I. Inleiding.

I. Inleiding.A. Over kleederdrachten in het algemeen.Het moet als een door de anthropologie en de cultuurgeschiedenis bewezen waarheid gelden dat de redenen, waarom zich den mensch kleedt, niet gevonden moeten worden in climatologische of zedekundige gronden, maar in denwil om zich te onderscheiden. Versiering is de eerste grondgedachte van de primitieve menschelijke kleedij geweest, versiering van zijn eigen lijfelijke persoonlijkheid om zich van zijn mede-menschen te onderscheiden, versiering als middel om zijn eigen plaats onder de menschen in te nemen, als middel dus tot zelfbestaan. De koningsmantel is de uiterste consequentie van deze eenvoudige grondgedachte.Later, toen den mensch zich meer en meer van de natuurstaat verwijderde en de geheele aardbol ging bewonen, hebben zich de wisseling in temperatuur, de bodemgesteldheid en allerlei andere omstandigheden, die met de geologie en geographie in verband stonden, den aard van de kleeding in de verschillende landen bepaald. Rassen-eigenaardigheden, godsdienstige opvattingen en ten slotte nationale en politieke oorzaken hebben daarnainvloed op den vorm, de kleur en het algemeen aspect van de kleeding gehad. En zoo ontstonden de nationale kleederdrachten, die in hun grondgedachte niet anders bedoelen dan de dragers reeds dadelijk, door hun kleeding, als uit dit of dat land afkomstig, als bij dit of dat volk behoorende, te doen kennen .... dooronderscheiding.Opmerkelijk is daarbij, dat eenzelfde soort kleedingstuk in verschillende landen, in bijna gelijken vorm voorkomt, omdat het zijn reden in dezelfde climatologische of gebruiks-gronden vindt. Waar dan de hoofdvorm overal dezelfde is, zelfs de stof waaruit zoo’n kleedingstuk in de verschillende landen is gemaakt, dezelfde blijft, is de kleur en vooral de versiering voor ieder land of streek verschillend, zoodat het nationale, het eigene, het onderscheidende nog zeer duidelijk op den voorgrond treedt, ondanks de algeheele overeenkomst in het wezen en den vorm van zoo’n stuk kleedij.Als voorbeeld moge de veel gesmade, veel uitgelachen wijde broek van onze Volendammers gelden, welk oer-type van beenbekleeding voor mannen in bijna iedere Europeesche, West-Aziatische en Noord-Afrikaansche volksdracht—ja zelfs in de Chineesche—terug te vinden is. Toch zal in ieder land dit kleedingstuk, om de eigenaardige kleur of bijzondere versiering, zijn zeer eigen cachet hebben en den drager aldadelijk van zijn mede-menschen doen onderscheiden, hem als uit dit of dat land afkomstig doen kennen.En zoo is het met ieder onderdeel van de menschelijke kleedij, omdat ieder dezer deelen tot een paar hoofd-typen terug te voeren zouden zijn, die overal terug komen, alléén in ieder land op zeer kenmerkende, onderscheidende wijze vervormd en versierd.B. Over nationale kleederdrachten.Het eerste beginsel van de nationale drachten is dus de bewoners uit een zeker land van die, uit een ander gewest, te doen onderscheiden. Het is begrijpelijk, dat daarom het wezen van de nationale drachten ten nauwste samenhangt met het nationaliteits-gevoel. Sterker nog. Het vindt zelfs zijn oorsprong in gewestelijke concentratie, soms zelfs in den wil van een stad of dorp om zich geheel van de buitenwereld af te scheiden, te onderscheiden.Het wezen van een nationale kleedij is derhalve geheel tegenovergesteld aan het wezen van de mode. Want de mode vooronderstelt een internationale idee, of althans een idee waarin den wil zich als land of stad in zichzelf te onderscheiden, is opgeheven. De mode vooronderstelt een gelijkheid in nationaliteiten, steden en bewoners, en uit zich in gelijkvormigheid. De nationalekleedij bestreeft juist het tegenovergestelde, de zoo sterk mogelijke individualiseering van een land, een stad, zijn bewoners, waarvan zij de persoonlijkheid accentreert.In zoo verre is ook de idee van een nationale kleedij geheel tegenovergesteld aan die van het uniform. Want een uniform bedoeld een uiterlijke gelijkvormig making met de volkomen terzijde zetting van de persoonlijkheid. In zooverre is dus de idee van een uniform gelijk aan het wezen van de mode. Maar een uniform wordt gedragen op bevel, de mode volgt ieder individu uit eigen keuze.... als men ’t tenminste zoo noemen mag.Maar bij de mode is althans nog sprake van persoonlijkheid, te meer ook daar ieder individu, naar eigen smaak, de mode veranderen kan, niet alléén voor zoover het zijn eigen kleeding betreft, maar ook zelfs op de kleeding van anderen invloed kan uitoefenen.In de nationale kleeding echtertreedtde persoonlijkheids-idee van het volk—als volk—op, ze vormt er het wezen van, d.w.z. ze brengt de persoonlijkheids-idee van een gemeenschap tot uiting. En aangezien een gemeenschap niet spoedig nieuwe ideeën, nieuwe uitingsvormen aanneemt, is het logisch, dat het beginsel van de nationale kleederdrachten ten nauwste samenhangt met het begrip “conservatisme”—maar, in den goeden zin van dit woord.C. Over de nationale kleederdrachten en de vooruitgaande beschaving.Dát verwijten de zoogenaamde beschaafden de nationale kleederdrachten het meest, dat ze een kenteeken zouden zijn van achterlijkheid, van onbeschaafdheid en, deze twee vereenigd, van “boerschheid”.Daar zou iets voor dit argument te zeggen zijn, als datgene, wat die nieuwlichters voor die oude drachten—die de resultante zijn van een eeuwenheugende cultuur—in de plaats zouden willen stellen, zooveel beter was dan die ouderwetsche kleedij. Maar dat is geenzins het geval. Zij, die deze oude drachten zouden willen doen verdwijnen, zouden er niets anders voor in de plaats willen, kunnen stellen, dan de zoogenaamde universeele mode. Behalve, dat dit de aesthetica niet ten goede zou komen, misschien echter eenigen grond in de gezondheidsleer zou kunnen vinden, zou die verandering psychologisch noch aan het geheel, noch aan het individu ten goede komen.Tenzij—maar dat is voorloopig nog niet mogelijk—in de plaats van die oude drachten een nieuwe kleedij gesteld kon worden, die in zijn vormen, kleuren, versieringen en veel-soortige beteekenis even algemeen waardevol is, als die oude kleedingswijze.Die nationale kleeding dus met opzet te willendoen verdwijnen, omdat ze zoogenaamd de uiting is van onbeschaafdheid, zou gelijk staan zich aan de volkspersoonlijkheid te vergrijpen. En in deze tijd van algemeene vernivelleering, van gebrek aan persoonlijkheids-gevoel, zou dat gelijk staan met de werkelijke cultuur aan te randen, door haar uiterlijk met geweld te willen vernietigen.De nationale kleederdrachten behooren tot de monumenten die ons het voorgeslacht liet, als een uiting van haar persoonlijkheids-gevoel, haar persoonlijkheids-wezen, haar eigen beschaving en idealen. En al deze monumenten, de oude kasteelen, kathedralen en huizen, de oude meubelen en ook die oude kleedij, moet men, als een deel van den geest van het verleden, hun eigen dood doen sterven. “Il faut laisser mourir les monuments.”Het zou even zoo dwaas zijn die oude kleedij met geweld te willen verbieden, als ze, daar waar ze uit zich zelf verdwenen is, weer te willen doen herleven. En dit geldt voor alles wat ons het voorgeslacht liet. Slechts datgene waarin de algemeene waarheid leeft, blijft, en krijgt op zijn tijd zijn nieuwe kleed, kan zich, op zijn tijd, opnieuw verjongen en zich dan weer doen onderscheiden.De nationale kleederdrachten nu zijn een zeer bijzondere uiting van het persoonlijkheids-bewustzijn van een land, van een streek, van een stad. En zoolang dat bewustzijn in de bewoners van dat land leven blijft, zoolang blijft hun nationale,eigene kleeding bestaan. Zoodra zij zich echter inter-nationaal, of zonder zelfstandigheid gaan voelen, verdwijnt hun eigene kleeding.Als zoodanig ligt er dus wel eenige waarheid in het verwijt van die zoogenaamd beschaafden, dat in streken waar nog een nationale kleederdracht gevonden wordt, nog een zekere achterlijkheid bestaat. Maar dan moet dit aldus verstaan worden, dat onder achterlijkheid, persoonlijkheid verstaan wordt. Maar sinds wanneer is dan “persoonlijkheid” gelijk aan “achterlijkheid”. Tenzij dat men in het vasthouden aan die van oudsher overgeleverde vorm-geving, aan dat persoonlijkheidsgevoel een star en dood vasthechten aan de uiterlijkheid ziet.—In dat geval is het werkelijk een gebrek aan vooruitgang, een achterlijkheid.—Maar .... zoo is het in werkelijkheid niet.Het isgeenszinswaar dat die oude kleedij slechts door domme boeren en onbeschaafde buitenlui gedragen wordt uit sleur, omdat ze niet beter weten. Moge dit voor den “stads-mensch” zoo schijnen, de waarheid is anders. Zeker in de streken en bij de “boeren” die de nationale dracht nog in zijn geheel naar het oude model dragen. Dit getuigt de wijze waarop en de gelegenheid waarbij die “boeren” hun oude kleeding dragen.Zij zien hun eigen ideaal in die bijzondere kleedij, die kleurige stoffen, linten, strikken, gouden sieraden en kantwerk. Voor hen is die kleedij werkelijk mooier en beter dan de “stadskleeding” of de mode. En dit bewijst niet de achterlijkheid van deze menschen, maar het pleit voor hun onbedorvenheid, voor de oprechtheid van hun gevoel en hun smaak. En zoo deze dan al niet van de meest verfijnde soort moge zijn, ze is in ieder geval“echt”.En zij worden in hun voorliefde volkomen in het gelijk gesteld door kunstenaars en aesthetici, die de typische schoonheid van de ware, nog intact gebleven oude drachten boven de gemiddelde moderne modekleedij zullen stellen, er het meerdere karakter, de grooter eigenheid van erkennen. Is die aanhankelijkheid aan het oude, die zoogenaamde achterlijkheid, niet heel wat beter dan over te gaan tot een slecht gedragen moderne kleedij, die in den regel voor de nationale dracht in de plaats wordt gesteld?Men kan dus niet zeggen dat het uit sleur is dat die nationale drachten nog gedragen worden ... of dat hun eigendommelijke schoonheid niet een nog levende schoonheid zou zijn, die door de dragers niet duidelijk als zoodanig zou worden gekend. Zelfs de “mode” heeft in die nationale costumes de eigene schoonheid weten te waardeeren, en veel motieven en kleur-combinatieszijn aan die drachten door de moderne vrouwenkleeding ontleend. Zelfs de kanten mutsjes, die men nog voor kort—door hun overdreven stijfgeplooidheid—nog zoo “grootmoederlijk” vond, vinden thans bij de moderne dameskapsels navolging.Zoodat per slot het boersche en het onbeschaafde niet ligt bij die nationale drachten, maar in de onkunde die er omtrent hen heerscht, en bij de “moderne modes” die alle goeden smaak bederven, en er eerder over gedacht zou moeten worden tot de oude volkskleedij terug te keeren dan ze af te schaffen. Althans als er sprake zou zijn van “cultuur” en ware goede “smaak” en, indien “terug-gaan” als zoodanig ooit te verdedigen zou zijn.Intusschen is noch het een, noch het ander het ware. De tijd zal in deze ook op het gebied der kleedij een nieuw persoonlijkheids-idee doen ontstaan, die bij de oude nationale drachten zoo levend en zoo kenbaar was, en die in de moderne costumeering slechts bij zeer hooge uitzondering tot uiting komt en bereikt wordt.En, persoonlijkheid, ook in kleeding, is toch immers slechts het eenige kenmerk van ware cultuur—dat is, van een van binnen-uit gekomen zelf-ontwikkeling, zelf-opheffing, zelf-verbetering.II. De Nederlandsche nationale kleederdrachten.A. Algemeen overzicht.Thans, in 1916—en reeds in 1912 op het feest in Nationale kleederdrachten te Amsterdam, moet geconstateerd worden dat van de Nederlandsche-eigen-volks-kleedij niet veel meer over is, en dat wat er nog is, zienderoogen en jammerlijk verandert en verdwijnt.En het gaat met dat verdwijnen ieder jaar sneller.Op zichzelf zou men hier niet over moeten treuren, omdat met het verdwijnen van dat, wat afgedaan heeft, de plaats vrij wordt voor nieuw leven. Maar erger is het dat vele drachten zoo deerlijk veranderd worden, zoo “verknoeid worden” moet men zeggen, door toevoegsels of veranderingen die enkele dragers (maar vooral draagsters) aan deze kleedij aanbrengen.Dat veranderen heeft er meer toe bijgedragen dat algemeen wanbegrip dat onder het groote publiek over die costumes heerscht te doen ontstaan, dan de werkelijke costumes zelf. Aan het origineel erkent men tenminste het ware, al vindt men het niet mooi. De eigen-gereide verandering wordt in den regel echter slechts lachwekkend. Ik denk hier aan de bekende capotte-hoedjes—een overblijfsel van de Fransche-Dames-Modes van omstreeks 1880—die in het Nederlandsche nationale costume zijn overgegaan, onder den naam van “de kiep” (West-Friesland). Deze “kiep” wordt over de boeren-muts gedragen, met banden onder de kin vastgeknoopt, en is een toonbeeld van verregaande onredelijkheid en smakeloosheid. Zoo’n toevoegsel maakt het geheele costume en de draagster zelf werkelijk belachelijk.Dergelijke veranderingen maakten het nationale costume bespottelijk. Maar andere wijzigingen kwamen de moderne smaak meer in het gevlei, ofschoon ze evenzeer tegen het wezen van de nationale dracht streden.Zoo dragen de Zeeuwsche vrouwen op Walcheren sinds eenige jaren een corset, en maken zij hun vele rokken niet meer van zoo dikke wollen stoffen. Het gevolg is dat er veel meer teekening in hun figuur kwam, en bijna eenzelfde lijn als de moderne dames-costumes werd verkregen. Voeg daarbij dat de van nature zoo wel gebouwde Walcherensche vrouwen al reeds uit zichzelf een meer “moderne” verschijning hebben dan bijvoorbeeld de Marker vrouwen, dan begrijpt men hoe op Walcheren de nationale dracht voor de vrouwen zoolang en zoo algemeen “mode” kon blijven. Ze flatteerde in hooge mate, ze kwam de lijn van het moderne vrouwen-costume nabij,en ze bleef toch schijnbaar nationaal zonder dit echter in werkelijkheid geheel te zijn.Ziedaar een voorbeeld van verandering, die althans niet aesthetisch storend werkt en daarom het uiterlijk van het nationaal costume als zoodanig niet geheel ten nadeele komt.Maar behalve de veranderingen die iedere draagster, naar eigen smaak, aan haar eigen dracht aanbrengt, zijn er andere factoren die op het verdwijnen van de nationale costumes van grooten invloed zijn.Want .... ze verdwijnen langzaam maar zeker—al die bonte, typische, nationale Nederlandsche-volks-eigen drachten, met zoo eigen schoonheid en charme. De groote en uitgebreide correspondentie, die ik sinds 1912 met belangstellenden over dit onderwerp voer, bewijst dit.Gemeentelijke autoriteiten zoowel als privé-personen, uit alle deelen van ons land, zij allen zijn het er over eens dat die drachten zienderoogen verminderen. En—komt men ter plaatse zelf—dan zullen het u alle oude vrouwtjes verhalen hoe in hun jeugd allen minstens nog mutsen droegen, terwijl thans (1916) de jeugd, in diezelfde streken, geen enkel spoor van nationale dracht meer in haar kleeding toont.De ouderen herinneren zich, dat in hun jeugd bijna allen in nationale kleedij gingen, althansmet de muts en de rest van de kleeding was dan althans van ouderwetsche stof, snit en kleur.De menschen van middelbaren leeftijd van thans (1916) tooien zich nu en dan nog met de muts en het oorijzer of de gouden sieraden, die van de ouders zijn geërfd, en dan nog alléén uit piëteit voor hun voorzaten. Maar de jeugd van dezen tijd (1916) is volkomen “modern.”Dit geldt voor het allergrootste deel van Nederland, en in de allereerste plaats de groote steden en hun omgeving, zelfs in streken als Zeeland, op Marken, Urk en in andere plaatsen, waar de dracht nog vrij algemeen is, vindt men al huisgezinnen, waar slechts een deel van de kinderen in nationaal costuum gaan, de anderen “bekeerd” zijn, zooals ik eens een jong meisje van 13 jaar, (in Huizen) die “modern” droeg, hoorde zeggen.De moderne jeugd is zoogenaamd “te verstandig”, en na dit geslacht zal in het volgende wellicht alle herinnering aan de nationale kleedij in Nederland verloren zijn, met uitzondering van een paar streken, waar thans nog de oude dracht algemeen en in zijn geheel gedragen wordt. Maar die streken worden hoe langer hoe kleiner. Want een andere oorzaak van het veranderen, en daardoor verdwijnen van de nationale kleedij, is de kostbaarheid van die dracht. En ook vereischen de meeste van die costumes zeer veel kennis om ze te vervaardigen, ze zijn lastig in het dragen, en kostbaar in onderhoud,vooral de kanten mutsen en kappen, die meestal door speciale strijksters moeten behandeld worden.Ook dit zijn ongemakken, die de moderne jeugd gaarne ontgaan wil, vooral omdat de nieuwerwetsche kleeding zooveel eenvoudiger en losser in het dragen is en geheel gereed in winkels kan worden gekocht. Maar daar staat tegenover, dat vele van die oude drachten zoozeer flatteeren. En .... welke vrouw zou dat niet zien .... en waardeeren, en haar veel moeiten doen vergeten. Zoo die ijdelheid dan—voor zoover de vrouwencostumes betreft—voor een deel oorzaak zou kunnen zijn, dat enkele van die oude drachten langer zouden kunnen blijven voortbestaan, niet aldus met de mannendracht. Daar geeft het practische den doorslag, ofschoon hier en daar nog een klein gevoel voor de geboorteplaats en een koppig vasthouden aan oude gebruiken tot de instandhouding van de plaatselijke dracht zal blijven medewerken.Over het algemeen moet echter vastgesteld worden, dat de nationale Nederlandsche kleedij langzaam maar zeker verdwijnt, en dat vooral dit nu levende geslacht (1870–1920), de grootste veranderingen op dit gebied mee maakt.B. Waar worden de Nederlandsche nationale kleederdrachten gedragen?In ieder van de elf Nederlandsche provinciën wordt de nationale dracht op zeer verschillende wijze in stand gehouden.In enkele streken komt ze thans (1916) nog veelvuldig voor en wordt ze in haar geheel, in onder- en bovenkleeding, zoowel door de mannen als de vrouwen en de kinderen in eere gehouden.In andere gedeelten van ons land, en dat is wel het grootste deel, vindt men er nog slechts de gedeeltelijke overblijfselen van. Die gedeeltelijke dracht bepaalt zich dan hoofdzakelijk tot de vrouwen-kleeding, waarbij alleen de kap en het oorijzer en eenige bijzondere gouden en bloedkoralen lijfsieraden behouden bleven.Het verdere gedeelte van de kleeding dier vrouwen is dan een soort stadsdracht, waarin zekere vormen en versieringswijzen van de oude drachten zijn overgebleven, maar in heel andere stoffen, heel andere (meestal effen) kleuren zijn uitgevoerd, een en ander vervormd door den invloed van modedrachten van bijna een generatie terug. Dit “halve” nationale kleed heeft dus in ieder geval een bijzonder cachet, maar zij is de bij uitstek smakelooze, boersche en onbeschaafde en is de ergste vijand van de volledige nationale dracht geworden, omdat ze zoo voor ieder in hetoog vallend dualistisch verkeerd, daardoor zoo leelijk en daarom zoo belachelijk is.En in het overige deel van Nederland zijn zelfs alle sporen van de ouderwetsche dracht verloren gegaan. Dit is vooral zoo in de groote steden en centra van industrie, en dan voornamelijk onder de bevolking die van deze industrie leeft. De boeren hebben in die streken soms nog hun eigen dracht—geheel of gedeeltelijk—behouden.Een merkwaardig voorbeeld van dien verderfelijken invloed van de industrie op onze nationale kleederdrachten ziet men in Vlissingen, dat geheel gemoderniseerd is, terwijl op het overige gedeelte van het onvolprezen schoone Walcheren, tot zelfs onder de poorten van Vlissingen zelf, de inheemsche dracht in zoo bijzondere eer wordt gehouden.Zoo men de streken waar de nationale kleedij veel, minder of in ’t geheel niet meer gedragen wordt, op de kaart van Nederland aanteekent, dan zal het opvallen, hoe de volledige kleedij alléén nog maar voorkomt in twee scherp afgescheiden centra (zie bl.1).Het eene omvat Zeeland, en dan nog hoofdzakelijk alleen de eilanden Walcheren en Zuid-Beveland, en een deel van Staats-Vlaanderen.Het andere strekt zich uit langs de kust van de Zuiderzee, van Staphorst (in Overijsel) in het Noorden, tot Huizen (in Noord-Holland) in hetZuiden. De eilanden Urk, Marken en Volendam (dat zoo goed als een eiland op het land is) moet men ook tot dat centrum rekenen.Buiten deze twee zich zeer duidelijk afteekenende streken, wordt het nationale costuum in Nederland nergens meer compleet gedragen. In alle andere streken komt het gedeeltelijk voor, zelfs in de dorpen langs de Noordzee, waar voor Scheveningen, wat de vrouwenkleeding betreft, een soort uitzondering gemaakt zou kunnen worden.De streken, waar de nationale dracht gedeeltelijk voorkomt, strekken zich om deze centra uit, ook in de groote steden zijn de drachten zoo goed als geheel verdwenen, zoo men tenminste niet de zeer enkele oudere vrouw die nog alleen een eenvoudige muts (de gewone Hollandsche hulle) draagt, of enkele weezen-costumes mee wil rekenen.In het algemeen kan men echter zeggen dat dit gedeeltelijk costume in het grootste (westelijke) deel van de Provincie Friesland nog gedragen wordt, op enkele van de Noordzee eilanden, in Noord-Holland (in hoofdzaak West-Friesland), op het platteland in Zuid-Holland en Utrecht, de noordelijke Zeeuwsche eilanden, langs der Gelderschen IJsel in den achterhoek van Gelderland, in het land tusschen Maas en Waal en in het noordelijk en westelijk deel van Noord-Brabant. In Groningen, een groot deel van Drenthe enOverijsel, in zuid-oostelijk Noord-Brabant en in Limburg is echter de dracht geheel verdwenen, bijna ieder spoor is er van uitgewischt.De overgangs-periode van heele op gedeeltelijke dracht, die het geslacht dat thans (1916) ongeveer vijftig jaar is, heeft meegemaakt, wordt door de jeugd uit dezen tijd (1916) overgeslagen. Zelfs in centra waar de drachten om veel redenen nog in zeer groote eere zijn, beginnen enkele jongeren direct met algeheelen afstand van het nationale costume te doen en kleeden zich, niet alleen “op zijn stadsch” maar zelfs naar de laatste buitenlandsche mode, nu deze nieuwere vormen en opvattingen zooveel spoediger tot de landelijke bevolking doordringen dan dit een geslacht geleden gebeurde.En, waar deze volledige verandering van costumeering, zoo zonder overgangsproces, plaats grijpt, is het begrijpelijk dat voor de nationale drachten het grootste gevaar dreigt om in betrekkelijk zeer korten tijd volkomen te verdwijnen.C. Over den invloed van den godsdienst, ras, rang, stand en beroep op de Nederlandsche nationale kleederdrachten.De invloed van den godsdienst op de nationale drachten is een zeer bijzondere. Niet alleen dat de vorm van het costume ook zelfs naar dengodsdienst verschillend wordt, zooals dit zeer sterk is op Zuid-Beveland, maar het blijkt dat de godsdienst ook van invloed is op het behoud onzer nationale drachten. Over het algemeen heb ik opgemerkt dat in meer orthodoxe streken—zoowel protestantsche als roomsch-katholieke—de drachten langer bewaard blijven dan in minder godsdienstige, zoodat dus de godsdienstige factor als eene ten goede voor de drachten moet worden aangemerkt.De invloed van het Ras laat zich ook in den vorm van de costumes nawijzen zooals ik dat reeds hier en daar in dezen text doe. Hierover hebben ook Dr. Jos. Schrijnen, in zijn hoogst belangrijk boek over “Nederlandsche volkskunde”, Prof. J. H. Gallee in zijn werk over “Het boerenhuis in Nederland en zijn bewoners”, en Prof. L. Bolk in zijn verhandeling over “De bevolking van Nederland in haar anthropologische samenstelling”, hun zienswijzen en de resultaten van hun studiën neergelegd.De rang en stand in de maatschappij heeft in zooverre ook haar invloed op de nationale drachten doen gelden, dat de costumeering rijker en fraaier werd, naarmate de drager in betere sociale omstandigheden verkeerde. Op den vorm van de dracht had dit slechts weinig invloed, men was niet gewend bijzondere kenteekenen, om de standen te onderscheiden, te dragen.Om deze redenen zijn dus onze nederlandsche nationale drachten echtevolks-drachten.Anders is dit met de gelegenheids-kleedij. Niet alleen dat de vorm en de kleur van de kleeding der kinderen dikwijls van de dracht van de volwassenen onderscheiden is, maar voornamelijk wordt het onderscheid groot tusschen daagsche, feestelijke of rouw-kleedij. Dit is bij al onze nationale drachten min of meer het geval, maar—begrijpelijkerwijze—daar het sterkst, waar de drachten nog volledig door mannen en vrouwen gedragen worden, omdat ook de oude zeden, met die oude drachten, behouden bleven.De invloed van die zeden en gebruiken, doet zich dan zeer sterk op de kleeding gelden, en komt in de verscheidenheid van die kleedij bij vele gelegenheden tot uiting.Opmerkelijk is daarbij vooral de bijzondere fraaiheid en ingewikkeldheid van de trouw-costumes, en—hoe zou het anders kunnen—vooral van deze gelegenheids-kleeding van de vrouwen.Overal wordt bij de costumeering van “de bruid” een zeer bijzondere prachtlievendheid, zoowel in kleur als in bewerking van het costume, ten toon gespreid.Maar ook het verschil in beroep bracht verschil in kleedij, zonder dat er echter van een consequent doorgevoerde beroeps-kleeding kan gesproken worden.Zoo is er, bijvoorbeeld op Scheveningen, verschil in de kleeding tusschen de visschers en de dorps-bewoners (die andere bezigheden hebben). Maar over het algemeen is de afwijking van het algemeene type der locale kleeding