met een dikken rand astrakan. Dit kapje heet denette, het is, behalve de astrakan-strook, van zwarte stof met garneeringen. Links van het hoofd komt een strik (rozet) van zwart zijden lint, rechts een “haak”, een soort gesp van zilver. (Zie ditzelfde kleedingstuk van de kinderen op de Veluwe waar hetpoetsofpoeteheet en dehaaksoms van goud is, het astrakan van “veertjes”).Bovendien neemt de Staphorster-vrouw, ’s zondags, naar de kerk, een mooi met zilver beslagen bijbel mee, met kettingen, enz.De mannen-dracht is zeer eenvoudig, ofschoon meer origineel dan de boeren-dracht in andere streken. Het bleef meer een echt nationaal costume, vooral door de korte jekker, genaamdkamizool, met twee rijen knoopen.Opmerkelijk is ook dat het hemd steeds van boven aan den hals zichtbaar blijft, met de tweeberoemde Staphorster (bolle) gouden knoopen. Kleine jongens dragen dezelfde dracht als hun volwassen dorps-genooten.Ten slotte zij nog opgemerkt dat de Staphorster-vrouw buitengewoon netjes op hare nationale kleedij is, dat deze steeds, als ze niet gedragen wordt, in altijd dezelfde en zeer mooie plooien wordt opgeborgen, aan welke plooien steeds bijzondere zorg besteed wordt.Vergelijk in deze de netheid en nauwkeurigheid waarmede alle nationale drachten, op Marken, in Zeeland en Hindeloopen behandeld worden.Overal worden die drachten in mooie, daarvoor speciale gemaakte doozen opgeborgen. En ... zoolang de Staphorster-vrouwen nog zóó zuinig op hun bijzondere dracht zijn, zoolang zullen ze deze nog in eere houden.Verder blijft in de provincie Overijsel de strook, langs de IJssel en Twenthe.In Kampen zoowel als in Zwolle is de complete nationale dracht verdwenen, maar door de vrouwen uit de volks-klassen wordt nog vrij veel deneepjes-mutsen deplooi-mutsde “drie-plooitjes” gedragen.De rest van de costumeering bestaat dan meestal uit hetjak, een tot aan de knieën wijd-afhangend kleedingstuk met mouwen, op dezelfde wijze zooals dat door de vrouwen van Breskens(Zeeuwsch-Vlaanderen, Texel, enz.—zie aldaar) gedragen wordt. Daarbij behoort dan de zeer wijd geplooide rok, en het wijde boezelaar, een en ander van zwart thibet, de boezelaar ook wel van grijze, bruine of groene zijde. (Zie bl.70.)Om den hals draagt men daarbij een gestrikt zeer bonten (zijden) dasje, genaamd “het knuppeldoekje”. (Zie bl.69.)Daarbij komt dan deneepjes-muts, met de gouden bellen die in de fijne plooitjes van de muts gehaakt zijn, ennietin de ooren hangen.Deze muts wordt over het zwart (satinet) ondermutsje gedragen, en heeft van achter een ongeveer 20 cm. lange afhangende reeks stijve plooien, genaamdde strook. De muts wordt met een bandje onder de kin vastgehouden.Om den hals roode bloedkoralen, vijf streng, met gouden slot van voren. In den rouw zijn de koralen van git.Uit deze onderdeelen bestaat het mooie of zondagsche costume. De algemeene indruk is die van “ouderwetschheid”, zonder die van een werkelijke nationale kleedij te geven. Het is dan ook eigenlijk niet anders dan een mode-dracht die, denkelijk omstreeks 1860, de werkelijke oude en nationale dracht vervangen heeft.Dit geldt niet alléén voor Overijsel of voor de hier besproken dracht, maar voor heel Nederland. De tweede veranderings-periode zoudan misschien omstreeks 1890 te stellen kunnen zijn, toen die mode van het jak vervangen werd door deimitatievan de stads-modes uit dien tijd.Zoo althans lijkt het, naar wat de dracht van de plattelandsbevolking in West-Friesland, Drenthe, Overijsel, de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche eilanden en andere streken te zien geeft.Daarbij echter is—bij veel vrouwen—de nationale kap of muts (soms met het oorijzer) bewaard gebleven. De totale afschaffing van die muts is dan de laatste phase van het verdwijnen van de allerlaatste overblijfselen van de nationale dracht.Om na deze kleine historische bespiegeling, die ik gaarne voor beter geef, tot Overijsel terug te komen, zij opgemerkt dat deze neepjes-muts ook in de andere deelen van de provincie gedragen wordt, alsook in een deel van den achterhoek van Gelderland. (Zie bl.71.)Opmerkelijk voor Zwolle, Kampen en die streek, is de plooi-muts die de daagsche dracht uitmaakt. (Zie bl.69.) Daarbij wordt dan werkelijk de nationale dracht van krop-lap en doek gedragen, welke laatste, niet zooals in Zeeland, op Urk en op andere plaatsen van ons land in de taille wordt vastgehecht, maar in de armsgaten, onder de oksels wordt gestoken, waardoor die doek een kruis hoog over de borst vormt. (Zie bl.74en76.)Deze wijze van den doek te dragen is aan alle drachten gemeen van Staphorst tot en met Harderwijk. Ze is, ofschoon misschien practisch, zeer weinig aesthetisch, want ze maakt het effect of de borstkas van boven—daar waar ze uit de natuur bij een vrouw juist bewelfd behoort te zijn—met alle geweld in elkaar geknepen wordt. Fraai is het niet, maar het is zeer “kenmerkend”. (Zie bl.74,75en76.)Die plooi-muts nu is van zeer bijzonderen vorm, van achter met een niet naar onder, maar stijf naar achter staande strook van zware plooien. Een zeer merkwaardig soort muts, eenig in haar soort, ofschoon bij Nijkerk (Gelderland, zie aldaar) een dergelijk soort muts, onder den naam vandrie-strookofdrie-plooigedragen wordt. (Zie bl.69).Ook draagt de vrouw uit Kampen het oorijzer, maar dan op de wijze van de Staphorster vrouwen, d. w. z. de krul (kurketrekker) niet naast de slapen, maar onder aan de wang (kin).Deze mutsen, plooi-muts zoowel als neepjes-muts, zijn van kant of (in den rouw) van fijn neteldoek. Ze worden door de draagsters zelf “opgedaan” ( = gestreken).Gelderland.In de provincie Gelderland, die het geographische midden van ons land uitmaakt, worden de nationalekleederdrachten nog in vele streken in groote eere gehouden.Men kan deze provincie in drie deelen splitsen: A. De Veluwe. B. De Achterhoek. C. Het land tusschen Rijn en Maas.A. De Veluwe.Tot de Veluwe moet, althans voorzoover de nationale kleedij betreft, niet alléén het geographische gebied van dien naam gerekend worden, maar de heele kuststrook langs de Zuiderzee vanaf Staphorst in Overijsel tot en met Huizen in het Gooi in Noord-Holland.Al de drachten in die streek zijn van hetzelfde type, slechts weinig van elkaar afwijkend, en voorzoover de variaties betreft in elkaar overgaande.Zoo lijkt bijvoorbeeld de dracht in Oldenbroek soms op die van Staphorst, terwijl ze zich echter ook bij die van Nunspeet aansluit. Het oorijzer wordt echter (in Oldenbroek) soms anders gedragen, meer op de wijze zooals op Staphorst, dat is, met de krul beneden aan den wang.Het opmerkelijke van de Veluwsche drachten is echter dat de doek niet in de taille bijeen wordt gespeld, zooals dat bij de meeste Hollandsche drachten het geval is, maar onder de oksels tusschen de kroplap wordt gestoken. (Zie bl.74,75,76).Dat geeft aan de figuren die on-aesthetische platheid en houterigheid die een hoofdkenmerkisvan dit minder fraaie ras, waaraan dan de klederdracht nog de laatste rest van natuurlijkheid ontneemt. Een goed en normaal gebouwd ras zou uit zichzelf reeds zoôn kleedij, die de natuur zoo ontstelt, verwerpen. De bewijzen daarvoor vindt men op Walcheren, Urk en Volendam.De muts in Nunspeet en Oldenbroek is van een anderen vorm dan die van Staphorst, zonder de spitse punt boven het voorhoofd, over ’t algemeen meer naar achter dan naar boven zich vormend, met een witte onderkap, aan de slapen uitgeschulpt, het heele hoofd omvattend, en geboord met een fijn plooi-randje. Daarover komt de bonte muts, in sterke kleuren, een soort kalotje dat een deel van de witte muts laat zien. Daarover het oorijzer, met een bandje vastgehouden en met de krul aan de slapen. Van het haar komt niets te zien, ook zelfs niet boven het voorhoofd.De indruk van deze Nunspeterbonte-mutsis zeer fraai. Jammer dat ze het hoofd zoo klein en nietig maakt boven den plat-genepen romp en de wijd-uitstaande rokken. (Zie bl.74en75.)Het mannen-costume in deze streek is zoo goed als geheel “modern”. Het mist alle eigene cachet, zooals de Staphorster mannen-dracht die nog heeft.Tot voor zekeren tijd droegen de vrouwen van Hierden nog groote strooien hoeden (in den zomer) met eigenaardige linten en boor-garneersels (zooals op bl.73te zien is). Ook ziet men bij begrafenisplechtighedennog merkwaardige drachten, de mannen in lange jas en hoogen hoed, zooals dat ook in Staphorst nog het geval is. (Zie bl.73.)Al die groote strooien hoeden die de vrouwen zoowel in Friesland als in Hierden, Staphorst en op Walcheren tot voor een generatie terug nog boven hun mutsen en oorijzers droegen zijn “uit de mode” gegaan. Zoo verandert ... en verdwijnt gaandeweg de Nationale Kleedij.In Ermelo en Putten is de dracht weer anders. Men draagt er bijna geen oorijzer meer. Ook geen bonte-muts over de witte ondermuts, de krop-lap is soms wit, de doek effen (niet bont) de boezelaar zonder “stuk”. Meer westelijk van Putten is van die hierboven omschreven (Geldersch-Friesche) dracht niets meer te zien en ging ze over in een ander type, dat van het Utrechtsche en van het Gooi. Bunschoten en Spakenburg vormen weer een klasse op zich zelf.In Nijkerk, het oude en merkwaardige stadje, ziet men niets dan mutsen, de beroemdecornet-muts, met de lange achterstrook en de vele kleine plooitjes die het hoofd omgeven. Dit is de Zondagsche muts, die soms nog “verfraaid” wordt door een breed (licht blauw) zijden overlint, dat om den bol en van achter om het achterhoofd gaat, en dat onder de kin wordt vastgestrikt.De rest van de kleeding is “ouderwetsch” en stadsch.Bovendien wordt in Nijkerk nog een daagsche plooi-muts gedragen, van voren met drie strookjes over elkaar, van achter met een zonderling geplooide strook.Deze muts draagt den naam van “drie strookjes”. Soms draagt men onder deze muts een zwarte ondermuts, maar meestal zet men ze, direct, op het bijeen gebonden haar.B. De Achterhoek.In den Achterhoek, in het Graafschap Zutphen en in de Lijmers (het land rond Zevenaar), is niet veel van een nationale kleederdracht overgebleven. Wat er nog van te zien is, bestaat uit de neepjes-muts die de vrouwen dragen, van denzelfden vorm als in Overijsel (zie bl.70en71) (Zwolle) welk ouderwetsch kleedingstuk zoogenaamd gemoderniseerd wordt door het kapothoedje, (dat in Friesland “de kiep” heet), het smakelooze onding van strikken, bloemen en gitten (alles in het zwart) dat over die muts gedragen wordt.De kleeding der mannen heeft niets opmerkelijks meer.C. De Betuwe, en het land tusschen Maas en Waal.In de Betuwe zelf is de nationale dracht eveneens zoo goed als verdwenen, althans in het land van Tiel en in de Neder-Betuwe is er niets van over.Inhet land van Maas en Waalechter, in de Bommeler-Waard en in het land van Nijmegen sluit zich het weinige wat er nog van de nationale dracht over is aan bij de eigenaardige hoofd-tooi die in Noord-Brabant, en speciaal in de Meijerei van den Bosch, nog veel voorkomt. (Zie bl.78en80).De mannen-dracht in die streken heeft niets wat deze van de gewone boersche stads-kleeding onderscheidt, maar de vrouwen dragen de groote, breede, witte mutsen met breede lange linten, en een soort verstedelijkt niet-oud, niet-moderne costume, waarbij men vele malen een soort pelerine of cape-vorm ziet toegepast, die in het Noordelijker deel van Nederland onbekend is, maar in het land van Maas en Waal, in het land van ’s Hertogenbosch, en vooral Zuidelijker (in België) een merkwaardig cachet aan de bevolking geeft.Deze capes of pelerines worden alleen door de vrouwen gedragen. Ze doen denken aan een ouderwetschen mode-vorm en zijn van zwarte stof gemaakt en gegarneerd met plooien en belegsels. Ze zijn half lang, maar somtijds ook tot den grond rijkend, met een capuchon over het hoofd. Van dit laatste type ziet men somtijds nog oudere vormen in ’s Hertogenbosch.De witte muts nu, die men in het land tusschen de Maas en de Waal draagt heetknipmuts. Ze bestaat uit tule-kant, aan de voorzijde geplooid met behulp van fijn koperdraad, hetwelkmet een blauwe stof omwonden is. Dit is het “Karekas”.Bij zware rouw bestaat de muts geheel uit neteldoek, bij lichten rouw uit tule.De meer gegoeden dragen over deze knipmuts een krans van gemaakte bloemen, aan de uiteinden voorzien van breede zijden linten. Deze bloemen en linten te samen heeten “de poffer”, en ze geven het uiterlijk van de draagster een zeer bijzonder cachet omdat de heele hoofdtooi daardoor zeer breed wordt. (Zie bl.78).Bij de rijke boeren wordt de zoogenaamde “bodem” van de knipmuts in plaats van met bloemen gewerkte tule, uit echte kant gemaakt. Dat zijn dan de “baan-mutsen”.Deze mutsen die geheel wit zijn, zijn, door hun grootte en bewerkelijkheid, soms zeer kostbaar.Onder de knipmuts wordt een ondermuts van zwart merinos gedragen, gevoerd en opgevuld met watten. Ook dat draagt er toe bij deze hoofdtooi buitengewoon breed en zwaar te doen schijnen.De algemeene indruk heeft dan ook niet veel Hollandsch meer. Een kennelijk zuidelijker,—Belgische—smaak, heeft blijkbaar deze hoofdtooi ontworpen.... of: haar vervormd. Ze lijkt althans zeer veel op wat men in deze in Vlaanderen en het land van Brussel ziet.Noord-Brabant.De groote provincie Noord-Brabant vormt, in het zuidelijk deel van ons land een soort geographisch, anthropologisch en cultuur-historisch overgangs- en grensgebied tusschen Noord en Zuid. Het is het terrein waar de Noordelijke (Germaansche) en de Zuidelijke (Romaansche en Gallische) idealen elkaar ontmoeten en in elkaar versmelten. En dat komt zeer duidelijk in de kleederdrachten uit die in deze streek gedragen worden.Wat er van die oude volks-eigen drachten nog over is, is niet veel meer dan de boeren-muts, zooals die door de plattelands-boerinnen gedragen wordt. Dat is juist zooals in zooveel andere streken van ons land, waar die mutsen de eenige resten van de oude drachten zijn.Maar behalve die mutsen is—in Noord-Brabant—de overigelijfskleeding, en dan vooral van de vrouwen, meer opmerkelijk dan in eenige andere Nederlandsche provincie, al moet die lijfs-kleeding, die thans (1916) onder die boeren-bevolking nog vrij algemeen is, dan niet geheel tot de eigenlijke historische nationale volksdracht gerekend worden, en al blijkt ze meer onder de vervormde mode-navolgingen te moeten worden gerangschikt. Maar ze is er niet minder bijzonder karakteristiek om.En dit zal voor een groot deel het gevolg zijn van het hierboven reeds genoemde feit, dat inNoord-Brabant de Noordelijke en Zuidelijke idealen in elkaar overgaan. En, datgetuigtdie kleeding on-weerlegbaar.Want geheel Hollandsch is die kleeding niet, noch in haar wezen, noch in vorm, noch in kleur, en ze is ook niet geheel on-Hollandsch (Belgisch, Vlaamsch, Waalsch of Fransch) maar ze houdt het midden tusschen deze twee, en ze vertoont de kennelijke invloed van het Noordelijke zoowel als van het Zuidelijke ideaal.Reeds bij de bespreking van de andere provinciën had ik de gelegenheid op te merken hoe groot (dikwijls) die invloed van de Godsdienst op het voortbestaan van een nationale kleeding is. De gehechtheid aan een een-maal algemeen beleden Godsdienst waarborgt, in een bepaalde streek, het voortbestaan van oude zeden en gewoonten, en daardoor het voortbestaan van de, uit die zeden voortkomende, volkskleeding.Ook is er wel geen streek in ons land waar de bevolking zóó conservatief is en zoo gehecht aan haar oude geloof en zeden, als in Noord-Brabant, welk conservatisme op zich zelf zoo lang stand kan houden omdat er een bijna absolute eenheid van godsdienst is. Om deze toestand te helpen bestendigen, moedigt (o.a.) de Roomsche geestelijkheid de boerenbevolking aan, hun oude kleeding getrouw te blijven, om zoodoende met de kleeding, de oude zeden, en daardoor de oude godsdienst te kunnen handhaven.En uit die wisselwerking tusschen geloof, zeden en kleeding—en uit die algemeene verspreidheid van die eene Godsdienst, moge hetverklaardworden dat die oude drachten, of liever die ouderwetsche drachten nog zoo veelvuldig in deze provincie voorkomen en voortbestaan.Maar een andere, zeer belangrijke factor, voor de verklaring van en het verkrijgen van een juister kennis en inzicht in die bijzondere—niet oude, maar ouderwetsche—drachten in deze bijzondere provincie, lijkt mij den invloed die het ras van menschen, dat Noord-Brabant bewoont, op haar eigen kleedij had. Hiervoren had ik al gelegenheid op de wisselwerking te wijzen die er—naar mijn oordeel—bestaat tusschen de drager en zijn costume, tusschen de lichaamsvorm van den mensch en zijn kleed.Nu behooren de bewoners van Noord-Brabant zeer zekerniettot de mooiste specimina van hetgenus homodat ons land bewoont. Het lijkt wel of de zware klei en de dorre, drooge zand- en heide-gronden die—geologisch—deze provincie vormen, de bevolking van die streken tot dat kleine, breede, schonkige, breedhoofdige ras heeft gemaakt met dat harde, verbetene en stugge uiterlijk dat den opmerker dadelijk opvalt.Omdat de lichaamsbouw van de Noord-Brabanders zoo leelijk is, moet het niet verwonderen dat die zelfde plompheid en traagheid die uit hunongracelijke verschijning spreekt, ook als het hoofdkenmerk van den vorm, de snit en de kleur van hun kleedij gelden moet. Want deze is grof van detail, niet oud maar ouderwetsch, zonder phantasie, zonder uiting van levenslust, maar kleinzielig van gedachte, zonder vreugde, benepen en boersch. Een dracht van oude mannetjes en oude vrouwtjes,.... maar met dat al, of liever juist daarom, zeer interessant voor den student in volkspsyche, zoo dan al minder aantrekkelijk voor den eclectischenaestheticus.Ieder volk, ieder ras, ieder mensch heeft de kleeding die hij verdient.... en die slechts een uiting is van het eigen innigste wezen, idealen en levensopvatting. Een mooie, aesthetisch werkende kleeding kan slechts door een mooi, naar geest en lichaambeideharmonisch ontwikkeld menschenras worden saamgesteld. Getuige de kleeding van de Grieken. En die kleedij kan slechtsgoedenwaar,—dus: aesthetisch werkend, door personen gedragen worden die niet alleen dezelfde idealen hebben als het volk (het ras) dat die kleedij samenstelde, maar die ook de lichaamsvormen hebben waarop deze kleedij is gecomponeerd.Dan eerst is er harmonie tusschen den drager en zijn costume, dan eerst kan er werkelijke schoonheid bereikt worden omdat ze op de werkelijkheid en de waarheid berust. Als een kleedij, die op een welgebouwd lichaam gecomponeerd is door eenmensch gedragen wordt wiens lichaamsbouw minder harmonisch is, dan wordt zelden een volkomen aesthetisch geheel verkregen. Soms zelfs is het belachelijk. Het is niet bij toeval dat de heerenmode in Engeland, het land van de welgebouwde mannen, wordt ontworpen. En het is niet zonder oorzaak dat de dames-modes uit Parijs komen, waar de schoongevormde Parisiennes de aesthetisch aangelegde mode-ontwerpers het best gelegenheid geven een vrouwen-kleedij te componeeren die het schoone van “de vrouw” doet uitkomen. Ziet maar hoe een slechtgebouwde man of een leelijke vrouw een goed Londensch of Parijsch toilet staat.... Het is al te kennelijk niet voor hen gemaakt, dus:... staat het leelijk!—Er zal altijd een wisselwerking, dus ook een contrasteering tusschen den mensch en zijn kleedij blijven. Een mooie dracht maakt een mooi mensch mooier.... maar een leelijk mensch leelijker. Het schoone doet slechts het schoone uitkomen, recht wedervaren.Ieder mensch kan slechts de kleedij die hemzelf, zijn eigen innerlijke en uiterlijke wezen toont, goed dragen. Al het andere is masquerade, onechtheid, leugen.Zoo is het ook met de nationale kleederdrachten. Zoo is het met de Zeeuwsche vrouwen-kleeding, die mooi is en aesthetisch werkt, omdat ze op een welgebouwd ras is gecomponeerd. Daarom werktde dracht van het eiland Marken wèl picturaal, artistiek, maar niet aesthetisch. Daarom is de werking van de drachten in Noord-Brabant zeer on-aesthetisch, maar ze wekt de belangstelling, de nieuwsgierigheid, door het ouderwetsche, boersche, ongewone. Die Brabantsche kleeding vraagt de aandacht, niet voor en om zich zelf, maar voor de zeden en gewoonten waar zij de uiting van zijn. En dat is het zeer bijzondere van de volkskleeding in deze provincie.Deze kleine uitwijding over de oorzaken, die den aard van de volkskleedij in Noord-Brabant bepalen, was, tot duidelijker omschrijving van die kleedij zelf—noodzakelijk. Meer dan bij de beschrijving van de volkskleedij in andere provinciën. Want de inventariseering van die volksdrachten in Noord-Brabant zou in hoofdzaak de beschrijving van de zeden en gewoonten van die streek moeten zijn. De kleedij zelf is, als kleedij, niet zoo heel belangrijk, noch om de snit, noch om de stof, vorm of kleur. In hoofdzaak is de muts van de boerinnen het voornaamste. Die heeft nog de van ouds-her overgeleverde vormen. Maar de andere lijfs-kleedij is meer curieus dan fraai. De mannenkleeding heeft niets bijzonders.Maar vooral de mutsen zijn zeer belangrijk, te meer daar er zooveel verschillende soorten mutsen gedragen worden. Bijna ieder dorp heeft haar eigenvorm, en de afwijkingen zijn soms zeer bijzonder. En die afwijkingen vinden meestal hun grond in plaatselijke zeden en gewoonten.Staatkundig bestaat deze provincie uit drie deelen. Ieder van deze heeft een eigen volks-kleederdracht. Het grootste en belangrijkste deel vormt het Oostelijk deel van de Provincie, de Meierij van ’s-Hertogenbosch. In het midden is de Baronie van Breda. In het Westen ligt het Markgraafschap van Bergen-op-Zoom. In ieder van deze gewesten zijn weer afzonderlijke streken aan te wijzen waar de dracht belangrijk van die van de andere streken afwijkt, maar het hoofd-type blijft, voor ieder van deze gewesten, binnen haar grenzen, hetzelfde.A. De Meierij van ’s-HertogenboschVooral ten Zuiden en ten Oosten van ’s-Hertogenbosch, en in het Land van Boxtel, Liempt, Rooy, Vechel, Osch, Rosmalen, Helvoirt en Best is de Meierij’sche dracht het meest zuiver.Ze bestaat uit een zeer groote, wijde muts met lange strook of vleugel die zoowel naar achter als naar de zijkanten (half over de schouder) breed uitplooit.Deze muts wordt over een zwarte ondermuts gedragen, over het haar dat afgeknipt of bijeengebonden is, al naar de persoonlijke smaak.De groote, eigenlijkeboven-muts, de eigenlijke Meierij’sche of oud Noord-Brabantsche muts heeft van voren, boven het voorhoofd, een aantal vertikale plooitjes, (kneepjes) een wijde bol over het hoofd (de kruin of bodem) en van achter de lange afhangende strook.Gewoonlijk is deze muts van (echte) kant gemaakt, waardoor ze, ook door haar grootte, zeer kostbaar wordt. In den rouw is ze vanrouwdoek, zoogenaamdorgandine.Daaroverheen gaat depoffer. Dat is de eigenlijke versiering van de muts, het hoogst eigenaardig samenstel van uit kant en witte stof, koralen en franjes gemaakte dikke rand van bloemen, die als een (arm-dikke) zware wrong over het voorhoofd (op de muts) wordt gelegd en met een bandje van achter om het hoofd wordt vastgehouden. Aan deze poffer zijn groote breede (witte) zijden linten bevestigd, die tot bijna in de taille naar achter afhangen, van franje zijn voorzien en deze geheele muts met de uitwaaiende strook van achter een zeer wijd en breed aanzien geven. Het hoofd van de draagster wordt er ongewoon breed en log door, te meer daar het verdere van de figuur in den regel gehuld is in een zoogenaamdekapmantel, een “pelerine” of “omhanger” van ouderwetschen snit, die het lijf tot aan de taille omsluit, soms zelfs tot deknieënof den grond afhangt. De groote muts met de pompeuze pofferis dan breeder dan de schouders, en het lijf lijkt smaller door de kapmantel. Deze poffers zijn dikwijls zeer verschillend van maaksel, niet alleen naar de verschillende streken van de Meierij, maar ook naar den rijkdom van de draagster, het min of meer bijzondere van de gelegenheid waarbij ze wordt gedragen, enz.Ze is niet altijd geheel wit. Soms zijn de bloemen met blauw doorwerkt, of de breede linten licht blauw. Het is begrijpelijk dat dit een zeer dure dracht is, te meer ook daar het opmaken van deze mutsen door speciale mutsen-maaksters gedaan moet worden.Niet altijd echter draagt de Noord-Brabantsche vrouw deze bijzondere muts. Ook wordt ze, in de Meierij slechts op het platte land gedragen. In de stad ’s-Hertogenbosch ziet men slechts de zoogenaamde Bosschedienstbodenmuts, die van zeer eenvoudige constructie is, van voren drie rijen plooitjes boven het voorhoofd heeft, en met een lange band en strik onder de kin vastgemaakt wordt. Die tot een dikke massa saam-gebrachte plooitjes boven het voorhoofd heet “de tuil”.Soms draagt de vrouw uit het volk in Den Bosch ook een zwarte muts, die echter een vervorming moet heeten van het beruchte, hier reeds meermalen genoemde capot-hoedje.Op het land, bij de boeren echter dragen de jonge meisjes tot hun tiende jaar een zwarte wollenmuts, met groote, dikke wrong boven het voorhoofd. Die muts heet “kaper.”Na hun tiende jaar, of tegen den tijd dat de kinderen ter eerste communie gaan (vroeger ongeveer op het twaalfde jaar) krijgen de meisjes zwarte boeren mutsen, een muts met een vorm, die aan de mutsen met poffer van de volwassen vrouwen doet denken. Het zijn breede, zware, zeer rijk en overdadig versierde mutsen met breede strikken en veeren en gitten en gespen, van achter met twee afhangende breede linten. Het effect van deze mutsen is dat ze het hoofd van het kind zeer breed en zwaar doen schijnen.In deze kindermutsen is in deMeierijzeer veel variatie.In Vechel maakt men in den rand soms zelfs zwart-glazen belletjes, die rinkelen als de kinderen loopen. Deze kinder-mutsen worden door de jonge meisjes tot hun 20eà 23ejaar gedragen, of totdat zij verloofd zijn. Sommige van haar zetten die muts al vroeger af, om “ouder” te schijnen. Dan—als zij verloofd of getrouwd zijn—of dit willen schijnen, zetten zij de groote, witte Noord-Brabantsche muts op. Bij die muts draagt de Noord-Brabantsche vrouw nog bijzondere gouden versieringen, maar geen oorijzer.In de ooren heeft zij bijzonder groote bellen van filigraan-goud met bloedkoraal versierd, in waaiervorm, zoodat zewaaierbellenheeten.Om den hals soms een hals-ketting van roode, zwarte of witte koralen met gouden slot (van voren). Daarover zeer dikwijls een klein halsdoekje van zeer sterke kleuren, op de wijze als hetknuppeldoekjevan de vrouwen in Kampen (zie aldaar). De rest van de lijfskleeding is niet anders dan “ouderwetsch” te noemen. Ze hangt bijzonder smakeloos van vorm om het dikwijls grof en breed gebouwde lichaam, waarover de kapmantel of de pelerine, welke een soort vervormd overblijfsel van een ouderwetsche modedracht van 1880 is.In Den Bosch ziet men echter nog sporadisch oudere vrouwtjes met zeer bijzonder soort kapmantels die tot op den grond afhangen, en een capuchon over het hoofd. Deze dracht, die een zeer oude is, waag ik het te vooronderstellen dat ze van oude klooster-kleedij, van monnikspij of nonnen-habijt is afgeleid. In ieder geval is de oorsprongnietHollandsch, zooals ook de halflange pelerines met franjes en kanten naar Fransche en Belgische modellen zijn nagevolgd. De smaak en het ideaal van het Noord-Brabantsche volk betoont zich ook in deze meer zuidelijk dan noordelijk.Maar behalve deze worden thans door de boeren-bevolking, en vooral ten platten lande nog veel de ouderwetsche “doeken” gedragen, de “Kashmire-shawls” die onder het tweede Keizerrijkin Frankrijk zoozeer in de mode waren. Die dracht is thans voor die Noord-Brabantsche oude boerinnen de gewone, waarbij ze dan de van ouds-her stammende muts dragen, een hybridisch samenstel van resten van oude volks-dracht en mode-namaak, dat alles te samen den indruk maakt van een soms wel schilderachtige en typische, maar zeer achterlijke, conservatieve en on-aesthetische kleedij.Er mag hier even worden opgemerkt dat iets wel zeer eigendommelijk, karakteristiek, en zelfs mooi van kleur combinatie, en daardoor zeer pittoresk kan zijn, maar dat het geheel dan nog zeer wel tegen de aesthetica, dat is, tegen de wetten van een objectief schoonheidsbegrip kan strijden.Maar er zijn nog meer resten van werkelijk oude drachten in de Meierij. En daartoe behoort de “falie” een langwerpig vierkante doek van ongeveer drie meter lengte, bij één meter breedte, met franje aan de smalle einden. Deze, van zwarte stof gemaakte groote lap (want anders is het niet) wordt over het hoofd gedragen, zoodat de lange plooien het geheele lichaam van de vrouw inhullen. Een zeer bijzonder kleedingstuk dat ook al weer alleen zijn behoud aan de gehechtheid aan oude zeden dankt, want het wordt alleen bij rouw, kerkgang of doop gedragen.Maar behalve deze costume-onderdeelen en de genoemde mutsen wordt in de Meierij een soortmuts door de boeren-bevolking gedragen die het midden houdt tusschen de stads-(dienstboden)muts, en de groote Noord-Brabantsche muts met poffer. Dat is de “buiten-muts”.Dat is een muts die, even als alle mutsen uit de Meierij de tendenz vertoont van het hoofd breed te willen maken, maar het is een muts uit één stuk, met niet zoo’n lange kanten strook van achter, maar met een korter, stijve plooiïng, genaamd “de luif”. Van voren zijn drie rijen plooitjes, op de bol; van voren naar achter loopend, aan iederen kant een “takje” met uit neteldoek gemaakte bloemetjes, en van achter twee breede, witte linten; onder de kin een (vaste) witte strik.De muts heet buiten-muts omdat ze door de menschenvan buitengedragen wordt, in tegenstelling met de stads-menschen.Vervolgens worden in de Meierij (in Helvoirt) nog “strikke-mutsen” door kinderen gedragen, en in Eindhoven nog “cornetten”, en zouden er nog vele details mede te deelen zijn over de “poffer” die zoo’n bijzonder cachet, zoo’n “onhollandsch”, zoo’n verbeten, koppig, en vooral zoo’n boersch uiterlijk aan de Noord-Brabantsch vrouwen van het land geeft, als ze daar met hun korte breede, lijven, en groote hoofden, op groote schoenen, met groote passen langs de zonnige, zandige wegen van het met zwaar hout begroeide landschapof naast een over de dikke keien rammelende groote boerenwagen sjokken, waarvoor het zware paard langzaam voortstapt.B. De Baronie van Breda.Het eerste wat van de mutsen, die door de boeren-vrouwen in de Baronie van Breda gedragen worden, in tegenstelling met die van de Meierij van Den Bosch, opvalt, is, dat de afmetingen van die Bredasche mutsen zooveel kleiner zijn. Maar toch zijn ze nog groot en wijd, in vergelijking met de mutsen die in de andere deelen van ons land worden gedragen, vooral groot en wijd en dik boven het voorhoofd. Dat wordt in Breda niet veroorzaakt door de volumineuze “poffer” maar door “de kroon”, of “de kroesel” of “de krans”.De muts van de vrouwen uit de Baronie bestaat uit een rand zeer dun geplooide of strakke kant, die om het hoofd gaat en langs de ooren naar achter afbuigt tot in den nek, tot bijna op de schouders. Die effen kanten strook heeft van achter eenbodemofkruin, een naar achter afhangende, opgenomen breede lap kant-stof, tot op schouders afhangend. Het geheel wordt ingeregen met een bandje tusschen de voor-strook en de bodem (of kruin) en op die wijze op het hoofd vastgehouden. Dit is de eenvoudigste soort van het algemeene type van de muts in de Baronie.Dit is de “strakke muts”, die van tulle of gaas is in de rouw en door de week en ’s Zondags van kant. Ze wordt over een zwarte ondermuts gedragen en van voren, op het voorhoofd, hebben de vrouwen twee kleine krulletjes haar (valsch of echt) aangebracht, die even onder den rand van de muts uitkomen.In deze eenvoudigste vorm heeft deze Baronie-muts veel overeenkomst met de groote floddermutsen die op de Zuid-Hollandschsche eilanden worden gedragen. Ze is als het ware het overgangs-type tusschen de Noord-Brabantsche, sterk-Belgische vormen en de zuiver Hollandsche vormen van Zuid-Holland en Zeeland.Deze strakke muts wordt echter veelvuldig gevarieerd in een mooier en rijker bewerking. Dan wordt het dedubbele muts. De hoofdvorm blijft dezelfde. De voorste strook kant, die het gezicht omsluit, wordt echter dubbel, in twee geledingen over elkaar. In den regel zijn deze dubbele mutsen steeds van kant en doen alleen ’s Zondags dienst.Behalve dat bestaat er nog een vereenvoudigde soort van deze strakke mutsen, veel kleiner, minder omvangrijk, zonder afhangende bodem, met slechts een zeer smal strookje kant rond het gezicht, en met dunne bandjes onder de kin vastgehouden. Dat is het ouderwetsche mutsje, genaamd “het ongelukske”, dat oudere vrouwen thans nog dragen, en dat alléén bij ’t werk dienst doet. Men ziethieruit, dat ook hier, evenals in Zeeland, in den laatsten tijd de tendenz bestaat de mutsen steeds grooter te doen worden.Over die strakke en dubbele muts komt nu “de kroon”, of “de bloemkrans” of “de kroesel”, een dikke wrong van kleine bloemetjes in tulle uitgevoerd en met kralen opgesierd, meestal geheel wit van kleur, maar soms ook met blauwe bloemetjes en kralen verfraaid. Deze kroon ligt vlak op de muts, boven het voorhoofd, en gaat van de eene slaap naar de andere, en is vastgehecht op een (meestal) lichtblauw zijden lint dat van achter, onder de afhangende bodem, achter het hoofd is vastgezet met haak en oog.Bij deze mutsen behooren, evenals in de Meierij,lange, groote gouden oorhangers, halskettingen van koraal, en een klein kleurig doekje, “cache-nez” dat met kleine puntjes links en rechts onder de kin uitstaat, naast de groote witte strikken die de strakke of dubbele muts onder de kin vasthoudt.De verdere lijfs-kleeding is, vooral voor de boerinnen van het platte land, de ook in de Meierij bekende kapmantel, of ook nog zeer dikwijls de oude “Kashmire-shawl”. Merkwaardig is in dit deel van Noord-Brabant de zeer kennelijke invloed van de Belgische nationale drachten, vooral in de dorpen langs de Belgische grens in het zuiden van de Baronie en in het land van Bergen-op-Zoom.In die streken dragen de Brabantsche vrouwentwee soorten mutsen, een Hollandsche (Bredasche) en een Belgische. Deze laatste als zij over de Belgische grens (vóór den oorlog) ’s Zondags ter kerke gingen. Soms echter dragen zij die muts ook als ze in Breda naar de markt gaan.Deze “Belgische muts” is betrekkelijk klein, geheel van ineengeplooid wit lint, min of meer vierkant van hoofdvorm, een weinig naar de zijkanten en naar achter uitstekend, Maar op die muts zijn groote strikken van breed, gekleurd lint aangebracht, geel, rood, groen, paarsch, in alle kleuren. Twee van die lange, breede linten worden onder de kin vastgestrikt, twee hangen lang af naar achter, op den rug. Er is geen bijzondere kleur van deze linten voor bijzondere gelegenheden vastgesteld, tenzij zwart voor den rouw.Bij deze Belgische mutsen behoort een kapmantel of pelerine van meer pompeus maaksel dan de gewone, meer kant, tulle, linten en strikken, ofschoon de hoofdvorm dezelfde is als de andere pelerines. Dit kleedingstuk is een zeer kennelijke verboerschte imitatie van de Parijsche mode van omstreeks 1880.Behalve deze mutsen wordt in de Baronie, naar de kant van Zundert, een soort muts gedragen die veel overeenkomst heeft met debuiten-mutsvan deMeierij. In Zevenbergen is de vorm weer anders, daar wordt dekroonniet meer gedragen, of slechts zeer klein, maar vervangen door eenrijk geplooid breed lint, dat ook naar achter afhangt—zoo ook in de Zevenbergsche hoek, waar de vorm zich gaandeweg meer bij de Zuid-Hollandsche mutsen-vormen aansluit.C. Het Mark-Graafschap van Bergen op ZoomTen slotte de mutsen in het land dat aan Zeeland en Zuid-Holland grenst. De algemeene vorm is die van de Bredasche muts, maar zonder de kroon, dus eenvoudiger, smaller, platter.Verder is in deze streek de invloed van de Belgische en Zeeuwsche drachten meer kenbaar, en vormt ze een overgangsgebied naar de eigenlijke Hollandsche drachten. Vandaar dat men slechts weinig van een eigen dracht in deze streek merkt, althans niet in de steden, De plattelandsbevolking blijft het langst de “boerendracht” getrouw. De meeste vrouwen dragen reeds hoeden, dat wil zeggen ouderwetsche hoofddeksels, die tot geen land en geen tijd behooren, en, zooals gewoonlijk bij dergelijke soort kleedij, zeer smakeloos zijn.

