Naschrift.Ik heb den text voor dit boekje in den zomer van 1916 saamgesteld. Eerst in 1917 kon ik de proeven corrigeeren en meen thans nog de volgende bemerkingen te mogen maken. De invloed die de oorlog ook op de Nederlandsche nationale kleederdrachten thans reeds heeft zal echter pas duidelijk later overzien kunnen worden.Het bleek mij bij de onderzoekingen die ik in deze laatste jaren deed, dat ook de grondstoffen waaruit die nationale drachten vervaardigd worden gaandeweg gaan ontbreken, omdat van deze zooveel uit het buitenland moet worden aangevoerd.Zoo vernam ik van een mutsen-maakster in de Meierij dat de bloemen, die voor de poffers gebruikt worden, niet meer worden ingevoerd. De echte (Belgische) kant is ook niet meer te krijgen, of ze wordt te duur. Daardoor wordt de inheemsche dracht een onbereikbare luxe voor velen die nog gaarne de oude traditie getrouw zouden willen blijven. Menmoetwel tot de gewone stads-kleedij overgaan.Zoo kwam mij eveneens ter oore dat in de Baronie veel boerinnen te ver van plaatsen wonen waar mutsen-opdoensters wonen. Ze kunnen hunmutsen niet meer gestreken krijgen, het loont niet meer dit vak te beoefenen.Verscheidene geweven stoffen, zooals voor de drachten van Volendam en Marken worden schaarsch.Ook heeft de groote watervloed die in het voorjaar van 1916 Noord-Holland, en speciaal Marken en Volendam teisterde, het aspect van de huizenveranderd, ze meer modern gemaakt, waardoor de oude dracht niet meer in overeenstemming met de nieuwere woningen is.En er is een on-miskenbare wisselwerking tusschen de huizen waarin de menschen wonen en de vorm en kleur van hun kleedij.Zoo verdwijnt langzaam-aan de volks-eigen dracht door allerlei oorzaken, en, in deze oorlogstijd zelfs tegen den wil der bevolking in. Thans, in deze jaren, was het den tijd de complete gegevens omtrent deze costumes te verzamelen, vóór dat misschien nog erger gevolgen van den wereldoorlog ons land treffen en er voorshands voor bestudeering van het oude geen tijd en geld en energie meer beschikbaar zal zijn, als wellicht de hernieuwing en de omvorming van het heden en het opbouwen van een ander-soortsche toekomst alle krachten van allen vergen zal.Het bleek mij dat deze zeer veel tijd rovende en bijzonder kostbare studiën niet langer als privaat-onderneming konden worden voortgezet, en daarom ook meende ik zelfs in deze tijden eenpoging te mogen wagen om de belangstelling van ’s Rijks Regeering voor de Nederlandsche nationale kleederdrachten te wekken. In het begin van 1916 richtte ik een verzoek tot Z. Ex. den Minister van Binnenlandsche Zaken om het bijeenbrengen van gegevens en afbeeldingen van die drachten te willen subsidieeren.De minister vroeg om advies bij de Koninklijke Academie van wetenschappen. Deze adviseerde gunstig. De Regeering stelde mij daarop een subsidie in uitzicht en mijn plannen als zoodanig ondervonden schijnbaar een veelzijdige sympathie.Toch kwam van al deze goede bedoelingen en goeden wil niets terecht.Dr. A. Pit, Directeur van het Nederlandsch Museum van Geschiedenis en Kunst te Amsterdam, onder wiens Directie de zoo fraaie verzameling van poppen in nationale kleedij uit het Rijksmuseum was uitgewezen, en die door den minister was opgedragen toezicht op mijn werk te houden, heeft de uitvoering van deze plannen, nog vóór ze begonnen waren, langs den bureaucratisch-administratieven weg onmogelijk gemaakt.Of het later aan iemand anders dan aan mij vergund zal worden deze studiën, met steun van de Regeering te doen, wilikthans niet uitmaken. Maar het is wèl absoluut zeker dat thans een kostbaren tijd en mogelijkheden verloren gaan, die niet terug te winnen zullen zijn, zelfs