tengevolge van beroep of stand niet zeer groot. De grootste variatie wordt veroorzaakt door degelegenheidwaarbij het costuum gedragen wordt.Ten slotte zou nog een afzonderlijk hoofdstuk te wijden zijn aan deweezen-costumes. Ofschoon deze, als uniformen, niet tot de eigenlijke nationale kleedij gerekend kunnen worden, staat daar tegenover, dat het wezen en de vorm van vele dezer drachten toch zoo nauw bij de eigenlijke volksdrachten aansluiten, er zoo zeer uit voortkomen en er zich zoodanig mee hebben vermengd, dat deze meestal toch ook ouderwetsche costumeeringen hier noodzakelijk in het kort besproken moeten worden.Enkele van deze costumes zijn hier in dit boekje afgebeeld en beschreven, om toch vooral ook niet deze zoo typeerende kleedij te vergeten, die door een groot deel van het publiek zoo goed gekend wordt, en die, naast de werkelijke nationale drachten, toch ook veel aardigs en eigens aan de lokale kleur van enkele Hollandsche steden hebben bijgezet. De mooie Amsterdamsche burgerweesjes, die uit Haarlem, uit Leeuwarden en zoovele andere steden, mochten in ditbestek ook niet vergetenworden.D. Over de beteekenis van onze Nederlandsche nationale kleederdrachten uit een ethisch en aesthetisch oogpunt.Het ware zeer verkeerd onze nationale volks-kleederdrachten de maatstaf van een hooger schoonheidsbeginsel aan te leggen. Zij behooren, als een van de vele monumenten van oude geschiedenis en kunst, geheel gelijk gesteld te worden met de kleinkunst, de gebruikskunst, die uit het volk, uit zijn aard, zeden en gewoonten voortkwam, zonder in wezenlijk of direct verband met de hoogste intellectueele waarde en geestelijke idealen van dat (ons) volk te staan.En omdat ons Nederlandsche volk zich in haar kunstuitingen, zelfs in die van haar beste perioden, steeds meer een volk van particulariseerend gevoel dan van veralgemeenende verstandelijkheid heeft betoond, moet het ook niet verwonderen dat haar volks-kunst, waaronder onze nationale kleederdrachten te rekenen zijn, nooit belangrijker wordt dan wat met wat goede maar boertige smaak, veel werk-kracht en een vroolijke maar oppervlakkige levensbeschouwing bereikt kon worden.Verheffend schoon zijn daarom onze nationale kleederdrachten niet, maar ze zijn levensvol, soms rijk, soms fijn, maar over ’t algemeen meer aardig, merkwaardig en typeerend dan inspireerend. Zij behooren, gelijk zoovele opmerkelijke maar andersgeen hoogere princiepen uitdrukkende meubelkunst en klein-architecteur, tot dat zelfde soort monumenten van onze groote voorgeschiedenis gerekend te worden, waarvan de overblijfselen nog voor een deel in enkele streken van ons land te vinden zijn is in oude buurtjes en grachtjes, huisjes en hoekjes. Als zoodanig hebben zij dus in het werkelijke hedendaagsche leven van ons volk geen beteekenis meer dan die van “curieuse bezienswaardigheid”. Slechts in die gedeelten van ons land waar nog oude of ouderwetsche zeden en gewoonten heerschen, hebben en behouden zij echter alleszins hun reden van bestaan, en .... zijn zij nog de dragers van het levende volks-ideaal.De schoonste van deze drachten zijn voornamelijk die welke door den Frieschen stam gedragen worden, te weten de costumes in Friesland, Urk, Volendam en in Zeeland. Bij deze alle moet een verfijning van vorm en kleurenkeus geconstateerd worden, die op iets hoogers dan het gemiddelde volks-ideaal wijst, die meer geestelijke ontwikkeling en aspiraties verraadt. Ook de meerdere voortreffelijkheid en schoonheid van dit ras boven de andere bewoners van Nederland verklaart de meerdere belangrijkheid en grooter schoonheid van deze drachten boven de andere.Behalve de aristocratische allure die vooral het Friesche costume haar draagsters geeft, het bijzonder groot-burgerlijke van de Hindelooperdracht,de levens-volheid en natuurkracht, waarvan de Urker en Volendammer kleedij getuigt, wordt in deze het toppunt van evenwichtigheid bereikt in het Zeeuwsche costume, dat meer natuurlijk dan zoovele andere drachten (bijv. Marken, Staphorst enz.) alle voordeelen van de eigenheid van het volk, van het ras, op zijn best en het schoonst tot uiting brengt en als onderstreept.In de Zeeuwsche drachten (vooral die van Zuid-Beveland en van Walcheren) komt den wil zich van anderen te onderscheiden, hoogere, meer intellectueeleidealenuit te drukken, dieper levenskijk te hebben zoo volmaakt en zoo harmonieus tot zijn recht in een even smaakvolle als stijlvolle kleedij, die als geïnspireerd en gecomponeerd schijnt op de bijzondere lichamelijke schoonheid van dit zeeuwsch-friesche ras, dat ongetwijfeld het schoonste, en naar den bouw van het lichaam het meest algemeen-menschelijk-normale deel van het nederlandsche volk is.Werkt den aanblik van het Nederlandsche nationale costume dan niet altijd verheffend, is het in zich zelf niet altijd even hygiënisch, lijkt het soms meer vreemd en gezocht dan origineel, soms meer bont dan kleur-rijk, soms meer merkwaardig dan mooi, het geeft in zijn groote verscheidenheid een zeer juisten blik op de Nederlandsche volkspsyche. De klein-burgerlijkheid, die een hoofdkenmerk van ons volk is, en die dikwijls totboerschheid wordt, komt in enkele van die drachten ten zeerste uit, zooals die van Marken, Gelderland en Noord-Brabant. Aan den anderen kant echter zijn er elementen in die volks-kleedij, die zich bijna boven de groot-burgerlijkheid tot een soort regenten-aristocratie verheffen, zooals de provinciale (oude) dracht in Friesland en Zeeland, waar door verfijnden smaak in kleuren en vormen iets hoogers bereikt wordt, al wordt die meer aesthetische werking van deze drachten dan voor een groot deel veroorzaakt door de grootere rasschoonheid van de dragers, en—speciaal van de draagsters.Wil men deze historische drachten, en wat er thans nog van over is, op deze wijze beschouwen, dan blijken ze even waardevol voor de kennis van de Nederlandsche volks-ziel als de oude meubelen, architectuur en het allergrootste deel van onze nationale schilderschool. Ze zullen altijd hun waarde aan hun oprechtheid en waarheidszin blijven ontleenen, zoowel aesthetisch als ethisch, ze zullen aldoor als een werkelijke afspiegeling van den geest en de idealen van ons volk moeten worden erkend.En .... staan zij in dat opzicht lager, of zijn zij minder belangrijke of minder “hooge” kunst dan al het andere, wat ons van het voorgeslacht bleef? Ik betwijfel het. De beste uitingen van onzen Nederlandschen volksaard, op het gebied vanwelke kunst van het verleden of van het heden men het dan ook neme, zijn en blijven, voorzoover het specifiek Hollandsche wat er aan is, toch immers niets anders dan uitingen van “boeren, burgers en buitenlui.”En onze nationale kleederdrachten behooren werkelijk niet tot de minst-belangrijke van die uitingen van “boeren-kunst”!—E. Litteratuur over de Nederlandsche nationale kleederdrachten.Alvorens tot een korte beschrijving van die nationale drachten, zooals zij thans (1916) zijn, over te gaan, moge hier een kort overzicht volgen van de publicaties die—voor dezen—over dit onderwerp zijn verschenen. Een blik op de goede, of goed bedoelde beschrijvingen en afbeeldingen van deze drachten, hoe zij waren en zijn, en tevens een woord over de slechte en niet goede afbeeldingen, kan hier hen, die omtrent dit onderwerp meer willen weten, een korte leiddraad geven.Want beide soort publicaties over onze zooveel bewonderde en tegelijk zoo zeer gesmade en belachelijk gemaakte nationale drachten, moge hier eenige critiek vinden.In ’t algemeen mag gezegd, dat de goed-bedoelde, zoowel als de slechte beschrijvingen en afbeeldingen van deze costumes, ieder het hunne hebben bijgedragenom de kennis en waardeering in de war te brengen.Enkele goede, en meer wetenschappelijke, d. w. z. meerjuistebeschrijvingen daargelaten, moet het meeste van wat over dit hoogst belangrijke maar uiterst omvangrijke onderwerp werd gepubliceerd, tot de romantische en lyrische proza en poëzie gerekend worden. Bijna steeds waren het slechts phantasieën die men gaf, prent-verbeeldingen, plaatjes, groepjes die wel het schilderachtige, het aardige, lieve en typeerende van het uiterlijke dezer drachten gaven, maar meer ook niet. Zoo is een van de eerste publicaties op dit gebied, de uitgave van J. le Francq van Berkhey uit 1773, meer bezingend dan beschrijvend. Behalve een zeer objectief boekje over Hindeloopen, dat in 1855 te Leeuwarden verscheen, zijn de publicaties van E. Maaskamp uit 1803 en de Karakter-schetsen, kleederdrachten, enz. in 1842 door de Nederlandsche Maatschappij van Schoone Kunsten in Den Haag gepubliceerd, niet anders dan prentenboeken te noemen, waarbij den text meer lyrische ontboezemingen zijn, dan beschrijvingen.Zoo is het ook met de lithographische platen van Valentijn Bing en Braet von Ueberfeldt, in 1857 uitgegeven, ofschoon hier een paar prenten met goede détails aan zijn toegevoegd.De vele atlassen, die in de bibliotheek van het Rijks Museum, en in de verschillende oudheidkundigegenootschappen bijeengebracht zijn, waaronder de verzameling van F. Muller (Amsterdam 1879) wel een van de voornaamste is, bevatten slechts losse platen, met geen of te weinig beschrijvenden text. De voorstellingen uit den tijd vóór dat de photographie in dienst van deze wetenschappelijke onderzoekingen werd gesteld, zijn allen te “artistiek”, geven te kennelijk slechts den persoonlijken indruk van den lithograaph of teekenaar weer. De meeste van deze voorstellingen zijn dan ook geen objectieve afbeeldingen van bepaalde costumes, het zijn slechts “tafreelen”: “een boer”, “een dienstmeid”, zonder verder te praeciseeren.De geschiedenis van de nationale kleederdrachten, die uitditmateriaal alléén zou moeten worden samengesteld, zou derhalve een zeer twijfelachtige wetenschappelijke waarde krijgen.Later begon men echter juister beschrijvingen van de nationale drachten te geven, toen ook de photographische afbeelding bespreking van dit onderwerp in verschillende tijdschriften toeliet.Een van de eersten die stelsel-matig in dezen te werk ging, was Mr. J. E. van Someren Brand. Reeds in 1893 verschenen opstellen van zijn hand over speciale détails van dit omvangrijke studie-vak, in Elseviers maandschrift. Bijzonder mooi geïllustreerde opstellen verschenen later in ditzelfde tijdschrift, in Buiten, en andere periodieken. Het meest complete en het meest als een wetenschappelijke verhandelingbedoelde werk, is echter de reeds hierboven genoemde standaard-uitgave van Professor J. H. Gallée, over “het Boerenhuis in Nederland en zijn bewoners.”Een geheel zelfstandige serie platen en een opstel van Professor Gallée zelve, en een over de Anthropologische samenstelling van de bevolking van Nederland, van de hand van Prof. L. Bolk, is aan deze uitgave—die eigenlijk in hoofdzaak over de boerenwoningen gaat—toegevoegd.Hoe voortreffelijk dit werk echter ook moge zijn, moet toch betreurd, dat Professor Gallée waarschijnlijk niet over de noodige bladzijden voor text en illustratie kon beschikken, om niet alleen het uiterlijk aspect van enkele onzer nationale drachten af te beelden en tè globaal te beschrijven, maar om ook de onderkleeding te hebben kunnen behandelen. Bovendien missen deze prenten, die alle naar photographie genomen zijn, de kleur. En, die kleur is een zoo belangrijke factor in die kleurvolle en kleurige volks-kleedij, dat ze, zonder deze, niet in afbeeldingen in zwart te begrijpen is.Voor Zeeland publiceerden Dr. J. C. de Man en J. A. Frederiks in 1894 een beschrijving van de Zeeuwsche drachten. Ook verscheen een plaat in kleuren waarop alle Zeeuwsche kleederdrachten, tot een schilderachtige groep vereenigd, staan afgebeeld. Deze plaat werd uitgegeven onder leiding van Mr. J. E. van Someren Brand, den bijeenbrengervan een hoogst belangrijke collectie costumepoppen. Ofschoon deze prent, naar omstandigheden, (lithographie in kleuren naar een kleurlooze photo) zeer belangrijk is, is ze niet voldoende. Het is ondertusschen te bejammeren, dat van de andere provincies niet dergelijke prent-verbeeldingen zijn gemaakt. Deze plaat werd uitgegeven door de Uitgevers Mij. Elsevier, in 1894.Een nog altijd niet geschreven standaardwerk over onze nationale kleederdrachten zal niet alléén de boven, maar ook de onderkleeren in al haar détails moeten beschrijven en afbeelden, niet alléén in zwart, maar ook (en vooral) in kleur. En niet alléén zal het “effect” dat deze drachten op den beschouwer maken, moeten worden weergegeven, maar vóór alles het wezen, de ware vorm, de constructie van die kleedij in schematische verbeeldingen moeten worden vastgelegd, ondersteund door photo’s naar de dragers en draagsters zelf, opdat ook de wijze van dragen, de habitus der bevolking, hun uiterlijke ras-eigenaardigheden voor het nageslacht duidelijk bewaard mogen blijven.Tot zoover over de goed-bedoelde en goede publicaties over onze nationale drachten. Thans over de slechte, de verkeerde, zelfs de leugenachtige. En tot deze laatste moeten vooral de duizende prentbriefkaarten gerekend worden die in de laatste tien jaren, in den handel zijn gebracht.Behalve dat deze prentjes slechts “kiekjes”, “plaatjes” te zien geven, zijn de gekleurde uitgaven, die in deze bestaan, meestal in het buitenland vervaardigd, en daardoor in den regel hopeloos verkeerd. Ze accentueeren het bonte, boersche, onbeschaafde, door foutieve op-kleuring nog meer, zoodat deze verkeerde series veel misverstand omtrent onze nationale kleedij in de wereld gebracht hebben.Maar niet minder zijn daar de vele reclameplaten schuld aan, en de wijze, waarop zich (vooral de Amerikaansche) reclame van een zoo dankbaar en “dutchy” (lees: mal) motief heeft meester gemaakt als de Hollandsche nationale drachten den niet begrijpenden boodt.Die verkeerde, en dikwijls opzettelijk verkeerdelijk aangedikte voorstellingen hebben onze nationale kleederdrachten in het oog van den buitenlander (en—terugwerkend, in het oog van vele Hollanders) een zeer slechten roep bezorgd. Zelfs ging een deel van deze verkeerde gedachten op Holland en de Hollanders over.Dit kon des te makkelijker, omdat de kennis van de algemeene aardrijkskunde, en speciaal van het kleine Nederland, in de groote landen (vooral Amerika, Engeland, Frankrijk) onder het “beschaafde publiek” niet bijzonder ontwikkeld is.Men is toen, in dat groote buitenland, die boerschheid, onbeschaafdheid en lachwekkende logheid,die men, door die verkeerde voorstellingen, gedwongen werd te zien, voorden geest van Holland en zijn bewonersgaan houden. En dit heeft een juist begrip omtrent en kennis van het ware Holland in de wereld niet bevorderd.En toch—dit alles had voor een deel vermeden kunnen worden, zoo er een goed standaardwerk over onze nationale kleederdrachten bestaan had. Maar tot nog toe hebben onze nationale kleederdrachten, ofschoon zij evenzeer een levende uiting van den geest der vaderen zijn, nog niet die aandacht der officieele en wetenschappelijke wereld tot zich getrokken, die zij om zooveel redenen werkelijk verdienden.Hier blijft thans nog de collectie aangekleede poppen te vermelden, die in de verschillende musea in den lande de herinnering aan die nationale drachten levendig zullen houden, als die drachten zelf dan niet meer door de bevolking zullen worden gedragen, en .... als die poppen en hun kleedij tegen dien tijd niet door de mot en andere oorzaken zullen zijn vergaan.Reeds in 1898 werd door Mr. J. E. van Someren Brand, toenmaals Directeur van het Stedelijk Museum te Amsterdam, een verzameling van ongeveer honderd verschillende nationale costumes tezamen gebracht, die in hooge mate merkwaardig is. Deze belangrijke collectie, die tot September1916 in het Rijks Museum te Amsterdam te zien was en waar zij, om zooveel redenen, op deeenigehaartoekomendeplaats was, is sinds dien, jammer genoeg, naar het openlucht Museum te Arnhem “uitgewezen.”Behalve deze collectie zijn minder omvangrijke verzamelingen van meer plaatselijke costumes, op poppen gemonteerd, in de musea van Middelburg, Leeuwarden, Hindeloopen en andere steden opgesteld.En behalve deze poppen, worden in menige familie enkele ouderwetsche drachten in hun geheel of in gedeelten als kostbare—maar doode—herinneringen aan het voorgeslacht bewaard. Vooral is dit het geval in Friesland, waar echter nu en dan den gewestelijken geest weer levend wordt, zoodat bij bijzondere feestelijkheden deze costumes nog wel voor den dag komen, om te getuigen, dat het gevoel van eigenheid nu en dan nog wakker kan worden.Maar behalve deze hier in ’t kort opgesomde beschrijvingen en plaatjesachtige verbeeldingen, deze prent-briefkaarten en poppen in nationaal costume en die enkele, in oude kasten en stoffige doozen bewaarde kleedingstukken, is van de nationale drachten in ons land niets over, dan wat er in de verschillende streken nog gedragen wordt, heele, halve, veranderde en onjuiste kleeding, die zoo is, omdat ze zoo is, waar moeielijk eenigejuiste en wetenschappelijke critiek op gegeven kan worden en die de eenige reëele bron is voor onze kennis van dit bijzondere monument van echt Hollandsche geschiedenis en kunst.Een korte inventariseering, van dat, wat heden (1916) nog van die nationale volks-kleedij in werkelijkheid over is,beoogtditboekje.F. Wat werd en wordt er voor de instandhouding, de belangen en de kennis van de Nederlandsche nationale kleederdrachten gedaan.Ten laatste moge hier nog een korte beschouwing volgen over wat er voor onze zoo beroemde Nederlandsche volksdrachten gedaan werd.In de meeste landen waar eveneens zoo’n belangrijk monument uit het verleden, als wij in onze nationale drachten hebben, is overgebleven, en dat bovendien een monument is, in zich zelf zoo merkwaardig, en dat zóóveel tot de waardeering van ons Hollandsche land, vooral bij den vreemdeling, heeft bijgedragen, wordt van overheidswege alles in het werk gesteld om die volkseigenheid te bestudeeren, te doen voortduren, en ze op allerlei wijze te beschermen.In Nederland evenwel, de liberale leuze getrouw van “laisser faire, laisser aller”, een land, waar tengevolge van die idee kunst geen regeeringszaak is en dus niet beschermd wordt, werd en wordt “officieel” nognietsvoor die nationale kleedijgedaan. Alle pogingen in deze ten goede, gingen en gaan uit vanparticulieren.De verzameling poppen, die tot September 1916 in het Rijks Museum op zijn eigenlijke plaats was, werd door particulier initiatief, door particulier geld bijeengebracht. Ook was het zoo met de verzamelingen in de provinciën, waar zich particulieren, vereenigingen of genootschappen te werk stelden. En deze laatsten hebben zeer goed werk gedaan. Maar de regeering deed niets. Ook dat moge een van de vele factoren zijn, dat de nationale drachten in Nederland, om ’t zoo te zeggen, aan zich zelf overgelaten, zoodanig vervormd, veranderd en “gehavend” werden, en per slot geheel zullen verdwijnen, omdat het dragen er van niet van hooger hand werd aangemoedigd, of op een of andere wijze beloond. De pogingen die in dezen van privé-personen en vereenigingen uitgaan, kunnen echter nooit dat gezag en die overtuigende ernst hebben, die een lands-bestuur aan zijn verordeningen of wenschen geven kan. En al deed en doet de vereeniging Nehilennia in Middelburg ook nog zoo haar best (in een streek trouwens waar ’t nog niet zoo heel erg noodig is) deze en dergelijke vereenigingen zullen toch niet bij machte zijn met goed gevolg tegen de wassende wansmaak en vooroordeelen van de zoogenaamde stads-beschaving te strijden.Een van de beste middelen in deze echter,wordt wel door die Zeeuwsche vereeniging toegepast. Zij speculeert op de ijdelheid van de dragers (meer speciaal van de draagsters) van het nationaal costume. Geen beter middel had zij kunnen bedenken, dan eenige personen in nationale dracht, en daarna diezelfde personen (eenige kinderen) in stads-kleedij te laten photographeeren, Het onderscheid is zóó sterk, dat het de meest van smaak ontbloote mensch treffen moet. Het is, om ’t zoo te noemen, een afschrikwekkend voorbeeld. Zoo aardig en zoo geheel met een eigen cachet als die kinderen er uit zien in hun nationale dracht, zoo leelijk, zoo on-eigen, zoo onbeschaafd zien zij er uit in het “stadsch”. Waarlijk, de boerschheid komt in die kinderen dan eerst werkelijk uit als ze zoogenaamd “beschaafd”, dat is: op zijn stadsch, gekleed zijn, terwijl ze er in hun nationale dracht er heel wat minder boerachtig, minder onbeschaafd uitzien. Met het veranderen van kleeding wordt dus door de boerenbevolking juist het tegenovergestelde bereikt van wat zij bedoelt.En dàt is het wat van overheidswege aan den volke had moeten en kunnen gedemonstreerd worden, dat het niet vernederend of verachtelijk is om de nationale kleedij te dragen, dat ze niet leelijk, niet onbeschaafd is en niet “achterlijk” maakt, maar dat juist het on-oordeelkundig en smakeloos dragen van de moderne stads-kleedij de dragers en draagsters belachelijk en leelijkmaakt. Indien dit aan het volk gedemonstreerd was geworden, zou dit aanschouwelijk onderricht van zeer veel invloed op de nationale drachten gebleken zijn.Want, vooral bij de vrouwen is de indruk, die zij in hun costuum maken, toch nog maar altijd de hoofdzaak. En die ijdelheidsfactor komt de nationale dracht ten goede. Vooral de mooiste, natuurlijkste en meest rationeele drachten, zooals de Friesche en de Zeeuwsche. Zoolang de vrouwen zelf zullen blijven inzien dat die kappen en mutsen van kant, die gouden sieraden, die keurig geplooide doeken en kleurige beuken, die korte mouwen en lage-halsjes-dracht haar goed kleedt, flatteert; .... en zoolang er mannen zullen zijn, die deze schoonheid zullen opmerken .... en het de vrouwen zullen zeggen .... zal de nationale dracht in eere blijven.Het bewijs wordt immers reeds door de praktijk geleverd. Geen dame die in Middelburg of Goes gaat logeerenverzuimthet zich in de “zoo flatteerende” Zeeuwsche dracht te doen photographeeren. En, indien een Friesch meisje al de fijnheid en de ingeboren aristocratische allure van haar ras op het voordeeligst wil doen uitkomen .... dan zet ze een oorijzer op, met een fijne kap en de diamanten speld op het voorhoofd, dan doet ze kleurigzijden jurken aan, het prachtige kanten schortje voor, en witte kousen met lage schoentjes aan.De nationale dracht vindt op die wijze een beschermster in zich zelf en in “de vrouw.”Maar wat haar het meest ten nadeel komt, is dat ze kunstmatig in het leven wordt gehouden ten bate van het vreemdelingenverkeer. Dan verlaagt ze zich in haar dragers en draagsters tot bedelende comedianten.En, omdat dit door buitenlanders reeds zeer duidelijk is opgemerkt, heeft dit soort propaganda van de nationale kleedij, die nationale drachten zelf, haar dragers en ook heel Nederland, in het buitenland zeer veel kwaad gedaan. Er zou van overheidswege tegen geageerd moeten worden.Want met de gebruikelijke onkunde omtrent de Nederlandsche geschiedenis en aardrijkskunde, die in het buitenland zelfs onder de meest ontwikkelde standen heerscht, heeft deze verkeerde “reclame” tot de meest onwelwillende uitleggingen aanleiding gegeven.Zoo werd mij in Amerika’s hoofdstad, Washington D. C., door een dame, een kunst-kritieken-schrijfster, verweten, dat het Nederlandsche volk het bedel-eiland Marken, tot een schande voor heel de Hollandsche natie “in stand hield”. Volgens haar was dat eiland, met huizen, bewoners en kleedij en al,opzettelijkgemaakt om het den vreemdelingen lastig te maken met bedelarijen. Men moge, in Nederland, zeggen dat die dame niet zeer goed op de hoogte was, maar dat verhelptde zaak niet. Dat exploiteeren van de nationale kleederdracht alsvreemdelingen trekkende curiositeitkan niet anders dan tot misbruiken, en tot de daarbij behoorende misvattingen bij den vreemdeling, leiden. En op die wijze zouden de nationale kleederdrachten een middel worden om Nederland in het buitenland, evenals Italië, den naam te bezorgen, dat het zijn oude monumenten alléén exploiteert als middel om “te bedelen”.Maar er is iets anders. Dat wat het meest voor de nationale kleederdrachten noodig was, nog steeds het meest noodig is, zoowel voor tijdgenooten, landgenooten, en vreemdelingen, voor heden en vooral voor de toekomst, dat is een volledige afbeelding en beschrijving van die drachten. En het blijkt, dat een particulier zich daar niet toe zetten kan, tenzij hij een klein fortuin en een belangrijk aantal jaren en zeer veel moeiten aan deze inventariseering ten koste legt. Waar de regeering, de gemeenschap in dezen niet het initiatief neemt en royaal (dat is de eenige goede en mogelijke manier) dit werk zelf ter hand neemt of aan een persoon opdraagt, daar zullen de nationale drachten tevergeefs op den rijken, maar tegelijk kundigen dolenden ridder wachten, die zijn geld, tijd en inzicht geven wil om de schoonheid van deze stervende princes .... zooals men met een beetje goeden wil de nationale kleederdrachten van Nederland metaphorischnoemen kan, in woord en beeld aan het nageslacht over te dragen....Of zal die officieele en particuliere belangstelling en dat initiatief .... echt Hollandsch, ook weer zoo lang op zich laten wachten, totdat het te boek stellen van al die gegevens ..... niet meer mogelijk zal zijn!....