Groningen.Ofschoon ook Groningen een oude geschiedenis heeft, is er, zoo goed als niets van de provinciale en nationale kleedij overgebleven. Op het feest in nationale kleederdrachten in 1913 te Amsterdam gehouden, was het mij niet mogelijk ook maar één paar (man en vrouw) in echt, heden nog gedragen Groninger kleedij te kunnen vinden.De historische dracht, waarin toen een heer en dame verschenen, heeft ook bij-lange die beteekenis voor de Groningers niet als de Friesche dracht voor de Friezen. Het is opmerkelijk dat in een deel van ons land als Groningen, met haar zoo eigen historie, de traditie zoo volkomen verloren kon gaan.Drenthe.Ook Drenthe is niet zeer rijk aan nationale drachten. Wat als zoodanig nog kan gelden is de (Friesche) kap en het oorijzer dat in zekere streken van deze provincie nog gedragen wordt (zie bl.65).De overige kleedij is dat bekende hybridischehalf ouderwetsche costume dat in heel ons land onder de platte-lands-bevolking de werkelijke nationale drachten vervangen heeft. Het is een imitatie van de stads-dracht, in vorm en versiering tot ongeveer geen enkele periode te rekenen, in kleur soms nog—als ’t op zijn ’s Zondags—erg “mooi” moet zijn, opvallend door persoonlijke wansmaak.De muts en het oorijzer zijn dan het eenige overgeblevene, maar die eenige rest van die werkelijk nationale dracht wordt dan niet weinig ontsierd door de “Kiep” (zooals men het in West-Friesland noemt), een soort van vrije fantasie door middel van allerlei gitten, bloemen en strikken op het zoogenaamd capot-hoedje, dat omstreeks 1885 “le dernier cri” van de Parijsche mode (wansmaak) was.In de veenstreken vindt men geen nationale dracht, omdat het in later tijd aangelegde kolonies zijn.Overijsel.In Overijsel zijn de tradities beter bewaard, ofschoon in hun volheid slechts in Staphorst en op Urk. In de rest van de provincie vindt men veel de halve nationale dracht, hoofdzakelijk de muts, maar de eigenlijke nationale dracht is verdwenen, vooral hoe meer men naar het Oosten gaat.A. Het eiland Urk.Van zeer bijzondere belangrijkheid is de kleedij en haar dragers en draagsters op het eiland Urk. Het is niet te zeggen wat van deze het belangrijkst is, het ras van menschen dat Urk bewoont, of hun kleeding. Maar beide zijn ze in hooge mate interessant.Zooals in Zeeland (vooral Walcheren) wonen er op Urk nog ras-menschen, iets wat men van de andere streken van ons land niet zeggen kan—en ’t minst van de groote steden. Maar de Urkers zijn fraai en gezond van bouw en er zijn bijzonder schoone vrouwentypen (zooals op Walcheren) en zeer krachtige mannengestalten. Hun kleeding sluit, wat de algemeene vormen aangaat, bij de gewone Hollandsche nationale drachten aan. Bij de mannen de wijde broeken en de nauw-aangesloten baaitjes, juist zooals op Volendam en Marken, ofschoon eenigszins anders van détails, maar in bedoeling hetzelfde, omdat die kleeding voor een groot deel bepaald is door de practijk van het visschersbedrijf en het leven op zee. (Zie bl.66,67).Wat de vrouwen betreft bestaat de dracht uit het noodige aantal rokken van verschillende stof en kleur, de kroplap, de doek en op het hoofd de kap of hulle. In zooverre is alles, wat de constructie betreft, gewoon. Maar het onderscheidin deze dracht met die van dezelfde soort in de andere deelen van het land ligt in de wijze waarop de verschillende détails gedragen worden, en....wieze draagt. (Zie bl.66en68).Dit laatste is, voor zoover de aesthetische werking betreft, bij iedere kleeding toch maar de hoofdzaak. Want al ligt er veel waarheid in het oude gezegde “de kleeding maakt den man”, de meeste kleeding echter doet den drager zich slechts van de andere menschen onderscheiden naar afkomst, rang of positie, niet naar schoonheid of aesthetische werking. Men moet een kleedingkunnendragen. En, zoo er vrouwen zijn die de Hollandsche dracht weten te dragen, dan zijn het die van Urk.—Dat moet gezegd zijn.Want de Urker-dracht onderscheidt zich niet door kleur of veel opschik. Ze is zeer eenvoudig, ze heeft geen on-noodige détails, maar haar werkelijk aesthetische waarde ligt in het ras dat ze draagt. De kleuren zijn meest alle donker, gebloemde zijde, donkere wol en laken, hier en daar slechts met een klein werkje.De hoofdzaak is echter dat het natuurlijke figuur (van de vrouwen) zeer door deze dracht tot zijn recht komt, en de Urker-vrouwen alles doen om hun natuurlijke gaven in deze nog meer te doen uitkomen. Er is wisselwerking tusschen den vorm van het lichaam dat de kleeding draagt en den vorm van die kleedij zelf, geleid door het natuurlijkinstinct van de draagster zelf, die ziethoeze een costume dragen moet, om de aandacht door middel van haar costume op zichzelf te doen vallen. Nog duidelijker blijkt die wil omzelfgezien te worden—en niet hun kleedij—(die ook zoozeer bij de vrouwen op Walcheren bestaat) uit de wijze waarop de Urker-vrouw haar kleine maar prachtig hulletje draagt.De heele hoofd-versiering is zeer nauw aan het hoofd aansluitend, zoodat het gezicht—dat dikwijls zeer schoon is—duidelijk uitkomt. Opmerkelijk is daarbij het echt vrouwelijke raffinement waarmee het oorijzer gedragen wordt. De knop, waar dat nationale kleinood in eindigt, komt bij de Urker-meisjes midden op de wang, dicht bij den mond. Maar doordat in het oorijzer zekere veering zit, drukt die knop kuiltjes in de wang, om op die wijze de natuurlijke charme van het gezicht nog meer te doen uitkomen.Men behoeft werkelijk niet naar Parijs te gaan, om zekere geheimen van het vrouwen-toilet te leeren doorgronden. Een Parisienne zou van een Urkersch visschers-meisje nog heel wat kunnen leeren.....Om een korte opsomming te geven van de Urker kleedij van de vrouw, moge dit hier volgen:De kap ofhullebestaat uit zwarte ondermuts, daarover het oorijzer (van zilver), daarover de de hulle (overmuts), van voren met een (zelfgemaakt)kantje. Van achter versiert een vrouw in den rouw die hulle met een “dasje”, dat is een zwart zijden strook, met een bandje en spelden vastgehouden. Van voren komt onder de hul “de top” uit, zoo heet het haar dat als ponny recht is afgeknipt tot even boven de oogen.Om den hals de ketting van roodegranaten, het gouden slot vanachter.De lijf-kleeding bestaat uit een hemd met korte mouwen, een (open) onderbroek, zwarte kousen, borstrok van zwarte baai met half lange mouwen van zijde, fluweel of thibet. Deze mouwen blijven bij de volledige kleeding te zien.Daarover komt hetmiddelde, een soort corset, eenigszins gelijkend op het rijglijf wat de Marker-vrouwen dragen. Het is echter niet zoo versierd met ornamenten, maar van blauw (of rood) damast, van voren met een veter dicht geregen die door (koperen) ringen gaat. Van onder (achter) aan de taille zijn eenige “rollen” aangebracht, bij wijze vanqueu de Parisom de rokken wijder te doen uitstaan. Onder het corset draagt men de borstlap van roode baai.Het aantal rokken bestaat uit denondersten rok, eentusschenrok, denzevenkleurigen rok(rood, wit, zwart, groen, ongeveer zooals die ’s Zondags te Volendam wordt gedragen) en daarover de bovenrok, ’s winters van baai of duffel, zwart of licht blauw, ’s zomers van thibet, laken of luster.Dan de kroplap, van voren echter meestal versierd met een ornament in kruissteek (het hartje) dat soms de initialen van de draagster vertoont. Daarover de borstrok, of hetlijfje—of “lifien”, ’s winters van zwarte wollen stof, ’s zomers van thibet. Dit “lifien” is een jakje met korte mouwen, laag uitgesneden aan den hals, een schootje en een “strik” van gebloemde zijde, dat is boordsel langs den hals.Daarover gaat “de doek” van donkerkleurige gebloemde zijde, meestal donker-rood of paarsachtig van nuance. Deze doek heeft (tegenwoordig) meestal franje.Daarover de boezel, of schort, met een “strik” van gebloemde zijde, zijnde een horizontale strook van een handbreedte aan de taille. Dit boezel is van zwart thibet of zijde.Merkwaardig is nog dat de Urksche vrouwen wanten of pols-mouwen dragen over hun van boven den elleboog bloote armen.Het zijn niet de “labedisten” van de Zeeuwsche schoonen, maar gewone pols-bedekkingen van gebreide (zwarte) wol.Verder bestaat het schoeisel uit zwart-leeren muilen.Opmerkelijk is verder hoe die dracht verandert, niet van vorm maar van kleur, voor weduwen, bruiden, en voor kinderen. Voor de weduwe is ze geheel zwart, voor de bruid iets kleuriger,(en nieuwer), voor de kinderen eenvoudiger, vooral wat het schort en de rokjes aangaat. Veel wit wordt dan ook door de kinderen gedragen, ofschoon de vorm—van de dracht—ook voor de kinderen, dezelfde blijft. (Zie bl.68).B. Staphorst.De Staphorster-dracht onderscheidt zich van de andere drachten door haar bijzondere compleetheid, zoowel voor mannen, vrouwen als kinderen. Ze sluit echter, wat haar vormen aangaat, geheel bij de drachten aan die men aan de kust van de Zuiderzee vindt, vanaf Staphorst tot aan Huizen in Noord-Holland. Vooral vanaf Harderwijk tot aan Staphorst onderscheiden zich de drachten (van de vrouw) door kleine hoofd-tooi, plat-makende borst (en torso) bekleeding en zeer breed en plat makende heup-bedekking.De kleuren zijn over ’t algemeen zeer sterk, veel rood, bij de Staphorster-vrouwen ook veel blauw. Zelfs zijn de overmutsen (in Nunspeet en Oldenbroek) bont, d. w. z. van stof met kleurige ornamenten versierd.Het oorijzer, dat in deze heele streek eenzelfde eigenaardige haak-vormige zilveren beugel is, wordt echter van Huizen naar Staphorst, oostwaarts gaande, zoo gedragen, dat de knop (krul in den vorm van een kurketrekker) bij de vrouwen van Harderwijk, Hierden, Nunspeet, Hulshorst,Elburg en Oldenbroek aan de slapen komt, steeds meer zakt, totdat ze bij de Staphorster-vrouwen geheel tot de kaak reikt. (Zie Urk.)Ook is bij de Staphorster-vrouwen het oorijzer breeder dan bij die in Gelderland, en het ondersteunt niet meer de haarvlecht achter tegen het hoofd, maar ligt boven op de kruin, in schuine richting. Ook zijn er andere afwijkingen in de Staphorster dracht, zoodat de geheele vorm van de hoofdbedekking anders wordt.Het Staphorster-vrouwen costume kan aldus worden beschreven: (zie bl.72en73.)Over het bloote lijf komt het katoenen hemd, zonder kraag, daarover de borstrok van “vijfschaft”, met mouwen tot aan de ellebogen.Dit vijfschaft of “viefschaft” is een wollen stof, gemaakt van het wol van de schapen, die de Staphorsters zelf teelen. Die wol wordt de door Staphorster vrouwen zelf gesponnen en in bepaalde kleuren, door werklieden in de buurt van Staphorst gekleurd, en volgens bepaalde patronen door een paar hand-wevers tot de stof geweven, waarvan de kleedij der Staphorster-vrouwen voor een groot deel gemaakt wordt. Het is in strepen geweven, zwart en donkerblauw, met rood hier en daar, in bepaalde dessins die ieder hun beteekenis hebben (wit-streept, rood-streept,enz.).Over die borstrok komt het lijfje, of de “kraplap” zooals die bij de andere drachten voorkomt. Deze kraplap is van wol of gebloemde zijde of katoen. Daarover de verschillende rokken (geen onderbroek), een paar van baai en de bovenste van vijfschaft.Dan de omslagdoek van geruite (meest roode) katoen of zijde, een schort (schulk) van donkerblauw wol, dat somtijds eveneens als het vijfschaft zelf gesponnen en geweven is.De banden van dit schort zijn altijd hel-blauw, de strik hangt met lange einden van voren neer.Nog verdient vermelding dat de rokken opgehouden worden, en breed gemaakt, door kussentjes die aan de borst-rok bevestigd zijn, maar welke verdikkingen alleen aan de zijkanten, dus niet van achter, worden aangebracht. Daardoor heeft het figuur van de Staphorster-vrouw nog on-gracelijker voorkomen.De doek wordt wel niet zoo stijf over de borst gesnoerd als in Kampen en in Nunspeet gewoonte is, maar het figuur wordt stelselmatig plat en breed gemaakt door die kussentjes. Ook door den eigenaardigen vorm van de muts wordt het bijzondere van de dracht nog verhoogd.De heele hoofdtooi wordt gevormd door: een bandje dat het haar vastbindt, waarover de zwarte onder-muts met “toet”. Dietoetvan stijf papier geeft een soort hoorn—boven het voorhoofd. Daarover komt de muts van gebloemde zijde met zijden boordbandendie onder de kin in wijd uitstaande, stijve, lange dunne strikken worden saamgebonden. Daarover gaat het oorijzer, vastgehouden door een zwarte band.Daarover de wittetoet-mutsvan kant, die maar zeer zelden gewasschen wordt, omdat ze anders te spoedig versleten zou zijn. Ook deze muts wordt onder de kin bevestigd met een bandje. Door de zeer nauwe aansluiting van de hoofdtooi, en het wijde van de schouders (doorde doek) het saamgenepene van de borstkas, de wijde plooien aan de heupen, de zeer korte rokken, en daaronder uit de beenen (ongeveer 15 c.M. te zien) en de (nogal) logge sloffen, met zeer breede neuzen en groote zilveren gespen, dat alles in donkerblauwe en hel-roode kleuren, met de sterkblauwe lange linten van het schort, geeft die Staphorster dracht een ietwat boersch uiterlijk, wat toch ook wel zijn zeer bijzondere eigenheid heeft. In dat boersche, ongracelijke, komt het overeen met de Marker, Bunschoter en Noord-Veluwsche drachten, die alle zeer kleur-rijk zijn maar de natuurlijke vormen van het lichaam geweld aandoen. (Zie bl.72).’s Winters wordt over die dracht een “buisje” met lange mouwen gedragen, zonder schootje.’s Zondags echter heeft dit kleedingstuk een schootje en is met bont (blauw en wit geruit) gevoerd, zoogenaamd Friesch bont, dat men echter in Friesland Oost-Indisch bont noemt.Dit langere buisje heetkaschijn, wat overeen komt met het Hindelooper “kassekijntje”, een kleedingstuk van hetzelfde soort.De kinderen hebben hetzelfde costume, maar vereenvoudigd. De stoffen zijn niet van molton, baai of laken maar meest van Friesch bont. De doek is echter steeds rood, zooals bij de volwassen menschen.Het groote verschil ligt echter in de hoofdtooi. Kinderen beneden de zes jaar dragen nog geen oorijzer, maar een zwart kapje van voren met een dikken rand astrakan. Dit kapje heet denette, het is, behalve de astrakan-strook, van zwarte stof met garneeringen. Links van het hoofd komt een strik (rozet) van zwart zijden lint, rechts een “haak”, een soort gesp van zilver. (Zie ditzelfde kleedingstuk van de kinderen op de Veluwe waar hetpoetsofpoeteheet en dehaaksoms van goud is, het astrakan van “veertjes”).Bovendien neemt de Staphorster-vrouw, ’s zondags, naar de kerk, een mooi met zilver beslagen bijbel mee, met kettingen, enz.De mannen-dracht is zeer eenvoudig, ofschoon meer origineel dan de boeren-dracht in andere streken. Het bleef meer een echt nationaal costume, vooral door de korte jekker, genaamdkamizool, met twee rijen knoopen.Opmerkelijk is ook dat het hemd steeds van boven aan den hals zichtbaar blijft, met de tweeberoemde Staphorster (bolle) gouden knoopen. Kleine jongens dragen dezelfde dracht als hun volwassen dorps-genooten.Ten slotte zij nog opgemerkt dat de Staphorster-vrouw buitengewoon netjes op hare nationale kleedij is, dat deze steeds, als ze niet gedragen wordt, in altijd dezelfde en zeer mooie plooien wordt opgeborgen, aan welke plooien steeds bijzondere zorg besteed wordt.Vergelijk in deze de netheid en nauwkeurigheid waarmede alle nationale drachten, op Marken, in Zeeland en Hindeloopen behandeld worden.Overal worden die drachten in mooie, daarvoor speciale gemaakte doozen opgeborgen. En ... zoolang de Staphorster-vrouwen nog zóó zuinig op hun bijzondere dracht zijn, zoolang zullen ze deze nog in eere houden.Verder blijft in de provincie Overijsel de strook, langs de IJssel en Twenthe.In Kampen zoowel als in Zwolle is de complete nationale dracht verdwenen, maar door de vrouwen uit de volks-klassen wordt nog vrij veel deneepjes-mutsen deplooi-mutsde “drie-plooitjes” gedragen.De rest van de costumeering bestaat dan meestal uit hetjak, een tot aan de knieën wijd-afhangend kleedingstuk met mouwen, op dezelfde wijze zooals dat door de vrouwen van Breskens(Zeeuwsch-Vlaanderen, Texel, enz.—zie aldaar) gedragen wordt. Daarbij behoort dan de zeer wijd geplooide rok, en het wijde boezelaar, een en ander van zwart thibet, de boezelaar ook wel van grijze, bruine of groene zijde. (Zie bl.70.)Om den hals draagt men daarbij een gestrikt zeer bonten (zijden) dasje, genaamd “het knuppeldoekje”. (Zie bl.69.)Daarbij komt dan deneepjes-muts, met de gouden bellen die in de fijne plooitjes van de muts gehaakt zijn, ennietin de ooren hangen.Deze muts wordt over het zwart (satinet) ondermutsje gedragen, en heeft van achter een ongeveer 20 cm. lange afhangende reeks stijve plooien, genaamdde strook. De muts wordt met een bandje onder de kin vastgehouden.Om den hals roode bloedkoralen, vijf streng, met gouden slot van voren. In den rouw zijn de koralen van git.Uit deze onderdeelen bestaat het mooie of zondagsche costume. De algemeene indruk is die van “ouderwetschheid”, zonder die van een werkelijke nationale kleedij te geven. Het is dan ook eigenlijk niet anders dan een mode-dracht die, denkelijk omstreeks 1860, de werkelijke oude en nationale dracht vervangen heeft.Dit geldt niet alléén voor Overijsel of voor de hier besproken dracht, maar voor heel Nederland. De tweede veranderings-periode zoudan misschien omstreeks 1890 te stellen kunnen zijn, toen die mode van het jak vervangen werd door deimitatievan de stads-modes uit dien tijd.Zoo althans lijkt het, naar wat de dracht van de plattelandsbevolking in West-Friesland, Drenthe, Overijsel, de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche eilanden en andere streken te zien geeft.Daarbij echter is—bij veel vrouwen—de nationale kap of muts (soms met het oorijzer) bewaard gebleven. De totale afschaffing van die muts is dan de laatste phase van het verdwijnen van de allerlaatste overblijfselen van de nationale dracht.Om na deze kleine historische bespiegeling, die ik gaarne voor beter geef, tot Overijsel terug te komen, zij opgemerkt dat deze neepjes-muts ook in de andere deelen van de provincie gedragen wordt, alsook in een deel van den achterhoek van Gelderland. (Zie bl.71.)Opmerkelijk voor Zwolle, Kampen en die streek, is de plooi-muts die de daagsche dracht uitmaakt. (Zie bl.69.) Daarbij wordt dan werkelijk de nationale dracht van krop-lap en doek gedragen, welke laatste, niet zooals in Zeeland, op Urk en op andere plaatsen van ons land in de taille wordt vastgehecht, maar in de armsgaten, onder de oksels wordt gestoken, waardoor die doek een kruis hoog over de borst vormt. (Zie bl.74en76.)Deze wijze van den doek te dragen is aan alle drachten gemeen van Staphorst tot en met Harderwijk. Ze is, ofschoon misschien practisch, zeer weinig aesthetisch, want ze maakt het effect of de borstkas van boven—daar waar ze uit de natuur bij een vrouw juist bewelfd behoort te zijn—met alle geweld in elkaar geknepen wordt. Fraai is het niet, maar het is zeer “kenmerkend”. (Zie bl.74,75en76.)Die plooi-muts nu is van zeer bijzonderen vorm, van achter met een niet naar onder, maar stijf naar achter staande strook van zware plooien. Een zeer merkwaardig soort muts, eenig in haar soort, ofschoon bij Nijkerk (Gelderland, zie aldaar) een dergelijk soort muts, onder den naam vandrie-strookofdrie-plooigedragen wordt. (Zie bl.69).Ook draagt de vrouw uit Kampen het oorijzer, maar dan op de wijze van de Staphorster vrouwen, d. w. z. de krul (kurketrekker) niet naast de slapen, maar onder aan de wang (kin).Deze mutsen, plooi-muts zoowel als neepjes-muts, zijn van kant of (in den rouw) van fijn neteldoek. Ze worden door de draagsters zelf “opgedaan” ( = gestreken).Gelderland.In de provincie Gelderland, die het geographische midden van ons land uitmaakt, worden de nationalekleederdrachten nog in vele streken in groote eere gehouden.Men kan deze provincie in drie deelen splitsen: A. De Veluwe. B. De Achterhoek. C. Het land tusschen Rijn en Maas.A. De Veluwe.Tot de Veluwe moet, althans voorzoover de nationale kleedij betreft, niet alléén het geographische gebied van dien naam gerekend worden, maar de heele kuststrook langs de Zuiderzee vanaf Staphorst in Overijsel tot en met Huizen in het Gooi in Noord-Holland.Al de drachten in die streek zijn van hetzelfde type, slechts weinig van elkaar afwijkend, en voorzoover de variaties betreft in elkaar overgaande.Zoo lijkt bijvoorbeeld de dracht in Oldenbroek soms op die van Staphorst, terwijl ze zich echter ook bij die van Nunspeet aansluit. Het oorijzer wordt echter (in Oldenbroek) soms anders gedragen, meer op de wijze zooals op Staphorst, dat is, met de krul beneden aan den wang.Het opmerkelijke van de Veluwsche drachten is echter dat de doek niet in de taille bijeen wordt gespeld, zooals dat bij de meeste Hollandsche drachten het geval is, maar onder de oksels tusschen de kroplap wordt gestoken. (Zie bl.74,75,76).Dat geeft aan de figuren die on-aesthetische platheid en houterigheid die een hoofdkenmerkisvan dit minder fraaie ras, waaraan dan de klederdracht nog de laatste rest van natuurlijkheid ontneemt. Een goed en normaal gebouwd ras zou uit zichzelf reeds zoôn kleedij, die de natuur zoo ontstelt, verwerpen. De bewijzen daarvoor vindt men op Walcheren, Urk en Volendam.De muts in Nunspeet en Oldenbroek is van een anderen vorm dan die van Staphorst, zonder de spitse punt boven het voorhoofd, over ’t algemeen meer naar achter dan naar boven zich vormend, met een witte onderkap, aan de slapen uitgeschulpt, het heele hoofd omvattend, en geboord met een fijn plooi-randje. Daarover komt de bonte muts, in sterke kleuren, een soort kalotje dat een deel van de witte muts laat zien. Daarover het oorijzer, met een bandje vastgehouden en met de krul aan de slapen. Van het haar komt niets te zien, ook zelfs niet boven het voorhoofd.De indruk van deze Nunspeterbonte-mutsis zeer fraai. Jammer dat ze het hoofd zoo klein en nietig maakt boven den plat-genepen romp en de wijd-uitstaande rokken. (Zie bl.74en75.)Het mannen-costume in deze streek is zoo goed als geheel “modern”. Het mist alle eigene cachet, zooals de Staphorster mannen-dracht die nog heeft.Tot voor zekeren tijd droegen de vrouwen van Hierden nog groote strooien hoeden (in den zomer) met eigenaardige linten en boor-garneersels (zooals op bl.73te zien is). Ook ziet men bij begrafenisplechtighedennog merkwaardige drachten, de mannen in lange jas en hoogen hoed, zooals dat ook in Staphorst nog het geval is. (Zie bl.73.)Al die groote strooien hoeden die de vrouwen zoowel in Friesland als in Hierden, Staphorst en op Walcheren tot voor een generatie terug nog boven hun mutsen en oorijzers droegen zijn “uit de mode” gegaan. Zoo verandert ... en verdwijnt gaandeweg de Nationale Kleedij.In Ermelo en Putten is de dracht weer anders. Men draagt er bijna geen oorijzer meer. Ook geen bonte-muts over de witte ondermuts, de krop-lap is soms wit, de doek effen (niet bont) de boezelaar zonder “stuk”. Meer westelijk van Putten is van die hierboven omschreven (Geldersch-Friesche) dracht niets meer te zien en ging ze over in een ander type, dat van het Utrechtsche en van het Gooi. Bunschoten en Spakenburg vormen weer een klasse op zich zelf.In Nijkerk, het oude en merkwaardige stadje, ziet men niets dan mutsen, de beroemdecornet-muts, met de lange achterstrook en de vele kleine plooitjes die het hoofd omgeven. Dit is de Zondagsche muts, die soms nog “verfraaid” wordt door een breed (licht blauw) zijden overlint, dat om den bol en van achter om het achterhoofd gaat, en dat onder de kin wordt vastgestrikt.De rest van de kleeding is “ouderwetsch” en stadsch.Bovendien wordt in Nijkerk nog een daagsche plooi-muts gedragen, van voren met drie strookjes over elkaar, van achter met een zonderling geplooide strook.Deze muts draagt den naam van “drie strookjes”. Soms draagt men onder deze muts een zwarte ondermuts, maar meestal zet men ze, direct, op het bijeen gebonden haar.B. De Achterhoek.In den Achterhoek, in het Graafschap Zutphen en in de Lijmers (het land rond Zevenaar), is niet veel van een nationale kleederdracht overgebleven. Wat er nog van te zien is, bestaat uit de neepjes-muts die de vrouwen dragen, van denzelfden vorm als in Overijsel (zie bl.70en71) (Zwolle) welk ouderwetsch kleedingstuk zoogenaamd gemoderniseerd wordt door het kapothoedje, (dat in Friesland “de kiep” heet), het smakelooze onding van strikken, bloemen en gitten (alles in het zwart) dat over die muts gedragen wordt.De kleeding der mannen heeft niets opmerkelijks meer.C. De Betuwe, en het land tusschen Maas en Waal.In de Betuwe zelf is de nationale dracht eveneens zoo goed als verdwenen, althans in het land van Tiel en in de Neder-Betuwe is er niets van over.Inhet land van Maas en Waalechter, in de Bommeler-Waard en in het land van Nijmegen sluit zich het weinige wat er nog van de nationale dracht over is aan bij de eigenaardige hoofd-tooi die in Noord-Brabant, en speciaal in de Meijerei van den Bosch, nog veel voorkomt. (Zie bl.78en80).De mannen-dracht in die streken heeft niets wat deze van de gewone boersche stads-kleeding onderscheidt, maar de vrouwen dragen de groote, breede, witte mutsen met