niet metnog zoo veel geld .... om van den goeden wil en zekere andere voordeelen niet te spreken, die hier te niet gedaan werden.Ik voor mij ben daarom den uitgever dankbaar—en velen zullen met mij hem dankbaar zijn—omdat hij mij in de gelegenheid stelde dit korte overzicht van het materiaal dat ik over de meest belangrijke van deze drachten verzamelde, op deze wijze te publiceeren.Dit is lang niet alles, .... en zeer zeker niet compleet .... maar het is misschien een begin of een aanleiding om later vollediger beschrijvingen te boek te stellen. Later .... als het dan tenminste nog kan ....Want het is thans, op elk gebied, de groote tijd waarinallesveranderd, de tijd, waarin het oude verdwijnt, om in de toekomst wellicht geen enkel spoor na te laten. Zoodat ieder jaar, dat de beschrijving en afbeelding van onze Nederlandsche nationale kleederdrachten, ten pleiziere van welke groep, welk groepje of wiens persoon, omdat het niet van hen uitgaat, of om welke “redenen” dan ook, vertraagd of onmogelijk gemaakt wordt,een vergrijp is tegen de Historie van Nederland, een vergrijp ook tegen een redelijke wetenschappelijkheid, tegen een werkelijke levende beoefening van een practische—en daardoor waardevolle—kunsthistorie.Juni 1917. Th. Molkenboer.
Naschrift.Ik heb den text voor dit boekje in den zomer van 1916 saamgesteld. Eerst in 1917 kon ik de proeven corrigeeren en meen thans nog de volgende bemerkingen te mogen maken. De invloed die de oorlog ook op de Nederlandsche nationale kleederdrachten thans reeds heeft zal echter pas duidelijk later overzien kunnen worden.Het bleek mij bij de onderzoekingen die ik in deze laatste jaren deed, dat ook de grondstoffen waaruit die nationale drachten vervaardigd worden gaandeweg gaan ontbreken, omdat van deze zooveel uit het buitenland moet worden aangevoerd.Zoo vernam ik van een mutsen-maakster in de Meierij dat de bloemen, die voor de poffers gebruikt worden, niet meer worden ingevoerd. De echte (Belgische) kant is ook niet meer te krijgen, of ze wordt te duur. Daardoor wordt de inheemsche dracht een onbereikbare luxe voor velen die nog gaarne de oude traditie getrouw zouden willen blijven. Menmoetwel tot de gewone stads-kleedij overgaan.Zoo kwam mij eveneens ter oore dat in de Baronie veel boerinnen te ver van plaatsen wonen waar mutsen-opdoensters wonen. Ze kunnen hunmutsen niet meer gestreken krijgen, het loont niet meer dit vak te beoefenen.Verscheidene geweven stoffen, zooals voor de drachten van Volendam en Marken worden schaarsch.Ook heeft de groote watervloed die in het voorjaar van 1916 Noord-Holland, en speciaal Marken en Volendam teisterde, het aspect van de huizenveranderd, ze meer modern gemaakt, waardoor de oude dracht niet meer in overeenstemming met de nieuwere woningen is.En er is een on-miskenbare wisselwerking tusschen de huizen waarin de menschen wonen en de vorm en kleur van hun kleedij.Zoo verdwijnt langzaam-aan de volks-eigen dracht door allerlei oorzaken, en, in deze oorlogstijd zelfs tegen den wil der bevolking in. Thans, in deze jaren, was het den tijd de complete gegevens omtrent deze costumes te verzamelen, vóór dat misschien nog erger gevolgen van den wereldoorlog ons land treffen en er voorshands voor bestudeering van het oude geen tijd en geld en energie meer beschikbaar zal zijn, als wellicht de hernieuwing en de omvorming van het heden en het opbouwen van een ander-soortsche toekomst alle krachten van allen vergen zal.Het bleek mij dat deze zeer veel tijd rovende en bijzonder kostbare studiën niet langer als privaat-onderneming konden worden voortgezet, en daarom ook meende ik zelfs in deze tijden eenpoging te mogen wagen om de belangstelling