I. Inleiding.A. Over kleederdrachten in het algemeen.Het moet als een door de anthropologie en de cultuurgeschiedenis bewezen waarheid gelden dat de redenen, waarom zich den mensch kleedt, niet gevonden moeten worden in climatologische of zedekundige gronden, maar in denwil om zich te onderscheiden. Versiering is de eerste grondgedachte van de primitieve menschelijke kleedij geweest, versiering van zijn eigen lijfelijke persoonlijkheid om zich van zijn mede-menschen te onderscheiden, versiering als middel om zijn eigen plaats onder de menschen in te nemen, als middel dus tot zelfbestaan. De koningsmantel is de uiterste consequentie van deze eenvoudige grondgedachte.Later, toen den mensch zich meer en meer van de natuurstaat verwijderde en de geheele aardbol ging bewonen, hebben zich de wisseling in temperatuur, de bodemgesteldheid en allerlei andere omstandigheden, die met de geologie en geographie in verband stonden, den aard van de kleeding in de verschillende landen bepaald. Rassen-eigenaardigheden, godsdienstige opvattingen en ten slotte nationale en politieke oorzaken hebben daarnainvloed op den vorm, de kleur en het algemeen aspect van de kleeding gehad. En zoo ontstonden de nationale kleederdrachten, die in hun grondgedachte niet anders bedoelen dan de dragers reeds dadelijk, door hun kleeding, als uit dit of dat land afkomstig, als bij dit of dat volk behoorende, te doen kennen .... dooronderscheiding.Opmerkelijk is daarbij, dat eenzelfde soort kleedingstuk in verschillende landen, in bijna gelijken vorm voorkomt, omdat het zijn reden in dezelfde climatologische of gebruiks-gronden vindt. Waar dan de hoofdvorm overal dezelfde is, zelfs de stof waaruit zoo’n kleedingstuk in de verschillende landen is gemaakt, dezelfde blijft, is de kleur en vooral de versiering voor ieder land of streek verschillend, zoodat het nationale, het eigene, het onderscheidende nog zeer duidelijk op den voorgrond treedt, ondanks de algeheele overeenkomst in het wezen en den vorm van zoo’n stuk kleedij.Als voorbeeld moge de veel gesmade, veel uitgelachen wijde broek van onze Volendammers gelden, welk oer-type van beenbekleeding voor mannen in bijna iedere Europeesche, West-Aziatische en Noord-Afrikaansche volksdracht—ja zelfs in de Chineesche—terug te vinden is. Toch zal in ieder land dit kleedingstuk, om de eigenaardige kleur of bijzondere versiering, zijn zeer eigen cachet hebben en den drager aldadelijk van zijn mede-menschen doen onderscheiden, hem als uit dit of dat land afkomstig doen kennen.En zoo is het met ieder onderdeel van de menschelijke kleedij, omdat ieder dezer deelen tot een paar hoofd-typen terug te voeren zouden zijn, die overal terug komen, alléén in ieder land op zeer kenmerkende, onderscheidende wijze vervormd en versierd.B. Over nationale kleederdrachten.Het eerste beginsel van de nationale drachten is dus de bewoners uit een zeker land van die, uit een ander gewest, te doen onderscheiden. Het is begrijpelijk, dat daarom het wezen van de nationale drachten ten nauwste samenhangt met het nationaliteits-gevoel. Sterker nog. Het vindt zelfs zijn oorsprong in gewestelijke concentratie, soms zelfs in den wil van een stad of dorp om zich geheel van de buitenwereld af te scheiden, te onderscheiden.Het wezen van een nationale kleedij is derhalve geheel tegenovergesteld aan het wezen van de mode. Want de mode vooronderstelt een internationale idee, of althans een idee waarin den wil zich als land of stad in zichzelf te onderscheiden, is opgeheven. De mode vooronderstelt een gelijkheid in nationaliteiten, steden en bewoners, en uit zich in gelijkvormigheid. De nationalekleedij bestreeft juist het tegenovergestelde, de zoo sterk mogelijke individualiseering van een land, een stad, zijn bewoners, waarvan zij de persoonlijkheid accentreert.In zoo verre is ook de idee van een nationale kleedij geheel tegenovergesteld aan die van het uniform. Want een uniform bedoeld een uiterlijke gelijkvormig making met de volkomen terzijde zetting van de persoonlijkheid. In zooverre is dus de idee van een uniform gelijk aan het wezen van de mode. Maar een uniform wordt gedragen op bevel, de mode volgt ieder individu uit eigen keuze.... als men ’t tenminste zoo noemen mag.Maar bij de mode is althans nog sprake van persoonlijkheid, te meer ook daar ieder individu, naar eigen smaak, de mode veranderen kan, niet alléén voor zoover het zijn eigen kleeding betreft, maar ook zelfs op de kleeding van anderen invloed kan uitoefenen.In de nationale kleeding echtertreedtde persoonlijkheids-idee van het volk—als volk—op, ze vormt er het wezen van, d.w.z. ze brengt de persoonlijkheids-idee van een gemeenschap tot uiting. En aangezien een gemeenschap niet spoedig nieuwe ideeën, nieuwe uitingsvormen aanneemt, is het logisch, dat het beginsel van de nationale kleederdrachten ten nauwste samenhangt met het begrip “conservatisme”—maar, in den goeden zin van dit woord.C. Over de nationale kleederdrachten en de vooruitgaande beschaving.Dát verwijten de zoogenaamde beschaafden de nationale kleederdrachten het meest, dat ze een kenteeken zouden zijn van achterlijkheid, van onbeschaafdheid en, deze twee vereenigd, van “boerschheid”.Daar zou iets voor dit argument te zeggen zijn, als datgene, wat die nieuwlichters voor die oude drachten—die de resultante zijn van een eeuwenheugende cultuur—in de plaats zouden willen stellen, zooveel beter was dan die ouderwetsche kleedij. Maar dat is geenzins het geval. Zij, die deze oude drachten zouden willen doen verdwijnen, zouden er niets anders voor in de plaats willen, kunnen stellen, dan de zoogenaamde universeele mode. Behalve, dat dit de aesthetica niet ten goede zou komen, misschien echter eenigen grond in de gezondheidsleer zou kunnen vinden, zou die verandering psychologisch noch aan het geheel, noch aan het individu ten goede komen.Tenzij—maar dat is voorloopig nog niet mogelijk—in de plaats van die oude drachten een nieuwe kleedij gesteld kon worden, die in zijn vormen, kleuren, versieringen en veel-soortige beteekenis even algemeen waardevol is, als die oude kleedingswijze.Die nationale kleeding dus met opzet te willendoen verdwijnen, omdat ze zoogenaamd de uiting is van onbeschaafdheid, zou gelijk staan zich aan de volkspersoonlijkheid te vergrijpen. En in deze tijd van algemeene vernivelleering, van gebrek aan persoonlijkheids-gevoel, zou dat gelijk staan met de werkelijke cultuur aan te randen, door haar uiterlijk met geweld te willen vernietigen.De nationale kleederdrachten behooren tot de monumenten die ons het voorgeslacht liet, als een uiting van haar persoonlijkheids-gevoel, haar persoonlijkheids-wezen, haar eigen beschaving en idealen. En al deze monumenten, de oude kasteelen, kathedralen en huizen, de oude meubelen en ook die oude kleedij, moet men, als een deel van den geest van het verleden, hun eigen dood doen sterven. “Il faut laisser mourir les monuments.”Het zou even zoo dwaas zijn die oude kleedij met geweld te willen verbieden, als ze, daar waar ze uit zich zelf verdwenen is, weer te willen doen herleven. En dit geldt voor alles wat ons het voorgeslacht liet. Slechts datgene waarin de algemeene waarheid leeft, blijft, en krijgt op zijn tijd zijn nieuwe kleed, kan zich, op zijn tijd, opnieuw verjongen en zich dan weer doen onderscheiden.De nationale kleederdrachten nu zijn een zeer bijzondere uiting van het persoonlijkheids-bewustzijn van een land, van een streek, van een stad. En zoolang dat bewustzijn in de bewoners van dat land leven blijft, zoolang blijft hun nationale,eigene kleeding bestaan. Zoodra zij zich echter inter-nationaal, of zonder zelfstandigheid gaan voelen, verdwijnt hun eigene kleeding.Als zoodanig ligt er dus wel eenige waarheid in het verwijt van die zoogenaamd beschaafden, dat in streken waar nog een nationale kleederdracht gevonden wordt, nog een zekere achterlijkheid bestaat. Maar dan moet dit aldus verstaan worden, dat onder achterlijkheid, persoonlijkheid verstaan wordt. Maar sinds wanneer is dan “persoonlijkheid” gelijk aan “achterlijkheid”. Tenzij dat men in het vasthouden aan die van oudsher overgeleverde vorm-geving, aan dat persoonlijkheidsgevoel een star en dood vasthechten aan de uiterlijkheid ziet.—In dat geval is het werkelijk een gebrek aan vooruitgang, een achterlijkheid.—Maar .... zoo is het in werkelijkheid niet.Het isgeenszinswaar dat die oude kleedij slechts door domme boeren en onbeschaafde buitenlui gedragen wordt uit sleur, omdat ze niet beter weten. Moge dit voor den “stads-mensch” zoo schijnen, de waarheid is anders. Zeker in de streken en bij de “boeren” die de nationale dracht nog in zijn geheel naar het oude model dragen. Dit getuigt de wijze waarop en de gelegenheid waarbij die “boeren” hun oude kleeding dragen.Zij zien hun eigen ideaal in die bijzondere kleedij, die kleurige stoffen, linten, strikken, gouden sieraden en kantwerk. Voor hen is die kleedij werkelijk mooier en beter dan de “stadskleeding” of de mode. En dit bewijst niet de achterlijkheid van deze menschen, maar het pleit voor hun onbedorvenheid, voor de oprechtheid van hun gevoel en hun smaak. En zoo deze dan al niet van de meest verfijnde soort moge zijn, ze is in ieder geval“echt”.En zij worden in hun voorliefde volkomen in het gelijk gesteld door kunstenaars en aesthetici, die de typische schoonheid van de ware, nog intact gebleven oude drachten boven de gemiddelde moderne modekleedij zullen stellen, er het meerdere karakter, de grooter eigenheid van erkennen. Is die aanhankelijkheid aan het oude, die zoogenaamde achterlijkheid, niet heel wat beter dan over te gaan tot een slecht gedragen moderne kleedij, die in den regel voor de nationale dracht in de plaats wordt gesteld?Men kan dus niet zeggen dat het uit sleur is dat die nationale drachten nog gedragen worden ... of dat hun eigendommelijke schoonheid niet een nog levende schoonheid zou zijn, die door de dragers niet duidelijk als zoodanig zou worden gekend. Zelfs de “mode” heeft in die nationale costumes de eigene schoonheid weten te waardeeren, en veel motieven en kleur-combinatieszijn aan die drachten door de moderne vrouwenkleeding ontleend. Zelfs de kanten mutsjes, die men nog voor kort—door hun overdreven stijfgeplooidheid—nog zoo “grootmoederlijk” vond, vinden thans bij de moderne dameskapsels navolging.Zoodat per slot het boersche en het onbeschaafde niet ligt bij die nationale drachten, maar in de onkunde die er omtrent hen heerscht, en bij de “moderne modes” die alle goeden smaak bederven, en er eerder over gedacht zou moeten worden tot de oude volkskleedij terug te keeren dan ze af te schaffen. Althans als er sprake zou zijn van “cultuur” en ware goede “smaak” en, indien “terug-gaan” als zoodanig ooit te verdedigen zou zijn.Intusschen is noch het een, noch het ander het ware. De tijd zal in deze ook op het gebied der kleedij een nieuw persoonlijkheids-idee doen ontstaan, die bij de oude nationale drachten zoo levend en zoo kenbaar was, en die in de moderne costumeering slechts bij zeer hooge uitzondering tot uiting komt en bereikt wordt.En, persoonlijkheid, ook in kleeding, is toch immers slechts het eenige kenmerk van ware cultuur—dat is, van een van binnen-uit gekomen zelf-ontwikkeling, zelf-opheffing, zelf-verbetering.

A. Over kleederdrachten in het algemeen.Het moet als een door de anthropologie en de cultuurgeschiedenis bewezen waarheid gelden dat de redenen, waarom zich den mensch kleedt, niet gevonden moeten worden in climatologische of zedekundige gronden, maar in denwil om zich te onderscheiden. Versiering is de eerste grondgedachte van de primitieve menschelijke kleedij geweest, versiering van zijn eigen lijfelijke persoonlijkheid om zich van zijn mede-menschen te onderscheiden, versiering als middel om zijn eigen plaats onder de menschen in te nemen, als middel dus tot zelfbestaan. De koningsmantel is de uiterste consequentie van deze eenvoudige grondgedachte.Later, toen den mensch zich meer en meer van de natuurstaat verwijderde en de geheele aardbol ging bewonen, hebben zich de wisseling in temperatuur, de bodemgesteldheid en allerlei andere omstandigheden, die met de geologie en geographie in verband stonden, den aard van de kleeding in de verschillende landen bepaald. Rassen-eigenaardigheden, godsdienstige opvattingen en ten slotte nationale en politieke oorzaken hebben daarnainvloed op den vorm, de kleur en het algemeen aspect van de kleeding gehad. En zoo ontstonden de nationale kleederdrachten, die in hun grondgedachte niet anders bedoelen dan de dragers reeds dadelijk, door hun kleeding, als uit dit of dat land afkomstig, als bij dit of dat volk behoorende, te doen kennen .... dooronderscheiding.Opmerkelijk is daarbij, dat eenzelfde soort kleedingstuk in verschillende landen, in bijna gelijken vorm voorkomt, omdat het zijn reden in dezelfde climatologische of gebruiks-gronden vindt. Waar dan de hoofdvorm overal dezelfde is, zelfs de stof waaruit zoo’n kleedingstuk in de verschillende landen is gemaakt, dezelfde blijft, is de kleur en vooral de versiering voor ieder land of streek verschillend, zoodat het nationale, het eigene, het onderscheidende nog zeer duidelijk op den voorgrond treedt, ondanks de algeheele overeenkomst in het wezen en den vorm van zoo’n stuk kleedij.Als voorbeeld moge de veel gesmade, veel uitgelachen wijde broek van onze Volendammers gelden, welk oer-type van beenbekleeding voor mannen in bijna iedere Europeesche, West-Aziatische en Noord-Afrikaansche volksdracht—ja zelfs in de Chineesche—terug te vinden is. Toch zal in ieder land dit kleedingstuk, om de eigenaardige kleur of bijzondere versiering, zijn zeer eigen cachet hebben en den drager aldadelijk van zijn mede-menschen doen onderscheiden, hem als uit dit of dat land afkomstig doen kennen.En zoo is het met ieder onderdeel van de menschelijke kleedij, omdat ieder dezer deelen tot een paar hoofd-typen terug te voeren zouden zijn, die overal terug komen, alléén in ieder land op zeer kenmerkende, onderscheidende wijze vervormd en versierd.

Het moet als een door de anthropologie en de cultuurgeschiedenis bewezen waarheid gelden dat de redenen, waarom zich den mensch kleedt, niet gevonden moeten worden in climatologische of zedekundige gronden, maar in denwil om zich te onderscheiden. Versiering is de eerste grondgedachte van de primitieve menschelijke kleedij geweest, versiering van zijn eigen lijfelijke persoonlijkheid om zich van zijn mede-menschen te onderscheiden, versiering als middel om zijn eigen plaats onder de menschen in te nemen, als middel dus tot zelfbestaan. De koningsmantel is de uiterste consequentie van deze eenvoudige grondgedachte.

Later, toen den mensch zich meer en meer van de natuurstaat verwijderde en de geheele aardbol ging bewonen, hebben zich de wisseling in temperatuur, de bodemgesteldheid en allerlei andere omstandigheden, die met de geologie en geographie in verband stonden, den aard van de kleeding in de verschillende landen bepaald. Rassen-eigenaardigheden, godsdienstige opvattingen en ten slotte nationale en politieke oorzaken hebben daarnainvloed op den vorm, de kleur en het algemeen aspect van de kleeding gehad. En zoo ontstonden de nationale kleederdrachten, die in hun grondgedachte niet anders bedoelen dan de dragers reeds dadelijk, door hun kleeding, als uit dit of dat land afkomstig, als bij dit of dat volk behoorende, te doen kennen .... dooronderscheiding.

Opmerkelijk is daarbij, dat eenzelfde soort kleedingstuk in verschillende landen, in bijna gelijken vorm voorkomt, omdat het zijn reden in dezelfde climatologische of gebruiks-gronden vindt. Waar dan de hoofdvorm overal dezelfde is, zelfs de stof waaruit zoo’n kleedingstuk in de verschillende landen is gemaakt, dezelfde blijft, is de kleur en vooral de versiering voor ieder land of streek verschillend, zoodat het nationale, het eigene, het onderscheidende nog zeer duidelijk op den voorgrond treedt, ondanks de algeheele overeenkomst in het wezen en den vorm van zoo’n stuk kleedij.

Als voorbeeld moge de veel gesmade, veel uitgelachen wijde broek van onze Volendammers gelden, welk oer-type van beenbekleeding voor mannen in bijna iedere Europeesche, West-Aziatische en Noord-Afrikaansche volksdracht—ja zelfs in de Chineesche—terug te vinden is. Toch zal in ieder land dit kleedingstuk, om de eigenaardige kleur of bijzondere versiering, zijn zeer eigen cachet hebben en den drager aldadelijk van zijn mede-menschen doen onderscheiden, hem als uit dit of dat land afkomstig doen kennen.

En zoo is het met ieder onderdeel van de menschelijke kleedij, omdat ieder dezer deelen tot een paar hoofd-typen terug te voeren zouden zijn, die overal terug komen, alléén in ieder land op zeer kenmerkende, onderscheidende wijze vervormd en versierd.

B. Over nationale kleederdrachten.Het eerste beginsel van de nationale drachten is dus de bewoners uit een zeker land van die, uit een ander gewest, te doen onderscheiden. Het is begrijpelijk, dat daarom het wezen van de nationale drachten ten nauwste samenhangt met het nationaliteits-gevoel. Sterker nog. Het vindt zelfs zijn oorsprong in gewestelijke concentratie, soms zelfs in den wil van een stad of dorp om zich geheel van de buitenwereld af te scheiden, te onderscheiden.Het wezen van een nationale kleedij is derhalve geheel tegenovergesteld aan het wezen van de mode. Want de mode vooronderstelt een internationale idee, of althans een idee waarin den wil zich als land of stad in zichzelf te onderscheiden, is opgeheven. De mode vooronderstelt een gelijkheid in nationaliteiten, steden en bewoners, en uit zich in gelijkvormigheid. De nationalekleedij bestreeft juist het tegenovergestelde, de zoo sterk mogelijke individualiseering van een land, een stad, zijn bewoners, waarvan zij de persoonlijkheid accentreert.In zoo verre is ook de idee van een nationale kleedij geheel tegenovergesteld aan die van het uniform. Want een uniform bedoeld een uiterlijke gelijkvormig making met de volkomen terzijde zetting van de persoonlijkheid. In zooverre is dus de idee van een uniform gelijk aan het wezen van de mode. Maar een uniform wordt gedragen op bevel, de mode volgt ieder individu uit eigen keuze.... als men ’t tenminste zoo noemen mag.Maar bij de mode is althans nog sprake van persoonlijkheid, te meer ook daar ieder individu, naar eigen smaak, de mode veranderen kan, niet alléén voor zoover het zijn eigen kleeding betreft, maar ook zelfs op de kleeding van anderen invloed kan uitoefenen.In de nationale kleeding echtertreedtde persoonlijkheids-idee van het volk—als volk—op, ze vormt er het wezen van, d.w.z. ze brengt de persoonlijkheids-idee van een gemeenschap tot uiting. En aangezien een gemeenschap niet spoedig nieuwe ideeën, nieuwe uitingsvormen aanneemt, is het logisch, dat het beginsel van de nationale kleederdrachten ten nauwste samenhangt met het begrip “conservatisme”—maar, in den goeden zin van dit woord.

Het eerste beginsel van de nationale drachten is dus de bewoners uit een zeker land van die, uit een ander gewest, te doen onderscheiden. Het is begrijpelijk, dat daarom het wezen van de nationale drachten ten nauwste samenhangt met het nationaliteits-gevoel. Sterker nog. Het vindt zelfs zijn oorsprong in gewestelijke concentratie, soms zelfs in den wil van een stad of dorp om zich geheel van de buitenwereld af te scheiden, te onderscheiden.

Het wezen van een nationale kleedij is derhalve geheel tegenovergesteld aan het wezen van de mode. Want de mode vooronderstelt een internationale idee, of althans een idee waarin den wil zich als land of stad in zichzelf te onderscheiden, is opgeheven. De mode vooronderstelt een gelijkheid in nationaliteiten, steden en bewoners, en uit zich in gelijkvormigheid. De nationalekleedij bestreeft juist het tegenovergestelde, de zoo sterk mogelijke individualiseering van een land, een stad, zijn bewoners, waarvan zij de persoonlijkheid accentreert.

In zoo verre is ook de idee van een nationale kleedij geheel tegenovergesteld aan die van het uniform. Want een uniform bedoeld een uiterlijke gelijkvormig making met de volkomen terzijde zetting van de persoonlijkheid. In zooverre is dus de idee van een uniform gelijk aan het wezen van de mode. Maar een uniform wordt gedragen op bevel, de mode volgt ieder individu uit eigen keuze.... als men ’t tenminste zoo noemen mag.

Maar bij de mode is althans nog sprake van persoonlijkheid, te meer ook daar ieder individu, naar eigen smaak, de mode veranderen kan, niet alléén voor zoover het zijn eigen kleeding betreft, maar ook zelfs op de kleeding van anderen invloed kan uitoefenen.

In de nationale kleeding echtertreedtde persoonlijkheids-idee van het volk—als volk—op, ze vormt er het wezen van, d.w.z. ze brengt de persoonlijkheids-idee van een gemeenschap tot uiting. En aangezien een gemeenschap niet spoedig nieuwe ideeën, nieuwe uitingsvormen aanneemt, is het logisch, dat het beginsel van de nationale kleederdrachten ten nauwste samenhangt met het begrip “conservatisme”—maar, in den goeden zin van dit woord.

C. Over de nationale kleederdrachten en de vooruitgaande beschaving.Dát verwijten de zoogenaamde beschaafden de nationale kleederdrachten het meest, dat ze een kenteeken zouden zijn van achterlijkheid, van onbeschaafdheid en, deze twee vereenigd, van “boerschheid”.Daar zou iets voor dit argument te zeggen zijn, als datgene, wat die nieuwlichters voor die oude drachten—die de resultante zijn van een eeuwenheugende cultuur—in de plaats zouden willen stellen, zooveel beter was dan die ouderwetsche kleedij. Maar dat is geenzins het geval. Zij, die deze oude drachten zouden willen doen verdwijnen, zouden er niets anders voor in de plaats willen, kunnen stellen, dan de zoogenaamde universeele mode. Behalve, dat dit de aesthetica niet ten goede zou komen, misschien echter eenigen grond in de gezondheidsleer zou kunnen vinden, zou die verandering psychologisch noch aan het geheel, noch aan het individu ten goede komen.Tenzij—maar dat is voorloopig nog niet mogelijk—in de plaats van die oude drachten een nieuwe kleedij gesteld kon worden, die in zijn vormen, kleuren, versieringen en veel-soortige beteekenis even algemeen waardevol is, als die oude kleedingswijze.Die nationale kleeding dus met opzet te willendoen verdwijnen, omdat ze zoogenaamd de uiting is van onbeschaafdheid, zou gelijk staan zich aan de volkspersoonlijkheid te vergrijpen. En in deze tijd van algemeene vernivelleering, van gebrek aan persoonlijkheids-gevoel, zou dat gelijk staan met de werkelijke cultuur aan te randen, door haar uiterlijk met geweld te willen vernietigen.De nationale kleederdrachten behooren tot de monumenten die ons het voorgeslacht liet, als een uiting van haar persoonlijkheids-gevoel, haar persoonlijkheids-wezen, haar eigen beschaving en idealen. En al deze monumenten, de oude kasteelen, kathedralen en huizen, de oude meubelen en ook die oude kleedij, moet men, als een deel van den geest van het verleden, hun eigen dood doen sterven. “Il faut laisser mourir les monuments.”Het zou even zoo dwaas zijn die oude kleedij met geweld te willen verbieden, als ze, daar waar ze uit zich zelf verdwenen is, weer te willen doen herleven. En dit geldt voor alles wat ons het voorgeslacht liet. Slechts datgene waarin de algemeene waarheid leeft, blijft, en krijgt op zijn tijd zijn nieuwe kleed, kan zich, op zijn tijd, opnieuw verjongen en zich dan weer doen onderscheiden.De nationale kleederdrachten nu zijn een zeer bijzondere uiting van het persoonlijkheids-bewustzijn van een land, van een streek, van een stad. En zoolang dat bewustzijn in de bewoners van dat land leven blijft, zoolang blijft hun nationale,eigene kleeding bestaan. Zoodra zij zich echter inter-nationaal, of zonder zelfstandigheid gaan voelen, verdwijnt hun eigene kleeding.Als zoodanig ligt er dus wel eenige waarheid in het verwijt van die zoogenaamd beschaafden, dat in streken waar nog een nationale kleederdracht gevonden wordt, nog een zekere achterlijkheid bestaat. Maar dan moet dit aldus verstaan worden, dat onder achterlijkheid, persoonlijkheid verstaan wordt. Maar sinds wanneer is dan “persoonlijkheid” gelijk aan “achterlijkheid”. Tenzij dat men in het vasthouden aan die van oudsher overgeleverde vorm-geving, aan dat persoonlijkheidsgevoel een star en dood vasthechten aan de uiterlijkheid ziet.—In dat geval is het werkelijk een gebrek aan vooruitgang, een achterlijkheid.—Maar .... zoo is het in werkelijkheid niet.Het isgeenszinswaar dat die oude kleedij slechts door domme boeren en onbeschaafde buitenlui gedragen wordt uit sleur, omdat ze niet beter weten. Moge dit voor den “stads-mensch” zoo schijnen, de waarheid is anders. Zeker in de streken en bij de “boeren” die de nationale dracht nog in zijn geheel naar het oude model dragen. Dit getuigt de wijze waarop en de gelegenheid waarbij die “boeren” hun oude kleeding dragen.Zij zien hun eigen ideaal in die bijzondere kleedij, die kleurige stoffen, linten, strikken, gouden sieraden en kantwerk. Voor hen is die kleedij werkelijk mooier en beter dan de “stadskleeding” of de mode. En dit bewijst niet de achterlijkheid van deze menschen, maar het pleit voor hun onbedorvenheid, voor de oprechtheid van hun gevoel en hun smaak. En zoo deze dan al niet van de meest verfijnde soort moge zijn, ze is in ieder geval“echt”.En zij worden in hun voorliefde volkomen in het gelijk gesteld door kunstenaars en aesthetici, die de typische schoonheid van de ware, nog intact gebleven oude drachten boven de gemiddelde moderne modekleedij zullen stellen, er het meerdere karakter, de grooter eigenheid van erkennen. Is die aanhankelijkheid aan het oude, die zoogenaamde achterlijkheid, niet heel wat beter dan over te gaan tot een slecht gedragen moderne kleedij, die in den regel voor de nationale dracht in de plaats wordt gesteld?Men kan dus niet zeggen dat het uit sleur is dat die nationale drachten nog gedragen worden ... of dat hun eigendommelijke schoonheid niet een nog levende schoonheid zou zijn, die door de dragers niet duidelijk als zoodanig zou worden gekend. Zelfs de “mode” heeft in die nationale costumes de eigene schoonheid weten te waardeeren, en veel motieven en kleur-combinatieszijn aan die drachten door de moderne vrouwenkleeding ontleend. Zelfs de kanten mutsjes, die men nog voor kort—door hun overdreven stijfgeplooidheid—nog zoo “grootmoederlijk” vond, vinden thans bij de moderne dameskapsels navolging.Zoodat per slot het boersche en het onbeschaafde niet ligt bij die nationale drachten, maar in de onkunde die er omtrent hen heerscht, en bij de “moderne modes” die alle goeden smaak bederven, en er eerder over gedacht zou moeten worden tot de oude volkskleedij terug te keeren dan ze af te schaffen. Althans als er sprake zou zijn van “cultuur” en ware goede “smaak” en, indien “terug-gaan” als zoodanig ooit te verdedigen zou zijn.Intusschen is noch het een, noch het ander het ware. De tijd zal in deze ook op het gebied der kleedij een nieuw persoonlijkheids-idee doen ontstaan, die bij de oude nationale drachten zoo levend en zoo kenbaar was, en die in de moderne costumeering slechts bij zeer hooge uitzondering tot uiting komt en bereikt wordt.En, persoonlijkheid, ook in kleeding, is toch immers slechts het eenige kenmerk van ware cultuur—dat is, van een van binnen-uit gekomen zelf-ontwikkeling, zelf-opheffing, zelf-verbetering.