breede lange linten, en een soort verstedelijkt niet-oud, niet-moderne costume, waarbij men vele malen een soort pelerine of cape-vorm ziet toegepast, die in het Noordelijker deel van Nederland onbekend is, maar in het land van Maas en Waal, in het land van ’s Hertogenbosch, en vooral Zuidelijker (in België) een merkwaardig cachet aan de bevolking geeft.Deze capes of pelerines worden alleen door de vrouwen gedragen. Ze doen denken aan een ouderwetschen mode-vorm en zijn van zwarte stof gemaakt en gegarneerd met plooien en belegsels. Ze zijn half lang, maar somtijds ook tot den grond rijkend, met een capuchon over het hoofd. Van dit laatste type ziet men somtijds nog oudere vormen in ’s Hertogenbosch.De witte muts nu, die men in het land tusschen de Maas en de Waal draagt heetknipmuts. Ze bestaat uit tule-kant, aan de voorzijde geplooid met behulp van fijn koperdraad, hetwelkmet een blauwe stof omwonden is. Dit is het “Karekas”.Bij zware rouw bestaat de muts geheel uit neteldoek, bij lichten rouw uit tule.De meer gegoeden dragen over deze knipmuts een krans van gemaakte bloemen, aan de uiteinden voorzien van breede zijden linten. Deze bloemen en linten te samen heeten “de poffer”, en ze geven het uiterlijk van de draagster een zeer bijzonder cachet omdat de heele hoofdtooi daardoor zeer breed wordt. (Zie bl.78).Bij de rijke boeren wordt de zoogenaamde “bodem” van de knipmuts in plaats van met bloemen gewerkte tule, uit echte kant gemaakt. Dat zijn dan de “baan-mutsen”.Deze mutsen die geheel wit zijn, zijn, door hun grootte en bewerkelijkheid, soms zeer kostbaar.Onder de knipmuts wordt een ondermuts van zwart merinos gedragen, gevoerd en opgevuld met watten. Ook dat draagt er toe bij deze hoofdtooi buitengewoon breed en zwaar te doen schijnen.De algemeene indruk heeft dan ook niet veel Hollandsch meer. Een kennelijk zuidelijker,—Belgische—smaak, heeft blijkbaar deze hoofdtooi ontworpen.... of: haar vervormd. Ze lijkt althans zeer veel op wat men in deze in Vlaanderen en het land van Brussel ziet.Noord-Brabant.De groote provincie Noord-Brabant vormt, in het zuidelijk deel van ons land een soort geographisch, anthropologisch en cultuur-historisch overgangs- en grensgebied tusschen Noord en Zuid. Het is het terrein waar de Noordelijke (Germaansche) en de Zuidelijke (Romaansche en Gallische) idealen elkaar ontmoeten en in elkaar versmelten. En dat komt zeer duidelijk in de kleederdrachten uit die in deze streek gedragen worden.Wat er van die oude volks-eigen drachten nog over is, is niet veel meer dan de boeren-muts, zooals die door de plattelands-boerinnen gedragen wordt. Dat is juist zooals in zooveel andere streken van ons land, waar die mutsen de eenige resten van de oude drachten zijn.Maar behalve die mutsen is—in Noord-Brabant—de overigelijfskleeding, en dan vooral van de vrouwen, meer opmerkelijk dan in eenige andere Nederlandsche provincie, al moet die lijfs-kleeding, die thans (1916) onder die boeren-bevolking nog vrij algemeen is, dan niet geheel tot de eigenlijke historische nationale volksdracht gerekend worden, en al blijkt ze meer onder de vervormde mode-navolgingen te moeten worden gerangschikt. Maar ze is er niet minder bijzonder karakteristiek om.En dit zal voor een groot deel het gevolg zijn van het hierboven reeds genoemde feit, dat inNoord-Brabant de Noordelijke en Zuidelijke idealen in elkaar overgaan. En, datgetuigtdie kleeding on-weerlegbaar.Want geheel Hollandsch is die kleeding niet, noch in haar wezen, noch in vorm, noch in kleur, en ze is ook niet geheel on-Hollandsch (Belgisch, Vlaamsch, Waalsch of Fransch) maar ze houdt het midden tusschen deze twee, en ze vertoont de kennelijke invloed van het Noordelijke zoowel als van het Zuidelijke ideaal.Reeds bij de bespreking van de andere provinciën had ik de gelegenheid op te merken hoe groot (dikwijls) die invloed van de Godsdienst op het voortbestaan van een nationale kleeding is. De gehechtheid aan een een-maal algemeen beleden Godsdienst waarborgt, in een bepaalde streek, het voortbestaan van oude zeden en gewoonten, en daardoor het voortbestaan van de, uit die zeden voortkomende, volkskleeding.Ook is er wel geen streek in ons land waar de bevolking zóó conservatief is en zoo gehecht aan haar oude geloof en zeden, als in Noord-Brabant, welk conservatisme op zich zelf zoo lang stand kan houden omdat er een bijna absolute eenheid van godsdienst is. Om deze toestand te helpen bestendigen, moedigt (o.a.) de Roomsche geestelijkheid de boerenbevolking aan, hun oude kleeding getrouw te blijven, om zoodoende met de kleeding, de oude zeden, en daardoor de oude godsdienst te kunnen handhaven.En uit die wisselwerking tusschen geloof, zeden en kleeding—en uit die algemeene verspreidheid van die eene Godsdienst, moge hetverklaardworden dat die oude drachten, of liever die ouderwetsche drachten nog zoo veelvuldig in deze provincie voorkomen en voortbestaan.Maar een andere, zeer belangrijke factor, voor de verklaring van en het verkrijgen van een juister kennis en inzicht in die bijzondere—niet oude, maar ouderwetsche—drachten in deze bijzondere provincie, lijkt mij den invloed die het ras van menschen, dat Noord-Brabant bewoont, op haar eigen kleedij had. Hiervoren had ik al gelegenheid op de wisselwerking te wijzen die er—naar mijn oordeel—bestaat tusschen de drager en zijn costume, tusschen de lichaamsvorm van den mensch en zijn kleed.Nu behooren de bewoners van Noord-Brabant zeer zekerniettot de mooiste specimina van hetgenus homodat ons land bewoont. Het lijkt wel of de zware klei en de dorre, drooge zand- en heide-gronden die—geologisch—deze provincie vormen, de bevolking van die streken tot dat kleine, breede, schonkige, breedhoofdige ras heeft gemaakt met dat harde, verbetene en stugge uiterlijk dat den opmerker dadelijk opvalt.Omdat de lichaamsbouw van de Noord-Brabanders zoo leelijk is, moet het niet verwonderen dat die zelfde plompheid en traagheid die uit hunongracelijke verschijning spreekt, ook als het hoofdkenmerk van den vorm, de snit en de kleur van hun kleedij gelden moet. Want deze is grof van detail, niet oud maar ouderwetsch, zonder phantasie, zonder uiting van levenslust, maar kleinzielig van gedachte, zonder vreugde, benepen en boersch. Een dracht van oude mannetjes en oude vrouwtjes,.... maar met dat al, of liever juist daarom, zeer interessant voor den student in volkspsyche, zoo dan al minder aantrekkelijk voor den eclectischenaestheticus.Ieder volk, ieder ras, ieder mensch heeft de kleeding die hij verdient.... en die slechts een uiting is van het eigen innigste wezen, idealen en levensopvatting. Een mooie, aesthetisch werkende kleeding kan slechts door een mooi, naar geest en lichaambeideharmonisch ontwikkeld menschenras worden saamgesteld. Getuige de kleeding van de Grieken. En die kleedij kan slechtsgoedenwaar,—dus: aesthetisch werkend, door personen gedragen worden die niet alleen dezelfde idealen hebben als het volk (het ras) dat die kleedij samenstelde, maar die ook de lichaamsvormen hebben waarop deze kleedij is gecomponeerd.Dan eerst is er harmonie tusschen den drager en zijn costume, dan eerst kan er werkelijke schoonheid bereikt worden omdat ze op de werkelijkheid en de waarheid berust. Als een kleedij, die op een welgebouwd lichaam gecomponeerd is door eenmensch gedragen wordt wiens lichaamsbouw minder harmonisch is, dan wordt zelden een volkomen aesthetisch geheel verkregen. Soms zelfs is het belachelijk. Het is niet bij toeval dat de heerenmode in Engeland, het land van de welgebouwde mannen, wordt ontworpen. En het is niet zonder oorzaak dat de dames-modes uit Parijs komen, waar de schoongevormde Parisiennes de aesthetisch aangelegde mode-ontwerpers het best gelegenheid geven een vrouwen-kleedij te componeeren die het schoone van “de vrouw” doet uitkomen. Ziet maar hoe een slechtgebouwde man of een leelijke vrouw een goed Londensch of Parijsch toilet staat.... Het is al te kennelijk niet voor hen gemaakt, dus:... staat het leelijk!—Er zal altijd een wisselwerking, dus ook een contrasteering tusschen den mensch en zijn kleedij blijven. Een mooie dracht maakt een mooi mensch mooier.... maar een leelijk mensch leelijker. Het schoone doet slechts het schoone uitkomen, recht wedervaren.Ieder mensch kan slechts de kleedij die hemzelf, zijn eigen innerlijke en uiterlijke wezen toont, goed dragen. Al het andere is masquerade, onechtheid, leugen.Zoo is het ook met de nationale kleederdrachten. Zoo is het met de Zeeuwsche vrouwen-kleeding, die mooi is en aesthetisch werkt, omdat ze op een welgebouwd ras is gecomponeerd. Daarom werktde dracht van het eiland Marken wèl picturaal, artistiek, maar niet aesthetisch. Daarom is de werking van de drachten in Noord-Brabant zeer on-aesthetisch, maar ze wekt de belangstelling, de nieuwsgierigheid, door het ouderwetsche, boersche, ongewone. Die Brabantsche kleeding vraagt de aandacht, niet voor en om zich zelf, maar voor de zeden en gewoonten waar zij de uiting van zijn. En dat is het zeer bijzondere van de volkskleeding in deze provincie.Deze kleine uitwijding over de oorzaken, die den aard van de volkskleedij in Noord-Brabant bepalen, was, tot duidelijker omschrijving van die kleedij zelf—noodzakelijk. Meer dan bij de beschrijving van de volkskleedij in andere provinciën. Want de inventariseering van die volksdrachten in Noord-Brabant zou in hoofdzaak de beschrijving van de zeden en gewoonten van die streek moeten zijn. De kleedij zelf is, als kleedij, niet zoo heel belangrijk, noch om de snit, noch om de stof, vorm of kleur. In hoofdzaak is de muts van de boerinnen het voornaamste. Die heeft nog de van ouds-her overgeleverde vormen. Maar de andere lijfs-kleedij is meer curieus dan fraai. De mannenkleeding heeft niets bijzonders.Maar vooral de mutsen zijn zeer belangrijk, te meer daar er zooveel verschillende soorten mutsen gedragen worden. Bijna ieder dorp heeft haar eigenvorm, en de afwijkingen zijn soms zeer bijzonder. En die afwijkingen vinden meestal hun grond in plaatselijke zeden en gewoonten.Staatkundig bestaat deze provincie uit drie deelen. Ieder van deze heeft een eigen volks-kleederdracht. Het grootste en belangrijkste deel vormt het Oostelijk deel van de Provincie, de Meierij van ’s-Hertogenbosch. In het midden is de Baronie van Breda. In het Westen ligt het Markgraafschap van Bergen-op-Zoom. In ieder van deze gewesten zijn weer afzonderlijke streken aan te wijzen waar de dracht belangrijk van die van de andere streken afwijkt, maar het hoofd-type blijft, voor ieder van deze gewesten, binnen haar grenzen, hetzelfde.A. De Meierij van ’s-HertogenboschVooral ten Zuiden en ten Oosten van ’s-Hertogenbosch, en in het Land van Boxtel, Liempt, Rooy, Vechel, Osch, Rosmalen, Helvoirt en Best is de Meierij’sche dracht het meest zuiver.Ze bestaat uit een zeer groote, wijde muts met lange strook of vleugel die zoowel naar achter als naar de zijkanten (half over de schouder) breed uitplooit.Deze muts wordt over een zwarte ondermuts gedragen, over het haar dat afgeknipt of bijeengebonden is, al naar de persoonlijke smaak.De groote, eigenlijkeboven-muts, de eigenlijke Meierij’sche of oud Noord-Brabantsche muts heeft van voren, boven het voorhoofd, een aantal vertikale plooitjes, (kneepjes) een wijde bol over het hoofd (de kruin of bodem) en van achter de lange afhangende strook.Gewoonlijk is deze muts van (echte) kant gemaakt, waardoor ze, ook door haar grootte, zeer kostbaar wordt. In den rouw is ze vanrouwdoek, zoogenaamdorgandine.Daaroverheen gaat depoffer. Dat is de eigenlijke versiering van de muts, het hoogst eigenaardig samenstel van uit kant en witte stof, koralen en franjes gemaakte dikke rand van bloemen, die als een (arm-dikke) zware wrong over het voorhoofd (op de muts) wordt gelegd en met een bandje van achter om het hoofd wordt vastgehouden. Aan deze poffer zijn groote breede (witte) zijden linten bevestigd, die tot bijna in de taille naar achter afhangen, van franje zijn voorzien en deze geheele muts met de uitwaaiende strook van achter een zeer wijd en breed aanzien geven. Het hoofd van de draagster wordt er ongewoon breed en log door, te meer daar het verdere van de figuur in den regel gehuld is in een zoogenaamdekapmantel, een “pelerine” of “omhanger” van ouderwetschen snit, die het lijf tot aan de taille omsluit, soms zelfs tot deknieënof den grond afhangt. De groote muts met de pompeuze pofferis dan breeder dan de schouders, en het lijf lijkt smaller door de kapmantel. Deze poffers zijn dikwijls zeer verschillend van maaksel, niet alleen naar de verschillende streken van de Meierij, maar ook naar den rijkdom van de draagster, het min of meer bijzondere van de gelegenheid waarbij ze wordt gedragen, enz.Ze is niet altijd geheel wit. Soms zijn de bloemen met blauw doorwerkt, of de breede linten licht blauw. Het is begrijpelijk dat dit een zeer dure dracht is, te meer ook daar het opmaken van deze mutsen door speciale mutsen-maaksters gedaan moet worden.Niet altijd echter draagt de Noord-Brabantsche vrouw deze bijzondere muts. Ook wordt ze, in de Meierij slechts op het platte land gedragen. In de stad ’s-Hertogenbosch ziet men slechts de zoogenaamde Bosschedienstbodenmuts, die van zeer eenvoudige constructie is, van voren drie rijen plooitjes boven het voorhoofd heeft, en met een lange band en strik onder de kin vastgemaakt wordt. Die tot een dikke massa saam-gebrachte plooitjes boven het voorhoofd heet “de tuil”.Soms draagt de vrouw uit het volk in Den Bosch ook een zwarte muts, die echter een vervorming moet heeten van het beruchte, hier reeds meermalen genoemde capot-hoedje.Op het land, bij de boeren echter dragen de jonge meisjes tot hun tiende jaar een zwarte wollenmuts, met groote, dikke wrong boven het voorhoofd. Die muts heet “kaper.”Na hun tiende jaar, of tegen den tijd dat de kinderen ter eerste communie gaan (vroeger ongeveer op het twaalfde jaar) krijgen de meisjes zwarte boeren mutsen, een muts met een vorm, die aan de mutsen met poffer van de volwassen vrouwen doet denken. Het zijn breede, zware, zeer rijk en overdadig versierde mutsen met breede strikken en veeren en gitten en gespen, van achter met twee afhangende breede linten. Het effect van deze mutsen is dat ze het hoofd van het kind zeer breed en zwaar doen schijnen.In deze kindermutsen is in deMeierijzeer veel variatie.In Vechel maakt men in den rand soms zelfs zwart-glazen belletjes, die rinkelen als de kinderen loopen. Deze kinder-mutsen worden door de jonge meisjes tot hun 20eà 23ejaar gedragen, of totdat zij verloofd zijn. Sommige van haar zetten die muts al vroeger af, om “ouder” te schijnen. Dan—als zij verloofd of getrouwd zijn—of dit willen schijnen, zetten zij de groote, witte Noord-Brabantsche muts op. Bij die muts draagt de Noord-Brabantsche vrouw nog bijzondere gouden versieringen, maar geen oorijzer.In de ooren heeft zij bijzonder groote bellen van filigraan-goud met bloedkoraal versierd, in waaiervorm, zoodat zewaaierbellenheeten.Om den hals soms een hals-ketting van roode, zwarte of witte koralen met gouden slot (van voren). Daarover zeer dikwijls een klein halsdoekje van zeer sterke kleuren, op de wijze als hetknuppeldoekjevan de vrouwen in Kampen (zie aldaar). De rest van de lijfskleeding is niet anders dan “ouderwetsch” te noemen. Ze hangt bijzonder smakeloos van vorm om het dikwijls grof en breed gebouwde lichaam, waarover de kapmantel of de pelerine, welke een soort vervormd overblijfsel van een ouderwetsche modedracht van 1880 is.In Den Bosch ziet men echter nog sporadisch oudere vrouwtjes met zeer bijzonder soort kapmantels die tot op den grond afhangen, en een capuchon over het hoofd. Deze dracht, die een zeer oude is, waag ik het te vooronderstellen dat ze van oude klooster-kleedij, van monnikspij of nonnen-habijt is afgeleid. In ieder geval is de oorsprongnietHollandsch, zooals ook de halflange pelerines met franjes en kanten naar Fransche en Belgische modellen zijn nagevolgd. De smaak en het ideaal van het Noord-Brabantsche volk betoont zich ook in deze meer zuidelijk dan noordelijk.Maar behalve deze worden thans door de boeren-bevolking, en vooral ten platten lande nog veel de ouderwetsche “doeken” gedragen, de “Kashmire-shawls” die onder het tweede Keizerrijkin Frankrijk zoozeer in de mode waren. Die dracht is thans voor die Noord-Brabantsche oude boerinnen de gewone, waarbij ze dan de van ouds-her stammende muts dragen, een hybridisch samenstel van resten van oude volks-dracht en mode-namaak, dat alles te samen den indruk maakt van een soms wel schilderachtige en typische, maar zeer achterlijke, conservatieve en on-aesthetische kleedij.Er mag hier even worden opgemerkt dat iets wel zeer eigendommelijk, karakteristiek, en zelfs mooi van kleur combinatie, en daardoor zeer pittoresk kan zijn, maar dat het geheel dan nog zeer wel tegen de aesthetica, dat is, tegen de wetten van een objectief schoonheidsbegrip kan strijden.Maar er zijn nog meer resten van werkelijk oude drachten in de Meierij. En daartoe behoort de “falie” een langwerpig vierkante doek van ongeveer drie meter lengte, bij één meter breedte, met franje aan de smalle einden. Deze, van zwarte stof gemaakte groote lap (want anders is het niet) wordt over het hoofd gedragen, zoodat de lange plooien het geheele lichaam van de vrouw inhullen. Een zeer bijzonder kleedingstuk dat ook al weer alleen zijn behoud aan de gehechtheid aan oude zeden dankt, want het wordt alleen bij rouw, kerkgang of doop gedragen.Maar behalve deze costume-onderdeelen en de genoemde mutsen wordt in de Meierij een soortmuts door de boeren-bevolking gedragen die het midden houdt tusschen de stads-(dienstboden)muts, en de groote Noord-Brabantsche muts met poffer. Dat is de “buiten-muts”.Dat is een muts die, even als alle mutsen uit de Meierij de tendenz vertoont van het hoofd breed te willen maken, maar het is een muts uit één stuk, met niet zoo’n lange kanten strook van achter, maar met een korter, stijve plooiïng, genaamd “de luif”. Van voren zijn drie rijen plooitjes, op de bol; van voren naar achter loopend, aan iederen kant een “takje” met uit neteldoek gemaakte bloemetjes, en van achter twee breede, witte linten; onder de kin een (vaste) witte strik.De muts heet buiten-muts omdat ze door de menschenvan buitengedragen wordt, in tegenstelling met de stads-menschen.Vervolgens worden in de Meierij (in Helvoirt) nog “strikke-mutsen” door kinderen gedragen, en in Eindhoven nog “cornetten”, en zouden er nog vele details mede te deelen zijn over de “poffer” die zoo’n bijzonder cachet, zoo’n “onhollandsch”, zoo’n verbeten, koppig, en vooral zoo’n boersch uiterlijk aan de Noord-Brabantsch vrouwen van het land geeft, als ze daar met hun korte breede, lijven, en groote hoofden, op groote schoenen, met groote passen langs de zonnige, zandige wegen van het met zwaar hout begroeide landschapof naast een over de dikke keien rammelende groote boerenwagen sjokken, waarvoor het zware paard langzaam voortstapt.B. De Baronie van Breda.Het eerste wat van de mutsen, die door de boeren-vrouwen in de Baronie van Breda gedragen worden, in tegenstelling met die van de Meierij van Den Bosch, opvalt, is, dat de afmetingen van die Bredasche mutsen zooveel kleiner zijn. Maar toch zijn ze nog groot en wijd, in vergelijking met de mutsen die in de andere deelen van ons land worden gedragen, vooral groot en wijd en dik boven het voorhoofd. Dat wordt in Breda niet veroorzaakt door de volumineuze “poffer” maar door “de kroon”, of “de kroesel” of “de krans”.De muts van de vrouwen uit de Baronie bestaat uit een rand zeer dun geplooide of strakke kant, die om het hoofd gaat en langs de ooren naar achter afbuigt tot in den nek, tot bijna op de schouders. Die effen kanten strook heeft van achter eenbodemofkruin, een naar achter afhangende, opgenomen breede lap kant-stof, tot op schouders afhangend. Het geheel wordt ingeregen met een bandje tusschen de voor-strook en de bodem (of kruin) en op die wijze op het hoofd vastgehouden. Dit is de eenvoudigste soort van het algemeene type van de muts in de Baronie.Dit is de “strakke muts”, die van tulle of gaas is in de rouw en door de week en ’s Zondags van kant. Ze wordt over een zwarte ondermuts gedragen en van voren, op het voorhoofd, hebben de vrouwen twee kleine krulletjes haar (valsch of echt) aangebracht, die even onder den rand van de muts uitkomen.In deze eenvoudigste vorm heeft deze Baronie-muts veel overeenkomst met de groote floddermutsen die op de Zuid-Hollandschsche eilanden worden gedragen. Ze is als het ware het overgangs-type tusschen de Noord-Brabantsche, sterk-Belgische vormen en de zuiver Hollandsche vormen van Zuid-Holland en Zeeland.Deze strakke muts wordt echter veelvuldig gevarieerd in een mooier en rijker bewerking. Dan wordt het dedubbele muts. De hoofdvorm blijft dezelfde. De voorste strook kant, die het gezicht omsluit, wordt echter dubbel, in twee geledingen over elkaar. In den regel zijn deze dubbele mutsen steeds van kant en doen alleen ’s Zondags dienst.Behalve dat bestaat er nog een vereenvoudigde soort van deze strakke mutsen, veel kleiner, minder omvangrijk, zonder afhangende bodem, met slechts een zeer smal strookje kant rond het gezicht, en met dunne bandjes onder de kin vastgehouden. Dat is het ouderwetsche mutsje, genaamd “het ongelukske”, dat oudere vrouwen thans nog dragen, en dat alléén bij ’t werk dienst doet. Men ziethieruit, dat ook hier, evenals in Zeeland, in den laatsten tijd de tendenz bestaat de mutsen steeds grooter te doen worden.Over die strakke en dubbele muts komt nu “de kroon”, of “de bloemkrans” of “de kroesel”, een dikke wrong van kleine bloemetjes in tulle uitgevoerd en met kralen opgesierd, meestal geheel wit van kleur, maar soms ook met blauwe bloemetjes en kralen verfraaid. Deze kroon ligt vlak op de muts, boven het voorhoofd, en gaat van de eene slaap naar de andere, en is vastgehecht op een (meestal) lichtblauw zijden lint dat van achter, onder de afhangende bodem, achter het hoofd is vastgezet met haak en oog.Bij deze mutsen behooren, evenals in de Meierij,lange, groote gouden oorhangers, halskettingen van koraal, en een klein kleurig doekje, “cache-nez” dat met kleine puntjes links en rechts onder de kin uitstaat, naast de groote witte strikken die de strakke of dubbele muts onder de kin vasthoudt.De verdere lijfs-kleeding is, vooral voor de boerinnen van het platte land, de ook in de Meierij bekende kapmantel, of ook nog zeer dikwijls de oude “Kashmire-shawl”. Merkwaardig is in dit deel van Noord-Brabant de zeer kennelijke invloed van de Belgische nationale drachten, vooral in de dorpen langs de Belgische grens in het zuiden van de Baronie en in het land van Bergen-op-Zoom.In die streken dragen de Brabantsche vrouwentwee soorten mutsen, een Hollandsche (Bredasche) en een Belgische. Deze laatste als zij over de Belgische grens (vóór den oorlog) ’s Zondags ter kerke gingen. Soms echter dragen zij die muts ook als ze in Breda naar de markt gaan.Deze “Belgische muts” is betrekkelijk klein, geheel van ineengeplooid wit lint, min of meer vierkant van hoofdvorm, een weinig naar de zijkanten en naar achter uitstekend, Maar op die muts zijn groote strikken van breed, gekleurd lint aangebracht, geel, rood, groen, paarsch, in alle kleuren. Twee van die lange, breede linten worden onder de kin vastgestrikt, twee hangen lang af naar achter, op den rug. Er is geen bijzondere kleur van deze linten voor bijzondere gelegenheden vastgesteld, tenzij zwart voor den rouw.Bij deze Belgische mutsen behoort een kapmantel of pelerine van meer pompeus maaksel dan de gewone, meer kant, tulle, linten en strikken, ofschoon de hoofdvorm dezelfde is als de andere pelerines. Dit kleedingstuk is een zeer kennelijke verboerschte imitatie van de Parijsche mode van omstreeks 1880.Behalve deze mutsen wordt in de Baronie, naar de kant van Zundert, een soort muts gedragen die veel overeenkomst heeft met debuiten-mutsvan deMeierij. In Zevenbergen is de vorm weer anders, daar wordt dekroonniet meer gedragen, of slechts zeer klein, maar vervangen door eenrijk geplooid breed lint, dat ook naar achter afhangt—zoo ook in de Zevenbergsche hoek, waar de vorm zich gaandeweg meer bij de Zuid-Hollandsche mutsen-vormen aansluit.C. Het Mark-Graafschap van Bergen op ZoomTen slotte de mutsen in het land dat aan Zeeland en Zuid-Holland grenst. De algemeene vorm is die van de Bredasche muts, maar zonder de kroon, dus eenvoudiger, smaller, platter.Verder is in deze streek de invloed van de Belgische en Zeeuwsche drachten meer kenbaar, en vormt ze een overgangsgebied naar de eigenlijke Hollandsche drachten. Vandaar dat men slechts weinig van een eigen dracht in deze streek merkt, althans niet in de steden, De plattelandsbevolking blijft het langst de “boerendracht” getrouw. De meeste vrouwen dragen reeds hoeden, dat wil zeggen ouderwetsche hoofddeksels, die tot geen land en geen tijd behooren, en, zooals gewoonlijk bij dergelijke soort kleedij, zeer smakeloos zijn.