van ’s Rijks Regeering voor de Nederlandsche nationale kleederdrachten te wekken. In het begin van 1916 richtte ik een verzoek tot Z. Ex. den Minister van Binnenlandsche Zaken om het bijeenbrengen van gegevens en afbeeldingen van die drachten te willen subsidieeren.De minister vroeg om advies bij de Koninklijke Academie van wetenschappen. Deze adviseerde gunstig. De Regeering stelde mij daarop een subsidie in uitzicht en mijn plannen als zoodanig ondervonden schijnbaar een veelzijdige sympathie.Toch kwam van al deze goede bedoelingen en goeden wil niets terecht.Dr. A. Pit, Directeur van het Nederlandsch Museum van Geschiedenis en Kunst te Amsterdam, onder wiens Directie de zoo fraaie verzameling van poppen in nationale kleedij uit het Rijksmuseum was uitgewezen, en die door den minister was opgedragen toezicht op mijn werk te houden, heeft de uitvoering van deze plannen, nog vóór ze begonnen waren, langs den bureaucratisch-administratieven weg onmogelijk gemaakt.Of het later aan iemand anders dan aan mij vergund zal worden deze studiën, met steun van de Regeering te doen, wilikthans niet uitmaken. Maar het is wèl absoluut zeker dat thans een kostbaren tijd en mogelijkheden verloren gaan, die niet terug te winnen zullen zijn, zelfs niet metnog zoo veel geld .... om van den goeden wil en zekere andere voordeelen niet te spreken, die hier te niet gedaan werden.Ik voor mij ben daarom den uitgever dankbaar—en velen zullen met mij hem dankbaar zijn—omdat hij mij in de gelegenheid stelde dit korte overzicht van het materiaal dat ik over de meest belangrijke van deze drachten verzamelde, op deze wijze te publiceeren.Dit is lang niet alles, .... en zeer zeker niet compleet .... maar het is misschien een begin of een aanleiding om later vollediger beschrijvingen te boek te stellen. Later .... als het dan tenminste nog kan ....Want het is thans, op elk gebied, de groote tijd waarinallesveranderd, de tijd, waarin het oude verdwijnt, om in de toekomst wellicht geen enkel spoor na te laten. Zoodat ieder jaar, dat de beschrijving en afbeelding van onze Nederlandsche nationale kleederdrachten, ten pleiziere van welke groep, welk groepje of wiens persoon, omdat het niet van hen uitgaat, of om welke “redenen” dan ook, vertraagd of onmogelijk gemaakt wordt,een vergrijp is tegen de Historie van Nederland, een vergrijp ook tegen een redelijke wetenschappelijkheid, tegen een werkelijke levende beoefening van een practische—en daardoor waardevolle—kunsthistorie.Juni 1917. Th. Molkenboer.
Ik heb den text voor dit boekje in den zomer van 1916 saamgesteld. Eerst in 1917 kon ik de proeven corrigeeren en meen thans nog de volgende bemerkingen te mogen maken. De invloed die de oorlog ook op de Nederlandsche nationale kleederdrachten thans reeds heeft zal echter pas duidelijk later overzien kunnen worden.
Het bleek mij bij de onderzoekingen die ik in deze laatste jaren deed, dat ook de grondstoffen waaruit die nationale drachten vervaardigd worden gaandeweg gaan ontbreken, omdat van deze zooveel uit het buitenland moet worden aangevoerd.
Zoo vernam ik van een mutsen-maakster in de Meierij dat de bloemen, die voor de poffers gebruikt worden, niet meer worden ingevoerd. De echte (Belgische) kant is ook niet meer te krijgen, of ze wordt te duur. Daardoor wordt de inheemsche dracht een onbereikbare luxe voor velen die nog gaarne de oude traditie getrouw zouden willen blijven. Menmoetwel tot de gewone stads-kleedij overgaan.
Zoo kwam mij eveneens ter oore dat in de Baronie veel boerinnen te ver van plaatsen wonen waar mutsen-opdoensters wonen. Ze kunnen hunmutsen niet meer gestreken krijgen, het loont niet meer dit vak te beoefenen.