Dát verwijten de zoogenaamde beschaafden de nationale kleederdrachten het meest, dat ze een kenteeken zouden zijn van achterlijkheid, van onbeschaafdheid en, deze twee vereenigd, van “boerschheid”.

Daar zou iets voor dit argument te zeggen zijn, als datgene, wat die nieuwlichters voor die oude drachten—die de resultante zijn van een eeuwenheugende cultuur—in de plaats zouden willen stellen, zooveel beter was dan die ouderwetsche kleedij. Maar dat is geenzins het geval. Zij, die deze oude drachten zouden willen doen verdwijnen, zouden er niets anders voor in de plaats willen, kunnen stellen, dan de zoogenaamde universeele mode. Behalve, dat dit de aesthetica niet ten goede zou komen, misschien echter eenigen grond in de gezondheidsleer zou kunnen vinden, zou die verandering psychologisch noch aan het geheel, noch aan het individu ten goede komen.

Tenzij—maar dat is voorloopig nog niet mogelijk—in de plaats van die oude drachten een nieuwe kleedij gesteld kon worden, die in zijn vormen, kleuren, versieringen en veel-soortige beteekenis even algemeen waardevol is, als die oude kleedingswijze.

Die nationale kleeding dus met opzet te willendoen verdwijnen, omdat ze zoogenaamd de uiting is van onbeschaafdheid, zou gelijk staan zich aan de volkspersoonlijkheid te vergrijpen. En in deze tijd van algemeene vernivelleering, van gebrek aan persoonlijkheids-gevoel, zou dat gelijk staan met de werkelijke cultuur aan te randen, door haar uiterlijk met geweld te willen vernietigen.

De nationale kleederdrachten behooren tot de monumenten die ons het voorgeslacht liet, als een uiting van haar persoonlijkheids-gevoel, haar persoonlijkheids-wezen, haar eigen beschaving en idealen. En al deze monumenten, de oude kasteelen, kathedralen en huizen, de oude meubelen en ook die oude kleedij, moet men, als een deel van den geest van het verleden, hun eigen dood doen sterven. “Il faut laisser mourir les monuments.”

Het zou even zoo dwaas zijn die oude kleedij met geweld te willen verbieden, als ze, daar waar ze uit zich zelf verdwenen is, weer te willen doen herleven. En dit geldt voor alles wat ons het voorgeslacht liet. Slechts datgene waarin de algemeene waarheid leeft, blijft, en krijgt op zijn tijd zijn nieuwe kleed, kan zich, op zijn tijd, opnieuw verjongen en zich dan weer doen onderscheiden.

De nationale kleederdrachten nu zijn een zeer bijzondere uiting van het persoonlijkheids-bewustzijn van een land, van een streek, van een stad. En zoolang dat bewustzijn in de bewoners van dat land leven blijft, zoolang blijft hun nationale,eigene kleeding bestaan. Zoodra zij zich echter inter-nationaal, of zonder zelfstandigheid gaan voelen, verdwijnt hun eigene kleeding.

Als zoodanig ligt er dus wel eenige waarheid in het verwijt van die zoogenaamd beschaafden, dat in streken waar nog een nationale kleederdracht gevonden wordt, nog een zekere achterlijkheid bestaat. Maar dan moet dit aldus verstaan worden, dat onder achterlijkheid, persoonlijkheid verstaan wordt. Maar sinds wanneer is dan “persoonlijkheid” gelijk aan “achterlijkheid”. Tenzij dat men in het vasthouden aan die van oudsher overgeleverde vorm-geving, aan dat persoonlijkheidsgevoel een star en dood vasthechten aan de uiterlijkheid ziet.—In dat geval is het werkelijk een gebrek aan vooruitgang, een achterlijkheid.—Maar .... zoo is het in werkelijkheid niet.

Het isgeenszinswaar dat die oude kleedij slechts door domme boeren en onbeschaafde buitenlui gedragen wordt uit sleur, omdat ze niet beter weten. Moge dit voor den “stads-mensch” zoo schijnen, de waarheid is anders. Zeker in de streken en bij de “boeren” die de nationale dracht nog in zijn geheel naar het oude model dragen. Dit getuigt de wijze waarop en de gelegenheid waarbij die “boeren” hun oude kleeding dragen.Zij zien hun eigen ideaal in die bijzondere kleedij, die kleurige stoffen, linten, strikken, gouden sieraden en kantwerk. Voor hen is die kleedij werkelijk mooier en beter dan de “stadskleeding” of de mode. En dit bewijst niet de achterlijkheid van deze menschen, maar het pleit voor hun onbedorvenheid, voor de oprechtheid van hun gevoel en hun smaak. En zoo deze dan al niet van de meest verfijnde soort moge zijn, ze is in ieder geval“echt”.

En zij worden in hun voorliefde volkomen in het gelijk gesteld door kunstenaars en aesthetici, die de typische schoonheid van de ware, nog intact gebleven oude drachten boven de gemiddelde moderne modekleedij zullen stellen, er het meerdere karakter, de grooter eigenheid van erkennen. Is die aanhankelijkheid aan het oude, die zoogenaamde achterlijkheid, niet heel wat beter dan over te gaan tot een slecht gedragen moderne kleedij, die in den regel voor de nationale dracht in de plaats wordt gesteld?

Men kan dus niet zeggen dat het uit sleur is dat die nationale drachten nog gedragen worden ... of dat hun eigendommelijke schoonheid niet een nog levende schoonheid zou zijn, die door de dragers niet duidelijk als zoodanig zou worden gekend. Zelfs de “mode” heeft in die nationale costumes de eigene schoonheid weten te waardeeren, en veel motieven en kleur-combinatieszijn aan die drachten door de moderne vrouwenkleeding ontleend. Zelfs de kanten mutsjes, die men nog voor kort—door hun overdreven stijfgeplooidheid—nog zoo “grootmoederlijk” vond, vinden thans bij de moderne dameskapsels navolging.

Zoodat per slot het boersche en het onbeschaafde niet ligt bij die nationale drachten, maar in de onkunde die er omtrent hen heerscht, en bij de “moderne modes” die alle goeden smaak bederven, en er eerder over gedacht zou moeten worden tot de oude volkskleedij terug te keeren dan ze af te schaffen. Althans als er sprake zou zijn van “cultuur” en ware goede “smaak” en, indien “terug-gaan” als zoodanig ooit te verdedigen zou zijn.

Intusschen is noch het een, noch het ander het ware. De tijd zal in deze ook op het gebied der kleedij een nieuw persoonlijkheids-idee doen ontstaan, die bij de oude nationale drachten zoo levend en zoo kenbaar was, en die in de moderne costumeering slechts bij zeer hooge uitzondering tot uiting komt en bereikt wordt.

En, persoonlijkheid, ook in kleeding, is toch immers slechts het eenige kenmerk van ware cultuur—dat is, van een van binnen-uit gekomen zelf-ontwikkeling, zelf-opheffing, zelf-verbetering.