Groningen.Ofschoon ook Groningen een oude geschiedenis heeft, is er, zoo goed als niets van de provinciale en nationale kleedij overgebleven. Op het feest in nationale kleederdrachten in 1913 te Amsterdam gehouden, was het mij niet mogelijk ook maar één paar (man en vrouw) in echt, heden nog gedragen Groninger kleedij te kunnen vinden.De historische dracht, waarin toen een heer en dame verschenen, heeft ook bij-lange die beteekenis voor de Groningers niet als de Friesche dracht voor de Friezen. Het is opmerkelijk dat in een deel van ons land als Groningen, met haar zoo eigen historie, de traditie zoo volkomen verloren kon gaan.

Ofschoon ook Groningen een oude geschiedenis heeft, is er, zoo goed als niets van de provinciale en nationale kleedij overgebleven. Op het feest in nationale kleederdrachten in 1913 te Amsterdam gehouden, was het mij niet mogelijk ook maar één paar (man en vrouw) in echt, heden nog gedragen Groninger kleedij te kunnen vinden.

De historische dracht, waarin toen een heer en dame verschenen, heeft ook bij-lange die beteekenis voor de Groningers niet als de Friesche dracht voor de Friezen. Het is opmerkelijk dat in een deel van ons land als Groningen, met haar zoo eigen historie, de traditie zoo volkomen verloren kon gaan.

Drenthe.Ook Drenthe is niet zeer rijk aan nationale drachten. Wat als zoodanig nog kan gelden is de (Friesche) kap en het oorijzer dat in zekere streken van deze provincie nog gedragen wordt (zie bl.65).De overige kleedij is dat bekende hybridischehalf ouderwetsche costume dat in heel ons land onder de platte-lands-bevolking de werkelijke nationale drachten vervangen heeft. Het is een imitatie van de stads-dracht, in vorm en versiering tot ongeveer geen enkele periode te rekenen, in kleur soms nog—als ’t op zijn ’s Zondags—erg “mooi” moet zijn, opvallend door persoonlijke wansmaak.De muts en het oorijzer zijn dan het eenige overgeblevene, maar die eenige rest van die werkelijk nationale dracht wordt dan niet weinig ontsierd door de “Kiep” (zooals men het in West-Friesland noemt), een soort van vrije fantasie door middel van allerlei gitten, bloemen en strikken op het zoogenaamd capot-hoedje, dat omstreeks 1885 “le dernier cri” van de Parijsche mode (wansmaak) was.In de veenstreken vindt men geen nationale dracht, omdat het in later tijd aangelegde kolonies zijn.

Ook Drenthe is niet zeer rijk aan nationale drachten. Wat als zoodanig nog kan gelden is de (Friesche) kap en het oorijzer dat in zekere streken van deze provincie nog gedragen wordt (zie bl.65).

De overige kleedij is dat bekende hybridischehalf ouderwetsche costume dat in heel ons land onder de platte-lands-bevolking de werkelijke nationale drachten vervangen heeft. Het is een imitatie van de stads-dracht, in vorm en versiering tot ongeveer geen enkele periode te rekenen, in kleur soms nog—als ’t op zijn ’s Zondags—erg “mooi” moet zijn, opvallend door persoonlijke wansmaak.

De muts en het oorijzer zijn dan het eenige overgeblevene, maar die eenige rest van die werkelijk nationale dracht wordt dan niet weinig ontsierd door de “Kiep” (zooals men het in West-Friesland noemt), een soort van vrije fantasie door middel van allerlei gitten, bloemen en strikken op het zoogenaamd capot-hoedje, dat omstreeks 1885 “le dernier cri” van de Parijsche mode (wansmaak) was.

In de veenstreken vindt men geen nationale dracht, omdat het in later tijd aangelegde kolonies zijn.

Overijsel.In Overijsel zijn de tradities beter bewaard, ofschoon in hun volheid slechts in Staphorst en op Urk. In de rest van de provincie vindt men veel de halve nationale dracht, hoofdzakelijk de muts, maar de eigenlijke nationale dracht is verdwenen, vooral hoe meer men naar het Oosten gaat.A. Het eiland Urk.Van zeer bijzondere belangrijkheid is de kleedij en haar dragers en draagsters op het eiland Urk. Het is niet te zeggen wat van deze het belangrijkst is, het ras van menschen dat Urk bewoont, of hun kleeding. Maar beide zijn ze in hooge mate interessant.Zooals in Zeeland (vooral Walcheren) wonen er op Urk nog ras-menschen, iets wat men van de andere streken van ons land niet zeggen kan—en ’t minst van de groote steden. Maar de Urkers zijn fraai en gezond van bouw en er zijn bijzonder schoone vrouwentypen (zooals op Walcheren) en zeer krachtige mannengestalten. Hun kleeding sluit, wat de algemeene vormen aangaat, bij de gewone Hollandsche nationale drachten aan. Bij de mannen de wijde broeken en de nauw-aangesloten baaitjes, juist zooals op Volendam en Marken, ofschoon eenigszins anders van détails, maar in bedoeling hetzelfde, omdat die kleeding voor een groot deel bepaald is door de practijk van het visschersbedrijf en het leven op zee. (Zie bl.66,67).Wat de vrouwen betreft bestaat de dracht uit het noodige aantal rokken van verschillende stof en kleur, de kroplap, de doek en op het hoofd de kap of hulle. In zooverre is alles, wat de constructie betreft, gewoon. Maar het onderscheidin deze dracht met die van dezelfde soort in de andere deelen van het land ligt in de wijze waarop de verschillende détails gedragen worden, en....wieze draagt. (Zie bl.66en68).Dit laatste is, voor zoover de aesthetische werking betreft, bij iedere kleeding toch maar de hoofdzaak. Want al ligt er veel waarheid in het oude gezegde “de kleeding maakt den man”, de meeste kleeding echter doet den drager zich slechts van de andere menschen onderscheiden naar afkomst, rang of positie, niet naar schoonheid of aesthetische werking. Men moet een kleedingkunnendragen. En, zoo er vrouwen zijn die de Hollandsche dracht weten te dragen, dan zijn het die van Urk.—Dat moet gezegd zijn.Want de Urker-dracht onderscheidt zich niet door kleur of veel opschik. Ze is zeer eenvoudig, ze heeft geen on-noodige détails, maar haar werkelijk aesthetische waarde ligt in het ras dat ze draagt. De kleuren zijn meest alle donker, gebloemde zijde, donkere wol en laken, hier en daar slechts met een klein werkje.De hoofdzaak is echter dat het natuurlijke figuur (van de vrouwen) zeer door deze dracht tot zijn recht komt, en de Urker-vrouwen alles doen om hun natuurlijke gaven in deze nog meer te doen uitkomen. Er is wisselwerking tusschen den vorm van het lichaam dat de kleeding draagt en den vorm van die kleedij zelf, geleid door het natuurlijkinstinct van de draagster zelf, die ziethoeze een costume dragen moet, om de aandacht door middel van haar costume op zichzelf te doen vallen. Nog duidelijker blijkt die wil omzelfgezien te worden—en niet hun kleedij—(die ook zoozeer bij de vrouwen op Walcheren bestaat) uit de wijze waarop de Urker-vrouw haar kleine maar prachtig hulletje draagt.De heele hoofd-versiering is zeer nauw aan het hoofd aansluitend, zoodat het gezicht—dat dikwijls zeer schoon is—duidelijk uitkomt. Opmerkelijk is daarbij het echt vrouwelijke raffinement waarmee het oorijzer gedragen wordt. De knop, waar dat nationale kleinood in eindigt, komt bij de Urker-meisjes midden op de wang, dicht bij den mond. Maar doordat in het oorijzer zekere veering zit, drukt die knop kuiltjes in de wang, om op die wijze de natuurlijke charme van het gezicht nog meer te doen uitkomen.Men behoeft werkelijk niet naar Parijs te gaan, om zekere geheimen van het vrouwen-toilet te leeren doorgronden. Een Parisienne zou van een Urkersch visschers-meisje nog heel wat kunnen leeren.....Om een korte opsomming te geven van de Urker kleedij van de vrouw, moge dit hier volgen:De kap ofhullebestaat uit zwarte ondermuts, daarover het oorijzer (van zilver), daarover de de hulle (overmuts), van voren met een (zelfgemaakt)kantje. Van achter versiert een vrouw in den rouw die hulle met een “dasje”, dat is een zwart zijden strook, met een bandje en spelden vastgehouden. Van voren komt onder de hul “de top” uit, zoo heet het haar dat als ponny recht is afgeknipt tot even boven de oogen.Om den hals de ketting van roodegranaten, het gouden slot vanachter.De lijf-kleeding bestaat uit een hemd met korte mouwen, een (open) onderbroek, zwarte kousen, borstrok van zwarte baai met half lange mouwen van zijde, fluweel of thibet. Deze mouwen blijven bij de volledige kleeding te zien.Daarover komt hetmiddelde, een soort corset, eenigszins gelijkend op het rijglijf wat de Marker-vrouwen dragen. Het is echter niet zoo versierd met ornamenten, maar van blauw (of rood) damast, van voren met een veter dicht geregen die door (koperen) ringen gaat. Van onder (achter) aan de taille zijn eenige “rollen” aangebracht, bij wijze vanqueu de Parisom de rokken wijder te doen uitstaan. Onder het corset draagt men de borstlap van roode baai.Het aantal rokken bestaat uit denondersten rok, eentusschenrok, denzevenkleurigen rok(rood, wit, zwart, groen, ongeveer zooals die ’s Zondags te Volendam wordt gedragen) en daarover de bovenrok, ’s winters van baai of duffel, zwart of licht blauw, ’s zomers van thibet, laken of luster.Dan de kroplap, van voren echter meestal versierd met een ornament in kruissteek (het hartje) dat soms de initialen van de draagster vertoont. Daarover de borstrok, of hetlijfje—of “lifien”, ’s winters van zwarte wollen stof, ’s zomers van thibet. Dit “lifien” is een jakje met korte mouwen, laag uitgesneden aan den hals, een schootje en een “strik” van gebloemde zijde, dat is boordsel langs den hals.Daarover gaat “de doek” van donkerkleurige gebloemde zijde, meestal donker-rood of paarsachtig van nuance. Deze doek heeft (tegenwoordig) meestal franje.Daarover de boezel, of schort, met een “strik” van gebloemde zijde, zijnde een horizontale strook van een handbreedte aan de taille. Dit boezel is van zwart thibet of zijde.Merkwaardig is nog dat de Urksche vrouwen wanten of pols-mouwen dragen over hun van boven den elleboog bloote armen.Het zijn niet de “labedisten” van de Zeeuwsche schoonen, maar gewone pols-bedekkingen van gebreide (zwarte) wol.Verder bestaat het schoeisel uit zwart-leeren muilen.Opmerkelijk is verder hoe die dracht verandert, niet van vorm maar van kleur, voor weduwen, bruiden, en voor kinderen. Voor de weduwe is ze geheel zwart, voor de bruid iets kleuriger,(en nieuwer), voor de kinderen eenvoudiger, vooral wat het schort en de rokjes aangaat. Veel wit wordt dan ook door de kinderen gedragen, ofschoon de vorm—van de dracht—ook voor de kinderen, dezelfde blijft. (Zie bl.68).B. Staphorst.De Staphorster-dracht onderscheidt zich van de andere drachten door haar bijzondere compleetheid, zoowel voor mannen, vrouwen als kinderen. Ze sluit echter, wat haar vormen aangaat, geheel bij de drachten aan die men aan de kust van de Zuiderzee vindt, vanaf Staphorst tot aan Huizen in Noord-Holland. Vooral vanaf Harderwijk tot aan Staphorst onderscheiden zich de drachten (van de vrouw) door kleine hoofd-tooi, plat-makende borst (en torso) bekleeding en zeer breed en plat makende heup-bedekking.De kleuren zijn over ’t algemeen zeer sterk, veel rood, bij de Staphorster-vrouwen ook veel blauw. Zelfs zijn de overmutsen (in Nunspeet en Oldenbroek) bont, d. w. z. van stof met kleurige ornamenten versierd.Het oorijzer, dat in deze heele streek eenzelfde eigenaardige haak-vormige zilveren beugel is, wordt echter van Huizen naar Staphorst, oostwaarts gaande, zoo gedragen, dat de knop (krul in den vorm van een kurketrekker) bij de vrouwen van Harderwijk, Hierden, Nunspeet, Hulshorst,Elburg en Oldenbroek aan de slapen komt, steeds meer zakt, totdat ze bij de Staphorster-vrouwen geheel tot de kaak reikt. (Zie Urk.)Ook is bij de Staphorster-vrouwen het oorijzer breeder dan bij die in Gelderland, en het ondersteunt niet meer de haarvlecht achter tegen het hoofd, maar ligt boven op de kruin, in schuine richting. Ook zijn er andere afwijkingen in de Staphorster dracht, zoodat de geheele vorm van de hoofdbedekking anders wordt.Het Staphorster-vrouwen costume kan aldus worden beschreven: (zie bl.72en73.)Over het bloote lijf komt het katoenen hemd, zonder kraag, daarover de borstrok van “vijfschaft”, met mouwen tot aan de ellebogen.Dit vijfschaft of “viefschaft” is een wollen stof, gemaakt van het wol van de schapen, die de Staphorsters zelf teelen. Die wol wordt de door Staphorster vrouwen zelf gesponnen en in bepaalde kleuren, door werklieden in de buurt van Staphorst gekleurd, en volgens bepaalde patronen door een paar hand-wevers tot de stof geweven, waarvan de kleedij der Staphorster-vrouwen voor een groot deel gemaakt wordt. Het is in strepen geweven, zwart en donkerblauw, met rood hier en daar, in bepaalde dessins die ieder hun beteekenis hebben (wit-streept, rood-streept,enz.).Over die borstrok komt het lijfje, of de “kraplap” zooals die bij de andere drachten voorkomt. Deze kraplap is van wol of gebloemde zijde of katoen. Daarover de verschillende rokken (geen onderbroek), een paar van baai en de bovenste van vijfschaft.Dan de omslagdoek van geruite (meest roode) katoen of zijde, een schort (schulk) van donkerblauw wol, dat somtijds eveneens als het vijfschaft zelf gesponnen en geweven is.De banden van dit schort zijn altijd hel-blauw, de strik hangt met lange einden van voren neer.Nog verdient vermelding dat de rokken opgehouden worden, en breed gemaakt, door kussentjes die aan de borst-rok bevestigd zijn, maar welke verdikkingen alleen aan de zijkanten, dus niet van achter, worden aangebracht. Daardoor heeft het figuur van de Staphorster-vrouw nog on-gracelijker voorkomen.De doek wordt wel niet zoo stijf over de borst gesnoerd als in Kampen en in Nunspeet gewoonte is, maar het figuur wordt stelselmatig plat en breed gemaakt door die kussentjes. Ook door den eigenaardigen vorm van de muts wordt het bijzondere van de dracht nog verhoogd.De heele hoofdtooi wordt gevormd door: een bandje dat het haar vastbindt, waarover de zwarte onder-muts met “toet”. Dietoetvan stijf papier geeft een soort hoorn—boven het voorhoofd. Daarover komt de muts van gebloemde zijde met zijden boordbandendie onder de kin in wijd uitstaande, stijve, lange dunne strikken worden saamgebonden. Daarover gaat het oorijzer, vastgehouden door een zwarte band.Daarover de wittetoet-mutsvan kant, die maar zeer zelden gewasschen wordt, omdat ze anders te spoedig versleten zou zijn. Ook deze muts wordt onder de kin bevestigd met een bandje. Door de zeer nauwe aansluiting van de hoofdtooi, en het wijde van de schouders (doorde doek) het saamgenepene van de borstkas, de wijde plooien aan de heupen, de zeer korte rokken, en daaronder uit de beenen (ongeveer 15 c.M. te zien) en de (nogal) logge sloffen, met zeer breede neuzen en groote zilveren gespen, dat alles in donkerblauwe en hel-roode kleuren, met de sterkblauwe lange linten van het schort, geeft die Staphorster dracht een ietwat boersch uiterlijk, wat toch ook wel zijn zeer bijzondere eigenheid heeft. In dat boersche, ongracelijke, komt het overeen met de Marker, Bunschoter en Noord-Veluwsche drachten, die alle zeer kleur-rijk zijn maar de natuurlijke vormen van het lichaam geweld aandoen. (Zie bl.72).’s Winters wordt over die dracht een “buisje” met lange mouwen gedragen, zonder schootje.’s Zondags echter heeft dit kleedingstuk een schootje en is met bont (blauw en wit geruit) gevoerd, zoogenaamd Friesch bont, dat men echter in Friesland Oost-Indisch bont noemt.Dit langere buisje heetkaschijn, wat overeen komt met het Hindelooper “kassekijntje”, een kleedingstuk van hetzelfde soort.De kinderen hebben hetzelfde costume, maar vereenvoudigd. De stoffen zijn niet van molton, baai of laken maar meest van Friesch bont. De doek is echter steeds rood, zooals bij de volwassen menschen.Het groote verschil ligt echter in de hoofdtooi. Kinderen beneden de zes jaar dragen nog geen oorijzer, maar een zwart kapje van voren met een dikken rand astrakan. Dit kapje heet denette, het is, behalve de astrakan-strook, van zwarte stof met garneeringen. Links van het hoofd komt een strik (rozet) van zwart zijden lint, rechts een “haak”, een soort gesp van zilver. (Zie ditzelfde kleedingstuk van de kinderen op de Veluwe waar hetpoetsofpoeteheet en dehaaksoms van goud is, het astrakan van “veertjes”).Bovendien neemt de Staphorster-vrouw, ’s zondags, naar de kerk, een mooi met zilver beslagen bijbel mee, met kettingen, enz.De mannen-dracht is zeer eenvoudig, ofschoon meer origineel dan de boeren-dracht in andere streken. Het bleef meer een echt nationaal costume, vooral door de korte jekker, genaamdkamizool, met twee rijen knoopen.Opmerkelijk is ook dat het hemd steeds van boven aan den hals zichtbaar blijft, met de tweeberoemde Staphorster (bolle) gouden knoopen. Kleine jongens dragen dezelfde dracht als hun volwassen dorps-genooten.Ten slotte zij nog opgemerkt dat de Staphorster-vrouw buitengewoon netjes op hare nationale kleedij is, dat deze steeds, als ze niet gedragen wordt, in altijd dezelfde en zeer mooie plooien wordt opgeborgen, aan welke plooien steeds bijzondere zorg besteed wordt.Vergelijk in deze de netheid en nauwkeurigheid waarmede alle nationale drachten, op Marken, in Zeeland en Hindeloopen behandeld worden.Overal worden die drachten in mooie, daarvoor speciale gemaakte doozen opgeborgen. En ... zoolang de Staphorster-vrouwen nog zóó zuinig op hun bijzondere dracht zijn, zoolang zullen ze deze nog in eere houden.Verder blijft in de provincie Overijsel de strook, langs de IJssel en Twenthe.In Kampen zoowel als in Zwolle is de complete nationale dracht verdwenen, maar door de vrouwen uit de volks-klassen wordt nog vrij veel deneepjes-mutsen deplooi-mutsde “drie-plooitjes” gedragen.De rest van de costumeering bestaat dan meestal uit hetjak, een tot aan de knieën wijd-afhangend kleedingstuk met mouwen, op dezelfde wijze zooals dat door de vrouwen van Breskens(Zeeuwsch-Vlaanderen, Texel, enz.—zie aldaar) gedragen wordt. Daarbij behoort dan de zeer wijd geplooide rok, en het wijde boezelaar, een en ander van zwart thibet, de boezelaar ook wel van grijze, bruine of groene zijde. (Zie bl.70.)Om den hals draagt men daarbij een gestrikt zeer bonten (zijden) dasje, genaamd “het knuppeldoekje”. (Zie bl.69.)Daarbij komt dan deneepjes-muts, met de gouden bellen die in de fijne plooitjes van de muts gehaakt zijn, ennietin de ooren hangen.Deze muts wordt over het zwart (satinet) ondermutsje gedragen, en heeft van achter een ongeveer 20 cm. lange afhangende reeks stijve plooien, genaamdde strook. De muts wordt met een bandje onder de kin vastgehouden.Om den hals roode bloedkoralen, vijf streng, met gouden slot van voren. In den rouw zijn de koralen van git.Uit deze onderdeelen bestaat het mooie of zondagsche costume. De algemeene indruk is die van “ouderwetschheid”, zonder die van een werkelijke nationale kleedij te geven. Het is dan ook eigenlijk niet anders dan een mode-dracht die, denkelijk omstreeks 1860, de werkelijke oude en nationale dracht vervangen heeft.Dit geldt niet alléén voor Overijsel of voor de hier besproken dracht, maar voor heel Nederland. De tweede veranderings-periode zoudan misschien omstreeks 1890 te stellen kunnen zijn, toen die mode van het jak vervangen werd door deimitatievan de stads-modes uit dien tijd.Zoo althans lijkt het, naar wat de dracht van de plattelandsbevolking in West-Friesland, Drenthe, Overijsel, de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche eilanden en andere streken te zien geeft.Daarbij echter is—bij veel vrouwen—de nationale kap of muts (soms met het oorijzer) bewaard gebleven. De totale afschaffing van die muts is dan de laatste phase van het verdwijnen van de allerlaatste overblijfselen van de nationale dracht.Om na deze kleine historische bespiegeling, die ik gaarne voor beter geef, tot Overijsel terug te komen, zij opgemerkt dat deze neepjes-muts ook in de andere deelen van de provincie gedragen wordt, alsook in een deel van den achterhoek van Gelderland. (Zie bl.71.)Opmerkelijk voor Zwolle, Kampen en die streek, is de plooi-muts die de daagsche dracht uitmaakt. (Zie bl.69.) Daarbij wordt dan werkelijk de nationale dracht van krop-lap en doek gedragen, welke laatste, niet zooals in Zeeland, op Urk en op andere plaatsen van ons land in de taille wordt vastgehecht, maar in de armsgaten, onder de oksels wordt gestoken, waardoor die doek een kruis hoog over de borst vormt. (Zie bl.74en76.)Deze wijze van den doek te dragen is aan alle drachten gemeen van Staphorst tot en met Harderwijk. Ze is, ofschoon misschien practisch, zeer weinig aesthetisch, want ze maakt het effect of de borstkas van boven—daar waar ze uit de natuur bij een vrouw juist bewelfd behoort te zijn—met alle geweld in elkaar geknepen wordt. Fraai is het niet, maar het is zeer “kenmerkend”. (Zie bl.74,75en76.)Die plooi-muts nu is van zeer bijzonderen vorm, van achter met een niet naar onder, maar stijf naar achter staande strook van zware plooien. Een zeer merkwaardig soort muts, eenig in haar soort, ofschoon bij Nijkerk (Gelderland, zie aldaar) een dergelijk soort muts, onder den naam vandrie-strookofdrie-plooigedragen wordt. (Zie bl.69).Ook draagt de vrouw uit Kampen het oorijzer, maar dan op de wijze van de Staphorster vrouwen, d. w. z. de krul (kurketrekker) niet naast de slapen, maar onder aan de wang (kin).Deze mutsen, plooi-muts zoowel als neepjes-muts, zijn van kant of (in den rouw) van fijn neteldoek. Ze worden door de draagsters zelf “opgedaan” ( = gestreken).

In Overijsel zijn de tradities beter bewaard, ofschoon in hun volheid slechts in Staphorst en op Urk. In de rest van de provincie vindt men veel de halve nationale dracht, hoofdzakelijk de muts, maar de eigenlijke nationale dracht is verdwenen, vooral hoe meer men naar het Oosten gaat.

A. Het eiland Urk.Van zeer bijzondere belangrijkheid is de kleedij en haar dragers en draagsters op het eiland Urk. Het is niet te zeggen wat van deze het belangrijkst is, het ras van menschen dat Urk bewoont, of hun kleeding. Maar beide zijn ze in hooge mate interessant.Zooals in Zeeland (vooral Walcheren) wonen er op Urk nog ras-menschen, iets wat men van de andere streken van ons land niet zeggen kan—en ’t minst van de groote steden. Maar de Urkers zijn fraai en gezond van bouw en er zijn bijzonder schoone vrouwentypen (zooals op Walcheren) en zeer krachtige mannengestalten. Hun kleeding sluit, wat de algemeene vormen aangaat, bij de gewone Hollandsche nationale drachten aan. Bij de mannen de wijde broeken en de nauw-aangesloten baaitjes, juist zooals op Volendam en Marken, ofschoon eenigszins anders van détails, maar in bedoeling hetzelfde, omdat die kleeding voor een groot deel bepaald is door de practijk van het visschersbedrijf en het leven op zee. (Zie bl.66,67).Wat de vrouwen betreft bestaat de dracht uit het noodige aantal rokken van verschillende stof en kleur, de kroplap, de doek en op het hoofd de kap of hulle. In zooverre is alles, wat de constructie betreft, gewoon. Maar het onderscheidin deze dracht met die van dezelfde soort in de andere deelen van het land ligt in de wijze waarop de verschillende détails gedragen worden, en....wieze draagt. (Zie bl.66en68).Dit laatste is, voor zoover de aesthetische werking betreft, bij iedere kleeding toch maar de hoofdzaak. Want al ligt er veel waarheid in het oude gezegde “de kleeding maakt den man”, de meeste kleeding echter doet den drager zich slechts van de andere menschen onderscheiden naar afkomst, rang of positie, niet naar schoonheid of aesthetische werking. Men moet een kleedingkunnendragen. En, zoo er vrouwen zijn die de Hollandsche dracht weten te dragen, dan zijn het die van Urk.—Dat moet gezegd zijn.Want de Urker-dracht onderscheidt zich niet door kleur of veel opschik. Ze is zeer eenvoudig, ze heeft geen on-noodige détails, maar haar werkelijk aesthetische waarde ligt in het ras dat ze draagt. De kleuren zijn meest alle donker, gebloemde zijde, donkere wol en laken, hier en daar slechts met een klein werkje.De hoofdzaak is echter dat het natuurlijke figuur (van de vrouwen) zeer door deze dracht tot zijn recht komt, en de Urker-vrouwen alles doen om hun natuurlijke gaven in deze nog meer te doen uitkomen. Er is wisselwerking tusschen den vorm van het lichaam dat de kleeding draagt en den vorm van die kleedij zelf, geleid door het natuurlijkinstinct van de draagster zelf, die ziethoeze een costume dragen moet, om de aandacht door middel van haar costume op zichzelf te doen vallen. Nog duidelijker blijkt die wil omzelfgezien te worden—en niet hun kleedij—(die ook zoozeer bij de vrouwen op Walcheren bestaat) uit de wijze waarop de Urker-vrouw haar kleine maar prachtig hulletje draagt.De heele hoofd-versiering is zeer nauw aan het hoofd aansluitend, zoodat het gezicht—dat dikwijls zeer schoon is—duidelijk uitkomt. Opmerkelijk is daarbij het echt vrouwelijke raffinement waarmee het oorijzer gedragen wordt. De knop, waar dat nationale kleinood in eindigt, komt bij de Urker-meisjes midden op de wang, dicht bij den mond. Maar doordat in het oorijzer zekere veering zit, drukt die knop kuiltjes in de wang, om op die wijze de natuurlijke charme van het gezicht nog meer te doen uitkomen.Men behoeft werkelijk niet naar Parijs te gaan, om zekere geheimen van het vrouwen-toilet te leeren doorgronden. Een Parisienne zou van een Urkersch visschers-meisje nog heel wat kunnen leeren.....Om een korte opsomming te geven van de Urker kleedij van de vrouw, moge dit hier volgen:De kap ofhullebestaat uit zwarte ondermuts, daarover het oorijzer (van zilver), daarover de de hulle (overmuts), van voren met een (zelfgemaakt)kantje. Van achter versiert een vrouw in den rouw die hulle met een “dasje”, dat is een zwart zijden strook, met een bandje en spelden vastgehouden. Van voren komt onder de hul “de top” uit, zoo heet het haar dat als ponny recht is afgeknipt tot even boven de oogen.Om den hals de ketting van roodegranaten, het gouden slot vanachter.De lijf-kleeding bestaat uit een hemd met korte mouwen, een (open) onderbroek, zwarte kousen, borstrok van zwarte baai met half lange mouwen van zijde, fluweel of thibet. Deze mouwen blijven bij de volledige kleeding te zien.Daarover komt hetmiddelde, een soort corset, eenigszins gelijkend op het rijglijf wat de Marker-vrouwen dragen. Het is echter niet zoo versierd met ornamenten, maar van blauw (of rood) damast, van voren met een veter dicht geregen die door (koperen) ringen gaat. Van onder (achter) aan de taille zijn eenige “rollen” aangebracht, bij wijze vanqueu de Parisom de rokken wijder te doen uitstaan. Onder het corset draagt men de borstlap van roode baai.Het aantal rokken bestaat uit denondersten rok, eentusschenrok, denzevenkleurigen rok(rood, wit, zwart, groen, ongeveer zooals die ’s Zondags te Volendam wordt gedragen) en daarover de bovenrok, ’s winters van baai of duffel, zwart of licht blauw, ’s zomers van thibet, laken of luster.Dan de kroplap, van voren echter meestal versierd met een ornament in kruissteek (het hartje) dat soms de initialen van de draagster vertoont. Daarover de borstrok, of hetlijfje—of “lifien”, ’s winters van zwarte wollen stof, ’s zomers van thibet. Dit “lifien” is een jakje met korte mouwen, laag uitgesneden aan den hals, een schootje en een “strik” van gebloemde zijde, dat is boordsel langs den hals.Daarover gaat “de doek” van donkerkleurige gebloemde zijde, meestal donker-rood of paarsachtig van nuance. Deze doek heeft (tegenwoordig) meestal franje.Daarover de boezel, of schort, met een “strik” van gebloemde zijde, zijnde een horizontale strook van een handbreedte aan de taille. Dit boezel is van zwart thibet of zijde.Merkwaardig is nog dat de Urksche vrouwen wanten of pols-mouwen dragen over hun van boven den elleboog bloote armen.Het zijn niet de “labedisten” van de Zeeuwsche schoonen, maar gewone pols-bedekkingen van gebreide (zwarte) wol.Verder bestaat het schoeisel uit zwart-leeren muilen.Opmerkelijk is verder hoe die dracht verandert, niet van vorm maar van kleur, voor weduwen, bruiden, en voor kinderen. Voor de weduwe is ze geheel zwart, voor de bruid iets kleuriger,(en nieuwer), voor de kinderen eenvoudiger, vooral wat het schort en de rokjes aangaat. Veel wit wordt dan ook door de kinderen gedragen, ofschoon de vorm—van de dracht—ook voor de kinderen, dezelfde blijft. (Zie bl.68).