Verscheidene geweven stoffen, zooals voor de drachten van Volendam en Marken worden schaarsch.
Ook heeft de groote watervloed die in het voorjaar van 1916 Noord-Holland, en speciaal Marken en Volendam teisterde, het aspect van de huizenveranderd, ze meer modern gemaakt, waardoor de oude dracht niet meer in overeenstemming met de nieuwere woningen is.
En er is een on-miskenbare wisselwerking tusschen de huizen waarin de menschen wonen en de vorm en kleur van hun kleedij.
Zoo verdwijnt langzaam-aan de volks-eigen dracht door allerlei oorzaken, en, in deze oorlogstijd zelfs tegen den wil der bevolking in. Thans, in deze jaren, was het den tijd de complete gegevens omtrent deze costumes te verzamelen, vóór dat misschien nog erger gevolgen van den wereldoorlog ons land treffen en er voorshands voor bestudeering van het oude geen tijd en geld en energie meer beschikbaar zal zijn, als wellicht de hernieuwing en de omvorming van het heden en het opbouwen van een ander-soortsche toekomst alle krachten van allen vergen zal.
Het bleek mij dat deze zeer veel tijd rovende en bijzonder kostbare studiën niet langer als privaat-onderneming konden worden voortgezet, en daarom ook meende ik zelfs in deze tijden eenpoging te mogen wagen om de belangstelling van ’s Rijks Regeering voor de Nederlandsche nationale kleederdrachten te wekken. In het begin van 1916 richtte ik een verzoek tot Z. Ex. den Minister van Binnenlandsche Zaken om het bijeenbrengen van gegevens en afbeeldingen van die drachten te willen subsidieeren.
De minister vroeg om advies bij de Koninklijke Academie van wetenschappen. Deze adviseerde gunstig. De Regeering stelde mij daarop een subsidie in uitzicht en mijn plannen als zoodanig ondervonden schijnbaar een veelzijdige sympathie.
Toch kwam van al deze goede bedoelingen en goeden wil niets terecht.
Dr. A. Pit, Directeur van het Nederlandsch Museum van Geschiedenis en Kunst te Amsterdam, onder wiens Directie de zoo fraaie verzameling van poppen in nationale kleedij uit het Rijksmuseum was uitgewezen, en die door den minister was opgedragen toezicht op mijn werk te houden, heeft de uitvoering van deze plannen, nog vóór ze begonnen waren, langs den bureaucratisch-administratieven weg onmogelijk gemaakt.
Of het later aan iemand anders dan aan mij vergund zal worden deze studiën, met steun van de Regeering te doen, wilikthans niet uitmaken. Maar het is wèl absoluut zeker dat thans een kostbaren tijd en mogelijkheden verloren gaan, die niet terug te winnen zullen zijn, zelfs niet metnog zoo veel geld .... om van den goeden wil en zekere andere voordeelen niet te spreken, die hier te niet gedaan werden.
Ik voor mij ben daarom den uitgever dankbaar—en velen zullen met mij hem dankbaar zijn—omdat hij mij in de gelegenheid stelde dit korte overzicht van het materiaal dat ik over de meest belangrijke van deze drachten verzamelde, op deze wijze te publiceeren.
Dit is lang niet alles, .... en zeer zeker niet compleet .... maar het is misschien een begin of een aanleiding om later vollediger beschrijvingen te boek te stellen. Later .... als het dan tenminste nog kan ....
Want het is thans, op elk gebied, de groote tijd waarinallesveranderd, de tijd, waarin het oude verdwijnt, om in de toekomst wellicht geen enkel spoor na te laten. Zoodat ieder jaar, dat de beschrijving en afbeelding van onze Nederlandsche nationale kleederdrachten, ten pleiziere van welke groep, welk groepje of wiens persoon, omdat het niet van hen uitgaat, of om welke “redenen” dan ook, vertraagd of onmogelijk gemaakt wordt,een vergrijp is tegen de Historie van Nederland, een vergrijp ook tegen een redelijke wetenschappelijkheid, tegen een werkelijke levende beoefening van een practische—en daardoor waardevolle—kunsthistorie.
Juni 1917. Th. Molkenboer.