II. De Nederlandsche nationale kleederdrachten.A. Algemeen overzicht.Thans, in 1916—en reeds in 1912 op het feest in Nationale kleederdrachten te Amsterdam, moet geconstateerd worden dat van de Nederlandsche-eigen-volks-kleedij niet veel meer over is, en dat wat er nog is, zienderoogen en jammerlijk verandert en verdwijnt.En het gaat met dat verdwijnen ieder jaar sneller.Op zichzelf zou men hier niet over moeten treuren, omdat met het verdwijnen van dat, wat afgedaan heeft, de plaats vrij wordt voor nieuw leven. Maar erger is het dat vele drachten zoo deerlijk veranderd worden, zoo “verknoeid worden” moet men zeggen, door toevoegsels of veranderingen die enkele dragers (maar vooral draagsters) aan deze kleedij aanbrengen.Dat veranderen heeft er meer toe bijgedragen dat algemeen wanbegrip dat onder het groote publiek over die costumes heerscht te doen ontstaan, dan de werkelijke costumes zelf. Aan het origineel erkent men tenminste het ware, al vindt men het niet mooi. De eigen-gereide verandering wordt in den regel echter slechts lachwekkend. Ik denk hier aan de bekende capotte-hoedjes—een overblijfsel van de Fransche-Dames-Modes van omstreeks 1880—die in het Nederlandsche nationale costume zijn overgegaan, onder den naam van “de kiep” (West-Friesland). Deze “kiep” wordt over de boeren-muts gedragen, met banden onder de kin vastgeknoopt, en is een toonbeeld van verregaande onredelijkheid en smakeloosheid. Zoo’n toevoegsel maakt het geheele costume en de draagster zelf werkelijk belachelijk.Dergelijke veranderingen maakten het nationale costume bespottelijk. Maar andere wijzigingen kwamen de moderne smaak meer in het gevlei, ofschoon ze evenzeer tegen het wezen van de nationale dracht streden.Zoo dragen de Zeeuwsche vrouwen op Walcheren sinds eenige jaren een corset, en maken zij hun vele rokken niet meer van zoo dikke wollen stoffen. Het gevolg is dat er veel meer teekening in hun figuur kwam, en bijna eenzelfde lijn als de moderne dames-costumes werd verkregen. Voeg daarbij dat de van nature zoo wel gebouwde Walcherensche vrouwen al reeds uit zichzelf een meer “moderne” verschijning hebben dan bijvoorbeeld de Marker vrouwen, dan begrijpt men hoe op Walcheren de nationale dracht voor de vrouwen zoolang en zoo algemeen “mode” kon blijven. Ze flatteerde in hooge mate, ze kwam de lijn van het moderne vrouwen-costume nabij,en ze bleef toch schijnbaar nationaal zonder dit echter in werkelijkheid geheel te zijn.Ziedaar een voorbeeld van verandering, die althans niet aesthetisch storend werkt en daarom het uiterlijk van het nationaal costume als zoodanig niet geheel ten nadeele komt.Maar behalve de veranderingen die iedere draagster, naar eigen smaak, aan haar eigen dracht aanbrengt, zijn er andere factoren die op het verdwijnen van de nationale costumes van grooten invloed zijn.Want .... ze verdwijnen langzaam maar zeker—al die bonte, typische, nationale Nederlandsche-volks-eigen drachten, met zoo eigen schoonheid en charme. De groote en uitgebreide correspondentie, die ik sinds 1912 met belangstellenden over dit onderwerp voer, bewijst dit.Gemeentelijke autoriteiten zoowel als privé-personen, uit alle deelen van ons land, zij allen zijn het er over eens dat die drachten zienderoogen verminderen. En—komt men ter plaatse zelf—dan zullen het u alle oude vrouwtjes verhalen hoe in hun jeugd allen minstens nog mutsen droegen, terwijl thans (1916) de jeugd, in diezelfde streken, geen enkel spoor van nationale dracht meer in haar kleeding toont.De ouderen herinneren zich, dat in hun jeugd bijna allen in nationale kleedij gingen, althansmet de muts en de rest van de kleeding was dan althans van ouderwetsche stof, snit en kleur.De menschen van middelbaren leeftijd van thans (1916) tooien zich nu en dan nog met de muts en het oorijzer of de gouden sieraden, die van de ouders zijn geërfd, en dan nog alléén uit piëteit voor hun voorzaten. Maar de jeugd van dezen tijd (1916) is volkomen “modern.”Dit geldt voor het allergrootste deel van Nederland, en in de allereerste plaats de groote steden en hun omgeving, zelfs in streken als Zeeland, op Marken, Urk en in andere plaatsen, waar de dracht nog vrij algemeen is, vindt men al huisgezinnen, waar slechts een deel van de kinderen in nationaal costuum gaan, de anderen “bekeerd” zijn, zooals ik eens een jong meisje van 13 jaar, (in Huizen) die “modern” droeg, hoorde zeggen.De moderne jeugd is zoogenaamd “te verstandig”, en na dit geslacht zal in het volgende wellicht alle herinnering aan de nationale kleedij in Nederland verloren zijn, met uitzondering van een paar streken, waar thans nog de oude dracht algemeen en in zijn geheel gedragen wordt. Maar die streken worden hoe langer hoe kleiner. Want een andere oorzaak van het veranderen, en daardoor verdwijnen van de nationale kleedij, is de kostbaarheid van die dracht. En ook vereischen de meeste van die costumes zeer veel kennis om ze te vervaardigen, ze zijn lastig in het dragen, en kostbaar in onderhoud,vooral de kanten mutsen en kappen, die meestal door speciale strijksters moeten behandeld worden.Ook dit zijn ongemakken, die de moderne jeugd gaarne ontgaan wil, vooral omdat de nieuwerwetsche kleeding zooveel eenvoudiger en losser in het dragen is en geheel gereed in winkels kan worden gekocht. Maar daar staat tegenover, dat vele van die oude drachten zoozeer flatteeren. En .... welke vrouw zou dat niet zien .... en waardeeren, en haar veel moeiten doen vergeten. Zoo die ijdelheid dan—voor zoover de vrouwencostumes betreft—voor een deel oorzaak zou kunnen zijn, dat enkele van die oude drachten langer zouden kunnen blijven voortbestaan, niet aldus met de mannendracht. Daar geeft het practische den doorslag, ofschoon hier en daar nog een klein gevoel voor de geboorteplaats en een koppig vasthouden aan oude gebruiken tot de instandhouding van de plaatselijke dracht zal blijven medewerken.Over het algemeen moet echter vastgesteld worden, dat de nationale Nederlandsche kleedij langzaam maar zeker verdwijnt, en dat vooral dit nu levende geslacht (1870–1920), de grootste veranderingen op dit gebied mee maakt.B. Waar worden de Nederlandsche nationale kleederdrachten gedragen?In ieder van de elf Nederlandsche provinciën wordt de nationale dracht op zeer verschillende wijze in stand gehouden.In enkele streken komt ze thans (1916) nog veelvuldig voor en wordt ze in haar geheel, in onder- en bovenkleeding, zoowel door de mannen als de vrouwen en de kinderen in eere gehouden.In andere gedeelten van ons land, en dat is wel het grootste deel, vindt men er nog slechts de gedeeltelijke overblijfselen van. Die gedeeltelijke dracht bepaalt zich dan hoofdzakelijk tot de vrouwen-kleeding, waarbij alleen de kap en het oorijzer en eenige bijzondere gouden en bloedkoralen lijfsieraden behouden bleven.Het verdere gedeelte van de kleeding dier vrouwen is dan een soort stadsdracht, waarin zekere vormen en versieringswijzen van de oude drachten zijn overgebleven, maar in heel andere stoffen, heel andere (meestal effen) kleuren zijn uitgevoerd, een en ander vervormd door den invloed van modedrachten van bijna een generatie terug. Dit “halve” nationale kleed heeft dus in ieder geval een bijzonder cachet, maar zij is de bij uitstek smakelooze, boersche en onbeschaafde en is de ergste vijand van de volledige nationale dracht geworden, omdat ze zoo voor ieder in hetoog vallend dualistisch verkeerd, daardoor zoo leelijk en daarom zoo belachelijk is.En in het overige deel van Nederland zijn zelfs alle sporen van de ouderwetsche dracht verloren gegaan. Dit is vooral zoo in de groote steden en centra van industrie, en dan voornamelijk onder de bevolking die van deze industrie leeft. De boeren hebben in die streken soms nog hun eigen dracht—geheel of gedeeltelijk—behouden.Een merkwaardig voorbeeld van dien verderfelijken invloed van de industrie op onze nationale kleederdrachten ziet men in Vlissingen, dat geheel gemoderniseerd is, terwijl op het overige gedeelte van het onvolprezen schoone Walcheren, tot zelfs onder de poorten van Vlissingen zelf, de inheemsche dracht in zoo bijzondere eer wordt gehouden.Zoo men de streken waar de nationale kleedij veel, minder of in ’t geheel niet meer gedragen wordt, op de kaart van Nederland aanteekent, dan zal het opvallen, hoe de volledige kleedij alléén nog maar voorkomt in twee scherp afgescheiden centra (zie bl.1).Het eene omvat Zeeland, en dan nog hoofdzakelijk alleen de eilanden Walcheren en Zuid-Beveland, en een deel van Staats-Vlaanderen.Het andere strekt zich uit langs de kust van de Zuiderzee, van Staphorst (in Overijsel) in het Noorden, tot Huizen (in Noord-Holland) in hetZuiden. De eilanden Urk, Marken en Volendam (dat zoo goed als een eiland op het land is) moet men ook tot dat centrum rekenen.Buiten deze twee zich zeer duidelijk afteekenende streken, wordt het nationale costuum in Nederland nergens meer compleet gedragen. In alle andere streken komt het gedeeltelijk voor, zelfs in de dorpen langs de Noordzee, waar voor Scheveningen, wat de vrouwenkleeding betreft, een soort uitzondering gemaakt zou kunnen worden.De streken, waar de nationale dracht gedeeltelijk voorkomt, strekken zich om deze centra uit, ook in de groote steden zijn de drachten zoo goed als geheel verdwenen, zoo men tenminste niet de zeer enkele oudere vrouw die nog alleen een eenvoudige muts (de gewone Hollandsche hulle) draagt, of enkele weezen-costumes mee wil rekenen.In het algemeen kan men echter zeggen dat dit gedeeltelijk costume in het grootste (westelijke) deel van de Provincie Friesland nog gedragen wordt, op enkele van de Noordzee eilanden, in Noord-Holland (in hoofdzaak West-Friesland), op het platteland in Zuid-Holland en Utrecht, de noordelijke Zeeuwsche eilanden, langs der Gelderschen IJsel in den achterhoek van Gelderland, in het land tusschen Maas en Waal en in het noordelijk en westelijk deel van Noord-Brabant. In Groningen, een groot deel van Drenthe enOverijsel, in zuid-oostelijk Noord-Brabant en in Limburg is echter de dracht geheel verdwenen, bijna ieder spoor is er van uitgewischt.De overgangs-periode van heele op gedeeltelijke dracht, die het geslacht dat thans (1916) ongeveer vijftig jaar is, heeft meegemaakt, wordt door de jeugd uit dezen tijd (1916) overgeslagen. Zelfs in centra waar de drachten om veel redenen nog in zeer groote eere zijn, beginnen enkele jongeren direct met algeheelen afstand van het nationale costume te doen en kleeden zich, niet alleen “op zijn stadsch” maar zelfs naar de laatste buitenlandsche mode, nu deze nieuwere vormen en opvattingen zooveel spoediger tot de landelijke bevolking doordringen dan dit een geslacht geleden gebeurde.En, waar deze volledige verandering van costumeering, zoo zonder overgangsproces, plaats grijpt, is het begrijpelijk dat voor de nationale drachten het grootste gevaar dreigt om in betrekkelijk zeer korten tijd volkomen te verdwijnen.C. Over den invloed van den godsdienst, ras, rang, stand en beroep op de Nederlandsche nationale kleederdrachten.De invloed van den godsdienst op de nationale drachten is een zeer bijzondere. Niet alleen dat de vorm van het costume ook zelfs naar dengodsdienst verschillend wordt, zooals dit zeer sterk is op Zuid-Beveland, maar het blijkt dat de godsdienst ook van invloed is op het behoud onzer nationale drachten. Over het algemeen heb ik opgemerkt dat in meer orthodoxe streken—zoowel protestantsche als roomsch-katholieke—de drachten langer bewaard blijven dan in minder godsdienstige, zoodat dus de godsdienstige factor als eene ten goede voor de drachten moet worden aangemerkt.De invloed van het Ras laat zich ook in den vorm van de costumes nawijzen zooals ik dat reeds hier en daar in dezen text doe. Hierover hebben ook Dr. Jos. Schrijnen, in zijn hoogst belangrijk boek over “Nederlandsche volkskunde”, Prof. J. H. Gallee in zijn werk over “Het boerenhuis in Nederland en zijn bewoners”, en Prof. L. Bolk in zijn verhandeling over “De bevolking van Nederland in haar anthropologische samenstelling”, hun zienswijzen en de resultaten van hun studiën neergelegd.De rang en stand in de maatschappij heeft in zooverre ook haar invloed op de nationale drachten doen gelden, dat de costumeering rijker en fraaier werd, naarmate de drager in betere sociale omstandigheden verkeerde. Op den vorm van de dracht had dit slechts weinig invloed, men was niet gewend bijzondere kenteekenen, om de standen te onderscheiden, te dragen.Om deze redenen zijn dus onze nederlandsche nationale drachten echtevolks-drachten.Anders is dit met de gelegenheids-kleedij. Niet alleen dat de vorm en de kleur van de kleeding der kinderen dikwijls van de dracht van de volwassenen onderscheiden is, maar voornamelijk wordt het onderscheid groot tusschen daagsche, feestelijke of rouw-kleedij. Dit is bij al onze nationale drachten min of meer het geval, maar—begrijpelijkerwijze—daar het sterkst, waar de drachten nog volledig door mannen en vrouwen gedragen worden, omdat ook de oude zeden, met die oude drachten, behouden bleven.De invloed van die zeden en gebruiken, doet zich dan zeer sterk op de kleeding gelden, en komt in de verscheidenheid van die kleedij bij vele gelegenheden tot uiting.Opmerkelijk is daarbij vooral de bijzondere fraaiheid en ingewikkeldheid van de trouw-costumes, en—hoe zou het anders kunnen—vooral van deze gelegenheids-kleeding van de vrouwen.Overal wordt bij de costumeering van “de bruid” een zeer bijzondere prachtlievendheid, zoowel in kleur als in bewerking van het costume, ten toon gespreid.Maar ook het verschil in beroep bracht verschil in kleedij, zonder dat er echter van een consequent doorgevoerde beroeps-kleeding kan gesproken worden.Zoo is er, bijvoorbeeld op Scheveningen, verschil in de kleeding tusschen de visschers en de dorps-bewoners (die andere bezigheden hebben). Maar over het algemeen is de afwijking van het algemeene type der locale kleeding tengevolge van beroep of stand niet zeer groot. De grootste variatie wordt veroorzaakt door degelegenheidwaarbij het costuum gedragen wordt.Ten slotte zou nog een afzonderlijk hoofdstuk te wijden zijn aan deweezen-costumes. Ofschoon deze, als uniformen, niet tot de eigenlijke nationale kleedij gerekend kunnen worden, staat daar tegenover, dat het wezen en de vorm van vele dezer drachten toch zoo nauw bij de eigenlijke volksdrachten aansluiten, er zoo zeer uit voortkomen en er zich zoodanig mee hebben vermengd, dat deze meestal toch ook ouderwetsche costumeeringen hier noodzakelijk in het kort besproken moeten worden.Enkele van deze costumes zijn hier in dit boekje afgebeeld en beschreven, om toch vooral ook niet deze zoo typeerende kleedij te vergeten, die door een groot deel van het publiek zoo goed gekend wordt, en die, naast de werkelijke nationale drachten, toch ook veel aardigs en eigens aan de lokale kleur van enkele Hollandsche steden hebben bijgezet. De mooie Amsterdamsche burgerweesjes, die uit Haarlem, uit Leeuwarden en zoovele andere steden, mochten in ditbestek ook niet vergetenworden.D. Over de beteekenis van onze Nederlandsche nationale kleederdrachten uit een ethisch en aesthetisch oogpunt.Het ware zeer verkeerd onze nationale volks-kleederdrachten de maatstaf van een hooger schoonheidsbeginsel aan te leggen. Zij behooren, als een van de vele monumenten van oude geschiedenis en kunst, geheel gelijk gesteld te worden met de kleinkunst, de gebruikskunst, die uit het volk, uit zijn aard, zeden en gewoonten voortkwam, zonder in wezenlijk of direct verband met de hoogste intellectueele waarde en geestelijke idealen van dat (ons) volk te staan.En omdat ons Nederlandsche volk zich in haar kunstuitingen, zelfs in die van haar beste perioden, steeds meer een volk van particulariseerend gevoel dan van veralgemeenende verstandelijkheid heeft betoond, moet het ook niet verwonderen dat haar volks-kunst, waaronder onze nationale kleederdrachten te rekenen zijn, nooit belangrijker wordt dan wat met wat goede maar boertige smaak, veel werk-kracht en een vroolijke maar oppervlakkige levensbeschouwing bereikt kon worden.Verheffend schoon zijn daarom onze nationale kleederdrachten niet, maar ze zijn levensvol, soms rijk, soms fijn, maar over ’t algemeen meer aardig, merkwaardig en typeerend dan inspireerend. Zij behooren, gelijk zoovele opmerkelijke maar andersgeen hoogere princiepen uitdrukkende meubelkunst en klein-architecteur, tot dat zelfde soort monumenten van onze groote voorgeschiedenis gerekend te worden, waarvan de overblijfselen nog voor een deel in enkele streken van ons land te vinden zijn is in oude buurtjes en grachtjes, huisjes en hoekjes. Als zoodanig hebben zij dus in het werkelijke hedendaagsche leven van ons volk geen beteekenis meer dan die van “curieuse bezienswaardigheid”. Slechts in die gedeelten van ons land waar nog oude of ouderwetsche zeden en gewoonten heerschen, hebben en behouden zij echter alleszins hun reden van bestaan, en .... zijn zij nog de dragers van het levende volks-ideaal.De schoonste van deze drachten zijn voornamelijk die welke door den Frieschen stam gedragen worden, te weten de costumes in Friesland, Urk, Volendam en in Zeeland. Bij deze alle moet een verfijning van vorm en kleurenkeus geconstateerd worden, die op iets hoogers dan het gemiddelde volks-ideaal wijst, die meer geestelijke ontwikkeling en aspiraties verraadt. Ook de meerdere voortreffelijkheid en schoonheid van dit ras boven de andere bewoners van Nederland verklaart de meerdere belangrijkheid en grooter schoonheid van deze drachten boven de andere.Behalve de aristocratische allure die vooral het Friesche costume haar draagsters geeft, het bijzonder groot-burgerlijke van de Hindelooperdracht,de levens-volheid en natuurkracht, waarvan de Urker en Volendammer kleedij getuigt, wordt in deze het toppunt van evenwichtigheid bereikt in het Zeeuwsche costume, dat meer natuurlijk dan zoovele andere drachten (bijv. Marken, Staphorst enz.) alle voordeelen van de eigenheid van het volk, van het ras, op zijn best en het schoonst tot uiting brengt en als onderstreept.In de Zeeuwsche drachten (vooral die van Zuid-Beveland en van Walcheren) komt den wil zich van anderen te onderscheiden, hoogere, meer intellectueeleidealenuit te drukken, dieper levenskijk te hebben zoo volmaakt en zoo harmonieus tot zijn recht in een even smaakvolle als stijlvolle kleedij, die als geïnspireerd en gecomponeerd schijnt op de bijzondere lichamelijke schoonheid van dit zeeuwsch-friesche ras, dat ongetwijfeld het schoonste, en naar den bouw van het lichaam het meest algemeen-menschelijk-normale deel van het nederlandsche volk is.Werkt den aanblik van het Nederlandsche nationale costume dan niet altijd verheffend, is het in zich zelf niet altijd even hygiënisch, lijkt het soms meer vreemd en gezocht dan origineel, soms meer bont dan kleur-rijk, soms meer merkwaardig dan mooi, het geeft in zijn groote verscheidenheid een zeer juisten blik op de Nederlandsche volkspsyche. De klein-burgerlijkheid, die een hoofdkenmerk van ons volk is, en die dikwijls totboerschheid wordt, komt in enkele van die drachten ten zeerste uit, zooals die van Marken, Gelderland en Noord-Brabant. Aan den anderen kant echter zijn er elementen in die volks-kleedij, die zich bijna boven de groot-burgerlijkheid tot een soort regenten-aristocratie verheffen, zooals de provinciale (oude) dracht in Friesland en Zeeland, waar door verfijnden smaak in kleuren en vormen iets hoogers bereikt wordt, al wordt die meer aesthetische werking van deze drachten dan voor een groot deel veroorzaakt door de grootere rasschoonheid van de dragers, en—speciaal van de draagsters.Wil men deze historische drachten, en wat er thans nog van over is, op deze wijze beschouwen, dan blijken ze even waardevol voor de kennis van de Nederlandsche volks-ziel als de oude meubelen, architectuur en het allergrootste deel van onze nationale schilderschool. Ze zullen altijd hun waarde aan hun oprechtheid en waarheidszin blijven ontleenen, zoowel aesthetisch als ethisch, ze zullen aldoor als een werkelijke afspiegeling van den geest en de idealen van ons volk moeten worden erkend.En .... staan zij in dat opzicht lager, of zijn zij minder belangrijke of minder “hooge” kunst dan al het andere, wat ons van het voorgeslacht bleef? Ik betwijfel het. De beste uitingen van onzen Nederlandschen volksaard, op het gebied vanwelke kunst van het verleden of van het heden men het dan ook neme, zijn en blijven, voorzoover het specifiek Hollandsche wat er aan is, toch immers niets anders dan uitingen van “boeren, burgers en buitenlui.”En onze nationale kleederdrachten behooren werkelijk niet tot de minst-belangrijke van die uitingen van “boeren-kunst”!—E. Litteratuur over de Nederlandsche nationale kleederdrachten.Alvorens tot een korte beschrijving van die nationale drachten, zooals zij thans (1916) zijn, over te gaan, moge hier een kort overzicht volgen van de publicaties die—voor dezen—over dit onderwerp zijn verschenen. Een blik op de goede, of goed bedoelde beschrijvingen en afbeeldingen van deze drachten, hoe zij waren en zijn, en tevens een woord over de slechte en niet goede afbeeldingen, kan hier hen, die omtrent dit onderwerp meer willen weten, een korte leiddraad geven.Want beide soort publicaties over onze zooveel bewonderde en tegelijk zoo zeer gesmade en belachelijk gemaakte nationale drachten, moge hier eenige critiek vinden.In ’t algemeen mag gezegd, dat de goed-bedoelde, zoowel als de slechte beschrijvingen en afbeeldingen van deze costumes, ieder het hunne hebben bijgedragenom de kennis en waardeering in de war te brengen.Enkele goede, en meer wetenschappelijke, d. w. z. meerjuistebeschrijvingen daargelaten, moet het meeste van wat over dit hoogst belangrijke maar uiterst omvangrijke onderwerp werd gepubliceerd, tot de romantische en lyrische proza en poëzie gerekend worden. Bijna steeds waren het slechts phantasieën die men gaf, prent-verbeeldingen, plaatjes, groepjes die wel het schilderachtige, het aardige, lieve en typeerende van het uiterlijke dezer drachten gaven, maar meer ook niet. Zoo is een van de eerste publicaties op dit gebied, de uitgave van J. le Francq van Berkhey uit 1773, meer bezingend dan beschrijvend. Behalve een zeer objectief boekje over Hindeloopen, dat in 1855 te Leeuwarden verscheen, zijn de publicaties van E. Maaskamp uit 1803 en de Karakter-schetsen, kleederdrachten, enz. in 1842 door de Nederlandsche Maatschappij van Schoone Kunsten in Den Haag gepubliceerd, niet anders dan prentenboeken te noemen, waarbij den text meer lyrische ontboezemingen zijn, dan beschrijvingen.Zoo is het ook met de lithographische platen van Valentijn Bing en Braet von Ueberfeldt, in 1857 uitgegeven, ofschoon hier een paar prenten met goede détails aan zijn toegevoegd.De vele atlassen, die in de bibliotheek van het Rijks Museum, en in de verschillende oudheidkundigegenootschappen bijeengebracht zijn, waaronder de verzameling van F. Muller (Amsterdam 1879) wel een van de voornaamste is, bevatten slechts losse platen, met geen of te weinig beschrijvenden text. De voorstellingen uit den tijd vóór dat de photographie in dienst van deze wetenschappelijke onderzoekingen werd gesteld, zijn allen te “artistiek”, geven te kennelijk slechts den persoonlijken indruk van den lithograaph of teekenaar weer. De meeste van deze voorstellingen zijn dan ook geen objectieve afbeeldingen van bepaalde costumes, het zijn slechts “tafreelen”: “een boer”, “een dienstmeid”, zonder verder te praeciseeren.De geschiedenis van de nationale kleederdrachten, die uitditmateriaal alléén zou moeten worden samengesteld, zou derhalve een zeer twijfelachtige wetenschappelijke waarde krijgen.Later begon men echter juister beschrijvingen van de nationale drachten te geven, toen ook de photographische afbeelding bespreking van dit onderwerp in verschillende tijdschriften toeliet.Een van de eersten die stelsel-matig in dezen te werk ging, was Mr. J. E. van Someren Brand. Reeds in 1893 verschenen opstellen van zijn hand over speciale détails van dit omvangrijke studie-vak, in Elseviers maandschrift. Bijzonder mooi geïllustreerde opstellen verschenen later in ditzelfde tijdschrift, in Buiten, en andere periodieken. Het meest complete en het meest als een wetenschappelijke verhandelingbedoelde werk, is echter de reeds hierboven genoemde standaard-uitgave van Professor J. H. Gallée, over “het Boerenhuis in Nederland en zijn bewoners.”Een geheel zelfstandige serie platen en een opstel van Professor Gallée zelve, en een over de Anthropologische samenstelling van de bevolking van Nederland, van de hand van Prof. L. Bolk, is aan deze uitgave—die eigenlijk in hoofdzaak over de boerenwoningen gaat—toegevoegd.Hoe voortreffelijk dit werk echter ook moge zijn, moet toch betreurd, dat Professor Gallée waarschijnlijk niet over de noodige bladzijden voor text en illustratie kon beschikken, om niet alleen het uiterlijk aspect van enkele onzer nationale drachten af te beelden en tè globaal te beschrijven, maar om ook de onderkleeding te hebben kunnen behandelen. Bovendien missen deze prenten, die alle naar photographie genomen zijn, de kleur. En, die kleur is een zoo belangrijke factor in die kleurvolle en kleurige volks-kleedij, dat ze, zonder deze, niet in afbeeldingen in zwart te begrijpen is.Voor Zeeland publiceerden Dr. J. C. de Man en J. A. Frederiks in 1894 een beschrijving van de Zeeuwsche drachten. Ook verscheen een plaat in kleuren waarop alle Zeeuwsche kleederdrachten, tot een schilderachtige groep vereenigd, staan afgebeeld. Deze plaat werd uitgegeven onder leiding van Mr. J. E. van Someren Brand, den bijeenbrengervan een hoogst belangrijke collectie costumepoppen. Ofschoon deze prent, naar omstandigheden, (lithographie in kleuren naar een kleurlooze photo) zeer belangrijk is, is ze niet voldoende. Het is ondertusschen te bejammeren, dat van de andere provincies niet dergelijke prent-verbeeldingen zijn gemaakt. Deze plaat werd uitgegeven door de Uitgevers Mij. Elsevier, in 1894.Een nog altijd niet geschreven standaardwerk over onze nationale kleederdrachten zal niet alléén de boven, maar ook de onderkleeren in al haar détails moeten beschrijven en afbeelden, niet alléén in zwart, maar ook (en vooral) in kleur. En niet alléén zal het “effect” dat deze drachten op den beschouwer maken, moeten worden weergegeven, maar vóór alles het wezen, de ware vorm, de constructie van die kleedij in schematische verbeeldingen moeten worden vastgelegd, ondersteund door photo’s naar de dragers en draagsters zelf, opdat ook de wijze van dragen, de habitus der bevolking, hun uiterlijke ras-eigenaardigheden voor het nageslacht duidelijk bewaard mogen blijven.Tot zoover over de goed-bedoelde en goede publicaties over onze nationale drachten. Thans over de slechte, de verkeerde, zelfs de leugenachtige. En tot deze laatste moeten vooral de duizende prentbriefkaarten gerekend worden die in de laatste tien jaren, in den handel zijn gebracht.Behalve dat deze prentjes slechts “kiekjes”, “plaatjes” te zien geven, zijn de gekleurde uitgaven, die in deze bestaan, meestal in het buitenland vervaardigd, en daardoor in den regel hopeloos verkeerd. Ze accentueeren het bonte, boersche, onbeschaafde, door foutieve op-kleuring nog meer, zoodat deze verkeerde series veel misverstand omtrent onze nationale kleedij in de wereld gebracht hebben.Maar niet minder zijn daar de vele reclameplaten schuld aan, en de wijze, waarop zich (vooral de Amerikaansche) reclame van een zoo dankbaar en “dutchy” (lees: mal) motief heeft meester gemaakt als de Hollandsche nationale drachten den niet begrijpenden boodt.Die verkeerde, en dikwijls opzettelijk verkeerdelijk aangedikte voorstellingen hebben onze nationale kleederdrachten in het oog van den buitenlander (en—terugwerkend, in het oog van vele Hollanders) een zeer slechten roep bezorgd. Zelfs ging een deel van deze verkeerde gedachten op Holland en de Hollanders over.Dit kon des te makkelijker, omdat de kennis van de algemeene aardrijkskunde, en speciaal van het kleine Nederland, in de groote landen (vooral Amerika, Engeland, Frankrijk) onder het “beschaafde publiek” niet bijzonder ontwikkeld is.Men is toen, in dat groote buitenland, die boerschheid, onbeschaafdheid en lachwekkende logheid,die men, door die verkeerde voorstellingen, gedwongen werd te zien, voorden geest van Holland en zijn bewonersgaan houden. En dit heeft een juist begrip omtrent en kennis van het ware Holland in de wereld niet bevorderd.En toch—dit alles had voor een deel vermeden kunnen worden, zoo er een goed standaardwerk over onze nationale kleederdrachten bestaan had. Maar tot nog toe hebben onze nationale kleederdrachten, ofschoon zij evenzeer een levende uiting van den geest der vaderen zijn, nog niet die aandacht der officieele en wetenschappelijke wereld tot zich getrokken, die zij om zooveel redenen werkelijk verdienden.Hier blijft thans nog de collectie aangekleede poppen te vermelden, die in de verschillende musea in den lande de herinnering aan die nationale drachten levendig zullen houden, als die drachten zelf dan niet meer door de bevolking zullen worden gedragen, en .... als die poppen en hun kleedij tegen dien tijd niet door de mot en andere oorzaken zullen zijn vergaan.Reeds in 1898 werd door Mr. J. E. van Someren Brand, toenmaals Directeur van het Stedelijk Museum te Amsterdam, een verzameling van ongeveer honderd verschillende nationale costumes tezamen gebracht, die in hooge mate merkwaardig is. Deze belangrijke collectie, die tot September1916 in het Rijks Museum te Amsterdam te zien was en waar zij, om zooveel redenen, op deeenigehaartoekomendeplaats was, is sinds dien, jammer genoeg, naar het openlucht Museum te Arnhem “uitgewezen.”Behalve deze collectie zijn minder omvangrijke verzamelingen van meer plaatselijke costumes, op poppen gemonteerd, in de musea van Middelburg, Leeuwarden, Hindeloopen en andere steden opgesteld.En behalve deze poppen, worden in menige familie enkele ouderwetsche drachten in hun geheel of in gedeelten als kostbare—maar doode—herinneringen aan het voorgeslacht bewaard. Vooral is dit het geval in Friesland, waar echter nu en dan den gewestelijken geest weer levend wordt, zoodat bij bijzondere feestelijkheden deze costumes nog wel voor den dag komen, om te getuigen, dat het gevoel van eigenheid nu en dan nog wakker kan worden.Maar behalve deze hier in ’t kort opgesomde beschrijvingen en plaatjesachtige verbeeldingen, deze prent-briefkaarten en poppen in nationaal costume en die enkele, in oude kasten en stoffige doozen bewaarde kleedingstukken, is van de nationale drachten in ons land niets over, dan wat er in de verschillende streken nog gedragen wordt, heele, halve, veranderde en onjuiste kleeding, die zoo is, omdat ze zoo is, waar moeielijk eenigejuiste en wetenschappelijke critiek op gegeven kan worden en die de eenige reëele bron is voor onze kennis van dit bijzondere monument van echt Hollandsche geschiedenis en kunst.Een korte inventariseering, van dat, wat heden (1916) nog van die nationale volks-kleedij in werkelijkheid over is,beoogtditboekje.F. Wat werd en wordt er voor de instandhouding, de belangen en de kennis van de Nederlandsche nationale kleederdrachten gedaan.Ten laatste moge hier nog een korte beschouwing volgen over wat er voor onze zoo beroemde Nederlandsche volksdrachten gedaan werd.In de meeste landen waar eveneens zoo’n belangrijk monument uit het verleden, als wij in onze nationale drachten hebben, is overgebleven, en dat bovendien een monument is, in zich zelf zoo merkwaardig, en dat zóóveel tot de waardeering van ons Hollandsche land, vooral bij den vreemdeling, heeft bijgedragen, wordt van overheidswege alles in het werk gesteld om die volkseigenheid te bestudeeren, te doen voortduren, en ze op allerlei wijze te beschermen.In Nederland evenwel, de liberale leuze getrouw van “laisser faire, laisser aller”, een land, waar tengevolge van die idee kunst geen regeeringszaak is en dus niet beschermd wordt, werd en wordt “officieel” nognietsvoor die nationale kleedijgedaan. Alle pogingen in deze ten goede, gingen en gaan uit vanparticulieren.De verzameling poppen, die tot September 1916 in het Rijks Museum op zijn eigenlijke plaats was, werd door particulier initiatief, door particulier geld bijeengebracht. Ook was het zoo met de verzamelingen in de provinciën, waar zich particulieren, vereenigingen of genootschappen te werk stelden. En deze laatsten hebben zeer goed werk gedaan. Maar de regeering deed niets. Ook dat moge een van de vele factoren zijn, dat de nationale drachten in Nederland, om ’t zoo te zeggen, aan zich zelf overgelaten, zoodanig vervormd, veranderd en “gehavend” werden, en per slot geheel zullen verdwijnen, omdat het dragen er van niet van hooger hand werd aangemoedigd, of op een of andere wijze beloond. De pogingen die in dezen van privé-personen en vereenigingen uitgaan, kunnen echter nooit dat gezag en die overtuigende ernst hebben, die een lands-bestuur aan zijn verordeningen of wenschen geven kan. En al deed en doet de vereeniging Nehilennia in Middelburg ook nog zoo haar best (in een streek trouwens waar ’t nog niet zoo heel erg noodig is) deze en dergelijke vereenigingen zullen toch niet bij machte zijn met goed gevolg tegen de wassende wansmaak en vooroordeelen van de zoogenaamde stads-beschaving te strijden.Een van de beste middelen in deze echter,wordt wel door die Zeeuwsche vereeniging toegepast. Zij speculeert op de ijdelheid van de dragers (meer speciaal van de draagsters) van het nationaal costume. Geen beter middel had zij kunnen bedenken, dan eenige personen in nationale dracht, en daarna diezelfde personen (eenige kinderen) in stads-kleedij te laten photographeeren, Het onderscheid is zóó sterk, dat het de meest van smaak ontbloote mensch treffen moet. Het is, om ’t zoo te noemen, een afschrikwekkend voorbeeld. Zoo aardig en zoo geheel met een eigen cachet als die kinderen er uit zien in hun nationale dracht, zoo leelijk, zoo on-eigen, zoo onbeschaafd zien zij er uit in het “stadsch”. Waarlijk, de boerschheid komt in die kinderen dan eerst werkelijk uit als ze zoogenaamd “beschaafd”, dat is: op zijn stadsch, gekleed zijn, terwijl ze er in hun nationale dracht er heel wat minder boerachtig, minder onbeschaafd uitzien. Met het veranderen van kleeding wordt dus door de boerenbevolking juist het tegenovergestelde bereikt van wat zij bedoelt.En dàt is het wat van overheidswege aan den volke had moeten en kunnen gedemonstreerd worden, dat het niet vernederend of verachtelijk is om de nationale kleedij te dragen, dat ze niet leelijk, niet onbeschaafd is en niet “achterlijk” maakt, maar dat juist het on-oordeelkundig en smakeloos dragen van de moderne stads-kleedij de dragers en draagsters belachelijk en leelijkmaakt. Indien dit aan het volk gedemonstreerd was geworden, zou dit aanschouwelijk onderricht van zeer veel invloed op de nationale drachten gebleken zijn.Want, vooral bij de vrouwen is de indruk, die zij in hun costuum maken, toch nog maar altijd de hoofdzaak. En die ijdelheidsfactor komt de nationale dracht ten goede. Vooral de mooiste, natuurlijkste en meest rationeele drachten, zooals de Friesche en de Zeeuwsche. Zoolang de vrouwen zelf zullen blijven inzien dat die kappen en mutsen van kant, die gouden sieraden, die keurig geplooide doeken en kleurige beuken, die korte mouwen en lage-halsjes-dracht haar goed kleedt, flatteert; .... en zoolang er mannen zullen zijn, die deze schoonheid zullen opmerken .... en het de vrouwen zullen zeggen .... zal de nationale dracht in eere blijven.Het bewijs wordt immers reeds door de praktijk geleverd. Geen dame die in Middelburg of Goes gaat logeerenverzuimthet zich in de “zoo flatteerende” Zeeuwsche dracht te doen photographeeren. En, indien een Friesch meisje al de fijnheid en de ingeboren aristocratische allure van haar ras op het voordeeligst wil doen uitkomen .... dan zet ze een oorijzer op, met een fijne kap en de diamanten speld op het voorhoofd, dan doet ze kleurigzijden jurken aan, het prachtige kanten schortje voor, en witte kousen met lage schoentjes aan.De nationale dracht vindt op die wijze een beschermster in zich zelf en in “de vrouw.”Maar wat haar het meest ten nadeel komt, is dat ze kunstmatig in het leven wordt gehouden ten bate van het vreemdelingenverkeer. Dan verlaagt ze zich in haar dragers en draagsters tot bedelende comedianten.En, omdat dit door buitenlanders reeds zeer duidelijk is opgemerkt, heeft dit soort propaganda van de nationale kleedij, die nationale drachten zelf, haar dragers en ook heel Nederland, in het buitenland zeer veel kwaad gedaan. Er zou van overheidswege tegen geageerd moeten worden.Want met de gebruikelijke onkunde omtrent de Nederlandsche geschiedenis en aardrijkskunde, die in het buitenland zelfs onder de meest ontwikkelde standen heerscht, heeft deze verkeerde “reclame” tot de meest onwelwillende uitleggingen aanleiding gegeven.Zoo werd mij in Amerika’s hoofdstad, Washington D. C., door een dame, een kunst-kritieken-schrijfster, verweten, dat het Nederlandsche volk het bedel-eiland Marken, tot een schande voor heel de Hollandsche natie “in stand hield”. Volgens haar was dat eiland, met huizen, bewoners en kleedij en al,opzettelijkgemaakt om het den vreemdelingen lastig te maken met bedelarijen. Men moge, in Nederland, zeggen dat die dame niet zeer goed op de hoogte was, maar dat verhelptde zaak niet. Dat exploiteeren van de nationale kleederdracht alsvreemdelingen trekkende curiositeitkan niet anders dan tot misbruiken, en tot de daarbij behoorende misvattingen bij den vreemdeling, leiden. En op die wijze zouden de nationale kleederdrachten een middel worden om Nederland in het buitenland, evenals Italië, den naam te bezorgen, dat het zijn oude monumenten alléén exploiteert als middel om “te bedelen”.Maar er is iets anders. Dat wat het meest voor de nationale kleederdrachten noodig was, nog steeds het meest noodig is, zoowel voor tijdgenooten, landgenooten, en vreemdelingen, voor heden en vooral voor de toekomst, dat is een volledige afbeelding en beschrijving van die drachten. En het blijkt, dat een particulier zich daar niet toe zetten kan, tenzij hij een klein fortuin en een belangrijk aantal jaren en zeer veel moeiten aan deze inventariseering ten koste legt. Waar de regeering, de gemeenschap in dezen niet het initiatief neemt en royaal (dat is de eenige goede en mogelijke manier) dit werk zelf ter hand neemt of aan een persoon opdraagt, daar zullen de nationale drachten tevergeefs op den rijken, maar tegelijk kundigen dolenden ridder wachten, die zijn geld, tijd en inzicht geven wil om de schoonheid van deze stervende princes .... zooals men met een beetje goeden wil de nationale kleederdrachten van Nederland metaphorischnoemen kan, in woord en beeld aan het nageslacht over te dragen....Of zal die officieele en particuliere belangstelling en dat initiatief .... echt Hollandsch, ook weer zoo lang op zich laten wachten, totdat het te boek stellen van al die gegevens ..... niet meer mogelijk zal zijn!....