Van zeer bijzondere belangrijkheid is de kleedij en haar dragers en draagsters op het eiland Urk. Het is niet te zeggen wat van deze het belangrijkst is, het ras van menschen dat Urk bewoont, of hun kleeding. Maar beide zijn ze in hooge mate interessant.

Zooals in Zeeland (vooral Walcheren) wonen er op Urk nog ras-menschen, iets wat men van de andere streken van ons land niet zeggen kan—en ’t minst van de groote steden. Maar de Urkers zijn fraai en gezond van bouw en er zijn bijzonder schoone vrouwentypen (zooals op Walcheren) en zeer krachtige mannengestalten. Hun kleeding sluit, wat de algemeene vormen aangaat, bij de gewone Hollandsche nationale drachten aan. Bij de mannen de wijde broeken en de nauw-aangesloten baaitjes, juist zooals op Volendam en Marken, ofschoon eenigszins anders van détails, maar in bedoeling hetzelfde, omdat die kleeding voor een groot deel bepaald is door de practijk van het visschersbedrijf en het leven op zee. (Zie bl.66,67).

Wat de vrouwen betreft bestaat de dracht uit het noodige aantal rokken van verschillende stof en kleur, de kroplap, de doek en op het hoofd de kap of hulle. In zooverre is alles, wat de constructie betreft, gewoon. Maar het onderscheidin deze dracht met die van dezelfde soort in de andere deelen van het land ligt in de wijze waarop de verschillende détails gedragen worden, en....wieze draagt. (Zie bl.66en68).

Dit laatste is, voor zoover de aesthetische werking betreft, bij iedere kleeding toch maar de hoofdzaak. Want al ligt er veel waarheid in het oude gezegde “de kleeding maakt den man”, de meeste kleeding echter doet den drager zich slechts van de andere menschen onderscheiden naar afkomst, rang of positie, niet naar schoonheid of aesthetische werking. Men moet een kleedingkunnendragen. En, zoo er vrouwen zijn die de Hollandsche dracht weten te dragen, dan zijn het die van Urk.—Dat moet gezegd zijn.

Want de Urker-dracht onderscheidt zich niet door kleur of veel opschik. Ze is zeer eenvoudig, ze heeft geen on-noodige détails, maar haar werkelijk aesthetische waarde ligt in het ras dat ze draagt. De kleuren zijn meest alle donker, gebloemde zijde, donkere wol en laken, hier en daar slechts met een klein werkje.

De hoofdzaak is echter dat het natuurlijke figuur (van de vrouwen) zeer door deze dracht tot zijn recht komt, en de Urker-vrouwen alles doen om hun natuurlijke gaven in deze nog meer te doen uitkomen. Er is wisselwerking tusschen den vorm van het lichaam dat de kleeding draagt en den vorm van die kleedij zelf, geleid door het natuurlijkinstinct van de draagster zelf, die ziethoeze een costume dragen moet, om de aandacht door middel van haar costume op zichzelf te doen vallen. Nog duidelijker blijkt die wil omzelfgezien te worden—en niet hun kleedij—(die ook zoozeer bij de vrouwen op Walcheren bestaat) uit de wijze waarop de Urker-vrouw haar kleine maar prachtig hulletje draagt.

De heele hoofd-versiering is zeer nauw aan het hoofd aansluitend, zoodat het gezicht—dat dikwijls zeer schoon is—duidelijk uitkomt. Opmerkelijk is daarbij het echt vrouwelijke raffinement waarmee het oorijzer gedragen wordt. De knop, waar dat nationale kleinood in eindigt, komt bij de Urker-meisjes midden op de wang, dicht bij den mond. Maar doordat in het oorijzer zekere veering zit, drukt die knop kuiltjes in de wang, om op die wijze de natuurlijke charme van het gezicht nog meer te doen uitkomen.

Men behoeft werkelijk niet naar Parijs te gaan, om zekere geheimen van het vrouwen-toilet te leeren doorgronden. Een Parisienne zou van een Urkersch visschers-meisje nog heel wat kunnen leeren.....

Om een korte opsomming te geven van de Urker kleedij van de vrouw, moge dit hier volgen:

De kap ofhullebestaat uit zwarte ondermuts, daarover het oorijzer (van zilver), daarover de de hulle (overmuts), van voren met een (zelfgemaakt)kantje. Van achter versiert een vrouw in den rouw die hulle met een “dasje”, dat is een zwart zijden strook, met een bandje en spelden vastgehouden. Van voren komt onder de hul “de top” uit, zoo heet het haar dat als ponny recht is afgeknipt tot even boven de oogen.

Om den hals de ketting van roodegranaten, het gouden slot vanachter.

De lijf-kleeding bestaat uit een hemd met korte mouwen, een (open) onderbroek, zwarte kousen, borstrok van zwarte baai met half lange mouwen van zijde, fluweel of thibet. Deze mouwen blijven bij de volledige kleeding te zien.

Daarover komt hetmiddelde, een soort corset, eenigszins gelijkend op het rijglijf wat de Marker-vrouwen dragen. Het is echter niet zoo versierd met ornamenten, maar van blauw (of rood) damast, van voren met een veter dicht geregen die door (koperen) ringen gaat. Van onder (achter) aan de taille zijn eenige “rollen” aangebracht, bij wijze vanqueu de Parisom de rokken wijder te doen uitstaan. Onder het corset draagt men de borstlap van roode baai.

Het aantal rokken bestaat uit denondersten rok, eentusschenrok, denzevenkleurigen rok(rood, wit, zwart, groen, ongeveer zooals die ’s Zondags te Volendam wordt gedragen) en daarover de bovenrok, ’s winters van baai of duffel, zwart of licht blauw, ’s zomers van thibet, laken of luster.

Dan de kroplap, van voren echter meestal versierd met een ornament in kruissteek (het hartje) dat soms de initialen van de draagster vertoont. Daarover de borstrok, of hetlijfje—of “lifien”, ’s winters van zwarte wollen stof, ’s zomers van thibet. Dit “lifien” is een jakje met korte mouwen, laag uitgesneden aan den hals, een schootje en een “strik” van gebloemde zijde, dat is boordsel langs den hals.

Daarover gaat “de doek” van donkerkleurige gebloemde zijde, meestal donker-rood of paarsachtig van nuance. Deze doek heeft (tegenwoordig) meestal franje.

Daarover de boezel, of schort, met een “strik” van gebloemde zijde, zijnde een horizontale strook van een handbreedte aan de taille. Dit boezel is van zwart thibet of zijde.

Merkwaardig is nog dat de Urksche vrouwen wanten of pols-mouwen dragen over hun van boven den elleboog bloote armen.

Het zijn niet de “labedisten” van de Zeeuwsche schoonen, maar gewone pols-bedekkingen van gebreide (zwarte) wol.

Verder bestaat het schoeisel uit zwart-leeren muilen.

Opmerkelijk is verder hoe die dracht verandert, niet van vorm maar van kleur, voor weduwen, bruiden, en voor kinderen. Voor de weduwe is ze geheel zwart, voor de bruid iets kleuriger,(en nieuwer), voor de kinderen eenvoudiger, vooral wat het schort en de rokjes aangaat. Veel wit wordt dan ook door de kinderen gedragen, ofschoon de vorm—van de dracht—ook voor de kinderen, dezelfde blijft. (Zie bl.68).

B. Staphorst.De Staphorster-dracht onderscheidt zich van de andere drachten door haar bijzondere compleetheid, zoowel voor mannen, vrouwen als kinderen. Ze sluit echter, wat haar vormen aangaat, geheel bij de drachten aan die men aan de kust van de Zuiderzee vindt, vanaf Staphorst tot aan Huizen in Noord-Holland. Vooral vanaf Harderwijk tot aan Staphorst onderscheiden zich de drachten (van de vrouw) door kleine hoofd-tooi, plat-makende borst (en torso) bekleeding en zeer breed en plat makende heup-bedekking.De kleuren zijn over ’t algemeen zeer sterk, veel rood, bij de Staphorster-vrouwen ook veel blauw. Zelfs zijn de overmutsen (in Nunspeet en Oldenbroek) bont, d. w. z. van stof met kleurige ornamenten versierd.Het oorijzer, dat in deze heele streek eenzelfde eigenaardige haak-vormige zilveren beugel is, wordt echter van Huizen naar Staphorst, oostwaarts gaande, zoo gedragen, dat de knop (krul in den vorm van een kurketrekker) bij de vrouwen van Harderwijk, Hierden, Nunspeet, Hulshorst,Elburg en Oldenbroek aan de slapen komt, steeds meer zakt, totdat ze bij de Staphorster-vrouwen geheel tot de kaak reikt. (Zie Urk.)Ook is bij de Staphorster-vrouwen het oorijzer breeder dan bij die in Gelderland, en het ondersteunt niet meer de haarvlecht achter tegen het hoofd, maar ligt boven op de kruin, in schuine richting. Ook zijn er andere afwijkingen in de Staphorster dracht, zoodat de geheele vorm van de hoofdbedekking anders wordt.Het Staphorster-vrouwen costume kan aldus worden beschreven: (zie bl.72en73.)Over het bloote lijf komt het katoenen hemd, zonder kraag, daarover de borstrok van “vijfschaft”, met mouwen tot aan de ellebogen.Dit vijfschaft of “viefschaft” is een wollen stof, gemaakt van het wol van de schapen, die de Staphorsters zelf teelen. Die wol wordt de door Staphorster vrouwen zelf gesponnen en in bepaalde kleuren, door werklieden in de buurt van Staphorst gekleurd, en volgens bepaalde patronen door een paar hand-wevers tot de stof geweven, waarvan de kleedij der Staphorster-vrouwen voor een groot deel gemaakt wordt. Het is in strepen geweven, zwart en donkerblauw, met rood hier en daar, in bepaalde dessins die ieder hun beteekenis hebben (wit-streept, rood-streept,enz.).Over die borstrok komt het lijfje, of de “kraplap” zooals die bij de andere drachten voorkomt. Deze kraplap is van wol of gebloemde zijde of katoen. Daarover de verschillende rokken (geen onderbroek), een paar van baai en de bovenste van vijfschaft.Dan de omslagdoek van geruite (meest roode) katoen of zijde, een schort (schulk) van donkerblauw wol, dat somtijds eveneens als het vijfschaft zelf gesponnen en geweven is.De banden van dit schort zijn altijd hel-blauw, de strik hangt met lange einden van voren neer.Nog verdient vermelding dat de rokken opgehouden worden, en breed gemaakt, door kussentjes die aan de borst-rok bevestigd zijn, maar welke verdikkingen alleen aan de zijkanten, dus niet van achter, worden aangebracht. Daardoor heeft het figuur van de Staphorster-vrouw nog on-gracelijker voorkomen.De doek wordt wel niet zoo stijf over de borst gesnoerd als in Kampen en in Nunspeet gewoonte is, maar het figuur wordt stelselmatig plat en breed gemaakt door die kussentjes. Ook door den eigenaardigen vorm van de muts wordt het bijzondere van de dracht nog verhoogd.De heele hoofdtooi wordt gevormd door: een bandje dat het haar vastbindt, waarover de zwarte onder-muts met “toet”. Dietoetvan stijf papier geeft een soort hoorn—boven het voorhoofd. Daarover komt de muts van gebloemde zijde met zijden boordbandendie onder de kin in wijd uitstaande, stijve, lange dunne strikken worden saamgebonden. Daarover gaat het oorijzer, vastgehouden door een zwarte band.Daarover de wittetoet-mutsvan kant, die maar zeer zelden gewasschen wordt, omdat ze anders te spoedig versleten zou zijn. Ook deze muts wordt onder de kin bevestigd met een bandje. Door de zeer nauwe aansluiting van de hoofdtooi, en het wijde van de schouders (doorde doek) het saamgenepene van de borstkas, de wijde plooien aan de heupen, de zeer korte rokken, en daaronder uit de beenen (ongeveer 15 c.M. te zien) en de (nogal) logge sloffen, met zeer breede neuzen en groote zilveren gespen, dat alles in donkerblauwe en hel-roode kleuren, met de sterkblauwe lange linten van het schort, geeft die Staphorster dracht een ietwat boersch uiterlijk, wat toch ook wel zijn zeer bijzondere eigenheid heeft. In dat boersche, ongracelijke, komt het overeen met de Marker, Bunschoter en Noord-Veluwsche drachten, die alle zeer kleur-rijk zijn maar de natuurlijke vormen van het lichaam geweld aandoen. (Zie bl.72).’s Winters wordt over die dracht een “buisje” met lange mouwen gedragen, zonder schootje.’s Zondags echter heeft dit kleedingstuk een schootje en is met bont (blauw en wit geruit) gevoerd, zoogenaamd Friesch bont, dat men echter in Friesland Oost-Indisch bont noemt.Dit langere buisje heetkaschijn, wat overeen komt met het Hindelooper “kassekijntje”, een kleedingstuk van hetzelfde soort.De kinderen hebben hetzelfde costume, maar vereenvoudigd. De stoffen zijn niet van molton, baai of laken maar meest van Friesch bont. De doek is echter steeds rood, zooals bij de volwassen menschen.Het groote verschil ligt echter in de hoofdtooi. Kinderen beneden de zes jaar dragen nog geen oorijzer, maar een zwart kapje van voren met een dikken rand astrakan. Dit kapje heet denette, het is, behalve de astrakan-strook, van zwarte stof met garneeringen. Links van het hoofd komt een strik (rozet) van zwart zijden lint, rechts een “haak”, een soort gesp van zilver. (Zie ditzelfde kleedingstuk van de kinderen op de Veluwe waar hetpoetsofpoeteheet en dehaaksoms van goud is, het astrakan van “veertjes”).Bovendien neemt de Staphorster-vrouw, ’s zondags, naar de kerk, een mooi met zilver beslagen bijbel mee, met kettingen, enz.De mannen-dracht is zeer eenvoudig, ofschoon meer origineel dan de boeren-dracht in andere streken. Het bleef meer een echt nationaal costume, vooral door de korte jekker, genaamdkamizool, met twee rijen knoopen.Opmerkelijk is ook dat het hemd steeds van boven aan den hals zichtbaar blijft, met de tweeberoemde Staphorster (bolle) gouden knoopen. Kleine jongens dragen dezelfde dracht als hun volwassen dorps-genooten.Ten slotte zij nog opgemerkt dat de Staphorster-vrouw buitengewoon netjes op hare nationale kleedij is, dat deze steeds, als ze niet gedragen wordt, in altijd dezelfde en zeer mooie plooien wordt opgeborgen, aan welke plooien steeds bijzondere zorg besteed wordt.Vergelijk in deze de netheid en nauwkeurigheid waarmede alle nationale drachten, op Marken, in Zeeland en Hindeloopen behandeld worden.Overal worden die drachten in mooie, daarvoor speciale gemaakte doozen opgeborgen. En ... zoolang de Staphorster-vrouwen nog zóó zuinig op hun bijzondere dracht zijn, zoolang zullen ze deze nog in eere houden.Verder blijft in de provincie Overijsel de strook, langs de IJssel en Twenthe.In Kampen zoowel als in Zwolle is de complete nationale dracht verdwenen, maar door de vrouwen uit de volks-klassen wordt nog vrij veel deneepjes-mutsen deplooi-mutsde “drie-plooitjes” gedragen.De rest van de costumeering bestaat dan meestal uit hetjak, een tot aan de knieën wijd-afhangend kleedingstuk met mouwen, op dezelfde wijze zooals dat door de vrouwen van Breskens(Zeeuwsch-Vlaanderen, Texel, enz.—zie aldaar) gedragen wordt. Daarbij behoort dan de zeer wijd geplooide rok, en het wijde boezelaar, een en ander van zwart thibet, de boezelaar ook wel van grijze, bruine of groene zijde. (Zie bl.70.)Om den hals draagt men daarbij een gestrikt zeer bonten (zijden) dasje, genaamd “het knuppeldoekje”. (Zie bl.69.)Daarbij komt dan deneepjes-muts, met de gouden bellen die in de fijne plooitjes van de muts gehaakt zijn, ennietin de ooren hangen.Deze muts wordt over het zwart (satinet) ondermutsje gedragen, en heeft van achter een ongeveer 20 cm. lange afhangende reeks stijve plooien, genaamdde strook. De muts wordt met een bandje onder de kin vastgehouden.Om den hals roode bloedkoralen, vijf streng, met gouden slot van voren. In den rouw zijn de koralen van git.Uit deze onderdeelen bestaat het mooie of zondagsche costume. De algemeene indruk is die van “ouderwetschheid”, zonder die van een werkelijke nationale kleedij te geven. Het is dan ook eigenlijk niet anders dan een mode-dracht die, denkelijk omstreeks 1860, de werkelijke oude en nationale dracht vervangen heeft.Dit geldt niet alléén voor Overijsel of voor de hier besproken dracht, maar voor heel Nederland. De tweede veranderings-periode zoudan misschien omstreeks 1890 te stellen kunnen zijn, toen die mode van het jak vervangen werd door deimitatievan de stads-modes uit dien tijd.Zoo althans lijkt het, naar wat de dracht van de plattelandsbevolking in West-Friesland, Drenthe, Overijsel, de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche eilanden en andere streken te zien geeft.Daarbij echter is—bij veel vrouwen—de nationale kap of muts (soms met het oorijzer) bewaard gebleven. De totale afschaffing van die muts is dan de laatste phase van het verdwijnen van de allerlaatste overblijfselen van de nationale dracht.Om na deze kleine historische bespiegeling, die ik gaarne voor beter geef, tot Overijsel terug te komen, zij opgemerkt dat deze neepjes-muts ook in de andere deelen van de provincie gedragen wordt, alsook in een deel van den achterhoek van Gelderland. (Zie bl.71.)Opmerkelijk voor Zwolle, Kampen en die streek, is de plooi-muts die de daagsche dracht uitmaakt. (Zie bl.69.) Daarbij wordt dan werkelijk de nationale dracht van krop-lap en doek gedragen, welke laatste, niet zooals in Zeeland, op Urk en op andere plaatsen van ons land in de taille wordt vastgehecht, maar in de armsgaten, onder de oksels wordt gestoken, waardoor die doek een kruis hoog over de borst vormt. (Zie bl.74en76.)Deze wijze van den doek te dragen is aan alle drachten gemeen van Staphorst tot en met Harderwijk. Ze is, ofschoon misschien practisch, zeer weinig aesthetisch, want ze maakt het effect of de borstkas van boven—daar waar ze uit de natuur bij een vrouw juist bewelfd behoort te zijn—met alle geweld in elkaar geknepen wordt. Fraai is het niet, maar het is zeer “kenmerkend”. (Zie bl.74,75en76.)Die plooi-muts nu is van zeer bijzonderen vorm, van achter met een niet naar onder, maar stijf naar achter staande strook van zware plooien. Een zeer merkwaardig soort muts, eenig in haar soort, ofschoon bij Nijkerk (Gelderland, zie aldaar) een dergelijk soort muts, onder den naam vandrie-strookofdrie-plooigedragen wordt. (Zie bl.69).Ook draagt de vrouw uit Kampen het oorijzer, maar dan op de wijze van de Staphorster vrouwen, d. w. z. de krul (kurketrekker) niet naast de slapen, maar onder aan de wang (kin).Deze mutsen, plooi-muts zoowel als neepjes-muts, zijn van kant of (in den rouw) van fijn neteldoek. Ze worden door de draagsters zelf “opgedaan” ( = gestreken).

De Staphorster-dracht onderscheidt zich van de andere drachten door haar bijzondere compleetheid, zoowel voor mannen, vrouwen als kinderen. Ze sluit echter, wat haar vormen aangaat, geheel bij de drachten aan die men aan de kust van de Zuiderzee vindt, vanaf Staphorst tot aan Huizen in Noord-Holland. Vooral vanaf Harderwijk tot aan Staphorst onderscheiden zich de drachten (van de vrouw) door kleine hoofd-tooi, plat-makende borst (en torso) bekleeding en zeer breed en plat makende heup-bedekking.

De kleuren zijn over ’t algemeen zeer sterk, veel rood, bij de Staphorster-vrouwen ook veel blauw. Zelfs zijn de overmutsen (in Nunspeet en Oldenbroek) bont, d. w. z. van stof met kleurige ornamenten versierd.

Het oorijzer, dat in deze heele streek eenzelfde eigenaardige haak-vormige zilveren beugel is, wordt echter van Huizen naar Staphorst, oostwaarts gaande, zoo gedragen, dat de knop (krul in den vorm van een kurketrekker) bij de vrouwen van Harderwijk, Hierden, Nunspeet, Hulshorst,Elburg en Oldenbroek aan de slapen komt, steeds meer zakt, totdat ze bij de Staphorster-vrouwen geheel tot de kaak reikt. (Zie Urk.)

Ook is bij de Staphorster-vrouwen het oorijzer breeder dan bij die in Gelderland, en het ondersteunt niet meer de haarvlecht achter tegen het hoofd, maar ligt boven op de kruin, in schuine richting. Ook zijn er andere afwijkingen in de Staphorster dracht, zoodat de geheele vorm van de hoofdbedekking anders wordt.

Het Staphorster-vrouwen costume kan aldus worden beschreven: (zie bl.72en73.)

Over het bloote lijf komt het katoenen hemd, zonder kraag, daarover de borstrok van “vijfschaft”, met mouwen tot aan de ellebogen.

Dit vijfschaft of “viefschaft” is een wollen stof, gemaakt van het wol van de schapen, die de Staphorsters zelf teelen. Die wol wordt de door Staphorster vrouwen zelf gesponnen en in bepaalde kleuren, door werklieden in de buurt van Staphorst gekleurd, en volgens bepaalde patronen door een paar hand-wevers tot de stof geweven, waarvan de kleedij der Staphorster-vrouwen voor een groot deel gemaakt wordt. Het is in strepen geweven, zwart en donkerblauw, met rood hier en daar, in bepaalde dessins die ieder hun beteekenis hebben (wit-streept, rood-streept,enz.).

Over die borstrok komt het lijfje, of de “kraplap” zooals die bij de andere drachten voorkomt. Deze kraplap is van wol of gebloemde zijde of katoen. Daarover de verschillende rokken (geen onderbroek), een paar van baai en de bovenste van vijfschaft.

Dan de omslagdoek van geruite (meest roode) katoen of zijde, een schort (schulk) van donkerblauw wol, dat somtijds eveneens als het vijfschaft zelf gesponnen en geweven is.

De banden van dit schort zijn altijd hel-blauw, de strik hangt met lange einden van voren neer.

Nog verdient vermelding dat de rokken opgehouden worden, en breed gemaakt, door kussentjes die aan de borst-rok bevestigd zijn, maar welke verdikkingen alleen aan de zijkanten, dus niet van achter, worden aangebracht. Daardoor heeft het figuur van de Staphorster-vrouw nog on-gracelijker voorkomen.

De doek wordt wel niet zoo stijf over de borst gesnoerd als in Kampen en in Nunspeet gewoonte is, maar het figuur wordt stelselmatig plat en breed gemaakt door die kussentjes. Ook door den eigenaardigen vorm van de muts wordt het bijzondere van de dracht nog verhoogd.

De heele hoofdtooi wordt gevormd door: een bandje dat het haar vastbindt, waarover de zwarte onder-muts met “toet”. Dietoetvan stijf papier geeft een soort hoorn—boven het voorhoofd. Daarover komt de muts van gebloemde zijde met zijden boordbandendie onder de kin in wijd uitstaande, stijve, lange dunne strikken worden saamgebonden. Daarover gaat het oorijzer, vastgehouden door een zwarte band.

Daarover de wittetoet-mutsvan kant, die maar zeer zelden gewasschen wordt, omdat ze anders te spoedig versleten zou zijn. Ook deze muts wordt onder de kin bevestigd met een bandje. Door de zeer nauwe aansluiting van de hoofdtooi, en het wijde van de schouders (doorde doek) het saamgenepene van de borstkas, de wijde plooien aan de heupen, de zeer korte rokken, en daaronder uit de beenen (ongeveer 15 c.M. te zien) en de (nogal) logge sloffen, met zeer breede neuzen en groote zilveren gespen, dat alles in donkerblauwe en hel-roode kleuren, met de sterkblauwe lange linten van het schort, geeft die Staphorster dracht een ietwat boersch uiterlijk, wat toch ook wel zijn zeer bijzondere eigenheid heeft. In dat boersche, ongracelijke, komt het overeen met de Marker, Bunschoter en Noord-Veluwsche drachten, die alle zeer kleur-rijk zijn maar de natuurlijke vormen van het lichaam geweld aandoen. (Zie bl.72).

’s Winters wordt over die dracht een “buisje” met lange mouwen gedragen, zonder schootje.

’s Zondags echter heeft dit kleedingstuk een schootje en is met bont (blauw en wit geruit) gevoerd, zoogenaamd Friesch bont, dat men echter in Friesland Oost-Indisch bont noemt.

Dit langere buisje heetkaschijn, wat overeen komt met het Hindelooper “kassekijntje”, een kleedingstuk van hetzelfde soort.

De kinderen hebben hetzelfde costume, maar vereenvoudigd. De stoffen zijn niet van molton, baai of laken maar meest van Friesch bont. De doek is echter steeds rood, zooals bij de volwassen menschen.

Het groote verschil ligt echter in de hoofdtooi. Kinderen beneden de zes jaar dragen nog geen oorijzer, maar een zwart kapje van voren met een dikken rand astrakan. Dit kapje heet denette, het is, behalve de astrakan-strook, van zwarte stof met garneeringen. Links van het hoofd komt een strik (rozet) van zwart zijden lint, rechts een “haak”, een soort gesp van zilver. (Zie ditzelfde kleedingstuk van de kinderen op de Veluwe waar hetpoetsofpoeteheet en dehaaksoms van goud is, het astrakan van “veertjes”).

Bovendien neemt de Staphorster-vrouw, ’s zondags, naar de kerk, een mooi met zilver beslagen bijbel mee, met kettingen, enz.

De mannen-dracht is zeer eenvoudig, ofschoon meer origineel dan de boeren-dracht in andere streken. Het bleef meer een echt nationaal costume, vooral door de korte jekker, genaamdkamizool, met twee rijen knoopen.

Opmerkelijk is ook dat het hemd steeds van boven aan den hals zichtbaar blijft, met de tweeberoemde Staphorster (bolle) gouden knoopen. Kleine jongens dragen dezelfde dracht als hun volwassen dorps-genooten.

Ten slotte zij nog opgemerkt dat de Staphorster-vrouw buitengewoon netjes op hare nationale kleedij is, dat deze steeds, als ze niet gedragen wordt, in altijd dezelfde en zeer mooie plooien wordt opgeborgen, aan welke plooien steeds bijzondere zorg besteed wordt.

Vergelijk in deze de netheid en nauwkeurigheid waarmede alle nationale drachten, op Marken, in Zeeland en Hindeloopen behandeld worden.

Overal worden die drachten in mooie, daarvoor speciale gemaakte doozen opgeborgen. En ... zoolang de Staphorster-vrouwen nog zóó zuinig op hun bijzondere dracht zijn, zoolang zullen ze deze nog in eere houden.

Verder blijft in de provincie Overijsel de strook, langs de IJssel en Twenthe.

In Kampen zoowel als in Zwolle is de complete nationale dracht verdwenen, maar door de vrouwen uit de volks-klassen wordt nog vrij veel deneepjes-mutsen deplooi-mutsde “drie-plooitjes” gedragen.

De rest van de costumeering bestaat dan meestal uit hetjak, een tot aan de knieën wijd-afhangend kleedingstuk met mouwen, op dezelfde wijze zooals dat door de vrouwen van Breskens(Zeeuwsch-Vlaanderen, Texel, enz.—zie aldaar) gedragen wordt. Daarbij behoort dan de zeer wijd geplooide rok, en het wijde boezelaar, een en ander van zwart thibet, de boezelaar ook wel van grijze, bruine of groene zijde. (Zie bl.70.)

Om den hals draagt men daarbij een gestrikt zeer bonten (zijden) dasje, genaamd “het knuppeldoekje”. (Zie bl.69.)

Daarbij komt dan deneepjes-muts, met de gouden bellen die in de fijne plooitjes van de muts gehaakt zijn, ennietin de ooren hangen.

Deze muts wordt over het zwart (satinet) ondermutsje gedragen, en heeft van achter een ongeveer 20 cm. lange afhangende reeks stijve plooien, genaamdde strook. De muts wordt met een bandje onder de kin vastgehouden.

Om den hals roode bloedkoralen, vijf streng, met gouden slot van voren. In den rouw zijn de koralen van git.

Uit deze onderdeelen bestaat het mooie of zondagsche costume. De algemeene indruk is die van “ouderwetschheid”, zonder die van een werkelijke nationale kleedij te geven. Het is dan ook eigenlijk niet anders dan een mode-dracht die, denkelijk omstreeks 1860, de werkelijke oude en nationale dracht vervangen heeft.

Dit geldt niet alléén voor Overijsel of voor de hier besproken dracht, maar voor heel Nederland. De tweede veranderings-periode zoudan misschien omstreeks 1890 te stellen kunnen zijn, toen die mode van het jak vervangen werd door deimitatievan de stads-modes uit dien tijd.

Zoo althans lijkt het, naar wat de dracht van de plattelandsbevolking in West-Friesland, Drenthe, Overijsel, de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche eilanden en andere streken te zien geeft.

Daarbij echter is—bij veel vrouwen—de nationale kap of muts (soms met het oorijzer) bewaard gebleven. De totale afschaffing van die muts is dan de laatste phase van het verdwijnen van de allerlaatste overblijfselen van de nationale dracht.

Om na deze kleine historische bespiegeling, die ik gaarne voor beter geef, tot Overijsel terug te komen, zij opgemerkt dat deze neepjes-muts ook in de andere deelen van de provincie gedragen wordt, alsook in een deel van den achterhoek van Gelderland. (Zie bl.71.)

Opmerkelijk voor Zwolle, Kampen en die streek, is de plooi-muts die de daagsche dracht uitmaakt. (Zie bl.69.) Daarbij wordt dan werkelijk de nationale dracht van krop-lap en doek gedragen, welke laatste, niet zooals in Zeeland, op Urk en op andere plaatsen van ons land in de taille wordt vastgehecht, maar in de armsgaten, onder de oksels wordt gestoken, waardoor die doek een kruis hoog over de borst vormt. (Zie bl.74en76.)

Deze wijze van den doek te dragen is aan alle drachten gemeen van Staphorst tot en met Harderwijk. Ze is, ofschoon misschien practisch, zeer weinig aesthetisch, want ze maakt het effect of de borstkas van boven—daar waar ze uit de natuur bij een vrouw juist bewelfd behoort te zijn—met alle geweld in elkaar geknepen wordt. Fraai is het niet, maar het is zeer “kenmerkend”. (Zie bl.74,75en76.)

Die plooi-muts nu is van zeer bijzonderen vorm, van achter met een niet naar onder, maar stijf naar achter staande strook van zware plooien. Een zeer merkwaardig soort muts, eenig in haar soort, ofschoon bij Nijkerk (Gelderland, zie aldaar) een dergelijk soort muts, onder den naam vandrie-strookofdrie-plooigedragen wordt. (Zie bl.69).

Ook draagt de vrouw uit Kampen het oorijzer, maar dan op de wijze van de Staphorster vrouwen, d. w. z. de krul (kurketrekker) niet naast de slapen, maar onder aan de wang (kin).

Deze mutsen, plooi-muts zoowel als neepjes-muts, zijn van kant of (in den rouw) van fijn neteldoek. Ze worden door de draagsters zelf “opgedaan” ( = gestreken).

Gelderland.In de provincie Gelderland, die het geographische midden van ons land uitmaakt, worden de nationalekleederdrachten nog in vele streken in groote eere gehouden.Men kan deze provincie in drie deelen splitsen: A. De Veluwe. B. De Achterhoek. C. Het land tusschen Rijn en Maas.A. De Veluwe.Tot de Veluwe moet, althans voorzoover de nationale kleedij betreft, niet alléén het geographische gebied van dien naam gerekend worden, maar de heele kuststrook langs de Zuiderzee vanaf Staphorst in Overijsel tot en met Huizen in het Gooi in Noord-Holland.Al de drachten in die streek zijn van hetzelfde type, slechts weinig van elkaar afwijkend, en voorzoover de variaties betreft in elkaar overgaande.Zoo lijkt bijvoorbeeld de dracht in Oldenbroek soms op die van Staphorst, terwijl ze zich echter ook bij die van Nunspeet aansluit. Het oorijzer wordt echter (in Oldenbroek) soms anders gedragen, meer op de wijze zooals op Staphorst, dat is, met de krul beneden aan den wang.Het opmerkelijke van de Veluwsche drachten is echter dat de doek niet in de taille bijeen wordt gespeld, zooals dat bij de meeste Hollandsche drachten het geval is, maar onder de oksels tusschen de kroplap wordt gestoken. (Zie bl.74,75,76).Dat geeft aan de figuren die on-aesthetische platheid en houterigheid die een hoofdkenmerkisvan dit minder fraaie ras, waaraan dan de klederdracht nog de laatste rest van natuurlijkheid ontneemt. Een goed en normaal gebouwd ras zou uit zichzelf reeds zoôn kleedij, die de natuur zoo ontstelt, verwerpen. De bewijzen daarvoor vindt men op Walcheren, Urk en Volendam.De muts in Nunspeet en Oldenbroek is van een anderen vorm dan die van Staphorst, zonder de spitse punt boven het voorhoofd, over ’t algemeen meer naar achter dan naar boven zich vormend, met een witte onderkap, aan de slapen uitgeschulpt, het heele hoofd omvattend, en geboord met een fijn plooi-randje. Daarover komt de bonte muts, in sterke kleuren, een soort kalotje dat een deel van de witte muts laat zien. Daarover het oorijzer, met een bandje vastgehouden en met de krul aan de slapen. Van het haar komt niets te zien, ook zelfs niet boven het voorhoofd.De indruk van deze Nunspeterbonte-mutsis zeer fraai. Jammer dat ze het hoofd zoo klein en nietig maakt boven den plat-genepen romp en de wijd-uitstaande rokken. (Zie bl.74en75.)Het mannen-costume in deze streek is zoo goed als geheel “modern”. Het mist alle eigene cachet, zooals de Staphorster mannen-dracht die nog heeft.Tot voor zekeren tijd droegen de vrouwen van Hierden nog groote strooien hoeden (in den zomer) met eigenaardige linten en boor-garneersels (zooals op bl.73te zien is). Ook ziet men bij begrafenisplechtighedennog merkwaardige drachten, de mannen in lange jas en hoogen hoed, zooals dat ook in Staphorst nog het geval is. (Zie bl.73.)Al die groote strooien hoeden die de vrouwen zoowel in Friesland als in Hierden, Staphorst en op Walcheren tot voor een generatie terug nog boven hun mutsen en oorijzers droegen zijn “uit de mode” gegaan. Zoo verandert ... en verdwijnt gaandeweg de Nationale Kleedij.In Ermelo en Putten is de dracht weer anders. Men draagt er bijna geen oorijzer meer. Ook geen bonte-muts over de witte ondermuts, de krop-lap is soms wit, de doek effen (niet bont) de boezelaar zonder “stuk”. Meer westelijk van Putten is van die hierboven omschreven (Geldersch-Friesche) dracht niets meer te zien en ging ze over in een ander type, dat van het Utrechtsche en van het Gooi. Bunschoten en Spakenburg vormen weer een klasse op zich zelf.In Nijkerk, het oude en merkwaardige stadje, ziet men niets dan mutsen, de beroemdecornet-muts, met de lange achterstrook en de vele kleine plooitjes die het hoofd omgeven. Dit is de Zondagsche muts, die soms nog “verfraaid” wordt door een breed (licht blauw) zijden overlint, dat om den bol en van achter om het achterhoofd gaat, en dat onder de kin wordt vastgestrikt.De rest van de kleeding is “ouderwetsch” en stadsch.Bovendien wordt in Nijkerk nog een daagsche plooi-muts gedragen, van voren met drie strookjes over elkaar, van achter met een zonderling geplooide strook.Deze muts draagt den naam van “drie strookjes”. Soms draagt men onder deze muts een zwarte ondermuts, maar meestal zet men ze, direct, op het bijeen gebonden haar.B. De Achterhoek.In den Achterhoek, in het Graafschap Zutphen en in de Lijmers (het land rond Zevenaar), is niet veel van een nationale kleederdracht overgebleven. Wat er nog van te zien is, bestaat uit de neepjes-muts die de vrouwen dragen, van denzelfden vorm als in Overijsel (zie bl.70en71) (Zwolle) welk ouderwetsch kleedingstuk zoogenaamd gemoderniseerd wordt door het kapothoedje, (dat in Friesland “de kiep” heet), het smakelooze onding van strikken, bloemen en gitten (alles in het zwart) dat over die muts gedragen wordt.De kleeding der mannen heeft niets opmerkelijks meer.C. De Betuwe, en het land tusschen Maas en Waal.In de Betuwe zelf is de nationale dracht eveneens zoo goed als verdwenen, althans in het land van Tiel en in de Neder-Betuwe is er niets van over.Inhet land van Maas en Waalechter, in de Bommeler-Waard en in het land van Nijmegen sluit zich het weinige wat er nog van de nationale dracht over is aan bij de eigenaardige hoofd-tooi die in Noord-Brabant, en speciaal in de Meijerei van den Bosch, nog veel voorkomt. (Zie bl.78en80).De mannen-dracht in die streken heeft niets wat deze van de gewone boersche stads-kleeding onderscheidt, maar de vrouwen dragen de groote, breede, witte mutsen met breede lange linten, en een soort verstedelijkt niet-oud, niet-moderne costume, waarbij men vele malen een soort pelerine of cape-vorm ziet toegepast, die in het Noordelijker deel van Nederland onbekend is, maar in het land van Maas en Waal, in het land van ’s Hertogenbosch, en vooral Zuidelijker (in België) een merkwaardig cachet aan de bevolking geeft.Deze capes of pelerines worden alleen door de vrouwen gedragen. Ze doen denken aan een ouderwetschen mode-vorm en zijn van zwarte stof gemaakt en gegarneerd met plooien en belegsels. Ze zijn half lang, maar somtijds ook tot den grond rijkend, met een capuchon over het hoofd. Van dit laatste type ziet men somtijds nog oudere vormen in ’s Hertogenbosch.De witte muts nu, die men in het land tusschen de Maas en de Waal draagt heetknipmuts. Ze bestaat uit tule-kant, aan de voorzijde geplooid met behulp van fijn koperdraad, hetwelkmet een blauwe stof omwonden is. Dit is het “Karekas”.Bij zware rouw bestaat de muts geheel uit neteldoek, bij lichten rouw uit tule.De meer gegoeden dragen over deze knipmuts een krans van gemaakte bloemen, aan de uiteinden voorzien van breede zijden linten. Deze bloemen en linten te samen heeten “de poffer”, en ze geven het uiterlijk van de draagster een zeer bijzonder cachet omdat de heele hoofdtooi daardoor zeer breed wordt. (Zie bl.78).Bij de rijke boeren wordt de zoogenaamde “bodem” van de knipmuts in plaats van met bloemen gewerkte tule, uit echte kant gemaakt. Dat zijn dan de “baan-mutsen”.Deze mutsen die geheel wit zijn, zijn, door hun grootte en bewerkelijkheid, soms zeer kostbaar.Onder de knipmuts wordt een ondermuts van zwart merinos gedragen, gevoerd en opgevuld met watten. Ook dat draagt er toe bij deze hoofdtooi buitengewoon breed en zwaar te doen schijnen.De algemeene indruk heeft dan ook niet veel Hollandsch meer. Een kennelijk zuidelijker,—Belgische—smaak, heeft blijkbaar deze hoofdtooi ontworpen.... of: haar vervormd. Ze lijkt althans zeer veel op wat men in deze in Vlaanderen en het land van Brussel ziet.

In de provincie Gelderland, die het geographische midden van ons land uitmaakt, worden de nationalekleederdrachten nog in vele streken in groote eere gehouden.

Men kan deze provincie in drie deelen splitsen: A. De Veluwe. B. De Achterhoek. C. Het land tusschen Rijn en Maas.

A. De Veluwe.Tot de Veluwe moet, althans voorzoover de nationale kleedij betreft, niet alléén het geographische gebied van dien naam gerekend worden, maar de heele kuststrook langs de Zuiderzee vanaf Staphorst in Overijsel tot en met Huizen in het Gooi in Noord-Holland.Al de drachten in die streek zijn van hetzelfde type, slechts weinig van elkaar afwijkend, en voorzoover de variaties betreft in elkaar overgaande.Zoo lijkt bijvoorbeeld de dracht in Oldenbroek soms op die van Staphorst, terwijl ze zich echter ook bij die van Nunspeet aansluit. Het oorijzer wordt echter (in Oldenbroek) soms anders gedragen, meer op de wijze zooals op Staphorst, dat is, met de krul beneden aan den wang.Het opmerkelijke van de Veluwsche drachten is echter dat de doek niet in de taille bijeen wordt gespeld, zooals dat bij de meeste Hollandsche drachten het geval is, maar onder de oksels tusschen de kroplap wordt gestoken. (Zie bl.74,75,76).Dat geeft aan de figuren die on-aesthetische platheid en houterigheid die een hoofdkenmerkisvan dit minder fraaie ras, waaraan dan de klederdracht nog de laatste rest van natuurlijkheid ontneemt. Een goed en normaal gebouwd ras zou uit zichzelf reeds zoôn kleedij, die de natuur zoo ontstelt, verwerpen. De bewijzen daarvoor vindt men op Walcheren, Urk en Volendam.De muts in Nunspeet en Oldenbroek is van een anderen vorm dan die van Staphorst, zonder de spitse punt boven het voorhoofd, over ’t algemeen meer naar achter dan naar boven zich vormend, met een witte onderkap, aan de slapen uitgeschulpt, het heele hoofd omvattend, en geboord met een fijn plooi-randje. Daarover komt de bonte muts, in sterke kleuren, een soort kalotje dat een deel van de witte muts laat zien. Daarover het oorijzer, met een bandje vastgehouden en met de krul aan de slapen. Van het haar komt niets te zien, ook zelfs niet boven het voorhoofd.De indruk van deze Nunspeterbonte-mutsis zeer fraai. Jammer dat ze het hoofd zoo klein en nietig maakt boven den plat-genepen romp en de wijd-uitstaande rokken. (Zie bl.74en75.)Het mannen-costume in deze streek is zoo goed als geheel “modern”. Het mist alle eigene cachet, zooals de Staphorster mannen-dracht die nog heeft.Tot voor zekeren tijd droegen de vrouwen van Hierden nog groote strooien hoeden (in den zomer) met eigenaardige linten en boor-garneersels (zooals op bl.73te zien is). Ook ziet men bij begrafenisplechtighedennog merkwaardige drachten, de mannen in lange jas en hoogen hoed, zooals dat ook in Staphorst nog het geval is. (Zie bl.73.)Al die groote strooien hoeden die de vrouwen zoowel in Friesland als in Hierden, Staphorst en op Walcheren tot voor een generatie terug nog boven hun mutsen en oorijzers droegen zijn “uit de mode” gegaan. Zoo verandert ... en verdwijnt gaandeweg de Nationale Kleedij.In Ermelo en Putten is de dracht weer anders. Men draagt er bijna geen oorijzer meer. Ook geen bonte-muts over de witte ondermuts, de krop-lap is soms wit, de doek effen (niet bont) de boezelaar zonder “stuk”. Meer westelijk van Putten is van die hierboven omschreven (Geldersch-Friesche) dracht niets meer te zien en ging ze over in een ander type, dat van het Utrechtsche en van het Gooi. Bunschoten en Spakenburg vormen weer een klasse op zich zelf.In Nijkerk, het oude en merkwaardige stadje, ziet men niets dan mutsen, de beroemdecornet-muts, met de lange achterstrook en de vele kleine plooitjes die het hoofd omgeven. Dit is de Zondagsche muts, die soms nog “verfraaid” wordt door een breed (licht blauw) zijden overlint, dat om den bol en van achter om het achterhoofd gaat, en dat onder de kin wordt vastgestrikt.De rest van de kleeding is “ouderwetsch” en stadsch.Bovendien wordt in Nijkerk nog een daagsche plooi-muts gedragen, van voren met drie strookjes over elkaar, van achter met een zonderling geplooide strook.Deze muts draagt den naam van “drie strookjes”. Soms draagt men onder deze muts een zwarte ondermuts, maar meestal zet men ze, direct, op het bijeen gebonden haar.

Tot de Veluwe moet, althans voorzoover de nationale kleedij betreft, niet alléén het geographische gebied van dien naam gerekend worden, maar de heele kuststrook langs de Zuiderzee vanaf Staphorst in Overijsel tot en met Huizen in het Gooi in Noord-Holland.

Al de drachten in die streek zijn van hetzelfde type, slechts weinig van elkaar afwijkend, en voorzoover de variaties betreft in elkaar overgaande.

Zoo lijkt bijvoorbeeld de dracht in Oldenbroek soms op die van Staphorst, terwijl ze zich echter ook bij die van Nunspeet aansluit. Het oorijzer wordt echter (in Oldenbroek) soms anders gedragen, meer op de wijze zooals op Staphorst, dat is, met de krul beneden aan den wang.

Het opmerkelijke van de Veluwsche drachten is echter dat de doek niet in de taille bijeen wordt gespeld, zooals dat bij de meeste Hollandsche drachten het geval is, maar onder de oksels tusschen de kroplap wordt gestoken. (Zie bl.74,75,76).

Dat geeft aan de figuren die on-aesthetische platheid en houterigheid die een hoofdkenmerkisvan dit minder fraaie ras, waaraan dan de klederdracht nog de laatste rest van natuurlijkheid ontneemt. Een goed en normaal gebouwd ras zou uit zichzelf reeds zoôn kleedij, die de natuur zoo ontstelt, verwerpen. De bewijzen daarvoor vindt men op Walcheren, Urk en Volendam.

De muts in Nunspeet en Oldenbroek is van een anderen vorm dan die van Staphorst, zonder de spitse punt boven het voorhoofd, over ’t algemeen meer naar achter dan naar boven zich vormend, met een witte onderkap, aan de slapen uitgeschulpt, het heele hoofd omvattend, en geboord met een fijn plooi-randje. Daarover komt de bonte muts, in sterke kleuren, een soort kalotje dat een deel van de witte muts laat zien. Daarover het oorijzer, met een bandje vastgehouden en met de krul aan de slapen. Van het haar komt niets te zien, ook zelfs niet boven het voorhoofd.

De indruk van deze Nunspeterbonte-mutsis zeer fraai. Jammer dat ze het hoofd zoo klein en nietig maakt boven den plat-genepen romp en de wijd-uitstaande rokken. (Zie bl.74en75.)

Het mannen-costume in deze streek is zoo goed als geheel “modern”. Het mist alle eigene cachet, zooals de Staphorster mannen-dracht die nog heeft.

Tot voor zekeren tijd droegen de vrouwen van Hierden nog groote strooien hoeden (in den zomer) met eigenaardige linten en boor-garneersels (zooals op bl.73te zien is). Ook ziet men bij begrafenisplechtighedennog merkwaardige drachten, de mannen in lange jas en hoogen hoed, zooals dat ook in Staphorst nog het geval is. (Zie bl.73.)

Al die groote strooien hoeden die de vrouwen zoowel in Friesland als in Hierden, Staphorst en op Walcheren tot voor een generatie terug nog boven hun mutsen en oorijzers droegen zijn “uit de mode” gegaan. Zoo verandert ... en verdwijnt gaandeweg de Nationale Kleedij.

In Ermelo en Putten is de dracht weer anders. Men draagt er bijna geen oorijzer meer. Ook geen bonte-muts over de witte ondermuts, de krop-lap is soms wit, de doek effen (niet bont) de boezelaar zonder “stuk”. Meer westelijk van Putten is van die hierboven omschreven (Geldersch-Friesche) dracht niets meer te zien en ging ze over in een ander type, dat van het Utrechtsche en van het Gooi. Bunschoten en Spakenburg vormen weer een klasse op zich zelf.

In Nijkerk, het oude en merkwaardige stadje, ziet men niets dan mutsen, de beroemdecornet-muts, met de lange achterstrook en de vele kleine plooitjes die het hoofd omgeven. Dit is de Zondagsche muts, die soms nog “verfraaid” wordt door een breed (licht blauw) zijden overlint, dat om den bol en van achter om het achterhoofd gaat, en dat onder de kin wordt vastgestrikt.

De rest van de kleeding is “ouderwetsch” en stadsch.

Bovendien wordt in Nijkerk nog een daagsche plooi-muts gedragen, van voren met drie strookjes over elkaar, van achter met een zonderling geplooide strook.

Deze muts draagt den naam van “drie strookjes”. Soms draagt men onder deze muts een zwarte ondermuts, maar meestal zet men ze, direct, op het bijeen gebonden haar.

B. De Achterhoek.In den Achterhoek, in het Graafschap Zutphen en in de Lijmers (het land rond Zevenaar), is niet veel van een nationale kleederdracht overgebleven. Wat er nog van te zien is, bestaat uit de neepjes-muts die de vrouwen dragen, van denzelfden vorm als in Overijsel (zie bl.70en71) (Zwolle) welk ouderwetsch kleedingstuk zoogenaamd gemoderniseerd wordt door het kapothoedje, (dat in Friesland “de kiep” heet), het smakelooze onding van strikken, bloemen en gitten (alles in het zwart) dat over die muts gedragen wordt.De kleeding der mannen heeft niets opmerkelijks meer.

In den Achterhoek, in het Graafschap Zutphen en in de Lijmers (het land rond Zevenaar), is niet veel van een nationale kleederdracht overgebleven. Wat er nog van te zien is, bestaat uit de neepjes-muts die de vrouwen dragen, van denzelfden vorm als in Overijsel (zie bl.70en71) (Zwolle) welk ouderwetsch kleedingstuk zoogenaamd gemoderniseerd wordt door het kapothoedje, (dat in Friesland “de kiep” heet), het smakelooze onding van strikken, bloemen en gitten (alles in het zwart) dat over die muts gedragen wordt.

De kleeding der mannen heeft niets opmerkelijks meer.

C. De Betuwe, en het land tusschen Maas en Waal.In de Betuwe zelf is de nationale dracht eveneens zoo goed als verdwenen, althans in het land van Tiel en in de Neder-Betuwe is er niets van over.Inhet land van Maas en Waalechter, in de Bommeler-Waard en in het land van Nijmegen sluit zich het weinige wat er nog van de nationale dracht over is aan bij de eigenaardige hoofd-tooi die in Noord-Brabant, en speciaal in de Meijerei van den Bosch, nog veel voorkomt. (Zie bl.78en80).De mannen-dracht in die streken heeft niets wat deze van de gewone boersche stads-kleeding onderscheidt, maar de vrouwen dragen de groote, breede, witte mutsen met breede lange linten, en een soort verstedelijkt niet-oud, niet-moderne costume, waarbij men vele malen een soort pelerine of cape-vorm ziet toegepast, die in het Noordelijker deel van Nederland onbekend is, maar in het land van Maas en Waal, in het land van ’s Hertogenbosch, en vooral Zuidelijker (in België) een merkwaardig cachet aan de bevolking geeft.Deze capes of pelerines worden alleen door de vrouwen gedragen. Ze doen denken aan een ouderwetschen mode-vorm en zijn van zwarte stof gemaakt en gegarneerd met plooien en belegsels. Ze zijn half lang, maar somtijds ook tot den grond rijkend, met een capuchon over het hoofd. Van dit laatste type ziet men somtijds nog oudere vormen in ’s Hertogenbosch.De witte muts nu, die men in het land tusschen de Maas en de Waal draagt heetknipmuts. Ze bestaat uit tule-kant, aan de voorzijde geplooid met behulp van fijn koperdraad, hetwelkmet een blauwe stof omwonden is. Dit is het “Karekas”.Bij zware rouw bestaat de muts geheel uit neteldoek, bij lichten rouw uit tule.De meer gegoeden dragen over deze knipmuts een krans van gemaakte bloemen, aan de uiteinden voorzien van breede zijden linten. Deze bloemen en linten te samen heeten “de poffer”, en ze geven het uiterlijk van de draagster een zeer bijzonder cachet omdat de heele hoofdtooi daardoor zeer breed wordt. (Zie bl.78).Bij de rijke boeren wordt de zoogenaamde “bodem” van de knipmuts in plaats van met bloemen gewerkte tule, uit echte kant gemaakt. Dat zijn dan de “baan-mutsen”.Deze mutsen die geheel wit zijn, zijn, door hun grootte en bewerkelijkheid, soms zeer kostbaar.Onder de knipmuts wordt een ondermuts van zwart merinos gedragen, gevoerd en opgevuld met watten. Ook dat draagt er toe bij deze hoofdtooi buitengewoon breed en zwaar te doen schijnen.De algemeene indruk heeft dan ook niet veel Hollandsch meer. Een kennelijk zuidelijker,—Belgische—smaak, heeft blijkbaar deze hoofdtooi ontworpen.... of: haar vervormd. Ze lijkt althans zeer veel op wat men in deze in Vlaanderen en het land van Brussel ziet.

In de Betuwe zelf is de nationale dracht eveneens zoo goed als verdwenen, althans in het land van Tiel en in de Neder-Betuwe is er niets van over.

Inhet land van Maas en Waalechter, in de Bommeler-Waard en in het land van Nijmegen sluit zich het weinige wat er nog van de nationale dracht over is aan bij de eigenaardige hoofd-tooi die in Noord-Brabant, en speciaal in de Meijerei van den Bosch, nog veel voorkomt. (Zie bl.78en80).

De mannen-dracht in die streken heeft niets wat deze van de gewone boersche stads-kleeding onderscheidt, maar de vrouwen dragen de groote, breede, witte mutsen met breede lange linten, en een soort verstedelijkt niet-oud, niet-moderne costume, waarbij men vele malen een soort pelerine of cape-vorm ziet toegepast, die in het Noordelijker deel van Nederland onbekend is, maar in het land van Maas en Waal, in het land van ’s Hertogenbosch, en vooral Zuidelijker (in België) een merkwaardig cachet aan de bevolking geeft.

Deze capes of pelerines worden alleen door de vrouwen gedragen. Ze doen denken aan een ouderwetschen mode-vorm en zijn van zwarte stof gemaakt en gegarneerd met plooien en belegsels. Ze zijn half lang, maar somtijds ook tot den grond rijkend, met een capuchon over het hoofd. Van dit laatste type ziet men somtijds nog oudere vormen in ’s Hertogenbosch.

De witte muts nu, die men in het land tusschen de Maas en de Waal draagt heetknipmuts. Ze bestaat uit tule-kant, aan de voorzijde geplooid met behulp van fijn koperdraad, hetwelkmet een blauwe stof omwonden is. Dit is het “Karekas”.

Bij zware rouw bestaat de muts geheel uit neteldoek, bij lichten rouw uit tule.

De meer gegoeden dragen over deze knipmuts een krans van gemaakte bloemen, aan de uiteinden voorzien van breede zijden linten. Deze bloemen en linten te samen heeten “de poffer”, en ze geven het uiterlijk van de draagster een zeer bijzonder cachet omdat de heele hoofdtooi daardoor zeer breed wordt. (Zie bl.78).

Bij de rijke boeren wordt de zoogenaamde “bodem” van de knipmuts in plaats van met bloemen gewerkte tule, uit echte kant gemaakt. Dat zijn dan de “baan-mutsen”.

Deze mutsen die geheel wit zijn, zijn, door hun grootte en bewerkelijkheid, soms zeer kostbaar.

Onder de knipmuts wordt een ondermuts van zwart merinos gedragen, gevoerd en opgevuld met watten. Ook dat draagt er toe bij deze hoofdtooi buitengewoon breed en zwaar te doen schijnen.

De algemeene indruk heeft dan ook niet veel Hollandsch meer. Een kennelijk zuidelijker,—Belgische—smaak, heeft blijkbaar deze hoofdtooi ontworpen.... of: haar vervormd. Ze lijkt althans zeer veel op wat men in deze in Vlaanderen en het land van Brussel ziet.