A. Algemeen overzicht.Thans, in 1916—en reeds in 1912 op het feest in Nationale kleederdrachten te Amsterdam, moet geconstateerd worden dat van de Nederlandsche-eigen-volks-kleedij niet veel meer over is, en dat wat er nog is, zienderoogen en jammerlijk verandert en verdwijnt.En het gaat met dat verdwijnen ieder jaar sneller.Op zichzelf zou men hier niet over moeten treuren, omdat met het verdwijnen van dat, wat afgedaan heeft, de plaats vrij wordt voor nieuw leven. Maar erger is het dat vele drachten zoo deerlijk veranderd worden, zoo “verknoeid worden” moet men zeggen, door toevoegsels of veranderingen die enkele dragers (maar vooral draagsters) aan deze kleedij aanbrengen.Dat veranderen heeft er meer toe bijgedragen dat algemeen wanbegrip dat onder het groote publiek over die costumes heerscht te doen ontstaan, dan de werkelijke costumes zelf. Aan het origineel erkent men tenminste het ware, al vindt men het niet mooi. De eigen-gereide verandering wordt in den regel echter slechts lachwekkend. Ik denk hier aan de bekende capotte-hoedjes—een overblijfsel van de Fransche-Dames-Modes van omstreeks 1880—die in het Nederlandsche nationale costume zijn overgegaan, onder den naam van “de kiep” (West-Friesland). Deze “kiep” wordt over de boeren-muts gedragen, met banden onder de kin vastgeknoopt, en is een toonbeeld van verregaande onredelijkheid en smakeloosheid. Zoo’n toevoegsel maakt het geheele costume en de draagster zelf werkelijk belachelijk.Dergelijke veranderingen maakten het nationale costume bespottelijk. Maar andere wijzigingen kwamen de moderne smaak meer in het gevlei, ofschoon ze evenzeer tegen het wezen van de nationale dracht streden.Zoo dragen de Zeeuwsche vrouwen op Walcheren sinds eenige jaren een corset, en maken zij hun vele rokken niet meer van zoo dikke wollen stoffen. Het gevolg is dat er veel meer teekening in hun figuur kwam, en bijna eenzelfde lijn als de moderne dames-costumes werd verkregen. Voeg daarbij dat de van nature zoo wel gebouwde Walcherensche vrouwen al reeds uit zichzelf een meer “moderne” verschijning hebben dan bijvoorbeeld de Marker vrouwen, dan begrijpt men hoe op Walcheren de nationale dracht voor de vrouwen zoolang en zoo algemeen “mode” kon blijven. Ze flatteerde in hooge mate, ze kwam de lijn van het moderne vrouwen-costume nabij,en ze bleef toch schijnbaar nationaal zonder dit echter in werkelijkheid geheel te zijn.Ziedaar een voorbeeld van verandering, die althans niet aesthetisch storend werkt en daarom het uiterlijk van het nationaal costume als zoodanig niet geheel ten nadeele komt.Maar behalve de veranderingen die iedere draagster, naar eigen smaak, aan haar eigen dracht aanbrengt, zijn er andere factoren die op het verdwijnen van de nationale costumes van grooten invloed zijn.Want .... ze verdwijnen langzaam maar zeker—al die bonte, typische, nationale Nederlandsche-volks-eigen drachten, met zoo eigen schoonheid en charme. De groote en uitgebreide correspondentie, die ik sinds 1912 met belangstellenden over dit onderwerp voer, bewijst dit.Gemeentelijke autoriteiten zoowel als privé-personen, uit alle deelen van ons land, zij allen zijn het er over eens dat die drachten zienderoogen verminderen. En—komt men ter plaatse zelf—dan zullen het u alle oude vrouwtjes verhalen hoe in hun jeugd allen minstens nog mutsen droegen, terwijl thans (1916) de jeugd, in diezelfde streken, geen enkel spoor van nationale dracht meer in haar kleeding toont.De ouderen herinneren zich, dat in hun jeugd bijna allen in nationale kleedij gingen, althansmet de muts en de rest van de kleeding was dan althans van ouderwetsche stof, snit en kleur.De menschen van middelbaren leeftijd van thans (1916) tooien zich nu en dan nog met de muts en het oorijzer of de gouden sieraden, die van de ouders zijn geërfd, en dan nog alléén uit piëteit voor hun voorzaten. Maar de jeugd van dezen tijd (1916) is volkomen “modern.”Dit geldt voor het allergrootste deel van Nederland, en in de allereerste plaats de groote steden en hun omgeving, zelfs in streken als Zeeland, op Marken, Urk en in andere plaatsen, waar de dracht nog vrij algemeen is, vindt men al huisgezinnen, waar slechts een deel van de kinderen in nationaal costuum gaan, de anderen “bekeerd” zijn, zooals ik eens een jong meisje van 13 jaar, (in Huizen) die “modern” droeg, hoorde zeggen.De moderne jeugd is zoogenaamd “te verstandig”, en na dit geslacht zal in het volgende wellicht alle herinnering aan de nationale kleedij in Nederland verloren zijn, met uitzondering van een paar streken, waar thans nog de oude dracht algemeen en in zijn geheel gedragen wordt. Maar die streken worden hoe langer hoe kleiner. Want een andere oorzaak van het veranderen, en daardoor verdwijnen van de nationale kleedij, is de kostbaarheid van die dracht. En ook vereischen de meeste van die costumes zeer veel kennis om ze te vervaardigen, ze zijn lastig in het dragen, en kostbaar in onderhoud,vooral de kanten mutsen en kappen, die meestal door speciale strijksters moeten behandeld worden.Ook dit zijn ongemakken, die de moderne jeugd gaarne ontgaan wil, vooral omdat de nieuwerwetsche kleeding zooveel eenvoudiger en losser in het dragen is en geheel gereed in winkels kan worden gekocht. Maar daar staat tegenover, dat vele van die oude drachten zoozeer flatteeren. En .... welke vrouw zou dat niet zien .... en waardeeren, en haar veel moeiten doen vergeten. Zoo die ijdelheid dan—voor zoover de vrouwencostumes betreft—voor een deel oorzaak zou kunnen zijn, dat enkele van die oude drachten langer zouden kunnen blijven voortbestaan, niet aldus met de mannendracht. Daar geeft het practische den doorslag, ofschoon hier en daar nog een klein gevoel voor de geboorteplaats en een koppig vasthouden aan oude gebruiken tot de instandhouding van de plaatselijke dracht zal blijven medewerken.Over het algemeen moet echter vastgesteld worden, dat de nationale Nederlandsche kleedij langzaam maar zeker verdwijnt, en dat vooral dit nu levende geslacht (1870–1920), de grootste veranderingen op dit gebied mee maakt.

Thans, in 1916—en reeds in 1912 op het feest in Nationale kleederdrachten te Amsterdam, moet geconstateerd worden dat van de Nederlandsche-eigen-volks-kleedij niet veel meer over is, en dat wat er nog is, zienderoogen en jammerlijk verandert en verdwijnt.

En het gaat met dat verdwijnen ieder jaar sneller.

Op zichzelf zou men hier niet over moeten treuren, omdat met het verdwijnen van dat, wat afgedaan heeft, de plaats vrij wordt voor nieuw leven. Maar erger is het dat vele drachten zoo deerlijk veranderd worden, zoo “verknoeid worden” moet men zeggen, door toevoegsels of veranderingen die enkele dragers (maar vooral draagsters) aan deze kleedij aanbrengen.

Dat veranderen heeft er meer toe bijgedragen dat algemeen wanbegrip dat onder het groote publiek over die costumes heerscht te doen ontstaan, dan de werkelijke costumes zelf. Aan het origineel erkent men tenminste het ware, al vindt men het niet mooi. De eigen-gereide verandering wordt in den regel echter slechts lachwekkend. Ik denk hier aan de bekende capotte-hoedjes—een overblijfsel van de Fransche-Dames-Modes van omstreeks 1880—die in het Nederlandsche nationale costume zijn overgegaan, onder den naam van “de kiep” (West-Friesland). Deze “kiep” wordt over de boeren-muts gedragen, met banden onder de kin vastgeknoopt, en is een toonbeeld van verregaande onredelijkheid en smakeloosheid. Zoo’n toevoegsel maakt het geheele costume en de draagster zelf werkelijk belachelijk.

Dergelijke veranderingen maakten het nationale costume bespottelijk. Maar andere wijzigingen kwamen de moderne smaak meer in het gevlei, ofschoon ze evenzeer tegen het wezen van de nationale dracht streden.

Zoo dragen de Zeeuwsche vrouwen op Walcheren sinds eenige jaren een corset, en maken zij hun vele rokken niet meer van zoo dikke wollen stoffen. Het gevolg is dat er veel meer teekening in hun figuur kwam, en bijna eenzelfde lijn als de moderne dames-costumes werd verkregen. Voeg daarbij dat de van nature zoo wel gebouwde Walcherensche vrouwen al reeds uit zichzelf een meer “moderne” verschijning hebben dan bijvoorbeeld de Marker vrouwen, dan begrijpt men hoe op Walcheren de nationale dracht voor de vrouwen zoolang en zoo algemeen “mode” kon blijven. Ze flatteerde in hooge mate, ze kwam de lijn van het moderne vrouwen-costume nabij,en ze bleef toch schijnbaar nationaal zonder dit echter in werkelijkheid geheel te zijn.

Ziedaar een voorbeeld van verandering, die althans niet aesthetisch storend werkt en daarom het uiterlijk van het nationaal costume als zoodanig niet geheel ten nadeele komt.

Maar behalve de veranderingen die iedere draagster, naar eigen smaak, aan haar eigen dracht aanbrengt, zijn er andere factoren die op het verdwijnen van de nationale costumes van grooten invloed zijn.

Want .... ze verdwijnen langzaam maar zeker—al die bonte, typische, nationale Nederlandsche-volks-eigen drachten, met zoo eigen schoonheid en charme. De groote en uitgebreide correspondentie, die ik sinds 1912 met belangstellenden over dit onderwerp voer, bewijst dit.

Gemeentelijke autoriteiten zoowel als privé-personen, uit alle deelen van ons land, zij allen zijn het er over eens dat die drachten zienderoogen verminderen. En—komt men ter plaatse zelf—dan zullen het u alle oude vrouwtjes verhalen hoe in hun jeugd allen minstens nog mutsen droegen, terwijl thans (1916) de jeugd, in diezelfde streken, geen enkel spoor van nationale dracht meer in haar kleeding toont.

De ouderen herinneren zich, dat in hun jeugd bijna allen in nationale kleedij gingen, althansmet de muts en de rest van de kleeding was dan althans van ouderwetsche stof, snit en kleur.

De menschen van middelbaren leeftijd van thans (1916) tooien zich nu en dan nog met de muts en het oorijzer of de gouden sieraden, die van de ouders zijn geërfd, en dan nog alléén uit piëteit voor hun voorzaten. Maar de jeugd van dezen tijd (1916) is volkomen “modern.”

Dit geldt voor het allergrootste deel van Nederland, en in de allereerste plaats de groote steden en hun omgeving, zelfs in streken als Zeeland, op Marken, Urk en in andere plaatsen, waar de dracht nog vrij algemeen is, vindt men al huisgezinnen, waar slechts een deel van de kinderen in nationaal costuum gaan, de anderen “bekeerd” zijn, zooals ik eens een jong meisje van 13 jaar, (in Huizen) die “modern” droeg, hoorde zeggen.

De moderne jeugd is zoogenaamd “te verstandig”, en na dit geslacht zal in het volgende wellicht alle herinnering aan de nationale kleedij in Nederland verloren zijn, met uitzondering van een paar streken, waar thans nog de oude dracht algemeen en in zijn geheel gedragen wordt. Maar die streken worden hoe langer hoe kleiner. Want een andere oorzaak van het veranderen, en daardoor verdwijnen van de nationale kleedij, is de kostbaarheid van die dracht. En ook vereischen de meeste van die costumes zeer veel kennis om ze te vervaardigen, ze zijn lastig in het dragen, en kostbaar in onderhoud,vooral de kanten mutsen en kappen, die meestal door speciale strijksters moeten behandeld worden.

Ook dit zijn ongemakken, die de moderne jeugd gaarne ontgaan wil, vooral omdat de nieuwerwetsche kleeding zooveel eenvoudiger en losser in het dragen is en geheel gereed in winkels kan worden gekocht. Maar daar staat tegenover, dat vele van die oude drachten zoozeer flatteeren. En .... welke vrouw zou dat niet zien .... en waardeeren, en haar veel moeiten doen vergeten. Zoo die ijdelheid dan—voor zoover de vrouwencostumes betreft—voor een deel oorzaak zou kunnen zijn, dat enkele van die oude drachten langer zouden kunnen blijven voortbestaan, niet aldus met de mannendracht. Daar geeft het practische den doorslag, ofschoon hier en daar nog een klein gevoel voor de geboorteplaats en een koppig vasthouden aan oude gebruiken tot de instandhouding van de plaatselijke dracht zal blijven medewerken.

Over het algemeen moet echter vastgesteld worden, dat de nationale Nederlandsche kleedij langzaam maar zeker verdwijnt, en dat vooral dit nu levende geslacht (1870–1920), de grootste veranderingen op dit gebied mee maakt.

B. Waar worden de Nederlandsche nationale kleederdrachten gedragen?In ieder van de elf Nederlandsche provinciën wordt de nationale dracht op zeer verschillende wijze in stand gehouden.In enkele streken komt ze thans (1916) nog veelvuldig voor en wordt ze in haar geheel, in onder- en bovenkleeding, zoowel door de mannen als de vrouwen en de kinderen in eere gehouden.In andere gedeelten van ons land, en dat is wel het grootste deel, vindt men er nog slechts de gedeeltelijke overblijfselen van. Die gedeeltelijke dracht bepaalt zich dan hoofdzakelijk tot de vrouwen-kleeding, waarbij alleen de kap en het oorijzer en eenige bijzondere gouden en bloedkoralen lijfsieraden behouden bleven.Het verdere gedeelte van de kleeding dier vrouwen is dan een soort stadsdracht, waarin zekere vormen en versieringswijzen van de oude drachten zijn overgebleven, maar in heel andere stoffen, heel andere (meestal effen) kleuren zijn uitgevoerd, een en ander vervormd door den invloed van modedrachten van bijna een generatie terug. Dit “halve” nationale kleed heeft dus in ieder geval een bijzonder cachet, maar zij is de bij uitstek smakelooze, boersche en onbeschaafde en is de ergste vijand van de volledige nationale dracht geworden, omdat ze zoo voor ieder in hetoog vallend dualistisch verkeerd, daardoor zoo leelijk en daarom zoo belachelijk is.En in het overige deel van Nederland zijn zelfs alle sporen van de ouderwetsche dracht verloren gegaan. Dit is vooral zoo in de groote steden en centra van industrie, en dan voornamelijk onder de bevolking die van deze industrie leeft. De boeren hebben in die streken soms nog hun eigen dracht—geheel of gedeeltelijk—behouden.Een merkwaardig voorbeeld van dien verderfelijken invloed van de industrie op onze nationale kleederdrachten ziet men in Vlissingen, dat geheel gemoderniseerd is, terwijl op het overige gedeelte van het onvolprezen schoone Walcheren, tot zelfs onder de poorten van Vlissingen zelf, de inheemsche dracht in zoo bijzondere eer wordt gehouden.Zoo men de streken waar de nationale kleedij veel, minder of in ’t geheel niet meer gedragen wordt, op de kaart van Nederland aanteekent, dan zal het opvallen, hoe de volledige kleedij alléén nog maar voorkomt in twee scherp afgescheiden centra (zie bl.1).Het eene omvat Zeeland, en dan nog hoofdzakelijk alleen de eilanden Walcheren en Zuid-Beveland, en een deel van Staats-Vlaanderen.Het andere strekt zich uit langs de kust van de Zuiderzee, van Staphorst (in Overijsel) in het Noorden, tot Huizen (in Noord-Holland) in hetZuiden. De eilanden Urk, Marken en Volendam (dat zoo goed als een eiland op het land is) moet men ook tot dat centrum rekenen.Buiten deze twee zich zeer duidelijk afteekenende streken, wordt het nationale costuum in Nederland nergens meer compleet gedragen. In alle andere streken komt het gedeeltelijk voor, zelfs in de dorpen langs de Noordzee, waar voor Scheveningen, wat de vrouwenkleeding betreft, een soort uitzondering gemaakt zou kunnen worden.De streken, waar de nationale dracht gedeeltelijk voorkomt, strekken zich om deze centra uit, ook in de groote steden zijn de drachten zoo goed als geheel verdwenen, zoo men tenminste niet de zeer enkele oudere vrouw die nog alleen een eenvoudige muts (de gewone Hollandsche hulle) draagt, of enkele weezen-costumes mee wil rekenen.In het algemeen kan men echter zeggen dat dit gedeeltelijk costume in het grootste (westelijke) deel van de Provincie Friesland nog gedragen wordt, op enkele van de Noordzee eilanden, in Noord-Holland (in hoofdzaak West-Friesland), op het platteland in Zuid-Holland en Utrecht, de noordelijke Zeeuwsche eilanden, langs der Gelderschen IJsel in den achterhoek van Gelderland, in het land tusschen Maas en Waal en in het noordelijk en westelijk deel van Noord-Brabant. In Groningen, een groot deel van Drenthe enOverijsel, in zuid-oostelijk Noord-Brabant en in Limburg is echter de dracht geheel verdwenen, bijna ieder spoor is er van uitgewischt.De overgangs-periode van heele op gedeeltelijke dracht, die het geslacht dat thans (1916) ongeveer vijftig jaar is, heeft meegemaakt, wordt door de jeugd uit dezen tijd (1916) overgeslagen. Zelfs in centra waar de drachten om veel redenen nog in zeer groote eere zijn, beginnen enkele jongeren direct met algeheelen afstand van het nationale costume te doen en kleeden zich, niet alleen “op zijn stadsch” maar zelfs naar de laatste buitenlandsche mode, nu deze nieuwere vormen en opvattingen zooveel spoediger tot de landelijke bevolking doordringen dan dit een geslacht geleden gebeurde.En, waar deze volledige verandering van costumeering, zoo zonder overgangsproces, plaats grijpt, is het begrijpelijk dat voor de nationale drachten het grootste gevaar dreigt om in betrekkelijk zeer korten tijd volkomen te verdwijnen.

In ieder van de elf Nederlandsche provinciën wordt de nationale dracht op zeer verschillende wijze in stand gehouden.

In enkele streken komt ze thans (1916) nog veelvuldig voor en wordt ze in haar geheel, in onder- en bovenkleeding, zoowel door de mannen als de vrouwen en de kinderen in eere gehouden.

In andere gedeelten van ons land, en dat is wel het grootste deel, vindt men er nog slechts de gedeeltelijke overblijfselen van. Die gedeeltelijke dracht bepaalt zich dan hoofdzakelijk tot de vrouwen-kleeding, waarbij alleen de kap en het oorijzer en eenige bijzondere gouden en bloedkoralen lijfsieraden behouden bleven.

Het verdere gedeelte van de kleeding dier vrouwen is dan een soort stadsdracht, waarin zekere vormen en versieringswijzen van de oude drachten zijn overgebleven, maar in heel andere stoffen, heel andere (meestal effen) kleuren zijn uitgevoerd, een en ander vervormd door den invloed van modedrachten van bijna een generatie terug. Dit “halve” nationale kleed heeft dus in ieder geval een bijzonder cachet, maar zij is de bij uitstek smakelooze, boersche en onbeschaafde en is de ergste vijand van de volledige nationale dracht geworden, omdat ze zoo voor ieder in hetoog vallend dualistisch verkeerd, daardoor zoo leelijk en daarom zoo belachelijk is.

En in het overige deel van Nederland zijn zelfs alle sporen van de ouderwetsche dracht verloren gegaan. Dit is vooral zoo in de groote steden en centra van industrie, en dan voornamelijk onder de bevolking die van deze industrie leeft. De boeren hebben in die streken soms nog hun eigen dracht—geheel of gedeeltelijk—behouden.

Een merkwaardig voorbeeld van dien verderfelijken invloed van de industrie op onze nationale kleederdrachten ziet men in Vlissingen, dat geheel gemoderniseerd is, terwijl op het overige gedeelte van het onvolprezen schoone Walcheren, tot zelfs onder de poorten van Vlissingen zelf, de inheemsche dracht in zoo bijzondere eer wordt gehouden.

Zoo men de streken waar de nationale kleedij veel, minder of in ’t geheel niet meer gedragen wordt, op de kaart van Nederland aanteekent, dan zal het opvallen, hoe de volledige kleedij alléén nog maar voorkomt in twee scherp afgescheiden centra (zie bl.1).

Het eene omvat Zeeland, en dan nog hoofdzakelijk alleen de eilanden Walcheren en Zuid-Beveland, en een deel van Staats-Vlaanderen.

Het andere strekt zich uit langs de kust van de Zuiderzee, van Staphorst (in Overijsel) in het Noorden, tot Huizen (in Noord-Holland) in hetZuiden. De eilanden Urk, Marken en Volendam (dat zoo goed als een eiland op het land is) moet men ook tot dat centrum rekenen.

Buiten deze twee zich zeer duidelijk afteekenende streken, wordt het nationale costuum in Nederland nergens meer compleet gedragen. In alle andere streken komt het gedeeltelijk voor, zelfs in de dorpen langs de Noordzee, waar voor Scheveningen, wat de vrouwenkleeding betreft, een soort uitzondering gemaakt zou kunnen worden.

De streken, waar de nationale dracht gedeeltelijk voorkomt, strekken zich om deze centra uit, ook in de groote steden zijn de drachten zoo goed als geheel verdwenen, zoo men tenminste niet de zeer enkele oudere vrouw die nog alleen een eenvoudige muts (de gewone Hollandsche hulle) draagt, of enkele weezen-costumes mee wil rekenen.

In het algemeen kan men echter zeggen dat dit gedeeltelijk costume in het grootste (westelijke) deel van de Provincie Friesland nog gedragen wordt, op enkele van de Noordzee eilanden, in Noord-Holland (in hoofdzaak West-Friesland), op het platteland in Zuid-Holland en Utrecht, de noordelijke Zeeuwsche eilanden, langs der Gelderschen IJsel in den achterhoek van Gelderland, in het land tusschen Maas en Waal en in het noordelijk en westelijk deel van Noord-Brabant. In Groningen, een groot deel van Drenthe enOverijsel, in zuid-oostelijk Noord-Brabant en in Limburg is echter de dracht geheel verdwenen, bijna ieder spoor is er van uitgewischt.

De overgangs-periode van heele op gedeeltelijke dracht, die het geslacht dat thans (1916) ongeveer vijftig jaar is, heeft meegemaakt, wordt door de jeugd uit dezen tijd (1916) overgeslagen. Zelfs in centra waar de drachten om veel redenen nog in zeer groote eere zijn, beginnen enkele jongeren direct met algeheelen afstand van het nationale costume te doen en kleeden zich, niet alleen “op zijn stadsch” maar zelfs naar de laatste buitenlandsche mode, nu deze nieuwere vormen en opvattingen zooveel spoediger tot de landelijke bevolking doordringen dan dit een geslacht geleden gebeurde.

En, waar deze volledige verandering van costumeering, zoo zonder overgangsproces, plaats grijpt, is het begrijpelijk dat voor de nationale drachten het grootste gevaar dreigt om in betrekkelijk zeer korten tijd volkomen te verdwijnen.

C. Over den invloed van den godsdienst, ras, rang, stand en beroep op de Nederlandsche nationale kleederdrachten.De invloed van den godsdienst op de nationale drachten is een zeer bijzondere. Niet alleen dat de vorm van het costume ook zelfs naar dengodsdienst verschillend wordt, zooals dit zeer sterk is op Zuid-Beveland, maar het blijkt dat de godsdienst ook van invloed is op het behoud onzer nationale drachten. Over het algemeen heb ik opgemerkt dat in meer orthodoxe streken—zoowel protestantsche als roomsch-katholieke—de drachten langer bewaard blijven dan in minder godsdienstige, zoodat dus de godsdienstige factor als eene ten goede voor de drachten moet worden aangemerkt.De invloed van het Ras laat zich ook in den vorm van de costumes nawijzen zooals ik dat reeds hier en daar in dezen text doe. Hierover hebben ook Dr. Jos. Schrijnen, in zijn hoogst belangrijk boek over “Nederlandsche volkskunde”, Prof. J. H. Gallee in zijn werk over “Het boerenhuis in Nederland en zijn bewoners”, en Prof. L. Bolk in zijn verhandeling over “De bevolking van Nederland in haar anthropologische samenstelling”, hun zienswijzen en de resultaten van hun studiën neergelegd.De rang en stand in de maatschappij heeft in zooverre ook haar invloed op de nationale drachten doen gelden, dat de costumeering rijker en fraaier werd, naarmate de drager in betere sociale omstandigheden verkeerde. Op den vorm van de dracht had dit slechts weinig invloed, men was niet gewend bijzondere kenteekenen, om de standen te onderscheiden, te dragen.Om deze redenen zijn dus onze nederlandsche nationale drachten echtevolks-drachten.Anders is dit met de gelegenheids-kleedij. Niet alleen dat de vorm en de kleur van de kleeding der kinderen dikwijls van de dracht van de volwassenen onderscheiden is, maar voornamelijk wordt het onderscheid groot tusschen daagsche, feestelijke of rouw-kleedij. Dit is bij al onze nationale drachten min of meer het geval, maar—begrijpelijkerwijze—daar het sterkst, waar de drachten nog volledig door mannen en vrouwen gedragen worden, omdat ook de oude zeden, met die oude drachten, behouden bleven.De invloed van die zeden en gebruiken, doet zich dan zeer sterk op de kleeding gelden, en komt in de verscheidenheid van die kleedij bij vele gelegenheden tot uiting.Opmerkelijk is daarbij vooral de bijzondere fraaiheid en ingewikkeldheid van de trouw-costumes, en—hoe zou het anders kunnen—vooral van deze gelegenheids-kleeding van de vrouwen.Overal wordt bij de costumeering van “de bruid” een zeer bijzondere prachtlievendheid, zoowel in kleur als in bewerking van het costume, ten toon gespreid.Maar ook het verschil in beroep bracht verschil in kleedij, zonder dat er echter van een consequent doorgevoerde beroeps-kleeding kan gesproken worden.Zoo is er, bijvoorbeeld op Scheveningen, verschil in de kleeding tusschen de visschers en de dorps-bewoners (die andere bezigheden hebben). Maar over het algemeen is de afwijking van het algemeene type der locale kleeding tengevolge van beroep of stand niet zeer groot. De grootste variatie wordt veroorzaakt door degelegenheidwaarbij het costuum gedragen wordt.Ten slotte zou nog een afzonderlijk hoofdstuk te wijden zijn aan deweezen-costumes. Ofschoon deze, als uniformen, niet tot de eigenlijke nationale kleedij gerekend kunnen worden, staat daar tegenover, dat het wezen en de vorm van vele dezer drachten toch zoo nauw bij de eigenlijke volksdrachten aansluiten, er zoo zeer uit voortkomen en er zich zoodanig mee hebben vermengd, dat deze meestal toch ook ouderwetsche costumeeringen hier noodzakelijk in het kort besproken moeten worden.Enkele van deze costumes zijn hier in dit boekje afgebeeld en beschreven, om toch vooral ook niet deze zoo typeerende kleedij te vergeten, die door een groot deel van het publiek zoo goed gekend wordt, en die, naast de werkelijke nationale drachten, toch ook veel aardigs en eigens aan de lokale kleur van enkele Hollandsche steden hebben bijgezet. De mooie Amsterdamsche burgerweesjes, die uit Haarlem, uit Leeuwarden en zoovele andere steden, mochten in ditbestek ook niet vergetenworden.

De invloed van den godsdienst op de nationale drachten is een zeer bijzondere. Niet alleen dat de vorm van het costume ook zelfs naar dengodsdienst verschillend wordt, zooals dit zeer sterk is op Zuid-Beveland, maar het blijkt dat de godsdienst ook van invloed is op het behoud onzer nationale drachten. Over het algemeen heb ik opgemerkt dat in meer orthodoxe streken—zoowel protestantsche als roomsch-katholieke—de drachten langer bewaard blijven dan in minder godsdienstige, zoodat dus de godsdienstige factor als eene ten goede voor de drachten moet worden aangemerkt.

De invloed van het Ras laat zich ook in den vorm van de costumes nawijzen zooals ik dat reeds hier en daar in dezen text doe. Hierover hebben ook Dr. Jos. Schrijnen, in zijn hoogst belangrijk boek over “Nederlandsche volkskunde”, Prof. J. H. Gallee in zijn werk over “Het boerenhuis in Nederland en zijn bewoners”, en Prof. L. Bolk in zijn verhandeling over “De bevolking van Nederland in haar anthropologische samenstelling”, hun zienswijzen en de resultaten van hun studiën neergelegd.

De rang en stand in de maatschappij heeft in zooverre ook haar invloed op de nationale drachten doen gelden, dat de costumeering rijker en fraaier werd, naarmate de drager in betere sociale omstandigheden verkeerde. Op den vorm van de dracht had dit slechts weinig invloed, men was niet gewend bijzondere kenteekenen, om de standen te onderscheiden, te dragen.