Noord-Brabant.De groote provincie Noord-Brabant vormt, in het zuidelijk deel van ons land een soort geographisch, anthropologisch en cultuur-historisch overgangs- en grensgebied tusschen Noord en Zuid. Het is het terrein waar de Noordelijke (Germaansche) en de Zuidelijke (Romaansche en Gallische) idealen elkaar ontmoeten en in elkaar versmelten. En dat komt zeer duidelijk in de kleederdrachten uit die in deze streek gedragen worden.Wat er van die oude volks-eigen drachten nog over is, is niet veel meer dan de boeren-muts, zooals die door de plattelands-boerinnen gedragen wordt. Dat is juist zooals in zooveel andere streken van ons land, waar die mutsen de eenige resten van de oude drachten zijn.Maar behalve die mutsen is—in Noord-Brabant—de overigelijfskleeding, en dan vooral van de vrouwen, meer opmerkelijk dan in eenige andere Nederlandsche provincie, al moet die lijfs-kleeding, die thans (1916) onder die boeren-bevolking nog vrij algemeen is, dan niet geheel tot de eigenlijke historische nationale volksdracht gerekend worden, en al blijkt ze meer onder de vervormde mode-navolgingen te moeten worden gerangschikt. Maar ze is er niet minder bijzonder karakteristiek om.En dit zal voor een groot deel het gevolg zijn van het hierboven reeds genoemde feit, dat inNoord-Brabant de Noordelijke en Zuidelijke idealen in elkaar overgaan. En, datgetuigtdie kleeding on-weerlegbaar.Want geheel Hollandsch is die kleeding niet, noch in haar wezen, noch in vorm, noch in kleur, en ze is ook niet geheel on-Hollandsch (Belgisch, Vlaamsch, Waalsch of Fransch) maar ze houdt het midden tusschen deze twee, en ze vertoont de kennelijke invloed van het Noordelijke zoowel als van het Zuidelijke ideaal.Reeds bij de bespreking van de andere provinciën had ik de gelegenheid op te merken hoe groot (dikwijls) die invloed van de Godsdienst op het voortbestaan van een nationale kleeding is. De gehechtheid aan een een-maal algemeen beleden Godsdienst waarborgt, in een bepaalde streek, het voortbestaan van oude zeden en gewoonten, en daardoor het voortbestaan van de, uit die zeden voortkomende, volkskleeding.Ook is er wel geen streek in ons land waar de bevolking zóó conservatief is en zoo gehecht aan haar oude geloof en zeden, als in Noord-Brabant, welk conservatisme op zich zelf zoo lang stand kan houden omdat er een bijna absolute eenheid van godsdienst is. Om deze toestand te helpen bestendigen, moedigt (o.a.) de Roomsche geestelijkheid de boerenbevolking aan, hun oude kleeding getrouw te blijven, om zoodoende met de kleeding, de oude zeden, en daardoor de oude godsdienst te kunnen handhaven.En uit die wisselwerking tusschen geloof, zeden en kleeding—en uit die algemeene verspreidheid van die eene Godsdienst, moge hetverklaardworden dat die oude drachten, of liever die ouderwetsche drachten nog zoo veelvuldig in deze provincie voorkomen en voortbestaan.Maar een andere, zeer belangrijke factor, voor de verklaring van en het verkrijgen van een juister kennis en inzicht in die bijzondere—niet oude, maar ouderwetsche—drachten in deze bijzondere provincie, lijkt mij den invloed die het ras van menschen, dat Noord-Brabant bewoont, op haar eigen kleedij had. Hiervoren had ik al gelegenheid op de wisselwerking te wijzen die er—naar mijn oordeel—bestaat tusschen de drager en zijn costume, tusschen de lichaamsvorm van den mensch en zijn kleed.Nu behooren de bewoners van Noord-Brabant zeer zekerniettot de mooiste specimina van hetgenus homodat ons land bewoont. Het lijkt wel of de zware klei en de dorre, drooge zand- en heide-gronden die—geologisch—deze provincie vormen, de bevolking van die streken tot dat kleine, breede, schonkige, breedhoofdige ras heeft gemaakt met dat harde, verbetene en stugge uiterlijk dat den opmerker dadelijk opvalt.Omdat de lichaamsbouw van de Noord-Brabanders zoo leelijk is, moet het niet verwonderen dat die zelfde plompheid en traagheid die uit hunongracelijke verschijning spreekt, ook als het hoofdkenmerk van den vorm, de snit en de kleur van hun kleedij gelden moet. Want deze is grof van detail, niet oud maar ouderwetsch, zonder phantasie, zonder uiting van levenslust, maar kleinzielig van gedachte, zonder vreugde, benepen en boersch. Een dracht van oude mannetjes en oude vrouwtjes,.... maar met dat al, of liever juist daarom, zeer interessant voor den student in volkspsyche, zoo dan al minder aantrekkelijk voor den eclectischenaestheticus.Ieder volk, ieder ras, ieder mensch heeft de kleeding die hij verdient.... en die slechts een uiting is van het eigen innigste wezen, idealen en levensopvatting. Een mooie, aesthetisch werkende kleeding kan slechts door een mooi, naar geest en lichaambeideharmonisch ontwikkeld menschenras worden saamgesteld. Getuige de kleeding van de Grieken. En die kleedij kan slechtsgoedenwaar,—dus: aesthetisch werkend, door personen gedragen worden die niet alleen dezelfde idealen hebben als het volk (het ras) dat die kleedij samenstelde, maar die ook de lichaamsvormen hebben waarop deze kleedij is gecomponeerd.Dan eerst is er harmonie tusschen den drager en zijn costume, dan eerst kan er werkelijke schoonheid bereikt worden omdat ze op de werkelijkheid en de waarheid berust. Als een kleedij, die op een welgebouwd lichaam gecomponeerd is door eenmensch gedragen wordt wiens lichaamsbouw minder harmonisch is, dan wordt zelden een volkomen aesthetisch geheel verkregen. Soms zelfs is het belachelijk. Het is niet bij toeval dat de heerenmode in Engeland, het land van de welgebouwde mannen, wordt ontworpen. En het is niet zonder oorzaak dat de dames-modes uit Parijs komen, waar de schoongevormde Parisiennes de aesthetisch aangelegde mode-ontwerpers het best gelegenheid geven een vrouwen-kleedij te componeeren die het schoone van “de vrouw” doet uitkomen. Ziet maar hoe een slechtgebouwde man of een leelijke vrouw een goed Londensch of Parijsch toilet staat.... Het is al te kennelijk niet voor hen gemaakt, dus:... staat het leelijk!—Er zal altijd een wisselwerking, dus ook een contrasteering tusschen den mensch en zijn kleedij blijven. Een mooie dracht maakt een mooi mensch mooier.... maar een leelijk mensch leelijker. Het schoone doet slechts het schoone uitkomen, recht wedervaren.Ieder mensch kan slechts de kleedij die hemzelf, zijn eigen innerlijke en uiterlijke wezen toont, goed dragen. Al het andere is masquerade, onechtheid, leugen.Zoo is het ook met de nationale kleederdrachten. Zoo is het met de Zeeuwsche vrouwen-kleeding, die mooi is en aesthetisch werkt, omdat ze op een welgebouwd ras is gecomponeerd. Daarom werktde dracht van het eiland Marken wèl picturaal, artistiek, maar niet aesthetisch. Daarom is de werking van de drachten in Noord-Brabant zeer on-aesthetisch, maar ze wekt de belangstelling, de nieuwsgierigheid, door het ouderwetsche, boersche, ongewone. Die Brabantsche kleeding vraagt de aandacht, niet voor en om zich zelf, maar voor de zeden en gewoonten waar zij de uiting van zijn. En dat is het zeer bijzondere van de volkskleeding in deze provincie.Deze kleine uitwijding over de oorzaken, die den aard van de volkskleedij in Noord-Brabant bepalen, was, tot duidelijker omschrijving van die kleedij zelf—noodzakelijk. Meer dan bij de beschrijving van de volkskleedij in andere provinciën. Want de inventariseering van die volksdrachten in Noord-Brabant zou in hoofdzaak de beschrijving van de zeden en gewoonten van die streek moeten zijn. De kleedij zelf is, als kleedij, niet zoo heel belangrijk, noch om de snit, noch om de stof, vorm of kleur. In hoofdzaak is de muts van de boerinnen het voornaamste. Die heeft nog de van ouds-her overgeleverde vormen. Maar de andere lijfs-kleedij is meer curieus dan fraai. De mannenkleeding heeft niets bijzonders.Maar vooral de mutsen zijn zeer belangrijk, te meer daar er zooveel verschillende soorten mutsen gedragen worden. Bijna ieder dorp heeft haar eigenvorm, en de afwijkingen zijn soms zeer bijzonder. En die afwijkingen vinden meestal hun grond in plaatselijke zeden en gewoonten.Staatkundig bestaat deze provincie uit drie deelen. Ieder van deze heeft een eigen volks-kleederdracht. Het grootste en belangrijkste deel vormt het Oostelijk deel van de Provincie, de Meierij van ’s-Hertogenbosch. In het midden is de Baronie van Breda. In het Westen ligt het Markgraafschap van Bergen-op-Zoom. In ieder van deze gewesten zijn weer afzonderlijke streken aan te wijzen waar de dracht belangrijk van die van de andere streken afwijkt, maar het hoofd-type blijft, voor ieder van deze gewesten, binnen haar grenzen, hetzelfde.A. De Meierij van ’s-HertogenboschVooral ten Zuiden en ten Oosten van ’s-Hertogenbosch, en in het Land van Boxtel, Liempt, Rooy, Vechel, Osch, Rosmalen, Helvoirt en Best is de Meierij’sche dracht het meest zuiver.Ze bestaat uit een zeer groote, wijde muts met lange strook of vleugel die zoowel naar achter als naar de zijkanten (half over de schouder) breed uitplooit.Deze muts wordt over een zwarte ondermuts gedragen, over het haar dat afgeknipt of bijeengebonden is, al naar de persoonlijke smaak.De groote, eigenlijkeboven-muts, de eigenlijke Meierij’sche of oud Noord-Brabantsche muts heeft van voren, boven het voorhoofd, een aantal vertikale plooitjes, (kneepjes) een wijde bol over het hoofd (de kruin of bodem) en van achter de lange afhangende strook.Gewoonlijk is deze muts van (echte) kant gemaakt, waardoor ze, ook door haar grootte, zeer kostbaar wordt. In den rouw is ze vanrouwdoek, zoogenaamdorgandine.Daaroverheen gaat depoffer. Dat is de eigenlijke versiering van de muts, het hoogst eigenaardig samenstel van uit kant en witte stof, koralen en franjes gemaakte dikke rand van bloemen, die als een (arm-dikke) zware wrong over het voorhoofd (op de muts) wordt gelegd en met een bandje van achter om het hoofd wordt vastgehouden. Aan deze poffer zijn groote breede (witte) zijden linten bevestigd, die tot bijna in de taille naar achter afhangen, van franje zijn voorzien en deze geheele muts met de uitwaaiende strook van achter een zeer wijd en breed aanzien geven. Het hoofd van de draagster wordt er ongewoon breed en log door, te meer daar het verdere van de figuur in den regel gehuld is in een zoogenaamdekapmantel, een “pelerine” of “omhanger” van ouderwetschen snit, die het lijf tot aan de taille omsluit, soms zelfs tot deknieënof den grond afhangt. De groote muts met de pompeuze pofferis dan breeder dan de schouders, en het lijf lijkt smaller door de kapmantel. Deze poffers zijn dikwijls zeer verschillend van maaksel, niet alleen naar de verschillende streken van de Meierij, maar ook naar den rijkdom van de draagster, het min of meer bijzondere van de gelegenheid waarbij ze wordt gedragen, enz.Ze is niet altijd geheel wit. Soms zijn de bloemen met blauw doorwerkt, of de breede linten licht blauw. Het is begrijpelijk dat dit een zeer dure dracht is, te meer ook daar het opmaken van deze mutsen door speciale mutsen-maaksters gedaan moet worden.Niet altijd echter draagt de Noord-Brabantsche vrouw deze bijzondere muts. Ook wordt ze, in de Meierij slechts op het platte land gedragen. In de stad ’s-Hertogenbosch ziet men slechts de zoogenaamde Bosschedienstbodenmuts, die van zeer eenvoudige constructie is, van voren drie rijen plooitjes boven het voorhoofd heeft, en met een lange band en strik onder de kin vastgemaakt wordt. Die tot een dikke massa saam-gebrachte plooitjes boven het voorhoofd heet “de tuil”.Soms draagt de vrouw uit het volk in Den Bosch ook een zwarte muts, die echter een vervorming moet heeten van het beruchte, hier reeds meermalen genoemde capot-hoedje.Op het land, bij de boeren echter dragen de jonge meisjes tot hun tiende jaar een zwarte wollenmuts, met groote, dikke wrong boven het voorhoofd. Die muts heet “kaper.”Na hun tiende jaar, of tegen den tijd dat de kinderen ter eerste communie gaan (vroeger ongeveer op het twaalfde jaar) krijgen de meisjes zwarte boeren mutsen, een muts met een vorm, die aan de mutsen met poffer van de volwassen vrouwen doet denken. Het zijn breede, zware, zeer rijk en overdadig versierde mutsen met breede strikken en veeren en gitten en gespen, van achter met twee afhangende breede linten. Het effect van deze mutsen is dat ze het hoofd van het kind zeer breed en zwaar doen schijnen.In deze kindermutsen is in deMeierijzeer veel variatie.In Vechel maakt men in den rand soms zelfs zwart-glazen belletjes, die rinkelen als de kinderen loopen. Deze kinder-mutsen worden door de jonge meisjes tot hun 20eà 23ejaar gedragen, of totdat zij verloofd zijn. Sommige van haar zetten die muts al vroeger af, om “ouder” te schijnen. Dan—als zij verloofd of getrouwd zijn—of dit willen schijnen, zetten zij de groote, witte Noord-Brabantsche muts op. Bij die muts draagt de Noord-Brabantsche vrouw nog bijzondere gouden versieringen, maar geen oorijzer.In de ooren heeft zij bijzonder groote bellen van filigraan-goud met bloedkoraal versierd, in waaiervorm, zoodat zewaaierbellenheeten.Om den hals soms een hals-ketting van roode, zwarte of witte koralen met gouden slot (van voren). Daarover zeer dikwijls een klein halsdoekje van zeer sterke kleuren, op de wijze als hetknuppeldoekjevan de vrouwen in Kampen (zie aldaar). De rest van de lijfskleeding is niet anders dan “ouderwetsch” te noemen. Ze hangt bijzonder smakeloos van vorm om het dikwijls grof en breed gebouwde lichaam, waarover de kapmantel of de pelerine, welke een soort vervormd overblijfsel van een ouderwetsche modedracht van 1880 is.In Den Bosch ziet men echter nog sporadisch oudere vrouwtjes met zeer bijzonder soort kapmantels die tot op den grond afhangen, en een capuchon over het hoofd. Deze dracht, die een zeer oude is, waag ik het te vooronderstellen dat ze van oude klooster-kleedij, van monnikspij of nonnen-habijt is afgeleid. In ieder geval is de oorsprongnietHollandsch, zooals ook de halflange pelerines met franjes en kanten naar Fransche en Belgische modellen zijn nagevolgd. De smaak en het ideaal van het Noord-Brabantsche volk betoont zich ook in deze meer zuidelijk dan noordelijk.Maar behalve deze worden thans door de boeren-bevolking, en vooral ten platten lande nog veel de ouderwetsche “doeken” gedragen, de “Kashmire-shawls” die onder het tweede Keizerrijkin Frankrijk zoozeer in de mode waren. Die dracht is thans voor die Noord-Brabantsche oude boerinnen de gewone, waarbij ze dan de van ouds-her stammende muts dragen, een hybridisch samenstel van resten van oude volks-dracht en mode-namaak, dat alles te samen den indruk maakt van een soms wel schilderachtige en typische, maar zeer achterlijke, conservatieve en on-aesthetische kleedij.Er mag hier even worden opgemerkt dat iets wel zeer eigendommelijk, karakteristiek, en zelfs mooi van kleur combinatie, en daardoor zeer pittoresk kan zijn, maar dat het geheel dan nog zeer wel tegen de aesthetica, dat is, tegen de wetten van een objectief schoonheidsbegrip kan strijden.Maar er zijn nog meer resten van werkelijk oude drachten in de Meierij. En daartoe behoort de “falie” een langwerpig vierkante doek van ongeveer drie meter lengte, bij één meter breedte, met franje aan de smalle einden. Deze, van zwarte stof gemaakte groote lap (want anders is het niet) wordt over het hoofd gedragen, zoodat de lange plooien het geheele lichaam van de vrouw inhullen. Een zeer bijzonder kleedingstuk dat ook al weer alleen zijn behoud aan de gehechtheid aan oude zeden dankt, want het wordt alleen bij rouw, kerkgang of doop gedragen.Maar behalve deze costume-onderdeelen en de genoemde mutsen wordt in de Meierij een soortmuts door de boeren-bevolking gedragen die het midden houdt tusschen de stads-(dienstboden)muts, en de groote Noord-Brabantsche muts met poffer. Dat is de “buiten-muts”.Dat is een muts die, even als alle mutsen uit de Meierij de tendenz vertoont van het hoofd breed te willen maken, maar het is een muts uit één stuk, met niet zoo’n lange kanten strook van achter, maar met een korter, stijve plooiïng, genaamd “de luif”. Van voren zijn drie rijen plooitjes, op de bol; van voren naar achter loopend, aan iederen kant een “takje” met uit neteldoek gemaakte bloemetjes, en van achter twee breede, witte linten; onder de kin een (vaste) witte strik.De muts heet buiten-muts omdat ze door de menschenvan buitengedragen wordt, in tegenstelling met de stads-menschen.Vervolgens worden in de Meierij (in Helvoirt) nog “strikke-mutsen” door kinderen gedragen, en in Eindhoven nog “cornetten”, en zouden er nog vele details mede te deelen zijn over de “poffer” die zoo’n bijzonder cachet, zoo’n “onhollandsch”, zoo’n verbeten, koppig, en vooral zoo’n boersch uiterlijk aan de Noord-Brabantsch vrouwen van het land geeft, als ze daar met hun korte breede, lijven, en groote hoofden, op groote schoenen, met groote passen langs de zonnige, zandige wegen van het met zwaar hout begroeide landschapof naast een over de dikke keien rammelende groote boerenwagen sjokken, waarvoor het zware paard langzaam voortstapt.B. De Baronie van Breda.Het eerste wat van de mutsen, die door de boeren-vrouwen in de Baronie van Breda gedragen worden, in tegenstelling met die van de Meierij van Den Bosch, opvalt, is, dat de afmetingen van die Bredasche mutsen zooveel kleiner zijn. Maar toch zijn ze nog groot en wijd, in vergelijking met de mutsen die in de andere deelen van ons land worden gedragen, vooral groot en wijd en dik boven het voorhoofd. Dat wordt in Breda niet veroorzaakt door de volumineuze “poffer” maar door “de kroon”, of “de kroesel” of “de krans”.De muts van de vrouwen uit de Baronie bestaat uit een rand zeer dun geplooide of strakke kant, die om het hoofd gaat en langs de ooren naar achter afbuigt tot in den nek, tot bijna op de schouders. Die effen kanten strook heeft van achter eenbodemofkruin, een naar achter afhangende, opgenomen breede lap kant-stof, tot op schouders afhangend. Het geheel wordt ingeregen met een bandje tusschen de voor-strook en de bodem (of kruin) en op die wijze op het hoofd vastgehouden. Dit is de eenvoudigste soort van het algemeene type van de muts in de Baronie.Dit is de “strakke muts”, die van tulle of gaas is in de rouw en door de week en ’s Zondags van kant. Ze wordt over een zwarte ondermuts gedragen en van voren, op het voorhoofd, hebben de vrouwen twee kleine krulletjes haar (valsch of echt) aangebracht, die even onder den rand van de muts uitkomen.In deze eenvoudigste vorm heeft deze Baronie-muts veel overeenkomst met de groote floddermutsen die op de Zuid-Hollandschsche eilanden worden gedragen. Ze is als het ware het overgangs-type tusschen de Noord-Brabantsche, sterk-Belgische vormen en de zuiver Hollandsche vormen van Zuid-Holland en Zeeland.Deze strakke muts wordt echter veelvuldig gevarieerd in een mooier en rijker bewerking. Dan wordt het dedubbele muts. De hoofdvorm blijft dezelfde. De voorste strook kant, die het gezicht omsluit, wordt echter dubbel, in twee geledingen over elkaar. In den regel zijn deze dubbele mutsen steeds van kant en doen alleen ’s Zondags dienst.Behalve dat bestaat er nog een vereenvoudigde soort van deze strakke mutsen, veel kleiner, minder omvangrijk, zonder afhangende bodem, met slechts een zeer smal strookje kant rond het gezicht, en met dunne bandjes onder de kin vastgehouden. Dat is het ouderwetsche mutsje, genaamd “het ongelukske”, dat oudere vrouwen thans nog dragen, en dat alléén bij ’t werk dienst doet. Men ziethieruit, dat ook hier, evenals in Zeeland, in den laatsten tijd de tendenz bestaat de mutsen steeds grooter te doen worden.Over die strakke en dubbele muts komt nu “de kroon”, of “de bloemkrans” of “de kroesel”, een dikke wrong van kleine bloemetjes in tulle uitgevoerd en met kralen opgesierd, meestal geheel wit van kleur, maar soms ook met blauwe bloemetjes en kralen verfraaid. Deze kroon ligt vlak op de muts, boven het voorhoofd, en gaat van de eene slaap naar de andere, en is vastgehecht op een (meestal) lichtblauw zijden lint dat van achter, onder de afhangende bodem, achter het hoofd is vastgezet met haak en oog.Bij deze mutsen behooren, evenals in de Meierij,lange, groote gouden oorhangers, halskettingen van koraal, en een klein kleurig doekje, “cache-nez” dat met kleine puntjes links en rechts onder de kin uitstaat, naast de groote witte strikken die de strakke of dubbele muts onder de kin vasthoudt.De verdere lijfs-kleeding is, vooral voor de boerinnen van het platte land, de ook in de Meierij bekende kapmantel, of ook nog zeer dikwijls de oude “Kashmire-shawl”. Merkwaardig is in dit deel van Noord-Brabant de zeer kennelijke invloed van de Belgische nationale drachten, vooral in de dorpen langs de Belgische grens in het zuiden van de Baronie en in het land van Bergen-op-Zoom.In die streken dragen de Brabantsche vrouwentwee soorten mutsen, een Hollandsche (Bredasche) en een Belgische. Deze laatste als zij over de Belgische grens (vóór den oorlog) ’s Zondags ter kerke gingen. Soms echter dragen zij die muts ook als ze in Breda naar de markt gaan.Deze “Belgische muts” is betrekkelijk klein, geheel van ineengeplooid wit lint, min of meer vierkant van hoofdvorm, een weinig naar de zijkanten en naar achter uitstekend, Maar op die muts zijn groote strikken van breed, gekleurd lint aangebracht, geel, rood, groen, paarsch, in alle kleuren. Twee van die lange, breede linten worden onder de kin vastgestrikt, twee hangen lang af naar achter, op den rug. Er is geen bijzondere kleur van deze linten voor bijzondere gelegenheden vastgesteld, tenzij zwart voor den rouw.Bij deze Belgische mutsen behoort een kapmantel of pelerine van meer pompeus maaksel dan de gewone, meer kant, tulle, linten en strikken, ofschoon de hoofdvorm dezelfde is als de andere pelerines. Dit kleedingstuk is een zeer kennelijke verboerschte imitatie van de Parijsche mode van omstreeks 1880.Behalve deze mutsen wordt in de Baronie, naar de kant van Zundert, een soort muts gedragen die veel overeenkomst heeft met debuiten-mutsvan deMeierij. In Zevenbergen is de vorm weer anders, daar wordt dekroonniet meer gedragen, of slechts zeer klein, maar vervangen door eenrijk geplooid breed lint, dat ook naar achter afhangt—zoo ook in de Zevenbergsche hoek, waar de vorm zich gaandeweg meer bij de Zuid-Hollandsche mutsen-vormen aansluit.C. Het Mark-Graafschap van Bergen op ZoomTen slotte de mutsen in het land dat aan Zeeland en Zuid-Holland grenst. De algemeene vorm is die van de Bredasche muts, maar zonder de kroon, dus eenvoudiger, smaller, platter.Verder is in deze streek de invloed van de Belgische en Zeeuwsche drachten meer kenbaar, en vormt ze een overgangsgebied naar de eigenlijke Hollandsche drachten. Vandaar dat men slechts weinig van een eigen dracht in deze streek merkt, althans niet in de steden, De plattelandsbevolking blijft het langst de “boerendracht” getrouw. De meeste vrouwen dragen reeds hoeden, dat wil zeggen ouderwetsche hoofddeksels, die tot geen land en geen tijd behooren, en, zooals gewoonlijk bij dergelijke soort kleedij, zeer smakeloos zijn.

De groote provincie Noord-Brabant vormt, in het zuidelijk deel van ons land een soort geographisch, anthropologisch en cultuur-historisch overgangs- en grensgebied tusschen Noord en Zuid. Het is het terrein waar de Noordelijke (Germaansche) en de Zuidelijke (Romaansche en Gallische) idealen elkaar ontmoeten en in elkaar versmelten. En dat komt zeer duidelijk in de kleederdrachten uit die in deze streek gedragen worden.

Wat er van die oude volks-eigen drachten nog over is, is niet veel meer dan de boeren-muts, zooals die door de plattelands-boerinnen gedragen wordt. Dat is juist zooals in zooveel andere streken van ons land, waar die mutsen de eenige resten van de oude drachten zijn.

Maar behalve die mutsen is—in Noord-Brabant—de overigelijfskleeding, en dan vooral van de vrouwen, meer opmerkelijk dan in eenige andere Nederlandsche provincie, al moet die lijfs-kleeding, die thans (1916) onder die boeren-bevolking nog vrij algemeen is, dan niet geheel tot de eigenlijke historische nationale volksdracht gerekend worden, en al blijkt ze meer onder de vervormde mode-navolgingen te moeten worden gerangschikt. Maar ze is er niet minder bijzonder karakteristiek om.

En dit zal voor een groot deel het gevolg zijn van het hierboven reeds genoemde feit, dat inNoord-Brabant de Noordelijke en Zuidelijke idealen in elkaar overgaan. En, datgetuigtdie kleeding on-weerlegbaar.Want geheel Hollandsch is die kleeding niet, noch in haar wezen, noch in vorm, noch in kleur, en ze is ook niet geheel on-Hollandsch (Belgisch, Vlaamsch, Waalsch of Fransch) maar ze houdt het midden tusschen deze twee, en ze vertoont de kennelijke invloed van het Noordelijke zoowel als van het Zuidelijke ideaal.

Reeds bij de bespreking van de andere provinciën had ik de gelegenheid op te merken hoe groot (dikwijls) die invloed van de Godsdienst op het voortbestaan van een nationale kleeding is. De gehechtheid aan een een-maal algemeen beleden Godsdienst waarborgt, in een bepaalde streek, het voortbestaan van oude zeden en gewoonten, en daardoor het voortbestaan van de, uit die zeden voortkomende, volkskleeding.

Ook is er wel geen streek in ons land waar de bevolking zóó conservatief is en zoo gehecht aan haar oude geloof en zeden, als in Noord-Brabant, welk conservatisme op zich zelf zoo lang stand kan houden omdat er een bijna absolute eenheid van godsdienst is. Om deze toestand te helpen bestendigen, moedigt (o.a.) de Roomsche geestelijkheid de boerenbevolking aan, hun oude kleeding getrouw te blijven, om zoodoende met de kleeding, de oude zeden, en daardoor de oude godsdienst te kunnen handhaven.

En uit die wisselwerking tusschen geloof, zeden en kleeding—en uit die algemeene verspreidheid van die eene Godsdienst, moge hetverklaardworden dat die oude drachten, of liever die ouderwetsche drachten nog zoo veelvuldig in deze provincie voorkomen en voortbestaan.

Maar een andere, zeer belangrijke factor, voor de verklaring van en het verkrijgen van een juister kennis en inzicht in die bijzondere—niet oude, maar ouderwetsche—drachten in deze bijzondere provincie, lijkt mij den invloed die het ras van menschen, dat Noord-Brabant bewoont, op haar eigen kleedij had. Hiervoren had ik al gelegenheid op de wisselwerking te wijzen die er—naar mijn oordeel—bestaat tusschen de drager en zijn costume, tusschen de lichaamsvorm van den mensch en zijn kleed.

Nu behooren de bewoners van Noord-Brabant zeer zekerniettot de mooiste specimina van hetgenus homodat ons land bewoont. Het lijkt wel of de zware klei en de dorre, drooge zand- en heide-gronden die—geologisch—deze provincie vormen, de bevolking van die streken tot dat kleine, breede, schonkige, breedhoofdige ras heeft gemaakt met dat harde, verbetene en stugge uiterlijk dat den opmerker dadelijk opvalt.

Omdat de lichaamsbouw van de Noord-Brabanders zoo leelijk is, moet het niet verwonderen dat die zelfde plompheid en traagheid die uit hunongracelijke verschijning spreekt, ook als het hoofdkenmerk van den vorm, de snit en de kleur van hun kleedij gelden moet. Want deze is grof van detail, niet oud maar ouderwetsch, zonder phantasie, zonder uiting van levenslust, maar kleinzielig van gedachte, zonder vreugde, benepen en boersch. Een dracht van oude mannetjes en oude vrouwtjes,.... maar met dat al, of liever juist daarom, zeer interessant voor den student in volkspsyche, zoo dan al minder aantrekkelijk voor den eclectischenaestheticus.

Ieder volk, ieder ras, ieder mensch heeft de kleeding die hij verdient.... en die slechts een uiting is van het eigen innigste wezen, idealen en levensopvatting. Een mooie, aesthetisch werkende kleeding kan slechts door een mooi, naar geest en lichaambeideharmonisch ontwikkeld menschenras worden saamgesteld. Getuige de kleeding van de Grieken. En die kleedij kan slechtsgoedenwaar,—dus: aesthetisch werkend, door personen gedragen worden die niet alleen dezelfde idealen hebben als het volk (het ras) dat die kleedij samenstelde, maar die ook de lichaamsvormen hebben waarop deze kleedij is gecomponeerd.

Dan eerst is er harmonie tusschen den drager en zijn costume, dan eerst kan er werkelijke schoonheid bereikt worden omdat ze op de werkelijkheid en de waarheid berust. Als een kleedij, die op een welgebouwd lichaam gecomponeerd is door eenmensch gedragen wordt wiens lichaamsbouw minder harmonisch is, dan wordt zelden een volkomen aesthetisch geheel verkregen. Soms zelfs is het belachelijk. Het is niet bij toeval dat de heerenmode in Engeland, het land van de welgebouwde mannen, wordt ontworpen. En het is niet zonder oorzaak dat de dames-modes uit Parijs komen, waar de schoongevormde Parisiennes de aesthetisch aangelegde mode-ontwerpers het best gelegenheid geven een vrouwen-kleedij te componeeren die het schoone van “de vrouw” doet uitkomen. Ziet maar hoe een slechtgebouwde man of een leelijke vrouw een goed Londensch of Parijsch toilet staat.... Het is al te kennelijk niet voor hen gemaakt, dus:... staat het leelijk!—

Er zal altijd een wisselwerking, dus ook een contrasteering tusschen den mensch en zijn kleedij blijven. Een mooie dracht maakt een mooi mensch mooier.... maar een leelijk mensch leelijker. Het schoone doet slechts het schoone uitkomen, recht wedervaren.

Ieder mensch kan slechts de kleedij die hemzelf, zijn eigen innerlijke en uiterlijke wezen toont, goed dragen. Al het andere is masquerade, onechtheid, leugen.

Zoo is het ook met de nationale kleederdrachten. Zoo is het met de Zeeuwsche vrouwen-kleeding, die mooi is en aesthetisch werkt, omdat ze op een welgebouwd ras is gecomponeerd. Daarom werktde dracht van het eiland Marken wèl picturaal, artistiek, maar niet aesthetisch. Daarom is de werking van de drachten in Noord-Brabant zeer on-aesthetisch, maar ze wekt de belangstelling, de nieuwsgierigheid, door het ouderwetsche, boersche, ongewone. Die Brabantsche kleeding vraagt de aandacht, niet voor en om zich zelf, maar voor de zeden en gewoonten waar zij de uiting van zijn. En dat is het zeer bijzondere van de volkskleeding in deze provincie.

Deze kleine uitwijding over de oorzaken, die den aard van de volkskleedij in Noord-Brabant bepalen, was, tot duidelijker omschrijving van die kleedij zelf—noodzakelijk. Meer dan bij de beschrijving van de volkskleedij in andere provinciën. Want de inventariseering van die volksdrachten in Noord-Brabant zou in hoofdzaak de beschrijving van de zeden en gewoonten van die streek moeten zijn. De kleedij zelf is, als kleedij, niet zoo heel belangrijk, noch om de snit, noch om de stof, vorm of kleur. In hoofdzaak is de muts van de boerinnen het voornaamste. Die heeft nog de van ouds-her overgeleverde vormen. Maar de andere lijfs-kleedij is meer curieus dan fraai. De mannenkleeding heeft niets bijzonders.

Maar vooral de mutsen zijn zeer belangrijk, te meer daar er zooveel verschillende soorten mutsen gedragen worden. Bijna ieder dorp heeft haar eigenvorm, en de afwijkingen zijn soms zeer bijzonder. En die afwijkingen vinden meestal hun grond in plaatselijke zeden en gewoonten.

Staatkundig bestaat deze provincie uit drie deelen. Ieder van deze heeft een eigen volks-kleederdracht. Het grootste en belangrijkste deel vormt het Oostelijk deel van de Provincie, de Meierij van ’s-Hertogenbosch. In het midden is de Baronie van Breda. In het Westen ligt het Markgraafschap van Bergen-op-Zoom. In ieder van deze gewesten zijn weer afzonderlijke streken aan te wijzen waar de dracht belangrijk van die van de andere streken afwijkt, maar het hoofd-type blijft, voor ieder van deze gewesten, binnen haar grenzen, hetzelfde.

A. De Meierij van ’s-HertogenboschVooral ten Zuiden en ten Oosten van ’s-Hertogenbosch, en in het Land van Boxtel, Liempt, Rooy, Vechel, Osch, Rosmalen, Helvoirt en Best is de Meierij’sche dracht het meest zuiver.Ze bestaat uit een zeer groote, wijde muts met lange strook of vleugel die zoowel naar achter als naar de zijkanten (half over de schouder) breed uitplooit.Deze muts wordt over een zwarte ondermuts gedragen, over het haar dat afgeknipt of bijeengebonden is, al naar de persoonlijke smaak.De groote, eigenlijkeboven-muts, de eigenlijke Meierij’sche of oud Noord-Brabantsche muts heeft van voren, boven het voorhoofd, een aantal vertikale plooitjes, (kneepjes) een wijde bol over het hoofd (de kruin of bodem) en van achter de lange afhangende strook.Gewoonlijk is deze muts van (echte) kant gemaakt, waardoor ze, ook door haar grootte, zeer kostbaar wordt. In den rouw is ze vanrouwdoek, zoogenaamdorgandine.Daaroverheen gaat depoffer. Dat is de eigenlijke versiering van de muts, het hoogst eigenaardig samenstel van uit kant en witte stof, koralen en franjes gemaakte dikke rand van bloemen, die als een (arm-dikke) zware wrong over het voorhoofd (op de muts) wordt gelegd en met een bandje van achter om het hoofd wordt vastgehouden. Aan deze poffer zijn groote breede (witte) zijden linten bevestigd, die tot bijna in de taille naar achter afhangen, van franje zijn voorzien en deze geheele muts met de uitwaaiende strook van achter een zeer wijd en breed aanzien geven. Het hoofd van de draagster wordt er ongewoon breed en log door, te meer daar het verdere van de figuur in den regel gehuld is in een zoogenaamdekapmantel, een “pelerine” of “omhanger” van ouderwetschen snit, die het lijf tot aan de taille omsluit, soms zelfs tot deknieënof den grond afhangt. De groote muts met de pompeuze pofferis dan breeder dan de schouders, en het lijf lijkt smaller door de kapmantel. Deze poffers zijn dikwijls zeer verschillend van maaksel, niet alleen naar de verschillende streken van de Meierij, maar ook naar den rijkdom van de draagster, het min of meer bijzondere van de gelegenheid waarbij ze wordt gedragen, enz.Ze is niet altijd geheel wit. Soms zijn de bloemen met blauw doorwerkt, of de breede linten licht blauw. Het is begrijpelijk dat dit een zeer dure dracht is, te meer ook daar het opmaken van deze mutsen door speciale mutsen-maaksters gedaan moet worden.Niet altijd echter draagt de Noord-Brabantsche vrouw deze bijzondere muts. Ook wordt ze, in de Meierij slechts op het platte land gedragen. In de stad ’s-Hertogenbosch ziet men slechts de zoogenaamde Bosschedienstbodenmuts, die van zeer eenvoudige constructie is, van voren drie rijen plooitjes boven het voorhoofd heeft, en met een lange band en strik onder de kin vastgemaakt wordt. Die tot een dikke massa saam-gebrachte plooitjes boven het voorhoofd heet “de tuil”.Soms draagt de vrouw uit het volk in Den Bosch ook een zwarte muts, die echter een vervorming moet heeten van het beruchte, hier reeds meermalen genoemde capot-hoedje.Op het land, bij de boeren echter dragen de jonge meisjes tot hun tiende jaar een zwarte wollenmuts, met groote, dikke wrong boven het voorhoofd. Die muts heet “kaper.”Na hun tiende jaar, of tegen den tijd dat de kinderen ter eerste communie gaan (vroeger ongeveer op het twaalfde jaar) krijgen de meisjes zwarte boeren mutsen, een muts met een vorm, die aan de mutsen met poffer van de volwassen vrouwen doet denken. Het zijn breede, zware, zeer rijk en overdadig versierde mutsen met breede strikken en veeren en gitten en gespen, van achter met twee afhangende breede linten. Het effect van deze mutsen is dat ze het hoofd van het kind zeer breed en zwaar doen schijnen.In deze kindermutsen is in deMeierijzeer veel variatie.In Vechel maakt men in den rand soms zelfs zwart-glazen belletjes, die rinkelen als de kinderen loopen. Deze kinder-mutsen worden door de jonge meisjes tot hun 20eà 23ejaar gedragen, of totdat zij verloofd zijn. Sommige van haar zetten die muts al vroeger af, om “ouder” te schijnen. Dan—als zij verloofd of getrouwd zijn—of dit willen schijnen, zetten zij de groote, witte Noord-Brabantsche muts op. Bij die muts draagt de Noord-Brabantsche vrouw nog bijzondere gouden versieringen, maar geen oorijzer.In de ooren heeft zij bijzonder groote bellen van filigraan-goud met bloedkoraal versierd, in waaiervorm, zoodat zewaaierbellenheeten.Om den hals soms een hals-ketting van roode, zwarte of witte koralen met gouden slot (van voren). Daarover zeer dikwijls een klein halsdoekje van zeer sterke kleuren, op de wijze als hetknuppeldoekjevan de vrouwen in Kampen (zie aldaar). De rest van de lijfskleeding is niet anders dan “ouderwetsch” te noemen. Ze hangt bijzonder smakeloos van vorm om het dikwijls grof en breed gebouwde lichaam, waarover de kapmantel of de pelerine, welke een soort vervormd overblijfsel van een ouderwetsche modedracht van 1880 is.In Den Bosch ziet men echter nog sporadisch oudere vrouwtjes met zeer bijzonder soort kapmantels die tot op den grond afhangen, en een capuchon over het hoofd. Deze dracht, die een zeer oude is, waag ik het te vooronderstellen dat ze van oude klooster-kleedij, van monnikspij of nonnen-habijt is afgeleid. In ieder geval is de oorsprongnietHollandsch, zooals ook de halflange pelerines met franjes en kanten naar Fransche en Belgische modellen zijn nagevolgd. De smaak en het ideaal van het Noord-Brabantsche volk betoont zich ook in deze meer zuidelijk dan noordelijk.Maar behalve deze worden thans door de boeren-bevolking, en vooral ten platten lande nog veel de ouderwetsche “doeken” gedragen, de “Kashmire-shawls” die onder het tweede Keizerrijkin Frankrijk zoozeer in de mode waren. Die dracht is thans voor die Noord-Brabantsche oude boerinnen de gewone, waarbij ze dan de van ouds-her stammende muts dragen, een hybridisch samenstel van resten van oude volks-dracht en mode-namaak, dat alles te samen den indruk maakt van een soms wel schilderachtige en typische, maar zeer achterlijke, conservatieve en on-aesthetische kleedij.Er mag hier even worden opgemerkt dat iets wel zeer eigendommelijk, karakteristiek, en zelfs mooi van kleur combinatie, en daardoor zeer pittoresk kan zijn, maar dat het geheel dan nog zeer wel tegen de aesthetica, dat is, tegen de wetten van een objectief schoonheidsbegrip kan strijden.Maar er zijn nog meer resten van werkelijk oude drachten in de Meierij. En daartoe behoort de “falie” een langwerpig vierkante doek van ongeveer drie meter lengte, bij één meter breedte, met franje aan de smalle einden. Deze, van zwarte stof gemaakte groote lap (want anders is het niet) wordt over het hoofd gedragen, zoodat de lange plooien het geheele lichaam van de vrouw inhullen. Een zeer bijzonder kleedingstuk dat ook al weer alleen zijn behoud aan de gehechtheid aan oude zeden dankt, want het wordt alleen bij rouw, kerkgang of doop gedragen.Maar behalve deze costume-onderdeelen en de genoemde mutsen wordt in de Meierij een soortmuts door de boeren-bevolking gedragen die het midden houdt tusschen de stads-(dienstboden)muts, en de groote Noord-Brabantsche muts met poffer. Dat is de “buiten-muts”.Dat is een muts die, even als alle mutsen uit de Meierij de tendenz vertoont van het hoofd breed te willen maken, maar het is een muts uit één stuk, met niet zoo’n lange kanten strook van achter, maar met een korter, stijve plooiïng, genaamd “de luif”. Van voren zijn drie rijen plooitjes, op de bol; van voren naar achter loopend, aan iederen kant een “takje” met uit neteldoek gemaakte bloemetjes, en van achter twee breede, witte linten; onder de kin een (vaste) witte strik.De muts heet buiten-muts omdat ze door de menschenvan buitengedragen wordt, in tegenstelling met de stads-menschen.Vervolgens worden in de Meierij (in Helvoirt) nog “strikke-mutsen” door kinderen gedragen, en in Eindhoven nog “cornetten”, en zouden er nog vele details mede te deelen zijn over de “poffer” die zoo’n bijzonder cachet, zoo’n “onhollandsch”, zoo’n verbeten, koppig, en vooral zoo’n boersch uiterlijk aan de Noord-Brabantsch vrouwen van het land geeft, als ze daar met hun korte breede, lijven, en groote hoofden, op groote schoenen, met groote passen langs de zonnige, zandige wegen van het met zwaar hout begroeide landschapof naast een over de dikke keien rammelende groote boerenwagen sjokken, waarvoor het zware paard langzaam voortstapt.

Vooral ten Zuiden en ten Oosten van ’s-Hertogenbosch, en in het Land van Boxtel, Liempt, Rooy, Vechel, Osch, Rosmalen, Helvoirt en Best is de Meierij’sche dracht het meest zuiver.

Ze bestaat uit een zeer groote, wijde muts met lange strook of vleugel die zoowel naar achter als naar de zijkanten (half over de schouder) breed uitplooit.

Deze muts wordt over een zwarte ondermuts gedragen, over het haar dat afgeknipt of bijeengebonden is, al naar de persoonlijke smaak.

De groote, eigenlijkeboven-muts, de eigenlijke Meierij’sche of oud Noord-Brabantsche muts heeft van voren, boven het voorhoofd, een aantal vertikale plooitjes, (kneepjes) een wijde bol over het hoofd (de kruin of bodem) en van achter de lange afhangende strook.

Gewoonlijk is deze muts van (echte) kant gemaakt, waardoor ze, ook door haar grootte, zeer kostbaar wordt. In den rouw is ze vanrouwdoek, zoogenaamdorgandine.

Daaroverheen gaat depoffer. Dat is de eigenlijke versiering van de muts, het hoogst eigenaardig samenstel van uit kant en witte stof, koralen en franjes gemaakte dikke rand van bloemen, die als een (arm-dikke) zware wrong over het voorhoofd (op de muts) wordt gelegd en met een bandje van achter om het hoofd wordt vastgehouden. Aan deze poffer zijn groote breede (witte) zijden linten bevestigd, die tot bijna in de taille naar achter afhangen, van franje zijn voorzien en deze geheele muts met de uitwaaiende strook van achter een zeer wijd en breed aanzien geven. Het hoofd van de draagster wordt er ongewoon breed en log door, te meer daar het verdere van de figuur in den regel gehuld is in een zoogenaamdekapmantel, een “pelerine” of “omhanger” van ouderwetschen snit, die het lijf tot aan de taille omsluit, soms zelfs tot deknieënof den grond afhangt. De groote muts met de pompeuze pofferis dan breeder dan de schouders, en het lijf lijkt smaller door de kapmantel. Deze poffers zijn dikwijls zeer verschillend van maaksel, niet alleen naar de verschillende streken van de Meierij, maar ook naar den rijkdom van de draagster, het min of meer bijzondere van de gelegenheid waarbij ze wordt gedragen, enz.

Ze is niet altijd geheel wit. Soms zijn de bloemen met blauw doorwerkt, of de breede linten licht blauw. Het is begrijpelijk dat dit een zeer dure dracht is, te meer ook daar het opmaken van deze mutsen door speciale mutsen-maaksters gedaan moet worden.

Niet altijd echter draagt de Noord-Brabantsche vrouw deze bijzondere muts. Ook wordt ze, in de Meierij slechts op het platte land gedragen. In de stad ’s-Hertogenbosch ziet men slechts de zoogenaamde Bosschedienstbodenmuts, die van zeer eenvoudige constructie is, van voren drie rijen plooitjes boven het voorhoofd heeft, en met een lange band en strik onder de kin vastgemaakt wordt. Die tot een dikke massa saam-gebrachte plooitjes boven het voorhoofd heet “de tuil”.

Soms draagt de vrouw uit het volk in Den Bosch ook een zwarte muts, die echter een vervorming moet heeten van het beruchte, hier reeds meermalen genoemde capot-hoedje.

Op het land, bij de boeren echter dragen de jonge meisjes tot hun tiende jaar een zwarte wollenmuts, met groote, dikke wrong boven het voorhoofd. Die muts heet “kaper.”

Na hun tiende jaar, of tegen den tijd dat de kinderen ter eerste communie gaan (vroeger ongeveer op het twaalfde jaar) krijgen de meisjes zwarte boeren mutsen, een muts met een vorm, die aan de mutsen met poffer van de volwassen vrouwen doet denken. Het zijn breede, zware, zeer rijk en overdadig versierde mutsen met breede strikken en veeren en gitten en gespen, van achter met twee afhangende breede linten. Het effect van deze mutsen is dat ze het hoofd van het kind zeer breed en zwaar doen schijnen.

In deze kindermutsen is in deMeierijzeer veel variatie.

In Vechel maakt men in den rand soms zelfs zwart-glazen belletjes, die rinkelen als de kinderen loopen. Deze kinder-mutsen worden door de jonge meisjes tot hun 20eà 23ejaar gedragen, of totdat zij verloofd zijn. Sommige van haar zetten die muts al vroeger af, om “ouder” te schijnen. Dan—als zij verloofd of getrouwd zijn—of dit willen schijnen, zetten zij de groote, witte Noord-Brabantsche muts op. Bij die muts draagt de Noord-Brabantsche vrouw nog bijzondere gouden versieringen, maar geen oorijzer.

In de ooren heeft zij bijzonder groote bellen van filigraan-goud met bloedkoraal versierd, in waaiervorm, zoodat zewaaierbellenheeten.

Om den hals soms een hals-ketting van roode, zwarte of witte koralen met gouden slot (van voren). Daarover zeer dikwijls een klein halsdoekje van zeer sterke kleuren, op de wijze als hetknuppeldoekjevan de vrouwen in Kampen (zie aldaar). De rest van de lijfskleeding is niet anders dan “ouderwetsch” te noemen. Ze hangt bijzonder smakeloos van vorm om het dikwijls grof en breed gebouwde lichaam, waarover de kapmantel of de pelerine, welke een soort vervormd overblijfsel van een ouderwetsche modedracht van 1880 is.

In Den Bosch ziet men echter nog sporadisch oudere vrouwtjes met zeer bijzonder soort kapmantels die tot op den grond afhangen, en een capuchon over het hoofd. Deze dracht, die een zeer oude is, waag ik het te vooronderstellen dat ze van oude klooster-kleedij, van monnikspij of nonnen-habijt is afgeleid. In ieder geval is de oorsprongnietHollandsch, zooals ook de halflange pelerines met franjes en kanten naar Fransche en Belgische modellen zijn nagevolgd. De smaak en het ideaal van het Noord-Brabantsche volk betoont zich ook in deze meer zuidelijk dan noordelijk.

Maar behalve deze worden thans door de boeren-bevolking, en vooral ten platten lande nog veel de ouderwetsche “doeken” gedragen, de “Kashmire-shawls” die onder het tweede Keizerrijkin Frankrijk zoozeer in de mode waren. Die dracht is thans voor die Noord-Brabantsche oude boerinnen de gewone, waarbij ze dan de van ouds-her stammende muts dragen, een hybridisch samenstel van resten van oude volks-dracht en mode-namaak, dat alles te samen den indruk maakt van een soms wel schilderachtige en typische, maar zeer achterlijke, conservatieve en on-aesthetische kleedij.

Er mag hier even worden opgemerkt dat iets wel zeer eigendommelijk, karakteristiek, en zelfs mooi van kleur combinatie, en daardoor zeer pittoresk kan zijn, maar dat het geheel dan nog zeer wel tegen de aesthetica, dat is, tegen de wetten van een objectief schoonheidsbegrip kan strijden.

Maar er zijn nog meer resten van werkelijk oude drachten in de Meierij. En daartoe behoort de “falie” een langwerpig vierkante doek van ongeveer drie meter lengte, bij één meter breedte, met franje aan de smalle einden. Deze, van zwarte stof gemaakte groote lap (want anders is het niet) wordt over het hoofd gedragen, zoodat de lange plooien het geheele lichaam van de vrouw inhullen. Een zeer bijzonder kleedingstuk dat ook al weer alleen zijn behoud aan de gehechtheid aan oude zeden dankt, want het wordt alleen bij rouw, kerkgang of doop gedragen.

Maar behalve deze costume-onderdeelen en de genoemde mutsen wordt in de Meierij een soortmuts door de boeren-bevolking gedragen die het midden houdt tusschen de stads-(dienstboden)muts, en de groote Noord-Brabantsche muts met poffer. Dat is de “buiten-muts”.

Dat is een muts die, even als alle mutsen uit de Meierij de tendenz vertoont van het hoofd breed te willen maken, maar het is een muts uit één stuk, met niet zoo’n lange kanten strook van achter, maar met een korter, stijve plooiïng, genaamd “de luif”. Van voren zijn drie rijen plooitjes, op de bol; van voren naar achter loopend, aan iederen kant een “takje” met uit neteldoek gemaakte bloemetjes, en van achter twee breede, witte linten; onder de kin een (vaste) witte strik.

De muts heet buiten-muts omdat ze door de menschenvan buitengedragen wordt, in tegenstelling met de stads-menschen.

Vervolgens worden in de Meierij (in Helvoirt) nog “strikke-mutsen” door kinderen gedragen, en in Eindhoven nog “cornetten”, en zouden er nog vele details mede te deelen zijn over de “poffer” die zoo’n bijzonder cachet, zoo’n “onhollandsch”, zoo’n verbeten, koppig, en vooral zoo’n boersch uiterlijk aan de Noord-Brabantsch vrouwen van het land geeft, als ze daar met hun korte breede, lijven, en groote hoofden, op groote schoenen, met groote passen langs de zonnige, zandige wegen van het met zwaar hout begroeide landschapof naast een over de dikke keien rammelende groote boerenwagen sjokken, waarvoor het zware paard langzaam voortstapt.

B. De Baronie van Breda.Het eerste wat van de mutsen, die door de boeren-vrouwen in de Baronie van Breda gedragen worden, in tegenstelling met die van de Meierij van Den Bosch, opvalt, is, dat de afmetingen van die Bredasche mutsen zooveel kleiner zijn. Maar toch zijn ze nog groot en wijd, in vergelijking met de mutsen die in de andere deelen van ons land worden gedragen, vooral groot en wijd en dik boven het voorhoofd. Dat wordt in Breda niet veroorzaakt door de volumineuze “poffer” maar door “de kroon”, of “de kroesel” of “de krans”.De muts van de vrouwen uit de Baronie bestaat uit een rand zeer dun geplooide of strakke kant, die om het hoofd gaat en langs de ooren naar achter afbuigt tot in den nek, tot bijna op de schouders. Die effen kanten strook heeft van achter eenbodemofkruin, een naar achter afhangende, opgenomen breede lap kant-stof, tot op schouders afhangend. Het geheel wordt ingeregen met een bandje tusschen de voor-strook en de bodem (of kruin) en op die wijze op het hoofd vastgehouden. Dit is de eenvoudigste soort van het algemeene type van de muts in de Baronie.Dit is de “strakke muts”, die van tulle of gaas is in de rouw en door de week en ’s Zondags van kant. Ze wordt over een zwarte ondermuts gedragen en van voren, op het voorhoofd, hebben de vrouwen twee kleine krulletjes haar (valsch of echt) aangebracht, die even onder den rand van de muts uitkomen.In deze eenvoudigste vorm heeft deze Baronie-muts veel overeenkomst met de groote floddermutsen die op de Zuid-Hollandschsche eilanden worden gedragen. Ze is als het ware het overgangs-type tusschen de Noord-Brabantsche, sterk-Belgische vormen en de zuiver Hollandsche vormen van Zuid-Holland en Zeeland.Deze strakke muts wordt echter veelvuldig gevarieerd in een mooier en rijker bewerking. Dan wordt het dedubbele muts. De hoofdvorm blijft dezelfde. De voorste strook kant, die het gezicht omsluit, wordt echter dubbel, in twee geledingen over elkaar. In den regel zijn deze dubbele mutsen steeds van kant en doen alleen ’s Zondags dienst.Behalve dat bestaat er nog een vereenvoudigde soort van deze strakke mutsen, veel kleiner, minder omvangrijk, zonder afhangende bodem, met slechts een zeer smal strookje kant rond het gezicht, en met dunne bandjes onder de kin vastgehouden. Dat is het ouderwetsche mutsje, genaamd “het ongelukske”, dat oudere vrouwen thans nog dragen, en dat alléén bij ’t werk dienst doet. Men ziethieruit, dat ook hier, evenals in Zeeland, in den laatsten tijd de tendenz bestaat de mutsen steeds grooter te doen worden.Over die strakke en dubbele muts komt nu “de kroon”, of “de bloemkrans” of “de kroesel”, een dikke wrong van kleine bloemetjes in tulle uitgevoerd en met kralen opgesierd, meestal geheel wit van kleur, maar soms ook met blauwe bloemetjes en kralen verfraaid. Deze kroon ligt vlak op de muts, boven het voorhoofd, en gaat van de eene slaap naar de andere, en is vastgehecht op een (meestal) lichtblauw zijden lint dat van achter, onder de afhangende bodem, achter het hoofd is vastgezet met haak en oog.Bij deze mutsen behooren, evenals in de Meierij,lange, groote gouden oorhangers, halskettingen van koraal, en een klein kleurig doekje, “cache-nez” dat met kleine puntjes links en rechts onder de kin uitstaat, naast de groote witte strikken die de strakke of dubbele muts onder de kin vasthoudt.De verdere lijfs-kleeding is, vooral voor de boerinnen van het platte land, de ook in de Meierij bekende kapmantel, of ook nog zeer dikwijls de oude “Kashmire-shawl”. Merkwaardig is in dit deel van Noord-Brabant de zeer kennelijke invloed van de Belgische nationale drachten, vooral in de dorpen langs de Belgische grens in het zuiden van de Baronie en in het land van Bergen-op-Zoom.In die streken dragen de Brabantsche vrouwentwee soorten mutsen, een Hollandsche (Bredasche) en een Belgische. Deze laatste als zij over de Belgische grens (vóór den oorlog) ’s Zondags ter kerke gingen. Soms echter dragen zij die muts ook als ze in Breda naar de markt gaan.Deze “Belgische muts” is betrekkelijk klein, geheel van ineengeplooid wit lint, min of meer vierkant van hoofdvorm, een weinig naar de zijkanten en naar achter uitstekend, Maar op die muts zijn groote strikken van breed, gekleurd lint aangebracht, geel, rood, groen, paarsch, in alle kleuren. Twee van die lange, breede linten worden onder de kin vastgestrikt, twee hangen lang af naar achter, op den rug. Er is geen bijzondere kleur van deze linten voor bijzondere gelegenheden vastgesteld, tenzij zwart voor den rouw.Bij deze Belgische mutsen behoort een kapmantel of pelerine van meer pompeus maaksel dan de gewone, meer kant, tulle, linten en strikken, ofschoon de hoofdvorm dezelfde is als de andere pelerines. Dit kleedingstuk is een zeer kennelijke verboerschte imitatie van de Parijsche mode van omstreeks 1880.Behalve deze mutsen wordt in de Baronie, naar de kant van Zundert, een soort muts gedragen die veel overeenkomst heeft met debuiten-mutsvan deMeierij. In Zevenbergen is de vorm weer anders, daar wordt dekroonniet meer gedragen, of slechts zeer klein, maar vervangen door eenrijk geplooid breed lint, dat ook naar achter afhangt—zoo ook in de Zevenbergsche hoek, waar de vorm zich gaandeweg meer bij de Zuid-Hollandsche mutsen-vormen aansluit.

Het eerste wat van de mutsen, die door de boeren-vrouwen in de Baronie van Breda gedragen worden, in tegenstelling met die van de Meierij van Den Bosch, opvalt, is, dat de afmetingen van die Bredasche mutsen zooveel kleiner zijn. Maar toch zijn ze nog groot en wijd, in vergelijking met de mutsen die in de andere deelen van ons land worden gedragen, vooral groot en wijd en dik boven het voorhoofd. Dat wordt in Breda niet veroorzaakt door de volumineuze “poffer” maar door “de kroon”, of “de kroesel” of “de krans”.

De muts van de vrouwen uit de Baronie bestaat uit een rand zeer dun geplooide of strakke kant, die om het hoofd gaat en langs de ooren naar achter afbuigt tot in den nek, tot bijna op de schouders. Die effen kanten strook heeft van achter eenbodemofkruin, een naar achter afhangende, opgenomen breede lap kant-stof, tot op schouders afhangend. Het geheel wordt ingeregen met een bandje tusschen de voor-strook en de bodem (of kruin) en op die wijze op het hoofd vastgehouden. Dit is de eenvoudigste soort van het algemeene type van de muts in de Baronie.Dit is de “strakke muts”, die van tulle of gaas is in de rouw en door de week en ’s Zondags van kant. Ze wordt over een zwarte ondermuts gedragen en van voren, op het voorhoofd, hebben de vrouwen twee kleine krulletjes haar (valsch of echt) aangebracht, die even onder den rand van de muts uitkomen.

In deze eenvoudigste vorm heeft deze Baronie-muts veel overeenkomst met de groote floddermutsen die op de Zuid-Hollandschsche eilanden worden gedragen. Ze is als het ware het overgangs-type tusschen de Noord-Brabantsche, sterk-Belgische vormen en de zuiver Hollandsche vormen van Zuid-Holland en Zeeland.

Deze strakke muts wordt echter veelvuldig gevarieerd in een mooier en rijker bewerking. Dan wordt het dedubbele muts. De hoofdvorm blijft dezelfde. De voorste strook kant, die het gezicht omsluit, wordt echter dubbel, in twee geledingen over elkaar. In den regel zijn deze dubbele mutsen steeds van kant en doen alleen ’s Zondags dienst.

Behalve dat bestaat er nog een vereenvoudigde soort van deze strakke mutsen, veel kleiner, minder omvangrijk, zonder afhangende bodem, met slechts een zeer smal strookje kant rond het gezicht, en met dunne bandjes onder de kin vastgehouden. Dat is het ouderwetsche mutsje, genaamd “het ongelukske”, dat oudere vrouwen thans nog dragen, en dat alléén bij ’t werk dienst doet. Men ziethieruit, dat ook hier, evenals in Zeeland, in den laatsten tijd de tendenz bestaat de mutsen steeds grooter te doen worden.

Over die strakke en dubbele muts komt nu “de kroon”, of “de bloemkrans” of “de kroesel”, een dikke wrong van kleine bloemetjes in tulle uitgevoerd en met kralen opgesierd, meestal geheel wit van kleur, maar soms ook met blauwe bloemetjes en kralen verfraaid. Deze kroon ligt vlak op de muts, boven het voorhoofd, en gaat van de eene slaap naar de andere, en is vastgehecht op een (meestal) lichtblauw zijden lint dat van achter, onder de afhangende bodem, achter het hoofd is vastgezet met haak en oog.

Bij deze mutsen behooren, evenals in de Meierij,lange, groote gouden oorhangers, halskettingen van koraal, en een klein kleurig doekje, “cache-nez” dat met kleine puntjes links en rechts onder de kin uitstaat, naast de groote witte strikken die de strakke of dubbele muts onder de kin vasthoudt.

De verdere lijfs-kleeding is, vooral voor de boerinnen van het platte land, de ook in de Meierij bekende kapmantel, of ook nog zeer dikwijls de oude “Kashmire-shawl”. Merkwaardig is in dit deel van Noord-Brabant de zeer kennelijke invloed van de Belgische nationale drachten, vooral in de dorpen langs de Belgische grens in het zuiden van de Baronie en in het land van Bergen-op-Zoom.

In die streken dragen de Brabantsche vrouwentwee soorten mutsen, een Hollandsche (Bredasche) en een Belgische. Deze laatste als zij over de Belgische grens (vóór den oorlog) ’s Zondags ter kerke gingen. Soms echter dragen zij die muts ook als ze in Breda naar de markt gaan.

Deze “Belgische muts” is betrekkelijk klein, geheel van ineengeplooid wit lint, min of meer vierkant van hoofdvorm, een weinig naar de zijkanten en naar achter uitstekend, Maar op die muts zijn groote strikken van breed, gekleurd lint aangebracht, geel, rood, groen, paarsch, in alle kleuren. Twee van die lange, breede linten worden onder de kin vastgestrikt, twee hangen lang af naar achter, op den rug. Er is geen bijzondere kleur van deze linten voor bijzondere gelegenheden vastgesteld, tenzij zwart voor den rouw.

Bij deze Belgische mutsen behoort een kapmantel of pelerine van meer pompeus maaksel dan de gewone, meer kant, tulle, linten en strikken, ofschoon de hoofdvorm dezelfde is als de andere pelerines. Dit kleedingstuk is een zeer kennelijke verboerschte imitatie van de Parijsche mode van omstreeks 1880.

Behalve deze mutsen wordt in de Baronie, naar de kant van Zundert, een soort muts gedragen die veel overeenkomst heeft met debuiten-mutsvan deMeierij. In Zevenbergen is de vorm weer anders, daar wordt dekroonniet meer gedragen, of slechts zeer klein, maar vervangen door eenrijk geplooid breed lint, dat ook naar achter afhangt—zoo ook in de Zevenbergsche hoek, waar de vorm zich gaandeweg meer bij de Zuid-Hollandsche mutsen-vormen aansluit.

C. Het Mark-Graafschap van Bergen op ZoomTen slotte de mutsen in het land dat aan Zeeland en Zuid-Holland grenst. De algemeene vorm is die van de Bredasche muts, maar zonder de kroon, dus eenvoudiger, smaller, platter.Verder is in deze streek de invloed van de Belgische en Zeeuwsche drachten meer kenbaar, en vormt ze een overgangsgebied naar de eigenlijke Hollandsche drachten. Vandaar dat men slechts weinig van een eigen dracht in deze streek merkt, althans niet in de steden, De plattelandsbevolking blijft het langst de “boerendracht” getrouw. De meeste vrouwen dragen reeds hoeden, dat wil zeggen ouderwetsche hoofddeksels, die tot geen land en geen tijd behooren, en, zooals gewoonlijk bij dergelijke soort kleedij, zeer smakeloos zijn.

Ten slotte de mutsen in het land dat aan Zeeland en Zuid-Holland grenst. De algemeene vorm is die van de Bredasche muts, maar zonder de kroon, dus eenvoudiger, smaller, platter.

Verder is in deze streek de invloed van de Belgische en Zeeuwsche drachten meer kenbaar, en vormt ze een overgangsgebied naar de eigenlijke Hollandsche drachten. Vandaar dat men slechts weinig van een eigen dracht in deze streek merkt, althans niet in de steden, De plattelandsbevolking blijft het langst de “boerendracht” getrouw. De meeste vrouwen dragen reeds hoeden, dat wil zeggen ouderwetsche hoofddeksels, die tot geen land en geen tijd behooren, en, zooals gewoonlijk bij dergelijke soort kleedij, zeer smakeloos zijn.


Back to IndexNext