Om deze redenen zijn dus onze nederlandsche nationale drachten echtevolks-drachten.

Anders is dit met de gelegenheids-kleedij. Niet alleen dat de vorm en de kleur van de kleeding der kinderen dikwijls van de dracht van de volwassenen onderscheiden is, maar voornamelijk wordt het onderscheid groot tusschen daagsche, feestelijke of rouw-kleedij. Dit is bij al onze nationale drachten min of meer het geval, maar—begrijpelijkerwijze—daar het sterkst, waar de drachten nog volledig door mannen en vrouwen gedragen worden, omdat ook de oude zeden, met die oude drachten, behouden bleven.

De invloed van die zeden en gebruiken, doet zich dan zeer sterk op de kleeding gelden, en komt in de verscheidenheid van die kleedij bij vele gelegenheden tot uiting.

Opmerkelijk is daarbij vooral de bijzondere fraaiheid en ingewikkeldheid van de trouw-costumes, en—hoe zou het anders kunnen—vooral van deze gelegenheids-kleeding van de vrouwen.

Overal wordt bij de costumeering van “de bruid” een zeer bijzondere prachtlievendheid, zoowel in kleur als in bewerking van het costume, ten toon gespreid.

Maar ook het verschil in beroep bracht verschil in kleedij, zonder dat er echter van een consequent doorgevoerde beroeps-kleeding kan gesproken worden.

Zoo is er, bijvoorbeeld op Scheveningen, verschil in de kleeding tusschen de visschers en de dorps-bewoners (die andere bezigheden hebben). Maar over het algemeen is de afwijking van het algemeene type der locale kleeding tengevolge van beroep of stand niet zeer groot. De grootste variatie wordt veroorzaakt door degelegenheidwaarbij het costuum gedragen wordt.

Ten slotte zou nog een afzonderlijk hoofdstuk te wijden zijn aan deweezen-costumes. Ofschoon deze, als uniformen, niet tot de eigenlijke nationale kleedij gerekend kunnen worden, staat daar tegenover, dat het wezen en de vorm van vele dezer drachten toch zoo nauw bij de eigenlijke volksdrachten aansluiten, er zoo zeer uit voortkomen en er zich zoodanig mee hebben vermengd, dat deze meestal toch ook ouderwetsche costumeeringen hier noodzakelijk in het kort besproken moeten worden.

Enkele van deze costumes zijn hier in dit boekje afgebeeld en beschreven, om toch vooral ook niet deze zoo typeerende kleedij te vergeten, die door een groot deel van het publiek zoo goed gekend wordt, en die, naast de werkelijke nationale drachten, toch ook veel aardigs en eigens aan de lokale kleur van enkele Hollandsche steden hebben bijgezet. De mooie Amsterdamsche burgerweesjes, die uit Haarlem, uit Leeuwarden en zoovele andere steden, mochten in ditbestek ook niet vergetenworden.

D. Over de beteekenis van onze Nederlandsche nationale kleederdrachten uit een ethisch en aesthetisch oogpunt.Het ware zeer verkeerd onze nationale volks-kleederdrachten de maatstaf van een hooger schoonheidsbeginsel aan te leggen. Zij behooren, als een van de vele monumenten van oude geschiedenis en kunst, geheel gelijk gesteld te worden met de kleinkunst, de gebruikskunst, die uit het volk, uit zijn aard, zeden en gewoonten voortkwam, zonder in wezenlijk of direct verband met de hoogste intellectueele waarde en geestelijke idealen van dat (ons) volk te staan.En omdat ons Nederlandsche volk zich in haar kunstuitingen, zelfs in die van haar beste perioden, steeds meer een volk van particulariseerend gevoel dan van veralgemeenende verstandelijkheid heeft betoond, moet het ook niet verwonderen dat haar volks-kunst, waaronder onze nationale kleederdrachten te rekenen zijn, nooit belangrijker wordt dan wat met wat goede maar boertige smaak, veel werk-kracht en een vroolijke maar oppervlakkige levensbeschouwing bereikt kon worden.Verheffend schoon zijn daarom onze nationale kleederdrachten niet, maar ze zijn levensvol, soms rijk, soms fijn, maar over ’t algemeen meer aardig, merkwaardig en typeerend dan inspireerend. Zij behooren, gelijk zoovele opmerkelijke maar andersgeen hoogere princiepen uitdrukkende meubelkunst en klein-architecteur, tot dat zelfde soort monumenten van onze groote voorgeschiedenis gerekend te worden, waarvan de overblijfselen nog voor een deel in enkele streken van ons land te vinden zijn is in oude buurtjes en grachtjes, huisjes en hoekjes. Als zoodanig hebben zij dus in het werkelijke hedendaagsche leven van ons volk geen beteekenis meer dan die van “curieuse bezienswaardigheid”. Slechts in die gedeelten van ons land waar nog oude of ouderwetsche zeden en gewoonten heerschen, hebben en behouden zij echter alleszins hun reden van bestaan, en .... zijn zij nog de dragers van het levende volks-ideaal.De schoonste van deze drachten zijn voornamelijk die welke door den Frieschen stam gedragen worden, te weten de costumes in Friesland, Urk, Volendam en in Zeeland. Bij deze alle moet een verfijning van vorm en kleurenkeus geconstateerd worden, die op iets hoogers dan het gemiddelde volks-ideaal wijst, die meer geestelijke ontwikkeling en aspiraties verraadt. Ook de meerdere voortreffelijkheid en schoonheid van dit ras boven de andere bewoners van Nederland verklaart de meerdere belangrijkheid en grooter schoonheid van deze drachten boven de andere.Behalve de aristocratische allure die vooral het Friesche costume haar draagsters geeft, het bijzonder groot-burgerlijke van de Hindelooperdracht,de levens-volheid en natuurkracht, waarvan de Urker en Volendammer kleedij getuigt, wordt in deze het toppunt van evenwichtigheid bereikt in het Zeeuwsche costume, dat meer natuurlijk dan zoovele andere drachten (bijv. Marken, Staphorst enz.) alle voordeelen van de eigenheid van het volk, van het ras, op zijn best en het schoonst tot uiting brengt en als onderstreept.In de Zeeuwsche drachten (vooral die van Zuid-Beveland en van Walcheren) komt den wil zich van anderen te onderscheiden, hoogere, meer intellectueeleidealenuit te drukken, dieper levenskijk te hebben zoo volmaakt en zoo harmonieus tot zijn recht in een even smaakvolle als stijlvolle kleedij, die als geïnspireerd en gecomponeerd schijnt op de bijzondere lichamelijke schoonheid van dit zeeuwsch-friesche ras, dat ongetwijfeld het schoonste, en naar den bouw van het lichaam het meest algemeen-menschelijk-normale deel van het nederlandsche volk is.Werkt den aanblik van het Nederlandsche nationale costume dan niet altijd verheffend, is het in zich zelf niet altijd even hygiënisch, lijkt het soms meer vreemd en gezocht dan origineel, soms meer bont dan kleur-rijk, soms meer merkwaardig dan mooi, het geeft in zijn groote verscheidenheid een zeer juisten blik op de Nederlandsche volkspsyche. De klein-burgerlijkheid, die een hoofdkenmerk van ons volk is, en die dikwijls totboerschheid wordt, komt in enkele van die drachten ten zeerste uit, zooals die van Marken, Gelderland en Noord-Brabant. Aan den anderen kant echter zijn er elementen in die volks-kleedij, die zich bijna boven de groot-burgerlijkheid tot een soort regenten-aristocratie verheffen, zooals de provinciale (oude) dracht in Friesland en Zeeland, waar door verfijnden smaak in kleuren en vormen iets hoogers bereikt wordt, al wordt die meer aesthetische werking van deze drachten dan voor een groot deel veroorzaakt door de grootere rasschoonheid van de dragers, en—speciaal van de draagsters.Wil men deze historische drachten, en wat er thans nog van over is, op deze wijze beschouwen, dan blijken ze even waardevol voor de kennis van de Nederlandsche volks-ziel als de oude meubelen, architectuur en het allergrootste deel van onze nationale schilderschool. Ze zullen altijd hun waarde aan hun oprechtheid en waarheidszin blijven ontleenen, zoowel aesthetisch als ethisch, ze zullen aldoor als een werkelijke afspiegeling van den geest en de idealen van ons volk moeten worden erkend.En .... staan zij in dat opzicht lager, of zijn zij minder belangrijke of minder “hooge” kunst dan al het andere, wat ons van het voorgeslacht bleef? Ik betwijfel het. De beste uitingen van onzen Nederlandschen volksaard, op het gebied vanwelke kunst van het verleden of van het heden men het dan ook neme, zijn en blijven, voorzoover het specifiek Hollandsche wat er aan is, toch immers niets anders dan uitingen van “boeren, burgers en buitenlui.”En onze nationale kleederdrachten behooren werkelijk niet tot de minst-belangrijke van die uitingen van “boeren-kunst”!—

Het ware zeer verkeerd onze nationale volks-kleederdrachten de maatstaf van een hooger schoonheidsbeginsel aan te leggen. Zij behooren, als een van de vele monumenten van oude geschiedenis en kunst, geheel gelijk gesteld te worden met de kleinkunst, de gebruikskunst, die uit het volk, uit zijn aard, zeden en gewoonten voortkwam, zonder in wezenlijk of direct verband met de hoogste intellectueele waarde en geestelijke idealen van dat (ons) volk te staan.

En omdat ons Nederlandsche volk zich in haar kunstuitingen, zelfs in die van haar beste perioden, steeds meer een volk van particulariseerend gevoel dan van veralgemeenende verstandelijkheid heeft betoond, moet het ook niet verwonderen dat haar volks-kunst, waaronder onze nationale kleederdrachten te rekenen zijn, nooit belangrijker wordt dan wat met wat goede maar boertige smaak, veel werk-kracht en een vroolijke maar oppervlakkige levensbeschouwing bereikt kon worden.

Verheffend schoon zijn daarom onze nationale kleederdrachten niet, maar ze zijn levensvol, soms rijk, soms fijn, maar over ’t algemeen meer aardig, merkwaardig en typeerend dan inspireerend. Zij behooren, gelijk zoovele opmerkelijke maar andersgeen hoogere princiepen uitdrukkende meubelkunst en klein-architecteur, tot dat zelfde soort monumenten van onze groote voorgeschiedenis gerekend te worden, waarvan de overblijfselen nog voor een deel in enkele streken van ons land te vinden zijn is in oude buurtjes en grachtjes, huisjes en hoekjes. Als zoodanig hebben zij dus in het werkelijke hedendaagsche leven van ons volk geen beteekenis meer dan die van “curieuse bezienswaardigheid”. Slechts in die gedeelten van ons land waar nog oude of ouderwetsche zeden en gewoonten heerschen, hebben en behouden zij echter alleszins hun reden van bestaan, en .... zijn zij nog de dragers van het levende volks-ideaal.

De schoonste van deze drachten zijn voornamelijk die welke door den Frieschen stam gedragen worden, te weten de costumes in Friesland, Urk, Volendam en in Zeeland. Bij deze alle moet een verfijning van vorm en kleurenkeus geconstateerd worden, die op iets hoogers dan het gemiddelde volks-ideaal wijst, die meer geestelijke ontwikkeling en aspiraties verraadt. Ook de meerdere voortreffelijkheid en schoonheid van dit ras boven de andere bewoners van Nederland verklaart de meerdere belangrijkheid en grooter schoonheid van deze drachten boven de andere.

Behalve de aristocratische allure die vooral het Friesche costume haar draagsters geeft, het bijzonder groot-burgerlijke van de Hindelooperdracht,de levens-volheid en natuurkracht, waarvan de Urker en Volendammer kleedij getuigt, wordt in deze het toppunt van evenwichtigheid bereikt in het Zeeuwsche costume, dat meer natuurlijk dan zoovele andere drachten (bijv. Marken, Staphorst enz.) alle voordeelen van de eigenheid van het volk, van het ras, op zijn best en het schoonst tot uiting brengt en als onderstreept.

In de Zeeuwsche drachten (vooral die van Zuid-Beveland en van Walcheren) komt den wil zich van anderen te onderscheiden, hoogere, meer intellectueeleidealenuit te drukken, dieper levenskijk te hebben zoo volmaakt en zoo harmonieus tot zijn recht in een even smaakvolle als stijlvolle kleedij, die als geïnspireerd en gecomponeerd schijnt op de bijzondere lichamelijke schoonheid van dit zeeuwsch-friesche ras, dat ongetwijfeld het schoonste, en naar den bouw van het lichaam het meest algemeen-menschelijk-normale deel van het nederlandsche volk is.

Werkt den aanblik van het Nederlandsche nationale costume dan niet altijd verheffend, is het in zich zelf niet altijd even hygiënisch, lijkt het soms meer vreemd en gezocht dan origineel, soms meer bont dan kleur-rijk, soms meer merkwaardig dan mooi, het geeft in zijn groote verscheidenheid een zeer juisten blik op de Nederlandsche volkspsyche. De klein-burgerlijkheid, die een hoofdkenmerk van ons volk is, en die dikwijls totboerschheid wordt, komt in enkele van die drachten ten zeerste uit, zooals die van Marken, Gelderland en Noord-Brabant. Aan den anderen kant echter zijn er elementen in die volks-kleedij, die zich bijna boven de groot-burgerlijkheid tot een soort regenten-aristocratie verheffen, zooals de provinciale (oude) dracht in Friesland en Zeeland, waar door verfijnden smaak in kleuren en vormen iets hoogers bereikt wordt, al wordt die meer aesthetische werking van deze drachten dan voor een groot deel veroorzaakt door de grootere rasschoonheid van de dragers, en—speciaal van de draagsters.

Wil men deze historische drachten, en wat er thans nog van over is, op deze wijze beschouwen, dan blijken ze even waardevol voor de kennis van de Nederlandsche volks-ziel als de oude meubelen, architectuur en het allergrootste deel van onze nationale schilderschool. Ze zullen altijd hun waarde aan hun oprechtheid en waarheidszin blijven ontleenen, zoowel aesthetisch als ethisch, ze zullen aldoor als een werkelijke afspiegeling van den geest en de idealen van ons volk moeten worden erkend.

En .... staan zij in dat opzicht lager, of zijn zij minder belangrijke of minder “hooge” kunst dan al het andere, wat ons van het voorgeslacht bleef? Ik betwijfel het. De beste uitingen van onzen Nederlandschen volksaard, op het gebied vanwelke kunst van het verleden of van het heden men het dan ook neme, zijn en blijven, voorzoover het specifiek Hollandsche wat er aan is, toch immers niets anders dan uitingen van “boeren, burgers en buitenlui.”

En onze nationale kleederdrachten behooren werkelijk niet tot de minst-belangrijke van die uitingen van “boeren-kunst”!—

E. Litteratuur over de Nederlandsche nationale kleederdrachten.Alvorens tot een korte beschrijving van die nationale drachten, zooals zij thans (1916) zijn, over te gaan, moge hier een kort overzicht volgen van de publicaties die—voor dezen—over dit onderwerp zijn verschenen. Een blik op de goede, of goed bedoelde beschrijvingen en afbeeldingen van deze drachten, hoe zij waren en zijn, en tevens een woord over de slechte en niet goede afbeeldingen, kan hier hen, die omtrent dit onderwerp meer willen weten, een korte leiddraad geven.Want beide soort publicaties over onze zooveel bewonderde en tegelijk zoo zeer gesmade en belachelijk gemaakte nationale drachten, moge hier eenige critiek vinden.In ’t algemeen mag gezegd, dat de goed-bedoelde, zoowel als de slechte beschrijvingen en afbeeldingen van deze costumes, ieder het hunne hebben bijgedragenom de kennis en waardeering in de war te brengen.Enkele goede, en meer wetenschappelijke, d. w. z. meerjuistebeschrijvingen daargelaten, moet het meeste van wat over dit hoogst belangrijke maar uiterst omvangrijke onderwerp werd gepubliceerd, tot de romantische en lyrische proza en poëzie gerekend worden. Bijna steeds waren het slechts phantasieën die men gaf, prent-verbeeldingen, plaatjes, groepjes die wel het schilderachtige, het aardige, lieve en typeerende van het uiterlijke dezer drachten gaven, maar meer ook niet. Zoo is een van de eerste publicaties op dit gebied, de uitgave van J. le Francq van Berkhey uit 1773, meer bezingend dan beschrijvend. Behalve een zeer objectief boekje over Hindeloopen, dat in 1855 te Leeuwarden verscheen, zijn de publicaties van E. Maaskamp uit 1803 en de Karakter-schetsen, kleederdrachten, enz. in 1842 door de Nederlandsche Maatschappij van Schoone Kunsten in Den Haag gepubliceerd, niet anders dan prentenboeken te noemen, waarbij den text meer lyrische ontboezemingen zijn, dan beschrijvingen.Zoo is het ook met de lithographische platen van Valentijn Bing en Braet von Ueberfeldt, in 1857 uitgegeven, ofschoon hier een paar prenten met goede détails aan zijn toegevoegd.De vele atlassen, die in de bibliotheek van het Rijks Museum, en in de verschillende oudheidkundigegenootschappen bijeengebracht zijn, waaronder de verzameling van F. Muller (Amsterdam 1879) wel een van de voornaamste is, bevatten slechts losse platen, met geen of te weinig beschrijvenden text. De voorstellingen uit den tijd vóór dat de photographie in dienst van deze wetenschappelijke onderzoekingen werd gesteld, zijn allen te “artistiek”, geven te kennelijk slechts den persoonlijken indruk van den lithograaph of teekenaar weer. De meeste van deze voorstellingen zijn dan ook geen objectieve afbeeldingen van bepaalde costumes, het zijn slechts “tafreelen”: “een boer”, “een dienstmeid”, zonder verder te praeciseeren.De geschiedenis van de nationale kleederdrachten, die uitditmateriaal alléén zou moeten worden samengesteld, zou derhalve een zeer twijfelachtige wetenschappelijke waarde krijgen.Later begon men echter juister beschrijvingen van de nationale drachten te geven, toen ook de photographische afbeelding bespreking van dit onderwerp in verschillende tijdschriften toeliet.Een van de eersten die stelsel-matig in dezen te werk ging, was Mr. J. E. van Someren Brand. Reeds in 1893 verschenen opstellen van zijn hand over speciale détails van dit omvangrijke studie-vak, in Elseviers maandschrift. Bijzonder mooi geïllustreerde opstellen verschenen later in ditzelfde tijdschrift, in Buiten, en andere periodieken. Het meest complete en het meest als een wetenschappelijke verhandelingbedoelde werk, is echter de reeds hierboven genoemde standaard-uitgave van Professor J. H. Gallée, over “het Boerenhuis in Nederland en zijn bewoners.”Een geheel zelfstandige serie platen en een opstel van Professor Gallée zelve, en een over de Anthropologische samenstelling van de bevolking van Nederland, van de hand van Prof. L. Bolk, is aan deze uitgave—die eigenlijk in hoofdzaak over de boerenwoningen gaat—toegevoegd.Hoe voortreffelijk dit werk echter ook moge zijn, moet toch betreurd, dat Professor Gallée waarschijnlijk niet over de noodige bladzijden voor text en illustratie kon beschikken, om niet alleen het uiterlijk aspect van enkele onzer nationale drachten af te beelden en tè globaal te beschrijven, maar om ook de onderkleeding te hebben kunnen behandelen. Bovendien missen deze prenten, die alle naar photographie genomen zijn, de kleur. En, die kleur is een zoo belangrijke factor in die kleurvolle en kleurige volks-kleedij, dat ze, zonder deze, niet in afbeeldingen in zwart te begrijpen is.Voor Zeeland publiceerden Dr. J. C. de Man en J. A. Frederiks in 1894 een beschrijving van de Zeeuwsche drachten. Ook verscheen een plaat in kleuren waarop alle Zeeuwsche kleederdrachten, tot een schilderachtige groep vereenigd, staan afgebeeld. Deze plaat werd uitgegeven onder leiding van Mr. J. E. van Someren Brand, den bijeenbrengervan een hoogst belangrijke collectie costumepoppen. Ofschoon deze prent, naar omstandigheden, (lithographie in kleuren naar een kleurlooze photo) zeer belangrijk is, is ze niet voldoende. Het is ondertusschen te bejammeren, dat van de andere provincies niet dergelijke prent-verbeeldingen zijn gemaakt. Deze plaat werd uitgegeven door de Uitgevers Mij. Elsevier, in 1894.Een nog altijd niet geschreven standaardwerk over onze nationale kleederdrachten zal niet alléén de boven, maar ook de onderkleeren in al haar détails moeten beschrijven en afbeelden, niet alléén in zwart, maar ook (en vooral) in kleur. En niet alléén zal het “effect” dat deze drachten op den beschouwer maken, moeten worden weergegeven, maar vóór alles het wezen, de ware vorm, de constructie van die kleedij in schematische verbeeldingen moeten worden vastgelegd, ondersteund door photo’s naar de dragers en draagsters zelf, opdat ook de wijze van dragen, de habitus der bevolking, hun uiterlijke ras-eigenaardigheden voor het nageslacht duidelijk bewaard mogen blijven.Tot zoover over de goed-bedoelde en goede publicaties over onze nationale drachten. Thans over de slechte, de verkeerde, zelfs de leugenachtige. En tot deze laatste moeten vooral de duizende prentbriefkaarten gerekend worden die in de laatste tien jaren, in den handel zijn gebracht.Behalve dat deze prentjes slechts “kiekjes”, “plaatjes” te zien geven, zijn de gekleurde uitgaven, die in deze bestaan, meestal in het buitenland vervaardigd, en daardoor in den regel hopeloos verkeerd. Ze accentueeren het bonte, boersche, onbeschaafde, door foutieve op-kleuring nog meer, zoodat deze verkeerde series veel misverstand omtrent onze nationale kleedij in de wereld gebracht hebben.Maar niet minder zijn daar de vele reclameplaten schuld aan, en de wijze, waarop zich (vooral de Amerikaansche) reclame van een zoo dankbaar en “dutchy” (lees: mal) motief heeft meester gemaakt als de Hollandsche nationale drachten den niet begrijpenden boodt.Die verkeerde, en dikwijls opzettelijk verkeerdelijk aangedikte voorstellingen hebben onze nationale kleederdrachten in het oog van den buitenlander (en—terugwerkend, in het oog van vele Hollanders) een zeer slechten roep bezorgd. Zelfs ging een deel van deze verkeerde gedachten op Holland en de Hollanders over.Dit kon des te makkelijker, omdat de kennis van de algemeene aardrijkskunde, en speciaal van het kleine Nederland, in de groote landen (vooral Amerika, Engeland, Frankrijk) onder het “beschaafde publiek” niet bijzonder ontwikkeld is.Men is toen, in dat groote buitenland, die boerschheid, onbeschaafdheid en lachwekkende logheid,die men, door die verkeerde voorstellingen, gedwongen werd te zien, voorden geest van Holland en zijn bewonersgaan houden. En dit heeft een juist begrip omtrent en kennis van het ware Holland in de wereld niet bevorderd.En toch—dit alles had voor een deel vermeden kunnen worden, zoo er een goed standaardwerk over onze nationale kleederdrachten bestaan had. Maar tot nog toe hebben onze nationale kleederdrachten, ofschoon zij evenzeer een levende uiting van den geest der vaderen zijn, nog niet die aandacht der officieele en wetenschappelijke wereld tot zich getrokken, die zij om zooveel redenen werkelijk verdienden.Hier blijft thans nog de collectie aangekleede poppen te vermelden, die in de verschillende musea in den lande de herinnering aan die nationale drachten levendig zullen houden, als die drachten zelf dan niet meer door de bevolking zullen worden gedragen, en .... als die poppen en hun kleedij tegen dien tijd niet door de mot en andere oorzaken zullen zijn vergaan.Reeds in 1898 werd door Mr. J. E. van Someren Brand, toenmaals Directeur van het Stedelijk Museum te Amsterdam, een verzameling van ongeveer honderd verschillende nationale costumes tezamen gebracht, die in hooge mate merkwaardig is. Deze belangrijke collectie, die tot September1916 in het Rijks Museum te Amsterdam te zien was en waar zij, om zooveel redenen, op deeenigehaartoekomendeplaats was, is sinds dien, jammer genoeg, naar het openlucht Museum te Arnhem “uitgewezen.”Behalve deze collectie zijn minder omvangrijke verzamelingen van meer plaatselijke costumes, op poppen gemonteerd, in de musea van Middelburg, Leeuwarden, Hindeloopen en andere steden opgesteld.En behalve deze poppen, worden in menige familie enkele ouderwetsche drachten in hun geheel of in gedeelten als kostbare—maar doode—herinneringen aan het voorgeslacht bewaard. Vooral is dit het geval in Friesland, waar echter nu en dan den gewestelijken geest weer levend wordt, zoodat bij bijzondere feestelijkheden deze costumes nog wel voor den dag komen, om te getuigen, dat het gevoel van eigenheid nu en dan nog wakker kan worden.Maar behalve deze hier in ’t kort opgesomde beschrijvingen en plaatjesachtige verbeeldingen, deze prent-briefkaarten en poppen in nationaal costume en die enkele, in oude kasten en stoffige doozen bewaarde kleedingstukken, is van de nationale drachten in ons land niets over, dan wat er in de verschillende streken nog gedragen wordt, heele, halve, veranderde en onjuiste kleeding, die zoo is, omdat ze zoo is, waar moeielijk eenigejuiste en wetenschappelijke critiek op gegeven kan worden en die de eenige reëele bron is voor onze kennis van dit bijzondere monument van echt Hollandsche geschiedenis en kunst.Een korte inventariseering, van dat, wat heden (1916) nog van die nationale volks-kleedij in werkelijkheid over is,beoogtditboekje.

Alvorens tot een korte beschrijving van die nationale drachten, zooals zij thans (1916) zijn, over te gaan, moge hier een kort overzicht volgen van de publicaties die—voor dezen—over dit onderwerp zijn verschenen. Een blik op de goede, of goed bedoelde beschrijvingen en afbeeldingen van deze drachten, hoe zij waren en zijn, en tevens een woord over de slechte en niet goede afbeeldingen, kan hier hen, die omtrent dit onderwerp meer willen weten, een korte leiddraad geven.

Want beide soort publicaties over onze zooveel bewonderde en tegelijk zoo zeer gesmade en belachelijk gemaakte nationale drachten, moge hier eenige critiek vinden.

In ’t algemeen mag gezegd, dat de goed-bedoelde, zoowel als de slechte beschrijvingen en afbeeldingen van deze costumes, ieder het hunne hebben bijgedragenom de kennis en waardeering in de war te brengen.

Enkele goede, en meer wetenschappelijke, d. w. z. meerjuistebeschrijvingen daargelaten, moet het meeste van wat over dit hoogst belangrijke maar uiterst omvangrijke onderwerp werd gepubliceerd, tot de romantische en lyrische proza en poëzie gerekend worden. Bijna steeds waren het slechts phantasieën die men gaf, prent-verbeeldingen, plaatjes, groepjes die wel het schilderachtige, het aardige, lieve en typeerende van het uiterlijke dezer drachten gaven, maar meer ook niet. Zoo is een van de eerste publicaties op dit gebied, de uitgave van J. le Francq van Berkhey uit 1773, meer bezingend dan beschrijvend. Behalve een zeer objectief boekje over Hindeloopen, dat in 1855 te Leeuwarden verscheen, zijn de publicaties van E. Maaskamp uit 1803 en de Karakter-schetsen, kleederdrachten, enz. in 1842 door de Nederlandsche Maatschappij van Schoone Kunsten in Den Haag gepubliceerd, niet anders dan prentenboeken te noemen, waarbij den text meer lyrische ontboezemingen zijn, dan beschrijvingen.

Zoo is het ook met de lithographische platen van Valentijn Bing en Braet von Ueberfeldt, in 1857 uitgegeven, ofschoon hier een paar prenten met goede détails aan zijn toegevoegd.

De vele atlassen, die in de bibliotheek van het Rijks Museum, en in de verschillende oudheidkundigegenootschappen bijeengebracht zijn, waaronder de verzameling van F. Muller (Amsterdam 1879) wel een van de voornaamste is, bevatten slechts losse platen, met geen of te weinig beschrijvenden text. De voorstellingen uit den tijd vóór dat de photographie in dienst van deze wetenschappelijke onderzoekingen werd gesteld, zijn allen te “artistiek”, geven te kennelijk slechts den persoonlijken indruk van den lithograaph of teekenaar weer. De meeste van deze voorstellingen zijn dan ook geen objectieve afbeeldingen van bepaalde costumes, het zijn slechts “tafreelen”: “een boer”, “een dienstmeid”, zonder verder te praeciseeren.

De geschiedenis van de nationale kleederdrachten, die uitditmateriaal alléén zou moeten worden samengesteld, zou derhalve een zeer twijfelachtige wetenschappelijke waarde krijgen.

Later begon men echter juister beschrijvingen van de nationale drachten te geven, toen ook de photographische afbeelding bespreking van dit onderwerp in verschillende tijdschriften toeliet.

Een van de eersten die stelsel-matig in dezen te werk ging, was Mr. J. E. van Someren Brand. Reeds in 1893 verschenen opstellen van zijn hand over speciale détails van dit omvangrijke studie-vak, in Elseviers maandschrift. Bijzonder mooi geïllustreerde opstellen verschenen later in ditzelfde tijdschrift, in Buiten, en andere periodieken. Het meest complete en het meest als een wetenschappelijke verhandelingbedoelde werk, is echter de reeds hierboven genoemde standaard-uitgave van Professor J. H. Gallée, over “het Boerenhuis in Nederland en zijn bewoners.”

Een geheel zelfstandige serie platen en een opstel van Professor Gallée zelve, en een over de Anthropologische samenstelling van de bevolking van Nederland, van de hand van Prof. L. Bolk, is aan deze uitgave—die eigenlijk in hoofdzaak over de boerenwoningen gaat—toegevoegd.

Hoe voortreffelijk dit werk echter ook moge zijn, moet toch betreurd, dat Professor Gallée waarschijnlijk niet over de noodige bladzijden voor text en illustratie kon beschikken, om niet alleen het uiterlijk aspect van enkele onzer nationale drachten af te beelden en tè globaal te beschrijven, maar om ook de onderkleeding te hebben kunnen behandelen. Bovendien missen deze prenten, die alle naar photographie genomen zijn, de kleur. En, die kleur is een zoo belangrijke factor in die kleurvolle en kleurige volks-kleedij, dat ze, zonder deze, niet in afbeeldingen in zwart te begrijpen is.

Voor Zeeland publiceerden Dr. J. C. de Man en J. A. Frederiks in 1894 een beschrijving van de Zeeuwsche drachten. Ook verscheen een plaat in kleuren waarop alle Zeeuwsche kleederdrachten, tot een schilderachtige groep vereenigd, staan afgebeeld. Deze plaat werd uitgegeven onder leiding van Mr. J. E. van Someren Brand, den bijeenbrengervan een hoogst belangrijke collectie costumepoppen. Ofschoon deze prent, naar omstandigheden, (lithographie in kleuren naar een kleurlooze photo) zeer belangrijk is, is ze niet voldoende. Het is ondertusschen te bejammeren, dat van de andere provincies niet dergelijke prent-verbeeldingen zijn gemaakt. Deze plaat werd uitgegeven door de Uitgevers Mij. Elsevier, in 1894.

Een nog altijd niet geschreven standaardwerk over onze nationale kleederdrachten zal niet alléén de boven, maar ook de onderkleeren in al haar détails moeten beschrijven en afbeelden, niet alléén in zwart, maar ook (en vooral) in kleur. En niet alléén zal het “effect” dat deze drachten op den beschouwer maken, moeten worden weergegeven, maar vóór alles het wezen, de ware vorm, de constructie van die kleedij in schematische verbeeldingen moeten worden vastgelegd, ondersteund door photo’s naar de dragers en draagsters zelf, opdat ook de wijze van dragen, de habitus der bevolking, hun uiterlijke ras-eigenaardigheden voor het nageslacht duidelijk bewaard mogen blijven.

Tot zoover over de goed-bedoelde en goede publicaties over onze nationale drachten. Thans over de slechte, de verkeerde, zelfs de leugenachtige. En tot deze laatste moeten vooral de duizende prentbriefkaarten gerekend worden die in de laatste tien jaren, in den handel zijn gebracht.Behalve dat deze prentjes slechts “kiekjes”, “plaatjes” te zien geven, zijn de gekleurde uitgaven, die in deze bestaan, meestal in het buitenland vervaardigd, en daardoor in den regel hopeloos verkeerd. Ze accentueeren het bonte, boersche, onbeschaafde, door foutieve op-kleuring nog meer, zoodat deze verkeerde series veel misverstand omtrent onze nationale kleedij in de wereld gebracht hebben.

Maar niet minder zijn daar de vele reclameplaten schuld aan, en de wijze, waarop zich (vooral de Amerikaansche) reclame van een zoo dankbaar en “dutchy” (lees: mal) motief heeft meester gemaakt als de Hollandsche nationale drachten den niet begrijpenden boodt.

Die verkeerde, en dikwijls opzettelijk verkeerdelijk aangedikte voorstellingen hebben onze nationale kleederdrachten in het oog van den buitenlander (en—terugwerkend, in het oog van vele Hollanders) een zeer slechten roep bezorgd. Zelfs ging een deel van deze verkeerde gedachten op Holland en de Hollanders over.

Dit kon des te makkelijker, omdat de kennis van de algemeene aardrijkskunde, en speciaal van het kleine Nederland, in de groote landen (vooral Amerika, Engeland, Frankrijk) onder het “beschaafde publiek” niet bijzonder ontwikkeld is.

Men is toen, in dat groote buitenland, die boerschheid, onbeschaafdheid en lachwekkende logheid,die men, door die verkeerde voorstellingen, gedwongen werd te zien, voorden geest van Holland en zijn bewonersgaan houden. En dit heeft een juist begrip omtrent en kennis van het ware Holland in de wereld niet bevorderd.

En toch—dit alles had voor een deel vermeden kunnen worden, zoo er een goed standaardwerk over onze nationale kleederdrachten bestaan had. Maar tot nog toe hebben onze nationale kleederdrachten, ofschoon zij evenzeer een levende uiting van den geest der vaderen zijn, nog niet die aandacht der officieele en wetenschappelijke wereld tot zich getrokken, die zij om zooveel redenen werkelijk verdienden.

Hier blijft thans nog de collectie aangekleede poppen te vermelden, die in de verschillende musea in den lande de herinnering aan die nationale drachten levendig zullen houden, als die drachten zelf dan niet meer door de bevolking zullen worden gedragen, en .... als die poppen en hun kleedij tegen dien tijd niet door de mot en andere oorzaken zullen zijn vergaan.

Reeds in 1898 werd door Mr. J. E. van Someren Brand, toenmaals Directeur van het Stedelijk Museum te Amsterdam, een verzameling van ongeveer honderd verschillende nationale costumes tezamen gebracht, die in hooge mate merkwaardig is. Deze belangrijke collectie, die tot September1916 in het Rijks Museum te Amsterdam te zien was en waar zij, om zooveel redenen, op deeenigehaartoekomendeplaats was, is sinds dien, jammer genoeg, naar het openlucht Museum te Arnhem “uitgewezen.”

Behalve deze collectie zijn minder omvangrijke verzamelingen van meer plaatselijke costumes, op poppen gemonteerd, in de musea van Middelburg, Leeuwarden, Hindeloopen en andere steden opgesteld.

En behalve deze poppen, worden in menige familie enkele ouderwetsche drachten in hun geheel of in gedeelten als kostbare—maar doode—herinneringen aan het voorgeslacht bewaard. Vooral is dit het geval in Friesland, waar echter nu en dan den gewestelijken geest weer levend wordt, zoodat bij bijzondere feestelijkheden deze costumes nog wel voor den dag komen, om te getuigen, dat het gevoel van eigenheid nu en dan nog wakker kan worden.

Maar behalve deze hier in ’t kort opgesomde beschrijvingen en plaatjesachtige verbeeldingen, deze prent-briefkaarten en poppen in nationaal costume en die enkele, in oude kasten en stoffige doozen bewaarde kleedingstukken, is van de nationale drachten in ons land niets over, dan wat er in de verschillende streken nog gedragen wordt, heele, halve, veranderde en onjuiste kleeding, die zoo is, omdat ze zoo is, waar moeielijk eenigejuiste en wetenschappelijke critiek op gegeven kan worden en die de eenige reëele bron is voor onze kennis van dit bijzondere monument van echt Hollandsche geschiedenis en kunst.

Een korte inventariseering, van dat, wat heden (1916) nog van die nationale volks-kleedij in werkelijkheid over is,beoogtditboekje.

F. Wat werd en wordt er voor de instandhouding, de belangen en de kennis van de Nederlandsche nationale kleederdrachten gedaan.Ten laatste moge hier nog een korte beschouwing volgen over wat er voor onze zoo beroemde Nederlandsche volksdrachten gedaan werd.In de meeste landen waar eveneens zoo’n belangrijk monument uit het verleden, als wij in onze nationale drachten hebben, is overgebleven, en dat bovendien een monument is, in zich zelf zoo merkwaardig, en dat zóóveel tot de waardeering van ons Hollandsche land, vooral bij den vreemdeling, heeft bijgedragen, wordt van overheidswege alles in het werk gesteld om die volkseigenheid te bestudeeren, te doen voortduren, en ze op allerlei wijze te beschermen.In Nederland evenwel, de liberale leuze getrouw van “laisser faire, laisser aller”, een land, waar tengevolge van die idee kunst geen regeeringszaak is en dus niet beschermd wordt, werd en wordt “officieel” nognietsvoor die nationale kleedijgedaan. Alle pogingen in deze ten goede, gingen en gaan uit vanparticulieren.De verzameling poppen, die tot September 1916 in het Rijks Museum op zijn eigenlijke plaats was, werd door particulier initiatief, door particulier geld bijeengebracht. Ook was het zoo met de verzamelingen in de provinciën, waar zich particulieren, vereenigingen of genootschappen te werk stelden. En deze laatsten hebben zeer goed werk gedaan. Maar de regeering deed niets. Ook dat moge een van de vele factoren zijn, dat de nationale drachten in Nederland, om ’t zoo te zeggen, aan zich zelf overgelaten, zoodanig vervormd, veranderd en “gehavend” werden, en per slot geheel zullen verdwijnen, omdat het dragen er van niet van hooger hand werd aangemoedigd, of op een of andere wijze beloond. De pogingen die in dezen van privé-personen en vereenigingen uitgaan, kunnen echter nooit dat gezag en die overtuigende ernst hebben, die een lands-bestuur aan zijn verordeningen of wenschen geven kan. En al deed en doet de vereeniging Nehilennia in Middelburg ook nog zoo haar best (in een streek trouwens waar ’t nog niet zoo heel erg noodig is) deze en dergelijke vereenigingen zullen toch niet bij machte zijn met goed gevolg tegen de wassende wansmaak en vooroordeelen van de zoogenaamde stads-beschaving te strijden.Een van de beste middelen in deze echter,wordt wel door die Zeeuwsche vereeniging toegepast. Zij speculeert op de ijdelheid van de dragers (meer speciaal van de draagsters) van het nationaal costume. Geen beter middel had zij kunnen bedenken, dan eenige personen in nationale dracht, en daarna diezelfde personen (eenige kinderen) in stads-kleedij te laten photographeeren, Het onderscheid is zóó sterk, dat het de meest van smaak ontbloote mensch treffen moet. Het is, om ’t zoo te noemen, een afschrikwekkend voorbeeld. Zoo aardig en zoo geheel met een eigen cachet als die kinderen er uit zien in hun nationale dracht, zoo leelijk, zoo on-eigen, zoo onbeschaafd zien zij er uit in het “stadsch”. Waarlijk, de boerschheid komt in die kinderen dan eerst werkelijk uit als ze zoogenaamd “beschaafd”, dat is: op zijn stadsch, gekleed zijn, terwijl ze er in hun nationale dracht er heel wat minder boerachtig, minder onbeschaafd uitzien. Met het veranderen van kleeding wordt dus door de boerenbevolking juist het tegenovergestelde bereikt van wat zij bedoelt.En dàt is het wat van overheidswege aan den volke had moeten en kunnen gedemonstreerd worden, dat het niet vernederend of verachtelijk is om de nationale kleedij te dragen, dat ze niet leelijk, niet onbeschaafd is en niet “achterlijk” maakt, maar dat juist het on-oordeelkundig en smakeloos dragen van de moderne stads-kleedij de dragers en draagsters belachelijk en leelijkmaakt. Indien dit aan het volk gedemonstreerd was geworden, zou dit aanschouwelijk onderricht van zeer veel invloed op de nationale drachten gebleken zijn.Want, vooral bij de vrouwen is de indruk, die zij in hun costuum maken, toch nog maar altijd de hoofdzaak. En die ijdelheidsfactor komt de nationale dracht ten goede. Vooral de mooiste, natuurlijkste en meest rationeele drachten, zooals de Friesche en de Zeeuwsche. Zoolang de vrouwen zelf zullen blijven inzien dat die kappen en mutsen van kant, die gouden sieraden, die keurig geplooide doeken en kleurige beuken, die korte mouwen en lage-halsjes-dracht haar goed kleedt, flatteert; .... en zoolang er mannen zullen zijn, die deze schoonheid zullen opmerken .... en het de vrouwen zullen zeggen .... zal de nationale dracht in eere blijven.Het bewijs wordt immers reeds door de praktijk geleverd. Geen dame die in Middelburg of Goes gaat logeerenverzuimthet zich in de “zoo flatteerende” Zeeuwsche dracht te doen photographeeren. En, indien een Friesch meisje al de fijnheid en de ingeboren aristocratische allure van haar ras op het voordeeligst wil doen uitkomen .... dan zet ze een oorijzer op, met een fijne kap en de diamanten speld op het voorhoofd, dan doet ze kleurigzijden jurken aan, het prachtige kanten schortje voor, en witte kousen met lage schoentjes aan.De nationale dracht vindt op die wijze een beschermster in zich zelf en in “de vrouw.”Maar wat haar het meest ten nadeel komt, is dat ze kunstmatig in het leven wordt gehouden ten bate van het vreemdelingenverkeer. Dan verlaagt ze zich in haar dragers en draagsters tot bedelende comedianten.En, omdat dit door buitenlanders reeds zeer duidelijk is opgemerkt, heeft dit soort propaganda van de nationale kleedij, die nationale drachten zelf, haar dragers en ook heel Nederland, in het buitenland zeer veel kwaad gedaan. Er zou van overheidswege tegen geageerd moeten worden.Want met de gebruikelijke onkunde omtrent de Nederlandsche geschiedenis en aardrijkskunde, die in het buitenland zelfs onder de meest ontwikkelde standen heerscht, heeft deze verkeerde “reclame” tot de meest onwelwillende uitleggingen aanleiding gegeven.Zoo werd mij in Amerika’s hoofdstad, Washington D. C., door een dame, een kunst-kritieken-schrijfster, verweten, dat het Nederlandsche volk het bedel-eiland Marken, tot een schande voor heel de Hollandsche natie “in stand hield”. Volgens haar was dat eiland, met huizen, bewoners en kleedij en al,opzettelijkgemaakt om het den vreemdelingen lastig te maken met bedelarijen. Men moge, in Nederland, zeggen dat die dame niet zeer goed op de hoogte was, maar dat verhelptde zaak niet. Dat exploiteeren van de nationale kleederdracht alsvreemdelingen trekkende curiositeitkan niet anders dan tot misbruiken, en tot de daarbij behoorende misvattingen bij den vreemdeling, leiden. En op die wijze zouden de nationale kleederdrachten een middel worden om Nederland in het buitenland, evenals Italië, den naam te bezorgen, dat het zijn oude monumenten alléén exploiteert als middel om “te bedelen”.Maar er is iets anders. Dat wat het meest voor de nationale kleederdrachten noodig was, nog steeds het meest noodig is, zoowel voor tijdgenooten, landgenooten, en vreemdelingen, voor heden en vooral voor de toekomst, dat is een volledige afbeelding en beschrijving van die drachten. En het blijkt, dat een particulier zich daar niet toe zetten kan, tenzij hij een klein fortuin en een belangrijk aantal jaren en zeer veel moeiten aan deze inventariseering ten koste legt. Waar de regeering, de gemeenschap in dezen niet het initiatief neemt en royaal (dat is de eenige goede en mogelijke manier) dit werk zelf ter hand neemt of aan een persoon opdraagt, daar zullen de nationale drachten tevergeefs op den rijken, maar tegelijk kundigen dolenden ridder wachten, die zijn geld, tijd en inzicht geven wil om de schoonheid van deze stervende princes .... zooals men met een beetje goeden wil de nationale kleederdrachten van Nederland metaphorischnoemen kan, in woord en beeld aan het nageslacht over te dragen....Of zal die officieele en particuliere belangstelling en dat initiatief .... echt Hollandsch, ook weer zoo lang op zich laten wachten, totdat het te boek stellen van al die gegevens ..... niet meer mogelijk zal zijn!....

Ten laatste moge hier nog een korte beschouwing volgen over wat er voor onze zoo beroemde Nederlandsche volksdrachten gedaan werd.

In de meeste landen waar eveneens zoo’n belangrijk monument uit het verleden, als wij in onze nationale drachten hebben, is overgebleven, en dat bovendien een monument is, in zich zelf zoo merkwaardig, en dat zóóveel tot de waardeering van ons Hollandsche land, vooral bij den vreemdeling, heeft bijgedragen, wordt van overheidswege alles in het werk gesteld om die volkseigenheid te bestudeeren, te doen voortduren, en ze op allerlei wijze te beschermen.

In Nederland evenwel, de liberale leuze getrouw van “laisser faire, laisser aller”, een land, waar tengevolge van die idee kunst geen regeeringszaak is en dus niet beschermd wordt, werd en wordt “officieel” nognietsvoor die nationale kleedijgedaan. Alle pogingen in deze ten goede, gingen en gaan uit vanparticulieren.

De verzameling poppen, die tot September 1916 in het Rijks Museum op zijn eigenlijke plaats was, werd door particulier initiatief, door particulier geld bijeengebracht. Ook was het zoo met de verzamelingen in de provinciën, waar zich particulieren, vereenigingen of genootschappen te werk stelden. En deze laatsten hebben zeer goed werk gedaan. Maar de regeering deed niets. Ook dat moge een van de vele factoren zijn, dat de nationale drachten in Nederland, om ’t zoo te zeggen, aan zich zelf overgelaten, zoodanig vervormd, veranderd en “gehavend” werden, en per slot geheel zullen verdwijnen, omdat het dragen er van niet van hooger hand werd aangemoedigd, of op een of andere wijze beloond. De pogingen die in dezen van privé-personen en vereenigingen uitgaan, kunnen echter nooit dat gezag en die overtuigende ernst hebben, die een lands-bestuur aan zijn verordeningen of wenschen geven kan. En al deed en doet de vereeniging Nehilennia in Middelburg ook nog zoo haar best (in een streek trouwens waar ’t nog niet zoo heel erg noodig is) deze en dergelijke vereenigingen zullen toch niet bij machte zijn met goed gevolg tegen de wassende wansmaak en vooroordeelen van de zoogenaamde stads-beschaving te strijden.

Een van de beste middelen in deze echter,wordt wel door die Zeeuwsche vereeniging toegepast. Zij speculeert op de ijdelheid van de dragers (meer speciaal van de draagsters) van het nationaal costume. Geen beter middel had zij kunnen bedenken, dan eenige personen in nationale dracht, en daarna diezelfde personen (eenige kinderen) in stads-kleedij te laten photographeeren, Het onderscheid is zóó sterk, dat het de meest van smaak ontbloote mensch treffen moet. Het is, om ’t zoo te noemen, een afschrikwekkend voorbeeld. Zoo aardig en zoo geheel met een eigen cachet als die kinderen er uit zien in hun nationale dracht, zoo leelijk, zoo on-eigen, zoo onbeschaafd zien zij er uit in het “stadsch”. Waarlijk, de boerschheid komt in die kinderen dan eerst werkelijk uit als ze zoogenaamd “beschaafd”, dat is: op zijn stadsch, gekleed zijn, terwijl ze er in hun nationale dracht er heel wat minder boerachtig, minder onbeschaafd uitzien. Met het veranderen van kleeding wordt dus door de boerenbevolking juist het tegenovergestelde bereikt van wat zij bedoelt.

En dàt is het wat van overheidswege aan den volke had moeten en kunnen gedemonstreerd worden, dat het niet vernederend of verachtelijk is om de nationale kleedij te dragen, dat ze niet leelijk, niet onbeschaafd is en niet “achterlijk” maakt, maar dat juist het on-oordeelkundig en smakeloos dragen van de moderne stads-kleedij de dragers en draagsters belachelijk en leelijkmaakt. Indien dit aan het volk gedemonstreerd was geworden, zou dit aanschouwelijk onderricht van zeer veel invloed op de nationale drachten gebleken zijn.

Want, vooral bij de vrouwen is de indruk, die zij in hun costuum maken, toch nog maar altijd de hoofdzaak. En die ijdelheidsfactor komt de nationale dracht ten goede. Vooral de mooiste, natuurlijkste en meest rationeele drachten, zooals de Friesche en de Zeeuwsche. Zoolang de vrouwen zelf zullen blijven inzien dat die kappen en mutsen van kant, die gouden sieraden, die keurig geplooide doeken en kleurige beuken, die korte mouwen en lage-halsjes-dracht haar goed kleedt, flatteert; .... en zoolang er mannen zullen zijn, die deze schoonheid zullen opmerken .... en het de vrouwen zullen zeggen .... zal de nationale dracht in eere blijven.

Het bewijs wordt immers reeds door de praktijk geleverd. Geen dame die in Middelburg of Goes gaat logeerenverzuimthet zich in de “zoo flatteerende” Zeeuwsche dracht te doen photographeeren. En, indien een Friesch meisje al de fijnheid en de ingeboren aristocratische allure van haar ras op het voordeeligst wil doen uitkomen .... dan zet ze een oorijzer op, met een fijne kap en de diamanten speld op het voorhoofd, dan doet ze kleurigzijden jurken aan, het prachtige kanten schortje voor, en witte kousen met lage schoentjes aan.

De nationale dracht vindt op die wijze een beschermster in zich zelf en in “de vrouw.”

Maar wat haar het meest ten nadeel komt, is dat ze kunstmatig in het leven wordt gehouden ten bate van het vreemdelingenverkeer. Dan verlaagt ze zich in haar dragers en draagsters tot bedelende comedianten.

En, omdat dit door buitenlanders reeds zeer duidelijk is opgemerkt, heeft dit soort propaganda van de nationale kleedij, die nationale drachten zelf, haar dragers en ook heel Nederland, in het buitenland zeer veel kwaad gedaan. Er zou van overheidswege tegen geageerd moeten worden.

Want met de gebruikelijke onkunde omtrent de Nederlandsche geschiedenis en aardrijkskunde, die in het buitenland zelfs onder de meest ontwikkelde standen heerscht, heeft deze verkeerde “reclame” tot de meest onwelwillende uitleggingen aanleiding gegeven.

Zoo werd mij in Amerika’s hoofdstad, Washington D. C., door een dame, een kunst-kritieken-schrijfster, verweten, dat het Nederlandsche volk het bedel-eiland Marken, tot een schande voor heel de Hollandsche natie “in stand hield”. Volgens haar was dat eiland, met huizen, bewoners en kleedij en al,opzettelijkgemaakt om het den vreemdelingen lastig te maken met bedelarijen. Men moge, in Nederland, zeggen dat die dame niet zeer goed op de hoogte was, maar dat verhelptde zaak niet. Dat exploiteeren van de nationale kleederdracht alsvreemdelingen trekkende curiositeitkan niet anders dan tot misbruiken, en tot de daarbij behoorende misvattingen bij den vreemdeling, leiden. En op die wijze zouden de nationale kleederdrachten een middel worden om Nederland in het buitenland, evenals Italië, den naam te bezorgen, dat het zijn oude monumenten alléén exploiteert als middel om “te bedelen”.

Maar er is iets anders. Dat wat het meest voor de nationale kleederdrachten noodig was, nog steeds het meest noodig is, zoowel voor tijdgenooten, landgenooten, en vreemdelingen, voor heden en vooral voor de toekomst, dat is een volledige afbeelding en beschrijving van die drachten. En het blijkt, dat een particulier zich daar niet toe zetten kan, tenzij hij een klein fortuin en een belangrijk aantal jaren en zeer veel moeiten aan deze inventariseering ten koste legt. Waar de regeering, de gemeenschap in dezen niet het initiatief neemt en royaal (dat is de eenige goede en mogelijke manier) dit werk zelf ter hand neemt of aan een persoon opdraagt, daar zullen de nationale drachten tevergeefs op den rijken, maar tegelijk kundigen dolenden ridder wachten, die zijn geld, tijd en inzicht geven wil om de schoonheid van deze stervende princes .... zooals men met een beetje goeden wil de nationale kleederdrachten van Nederland metaphorischnoemen kan, in woord en beeld aan het nageslacht over te dragen....

Of zal die officieele en particuliere belangstelling en dat initiatief .... echt Hollandsch, ook weer zoo lang op zich laten wachten, totdat het te boek stellen van al die gegevens ..... niet meer mogelijk zal zijn!....


Back to IndexNext